Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Zitting 1981-1982 Rijksbegroting voor het jaar 1982 17100 Hoofdstuk VIII Departement van Onderwijs en Wetenschappen Nr. 85 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS EN WETENSCHAPPEN Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal 's-gravenhage, 23 juli 1982 Hierbij zend ik u een overzicht van de normen die zullen gelden voor de vaststelling van de rijksstudietoelagen voor het studiejaar 1982/1983. De Minister van Onderwijs en Wetenschappen a.i., H. A. de Boer 2 vel Tweede Kamer, zitting 1981-1982, 17 100 hoofdstuk VIII, nr. 85 1
RIJKSSTUDIETOELAGEN VOOR HET WETENSCHAPPELIJK ONDERWIJS EN HET HOGER BEROEPSONDERWIJS, STUDIEJAAR 1982/1983 Hieronder volgt een overzicht van de financiële normen die zullen worden gehanteerd voor het studiejaar 1982/1983 (I) en van een aantal dat studiejaar ingaande regelwijzigingen (II). I. FINANCIËLE NORMEN Waardevastheid der normen Het uitgangspunt bij de jaarlijkse aanpassing van de financiële normen is de waardevaste aanpassing, dat wil zeggen de aanpassing op grond van de wijziging in de reële waarde van het geld. 1. Draagkracht der ouders Het bedrag dat de ouders van de aanvrager geacht worden bij te dragen wordt bepaald op grond van hun inkomen en op grond van hun vermogen. Inkomen Bij de berekening van de ouderlijke bijdrage uit inkomen wordt uitgegaan van de draagkracht van beide ouders in het aan het studiejaar voorafgaande kalenderjaar (peiljaar). In het algemeen wordt daarvoor het belastbaar inkomen maatgevend geacht. In de berekeningsmethode wordt van het inkomen een bepaald deel vrijgelaten, de zogenaamde «bijdrage-vrije voet»; deze voet is op basis van de feitelijke ontwikkeling van het prijsniveau in het betrokken kalenderjaar, verhoogd met 6,7%. Van het inkomen boven deze bijdrage-vrije voet wordt een bepaald percentage berekend als mogelijke ouderlijke bijdrage. De bijdrage-vrije voet wordt verhoogd met een bedrag voor de kosten van een ander ten laste van de ouders komend «telkind». De normen voor 1982/1983 luiden als volgt: - bijdrage-vrije voet ouderlijk inkomen: f26 320; - normbedrag voor een ander ten laste van de ouders komend «telkind»: f 3 100 (dit bedrag is voor het studiejaar 1982/1983 ongewijzigd gelaten), waarbij een kind telt voor: één, indien het thuiswonend is en valt in de leeftijdsgroep van 0 t/m 11 twee, indien het thuiswonend is en valt in de leeftijdsgroep van 12 t/m 26 twee, indien het uitwonend is en valt in de leeftijdsgroep van 0 t/m 15 drie, indien het uitwonend is en valt in de leeftijdsgroep van 16 t/m 26 - percentage ouderlijke bijdrage van het inkomen boven de bijdrage-vrije voet: 43%. Vermogen Uitgangspunt bij de berekening van de bijdrage uit vermogen is het «Totaal vermogen», dat wil zeggen het «vermogen in volle eigendom behorende tot een onderneming» (bedrijfsvermogen), het «vermogen in volle eigendom niet behorende tot een onderneming» (privé-vermogen), alsmede 80% van het vermogen in vruchtgebruik. Voor de som der vermogensonderdelen gelden de volgende aftrekposten: een vrije-voet voor de ouders van f96000 een kinderaftrek voor niet-aanvragende kinderen die grotendeels ten laste van de ouders komen (f6000, indien jonger dan 18 jaar of f30 000, indien 18 jaar of ouder én onderwijsvolgend), alsmede een eventuele interingsvrijstelling. Tweede Kamer, zitting 1981-1982, 17 100 hoofdstuk VIII, nr. 85 2
Het na aftrek van genoemde posten in aanmerking te nemen ouderlijke vermogen wordt verdeeld in schijven van f96000. Als bijdrage wordt dan beschouwd: 2% van de eerste schijf, 3% van de tweede schijf, 4% van de derde schijf en 5% van de vierde en volgende schijven. 2. Eigen middelen van de studerende De bijdrage van de studerende zelf vloeit voort uit eigen inkomsten en/of uit eigen vermogen. Hiervoor gelden de volgende regels. In mindering op de toelage wordt gebracht: a. Bij inkomsten uit arbeid, 50% van het bedrag waarmee deze inkomsten de f 1 440 per jaar (de franchise) te boven gaan (hierbij wordt uitgegaan van het netto-inkomen). Is de student getrouwd met een niet-studerende partner, dan wordt het bedrag waarmee de franchise wordt overschreden gehéél in mindering gebracht; b. Bij stagevergoedingen of bij het ontvangen van een studietoelage van derden die niet op een specifiek doel is gericht, het bedrag waarmee deze vergoeding of toelage de f 1 440 (de franchise) overschrijdt; c. Bij inkomsten niet verkregen uit arbeid (met uitzondering van de onder b en d genoemde), het bedrag waarmee deze netto-inkomsten de f800 (de franchise) te boven gaan. Tot deze categorie worden onder andere gerekend: - sociale uitkeringen zoals b.v. AAW, WAO, AWW, WWV etc. echter uitgezonderd bijstandsuitkeringen, welke geheel buiten beschouwing worden gelaten; - (wezen)pensioenen; - de inkomsten uit eigen vermogen; d. Bij alimentatie van ouders aan de student: het bedrag waarmee deze vergoeding de f560 (de franchise) te boven gaat; e. Bij eigen vermogen bovendien een bijdrage van 5% per jaar daaruit, indien en voor zover het vermogen de f16000 te boven gaat. 3. Uitkeringsbedragen De maximale studietoelagen bedroegen exclusief college- en inschrijvingsgeld in het studiejaar 1981/1982 voor een uitwonende student f 10490 en voor een thuiswonende student f 7 070. Waardevaste aanpassing van deze bedragen leidt tot de volgende maximale studietoelagen (exclusief collegegelden en w.o. inschrijvingsgeld): - f 11 230 voor een uitwonende student; - f 7 570 voor een thuiswonende student, te vermeerderen voor een thuiswonende student met een bedrag voor reiskosten, indien de afstand tussen de woonplaats en de plaats waar de onderwijsinstelling is gevestigd, meer dan 8 km bedraagt. Dit bedrag is vastgesteld op f39 per km voor studerenden jonger dan 19 jaar en op f49 per km voor studerenden van 19 jaar en ouder; beide tot een maximum van f2750 per jaar. De budgetten van f 11 230 resp. f 570 worden voor een w.o.-student verhoogd met f 150 inschrijvingsgeld en met het verschuldigde collegegeld, zodat, bij een verschuldigd collegegeld van f750 de maximale toelage voor een uitwonende w.o.-student f 12 130 bedraagt. Het budget voor een h.b.o.-student wordt verhoogd met het verschuldigde collegegeld van f650, zodat de maximale toelage voor een uitwonende h.b.o.-student f11880 bedraagt. De maximale toelage voor de opleiding tot kleuterleidster, welke opleiding niet behoort tot het hoger beroepsonderwijs, zal in het cursusjaar 1982/1983 voor een uitwonende student f9300 en voor een thuiswonende studerende f5 640 bedragen. Tweede Kamer, zitting 1981-1982, 17 100 hoofdstuk VIII, nr. 85 3
4. Vorm van de toelage De studietoelagen worden in de regel als gemengde toelage verstrekt, dat wil zeggen dat de toelage deels uit een beursbedrag en deels uit een renteloos voorschot bestaat. Voor studerenden in het wetenschappelijk onderwijs zal een bodembedrag van f 1 730 worden gehanteerd; voor studerenden in het hoger beroepsonderwijs is dit bodembedrag f 1 700. Deze bedragen worden geheel als renteloos voorschot verstrekt. Voor zover de toelage hoger is dan het bodembedrag zal zij worden uitgekeerd in de verhouding 70% beurs en 30% renteloos voorschot. Bij een maximale toelage voor een uitwonende student komt dit neer op een verstrekking van 60% beurs en 40% renteloos voorschot. De toelagen voor de opleiding tot kleuterleidster zullen als regel in de vorm van 60% beurs en 40% renteloos voorschot worden verstrekt. Zij kennen dus geen bodembedrag. 5. Gehuwde studenten Bij de berekening van de toelage voor gehuwden wordt onderscheid gemaakt tussen studenten die met een studerende echtgeno(o)t(e) en studenten die met een niet-studerende echtgeno(o)t(e) zijn gehuwd. Indien ook de echtgeno(o)t(e) studeert en dus in principe voor een toelage in aanmerking kan komen, wordt de toelage voor beide echtelieden afzonderlijk op dezelfde wijze berekend als voor een ongehuwde studerende op basis van de hiervoor genoemde budgetten, waarbij de som der berekende toelagen aan een bepaalde beperking is gebonden. Indien een student gehuwd is met een niet-studerende partner geldt een gehuwdenbudget, waarvan de hoogte gelijk is aan de som van de maximale toelage voor een ongehuwde uitwonende en die voor een thuiswonende studerende - exclusief college- en inschrijfgeld - (de zogenaamde «huwelijkstoeslag»). Heeft het studentenechtpaar kinderen, dan kan het desbetreffende budget nog worden verhoogd met de zogenaamde «kindertoeslag». Deze is vastgesteld op f 1 440 per kind. Als de aanvrager op 31 maart van het studiejaar 22 jaar of jonger is, wordt ten hoogste het maximum voor een ongehuwde uitwonende student uitgekeerd. 6. Een-oudergezin Indien de studerende een alleenstaande ouder is en zelfstandig een huishouding voert, geldt een budget (exclusief college- en w.o.-inschrijvingsgeld) van f14040, zijnde 125% van het studiekostenbudget voor een ongehuwde uitwonende student, te verhogen met f 1 440 voor ieder ten laste komend kind. Indien de student op 31 maart 1983 22 jaar of jonger is, wordt ten hoogste het maximum voor een uitwonende ongehuwde student uitgekeerd. Wijze van betaling De uitbetaling zal vooruit geschieden in maandelijkse termijnen, met dien verstande dat de termijnen bestemd voor de maanden september tot en met december van het studiejaar, alsmede het verschuldigde collegegeld en het w.o."inschrijvingsgeld te zamen in één bedrag, zo mogelijk begin augustus, zullen worden betaald. II. REGELWIJZIGINGEN 1982/1983 1. Berekening van de ouderlijke bijdrage bij gescheiden ouders Met ingang van het onderhavige studiejaar zullen de inkomens van (duurzaam) gescheiden ouders als twee aparte inkomens worden beschouwd, waarbij op ieder inkomen de bijdrage-vrije voet (f26320) van toepassing zal zijn. Tweede Kamer, zitting 1981-1982, 17 100 hoofdstuk VIII, nr. 85 4
Bovendien kan het inkomen van de ouder, aan wie de studerende niet is toegewezen, buiten beschouwing worden gelaten, indien: - deze ouder schriftelijk verklaart, dat hij/zij weigert (verder) bij te dragen én - de student meerderjarig is én - de toewijzing (bij de scheiding) ten minste vijfjaar geleden heeft plaatsgevonden. Ingeval een stiefouder weigert bij te dragen, zal op het inkomen van de echte ouder een halve bijdrage-vrije voet worden toegepast. Als laatstgenoemde evenwel kan aantonen, meer dan de helft van het ouderlijk inkomen in te brengen, kan bedoelde aftrek worden verhoogd tot het percentage van die inbreng. 2. Gemengde toelage in plaats van integraal renteloos voorschot De regel, dat bij toekenning van een huwelijkstoeslag, kindertoeslag of een toeslag voor één-ouder studentengezinnen, het bedrag dat het budget voor een ongehuwde uitwonende student te boven ging werd verstrekt in de vorm van een integraal voorschot, komt te vervallen. In het vervolg zal een en ander geschieden in de vorm van een gemengde toelage, waarbij de normale verdeelsleutel beurs - renteloos voorschot van toepassing is. Tevens kan reeds nu melding worden gemaakt van het volgende. Waar sprake is van een verandering van studie na 17 maanden, een twééde studie (na voltooiing van de eerste) op eenzelfde of lager niveau, dan wel van het aanvangen van de studie op de leeftijd van 27 jaar of ouder, wordt de studietoelage gedurende de eerste twéé jaren verstrekt in de vorm van een integraal renteloos voorschot. Dat is ook het geval, indien verzoeken van meerderjarige studenten tot ontkoppeling van het ouderlijk inkomen worden gehonoreerd op grond van weigerachtigheid van de ouders. Met ingang van het studiejaar 1983/1984 zal toekenning in de gememoreerde situaties gaan plaatsvinden in de vorm van een gemengde toelage, hetgeen voor 1982/1983 een overgangsregeling impliceert waarbij aan de desbetreffende aanvragers nog gedurende één jaar een integraal renteloos voorschot zal worden verstrekt. 3. Studiebeëindiging In het kader van harmonisatie van de toekenningsprocedures voor het HBO en WO is met betrekking tot het voltooien, staken of onderbreken van de studie, besloten dat een toelage kan worden verleend tot en met de maand van studiebeëindiging plus één. Als de studie wordt onderbroken door ziekte zal nog een maand extra worden verstrekt. Bepalend zal zijn het feitelijk moment van studiebeëindiging of "Onderbreking. 4. Nationaliteit Voor het verkrijgen van een rijksstudietoelage geldt in principe als eis, dat de aanvrager de Nederlandse nationaliteit bezit. Van deze voorwaarde kan onder meer worden afgeweken, indien de ouders van de buitenlandse student een bepaalde termijn in Nederland woonachtig zijn. Deze termijn is thans teruggebracht van 5 naar 3 jaar. Buitenlandse studenten wier ouders niet in Nederland wonen, zullen in het vervolg eveneens in aanmerking kunnen komen voor een studietoelage, indien ze zélf reeds 3 jaar in Nederland wonen en op basis van de vigerende regeling als financieel onafhankelijk kunnen worden beschouwd. Tweede Kamer, zitting 1981-1982, 17 100 hoofdstuk VIII, nr. 85 5