Hertentamen Structuur en Adaptatie van Cel en Weefsel 8W240 Dinsdag 16 augustus 2011 14.00-17.00 Faculteit Biomedische Technologie Verantwoordelijk docent: C. Bouten Mededocent: A. Driessen-Mol Dit tentamen bestaat uit 20 meerkeuze vragen en 20 open-eind vragen. Voor elke meerkeuzevraag kunt u 1 punt scoren. Voor de open-eind vragen kunt u gemiddeld 4 punten per vraag scoren; dus in totaal 80 punten voor alle open-eind vragen tezamen. De uitgebreidere vragen zullen iets zwaarder wegen dan de korte vragen. U kunt de antwoorden met het nummer van de bijbehorende vraag noteren op de uitgereikte blanco tentamen formulieren. Zet de antwoorden op de meerkeuze vragen op een afzonderlijk formulier. Dus: zet de antwoorden op de open-eind vragen op een ander formulier. Noteer op elk formulier uw naam, het vaknummer en uw studentnummer. Veel succes! 1
Meerkeuze vragen 1. Hyperplasie is: a) toename van de grootte van cellen b) differentiatie van cellen c) toename van het aantal cellen d) afname van het aantal cellen 2. Welke cellen in een schadegebied zijn kenmerkend voor een chronische ontsteking? a) lymfocyten b) granulocyten c) monocyten d) rode bloedcellen 3. Welke van onderstaande celbronnen zijn volwassen, of adulte stamcelbronnen? a) epicardcellen, beenmergcellen, buikvetcellen b) beenmergcellen, vaatwandcellen, buikvetcellen c) vaatwandcellen en buikvetcellen d) embryonale stamcellen en beenmergcellen 4. De fibrinematrix die gevormd wordt tijdens weefselherstel is: a) een tijdelijke extracellulaire matrix b) de definitieve extracellulaire matrix, deze dient alleen nog gecrosslinkt te worden c) een teken van regeneratie d) een voedingsbodem voor het in stand houden van de ontsteking 5. Welk van onderstaande celtypen is een type witte bloedcel? a) bloedplaatje b) granulocyt c) macrofaag d) gladde spiercel 6. Wat is de juiste volgorde van de fasen die te onderscheiden zijn in een acute ontsteking? a) amplificatie/initiatie/vermenigvuldiging/beëindiging b) initiatie/vernietiging/amplificatie/beëindiging c) initiatie/beëindiging/vernietiging/amplificatie d) initiatie/amplificatie/vernietiging/beëindiging 2
7. Waarom hebben rode bloedcellen geen kern? a) om de capillairen te kunnen passeren b) om zuurstof te transporteren c) om energie te sparen d) om de levensduur te verlengen 8. Is atherosclerose een chronische of acute ontsteking en heeft het betrekking op de aders of de slagaders? a) atherosclerose is een chronische ontsteking van de aders b) atherosclerose is een acute ontsteking van de aders c) atherosclerose is geen ontsteking d) atherosclerose is een chronische ontsteking van de slagaders 9. Wat is de rol van een tumorsupressorgen? a) bij schade de celcyclus kunnen stopzetten b) de celcyclus versnellen indien nodig c) transdifferentiatie naar een kankercel stimuleren d) een asymmetrische deling opstarten 10. Wat is een allograft? a) een weefseltransplantaat van dier op mens b) een weefseltransplantaat binnen het eigen lichaam c) een weefseltransplantaat van mens op mens d) een weefseltransplantaat van mens op dier 11. Zet onderstaande spiercellen op volgorde van grootte, van groot naar klein: a) gladde spiercel, hartspiercel, skeletspiercel b) skeletspiercel, hartspiercel, gladde spiercel c) hartspiercel, gladde spiercel, skeletspiercel d) skeletspiercel, gladde spiercel, hartspiercel 12. Zet in volgorde van regeneratief vermogen, van hoog naar laag: a) lever, bloed, hart b) hart, lever, bloed c) bloed, lever, hart d) bloed, hart, lever 13. Welke cel is verantwoordelijk voor de bloedvernieuwing en waar bevindt deze zich? a) de monocyt in het bloed b) de hematopoietische stamcel in de vaatwand c) de megakaryocyt in het beenmerg d) de hematopoietische stamcel in het beenmerg 3
14. Wat wordt bedoeld met collageen maturatie? a) dunner worden van de collageenvezels b) verhoging van de collageen hoeveelheid c) crosslinking van de collageen matrix d) afbraak van collageen door metalloproteinases 15. De immortal strand hypothese bij een stamceldeling is: a) een mogelijk mechanisme om stamcellen snel te kunnen laten delen b) een mogelijk mechanisme om stamcellen te laten differentiëren zonder te hoeven delen c) een mogelijk mechanisme om het oorspronkelijk DNA in een cel te behouden bij deling van stamcellen d) een mogelijk mechanisme om fouten op te sporen in het DNA van de stamcellen om deling en dus verspreiding van die fouten te voorkomen 16. Wat is het grootste directe risico van atherosclerose? a) interne bloedingen b) scheuren van de fibrous cap c) een hartinfarct d) aneurysmavorming 17. Waarvoor dienen conditionering strategieën in tissue engineering? a) om op de juiste manier cellen te stimuleren om weefsel te maken b) om een scaffold bioactief te maken c) om de cellen op de juiste manier in een scaffold te krijgen d) om een tissue-engineered product op de markt te brengen 18. Hoe kun je de multipotency van stamcellen in het laboratorium aantonen? a) snelle proliferatie aantonen b) productie van veel extracellulaire matrix aantonen c) aantonen dat het geen kankercellen worden na veel delingen d) differentiatie in meerdere celtypen aantonen 19. Wat betekent een ratio M1:M2 macrofagen > 1? a) dat er sprake is van een groter schadegebied b) dat er meer kans is op littekenweefsel vorming dan op regeneratie c) dat er sprake is van een virusinfectie d) dat er geen angiogenese kan plaatsvinden 4
20. Weefsels kunnen groeien door: 1) deling van cellen, 2) groter worden van cellen en/of 3) vorming van meer extracellulaire matrix. Wat is waar? a) geen van deze mechanismen zijn verantwoordelijk voor b) alleen mechanismen 1 en 3 zijn verantwoordelijk voor c) alleen mechanismen 1 en 2 zijn verantwoordelijk voor d) alle genoemde mechanismen zijn verantwoordelijk voor Open-eind vragen 21. Wat wordt bedoeld met transit amplificatie van stamcellen en waar dient dit mechanisme voor? 22. Hoe kan het toch zo zijn dat er heel veel verschillende celtypen bestaan terwijl elke cel dezelfde set chromosomen en dus genen heeft? 23. a) Hoe zorgt telomerase voor het behoud van de telomeren? b) Hoe kun je in het laboratorium bekijken of een transfectie met telomerase in cellen van een bejaarde patiënt effectief is geweest? 24. Beschrijf het verschil tussen weefselregeneratie en weefselremodellering. 25. Wat is de rol van de toediening van EPO in de duursport en hoe kun je hetzelfde effect verkrijgen op legale wijze? 26. Noem twee celbronnen die geschikt zouden zijn voor hartklep tissue engineering en omschrijf waarom deze geschikt zijn. 27. Wat wordt bedoeld met een 1) unipotente, 2) multipotente en 3) totipotente stamcel en kun je een voorbeeld noemen bij elk? 5
28. De eenstaps en tweestaps tissue engineering benadering is een uitgeklede versie van het conventionele in-vitro tissue engineering paradigma waarvan je hieronder de ingrediënten ziet. a) Geef aan welke stappen overgeslagen worden in de eenstaps benadering en in de tweestaps benadering. b) Geef een voordeel van de eenstaps benadering en de tweestaps benadering. 29. Tissue engineering als concept werd in de media gebracht door een foto van een muis met een menselijk oor op zijn rug gegroeid. Waar diende in deze foto de muis voor en waar is deze vandaag de dag door vervangen? 30. Omschrijf het proces van angiogenese met gebruik van de volgende termen: tipcel, sprout, pericyten, VEGF, HIF-1α 31. Noem een voorbeeld van fysiologische hypertrofie en fysiologische atrofie. 32. Uit welke drie componenten bestaat bloed en omschrijf globaal de rol van de verschillende componenten. 33. Beschrijf globaal wat er in de volgende fasen van de wondgenezing gebeurt en geef een indicatie van de tijdsduur die elk van deze fasen in beslag nemen: 1) acute ontsteking en opruiming ervan, 2) neerleggen granulatieweefsel en 3) remodellering. 34. Waar komen de macrofagen in het weefselherstelproces vandaan? 35. Wat wordt bedoeld met ips cellen en welke mogelijkheden bieden dit soort cellen in celtherapie? 36. Geef 4 belangrijke eigenschappen waaraan een scaffold, die geschikt is voor tissue engineering, moet voldoen. 37. Hoe zou je kankercellen kunnen herkennen in kweek als je weet dat normale cellen contactinhibitie vertonen? 6
38. Noem twee functies van groeifactoren in het weefselherstel. 39. Beschrijf het proces dat in het onderstaande microscopisch plaatje te zien is. 40. De reactie van het weefsel op cellen die apoptose ondergaan is anders dan op cellen die necrose ondergaan. a) Wat is het belangrijkste verschil tussen apoptose en necrose dat bepalend is voor de reactie van het omliggende weefsel? b) Hoe is de weefselreactie bij apoptose en necrose? 7