Zaaknummer : 2013/261



Vergelijkbare documenten
Zaaknummer : 2013/207 Rechter(s) : mr. Borman Datum uitspraak : 18 juli 2014 Partijen : Appellant tegen CBE Hogeschool van Amsterdam Trefwoorden :

Bij beslissing van 28 augustus 2013 heeft de examencommissie van de opleiding Informatica appellant een negatief bindend studieadvies gegeven.

Zaaknummer : CBHO 2014/060 Rechter(s) : mr. Borman Datum uitspraak : 18 juni 2014 Partijen : Appellant tegen CBE Hogeschool van Amsterdam Trefwoorden

het college van beroep voor de examens van De Haagse Hogeschool (hierna: het CBE), verweerder.

Zaaknummer : 2013/129

Bij beslissing van 9 juli 2014 heeft het CBE het door appellante daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

het College van Beroep voor de Examens van de Haagse Hogeschool (hierna: het CBE), verweerder.

Zaaknummer : CBHO 2013/233 Rechter(s) : mr. Lubberdink Datum uitspraak : 13 juni 2014 Partijen : Appellant tegen de Hogeschool Inholland Trefwoorden

Zaaknummer : CBHO 2015/254 Rechter(s) : mr. B.K. Olivier Datum uitspraak : 13 januari 2016 Partijen : appellante en CBE Hogeschool Inholland

het College van Beroep voor de Examens van de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen (hierna: het CBE), verweerder.

Zaaknummer : CBHO 2015/089 Rechter(s) : mr. Olivier Datum uitspraak : 18 augustus 2015 Partijen : Appellante en CBE Erasmus Universiteit Rotterdam

het college van beroep voor de examens van Fontys Hogescholen (hierna: CBE), verweerder.

Zaaknummer : 2014/001/CBE en 2014/001.1

het College van Beroep voor de Examens van de HZ University of Applied Sciences, gevestigd te Vlissingen, verweerder.

Uitspraak in de zaak tussen: [naam], wonende te [woonplaats], appellante,

Zaaknummer : 2014/145

Uitspraak in de zaak tussen: [naam], wonende te [woonplaats], appellant, het CBE van de Hanzehogeschool Groningen (hierna: CBE), verweerder.

het College van Beroep voor de Examens van de Vrije Universiteit Amsterdam (hierna: het CBE), verweerder.

College van Beroep voor het Hoger Onderwijs

U I T S P R A A K

U I T S P R A A K

3 oktober 2012 heeft plaatsgevonden, leidt niet tot een ander oordeel.

Zaaknummer : CBHO 2015/059 Rechter(s) : mr. Borman Datum uitspraak : 2 maart 2016 Partijen : appellant en CBE Hogeschool Inholland Trefwoorden :

het College van Beroep voor de Examens van de Universiteit van Amsterdam (hierna: CBE), verweerder.

Zaaknummer : CBHO 2016/074 Rechter(s) : mr. Streefkerk Datum uitspraak : 10 oktober 2016 Partijen : appellante en CBE Hogeschool Inholland

het College van Beroep voor de Examens van de Hogeschool Utrecht (hierna: het CBE), verweerder.

U I T S P R A A K

U I T S P R A A K

het college van beroep voor de examens van de Saxion Hogeschool (hierna: CBE), verweerder.

het college van bestuur van de Universiteit van Amsterdam (hierna: het college van bestuur), verweerder.

Zaaknummer : 2013/020 en 020.1

het college van bestuur van de Hogeschool van Amsterdam (hierna: de hogeschool), verweerder.

Bij beslissing van 14 april 2013 heeft het college van bestuur het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Zaaknummer : CBHO 2014/165 Rechter(s) : mrs. Olivier, Scholten-Hinloopen en Verheij Datum uitspraak : 14 januari 2015 Partijen : appellant en CBE

U I T S P R A A K

Zaaknummer : CBHO 2015/247.5 Rechter(s) : mrs. Borman, Lubberdink en Streefkerk Datum uitspraak : 6 juni 2016 Partijen : appellante en CBE Hogeschool

Zaaknummer : 2014/204 en 204.1

Zaaknummer : 2014/150 : mrs. Olivier, Borman, Hoogvliet Datum uitspraak : 16 december 2014 : Appellante en Vrije Universiteit Amsterdam

het college van beroep voor de examens van de Hogeschool Utrecht, verweerder.

Zaaknummer : CBHO 2015/033 Rechter(s) : mrs. Olivier, Lubberdink en Troostwijk Datum uitspraak : 7 augustus 2015 Partijen : Appellant en

Zaaknummer : CBHO 2016/087 Rechter(s) : mrs. Van der Spoel, Verheij en Streefkerk Datum uitspraak : 4 januari 2017 Partijen : Appellante en CBE

Uitvoeringsreglement Studieadvies in de propedeutische fase

U I T S P R A A K

Zaaknummer: 2000/026 en 2000/026.1 Rechter(s): mr. Olivier Datum uitspraak: 22 mei 2000 X tegen het college van bestuur van de Universiteit Leiden

25 oktober 2016 Beroep [appellant] negatief bindend studieadvies

Zaaknummer : 2014/038 Rechter(s) : mr. Kleijn Datum uitspraak : 28 juli 2014 Partijen : Appellant tegen het CvB van Hogeschool van Amsterdam

Zaaknummer : CBHO 2015/083 Rechter(s) : mr. Olivier Datum uitspraak : 26 januari 2016 Partijen : appellant en Hogeschool van Amsterdam Trefwoorden :

Zaaknummer : CBHO 2014/302 Rechter(s) : mrs. Borman, Troostwijk en Kleijn Datum uitspraak : 23 september 2015 Partijen : Appellant en Hogeschool van

Transcriptie:

Zaaknummer : 2013/261 Rechter[s] : mr. Troostwijk Datum uitspraak : 27 maart 2014 Partijen : Appellante tegen CBE De Haagse Hogeschool Trefwoorden : Begeleiding, BNSA, gelijkheidsbeginsel, [extra]herkansing, Osiris, proportionaliteit, zorgvuldigheidsbeginsel, waarschuwing Artikelen : WHW artikel 7.8b lid 1, 2, 3 en 6; OER opleiding HBO-rechten artikel 18 lid 3 onderdelen 3.3.1 en 3.3.2. Uitspraak : Ongegrond Hoofdoverwegingen : 2.3.1 Het College ziet geen grond voor het oordeel dat appellante onvoldoende studieadvies en begeleiding heeft gekregen. Niet in geschil is dat appellante in het tweede studiejaar in ieder geval drie gesprekken met een studiebegeleider heeft gevoerd, te weten op 14 september 2012, 20 december 2012 en 20 februari 2013. Van die gesprekken zijn verslagen opgemaakt, die in OSIRIS zijn opgenomen. Uit de verslagen volgt dat de studiebegeleider steeds met appellante heeft gesproken over de voortgang en aanpak van haar studie en haar afdoende heeft gewezen op het belang van het behalen van de vakken uit de propedeutische fase. Appellante had toegang tot OSIRIS en had die verslagen dan ook kunnen inzien. Evenmin wordt aanleiding gezien om te oordelen dat appellante niet tijdig is gewaarschuwd voor een negatief bindend studieadvies en de gevolgen daarvan. Uit het verslag van het gesprek op 20 februari 2013 volgt dat appellante wist dat als zij belangrijke tentamens van de blokken 3 en 4 niet zou behalen, een negatief bindend studieadvies kon worden gegeven. Aan appellante is bij brief van 26 maart 2013 een waarschuwing als bedoeld in artikel 18, derde lid, onder 3.3.2, van de OER gegeven, waarin zij ook op de mogelijkheid van een hoorzitting en de wijze waarop zij zich hiervoor diende aan te melden, is gewezen. Verder is gebleken dat de examencommissie op 27 mei 2013 aan studenten van de opleiding, onder wie appellante, via blackbord een email heeft verzonden over de procedure voor het indienen van een verzoek om uitstel van een negatief bindend studieadvies en op 12 juni 2013 een email over de wijze van aanmelden voor vorenbedoelde hoorzitting. Deze informatie is gelijktijdig op het studentenportal geplaatst. Voor zover appellante bestrijdt de waarschuwingsbrief van 26 maart 2013 te hebben ontvangen, leidt dit niet tot een ander oordeel, nu uit het voorgaande volgt dat appellante ook op andere wijze tijdig en afdoende voor een mogelijk negatief bindend studieadvies was gewaarschuwd. Dat voorafgaand aan het geven van het advies geen hoorzitting is geweest, is aan appellante zelf te wijten, nu zij gelet op het vorenstaande wist dan wel behoorde te weten dat zij zich daarvoor diende aan te melden, hetgeen zij niet heeft gedaan. ( ) 2.4.1 Hetgeen is aangevoerd, leidt niet tot het oordeel dat sprake is van strijd met het proportionaliteitsbeginsel. Vaststaat dat appellante het propedeutisch examen niet binnen de daarvoor gestelde termijn heeft behaald. Dat zij slechts één vak niet heeft behaald, is op zichzelf niet relevant en maakt dit niet anders. Het negatief bindend studieadvies is, zo volgt uit het voorgaande, op zorgvuldige wijze tot stand gekomen. Voorts is onbestreden dat geen sprake is geweest van persoonlijke omstandigheden die ertoe hebben bijgedragen dat appellante de studiepunten voor het desbetreffende vak, en derhalve het propedeutisch examen, niet

Uitspraak in de zaak tussen: binnen de gestelde termijn heeft behaald. ( ) 2.5.1 Het CBE heeft toegelicht dat het zogenoemde laatste vakbeleid inhoudt dat een student een extra herkansing voor een laatste vak wordt geboden, indien hij alle overige vakken van de opleiding heeft behaald en zijn scriptie en portfolio heeft afgerond. Dit beleid wordt echter niet in de propedeutische fase van de opleiding toegepast, maar uitsluitend in de hoofdfase. In het studiejaar 2011-2012 is aan studenten van de opleiding een extra herkansing voor het propedeusevak Staatsrecht geboden, omdat de toetscommissie naar aanleiding van klachten van studenten had geoordeeld dat de eerste herkansing voor het vak te zwaar was geweest. Deze extra herkansing hield dus geen verband met het toepassen van het zogenoemde laatste vakbeleid. Gelet op het vorenstaande ziet het College in hetgeen is aangevoerd geen grond voor het oordeel dat sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel. [naam], wonend te [naam woonplaats], appellante, en het college van beroep voor de examens van De Haagse Hogeschool (hierna: het CBE), verweerder. 1. Procesverloop Bij beslissing van 25 juli 2013 heeft de examencommissie van de opleiding HBO-Rechten appellante een negatief bindend studieadvies gegeven. Bij beslissing van 8 november 2013 heeft het CBE het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze beslissing heeft appellante beroep ingesteld. Het CBE heeft een verweerschrift ingediend. Het College heeft de zaak verwezen van een meervoudige naar een enkelvoudige kamer. Het College heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 maart 2014, waar appellante, bijgestaan door mr. R.M.L. Theelen, advocaat te 's-gravenhage, en het CBE, vertegenwoordigd door mr. C.A.M. Tiel en A.B. Plugge, beiden werkzaam bij De Haagse Hogeschool, zijn verschenen. 2. Overwegingen 2.1 Ingevolge artikel 7.8b, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek brengt het instellingsbestuur van een bekostigde universiteit of hogeschool iedere student uiterlijk aan het einde van diens eerste jaar van inschrijving voor de propedeutische fase van een voltijdse of duale bacheloropleiding advies uit over de voortzetting van zijn studie binnen of buiten de bacheloropleiding. Ingevolge het tweede lid kan het instellingsbestuur onverminderd het eerste lid het advies aan de student uitbrengen zolang deze het propedeutisch examen niet met goed gevolg heeft afgelegd.

Ingevolge het derde lid kan het instellingsbestuur aan een advies, als bedoeld in het eerste of tweede lid, ten aanzien van opleidingen die daartoe door het instellingsbestuur zijn aangewezen, binnen het in het tweede lid bedoelde tijdvak, doch niet eerder dan tegen het einde van het eerste jaar van inschrijving, een afwijzing verbinden. Deze afwijzing kan slechts worden gegeven, indien de student naar het oordeel van het instellingsbestuur, met inachtneming van zijn persoonlijke omstandigheden, niet geschikt moet worden geacht voor de opleiding doordat zijn studieresultaten niet voldoen aan de vereisten die het bestuur daaromtrent heeft vastgesteld. Ingevolge het zesde lid stelt het instellingsbestuur ter uitvoering van de voorgaande leden nadere regels vast. Ingevolge artikel 18, derde lid, onder 3.3.1, van de Onderwijs- en Examenregeling opleiding HBO-Rechten Duale variant 2012-2013 (hierna: de OER) krijgt de student in het tweede jaar van inschrijving voor de propedeutische fase een negatief bindend studieadvies, indien hij op uiterlijk 31 augustus van het tweede jaar van inschrijving het propedeutische examen niet heeft behaald. Ingevolge het derde lid, onder 3.3.2, voor zover thans van belang, kan een negatief bindend studieadvies alleen worden gegeven wanneer de student, gelet op zijn studieresultaten en met inachtneming van zijn persoonlijke omstandigheden, niet geschikt wordt geacht voor de opleiding, doordat zijn studieresultaten niet voldoen aan de vereisten die daaromtrent zijn vastgesteld in de OER van de opleiding, de student studiebegeleiding is aangeboden, de gegevens over de studievoortgang van iedere student zijn opgenomen in het studievolgsysteem OSIRIS (hierna: OSIRIS), er vooraf een waarschuwing is afgegeven op een zodanig tijdstip dat de betreffende student de mogelijkheid heeft zijn studieresultaten te verbeteren, er rekening is gehouden met eventuele persoonlijke omstandigheden en de student in de gelegenheid is gesteld om te worden gehoord voordat de examencommissie het negatief bindend studieadvies uitbrengt. 2.2 Appellante is in het studiejaar 2011-2012 gestart met de opleiding HBO-Rechten. In het eerste jaar van inschrijving heeft zij 40 studiepunten behaald van de 60 te behalen punten voor de propedeutische fase. Aan het einde van het tweede jaar van inschrijving heeft zij in totaal 55 van de benodigde 60 studiepunten van deze fase behaald. Zij heeft de studiepunten voor het vak Ondernemingsrecht niet behaald. Derhalve staat vast dat appellante op uiterlijk 31 december van het tweede jaar van inschrijving het propedeutisch examen niet heeft behaald. 2.3 Appellante betoogt dat het CBE niet heeft onderkend dat de beslissing om haar een negatief bindend studieadvies te geven onzorgvuldig tot stand is gekomen. Zij voert aan dat zij onvoldoende studieadvies en -begeleiding heeft gekregen. Zo is zij tijdens het tweede studiejaar niet erop gewezen het accent te leggen op het behalen van vakken van het eerste jaar en zijn er geen verslagen van gesprekken met de studieloopbaanbegeleider opgemaakt dan wel heeft zij die niet kunnen inzien. Verder stelt zij dat zij niet tijdig is gewaarschuwd over een mogelijk negatief bindend studieadvies en de gevolgen daarvan. Voorts voert zij aan dat voorafgaand aan het geven van het negatief bindend studieadvies geen hoorzitting heeft plaatsgevonden. 2.3.1 Het College ziet geen grond voor het oordeel dat appellante onvoldoende studieadvies en begeleiding heeft gekregen. Niet in geschil is dat appellante in het tweede studiejaar in ieder geval drie gesprekken met een studiebegeleider heeft gevoerd, te weten op 14 september 2012, 20 december 2012 en 20 februari 2013. Van die gesprekken zijn verslagen opgemaakt, die in OSIRIS zijn opgenomen. Uit de verslagen volgt dat de studiebegeleider steeds met appellante heeft gesproken over de voortgang en aanpak van haar studie en haar afdoende heeft gewezen op het belang van het behalen van de vakken uit de propedeutische fase. Appellante had toegang tot

OSIRIS en had die verslagen dan ook kunnen inzien. Evenmin wordt aanleiding gezien om te oordelen dat appellante niet tijdig is gewaarschuwd voor een negatief bindend studieadvies en de gevolgen daarvan. Uit het verslag van het gesprek op 20 februari 2013 volgt dat appellante wist dat als zij belangrijke tentamens van de blokken 3 en 4 niet zou behalen, een negatief bindend studieadvies kon worden gegeven. Aan appellante is bij brief van 26 maart 2013 een waarschuwing als bedoeld in artikel 18, derde lid, onder 3.3.2, van de OER gegeven, waarin zij ook op de mogelijkheid van een hoorzitting en de wijze waarop zij zich hiervoor diende aan te melden, is gewezen. Verder is gebleken dat de examencommissie op 27 mei 2013 aan studenten van de opleiding, onder wie appellante, via blackbord een email heeft verzonden over de procedure voor het indienen van een verzoek om uitstel van een negatief bindend studieadvies en op 12 juni 2013 een email over de wijze van aanmelden voor vorenbedoelde hoorzitting. Deze informatie is gelijktijdig op het studentenportal geplaatst. Voor zover appellante bestrijdt de waarschuwingsbrief van 26 maart 2013 te hebben ontvangen, leidt dit niet tot een ander oordeel, nu uit het voorgaande volgt dat appellante ook op andere wijze tijdig en afdoende voor een mogelijk negatief bindend studieadvies was gewaarschuwd. Dat voorafgaand aan het geven van het advies geen hoorzitting is geweest, is aan appellante zelf te wijten, nu zij gelet op het vorenstaande wist dan wel behoorde te weten dat zij zich daarvoor diende aan te melden, hetgeen zij niet heeft gedaan. Gelet op het vorenstaande ziet het College geen aanleiding om te oordelen dat het negatief bindend studieadvies op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Het betoog faalt. 2.4 Appellante betoogt dat het CBE ten onrechte heeft overwogen dat geen sprake is van strijd met het proportionaliteitsbeginsel. Volgens haar is wel sprake van strijd met dit beginsel, nu zij slechts één vak van de propedeutische fase niet heeft behaald. 2.4.1 Hetgeen is aangevoerd, leidt niet tot het oordeel dat sprake is van strijd met het proportionaliteitsbeginsel. Vaststaat dat appellante het propedeutisch examen niet binnen de daarvoor gestelde termijn heeft behaald. Dat zij slechts één vak niet heeft behaald, is op zichzelf niet relevant en maakt dit niet anders. Het negatief bindend studieadvies is, zo volgt uit het voorgaande, op zorgvuldige wijze tot stand gekomen. Voorts is onbestreden dat geen sprake is geweest van persoonlijke omstandigheden die ertoe hebben bijgedragen dat appellante de studiepunten voor het desbetreffende vak, en derhalve het propedeutisch examen, niet binnen de gestelde termijn heeft behaald. Het betoog slaagt niet. 2.5 Appellant betoogt dat sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel, nu in haar geval geen toepassing is gegeven aan het zogenoemde laatste vakbeleid, terwijl dit wel is toegepast voor studenten van de opleiding in het studiejaar 2011-2012 voor het propedeusevak Staatsrecht. 2.5.1 Het CBE heeft toegelicht dat het zogenoemde laatste vakbeleid inhoudt dat een student een extra herkansing voor een laatste vak wordt geboden, indien hij alle overige vakken van de opleiding heeft behaald en zijn scriptie en portfolio heeft afgerond. Dit beleid wordt echter niet in de propedeutische fase van de opleiding toegepast, maar uitsluitend in de hoofdfase. In het studiejaar 2011-2012 is aan studenten van de opleiding een extra herkansing voor het propedeusevak Staatsrecht geboden, omdat de toetscommissie naar aanleiding van klachten van studenten had geoordeeld dat de eerste herkansing voor het vak te zwaar was geweest. Deze extra herkansing hield dus geen verband met het toepassen van het zogenoemde laatste vakbeleid. Gelet op het vorenstaande ziet het College in hetgeen is aangevoerd geen grond voor het oordeel dat sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel. Het betoog faalt.

2.6 Het beroep is ongegrond. 2.7 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3. Beslissing Het College Rechtdoende: verklaart het beroep ongegrond.