Scouts en gidsen leren zich stap voor stap wapenen met weetjes en vaardigheden. Die helpen hen om problemen op te lossen, hun plan te trekken en dromen te realiseren. Kaart en kompas, sjorren, hout hakken en vuur maken zijn technieken die scouts en gidsen graag gebruiken om hun activiteiten mee op te bouwen. De kapoenen ontdekken op geurtocht niet alleen de schat, maar ook het leuke van zelf je weg vinden. Gidsen en verkenners ontdekken naast kaart en kompas ook de GPS om de weg in de stad te vinden. De technieken evolueren mee met de mogelijkheden van het kind. Kapoenen leren telefoneren, jins surfen op internet. Kabouters leggen een platte knoop, jonggidsen sjorren hun eigen eethoek. Veiligheid is van levensbelang. Gaandeweg worden technieken aangeleerd, aangewend en uitgebouwd. Zo blijft het veilig en spannend. Technieken hoeven niet op zich te staan. Geïntegreerd in een leuk spel of een uitdagend weekend zijn ze eens zo leuk. Ze bewijzen hun nut op kamp of op tocht, maar niet zelden ook buiten scouting. Heel wat architecten bedachten hun eerste constructie bij de scouts en gidsen. Menig kapitein zwom zijn eerste schoolslag bij zeescouting. Die brede waaier van technieken biedt voor elk talent wat wils. Scouts Permeke Jabbeke 1
Inhoud Sjorren... 3 1. De platte knoop... 3 2. De timmermanssteek... 3 3. De mastworp... 3 4. De Kruissjorring.... 4 5. Diagonaalsjorring... 5 6. De achtknoop... 5 7. De achtsjorring (driepikkel)... 6 8. De Steigersjorring... 7 Vuur... 8 1. Theorie... 8 2. De praktijk... 9 3. Soorten vuren... 9 4. Woudloperskeuken... 11 Oriëntatie... 12 1. Kompas... 12 2. De Kaart... 13 3. GPS... 13 Andere Technieken... 14 1. Opzetten van een patrouilletent.... 14 2. Basiskennis over mes, bijl en zaag... 14 3. Rugzak inladen... 15 4. Kleding... 16 Scouts Permeke Jabbeke 2
Sjorren 1. De platte knoop De platte knoop is een verbindingsknoop die dient om twee touwen van gelijke dikte aan elkaar te knopen. We gebruiken hem dagelijks in onze schoenveters (zij het dan met twee lussen) en regelmatig om bij EHBO verbanden aan elkaar te binden. 2. De timmermanssteek De timmermanssteek (of timmersteek) is een meerknoop (touw om hout) die gebruikt wordt om snel een touw om aan paal vast te maken. Deze steek is geschikt om een sjorring te beginnen, maar ook om takkenbossen te vervoeren omdat hij om allerlei vormen blijft vastzitten. Sla het touw om de paal heen, keer nu om het lange eind terug en sluit af door het korte eind enkele malen om zichzelf heen te draaien. 3. De mastworp De mastworp is een meerknoop, hij wordt dus ook gebruikt om een touw aan een paal vast te maken. De mastworp bestaat eigenlijk uit twee halve steken naast elkaar. Terwijl men deze legt kan men de spanning op het touw behouden. Hierdoor is de mastworp perfect om een sjorring af te sluiten. Hij kan ook gebruikt worden om een sjorring te beginnen maar de timmermanssteek blijft handiger. Een nadeel van de mastworp is wel dat hij enkel goed blijft zitten bij rond sjorhout... Scouts Permeke Jabbeke 3
4. De Kruissjorring. Deze sjorring dient om twee palen aan elkaar te sjorren die ongeveer een rechte hoek vormen. De kruissjorring begin je met een timmermanssteek op de vaste paal. Het oog van de timmermanssteek bevindt zich dan aan de rechterkant. Je vertrekt met je touw recht uit het oog. Je slaat het touw drie keer om de palen heen, zoals in de tekening is aangegeven. Elke winding leg je netjes naast de vorige en trek je stevig aan. Men werkt steeds binnen-buiten. Daarna ga je woelen. Je slaat het touw tussen de palen door om de winding heen. Elke woeling trek je weer strak aan. De drie woelingen leg je naast elkaar. Je werkt van de vaste paal naar de losse paal toe. Tot slot werk je de sjorring af met een mastworp, gevormd door twee halve steken op de losse paal, en dit vlak na het woelen. Als de mastworp veiliger op een andere plaats ligt dan deze plaats is het noodzakelijk dat je van deze standaardplaats afwijkt! Scouts Permeke Jabbeke 4
5. Diagonaalsjorring Deze sjorring gebruik je enkel om twee balken die elkaar kruisen maar niet raken te verbinden en zo tegen elkaar te trekken. De sterkte van deze sjorring haal je niet uit de windingen van het sjortouw, maar uit de wrijving van de balken op de plaats van de sjorring. Deze hout-op-houtwrijving geeft je constructie de nodige stabiliteit. Een typische toepassing van een diagonaalsjorring is de verbinding van de diagonalen in een toren. Leg een timmermanssteek om beide balken heen. Trek de timmermanssteek aan tot de twee balken elkaar raken of tot de afstand tussen de twee balken zo klein mogelijk is. Verlaat het oog van de timmermanssteek onder een hoek van 30 en sla het touw drie maal om de balken heen. Zorg ervoor dat de windingen naast elkaar liggen. Herhaal dit nog eens in de andere richting zodat je een kruis krijgt. Begin daarna te woelen. Leg ook hier de woelingen naast elkaar en leg na de derde woeling een mastworp, gevormd door twee halve steken. Het overschot van het eventuele touwwerk kan je oprollen of rond één van de balken leggen door middel van halve steken. 6. De achtknoop Eén knoop, veel toepassingen. Een achtknoop is in de eerste plaats een stoppersknoop: een knoop die je gebruikt om touw niet volledig door een katrol of oog te laten schieten, zodat je het niet elke keer opnieuw moet inrijgen. Deze knoop is veel beter geschikt als stoppersknoop dan een halve knoop. De achtknoop geeft namelijk meer verdikking en is gemakkelijker los te maken. Dubbele achtknoop De dubbele achtknoop is een veelzijdig alternatief voor de paalsteek en de dubbele paalsteek, al is ze na zware belasting moeilijker los te krijgen. De dubbele achtknoop kan je op twee verschillende manieren leggen: Leg een gewone achtknoop in het touw en volg deze knoop met het touweinde. Je kan deze knoop gebruiken om twee touwen aan elkaar te zetten, als verbindingsknoop dus. Een dubbele achtknoop die zo wordt gelegd, wordt ook wel watersteek of Vlaamse verbindingssteek genoemd. Je kan deze knoop ook gebruiken als je een vaste lus over een paal wil leggen of als je een spantouw aan een oog van een shelter wil bevestigen. In het laatste geval wordt hij ook geregen achtlus genoemd Neem het stuk touw dubbel en leg daarmee de gewone achtknoop. Je kan deze dubbele achtknoop eveneens gebruiken als je een vaste lus over een paal wil leggen. Scouts Permeke Jabbeke 5
7. De achtsjorring (driepikkel) De achtsjorring wordt gebruikt om drie sjorbalken zo aan elkaar vast te maken dat ze later een driepikkel kunnen vormen. De sjorring dankt zijn naam aan zijn uiterlijk, je vormt achten bij het leggen van de sjorring. Het voordeel van een driepikkel is dat je geen sjorbalken in de grond hoeft te slaan. Je kan je constructie dus gewoon op de grond zetten en eventueel verplaatsen. Bij de normale opstelling van een driepikkel liggen de balken met de onderkant gelijk. Leg de balken naast elkaar. Als je een hulppaaltje onder de balken legt, krijg je meer ruimte om de sjorring te maken. Begin met een timmermanssteek om één van de buitenste palen te leggen. Let er hierbij op dat je touw recht uit het oog vertrekt. Sla vervolgens het touw afwisselend over en onder de balken heen en werk naar boven toe. Dat is het gemakkelijkst, omdat je het touw dan tussen de balken kunt leggen. Als je naar onder toe werkt, moet je telkens het hele touw tussen de balken door trekken. Leg om iedere balk drie slagen, de timmermanssteek niet meegeteld. Begin daarna te woelen en leg de slagen mooi naast elkaar tot er tussen de balken geen plaats meer is om nog een woeling bij te leggen. Er is dus geen vast aantal woelingen bij deze sjorring. Doe dit tweemaal tussen de palen, eindig de sjorring met een mastworp op een buitenste paal en vermijd daarbij de paal waarop je bent begonnen. Als je bij het rechtzetten van de driepikkel merkt dat de sjorring te los is, wat er niet noodzakelijk op wijst dat de sjorring slecht is, sjor er dan drie horizontale verstevigingbalkjes tussen. Daardoor krijg je vier driehoeken, wat de driepikkel ongelofelijk stevig maakt. Scouts Permeke Jabbeke 6
8. De Steigersjorring De steigersjorring wordt gebruikt om twee balken die in elkaars verlengde liggen met elkaar te verbinden door er een derde balk als spalk aan vast te maken. Dat betekent dat bij deze sjorring de constructie gedragen wordt door de balken en niet door het sjortouw. Het touw houdt de balken enkel bij elkaar. Voor deze sjorring moet je dus geen overdreven dik touw gebruiken én als je de sjorring horizontaal wil gebruiken, moet de spalk aan de onderzijde liggen. Maak bij elk uiteinde van een balk een sjorring. Voor een verbinding van twee balken met een derde balk moet je dus vier steigersjorringen maken. Gebruik een spalk met de juiste lengte: ideaal is een verhouding van 1 op 3 tegenover de te verbinden balken. Als je dus een lengte van 6 meter wil bekomen door twee balken van 3 meter te verbinden, moet je een spalk van 2 meter gebruiken. De sjorring: leg het midden van het touw om de twee balken heen en sla beide uiteinden van het touw tegengesteld om de balken heen. Aan beide kanten kruisen de einden elkaar tussen de balken, aan de zijkant liggen ze netjes naast elkaar. Verbind de uiteinden van de touwen met een platte knoop. Als de vier sjorringen zijn gelegd, sla dan per sjorring twee wiggen tussen de balken en het touwwerk, aan elke kant van de sjorring één. De wiggen moeten wel de juiste vorm hebben, ze moeten namelijk alle slagen aantrekken, niet alleen de eerste of de laatste slag! Omdat de wiggen de plaats van de woeling innemen, moeten ze ook stevig vastzitten en blijven vastzitten. Sla daarom de wiggen van boven naar onder zodat ze er niet uit kunnen vallen of uit getrapt kunnen worden. Scouts Permeke Jabbeke 7
Vuur 1. Theorie Vuur ontstaat enkel als deze drie elementen verbonden zijn. Om te blussen, haal je één van de drie weg (bv. door een deken over het vuur te gooien haal je het element "zuurstof" uit de verbinding, enz...). Om vuur te maken moet je dus juist zorgen dat je de drie bij elkaar krijgt en houdt. Brandbare stof, de "brandstof" dus Alle energie die bij verbranding vrijkomt, is afkomstig van de zon (hout, turf, steenkool, gas, olie...). Hoe meer zonne-energie de brandstof bevat, hoe meer warmte er bij verbranding vrijkomt. Daarom geldt: hoe harder het hout, hoe langer het heeft moeten groeien, hoe meer zonnewarmte het heeft opgevangen, hoe meer warmte het geeft bij verbranding. Daaruit volgt dat licht en harshoudend hout, meestal afkomstig van snelgroeiende boomsoorten snel vuur vat, veel vlammen geeft, vlug opbrandt en weinig as geeft. Gebruik daarom licht en harshoudend hout (berk, populier, spar, lork en den) om het vuur aan te steken en hard en zwaar hout (olm, eik, kastanje) om het vuur te onderhouden. Zuurstof Droge lucht bevat in normale omstandigheden ongeveer 21 % zuurstof (O2) die zich tijdens de verbranding verbindt met de brandstof (CH-) tot water (H2O) en CO2 (of het gevaarlijke CO bij onvolledige verbranding). Voldoende luchttoevoer is dus van levensbelang en extra lucht door wind of blazen zal de vlammen aanwakkeren. Warmte, de "ontstekingsbron" Om de reactie "vuur" op gang te brengen, heb je warmte(ontsteking) nodig. Eens het vuur brandt, wordt warmte een gevolg van het proces. De ontstekingswarmte kun je halen uit lucifers, een aansteker, een vergrootglas (waarmee je zonnewarmte bundelt), vuurstenen, wrijvingswarmte (bv vuurboog)... Scouts Permeke Jabbeke 8
2. De praktijk Zoek, voor je begint, voldoende aanmaakhout, iets dikker en dik, hard hout. Verwijder al het brandbaar materiaal (mos, ondergrondse wortels...) op de plek waar je vuur wil maken. Als je stenen gebruikt om de vuurplaats af te bakenen, gebruik dan droge stenen (geen leisteen of stenen uit een rivier of beek, die kunnen bij verhitting ontploffen door ingesloten water dat opwarmt tot stoom!). Zet een stokje rechtop in de grond, stapel daar rond zeer dun, droog en zacht hout, eventueel bast van berk en een paar droge dennenappels. Blaas heel voorzichtig vanaf het moment dat je het begin van een vlam ziet. Leg aan de buitenkant iets dikker hout bij maar zorg ervoor dat er nog genoeg zuurstof bij de vlammen kan. Eindig met harder hout als het vuur éénmaal brandt. 3. Soorten vuren Vuren bestaan in drie hoofdgroepen: boven, op en in de grond. Beslis eerst waarvoor je het vuur wil gebruiken (als kampvuur, om een omelet te maken, ) en kies daarna het soort vuur in functie daarvan. Vuren boven de grond Isolatievuur: Platform van stammetjes op de grond met daartussen een vlechtwerk, vervolgens een laag zand, pas daarop het vuur. Tafelvuur: Vuur op een geconstrueerde tafel, de lucht zorgt voor de gewenste isolatie. Scouts Permeke Jabbeke 9
Vuren op de grond De simpelste vorm van vuur maar vaak onveilig (brandbare ondergrond zoals turf of met wortels doortrokken grond) en vaak zelfs verboden. Teepeevuur: Typisch aanmaakvuur. Stervuur: Hout in stervorm, vuur in het centrum. Blijft lang branden maar je moet het hout telkens opschuiven. De warmte is regelbaar en het vuur is geschikt om één pot op te koken. Jagersvuur: Twee stammen of stenen in de lengterichting van de wind. Zeer geschikt om op te koken, eenvoudig en snel. Reflectorvuur: Vuur met aan de achterkant een muurtje van bv. balken. De warmte wordt gereflecteerd en maakt dit vuur zeer geschikt voor braden of grillen. Sleutelgatvuur: Grote keien in de vorm van een sleutelgat. Vuur in het ronde deel, as in het lange. Stabiele warmte op de as maakt dit vuur zeer geschikt om op te koken. Waakvuur: Om s nachts te laten branden. Twee stevige balken zorgen er voor dat de brandende takken niet wegrollen. Indien je het hout dicht op elkaar stapelt en hard hout gebruikt, blijft dit vuur zeer lang branden. Piramidevuur: Volle piramide van ingekeepte stammetjes. Brandt zeer lang. Pagode- of blokhutvuur: Typisch "kampvuur". Hout gestapeld als blokhut met in het midden een teepeevuurtje. Geeft veel warmte en licht maar brandt vrij snel. Vuren in de grond Bij deze vuren wordt de grond zelf gebruikt als isolatie. De warmte van het vuur wordt gericht naar de plaats waar die het best tot haar recht komt Greppelvuur: Greppel of goot in de grond, windrichting in de lengterichting. Kan recht of in kruisvorm. Geschikt om op te koken. Als de greppel in een T-vorm wordt gegraven spreken van een T-vuur. Dakotavuur: Tunnel in de grond (dit kan enkel als de grond voldoende stevig is). De lucht gaat er langs de ene pijp in, het vuur langs de andere kant. Zeer "zuinig" vuur, warmte wordt optimaal gebruikt. Let op voldoende luchtdoorvoer, anders stikt je vuur. Als je nog een schoorsteen op de vuurpijp zet, heb je een Yukonkachel. Bermvuur: Met een berm als natuurlijk reflectie-effect. Scouts Permeke Jabbeke 10
T I P 2011 [TECHNIEKENBOEKJE] 4. Woudloperskeuken Ei in sinaasappel Om een ei te koken heb je helemaal geen water nodig. Neem een sinaasappel en snij het topje eraf (diameter 5 à 6 centimeter). Hol vervolgens de sinaasappel volledig uit. Breek het ei en giet het eiwit en de dooier in de holle sinaasappel. leg daarna het dekseltje opnieuw op de sinaasappel en steek het vast met twee dunne twijgjes. Plaats het ei nu voorzichtig in de hete as, niet in het vuur. De ervaring zal je wel leren hoe lang je moet wachten maar reken minimaal 7 minuten. Je kan de sinaasappel gerust uit de as halen, even kijken en indien nog niet naar wens terug zetten. Als het ei klaar is, kan je het uitlepelen. Geloof me vrij: het heeft een apart smaakje en weinig kans op mislukken. Wil je het diner starten met een aperitief, dan kan je ook daarvoor de sinaasappel gebruiken. Succes gegarandeerd! Ei in aardappel Mensen die de Vlaamse keuken prefereren boven al dat exotische gedoe raad ik aan om hun ei eens een keer te koken in een aardappel. De bereidingswijze is net dezelfde. Neem een grote aardappel (een frietpatat), snij het topje eraf, hol de aardappel uit (let op dat je hem niet perforeert) en giet het ei in de aardappel. Ook hier het bovenste stuk met twee twijgjes vastzetten. In tegenstelling tot de truc met de sinaasappel krijg je hierbij een meer alledaagse smaak. Koken zonder pot Iedereen weet wellicht dat je aardappelen in de schil in as kan klaarmaken, maar als je een brikverpakking (bv. van fruitsap) bij de hand hebt, kan je die ook gebruiken om aardappelen in te koken. Scheur daarvoor het brik verder open, vul het met aardappelen (geschild en in stukken), doe er voldoende water bij (tot de aardappelen "onderstaan") en zet alles in de as. Laat rustig koken. Je kan water ook koken in een papieren zak. Vul bv. een broodzak met water en zet hem in de as. De zak kan enkel opbranden waar er geen water is. Dit trucje lukt jammer genoeg niet met elke papieren zak (afhankelijk van de lijm waarmee de naden dichtgeplakt werden). Bakken en braden Diegenen die het zichzelf graag gemakkelijk maken, kunnen natuurlijk ook gewoon een stuk spek of worst op een stok prikken en braden. Let er daarbij wel op dat je het stuk vlees goed vastmaakt op een takje. Je kan een stuk vlees of groenten ook samen met wat boter in zilverpapier inpakken en langzaam laten gaar worden in de as. Twist(ing) by the fire Je kan de ergste honger ook stillen met wat water, bloem en een snufje suiker. Meng deze ingrediënten door elkaar (op een plastic zak bv.) tot je een bol deeg hebt. Kneed deze bol tot een lange worst. Zoek een vingerdikke twijg, ontschors hem en draai de worst deeg spiraalsgewijs rond de twijg. Laat de twijg met twist langzaam bakken boven de hete as. Hierbij zal je geduld aardig op de proef worden gesteld. Croque monsieur Weet je, kippengaas is de ideale rooster om "croque monsieurs" op te bakken. Leg het gaas boven de hete as, de croque erop en op tijd en stond eens omdraaien. Als je niet van afwassen houdt, kan je de potten insmeren met bruine zeep. De potten worden nog wel zwart maar je spoelt het er gemakkelijker af. Let op: de bruine zeep moet aan de buitenkant en niet aan de binnenkant. Scouts Permeke Jabbeke 11
T I P 2011 [TECHNIEKENBOEKJE] oriëntatie 1. Kompas Het kompas is een handig hulpmiddel om te bepalen in welke richting je moet blijven lopen. Hier wordt nog eens samengevat hoe je dit instrument juist moet gebruiken aan de hand van een voorbeeld. Stel dat je in de richting moet wandelen die overeenstemt met 40. We moeten dus schieten met het kompas. Stel het roterende deel in, zodat het streepje van 40 in de richting van de viziergroef ligt. Hou het kompas horizontaal op je handpalm zodat de naald vrij kan bewegen. Draai het gehele kompas en jezelf zodat de gekleurde naald (meestal rood) naar het noorden gericht is. Hou het kompas ver van je oog en nu kijk je met 1 oog in de richting van de vizier. Deze laatste stap noemt men schieten. Hou geen ijzeren of magnetische voorwerpen in de buurt van het kompas. Deze verstoren de werking van de naald. Scouts Permeke Jabbeke 12
2. De kaart Als het allemaal niet goed lukt met het kompas, dan kan je nog altijd de kaart raadplegen. Maar dan moet je die wel op zak hebben In de scouts maken wij soms ook gebruik van stafkaarten, of in het mooi Nederlands topografische kaarten. Dit zijn effectief de grote kaarten die je moet uitplooien met bijvoorbeeld een schaal van 1/20 000. Hierop kun je min of meer afleiden hoe de streek er ongeveer zou moeten uitzien. De bossen zijn bijvoorbeeld mooi aangeduid maar ook staan bijna alle wandelpaden en waterlopen er op. Wat ook extreem handig is dat alle hoogtelijnen vermeld worden op een kaart. Wanneer je op de kaart een circel hebt met rond rond die circel nog allemaal kringen met getalletjes bij dan is dit een berg. Als de hoogtelijnen aan één kant dichter bij elkaar liggen rond een berg dan wil dit zeggen dat dit de steilste kant is van de berg. 3. GPS Via satelliettechnologie is GPS (Global Positioning System) tot stand gekomen. Dit systeem bepaalt jouw positie aan de hand van zo n 24 satellieten die rond onze aarde zweven. Een wandel-gps is echter een ander apparaat dan de TOM-TOM die je wel eens in auto s aantreft. Een wandel- GPS zal je bijvoorbeeld niet vertellen dat je achter de derde boom naar rechts moet maar zal eerder een richting aanduiden, je wandelsnelheid en de nog af te leggen afstand tonen. Wij geloven stelselmatig dat aliens je wel eens verkeerd durven laten lopen, daarom maken wij hier geen gebruik van in de scouts. (en ook wel een klein beetje omdat dit heel dure apparaten zijn) Scouts Permeke Jabbeke 13
T I P 2011 [TECHNIEKENBOEKJE] Andere Technieken 1. Opzetten van een patrouilletent. Vermijd spanlijnen die schots en scheef uitstaan, ze kunnen hinderlijk zijn (hoewel je dit wellicht anders noemt als je s avonds met je frisgewassen tandjes kennismaakt met de volgende piket). Je kan de stormlijnen ook naar binnen spannen. Zet alle piketten op één rechte lijn. Dat zorgt ervoor dat het zeil gelijkmatig gespannen wordt, maar ook dat er een logische afscheiding tussen piketten en loopruimte is. Sla op een houten piket enkel met een houten hamer en op een metalen piket met een metalen hamer. Gebruik geen piketten van plastic. Als je niet genoeg piketten hebt, kan je alle spanners aan één sjorbalk vastmaken en die opspannen op twee (hoek-) piketten. Graaf eventueel een greppel rond de tent zeker op matig hellend terrein, zo wordt het water naar beneden afgevoerd. Let er dan wel op dat het water op het laagste punt ook weer snel uit de greppel kan, anders krijg je toch nog overstroming als de greppel opeens vol is. Ontspan s avonds je spanlijnen als je s nachts regen of forse dauw verwacht (want dan krimpt het zeil). Doe dit niet als er veel wind verwacht wordt. Span s morgens de lijnen weer op, de warmte zal het zeil snel doen rekken. 2. Basiskennis over mes, bijl en zaag Laat nooit materiaal rondslingeren. Zo voorkom je dat je het kwijt speelt en/of dat iemand zich er lelijk aan verwondt. Controleer je materiaal voor je het gebruikt. Zorg voor een opgeruimde en stabiele ondergrond. Bewaar een veilige afstand tot de omstanders. Werk rustig en regelmatig. Als je vermoeid bent, verlies je snel de controle over je materiaal. Gebruik de bijl op de juiste manier, hak een balk of stam altijd in een V-vorm door. Scouts Permeke Jabbeke 14
3. Rugzak inladen Of je nu op tocht of trekkamp vertrekt, voor een weekend of veertien dagen, een grote trekrugzak komt er meestal wel aan te pas. En omdat het niet altijd even aangenaam is om bij plots opkomende zondvloed je rugzak helemaal te moeten uitladen om je regenjas te vinden, geven we je hierbij enkele tips. Steek alles wat bereikbaar moet zijn tijdens de tocht (regenkledij, trui, kaart, kompas, wc-papier, zakmes, lunchpakket, ) op gemakkelijk bereikbare plaatsen zoals de zijzakjes of het bovenste deel van je rugzak. Steek al wat je gebruikt om te slapen (tent, slaapzak, matje, ) onderaan. Steek zware stukken liefst op schouderhoogte en zo dicht mogelijk tegen je lichaam, zo komt het zwaartepunt van je rugzak zoveel mogelijk overeen met je eigen zwaartepunt. Als je zware stukken hoger steekt, verlies je je evenwicht. Als je ze lager steekt, belast je je heupen teveel en hindert de rugzak je bij het stappen. Let wel: als je gaat skiën of klimmen met een rugzak, dan ligt je zwaartepunt lager en moet de zware last dus zo laag mogelijk zitten. Test je evenwicht altijd even uit voor je aan acrobatische toeren begint. Zwaartepunt lichaam en rugzak in één vlak Hang zo weinig mogelijk aan de buitenkant van je rugzak. Anders word je te vaak uit evenwicht gebracht en belast je je rug- en beenspieren meer dan nodig. Vermijd ook loshangende voorwerpen. Ze kunnen jou en anderen verwonden en ervoor zorgen dat je ergens aan blijft haken. Daardoor raak je bijvoorbeeld niet op tijd uit de trein. Je slaapmatje en de tentstokken kan je eventueel wel met de daarvoor voorziene riempjes aan de buitenkant van de rugzak vastmaken. Maar opbergen in de rugzak blijft het beste. Gewichtsverdeling rugzak inwendig frame Vermijd scherpe of harde voorwerpen aan de rugzijde of tegen de rugzakwand. Stop alles wat kan lekken of droog moet blijven in waterdichte zakjes. Laat de verschillende zaken in je rugzak nauw aansluiten zodat er geen holtes ontstaan. Elke holte is namelijk verloren plaats en kan je evenwicht verstoren. Scouts Permeke Jabbeke 15
4. Kleding Kleding heeft ongetwijfeld meerdere functies, maar het is vooral bedoeld: als bescherming tegen verwondingen (stevige schoenen tegen scherpe takken, een stevige uniformbroek tegen brandnetels en braamstruiken ); en om de lichaamstemperatuur op peil te houden (warmte bij kou, koelte bij hitte). Het gevoel van warmte of kou is subjectief. Het wordt niet enkel bepaald door de omgevingstemperatuur, maar ook door het energieverbruik binnen je lichaam. Zo heeft iemand die hardloopt het warmer als iemand die stilzit. Koude is ook relatief, de windsnelheid kan het koudegevoel (in het engels the wind-chill factor ) versterken. Tien graden Celsius voelt bij windstilte aan als tien graden Celsius. Maar met een windsnelheid van ruim 40 km per uur, voelt het aan als min twee graden Celsius. Zo kan min zeven aanvoelen als min dertig, als de wind met een snelheid van 56 km per uur waait. Bij koud weer is er één gouden regel: werk in lagen. Liever verschillende dunne lagen boven elkaar, dan één hele dikke jas over je T-shirt. Krijg je het door fysieke inspanning te warm, dan kan je een laagje uitschieten. Uiteraard zorg je voor een waterafstotende bovenlaag, want regen hoort altijd tot de mogelijkheden. Een goed idee is een poncho om over jezelf én je rugzak te hangen. Koude, natte voeten doen je bijzonder snel en onaangenaam afkoelen. Zorg dus ook voor waterafstotende en ademende schoenen. Vermijd rubberen laarzen. Ze zijn waterdicht, waardoor je er behoorlijk in kunt beginnen zweten. Ook een muts of kap is absoluut noodzakelijk bij grote koude, want je hoofd is goed voor 1/7 van je totale lichaamsoppervlakte. Als je tijdens een pauze gaat zitten, zorg dan voor isolatie tussen jezelf en de koude grond (een matje is al een goed begin). Ook voeding speelt een belangrijke rol bij lichaamstemperatuur. Soms zal een boterham je meer deugd doen dan een extra trui. Onthoud dus dit: Liever veel dunne lagen dan één dikke. Warm blijven is eenvoudiger dan terug moeten opwarmen. Droog blijven is dikwijls gelijk aan warm blijven. Scouts Permeke Jabbeke 16