Scheefstand van het hoofd (torticollis)
In overleg met uw behandelend specialist heeft u besloten tot opname van uw kind op een van de verpleegafdelingen van het Radboudumc Amalia kinderziekenhuis. Op deze afdeling zal uw kind een operatie ondergaan in verband met scheefstand van het hoofd (torticollis). In deze folder zijn de belangrijkste zaken voor u op een rij gezet. Informatie over de algemene gang van zaken rond de operatie en het verblijf van uw kind op de verkoeverkamer vindt u in de brochure Behandeling en onderzoek onder anesthesie bij kinderen. Indien u na het lezen van deze folders nog vragen heeft dan kunt u daarmee altijd terecht bij uw behandelend arts of de verpleegkundige van de afdeling. Torticollis Torticollis is een scheefstand van het hoofd waarbij het enigszins gekanteld en gedraaid staat, en niet of moeizaam recht te houden is. Dit wordt veroorzaakt door verkorting van één van de nekspieren die van achter het oor naar het sleutelbeen loopt. Dit kan leiden tot schedelmisvormingen en gezichtsasymmetrie. De afwijking uit zich meestal binnen enkele weken na de geboorte. Meestal is direct na de geboorte niets te zien. Soms is na een week een verdikking onderin de spier te zien die na enkele maanden weer verdwijnt. Dit is vaak het eerste symptoom en voorloper van de scheefstand. Ontstaan Er lijkt een relatie te zijn tussen een stuitgeboorte en torticollis. Echter, bij kinderen die met een keizersnede geboren werden, komt torticollis ook voor. Verder lijkt er een verband te bestaan tussen torticollis en heupdysplasie. Daarom worden kinderen met torticollis extra onderzocht op een eventuele heupdysplasie. Zie hiervoor de folder Heupdysplasie. Oorzaak van torticollis kan een aangeboren wervelafwijkingen zijn. Dit is door röntgenonderzoek vast te stellen. Niet-aangeboren vormen kunnen het gevolg zijn van ontstekingen in het hoofd-halsgebied, neurologische oorzaken of ongevallen. Behandeling Het eerste half jaar kunnen rekoefeningen door de fysiotherapeut gegeven worden. Bij onvoldoende resultaat na een jaar heeft fysiotherapie geen zin meer en 1
wordt een operatie geadviseerd. Hierbij wordt de spier achter het oor en boven het sleutelbeen gekliefd. Na de operatie komt de afwijking meestal niet terug. Wel blijft een eenmaal aanwezige gezichtsasymmetrie gedeeltelijk bestaan. Wordt de scheefstand niet behandeld dan ontstaat een toenemende gezichtasymmetrie die blijvend is. De operatie Een dag voor de operatie wordt uw kind opgenomen op de verpleegafdeling. Op de opnamedag voert de verpleegkundige een opnamegesprek met u. De pedagogisch medewerker zal u en uw kind begeleiden en voorbereiden op de operatie. Verder komt de anesthesioloog (slaapdokter) kennismaken. U kunt als ouder bij de inleiding van de anesthesie aanwezig zijn. Hierover vindt u meer informatie in het boekje Behandeling of onderzoek onder anesthesie bij kinderen. Voor de operatie komt de operateur en/of de assistent nog langs en worden zonodig nog onderzoeken afgesproken, zoals bijvoorbeeld röntgenonderzoek. Soms is het nodig dat uw kind na de operatie een kraag gaat dragen. Hiervoor moet u dan naar de instrumentmaker. De operateur of de betreffende verpleegkundige zal u hierover meer vertellen. Na de operatie In overleg met de verpleegkundige mag uw kind na de operatie weer langzaam starten met eten en drinken. Als dit goed blijft gaan wordt het infuus verwijderd. In enkele gevallen zal uw kind na de operatie een draintje in het wondgebied hebben om bloed en/of wondvocht af te voeren. Bij geringe drainproductie mag deze meestal de volgende dag worden verwijderd. Om pijn te voorkomen krijgt uw kind voldoende pijnstilling voorgeschreven. Het is belangrijk dat uw kind deze pijnstilling de eerste dagen gebruikt ook als het geen pijn heeft. Hierdoor blijft het hoofd beter in een juiste, rechte houding. Over de pijnbestrijding vindt u ook meer informatie in de brochure Behandeling en onderzoek onder anesthesie bij kinderen. 2
De eerste of tweede dag na de operatie wordt gestart met fysiotherapie. Hij/zij zal uw kind helpen bij het aannemen van een juiste houding. Ook zal hij/zij in overleg met u fysiotherapie voor thuis regelen. Als uw kind na de operatie de kraag moet blijven dragen dan stelt de arts of de instrumentmaker deze bij zodat de houding van uw kind goed blijft. Ontslag Wanneer uw kind weer voldoende hersteld is en alle bovengenoemde zaken (fysiotherapie en eventueel de instrumentmaker) geregeld zijn, mag uw kind weer naar huis, meestal na twee à drie dagen. Bij ontslag wordt een afspraak gemaakt voor poliklinische controle, meestal één tot twee weken na ontslag. Vragen? Heeft u na het lezen van deze folder nog vragen dan kunt u deze stellen via het telefoonnummer aan de achterzijde van deze folder. Voor vragen omtrent de halskraag kunt u contact opnemen met de instrumentmaker, telefoonnummer: 024-361 49 71. 3
Noteer hier uw vragen
08-2015-6143 Contact Medische en verpleegkundige vragen: Polikliniek Kinderchirurgie: 024-361 38 08 (op maandag tot en met vrijdag van 8.15-12.00 uur). Na 12.00 uur alleen spoed Informatie opnameplanning: Planningsbureau Heelkunde: 024-361 45 60 (op maandag tot en met vrijdag van 9.00-10.00 uur Na operatie buiten kantoortijden: Dienstdoende kinderchirurg via de portier: 024 361 11 11 of afdeling het Strand: 024-361 39 24 Radboud universitair medisch centrum