Blad : 1 van 10 TOEPASSINGSGEBIED: Brabant, Drenthe, Groningen, Limburg, Overijssel 1 DOELSTELLING Het tot stand brengen van een kwalitatief goede en veilige hoogbouwleiding voor bestaande hoogbouwobjecten (flats), in deelnetten met een gasdruk tot max. 100 mbar. Deze instructie omschrijft de eisen die gesteld worden aan het vervangen/renoveren van hoogbouwleidingen. 2 TECHNISCHE AFBAKENING De instructie is van toepassing voor het vervangen/renoveren van hoogbouwleidingen in bestaande hoogbouwobjecten. Onder hoogbouwleidingen wordt verstaan dat gedeelte van de gasleidingen in een gebouw met twee of meer aansluitingen boven elkaar. 3 TERMEN EN DEFINITIES Voor termen en definities wordt verwezen naar de in deze instructie vermelde normen en regelgeving en () richtlijn Gzz-0001.R definities en begrippen gas. Aanvullende definities (conform RST-2024): - Hoogbouw: Gebouw met twee of meer aansluitingen boven elkaar op een aansluiting van de hoofdleiding. - Hoogbouwaansluiting: Gasleiding vanaf de hoofdleiding tot en met de hoofdkraan bij de gasmeteropstellingen. - Hoogbouwaansluitleiding: Gasleiding vanaf de hoofdleiding tot aan de isolatiekoppeling, of wanneer deze niet aanwezig is, tot 1 meter binnen de gevel. - Hoogbouwleiding: Gasleiding in hoogbouw gezien vanaf de isolatiekoppeling, of wanneer deze niet aanwezig is, vanaf 1 meter binnen de gevel tot aan de meteropstellingen. Dit is inclusief buizen (zowel horizontaal als verticaal), verbindingen, leidingen naar de meteropstellingen. - Polyfillen: reparatietechniek om capillaire lekken in fitverbindingen van gasleidingen, zonder demontage gasdicht te maken. Voornamelijk wordt deze methode toegepast bij Hennep gefitte verbindingen. 4 WERKWIJZE OF ACTIVITEITEN 4.1 Inleiding Deze instructie is van toepassing op het vervangen of renoveren van bestaande hoogbouwleidingen inclusief gasmeteropstellingen. Het overgangspunt van de hoogbouwaansluitleiding naar de hoogbouwleiding is afhankelijk van de invoermogelijkheid van het hoogbouwobject.
Blad : 2 van 10 4.2 Inleiding Deze instructie is van toepassing op het vervangen of renoveren van bestaande hoogbouwleidingen inclusief gasmeteropstellingen. Het overgangspunt van de hoogbouwaansluitleiding naar de hoogbouwleiding is afhankelijk van de invoermogelijkheid van het hoogbouwobject. Mogelijkheden zijn: Kelders souterrain etc., ca. 1 meter na binnenkomst in het gebouw of vanaf de isolatiekoppeling, (zie figuur 1). Invoerput, na passage van de eerste vloerdoorvoering. Mantelbuisconstructie, na passage van de eerste vloerdoorvoering. De keuze voor het vervangen of renoveren van de bestaande hoogbouwleiding is afhankelijk van de resultaten/bevindingen van de schouwing welke met behulp van het opname formulier (conform RST-2024) uniform uitgevoerd wordt. De Asset engineer bepaalt de werkmethodiek aan de hand van de schouwingsresultaten en het beslismodel (conform RST-2024). Werkmethodieken kunnen zijn: handhaven, vervangen of renoveren. Mede bepalend voor de te kiezen werkmethodiek is de te verwachten restlevensduur van het hoogbouwobject, de zogenaamde gebouwhorizon. Bij werkzaamheden in bestaande hoogbouwobjecten moet men rekening houden met niet standaard situaties en wensen/eisen van de klant/eigenaar. Vroegtijdige afstemming tussen de gebouweneigenaar, bewoners en de projectverantwoordelijke is in het voorbereidingstraject van cruciaal belang. 4.2 Dubbelzijdige aansluitingen Hoogbouwobjecten worden standaard enkelzijdig aangesloten op de hoofdleiding. Dubbelzijdige aansluitingen of doorkoppeling van aansluitleidingen zijn niet meer toegestaan. In bestaande situaties kan dit echter voorkomen. Bij vervanging of renovatie dient een eventuele dubbelzijdige aansluiting of doorkoppeling ongedaan gemaakt te worden (zie fig. 1). Een capaciteitscheck is bepalend of de enkelzijdige hoogbouwaansluitleiding (nieuwe situatie) gehandhaafd kan blijven of verzwaard moet worden. 4.3 Afsluiters in hoogbouwleidingen In bestaande hoogbouwobjecten kunnen in de hoogbouwleidingen afsluiters zijn opgenomen. Bij vervanging van de hoogbouwleidingen worden geen afsluiters meer gemonteerd. Bij renovatiewerkzaamheden worden de afsluiters uit de hoogbouwleidingen verwijderd en niet meer teruggeplaatst.
Blad : 3 van 10 Doorkoppeling en/of dubbelzijdige hoogbouwaansluitleiding verwijderen. Hoogbouw leiding(en) Hoogbouw aansluitleiding Figuur 1 Dubbelzijdige aansluitingen 4.4 Isolatiekoppeling Wanneer een hoogbouwobject aangesloten is d.m.v. een metalen hoogbouwaansluitleiding moet hier een isolatiekoppeling in opgenomen zijn. De plaats van de isolatiekoppeling is afhankelijk op welke wijze de hoogbouwaansluitleiding het hoogbouwobject binnenkomt. Bij binnenkomst van de hoogbouwaansluitleiding in kelders of souterrains ca. 1 meter na passeren van de geveldoorvoer (zie figuur 3 blz. 10). Bij invoer van een stalen hoogbouwaansluitleiding tot in een invoerput moet een isolatiekoppeling gemonteerd worden. Montage van de isolatiekoppeling kan in de invoerput of direct na passage van de eerste vloerdoorvoering. Bij toepassing van een kunststof hoogbouwaansluitleiding tot in het hoogbouwobject door een gebogen mantelbuisconstructie, of door een rechte mantelbuis tot in een invoerput, hoeft geen isolatiekoppeling gemonteerd te worden.
Blad : 4 van 10 5 WERKMETHODIEKEN 5.1 Vervanging van hoogbouwleidingen Het vervangen van gasleidingsystemen in bestaande hoogbouwobjecten verlangt een gedegen voorbereiding, goede afstemming met de gebouweneigenaar en de bewoners. Ieder bestaand hoogbouwobject heeft zijn eigen kenmerken en/of specifieke aandachtspunten. Anticiperen op deze punten is van cruciaal belang bij vervanging van de hoogbouwleiding. Aandachtspunten kunnen onder andere zijn: Het bestaande leidingtracé kan vanwege een gebouwaanpassing niet meer gevolgd worden. Weggewerkte leidingen, en daardoor niet meer toegankelijk. Meterkasten voldoen niet meer aan de huidige normering. Vloer/wanddoorvoeringen dienen evt. aangepast/hersteld te worden. Extra kosten voor demontage/montage van bouwkundige elementen, wel of niet verrekenbaar. Capaciteitsberekening i.v.m. diameterbepaling nieuwe hoogbouwleiding(en). Uitgangspunt bij het vervangen van de hoogbouwleiding(en) is het geheel vervangen van het inpandige gasleidingsysteem vanaf de isolatiekoppeling, of ca. 1 meter na binnenkomst van de hoogbouwaansluitleiding. Wanneer het horizontale hoogbouwleidingdeel door de kruipruimte is gevoerd, wordt deze vervangen tot 0,5-1 meter buiten de gevel. De buitenbedrijf gestelde leidingen dienen verwijderd te worden. Wanneer om pragmatische redenen verwijderen niet mogelijk is dan dienen de leidingen ontgast en afgedopt te worden. Afhankelijk van de schouwingsresultaten kunnen echter ook delen van de hoogbouwleiding vervangen worden. Dit ter beoordeling door de Asset engineer. Het gelijktijdig vervangen van de gasmeteropstelling is mede een beoordelingscriterium. Vervanging van de hoogbouwleiding(en) moet beschouwd worden als nieuwe aanleg. Voor de uitvoering gelden de Technische Instructies welke van toepassing zijn bij aanleg van hoogbouwleidingen in nieuwbouwprojecten. Van toepassing zijn de geldende Kaders en Technische Instructies: Gda-0001.R: Bouwkundige en gastechnische voorzieningen/maatregelen t.b.v. de aanleg van aansluitingen voor gas in hoogbouw Gdb-0013.I: Constructieve eisen hoogbouwaansluiting gas. Gdb-0014.I: Aanleg hoogbouwaansluitingen gas. 5.2 Renovatie van hoogbouwleidingen De algemene aspecten genoemd onder 5.1 die gelden bij vervanging van de hoogbouwleidingen kunnen ook van toepassing zijn bij renovatiewerkzaamheden. Ook bij renovatie is een gedegen voorbereiding, afstemming met de gebouweneigenaar en bewoners cruciaal.
Blad : 5 van 10 Criteria voor renovatie Het toegepaste afdichtingsmateriaal in de fitverbindingen (hennep) is bepalend of renovatie (Polyfillen) toepasbaar is. Mede bepalende factoren voor renovatie zijn de kwaliteit van de hoogbouwleiding, opbouw van het bestaande gasleidingsysteem en bouwkundige aspecten. Bij renovatie wordt het horizontale hoogbouwleidingdeel apart beoordeeld ten opzichte van het verticale hoogbouwleidingdeel. Het horizontale hoogbouwleidingdeel, meestal uitgevoerd als stalen leiding, is veelal gesitueerd in kelders souterrains garages etc. Verbindingen zijn meestal uitgevoerd als las en/of fitverbinding. Het verticale leidingdeel is overwegend opgebouwd uit stalen leidingen in combinatie met hennep fitverbindingen en/of lasverbindingen. De praktische consequentie van het apart beoordelen is dat mogelijk twee verschillende werkmethoden toegepast gaan worden. Enerzijds vervanging van het horizontale hoogbouwleidingdeel en anderzijds renovatie van het verticale hoogbouwleidingdeel. Bij vervanging van het horizontale hoogbouwleidingdeel gelden de onder 5.1 genoemde voorwaarden. De voorwaarden zoals benoemd onder 5.1 gelden ook bij het (gedeeltelijk) vervangen van het horizontale leidingdeel. Aanpassing van de meteropstelling(en) wordt separaat beoordeeld, zie art.7. Indien noodzakelijk worden de aanpassingen aan de meteropstellingen, zie art. 7, ingepland aansluitend op de renovatiewerkzaamheden van het hoogbouwleidingdeel. Voor renovatie van (hennep) fitverbindingen in hoogbouwleidingen wordt de Polyfill methode toegepast. Polyfillen wordt door gespecialiseerde bedrijven uitgevoerd. 5.2.1 Polyfillen Polyfill is een methode voor het inwendig afdichten van lekke schroefdraadverbindingen in stalen gasleidingen. Polyfill heeft uitstekende vloei-eigenschappen en is zodanig ontwikkeld, dat de vloeistof onder druk dunner wordt, hetgeen een goede indringing in de hennep(verbinding) bewerkstelligt. Wordt de druk weggenomen, dan verkrijgt het product weer zijn oorspronkelijke dikte. Polyfill is een kunststof-dispersie op basis van polymeren. Deze kunststof-dispersie vormt bij het vullen van de gasleiding een goed hechtende, elastische laag die volkomen gasdicht is en bestand is tegen inwerking van het gas. Polyfill wordt toegepast voor het repareren van capillaire lekken in hoogbouwleidingen van flats en etagewoningen zonder dat demontage van de leiding nodig is. Deze methode wordt voornamelijk toegepast bij hennep gefitte verbindingen. Polyfill heeft geen negatieve effecten op teflon tape verbindingen, welke zijn aangebracht i.v.m. lekkages in de van oudsher met hennep gefitte hoogbouwleidingen. Voordat met het polyfillen kan worden begonnen moet eerst een sterkteproef uitgevoerd worden. Deze sterkteproef is een onderdeel van de Polyfill reparatie methode en wordt uitgevoerd door het Polyfill verwerkingsbedrijf. Doel van de beproeving is om de kwaliteit van het leidingsysteem te kunnen bepalen. Na afloop van het polyfillen wordt een dichtheidbeproeving uitgevoerd op het complete hoogbouwleidingdeel inclusief de gasmeteropstellingen.
Blad : 6 van 10 6 MANTELBUIZEN 6.1 Algemeen Doorvoeringen van de hoogbouwaansluitleiding door gevelconstructies en doorvoeringen van hoogbouwleidingen door wanden en/of verdiepingsvloeren worden met behulp van mantelbuizen uitgevoerd. De geveldoorvoering dient gas belemmerend en waterkerend afgewerkt te worden. Wand en/of vloerdoorvoeringen in hoogbouwobjecten dienen brandwerend en gas belemmerend afgewerkt te zijn. De bouwkundige constructie moet aansluiten (aangestort) tegen de mantelbuis, zowel bij gevel, wand als verdiepingsvloer constructies. Voordat met de werkzaamheden wordt begonnen, zal met de gebouweigenaar de bestaande situatie van de doorvoeringen en brandwerendheid moeten worden opgenomen, beoordeeld en vastgelegd. De volgende situaties kunnen voorkomen; Doorvoeringen/sparingen niet juist - onvoldoende aangewerkt en niet brandwerend; Indien gebouweigenaar eist/besluit dat dit alsnog moet gebeuren, dan opdracht verstrekking en kosten door en voor gebouweigenaar. Als gebouweigenaar besluit de doorvoeringen/sparingen en brandwerendheid niet aan de huidige eisen te laten voldoen, e.e.a. vastleggen via correspondentie. Doorvoeringen op de juiste manier afgewerkt en voldoende brandwerend; In deze situatie zijn de herstelwerkzaamheden en kosten voor rekening en verantwoording van. 6.1.2 Mantelbuizen bij vervanging hoogbouwleiding Wanneer geen mantelbuizen in wand en/of vloerdoorvoeringen aanwezig zijn of niet meer toepasbaar, dan dienen nieuwe mantelbuizen aangebracht te worden. 6.1.3 Mantelbuizen bij renovatie (Polyfillen) van hoogbouwleidingen De volgende situaties kunnen voorkomen: Mantelbuis aanwezig en correct (aangestort) opgenomen in de bouwkundige constructie. Indien noodzakelijk de doorvoering gasbelemmerend en brandwerend afwerken. Hoogbouwleidingdoorvoering door opening in de vloer/wand. Bij renovatie een deelbare mantelbuis aanbrengen. De mantelbuis bouwkundig verbinden (aanstorten) met de vloer/wand. Tevens de doorvoering gas belemmerend en brandwerend afwerken. Hoogbouwleiding in de vloer/wanddoorvoering ingestort. Wanneer de bouwkundige constructie aangestort is tegen de hoogbouwleiding en de leiding ter plaatse van de vloer/wanddoorvoering in een goede conditie verkeert, is het bij renovatie (Polyfillen) niet noodzakelijk om alsnog een mantelbuis te plaatsen.
Blad : 7 van 10 6.1.4 Asbest mantelbuizen Bij asbest mantelbuizen de werkzaamheden uitvoeren conform asbest instructie, Eec-0017.I. 7 GAS METEROPSTELLING METEROPSTELLINGSRUIMTE 7.1 Opstellingsruimte In bestaande hoogbouwobjecten kan de gasmeteropstelling centraal als meervoudige gasmeteropstelling zijn uitgevoerd, of separaat per woonruimte. Soms voldoet de bestaande gasmeteropstelling en/of opstellingsruimte niet (meer) aan de huidige vigerende regelgeving/normering. Wanneer aanpassingen noodzakelijk acht zal in overleg met de gebouweigenaar, AsM en TE gezocht worden naar een nieuwe en/of acceptabele situatie. Wordt de gasmeteropstelling ondergebracht in een nieuwe meterkast dan moet deze voldoen aan de norm NEN 7244-10 en NEN 2768. Voor het beoordelen van de bestaande situatie worden de aspecten voor vervanging in bestaande bouw uit de norm NEN 7244-10 gehanteerd: Ventilatie eisen Toegankelijkheid van de meteropstelling Voldoende werkruimte i.v.m. activiteiten voor onderhoud Kans op mechanische beschadiging Tracé van de aansluitleiding De gasmeteropstelling in een kelder en/of vochtige ruimte wordt niet automatisch gezien als een onveilige situatie. Wel moeten er voldoende (niet afsluitbare) ventilatievoorzieningen aanwezig zijn. 7.2 Vervangen gasmeteropstelling Op advies van de projectverantwoordelijke kunnen niet gasvoerende meterbeugels, meteropstellingen samengesteld uit losse componenten zoals regelaars, plug/membraamkranen, malleable fittingen, etc. worden vervangen door een standaard gasvoerende meterbeugel. Éénpijps gasmeteropstellingen worden standaard vervangen door gasvoerende meterbeugels. In uitzonderingsgevallen kan het voorkomen, dat er door ruimtegebrek geen gasvoerende meterbeugel kan worden geplaatst. In die gevallen blijft, na overleg met AsM/TE, de bestaande gasmeteropstelling hangen of wordt deze vervangen door een plaatbeugel. De oude gashoofdkraan wordt altijd vervangen.
Blad : 8 van 10 7.3 Toepassen gasgebrekbeveiliging 1 bij meervoudige meteropstellingen In hoogbouwobjecten met separate gas meteropstellingen (per woonruimte een gasmeteropstelling) worden geen gasgebrekbeveiligingen (meer) geplaatst. Conform de NPR 3378-5 dienen direct achter een meervoudige gasmeteropstelling (een) gasgebrekbeveiliging (en) geplaatst te worden. In nieuwbouwsituaties is plaatsing van een gasgebrekbeveiliging bij meervoudige gasmeteropstellingen de verantwoordelijkheid van de gebouweigenaar of installateur. Bij wijziging of sanering van een bestaande meervoudige gasmeteropstelling is handhaving of plaatsing van een gasgebrekbeveiliging de verantwoordelijkheid van. Controleer hiervoor de centrale gasmeteropstelling en de klantinstallatie in de woonruimte op aanwezigheid van gasgebrekbeveiliging. Bij aanwezigheid van deze beveiliging (geplaatst door derden) hoeft er door geen aanvullende gasgebrekbeveiliging geplaatst te worden. Indien uit controle blijkt dat er geen gasgebrekbeveiliging aanwezig is, wordt deze beveiliging alsnog geplaatst door en voor rekening van. In de technische instructie, Gdb-0013.I zijn de voorwaarden en eisen voor plaatsing van een gasgebrekbeveiliging opgenomen. Figuur 2 Voorbeeld rechte gasgebrekbeveiliging voor aansluiting na uitlaatkraan van de gasmeteropstelling. 8 BINNENINSTALLATIE 8.1 Aansluiting binneninstallatie Het (her)aansluiten op de koperen binnenleiding gebeurd door middel van persverbindingen. In geval van een stalen binnenleiding kan gebruik gemaakt worden van en persfitting met schroefdraad. Soldeerverbindingen en knelfittingen zijn niet meer toegestaan en mogen niet worden toegepast. Het gebruik van een flexibele meteraansluiting (flex) is alleen toegestaan in de volgende situaties: Indien meer dan 3 extra verbindingen moeten worden gemaakt Een gasvoerende meterbeugel i.v.m. de beschikbare ruimte niet mogelijk is Er geen ruimte is om een persverbinding te maken 1 Gasgebrekbeveiliging (ggb); inrichting die bij het te laag worden of geheel wegvallen van de uitlaatdruk de gastoevoer afsluit en deze gesloten houdt totdat de druk, die het afsluitorgaan opent, hetzij automatisch hetzij door handbediening, is hersteld. OPMERKING Voorheen werd hiervoor de term B-klep gebruikt
Blad : 9 van 10 8.2 Beproeven en ontluchten binnenleiding/-installatie 8.2.1 Sterkte en/of dichtheidscontrole op het door aangelegde binnenleidingdeel Het binnenleidingdeel wat door aangelegd is moet op sterkte beproefd worden. Sterkte beproeving (5 bar gedurende minimaal 10 sec.) uitvoeren conform NEN 1078/NPR. In afwijking hierop kan worden volstaan met een dichtheidsbeproeving onder werkdruk als het nieuwe leidingdeel korter is dan één meter en/of maximaal drie hulpstukken bevat. Conform Ged-0001.I artikel 5. binneninstallatie. 8.2.2 Dichtheidscontrole en ontluchten van de gasmeteropstelling en/of binnenleiding Bij het vervangen van de hoogbouwleiding en/of meteropstelling moet de binnenleiding van de klant doormiddel van een dichtheidsbeproeving op lekkage gecontroleerd worden. De dichtheidsbeproeving en het ontluchten van de binnenleiding wordt uitgevoerd conform de hiervoor geldende instructie(s). Om problemen met ontluchten van de binnenleiding te voorkomen is het raadzaam om intrede van lucht zoveel mogelijk te beperken. Dit kan voorkomen worden door na het afkoppelen van de binnenleiding deze tijdelijk af te dichten. 9 AARDING (VEREFFENING) Metalen aansluitleidingen in gebouwen moeten binnen het gebouw elektrisch geleidend met de aardingsvoorziening zijn verbonden in verband met de elektrotechnische veiligheid. Door het apart aarden van de verschillende delen ontstaan potentiaalverschillen. Dit wordt voorkomen door het koppelen van alle geleidende delen aan één aarding (vereffenen). De aardingsvoorziening moet voldoen aan NEN 1010. Indien de hoogbouwaansluitleiding van metaal is, dient het aardingsaansluitpunt te worden aangebracht op de plaats waar de hoogbouwaansluitleiding het gebouw binnenkomt en indien aanwezig na het isolatie-element gezien vanaf de gevel, zie figuur 3. Hiertoe dient, in opdracht van, een aansluitpunt aangebracht te worden waarop de installateur, in opdracht van de gebouweneigenaar, de vereffeningsleiding (kabel) kan aansluiten conform NEN 1010. Figuur 3
Blad : 10 van 10 Wanneer geen isolatie-element aanwezig is moet deze alsnog aangebracht worden. Het isolatie-element dient als elektrische scheiding en voorkomt het ontstaan van een galvanisch element en daarmee het ontstaan van corrosie. Ook indien buiten de gevel van staal op SPVC of PE wordt overgegaan, dient om voornoemde reden een isolatie-element te worden aangebracht. In onderstaande technische instructies zijn de specifieke eisen en voorwaarden voor aarding (vereffening) opgenomen: Gda-0001.R artikel 4.3.8 Gdb-0013.I artikel 4.10 Gdb-0014.I artikel 4.4 10 OPMERKINGEN Verplaatsing van de meteropstelling op initiatief van zijn ook voor rekening van. Verplaatsingen op verzoek van de klant zijn in principe voor rekening van de klant. Leidend hierin is het oordeel van. In kruipruimten en andere besloten ruimten mogen nooit werkzaamheden worden uitgevoerd aan onder druk staande gasleidingen. Deze ruimten mogen niet betreden worden als er meer dan 10% LEL gemeten wordt of bij zuurstof percentage < 19%. 11 REFERENTIES NEN 7244 serie NEN 2768 NEN 1078/NPR 3378 NEN 1010 RST-2024 Vervangingsbeleid hoogbouw gas Gda-0001.R Bouwkundige en gastechnische voorzieningen/maatregelen t.b.v. de aanleg van aansluitingen voor gas in hoogbouw. Ged-0001.I Vervangen van gasaansluitleidingen t/m 10m3/h voor huisaansluiting. Gdb-0013.I Constructieve eisen hoogbouwaansluiting gas. Gdb-0014.I Aanleg hoogbouwaansluitingen gas. Eec- 0017.I Invoeren of verwijderen van kabels en leidingen in of uit asbestcement mantelbuizen en bouwwerken. Gdb-0019.I Aanvullende technische bepalingen op sterkte en dichtheidsbeproeving. Tek. 43674 Meterkastopstellingen hoogbouw verdiepingsvloeren. Tek. 43703 Standaard meterbeugel pakket 100 mbar hoogbouw. Tek. 43704 Standaard meterbeugel pakket 30 mbar hoogbouw. Tek. 43994 Stijgleiding begane grondvloer, constr. gebogen mantelbuis. Tek. 43995 Stijgleiding begane grondvloer, constr. Mantelbuis/invoerput.