MINISTERIE VAN ONDERWIJS EN VOLKSONTWIKKELING EXAMENBUREAU UNIFORM HEREXAMEN MULO 2008 VAK : GESCHIEDENIS DATUM: WOENSDAG 06 AUGUSTUS 2008 TIJD : 11.50 13.05 UUR DEZE TAAK BESTAAT UIT 40 ITEMS. ------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------ SURINAME: DE POLITIEKE EN STAAT- KUNDIGE ONTWIKKELING NA 1945 Schaarste aan levensmiddelen, lange rijen voor de Nederlandse ambassade, geen prijscontrole en woekerwinsten. Het bovenstaande heeft betrekking op de periode A eerste helft 80-er jaren van de vorige eeuw. B tweede helft 80-er jaren van de vorige eeuw. C eerste helft 90-er jaren van de vorige eeuw. D tweede helft 90-er jaren van de vorige eeuw. In een land is er sprake van parlementaire democratie wanneer onder andere A alle politieke partijen die aan de verkiezing hebben deelgenomen in het parlement zijn vertegenwoordigd. B de arbeiders middels hun vakorganisatie vertegenwoordigd zijn in de regering en het parlement. C de regering bij het nemen van belangrijke besluiten de oppositie negeert. D het volk de gelegenheid krijgt om bij vrije, eerlijke en geheime verkiezingen haar vertegenwoordigers te kiezen voor het parlement. 1 2 De Staten van Suriname van 1937 bestond uit 15 leden en in 1949 uit 21 leden. De toename van het aantal leden hield verband met A de toename van de bevolking. B de toename van het aantal politieke partijen. C de instelling van het algemeen kiesrecht. D de uitbreiding van het aantal kiesdistricten. In 1948 werd het algemeen kiesrecht in ons land ingevoerd. Hierbij lette men onder andere op A de leeftijd en de ontwikkeling. B het geloof en de etnische afkomst. C de leeftijd en de nationaliteit. D het inkomen en de ontwikkeling. Een sociaal grondrecht, dat in onze grondwet is opgenomen is A het recht op eigendom. B het recht op medische zorg. C het recht op staken. D het recht op vrije meningsuiting. 3 4 5
Welke omschrijving geeft de relatie aan tussen de wetgevende en de uitvoerende macht? A De leden van de Staatsraad worden benoemd door de Nationale Assemblee. B De President en de regering zijn verantwoording schuldig aan De Nationale Assemblee. C De President wordt gekozen door de Verenigde Volksvergadering. D De Staatsraad heeft tot taak de President en de regering te adviseren. Lees de beweringen goed! 6 Het algemeen kiesrecht houdt in I II dat iedereen die in Suriname geboren is, mag stemmen. dat mannen en vrouwen die aan de regels van het kiesreglement voldoen, mogen stemmen. Van bovenstaande beweringen A is alleen I juist. B is alleen II juist. C zijn I en II juist. D zijn I en II onjuist. 7 Welk kenmerk bij de bestuursvorm van de Marronsamenleving is juist? A Benoemingen gelden voor het leven. B Bestuursfuncties zijn openbaar. C De granman wordt middels verkiezing aangewezen. D De granman heeft het terugroeprecht van kapiteins. 9 10 Wanneer spreekt men van corruptie? A Als er een afhankelijkheidsrelatie bestaat tussen een politieke leider en zijn aanhangers. B Als een ambtenaar in functie zich laat omkopen. C Wanneer een assembleelid overloopt naar de andere partij. D Wanneer de coalitie en de oppositie gaan samenwerken. 11 Welke politicus kreeg niet de eer een straat naar hem te vernoemen? A Henck Arron B Eddy Bruma C Fred Derby D Jagernath Lachmon Veel Surinamers verlieten in de periode 1973-1975 ons land, omdat zij bang waren voor een militaire coup. In bovenstaande zin zijn twee beweringen door het woord omdat met elkaar in verband gebracht. Hiervan A is de eerste waar, maar de tweede niet. B is de tweede waar, maar de eerste niet. C zijn beide waar en op de juiste wijze met elkaar in verband gebracht. D zijn beide waar en niet op de juiste wijze met elkaar in verband gebracht. 8
12 Schematisch overzicht van de politieke en staatkundige ontwikkeling in Suriname na 1945 Staatshoofd Uitvoerende macht Volksvertegenwoordiging Kiesrecht Grondwet Voor 1948/1950 Gouverneur Vertegenwoordiger van de koningin Gouverneur 1948/50-1975 Gouverneur Vertegenwoordiger van de koningin Regering vanaf 1950 o.l.v. Premier Staten van Suriname (sedert 1937)? Census/ Capaciteits 25 jaar Staatsregeling Algemeen 23 jaar ( tot 1973) Staatsregeling en vanaf 1954 Statuut 1975-1980 1980-1987 1988 President President President Regering o.l.v. Premier Parlement Militairen Vanaf 1985 Nationale Assemblee Regering o.l.v. Premier Nationale Assemblee Algemeen 21 jaar Algemeen 18 jaar 1 e grondwet Decreten w.o. decreet basisrechten 2 e grondwet Welke politieke ontwikkeling of staatsorgaan moet worden ingevuld in het hokje waar er een vraagteken staat? A algemeen kiesrecht B regering onder leiding van de premier C Staten van Suriname D volkscomité 14 Zie de volgende ontwikkelingen in de periode 1980-2000. I II onderzoek naar en exploitatie van aardolie. oprichting en functionering van de N.V.Staatsolie. III toename van de overheidsinkomsten. IV propageren van het idee vertrouwen op eigen kunnen. Welke ontwikkeling is ontstaan als gevolg van de andere drie? A I is ontstaan als gevolg van II, III en IV B II is ontstaan als gevolg van I, III en IV C III is ontstaan als gevolg van I, II en IV D IV is ontstaan als gevolg van I, II en III 15 SURINAME:SOCIAAL-ECONOMISCHE ONTWIKKELING NA 1945 Tegenwoordig zijn veel ondernemers van mening dat voor een stabiele economische ontwikkeling de overheid de staatsbedrijven moet afstoten. 13 Welk begrip is van toepassing op het bovenstaande? A joint-venture B privatisering C resource-base D self-reliance Bovenstaande spotprent geeft de ontwikkeling in de bauxietsector aan in de periode 1950-1990. Welke ontwikkeling kunnen wij aflezen uit de prent? A De bauxietindustrie betaalt de beste lonen. B De bauxietindustrie is de grootste kredietverstrekker in de mijnbouwsector. C De best geschoolde arbeiders werken in de bauxietindustrie. D De sociaal-economische ontwikkeling is voor het grootste deel afhankelijk van de bauxietindustrie.
16 18 Rijstsector Uitstralingseffect Transportbedrijven Vanaf de jaren zeventig van de vorige eeuw heeft de overheid maatregelen getroffen om het leefklimaat te verbeteren in de districten. Welke maatregel is in dit verband niet juist? Staatsolie Bauxietsector? Bekijk het bovenstaand schema heel goed! Welke economische sector moet worden ingevuld op de plaats van het vraagteken? A deviezensector B dienstensector C handelssector D overheidssector 17 1. God zij met ons Suriname. Hij verheff ons heerlijk land. 2. Hoe wij hier ook samen kwamen aan zijn grond zijn wij verpand. 3. Werkend houden w in gedachten. Recht en waarheid maken vrij. 4. Al wat goed is te betrachten Dat geeft aan ons land waardij. Welke regel uit het bovenstaande couplet geeft aan dat wij verbonden zijn aan dit land ongeacht onze afkomst? A regel 1 B regel 2 C regel 3 D regel 4 A Het volgen van onderwijs in de districten. B De uitbreiding van het elektriciteitsnet in de districten. C Het vergroten van het aantal parlementszetels in de districten. D Het opzetten van gezondheidscentra in de districten. 19 Wat is niet juist. Ter vergroting van de welvaart en het welzijn van de bevolking is de overheid na de Tweede Wereldoorlog een steeds belangrijkere rol gaan spelen op economisch gebied, omdat A de Surinaamse overheid een socialistische koers volgde. B ondernemers in de particuliere sector weinig investeerden. C ondernemers over onvoldoende kapitaal beschikten. D van overheidswege men zelf de productieve sector wilde beheersen. 20 Suriname is volgens sommige critici met de Brokopondo-overeenkomst benadeeld, omdat de aanspraak op de opgewekte energie maximaal is. In bovenstaande zin zijn twee beweringen door het woord omdat met elkaar verbonden. Hiervan: A is de eerste waar, maar de tweede niet. B is de tweede waar, maar de eerste niet. C zijn beide waar, maar niet op de juiste wijze met elkaar in verband gebracht. D zijn geen van beide waar.
HET DEKOLONISATIEPROCES 24 21 Wat is niet juist. In de jaren vijftig van de vorige eeuw zijn er in bepaalde kolonies bevrijdingsbewegingen ontstaan, omdat Van welke dekolonisatiegolf geeft deze spotprent een kenmerk weer? A de eerste dekolonisatiegolf B de tweede dekolonisatiegolf C de derde dekolonisatiegolf D de vierde dekolonisatiegolf 22 Een kenmerk van de tweede fase van het dekolonisatieproces is A de verwezenlijking van de staatkundige onafhankelijkheid. B het accepteren van kleine politieke hervormingen in het bestuur. C de opbouw van een nationale economie. D een eind maken aan elke vorm van maatschappelijke ongelijkheid. 23 Wanneer een ex-kolonie zijn eigen opvatting ten aanzien van de bestuurlijke inrichting van het land kenbaar maakt, is er sprake van: A culturele dekolonisatie. B economische dekolonisatie. C sociale dekolonisatie. D staatkundige dekolonisatie. A het dekolonisatieproces alleen door gewelddadige acties kon worden voltooid. B de metropool niet vrijwillig haar winstgevende kolonies wilde opgeven. C de Beweging van niet Gebonden Landen deze politiek ondersteunde. D de nationalistische leiders samen werkten met de kolonisator. De Derde Wereldlanden proberen door onderlinge samenwerking hun problemen op te lossen. 25 Welke benaming is van toepassing op het bovenstaande? A Alliance for progress B Noord-Zuid dialoog C Zuid-Zuid dialoog D Vreedzame coëxistentie 26 De Engelsen wilden op een gegeven moment niet met hem te maken hebben, omdat zij hem beschuldigden communistisch te zijn. Bovendien wilden ze niet dat onder zijn partij, de P.P.P., het land onafhankelijk werd. Het bovenstaande heeft betrekking op A Maurice Bisshop van Grenada. B Fidel Castro van Cuba. C Chedi Jagan van Guyana. D Eric Williams van Trinidad.
27 30 De massale dekolonisatie van de gekleurde volkeren vond plaats A in de eerste helft van de 19 e eeuw. B in de tweede helft van de 19 e eeuw. C in de eerste helft van de 20 e eeuw. D in de tweede helft van de 20 e eeuw. HET ARABISCH-ISRAËLISCH CONFLICT 28 In de Balfour-verklaring deed Engeland de belofte aan A de Arabieren om het Turkse rijk te verdelen. B Frankrijk en Rusland om het Turkse rijk te verdelen. C de Joden om een Joodse staat in Palestina te stichten. D de Palestijnen om een Palestijnse staat in Palestina te stichten. President Nasser van Egypte ging tot nationalisatie van de Suezkanaalmaatschappij over, omdat A de Palestijnen het Suezgebied als een deel van Palestina beschouwden. B de Verenigde Staten de hulp voor de bouw van de Assoewandam introkken. C Egypte lid was geworden van het Bagdad pact. D Frankrijk de aandelen van de Suezkanaalmaatschappij in handen had. 29 Van welke oorlog geeft bovenstaande kaart een situatie weer? A de Suezoorlog van 1956 B de Zesdaagse oorlog van 1967 C de Yom Kippoeroorlog van 1973 D de Golfoorlog van 1991 31 De eenheid tussen de Arabische staten werd na 1979 verbroken, omdat A Egypte vrede sloot met Israël. B de Palestijnen overgingen tot het plegen van gewelddadige acties. C sommige Arabische staten niet meededen met de olieboycot. D Syrië de staat Israël erkende.
32 LATIJNS-AMERIKA EN HET CARIBISCH GEBIED IN DE 20 STE EEUW Welk kenmerk van Latijns-Amerikaanse landen is niet juist? A De welvaart is gelijk verdeeld, er bestaat geen werkloosheid en ook geen analfabetisme. B Ze hebben alle een heterogene bevolking. C Ze zijn alle kolonies geweest van een Europees land. D Ze zijn alle overwegend katholiek. 34 Op welke periode van het Arabisch-Israëlisch conflict heeft bovenstaande spotprent betrekking? A de periode 1919 1948 B de periode 1949 1967 C de periode 1968 1973 D de periode 1974 1979 33 In de periode eind 2002 tot en met het begin van 2003 maakten de VS plannen een aanval op Irak te plegen, omdat A Irak de olietoevoer naar het Westen dreigde stop te zetten. B Irak de terroristische aanslagen in Westerse landen pleegde. C Irak een economische boycot tegen het Westen op gang bracht. D Irak de beslissing van de Veiligheidsraad om zich te ontwapenen te traag uitvoerde. 35 Een factor die de economische ontwikkeling van Latijns-Amerikaanse landen belemmert, is A de grote staatsschuld bij buitenlandse financierders. B de nationalisatie van de basisindustrieën. C toename van de export. D ontginning van de natuurlijke hulpbronnen. In de 20 ste eeuw kwamen vooruitstrevende Rooms-Katholieke geestelijken in Latijns- Amerika die onder het volk werkten, in verzet. Ze kwamen in botsing met politieke en kerkelijke leiders omdat ze onder andere de eis stelden: A afschaffen van de militaire dienstplicht. B invoeren van de arbeidsplicht. C doorvoeren van landhervormingen. D belastingvrijdom voor buitenlandse bedrijven. 36
37 Het hulpprogramma dat de Verenigde Staten in de jaren tachtig van de vorige eeuw lanceerden om het Caribische gebied te helpen, is A Carifesta. B de Caricom. C de Caribbean Basin Initiative. D de Caribbean Broadcasting Union. 38 Tot de bevolkingslaag die streefde naar verandering van de sociaal-economische en politieke situatie in Latijns-Amerika in de jaren 50-80 van de vorige eeuw behoorden onder andere A de boeren. B de industriearbeiders. C de intellectuelen. D de landarbeiders. 39 In het conflict tussen Cuba en de Verenigde Staten kozen veel Latijns-Amerikaanse landen de zijde van Cuba, omdat deze landen zich erop verheugden dat de revolutionaire ideeën ook ingang zouden vinden bij hun bevolking. In bovenstaande zin zijn twee beweringen door het woord omdat met elkaar verbonden. Hiervan A is de eerste waar, maar de tweede niet. B zijn beide waar en op de juiste wijze met elkaar verbonden. C zijn beide waar, maar niet op de juiste wijze met elkaar verbonden. D zijn geen van beide waar. 40 Tegen welk land in Zuid-Amerika ondernam de V.S. na het jaar 2000 politieke acties om het bestuur te destabiliseren? A Argentinië B Brazilië C Venezuela D Columbia