Aanbiedingsformulier Onderwerp Vaststelling van de definitieve doorbetalingsverplichting, bedoeld in artikel 105 van de Wet op het Basis Onderwijs, artikel 99 van de interim-wet op het Speciaal Onderwijs en het Voortgezet Speciaal Onderwijs (ISOVSO) en artikel 96 van de Wet op het Voortgezet Onderwijs over de tijdvakken 1991-1995 (BO), 1988-1992 en 1993-1997 (SO) en 1989-1995 (VO). BESLUITEN Behoudens advies van de commissie OWZE: a. vast te stellen de bedragen zoals genoemd in bijlagen 3 tot en met 9, uitgegeven en ontvangen ten behoeve van de personele en materiële instandhouding, bedoeld in artikel 105 van de Wet op het Basis Onderwijs, artikel 99 van de interim-wet op het Speciaal Onderwijs en het Voortgezet Speciaal Onderwijs (ISOVSO) en artikel 96 van de Wet op het Voortgezet Onderwijs, over de jaren 1991-1995 voor het openbaar en bijzonder basisonderwijs, over de jaren 1988-1992 en 1993-1997 voor het openbaar en bijzonder (voortgezet) speciaal onderwijs en de jaren 1989-1995 voor het openbaar en bijzonder voortgezet onderwijs; b. conform bijlage 3 vast te stellen de mate waarin meer dan wel minder uitgaven zijn gedaan voor het personeel (gerekend vanaf 1-8-1992) en de materiële instandhouding dan door het Rijk zijn vergoed voor het openbaar basisonderwijs voor het vijfjarig tijdvak 1991 tot en met 1995, voor de openbare scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs voor moeilijk lerende kinderen en voor kinderen met leer- en opvoedingsmoeilijkheden voor de tijdvakken 1988 tot en met 1992 en 1993 tot en met 1997 en voor het openbaar voortgezet onderwijs voor het zevenjarige tijdvak 1989 tot en met 1995; c. aan de besturen van de bijzondere scholen voor basisonderwijs, voor (voortgezet) speciaal onderwijs en voortgezet onderwijs het overschrijdingsbedrag uit te keren, naar rato van de overschrijding bij het openbaar onderwijs tot de bedragen vermeld in bijlage 10; d. de doorbetalingsverplichting ten laste te brengen van de daarvoor bestemde voorzieningen en voor het restant van ƒ 11.544,- ten laste van de dienstreserve C & E, te regelen bij afsluiting van de jaarrekening 2000. Zoals uitgewerkt in bijgaande concept raadsbesluit. Korte overwegingen In het kader van de gelijkstelling van het openbaar en bijzonder onderwijs is wettelijk geregeld dat wanneer een gemeente ten behoeve van haar openbare scholen, voor materiële instandhouding en (vanaf 1-8-1992) voor personeel, meer uitgaven doet dan de daarvoor ontvangen rijksvergoedingen, de gemeente verplicht is om deze hogere uitgaven door te vergoeden aan de besturen van de bijzondere scholen.
Hiermee is in het verleden rekening gehouden door dotatie aan de voorziening 5- jaarlijkse afrekening. Echter, eind 1997 constateerden wij dat de overschrijding over de voorgaande periode naar alle waarschijnlijkheid hoger zou uitvallen dan gepland. Onderzoek door de accountant, E&Y, bevestigde en kwantificeerde deze bevindingen. Door de instelling van het Bureau Openbaar Onderwijs en verbetering van de administratieve organisatie aldaar is doorwerking naar de toekomst voorkomen. Om de te verwachten meerkosten van de ongeplande overschrijdingen te dekken, heeft de Raad ingestemd met extra dotatie tot en met 2000 - aan de voorziening 5-jaarlijkse afrekening. Na afwikkeling van de voorgestelde doorvergoeding is er in de voorziening 5-jaarlijkse afrekening sprake van een negatief saldo van ƒ 11.544. Omdat zowel voor het basis- als voor het voortgezet onderwijs nog over de jaren 1996 en 1997 de overschrijding moet worden vastgesteld (in de 5-jaarlijkse afrekening 1996-2000), kan de voorziening bovendien pas na de afrekening over de periodes 1996 2000 worden afgesloten.
2000. Nr. : 00.0070. Dnst. : C&E Vaststellen van de definitieve doorbetalings-verplichting, bedoeld in artikel 105 van de Wet op het Basis Onderwijs, artikel 99 van de interim-wet op het Speciaal Onderwijs en het Voortgezet Speciaal Onderwijs (ISOVSO) en artikel 96 van de Wet op het Voortgezet Onderwijs over de tijdvakken 1991-1995 (BO), 1988-1992 en 1993-1997 (SO) en 1989-1995 (VO). Leiden, 20 juni 2000. In het kader van de gelijkstelling van het openbaar en bijzonder onderwijs is wettelijk geregeld dat wanneer een gemeente ten behoeve van haar openbare scholen, voor materiële instandhouding en (vanaf 1-8-1992) voor personeel, meer uitgaven doet dan de daarvoor ontvangen rijksvergoedingen, de gemeente verplicht is om deze hogere uitgaven door te vergoeden aan de besturen van de bijzondere scholen. Ingevolge het bepaalde in artikelen 105 van de Wet op het Basis Onderwijs, artikel 99 van de interim-wet op het Speciaal Onderwijs en het Voortgezet Speciaal Onderwijs (ISOVSO) en artikel 96 van de Wet op het Voortgezet Onderwijs, dient uw Gemeenteraad voor de openbare scholen om de vijf jaar het totaal van de vastgestelde uitgaven en ontvangsten in de voorafgaande vijf kalenderjaren vast te stellen. Indien de uitgaven hoger zijn dan de ontvangsten bepaalt de Raad tevens het overschrijdingsbedrag, uitgedrukt in een percentage, waarna aan de besturen van de bijzondere scholen een overschrijdingsuitkering wordt betaald, als percentage van de relevante ontvangsten van het desbetreffende bestuur. Aan de orde zijn thans de tijdvakken 1991 tot en met 1995 voor het basisonderwijs, 1988 tot en met 1992 en 1993 tot en met 1997 voor het speciaal basisonderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs en 1989-1995 voor het voortgezet onderwijs 1. Voor zowel het basis- als het speciaal onderwijs is eerder voor de periode 1991-1995, resp. 1988-1992 een voorlopige berekening van de doorbetalingsverplichting gemaakt (Raadsbesluiten 95.117 en 96.1079 van resp. 28-11-95 en 9-11-96). Nu over genoemde jaren de definitieve vaststelling van de vergoedingen door het Rijk heeft plaatsgevonden, kan uw Raad eveneens tot definitieve vaststelling overgaan en de resterende tijdvakken, ook voor het voortgezet onderwijs, afhandelen. Vanwege uiteenlopende redenen 1 Door de wijziging van de Wet op het voortgezet onderwijs is hier sprake van een eenmalig zevenjarig tijdvak (artikel VIII van de Wet van 27 februari 1992, Stb. 112)
(achterstanden in de afwikkeling bij het ministerie van Onderwijs, wijzigingen in de relevante wetten, samenvoeging van scholen, alsmede interne organisatorische problemen) is een achterstand ontstaan op de afwikkeling van de overschrijdingsregeling, die met bijgevoegd voorstel wordt ingelopen. Teneinde in deze complexe materie mogelijke twijfel inzake de vaststelling van de overschrijding weg te nemen, is aan de accountant opdracht gegeven de hoogte van de overschrijding voor de diverse onderwijstypen te berekenen. Tevens is aan de accountant opdracht verstrekt de totale rapportage te certificeren. In bijlage 1 treft u de accountantsverklaring en rapportage inzake de overschrijdingen en de daarbij behorende doorbetalingsverplichting aan. Bijlage 2 geeft een overzicht van alle, in het kader van de overschrijdingsregeling betrokken, scholen en schoolbesturen in de periode 1988 tot heden. Met dit overzicht zijn alle fusies, opheffingen en naamsveranderingen in beeld gebracht. In bijlage 3 worden de overschrijdingen in het openbaar onderwijs in geld en procenten zichtbaar gemaakt. 2 Bijlagen 4 tot en met 9 laten per onderwijssoort voor het bijzonder onderwijs de relevante bestedingen zien met de daaruit voortvloeiende doorbetalingsverplichting. Bijlage 10 geeft een overzicht van de doorbetalingsverplichting per school / schoolbestuur na verrekening met reeds verstrekte voorschotten. Tot slot geeft bijlage 11 een overzicht van de vastgestelde beschikbare middelen na uitbetaling van de doorbetalingsverplichting. Met verwijzing naar het advies van de Commissie voor Onderwijs, Welzijn, Zorg en Emancipatie en de overige in de leeskamer ter inzage gelegde stukken, geven wij u in overweging het hierna in ontwerp afgedrukte besluit te nemen. Leiden, Burgemeester, POSTMA. Burgemeester en Wethouders van de loco-secretaris, de E.H.T. v.d. VLIST. J.K.T. Aan de gemeenteraad. De Raad der gemeente Leiden; Gezien het voorstel van Burgemeester en Wethouders (raadsvoorstel nr. 00.0070 van 2000); B E S L U I T:
a. vast te stellen de bedragen zoals genoemd in bijlagen 3 tot en met 9, uitgegeven en ontvangen ten behoeve van de personele en materiële instandhouding, bedoeld in artikel 105 van de Wet op het Basis Onderwijs, artikel 99 van de interim-wet op het Speciaal Onderwijs en het Voortgezet Speciaal Onderwijs (ISOVSO) en artikel 96 van de Wet op het Voortgezet Onderwijs, over de jaren 1991-1995 voor het openbaar en bijzonder basisonderwijs, over de jaren 1988-1992 en 1993-1997 voor het openbaar en bijzonder (voortgezet) speciaal onderwijs en de jaren 1989-1995 voor het openbaar en bijzonder voortgezet onderwijs; b. conform bijlage 3 vast te stellen de mate waarin meer dan wel minder uitgaven zijn gedaan voor het personeel (gerekend vanaf 1-8-1992) en de materiële instandhouding dan door het Rijk zijn vergoed voor het openbaar basisonderwijs voor het vijfjarig tijdvak 1991 tot en met 1995, voor de openbare scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs voor moeilijk lerende kinderen en voor kinderen met leer- en opvoedingsmoeilijkheden voor de tijdvakken 1988 tot en met 1992 en 1993 tot en met 1997 en voor het openbaar voortgezet onderwijs voor het zevenjarige tijdvak 1989 tot en met 1995; c. aan de besturen van de bijzondere scholen voor basisonderwijs, voor (voortgezet) speciaal onderwijs en voortgezet onderwijs het overschrijdingsbedrag uit te keren, naar rato van de overschrijding bij het openbaar onderwijs tot de bedragen vermeld in bijlage 10; d. de doorbetalingsverplichting ten laste te brengen van de daarvoor bestemde voorzieningen en voor het restant van ƒ 11.544,- ten laste van de dienstreserve C & E, te regelen bij afsluiting van de jaarrekening 2000. Gedaan ter openbare vergadering van De Secretaris, De Voorzitter,