5 Wat zijn segmentale relaties? Samenvatting Tussen de ingewanden, het verborgene, en het waarneembare lichaam bestaan relaties en interacties die hun basis hebben in de segmentale innervatie. Een aandoening van een intern orgaan kan zich weerspiegelen aan het lichaamsoppervlak: segmentale diagnostiek. Ook bij de neurologische diagnose wordt gebruikgemaakt van de segmentale ordening. Bij segmentale therapie gebruikt men de segmentale interactiewegen om via stimulatie van buitenaf orgaanfuncties te beïnvloeden: acupunctuur, needling, osteopathie en manuele therapie zijn voorbeelden van therapieën waarbij het effect mogelijk mede tot stand komt via segmentale reflexwegen..1 De relatie tussen het verborgene en het waarneembare 6. Theorie versus empirie 7.3 Toepassingsgebieden 8 B. van Cranenburgh, Segmentale verschijnselen, DOI 10.1007/978-90-368-0966-5_, 015 Bohn Stafleu van Loghum, onderdeel van Springer Media BV
6 Hoofdstuk Wat zijn segmentale relaties?.1 De relatie tussen het verborgene en het waarneembare De term segmentale relatie betekent dat er een relatie en interacties bestaan tussen ingewanden, huid, spier- en skeletstelsel via de ruggenmergssegmenten. Deze relatie is gebaseerd op de innervatie. Vanuit één ruggenmergssegment wordt via één wortel een bepaald deel van de huid, het skelet, de spieren en ingewanden geïnnerveerd. Men spreekt van segmentale innervatie. Alle lichaamsdelen die bij één ruggenmergswortel behoren, vormen samen het segment. Structuren binnen zo n segment hebben via zenuwwegen onderling invloed op elkaar. In. fig..1 zijn vier mogelijkheden aangegeven. 1. Segmentale diagnostiek. De prikkel ontstaat in de ingewanden of anderszins verborgen. De afwijking kan worden opgevat als een prikkelbron ; de zenuwactiviteit bereikt het ruggenmerg en kan vervolgens alle andere lichaamsdelen bereiken die door deze segmenten worden geïnnerveerd. Activiteit die door een afwijking in de hartspier (bijv. ischemie) ontstaat, zal via afferente zenuwvezels de segmenten Th1 tot en met Th5 bereiken. Nu kunnen segmentale symptomen ontstaan in alle lichaamsdelen die vanuit deze segmenten geïnnerveerd worden. Dit zijn onder andere: pupil, zweetsecretie gelaat, vasomotoriek gelaat, huid op thorax en ulnaire onderarm, delen van de m. pectoralis, en intercostale spieren. Uit dit voorbeeld blijkt dat anatomisch ver verwijderde lichaamsdelen segmentaal juist bij elkaar kunnen horen.. Neurologische diagnostiek. De afwijking bevindt zich in of rond het ruggenmerg en uit zich onder andere segmentaal, bijvoorbeeld door analgesie van een huidgedeelte (beide handen: segment C8/Th1), verminderde reflex of atrofie van een spiergroep. Ook kan de activiteit naar de ingewanden verstoord raken (bijv. blaasstoornissen bij compressie van sacrale wortels). Deze categorie verschijnselen is belangrijk voor de diagnostiek in de neurologie. De plaats en de aard van het symptoom geven de hoogte van de laesie aan (bijv. syndroom van Horner, duimmuisatrofie, opgeheven pijnzin). Men kan deze verschijnselen indelen in: a prikkelingsverschijnselen (pijn, tintelingen, spiertrekkingen): plus-symptomen ; b uitvalsverschijnselen (parese, anesthesie, opgeheven zweetsecretie): min-symptomen. 3. De prikkels ontstaan door een lokale afwijking in huid, spier of bot en bereiken de bijbehorende ruggenmergssegmenten. Alle organen of structuren binnen deze segmenten kunnen hierdoor worden beïnvloed. Zo kan een lokale afwijking in een gewricht een veranderde orgaanfunctie tot gevolg hebben, wat een diagnostisch dwaalspoor kan vormen. Kunert (1975) beschreef de interactie tussen afwijkingen in en rond de wervelkolom en diverse orgaanfuncties. Aandoeningen van het bewegingsapparaat kunnen dus tevens veranderingen opleveren in het functioneren van organen die tot de corresponderende segmenten behoren: een interessante gedachte, maar helaas is er nauwelijks onderzoek op dit gebied. 4. Segmentale therapie. Prikkels kunnen doelbewust worden gegeven in het kader van een therapeutische applicatie (massage, acupunctuur, osteopathie enz.). Via de geprikkelde zenuwvezels worden bepaalde ruggenmergssegmenten bereikt, die een pijndempend effect kunnen hebben of via efferente zenuwvezels de orgaanfunctie kunnen beïnvloeden.
7. Theorie versus empirie verborgen niet waarneembaar waarneembaar CZS 1 3 4. Figuur.1 De relatie tussen het verborgene en het waarneembare. (Het cirkeltjessymbool geeft de plaats van de prikkel respectievelijk afwijking aan. De nummers corresponderen met de beschrijving in de tekst). Theorie versus empirie Praktische toepassing van dit alles is slechts mogelijk wanneer men weet welke lichaamsdelen segmentaal bij elkaar horen. Om dit vast te stellen zijn twee benaderingen mogelijk: 1. De empirische benadering. Men heeft proefondervindelijk vastgesteld dat de linkerschouder meer bij het hart, de rechterschouder meer bij de lever hoort. Ook het verloop van meridianen en de ligging van acupunctuurpunten is op basis van ervaring (en overlevering!) vastgesteld.. De theoretische benadering. Men kan onderzoek doen naar de innervatie van organen en lichaamsdelen door het verloop van zenuwvezels anatomisch te volgen, of door fysiologische experimenten (bijv. elektrische prikkeling van zenuwwortels).
8 Hoofdstuk Wat zijn segmentale relaties? Interessant is dat er soms frappante overeenkomsten bestaan tussen acupunctuurpunten/verloop van meridianen enerzijds, en segmentale innervatiepatronen, pijnzones en triggerpunten anderzijds. Uit de grote verschillen tussen de op dit moment in gebruik zijnde dermatoomkaarten blijkt echter dat men het nog lang niet eens is over de segmentale innervatie. Ook over de segmentatie binnen het autonome zenuwstelsel bestaat nog veel onduidelijkheid..3 Toepassingsgebieden Samenvattend kan gesteld worden dat inzicht in de segmentale samenhang zijn nut kan hebben voor verschillende gebieden, zoals: interne geneeskunde: diagnostiek van lever- en hartaandoeningen, en wellicht ook voor andere organen; chirurgie: diagnostiek van acute buik, appendicitis enzovoort; klinische neurologie: diagnostiek van wortel- en ruggenmergsletsel; niet-westerse en alternatieve geneeswijzen, zoals: irisdiagnostiek, auriculodiagnostiek, waarnemen van zones enzovoort, houden mogelijk verband met segmentale relaties. Ook allerlei therapieën kunnen effect hebben via segmentale wegen: acupunctuur, needling, drukpuntmassage enzovoort; vormen van fysiotherapie: bindweefselmassage, periostmassage, manuele therapie, osteopathie, elektrotherapie (TENS). Een belangrijk punt is dat men door inzicht in segmentale innervatie en segmentale relaties soms een brug kan slaan tussen enkele niet-westerse of alternatieve geneeswijzen en de huidige geaccepteerde basiswetenschappen (zoals de fysiologie). Het denken in termen van segmentale relaties kan soms een ander perspectief leveren in het geval van hoofd-, nek- of rugpijn. In dit boek wordt vooral besproken wat in. fig..1 met weg 1 is aangeduid: het trekken van conclusies over diepliggende, onzichtbare structuren (interne organen) door waarnemingen aan de buitenzijde van het lichaam. Weg 4, de therapeutische beïnvloeding via de segmentale relaties, komt in 7 H. 9 aan de orde. Helaas is over dit onderwerp, ook in 015, nauwelijks iets te vinden. Gezien deze achterstand in onderzoek blijven de beschreven mechanismen, hoewel theoretisch plausibel, tamelijk speculatief. De segmentale reflexwegen bestaan zeker, maar spelen zij ook een rol bij de mechanismen waarlangs therapie-effecten tot stand komen? Evidence based geneeskunde is hard nodig!
http://www.springer.com/978-90-368-0965-8