Schoolfeedbackrapport Paralleltoets van de peiling WISKUNDE Data: Omgaan met data Einde eerste graad secundair onderwijs (A-stroom) Juni 2010 School X
Inhoud van dit rapport 1. Inleiding 2. Over dit schoolfeedbackrapport 3. Deelenemende groepen en leerlingen 4. Resultaten voor alle deelnemende leerlingen van het tweede leerjaar van de eerste graad samen 5. Resultaten per optiegroep - 1 -
1. Inleiding Het peilingsonderzoek: wat en waarom? Het peilingsonderzoek in Vlaanderen gaat na in welke mate leerlingen de eindtermen behaald hebben. De eindtermen zijn minimumdoelen op het vlak van kennis, inzicht, vaardigheden en attitudes die de onderwijsoverheid noodzakelijk en bereikbaar acht voor een bepaalde leerlingenpopulatie. Voor de eerste graad secundair onderwijs zijn er enkel eindtermen voor de A-stroom. Het hoofddoel van de peilingen is om op een betrouwbare manier na te gaan in welke mate de leerlingen deze minimumdoelen behalen op het niveau van het Vlaamse onderwijs in zijn geheel. Daartoe worden op periodieke basis grootschalige toetsafnames georganiseerd bij een representatieve steekproef van scholen en leerlingen. Bij iedere peiling wordt zo een aspect van het Vlaamse onderwijs onder de loep genomen. De peiling wiskunde voor het einde van de A-stroom van de eerste graad secundair onderwijs vond plaats op 27 mei 2009. Aan de toets Data: Omgaan met data namen 1426 leerlingen van het tweede jaar van de eerste graad (A-stroom) uit 90 scholen voor secundair onderwijs in Vlaanderen en het Nederlandstalig onderwijs in Brussel deel. Meer informatie over deze peiling vindt u in de brochure die u kan downloaden of bestellen via http://www.ond.vlaanderen.be/dvo/peilingen/brochures.htm. Een bijkomend doel van de peilingen is na te gaan in welke mate scholen van elkaar verschillen en met welke kenmerken deze eventuele verschillen samenhangen. Kwaliteitsvol onderwijs houdt immers niet alleen in dat de eindtermen behaald worden door een voldoende hoog percentage van de Vlaamse leerlingen, maar ook dat er geen grote verschillen zijn in de mate waarin scholen de eindtermen bij hun leerlingen realiseren. Paralleltoetsen en schoolfeedback In een lerende samenleving is het de opdracht van zowel de overheid als van de scholen om systematisch de kwaliteit van het onderwijs te evalueren en bij te sturen. Om dat voor scholen mogelijk te maken, is het nodig om ook hen te informeren en zo bij te dragen tot een informatierijke omgeving. Waar voorheen enkel een beperkte groep van scholen aan de peilingen kon deelnemen en daarover feedback kon ontvangen, wordt nu aan iedere school de mogelijkheid geboden om bij haar leerlingen een parallelversie van de peilingstoets af te nemen. Op die manier krijgt iedere school de kans feedback te ontvangen over het prestatieniveau van haar leerlingen en in hoeverre daarmee de getoetste eindtermen gerealiseerd werden. De eindtermen en de getoetste inhouden die in de paralleltoets aan bod komen zijn dezelfde als bij de peilingen. Ook worden dezelfde meetschalen en dezelfde toetsnormen gehanteerd om te bepalen vanaf welk prestatieniveau leerlingen de eindtermen bereikt hebben. Tenslotte zijn ook de technische vereisten inzake validiteit en betrouwbaarheid voor de paralleltoets even hoog als voor het oorspronkelijke peilingsinstrument. De getoetste eindtermen: Wiskunde einde eerste graad secundair ondewijs - A-stroom Data: Omgaan met data 17 De leerlingen kunnen vanuit tabellen met cijfergegevens het rekenkundig gemiddelde en de mediaan (voor niet-gegroepeerde gegevens) berekenen en hieruit relevante informatie afleiden. 25 De leerlingen kunnen functioneel gebruik maken van eenvoudige schema s, figuren, tabellen en diagrammen. - 2 -
Schoolfeedback en interne kwaliteitszorg De schoolfeedback die u op basis van de afname van de paralleltoets bezorgd wordt, is bedoeld als hulpmiddel bij de interne kwaliteitszorg in uw school. Weten waar men staat - de kwaliteit van het geboden onderwijs correct kunnen inschatten - vormt daarin een belangrijk element. Dit feedbackrapport biedt u daarover belangrijke informatie. Maar het vormt zeker niet de enige informatiebron. U dient het naast andere informatie te leggen. Bovendien biedt het enkel informatie over de output op een bepaald moment en bij een bepaalde groep leerlingen. Het is aan u en uw team om te onderzoeken waarom de resultaten zijn wat ze zijn, welke omstandigheden en welke kenmerken van uw school wellicht tot deze resultaten geleid hebben. Schoolfeedback kan slechts een hulp bij interne kwaliteitszorg vormen als de informatie die ermee verstrekt wordt, vertrouwelijk behandeld wordt. Dit feedbackrapport wordt daarom enkel aan uw school bezorgd. Derden krijgen er geen toegang toe. We willen u op onze beurt vragen om van uw kant dezelfde vertrouwelijkheid in acht te nemen en het rapport niet te gebruiken om publiciteit voor uw school te maken. - 3 -
2. Over dit schoolfeedbackrapport Dit schoolfeedbackrapport wil uw school informeren over de prestaties van uw leerlingen op het einde van de A-stroom van de eerste graad secundair onderwijs met betrekking tot de eindtermen voor wiskunde Data: Omgaan met data. Vooreerst wordt voor elke leerling een vaardigheidsscore bepaald. Daarmee gaan we vervolgens op twee wijzen aan de slag: enerzijds bepalen we voor uw school welk aandeel (procent) leerlingen de getoetste eindtermen voor getalinzicht bereikt heeft, anderzijds situeren we uw school t.o.v. de steekproef die aan het peilingsonderzoek deelnam. Hieronder worden de stappen en de kernbegrippen nader toegelicht. Deze uitleg wordt hernomen in de leeswijzer (zie apart document) die u als geheugensteun naast het rapport kan leggen en die u daarom het best apart afdrukt. Bepalen van het aandeel (%) leerlingen dat de eindtermen haalt Vooreerst enige uitleg bij de meetschaal die voor het peilingsinstrument en de paralleltoets Data: Omgaan met data ontwikkeld werd. De scores van de leerlingen zijn niet zomaar een optelsom van het aantal correcte antwoorden. Via statistische analyses worden de antwoorden van een leerling omgezet in een VAARDIGHEIDSSCORE die uitdrukt in welke mate de leerling de eindtermen beheerst. Daarbij wegen sommige opgaven (b.v. moeilijker opgaven die echt alleen door leerlingen met een hoger vaardigheidsniveau correct opgelost worden) zwaarder door dan andere. Door onderwijsdeskundigen (leerkrachten, inspecteurs, lerarenopleiders en beleidsmedewerkers) werd voor elke toets een minimumprestatie (= TOETSNORM ) vastgelegd die de leerlingen moeten halen om te slagen op de betreffende eindtermen. Vervolgens werd de oorspronkelijke meetschaal omgezet naar een schaal met scores tussen 0 en 10, waarbij een score van 5 overeenstemt met het behaald hebben van die minimumnorm. Leerlingen met een lagere score halen de eindterm(en) niet. Leerlingen met een score hoger dan 5 vertonen een vaardigheidsniveau dat hoger ligt dan voor het bereiken van de eindterm(en) noodzakelijk geacht wordt. Het aandeel (procent) leerlingen uit uw school dat een score van 5 of meer haalt, geeft u een idee van de mate waarin uw school erin slaagt de betreffende eindterm(en) voor wiskunde te realiseren. Situering van scholen ten opzichte van elkaar bepaling van de toegevoegde waarde van uw school Ook de vergelijking van de resultaten van uw school met die van andere scholen in Vlaanderen kan u helpen zicht te krijgen op de kwaliteit van het onderwijs in uw school. Het is goed mogelijk dat scholen die met een gelijke proportie leerlingen de eindtermen halen, toch nog verschillen in gemiddeld vaardigheidsniveau. Een situering van uw school ten opzichte van de scholen uit het peilingsonderzoek kan daarom beter op basis van de gemiddelde vaardigheidsscore gebeuren. Het gemiddelde van de vaardigheidsscores van de deelnemende leerlingen in uw school wordt in het rapport benoemd als het FEITELIJK GEMIDDELDE van uw school. Maar een vergelijking enkel op basis van de FEITELIJKE GEMIDDELDE vaardigheidsscores zou niet erg fair zijn. En het zou u weinig zeggen over de kwaliteit van het onderwijs in uw school. Fair vergelijken vertrekt van het idee dat we gelijken met gelijken vergelijken. Daarom moet gekeken worden naar de ACHTERGRONDKENMERKEN van de leerlingen in een school. Die omvatten zowel leerlingkenmerken als thuiskenmerken. Hoe goed een leerling scoort hangt namelijk niet alleen van de kwaliteit van de school af. Ook de invloed van de thuisomgeving en individuele verschillen tussen leerlingen spelen mee. Niemand zal bijvoorbeeld verbaasd opkijken als een school met weinig kansarme leerlingen gemiddeld hoger scoort dan een school met veel kansarme leerlingen. - 4 -
Samengevat: de feitelijke schoolgemiddelden kunnen pas op een faire manier vergeleken worden wanneer ze afgezet worden tegenover de resultaten van scholen die dezelfde instroom hebben. Om het principe gelijken met gelijken vergelijken in de praktijk te brengen, presenteren we naast het feitelijke schoolgemiddelde ook het VERWACHTE SCHOOLGEMIDDELDE. Dit verwachte schoolgemiddelde drukt uit welke gemiddelde score voor uw school statistisch gezien verwacht kon worden, gelet op de achtergrondkenmerken van uw leerlingen. Het kan geïnterpreteerd worden als het gemiddelde van alle scholen in Vlaanderen met precies dezelfde samenstelling naar achtergrondkenmerken van leerlingen als uw school. Om dat verwachte gemiddelde voor uw school te bepalen, baseren we ons op de samenhangen die uit het peilingsonderzoek naar voor kwamen tussen bepaalde achtergrondkenmerken van leerlingen enerzijds en hun vaardigheidsscores anderzijds. De achtergrondkenmerken die in de berekening van de verwachte schoolgemiddelden opgenomen werden, zijn: (a) de sekse van de leerling, (b) of de leerling dyslexie, dyscalculie, ADHD, autisme of een andere handicap of leerstoornis heeft, (c) het opleidingsniveau van de moeder, (d) of het gezin een schooltoelage krijgt voor kinderen in het basis- of het secundair onderwijs, (e) de taal die het kind spreekt met vader, moeder, broers en zussen, (f) leescultuur (aantal boeken thuis), (g) de schoolse achterstand (op basis van het geboortejaar van de leerling) (h) de basisoptie die de leerling volgt (i) het schoolgemiddelde van de scores op de financieringscriteria. Door te kijken hoever uw feitelijk schoolgemiddelde boven het verwachte schoolgemiddelde uitstijgt (of eronder blijft) kunt u zien, hoeveel beter (of minder goed) uw school het doet dan vergelijkbare andere scholen in Vlaanderen (d.w.z. scholen met een vergelijkbare leerlingenbevolking). Met andere woorden: hoeveel beter (of minder goed) de leerlingen het in uw school gemiddeld doen dan op grond van hun achtergrondkenmerken en de samenstelling van de leerlingenpopulatie in uw school statistisch gezien verwacht kon worden. Eigenlijk hebben we het nu dus vooral over de mate waarin uw school in vergelijking met andere scholen op het vlak van Data: Omgaan met data iets toevoegt aan wat de leerlingen leren. We spreken daarom van de TOEGEVOEGDE WAARDE (TW) die uw school realiseert. Om die toegevoegde waarde uit te drukken in een getal, maakt men het verschil: TW = FEITELIJK GEMIDDELDE VERWACHT GEMIDDELDE Is dat verschil gelijk aan 0, dan is de toegevoegde waarde die uw school realiseert even groot als gemiddeld in Vlaanderen. Een positief getal wijst op een toegevoegde waarde die groter is dan gemiddeld in Vlaanderen; een negatief getal op een toegevoegde waarde die kleiner is. De maat voor de toegevoegde waarde van een school is dus steeds een relatief getal. Dat wil zeggen dat de toegevoegde waarde voor uw school bepaald wordt in vergelijking met een referentiegroep. In dit geval is de referentiegroep de groep secundaire scholen met een eerste graad (A-stroom) uit het peilingsonderzoek met een vergelijkbare leerlingenbevolking. Door scholen te vergelijken op basis van de toegevoegde waarde die ze realiseren, neutraliseren we de invloed van de achtergrondkenmerken en maken we een faire vergelijking die u iets zegt over de kwaliteit van het onderwijs van uw school. - 5 -
In het volgende hoofdstuk beschrijven we eerst bij welke groepen en leerlingen in uw school de paralleltoets voor wiskunde Data: Omgaan met data afgenomen werd. Vervolgens worden de resultaten gepresenteerd, eerst voor alle optiegroepen samen en daarna opgesplitst per optiegroep. Er wordt een indeling in vier grote optiegroepen gemaakt: (a) klassieke talen (basisopties Latijn en Grieks-Latijn), (b) moderne wetenschappen (waaronder ook de basisopties Yeshiva en Steinerpedagogie gerekend worden), (c) technische opties groep 1 (industriële wetenschappen, techniekwetenschappen, grafische communicatie en media, agro- en biotechnieken) en (d) technische opties groep 2 (alle overige basisopties). Bij de eerste bespreking van de resultaten wordt uitgelegd hoe de figuren geïnterpreteerd moeten worden. In de andere hoofdstukken wordt dit niet meer herhaald maar kan de leeswijzer ernaast gelegd worden ter ondersteuning. - 6 -
3. Deelnemende groepen en leerlingen In tabel 1 vindt u een overzicht van de lesgroepen en leerlingen uit uw school die de paralleltoets voor wiskunde Data: Omgaan met data aflegden. Tabel 1. Overzicht van de deelnemende lesgroepen en leerlingen Optiegroep Lesgroep Aantal leerlingen Deelnemende lesgroepen Deelnemende leerlingen Leerlingen in analyse moderne wetenschappen 20 20 20 2Ab 9 9 9 2 AA 11 11 11 klassieke talen 5 5 5 2 AA 5 5 5 technische opties - groep 2 6 6 6 2Ab 6 6 6 Totaal 62 31 31 De leerlingen werden gegroepeerd per optiegroep (zie eerste kolom) en daarbinnen per lesgroep (tweede kolom). Een lesgroep bestaat uit alle leerlingen die samen zitten voor de lessen wiskunde. Lesgroepen met leerlingen uit verschillende optiegroepen worden bij elke optiegroep vermeld met het aantal leerlingen uit die optiegroep. De benamingen voor de lesgroepen in kolom 2 zijn diegene die door uw school bij de registratie voor de paralleltoetsen via de website www.ond.vlaanderen.be/toetsenvoorscholen doorgegeven werden. De derde kolom toont hoeveel leerlingen elke optiegroep telt (linkerkant) en hoe die over de lesgroepen verdeeld zijn (rechterkant). Die aantallen zijn gebaseerd op de leerlingen die uw school via de website heeft toegewezen aan de lesgroepen. Leerlingen die na 1 februari 2010 de school verlaten hebben (en door u uit de oorspronkelijke leerlingenlijst op de website verwijderd werden) zijn in deze aantallen niet opgenomen. In de vierde kolom staan de lesgroepen aangevinkt die door uw school uitgekozen werden om aan de paralleltoets wiskunde Data: Omgaan met data deel te nemen. Hou bij de interpretatie van de resultaten rekening met welke lesgroepen niet deelgenomen hebben. De niet-deelname van sommige lesgroepen kan ertoe leiden dat u een onvolledig beeld krijgt van de mate waarin uw school de eindtermen realiseert en/of van de positie van uw school ten opzichte van andere, vergelijkbare scholen. Een gelijkaardige bedenking geldt i.v.m. de niet-deelname van sommige individuele leerlingen. Wanneer vooral bepaalde categorieën van leerlingen (bv. zwakkere) de toets niet afleggen, kan ook dat een vertekend beeld opleveren van de output van uw school. Tenslotte kan ook een grote uitstroom van leerlingen (voortijdige schoolverlaters of schoolveranderaars) het beeld verstoren. Kolom 5 toont per optiegroep hoeveel leerlingen uit elke deelnemende lesgroep de toets volledig en geldig afgelegd hebben. De feedback is gebaseerd op een aantal statistische analyses. Daarin konden alleen die leerlingen opgenomen worden voor wie behalve de toetsscore ook alle nodige achtergrondgegevens beschikbaar waren. Kolom 6 toont hoeveel leerlingen in de analyses en dus ook in de schoolfeedback opgenomen werden. In het volgende hoofdstuk worden eerst de resultaten voor alle deelnemende leerlingen van het tweede leerjaar van de eerste graad secundair onderwijs (A-stroom) samen besproken. - 7 -
Vanaf hoofdstuk 5 worden de resultaten per optiegroep weergegeven. Wanneer voor een bepaalde optiegroep minder dan vijf leerlingen de toets volledig en geldig hebben afgelegd, kan voor deze optiegroep geen afzonderlijk resultaat berekend worden. De resultaten zijn betrouwbaarder en stabieler naargelang meer leerlingen in de analyses opgenomen zijn. Ze zijn minder onderhevig aan natuurlijke schommelingen die zich bij kleine groepen van jaar tot jaar kunnen voordoen. - 8 -
4. Resultaten voor alle deelnemende leerlingen van het tweede leerjaar van de eerste graad (A-stroom) samen Het aandeel leerlingen dat de eindtermen bereikt Zoals hoger beschreven, worden de vaardigheidsscores voor wiskunde Data: Omgaan met data weergegeven op een schaal van 0 tot 10. De ondergrens om de eindtermen te behalen is 5. Onderstaand overzicht geeft per score: - het aantal en het percentage leerlingen in uw school dat die score feitelijk behaald heeft, - het percentage leerlingen dat die score behaald heeft in Vlaanderen. De verdeling voor Vlaanderen verwijst naar de representatieve steekproef van scholen en leerlingen in het peilingsonderzoek wiskunde 1e graad secundair onderwijs A-stroom in 2009. De verdeling van de scores geeft u een meer gedifferentieerd zicht op het niveau dat uw leerlingen halen dan het pure percentage leerlingen dat de eindtermen bereikt heeft. Dat percentage vindt u onderaan het overzicht. Opgelet: Het gaat hier enkel om de scores die feitelijk behaald werden. Met de interpretatie van deze resultaten moet u dus voorzichtig zijn. Bij de vergelijking van uw school met Vlaanderen moet u er rekening mee houden dat de leerlingenbevolking van uw school qua achtergrondkenmerken misschien niet overeenstemt met de gemiddelde Vlaamse school. hebben de ET behaald hebben de ET niet behaald { 9 { 4 Wiskunde -Data: Omgaan met data Uw school Vlaanderen Score Aantal Procent Procent 1 3.2% 4.0% 8 0 0.0% 6.0% 7 5 16.1% 10.0% 6 8 25.8% 20.0% 5 5 16.1% 14.0% 10 32.3% 17.0% 3 1 3.2% 17.0% 2 1 3.2% 8.0% 1 0 0.0% 4.0% 0 0 0.0% 1.0% TOTAAL 31 100% 100% Percentage leerlingen dat de eindterm(en) haalt Uw school Vlaanderen 19 61.3% 54.0% Gemiddelde score Uw school Vlaanderen 5.2 4.8-9 -
Vergelijking met andere scholen en met eigen verwacht gemiddelde In Figuur 1 worden de scholen uit het peilingsonderzoek van 2009 (met daarbij uw school) gerangschikt volgens de feitelijke gemiddelde vaardigheidsscore van hun leerlingen voor wiskunde - Data: Omgaan met data. Elke stip stelt een school voor. De stip aangeduid met de letter S stelt uw school voor (feitelijk gemiddelde). De stip aangeduid met S-verw geeft het verwachte gemiddelde voor uw school aan (zie p. 5). 8 7 vaardigheidsscore 6 5 4 3 S-verw V 2 S 0 10 20 30 40 50 60 70 80 90 scholen Figuur 1. Feitelijk en verwacht gemiddelde voor uw school voor wiskunde - Data: Omgaan met data einde eerste graad (Astroom) in vergelijking met de scholen uit de Vlaamse referentiesteekproef De verschillende elementen in Figuur 1 zijn: - VERTICALE AS: Deze as toont de meetschaal voor wiskunde Data: Omgaan met data. Hoe hoger de score op de as, hoe hoger het (feitelijk) gemiddelde van de school. - HORIZONTALE AS: Rangschikking van de scholen uit het peilingsonderzoek naar hun feitelijk gemiddelde. Hoe meer naar rechts, hoe hoger de positie van uw school ten opzichte van de scholen uit de peiling. - HORIZONTALE STIPPELLIJN: Deze lijn geeft het algemene 'Vlaams gemiddelde' aan (V). In feite is dat het gemiddelde van alle leerlingen in het peilingsonderzoek. - VERTICALE LIJNTJES: Deze lijntjes lopen door de stippen en geven een betrouwbaarheidsinterval aan. Het werkelijke schoolgemiddelde ligt met 95% zekerheid tussen de boven- en ondergrens van dit lijnstukje. Enkel scholen met een betrouwbaarheidsinterval (verticaal lijntje) volledig boven of volledig onder de horizontale stippellijn, hebben een gemiddelde dat STATISTISCH SIGNIFICANT afwijkt van het Vlaamse gemiddelde. Statistisch significant wil zeggen dat het verschil niet aan het toeval toegeschreven kan worden. Het betrouwbaarheidsinterval van uw schoolgemiddelde (S) wordt aangeduid met een gekleurde lijn. In figuur 1 kunt u voor uw school twee vergelijkingen maken: met het 'Vlaamse gemiddelde' en met het verwachte gemiddelde voor de eigen school. - 10 -
De feitelijke gemiddelde score van uw school (S) is niet significant verschillend van het 'Vlaamse gemiddelde' (V). De feitelijke gemiddelde score van uw school (S) is (iets) hoger dan verwacht (S-verw). Anders gezegd: de leerlingen in uw school presteren op het einde van de eerste graad voor wiskunde - Data: Omgaan met data gemiddeld (iets) beter dan andere leerlingen in Vlaanderen met dezelfde achtergrondkenmerken in scholen met gelijkaardige samenstelling van de leerlingenpopulatie als uw school. Maar is dat verschil met het verwachte gemiddelde statistisch significant of kan het aan toeval te wijten zijn? Dat zien we in figuur 2. De toegevoegde waarde voor wiskunde Data: Omgaan met data Het verschil tussen het feitelijke gemiddelde van uw school (S) en het verwachte gemiddelde voor uw school (S-verw) geeft een maat voor de toegevoegde waarde (TW) die uw school tegen het einde van de eerste graad voor wiskunde Data: Omgaan met data realiseert. In figuur 2 hebben we voor alle scholen uit het peilingsonderzoek de toegevoegde waarde voor Data: Omgaan met data bepaald en hen geordend van een kleinere naar een grotere toegevoegde waarde. 2,5 2,0 toegevoegde waarde 1,5 1,0 0,5 0,0-0,5-1,0-1,5-2,0-2,5 0 10 20 30 40 50 60 70 80 90 scholen V S-tw Figuur 2. Toegevoegde waarde van uw school voor wiskunde - Data: Omgaan met data einde eerste graad (A-stroom) in vergelijking met de scholen uit de Vlaamse referentiesteekproef Elke stip stelt een school voor. Uw school werd opnieuw tussen de scholen uit het peilingsonderzoek geplaatst (S-tw). Voor het overige oogt figuur 2 vrij gelijk aan figuur 1: - VERTICALE AS: De getallen op deze as tonen de toegevoegde waarde van lager dan het Vlaamse gemiddelde (negatieve getallen onderaan) naar hoger dan het Vlaamse gemiddelde (positieve getallen bovenaan). Hoe hoger op de verticale as, hoe hoger de toegevoegde waarde. Een score 0 voor toegevoegde waarde betekent dat de toegevoegde waarde van de school even hoog is als de gemiddelde toegevoegde waarde in Vlaanderen. - 11 -
- - - HORIZONTALE AS: Links vindt men de scholen met een kleinere toegevoegde waarde, rechts met een grotere toegevoegde waarde. HORIZONTALE STIPPELLIJN: Deze lijn geeft de gemiddelde toegevoegde waarde voor Vlaanderen aan. Doordat die gemiddelde toegevoegde waarde in Vlaanderen gelijkgezet is aan 0, ziet u voor uw school meteen hoeveel hoger of lager uw toegevoegde waarde is in vergelijking met de gemiddelde Vlaamse toegevoegde waarde. VERTICALE LIJNTJES: Deze lijntjes lopen door de stippen en geven het 95%- betrouwbaarheidsinterval voor de toegevoegde waarde aan. Enkel scholen met een verticaal lijntje dat volledig boven of onder de horizontale stippellijn ligt, hebben een toegevoegde waarde die STATISTISCH SIGNIFICANT afwijkt van de gemiddelde toegevoegde waarde in Vlaanderen. Het betrouwbaarheidsinterval voor de toegevoegde waarde van uw school wordt aangeduid met een gekleurd lijntje. De toegevoegde waarde die uw school voor wiskunde - Data: Omgaan met data op het einde van de eerste graad (A-stroom) realiseert, is significant groter dan 0, d.w.z. beduidend hoger dan de toegevoegde waarde die gemiddeld in Vlaanderen voor wiskunde -Data: Omgaan met data gerealiseerd wordt. Met andere woorden: op het einde van het tweede leerjaar A presteren de leerlingen in uw school voor wiskunde - Data: Omgaan met data gemiddeld significant beter dan andere leerlingen in Vlaanderen met dezelfde achtergrondkenmerken in scholen met een gelijkaardige leerlingenpopulatie. - 12 -
5. Resultaten per optiegroep Voor optiegroepen met minstens vijf leerlingen in de analyse presenteren we afzonderlijke resultaten. 5.1 Het aandeel leerlingen dat de eindtermen bereikt Resultaten voor optiegroep moderne wetenschappen In onderstaande tabel worden de resultaten van de leerlingen uit de optiegroep moderne wetenschappen in uw school vergeleken met die van alle leerlingen moderne wetenschappen uit de scholen die in 2009 aan het peilingsonderzoek deelnamen. hebben de ET behaald hebben de ET niet behaald { 9 { 4 Optiegroep moderne wetenschappen in uw school Wiskunde -Data: Omgaan met data Optiegroep moderne wetenschappen in Vlaanderen Score Aantal Procent Procent 1 5.0% 3.6% 8 0 0.0% 5.9% 7 3 15.0% 9.3% 6 6 30.0% 24.5% 5 3 15.0% 14.9% 5 25.0% 16.6% 3 1 5.0% 15.2% 2 1 5.0% 6.4% 1 0 0.0% 3.3% 0 0 0.0% 0.3% TOTAAL 20 100% 100% Percentage leerlingen dat de eindterm(en) haalt Uw school Vlaanderen 13 65.0% 58.2% Gemiddelde score Uw school Vlaanderen 5.3 4.9-13 -
Resultaten voor optiegroep klassieke talen In onderstaande tabel worden de resultaten van de leerlingen uit de optiegroep klassieke talen in uw school vergeleken met die van alle leerlingen klassieke talen uit de scholen die in 2009 aan het peilingsonderzoek deelnamen. hebben de ET behaald hebben de ET niet behaald { 9 { 4 Optiegroep klassieke talen in uw school Wiskunde -Data: Omgaan met data Optiegroep klassieke talen in Vlaanderen Score Aantal Procent Procent 0 0.0% 8.3% 8 0 0.0% 13.2% 7 1 20.0% 21.2% 6 2 40.0% 22.1% 5 0 0.0% 13.2% 2 40.0% 14.6% 3 0 0.0% 6.0% 2 0 0.0% 0.9% 1 0 0.0% 0.3% 0 0 0.0% 0.3% TOTAAL 5 100% 100% Percentage leerlingen dat de eindterm(en) haalt Uw school Vlaanderen 3 60.0% 77.9% Gemiddelde score Uw school Vlaanderen 5.4 6.1-14 -
Resultaten voor optiegroep technische opties - groep 2 In onderstaande tabel worden de resultaten van de leerlingen uit de optiegroep technische opties - groep 2 in uw school vergeleken met die van alle leerlingen technische opties - groep 2 uit de scholen die in 2009 aan het peilingsonderzoek deelnamen. hebben de ET behaald hebben de ET niet behaald { 9 { 4 Optiegroep technische opties - groep 2 in uw school Wiskunde -Data: Omgaan met data Optiegroep technische opties - groep 2 in Vlaanderen Score Aantal Procent Procent 0 0.0% 0.0% 8 0 0.0% 1.0% 7 1 16.7% 2.7% 6 0 0.0% 10.7% 5 2 33.3% 9.7% 3 50.0% 21.9% 3 0 0.0% 28.6% 2 0 0.0% 16.7% 1 0 0.0% 7.0% 0 0 0.0% 1.7% TOTAAL 6 100% 100% Percentage leerlingen dat de eindterm(en) haalt Uw school Vlaanderen 3 50.0% 24.1% Gemiddelde score Uw school Vlaanderen 4.8 3.5-15 -
5.2 Vergelijking met andere scholen en met eigen verwacht gemiddelde Volgens dezelfde werkwijze als in hoofdstuk 4 uitgelegd werd, kan ook voor elke optiegroep afzonderlijk geschat worden welke toevoegde waarde gerealiseerd wordt voor wiskunde Data: Omgaan met data. De toegevoegde waarde voor elke optiegroep afzonderlijk kan verschillen van de algemene toegevoegde waarde voor alle optiegroepen samen in uw school (zie S-tw in figuur 2). In wat volgt wordt de toegevoegde waarde van elke optiegroep in uw school vergeleken met de toegevoegde waarde van alle optiegroepen uit de peiling. Bij de schatting van de toegevoegde waarde werd rekening gehouden met alle hoger vernoemde achtergrondkenmerken (zie hoofdstuk 4). Dat betekent dat bij de bepaling van het verwachte gemiddelde per optiegroep ook rekening gehouden wordt met het gegeven dat het Vlaamse feitelijke gemiddelde voor elke optiegroep verschillend is. Daardoor zijn de toegevoegde waarde over de optiegroepen heen vergelijkbaar gemaakt en kunnen alle 130 optiegroepen in één grafiek voorgesteld worden. De grafieken vanaf figuur 3 laten echter niet toe optiegroepen binnen een school rechtstreeks met elkaar te vergelijken. Resultaten voor optiegroep moderne wetenschappen 2,5 2,0 toegevoegde waarde 1,5 1,0 0,5 0,0-0,5-1,0-1,5-2,0-2,5 MoW-tw 0 10 20 30 40 50 60 70 80 90 100 110 120 130 optiegroepen binnen scholen V Figuur 3. Toegevoegde waarde voor wiskunde - Data: Omgaan met data einde eerste graad: de optie moderne wetenschappen uit uw school gesitueerd tegenover de Vlaamse referentiesteekproef Figuur 3 situeert de toegevoegde waarde voor de optiegroep moderne wetenschappen in uw school (MoW-tw) tegenover de toegevoegde waarde die 90 scholen in de peiling met betrekking tot wiskunde Data: Omgaan met data voor hun verschillende optiegroepen realiseerden. In figuur 3 stelt elke stip een optiegroep in één van de 90 scholen voor. Enkel optiegroepen met minstens 5 leerlingen werden meegeteld (totaal aantal = 128). De blauw gekleurde stippen stellen de 57 optiegroepen moderne wetenschappen voor. De dikkere rode stip stelt de optiegroep moderne - 16 -
wetenschappen uit uw school voor. Voor de optiegroep moderne wetenschappen is de toegevoegde waarde die uw school tegen het einde van de eerste graad voor wiskunde - Data: Omgaan met data realiseert, significant groter dan 0, d.w.z. beduidend hoger dan de toegevoegde waarde die gemiddeld in Vlaanderen bij leerlingen moderne wetenschappen gerealiseerd wordt. Met andere woorden: op het einde van de eerste graad presteren de leerlingen moderne wetenschappen in uw school voor wiskunde - Data: Omgaan met data gemiddeld significant beter dan andere leerlingen moderne wetenschappen in Vlaanderen met dezelfde achtergrondkenmerken in scholen met een gelijkaardige leerlingenpopulatie als uw school. Resultaten voor optiegroep klassieke talen toegevoegde waarde 2,5 2,0 1,5 1,0 0,5 0,0-0,5-1,0-1,5-2,0-2,5 Kla-tw V 0 10 20 30 40 50 60 70 80 90 100 110 120 130 optiegroepen binnen scholen Figuur 4. Toegevoegde waarde voor wiskunde - Data: Omgaan met data einde eerste graad: de optie klassieke talen uit uw school gesitueerd tegenover de Vlaamse referentiesteekproef Figuur 4 situeert de toegevoegde waarde voor de optiegroep klassieke talen in uw school (Kla-tw) tegenover de toegevoegde waarde die 90 scholen in de peiling met betrekking tot wiskunde Data: Omgaan met data voor hun verschillende optiegroepen realiseerden. In figuur 4 stelt elke stip een optiegroep in één van de 90 scholen voor. Enkel optiegroepen met minstens 5 leerlingen werden meegeteld (totaal aantal = 128). De blauw gekleurde stippen stellen de 28 optiegroepen klassieke talen voor. De dikkere rode stip stelt de optiegroep klassieke talen uit uw school voor. - 17 -
Voor de optiegroep klassieke talen is de toegevoegde waarde die uw school tegen het einde van de eerste graad voor wiskunde - Data: Omgaan met data realiseert, niet significant verschillend van 0, d.w.z. ongeveer even hoog als de toegevoegde waarde die gemiddeld in Vlaanderen bij leerlingen klassieke talen gerealiseerd wordt. Met andere woorden: op het einde van de eerste graad presteren de leerlingen klassieke talen in uw school voor wiskunde - Data: Omgaan met data gemiddeld niet significant beter of minder goed dan andere leerlingen klassieke talen in Vlaanderen met dezelfde achtergrondkenmerken in scholen met een gelijkaardige leerlingenpopulatie als uw school. Resultaten voor optiegroep technische opties - groep 2 2,5 2,0 toegevoegde waarde 1,5 1,0 0,5 0,0-0,5-1,0-1,5-2,0-2,5 TO2-tw 0 10 20 30 40 50 60 70 80 90 100 110 120 130 optiegroepen binnen scholen V Figuur 5. Toegevoegde waarde voor wiskunde - Data: Omgaan met data einde eerste graad: de optie technische opties - groep 2 uit uw school gesitueerd tegenover de Vlaamse referentiesteekproef Figuur 5 situeert de toegevoegde waarde voor de optiegroep technische opties - groep 2 in uw school (TO2-tw) tegenover de toegevoegde waarde die 90 scholen in de peiling met betrekking tot wiskunde Data: Omgaan met data voor hun verschillende optiegroepen realiseerden. In figuur 5 stelt elke stip een optiegroep in één van de 90 scholen voor. Enkel optiegroepen met minstens 5 leerlingen werden meegeteld (totaal aantal = 128). De blauw gekleurde stippen stellen de 33 optiegroepen technische opties - groep 2 voor. De dikkere rode stip stelt de optiegroep technische opties - groep 2 uit uw school voor. - 18 -
Voor de optiegroep technische opties - groep 2 is de toegevoegde waarde die uw school tegen het einde van de eerste graad voor wiskunde - Data: Omgaan met data realiseert, niet significant verschillend van 0, d.w.z. ongeveer even hoog als de toegevoegde waarde die gemiddeld in Vlaanderen bij leerlingen technische opties - groep 2 gerealiseerd wordt. Met andere woorden: op het einde van de eerste graad presteren de leerlingen technische opties - groep 2 in uw school voor wiskunde - Data: Omgaan met data gemiddeld niet significant beter of minder goed dan andere leerlingen technische opties - groep 2 in Vlaanderen met dezelfde achtergrondkenmerken in scholen met een gelijkaardige leerlingenpopulatie als uw school. - 19 -
Leeswijzer bij de begrippen en rupsgrafieken SCHOOLFEEDBACK PARALLELTOETS WISKUNDE 1E GRAAD A STROOM SO (JUNI 2010) Druk deze twee bladzijden afzonderlijk af en gebruik dit blad als insteekblad bij het feedbackrapport WAT IS EEN VAARDIGHEIDSSCORE? Voor elke leerling wordt een vaardigheidsscore bepaald op basis van zijn of haar antwoorden op de toets. Daarbij wegen sommige opgaven zwaarder door dan andere. De scores worden weergegeven op een meetschaal die loopt van 0 tot 10. Het FEITELIJKE GEMIDDELDE voor uw school is het gemiddelde van de vaardigheidsscores van uw leerlingen. WANNEER BEHAALT EEN LEERLING DE EINDTERMEN VOLGENS DE PARALLELTOETS? De meetschaal is zo geconstrueerd dat een score van 5 overeenkomt met de minimumnorm die door onderwijsdeskundigen (leerkrachten, inspecteurs, lerarenopleiders en beleidsmedewerkers) werd vastgelegd voor het behalen van de getoetste eindtermen. Leerlingen met een score van 5 of meer hebben de betreffende eindtermen behaald; leerlingen met een lagere score niet. WAT ZIJN ACHTERGRONDKENMERKEN? Achtergrondkenmerken zijn persoons en thuiskenmerken van de leerlingen. Net zoals schoolkenmerken beïnvloeden zij de leerlingprestaties. In onze analyses hielden wij rekening met (a) de sekse van de leerling, (b) of de leerling dyslexie, dyscalculie, ADHD, autisme of een andere handicap of leerstoornis heeft, (c) het opleidingsniveau van de moeder, (d) of het gezin een schooltoelage krijgt, (e) de taal die de leerling met vader, moeder, broers en zussen spreekt, (f) leescultuur (aantal boeken thuis), (g) de schoolse achterstand (op basis van het geboortejaar van de leerling), (h) de basisoptie die de leerling volgt, (i) het schoolgemiddelde van de scores op de financieringscriteria. WAT IS HET VERWACHTE GEMIDDELDE? Het verwachte gemiddelde is de gemiddelde vaardigheidsscore die we op grond van de achtergrondkenmerken van uw deelnemende leerlingen en uw schoolpopulatie statistisch gezien bij uw leerlingen mogen verwachten. U kunt het interpreteren als het gemiddelde van alle scholen in Vlaanderen met precies dezelfde samenstelling van leerlingenpopulatie als uw school. Door het feitelijke gemiddelde van uw school te vergelijken met het verwachte gemiddelde voor uw school, vergelijken we gelijken met gelijken en maken we dus een faire vergelijking. Dat is niet het geval wanneer we het feitelijke gemiddelde van uw school met het Vlaamse gemiddelde vergelijken. WAT IS DE TOEGEVOEGDE WAARDE? De toegevoegde waarde (TW) van uw school geeft aan hoe groot de bijdrage van uw school in het leren van uw leerlingen is (in vergelijking met wat andere scholen aan het leren van hun leerlingen bijdragen). TOEGEVOEGDE WAARDE = FEITELIJK GEMIDDELDE VERWACHT GEMIDDELDE, dus een 0 betekent dat de toegevoegde waarde even groot is als gemiddeld in Vlaanderen. Uw leerlingen presteren gemiddeld zoals op grond van hun achtergrond en uw schoolpopulatie verwacht kon worden. een positief TW getal wijst op een toegevoegde waarde die groter is dan gemiddeld in Vlaanderen. Uw leerlingen presteren gemiddeld beter dan op grond van hun achtergrond en uw schoolpopulatie verwacht kon worden. een negatief TW getal wijst op een toegevoegde waarde die kleiner is dan gemiddeld in Vlaanderen. Uw leerlingen presteren gemiddeld lager dan op grond van hun achtergrond en uw schoolpopulatie verwacht kon worden. WELKE REFERENTIEGROEP WORDT GEBRUIKT? De referentiegroep bestaat uit een representatieve groep van 90 scholen voor secundair onderwijs in Vlaanderen en het Nederlandstalig onderwijs in Brussel die met 3257 leerlingen uit het tweede leerjaar van de eerste graad secundair onderwijs (A stroom) meegedaan hebben aan de peiling wiskunde op 27 mei 2009. Afhankelijk van de schaal legden 1424 tot 1432 leerlingen de toets af. 1
Feitelijk en verwacht gemiddelde voor uw school in vergelijking met de scholen uit de Vlaamse referentiesteekproef Leeswijzer bij de begrippen en rupsgrafieken Toegevoegde waarde van uw school in vergelijking met de scholen uit de Vlaamse referentiesteekproef Verwacht gemiddelde voor uw school Uw school scoort hoger dan verwacht op basis van achtergrondkenmerken Feitelijk gemiddelde niet significant groter dan Vlaams gemiddelde Toegevoegde waarde significant groter dan gemiddeld in Vlaanderen Rangschikking feitelijke gemiddelden van links naar rechts, van laag naar hoog V = Vlaamse referentiegroep (peilingsonderzoek), horizontale stippellijn Elke kleine stip stelt een school uit het peilingsonderzoek voor. S = Feitelijk gemiddelde voor uw school S verw = Verwacht gemiddelde voor uw school Verticale staafjes = betrouwbaarheidsintervallen. Indien het staafje o de stippellijn snijdt: geen statistisch significant verschil met Vlaams gemiddelde o volledig boven de stippellijn ligt: schoolgemiddelde statistisch significant hoger dan Vlaams gemiddelde o volledig onder de stippellijn ligt: schoolgemiddelde statistisch significant lager dan Vlaams gemiddelde Ranschikking van toegevoegde waarden, van links naar rechts, van klein naar groot Toegevoegde waarde voor uw school (S tw) = feitelijk gemiddelde (S) verwacht gemiddelde (S verw) Horizontale stippellijn = Gemiddelde toegevoegde waarde in Vlaanderen Elke kleine stip stelt een school uit het peilingsonderzoek voor. Verticale staafjes = betrouwbaarheidsintervallen. Indien het staafje o de stippellijn snijdt: geen statistisch significant verschil met gemiddelde TW in Vlaanderen o volledig boven de stippellijn ligt: toegevoegde waarde statistisch significant groter dan gemiddelde TW in Vlaanderen o volledig onder de stippellijn ligt: toegevoegde waarde statistisch significant kleiner dan gemiddelde TW in Vlaanderen.