Onregelmatige werkwoorden - Werkwoorden die op een andere manier gaan In boek A2 thema 4 leer je hoe je over vroeger kunt praten. Je leert ook dat sommige werkwoorden op een andere manier gaan. Je kunt het woord SoFTKeTCHuP X dan niet gebruiken. Deze werkwoorden moet je leren. Of je zoekt ze hier op. Dan kun je zien hoe je de verleden tijd van het werkwoord maakt. En hoe je de voltooide tijd maakt. De woorden staan op volgorde van het alfabet. In boek A2 thema 5 leer je dat je de voltooide tijd maakt met hebben of met zijn. Hier zie je bij welke werkwoorden je de voltooide tijd maakt met hebben. Je ziet ook bij welke werkwoorden je de verleden tijd maakt met zijn. Of bij welke werkwoorden je soms hebben gebruikt en soms zijn. Er kan iets voor een werkwoord staan. Bijvoorbeeld: bedenken of uitzoeken. Soms wil je de verleden tijd of de voltooide tijd weten van een werkwoord waar iets voor staat. Hier zie je wat er voor een werkwoord kan staan en hoe je dan kunt zoeken: Voor het werkwoord staat: be, onder, ont of ver Bijvoorbeeld: bedenken. Zoek eerst bij de b. Kun je het woord daar niet vinden? Zoek dan bij de d van denken. De verleden tijd van bedenken is: be + de verleden tijd van denken (= dacht / dachten): bedacht / bedachten. De voltooide tijd van bedenken is: be + de voltooide tijd van denken zonder ge (= gedacht): bedacht. Nog een voorbeeld: onderzoeken. Zoek eerst bij de o. Kun je het woord daar niet vinden? Zoek dan bij de z van zoeken. De verleden tijd van onderzoeken is: onder + de verleden tijd van zoeken (= zocht / zochten): onderzocht / onderzochten. De voltooide tijd van onderzoeken is: onder + de voltooide tijd van zoeken zonder ge (= gezocht): onderzocht. Voor het werkwoord staat: aan, achter, af, bij, binnen, door, in, langs, mee, na, om, op, open, over, tegen, terug, toe, uit of voor Bijvoorbeeld: aangeven. Zoek eerst bij de a. Kun je het woord daar niet vinden? Zoek dan bij de g van geven. De verleden tijd van aangeven is: de verleden tijd van geven (= gaf / gaven) + aan: gaf aan / gaven aan. De voltooide tijd van aangeven is: aan + de voltooide tijd van geven (= gegeven): aangegeven. Nog een voorbeeld: uitzoeken. Zoek eerst bij de u. Kun je het woord daar niet vinden? Zoek dan bij de z van zoeken. De verleden tijd van uitzoeken is: de verleden tijd van zoeken (= zocht / zochten) + uit: zocht uit / zochten uit. De voltooide tijd van uitzoeken is: uit + de voltooide tijd van zoeken (= gezocht): uitgezocht.
werkwoord verleden tijd enkelvoud verleden tijd meervoud voltooide tijd A aansluiten sloot aan sloten aan heeft aangesloten aanvallen viel aan vielen aan heeft aangevallen afbreken brak af braken af heeft afgebroken aflopen liep af liepen af is afgelopen afnemen nam af namen af heeft / is afgenomen afsluiten sloot af sloten af heeft afgesloten B bakken bakte bakten heeft gebakken barsten barstte barstten is gebarsten bederven bedierf bedierven heeft / is bedorven beginnen begon begonnen is begonnen besluiten besloot besloten heeft besloten betrekken betrok betrokken heeft / is betrokken bevelen beval bevalen heeft bevolen bezighouden hield bezig hielden bezig heeft beziggehouden bidden bad baden heeft gebeden bieden bood boden heeft geboden bijten beet beten heeft gebeten binden bond bonden heeft gebonden blazen blies bliezen heeft geblazen blijken bleek bleken is gebleken blijven bleef bleven is gebleven braden braadde braadden heeft gebraden breken brak braken heeft / is gebroken brengen bracht brachten heeft gebracht buigen boog bogen heeft gebogen D deelnemen nam deel namen deel heeft deelgenomen denken dacht dachten heeft gedacht doen deed deden heeft gedaan DOORlopen liep door liepen door is doorgelopen doorlopen doorliep doorliepen heeft doorlopen dragen droeg droegen heeft gedragen drijven dreef dreven heeft / is gedreven dringen drong drongen is gedrongen drinken dronk dronken heeft gedronken duiken dook doken heeft / is gedoken dwingen dwong dwongen heeft gedwongen E ervaren ervoer ervoeren heeft ervaren eten at aten heeft gegeten F
fluiten floot floten heeft gefloten G gaan ging gingen is gegaan gelden gold golden heeft gegolden genezen genas genazen heeft / is genezen genieten genoot genoten heeft genoten geven gaf gaven heeft gegeven gieten goot goten heeft gegoten glijden gleed gleden heeft / is gegleden glimlachen glimlachte glimlachten heeft geglimlacht glimmen glom glommen heeft geglommen graven groef groeven heeft gegraven grijpen greep grepen heeft gegrepen H hangen hing hingen heeft gehangen hebben had hadden heeft gehad heffen hief hieven heeft geheven helpen hielp hielpen heeft geholpen heten heette heetten heeft geheten hoeven hoefde hoefden heeft gehoeven houden hield hielden heeft gehouden K kiezen koos kozen heeft gekozen kijken keek keken heeft gekeken klimmen klom klommen heeft / is geklommen klinken klonk klonken heeft geklonken knijpen kneep knepen heeft geknepen komen kwam kwamen is gekomen kopen kocht kochten heeft gekocht krijgen kreeg kregen heeft gekregen kruipen kroop kropen heeft / is gekropen kunnen kon konden heeft gekund L lachen lachte lachten heeft gelachen laden laadde laadden heeft geladen laten liet lieten heeft gelaten lesgeven gaf les gaven les heeft lesgegeven lezen las lazen heeft gelezen liegen loog logen heeft gelogen liggen lag lagen heeft gelegen lijden leed leden heeft geleden lijken leek leken heeft geleken lopen liep liepen heeft / is gelopen M meten mat maten heeft gemeten moeten moest moesten heeft gemoeten mogen mocht mochten heeft gemogen
N nemen nam namen heeft genomen O onderbreken onderbrak onderbraken heeft onderbroken ontbreken ontbrak ontbraken heeft ontbroken ontstaan ontstond ontstonden is ontstaan ophouden hield op hielden op heeft / is opgehouden opschieten schoot op schoten op is opgeschoten opstaan stond op stonden op is opgestaan optreden trad op traden op heeft / is opgetreden optrekken trok op trokken op heeft / is opgetrokken overdenken overdacht overdachten heeft overdacht overdrijven overdreef overdreven heeft overdreven overlijden overleed overleden is overleden oversteken stak over staken over heeft / is overgestoken overwegen overwoog overwogen heeft overwogen P plaatsvinden vond plaats vonden plaats heeft plaatsgevonden R raden raadde raadden heeft geraden rijden reed reden heeft / is gereden rijgen reeg regen heeft geregen roepen riep riepen heeft geroepen rondlopen liep rond liepen rond heeft rondgelopen ruiken rook roken heeft geroken S scheiden scheidde scheidden heeft / is gescheiden schelden schold scholden heeft gescholden schenken schonk schonken heeft geschonken scheren schoor schoren heeft geschoren schieten schoot schoten heeft geschoten schijnen scheen schenen heeft geschenen schrijven schreef schreven heeft geschreven schrikken schrok schrokken is geschrokken schuiven schoof schoven heeft geschoven slaan sloeg sloegen heeft geslagen slapen sliep sliepen heeft geslapen slijten sleet sleten heeft / is gesleten sluipen sloop slopen is geslopen sluiten sloot sloten heeft / is gesloten snijden sneed sneden heeft gesneden snuiten snoot snoten heeft gesnoten
spijten speet speten - spreken sprak spraken heeft gesproken springen sprong sprongen heeft / is gesprongen spuiten spoot spoten heeft gespoten staan stond stonden heeft gestaan steken stak staken heeft gestoken stelen stal stalen heeft gestolen sterven stierf stierven is gestorven stijgen steeg stegen is gestegen stilstaan stond stil stonden stil heeft stilgestaan stinken stonk stonken heeft gestonken stoten stootte stootten heeft gestoten strijden streed streden heeft gestreden strijken streek streken heeft gestreken T thuiskomen kwam thuis kwamen thuis is thuisgekomen toenemen nam toe namen toe is toegenomen treden trad traden is getreden treffen trof troffen heeft getroffen trekken trok trokken heeft getrokken U uitbreken brak uit braken uit is uitgebroken uitsluiten sloot uit sloten uit heeft uitgesloten V vallen viel vielen is gevallen vangen ving vingen heeft gevangen varen voer voeren heeft / is gevaren vasthouden hield vast hielden vast heeft vastgehouden vechten vocht vochten heeft gevochten verbergen verborg verborgen heeft verborgen verblijven verbleef verbleven heeft / is verbleven verbreken verbrak verbraken heeft verbroken verdwijnen verdween verdwenen is verdwenen vergelijken vergeleek vergeleken heeft vergeleken vergeten vergat vergaten heeft / is vergeten verliezen verloor verloren heeft verloren verlopen verliep verliepen is verlopen vermijden vermeed vermeden heeft vermeden vertrekken vertrok vertrokken heeft / is vertrokken verwijten verweet verweten heeft verweten verzinnen verzon verzonnen heeft verzonnen vinden vond vonden heeft gevonden vlechten vlocht vlochten heeft gevlochten vliegen vloog vlogen heeft / is gevlogen voldoen voldeed voldeden heeft voldaan
volhouden hield vol hielden vol heeft volgehouden voorkomen voorkwam voorkwamen heeft voorkomen VOORkomen kwam voor kwamen voor is voorgekomen voorzien voorzag voorzagen heeft voorzien vouwen vouwde vouwden heeft gevouwen vragen vroeg vroegen heeft gevraagd vriezen vroor vroren heeft gevroren W wassen waste wasten heeft gewassen wegen woog wogen heeft gewogen werpen wierp wierpen heeft geworpen weten wist wisten heeft geweten wijzen wees wezen heeft gewezen winnen won wonnen heeft gewonnen worden werd werden is geworden wrijven wreef wreven heeft gewreven wringen wrong wrongen heeft gewrongen Z zeggen zei zeiden heeft gezegd zenden zond zonden heeft gezonden zien zag zagen heeft gezien zijn was waren is geweest zingen zong zongen heeft gezongen zinken zonk zonken is gezonken zitten zat zaten heeft gezeten zoeken zocht zochten heeft gezocht zuigen zoog zogen heeft gezogen zullen zou zouden - zwemmen zwom zwommen heeft / is gezwommen zwerven zwierf zwierven heeft gezworven zwijgen zweeg zwegen heeft gezwegen