BRAZILIAANS HERHALING 1



Vergelijkbare documenten
Eenvoudig Braziliaans TalencentrumBarneveld.nl BRAZILIAANS LES 3

Eenvoudig Braziliaans TalencentrumBarneveld.nl BRAZILIAANS LES 5

Eenvoudig Braziliaans TalencentrumBarneveld.nl BRAZILIAANS LES 8

Eenvoudig Braziliaans TalencentrumBarneveld.nl BRAZILIAANS LES 11

Eenvoudig Braziliaans TalencentrumBarneveld.nl BRAZILIAANS LES 1

Reizen Algemeen. Algemeen - Belangrijkste benodigdheden. Algemeen - Conversatie. Om hulp vragen. Vragen of iemand Engels spreekt

Eenvoudig Braziliaans TalencentrumBarneveld.nl BRAZILIAANS LES 6

Eenvoudig Braziliaans TalencentrumBarneveld.nl BRAZILIAANS LES 7

Eenvoudig Braziliaans TalencentrumBarneveld.nl BRAZILIAANS LES 12

Reizen Algemeen. Algemeen - Belangrijkste benodigdheden. Algemeen - Conversatie. Om hulp vragen. Vragen of iemand Engels spreekt

Reizen Algemeen. Algemeen - Belangrijkste benodigdheden. Algemeen - Conversatie. Om hulp vragen. Vragen of iemand Engels spreekt

a. Palavras portuguesas que já conhece. Een aantal van deze woorden kent u vast al. Welke woorden passen bij de foto? Kruis ze aan.

SPAANS HERHALINGLES 1 Español

Eenvoudig Braziliaans TalencentrumBarneveld.nl BRAZILIAANS LES 9

Inhoud. 1 Como vai? Onde trabalha? 19

Lição!3!...!9! Woordenschat!...!9! Het!werkwoord!zijn:!Ser!en!Estar!...!9! Lidwoord!+!zelfstandig!naamwoord!...!10! Oefeningen!...!10!

Reizen De weg vinden De weg vinden - Locatie Nederlands Portugees Eu estou perdido (a). Você pode me mostrar onde é isso no mapa? Onde eu encontro?

Eenvoudig Braziliaans TalencentrumBarneveld.nl BRAZILIAANS LES 14

Immigratie Documenten

bab.la Uitdrukkingen: Persoonlijke correspondentie Gelukwensen Portugees-Nederlands

SPAANS LES 5 Español

Auteur boek: Vera Lukassen Titel boek: Holandês para Portugueses. 2011, Serasta Uitgegeven in eigen beheer Eerste druk: juli 2014

SPAANS LES 2 Español

SPAANS LES 8 Español

Les 4: Les conversatie + grammatica Nederlands Conversatie Les 2 A-klas

RIJSCHOOL. Wat moet je doen?

Jezus geeft zijn leven voor de mensen

U leert in deze les "toestemming vragen". Toestemming vragen is vragen of u iets mag doen.

Tornado. Maartje gaat voor het eerst logeren. s Nachts belandt ze met haar vriendinnetje Eva in een tornado en beleven ze een heel spannend avontuur.

OPZOEKEN IN HET WOORDENBOEK (1)

bab.la Uitdrukkingen: Persoonlijke correspondentie Gelukwensen Nederlands-Portugees

A escribir! Periode 2. Schrijfopdrachten Spaans mavo 4

Eenvoudig Braziliaans TalencentrumBarneveld.nl BRAZILIAANS LES 13

Dyadic Adjustment Scale (DAS)

Het belang en het gemak van het Spaanse werkwoord

Brood, tafel, maaltijd houden

BESTEMMING BEREIKT?! Opdrachtenblad Niveau:

SPAANS LES 7 Español

AANWIJZEND VOORNAAMWOORD. A) Welk woord past in de zin? Kies uit die of dat. 1. Heb je het huiswerk gemaakt? 7. Ga je naar één van onze feestjes?

Wat mevrouw verteld zal ik in schuin gedrukte tekst zetten. Ik zal letterlijk weergeven wat mevrouw verteld. Mevrouw is van Turkse afkomst.

1. Luisteren. 2. Luisteren

Persoonlijke competenties Sociale competenties Leer (school) competenties

ProJOP. jeugdwerk VPKB. 40 Days. stilstaan in de 40 dagentijd

Alles onder de knie? 1 Herhalen. Intro. Met de docent. 1 Werk samen. Lees het begin van de gesprekjes. Maak samen de gesprekjes af.

Dag! kennismaken. Ik ben Eric.

EEN FEESTJE ORGANISEREN

Thema Op zoek naar werk

HOE KOM JE NAAR DE LES?

BESTEMMING BEREIKT?! Opdrachtenblad Niveau:

Voorbereidende les. Basisonderwijs. Educatieteam

Les 2 Uit welk land kom jij? TESTEN TEST 1

MOEILIJKHEIDSGRAAD: -**- Een spreekbeurt geven, vraagt veel voorbereiding. Je moet immers vlot kunnen vertellen en je moet je luisteraars boeien.

SPAANS LES 3 Español

werkbladen thema 6 feestdagen en vrije tijd

Eetgewoonten van schoolkinderen Vragenlijst voor kinderen

De examenperiode is een moeilijke tijd. Je moet hard studeren en je hebt veel stress. Wat is een goede studiemethode en wat doe je beter niet?

Wat heb je gisteren gedaan?

Inkijkexemplaar INLEIDING. zelfbeeld. Leskatern 1

Veertien leesteksten. Leesvaardigheid A1. Te gebruiken bij : Basisexamen Inburgering Studieboek. Ad Appel

1 Werkwoord. (wonen, werken, lopen,...) 8 Grammatica is niet moeilijk. wonen, werken, lopen,... noemen we werkwoorden.

Werkboek Het is mijn leven

Een filmpje kijken en reflecterend bespreken. Film 2:50 min op youtube: Asking Strangers For Food! (Social Experiment)

Kijk op: nt2taalmenu wordt gemaakt door: Frans Snik, Ed Kniesmeijer en René den Nijs. Brieven schrijven

Toets Geletterdheid en Begrijpend Lezen

Bijlage 1. Beste ouders/verzorgers van de leerlingen van groep 3/4,

Nieuwsbrief CliëntAanZet

Auteur: Mirjam Wind, docent en coördinator NT2, Educatie Video s: Gabe Dijkstra en Rick Biemolt, studenten Alfa-college, MultiMedia en Design

Opstartles 10. EXTRA Oefenen met woorden bij de lessen

Thema Kinderen en school. Demet TV. Lesbrief 9. De kinderopvang

Goedendag! Ik, ik ben. Ben jij? En jij? Jij bent! nee. één. twee. drie. vier. vijf. zes. zeven. acht. negen. tien. Gaat het? Het gaat goed.

Persoonlijke Gezondheidspeiling

Wil jij minderen met social media?

Een moeilijk woord voor Natuurbrug is Ecoduct. Wat dat nu precies is, legt de schrijver Frank van Pamelen hieronder nog eens uit.

REGELS. Onderstreep de pluralisvorm in de zin.

WEEK MAANDAG WOENSDAG DINSDAG DONDERDAG VRIJDAG ZONDAG ZATERDAG. Vul het juiste voorzetsel in. Nico fietst elke dag (aan, naar, op) de cursus.

LES 3 Ik leer Nederlands. TESTEN TEST 1

Vragenlijst: Wat vind jij van je

Schrijfpalet. Denk goed na! 12. Olifant met gsm?

Formeel en informeel. Formeel: Je gebruikt u om iemand aan te spreken. Je noemt iemand bij zijn achternaam.

[zelf op te maken en in te vullen > denk hierbij aan het tonen van een foto en/of logo van de bank, je naam etc.

Ria Massy. De taart van Tamid

Transcriptie:

pagina:1 Inleiding Bestudeer de lessen 1 t/m 5 goed! Veel succes! Opdracht 1 Lijntrekken xxxxxxxxxx 1 het gebouw a bolsa 1 2 de taal a língua 2 3 de bril a vela 3 4 de handtas o prédio 4 5 de stad a semana 5 6 de fiets o óculo 6 7 de kaars o mapa 7 8 de week a cidade 8 9 de taal o rapaz 9 10 de brief a festa 10 11 de jongen a carta 11 12 de man o homem 12 13 het feest xxxxxxxxxxx 14 de kaart Opdracht 2 Vul in: 1. O menino é. = de jongen is rijk. 2.. é branco = de auto is wit. 3.. é a festa? = wanneer is het feest? 4.. ele está em casa? = waarom is hij thuis? 5. Elas. uma bolsa = zij kopen een handtas. 6. Nós. a casa = wij verkopen het huis. 7. Ele. bem. = hij eet goed. 8. Nos. de Amsterdã = wij komen uit Amsterdam. 9. Você. português? = spreek je Portugees? 10. Eles são. = zij zijn vriendelijk. 11. Nós. um novo professor = wij hebben een nieuwe leraar. 12. O hotel. uma piscina? = heeft het hotel een zwembad? 13.. amiga é linda = mijn vriendin is knap. 14.. amigo é alto = mijn vriend is lang.

pagina:2 Opdracht 3 Vul in: 1. m r r = wonen 2. pr c s r = nodig zijn 3. c rd r = ontwaken, wakker worden 4. d rm r = slapen 5. c rr r = rennen 6. p rt r = vertrekken 7. lm ç r = het middagmaal nemen 8. ch r = van mening zijn, vinden 9. ch g r = aankomen 10. scr v r = schrijven 11. c m r = eten 12. c mpr r = kopen 13. v nd r = verkopen 14. nvi r = zenden 15. f l r = spreken Opdracht 4 Traduza para o português (Vertaal in het Portugees) 1. Tot ziens! 2. Tot morgen! 3. Spreken jullie Portugees? 4. Wie zijn zij? 5. Wat is dat? 6. Alstublieft. 7. Hij is in Brazilië. 8. Zij (meisjes) zijn mager. 9. Het is zaterdag. 10. Het is tien voor twee. 11. Het is twaalf uur ('s middags). 12. Mijn auto is klein. 13. Jij en je vriend houden van het strand. 14. Het is vijf uur op mijn horloge. 15. Het is half zes. 16. Dit is mijn vriend. 17. Aangenaam kennis te maken. 18. Waar komt u (man) vandaan? 19. Elke week schrijven wij een brief. 20. Elke dag was ik moe. 21. Elke dag werkte hij hard. 22. Wat vinden jullie van Brazilië?

pagina:3 Opdracht 5 Lijntrekken xxxxxxxxxx 1 de maan ensinar 1 2 duur o filho 2 3 schoenen a lua 3 4 onderwijzen a terra 4 5 gemakkelijk sapatos 5 6 de zoon o exercício 6 7 reizen barato 7 8 de oefening fácil 8 9 de aarde viajar 9 10 sinds apresentar 10 11 goedkoop desde 11 12 insgelijks igualmente 12 13 moeilijk xxxxxxxxxxx 14 voorstellen Opdracht 6 Traduza para o português (Vertaal in het Portugees) 1. Ik heb een oude auto. 2. Zij hebben geen nieuwe leraar. 3. Regina is dertien jaar. 4. Onze auto is niet wit. 5. Het is nog vroeg. 6. Er zijn hier veel kerken. 7. Ik ben hier sinds twee weken. 8. Sinds wanneer bent u in Brazilië? 9. Terwijl jij werkte, at ik. 10. Elke morgen stond ik om vijf uur op. 11. Wij aten elke dag om zes uur. 12. Jouw zoon is langer dan jouw dochter. 13. Ana is de langste van mijn leerlingen. 14. Lígia is verschrikkelijk lang. 15. Ik heb de brief geschreven. 16. Wij hebben een huis gekocht.

pagina:4 1.1 Opdracht 7 Geef de uitspraak. Doe als in het voorbeeld: simpático {siempatjiekoe}, senhor {senjor} 1. banco - { 2. quanto { 3. tenho { 4. médico { 5. você { 6. língua { 7. rico { 8. pequeno { 9. hoje { 10. caixa { 11. noite { 12. filho { 13. chegar { 14. cinco { 15. aqui { ANTWOORDEN Opdracht 1: 1-4; 2-9; 3-7; 4-1; 5-8; 6-3; 7-14; 8-5; 9-11; 10-13; 11-10, 12-12 Opdracht 2: 1. O menino é rico = de jongen is rijk. 2. O carro é branco = de auto is wit. 3. Quando é a festa? = wanneer is het feest? 4. Por que ele está em casa? = waarom is hij thuis? 5. Elas compram uma bolsa = zij kopen een handtas. 6. Nós vendemos a casa = wij verkopen het huis. 7. Ele come bem. = hij eet goed. 8. Nos somos de Amsterdã = wij komen uit Amsterdam. 9. Você fala português? = spreek je Portugees? 10. Eles são simpáticos = zij zijn vriendelijk. 11. Nós temos um novo professor = wij hebben een nieuwe leraar. 12. O hotel tem uma piscina? = heeft het hotel een zwembad? 13. Minha amiga é linda = mijn vriendin is knap. 14. Meu amigo é alto = mijn vriend is lang.

pagina:5 Opdracht 3 Vul in: 1. morar = wonen 2. precisar = nodig zijn 3. acordar = ontwaken, wakker worden 4. dormir = slapen 5. correr = rennen 6. partir = vertrekken 7. almoçar = het middagmaal nemen 8. achar = van mening zijn, vinden 9. chegar = aankomen 10. escrever = schrijven 11. comer = eten 12. comprar = kopen 13. vender = verkopen 14. enviar = zenden 15. falar = spreken Opdracht 4 Vertaal: 1. Tot ziens! - Até depois! 2. Tot morgen! - Até amanhã! 3. Spreken jullie Portugees? - Vocês falam português? 4. Wie zijn zij? - Quem são vocês? 5. Wat is dat? - O que é isso? 6. Alstublieft. Por favor. 7. Hij is in Brazilië. El está no Brasil. 8. Zij (meisjes) zijn mager. Elas são magras. 9. Het is zaterdag. É sábado. 10. Het is tien voor twee. São dez para as duas. 11. Het is twaalf uur ('s middags). É meio dia. 12. Mijn auto is klein. Meu carro é pequeno. 13. Jij en je vriend houden van het strand. Você e seu amigo gostem da praia. 14. Het is vijf uur op mijn horloge. - São cinco horas no meu relógio. 15. Het is half zes. - São cinco e meia. 16. Dit is mijn vriend. - Este é meu amigo. 17. Aangenaam kennis te maken. - Muito prazer. 18. Waar komt u (man) vandaan? - De onde o senhor é? 19. Elke week schrijven wij een brief. - Toda semana nós escrevemos uma carta. 20. Elke dag was ik moe. Todo dia eu estava cansada. 21. Elke dag werkte hij hard. Todo dia ele trabalhava muito. 22. Wat vinden jullie van Brazilië? - O que é que vocês acham Brasil?

pagina:6 Opdracht 5 Lijntrekken 1-4; 2-6; 3-1; 4-9; 5-3; 6-8; 7-11; 8-5; 9-7; 10-14; 11-10; 12-12 Opdracht 6 Traduza para o português (Vertaal in het Portugees) 1. Ik heb een oude auto. Eu tenho um carro velho. 2. Zij hebben geen nieuwe leraar. Eles não têm um novo professor. 3. Regina is dertien jaar. Regina tem treze anos. 4. Onze auto is niet wit. Nosso carro não é branco. 5. Het is nog vroeg. Ainda é cedo. 6. Er zijn hier veel kerken. Aqui há muitas igrejas. 7. Ik ben hier sinds twee weken. Estou aqui há duas semanas. 8. Sinds wanneer bent u in Brazilië? Desde quando o senhor está no Brasil? 9. Terwijl jij werkte, at ik. Enquanto você trabalhava, eu comia. 10. Elke morgen stond ik om vijf uur op. Toda manhã acordava às cinco horas. 11. Wij aten elke dag om zes uur. Nós comíamos todo dia às seis horas. 12. Jouw zoon is langer dan jouw dochter. Seu filho é mais alto (do) que seu filha. 13. Ana is de langste van mijn leerlingen. Regina é a mais baixa de minhas alunas. 14. Lígia is verschrikkelijk lang. Lígia é altíssima. 15. Ik heb de brief geschreven. Eu escrevi a carta. 16. Wij hebben een huis gekocht. Nos compramos uma casa. Let op! compramos betekent zowel wij kopen als wij hebben gekocht Opdracht 7 Geef de uitspraak. Doe als in het voorbeeld: simpático {siempatjiekoe}, senhor {senjor} 1. banco - {bangkoe} 2. quanto {kwangtoe} 3. tenho {tengjoe} 4. médico {mediekoe} 5. você {vose} 6. língua {lienĝwa} 7. rico {riekoe} 8. pequeno {pekenoe} 9. hoje {ozjie} 10. caixa {kaisja} 11. noite {noitsjie} 12. filho {fieljoe}

pagina:7 13. chegar {sjegar} 14. cinco {siengkoe} 15. aqui {akie}