Stoner http://www.stoner.nu/stoner/
306. Soms kwam Edith de kamer in, nam plaats op het bed naast hem en spraken ze met elkaar. Ze spraken over alledaagse dingen - over mensen die ze oppervlakkig kenden, over een nieuw gebouw dat op de campus verrees, over een oud gebouw dat werd gesloopt. Maar wat ze zeiden leek er niet toe te doen. Er was een nieuwe rust over hen gekomen. Het was een stilte die veel weg had van het begin van een liefde. En bijna zonder erover na te denken wist Stoner waarom die er was gekomen. Ze hadden zichzelf de pijn vergeven die ze elkaar hadden aangedaan en gingen op in wat hun leven samen geweest had kunnen zijn. Hij bekeek haar nu bijna zonder spijt. In het zachte licht van de namiddag zag haar gezicht er jong en rimpelloos uit. Als ik sterker was geweest, dacht hij. Als ik meer had geweten. Als ik het had kunnen begrijpen. En ten slotte dacht hij, genadeloos: als ik meer van haar had gehouden. Alsof hij een grote afstand moest afleggen, bewoog zijn hand zich over het laken dat op hem lag en raakte haar hand. Ze bewoog niet. En na een poosje doezelde hij weg in een soort slaap. 308. De stem - was het Gordon? - zei iets over zijn leven. En hoewel hij de woorden niet kon herkennen, niet eens zeker wist of ze wel uitgesproken werden, stortte zijn geest zich op die vraag. Genadeloos bekeek hij zijn leven zoals dat op een ander moest zijn overgekomen. Kalm, redelijk, stond hij stil bij de mislukking die zijn leven moest lijken te zijn. Hij had vriendschap en de intimiteit van vriendschap gewenst die hem onder de mensen konden houden. Hij had twee vrienden gehad, eentje die een zinloze dood had gevonden voordat hij gekend was, en de andere die zich nu zo ver weg onder de levenden had teruggetrokken dat... Hij had de doelgerichtheid en de nog altijd verbindende passie van het huwelijk gewenst. Ook die had hij gekregen, en hij had niet geweten wat hij ermee aan moest, en die was weggekwijnd. Hij had liefde gewenst. En hij had liefde gekregen, en hij had er afstand van gedaan, had die in de chaos van potentiële mogelijkheden laten ontglippen. Katherine, dacht hij. 'Katherine.' En hij had een docent willen zijn, en hij was er een geworden. Al wist hij, en had hij altijd geweten, dat hij het grootste deel van zijn leven een middelmatige docent was geweest. Hij had over een soort integriteit gedroomd, een soort ongedeelde puurheid. Hij had compromissen aangetroffen en bedreigende afleiding door onbeduidende zaken. Hij was wijs geworden, en was na verloop van de vele jaren op onwetendheid gestuit. 311. Hij scheen hem toe dat hij Edith zou moeten roepen. En vervolgens wist hij dat hij haar niet zou roepen. Stervenden zijn zelfzuchtig, dacht hij. Ze willen de tijd voor zichzelf, net als kinderen. Hij ademde weer, maar er was iets in hem veranderd wat hij niet kon benoemen. Hij had de indruk dat hij ergens op wachtte, op een bepaald weten. Maar hij leek alle tijd van de wereld te hebben. (...) Er kwam een soort
vreugde over hem, alsof die hem door een zomerwind werd ingeblazen. Vaag herinnerde hij zich dat hij aan mislukking had gedacht - alsof het iets uitmaakte. Nu scheen het hem toe dat dergelijke gedachten gemeen waren, ongepast voor wat zijn leven was geweest. Aan de rand van zijn bewustzijn verzamelden zich vage gestalten. Hij kon ze niet zien, maar wist dat ze er waren, dat ze hun krachten verzamelden tot een soort tastbaarheid die hij niet kon zien of horen. Als hij wilde, kon hij ze negeren. Hij had alle tijd van de wereld. 312. Om hem heen was het wazig, en er kroop een loomheid bij zijn ledematen omhoog. Met een plotselinge kracht werd hij zich van zijn eigen identiteit bewust, en hij voelde de kracht ervan. Hij was zichzelf, en hij wist wat hij was geweest. Hij draaide zijn hoofd om. Op het tafeltje naast zijn bed lag een stapel boeken die hij al lang niet meer had aangeraakt. Even liet hij zijn hand erover dwalen. Hij verwonderde zich erover hoe dun zijn vingers waren, hoe ingewikkeld de gewrichten aan elkaar verbonden waren terwijl hij ze boog. Hij voelde hoeveel kracht ze bezaten, en liet ze een boek van de warboel op het tafelblad trekken. Het was zijn eigen boek dat hij zocht, en toen hij het beethad, glimlachte hij naar de bekende rode kaft die al lange tijd verbleekt en versleten was. Het deed er nauwelijks toe dat het boek was vergeten en dat het nergens toe diende. En de vraag naar de waarde ervan, om het even wanneer, leek bijna van geen betekenis. Hij had niet de illusie dat hij zichzelf daar op die vergelende bladzijden terugvond. En toch, zo wist hij, kon hij niet ontkennen dat daar een klein deel van hem aanwezig was en aanwezig zou zijn. Hij opende het boek. En toen hij dat deed, was het niet zijn eigen boek. Hij liet zijn vingers over de pagina's lopen en voelde een tinteling, alsof de pagina's leefden. De tinteling trok zijn vingers in en verplaatste zich door zijn hele lichaam. Van moment tot moment was hij zich ervan bewust, en hij wachtte tot hij erin opging, tot de oude opwinding, die als een panische angst was, hem ter plekke deed verstarren. Het zonlicht dat door zijn raam naar binnen viel, bescheen de pagina, en hij kon niet zien wat er geschreven stond. Zijn vingers verslapten, en het boek dat ze hadden vastgehouden gleed langzaam en toen snel over het roerloze lichaam en viel de stilte van de kamer in.