Wijziging beleidsregels arbeidsomstandighedenwetgeving



Vergelijkbare documenten
Wijziging Beleidsregels arbeidsomstandighedenwetgeving

In dit document zijn de letterlijke teksten van relevante wetsartikelen opgenomen.

Wijziging Beleidsregels arbeidsomstandighedenwetgeving

2015 no. 58 AFKONDIGINGSBLAD VAN ARUBA

Wetgeving valbeveiligingsmiddelen

1 Arbeidsmiddelen volgens het Arbobesluit

Basisinspectiemodule Arbozorg: VOeT (Voorlichting, Onderricht en Toezicht)

Voorlichting, onderricht & Toezicht

ASEPTISCHE HANDELINGEN MET CYTOSTATICA

Asbest in gemeentelijke gebouwen. Een praktisch handvat voor het omgaan met asbest

Deel Risicopreventie Protocol met cytostatica besmet linnengoed gezondheidszorg

Module V - Cytostatica

De doelstellingen van de Arbowet zijn: het verbeteren van de veiligheid en gezondheid van medewerkers

Protocollen Voorbehouden, Risicovolle en Overige handelingen Hygiene en infectiepreventie 9

Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds 1814.

Basisinspectiemodule

Basisinspectiemodule Arbozorg: VOeT (Voorlichting, Onderricht en Toezicht)

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid BESLUIT:

Richtlijn Cytostatica

Codex over het welzijn op het werk. Boek IX.- Collectieve bescherming en individuele uitrusting. Titel 1. Collectieve beschermingsmiddelen

Inspectie SZW Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

DE STAATSSECRETARIS VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID. Mede namens de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;

Arbeidsomstandighedenregeling. Hoofdstuk 4. Veiligheid tankschepen en gevaarlijke stoffen. Paragraaf 4.1 Veiligheid aan op of in tankschepen

Samenvatting wetgeving omtrent Machines en Arbeidsmiddelen

Werken met asbest en asbesthoudende materialen Balen/Overpelt

Beleidsregels Arbo betreden besloten ruimte. Artikel 4.6 Gevaar voor verstikking, bedwelming, vergiftiging, brand of explosie

Bijlage Arbocatalogus in de UMC s: Cytostatica

arboregelgeving Informatiebron Arbo-aspecten bij het gebruiken van biomassa voor energie-opwekking arbowet

Richtlijn voor strafvordering Arbeidsomstandighedenwet 1998

ATEX REGELGEVING Regels en voorschriften voor apparaten, arbeidsmiddelen en arbeidsplaatsen in explosieve omgevingen

Protocol voor het handelen bij ongevallen

Arbeidsomstandigheden. Congres Transport van Afval 5 februari 2015 Marjolein Gobes

Ethanol? Welke wettelijke verplichtingen zijn van toepassing?

De beleidsregels arbeidsomstandighedenwetgeving

Eerste Kamer der Staten-Generaal

Bijlage 13: Protocol veilig omgaan met cytostatica voor schoonmaakwerkzaamheden

Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds De Arbeidsomstandighedenregeling wordt als volgt gewijzigd:

Het organiseren van werk zonder gevaren kan het volgende inhouden: -- aanpassingen in werkzaamheden/werkmethoden

DESKUNDIGE BIJSTAND OP HET GEBIED VAN BEDRIJFSHULPVERLENING

arbocatalogus Opmerking: Toelichtende teksten zijn cursief weergegeven Doel Procedel

ARBEIDSINSPECTIE MINISTERIE VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Holland Solar heet u welkom. Veilig werken op daken. Solar Solu(ons 2015

Inleiding... pagina 1. Presentatie NEN pagina 2. Introductieopleiding NEN- EN en NEN pagina 2

Module VI - Narcosegassen

Eerste Kamer der Staten-Generaal

OPGELET, zie Art : voor sportduikers zijn uitsluitend de artikelen 6.14, en 6.15, eerste lid, onder a-b-d, van toepassing!!!

UITKERINGSVERORDENING vrijwillig vervroegd uittreden.

EXPLOSIEVEILIGHEIDSDOCUMENT Beoordeling van explosiegevaren door gas en damp van binnen arbeidsplaatsen

Hoofdstuk I. - Bepalingen betreffende de collectieve beschermingsmiddelen. Afdeling 1. - Toepassingsgebied en definities

Rapport Inspectie Arbeidsomstandigheden

Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Protocol voor het handelen bij ongevallen

Veilig opslaan van glas op glasbokken en -karren, schuif- en rolstellingen

ARBEIDSOMSTANDIGHEDENWET

BESLUIT. I. Juridisch kader

U dient binnen 6 maanden na dagtekening van deze brief aan de eisen voldaan te hebben. Hierover leest u meer in bijlage 1.

Dit document is alleen geldig op de aangegeven printdatum, tenzij de volgende gegevens zijn ingevuld:

Z4: Handelingen met risicovolle stoffen en preparaten Versie mei 2011

OF STOFZUIG JIJ? VEEG NIET GEBRUIK GEEN PERSLUCHT ZUIG HET STOF OP. Initiatiefnemers:

Samenwerkingsprotocol

1.1 Hoe vrijblijvend is de Arbowet?

Arbobeleidskader Lucas

Arbeidsomstandighedenbesluit Geldend van t/m heden

Naar het zich laat aanzien zal een zorgvuldig onderzoek naar de toedracht van het arbeidsongeval enige tijd in beslag nemen.

Eerste Kamer der Staten-Generaal

Gepubliceerd in Staatscourant 17 september 2007, nr. 179 / pag. 11

Checklist: Gezondheidsklachten door fijnstof

Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds 1814.

R-zinnen en S-zinnen. R-zinnen... 2 Gecombineerde R-zinnen... 4 S-zinnen... 7 Gecombineerde S-zinnen... 9

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Besluit:

Bijlage IX AARD DER BIJZONDERE GEVAREN TOEGESCHREVEN AAN GEVAARLIJKE STOFFEN EN PREPARATEN :

Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds 1814.

Transcriptie:

SZW Wijziging beleidsregels arbeidsomstandighedenwetgeving Wijziging van de beleidsregels arbeidsomstandighedenwetgeving in verband met de vaststelling van beleidsregels betreffende doeltreffende beheersing van de blootstelling aan inhalatie anesthetica en cytostatica in ziekenhuizen, wijziging van de beleidsregels inzake de eindmeting bij asbestsloop en toezicht op steigerbouw, wijziging van de bijlagen bij de beleidsregel inzake boeteoplegging en enige andere wijzigingen 22 mei 2001/ARBO/AIS/01/30057 Directie Arbeidsomstandigheden De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.F. Hoogervorst, Besluit: Artikel I De Beleidsregels arbeidsomstandighedenwetgeving 1 worden als volgt gewijzigd: A Beleidsregel 3.4, Aanleg en gebruik van elektrische installaties, wordt gewijzigd als volgt: 1. In onderdeel a wordt NEN 1010: Veiligheidsbepalingen voor laagspanningsinstallaties, 5e druk, november 1996 vervangen door: NEN 1010 Veiligheidsbepalingen voor laagspanningsinstallaties, bestaande uit de onderdelen: NEN 1010-0:2000, Voorwoord en introductie ; NEN 1010-1:1996, Onderwerp, toepassingsgebied en fundamentele uitgangspunten ; NEN 1010-2:1996, Termen en definities ; NEN 1010-3:1996, Algemene kenmerken ; NEN 1010-4:1996, Beschermingsmaatregelen ; NEN 1010-5:1996, Keuze en installatie van elektrisch materieel ; NEN 1010-6:1997, Inspectie ; NEN 1010-7:2000, Aanvullende en bijzondere bepalingen. 2. Onderdeel d komt te luiden: d. NEN-EN-IEC 60079-14:2001(nl), Elektrisch materieel voor plaatsen waar gasontploffingsgevaar kan heersen; Deel 14: Elektrische installaties in gevaarlijke gebieden (anders dan mijnen). B In beleidsregel 3.40, Kogelwerend glas in benzinestations, wordt DIN-norm nr. 52290 C3 -SF, van juni 1984 vervangen door: NEN-EN 356:1999, Glas in gebouwen - Beveiligingsbeglazing - Beproeving en classificatie van de weerstand tegen manuele aanval. C In onderdeel e van beleidsregel 4.4-8, Voorkomen van brand en explosie en het beperken van de gevolgen van brand bij het werken in verfspuitcabines, wordt NEN 1010 Veiligheidsbepalingen voor laagspanningsinstallaties, 5e druk, november 1996 vervangen door: de volgende onderdelen van NEN 1010 Veiligheidsbepalingen voor laagspanningsinstallaties : NEN 1010-3:1996, Algemene kenmerken, Bijlage CA 32, Indeling van uitwendige invloeden, in samenhang met NEN 1010-4:1996, Beschermingsmaatregelen, Hoofdstuk 482, Bescherming tegen brand, en NEN 1010-7:2000, Aanvullende en bijzondere bepalingen, Rubriek 875.2, Ruimten met brandgevaar. Uit: Staatscourant 30 mei 2001, nr. 102 / pag. 8 1

D In het derde lid van beleidsregel 4.9-3, Doeltreffende beheersing van de blootstelling aan stoffen door gebruik van persoonlijke ademhalingsbeschermingsmiddelen, wordt NEN-EN 143 vervangen door NEN-EN 143:2000 en vervalt de zinsnede 1e druk, augustus 1991,. E Na beleidsregel 4.9-4, Doeltreffende beheersing van de blootstelling aan toxische stoffen bij werken in of met verontreinigde grond of verontreinigd grondwater, wordt een beleidsregel ingevoegd, die luidt als volgt: Beleidsregel 4.9-5 Doeltreffende beheersing van de blootstelling aan inhalatie anesthetica in ziekenhuizen Grondslag: Arbobesluit artikel 4.9, eerste, tweede en derde lid Bij blootstelling aan inhalatie anesthetica in ziekenhuizen wordt aan de in artikel 4.9, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit opgenomen verplichting tot het nemen van doeltreffende maatregelen voldaan, indien adequate arbeidsmiddelen dan wel werkmethoden worden toegepast overeenkomstig het in bijlage 11 bij deze beleidsregels gestelde. F In het tweede lid van beleidsregel 4.16, Doeltreffende beheersing van de blootstelling aan kankerverwekkende stoffen door gebruik van ademhalingsbeschermingsmiddelen, wordt NEN-EN 143 vervangen door NEN-EN 143:2000 en vervalt de zinsnede 1e druk, augustus 1991,. G In beleidsregel 4.18-2, Voorkoming of beperking van blootstelling aan kankerverwekkende stoffen en schadelijk geluid bij de APK-keuring van dieselmotoren, wordt bijlage 11 vervangen door: bijlage 12. H In beleidsregel 4.18-4, Doeltreffende beheersing van blootstelling aan kristallijn, respirabel kwarts in de bouw, wordt in het eerste en vierde lid bijlage 12 bij deze beleidsregel telkens vervangen door bijlage 13 bij deze beleidsregels en wordt in het derde lid bijlage 12 vervangen door bijlage 13. I Na beleidsregel 4.18-4, Doeltreffende beheersing van blootstelling aan kristallijn, respirabel kwarts in de bouw, wordt een beleidsregel ingevoegd, die luidt als volgt: Beleidsregel 4.18-5 Doeltreffende beheersing van de blootstelling aan cytostatica in ziekenhuizen Grondslag: Arbobesluit artikel 4.18, eerste tot en met vierde lid, en artikel 4.19, aanhef en onder c. Bij blootstelling aan cytostatica in ziekenhuizen wordt aan de in artikel 4.18, eerste tot en met vierde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit opgenomen verplichtingen voldaan indien adequate arbeidsmiddelen dan wel werkmethoden worden toegepast of persoonlijke beschermingsmiddelen worden gebruikt overeenkomstig het in bijlage 14 bij deze beleidsregels gestelde. J Beleidsregel 4.55, Voorschriften eindmeting bij asbestsloop, komt te luiden: Beleidsregel 4.55 Voorschriften eindmeting bij asbestsloop Grondslag: Arbobesluit artikel 4.55, eerste lid, onder d. Metingen als bedoeld in artikel 4.55, eerste lid, onder d, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, alsmede de daaraan voorafgaande reiniging van de ruimte of werklocatie, worden uitgevoerd overeenkomstig het TNO Uit: Staatscourant 30 mei 2001, nr. 102 / pag. 8 2

rapport Eindcontrole na asbestverwijdering, TNO-MEP - R 2000/065a (mei 2001). K Beleidsregel 5.4-1, Zittend werk, staand werk, gebruik van een stasteun, wordt gewijzigd als volgt: 1. In het derde lid, onder d, wordt NPR 1813 vervangen door NPR 1813:2000 en vervalt de zinsnede 2e druk, december 1990,. 2. In het derde lid, onder a, en in het vierde lid wordt NEN 1812 vervangen door NEN 1812:2000 en vervalt de zinsnede 2e druk, december 1990, inclusief correctieblad augustus 1993. L In Beleidsregel 5.4-2, Zitgelegenheid bij kassawerk in zelfbedieningswinkels, en in beleidsregel 5.4-3, Zitgelegenheid bij baliewerk, wordt in het tweede lid, onderdeel b, NEN 1812 telkens vervangen door NEN 1812:2000 en vervalt de zinsnede 2e druk, december 1990, inclusief correctieblad augustus 1993. M In beleidsregel 6.14, Caissonarbeid, wordt in het tweede lid, onderdeel n, bijlage 13 vervangen door: bijlage 15. N Beleidsregel 7.4-5, De kwaliteit en de constructie van steigers, wordt gewijzigd als volgt: 1. In het eerste lid worden de onderdelen f en g vervangen door: f. NEN 6771:2000 Technische grondslagen voor bouwconstructies -TGB 1990- Staalconstructies - Stabiliteit, g. NEN 6772:2000 Technische grondslagen voor bouwconstructies -TGB 1990- Verbindingen. 2. In het veertiende lid wordt NEN 3180 (KVH) vervangen door: NEN 5461:1999 Kwaliteitseisen voor hout (KVH 2000); Gezaagd hout en paalhout - Algemeen gedeelte en NEN 5466:1999 Kwaliteitseisen voor hout (KVH2000); Houtsoorten Europees vuren, Europees grenen en Europees lariks, inclusief aanvulling A1:2000 en correctieblad C1:2001. O Beleidsregel 7.34, Toezicht op steigerbouw, komt te luiden: Beleidsregel 7.34 Toezicht op steigerbouw Grondslag: Arbobesluit artikel 7.34 eerste en tweede lid. Onder een terzake deskundig persoon in de zin van artikel 7.34, eerste en tweede lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit wordt verstaan een persoon die beschikt over aantoonbare specifieke deskundigheid op het terrein van: 1. het lezen en begrijpen van montage-, demontage- en ombouwschema s van het betreffende type steiger; 2. het veilig opbouwen, afbreken of ombouwen van het betreffende type steiger; 3. kennis van de risico s en de te nemen preventieve maatregelen in verband met het vallen van hoogte, vallende voorwerpen, invloed van veranderende weersomstandigheden op de steigerconstructie, toelaatbare belastingen en ieder ander risico dat de betreffende werkzaamheden met zich meebrengt. P Beleidsregel 8.2, Keuze van persoonlijke beschermingsmiddelen, wordt gewijzigd als volgt: 1. In het eerste lid wordt de zinsnede Aan het gestelde in artikel 8.2, onder a, b en c, van het Arbeidsomstandighedenbesluit wordt voldaan vervangen door Onverminderd het gestelde met betrekking tot de keuze en beoordeling van persoonlijke beschermingsmiddelen in andere van toepassing zijnde beleidsregels wordt aan het gestelde in artikel 8.2, onder a, b en c, van het Arbeidsomstandighedenbesluit voldaan en wordt aan het eind van de zin 1997 vervangen door: 1999. Uit: Staatscourant 30 mei 2001, nr. 102 / pag. 8 3

2. Het tweede lid alsmede de aanduiding 1. voor het eerste lid vervallen. Q Beleidsregel 4.41a, Vervangingsplicht vluchtige organische stoffen, wordt vernummerd tot 4.32a en in de grondslag en het eerste lid wordt 4.41a telkens vervangen door: 4.32a. R Beleidsregel 5.1, Beeldschermarbeid; apparatuur en meubilair, wordt gewijzigd als volgt: 1. In het vierde lid wordt NEN 1812 vervangen door NEN 1812:2000 en vervalt de zinsnede 2e druk, december 1990, inclusief correctieblad augustus 1993. 2. In het zesde lid wordt NPR 1813 vervangen door NPR 1813:2000 en vervalt de zinsnede 2e druk, december 1990,. S In bijlage 1, behorend bij beleidsregel 33 Arbowet, Tarieflijst boetenormbedragen bestuurlijke boete Arbeidsomstandighedenwet 1998, wordt deel 1, Arbowet 1998, gewijzigd als volgt: 1. In de tekst van artikel 3, lid 3, wordt beleid vervangen door: arbeidsomstandighedenbeleid. 2. De tekst van artikel 5 komt te luiden: artikel lid beboetbare feiten boete normbedrag 5 inventarisatie en evaluatie van risico s 2000 1 1 De werkgever legt in een inventarisatie en evaluatie schriftelijk vast welke risico s de arbeid voor werknemers met zich brengt. Deze risico-inventarisatie en -evaluatie bevat tevens een beschrijving van de gevaren en de risicobeperkende maatregelen en risico s voor bijzondere categorieën van werknemers. 2 De risico-inventarisatie en -evaluatie bevat een lijst van 500 arbeidsongevallen waarop de aard van het ongeval en de datum waarop het ongeval zich heeft voorgedaan wordt geregistreerd. 3 Een plan van aanpak maakt deel uit van de risico-inven- 500 tarisatie en -evaluatie; een en ander overeenkomstig artikel 3. In het plan van aanpak zijn ook de termijnen aangegeven 500 waarbinnen maatregelen zullen worden genomen. Over de uitvoering van het plan van aanpak wordt jaarlijks 500 schriftelijk gerapporteerd. 4 De risico-inventarisatie en -evaluatie wordt aangepast zo 500 dikwijls als de daarmee opgedane ervaring, gewijzigde werkmethoden of -omstandigheden of de stand van de wetenschap en professionele dienstverlening daartoe aanleiding geven. 5 De werkgever zorgt dat iedere werknemer kennis kan 100 nemen van de risico-inventarisatie en -evaluatie, met inbegrip van de lijst van arbeidsongevallen, bedoeld in het tweede lid. 6 Indien de werkgever arbeid doet verrichten door een werk- 100 nemer die hem ter beschikking wordt gesteld, verstrekt hij tijdig voor de aanvang van de werkzaamheden aan degene die de werknemers ter beschikking stelt, de beschrijving uit de risico-inventarisatie en -evaluatie van de gevaren en risicobeperkende maatregelen en van de risico s voor de werknemer op de in te nemen arbeidsplaats, opdat diegene deze beschrijving verstrekt aan de betrokken werknemer. Uit: Staatscourant 30 mei 2001, nr. 102 / pag. 8 4

3. De tekst van artikel 8, lid 5, wordt als volgt gewijzigd: a. In de eerste volzin wordt jeugdige werknemers vervangen door: werknemers jonger dan 18 jaar; b. In de laatste volzin wordt na van ingevoegd: deze. 4. De tekst van artikel 9 komt te luiden: artikel lid beboetbare feiten boete normbedrag 9 melding ongevallen 1 Indien een werknemer een arbeidsongeval overkomt dat 2.000 ernstig lichamelijk of geestelijk letsel of de dood tot gevolg heeft, doet de werkgever daarvan onverwijld mededeling aan de daartoe aangewezen ambtenaar als bedoeld in artikel 24 Arbowet en rapporteert hierover zo spoedig mogelijk schriftelijk. Onder ernstig lichamelijk of geestelijk letsel wordt hier verstaan: schade aan de gezondheid, die binnen 24 uur na het tijdstip van de gebeurtenis leidt tot opname in een ziekenhuis ter observatie of behandeling, dan wel naar redelijk oordeel blijvend zal zijn. De tekst van voetnoot 1, behorend bij artikel 5, lid 1 en artikel 15, lid 1, komt te luiden: Dit boetenormbedrag geldt niet voor beboetbare feiten die hebben plaatsgevonden voor 23 juli 2000. Voor die feiten wordt het oude boetenormbedrag gehanteerd, te weten: f 100 voor het onderdeel Deze risico-inventarisatie en evaluatie bevat tevens een beschrijving van de gevaren en de risico-beperkende maatregelen en risico s voor bijzondere categorieën werknemers van artikel 5, eerste lid. f 1.000 voor artikel 15, eerste lid. T Bijlage 2, behorende bij beleidsregel 33 Arbowet, Lijst van ernstige beboetbare feiten Arbeidsomstandighedenwet 1998, wordt gewijzigd als volgt: 1. In de laatste alinea van de Toelichting op inhoud en gebruik van de lijst wordt boetenormbedragen vervangen door: tekst. 2. Het ernstig beboetbare feit betreffende artikel 3.6, lid 1, Arbobesluit komt te luiden:! Het werken op arbeidsplaatsen waar een doeltreffende vluchtweg ontbreekt of is geblokkeerd en waarbij ernstig gevaar bestaat op brand of explosie of plotselinge blootstelling aan gevaarlijke stoffen. (artikel 3.6, lid 1, en artikel 3.7, lid 1, Arbobesluit) 3. In volgorde van artikelvermelding worden de volgende ernstige beboetbare feiten ingevoegd:! Het niet of onvoldoende treffen van beschermende maatregelen bij het gebruik van een arbeidsmiddel, waardoor ernstig gevaar bestaat voor persoonlijk letsel. (artikel 7.3, lid 4, Arbobesluit)! Het niet ter beschikking stellen van doeltreffende persoonlijke beschermingsmiddelen aan werknemers bij werkzaamheden, waardoor ernstig gevaar bestaat voor veiligheid of gezondheid van betrokken werknemers. (artikel 8.3, lid 1, Arbobesluit) U Bijlage 3, behorende bij beleidsregel 33 Arbowet, Lijst van direct beboetbare feiten Arbeidsomstandighedenwet 1998, wordt gewijzigd als volgt: 1. In volgorde van artikelvermelding worden de volgende direct beboetbare feiten toegevoegd:! Het onvoldoende toezien op de naleving van instructies en voorschriften bij werkzaamheden waaraan risico s voor werknemers zijn verbonden. (artikel 8, lid 4, Arbowet)! Het onvoldoende er voor zorgen dat werknemers aan hen beschikbaar gestel- Uit: Staatscourant 30 mei 2001, nr. 102 / pag. 8 5

de persoonlijke beschermingsmiddelen (juist) gebruiken, waardoor ernstig gevaar bestaat voor veiligheid of gezondheid van betreffende werknemers. (artikel 8.3, lid 2, Arbobesluit) 2. In het direct beboetbare feit betreffende artikel 4.54, lid 3 Arbobesluit wordt Het ontbreken van schriftelijk werkplan vervangen door: Het niet beschikken over een, overeenkomstig artikel 4.55 Arbobesluit opgesteld, schriftelijk werkplan. V Bijlage 6, behorende bij beleidsregel 4.2-1 Arbobesluit, Bestuurlijke MACwaarden, wordt gewijzigd als volgt: 1. De benaming p-tert-benzoëzuur wordt vervangen door: p-tert- Butylbenzoëzuur. 2. De benaming Kathon mengsel wordt vervangen door Kathon R mengsel en in de bijbehorende voetnoot wordt voor de eerste zin de volgende zin ingevoegd: Deze waarde geldt voor de concentratie gas en damp samen. W Onder vernummering van bijlage 11, behorend bij beleidsregel 4.18-2 Arbobesluit, tot bijlage 12, en bijlage 12, behorend bij beleidsregel 4.18-4 Arbobesluit tot bijlage 13, en bijlage 13, behorend bij beleidsregel 6.14 Arbobesluit, tot bijlage 15, worden twee nieuwe bijlagen 11 en 14 ingevoegd welke als bijlagen bij dit besluit zijn gevoegd. X De tot bijlage 13 vernummerde bijlage, behorend bij beleidsregel 4.18-4 Arbobesluit, wordt gewijzigd als volgt: 1. Na de tekst betreffende NEN-EN 270:1995 wordt toegevoegd: inclusief Aanvullingsblad A1:2000. 2. De zinsnede NEN-EN 1835 wordt vervangen door: NEN-EN 1835:1999. Artikel II Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst, met uitzondering van artikel 1, onderdeel J, dat in werking treedt met ingang van 1 augustus 2001. Dit besluit zal met de bijlagen 11 en 14 en de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. s-gravenhage, 23 mei 2001. De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.F. Hoogervorst, namens deze, De Directeur-Generaal, R.IJ.M. Kuipers. 1 Stcrt. 1999, 199 (supplement), laatstelijk gewijzigd bij besluit van 27 november 2000, Stcrt. 233. Bijlage 11 behorend bij beleidsregel 4.9-5 Arbobesluit Doeltreffende beheersing van de blootstelling aan inhalatie anesthetica in ziekenhuizen Hierna volgt zowel in het algemeen als voor de onderscheiden werkzaamheden bij de toediening van of mogelijke blootstelling aan inhalatie anesthetica, welke apparatuur en/of werkwijze, gelet op de mogelijkheden en uitgaande van de stand van de techniek, toegepast moeten worden teneinde bij die werkzaamheden het risico op blootstelling aan inhalatie anesthetica doeltreffend te beheersen. Uit: Staatscourant 30 mei 2001, nr. 102 / pag. 8 6

werkzaamheid toe te passen maatregel/methode 1. algemeen bij toe- a. Een goed werkend evacuatie-/anesthesiegasdiening van inhalatie afvoersysteem (voorzien van CE-markering en anesthetica conform NEN-EN 740:1998 Anesthesie-systemen met inbegrip van onder- en hun modulaire componenten - Bijzondere houd van apparatuur en eisen, inclusief correctieblad C1:1999) is aan- buitenposten zoals gesloten op het anesthesietoestel. CT-scan, MRI-scan, hart- b. Uit het anesthesietoestel weggezogen gassen en catherisatie, verloskamer dampen worden teruggevoerd in het toestel dan wel afgevoerd in het evacuatie-/anesthesiegasafvoersysteem. c. De verdampers zijn lekvrij en voldoen aan NEN-EN 1280-1:1997 Medicamenten-afhankelijke vulsystemen voor anesthesie-verdampers - Deel 1: Vulsystemen met rechthoekige codering, inclusief aanvullingsblad A1:2000. d. Er worden vulsystemen gebruikt die voldoen aan NEN-EN 1280-1:1997 Medicamenten-afhankelijke vulsystemen voor anesthesie-verdampers - Deel 1: Vulsystemen met rechthoekige codering, inclusief aanvullingsblad A1:2000. e. Nieuw aan te schaffen apparatuur voldoet aan het gestelde onder a tot en met d. Bestaande apparatuur voldoet hieraan per 1-1-2004. f. Er is voldoende ventilatievoud in alle ruimten waar blootstelling aan inhalatie anesthetica mogelijk is. Hierbij geldt een ventilatievoud voor de operatiekamer van 20, voor de verkoeverkamer van 10 en voor andere ruimten van 6. g. De intubatie is indien medisch mogelijk met cuffs en gecontroleerde cuffdruk. h. De aan- en afschakeling van de apparatuur is zodanig dat er zo weinig mogelijk inhalatie anesthetica vrij komen. i. Het hele systeem wordt in het kader van periodiek onderhoud aan de hand van een onderhoudsprotocol onder meer 2 maal per jaar gecontroleerd op lekkages. De schriftelijk neergelegde gegevens worden getoetst. j. Bij het toedienen van anesthesie met vluchtige anesthetica door middel van een niet-gesloten systeem wordt gebruikt gemaakt van bronafzuiging; bijvoorbeeld een dubbelmasker of een apparaat met gecombineerd dubbelneus- en kinmasker. k. Er is een protocol beschikbaar waaruit blijkt op welke wijze en onder wiens verantwoordelijkheid de uitvoering van het onder a tot en met j gestelde is gewaarborgd. Aan het protocol is een schriftelijke werkinstructie voor het betrokken personeel verbonden. 2. inleiding van de operatie Indien technisch/medisch mogelijk wordt lachgas (of andere inhalatie anesthetica) door 100% zuurstof of een zuurstof/luchtmengsel vervangen. 3. uitleidende fase De patiënt wordt gedurende enige tijd (de tijd is afhankelijk van diverse factoren en wordt in het protocol aangegeven) 100% zuurstof dan wel een zuurstof/luchtmengsel toegediend. 4. pre-recovery fase/verkoe- Indien de patiënt hoest wordt uit de hoestverkamerrichting gebleven. richting gebleven. 5. sludertechniek Er wordt gebruik gemaakt van een dubbel- Uit: Staatscourant 30 mei 2001, nr. 102 / pag. 8 7

masker. Bijlage 14 behorend bij beleidsregel 4.18-5 Arbobesluit Doeltreffende beheersing van de blootstelling aan cytostatica in ziekenhuizen A. TOE TE PASSEN MAATREGEL/METHODE Hierna volgt zowel in het algemeen als voor de onderscheiden werkzaamheden welke apparatuur en/of werkwijze, gelet op de mogelijkheden en uitgaande van de stand van de techniek, toegepast moet worden teneinde de cytostaticaconcentratie waaraan werknemers in ziekenhuizen kunnen worden blootgesteld, zo veel mogelijk te beheersen. werkzaamheid toe te passen maatregel/methode 1. algemeen a. Voor al het materiaal dat mogelijk met cytostatica besmet is, wordt gebruik gemaakt van speciale SZA (Speciaal Ziekenhuisafval)-afvalbakken met een voetpedaal. b. Persoonlijke beschermingsmiddelen voldoen aan de eisen beschreven in onderdeel B van deze bijlage. c. Persoonlijke beschermingsmiddelen worden na gebruik onmiddellijk weggeworpen (in de SZA-bak) indien het een wegwerp artikel betreft. Indien het een niet-wegwerpartikel betreft worden de artikelen verzameld in een container met een ph-neutraal of alkalisch reinigingsmiddel. De materialen worden vervolgens grondig gewassen. De overschorten worden bij het besmette wasgoed gevoegd. d. Alle ruimten waarin gewerkt wordt met cytostatica worden voorzien van een bord waarop dit duidelijk is aangegeven. e. De handelwijze bij calamiteiten dient voor iedere afdeling afzonderlijk te zijn vastgelegd in een procedure. 2. bereiding a. Er wordt gebruik gemaakt van een veiligheidswerkbank met laminaire flow techniek welke zich bevindt in een centrale ruimte die is ingericht volgens de GMP-ziekenhuisfarmacie 1. In dezelfde ruimte worden gelijktijdig geen andere werkzaamheden verricht en bevinden zich alleen personen die bij de bereiding van cytostatica betrokken zijn. b. De primaire verpakking (= verpakking waarmee het cytostaticum aankomt op de apotheek) wordt vóór gebruik gereinigd; zie onderdeel F van deze bijlage. c. Met de spuit wordt omgegaan volgens de aanwijzingen in onderdeel C van deze bijlage. d. Er wordt een zodanig systeem gebruikt bij de bereiding van poedervormige cytostatica dat er geen blootstelling aan aërosolen plaats kan vinden. Hiervoor wordt een gesloten systeem gebruikt of een semi-gesloten systeem (zie onderdeel E. van deze bijlage). Dit laatste alleeen indien aangetoond wordt dat er geen blootstelling plaats kan vinden. Uit: Staatscourant 30 mei 2001, nr. 102 / pag. 8 8

werkzaamheid toe te passen maatregel/methode Bij de bereiding van vloeibare cytostatica wordt minimaal een semi-gesloten systeem gebruikt. e. De aansluitingen die worden gebruikt zijn luer-lock aansluitingen. Bij kortdurende infusen kan ook een geborgde naald-septumverbinding worden gebruikt. f. Er wordt, indien dit technisch mogelijk is, gebruik gemaakt van injectieflacons (in plaats van breekampullen) en van kunststof flessen/infuuszakken (in plaats van glazen). g. De bereide cytostatica worden afgeleverd in een (semi-)gesloten infuussysteem waarbij tussen het luer-lockkoppelpunt en het cytostaticum een barrière zit in de vorm van een infuuslijntje gevuld met lucht of een neutrale vloeistof. h. De infuussystemen worden vóór aflevering aan de buitenkant schoongemaakt; zie hiervoor onderdeel F van deze bijlage. i. Indien er blootstelling kan plaatsvinden aan cytostatica worden handschoenen en een overschort gebruikt 3. toediening a. De toediening vindt plaats in een daartoe speciaal uitgeruste ruimte, die voldoet aan de voorwaarden zoals geformuleerd in onderdeel D van deze bijlage. b. Het (semi-)gesloten systeem wordt na de toediening schoongespoeld en in één keer ontkoppeld. c. Er wordt gebruik gemaakt van handschoenen en een overschort. 4. verpleging kuur-patiënten a. Er wordt rekening gehouden met de risicoperiode 2 (variërend per cytostaticum, van 1 tot 7 dagen) van de patiënt als besmettingsbron door bijvoorbeeld het verzamelen van urine of het afnemen van bloed niet in deze periode plaats te laten vinden. b. Bij het bepalen van de vochtbalans wordt de methode gekozen waarbij de patiënt wordt gewogen dan wel wordt een beddenpan of bokaal gebruikt in plaats van een methode waarbij urine moet worden overgegoten. Indien dit laatste toch noodzakelijk is wordt gewerkt in een veiligheidswerkbank en verder volgens een protocol dat speciaal hiervoor is opgesteld en waarin in ieder geval aandacht wordt besteed aan materialen, methode en persoonlijke beschermingsmiddelen. c. Er wordt een pospoeler met omkeermechanisme gebruikt. d. Er worden handschoenen gebruikt indien er een kans bestaat op dermale blootstelling (bijv. verschonen beddengoed, wassen patiënt). Bij handelingen waarbij blootstelling op kan treden aan cytostaticabevattend vocht (bijv. bij het overgieten van urine) worden een overschort, handschoenen en een bril gebruikt. e. Het beddengoed wordt in een gesloten systeem afgevoerd. 5. schoonmaak a. Er is een schoonmaakprotocol aanwezig, waarin in ieder geval aandacht is besteed aan de hierna onder b tot en met d genoemde aspecten. Uit: Staatscourant 30 mei 2001, nr. 102 / pag. 8 9

werkzaamheid toe te passen maatregel/methode b. Bij de schoonmaak wordt gezorgd dat de besmetting niet verspreid wordt, door in ieder geval na elke ruimte nieuw schoonmaakmateriaal te gebruiken. c. Degene die schoonmaakt draagt handschoenen. d. Het schoonmaken wordt regelmatig gecontroleerd door middel van veegproeven. 6. transport, bedden- a. Het transport van apotheek naar verpleegafcentrale, linnendienst deling van een toedieningsvorm vindt plaats in een lekdichte zak in een afgesloten container die wordt voorzien van een sticker waarop de inhoud staat vermeld met een duidelijke gevaarsaanduiding. b. Het transport kan ook plaatsvinden in een buispostsysteem, waarbij het transport van cytostatica of cytostatica bevattend materiaal in een apart systeem geschiedt. c. Het transport vindt plaats door personeel dat op de hoogte is van de risico s bij het werken met cytostatica. d. Het transport van de SZA-bakken vindt plaats in een voor dit doel toegeruste transportwagen. e. Er worden handschoenen gebruikt bij contact met besmet materiaal. 1 GMP-ziekenhuisfarmacie, hoofdstuk Z4 (handelingen met risicovolle stoffen en preparaten), Berg et al, KNMP/NVZA, 1996 2 Deze risicoperiode is op verschillende manieren te achterhalen, bijvoorbeeld bij de apotheker of in het Zakboekje cytostatica (IKST, IKW, IKZ 1997). B. Persoonlijke beschermingsmiddelen Handschoenen voldoen in ieder geval aan Ontw.NEN-EN 374-3:1998, Beschermende handschoenen tegen chemicaliën en micro-organismen - Deel 3: Bepaling van de weerstand tegen permeatie van chemicaliën. Latex is doorlaatbaar voor ethanol en methanol; van stoffen die daarin oplossen wordt dan ook de doorlaatbaarheid vergroot. Voer een handeling met deze stoffen, bijvoorbeeld een desinfectie, dus niet uit met latexhandschoenen. Indien het een klein te desinfecteren oppervlak betreft, gebruik dan een wattenstaafje. Was voor het aantrekken van de handschoenen de handen en herhaal dit bij het wisselen van de handschoenen. De handschoenen worden onmiddellijk uitgedaan na de handeling om besmetting van de omgeving te voorkomen. Handschoenen worden gewisseld na iedere handeling, beschadiging of zichtbare besmetting. Handschoenen worden voor gebruik geïnspecteerd op verkleuring, gaatjes en scheuren. Een beschermbril is gemaakt van polycarbonaat of acetaat, is krasbestendig en sluit goed om het gelaat. Hergebruik is mogelijk indien een bril niet besmet is en goed gereinigd met veel stromend water. Een besmette bril wordt afgevoerd als besmet afval. Ademhalingsbescherming bestaat uit een volgelaatsmasker met P3SL filter. Een overschort is van niet-vezelend, waterafstotend materiaal, bevat een rugsluiting en lange mouwen met een manchet en is van een kleur die afwijkend is van andere schorten. Het materiaal bestaat uit Tyvek met een saranexlaagje of een poylethyleencoating. Dit schort wordt niet buiten de werkruimte gedragen. Uit: Staatscourant 30 mei 2001, nr. 102 / pag. 8 10

Na een besmetting wordt het overschort direct verwisseld. Wegwerp schorten worden als cytostatica afval behandeld; niet- wegwerp schorten als besmet wasgoed. C. Spuitbehandeling Vanwege het mogelijke optreden van aërosolvorming bij ontluchten, wordt bij het ontluchten een steriel gaasje bij de opening van de naald gehouden en de zuiger zo voorzichtig verplaatst tot de vloeistof meekomt. Een prikaccident wordt vaak veroorzaakt bij het terugsteken van de naald in de huls. Steek de naald daarom niet meer terug op de spuit maar gooi deze weg in een naaldenbeker of plaats de huls terug met een pincet. Een andere iets minder veilige methode is: steek met één hand de naald in de liggende beschermhoes en wip de hoes op met de naald, draai vervolgens de spuit verticaal zodat de hoes over de naald schuift en trek met de duim en wijsvinger van de hand die de naald vasthoudt, de beschermhoes stevig op de naald. D. Toedieningsruimte De toedieningsruimte voldoet aan de volgende voorwaarden: Gemakkelijk te reinigen ruimte waarbij wanden en vloeren naadloos aansluiten. Het ventilatievoud is 4 tot 6 en er is geen recirculatie. Materialen ten behoeve van calamiteiten zijn voorhanden zoals extra persoonlijke beschermingsmiddelen waaronder een volgelaatsmasker met P3SL filter, materiaal om verspreiding van cytostatica tegen te gaan (zoals absorptiemateriaal bij vloeistoffen) en de antidota die worden gebruikt bij extravasatie. In de onmiddellijke nabijheid bevindt zich een nooddouche en een oogspoelvoorziening. De nooddouche is aangesloten op het waterleidingnet en de capaciteit bedraagt minimaal 80 l/min. De oogspoelvoorziening (oogdouche dan wel oogspoelfles) is zo dat beide ogen voldoende lang gespoeld kunnen worden en dat de ogen daarbij niet kunnen worden beschadigd. E. Gesloten en semi-gesloten toedieningssystemen Een gesloten systeem is een systeem waarbij tijdens de bereiding bij overdruk geen lucht vanuit de cytostaticumflacon in de omgevingslucht terecht kan komen. Bij een semi-gesloten systeem kan lucht tijdens de bereiding bij overdruk uit de cytostaticumflacon wel in de omgevingslucht terechtkomen, echter na het passeren van een filter. Een voorbeeld van een gesloten systeem is een systeem met een disposable spuit + een systeem met veiligheidspal en naald + een speciale spike met ballon + een vial. Een semi-gesloten systeem kan bestaan uit een zijlijn die gevuld is met neutrale vloeistof uit de infuuszak. Via naaldvrije aansluiting op de kunststofnaald wordt vloeistof uit de zak gehaald om het cytostaticum op te lossen. Op de vial is een spike bevestigd met een 0.2 micron hydrofoob filter ter voorkoming van aërosolen. Via de luer-lock aansluiting op de spike kan de spuit met de neutrale vloeistof worden leeggespoten om het cytostaticum op te lossen in de vial. F. Reinigen van verpakkingen/toedieningssystemen Dit kan door het antidotum van het cytostaticum of een zeepoplossing te gebruiken plus niet-vezelende tissues; het afvalwater wordt via het riool afgevoerd. Een andere methode is: sprayen met 0.03 N NaOH (of basische zeepoplossing), dit 30 seconden in laten trekken. Vervolgens droog maken met een tissue. Daarna deze bewerking herhalen met n-propanol. Uit: Staatscourant 30 mei 2001, nr. 102 / pag. 8 11

Toelichting Algemeen Dit besluit bevat diverse wijzigingen van de Beleidsregels arbeidsomstandighedenwetgeving. Het betreft de toevoeging van twee nieuwe beleidsregels, vervanging van twee beleidsregels, actualisering van de verwijzing naar een aantal normen, enkele correcties en technische aanpassingen. De twee nieuwe beleidsregels betreffen de beheersing van de blootstelling van werknemers in ziekenhuizen aan inhalatie anesthetica en cytostatica. Deze beleidsregels hebben betrekking op die werkzaamheden in ziekenhuizen waarbij, zoals uit onderzoek dat voor de opstelling van de beleidssregels is uitgevoerd is gebleken, (aanzienlijke) reductie van de blootstelling aan inhalatie anesthetica dan wel cytostatica door (bron)maatregelen mogelijk is. De werkgever dient zich conform artikel 4.9 van het Arbobesluit in te spannen om zo veel mogelijk maatregelen aan de bron te nemen teneinde de blootstelling aan gevaarlijke stoffen tot een veilig niveau te beheersen. Indien dit tot onvoldoende resultaat leidt, is hij aangewezen op andere maatregelen, in afdalende rangorde zijn dit ventilatie, afscherming van mens en bron en als laatste, het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen. Het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen dient tot een minimum beperkt te blijven vanwege de extra belasting die dit voor de werknemer en de patiënt betekent. De beoordeling van de risico s van blootstelling aan inhalatie anesthetica en/of cytostatica, de daaraan verbonden gevaren en de naar aanleiding daarvan door de werkgever genomen en te nemen maatregelen maken onderdeel uit van de risicoinventarisatie en -evaluatie (RI&E). Conform het Arbo-besluit wordt er met deze stoffen louter gewerkt (dit geldt dus ook voor de schoonmaak!) door mensen die op de hoogte zijn van de mogelijke gevaren bij het werken met deze stoffen. Voor wat betreft de technische uitvoerbaarheid van de maatregelen die beschreven zijn in de twee nieuwe beleidsregels, is met sociale partners in de ziekenhuizen en betrokken beroepsgroepen gecommuniceerd. In het kader van het Arbo-convenant, dat met sociale partners in academische ziekenhuizen in januari 2001 is afgesloten, zullen activiteiten worden ontplooid teneinde onderhavige beleidsregels goed te implementeren. Met de wijziging van beleidsregel 4.55 (Voorschriften eindmeting bij asbestsloop) is een meetvoorschrift geadopteerd dat op initiatief van de branche tot stand gekomen is. Het betreft een ontwerp-voorschrift dat in een later stadium, op grond van ervaringen die gedurende een jaar met de toepassing van het voorschrift worden opgedaan, definitief zal worden vastgesteld. Voorts is de beleidsregel inzake deskundig toezicht bij steigerbouw geheel herschreven. In de bestaande tekst werd verwezen naar een specifiek opleidingsinstituut. Hoewel de beleidsregel ruimer was geformuleerd, bleek het in de praktijk te leiden tot de (onjuiste) opvatting dat andere, gelijkwaardige, opleidingen als niet-erkend werden aangemerkt. De grond voor deze misvatting is nu weggenomen door in de beleidsregel te omschrijven over welke kennis en vaardigheden een deskundig toezichthouder bij steigerbouw moet beschikken. De wijzigingen in de Tarieflijst boetenormbedragen bestuurlijke boete Arbeidsomstandighedenwet 1998 (bijlage 1, behorend bij beleidsregel 33 Arbowet 1998) hangen samen met de wijziging van de Arbowet 1998 van 13 december 2000, Stb. 595. Daarnaast worden enkele nieuwe feiten opgenomen in de Lijst van ernstige beboetbare feiten (bijlage 2) en de Lijst van direct beboetbare feiten (bijlage 3). Voorts zijn verwijzingen naar enkele NEN-normen geactualiseerd en zijn twee kleine correcties doorgevoerd in de lijst van Bestuurlijke MAC-waarden (bijlage 6, behorend bij beleidsregel 4.2-1 Arbobesluit). Tenslotte zijn enkele technische aanpassingen doorgevoerd in verband met de toevoeging van twee bijlagen. Uit: Staatscourant 30 mei 2001, nr. 102 / pag. 8 12

Artikelsgewijze toelichting Onderdeel A (wijziging beleidsregel 3.4 ) NEN 1010 bestaat uit 8 losse onderdelen die afzonderlijk kunnen worden geactualiseerd en gepubliceerd. De tot nu toe geformuleerde verwijzing naar NEN 1010 biedt geen inzicht in de verschillende onderdelen en -afwijkendeactuele publicatiedata. Met de onderhavige wijziging wordt het juiste overzicht gegeven doordat nu alle normdelen in de beleidsregels worden vermeld. Onderdeel C (wijziging beleidsregel 4.4-8) In plaats van vermelding van de norm NEN 1010 wordt nu uitsluitend verwezen naar onderdelen van de norm die hier van toepassing zijn. Onderdeel E (Beleidsregel 4.9-5) In deze beleidsregel zijn beheersmaatregelen omschreven die gehanteerd dienen te worden bij werkzaamheden in ziekenhuizen waar voor de gezondheid schadelijke blootstelling aan inhalatie anesthetica kan optreden. Een belangrijke maatregel om blootstelling aan inhalatie anesthetica te voorkomen is vervanging van deze stoffen door intraveneuze anesthetica. Daar dit om medische redenen niet overal mogelijk is, worden hier maatregelen beschreven om blootstelling te beperken. Per type werkzaamheid zijn in bijlage 11 bij deze beleidsregel beheersmaatregelen opgenomen die uitgaan van de stand van de techniek zoals deze wordt toegepast bij de best practice ziekenhuizen. De toepassing van maatregelen aan de bron staat daarbij voorop. Voorzover deze stand van de techniek van beheersmaatregelen ontoereikend blijkt te zijn, dienen op basis van de uitkomsten van de RI&E, bedoeld in artikel 5 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998, door de werkgever additionele maatregelen genomen te worden. Wanneer de werkgever andere beheersmaatregelen treft dan de in de beleidsregel beschreven maatregelen, dient hij in de RI&E aan te tonen dat minimaal een even hoog beschermingsniveau wordt geboden. De beschrijving van de stand van de techniek is gebaseerd op gegevens uit het rapport Inhalatie anesthetica: stand der techniek op het gebied van beheersmaatregelen van de Chemiewinkel Amsterdam, waarin verslag wordt gedaan van het in 2000 uitgevoerde onderzoek, dat in februari 2001 is gepubliceerd in de convenantenreeks van Elsevier bedrijfsinformatie bv te Den Haag. In dit onderzoeksrapport worden de situaties aangegeven waar de hoogste blootstelling plaatsvindt: de zogenaamde piekblootstelling bij inleidingen en sluderoperaties. Onderdeel I (Beleidsregel 4.18-5) In deze beleidsregel zijn beheersmaatregelen omschreven die gehanteerd dienen te worden bij werkzaamheden in ziekenhuizen waar gewerkt wordt met cytostatica. Een groot aantal cytostatica is geclassificeerd als kankerverwekkend. Bij de overige cytostatica zal het classificeren nog geschieden. De verwachting is dat alle cytostatica als kankerverwekkend geclassificeerd zullen worden. Bij het werken met cytostatica kan blootstelling aan deze stoffen optreden, hetgeen schadelijk kan zijn voor de gezondheid. Hoewel in het kader van het beleid ter voorkoming en beperking van de blootstelling aan kankerverwekkende stoffen vervanging als eerste stap geboden is, is dat hier geen optie omdat er voor de therapie waarvoor de kankerverwekkende cytostatica worden gebruikt geen alternatief bestaat. Per type werkzaamheid zijn in bijlage 14 bij deze beleidsregel beheersmaatregelen opgenomen die uitgaan van de stand van de techniek zoals deze wordt toegepast bij de best practice ziekenhuizen. De toepassing van maatregelen aan de bron staat daarbij voorop. Voorzover deze stand van de techniek van beheersmaatregelen ontoereikend blijkt te zijn, dienen op basis van de uitkomsten van de RI&E, bedoeld in artikel 5 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998, door de werkgever additionele maatregelen genomen te worden. Wanneer de werkgever andere beheersmaatregelen treft dan de in de beleidsregel beschreven maatregelen, dient hij in de RI&E aan te tonen dat minimaal een even hoog beschermingsniveau wordt geboden. De beschrijving van de stand van de techniek is gebaseerd op gegevens uit Uit: Staatscourant 30 mei 2001, nr. 102 / pag. 8 13

het rapport Blootstelling aan cytostatica in ziekenhuizen, dat in 2000 is uitgevoerd door de Universiteit Utrecht en dat in februari 2001 is verschenen in de convenantenreeks bij Elsevier bedrijfsinformatie bv te Den Haag. Onderdeel J (Beleidsregel 4.55) Het nieuwe meetvoorschrift Eindcontrole na asbestverwijdering, TNO-MEP - R 2000/065a (mei 2001), is een actualisering van het meetvoorschrift dat in deze beleidsregel was opgenomen. Voorts beschrijft de meetmethode een systematiek voor de uitvoering van de visuele inspectie, ook voor buitenlocaties. Ook wordt aangegeven hoe, indien twijfel bestaat over de identiteit van de gemeten vezels de meetmethode bepaalt immers alle vezels die aan de telcriteria voldoen en niet alleen de asbestvezels gebruik kan worden gemaakt van een identificerende meetmethode. Indien niet-hechtgebonden asbest is verwijderd uit een ruimte, kan de restbesmetting van die ruimte visueel niet waarneembaar maar toch significant hoog zijn. In de meetmehode wordt beschreven op welke wijze monsters van deze ruimte kunnen worden genomen in de vorm van zogenaamde stripmonsters. Deze monstername wordt indicatief meegenomen en dient in deze situaties te worden gezien als aanvulling op de visuele inspectie. Omdat de monstername tot dusver weinig gestandaardiseerd is, wordt gedurende een jaar ervaring opgedaan met deze methode. Daarna zal worden beoordeeld of de meetmethode daadwerkelijk gestandaardiseerd uitgevoerd kan worden zoals is beschreven in het voorschrift, dan wel zodanig aangepast wordt dat aan dit doel wordt voldaan. Vervolgens zal deze stripmonstermeting als volwaardig criterium dienen voor de beoordeling van een ruimte waaruit niet-hechtgebonden asbest is verwijderd. Het ontwerp-meetvoorschrift zal vervolgens als basis dienen voor de ontwikkeling van een definitieve NEN-norm. Onderdeel O (beleidsregel 7.34) Met deze gewijzigde beleidsregel wordt de vereiste kennis in verband met de toepassing en het gebruik van steigers, duidelijker omschreven. De bestaande tekst bleek in de praktijk te leiden tot misverstanden. Ten behoeve van de werknemers in de steigerbranche is inmiddels een vrijwillige certificatie-regeling van vakbekwaamheid opgezet, die ondergebracht is bij de Raad voor Accreditatie. Een certificatie-regeling voor de Toezichthouder steigerbouw is in bewerking. Onderdeel P (beleidsregel 8.2) Voor bepaalde werkzaamheden of situaties zijn in diverse beleidsregels voorschriften opgenomen over de keuze of het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen. Zo worden bijvoorbeeld specifieke ademhalingsbeschermingsmiddelen voorgeschreven bij werkzaamheden waar sprake is van blootstelling aan bepaalde toxische of kankerverwekkende stoffen. De bestaande tekst geeft, in het tweede lid, aan dat, naast hetgeen in de Gids persoonlijke beschermingsmiddelen staat, aanvullende maatregelen gelden in een drietal specifieke situaties. Dit geeft evenwel een onvolledig beeld. Met de onderhavige wijziging wordt verduidelijkt dat relevante voorschriften op het gebied van persoonlijke beschermingsmiddelen in andere beleidsregels altijd van toepassing zijn. Onderdeel S (wijziging bijlage 1 bij beleidsregel 33 Arbowet) De aanpassingen die in de Tarieflijst boetenormbedragen worden doorgevoerd zijn een gevolg van wijzigingen in de Arbowet 98 (Stb 595, 2000). Onderdeel T (wijziging bijlage 2 bij beleidsregel 33 Arbowet) In de praktijk komt het regelmatig voor dat met arbeidsmiddelen wordt gewerkt die bij gebruik zeer gevaarlijk kunnen zijn, omdat die op bepaalde momenten niet beveiligd kunnen worden. Een voorbeeld daarvan is een motorketingzaag. Indien in dergelijke gevallen door de werkgever geen aanvullende beschermende maatregelen zijn getroffen, of de werknemer gebruikt deze niet, dan is er sprake van een ernstig gevaar voor personen. In de bestaande lijst van ernstige beboetbare feiten zijn geen feiten opgenomen op basis waarvan de inspecteur voor dergelijke ernstige situaties, naast stillegging Uit: Staatscourant 30 mei 2001, nr. 102 / pag. 8 14

op grond van artikel 28 Arbowet, ook direct een boete kan aanzeggen. Meestal gaat het hier om het ontbreken of niet gebruiken van (de juiste) persoonlijke beschermingsmiddelen, zoals een zaagbroek bij het werken met een motorkettingzaag. Terzake zijn twee feiten toegevoegd. Bij beide is een uitroepteken geplaatst omdat de ernst van het gevaar in dergelijke situaties afhangt van de aard van het werk, het proces, of het type arbeidsmiddel. De inspecteur zal dit ter plaatse moeten vaststellen. Naar aanleiding van de gebeurtenissen in Volendam, is het uitvoeringsbeleid met betrekking tot nooduitgangen onder de loep genomen. Het is wenselijk om in voorkomende gevallen stringenter op te treden. Derhalve is het noodzakelijk het toepassingsbereik van het ernstige beboetbare feit betreffende nooduitgangen te verruimen. De bestaande tekst beperkte zich tot het ontbreken van een tweede vluchtweg. Dat is nu vervangen door doeltreffende vluchtweg. Tevens is een uitroepteken bij de tekst geplaatst hetgeen inhoudt dat het aan de inspecteur is om te bepalen of de vluchtmogelijkheden in een bepaalde situatie al dan niet doeltreffend zijn. Onderdeel U (wijziging bijlage 3 bij beleidsregel 33 Arbowet) Het komt regelmatig voor dat gebrek aan toezicht, mede, oorzaak is van een situatie waarin sprake is van een ernstig of direct beboetbaar feit waarvoor een werknemer een boete kan krijgen. In voorkomende gevallen is het wenselijk om behalve de werknemer ook een werkgever een boete te kunnen opleggen voor nalatigheid ten aanzien van zijn toezichtsplicht. Derhalve worden nu twee nieuwe feiten toegevoegd betreffende toezicht op de naleving van instructies en voorlichting en het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen. Hierbij is ook een uitroepteken geplaatst omdat de inspecteur situationeel moet bepalen in welke gevallen onvoldoende toezicht een causale relatie heeft met het niet naleven van verplichtingen door de werknemer. Artikel II Voor de gewijzigde beleidsregel 4.55 (Voorschriften eindmeting bij asbestsloop) geldt een later tijdstip van inwerkingtreding. Om het bedrijfsleven in de gelegenheid te stellen de nodige voorbereidingen te treffen, wordt een periode van twee maanden in acht genomen alvorens het nieuwe meetvoorschrift in werking treedt. De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.F. Hoogervorst, namens deze, de Directeur-Generaal, R.IJ.M. Kuipers. Uit: Staatscourant 30 mei 2001, nr. 102 / pag. 8 15