Leidraad Risico Inventarisatie



Vergelijkbare documenten
2. Situering. Notitie : Externe veiligheid Van der Valk Hotel Vianen (overflow-parkeerterrein) Berg en Terblijt, 14 november 2016

BUREAUSTUDIE EXTERNE VEILIGHEID BEDRIJVENTERREIN STEPELERVELD

1 Model-legesbepalingen voor gebruiksvergunningen

Toets externe Veiligheid

DE RISICOKAART - RRGS

Bestemmingsplan Woningbouw Hoeksekade Noord, deellocatie A te Bergschenhoek

Externe veiligheidsrisico s transport gevaarlijke stoffen over het spoor. DWI-locatie, Polderweg 1 te Amsterdam

Gevarenkaart nr. 0 Algemene toelichting op het gebruik van de gevarenkaarten

Inventarisatie van risicobronnen en verantwoording Molenhoefstraat 2

Externe Veiligheid BEVI / REVI / LPG

Het RRGS Register en de Uniforme Risicokaart

Nr.: Renswoude, 31 maart 2015 Behandeld door: J. van Dijk Onderwerp: (concept) Regionaal Risicoprofiel Veiligheidsregio Utrecht 2014

Intern memo. Projectgroep bestemmingsplan Youri Egorovweg. Archief afdeling Ruimte en Wonen. Gert-Jan van de Bovenkamp

Regionaal Risicoprofiel. Wat is een risicoprofiel en waartoe dient het? Programma. Van risico s naar beleid. Vernieuwingen door het risicoprofiel

Intern memo. Projectteam Uitwerkingsplan Almere Poort - Duin 1e fase. Archief afdeling Ruimte en Wonen. Gert-Jan van de Bovenkamp

Voorbeeld EV-paragraaf in bestemmingsplan (gemeente Eindhoven)

memo betreft: Quickscan externe veiligheid woontoren Bètaplein Leiden (120728)

Externe veiligheidsparagraaf. Bestemmingsplan Skoatterwald

Veiligheidsrisico s tankstation met lpg. 1. Besluit externe veiligheid inrichtingen

Externe Veiligheid Anthony Fokker Business Park. Fokkerweg vervoer gevaarlijke stoffen

Kwaliteit Risico-gegevens en Risicokaart

Notitie Inleiding Persoonsgebonden risico

QUICKSCAN EXTERNE VEILIGHEID BOSSCHEBAAN 37 TE HEESCH GEMEENTE BERNHEZE

Bestuurlijke samenvatting Beleidsnota Externe veiligheid

Voorstel EV Ruimtelijke onderbouwing Harderweide deelplan 2

Externe veiligheid. Transport gevaarlijke stoffen Haarlemmermeer. Bestemmingsplan De Liede

project Risicocommunicatie Bijeenkomst gemeenten Atze Schuiringa

Bijlage 1 Advies brandweer Veiligheidsregio Haaglanden

Risico-inventarisatie Uitbreidingslocatie Golfbaan Wageningen

Goirle, Vennerode. Onderzoek externe veiligheid. Auteur(s) drs. M. de Jonge. Opdrachtgever Woonstichting Leyakkers Postbus AB Rijen

Planlocatie Nuland Oost te Nuland

Quickscan externe veiligheid Woningbouw Merellaan te Capelle aan den IJssel

Quickscan Externe veiligheid Ontwerpbestemmingsplan Bentinckspark, deelplan Kalkoven

Rapportnummer: 2012/Polyplus/01

Risico-inventarisatie Boekels Ven

Risico-inventarisatie Wijchen

L e i d r a a d R i s i c o I n v e n t a r i s a t i e - d e e l G e v a a r l i j k e S t o f f e n ( L R I - G S )

Dorpsweg 24 e.o. Zijderveld EXTERNE VEILIGHEID Van den Heuvel ontwikkeling & beheer BV definitief

Beleidsvisie Externe Veiligheid

Inventarisatie risicobronnen en verantwoording Handelsweg (1 e herziening Kreitenmolen)

B.R01. IJsselstein Clinckhoeff - onderzoek externe veiligheid Bunnik Projekten in IJsselstein. datum: 10 oktober 2013

Oplegnotitie Toelichting op de aanpak van milieuzonering met behulp van de 'standaard Staat van Bedrijfsactiviteiten'

Risicoberekening vervoer gevaarlijke stoffen Randweg Zundert

Verantwoording groepsrisico Hogedruk aardgastransportleidingen. Bestemmingsplan 'Bedrijventerrein 2013' d.d. 14 november 2012

Beoordeling externe veiligheid

Gezamenlijke beleidsvisie externe veiligheid gemeenten in de regio Noord-Veluwe (Hoofdstuk 4)

Externe veiligheid K1-leidingen. buitengebied Reimerswaal. externe veiligheid, risicoanalyse risico[beleid + informatie+voorlichting]

QUICKSCAN EXTERNE VEILIGHEID

Risicokaart provincie Noord-Brabant

Bestemmingsplan Kern Roosteren. Teksten t.b.v. verantwoording groepsrisico

Bijlage 3 Rapportage risicoanalyse buisleidingen

Milieuadvies Meervelderweg 26 te Uddel

Externe veiligheid gemeente Landgraaf. spoortraject Roermond- Herzogenrath

: De heer H. Draaisma : Postbus 126 : 2200 AC Noordwijk

Ten behoeve van besluitvorming omtrent de mogelijk te maken ruimtelijke ontwikkeling is onderzoek verricht naar het aspect externe veiligheid.

Beheerdocument Risicokaart

Bestemmingsplan Bedrijven Met Milieuzones (Vuurwerk, Risicovol, Geluid) Status: Vastgesteld

BASISNET EN RUIMTELIJKE ORDENING. Mary Stokhof-Hassing - RWS Kristel Hoogenboezem-Lanslots - RWS Bob van Os - BZK

Risicokaart provincie Limburg

Scan Risicokaart. Onderzoek op hoofdlijnen naar de risicokaart

Besluit van Provinciale Staten

Hillegom. Ontwikkeling Pastoorslaan Hillegom. Kwalitatieve risicoanalyse concept definitief mw. mr. C.T.

Plan: Hoogstraat Eersel

Externe veiligheid en 20 woningen Noordwolderweg te Bedum

Risico-inventarisatie Gebiedsontwikkeling Poelkampen Zandwinlocatie

Externe veiligheidstoets LPG-tankstation Obers Gemert B.V. Boekelseweg 3, Gemert-Bakel

Handreiking uniforme gegevenslevering Stelselcatalogus 2.0

: RUD Utrecht. Externe Veiligheid Omgevingsplan Laak 2B en Velden1F. : Gemeente Amersfoort, mevrouw C. Heezen. : de heer R. Polman

Advies externe veiligheid

Verantwoording groepsrisico plan Businesspark Midden-Limburg te Echt-Susteren

Quickscan externe veiligheid Centrum Vught e.o. Kwalitatieve beschouwing relevante risicobronnen

Risico- & crisiscommunicatie in de Wet Veiligheidsregio s. Niek Mestrum Manon Ostendorf

Transcriptie:

Leidraad Risico Inventarisatie deel Overige Ramptypen (LRI-OR) (tab 00, tab 03 t/m 11) versie 3.1 oktober 2007 Oerking bij versie 3.1 oktober 2007: - Tekstuele wijzigingen ten opzichte van vorige versie zijn weergegeven door middel van een accentuering. - In diverse tabellen zijn (reeds in versie 1.1), ten behoeve van de leesbaarheid, grijze vlakmarkeringen toegepast. Dit betreft geen aanduiding van een wijziging. LRI-overige ramptypen, tab 00, versie 3.1 oktober 2007 pag 1 van 17

Disclaimer De Leidraad Risico Inventarisatie (LRI) bestaat uit twee delen. Eén hiervan is het deel Gevaarlijke stoffen (GS). Het andere is het deel Overige Ramptypen (OR). De meest recente digitale versie van beide delen is te verkrijgen bij de kennisbank Externe Veiligheid (www.relevant.nl) en via de site www.risicokaartinvoer.nl (www.risicoregister.nl bestaat niet meer,red). Voor u ligt: LRI-Overige Ramptypen Alternatieve notatie: LRI-OR In voorliggende tekst wordt dit ook wel aangeduid met de synoniemen: Leidraad-Overige Ramptypen, Leidraad-OR en LRI-OR. Wanneer alleen de term Leidraad of LRI wordt gebruikt betreft het beide, hierboven, genoemde delen (GS en OR). De LRI-OR is uitsluitend bedoeld als ondersteunend huliddel voor het inventarisatieproces van situaties met overige ramptypen zoals die in dit deel zijn gedefinieerd. Het LRI-GS is een ondersteunend huliddel voor het inventariseren van risicovolle situaties met gevaarlijke stoffen. De LRI-OR is tot stand gekomen door gebruik te maken van expertise van verschillende instanties en van relevante kennisbronnen op het gebied van (voorbereiding van) rampen en ramptypen. Er is veel zorg besteed aan een correcte tekst en inhoud van de gehele LRI-OR. Desondanks kunnen in de tekst of in de gepresenteerde gegevens fouten of onvolkomenheden voorkomen. De ministeries van BZK en van VROM als eigenaren van de Leidraad Risico Inventarisatie (LRI) (beide delen) en de beheerder Advies en ingenieursbureau Oranjewoud/SAVE kunnen niet aansprakelijk worden gesteld voor eventuele schade van welke aard ook, als gevolg van het gebruik van de LRI. Bij constatering van fouten of onvolkomenheden in de LRI wordt u verzocht deze te melden aan: De contactpersoon van uw Provincie, of Het RIVM, Centrum voor Externe Veiligheid en Vuurwerk te Bilthoven (rrgs@rivm.nl), of De helpdesk van Infomil (www.infomil.nl). LRI-overige ramptypen, tab 00, versie 3.1 oktober 2007 pag 2 van 17

Voorwoord Deze Leidraad Risico Inventarisatie (LRI) is een huliddel voor het verzamelen van informatie voor het Register Risicosituaties Gevaarlijke Stoffen (RRGS) en voor de risicokaarten die zijn opgezet volgens de Model-risicokaart. Deze LRI (synoniem: 'Leidraad') geldt voor beide zaken en is vastgesteld door de Stuurgroep risicokaart waarin VROM, BZK, IPO en VNG zijn vertegenwoordigd. Sinds september 2006 zijn alle provinciale risicokaarten via www.risicokaart.nl beschikbaar. Dit betekent niet dat de Leidraad zijn betekenis heeft verloren. De Leidraad kan nog steeds worden gebruikt om de (digitale)registratie(s) van risicosituaties actueel te houden. De opzet van de Leidraad is afgestemd op de ramptypen uit de Leidraad Maatramp. De Leidraad Maatramp kent 18 ramptypen. Daarvan zijn er 13 geografisch af te beelden. Die 13 ramptypen zijn in deze Leidraad aan de orde. Objecten die dit type rampen kunnen veroorzaken, zogenaamde 'risico-objecten', worden aan de hand van deze Leidraad geregistreerd en getoond op de risicokaart. Deze Leidraad geeft aan welke soorten objecten het betreft, hoe ze geselecteerd kunnen worden en welke informatie ervan moet respectievelijk kan worden verzameld en waar deze in het algemeen te vinden is. De 'risico-objecten' op de risicokaart hebben niet altijd een 1-op- 1- relatie met een ramptype: één enkel risico-object kan bij meer ramptypen betrokken zijn: Bijvoorbeeld een BRZO-bedrijf kan zowel brandbaar-explosieve stoffen als giftige stoffen bevatten. Als er een ramp gebeurt, kan het dus gaan om een explosie (ramptype 4) en/of het vrijkomen van giftige stof (ramptype 5). In het Introductie- hoofdstuk van deze Leidraad wordt de relatie tussen risicoobjecten en ramptypen nader in beeld gebracht. Op basis daarvan zijn de risicoobjecten gegroepeerd. Achter elke Tab in deze Leidraad wordt een groep objecten behandeld. Onder Tab 0 Introductie wordt nader ingegaan op de zojuist geschetste systematiek en de samenhang tussen het Register Risicosituaties Gevaarlijke Stoffen (RRGS), het Informatiesysteem Overige Risico's (ISOR), de Landelijke Databank Risicosituaties (LDR) en de Model-risicokaart (MRK). Tab 1 gaat over Inrichtingen met gevaarlijke stoffen: Achter dit tabblad bevindt zich de vigerende versie Leidraad Risico Inventarisatie- deel gevaarlijke stoffen. Dit deel is behulpzaam bij de inventarisatie in het kader van het RRGS. Achter Tab 2 komt een aanvulling van de Leidraad voor Transportsituaties van gevaarlijke stoffen. In deze versie van de LRI wordt een eerste versie opgenomen. LRI-overige ramptypen, tab 00, versie 3.1 oktober 2007 pag 3 van 17

Achter Tab 3 tot en met 11 komen de andere groepen objecten aan de orde. De inhoud van tab 3 en volgende is afgeleid van PRK 1-81 (versie 3): het Gegevensmodel Overige Ramptypen. Daarbij is rekening gehouden met de wijze waarop PRK-81 is vertaald in een datamodel en een Invoermodule voor de Modelrisicokaart 2. 1 PRK-81: Einddocument Gegevensmodel overige Ramptypen Model-risicokaart, versie 3. referentienummer 030475-M85 april 2003. 2 MRK Einddocument Functioneel Ontwerp, plus datamodel versie 1.0, PinkRoccade-Geodan, aug. 2003. Sinds december 2006 zijn de invoermodule voor het ISOR en de RRGS samengevoegd. De invoermodule is nu benaderbaar via www.risicokaartinvoer.nl. LRI-overige ramptypen, tab 00, versie 3.1 oktober 2007 pag 4 van 17

Inhoudsoverzicht 0 Inleiding 0 Ramptypen Leidraad Maatramp 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 Tab - nummer Objecten op de risicokaart (risicobronnen, risico-ontvangers) Risicosituaties gevaarlijke stoffen Luchtvaartongeval Ongeval op water Verkeersongeval op land Ongeval brandb./explosieve stof Ongeval giftige stof Kerongeval 1 Inrichtingen GS * * * 1 Bedreiging volksgezondheid Ziektegolf Ongeval in Tunnel Brand in groot gebouw Instorting gebouw(en) Paniek in Menigte Verstoring Openbare Orde Overstroming Natuurbrand Extreem weer Uitval infrastructuur (nuts / comm) Ramp op Afstand 2 Transport GS * * * 2 Kwetsbare objecten / infra 3 Kwetsbare objecten + + + + * * + + + + 3 4 Tunnels * 4 Verkeer (overig) 5 Vliegvelden e.d. * 5 6 Waterwegen en watergebieden * 6 7 Wegen en Spoorwegen * 7 Menigten (overig) 8 Natuur Evenementen-/ Activiteitenlocaties * * 8 9 Ondergrond * 9 10 Overstromingsgebied * 10 11 (..) Natuurgebied * 11 * = primaire Risicobron voor ramptype + = als Kwetsbaar object betrokken LRI-overige ramptypen, tab 00, versie 3.1 oktober 2007 pag 5 van 17

Tab Inhoud aantal pagina's 0. Introductie 15 1. Inrichtingen met gevaarlijke stoffen (RRGS) ca. 430 2. Transport van gevaarlijke stoffen (RRGS) 0 3. Kwetsbare objecten 15 4. Tunnels 8 5. Vliegvelden e.d. 10 6. Waterwegen en watergebieden 8 7. Wegen en Spoorwegen 7 8. Evenementen- en activiteitenlocaties 7 9. Ondergrond 8 10. Overstromingsgebieden 7 11. (..) Natuurgebieden 6 LRI-overige ramptypen, tab 00, versie 3.1 oktober 2007 pag 6 van 17

0 Introductie Tab Inhoud blz. 0 Introductie... 7 1 Inleiding... 8 1.1 Ramptypen en de samenhang van het RRGS en de MRK... 8 1.2 Thematische indeling van risicobronnen en risico-ontvangers... 9 1.3 Systeemconcept... 9 1.4 Wettelijke basis... 11 1.5 Het vervolg van deze Leidraad... 14 Bijlage A Algemene gegevens van objecten... 15 Bijlage B Literatuurreferenties... 17 LRI-overige ramptypen, tab 00, versie 3.1 oktober 2007 pag 7 van 17

1 Inleiding 1.1 Ramptypen en de samenhang van het RRGS en de MRK De Model-risicokaart (MRK) omvat gegevens over objecten die als bron betrokken kunnen zijn bij 13 van de 18 door BZK onderscheiden ramptypen, zie figuur 1.1 (bron: PRK-25, de Definitiestudie van de Model-risicokaart). Drie van die ramptypen worden centraal in het Register Risicosituaties Gevaarlijke Stoffen (RRGS) geregistreerd. Die gegevens worden rechtstreeks in de Model-risicokaart uit het RRGS overgenomen. Het RRGS en Model-risicokaart vormen op die wijze samen één geheel. Voor de presentatie van de risico's is een samenhangend en uniform ontwerp gemaakt 3. In paragraaf 1.3 wordt het systeemconcept geschetst zoals dit bestaat sinds december 2006. Het systeemconcept is gericht op een efficiënte bundeling van voorzieningen waardoor dubbel werk en dubbele investeringen worden voorkomen. Ramptype (Leidraad Maatramp) Meenemen in de risicokaart 1 Luchtvaartongeval ja 2 Ongevallen op water ja 3 Verkeersongevallen op land ja 4 Ongevallen met brandbare / explosieve stoffen ja 5 Ongevallen met giftige stoffen (hier alleen ongevallen met extern effect via de lucht) 4 6 Kernongevallen (RRGS + MRK) ja (RRGS + MRK) ja (RRGS + MRK) 7 Bedreiging volksgezondheid nee 8 Ziektegolf nee 9 Tunnelongevallen ja 10 Brand in grote gebouwen ja 11 Instorting van (grote) gebouwen ja 12 Paniek in menigten (het plaatselijk voorzienbare deel) 13 Verstoring openbare orde ja (het plaatselijk voorzienbare deel) 14 Overstroming ja 15 Natuurbrand ja 16 Extreem weer nee 17 Uitval nutsvoorziening nee 5 18 Ramp op afstand nee Figuur 1.1: De 18 ramptypen uit de Leidraad Maatramp waarvan er 13 worden meegenomen in de data voor de risicokaart, 3 daarvan zijn onderwerp van het RRGS ja 3 Zie het Advies Cartografisch Ontwerp van het ITC (PRK-100, sept. 2002). 4 Het gaat hier om de zogenoemde externe (on)veiligheid, dus om verspreiding van giftige stoffen buiten een inrichting met mogelijk schadelijke gevolgen in de omgeving. Eventuele 'interne' effecten van ongevallen of aanslagen met giftige stof worden impliciet meegenomen bij ramptype 9 en 10. 5 Voor professioneel gebruik is bijvoorbeeld opname mogelijk van verzorgingsgebieden van nutsvoorzieningen. In het landelijk model van de risicokaart (MRK) is dit niet uitgewerkt. LRI-overige ramptypen, tab 00, versie 3.1 oktober 2007 pag 8 van 17

1.2 Thematische indeling van risicobronnen en risico-ontvangers In de Model-risicokaart en het RRGS worden gegevens geregistreerd van een aantal relevante risicobronnen en risico-ontvangers. Figuur 1.2 geeft schematisch aan om welke soorten risicobronnen en risico-ontvangers het gaat. Het RRGS richt zich daarbij specifiek op risicosituaties met gevaarlijke stoffen, welke corresponderen met de ramptypen 4, 5 en 6. c RRGS 3 ramptypen Bedrijven en andere inrichtingen (verplichte RRGS-invoer) Aanvullende Inrichtingen (invoer bepaald door bevoegd gezag) Transportroutes Gev. Stoffen ( uit Transportatlassen) lokale transportroutes GS (invoer bepaald door bevoegd gezag) Kwetsbare objecten gegevens over risicobronnen van 10 andere ramptypen: 1 Luchtvaartongeval 2 Ongevallen op water 3 Verkeerongevallen op land 9 Tunnelongevallen 10 Brand in grote gebouwen 11 Instorting van (gr) gebouwen 12 Paniek in menigten 13 Verstoring openbare orde 14 Overstroming 15 Natuurbrand Lokale aanvullingen (voor m.n. professioneel gebruik) Figuur 1.2: Indeling van soorten gegevens in de Model-risicokaart en het RRGS 1.3 Systeemconcept Onderstaande figuur is een weergave van het systeemconcept van de Modelrisicokaart. Dit concept voorziet in een sterke samenhang tussen provinciale risicokaarten en de landelijke databank risicosituaties (LDR). RRGS data en ISOR data maken hier onderdeel van uit. Het RRGS (..) wordt beheerd door het RIVM. Deze database wordt gevuld door/namens het bevoegd gezag. Dit geschiedt door middel van een internetverbinding vanaf computers ter plaatse. Sinds december 2006 gebeurt samen met de invoermodule voor het ISOR. Het is bereikbaar via www.risicokaartinvoer.nl. LRI-overige ramptypen, tab 00, versie 3.1 oktober 2007 pag 9 van 17

Figuur 1.3 : Het systeemconcept van de provinciale risicokaarten gebaseerd op het landelijk model van de risicokaart. In het systeemconcept is voorzien dat de provincies gezamenlijk een landelijke databank risicosituaties (LDR) actueel houden. Hierin worden zowel de RRGS data als de ISOR data voor de overige ramptypen en kwetsbare objecten verzameld. Een database in gezamenlijk beheer heeft diverse voordelen, zoals: a. De uitwisseling tussen provinciale risicokaarten wordt er sterk door vereenvoudigd; b. Er kan een gezamenlijk interactieve invoerfaciliteit worden gemaakt die op eenzelfde wijze werkt als die voor het RRGS (zelfde look and feel). Dit is een relatief dure faciliteit waarvan de kosten dan kunnen worden gedeeld; c. De interactieve invoer voor het RRGS en de overige ramptypen kan worden gebundeld via één en hetzelfde 'portaal'. De provincies kunnen uit het RRGS en de gezamenlijke database voor overige ramptypen vervolgens kopiëren wat ze nodig hebben voor een provinciale risicokaart. Deze kaart is voor alle provincies sinds september 2006 via internet voor het publiek ontsloten. Gemeenten kunnen ook direct het voor hen relevante deel van de provinciale risicokaart op hun website ontsluiten. De provincie, gemeenten en andere professionele diensten kunnen delen van de provinciale database kopiëren en er uitbreidingen aan koppelen (eventueel binnen de provinciale database). Dit levert toegevoegde informatie voor professioneel gebruik. LRI-overige ramptypen, tab 00, versie 3.1 oktober 2007 pag 10 van 17

Ook kan hieraan nieuwe basisinformatie worden ontleend die in de vorm van updates weer naar de centrale / gezamenlijke databases wordt gezonden. Daarmee is de cirkel rond en is tevens een voorziening voor het onderhoud getroffen. 1.4 Wettelijke basis De opzet, inhoud en de samenhang van landelijke databank risicosituaties (LDR) die hiervoor is geschetst is de uitkomst van een samenwerking en overleg tussen de Ministeries van VROM en BZK, de provincies, het IPO en de VNG. De onderdelen van het systeem hebben echter een verschillende wettelijke basis en daarmee verschilt ook de mate waarin het registreren van risicogegevens verplicht is. Met andere woorden: niet alles wat er met de landelijke database kan, is verplicht. Het RRGS omvat meer verplichte onderdelen dan de overige onderdelen van de Model-risicokaart. De verplichting voor het bevoegd gezag om een aantal risicosituaties te inventariseren, bepaalde gegevens daarvan vast te stellen en te registreren berust op diverse zaken: Verplichting 'actueel houden basisgegevens' - artikel 3 van de Wet Rampen en Zware Ongevallen (Wrzo, Ministerie van BZK) - In dit artikel staat dat gemeenten een risico-inventarisatie moeten uitvoeren en actueel houden. Dit is de basis voor de beheersing van risico's voor de omgeving. Verplichting 'vulling landelijke databank risicosituatie (LDR)' - artikel 6a, 2 e lid van de Wet Rampen en Zware Ongevallen (Wrzo, Ministerie van BZK) De plaatsgebonden en geografisch te onderscheiden risico's die zijn beschreven in de gemeentelijke risico-inventarisatie moeten door de gemeenten worden ingediend bij de provincie. De provincie wil deze gegevens ontvangen via het ISOR (Informatiesysteem Overige Risico's). Dit is benaderbaar via www.risicokaartinvoer.nl. - Registratiebesluit Externe Veiligheid (28 november 2006, Ministerie van VROM) De verplichting om risico's met de opslag en transport gevaarlijke stoffen te registreren komt voor uit het Registratiebesluit Externe Veiligheid. Dit is in werking getreden op 30 maart 2007. De overheid c.q. elk bevoegd gezag dat een (milieu)vergunning verleent is op basis hiervan verplicht gegevens in het Register Risicosituaties Gevaarlijke Stoffen Registratie (RRGS) te melden. Uiterlijk 30 maart 2008 moet dit register compleet zijn. Het RIVM wil deze gegevens ontvangen via het Register Risicosituaties Gevaarlijke Stoffen (RRGS). Dit is benaderbaar via www.risicokaartinvoer.nl (voor december 2006 was dit www.risicoregister.nl). LRI-overige ramptypen, tab 00, versie 3.1 oktober 2007 pag 11 van 17

Verplichting 'faciliteren landelijke databank risicosituaties en risicokaart' - hoofdstuk 12.12 van de Wet Milieubeheer (Wm, Ministerie van VROM). Deze wet legt aan het Rijksinstituut voor volksgezondheid en milieu (RIVM) de plicht op het RRGS op te zetten en te onderhouden. artikel 6a, 2 e lid van de Wet Rampen en Zware Ongevallen (Wrzo, Ministerie van BZK) - Dit regelt dat het RIVM de inhoud van de RRGS ook beschikbaar moet stellen aan de provincies ten behoeve van het kunnen maken van de risicokaart. - artikel 6a, 1 e lid van de Wet Rampen en Zware Ongevallen (Wrzo, Ministerie van BZK) - Dit lid draagt de zorg voor de productie en het beheer van een geografische kaart (risicokaart), waarop de in de provincie aanwezige risico's zijn aangeduid, op aan gedeputeerde staten van de provincies. - artikel 6a, 3 e lid van de Wet Rampen en Zware Ongevallen (Wrzo, Ministerie van BZK) Dit artikel voorziet in een ministeriële regeling waarin regels kunnen worden aangegeven over de in de risicokaart op te nemen categorieën rampen, over de productie, het beheer en de vormgeving van de risicokaart. Tevens kunnen regels worden aangegeven over de wijze waarop en de frequentie waarmee gegevens voor de risicokaart dienen te worden aangeleverd. Eveneens kunnen hier regels worden aangegeven over de wijze waarop toegang kan worden verkregen tot de onderdelen van de risicokaart. - Regeling provinciale risicokaart In deze ministeriële regeling staat onder andere aangegeven welke categorieën rampen en zware ongevallen zijn te vermelden op de risicokaart. Tevens is aangegeven wanneer door gemeenten actualisatie van hun gegevens in het LDR moet plaatsvinden: binnen vier weken na het tijdstip dat de gegevens over de situatie daadwerkelijk zijn veranderd. De regeling geeft verduidelijking omtrent wat op de risicokaart getoond moet worden. Voor situaties met gevaarlijke stoffen zijn drempelwaarden aangegeven aanvullend op hetgeen voor het Registratiebesluit moet worden vermeld. Voor overige risico's en gebouwen en objecten zijn voorwaarden opgenomen die gelden voor de opname op de risicokaart. 1.5 Samenvatting samenspel van partijen In deze paragraaf staat een samenvatting gegeven van de hierboven beschreven wettelijke verplichtingen voor diverse partijen zoals gemeenten en provincies. Op verschillende plaatsen wordt hieronder de context toegelicht en/of voorbeelden gegeven. 1. Gemeenten moeten de risico's ter plaatse van hun grondgebied inventariseren en deze registratie actueel houden. Eventueel in combinatie en/of samenwerking met bijvoorbeeld andere bevoegde gezagen en/of samenwerkingsverbanden. Hierbij is te denken aan provincie, milieudiensten en veiligheidsregio. De gemeente vormt zich een beeld van het risico(volume) dat zich op het grondgebied aanwezig is. Het best verkrijgbare materiaal wordt hiervoor gebruikt. Het kan dus niet zo zijn dat een grote risicobron net buiten de eigen gebiedsgrenzen wordt overgeslagen omdat hierover vrijwel geen gegevens konden LRI-overige ramptypen, tab 00, versie 3.1 oktober 2007 pag 12 van 17

worden verkregen. Voor het bepalen van het risico(volume) moet deze bron worden meegenomen op basis de beste inschatting die kan worden gemaakt. 2. Risicosituaties met gevaarlijke stoffen die boven een bepaalde drempelwaarde uitkomen (= Risicokaart-relevant) moeten zijn aangemeld in het RRGS hetgeen een onderdeel is van de Landelijke Databank Risicosituaties (LDR). Deze drempelwaarden staan in eerste instantie in het Registratiebesluit en aanvullend in de Regeling provinciale risicokaart. De LRI brengt ze samen en vormt 1 tabel van drempelwaarden voor risicosituaties met gevaarlijke stoffen. Zie tab 01, hfdtekst figuur 1.1.3 Risicokaart-relevante drempelwaarden. Voor overige risico situaties die afgebeeld kunnen worden op een risicokaart geldt dat er voorwaarden voor opname op de risicokaart zijn geformuleerd. Ook voor gebouwen en objecten zijn voorwaarden voor opname geformuleerd. Deze drempelwaarden en voorwaarden voor opname op de risicokaart zijn geformuleerd in de Regeling provinciale risicokaart. Deze situaties moeten zijn aangemeld in het ISOR hetgeen (ook) een onderdeel is van de LDR. 3. De drempelwaarden voor Risicokaart-relevant zijn ruimer dan de drempelwaarden voor Externe Veiligheid relevant. Dit betekent dat alle risicosituaties met opslag of transport van gevaarlijke stoffen die Externe Veiligheidrelevant zijn, op basis van het Registratiebesluit, in principe een deelverzameling zijn van de situaties die Risicokaart-relevant zijn. 4. Het onderkennen van welke risico situaties moeten worden opgenomen in de LDR is één ding. Het verkrijgen van voldoende adequate gegevens hierover is een andere. De LRI kan enerzijds worden gebruikt om op een effectieve manier risico's te inventariseren. Anderzijds is het ook een handvat hoe, tenzij er specifieke gegevens van een risicosituatie voorhanden zijn, generieke kenmerken (bijv. diverse afstanden) zijn toe te kennen aan de risicosituaties ten behoeve van de invoer van de LDR. 5. De invoer gegevens over de risico situaties in het LDR gebeurt via www.risicokaartinvoer.nl. 6. Binnen 4 weken dat een wijziging zich heeft voorgedaan bij een risicokaart relevante risicosituatie moet dit veranderd zijn in het LDR. Dit betekent dat de database die ten grondslag ligt aan de provinciale risicokaarten nooit ouder is dan vier weken. 7. Het is de gemeente (en andere bevoegde gezagen) toegestaan om meer risicosituaties in het LDR in te voeren dan die als risicokaart-relevant zijn aan te merken. Het bevoegd gezag heeft de mogelijkheid om aanvullende risicosituaties in te voeren. Bijvoorbeeld indien er, in het geval van bijvoorbeeld de opslag en transport van gevaarlijke stoffen, mogelijk letsel 6 is buiten het terrein van de inrichting of de transportroute als gevolg van een ramp of een zwaar ongeval; 8. De WRZO geeft provincies een rol in het produceren en onderhouden van risicokaarten die alle ramptypen omvatten die geografisch zijn weer te geven. Tevens biedt de WRZO een kader om de uniformiteit tussen de provinciale risicokaarten te realiseren; 9. De provinciale risicokaarten zijn primair bedoeld om de burger in staat te stellen zich een beeld te laten vormen over de risico's in hun woon- en leefomge- 6 Met letsel wordt hier zowel letaal letsel als gezondheidsschade bedoeld. Ook groepsrisico speelt hierbij een rol. De criteria verschillen enigszins voor inrichtingen en transportsituaties. LRI-overige ramptypen, tab 00, versie 3.1 oktober 2007 pag 13 van 17

ving. Zij kunnen alleen zien wat landelijk is aangemerkt als risicokaartrelvant. De risicokaart is een handzaam instrument om de burger te informeren en te communiceren over risico's. Het volledig en actueel houden van de risicokaart is bouwen aan het vertrouwen dat de overheid bewust streeft naar een voldoende beheersing van risico's in de omgeving. 10. De provinciale risicokaarten zijn ook bedoeld voor medewerkers van gemeenten, provincies, waterschappen, brandweer en politie. Inzicht in risico's is immers van belang bij het verlenen van vergunningen of het ontwikkelen van ruimtelijke projecten. Voor deze doelgroep is, op basis van een geautoriseerde toegang, alle ingevoerde informatie beschikbaar. 1.6 Het vervolg van deze Leidraad Deze Leidraad richt zich op: 1. de selectie van (risico-)objecten die, zodanig relevant zijn dat zij op de risicokaart moeten komen; 2. een beschrijving van de gegevens c.q. kenmerken of bijzonderheden die hierover geregistreerd moeten kunnen worden. Waarbij geldt dat de inventarisatie niet eenmalig is. Op regelmatige basis zullen veranderingen plaatsvinden in onder andere de (aard en samenstelling van) risicosituaties op een (gemeentelijk) grondgebied, wet- en regelgeving en voorschrijdend inzicht over gevaarsaspecten waardoor de registratie regelmatig geactualiseerd moet worden. Achter tab 1 en 2 vindt u de selectiemethodiek voor risicosituaties met gevaarlijke stoffen die in het RRGS moeten/kunnen worden ingevoerd. Voor een beschrijving van de details van de invoer wordt verwezen naar de reeds functionerende invoermodule voor het RRGS. Bij tab 3 en volgende gaat het om de overige (risico-)objecten voor het landelijk model van de risicokaart. LRI-overige ramptypen, tab 00, versie 3.1 oktober 2007 pag 14 van 17

Bijlage A Algemene gegevens van objecten A.1 Basisobject (puntlocatie, lijn of gebied) Een object in de database van de Model-risicokaart bevat tenminste de volgende soorten gegevens. Attribuut (databasetechnische gegevens) Beheerder Memo-Bron Memo Startdatum (geldigheid) Einddatum (geldigheid) Contactinfo: Overige basisinformatie Informatie over het gebruik van het object Risico-informatie Planinformatie Basisobject : Minimumgegevens van een object Hier wordt afgezien van elementen die om technische redenen nodig zijn. Zoals: - identificatiecodes, - mutatiedatum: datum laatste wijziging, - status: voltooid of (onvolledige) conceptinvulling; - is (j/n) reeds opgenomen in publicatiebestand - gemeente + provincie waarin het object ligt (afgeleid uit de invoer) De instantie die de gegevens van het object in de database beheert Memoruimte over de bron van de gegevens Memoruimte voor info over het object zelf datum waarop het object op de kaart mag komen (publicatiemoment; gegevens kunnen hierdoor vooraf worden ingevoerd; tevens kan deze optie worden gebruikt voor tijdelijke (risico)-objecten) (evt.) datum waarop het object niet meer op de kaart mag komen (voor eventuele tijdelijke objecten bijvoorbeeld) Voor zover van toepassing bij het soort object: - adres (verplicht waar dat aan de orde is) - andere objectspecifieke gegevens die elders in deze leidraad worden aangegeven (i.h.a. ten dele verplichte info over het object) - optie: instelling / rechthebbende - optie: contactpersoon (te waarschuwen persoon/instantie) Zoals: - objectsoort en evt. subtype - naam van het object - locatie (geografisch) - of het object op de publiekskaart getoond mag worden Zie verder in deze leidraad Zoals: - aantal aanwezigen - aantal passages - zie verder in deze leidraad Zoals: - eventueel aantal slachtoffers - risicocontouren - effectgebieden - groepsrisico-informatie Zie verder in deze leidraad Zoals: - aanwezigheid van een rampbestrijdingsplan - referenties van relevante vergunningen en (revisie)data Zie verder in deze Leidraad. LRI-overige ramptypen, tab 00, versie 3.1 oktober 2007 pag 15 van 17

A.2 Adresgegevens Het is de bedoeling dat het systeem de gebruiker assisteert bij het invullen van adresgegevens van de objecten, instanties etc. In onderstaande figuur is vermeld welke adresgegevens in principe aan de orde zijn. 1. bezoekadres 2. postadres 3 globale aand. Adresgegevens, voor zover een adres bij het object of instantie aan de orde is Attribuut straat (evt automatisch te bepalen uit postcode en huisnummer) huisnummer huisnummertoevoeging postcode plaats (evt automatisch te bepalen uit postcode en huisnummer) buitenland (bij objecten over de landsgrens) straat / postbus huisnummer huisnummertoevoeging postcode plaats buitenland locatieomschrijving (evt automatisch te bepalen uit postcode en huisnummer) (bij objecten over de landsgrens) Voor gevallen waar een normaal adres niet van toepassing is. Bijv. A15, km 15,4 zuid kadastrale aanduiding nummers van de kadastrale percelen Overzicht van adresgegevens voor objecten en instanties (instellingen) waarbij een adres aan de orde is. Verplicht in te vullen: 1 of 3 LRI-overige ramptypen, tab 00, versie 3.1 oktober 2007 pag 16 van 17

Bijlage B Literatuurreferenties Incidentenwijzer GHOR, Regionale Hulpverleningsdienst Rotterdam-Rijnmond, september 1999 Leidraad Maatramp, versie 1.3, 2000, Ingenieurs/adviesbureau SAVE & Adviesbureau Van Dijke, i.o.v. het Ministerie van BZK Leidraad Vliegtuigongevallenbestrijding op luchtvaartterreinen, Ministerie van BZK, 1997 Tabellenboek Leidraad Maatramp en Operationele Prestaties, versie 2.1, 9/12/2002; Ministerie van BZK, Den Haag Registratiebesluit externe veiligheid. Staatsblad 656, 28 november 2006. Ministerie van VROM. In werking getreden per 30 maart 2007 (Staatsblad 2007 102). Regeling provinciale risicokaart, Staatscourant 18 april 2007, nr 75. LRI-overige ramptypen, tab 00, versie 3.1 oktober 2007 pag 17 van 17

3 Kwetsbare objecten Inhoud 3.1 Inleiding... 2 3.1.1 Verschillende betekenissen van het begrip 'kwetsbaar'... 2 3.1.2 Beperkt kwetsbaar en kwetsbaar (Wet Milieubeheer)... 3 3.2 Selectie van gebouwen/objecten... 4 3.3 Informatiebronnen over de hier relevante kwetsbare objecten... 5 3.4 Basisinformatie over kwetsbare objecten... 7 3.5 Informatie over het gebruik van kwetsbare objecten... 8 3.6 Risico-informatie over kwetsbare objecten... 9 3.7 Plan- en vergunningsinformatie over kwetsbare objecten... 10 Bijlage 3A: Complete lijst van Prevapcodes... 12 Verklaring van de tabellen Attribuut Attribuutnaam Attribuutnaam Attribuutnaam Attribuutnaam informatie over een object De grijsarcering van de attribuutnaam geeft aan dat dit veld 'verplicht' is. Dit houdt in: Indien er iets van het betreffende object wordt vermeld, dan in elk geval dit invullen. De zwarte balk in de eerste kolom geeft aan dat deze informatie op de publieke Risicokaart gepresenteerd wordt. Dat kan overigens in een heel andere vorm geschieden. Bijvoorbeeld.: xy-coördinaten als een stip op de goede locatie. Deze informatie wordt op de publieke Risicokaart gepresenteerd indien aanwezig, maar behoeft niet te worden ingevuld. De grijsarcering van de attribuutnaam geeft aan dat dit veld 'verplicht' is. De witte kleuring in de eerste kolom echter duidt erop dat dit gegeven niet wordt getoond op de publieke Risicokaart. Dit soort verplichte gegevens heeft een essentiële functie in het databestand of de presentatievorm. Het gaat doorgaans om de meer technisch-inhoudelijke informatie die ook voor professioneel gebruik (de professionele Risicokaart) van belang kan zijn. Deze informatie wordt niet op de publieke Risicokaart gepresenteerd, en behoeft niet te worden ingevuld. Het gaat om informatie voor professioneel gebruik en wordt getoond op de professionele Risicokaart. met een zwart vakje in deze kolom wordt aangegeven dat de betreffende informatie bedoeld is voor weergave op de publieke Risicokaart LRI-overige ramptypen, tab 03, versie 3.1 oktober 2007 pag 1 van 16

3.1 Inleiding Met de term 'kwetsbare objecten' wordt in dit kader gedoeld op gebouwen die als een relevante risico-ontvanger worden beschouwd; dit in relatie tot risicobronnen met een extern effect (voorbeeld: de vuurwerkramp). Vele van de (voor presentatie) relevant geachte kwetsbare objecten hebben echter ook een relevant intern risico. Bijvoorbeeld een theater waarin het publiek bij een brand in gevaar komt. 3.1.1 Verschillende betekenissen van het begrip 'kwetsbaar' Het begrip 'kwetsbaar object' van de Model-risicokaart verschilt in de praktijk enigszins van de 'kwetsbare bestemming' in de regelgeving voor de externe veiligheid (Wet Milieubeheer, resp. het Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen(BEVI)). Bijvoorbeeld: woningen zijn volgens BEVI kwetsbare objecten. Woningen en wijken worden wel op de (publieke) risicokaart getoond maar van de gewone woningen wordt verder geen informatie verzameld en geregistreerd. Zij staan dan ook niet in de lijst van figuur 3.1. Deze figuur geeft de (voor de risicokaart) 'relevante kwetsbare objecten' waarin bijvoorbeeld grotere groepen mensen aanwezig kunnen zijn. Voor dergelijke objecten biedt de invoermodule wel de mogelijkheid voor het registreren van andere gegevens. De Model-risicokaart bevat dus geen compleet overzicht van kwetsbare objecten overeenkomstig bijvoorbeeld het BEVI. Paragraaf 3.1.2 geeft een complete lijst beperkt kwetsbare en kwetsbare objecten zoals in het BEVI is vastgelegd. Het RRGS-deel van de database, althans de centrale database bij het RIVM, bevat geen specifieke informatie over kwetsbare objecten. Opgemerkt wordt echter dat de locatie en aard van kwetsbare objecten wel relevant is bij de interpretatie van RRGS-gegevens, met name in het kader van BEVI. In de Model-risicokaart worden in het kort als kwetsbaar opgenomen de gebouwen die volgens de zg. Prevap-systematiek hoge prioriteit hebben voor een gebruiksvergunning. Een hoge prioriteit (1 en 2) komt in het algemeen voort uit de aanwezigheid van groepen mensen (grote groepen of groepen niet-zelfredzame personen). Paragraaf 3.2 geeft de lijst van objecten die tenminste in de Model-risicokaart worden opgenomen. Deze paragraaf geeft eveneens een overzicht van de relatie hiervan met het zojuist genoemde besluit. Om de data in de risicokaart (c.q. het register) te kunnen gebruiken voor een complete toetsing van ruimtelijke plannen aan het besluit Externe Veiligheid Inrichtingen is (een relatie) met een uitgebreider bestand van de gebouwde omgeving nodig. In paragraaf 3.3 en volgende wordt beschreven welke gegevens over de kwetsbare objecten in het databestand van de (model-)risicokaart kunnen worden ingevoerd. LRI-overige ramptypen, tab 03, versie 3.1 oktober 2007 pag 2 van 16

3.1.2 Beperkt kwetsbaar en kwetsbaar (Wet Milieubeheer) Het Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen (BEVI) onderscheidt 'beperkt kwetsbare' en ' kwetsbare' objecten. Het besluit (Stbl 2004, nr 250) geeft de volgende specificatie van beperkt kwetsbare en kwetsbare objecten. I Beperkt kwetsbare objecten: a. 1. verspreid liggende woningen van derden met een dichtheid van maximaal twee woningen per hectare, en 2. dienst- en bedrijfswoningen van derden; b. Kantoorgebouwen voor zover zij niet onder punt II vallen c. hotels en restaurants, voor zover zij niet onder punt II vallen; d. winkels, voor zover zij niet onder punt II vallen e. sporthallen, zwembaden en speeltuinen; f. sport- en kampeerterreinen en terreinen bestemd voor recreatieve doeleinden, voor zover zij niet onder punt II vallen terreinen; g. bedrijfsgebouwen, voor zover zij niet onder punt II vallen; h. objecten die met de onder a - g genoemde gelijkgesteld kunnen worden uit hoofde van de gemiddelde tijd per dag gedurende welke personen daar verblijven, het aantal personen dat daarin doorgaans aanwezig is en de mogelijkheden voor zelfredzaamheid bij een ongeval, voor zover die objecten geen kwetsbaar object zijn; i. objecten met hoge infrastructurele waarde, zoals een telefoon- of elektriciteitscentrale of een gebouw met vluchtleidingsapparatuur, voor zover die objecten wegens de aard van de gevaarlijke stoffen die bij een ongeval kunnen vrijkomen, bescherming verdienen tegen de gevolgen van dat ongeval. II Kwetsbare objecten: a. woningen, niet zijnde woningen als bedoeld onder Ia; b. gebouwen bestemd voor het verblijf, al dan niet gedurende een gedeelte van de dag, van minderjarigen, ouderen, zieken of gehandicapten, zoals: 1. ziekenhuizen, bejaardenhuizen en verpleeghuizen; 2. scholen, of 3. gebouwen of gedeelten daarvan, bestemd voor de dagopvang van minderjarigen; c. gebouwen waarin doorgaans grote aantallen personen aanwezig gedurende een groot gedeelte van de dag, zijn zoals: 1. kantoorgebouwen en hotels met een bruto vloeroppervlak van meer dan 1500 m 2 per object, of 2. complexen waarin meer dan 5 winkels zijn gevestigd en waarvan het gezamenlijk bruto vloeroppervlak meer dan 1000 m 2 bedraagt en winkels met een totaal bruto vloeroppervlak van 2000 m 2 per winkel, voor zover in die complexen of in die winkels een supermarkt, hypermarkt of warenhuis is gevestigd, en d. kampeer- en andere recreatieterreinen bestemd voor verblijf van meer dan 50 personen gedurende meerdere aaneengesloten dagen. LRI-overige ramptypen, tab 03, versie 3.1 oktober 2007 pag 3 van 16

3.2 Selectie van gebouwen/objecten In figuur 3.1 staan de voor de (publieke) risicokaart relevante gebouwen/objecten. Omschrijving gebouw (PREVAP) 1 Gebouwen met een woonfunctie Tehuizen Kloosters/abdijen Gevangenissen Bejaardenoorden Asielzoekerscentra 2 Gebouwen met een logiesfunctie Hotel Pension/nachtverblijf Dagverblijf Kampeerterrein Jachthaven 3 Gebouwen met een onderwijsfunctie Onderwijsinstelling (leerl. < 12 jr.) Onderwijsinstelling (leerl. > 12 jr.) Kinderdagverblijf 4 Gezondheidszorggebouwen Klinieken (poli-, psychiatrische) Ziekenhuizen Verpleegtehuizen 5 Bedrijfsgebouwen Kantoren Voorwaarde voor opname op risicokaart Alle Alle Alle Alle Alle > 10 personen > 10 personen > 50 personen > 250 personen > 250 personen Alle > 250 personen >50 personen Alle Alle Alle > 250 personen Fabrieken > 250 personen Loodsen, vemen, opslagplaatsen > 1000 m 2 Studio's (bijv. opname TV) 6 Gebouwen voor wegverkeer Garage-inrichting (opslag/stalling) > 1000 m 2 7 Objecten met een publieksfunctie Theater, schouwburg, bioscoop, aula Museum, bibliotheek Buurthuis, ontmoetingscentrum, wijkcentrum Gebedshuis Tentoonstellings/Congresgebouw Cafés, discotheek, restaurant Sporthal, stadion Alle > 250 personen > 250 personen > 250 personen > 250 personen > 250 personen > 250 personen > 250 personen Zwembad *) Alle *) Winkelgebouwen > 500 personen Stationsgebouwen > 1000 m 2 Tijdelijke bouwsels Overig Alle gebouwen vanaf 25 verdiepingen *) bedoeld worden alle overdekte en openbare zwembaden **) bedoeld worden alle gebouwen met 25 bouwlagen en hoger >250 personen >24 verdiepingen**) Figuur 3.1: Gebouwen cq objecten waarvan gegevens moeten worden getoond op de publieke risicokaart LRI-overige ramptypen, tab 03, versie 3.1 oktober 2007 pag 4 van 16

De selectie van gebouwen/objecten zoals weergegeven in figuur 3.1 is gebaseerd op een risico prioriteitsstelling die hiervoor beschikbaar is in de PREVAP systematiek 1. Als voorwaarde voor opname op de (publieke) Risicokaart geldt dat het object minimaal 2 prioriteit 1 of 2 volgens de PREVAP systematiek moet hebben.. De prioriteiten 1 en 2 hangen samen met de verwachte aanwezigheid van grote groepen personen of niet-zelfredzame personen in het betrokken object. De voorwaarden voor opname van Kwetsbare objecten op de (publieke) risicokaart zoals weergegeven in figuur 3.1 is ook vastgelegd in bijlage 3 van de Regeling provinciale Risicokaart, Staatscourant 18 april 2007, nr.75. Hoewel op de (publieke) risicokaart per definitie alleen de objecten met prioriteit 1 en 2 uit het PREVAP moet worden getoond is echter de database van de landelijke risicokaart geschikt voor opname van alle objecten uit de Prevapsystematiek (prioriteit 1 4). De objecten van prioriteit 3 en 4 worden niet in de publieke Risicokaart getoond, maar zijn wel toegankelijk voor professionele gebruikers. De invoermodule kent daarom (als stamtabel) de complete lijst van Prevapcodes, zie bijlage 3A. 3.3 Informatiebronnen over de hier relevante kwetsbare objecten Gezien de selectie van kwetsbare objecten die in de volgende paragraaf wordt aangegeven, is de plaatselijke brandweer waarschijnlijk de dienst die de meeste gegevens beschikbaar heeft. Dit is echter niet zeker en het kan van plaats tot plaats verschillen afhankelijk van het beleid dat ten aanzien van gebruiksvergunningen wordt gevoerd. Indien de brandweer niet een geschikt basisbestand van gegevens beschikt, zal het uit verschillende bronnen moeten worden samengesteld. Te denken valt daarbij aan: a. gemeentelijke gebouwenbestanden, waaronder die voor de OZ-Belasting; b. de Kamer van Koophandel (vestigingenregister). Indien de brandweer een databestand van Prevap-objecten heeft samengesteld, is daarmee meteen een behoorlijke hoeveelheid informatie beschikbaar. Er wordt een standaard uitwisselingsformaat gedefinieerd voor import van de beschikbare gegevens. Aangenomen wordt dat leveranciers van programmatuur die Prevap-objecten registreert, zich bij het standaard uitwisselingsformaat willen aansluiten. Dan kunnen desgewenst alle 'prevap-objecten' (de prioriteiten 1 tot en met 4) worden ingeladen. Niet alle objecten die op de publieke Risicokaart moeten worden getoond (figuur 3.1) zijn ook van belang voor de ramptypen 10 en 11 uit de Leidraad Maatramp. Respectievelijk de ramptypen 'Brand in grote gebouwen' en 'Instorting grote gebouwen'. In figuur 3.2 staat aangegeven vanaf welk aantal personen het betreffende ramptype voor dit object van belang is. 1 2 Prevap staat voor PREVentie-ActiviteitenPlan. De methode is in september 1997 door BZK per circulaire EB97/950 aangeboden als Handleiding Prevap (geactualiseerde versie). Bron: Definitiestudie (PRK-25) en de besluitvorming daarover LRI-overige ramptypen, tab 03, versie 3.1 oktober 2007 pag 5 van 16

Omschrijving gebouw (PREVAP) 1 Gebouwen met een woonfunctie Hoge Woongebouwen (25 bouwlagen en hoger) Relevantie voor RT 10 en 11 indien aantal personen voldoet aan: Criterium: Aantal personen RT 10: (Brand in gr. geb.) RT 11: (Instorting gr. geb.) Tehuizen >100 X X Kloosters/abdijen >100 X X Gevangenissen >100 X X Bejaardenoorden >100 X X Asielzoekerscentra >100 X X 2 Gebouwen met een logiesfunctie Hotel >100 X X Pension/nachtverblijf >100 X X Dagverblijf >100 X X Kampeerterrein Jachthaven 3 Gebouwen met een onderwijsfunctie Onderwijsinstelling (leerl. < 12 jr.) >500 X X Onderwijsinstelling (leerl. > 12 jr.) >500 X X Kinderdagverblijf >100 X X 4 Gezondheidsgebouwen Klinieken (poli-, psychiatrische) >100 X X Ziekenhuizen >100 X X Verpleegtehuizen >100 X X 5 Bedrijfsgebouwen Kantoren >500 X X Fabrieken >500 X X Loodsen, vemen, opslagplaatsen >500 X X Studio's (bijv. opname TV) >500 X X 6 Gebouwen voor wegverkeer Garage-inrichting (opslag/stalling) 7 Objecten met een publieksfunctie Theater, schouwburg, bioscoop, aula, >500 X X Museum, bibliotheek >500 X X Buurthuis, ontmoetingscentrum, wijkcentrum Gebedshuis >500 X X Tentoonstellings/Congresgebouw >500 X X Cafés, discotheek, restaurant >500 X X Sporthal, stadion >500 X X Zwembad (openbaar en overdekt) >500 X X Winkelgebouwen >500 X X Stationsgebouwen >500 X X Tijdelijke bouwsels >500 X X Overige gebouwen 25 bouwlagen en hoger X X Figuur 3.2: Objecten/gebouwen op publieke Risicokaart met criterium wanneer ook van belang voor ramptype 10 en 11 X X LRI-overige ramptypen, tab 03, versie 3.1 oktober 2007 pag 6 van 16

Indien de basisgegevens nog niet beschikbaar zijn, moet een inventarisatie uitgevoerd worden. Door een gerichte zoekactie in gemeentelijke databestanden is in het algemeen mogelijk een basislijst samen te stellen. Omdat de registratie in gemeentelijke bestanden verschilt, is hiervoor geen algemeen recept te geven. Voor de objecten van prioriteit 1 en 2 is het noodzakelijk dat ze worden voorzien van een xy-coördinaat. In het algemeen kan dat automatisch op basis van de postcode en het huisnummer. De invoerfaciliteit die in het ontwerp van de Modelrisicokaart is beschreven, omvat een dergelijke automatische positiebepaling. Met behulp van het zg. ACN-bestand kan men ook vooraf xy-coördinaten aan een databestand van kwetsbare objecten toevoegen. 3.4 Basisinformatie over kwetsbare objecten Onderstaande figuur 3.3 geeft basisinformatie over kwetsbare objecten zoals die wordt gehanteerd in de Prevap-systematiek. Attribuut Code Aantal verdiepingen Naam, adres Locatie Vermelding op de kaart Kwetsbaarheid Inhoudelijke informatie over kwetsbare objecten De Prevap-code voor het type object uitgebreid met een extra cijfer in verband met BEVI-kenmerken, plus aanvullende codes voor (overige) hoge gebouwen. Zie bijlage 3A voor de standaardtabel. In te delen in 4 categorieën, namelijk op basis van de Leidraad Maatramp: a. 10 t/m 14 bouwlagen; b. 15 t/m 19 bouwlagen; c. 20 t/m 24 bouwlagen; d. 25 bouwlagen en hoger. Deze gegevens zijn nodig om te bepalen wel maatscenario voor het gebouwtype geldt. Dat gebeurt in combinatie met andere vragen verderop. Bovendien worden alle objecten die voldoen aan criterium d) automatisch op de kaart gepresenteerd. Gegevens over de naam en adres volgens het systeem volgens de systematiek van bijlage 3A. De xy-locatie kan op basis van postcode en huisnummer worden bepaald door het systeem, en kan desgewenst worden aangepast. Handmatige aanpassing is regelmatig nodig wegens: a. Onvolkomenheden in het locatiebestand; b. De automatisch gegenereerde locatie is niet altijd de meest geschikte voor het positioneren van een kaartsymbool voor het object. Dit mede in relatie tot andere objecten. Een minimaal locatieverschil daarmee is wenselijk voor de kaartpresentatie. Ja / nee. Ja (automatisch te bepalen) voor de volgende gevallen: a. prevap-codes met een prioriteit van 1 of 2 (volgens standaardtabel); b. (overige) gebouwen van 25 bouwlagen en meer Beperkt kwetsbaar of Kwetsbaar volgens het Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen; automatisch te bepalen uit de standaardtabel LRI-overige ramptypen, tab 03, versie 3.1 oktober 2007 pag 7 van 16

Optie: Instelling Contactpersoon Tevens kan daarbij (desgewenst) worden aangegeven of het object behoort tot een bepaalde Instelling. Voorbeeld: De instelling Academisch Ziekenhuis. Deze instelling omvat een aantal afzonderlijke objecten, verschillende ziekenhuizen, woongebouwen en kantoorgebouwen. De eventuele groepering van objecten onder een Instelling komt ook bij andere risicolocaties voor. Desgewenst kan aan het object een contactpersoon worden gekoppeld, zie bijlage 3A. Figuur 3.3: Basisgegevens van kwetsbare objecten Attribuut Aantal aanwezigen 3.5 Informatie over het gebruik van kwetsbare objecten Bij informatie over het gebruik van kwetsbare objecten gaat het om het mogelijke aantal aanwezigen. Voor de meeste 'Prevap-typen' wordt deze informatie automatisch ontleend aan de omschrijving bij het objecttype (zie bijlage 3A). Voor de objecten uit figuur 3.2 waarbij het ramptype 'Brand in groot gebouw' en 'Instorting groot gebouw' van meer dan normaal belang is 3, wordt echter een aanvullende vraag over het aantal aanwezigen gesteld. Deze vraag is nodig om te bepalen welke bijdrage het object levert aan het maatscenario voor die ramptypen. Aantal aanwezigen indien voldaan wordt aan het criterium in de 4 e kolom van figuur 3.1 Inhoudelijke informatie over kwetsbare objecten Volgt automatisch uit de prevap-code en bijlage 3A voor de gevallen die niet voldoen aan de vierde kolom uit figuur 3.1 Er zijn twee soorten vragen op dit punt (figuur 3.1 geeft aan wat waar van toepassing is): Categorieën type >100 Categorieën type >500-100 tot 200 personen - 500 tot 1000 personen - 200 tot 300-1000 tot 1500-300 tot 500-1500 tot 2500-500 tot 1000-2500 tot 5000-1000 en meer - 5000 en meer 4 Figuur 3.4: Aanvullende vraag over het aantal aanwezigen is nodig in enkele specifieke gevallen In paragraaf 3.6 wordt aangegeven hoe uit deze gegevens de bijdrage aan het maatscenario wordt bepaald. Opgemerkt wordt dat gebouwen in de categorie "meer dan 5000 mogelijke aanwezigen" ook moeten worden meegenomen als object waar evenementen plaatsvinden, zie Tab 8, Evenementen- en activiteitenlocaties. Dit laatste is relevant voor het ramptype Paniek in menigten. Als het een stadion met risicowedstrijden betreft, is er ook een relatie met het ramptype Verstoring van de openbare orde. 3 4 Dit geldt voor de gebouwen die voldoen aan het criterium in de tweede kolom van figuur 3.2. Objecten van deze categorie spelen mogelijk ook een rol bij Tab 8. LRI-overige ramptypen, tab 03, versie 3.1 oktober 2007 pag 8 van 16

Zoals reeds aangegeven behoeft slechts voor een beperkt aantal objecten de aanvullende vraag over het aantal aanwezigen te worden gesteld en beantwoord. De in dat geval benodigde informatie is uiteraard bekend bij de eigenaar van het object. De brandweer is in de meeste gevallen op de hoogte van het aantal betreffende aantal (gebruiksvergunning). 3.6 Risico-informatie over kwetsbare objecten Voor de geregistreerde objecten behoeft geen aanvullende informatie over het risico te worden verzameld. De hiervoor reeds vermelde gegevens bepalen wat het risico is Het gaat verder om optionele informatie die (ook wanneer die is ingevuld) niet aan het publiek wordt gepresenteerd. De Leidraad Maatramp (versie 1.3) geeft indicaties van maatscenario's die bij de betrokken objecten aan de orde kunnen zijn bij een ramp of zwaar ongeval (brand, instorting). Deze indicaties zijn samengevat in figuur 3.5. Ze richten zich op de mogelijke effecten en de daaraan gekoppelde hulpvraag. Het kansaspect van het risico komt daarbij niet aan de orde. Gebouwen met verminderd zelfredzame bewoners = groep 1 en groep 4 van figuur 3.1 en 3.2, alsmede de grote hotels uit groep 2 van figuur 3.1 en 3.2 alsmede grote kinderdagverblijven (zie groep 3) 100 tot 200 personen 200 tot 300 personen 300 tot 500 personen 500 tot 1000 personen 1000 personen en groter Gebouwen met een grootschalige publieksfunctie = groep 7 van figuur 3.1 en 3.2 alsmede grote (tv)studio's uit groep 5 van figuur 3.1 en 3.2 alsmede grote onderwijsinstellingen (zie groep 3) 500 tot 1000 personen 1000 tot 1500 personen 1500 tot 2500 personen 2500 tot 5000 personen 5000 personen en groter Bijzonder hoge gebouwen gebouwen met 10 t/m 14 bouwlagen gebouwen met 15 t/m 19 bouwlagen gebouwen met 20 t/m 24 bouwlagen gebouwen met 25 of meer bouwlagen Totaal Maatscenario voor het object Bijdrage maatscenario I II III IV V Bijdrage maatscenario I II III IV V bijdrage maatscenario II III IV V de hoogste van de bovenstaande Figuur 3.5: Beslistabel voor het maatscenario (in te vullen in figuur 3.6) De uitkomst van figuur 3.5 bepaalt welke kolom gegevens uit figuur 3.6 als indicatie dient voor de mogelijke hulpvraag wanneer het object betrokken raakt bij een grote brand of instort. LRI-overige ramptypen, tab 03, versie 3.1 oktober 2007 pag 9 van 16

De meeste in figuur 3.6 genoemde gegevens kunnen in een stamtabel worden geautomatiseerd. De voornaamste invoer is de uitkomst van figuur 3.5. Echter de 'invoerder' wordt geacht ook zelf in te schatten of de indicaties voor het betreffende object geldig kunnen zijn. Voor een bepaalde situatie is invulling / bepaling van specifieke waarden mogelijk. Risico-informatie bij Kwetsbare objecten Attribuut Aantal Aanwezigen Volgt uit het voorgaande (zie paragraaf 3.3) Bijdrage maatscenario Aantal slachtoffers 5 Detaillering GHOR bron: LMR, versie 1.3 Hulpvraag Brw bron: tabellenboek LMR, versie 2.1 De bijdrage van het object aan het LMR-scenario (I V), Invullen a.d.h.v. zie figuur 3.4 Maatrampscenario (indicatie) I II III IV V Gewonden (T1+T2) + doden 50 100 150 200 250 Algemene indicaties: Aantal gewonden (T1+T2+T3): 135 285 415 570 700 Percentage T1+T2: 40% 40% 40% 40% 40% Gewonden met mechanisch letsel: 60% 60% 60% 60% 60% Gewonden met chemisch letsel: 30% 30% 30% 30% 30% Gewonden met thermisch letsel: 25% 25% 25% 25% 25% Algemene indicaties: Te bevrijden T1-slachtoffers: Aantal te redden personen: Tankautospuiten (blussing 1e uur): 13 50 2 26 90 14 38 130 21 50 170 27 60 210 34 Hulpvraag Politie bron: tabellenboek LMR, versie 2.1 Algemene indicaties: Aanwezige personen (en kijkers) Aantal ordeverstoorders Aantal af te zetten punten 6 Aantal te identificeren doden Aantal te begeleiden voertuigen 1300 20. 10 50 2300 30. 15 75 3300 40. 25 100 4300 50. 30 125 5300 60. 40 150 Hulpvraag Overig bron: tabellenboek LMR, versie 2.1 Algemene indicaties: Aantal verslaggevers Aantal bellers waarvan verwanten Aantal ontheemden Aantal personen korte opvang Aantal personen nachtopvang Aantal personen lange opvang 60 2500 125 (150) 70 1250 250 (300) 70 7500 375 (450) 80 10000 500 (600) 90 12500 625 (750) Figuur 3.6: Overzicht van risico-informatie omtrent kwetsbare objecten die op de risicokaart komen (grotendeels standaard) 3.7 Plan- en vergunningsinformatie over kwetsbare objecten In onderstaande tabel is weergegeven welke (optionele) gegevens in het databestand van een (model)risicokaart kunnen worden ingevoerd over: 5 6 Dit attribuut is in PRK-81 per abuis als 'Verplicht' aangegeven (nu is de grijs-arcering weggelaten). Dit aantal is in de specifieke situatie veel beter in te schatten dan deze indicatie; bron: politie. LRI-overige ramptypen, tab 03, versie 3.1 oktober 2007 pag 10 van 16

Attribuut - Gebruiksvergunning: verplicht aanwezig datum referentie - Bedrijfsnoodplan: verplicht aanwezig datum referentie - Ontruimingsplan: gewenst aanwezig datum referentie - Aanvalsplan/-kaart: gewenst aanwezig datum referentie - gegevens uit de gebruiksvergunning van het object (bron: gemeente, brandweer); - het al dan niet aanwezig zijn van een bedrijfsnoodplan (bron: het bedrijf, de brandweer of de regionale Arbeidsinspectie); - een eventueel ontruimingsplan (bron: betrokken bedrijf of instelling); - de aanwezigheid van een aanvalsplan of bereikbaarheidskaart (bron: Brandweer). Inhoudelijke informatie over kwetsbare objecten (op basis van Bouwverordening of in voorkomende gevallen de BBV) j/n voor dit specifieke object j/n datum vergunning referentie van de vergunning (volgens figuur 3.8) j/n voor dit specifieke object j/n datum plan referentie van het plan (volgens figuur 3.8) j/n voor dit specifieke object j/n datum plan referentie van het plan (volgens figuur 3.8) Aanvalsplan of bereikbaarheidskaart j/n voor dit specifieke object j/n datum plan referentie van het plan (volgens figuur 3.8) Figuur 3.7: Optioneel in te vullen vergunnings- en plangegevens bij kwetsbare objecten Voor het aanduiden van een bepaald plan wordt het in figuur 3.8 aangegeven systeem gehanteerd. De referentie van het plan kan een link zijn. Attribuut Referentie-informatie bij diverse planvormen en vergunningen Referentie naam dienst plaatsnaam naam of ref.nr. van het plan Figuur 3.8: Stramien voor het opgeven van referentie-info bij een bepaald plan LRI-overige ramptypen, tab 03, versie 3.1 oktober 2007 pag 11 van 16

Bijlage 3A: Complete lijst van Prevapcodes Onderstaand is een complete lijst opgenomen van Prevap-codes. De lijst is aangevuld en uitgesplitst om daarin ook de kwetsbaarheid op basis van BEVI te kunnen aangeven. Daarom zijn de prevap-codes met een extra kenmerk uitgebreid. Alleen de objecten met prevap-prioriteit 1 en 2 worden op de publiekskaart afgebeeld. Een nieuwe code plus prioriteit is toegevoegd voor asielzoekerscentra (1.8). Voor professioneel gebruik van de Risicokaart kan registratie van alle kwetsbare objecten van belang zijn. Om de beoogde registratie voor professioneel gebruik mogelijk te maken zijn ook enkele categorieën toegevoegd die in de prevapsystematiek geen prioriteit hebben. Door deze aanvullende codes wordt het bijvoorbeeld mogelijk alle hotels in het systeem te registreren, ook de kleine. Deze extra codes zijn weergegeven in een grijs gearceerd veld. Om die reden is bij de diverse prevap-codes een indicatie aangegeven van de (beperkt) kwetsbaarheid op basis van BEVI. Het gaat in de onderstaande tabel om een interpretatie die strikt genomen geen juridische betekenis heeft voor bijvoorbeeld de ruimtelijke ordening. Code Omschrijving gebouw/inrichting PREVAP + Indicatie i.v.m. BEVI bk = beperktkwetsbaar k = kwetsbaar (art.nr. uit BEVI) Prioriteit Prevap op de risicokaart 1 Gebouwen met een woonfunctie 1.0 1 Hoge woongebouwen k (art.1, lid 1.m.a) - (>25 lagen) 1.1 1 Tehuizen k (art.1, lid 1.m.b) 1 X 1.2 1 Kloosters/abdijen k (art.1, lid 1.m.a) 2 X 1.3 1 Woongebouwen met inpandige gangen k (art.1, lid 1.m.a) 3 (>25 lagen) 1.4 1 Gevangenissen k (art.1, lid 1.m.b) 1 X 1.5 1 Woningen niet-zelfstandige bewoners k (art.1, lid 1.m.b) 3 (>25 lagen) 1.6 1 Wooncomplexen niet-zelfredzame bewoners k (art.1, lid 1.m.b) 2 X 1.7 1 Bejaardenoorden k (art.1, lid 1.m.b) 1 X 1.8 1 Asielzoekerscentra k (art.1, lid 1.m.a) 2 X 2 Gebouwen met een logiesfunctie 2.1 Hotels 2.1.0 0 Hotel, 1 9 personen, BVO < 1500 m 2 bk (art.1, lid 1.a.c) - - 2.1.0 1 Hotel, 1 9 personen, BVO > 1500 m 2 k (art.1, lid 1.m.c) - - 2.1.1 0 Hotel, 10-50 personen, BVO < 1500 m 2 bk (art.1, lid 1.a.c) 2 X 2.1.1 1 Hotel, 10-50 personen, BVO > 1500 m 2 k (art.1, lid 1.m.c) 2 X 2.1.2 1 Hotel, > 50 personen k (art.1, lid 1.m.c) 1 X 2.2 Pensions/nachtverblijven 2.2.0 0 Pension/nachtverblijf, 1-9 pers., BVO < 1500 m 2 bk (art.1, lid 1.a.c) - - 2.2.0 1 Pension/nachtverblijf, 1-9 pers., BVO > 1500 m 2 k (art.1, lid 1.m.c) - - 2.2.1 0 Pension/nachtverblijf, 10-50 pers., BVO < 1500 m 2 bk (art.1, lid 1.a.c) 2 X 2.2.1 1 Pension/nachtverblijf, 10-50 pers., BVO > 1500 m 2 k (art.1, lid 1.m.c) 2 X 2.2.2 1 Pension/nachtverblijf, > 50 personen k (art.1, lid 1.m.c) 1 X 2.3 Dagverblijven 2.3.0 1 Dagverblijf, 1-9 personen k (art.1, lid 1.m.b) - - 2.3.1 1 Dagverblijf, 10-50 personen k (art.1, lid 1.m.b) 3 - LRI-overige ramptypen, tab 03, versie 3.1 oktober 2007 pag 12 van 16

Code PREVAP + Omschrijving gebouw/inrichting Indicatie i.v.m. BEVI bk = beperktkwetsbaar k = kwetsbaar (art.nr. uit BEVI) Prioriteit Prevap op de risicokaart 2.3.2 1 Dagverblijf, > 50 personen k (art.1, lid 1.m.b) 2 X 2.4 Kampeerterreinen/jachthavens 2.4.0 0 Kampeerterrein/jachthaven, 1-49 personen bk (art.1, lid 1.a.f) - - 2.4.1 1 Kampeerterrein/jachthaven, 50-100 personen k (art.1, lid 1.m.d) 4-2.4.2 1 Kampeerterrein/jachthaven, 100-250 personen k (art.1, lid 1.m.d) 3-2.4.3 1 Kampeerterrein/jachthaven > 250 personen k (art.1, lid 1.m.d) 2 X 3 Gebouwen met een onderwijsfunctie 3.1 1 Onderwijsinstellingen (leerlingen < 12 jr.) k (art.1, lid 1.m.b) 2 X 3.2 Onderwijsinstellingen (leerlingen > 12 jr.) 3.2.0 0 Onderwijs (leerlingen > 12 jr.), 1-49 personen meerderjarige leerlingen (geen speciaal onderwijs) 3.2.0 1 Onderwijs (leerlingen > 12 jr.), 1-49 personen minderjarige leerlingen of speciaal onderwijs 3.2.1 1 Onderwijsinstelling (leerlingen > 12 jr.), 50-250 personen 3.2.2 1 Onderwijsinstelling (leerlingen > 12 jr.), 250-500 personen 3.2.3 1 Onderwijsinstelling (leerlingen > 12 jr.) > 500 personen - - - k (art.1, lid 1.m.b) - - k (art.1, lid 1.m.c) 3 - k (art.1, lid 1.m.c) 2 X k (art.1, lid 1.m.c) 1 X 3.3 1 Kinderdagverblijf k (art.1, lid 1.m.b) 2 X 3.4 1 Peuterspeelzaal k (art.1, lid 1.m.b) 3-4 Gezondheidszorggebouwen 4.1 0 Gezondheidsdiensten, minder dan 50 pers bk (art.1, lid 1.a.g) 3-4.1 1 Gezondheidsdiensten, 50 personen of meer k (art.1, lid 1.m.c) 3-4.2 1 Klinieken (poli-, psychiatrische) k (art.1, lid 1.m.b) 1 X 4.3 1 Ziekenhuizen k (art.1, lid 1.m.b) 1 X 4.4 1 Verpleegtehuizen k (art.1, lid 1.m.b) 1 X 5 Bedrijfsgebouwen 5.1 Kantoren 5.1.0 0 Kantoor, 1-49 personen, BVO < 1500 m 2 bk (art.1, lid 1.a.g) - - 5.1.0 1 Kantoor, 1-49 personen, BVO > 1500 m 2 k (art.1, lid 1.m.c) - - 5.1.1 1 Kantoor, 50-250 personen k (art.1, lid 1.m.c) 3-5.1.2 1 Kantoor, 250-500 personen k (art.1, lid 1.m.c) 2 X 5.1.3 1 Kantoor > 500 personen k (art.1, lid 1.m.c) 1 X 5.2 Fabrieken 5.2.0 0 Fabriek, 1-49 personen bk (art.1, lid 1.a.g) - - 5.2.1 1 Fabriek, 50-250 personen k (art.1, lid 1.m.c) 3-5.2.2 1 Fabriek, 250-500 personen k (art.1, lid 1.m.c) 2 X 5.2.3 1 Fabriek, > 500 personen k (art.1, lid 1.m.c) 1 X 5.3 Loodsen, vemen, opslagplaatsen 5.3.1 0 Loods, veem, opslagplaats, < 1000 m 2 50 werknemers of minder 5.3.1 1 Loods, veem, opslagplaats, < 1000 m 2 meer dan 50 werknemers 5.3.2 0 Loods, veem, opslagplaats, > 1000 m 2 50 werknemers of minder 5.3.2 1 Loods, veem, opslagplaats, > 1000 m 2 meer dan 50 werknemers bk (art.1, lid 1.a.g) 4 - k (art.1, lid 1.m.c) 4 - bk (art.1, lid 1.a.g) 2 X k (art.1, lid 1.m.c) 2 X LRI-overige ramptypen, tab 03, versie 3.1 oktober 2007 pag 13 van 16

Code PREVAP + Omschrijving gebouw/inrichting 5.4 Studio's Indicatie i.v.m. BEVI bk = beperktkwetsbaar k = kwetsbaar (art.nr. uit BEVI) Prioriteit Prevap op de risicokaart 5.4 0 Studio (opname TV e.d.), hoogstens 50 aanwezigen bk (art.1, lid 1.a.g) 2 X 5.4 1 Studio (opname TV e.d.), meer dan 50 aanwezigen k (art.1, lid 1.m.c) 2 X 6 Gebouwen voor wegverkeer 6.1 Garage-inrichtingen (alleen opslag/stalling) 6.1.1 1 Garage-inrichting (alleen opslag/stalling), < 1000 m 2 bk (art.1, lid 1.a.g) 3-6.1.2 0 Garage-inrichting (alleen opslag/stalling), > 1000 m 2 bk (art.1, lid 1.a.g) 2 X hoogstens 50 aanwezigen 6.1.2 1 Garage-inrichting (alleen opslag/stalling), > 1000 m 2 50 of meer aanwezigen k (art.1, lid 1.m.c) 2 X 7 Gebouwen met een publieksfunctie 7.1 Theater, schouwburg, bioscoop, aula 7.1.0 0 Theater, schouwburg, bioscoop, aula, 1-49 personen 7.1.1 1 Theater, schouwburg, bioscoop, aula, 50-250 personen 7.1.2 1 Theater, schouwburg, bioscoop, aula, 250-500 personen 7.1.3 1 Theater, schouwburg, bioscoop, aula, > 500 personen 7.2 Musea, bibliotheken bk (art.1, lid 1.a.h) - - k (art.1, lid 1.m.c) 3 - k (art.1, lid 1.m.c) 2 X k (art.1, lid 1.m.c) 1 X 7.2.0 0 Museum, bibliotheek, 1 49 personen bk (art.1, lid 1.a.h) - - 7.2.1 1 Museum, bibliotheek, 50 250 personen k (art.1, lid 1.m.c) 4-7.2.2 1 Museum, bibliotheek, 250-500 personen k (art.1, lid 1.m.c) 2 X 7.2.3 1 Museum, bibliotheek, > 500 personen k (art.1, lid 1.m.c) 1 X 7.3 buurthuizen, ontmoetingscentra, wijkcentra 7.3.0 0 Buurthuis, ontmoetingscentrum, wijkcentrum, 1-49 personen 7.3.1 1 Buurthuis, ontmoetingscentrum, wijkcentrum, 50-250 pers. 7.3.2 1 Buurthuis, ontmoetingscentrum, wijkcentrum, > 250 personen 7.4 Gebedshuizen - - - bk (art.1, lid 1.a.h) 3 - bk (art.1, lid 1.a.h) 2 X 7.4.0 0 Gebedshuis, 1 49 personen - - - 7.4.1 1 Gebedshuis, 50-250 personen bk (art.1, lid 1.a.h) 3-7.4.2 1 Gebedshuis > 250 personen bk (art.1, lid 1.a.h) 2 X 7.5 Tentoonstellings- en congresgebouwen (Aannamen voor de kwetsbaarheid: in het algemeen zijn er slechts gedurende een beperkt aantal dagen per jaar, gedurende relatief korte perioden, de genoemde aantallen aanwezig. Het betreft wel bedrijfsgebouwen, zodat ten minste sprake is van beperkt kwetsbaar) 7.5.0 1 Tentoonstellingsgebouw, 1-49 personen bk (art.1, lid 1.a.h) - - 7.5.1 1 Tentoonstellings/congresgebouw, 50-250 pers. bk (art.1, lid 1.a.h) 4-7.5.2 1 Tentoonstellings/congresgebouw, 250-500 pers. bk (art.1, lid 1.a.h) 2 X 7.5.3 1 Tentoonstellings/congresgebouw > 500 personen bk (art.1, lid 1.a.h) 1 X 7.6 Kantines, eetzalen 7.6.0 1 Kantine, eetzaal, 1-50 personen bk (art.1, lid 1.a.h) - - 7.6.1 1 Kantine, eetzaal, > 50 personen bk (art.1, lid 1.a.h) 3-7.7 Cafés, discotheken, restaurants 7.7.0 1 Cafés, discotheek, restaurant, 1-49 personen bk (art.1, lid 1.a.h) - - LRI-overige ramptypen, tab 03, versie 3.1 oktober 2007 pag 14 van 16

Code PREVAP + Omschrijving gebouw/inrichting Indicatie i.v.m. BEVI bk = beperktkwetsbaar k = kwetsbaar (art.nr. uit BEVI) Prioriteit Prevap op de risicokaart 7.7.1 1 Cafés, discotheek, restaurant, 50-250 personen bk (art.1, lid 1.a.h) 3 (>25 lagen) 7.7.2 1 Cafés, discotheek, restaurant, 250-500 personen bk (art.1, lid 1.a.h) 2 X 7.7.3 1 Cafés, discotheek, restaurant, > 500 personen bk (art.1, lid 1.a.h) 1 X 7.8 Gymzalen, (dans/sport-)studio's 7.8 1 7.8 Gymzaal, (dans/sport-)studio bk (art.1, lid 1.a.h) 4-7.9 Sporthallen, stadions 7.9.0 1 Sporthal, stadion, 1-49 personen bk (art.1, lid 1.a.e) - - 7.9.1 1 Sporthal, stadion, 50 250 personen bk (art.1, lid 1.a.e) 3-7.9.2 1 Sporthal, stadion, 250 1000 personen bk (art.1, lid 1.a.e) 2 X 7.9.3 1 Sporthal, stadion, > 1000 personen bk (art.1, lid 1.a.e) 1 X 7.10 Zwembaden 7.10 1 Zwembad bk (art.1, lid 1.a.e) 2 X 7.11 Winkelgebouwen kwetsbaarheidvoorwaarde (BEVI) voor winkels: Complexen waarin meer dan 5 winkels zijn gevestigd en waarvan het gezamenlijk bruto vloeroppervlak meer dan 1000 m2 bedraagt en winkels met een totaal bruto vloeroppervlak van 2000 m2 per winkel, voor zover in die complexen of in die winkels een supermarkt, hypermarkt of warenhuis is gevestigd. (Als bedrijfsgebouw tenminste beperkt kwetsbaar) 7.11.0 0 Winkelgebouw, 1 49 personen dat NIET voldoet aan kwetsbaarheidsvoorwaarde 7.11.0 1 Winkelgebouw, 1 49 personen dat WEL voldoet aan kwetsbaarheidsvoorwaarde 7.11.1 0 Winkelgebouw, 50 250 personen dat NIET voldoet aan kwetsbaarheidsvoorwaarde 7.11.1 1 Winkelgebouw, 50 250 personen dat WEL voldoet aan kwetsbaarheidsvoorwaarde 7.11.2 0 Winkelgebouw, 250-500 personen dat NIET voldoet aan kwetsbaarheidsvoorwaarde 7.11.2 1 Winkelgebouw, 250-500 personen dat WEL voldoet aan kwetsbaarheidsvoorwaarde 7.11.3 0 Winkelgebouw, 500-1000 personen dat NIET voldoet aan kwetsbaarheidsvoorwaarde 7.11.3 1 Winkelgebouw, 500-1000 personen dat WEL voldoet aan kwetsbaarheidsvoorwaarde 7.11.4 0 Winkelgebouw > 1000 personen dat NIET voldoet aan kwetsbaarheidsvoorwaarde 7.11.4 1 Winkelgebouw > 1000 personen dat WEL voldoet aan kwetsbaarheidsvoorwaarde bk (art.1, lid 1.a.d) - - k (art.1, lid 1.m.c) - - bk (art.1, lid 1.a.d) 4 - k (art.1, lid 1.m.c) 4 - bk (art.1, lid 1.a.d) 3 - k (art.1, lid 1.m.c) 3 - bk (art.1, lid 1.a.d) 2 X k (art.1, lid 1.m.c) 2 X bk (art.1, lid 1.a.d) 1 X k (art.1, lid 1.m.c) 1 X 7.12 Stationsgebouwen kwetsbaarheidsvoorwaarde (BEVI): doorgaans grote aantallen personen (meer dan 50) aanwezig gedurende een groot gedeelte van de dag 7.12.1 0 Stationsgebouw < 1000 m 2 bk (art.1, lid 1.a.h) 3 - dat NIET voldoet aan kwetsbaarheidsvoorwaarde 7.12.1 1 Stationsgebouw < 1000 m 2 k (art.1, lid 1.m.c) 3 - dat WEL voldoet aan kwetsbaarheidsvoorwaarde 7.12.2 0 Stationsgebouw > 1000 m 2 bk (art.1, lid 1.a.h) 2 X dat NIET voldoet aan kwetsbaarheidsvoorwaarde 7.12.2 1 Stationsgebouw > 1000 m 2 dat WEL voldoet aan kwetsbaarheidsvoorwaarde k (art.1, lid 1.m.c) 2 X LRI-overige ramptypen, tab 03, versie 3.1 oktober 2007 pag 15 van 16

Code PREVAP + Omschrijving gebouw/inrichting Indicatie i.v.m. BEVI bk = beperktkwetsbaar k = kwetsbaar (art.nr. uit BEVI) Prioriteit Prevap op de risicokaart 7.13 1 Tijdelijke bouwsels (cf de ModelBouwverordening) - 2 (X) 7.14 1 Markten (open lucht) - 4 - Oerkingen: 1. In paragraaf 3.2 is aangegeven dat ook de hoogte van gebouwen een reden kan zijn voor presentatie op de risicokaart. Dit is meer de reden dat er een informatieveld 'aantal bouwlagen' toegevoegd in het datamodel voor kwetsbare objecten. Objecten van 25 bouwlagen en meer worden op de risicokaart gepresenteerd. Dit is een algemene regel. In de tabel is dit voor voorzienbare gevallen reeds aangegeven. 2. De bovenstaande lijst bevat niet alle (beperkt) kwetsbare objecten die bij een toetsing van de externe veiligheid of in het kader van de ruimtelijke ordening relevant zijn. Bijvoorbeeld normale woningen zijn er niet in opgenomen, omdat deze geen prevap-prioriteit hebben (deze lijst is primair bedoeld voor ramptype 10 en 11; de prevap-systematiek geeft daarover aanwijzingen). Voor een volledige toetsing in het kader van bijvoorbeeld BEVI, moet ten minste een extra kaartlaag met woningen worden getoond. LRI-overige ramptypen, tab 03, versie 3.1 oktober 2007 pag 16 van 16

4 Tunnels Inhoud 4.1 Inleiding... 2 4.2 Selectie: de relevante tunnels... 3 4.3 Informatiebronnen... 3 4.4 Basisinformatie... 3 4.5 Informatie over het gebruik... 4 4.6 Risico-informatie... 5 4.7 Planinformatie... 7 Verklaring van de tabellen Attribuut Attribuutnaam Attribuutnaam Attribuutnaam Attribuutnaam informatie over een object De grijsarcering van de attribuutnaam geeft aan dat dit veld 'verplicht' is. Dit houdt in: Indien er iets van het betreffende object wordt vermeld, dan in elk geval dit invullen. De zwarte balk in de eerste kolom geeft aan dat deze informatie op de publieke Risicokaart gepresenteerd wordt. Dat kan overigens in een heel andere vorm geschieden. Bijvoorbeeld: xy-coördinaten als een stip op de goede locatie. Deze informatie wordt op de publieke Risicokaart gepresenteerd indien aanwezig, maar behoeft niet te worden ingevuld. De grijsarcering van de attribuutnaam geeft aan dat dit veld 'verplicht' is. De witte kleuring in de eerste kolom echter duidt erop dat dit gegeven niet wordt getoond op de publieke Risicokaart. Dit soort verplichte gegevens heeft een essentiële functie in het databestand of de presentatievorm. Het gaat doorgaans om de meer technisch-inhoudelijke informatie die ook voor professioneel gebruik (de professionele Risicokaart) van belang kan zijn. Deze informatie wordt niet op de publieke Risicokaart gepresenteerd, en behoeft niet te worden ingevuld. Het gaat om informatie voor professioneel gebruik en wordt getoond op de professionele Risicokaart. met een zwart vakje in deze kolom wordt aangegeven dat de betreffende informatie bedoeld is voor weergave op de publieke Risicokaart. LRI-overige ramptypen, tab 04, versie 3.1 oktober 2007 pag 1 van 8

4.1 Inleiding Algemeen Ongevallen in tunnels zijn over het algemeen gevaarlijker dan in de buitenlucht, met name wanneer er brand ontstaat. Daarom wordt er in tunnels extra aandacht aan veiligheidsvoorzieningen besteed. Toch kunnen er bij een ongelukkige samenloop van omstandigheden nog veel slachtoffers vallen in tunnels waar reizigersverkeer plaatsvindt per trein, metro of auto. Dergelijke denkbare grote tunnelongevallen worden beschouwd als een apart ramptype, mede omdat de rampbestrijding hier bijzondere kenmerken heeft. Het ramptype 'Ongevallen in tunnels' omvat echter alle ongevallen die een gevaar opleveren voor degenen die in de tunnel aanwezig (kunnen) zijn. De voornaamste bedreiging komt echter voort uit het gevaar van brand en wordt veroorzaakt door op de eerste plaats de rook en de gevaarlijke stoffen die daarbij vrijkomen. De volgende soorten ongevallen staan hier centraal: - ongevallen in treintunnels met passagierstreinen; - ongevallen in autotunnels; - ongevallen in metro- en tramtunnels; - ongevallen en aanslagen op ondergrondse stations. Relatie met het vervoer van gevaarlijke stoffen door tunnels Het aspect van het vervoer van gevaarlijke stoffen (per spoor en per vrachtauto) door tunnels, wordt niet specifiek in deze Tab 4 Tunnels beschouwd. Ongevallen met gevaarlijke stoffen worden onder Tab 2 Gevaarlijke stoffen meegenomen. Onder die tab gaat het primair om de externe (on)veiligheid. Ongevallen met gevaarlijke stoffen in een tunnel kunnen echter voor de omgeving buiten een gevaar opleveren. Met name in de omgeving van het uiteinde van de tunnel. Dit aandachtspunt wordt onder Tab 2, gevaarlijke stoffen, meegenomen aangezien dit de externe veiligheid betreft. Indien het de interne (on)veiligheid in tunnels betreft dan wordt dit primair veroorzaakt door 'gewoon' brandgevaar. Aan het vervoer van gevaarlijke stoffen door verkeers- of autotunnels zijn overigens beperkingen gesteld. Welke beperking geldt, volgt uit de tunnelcategorie. Dit kan zijn I of II. LPG-tankwagens mogen door geen van beide; tankwagens met dieselolie mogen gebruik maken van beide categorieën. Voor tunnels van categorie I gelden minder beperkingen dan voor tunnels van categorie II. Bijvoorbeeld tankwagens met benzine mogen wel door 'categorie I' maar niet door 'categorie II'. Ongevallen in treintunnels die uitsluitend bestemd zijn voor goederenvervoer worden onder deze tab wel meegenomen, maar dan als 'gewoon tunnelongeval'. Het is duidelijk dat dan alleen het treinpersoneel is blootgesteld aan het interne risico. LRI-overige ramptypen, tab 04, versie 3.1 oktober 2007 pag 2 van 8

4.2 Selectie: de relevante tunnels In de Leidraad Maatramp gaat het bij tunnels vooral om het risico voor grote aantallen mensen (verkeerstunnel, metrotunnel, spoortunnel met reizigersverkeer). In de risicokaart worden echter ook de tunnels voor goederenverkeer geregistreerd. Selectiecriteria: Alle weg-, spoor-, tram- en metrotunnels langer dan 250 m. Dit betreft tunnels voor gemotoriseerd verkeer met een overdekte lengte van minimaal 250 m. Het lengtecriterium is ontleend aan de (ontwerp)tunnelwet, aangenomen dat in de definitieve wet dit criterium inderdaad wordt aangehouden. 4.3 Informatiebronnen Specifieke informatie over de tunnels zelf is verkrijgbaar bij de beheerders. In het algemeen kunnen de volgende informatiebronnen worden aangewezen: - Verkeerstunnels: RWS, bij de betreffende regionale Directie, bij het Steunpunt Tunnelveiligheid (Hoofddirectie Den Haag) of de Bouwdienst (Utrecht); - Spoortunnels: ProRail (voorheen: NS-RIB), Railned Capaciteitsmanagement, Utrecht; Inspectie V&W, Divisie Rail - Tram- en metrotunnels: Gemeentelijk vervoersbedrijf Inspectie V&W, Divisie Rail. Algemene gegevens en informatie over vergunningen en de hulpverlening bij rampen en ongevallen bij die tunnels is (bovendien) verkrijgbaar bij de betrokken Gemeente(n) en de brandweer. 4.4 Basisinformatie De gegevens die over deze objecten in de database van de risicokaart (kunnen) komen, zijn vermeld in figuur 4.1. LRI-overige ramptypen, tab 04, versie 3.1 oktober 2007 pag 3 van 8

Basisinformatie over Tunnels Attribuut Type tunnel typering van het object (4 typen): spoortunnel, tramtunnel, metrotunnel, verkeerstunnel Tunnelcategorie spoor tram Metro verkeers/auto - goederen - - Zie figuur 4.2: - reizigers - cat I - beide - cat II Ondergronds station? j/n j/n j/n - Naam Naam van de tunnel (volgens een door de gebruiker aan te geven format) Locatie Een geo-gepositioneerde lijn op- of ingeven Voor tunnels die uit verschillende buizen bestaan wordt daarbij de hartlijn van het traject aangehouden. Dus de buizen worden niet afzonderlijk op de risicokaart weergegeven. Lengte van de tunnel Lengte van het overdekte deel van de tunnel in meters Vermelding op de Ja / nee. Ja indien wordt voldaan aan de criteria van par. 4.2 kaart*1 Beheerder Desgewenst gegevens van Beheerder van het object, zie Tab 0, bijlage A *1 = Oerking: objecten die de (gemeente)grens overschrijden worden in zijn geheel op de kaart vermeld. Figuur 4.1: van de basisinformatie omtrent tunnels De categorie-indeling van de huidige Nederlandse verkeerstunnels is: Categorie I (verkeerstunnels) Beneluxtunnel Coentunnel Drechttunnel Noordtunnel Vlaketunnel Westerscheldetunnel Wijkertunnel Zeeburgertunnel Categorie II (verkeerstunnels) Botlektunnel Heinenoordtunnel IJtunnel Kiltunnel Maastunnel Piet Heintunnel Velsertunnel Figuur 4.2: Categorie-indeling van verkeerstunnels (Wegenverkeerswet) 4.5 Informatie over het gebruik In het datamodel van de Modelrisicokaart is enige informatie opgenomen over de intensiteit van het gebruik van de betreffende tunnel(s) 1. Desgewenst kan men in provinciale databestand aanvullende informatie opnemen. De in het datamodel opgenomen gegevens over het gebruik zijn weergegeven in figuur 4.3. 1 Dit is een kleine aanvulling op PRK-81 welke in het Functioneel Ontwerp wordt meegenomen. LRI-overige ramptypen, tab 04, versie 3.1 oktober 2007 pag 4 van 8

Attribuut v Aantal passages/jaar Gebruiksinformatie over Tunnels Het gaat hier om het aantal passages per jaar, opgeteld voor beide richtingen, respectievelijk alle buizen samen, en wel als volgt: - reizigerstreinen: aantal gehele treinen per jaar (zie dienstregeling) - goederentreinen: totaal gehele treinen per jaar (evt. schatting Railned) - trams: aantal tramstellen per jaar (zie evt. de dienstregeling) - metro aantal metrostellen per jaar (zie evt. de dienstregeling) - verkeerstunnels: aantal motorvoertuigen per jaar. Bij gemengd gebruik: de aantallen optellen (bijvoorbeeld voor treinen, trams en metro's) Goederenvervoer per jaar Aantal reizigers per jaar (niet van toepassing voor tram- en metrotunnels) - verkeerstunnels: aantal vrachtwagens per jaar (schatting beheerder) Het gaat hier om het aantal reizigerspassages per jaar, opgeteld voor beide richtingen, respectievelijk alle buizen samen, en wel als volgt: - reizigerstreinen: aantal reizigers per jaar - goederentreinen: pro forma: een persoon per trein X aantal treinen/jaar - tram: aantal reiziger per jaar - metro aantal reizigers per jaar - verkeerstunnels: evt schatting uit het aantal motorvoertuigen per jaar Figuur 4.3: van gebruiksinformatie over tunnels 4.6 Risico-informatie Met deze titel wordt gedoeld op attribuutinformatie die bij het object kan worden opgenomen over de omvang van het risico. Daarbij wordt vooral gedacht in termen van een mogelijke omvang in termen van slachtoffers en hulpbehoefte. Bij de systematiek hiervan wordt voor zover mogelijk aangesloten bij de systematiek van de Leidraad Maatramp. Het zal duidelijk zijn dat in dit geval echter sprake is van een benadering die meer objectspecifiek is. Dit kan tot enige verschillen aanleiding geven met de meer globale aanpak van de Leidraad Maatramp. De gegevens zijn weergegeven in figuur 4.4. De cijfers zijn ontleend aan met name het tabellenboek LMR, versie 2.1. Enkele cijfers daaruit zijn hier afgerond. Ter indicatie is aangegeven wat de gevolgen van een eventueel groot ongeval zouden kunnen zijn. Deze risico-informatie bevat echter geen nadere aanwijzingen over de ongevalskans, laat staan de kans op een rampzalig ongeval. Wel kan men globaal uit de gebruiksinformatie (zie paragraaf 4.5) afleiden dat er sprake is van een behoorlijke gebruiksgraad. Per gebruikseenheid is in het algemeen sprake van een lage ongevalskans. LRI-overige ramptypen, tab 04, versie 3.1 oktober 2007 pag 5 van 8

De gebruiker wordt geacht te toetsen of de onderstaande algemene indicaties in het specifieke geval bruikbaar zijn. Mogelijk is in (bijvoorbeeld) een rampbestrijdingsplan meer toegespitste informatie te vinden. Attribuut Aantal Aanwezigen Risico-informatie bij Tunnels Het potentieel aantal personen dat in 1 tunnelbuis aanwezig kan zijn, bijvoorbeeld bij een opstopping in een verkeers- of metrotunnel indien dat gezien het gebruik redelijkerwijs mogelijk is. Bij verschillende buizen: het hoogste aantal nemen. Bij ondergrondse stations: eventueel aantal aanwezigen daar meetellen, maar er van uitgaan dat de buizen verder gescheiden zijn (dus verder niet optellen van de cijfers van de verschillende buizen) Bijdrage maatscenario De bijdrage van het object aan het LMR-scenario (I V), zie figuur 4.5 Aantal slachtoffers Maatrampscenario (indicatie) I II III IV V Detaillering GHOR bron: LMR, versie 1.3 Gewonden (T1+T2) + doden 25 50 100 150 250 Algemene indicaties: Aantal gewonden (T1+T2+T3): 50 100 200 300 500 Percentage T1+T2: 40% 40% 40% 40% 40% Gewonden met mechanisch letsel: 60% 60% 60% 60% 60% Gewonden met chemisch letsel: 60% 60% 60% 60% 60% Gewonden met thermisch letsel: 60% 60% 60% 60% 60% Hulpvraag Brw bron: tabellenboek LMR, versie 2.1 Algemene indicaties: Te bevrijden T1-slachtoffers: Aantal te redden personen: Tankautospuiten (blussing 1e uur): 6 60 2 12 65 3 24 80 4 36 95 4 60 125 5 Hulpvraag Politie bron: tabellenboek LMR, versie 2.1 Algemene indicaties: Aanwezige personen (en kijkers) Aantal ordeverstoorders Aantal af te zetten punten 2 Aantal te identificeren doden Aantal te begeleiden voertuigen 250 (15). 5 40 500 (20) 10 50 1000 (30) 20 75 1500 (40) 30 100 2500 (60) 50 150 Hulpvraag Overig bron: tabellenboek LMR, versie 2.1 Algemene indicaties: Aantal verslaggevers Aantal te informeren huishoudens Aantal bellers waarvan verwanten 50-625 63 60-1250 125 70-2500 250 70-3750 375 90-6250 625 Figuur 4.4: Overzicht van risico-informatie omtrent tunnels die op de risicokaart komen De bijdrage aan het maatscenario uit de Leidraad Maatramp volgt uit de onderstaande tabel uit de leidraad Maatramp (versie 1.3), zie figuur 4.5. 2 Dit aantal is inde specifieke situatie veel beter in te schatten dan deze indicatie; bron: politie. LRI-overige ramptypen, tab 04, versie 3.1 oktober 2007 pag 6 van 8

Ongevallen in tunnels Treintunnel, uitsluitend voor goederenvervoer korter dan 250 meter minstens 250 meter en korter dan 1 kilometer Autotunnel (verkeerstunnel), treintunnel, tramtunnel korter dan 250 meter minstens 250 meter en korter dan 1 kilometer o tussen 1 en 2 kilometer o en tussen 2 en 4 kilometer o en tussen 4 en 6 kilometer o en langer dan 6 kilometer Metrotunnel geen metro metrotunnel ongeacht lengte (evt. medegebruik tram) Bijdrage Maatscenario*1 mits aantal aanwezigen - (gering) - 3 (gering) - I II III IV V - III (gering) >100 >200 >300 >500 >700 - >300 *1 = Oerking: voor objecten die de gemeentegrens overschrijden is in de invoermodule de mogelijkheid opgenomen om aan te geven dat het onderdeel uitmaakt van een groter geheel. Figuur 4.5: Bepaling van 'Bijdrage maatscenario' LMR (versie 1.3), met als bodemcriterium een lengte van 250 m De gegevens uit figuur 4.5 zijn indicatief. Indien er specifieke omstandigheden zijn die een betere indicatie mogelijk maken, dan verdient dat de voorkeur. 4.7 Planinformatie In verband met eventuele ongevallen in de/een tunnel kan een combinatie van verschillende operationele plannen aan de orde zijn (zie figuur 4.6): - Rampbestrijdingsplan (bron: gemeente); - Calamiteitenplan: bron: beherende Directie van RWS - Coördinatieplan: bron: o.a. de Regionale brandweren - Aanvalsplan: bron: Plaatselijke brandweer (brandweren) - Ontruimingsplan: bron: beheerder (niet van toepassing bij RWS-tunnels) - Gebruiksvergunning: Gemeente(n) en plaatselijke brandweer/ brandweren. Er kunnen wettelijke regels zijn voor bepaalde planvormen (zoals een calamiteitenplan voor de RWS); voor andere planvormen is de noodzaak veelal een uitvloeisel van plaatselijk beleid. Dan is dat op grond van gemeentelijke bevoegdheden eveneens een verplichte planvorm. Vanwege het voorgaande wordt in het systeem de mogelijkheid gegeven op te geven of de betrokken planvorm 'Verplicht' is, 'niet verplicht' of 'Nader te bepalen'. Indien een bepaald soort plan aanwezig is, dan volgen enige vragen om dit nader aan te duiden. Hiervoor wordt het volgende systeem benut (zie figuur 4.7). 3 In dit geval i.h.a. slechts enkele slachtoffers binnen de tunnel te verwachten. LRI-overige ramptypen, tab 04, versie 3.1 oktober 2007 pag 7 van 8

Attribuut Rampbestrijdingsplan verplicht? aanwezig? datum referentie Calamiteitenplan verplicht aanwezig datum referentie Coördinatieplan verplicht aanwezig datum referentie Aanvalsplan verplicht aanwezig datum referentie Ontruimingsplan verplicht aanwezig datum referentie Gebruiksvergunning: verplicht aanwezig datum referentie Mogelijke Planinformatie over Tunnels Gegevens van een eventueel aanwezig/gewenst RB-plan j/n/nader te bepalen j/n datum van het plan (laatste revisie) referentie naar het plan (zie figuur 4.7) j/n/nader te bepalen j/n datum van het plan (laatste revisie) referentie naar het plan (zie figuur 4.7) Mogelijk van toepassing wanneer er geen RB-plan is j/n/nader te bepalen j/n datum van het plan (laatste revisie) referentie naar het plan (zie figuur 4.7) j/n/nader te bepalen j/n datum van het plan (laatste revisie) referentie naar het plan (zie figuur 4.7) j/n/nader te bepalen j/n datum van het plan (laatste revisie) referentie naar het plan (zie figuur 4.7) (vergunning op basis van de Bouwverordening en incidenteel de BBV) j/n/nader te bepalen j/n datum vergunning (laatste revisie) referentie van de vergunning (zie figuur 4.7) Figuur 4.6: Overzicht van planinformatie bij tunnels Voor het aanduiden (referentie) van een bepaald plan wordt het in figuur 4.7 aangegeven systeem gehanteerd. De referentie van het plan kan een link zijn. Attribuut Referentie-informatie bij diverse planvormen en vergunningen Referentie naam dienst plaatsnaam naam of ref.nr. van het plan Figuur 4.7: Stramien voor het opgeven van referentie-info bij een bepaald plan LRI-overige ramptypen, tab 04, versie 3.1 oktober 2007 pag 8 van 8

5 Vliegvelden e.d. Inhoud 5.1 Inleiding... 2 5.2 Selectie van de relevante vliegvelden en terreinen... 2 5.3 Informatiebronnen... 3 5.4 van de basisinformatie... 4 5.5 van de gebruiksinformatie... 5 5.6 van de risico-informatie... 6 5.6.1 Zone-1-gebied... 7 5.6.2 Contouren Plaatsgebonden Risico... 8 5.6.3 Bijdrage maatscenario... 9 5.7 Planinformatie... 9 Verklaring van de tabellen Attribuut Attribuutnaam Attribuutnaam Attribuutnaam Attribuutnaam informatie over een object De grijsarcering van de attribuutnaam geeft aan dat dit veld 'verplicht' is. Dit houdt in: Indien er iets van het betreffende object wordt vermeld, dan in elk geval dit invullen. De zwarte balk in de eerste kolom geeft aan dat deze informatie op de publieke Risicokaart gepresenteerd wordt. Dat kan overigens in een heel andere vorm geschieden. Bijvoorbeeld: xy-coördinaten als een stip op de goede locatie. Deze informatie wordt op de publieke Risicokaart gepresenteerd indien aanwezig, maar behoeft niet te worden ingevuld. De grijsarcering van de attribuutnaam geeft aan dat dit veld 'verplicht' is. De witte kleuring in de eerste kolom echter duidt erop dat dit gegeven niet wordt getoond op de publieke Risicokaart. Dit soort verplichte gegevens heeft een essentiële functie in het databestand of de presentatievorm. Het gaat doorgaans om de meer technisch-inhoudelijke informatie die ook voor professioneel gebruik (de professionele Risicokaart) van belang kan zijn. Deze informatie wordt niet op de publieke Risicokaart gepresenteerd, en behoeft niet te worden ingevuld. Het gaat om informatie voor professioneel gebruik en wordt getoond op de professionele Risicokaart. met een zwart vakje in deze kolom wordt aangegeven dat de betreffende informatie bedoeld is voor weergave op de publieke Risicokaart. LRI-overige ramptypen, tab 05, versie 3.1 oktober 2007 pag 1 van 10

5.1 Inleiding Uit de Leidraad Maatramp blijkt dat vliegvelden en militaire oefenterreinen met vliegoperaties, een overwegende bijdrage leveren aan het ramptype 'Luchtvaartongevallen'. Om deze reden worden vliegvelden en deze oefenterreinen geregistreerd en vermeld op de risicokaart. Voor alle vliegvelden in Nederland is een zogenoemd LVL-maatscenario 1 vastgesteld. Dit scenario hangt direct samen met het grootste type vliegtuig dat van het terrein gebruik maakt. In analogie daarmee kunnen ook de oefenterreinen met vliegoperaties worden geclassificeerd en eventuele vliegvelden die zich kort over de (lands)grens bevinden. De gevolgen van een vliegtuigongeval hangen eveneens samen met de grootte van het betrokken vliegtuig. De Leidraad Maatramp (versie 1.3, BZK) gaat er van uit dat daarbij op de grond gebouwen getroffen kunnen worden. Het mogelijke aantal slachtoffers is dan ook groter dan het mogelijke aantal inzittenden van het vliegtuig. Als indicatie daarvoor geldt een verdubbeling van het aantal inzittenden. 5.2 Selectie van de relevante vliegvelden en terreinen In de risicokaart worden meegenomen: a. Vliegvelden waarvoor een zogenaamd LVL-maatscenario geldt. De LVL-scenario's variëren van 1 (klein) tot 9, afhankelijk van het grootste vliegtuig dat van de luchthaven gebruik maakt. b. Militaire (oefen)terreinen voor vliegtuigen en helikopters. Dit zijn terreinen waar geoefend wordt, analoog aan de typering van de vliegvelden. Voor buitenlandse vliegvelden in een grensstrook van maximaal 15 kilometer (conform Regeling provinciale risicokaart, Staatscourant 18 april 2007, nr.75) zou op basis van analogie een LVL-scenario moeten worden bepaald. Het betreffende LVL-scenario kan worden afgelezen in figuur 5.1. Voor militaire oefenterreinen waar geregeld vliegbewegingen plaatsvinden, gelden de volgende indicaties: - vliegoperaties met jachtvliegtuigen: LVL-scenario 1 - vliegoperaties met chinookhelikopters e.d.: LVL-scenario 5 - vliegoperaties met kleinere helikopters: maximaal LVL-3. Op analoge wijze kunnen de selectiegegevens worden afgeleid voor een vliegshow die niet op een van de hiervoor bedoelde terreinen wordt gegeven. 1 LVL = Leidraad Vliegtuigongevallenbestrijding op Luchtvaartterreinen, BZK, 1997. LRI-overige ramptypen, tab 05, versie 3.1 oktober 2007 pag 2 van 10

In Nederland gaat het om de volgende vliegvelden (figuur 5.1): Aard luchtvaartterrein Gemeenten en naam luchtvaartterrein Maatscenario LVL Brandrisicoklasse Nationaal luchtvaartterrein Haarlemmermeer (Amsterdam Airport Schiphol) 9 9 Regionaal luchtvaartterrein Militair luchtvaartterrein met structureel burgermedegebruik Militair luchtvaartterrein met incidenteel burgermedegebruik Beek (Maastricht-Aachen Airport) 7 7 Eelde/Vries (Groningen Airport Eelde) 6 3 (opschaling tot 5) Rotterdam (Rotterdam Airport) 6 6 Den Helder (De Kooy) 5 4 (opschaling tot 6) Enschede/Weerselo (Twenthe) 6 6 Eindhoven (Eindhoven Airport) 7 8 Gilze Rijen (Gilze Rijen) 2 Geen indeling Leeuwarden (Leeuwarden) 1 Geen indeling Soest/Zeist (Soesterberg) 5 Geen indeling Katwijk/Valkenburg/Wassenaar (Valkenburg) 5 Geen indeling Uden (Volkel) 1 Geen indeling Woensdrecht (Woensdrecht) 1 Geen indeling Militair luchtvaartterrein Ede/Arnhem (Deelen) 5 Geen indeling Klein civiel luchtvaartterrein Lelystad (Lelystad) 1 of 2 1 of 2 Ameland (Ameland) 1 of 2 1 of 2 Cranendonk (Kempen Airport) 1 of 2 1 of 2 Smallingerland (Drachten) 1 of 2 1 of 2 Hilversum (Hilversum) 1 of 2 1 of 2 Hoogeveen (Hoogeveen) 1 of 2 1 of 2 Middelburg (Midden Zeeland) 1 of 2 1 of 2 Noordoostpolder (Noordoostpolder) 1 of 2 1 of 2 Texel (Texel) 1 of 2 1 of 2 Halderbergen (Seppe) 1 of 2 1 of 2 Voorst (Teuge)] 1 of 2 1 of 2 Bron: Leidraad vleigtuigongevallenbestrijding op luchtvaartterreinen Ministerie van BZK, Den Haag, 1997 Figuur 5.1: Nederlandse vliegvelden die op de risicokaart worden vermeld (naast de militaire oefenlocaties met vliegbewegingen) 5.3 Informatiebronnen Deze Leidraad bevat reeds veel van de informatie die nodig is over de objecten die hier centraal staan: vliegvelden en militaire terreinen met vliegoperaties. Voor elk object moet (voor zover mogelijk en relevant) nog de geografische positie van de start- en landingsbanen worden bepaald. Wenselijk (optioneel) is een indicatie van gebruiksgegevens van het vliegveld, zoals het jaarlijkse aantal vliegbewegingen en het reizigersverkeer. Voor dit soort gegevens is de luchthaven zelf de primaire bron, mogelijk zijn er reeds openbare publicaties waarin de betrokken gegevens zijn te vinden. Voor enkele grote vliegvelden (Schiphol, 'Beek', 'Rotterdam' en 'Eelde') is aanvullende informatie gewenst over risicocontouren. Informatiebronnen hiervoor zijn het betrokken vliegveld, de Rijksluchtvaartdienst en eventuele openbare rapporten van bijvoorbeeld het NLR en andere instituten die voor luchthavens risicocontouren berekenen 2. 2 Bijvoorbeeld: Groepsrisicoberekeningen 'Schiphol 2003', Versie 2; NRL, maart 2003, i.o.v. het Ministerie van VROM. LRI-overige ramptypen, tab 05, versie 3.1 oktober 2007 pag 3 van 10

In de volgende paragrafen worden de gegevens besproken die moeten of kunnen worden ingevoerd in het databestand van een provinciale risicokaart die volgens de Modelrisicokaart is opgezet. 5.4 van de basisinformatie De gegevens die over vliegvelden en oefenterreinen met vliegoperaties in de database van de risicokaart (kunnen) komen zijn vermeld in figuur 5.2. Basisinformatie over Vliegvelden en oefenterreinen met vliegoperaties Attribuut Type object Typering van het object, naar de aard van het luchtvaartterrein, zie kolom 1 van figuur 5.1 (6 typen) + 2 typen als volgt: - Zie de eerste kolom van figuur 5.1, plus: - militair oefenterrein met vliegbewegingen (voor oefenlocaties) - luchtshows op overige locaties. Op basis hiervan (j/n militair) wordt automatisch het kaartsymbool bepaald Naam Naam van het vliegveld, vlieg(tuig)oefenterrein of luchtshowlocatie (adresgegevens) Locatie Adresgegevens zijn in dit geval niet van toepassing, zie evenwel bij Beheerder. Voor luchtshows kan een periode worden gespecificeerd, waarin ze op de risicokaart worden vermeld, zie Tab 0, bijlage A Overigens de normale basisgegevens van objecten zie Tab 0, bijlage A een geo-gepositioneerd vlak dat bestaat uit het gehele terrein (terreingrens) Vermelding op de kaart Beheerder Ja indien is voldaan aan de criteria van par. 5.2 Desgewenst gegevens van Beheerder van het object, zie Tab 0, bijlage A Figuur 5.2: van de basisinformatie omtrent luchtvaartterreinen De geografische locatie van een luchthaven is gebaseerd op de terreingrens. Daarvan wordt afhankelijk van het gekozen schaalniveau van de weergave (inzoomniveau van de kaartpresentatie) één van de volgende symbolen gepresenteerd: 1. (uitgezoomd) een puntsymbool met vliegtuigicoon (civiele of militaire versie); 2. (ingezoomd) de terreingrens. LRI-overige ramptypen, tab 05, versie 3.1 oktober 2007 pag 4 van 10

Attribuut Aantal Vliegbewegingen/jaar Aantal Personen/jr Infobron 5.5 van de gebruiksinformatie In het datamodel van de Modelrisicokaart is enige informatie opgenomen over de intensiteit van het gebruik van de beschouwde vliegvelden e.d. In figuur 5.3 is beschreven welke informatie kan worden ingevoerd over het gebruik van het vliegveld. De beheerder van het veld is de geëigende bron voor deze informatie. Gebruiksinformatie over vliegvelden e.d. Aantal vliegbewegingen (starts+landingen, passages) per jaar Totaal aantal in+uitgaande reizigers per jaar (in duizenden of miljoenen) Bron + jaartal van deze gebruiksinformatie van het vliegveld LVL-scenario Het betreffende LVL-scenario, conform figuur 5.1 Grootste vliegtuig Grootste (romp+rotor) lengte (m) Grootste rompdiameter (m) Deze gegevens volgen uit het LVL-scenario respectievelijk de brandklasse zoals weergegeven in figuur 5.4. (..) Een eerste invulling (voorstel) kan eventueel automatisch worden bepaald aan de hand van de figuur 5.5 Figuur 5.3: van gebruiksinformatie over vliegvelden e.d. Figuur 5.4 geeft aan hoe in het algemeen uit het opgegeven LVL-scenario kan worden afgeleid wat de grootste maat vliegtuigen is die van het veld gebruik zouden kunnen maken. Deze informatie geldt voor vliegvelden en strikt genomen niet voor oefenterreinen die geen of geen officiële landingsbaan hebben. LVLscenario Indeling vliegtuigen en heli's (in meters) romplengte rompdiameter (evt. romp+rotor+staart) Brandklasse 1 1 0-9 2 2 2 9-12 2 3 3 12 18 3 4 4 3 18 24 4 5 5 24 28 4 6 6 28 39 5 7 7 39 49 5 8 8 49 61 7 9 9 61-76 7 Figuur 5.4: Vertaling van LVL-categorie in 'grootste maat vliegtuigen' die in het algemeen (maar niet in alle gevallen) van toepassing is 3 Brandklasse 3 en 4 verschillen naast de genoemde cijfers, ook in het oppervlak van de eventueel te bestrijden vloeistofbrand. LRI-overige ramptypen, tab 05, versie 3.1 oktober 2007 pag 5 van 10

5.6 van de risico-informatie Met deze titel wordt gedoeld op informatie die bij het object kan worden opgenomen over de omvang van het risico. In figuur 5.5 is vermeld welke gegevens het betreft. In het kort gaat het om: a. Zone-1-gebied: gebied waarin naar verwachting 75% van de ongevallen gebeurt (optioneel); b. Contouren van het plaatsgebonden risico rond de luchthaven (optioneel); c. Informatie over maatrampscenario's (verplicht); d. De hulpvraag bij het maatscenario van een vliegramp (optioneel). Deze onderdelen van de risico-informatie worden achtereenvolgens besproken. Risico-informatie bij vliegvelden e.d. Attribuut Zone-1 gebied (contour, rechthoek of 'ster'; zie 5.6.1) Contour Plaatsgebonden een geo-gepositioneerde polygoon, indien beschikbaar Risico 10-5 Contour Plaatsgebonden een geo-gepositioneerde polygoon, indien beschikbaar Risico 10-6 Contour Plaatsgebonden een geo-gepositioneerde polygoon, indien beschikbaar Risico 10-7 Contour Plaatsgebonden een geo-gepositioneerde polygoon, indien beschikbaar Risico 10-8 Bron PR-contouren Bronvermelding en datering van Zone-1 en de PR-contouren Bijdrage maatscenario De bijdrage van het object aan het LMR-scenario (I V), zie figuur 5.7 Indicatie mogelijk aantal slachtoffers 4 Onderstaande cijfers zijn alleen van toepassing bij neerstorting op woonwijk (anders het maximaal aantal inzittenden, zie LVL) Maatrampscenario (indicatie) - I II III IV V Gewonden (T1+T2) + doden 30 75 225 450 750 Detaillering GHOR bron: LMR, versie 1.3 Algemene indicaties: Aant. gewonden (T1+T2+T3): Hulpvraag Brw bron: tabellenboek LMR, versie 2.1 Hulpvraag Politie bron: tabellenboek LMR, versie 2.1 % T1+T2: Algemene indicaties: Te bevrijden T1-slachtoffers: Aantal te redden personen: Tankautospuiten (1e uur): Algemene indicaties: Aantal te identificeren doden Aantal te begeleiden voert.'n - 20 50% 3 15 6 20 50 60 50% 9 40 7 45 75 180 50% 27 125 10 135 150 360 50% 54 250 14 270 260 750 40% 90 410 20 450 410 Hulpvraag Overig bron: tabellenboek LMR, versie 2.1 Algemene indicaties: Aantal verslaggevers Aantal bellers waarvan verwanten 40 50 3200 75 60 6125 190 90 15000 560 130 30500 1100 190 50000 1900 Figuur 5.5: Overzicht van risico-informatie omtrent vliegvelden e.d. 4 Deze cijfers gaan uit van een vliegtuigongeval boven bewoond/bebouwd gebied. Indien dat niet aan de orde is, moet enkel het mogelijk aantal inzittenden worden vermeld en vervallen de meeste verdere indicaties. LRI-overige ramptypen, tab 05, versie 3.1 oktober 2007 pag 6 van 10

Op basis daarvan wordt een standaard zone (zone-1) bepaald. Deze zone wordt op de aangeven cartografische wijze op de kaart geprojecteerd. Voor een vliegveld met 1 baan is de bepaling van zone-1 in figuur 5.6 weergegeven. Voor een vliegveld met meer banen ontstaat door het samenvoegen van de zones een soort sterfiguur. 5.6.1 Zone-1-gebied De Leidraad Vliegtuigongevallenbestrijding op luchtvaartterreinen 5 maakt gebruik van de indeling in zones. Op basis van historische gegevens van de luchtvaartongevallen ter plaatse kan een zone worden bepaald waarin ca 75% van deze ongevallen heeft plaatsgevonden. Deze zone wordt het zone-1-gebied genoemd. (..) Dit gebied kan specifiek voor een vliegveld worden Dit leidt dan tot en contourachtige figuur, met uitstulpingen in het verlengde van de startbaan (of startbanen). De term Zone-1-gebied moet niet worden verward met 'beperkingsgebied'. Deze term wordt gebruikt in het Luchthavenindelingsbesluit. Een beperkingsgebied is een gebied waar met het oog op de veiligheid en geluidsbelasting beperkingen noodzakelijk zijn geacht ten aanzien van de bestemming of het gebruik van de grond. Welke beperkingen dit zijn is vooral van belang voor Ruimtelijke ordeningsvraagstukken. Het is (nog) niet relevant geacht voor verplichte opname op de (publieke) Risicokaart. Wanneer specifieke informatie ontbreekt, kan ter indicatie van het gebied waar 75% van de ongevallen plaatsvinden het gebied worden genomen 6 dat begrensd wordt door lijnen op 150 m ter weerszijden van de as van de baan (en zijn verlengde), en stoplijnen die op een kilometer van de uiteinden van de baan liggen. Zie ook figuur 5.6. De zone -2 in de figuur omvat het gebied waarin 85% van de ongevallen plaatsvindt. Deze zone is niet relevant voor de Risicokaart. Voor oefenlocaties waar geen start-/landingsbaan is gedefinieerd, wordt voorlopig een 'zone-1' neergelegd van 300 meter in het vierkant. Indien specifieke gegevens bekend zijn voor het 75%-gebied, dan worden die gebruikt. 5 6 Zie Leidraad Vliegtuigongevallenbestrijding op luchtvaartterreinen, BZK 1997 Zie bijvoorbeeld: Groepsrisicoberekeningen 'Schiphol 2003', Versie 2: NRL, maart 2003 i.o.v. het Ministerie van VROM. LRI-overige ramptypen, tab 05, versie 3.1 oktober 2007 pag 7 van 10

Figuur 5.6: Indicatieve benadering van zone-1. Deze zone staat indicatief voor het gebied waar bij vliegvelden in het algemeen ongeveer 75% van de ongevallen optreedt. 5.6.2 Contouren Plaatsgebonden Risico Van de grote Nederlandse luchthavens zijn risicocontouren berekend. Deze hangen samen met onder andere de intensiteit van het vliegverkeer. Bijvoorbeeld het NLR heeft risicocontouren voor een aantal situaties bepaald. Informatie hierover kan worden ingewonnen bij de luchthaven respectievelijk de gemeente. De risicocontouren kunnen in de praktijk alleen afzonderlijk worden ingevoerd in een databestand met GIS-informatie. Dit betekent dat de contouren als gedigitaliseerde geografische informatie in een bestand moeten worden aangeboden. Dat kan (volgens het FO van de Model-risicokaart) in de volgende formaten: - voor de Arcview-lijn: Shape-bestanden; - voor de Mapinfo-lijn: MIT- + MIF-bestanden; - algemeen/overig: GML-bestanden. Ook de gegevens (referentie) van PR-contouren wordt in de database genoteerd. Figuur 5.7: Een voorbeeld van berekende contourlijnen voor het 75%-gebied, dus voor zone-1 LRI-overige ramptypen, tab 05, versie 3.1 oktober 2007 pag 8 van 10

5.6.3 Bijdrage maatscenario In de Leidraad Maatramp is een klassering gegeven voor de omvang van het scenario, rekening houdend met het feit dat een vliegtuig ook op bebouwing kan neerstorten. De klassering is in termen van een Romeinse I V, hetgeen kan worden vertaald naar gegevens over de omvang en de hulpbehoefte bij het ongeval. In figuur 5.8 is de vertaling gegeven naar het maatscenario van de Leidraad Maatramp. Dit maatrampscenario bepaalt op de in figuur 5.5 aangegeven wijze de indicatie van de hulpvraag. De cijfers hierin zijn ontleend aan met name het tabellenboek LMR, versie 2.1. Enkele cijfers daaruit zijn hier afgerond. In het maatrampscenario zijn de slachtoffers van een woonwijk waarin minstens 70 personen per hectare woonachtig zijn reeds meegewogen. Indien geen sprake is van een situatie waarin zone-1 over een woonwijk valt, dan kan er van worden uitgegaan dat het maatrampscenario zoals weergegeven in figuur 5.5 een trede lager moet worden ingeschat. Dit betekent afhankelijk van het maatrampscenario indicatief een halvering tot een derde van het aantal slachtoffers. LVL-scenario Bijdrage Maatscenario LMR*1 1-2 - 3-4 I 5 II 6 III 7 IV 8 IV 9 V *1: mits zone-1 over een woonwijk valt; indien hiervan geen sprake is zie bovenstaande toelichting in paragraaf 5.6.3 Figuur 5.8: Vertaling van LVL-scenario naar het maatscenario voor luchtvaartongevallen op en in de omgeving van het vliegveld of terrein 7. 5.7 Planinformatie In verband met eventuele ongevallen op of bij een vliegveld kan een combinatie van verschillende operationele voorzieningen aan de orde zijn: (zie figuur 5.9) - Een luchthavenbrandweer (bron: LVL); - Rampbestrijdingsplan (bron: LVL en de gemeente); - Coördinatieplan (bron: o.a. de Regionale brandweren); - Aanvalsplan (bron: plaatselijke brandweer/brandweren); - Ontruimingsplan (bron: beheerder (luchthavengebouw)). Er kunnen wettelijke regels zijn voor bepaalde planvormen (rampbestrijdingsplannen bijvoorbeeld), voor andere planvormen is de noodzaak veelal een uit- 7 Bron Leidraad Maatramp, versie 1.3. LRI-overige ramptypen, tab 05, versie 3.1 oktober 2007 pag 9 van 10

vloeisel van plaatselijk beleid. Dan is dat op grond van betrokken wetgeving een verplichte planvorm. Vanwege het voorgaande wordt in het systeem de mogelijkheid gegeven op te geven of de betrokken planvorm 'Verplicht' is, 'Niet verplicht' of 'Nader te bepalen'. Indien een bepaald soort plan aanwezig is, dan volgen enige vragen om dit plan nader aan te duiden. Hiervoor wordt het in figuur 5.10 aangegeven systeem benut. Attribuut Luchthavenbrandweer verplicht? aanwezig? Rampbestrijdingsplan verplicht aanwezig datum referentie - Coördinatieplan verplicht aanwezig datum referentie - Aanvalsplan verplicht aanwezig datum referentie - Ontruimingsplan verplicht aanwezig datum referentie Mogelijke Planinformatie over Vliegvelden e.d. ja bij LVL-scenario van 3 en hoger, en bij bijna alle militaire velden j/n (bron gemeentebrandweer, luchthaven) Gegevens van een eventueel aanwezig/gewenst RB-plan j/n/nader te bepalen (wettelijk: ja LVL-scenario van 3 en hoger) j/n (bron: gemeente) datum van het plan (laatste revisie) referentie naar het plan (zie figuur 5.10) Mogelijk van toepassing wanneer er geen RB-plan is j/n/nader te bepalen j/n datum van het plan (laatste revisie) referentie naar het plan (zie figuur 5.10) j/n/nader te bepalen (bron: brandweer) j/n datum van het plan (laatste revisie) referentie naar het plan (zie figuur 5.10) j/n/nader te bepalen j/n datum van het plan (laatste revisie) referentie naar het plan (zie figuur 5.10) Figuur 5.9: Overzicht van planinformatie bij vliegvelden Voor het aanduiden (referentie) van een bepaald plan wordt het in figuur 5.10 aangegeven systeem gehanteerd. De referentie van het plan kan een link zijn. Attribuut Referentie-informatie bij diverse planvormen en vergunningen Referentie naam dienst plaatsnaam naam of ref.nr. van het plan Figuur 5.10: Stramien voor het opgeven van referentie-info bij een bepaald plan LRI-overige ramptypen, tab 05, versie 3.1 oktober 2007 pag 10 van 10

6 Waterwegen en water(sport)gebieden Inhoud 6.1 Inleiding... 2 6.2 Selectie: de hier relevante wateren en waterwegen... 2 6.3 Informatiebronnen... 3 6.4 Basisinformatie... 4 6.5 Informatie over het gebruik... 5 6.6 Risico-informatie... 7 6.7 Planinformatie... 8 Verklaring van de tabellen Attribuut Attribuutnaam Attribuutnaam Attribuutnaam Attribuutnaam informatie over een object De grijsarcering van de attribuutnaam geeft aan dat dit veld 'verplicht' is. Dit houdt in: Indien er iets van het betreffende object wordt vermeld, dan in elk geval dit invullen. De zwarte balk in de eerste kolom geeft aan dat deze informatie op de publieke Risicokaart gepresenteerd wordt. Dat kan overigens in een heel andere vorm geschieden. Bijvoorbeeld: xy-coördinaten als een stip op de goede locatie. Deze informatie wordt op de publieke Risicokaart gepresenteerd indien aanwezig, maar behoeft niet te worden ingevuld. De grijsarcering van de attribuutnaam geeft aan dat dit veld 'verplicht' is. De witte kleuring in de eerste kolom echter duidt erop dat dit gegeven niet wordt getoond op de publieke Risicokaart. Dit soort verplichte gegevens heeft een essentiële functie in het databestand of de presentatievorm. Het gaat doorgaans om de meer technisch-inhoudelijke informatie die ook voor professioneel gebruik (de professionele Risicokaart) van belang kan zijn. Deze informatie wordt niet op de publieke Risicokaart gepresenteerd, en behoeft niet te worden ingevuld. Het gaat om informatie voor professioneel gebruik en wordt getoond op de professionele Risicokaart. met een zwart vakje in deze kolom wordt aangegeven dat de betreffende informatie bedoeld is voor weergave op de publieke Risicokaart. LRI-overige ramptypen, tab 06, versie 3.1 oktober 2007 pag 1 van 8

6.1 Inleiding Algemeen Onder het ramptype 'Ongevallen op water' worden grote ongevallen gerekend met: passagiersschepen op zee (brand, aanvaring, zinken of kapseizen); passagiersschepen of veerponten op binnenwater (brand, aanvaring, zinken of kapseizen); watersportgebieden met grote aantallen zeilers, surfers en andere watersporters (windhozen, plotselinge stormen); De betreffende watergebieden en vaarroutes kunnen op een kaart worden weergegeven. Ook het neerstorten van een vliegtuig in zee of groot open water wordt gerekend tot dit ramptype. In een dergelijk geval kan echter vooraf niet voldoende specifiek een gebied of locatie worden aangegeven. Relatie met het vervoer van gevaarlijke stoffen over water Het aspect van het vervoer van gevaarlijke stoffen over water wordt hier niet beschouwd. Ongevallen met gevaarlijke stoffen worden onder Tab 2 meegenomen. De vaarroutes waarlangs gevaarlijke stoffen worden vervoerd en routes voor passagiersschepen vallen gedeeltelijk samen. In de risicokaart worden beide soorten routes echter als verschillende objecten beschouwd. De risicokaart hanteert ook verschillende kaartsymbolen voor de weergave van deze beide aspecten. 6.2 Selectie: de hier relevante wateren en waterwegen In de Model-risicokaart worden de volgende locaties opgenomen waar mogelijk waterongevallen kunnen optreden: a. Vaarroutes voor schepen met minstens 25 opvarenden. Dit geldt op basis van het grootste schip dat er minstens 50 x per jaar (langs) komt. Kortom: Routes waarbij het grootste schip minstens 25 opvarenden heeft worden op de kaart afgebeeld. (minder wordt in de Leidraad Maatramp betiteld als standaard); b. Zeehavens voor schepen met minstens 25 opvarenden. Oftewel: op de risicokaart worden die passagiersterminals opgenomen waarvoor geldt dat het grootste schip (dat er minstens 50x per jaar aanmeert) minstens 25 opvarenden heeft. c. Watersportgebieden met meer dan 2000 ligplaatsen voor pleziervaartuigen in open binnenwater van meer dan 500 ha. Het genoemde aantal is op basis van het aantal ligplaatsen voor pleziervaartuigen in de directe omgeving. Bij een groot binnen- of getijdenwater 1 verdient het de voorkeur vaarroutes aan te geven; d. Wadlooproutes voor groepsgrootten van minimaal 25 personen. Dit geldt wanneer deze routes minstens 50 x (c.q. door minstens 50 groepen) worden gebruikt en waarbij een oversteek wordt gemaakt naar een plaat of een eiland. 1 Voorbeeld: de Waddenzee en de Westerschelde LRI-overige ramptypen, tab 06, versie 3.1 oktober 2007 pag 2 van 8

e. Aanlandingslocaties indien zij worden vermeld in een rampenplan, rampbestrijdingsplan, coördinatieplan of calamiteitenplan 2. Aanlandingslocaties zoals hier bedoeld zijn plaatsen waar slachtoffers aan land worden gebracht. Aanlandingsplaatsen kunnen gesitueerd zijn langs de kust of bij groot open water. Gegevens over aanlandingslocaties zijn primair van belang voor de afstemming tussen hulpverleningsdiensten. Zeehavens (c.q. passagiersterminals) kunnen ook worden vermeld omdat ze een natuurlijk aanlandingspunt vormen voor slachtoffers van eventuele scheepsrampen op zee 3. 6.3 Informatiebronnen Scheepvaartgegevens en scheepvaartroutes zijn bekend bij de Rijkswaterstaat (regionale directies en Directie Noordzee) en de Adviesdienst Verkeer en Vervoer de AVV van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat. Mogelijk is er ook geografische informatie over scheepvaartroutes aanwezig. Rijkswaterstaat beschikt over een GIS bestand met de coördinaten van de kilometerraaien langs de rivieren. Dit zijn referentiepunten die onder meer gebruikt worden om de plaats van een ongeval te bepalen. Voor zover de routes voor passagiersvaart samenvallen met vaarroutes voor gevaarlijke stoffen, kan wellicht die geo-informatie worden gekopieerd, bijvoorbeeld uit de RijksAtlas van het Vervoer van gevaarlijke stoffen over water (AVV), welke informatie in het RRGS beschikbaar komt. De locaties en vorm van de overige routes en gebieden moet op een of andere wijze (extern, of via interactieve invoer) worden gedigitaliseerd. Van puntlocaties (passagiersterminals, aanlandingslocaties) kunnen eventueel de coördinaten worden opgegeven of interactief worden aangewezen op een kaart in de invoermodule. Scheepvaartgegevens zijn in het algemeen verkrijgbaar bij de vaarweg- of waterbeheerder en de havenautoriteiten. Met name RWS heeft in veel gevallen tellingen van scheepvaartpassages (onder andere in IVS, waarbij de scheepvaart veelal wordt ingedeeld in 'DVK-categorieën'). Indien de registratie aan de hand van DVK-typen plaatsvindt, gaat het in dit geval om de in figuur 6.1 aangegeven scheepstypen. Aantallen opvarenden moeten daarvan in het algemeen handmatig met een schattingsregel (of toelichting door de vaarwegbeheerder) worden afgeleid. Aanlandingslocaties zijn voorbereide plaatsen voor de opvang van slachtoffers (..). In de Samenwerkingsregeling voor ongevallenbestrijding in het IJsselmeergebied 4 is in bijlage 3 een overzicht opgenomen van alle aanlandingsplaatsen in het 2 3 4 Er wordt onder andere door de samenwerkende GHOR-organisaties in Nederland en de Kustwacht gewerkt aan een lijst met voorbereide aanlandingslocaties. Deze locaties zouden uiteraard kunnen worden opgenomen op de Risicokaart. Hotelschepen die vast afgemeerd liggen moeten hier niet worden meegenomen. Deze behoren meegenomen te worden als kwetsbaar object in de betreffende hotelcategorie van Prevap (zie Tab 3). SAMEIJ-regeling juni 2001. Uitgave van ministerie van Verkeer en Waterstaat en de gemeenten gelegen in het IJsselmeer gebied (het IJsselmeer, het Markermeer, het Zwartemeer, de Gouwze, het LRI-overige ramptypen, tab 06, versie 3.1 oktober 2007 pag 3 van 8

IJsselmeergebied. Verder beschikt de GHOR van regio Noord-Holland Noord over een (interne) lijst 5 met aanlandingslocaties voor betreffende regio. Let bij het bepalen van locaties waar slachtoffers aan land worden gebracht op de de term 'aanlandingsplaats' met een andere betekenis. In de praktijk (bijvoorbeeld rampbestrijdingsplan Waterwegen van de drie in provincie Gelderland gelegen regio's) kan deze term ook staan voor (alleen) mogelijkheden om opstapbemanningen (brandweer) aan boord van politie- en RWS schepen te kunnen nemen. In termen van de LRI zijn dit alleen 'opstapplaatsen bemanning'. Relevante scheepscategorie DVK Omschrijving Geteld in het criterium van paragraaf 6.2 (25 personen of meer) 6 : nr. 44 Passagiersschip (ook veerboten en grote veerponten) nr. 85 Grote recreatievaart (o.a. chartervaart) : evt. type 48, 62 en 84 Vissersvaartuigen voor zover in groepscharter Overige passagiersvaart (ter informatie): nr. 80 motorjachten nr. 81 speedboten nr. 82 en 83 zeiljachten nr. 84 (kleine) sportvissersvaartuigen nr. 89 overige recreatievaart (w.o. kano's) Figuur 6.1: De betrokken DVK-scheepscategorieën De hulpverleningsdiensten en met name de Regionale Brandweren zullen in het kader van het project Maatramp in het algemeen al de nodige basisgegevens hebben verzameld over de hier relevante objecten. 6.4 Basisinformatie In de figuur 6.2 staat de basisinformatie van objecten met een relevant waterongeval risico weergegeven. 5 6 IJmeer en de Randmeren) Deze lijst met aanlandingslocaties is te raadplegen bij de GHOR van regio Noord-Holland Noord. Marinevaartuigen (nr. 68, niet uitgesplitst) worden niet meegeteld LRI-overige ramptypen, tab 06, versie 3.1 oktober 2007 pag 4 van 8

Attribuut Soort object Basisinformatie over open water en waterwegen typering van het object (5 soorten): vaarroute, zeehaven, watersportgebied, wadlooproute, aanlandingslocatie Naam Naam van het object (sub)type vaarroute zeehaven watersportgebied Locatie Een geo-gepositioneerde puntlocatie, lijn of vlak geen adresgegevens Vermelding op de kaart*1 lijn punt (passagiersterminals) wadlooproute aanlandingslocatie niet op de publiekskaart vlak lijn punt Ja / nee. Ja indien wordt voldaan aan de criteria van par. 6.2 Overige objecten kunnen wel in het databestand worden opgenomen Beheerder Desgewenst gegevens van Beheerder van het object, zie Tab 0, bijlage A *1 = Oerking: objecten die de (gemeente)grens overschrijden worden in zijn geheel op de kaart vermeld. Figuur 6.2: van de basisinformatie over water en waterwegen Aanlandingslocaties zijn plaatsen waar slachtoffers van een ramp op het water na berging/redding aan land kunnen worden gebracht voor georganiseerde opvang en (vervoer naar) een plaats voor geneeskundige behandeling. Veelal is er bij de GHOR een plan voor aanlandingslocaties. Dit plan dient te zijn afgestemd met de planning voor diensten die te water opereren. De RWS en/of de Kustwacht zal hierbij een centrale rol vervullen. Passagiersterminals in zeehavens kunnen soms ook als aanlandingslocatie dienen; ze worden met het zelfde kaartsymbool weergegeven. Het gaat in dit verband dus niet om een heel havengebied, maar om de locatie(s) waar geregeld grote passagiersschepen aanmeren. Deze locaties worden standaard op de publiekskaart getoond; de overige aanlandingslocaties alleen op de professionele kaart. 6.5 Informatie over het gebruik In het datamodel van de Model-risicokaart is enige informatie opgenomen over de intensiteit van het gebruik van de objecten. Desgewenst kan men in het provinciale databestand aanvullende informatie opnemen. De in het datamodel opgenomen gegevens over het gebruik van open water en waterwegen, zijn weergegeven in figuur 6.3 en maken onderscheid naar de aard van de objecten. LRI-overige ramptypen, tab 06, versie 3.1 oktober 2007 pag 5 van 8

Attribuut Passages/jr Gebruiksinformatie over Open water en waterwegen vaarroute zeehaven watersport- wadloop- aanl. gebied route locatie schepen/jr schepen/jr nvt groepen/jr nvt evt. naar evt. naar 25-50 opv. 25-50 opv. 50-300 opv. 50-300 opv. 300-900 opv. 300-900 opv. >900 opv. >900 opv. (zie tekst) (zie tekst) Personen personen/jr personen/jr personen op het water tijdens een topdag Infobron Bron en jaar van de info bij personen en passages/jr personen/jr Figuur 6.3 van gebruiksinformatie open water en waterwegen Gebruiksinformatie over Open water en waterwegen is in de praktijk vaak alleen aanwezig bij enkele havens en (schut)sluizen. Geacht wordt dat dit geen belemmering hoeft te zijn, een reële inschatting volstaat. Het gaat hier enkel om een indicatie. De uitsplitsing naar scheepstypen in aantal opvarenden (onder passages/jr in figuur 6.3) kan in het algemeen niet worden gemaakt met behulp van de (standaard)registraties van RWS. Indien de informatie echter beschikbaar is of eenvoudig verkrijgbaar, dan verdient het aanbeveling dit op te nemen. Dat is het geval omdat deze indeling in aantal opvarenden gebruikt wordt in de Leidraad Maatramp om te bepalen welk maatscenario aan de orde is. Zie ook figuur 6.4. Indien geen gegevens over opvarende bekend zijn kan de bijdrage aan het maatscenario (figuur 6.4) en de risico-informatie (figuur 6.5) niet worden bepaald. Dit betreft dan ook geen verplichte invoer. nvt Omvang pass.schepen Toelichting (voorbeelden) tot 25opv. vele typen schepen Bijdrage maatscenario*1 bij >50 passages/jr veerponten, partyschepen, chartervaart, kleine rondvaartboten 25-50 opv. II rondvaartboten, partyschepen, grote 50-300 opv chartervaart, waterbussen; III grote rondvaartboten, cruiseschepen 300-900 opv. op de grote rivieren IV grote waddenveerdiensten, grotere >900 opv. ferries en cruiseschepen (zeevaart). V *1 = Oerking: voor objecten die de gemeentegrens overschrijden is in de invoermodule de mogelijkheid opgenomen om aan te geven dat het onderdeel uitmaakt van een groter geheel. Figuur 6.4: Voorbeelden van de indeling van passagiersschepen in de Leidraad Maatramp, en hoe ze bijdragen aan de maatscenario's I LRI-overige ramptypen, tab 06, versie 3.1 oktober 2007 pag 6 van 8

Attribuut Bijdrage maatscenario (voor objecten die voldoen aan de criteria in par. 6.3) Aantal slachtoffers (zie tekst) Detaillering GHOR bron: LMR, versie 1.3 Hulpvraag Brw bron: tabellenboek LMR, versie 2.1 Risico-informatie bij watergebieden, waterwegen en wadlooproutes vaarroute zeehaven watersportgebied zie figuur zie figuur I (evt II) 6.4 6.4 (zie tekst) (I V) (I V) Maatrampscenario (indicatie) wadlooproute II aanl. locatie nvt I II III IV V Gewonden (T1+T2)+doden 25 50. 250. 750 1250 Algemene indicaties: Aantal gewonden (T1+T2+T3): 5 20 90 265 500 Percentage T1+T2 (van gew.): 80% 80% 80% 80% 70% Gewonden met mech letsel: 20% 20% 20% 20% 20% Gewonden met chem. letsel: 20% 20% 20% 20% 20% Gewonden met therm. letsel: 100% 100% 100% 100% 100% Algemene indicaties: Te bevrijden T1-slachtoffers: Aantal te redden personen: Hulpvraag Politie bron: tabellenboek LMR, versie 2.1 Algemene indicaties: Aanwezige pers. (en kijkers) Aantal te identificeren doden 7 Aantal te begeleiden voertuigen..... Hulpvraag Overig bron: tabellenboek LMR, versie 2.1 Algemene indicaties: Aantal verslaggevers Aantal bellers waarvan verwanten 50 125 63 50 250 125 90 1250 630 190 3750 1875 290 6250 3125 Figuur 6.5: Overzicht van risico-informatie op open water en waterwegen 6.6 Risico-informatie Met deze titel wordt gedoeld op attribuutinformatie die bij het object kan worden opgenomen over de omvang van het risico. Daarbij wordt vooral gedacht in termen van een mogelijke omvang, slachtoffers en hulpbehoefte. Bij de systematiek hiervan wordt voor zover mogelijk aangesloten bij de systematiek van de Leidraad Maatramp. Het zal duidelijk zijn dat in dit geval echter sprake is van een benadering die meer objectspecifiek is. Dit kan leiden tot enige verschillen met de meer globale aanpak van de Leidraad Maatramp. De gegevens zijn weergegeven in figuur 6.5 en hoofdzakelijk ontleend aan het tabellenboek Leidraad Maatramp (LMR), versie 2.7. De risico-informatie bij waterwegen en water(sport)gebieden in de Modelrisicokaart omvat geen informatie over de ongevalskans. 7 Dit aantal is in de specifieke situatie in te schatten zie figuur 6.4 in combinatie met de Leidraad Maatramp, versie 1.3. LRI-overige ramptypen, tab 06, versie 3.1 oktober 2007 pag 7 van 8

6.7 Planinformatie In verband met eventuele ongevallen op het water kan een combinatie van verschillende operationele plannen aan de orde zijn (zie figuur 6.6): - Rampbestrijdingsplan (bron: gemeente); - Calamiteitenplan: bron: beherende Directie van RWS - Coördinatieplan: bron: o.a. de Regionale brandweren Er kunnen wettelijke regels zijn voor bepaalde planvormen (zoals een calamiteitenplan voor de RWS); voor andere planvormen is de noodzaak veelal een uitvloeisel van plaatselijk beleid. Dan is dat op grond van betrokken wetgeving een verplichte planvorm. Vanwege het voorgaande wordt in het systeem de mogelijkheid gegeven op te geven of de betrokken planvorm 'Verplicht' is, 'niet verplicht' of 'Nader te bepalen'. Indien een bepaald soort plan aanwezig is, dan volgen enige vragen om dit nader aan te duiden. Hiervoor wordt het in figuur 6.7 weergegeven systeem benut. De referentie van het plan kan een link zijn. Mogelijke Planinformatie bij watergebieden, waterwegen en wadlooproutes Attribuut Rampbestrijdingsplan verplicht? aanwezig? datum referentie Calamiteitenplan verplicht aanwezig datum referentie - Coördinatieplan verplicht aanwezig datum referentie Gegevens van een eventueel aanwezig/gewenst RB-plan j/n/nader te bepalen j/n datum van het plan (laatste revisie) referentie naar het plan (zie figuur 6.7) j/n/nader te bepalen j/n datum van het plan (laatste revisie) referentie naar het plan (zie figuur 6.7) Mogelijk van toepassing wanneer er geen RB-plan is j/n/nader te bepalen j/n datum van het plan (laatste revisie) referentie naar het plan (zie figuur 6.7) Figuur 6.6: Overzicht van planinformatie bij open water en waterwegen Attribuut Referentie-informatie bij diverse planvormen en vergunningen Referentie naam dienst plaatsnaam naam of ref.nr. van het plan Figuur 6.7: Stramien voor het opgeven van referentie-info bij een bepaald plan LRI-overige ramptypen, tab 06, versie 3.1 oktober 2007 pag 8 van 8

7 Wegen en Spoorwegen Inhoud 7.1 Inleiding... 2 7.2 Selectie van de relevante wegen en spoorwegen... 2 7.3 Informatiebronnen... 2 7.4 Basisinformatie... 3 7.5 Informatie over het gebruik... 4 7.6 Risico-informatie... 4 7.7 Planinformatie... 6 Verklaring van de tabellen Attribuut Attribuutnaam Attribuutnaam Attribuutnaam Attribuutnaam informatie over een object De grijsarcering van de attribuutnaam geeft aan dat dit veld 'verplicht' is. Dit houdt in: Indien er iets van het betreffende object wordt vermeld, dan in elk geval dit invullen. De zwarte balk in de eerste kolom geeft aan dat deze informatie op de publieke Risicokaart gepresenteerd wordt. Dat kan overigens in een heel andere vorm geschieden. Bijv.: xy-coördinaten als een stip op de goede locatie. Deze informatie wordt op de publieke Risicokaart gepresenteerd indien aanwezig, maar behoeft niet te worden ingevuld. De grijsarcering van de attribuutnaam geeft aan dat dit veld 'verplicht' is. De witte kleuring in de eerste kolom echter duidt erop dat dit gegeven niet wordt getoond op de publieke Risicokaart. Dit soort verplichte gegevens heeft een essentiële functie in het databestand of de presentatievorm. Het gaat doorgaans om de meer technisch-inhoudelijke informatie die ook voor professioneel gebruik (de professionele Risicokaart) van belang kan zijn. Deze informatie wordt niet op de publieke Risicokaart gepresenteerd, en behoeft niet te worden ingevuld. Het gaat om informatie voor professioneel gebruik en wordt getoond op de professionele Risicokaart. met een zwart vakje in deze kolom wordt aangegeven dat de betreffende informatie bedoeld is voor weergave op de publieke Risicokaart. LRI-overige ramptypen, tab 07, versie 3.1 oktober 2007 pag 1 van 7

7.1 Inleiding Algemeen Het ramptype grote Verkeersongevallen op land omvat: Grote ongevallen in het wegverkeer: kettingbotsingen, busongevallen e.d.; Ontsporingen of botsingen van reizigerstreinen. De Leidraad Maatramp richt zich gezien het voorgaande op: a. autosnelwegen (autoverkeer) b. spoorlijnen met intercityverkeer en hogesnelheidslijnen (treinverkeer). In de Model-risicokaart kunnen daaraan eventueel ook provinciale wegen worden toegevoegd. Relatie met het vervoer van gevaarlijke stoffen Het aspect van het vervoer van gevaarlijke stoffen (per spoor en per vrachtauto), wordt hier onder deze Tab 7 Wegen en Spoorwegen niet specifiek beschouwd. Ongevallen met gevaarlijke stoffen worden namelijk onder Tab 2 meegenomen. De (spoor)wegen waarlangs gevaarlijke stoffen worden vervoerd en (spoor)wegen waar het hier om gaat, vallen gedeeltelijk samen. In de risicokaart worden beide soorten routes echter als verschillende objecten beschouwd. De risicokaart hanteert ook verschillende kaartsymbolen voor de weergave van deze beide aspecten. 7.2 Selectie van de relevante wegen en spoorwegen Op de risicokaart worden de volgende zaken vermeld: 1. Autosnelwegen. Alle wegen die zijn aangeduid als autosnelweg. 2. Overige rijks(auto)wegen. 3. Provinciale wegen. Alle provinciale wegen waar de maximumsnelheid 100 km/uur is. 4. Spoorlijnen voor intercity of ICE-verkeer. 5. Spoorlijnen voor hogesnelheidsverkeer. 7.3 Informatiebronnen De hulpverleningsdiensten en met name de Regionale Brandweren zullen in het kader van het project Maatramp in het algemeen al de nodige basisgegevens hebben verzameld over de hier relevante objecten. In het algemeen zal in dat kader nog niet de (digitale) informatie over geografische ligging van (spoor)wegen zijn verzameld. De overige (gebruiks)informatie over de betrokken (spoor)wegen is beperkt, zie paragraaf 7.5. LRI-overige ramptypen, tab 07, versie 3.1 oktober 2007 pag 2 van 7

Informatiebronnen zijn: a. voor de wegen: - de wegbeheerder, doorgaans de betrokken regionale directie van RWS - de AVV, de Adviesdienst Verkeer en Vervoer van het Ministerie van V&W; b. voor de intercity- en HS-lijnen: - de betreffende dienstregeling (spoorboekje). Voor de relevante (spoor)wegen die samenvallen met routes voor vervoer van gevaarlijke stoffen, kan wellicht de geo-informatie worden gekopieerd, bijvoorbeeld uit de rijksatlassen vervoer van gevaarlijke stoffen over spoor en weg. De locaties en vorm van de overige routes en gebieden moet op een of andere wijze (extern, of via interactieve invoer) worden gedigitaliseerd. De precieze mogelijkheden hangen af van de wijze waarop de invoermodule voor de risicokaart is gerealiseerd alsmede van de voorzieningen die voor import en export van gegevens worden getroffen. In het ontwerp van de risicokaart wordt enkel de hartlijn van (spoor)wegverbinding gehanteerd, dus één lijn voor beide richtingen. De digitale informatie over de ligging van wegen en spoorwegen kan eventueel ook worden ontleend aan het NLB (Nationaal Locatie Bestand). De meeste regionale brandweren beschikken hierover in verband met het Meldkamersysteem. 7.4 Basisinformatie Attribuut Type (spoor)weg Subtype Naam Locatie Basisinformatie over (spoor)wegen typering van het object (4 typen): spoortunnel, tramtunnel, metrotunnel, verkeerstunnel HS-lijn Intercitylijn autosnelweg autoweg - j/n tevens - - j/n mistgevoelig 1 lig - j/n mistgevoe- intercitylijn naam van de snelweg ("A16"), Provinciale autoweg ("N319") HS-lijn: HSL Zuid of Oost, met knooppuntstations ("Arnhem - Utrecht"); Naam intercitylijn eveneens dmv van knooppuntstations Een geo-gepositioneerde lijn op- of ingeven (hartlijn van beide richtingen) (geen adresgegevens; zie echter de optie Beheerder) Lengte van traject Lengte van het totale traject (in km) met dezelfde belasting. Dus ook de lengte, conform Leidraad Maatramp, die buiten de (gemeente)grens valt. Vermelding op de Ja / nee. Ja indien wordt voldaan aan de criteria van par. 7.3 kaart*1 Beheerder Desgewenst gegevens van Beheerder van het object, zie Tab 0, bijlage A *1 = Oerking: objecten die de (gemeente)grens overschrijden worden in zijn geheel op de kaart vermeld. Figuur 7.1: van de basisinformatie omtrent (spoor)wegen 1 Indien er opstellingen zijn aangebracht voor zichtmeting, wordt de weg als mistgevoelig aangemerkt. LRI-overige ramptypen, tab 07, versie 3.1 oktober 2007 pag 3 van 7

7.5 Informatie over het gebruik In het datamodel van de Modelrisicokaart is enige informatie opgenomen over de intensiteit van het gebruik van de beschouwde routes. Desgewenst kan men in provinciale databestand aanvullende informatie opnemen. De in het datamodel opgenomen gegevens over het gebruik zijn weergegeven in figuur 7.2. Gebruiksinformatie over (spoor)wegen Attribuut HSlijn Intercitylijn autosnelweg prov. autoweg Aantal passages/jaar (Beide richtingen opgeteld en afgerond voor verkeer tussen de knooppunten) Aantal reizigerstreinen per jaar (in duizendtallen) Totaal aantal passages per jaar (in duizendtallen) Aantal reizigers, passages per jaar bron: dienstregeling Indicatie van aantal reizigers(passages) per jaar, analoog passages (in miljoenen, evt. 1 decimaal; beide richtingen opgeteld) Bron Bron(referentie) en jaartal van de bovenstaande gegevens Figuur 7.2 van gebruiksinformatie over (spoor)wegen 7.6 Risico-informatie Met risico-informatie wordt gedoeld op attribuutinformatie die bij het object kan worden opgenomen over de omvang van het risico. Daarbij wordt vooral gedacht aan een mogelijke omvang in termen van slachtoffers en hulpbehoefte. Bij de systematiek hiervan wordt voor zover mogelijk aangesloten bij de systematiek van de Leidraad Maatramp. Het zal duidelijk zijn dat in dit geval echter sprake is van een benadering die meer objectspecifiek is. De invuller wordt geacht te toetsen in hoeverre de algemene indicaties voor het specifieke object kunnen gelden. Dit kan dan aanleiding geven tot verschillen met de meer globale aanpak van de Leidraad Maatramp. Figuur 7.3 geeft een algemene indicatie van het maatscenario volgens de systematiek van de LMR. De gegevens over de hulpbehoefte zijn weergegeven in figuur 7.4. De cijfers zijn ontleend aan onder meer het tabellenboek LMR, versie 2.1. Enkele cijfers daaruit zijn afgerond. De informatie richt zich op de mogelijke effecten van een groot ongeval en de hulpbehoefte die daarbij aan de orde kan zijn. Deze risico-informatie bevat geen nadere aanwijzingen over de ongevalskans, laat staan de kans op een rampzalig ongeval. Wel kan men globaal uit de gebruiksinformatie (zie vorige paragraaf) afleiden dat er sprake is van een behoorlijke gebruiksgraad. Per gebruikseenheid is dus sprake van een lage ongevalskans. LRI-overige ramptypen, tab 07, versie 3.1 oktober 2007 pag 4 van 7

In de systematiek van de Leidraad Maatramp is het maatscenario evenwel gekoppeld aan de kans, welke evenredig wordt geacht op te lopen met: - het aantal lijnen of banen per richting; - de totale lengte aan (spoor)weg in een regio. (Spoor)wegtraject Provinciale autoweg ongeacht de lengte Bijdrage maatscenario*1 Autosnelweg Lengte van het beschouwde autosnelwegtrajecten: minder dan 75 kilometer I 75 tot 125 kilometer II meer dan 125 kilometer III Voor zover een traject meer dan 2 x 2 rijbanen heeft, telt dit dubbel. Indien het traject gekenmerkt wordt door een hoge mistgevoeligheid of relatief hoge verkeersintensiteit (veel files) dan leidt dit - indien mogelijk - tot één niveau hoger. Het maximum voor autosnelwegen is echter een grootte 'III'. Treinverkeer Lengte van het relevante traject: minder dan 25 kilometer I 25 tot 75 kilometer II 75 tot 125 kilometer III (Indien per werkdag over een traject in beide richtingen samen meer dan 150 personentreinen rijden dan telt dit traject dubbel. Zie evt. de LMR) *1 = Oerking: voor objecten die de gemeentegrens overschrijden is in de invoermodule de mogelijkheid opgenomen om aan te geven dat het onderdeel uitmaakt van een groter geheel. Figuur 7.3: Indicatie van maatscenario per relevant (spoor)wegtraject I LRI-overige ramptypen, tab 07, versie 3.1 oktober 2007 pag 5 van 7

Risico-informatie over (spoor)wegen Attribuut Bijdrage maatscenario De bijdrage van het object aan het LMR-scenario (I III), zie figuur 7.3 Aantal slachtoffers Detaillering GHOR bron: LMR, versie 1.3 Hulpvraag Brw bron: tabellenboek LMR, versie 2.1 Hulpvraag Politie bron: tabellenboek LMR, versie 2.1 Maatrampscenario (indicatie) I II III Gewonden (T1+T2) + doden 50 100 200 Algemene indicaties: Aantal gewonden (T1+T2+T3): 80 160 320 Percentage T1+T2 (van gewond): 50% 50% 50% Gewonden met mechanisch letsel: 90% 90% 90% Gewonden met chemisch letsel: 5% 5% 5% Gewonden met thermisch letsel: 20% 20% 20% Algemene indicaties: Te bevrijden T1-slachtoffers: Tankautospuiten (blussing 1e uur): Algemene indicaties: Aanwezige personen (en kijkers) Aantal ordeverstoorders Aantal af te zetten punten 2 Aantal te identificeren doden Aantal te begeleiden voertuigen 12 6 75 8. 10 40 24 7 100 10. 20 50 48 7 150 15. 40 70 Hulpvraag Overig bron: tabellenboek LMR, versie 2.1 Algemene indicaties: Aantal verslaggevers Aantal bellers waarvan verwanten 40 2500 125 40 5000 250 50 10000 500 Figuur 7.4: Overzicht van risico-informatie over (spoor)wegen 7.7 Planinformatie In verband met eventuele ongevallen op de weg of het spoor kan een combinatie van verschillende operationele plannen aan de orde zijn: - Rampbestrijdingsplan (bron: gemeente); - Calamiteitenplan: bron: beherende Directie van RWS; - Coördinatieplan: bron: o.a. de Regionale brandweren en Railned (spoor); - Aanvalsplan: bron: Plaatselijke brandweer (brandweren). Vanwege het voorgaande wordt in het systeem de mogelijkheid gegeven op te geven of de betrokken planvorm 'Verplicht' is, niet 'verplicht' of 'Nader te bepalen'. Indien een bepaald soort plan aanwezig is, dan volgen enige vragen om dit nader aan te duiden. Hiervoor wordt het in figuur 7.5 weergegeven systeem benut. 2 Dit aantal is in de specifieke situatie veel beter in te schatten dan deze indicatie; bron: politie. LRI-overige ramptypen, tab 07, versie 3.1 oktober 2007 pag 6 van 7

Attribuut Rampbestrijdingsplan - verplicht - aanwezig - datum - referentie Calamiteitenplan - verplicht - aanwezig - datum - referentie - Coördinatieplan - gewenst - aanwezig - datum - referentie - Aanvalsplan - gewenst - aanwezig - datum - referentie Mogelijke Planinformatie over (spoor)wegen Gegevens van een eventueel aanwezig/gewenst RB-plan j/n voor dit specifieke object j/n datum van het plan referentie naar het plan (zie figuur 7.6) j/n voor dit specifieke object j/n datum van het plan referentie naar het plan (zie figuur 7.6) Mogelijk van toepassing wanneer er geen RB-plan is j/n voor dit specifieke object j/n datum van het plan referentie naar het plan (zie figuur 7.6) j/n voor dit specifieke object j/n datum van het plan referentie naar het plan (zie figuur 7.6) Figuur 7.5: Overzicht van planinformatie over (spoor)wegen Voor het aanduiden (referentie) van een bepaald plan wordt het in figuur 7.6 aangegeven systeem gehanteerd. De referentie van het plan kan een link zijn. Attribuut Referentie-informatie bij diverse planvormen en vergunningen - referentie naam dienst plaatsnaam naam of ref.nr. van het plan Figuur 7.6: Stramien voor het opgeven van referentie-info bij een bepaald plan LRI-overige ramptypen, tab 07, versie 3.1 oktober 2007 pag 7 van 7

8 Evenementen- en activiteitenlocaties Inhoud 8.1 Inleiding... 2 8.2 Selectie van de relevante situaties... 3 8.3 Informatiebronnen... 3 8.4 Basisinformatie... 4 8.5 Informatie over het gebruik... 4 8.6 Risico-informatie... 5 8.7 Planinformatie... 6 Verklaring van de tabellen Attribuut Attribuut-naam Attribuut-naam Attribuut-naam Attribuut-naam informatie over een object De grijsarcering van de attribuutnaam geeft aan dat dit veld 'verplicht' is. Dit houdt in: Indien er iets van het betreffende object wordt vermeld, dan in elk geval dit invullen. De zwarte balk in de eerste kolom geeft aan dat deze informatie op de publieke Risicokaart gepresenteerd wordt. Dat kan overigens in een heel andere vorm geschieden. Bijv.: xy-coördinaten als een stip op de goede locatie. Deze informatie wordt op de publieke Risicokaart gepresenteerd indien aanwezig, maar behoeft niet te worden ingevuld. De grijsarcering van de attribuutnaam geeft aan dat dit veld 'verplicht' is. De witte kleuring in de eerste kolom echter duidt erop dat dit gegeven niet wordt getoond op de publieke Risicokaart. Dit soort verplichte gegevens heeft een essentiële functie in het databestand of de presentatievorm. Het gaat doorgaans om de meer technisch-inhoudelijke informatie die ook voor professioneel gebruik (de professionele Risicokaart) van belang kan zijn. Deze informatie wordt niet op de publieke Risicokaart gepresenteerd, en behoeft niet te worden ingevuld. Het gaat om informatie voor professioneel gebruik en wordt getoond op de professionele Risicokaart. met een zwart vakje in deze kolom wordt aangegeven dat de betreffende informatie bedoeld is voor weergave op de publieke Risicokaart. LRI-overige ramptypen, tab 08, versie 3.1 oktober 2007 pag 1 van 7

8.1 Inleiding Algemeen Onder tab 8 Evenementen- en activiteitenlocaties zijn objecten en situaties aan de orde waar Paniek in menigten en Verstoring van de openbare orde voorzienbaar is. Het gaat hier om situaties die in de Leidraad Maatramp in verband worden gebracht met de ramptypen 12 (Paniek in menigten) en 13 (Verstoring Openbare Orde). Bij paniek in menigten spelen drie elementen een rol: veel aanwezigen op een beperkt grondoppervlak, ingesloten zijn van de aanwezigen (beperkte bewegingsruimte en vluchtwegen) en een 'trigger-incident' waardoor de paniek wordt aangewakkerd. Situaties waarbij dit zich kan voordoen zijn: - grote festiviteiten, concerten e.d.; - grote demonstraties; - grote voetbalstadions en dergelijke objecten. Verstoringen van de openbare orde kunnen op veel plaatsen voordoen en zijn in zekere mate 'onvoorspelbaar', zoals buurtrellen. Voor een deel zijn de situaties en omstandigheden waar ernstige ordeverstoringen voorzienbaar, zoals: - Rellen rondom demonstraties en andere publieke manifestaties; (bijvoorbeeld politieke demonstraties, stakingen of bij kerntransporten); - Gewelddadigheden rondom voetbalwedstrijden. (..) Samenhang met kwetsbare objecten (Tab 3) Ordeverstoringen en grootschalige paniek met slachtoffers zijn mogelijk in voetbalstadions en andere grote publieksgebouwen. Dergelijke gebouwen zijn onder Tab 3 reeds als kwetsbaar object aan de orde geweest. Er is voor gekozen om dit aspect niet direct in de data te koppelen. Stadions kunnen dus 'dubbel' op de kaart komen: als kwetsbaar object en als object met kans op paniek in menigten en/of ordeverstoring. Voor de locaties waar grootschalige paniek en ordeverstoringen aan de orde zijn, gelden ook andere kaartsymbolen. In deze symbolen is ermee rekening gehouden dat (met name) ordeverstoringen zich ook vaak in de directe omgeving van de ('kwetsbare') objecten waar zich geregeld grote groepen mensen verzamelen. Het gaat dus om een gebied rond de betrokken objecten, die onder Tab 3 met een puntlocatie (stip) worden weergegeven. Onder deze Tab 8 kan rond de relevante objecten daarom een gebied worden aangegeven. Overigens kunnen ook routes (bijv. gebruikelijke routes voor demonstraties) worden aangegeven. LRI-overige ramptypen, tab 08, versie 3.1 oktober 2007 pag 2 van 7

8.2 Selectie van de relevante situaties Op de risicokaart worden locatiespecifieke en periodieke evenementen op een gedefinieerd beperkt gebied opgenomen. Waarbij geldt dat dit bijeenkomsten zijn van minstens 5000 personen per keer. Dit kunnen zijn festivals, evenementen, voetbalstadions, gangbare routes voor demonstraties e.d. In figuur 8.1 staan aanvullende criteria met betrekking tot resp. Paniek en Ordeverstoringen. Algemene voorwaarde: minstens 5000 personen per keer op een wel gedefinieerd, beperkt gebied: Indicatie van relevante situaties Stadions waar als regel minstens 5 risicowedstrijden per jaar worden gespeeld Stadions en hallen waar periodiek grote concerten worden gehouden Stadions en hallen waar geregeld grote demonstratieve bijeenkomsten worden gehouden Terreinen waar periodiek grote concerten worden gehouden Routes en terreinen die geregeld voor demonstraties worden gebruikt: ruime gedeelten Routes en terreinen die geregeld voor demonstraties worden gebruikt: binnenstedelijke en (andere) krappe /omsloten gebieden Locaties waar omstreden megaprojecten worden gerealiseerd (tijdelijk; periode opgeven) Routes waarlangs omstreden transporten plaatsvinden Paniek in menigte Ramptype 12 X X X X Verstoring O.Orde Ramptype 13 Figuur 8.1: Lijst van locaties en situaties waar Paniek in menigten of een ernstige Verstoring van de openbare orde voorzienbaar is. De lijst in figuur 8.1 is limitatief voor weergave op de risicokaart. Hieruit blijkt dat bijvoorbeeld braderieën, corso- of carnavalsoptochten niet bedoeld zijn voor weergave op de risicokaart. X X X X X X X 8.3 Informatiebronnen De evenementenkalender (politie) kan een uitgangspunt bieden voor de inventarisatie bieden. In verband met eerdere inventarisaties naar aanleiding van de Leidraad Maatramp, valt te verwachten dat ook de (regionale) brandweer over de nodige basisgegevens beschikt. Voor de publieksgebouwen zoals stadions, welke in het algemeen over een gebruiksvergunning moeten beschikken, heeft de gemeente of de gemeentelijke brandweer veelal reeds relevante gegevens beschikbaar (zie ook onder Tab 3). LRI-overige ramptypen, tab 08, versie 3.1 oktober 2007 pag 3 van 7

8.4 Basisinformatie De gegevens die van deze objecten in de database van de risicokaart (kunnen) komen zijn vermeld in figuur 8.2, zie de volgende bladzijde. Basisinformatie over Evenementen- en activiteitenlocaties Attribuut terrein/omgeving route Locatie een vlak aangeven een lijn aangeven geo-gepositioneerd (zie ook de tekst) Naam Naam van de locatie Soort risico: (aankruisen wat van toepassing is) Vermelding op de kaart Beheerder alleen Paniek in Menigte alleen Verstoring Openbare orde Ja / nee. Ja indien wordt voldaan aan de criteria van par. 8.3 beide van toepassing Desgewenst gegevens van Beheerder van het object, zie Tab 0, bijlage A Figuur 8.2: van de basisinformatie omtrent Evenementen- en activiteitenlocaties Indien de locatie een kwetsbaar object betreft dat reeds onder Tab 3 is aangegeven, verdient het aanbeveling rond dit object en met name aan de zijde van de toegang een gebied aan te geven. Op de kaart wordt dit weergegeven als afzonderlijk symbool, dat het betreffende object accentueert met het aspect "Paniek in menigte" en/of "Verstoring Openbare orde". Attribuut Aantal aanwezigen Frequentie 8.5 Informatie over het gebruik In het datamodel van de Modelrisicokaart is enige informatie opgenomen over de intensiteit van het gebruik van de beschouwde locaties. Desgewenst kan men in provinciale databestand aanvullende informatie opnemen. De in het datamodel opgenomen gegevens over het gebruik zijn weergegeven in figuur 8.3. Gebruiksinformatie over Evenementen en activiteitenlocaties Het potentieel aantal gelijktijdig aanwezige personen (> 5000, in ronde duizendtallen) Het (verwachte) aantal malen per jaar dat er in dit object sprake is aanwezigheid van het aangegeven aantal personen: Afhankelijk van de frequentie op te geven als: x keer per jaar, of 1 keer in de y jaar. Periode Evt. de periode waarin het object relevant is voor publicatie, zie Tab 0, bijlage A. (begin- en einddatum) Figuur 8.3: van gebruiksinformatie over evenementen en activiteitenlocaties LRI-overige ramptypen, tab 08, versie 3.1 oktober 2007 pag 4 van 7

Attribuut Aantal Aanwezigen 8.6 Risico-informatie Met deze titel wordt gedoeld op attribuutinformatie die bij het object kan worden opgenomen over de omvang van het risico en het effect. Daarbij wordt vooral gedacht in termen van een mogelijke omvang in termen van slachtoffers en hulpbehoefte. Bij de systematiek hiervan wordt voor zover mogelijk aangesloten bij de systematiek van de Leidraad Maatramp. Het zal duidelijk zijn dat in dit geval echter een meer objectspecifiek aanpak nodig is. De beslisregels uit de Leidraad Maatramp zijn hier niet op individuele locaties van toepassing. Toch kunnen de in figuur 8.4 en 8.5 overgenomen gegevens uit de LMR-tabellen dienstig zijn. Men moet dan op de eerste plaats onderscheid maken tussen het scenario Paniek en het scenario Ordeverstoring. Vervolgens kan men zich voor een indicatie laten leiden door het aantal aanwezigen. Gezien de aard van de beslisregels in de LMR, moet men bijzondere argumenten hebben om een individueel geval in te delen in de hoogste schalen. Die schalen staan daarom tussen haakjes. Risico-informatie over Ordeverstoringen bij evenementen en activiteiten (is reeds ingevuld, zie hiervoor) Bijdrage maatscenario Aantal slachtoffers zie: LMR, versie 1.3 Detaillering GHOR zie LMR, versie 1.3 NB: De beslisregels uit de Leidraad Maatramp zijn hier niet (zelden) van toepassing op individuele locaties. Zie de tekst. Maatrampscenario (indicatie) I II III (IV) (V) Gewonden (T1+T2) + doden 5 10 20 (30) (50) Verstoring Openbare Orde Aantal gewonden (T1+T2+T3): Percentage T1+T2: Gewonden met mechanisch letsel: Gewonden met chemisch letsel (%): Gewonden met thermisch letsel (%): 20 25% 90% 5% 20% 40 25% 90% 5% 20% 80 25% 90% 5% 20% (100) 25% 90% 5% 20%0 (230) 25% 90% 5% 20% Hulpvraag Brw zie tabellenboek LMR, versie 2.1 Hulpvraag Politie zie tabellenboek LMR, versie 2.1 Te bevrijden T1-slachtoffers: Aantal te redden personen: Aanwezige personen (X 1000) Aantal ordeverstoorders Aantal geweldplegers Aantal voor te geleiden personen Aantal af te zetten punten 1 Aantal te identificeren doden Aantal te begeleiden voertuigen 2 10 50 5 5.. 3 20 100 10 10 6 40 200 20 20.. (8) (60) (300) (30) (30) (14) (100) (500) (50) (50). Hulpvraag Overig zie tabellenboek LMR, versie 2.1 Aantal verslaggevers Aantal te informeren huishoudens Aantal bellers waarvan verwanten 50 1500 15 60 3000 25 80 6000 50 (100) 9000 (75) (140) 15000 (125) Figuur 8.4: Risico-informatie omtrent Ordeverstoring bij Evenementen en activiteiten (NB: verschil tussen Paniek en Ordeverstoring ) 1 Dit aantal is inde specifieke situatie veel beter in te schatten dan de indicatie in de LMR; bron: politie. LRI-overige ramptypen, tab 08, versie 3.1 oktober 2007 pag 5 van 7

De cijfers in figuur 8.4 en 8.5 zijn ontleend aan met name het tabellenboek LMR, versie 2.1. Enkele cijfers daaruit zijn afgerond (indicatief karakter!). Risico-informatie over Paniek bij evenementen en activiteiten Attribuut Aantal Aanwezigen (is reeds ingevuld, zie hiervoor Bijdrage maatscenario Aantal slachtoffers bron LMR, versie 1.3 Detaillering GHOR bron LMR, versie 1.3 NB: De beslisregels uit de Leidraad Maatramp zijn hier niet (zelden) van toepassing op individuele locaties. Zie de tekst. Maatrampscenario (indicatie) I II III (IV) (V) Gewonden (T1+T2) + doden 50 100 150 (250) (400) Paniek Aantal gewonden (T1+T2+T3): Percentage T1+T2: Gewonden met mechanisch letsel: Gewonden met chemisch letsel (%): Gewonden met thermisch letsel (%): 120 40% 90% 0% 10% 230 40% 90%..0% 10% 340 40% 90%..0% 10% (570) 40% 90%..0% 10% (900) 40% 90%..0% 10% Hulpvraag Brw bron tabellenboek LMR, versie 2.1 Hulpvraag Politie bron tabellenboek LMR, versie 2.1 Te bevrijden T1-slachtoffers: Aantal te redden personen: Aanwezige personen ( X 1000) Aantal ordeverstoorders Aantal aan te houden aanstichters Aantal voor te geleiden personen Aantal af te zetten punten 2 Aantal te identificeren doden Aantal te begeleiden voertuigen 25 30 10 10. 5 50 50 40 15 15.. 10 80 75 60 20 20 15 100 (125) 90 30 30 25 150 (200) 130 45 45 40 230 Hulpvraag Overig bron tabellenboek LMR, versie 2.1 Aantal verslaggevers Aantal te informeren huishoudens Aantal bellers (X 1000) waarvan verwanten 50 4 130 60 8 250 70 12 380 90 20 630 120 32 1000 Figuur 8.5: Overzicht van risico-informatie omtrent Paniek bij Evenementen en activiteiten (NB: verschillen tussen Paniek en Ordeverstoring ) 8.7 Planinformatie Voor Evenementen- en activiteitenlocaties kunnen verschillende operationele plannen aan de orde zijn (zie figuur 8.6): a. Rampbestrijdingsplan (bron: gemeente); b. Aanvalsplan: bron: Plaatselijke brandweer (brandweren) c. Ontruimingsplan: bron: beheerder d. Gebruiksvergunning: Gemeente(n) en plaatselijke brandweer Er kunnen wettelijke regels zijn voor bepaalde planvormen (zoals een ontruimingsplan); voor andere planvormen is de noodzaak veelal een uitvloeisel van 2 Dit aantal is in de specifieke situatie beter in te schatten dan de indicatie in de LMR; bron: politie. LRI-overige ramptypen, tab 08, versie 3.1 oktober 2007 pag 6 van 7

plaatselijk beleid. Dan is dat op grond van gemeentelijke bevoegdheden eveneens een verplichte planvorm. Vanwege het voorgaande wordt in het systeem de mogelijkheid gegeven op te geven of de betrokken planvorm 'verplicht' is, 'niet verplicht' of 'Nader te bepalen'. Indien een bepaald soort plan aanwezig is, dan volgen enige vragen om dit nader aan te duiden. Hiervoor wordt het volgende systeem benut (zie figuur 8.7). De referentie van het plan kan een link zijn. Attribuut Rampbestrijdingsplan verplicht? aanwezig? datum referentie Aanvalsplan verplicht aanwezig datum referentie Ontruimingsplan verplicht aanwezig datum referentie Gebruiksvergunning: verplicht aanwezig datum referentie Mogelijke Planinformatie over Evenementen en activiteitenlocaties j/n/nader te bepalen j/n datum van het plan (laatste revisie) referentie naar het plan (zie figuur 8.7) j/n/nader te bepalen j/n datum van het plan (laatste revisie) referentie naar het plan (zie figuur 8.7) j/n/nader te bepalen j/n datum van het plan (laatste revisie) referentie naar het plan (zie figuur 8.7) (op basis van Bouwverordening of in voorkomende gevallen de BBV) j/n/nader te bepalen j/n datum vergunning (laatste revisie) referentie van de vergunning (zie figuur 8.7) Figuur 8.6: Overzicht van planinformatie bij evenementen en activiteitenlocaties Voor het aanduiden (referentie) van een bepaald plan wordt het in figuur 8.7 aangegeven systeem gehanteerd. De referentie van het plan kan een link zijn. Attribuut Referentie-informatie bij diverse planvormen en vergunningen Referentie naam dienst plaatsnaam naam of ref.nr. van het plan Figuur 8.7: Stramien voor het opgeven van referentie-info bij een bepaald plan LRI-overige ramptypen, tab 08, versie 3.1 oktober 2007 pag 7 van 7

9 Ondergrond Inhoud 9.1 Inleiding... 2 9.2 Selectie voor weergave op de Risicokaart... 4 9.3 Informatiebronnen... 5 9.4 Basisinformatie... 6 9.5 Informatie over het gebruik... 6 9.6 Risico-informatie... 7 9.7 Planinformatie bij de ondergrond... 7 Verklaring van de tabellen Attribuut Attribuut-naam Attribuut-naam Attribuut-naam Attribuut-naam informatie over een object De grijsarcering van de attribuutnaam geeft aan dat dit veld 'verplicht' is. Dit houdt in: Indien er iets van het betreffende object wordt vermeld, dan in elk geval dit invullen. De zwarte balk in de eerste kolom geeft aan dat deze informatie op de publieke Risicokaart gepresenteerd wordt. Dat kan overigens in een heel andere vorm geschieden. Bijvoorbeeld: xy-coördinaten als een stip op de goede locatie. Deze informatie wordt op de publieke Risicokaart gepresenteerd indien aanwezig, maar behoeft niet te worden ingevuld. De grijsarcering van de attribuutnaam geeft aan dat dit veld 'verplicht' is. De witte kleuring in de eerste kolom echter duidt erop dat dit gegeven niet wordt getoond op de publieke Risicokaart. Dit soort verplichte gegevens heeft een essentiële functie in het databestand of de presentatievorm. Het gaat doorgaans om de meer technisch-inhoudelijke informatie die ook voor professioneel gebruik (de professionele Risicokaart) van belang kan zijn. Deze informatie wordt niet op de publieke Risicokaart gepresenteerd, en behoeft niet te worden ingevuld. Het gaat om informatie voor professioneel gebruik en wordt getoond op de professionele Risicokaart. met een zwart vakje in deze kolom wordt aangegeven dat de betreffende informatie bedoeld is voor weergave op de publieke Risicokaart. LRI-overige ramptypen, tab 09, versie 3.1 oktober 2007 pag 1 van 7

9.1 Inleiding Algemeen In verband met het ramptype 'Instorting van gebouwen en bouwwerken' wordt aandacht besteed aan de ondergrond en bevingen. De ondergrond bestaat voor dit hoofdstuk uit twee aandachtsgebieden: 1- de geologische samenstelling (de gesteenten en/of afzettingen); 2- bijzonderheden in de ondergrond (holten, gangen etc) in combinatie met het (voormalig)(menselijk) gebruik voor bijvoorbeeld delfstoffenwinning (steenkool, aardolie, gas en zout). Volgens het KNMI bestaat er in de praktijk geen duidelijke 1 op 1 relatie tussen de geologische samenstelling en te verwachten intensiteit van aardbevingen. Ook met betrekking tot de bijzonderheden in de ondergrond en het menselijk gebruik is er volgens TNO en Staatstoezicht op de Mijnen geen duidelijke 1 op 1 relatie met bevingen. Wel zijn er in Nederland: (a)- gebieden met mogelijke bevingen met een natuurlijke oorsprong; (b)- gebieden/plaatsen met mogelijke bevingen als gevolg van bijzonderheden in de ondergrond in combinatie met menselijk handelen in het kader van bijvoorbeeld delfstoffenwinning. Het basiscriterium voor opname op de Risicokaart (gebaseerd op de Leidraad Maatramp) is het volgende: Gebieden c.q. plaatsen waar bevingen kunnen optreden met een intensiteit van VI of hoger op de Europese Macroseismische Schaal (EMS). Dit criterium is tevens opgenomen in de Regeling provinciale risicokaart, bijlage 2, Staatscourant 18 april 2007, nr 75. Voor een verdere verbijzondering zie paragraaf 9.2 Intensiteit op de EMS-schaal V VI VII (..) (..) Verkorte specificatie van deze intensiteit Hangende voorwerpen slingeren, rammelen van serviesgoed, glaswerk, ramen en deuren. (aardschokken met een dergelijke intensiteit kunnen in heel Nederland plaatsvinden). Lichte schade veroorzakend: schrikreacties, kleine voorwerpen in huis vallen om, weinig solide huizen worden beschadigd. Schade veroorzakend: schade aan veel weinig solide gebouwen, veel mensen zijn geschrokken en rennen naar buiten. Figuur 9.1: Specificatie van de intensiteiten V t/m VII op de EMS-schaal Hieronder wordt ingegaan hoe het basiscriterium voor opname op de Risicokaart wordt toegepast op de gebieden/plaatsen (a) en (b). (a) Gebieden met mogelijke bevingen met een natuurlijke oorsprong In het vakgebied Seismologie wordt voor het uitdrukken van de intensiteit (van aardbevingen) standaard de kans van optreden op 1x per 475 jaar gebruikt. Deze LRI-overige ramptypen, tab 09, versie 3.1 oktober 2007 pag 2 van 7

periode wordt gebruikt omdat hij lang genoeg is om ook grotere aardbevingen die niet elk jaar voorkomen, mee te kunnen nemen in de statistiek. Deze 1x per 475 jaar is ook uit te drukken als 'een kans van 10% in 50 jaar'. Het criterium voor opname van gebieden met bevingen met een natuurlijke oorspong is hierop gebaseerd en is daardoor: Risicokaart-relevant zijn die gebieden waar 10% kans is dat er in 50 jaar bevingen kunnen optreden met een intensiteit van VI of hoger op de Europese Macroseismische Schaal (EMS). Figuur 9.2 geeft de seismische intensiteit aan die in Nederland kan worden ervaren met een kans van 10% in 50 jaar. De intensiteiten t/m VII op de Europese Macroseismische Schaal (EMS) zijn met behulp van kleuren aangeduid. Voor de gebieden met intensiteit kleiner dan V zijn er te weinig gegevens om een verdere onderverdeling in intensiteit te geven. De betekenis van figuur 9.2 is dat wanneer, ter plaatse van een gemeentelijk grondgebied, bijvoorbeeld de intensiteit VI staat aangegeven dat hier, in 50 jaar, er een kans van 10% bestaat dat er, door een beving van natuurlijke oorsprong, minstens schade kan optreden conform de specificatie van deze schaal. Uit figuur 9.2 blijkt dat het zuidoostelijk deel van Nederland de seismische intensiteit VI of VII heeft. (..) < IV V VI VII Figuur 9.2: Seismische intensiteit die kan worden ervaren met een kans van 10% in 50 jaar (Bron: de Crook, 1996). De intensiteit (II t/m VII) is uitgedrukt met behulp van de Europese Macroseismische Schaal (EMS) LRI-overige ramptypen, tab 09, versie 3.1 oktober 2007 pag 3 van 7

(b) Gebieden/plaatsen met mogelijke bevingen als gevolg van bijzonderheden in de ondergrond in combinatie met menselijk handelen Voor dergelijke gebieden/plaatsen geldt dat, volgens deskundigen van TNO en Staatstoezicht op de Mijnen, (vooralsnog) geen selectiecriteria zijn te geven op vergelijkbare wijze zoals bij (a). Ondanks dit zijn er wel gebieden/plaatsen die relevant worden geacht om op te nemen op de Risicokaart. Voor de publieke Risicokaart zijn dit: delfstoffenwinningsgebieden waar in het verleden een beving heeft plaatsgevonden en gebieden waar in de toekomst een beving zou kunnen plaatsvinden; Voor de professionele Risicokaart zijn dit: holten in de ondergrond (bijvoorbeeld cavernes), die kunnen leiden tot acute (snelle) dalingen van de ondergrond. Het gaat dus niet om langzame nietvoelbare bodemdalingen. Relatie met Kwetsbare gebouwen In het ramptype 'Instorting van gebouwen en bouwwerken', wordt in de Leidraad Maatramp uitgegaan van een variëteit aan denkbare oorzaken van instorting. Een zware gasontploffing in een woongebouw is een voorbeeld in dit kader (dit valt als binnenshuiseffect overigens niet onder het ramptype Ongevallen met brandbare/explosieve stoffen). Instorting kan het gevolg zijn van een belasting op het gebouw die groter is dan de aanwezige sterkte van het gebouw. De sterkte kan door gebreken in de constructie minder zijn dan beoogd; de belasting kan door in- of externe oorzaken (te) groot worden. In het kader van het ramptype 'Extreem weer' kunnen verschillende vormen van overbelasting ontstaan. Op deze wijze beschouwd is instorting een 'theoretisch denkbaar' gevaar voor in principe elk gebouw. Op de achtergrondkaart van de Risicokaart is bijna alle bebouwing herkenbaar. Alleen objecten die onder Tab 3 als kwetsbare object zijn geselecteerd, worden voldoende relevant geacht voor een afzonderlijke presentatie. 9.2 Selectie voor weergave op de Risicokaart Verplicht voor de publieke Risicokaart zijn: a. De gebieden in Nederland waar, met een kans van 10% in 50 jaar, een aardbeving kan optreden met een intensiteit van VI of hoger op de Europese Macroseismische Schaal (EMS). b. Delfstoffenwinningsgebieden waar in het verleden een beving heeft plaatsgevonden en gebieden waar in de toekomst (tijdens de verwachte productie) een beving zou kunnen plaatsvinden. Optioneel voor de professionele Risicokaart zijn: LRI-overige ramptypen, tab 09, versie 3.1 oktober 2007 pag 4 van 7

c. Holten in de ondergrond waarvan een gemeente, eventueel in afstemming met Staatstoezicht op de Mijnen, bepaalt dat het nuttig is om deze op te nemen. Staatstoezicht op de Mijnen informeert gemeenten wanneer ter plaatse van hun grondgebied zich ondergrondse holten (als gevolg van delfstoffenwinning (cavernes, mijngangen etc) bevinden die een bepaald risico hebben in relatie tot het verlenen van bouwvergunningen. In de praktijk kunnen dergelijke situaties voorkomen bij Kerkrade, Hengelo en Enschede. Bij alle overige win plaatsen (huidige zoutwinning, gas- en oliewinning, gasopslag in de ondergrond) kunnen zich voor zover bekend geen instortingen aan het maaiveld voordoen. Hier kan alleen langzame schotelvormige bodemdaling plaatsvinden van maximaal enige decimeters in het diepste punt. In enkele gebieden van de vroegere diepere steenkoolwinning in Zuid-Limburg kan zelfs bodemstijging plaatsvinden van enige centimeters als gevolg van stijgend mijnwater. Tenslotte voor de goede orde: Langzame bodemdaling is geen onderwerp voor de Risicokaart, aangezien hier enkel plotselinge gebeurtenissen worden beschouwd. 9.3 Informatiebronnen Voor de invoer van de Risicokaart zijn de volgende zaken van belang: a. Informatie van het KNMI over gebieden waar, met een kans van 10% in 50 jaar, een aardbeving kan optreden met een intensiteit van VI of hoger op de Europese Macroseismische Schaal (EMS). Zie figuur 9.2. Op basis van deze figuur blijkt dat in het zuidoostelijk deel van Nederland de seismische intensiteiten VI en VII kunnen worden ervaren (een gebied met intensiteit VIII ligt in Duitsland). De gebieden in Nederland met de seismische intensiteit VI en VII zijn daardoor relevant voor de Risicokaart; b. Delfstoffenwinningsgebieden waar in het verleden een beving heeft plaatsgevonden en gebieden waar (in de toekomst) kans is dat dit nog kan plaatsvinden; c. Holten (zoals cavernes) in de ondergrond waarvan gemeenten, in afstemming met Staatstoezicht op de Mijnen, het van belang vinden deze op te nemen. In de praktijk wordt verwacht dat dit alleen situaties betreft ter plaatse van het grondgebied van de gemeenten Kerkrade, Hengelo en Enschede. Hoe aan deze gegevens kan worden gekomen ten behoeve van het invoeren hiervan in de invoermodule (ISOR) van de Risicokaart staat hieronder. De bronnen voor deze invoer zijn respectievelijk: a. het KNMI, Afdeling Seismologie. Het KNMI beschikt niet over een gedetailleerdere weergave dan figuur 9.2. Het KNMI kan de invoerder(s) van het ISOR (bij voorkeur gebundeld per provincie) eventueel wel meer details geven over de ligging van de (grenzen van deze) Risicokaart-relevante intensiteitgebieden. b. Via www.dinoloket.nl is veel informatie over bijzonderheden met betrekking tot de ondergrond beschikbaar. TNO zorgt dat vanaf 1 december 2006 via dit LRI-overige ramptypen, tab 09, versie 3.1 oktober 2007 pag 5 van 7

loket (GIS)bestanden beschikbaar zijn waarop de delfstofwinningsgebieden staan. Eventueel kan ook informatie worden ingewonnen bij bedrijven die betrokken zijn bij de winning van delfstoffen. Bijvoorbeeld ten behoeve van informatie over de voorgenomen productieperiode van een delfstofwinningsgebied. c. het Staatstoezicht op de Mijnen (Ministerie van Economische Zaken); 9.4 Basisinformatie De gegevens die over de ondergrond in de database c.q. invoermodule van de Risicokaart (kunnen) komen zijn vermeld in figuur 9.3. Attribuut Type object toelichting Locatie geo-gepositioneerd (geen adresinfo) Type object toelichting Locatie geo-gepositioneerd (geen adresinfo) Naam Vermelding op de publiekskaart Basisinformatie met betrekking tot de ondergrond 1 Gebied Contourlijn Bijzonderheid in de ondergrond Gebieden met een EMSintensiteit Delfstofwinningsgebied VI of hoger dat heeft gebeefd en/of waarvoor een kans op beven aanwezig is. vlak een gesloten lijn Naam van type object ja/nee; Ja indien voldaan is aan de criteria in paragraaf 9.3 Van toepassing voor een holte (bepaalde cavernes) in de ondergrond van een gemeente waarvoor, eventueel in afstemming met Staatstoezicht op de Mijnen, wordt bepaald dat deze moet worden opgenomen. punt Figuur 9.3: van de basisinformatie omtrent de ondergrond. 9.5 Informatie over het gebruik Het datamodel (c.q. de invoermodule) van de Risicokaart bevat geen nadere informatie over de objecten met betrekking tot de ondergrond. 1 De indeling van de objecten in relatie tot de ondergrond is met ingang van de LRI versie 3.0 december 2006 gewijzigd, evenals de verdeling ervan over de publieke- en de professionele Risicokaart. LRI-overige ramptypen, tab 09, versie 3.1 oktober 2007 pag 6 van 7

9.6 Risico-informatie In de invoermodule van de Risicokaart is geen nadere informatie opgenomen over risico en mogelijke effecten, noch van eventuele hulpverleningsactiviteiten bij bevingen. 9.7 Planinformatie bij de ondergrond Denkbaar is dat er naar aanleiding van nieuwe informatie over de (plaatselijke) ondergrond, wordt besloten tot het opstellen van een plan voor hulpverlening bij een eventuele beving of plotselinge bodemdaling. In het datamodel (c.q. invoermodule) van de Risicokaart is daarom rekening gehouden met de volgende drie planvormen: - Rampbestrijdingsplan; bron: gemeente; - Coördinatieplan; bron: o.a. de Regionale Brandweer en eventueel RWS; - Calamiteitenplan: bron RWS (bijv. bij betrokken wegen). Attribuut Rampbestrijdingsplan verplicht? aanwezig? datum referentie Coördinatieplan verplicht aanwezig datum referentie Calamiteitenplan - verplicht - aanwezig - datum - referentie Mogelijke Planinformatie bij ondergrondse entiteiten j/n/nader te bepalen j/n datum van het plan (laatste revisie) referentie naar het plan (zie figuur 9.5) Mogelijk van toepassing wanneer er geen RB-plan is j/n/nader te bepalen j/n datum van het plan (laatste revisie) referentie naar het plan (zie figuur 9.5) j/n voor dit specifieke object j/n datum van het plan referentie naar het plan (zie figuur 9.5) Figuur 9.4: Overzicht van planinformatie bij ondergrond Voor het aanduiden (referentie) van een bepaald plan wordt het in figuur 9.5 aangegeven systeem gehanteerd. De referentie van het plan kan een link zijn. Attribuut Referentie-informatie bij diverse planvormen en vergunningen - referentie naam dienst plaatsnaam naam of ref.nr. van het plan Figuur 9.5: Stramien voor referentie-info bij een bepaald plan LRI-overige ramptypen, tab 09, versie 3.1 oktober 2007 pag 7 van 7

10 Overstromingsgebieden Inhoud 10.1 Inleiding... 2 10.2 Selectie van de relevante gebieden... 3 10.3 Informatiebronnen... 6 10.4 Basisinformatie... 6 10.5 Informatie over het gebruik... 7 10.6 Risico-informatie... 8 10.7 Planinformatie... 9 Bijlage 10A: Lijsten uit Wet op de waterkering... 11 Verklaring van de tabellen Attribuut Attribuutnaam Attribuutnaam Attribuutnaam Attribuutnaam informatie over een object De grijsarcering van de attribuutnaam geeft aan dat dit veld 'verplicht' is. Dit houdt in: Indien er iets van het betreffende object wordt vermeld, dan in elk geval dit invullen. De zwarte balk in de eerste kolom geeft aan dat deze informatie op de publieke Risicokaart gepresenteerd wordt. Dat kan overigens in een heel andere vorm geschieden. Bijv.: xy-coördinaten als een stip op de goede locatie. Deze informatie wordt op de publieke Risicokaart gepresenteerd indien aanwezig, maar behoeft niet te worden ingevuld. De grijsarcering van de attribuutnaam geeft aan dat dit veld 'verplicht' is. De witte kleuring in de eerste kolom echter duidt erop dat dit gegeven niet wordt getoond op de publieke Risicokaart. Dit soort verplichte gegevens heeft een essentiële functie in het databestand of de presentatievorm. Het gaat doorgaans om de meer technisch-inhoudelijke informatie die ook voor professioneel gebruik (de professionele Risicokaart) van belang kan zijn. Deze informatie wordt niet op de publieke Risicokaart gepresenteerd, en behoeft niet te worden ingevuld. Het gaat om informatie voor professioneel gebruik en wordt getoond op de professionele Risicokaart. met een zwart vakje in deze kolom wordt aangegeven dat de betreffende informatie bedoeld is voor weergave op de publieke Risicokaart. LRI-overige ramptypen, tab 10, versie 3.1 oktober 2007 pag 1 van 14

10.1 Inleiding Met het ramptype Overstromingen (ramptype 14 uit de Leidraad Maatramp) is in Nederland veel ervaring opgedaan bij meerdere (grote) gebeurtenissen. Onder meer in februari 1953 in Zeeland en Zuid-Holland, in 1995 preventieve spoedevacuaties langs de grote rivieren en in 1998 dreiging in verschillende delen van het land van omvangrijke wateroverlast door overvloedige regenval. Door nieuwe inzichten is in deze Leidraad Risico-inventarisatie gekozen om alle gebieden die kunnen overstromen door het falen van een primaire waterkering op te nemen op de risicokaart (overstromingsgebieden binnen de 95 dijkringen) in tegenstelling tot wat er in de Leidraad Maatramp staat. Op de risicokaart zal de volgende informatie worden getoond van elke dijkring: 1. De Naam en het nummer van de dijkring 2. Een adresaanduiding die in elk geval bestaat uit een gemeente (minimaal vereist) 3. De begrenzing (ligging) van de dijkring. 4. De wettelijke veiligheidsnorm behorend bij de dijkring 5. De verwachte overstromingsdiepten in de dijkring als de primaire kering faalt bij normomstandigheden (dus geen uitzonderlijk extreme omstandigheden). Deze verwachte overstromingsdiepten(waterstand) worden berekend op basis van meerdere overstromingsscenario s behorend bij representatieve breslocaties. 6. Gegevens over Bevoegd Gezag, het aantal aanwezige personen, risicoinformatie en verwijzingen naar planinformatie. Het kaartbeeld geeft de overstromingsdiepte per locatie weer, welke berekent dient te worden met verschillende overstromingsscenario s, op basis van uniforme uitgangspunten. Het weergeven zal geschieden in de volgende categorieën: 0-20, 20-50, 50-80, 80-200, 200-500 en >500 cm. Daarvoor moet een gridstructuur gemaakt worden per dijkring. De informatie moet oproepbaar zijn als kaartbeeld én de overstromingsdiepte/waterstand op de geselecteerde plek op de kaart dient getoond te worden als de gebruiker dit wenst. Om de gegevens op de risicokaart goed te kunnen tonen, zullen de overstromingsgebieden (per dijkring) geregistreerd worden met een aantal relevante gegevens. Gegevens die aan de verschillende raadplegers van de kaart (publiekskaart en kaart voor professionele gebruikers) getoond kunnen worden en die noodzakelijk zijn om specifieke selecties te kunnen maken. Voor de professionele gebruikers is er uitgebreidere informatie beschikbaar in professionele systemen (o.a. de afzonderlijke scenario s in de HISscenarioviewer). Het onderscheid tussen gegevens op de publiekskaart en de kaart voor de professionals is het tonen van de risico-informatie (zie 10.4 en verder). We gaan vooralsnog uit van de vastgestelde 95 dijkringgebieden die weergegeven dienen te worden (zie 10.2). Hiervoor zijn voldoende relevante gegevens beschikbaar. LRI-overige ramptypen, tab 10, versie 3.1 oktober 2007 pag 2 van 14

Aanpassingen die in de toekomst (mogelijk) nog worden doorgevoerd en gerelateerd zijn aan ruimtelijke ontwikkelingen: Buitendijkse gebieden (in principe alles wat voor een primaire waterkering ligt). Inschatting is dat de gegevens eind 2007 of begin 2008 beschikbaar zijn. Overstromingen vanuit regionale wateren. Gevolgen kunnen overigens lokaal vergelijkbaar of groter zijn dan overstromingen door het falen van een primaire waterkering). Overstromingskans van een dijkring (VNK2-project). Overstromingsrisico (kans x gevolg) van een dijkring (VNK2-project).. 10.2 Selectie van de relevante gebieden Relevante gebieden selecteren op basis van overstromingskansen zou ideaal zijn. Op dit moment is het nog niet goed mogelijk om de overstromingskansen voldoende nauwkeurig te berekenen voor toepassing in de risicokaart. De kanswaardering wordt daarom voorlopig ingevuld door de wettelijke norm, zoals vastgelegd in artikel 3 eerste lid van de Wet op de waterkering: 'Op de bij deze wet behorende bijlage II en bijlage IIA is voor elk dijkringgebied de veiligheidsnorm aangegeven als gemiddelde overschrijdingskans - per jaar - van de hoogste hoogwaterstand waarop de tot directe kering van het buitenwater bestemde primaire waterkering moet zijn berekend, mede gelet op overige het waterkerend vermogen bepalende factoren.' Deze bijlagen zijn in deze tab opgenomen als bijlage 10A. De dijkringgebieden zelf zijn weergegeven in figuur 10.1 en 10.2. Waterkeringen kunnen echter ook bezwijken door andere mechanismen dan overlopen, bijvoorbeeld door piping 1 of afschuiven van een doorweekt talud. De overstromingsrisicokaart toont de maximaal te verwachten waterdiepten ten gevolge van een doorbraak van de primaire waterkeringen. Uitgangspunt is dat de doorbraken plaatsvinden onder maatgevende omstandigheden. In deze leidraad wordt gesteld dat er sprake is van maatgevende omstandigheden als voor de waterkering een hoogwaterstand optreedt met een overschrijdingsfrequentie gelijk aan de wettelijke norm. N.B. Een uitzondering hierop vormen de duinen langs de kust. Hier is sprake van maatgevende omstandigheden als voor de kust een hoogwater optreedt gelijk aan het rekenpeil. Het rekenpeil wordt gevonden door de hoogwaterstand, met een overschrijdingsfrequentie gelijk aan de wettelijke norm, te verhogen met twee derde van de decimeringshoogte. De decimeringshoogte is het verschil in hoogte tussen de waterstand met een overschrijdingsfrequentie ge- 1 Het uitspoelen van gronddeeltjes uit een dijk of kade door waterstandsverschil, waardoor verzwakking en eventueel bezwijking van de kering kan plaatsvinden. LRI-overige ramptypen, tab 10, versie 3.1 oktober 2007 pag 3 van 14

lijk aan de wettelijke norm en de waterstand met een overschrijdingsfrequentie die tien keer lager is. Figuur 10.1: Schematische weergave van de dijkringen 1-53. De veiligheidsnorm per dijkring staat in bijlage II van de Wet op de waterkering. LRI-overige ramptypen, tab 10, versie 3.1 oktober 2007 pag 4 van 14

Figuur 10.2: Schematische weergave van de dijkringen 54-95. De veiligheidsnorm per dijkring staat in bijlage IIA van de Wet op de waterkering. LRI-overige ramptypen, tab 10, versie 3.1 oktober 2007 pag 5 van 14

10.3 Informatiebronnen Informatie over de dijkringen worden door de provincies (afdeling hoogwatersbescherming) geleverd. De overstromingsdiepte per gebied wordt afgeleid vanuit verschillende scenario s. Rijkswaterstaat (DWW) zal de provincies ondersteunen in het bepalen van de overstromingsdiepten waardoor landelijk uniformiteit zal worden gerealiseerd. De overstromingsdiepten zullen als een gridstructuur per gebied worden gerealiseerd. De provincies zullen de gegevens invoeren en autoriseren in het systeem na overleg met en instemming van de keringbeheerders en de gemeenten. In de Regeling provinciale risicokaart (Ministeriële regeling) is vastgelegd dat de gemeenten de gegevens van Overige Ramptypen registreren en autoriseren. Voor overstromingen is dit niet realistisch. Dijkringen overstijgen de grenzen van gemeenten en zelfs provincies. In de wet op de waterkering is in artikel 6 het volgende opgenomen, ten aanzien van de verantwoordelijkheid voor primaire waterkeringen: Artikel 6 1. Gedeputeerde staten hebben het toezicht op alle primaire waterkeringen in hun provincie. 2. Indien een primaire waterkering is gelegen in meerdere provincies, kunnen gedeputeerde staten van die provincies bij overeenstemmende besluiten bepalen dat het toezicht op die primaire waterkering wordt uitgeoefend door gedeputeerde staten van de provincie waarin de primaire waterkering in hoofdzaak is gelegen. Voorgesteld wordt om de provincie waarin de primaire waterkering in hoofdzaak is gelegen aan te wijzen als Verantwoordelijke voor de registratie en de autorisatie van de gegevens. Autoriseren alleen na overleg met en instemming van de keringbeheerders en gemeenten. Te verwachten is dat de betrokken veiligheidsregio's in het kader van het project Leidraad Maatramp ook gegevens over overstromingsrisico hebben verzameld. Overleg tussen provincies en brandweerregio s over de overstromingsrisico s is derhalve gewenst. 10.4 Basisinformatie Figuur 10.3 geeft aan welke objecten kunnen worden geregistreerd en wat de daarbij aan te geven (verplichte/optionele) basisinformatie is. Het gaat om de dijkringen (1 t/m 95) met hun Nummer, de Naam en de bijbehorende norm en om de waterdieptes berekend in een Gridstructuur. In de volgende paragrafen wordt beschreven welke aanvullende informatie bij overstromingsgebieden aan de orde is. LRI-overige ramptypen, tab 10, versie 3.1 oktober 2007 pag 6 van 14

Attribuut Type object Locatie geo-gepositioneerd Waterdiepten binnen de dijkring als Gridstructuur. (geo-gepositioneerd) Basisinformatie bij Overstromingsgebieden en gerelateerde objecten Dijkring In eerste instantie vereist : Het Adres. Bestaande uit minimaal de gemeente (belangrijkste gemeente behorend bij de dijkring. Verder is nodig de begrenzing van de dijkring (polygoon). Dus een vlak. Binnenin dit vlak de waterdiepten als GRID Naam én nummer Naam en nummer van de dijkring. Kadastrale aanduiding Externe Identificatie Memo en Memobron Veiligheidsnorm Beheerder Kadastrale aanduiding Identificatie waaronder het object bekend is bij bevoegd gezag Mogelijkheid voor tekstuele aanvullingen en de bijbehorende bron De bij de dijkring vastgestelde veiligheidsnorm (wettelijke norm) Desgewenst gegevens van Beheerder van het object, zie Tab 0, bijlage A Figuur 10.3: van de basisinformatie van de objecten die hier aan de orde zijn 10.5 Informatie over het gebruik In het datamodel van het landelijk model risicokaart kan enige beperkte informatie worden opgenomen over de intensiteit van het gebruik van de beschouwde dijkringen.(..) De in het datamodel opgenomen gegevens over het gebruik van potentiële overstromingsgebieden zijn weergegeven in figuur 10.4. Voor zover de dijkringen gehele gemeenten omvat, is het aantal bewoners eenvoudig te achterhalen. Eventueel kan men (afzonderlijk) een GIS-analyse uitvoeren of een schatting maken van het aantal bewoners in het gebied. LRI-overige ramptypen, tab 10, versie 3.1 oktober 2007 pag 7 van 14

Attribuut Aantal personen Gebruiksinformatie bij Overstromingsgebieden Globaal aantal inwoners (overnachters) in het gebied; categorieën: - minder dan 10-5.000 tot 15.000-10 tot 100-15.000 tot 35.000-100 tot 500-35.000 tot 75.000-500 tot 5.000-75.000 en meer - - (een specifiek op te geven aantal) Figuur 10.4: van gebruiksinformatie bij overstromingsgebieden (gebied=dijkring) 10.6 Risico-informatie In figuur 10.5 is weergegeven welke aspecten onder de titel risico-informatie kunnen worden opgenomen in het databestand (Model-risicokaart). De bij de dijkring vastgestelde veiligheidsnorm dient als verplicht attribuut te worden geregistreerd. (..) Er kan attribuutinformatie over hulpbehoefte bij overstroming van het betrokken gebied (de dijkring) worden geregistreerd. Hiervan zijn indicaties ontleend aan de Leidraad Maatramp. Het zal duidelijk zijn dat sprake is van een benadering en dat men lokaal wellicht over betere indicaties beschikt. LRI-overige ramptypen, tab 10, versie 3.1 oktober 2007 pag 8 van 14

Risico-informatie bij Overstromingsgebieden Attribuut Veiligheidsnorm De bij de dijkring vastgestelde veiligheidsnorm Bijdrage maatscenario Klassering van de (bijdrage) van het object aan het LMR-scenario (I V) - Tot / met 5.000 maatscenario: I - 5.000 tot 15.000 II - 15.000 tot 35.000 III - 35.000 tot 75.000 IV - 75.000 en meer V Aantal slachtoffers Maatrampscenario (indicatie) I II III IV V Gewonden (T1+T2) + doden 50 100 250 500 750 Detaillering GHOR bron: LMR, versie 1.3 Hulpvraag Brw bron: LMR, versie 1.3 Hulpvraag Politie bron: LMR, versie 1.3 Hulpvraag Overig bron: LMR, versie 1.3 Algemene indicaties: Aantal gewonden (T1+T2+T3): Percentage T1+T2: Gewonden met mechanisch letsel: Gewonden met thermisch letsel: Algemene indicaties: Te bevrijden T1-slachtoffers: Aantal te redden personen: Algemene indicaties: Aanwezige personen Aantal ordeverstoorders Aantal voor te geleiden personen Aantal af te zetten punten 2 Aantal te identificeren doden Aantal te begeleiden voertuigen Algemene indicaties: Aantal verslaggevers Aantal te informeren huishoudens Aantal bellers Aantal ontheemden Aantal personen korte opvang Aantal personen nachtopvang Aantal personen lange opvang Fractie niet zelfredzame evacués idem Fractie medische hulp nodig. 265 15% 50% 100% 12 5000 80 30. 10 40 2500 1250 5000 3000 2000 1000 5% 5% 540 15% 50% 100% 25 10000 110 35. 20 50 5000 2500 10000 6000 4000 2000 5% 5% 1340 15% 50% 100% 60 25000 200 50. 50 80 12500 6250 25000 15000 10000 5000 5% 5% 2670 15% 50% 100% 120 1 50000 350 75. 100 130 25000 12500 50000 30000 20000 10000 5% 5% 4000 15% 50% 100% 180 75000 500 100. 150 180 37500 19000 75000 45000 30000 15000 5% 5% Figuur 10.5: Overzicht van risico-informatie omtrent overstromingsgebieden 10.7 Planinformatie In verband met eventuele overstromingen kan een combinatie van verschillende operationele plannen aan de orde zijn (zie figuur 10.6): - Rampbestrijdingsplan (bron: Veiligheidsregio/gemeente). - Calamiteitenplannen (bron: de betrokken keringbeheerders; de regionale Directie van RWS en/of de Waterschappen). 2 Dit aantal is in de specifieke situatie veel beter in te schatten dan deze indicatie; bron: politie. LRI-overige ramptypen, tab 10, versie 3.1 oktober 2007 pag 9 van 14

- Evacuatieplannen (als onderdeel van de Rampenbestrijdingsplannen) (bron: Politie en/of regionale brandweer/veiligheidsregio s). Er zijn wettelijke regels voor bepaalde planvormen zoals een calamiteitenplan voor RWS. Voor andere planvormen is de noodzaak veelal een uitvloeisel van plaatselijk beleid en in dat geval verplicht op grond van bevoegdheden van de betrokken gemeente(n). Vanwege het voorgaande wordt in het systeem de mogelijkheid gegeven op te geven of de betrokken planvorm 'verplicht' is, 'niet verplicht' of 'nader te bepalen'. Indien een bepaald soort plan aanwezig is, dan volgen enige vragen om dit nader aan te duiden. Voor het aanduiden (referentie) van een bepaald plan wordt het in figuur 10.7 aangegeven systeem gehanteerd. De referentie van het plan kan een link zijn. Attribuut Rampbestrijdingsplan verplicht? aanwezig? datum referentie Calamiteitenplan verplicht aanwezig datum referentie - Evacuatieplan - gewenst - aanwezig - datum - referentie Mogelijke Planinformatie bij Overstromingsgebieden j/n/nader te bepalen j/n datum van het plan (laatste revisie) referentie naar het plan (zie figuur 10.6) j/n/nader te bepalen j/n datum van het plan (laatste revisie) referentie naar het plan (zie figuur 10.6) j/n voor dit specifieke object j/n datum vergunning referentie van de vergunning (ziefiguur 10.6) Figuur 10.6: Overzicht van planinformatie bij overstromingsgebieden Attribuut Referentie-informatie bij diverse planvormen en vergunningen referentie naam dienst plaatsnaam Naam of ref.nr. van het plan Figuur 10.7: Stramien voor het opgeven van referentie-info bij een bepaald plan LRI-overige ramptypen, tab 10, versie 3.1 oktober 2007 pag 10 van 14

Bijlage 10A: Lijsten uit Wet op de waterkering In paragraaf 10.2 staat dat de bijlagen II en bijlage IIA van de Wet op de waterkering van belang zijn. In bijlage II staan de veiligheidsnormen die horen bij de dijkringgebieden 1 t/m 53. Voor de ligging van deze dijkringgebieden zie figuur 10.1 van deze tab. In bijlage IIA staan de veiligheidsnormen die horen bij de dijkringgebieden 54 t/m 95. Voor de ligging van deze dijkringgebieden zie figuur 10.2 van deze tab. Hieronder staan deze bijlagen II en IIA in verkorte vorm. De volledige naam/ omschrijving ontbreekt. Bijlage II. als bedoeld in artikel 3 van de Wet op de waterkering Dijkringgebieden (nummer en naam) en veiligheidsnormen Dijkringgebied volgens bij de wet behorende bijlage II Nummer 1. Naam/omschrijving 1/2000 2.,,,,,,,, 1/2000 3. 1/2000 4. 1/2000 5. 1/4000 6. 1/4000 7. 1/4000 8. 1/4000 9. 1/1250 10. 1/2000 11. 1/2000 12. 1/4000 13. 1/10000 13a. 1/4000 13b. 1/1250 14. 1/10000 15. 1/2000 16. 1/2000 17. 1/4000 18. 1/10000 19. 1/10000 20. 1/4000 21. 1/2000 22. 1/2000 23. 1/2000 Overschrijdingskans, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de wet Gemiddeld per jaar LRI-overige ramptypen, tab 10, versie 3.1 oktober 2007 pag 11 van 14

Dijkringgebied volgens bij de wet behorende bijlage II Nummer 24. Naam/Omschrijving 1/2000 25.,,,,,,,, 1/4000 26. 1/4000 27. 1/4000 28. 1/4000 29. 1/4000 30. 1/4000 31. 1/4000 32. 1/4000 33. 1/4000 34. 1/2000 34a. 1/2000 35. 1/2000 36. 1/1250 36a. 1/1250 37. 1/1250 38. 1/1250 39. 1/1250 40. 1/500 41. 1/1250 42. 1/1250 43. 1/1250 44. 1/1250 45. 1/1250 46. 1/1250 47. 1/1250 48. 1/1250 49. 1/1250 50. 1/1250 51. 1/1250 52. 1/1250 53. 1/1250 Overschrijdingskans, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de wet Gemiddeld per jaar LRI-overige ramptypen, tab 10, versie 3.1 oktober 2007 pag 12 van 14

Bijlage IIA. als bedoeld in i artikel 3 van de Wet op de waterkering Dijkringgebieden (nummer en naam) en veiligheidsnormen Dijkringgebied volgens bij de wet behorende bijlage IIA Overschrijdingskans als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de wet Nummer Gemiddeld per jaar 54. Naam/Omschrijving 1/250 55.,,,,,,,, 1/250 56. 1/250 57. 1/250 58. 1/250 59. 1/250 60. 1/250 61. 1/250 62. 1/250 63. 1/250 64. 1/250 65. 1/250 66. 1/250 67. 1/250 68. 1/250 69. 1/250 70. 1/250 71. 1/250 72. 1/250 73. 1/250 74. 1/250 75. 1/250 76. 1/250 77. 1/250 78. 1/250 79 1/250 80. 1/250 81. 1/250 82. 1/250 83. 1/250 LRI-overige ramptypen, tab 10, versie 3.1 oktober 2007 pag 13 van 14

Dijkringgebied volgens bij de wet behorende bijlage IIA Overschrijdingskans als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de wet 84. Naam/Omschrijving 1/250 85..,,,,,,,, 1/250 86. 1/250 87. 1/250 88. 1/250 89. 1/250 90. 1/250 91. 1/250 92. 1/250 93. 1/250 94. 1/250 95. 1/250 LRI-overige ramptypen, tab 10, versie 3.1 oktober 2007 pag 14 van 14

11 Natuurgebied Inhoud 11.1 Inleiding... 2 11.2 Selectie van de relevante percelen... 2 11.3 Informatiebronnen... 2 11.4 Basisinformatie... 3 11.5 Informatie over het gebruik... 3 11.6 Risico-informatie... 4 11.7 Planinformatie... 6 Verklaring van de tabellen Attribuut Attribuutnaam Attribuutnaam Attribuutnaam Attribuutnaam Informatie over een object De grijsarcering van de attribuutnaam geeft aan dat dit veld 'verplicht' is. Dit houdt in: Indien er iets van het betreffende object wordt vermeld, dan in elk geval dit invullen. De zwarte balk in de eerste kolom geeft aan dat deze informatie op de publieke Risicokaart gepresenteerd wordt. Dat kan overigens in een heel andere vorm geschieden. Bijv.: xy-coördinaten als een stip op de goede locatie. Deze informatie wordt op de publieke Risicokaart gepresenteerd indien aanwezig, maar behoeft niet te worden ingevuld. De grijsarcering van de attribuutnaam geeft aan dat dit veld 'verplicht' is. De witte kleuring in de eerste kolom echter duidt erop dat dit gegeven niet wordt getoond op de publieke Risicokaart. Dit soort verplichte gegevens heeft een essentiële functie in het databestand of de presentatievorm. Het gaat doorgaans om de meer technisch-inhoudelijke informatie die ook voor professioneel gebruik (de professionele Risicokaart) van belang kan zijn. Deze informatie wordt niet op de publieke Risicokaart gepresenteerd, en behoeft niet te worden ingevuld. Het gaat om informatie voor professioneel gebruik en wordt getoond op de professionele Risicokaart. met een zwart vakje in deze kolom wordt aangegeven dat de betreffende informatie bedoeld is voor weergave op de publieke Risicokaart. LRI-overige ramptypen, tab 11, versie 3.1 oktober 2007 pag 1 van 6

11.1 Inleiding Bij het ramptype 'Natuurbranden' gaat het primair om grote tot zeer grote natuurbranden. Heide-, duin of veenbranden komen geregeld voor en de natuur herstelt er doorgaans snel van. Heide-, duin- en veengebied kan worden geregistreerd maar wordt alleen op de risicokaart vermeld wanneer er een gevaar voor een substantieel bosareaal of bebouwing uitgaat. 11.2 Selectie van de relevante percelen Voor registratie op de Risicokaart wordt, evenals in de Leidraad Maatramp, enkel gekeken naar brandbaar natuurgebied met een aaneengesloten omvang van minstens 100 ha ( = 1 km 2 ). Doorsnijding zoals wegen, waterwegen of brandgangen waarbij zonder de inzet van de brandweer grote kans is op een 'automatische' brandoverslag zijn geen grenzen van een aaneengesloten brandbaar natuurgebied. Een aaneengesloten brandbaar natuurgebied wordt dus begrensd door een (brede) weg, waterweg of iets dergelijk waarbij ook zonder inspanning van de brandweer geen sprake zal zijn van brandoverslag. Indien er toch onduidelijkheid bestaat over de term 'aaneengesloten' dan is het van belang de situatie te laten beoordelen door de gemeentelijke of regionale brandweer op het hier beschreven criterium. De volgende gebieden moeten worden opgenomen op de publieke Risicokaart: 1. Gemengd bos en naaldbosgbied met een aaneengesloten omvang van minstens 100 ha.; 2. Heide-, (hoog)veen- en duingebied met een aaneengesloten omvang van minstens 100 ha. Dit geldt wanneer een brand in dit gebied een directe bedreiging vormt voor een substantieel bosareaal of bebouwing: vakantieparken of dorpen. Voor professioneel of ander gebruik van de risicokaart kunnen uiteraard ook andere gebieden worden geïnventariseerd. Het datamodel van de Model-risicokaart biedt daartoe enige aanknopingpunten, die dus niet bedoeld zijn voor weergave op de publiekskaart. Voor een nadere categorisering van natuurgebieden in verband met bosbrandgevaar wordt voorts aangesloten bij een rapportage van het Nibra over een risico-index voor natuurgebied. 11.3 Informatiebronnen Informatie over brandbaar bos- en natuurgebied is i.h.a. beschikbaar bij: - de betrokken gemeentelijke en regionale brandweren; - de grotere landschapsbeheerders (Staatbosbeheer, Natuurmonumenten e.d.). In het kader van het project Maatramp zijn door regionale brandweren reeds gegevens verzameld. Voor het beoordelen van het gevaar van een heide-, duin- of veenbrand voor aangrenzende bospercelen of bebouwing is, kan een deskundigenoordeel (brandweer) nodig zijn. LRI-overige ramptypen, tab 11, versie 3.1 oktober 2007 pag 2 van 6

Een nieuw element is dat de betrokken natuurgebieden als afzonderlijke objecten op een digitale kaart moeten worden aangegeven. Dit kan als volgt: a. via het invoerscherm van de Model-risicokaart (..); b. door het uit een andere bron (wellicht de bosbeheerder) overnemen van digitale locatiegegevens, dan wel deze in afzonderlijk systeem te digitaliseren en vervolgens in het datasysteem te importeren. 11.4 Basisinformatie De gegevens van die over deze objecten in de database van de risicokaart (kunnen) komen zijn vermeld in figuur 11.1. Attribuut Type natuurgebied Naam Locatie Basisinformatie bij Natuurgebieden per ingevoerd perceel te kiezen uit: 1. loofbos 2. Gemengd bos (loofhout/naaldhout) 3. gemengd bos met heide 4. open naaldbos 5. dichtbegroeid naaldbos 6. Heide 7. Heide / hoogveen 8. Duingebied (niet zijnde bos) naam van het gebied (evt. ook perceelnummers) een geo-gepositioneerd vlak Oppervlak (ha) automatisch af te leiden uit het gedigitaliseerde gebied Vermelding op de Ja / nee.ja indien wordt voldaan aan de criteria van par. 11.3. kaart*1 (voor heide, duin en veen is het criterium: aangrenzend bos of bebouwing) Beheerder Desgewenst gegevens van de Beheerder van het object, zie Tab 0, bijlage A *1 = Oerking: objecten die de (gemeente)grens overschrijden worden in zijn geheel op de kaart vermeld. Figuur 11.1: van de basisinformatie omtrent brandbaar natuurgebied 11.5 Informatie over het gebruik In het datamodel van de Modelrisicokaart is enige informatie opgenomen over de intensiteit van het gebruik van het beschouwde natuurgebied, zie figuur 11.2 op de volgende bladzijde. Het betreft het aantal personen dat geregeld binnen of direct langs het betrokken perceel aanwezig is. De telling van aanwezigen is ontleend aan de Leidraad Maatramp: 1. Bewoners en overnachtende gasten van campings en bungalowparken binnen het gebied worden geteld (geschat). 2. Bewoners en overnachtende gasten langs de rand van het gebied worden geteld (geschat). Het gaat hier om een strook van 100 m aangrenzend aan het gebied bevindt, maximaal van 1 km lengte en aan één zijde van het perceel. Bepalend is de zijde met het hoogste aantal personen LRI-overige ramptypen, tab 11, versie 3.1 oktober 2007 pag 3 van 6

Attribuut Aantal personen per deelgebied 3. De uitkomst van punt 1 en punt 2 (maximum aan 1 zijde) wordt opgeteld en ingevuld. Gebruiksinformatie bij over relevante percelen brandbaar Natuurgebied Globaal aantal inwoners / overnachters in/annex het gebied (langs de zijden = in een strook van 100m breed, max. 1 km lang) 1 Binnenin: 2 Noordzijde 3 Oostzijde 4 Zuidzijde 5 Westzijde Totaal maatgevend aantal personen (=som van 1 en de hoogste van 2 t/m 5) Globaal aantal inwoners / overnachters in/annex het gebied; categorieën: - minder dan 10-5.000 tot 15.000-10 tot 100-15.000 tot 35.000-100 tot 500-35.000 en meer - 500 tot 5.000 - (een specifiek aantal) Figuur 11.2: van gebruiksinformatie bij brandbaar natuurgebied 11.6 Risico-informatie Het gaat hier om administratieve (attribuut-)informatie die bij het betreffende perceel kan worden opgenomen over de omvang van het risico. Het betreft de volgende punten, die in figuur 11.4 zijn uitgewerkt (volgende bladzijde): - de bijdrage van het perceel aan het maatscenario Natuurbrand uit de Leidraad Maatramp, volgens figuur 11.3; - waardering van het risico volgens een index van het Nibra, die is opgebouwd uit de in figuur 11.5 aangegeven elementen - de daarbij behorende indicatieve kengetallen over de omvang van de hulpvraag. Op sommige punten zal men de indicaties met gegevens makkelijk kunnen aanscherpen met behulp van gegevens van het specifieke perceel. Deze risico-informatie bevat overigens geen nadere aanwijzingen over de kans op een grote brand in het betreffende perceel. Bijdrage perceel heide/duin/veen bosperceel Maatscenario*1 met aangrenzend bos / bebouwing I 100 tot 500 ha 100 tot 500 ha II 500 tot 2000 ha 500 tot 2000 ha. III 2000 tot 10000 ha 2000 ha en meer : IV 10000 tot 200000 ha - : V meer dan 20000 ha - *1 = Oerking: voor objecten die de gemeentegrens overschrijden is in de invoermodule de mogelijkheid opgenomen om aan te geven dat het onderdeel uitmaakt van een groter geheel. Figuur 11.3: Bijdrage van percelen aan het maatscenario natuurbrand ( = de grote aantallen gelden praktisch alleen voor gehele regio's) Bij figuur 11.3 moet worden opgemerkt dat de indelingssystematiek van de Leidraad Maatramp is afgestemd op het totale bosareaal in en regio. Dit betekent dat de indivi- LRI-overige ramptypen, tab 11, versie 3.1 oktober 2007 pag 4 van 6

Attribuut Categorie (risicowaardering) duele bospercelen afzonderlijk een lagere classificatie opleveren, behalve wanneer de regio slechts één aaneengesloten bosgebied omvat. Zie voorts figuur 11.4. Risico-informatie bij brandbaar Natuurgebied Classificering volgens Risico-indexering Natuurgebieden 1 - Gering risico (index onder de 250 punten) - Beperkt risico (index 250 t/m 300) - Middelmatig risico (index 301 t/m 400) - Hoog risico (index 401 t/m 500) - Zeer hoog risico (index 501 en hoger) Bijdrage maatscenario De bijdrage van het object aan het LMR-scenario (I V), zie figuur 11.3 Aantal slachtoffers Maatrampscenario (indicatie) I II III (IV) (V) Gewonden (T1+T2) + doden 5 10 10 (20) (35) Detaillering GHOR bron: tabellenboek LMR, versie 2.1 Hulpvraag Brw bron: tabellenboek LMR, versie 2.1 Hulpvraag Politie bron: tabellenboek LMR, versie 2.1 Hulpvraag Overig bron: tabellenboek LMR, versie 2.1 Algemene indicaties: Aantal gewonden (T1+T2+T3): Percentage T1+T2: Gewonden met mechanisch letsel: Gewonden met chemisch letsel: Gewonden met thermisch letsel: Algemene indicaties: Te bevrijden T1-slachtoffers: Aantal te redden personen: Tankautospuiten (blussing 1e uur): Algemene indicaties: Aanwezige personen (en kijkers) Aantal af te zetten punten 2 Aantal te identificeren doden Aantal te begeleiden voertuigen Algemene indicaties: Aantal verslaggevers Aantal te informeren huishoudens 3 Aantal bellers waarvan verwanten 15 30% 50% 50% 50% 2 12 750. - 30 40. 250 125 35 30% 50% 50% 50% 4 14 1000. - 35 40. 500 250 35 30% 50% 50% 50% 4 18 1500-40 50. 1000 500 65 30% 50% 50% 50% 6 30 3000-50 80. 2500 1250 100 30% 50% 50% 50% 9 50 5500 5 70 130. 5000 2500 Figuur 11.4: Overzicht van risico-informatie bij een brandbaar natuurgebied 1 2 3 Nibra-publicaties Risico-indexering Natuurbranden voor diverse natuurgebieden, o.a. het Veluwemassief (febr. 2003) Dit aantal is in de specifieke situatie veel beter in te schatten dan deze indicatie; bron: politie. Dit aantal kan het beste specifiek voor de betreffende situatie worden bepaald uit figuur 11.2. LRI-overige ramptypen, tab 11, versie 3.1 oktober 2007 pag 5 van 6

11.7 Planinformatie In verband met eventuele branden in natuurgebied kan een combinatie van verschillende operationele plannen aan de orde zijn (zie figuur11.5): - Rampbestrijdingsplan; bron: gemeente; - Calamiteitenplan: bron: de regionale Directie van RWS; - Coördinatieplan: bron: o.a. de Regionale brandweren; - Aanvalsplan: bron: Plaatselijke brandweer (brandweren); - Evacuatieplan: bron: gemeente. Het systeem biedt de mogelijkheid op te geven of de betrokken planvorm Gewenst dan wel Verplicht is, niet verplicht of 'Nader te bepalen'. Indien een bepaald soort plan aanwezig is, dan volgen enige vragen om dit nader aan te duiden. Hiervoor wordt het systeem van figuur 11.6 benut. De genoemde referentie van het plan kan een link zijn. Attribuut Rampbestrijdingsplan verplicht? aanwezig? datum referentie Calamiteitenplan verplicht aanwezig datum referentie - Coördinatieplan gewenst aanwezig datum referentie - Evacuatieplan gewenst aanwezig datum referentie Mogelijke Planinformatie bij brandbare Natuurgebieden Gegevens van een eventueel aanwezig/gewenst RB-plan j/n/nader te bepalen j/n datum van het plan (laatste revisie) referentie naar het plan (zie figuur 11.6) j/n/nader te bepalen j/n datum van het plan (laatste revisie) referentie naar het plan (zie figuur 11.6) Mogelijk van toepassing wanneer er geen RB-plan is j/n/nader te bepalen j/n datum van het plan (laatste revisie) referentie naar het plan (zie figuur 11.6) j/n/nader te bepalen j/n datum van het plan (laatste revisie) referentie naar het plan (zie figuur 11.6) Figuur 11.5 Overzicht van planinformatie bij brandbaar natuurgebied Attribuut Referentie-informatie bij diverse planvormen en vergunningen Referentie naam dienst plaatsnaam naam of ref.nr. van het plan Figuur 11.6 Stramien voor het opgeven van referentie-info bij een bepaald plan LRI-overige ramptypen, tab 11, versie 3.1 oktober 2007 pag 6 van 6