Hoofdstuk 4 Fokkerij, de praktijk Met welke fokstier insemineren? Fokken is investeren in de toekomst. De stieren van vandaag zorgen voor melkgevende dochters over zo n drie jaar. Die dochters vormen weer de basis van de veestapel en dus het kapitaal van de melkveehouderij. Om de vraag over hoe de toekomstige melkkoe eruitziet te beantwoorden moeten veehouders hun eigen fokdoel omschrijven. De juiste stierkeuze is dus een serieuze klus, die het best uit te voeren is in drie stappen: stap 1: formuleer een fokdoel, stap 2: keuze van de stieren, stap 3: de juiste stier bij elke koe. Stap 1: formuleer een fokdoel Om een fokdoel te formuleren moeten veehouders hun bedrijf en de toekomst daarvan goed kennen. Een beslissing die nu genomen is, betekent in de fokkerij pas over drie tot vijf jaar resultaat. Veehouders moeten de fokkerij dus voor de lange termijn gebruiken. In het fokdoel staat economie centraal naast een duurzame, gezonde en productieve veestapel. Dat wil iedereen, zou je kunnen zeggen. Maar van bedrijf tot bedrijf kunnen er verschillen zijn in bedrijfsvoering, die ook in het fokdoel moeten doorklinken. Past een dubbeldoelkoe bij een bepaald bedrijf? Is er fokvee te verkopen uit de koeien? Bedrijven die veel grond hebben, en dus genoeg ruwvoer, zullen een andere koe nodig hebben dan bedrijven waar veel voer aangekocht moet worden. De laatste bedrijven zullen een fokkerij richting een hoogproductieve koe kiezen. Nog een verschil is de hoeveelheid gras en maïs in het rantsoen. Bij koeien die melk moeten geven uit alleen maar gras, ligt de nadruk bij de stierkeuze wat meer op conditiescore. Ook uiergezondheid of beengebruik kunnen specifieke kenmerken zijn die de veehouder mee wil nemen in zijn stierkeuze. De veehouder zelf speelt een belangrijke rol in het omschrijven van het fokdoel. Hoeveel tijd spendeert hij aan de dieren? Daarnaast speelt de emotionele kant een rol. Met welke koe wil hij graag boeren: roodbont, zwartbont, met extra duurzaamheid of veel exterieur, dubbeldoel of kruisingen? Over het algemeen kunnen veehouders met alle mogelijke rassen goede inkomens halen, mits passend bij boer en bedrijf. Om het kiezen van een fokdoel eenvoudiger te maken kunnen veehouders kiezen voor stieradviesprogramma s (zoals SAP of Stierwijzer [113]). Daarin staat een aantal fokdoelen omschreven die bij bepaalde situaties passen. Stap 2: keuze van de stieren Na het formuleren van het fokdoel komt de stierselectie. Aan de hand van het fokdoel kan in de lange lijst van stieren met de grote aantallen kenmerken een keuze gemaakt worden. Bijvoorbeeld door bij de fokwaarde voor melk te kiezen voor mini- 37
Vraag Hoeveel verschillende fokdoelen zijn in het SAP aangegeven en waarin verschillen ze? Zeven: Allround, Productie, Exterieur, Extensief, Robot, Topproductie, Topexterieur. Zie verder pagina 113. Antwoord maal +500 kilo, een hoog gehalte aan eiwit of een positieve score voor celgetal. Ook spermaprijs of bevruchtend vermogen zijn medebepalend voor de keuze. Daarbij moeten veehouders naast het fokdoel ook weten wat de sterke en zwakke punten in hun veestapel zijn. Het Fokkerij Overzicht [120] kan daarbij behulpzaam zijn. Hierin staan de fokwaarden van de dieren gerangschikt en zijn ze vergeleken met groepsgemiddelden en landelijke gemiddelden. Stap 3: de juiste stier bij elke koe Het succes van een stier wordt sterk bepaald door het gebruik op de juiste koe. Van goede stieren lopen soms ook matige dochters en van slechte stieren zijn toppers gekomen. Het is natuurlijk in eerste instantie van belang te weten waarin de koe ondersteuning nodig heeft. De melkproductie, exterieurscore, fokwaarde en afstamming zijn hierbij van belang. Inteelt moet voorkomen worden en dragers van hetzelfde erfelijk gebrek mogen niet gecombineerd worden. Ook het geboorteverloop verdient aandacht, vooral bij pinken. Bedrijfsinspectie Bedrijfsinspectie betekent dat een inspecteur alle melkkoeien van het bedrijf op exterieur beoordeelt. Deze beoordeling vindt plaats als de koe in de eerste lactatie is, als vaars. Als de vaars enige maanden aan de melk is komt de inspecteur haar uiterlijk beoordelen. Dat gebeurt alleen als de veehouder gebruikmaakt van de bedrijfsinspectie [103]. De inspecteur geeft antwoord op de vraag hoe functioneel de vaars is, maar ook waar ze ondersteuning met de stierkeus verdient. Alle koeien hebben wel een onderdeel aan hun exterieur dat minder goed is. Door dit te benoemen kan er bij de stierkeuze rekening mee gehouden worden. Zo kan de stier de minder sterke eigenschappen compenseren waardoor de nakomelingen een probleemloos en duurzaam exterieur hebben. Uit alle keuringsrapporten destilleert de computer de fokwaarden voor exterieur 38
Bovenbalk en onderbalk De inspecteur vult een keuringsrapport [110] in, waarbij er onderscheid is tussen de boven- en de onderbalk. De beoordeling van het dier (hoe mooi is de koe) komt tot uitdrukking in de bovenbalk en dat betekent hoe meer punten hoe beter. Bij vaarzen wordt de schaal van 71 tot en met 89 gebruikt. Een koe kan na haar tweede kalving 90 punten of meer scoren, ze wordt dan excellent. De scores geven aan hoe het dier scoort ten opzichte van haar tijdgenoten. Zwart- en roodbonte koeien krijgen een beoordeling voor frame, type, uier en beenwerk. Het totaal aantal punten komt tot stand door 20 procent frame, 10 procent type, 40 procent uier en 30 procent benen. Voor MRIJ-dieren is ook bespiering een kenmerk dat meegenomen wordt in de bovenbalk. Het algemeen voorkomen van MRIJ-dieren wordt bepaald door 15 procent frame, 10 procent type, 35 procent uier, 25 procent beenwerk en 15 procent bespiering. Alle genoemde percentages zijn van toepassing op het jaar 2005, maar in de loop van de tijd kunnen de verhoudingen wijzigen bij nieuwe inzichten. In de onderbalk registreert de inspecteur de 18 verschillende waarnemingen en daarvoor gebruikt hij een schaal van 1 tot en met 9. Deze kenmerken zijn wereldwijd uniform en worden ook wel lineair genoemd. Dat betekent een waarneming van smal naar breed, van klein naar groot of van recht naar krom, de zogenaamde lineaire schaal. Bij de onderbalk is het niet zo dat meer punten ook beter is. De inspecteur legt waarnemingen vast. Uit de onderbalkkenmerken destilleert hij of zij de punten voor de bovenbalk. Dat wordt gezien als waardering voor het exterieur van het dier, de onderbalk is de constatering. Uit alle keuringsrapporten berekent de computer een fokwaarde exterieur voor een stier en een koe, waarmee ook vergelijkingen te maken zijn tussen stieren en koeien. Alles over de berekening van de fokwaarde exterieur is te vinden op www.nrs.nl > Documentatie > E-hoofdstukken > E8. Hoe voorkom je erfelijke gebreken? Het blijkt dat in de fokkerij bepaalde families en stieren bijzonder goed presteren. Deze komen in de lijsten met fokwaarden vaak bovendrijven. Ze passen blijkbaar goed bij de veestapel en het fokdoel. Het gevaar is echter een grotere kans op inteelt. Uit inteelt komen meer erfelijke gebreken te voorschijn en dat is ongewenst. Een aantal erfelijke gebreken komt met de intensivering van de fokkerij naar voren. Zo zijn BLAD en CVM gebreken die door sterfte van dieren veel schade kunnen veroorzaken. Het zijn zogenaamd recessieve erfelijke eigenschappen. Een dier kan drager zijn en dan uit de ziekte zich niet. Maar als zo n dier dubbeldrager is, dan heeft het daadwerkelijk het erfelijke gebrek. Een dubbeldrager ontstaat in 25 procent van de gevallen als je twee dragers met elkaar paart. (Zie tekening op de volgende pagina.) Zo n paring moet dus altijd voorkomen worden. Alle stieren worden getest op verschillende erfelijke gebreken en de uitslag staat achter de naam van de stier vermeld. Inteelt moet altijd vermeden worden bij dieren die erfelijke gebreken dragen, de kans op het gebrek neemt met paringen tussen familie flink toe. Een stieradviesprogramma is bij uitstek geschikt om inteelt te voorkomen. Door bepaalde paringen te vermijden zijn eigenlijk alle erfelijke gebreken in de loop van de tijd weer uit de populatie te fokken of zover terug te brengen dat er Proefstier, wachtstier, fokstier, een traject van tien jaar Een stier wordt niet zomaar fokstier. Om de hoogste status te krijgen moet een stier verschillende klassen doorlopen, het PWFsysteem. PWF staat voor proefstier, wachtstier, fokstier. De jonge stier krijgt op éénjarige leeftijd de kans zich als proefstier te laten zien. Bij een klein aantal vaarzen wordt hij dan getest. Gegevens van deze stier zijn dan niet bekend. Na drie jaar kalven ongeveer honderd dochters af. In de tussentijd moet de stier wachten op zijn fokwaarden, hij is dan wachtstier. Als de prestaties van de dochters goed genoeg zijn, maakt de stier promotie tot fokstier. Hij kan zich dan in de hele veestapel verdienstelijk maken. Drie jaar daarna melken veehouders massaal de dochters van deze fokstier. Het hele systeem (vanaf het moment dat een paring tussen een stiermoeder en een fokstier plaatsvindt tot het moment dat veehouders fokstierdochters van de betreffende stier melken) is een traject van ongeveer tien jaar. 39
hooguit dragers van een bepaald erfelijk gebrek zijn. Er schuilt echter nog veel meer dragerschap van erfelijke gebreken onder koeien en stieren. We weten dat niet altijd, maar bij bepaalde paringen en verhoogde aandacht voor bepaalde bloedlijnen bestaat de kans dat er in de toekomst nieuwe gebreken worden ontdekt. KI s zijn er zeer alert op om geen stieren met erfelijke gebreken in te zetten. Recessieve vererving Door het paren van twee dieren met een erfelijk gebrek zal een kwart van de kalveren het gebrek hebben terwijl de helft van de de kalveren drager (Zz) is. 25 procent van de kalveren is gezond en geen drager (ZZ) Erfelijke gebreken en hun gegevens gebrek verschijningsvorm rassen waarbij codering drager/ het voorkomt niet-drager CVM* sterfte embryo s, misvormde kalveren HF CV/TV BLAD* verzwakte afweer, sterfte HF BL/TL paardenhoef (mulefoot) klauwhelften vergroeid als paardenhoef HF MF Dumps*** stofwisselingsprobleem door enzymtekort HF DP verlamming van de achterhand verlammingsverschijnselen aan achterbenen MRIJ en W en (weavers en Twentse verlamming) Brown Swiss TV gladde tong tong voelt glad aan FH GT bulldog misvormd kalf met buldogkop zinkgebrek zinktekort FH ZN * CVM = Complex Vertebral Malformation, misvormingen aan benen, nek en/of ruggengraat. ** BLAD = Bovine Leucocyte Adhesion Deficiency. Door het ontbreken van bepaalde eiwitten in de witte bloedcellen is het afweermechanisme van het rund sterk verstoord. *** Dumps = Deficiency of Uridine Monophosphate Synthase. Afwezigheid van een enzym dat belangrijk is bij de stofwisseling. 40
De roodfactor als extra uitdaging Als twee zwarte dieren een rood kalf geven hebben de ouders allebei de roodfactor. Deze roodfactor is aan de buitenkant van de koe of stier niet te zien. Met DNAonderzoek is die wel te achterhalen. De vererving van de roodfactor is te vergelijken met de vererving in de figuur recessieve vererving op pagina 40. Het is ook een recessieve erfelijke eigenschap. Bij zwartbont De geboorte van een rood kalf in een zwartbonte veestapel werd vroeger gezien als een fokonzuiverheid. Tegenwoordig zijn er fokkers van zwartbonte koeien die het een sport vinden om in hun goede koefamilie een rood of roodfactordier te fokken. Bij paring van een roodfactor koe met een roodfactorstier zal het kalf in 25 procent van de gevallen namelijk rood zijn. Voor een zwartbonte koe met roodfactor hebben ook fokkerijorganisaties veel belangstelling. Bij roodbont Roodbontfokkers maken ook gebruik van zwartbonte stieren met de toevoeging RF, roodfactor. Zij kunnen andere bloedlijnen in hun veestapel halen en toch de rode kleur houden, al kan het dan een generatie duren voordat de rode kleur weer tevoorschijn komt. Een rode koe kruisen met een zwartbonte stier met roodfactor geeft namelijk in de helft van de gevallen een zwartbont kalf. Vraag Hoeveel kans heb je op een roodbont vaarskalf als je een roodbonte koe met een zwartbonte stier paart die de roodfactor heeft? De kans op een roodbont kalf is 50 procent. De helft van de kalveren zal roodbont zijn, de ander helft zwartbont mét roodfactor. De kans op een vaarskalf is ook 50. Dat betekent dat de kans op een roodbont vaarskalf 25 procent is. Antwoord Canvas RF, inzetbaar in zowel de zwartbonte als de roodbonte fokkerij 41
Hoe kan ik stieren uit het buitenland vergelijken? Interbull is een in Zweden gevestigde organisatie waar alle fokwaarden van alle stieren uit de hele wereld bij elkaar komen. Fokwaarden van buitenlandse stieren rekent Interbull om naar Nederlandse cijfers die NVO publiceert. Zo kunnen fokwaarden uit verschillende landen vergeleken worden. Door alle informatie weet Interbull dat een stier in Duitsland met een fokwaarde van bijvoorbeeld +1000 kilo melk in Nederland +900 kilo melk zal realiseren. In de omrekening via Interbull wordt rekening gehouden met bijvoorbeeld verschillende productieomstandigheden in landen en met een andere kijk op exterieur. Insemineren met een vleesstier Een kalf dat voor 50 procent een vleesraskalf is levert in 2005 tussen de 150 en 200 euro meer op dan een kalf dat 100 procent melkras is. Veehouders die niet alle kalveren willen aanhouden insemineren een deel van de veestapel met sperma van vleesstieren om de kalveren te verkopen. Dit heet gebruikskruising. De koeien waarvan veehouders geen kalveren willen aanhouden ter vervanging van de koeien, komen in aanmerking om geïnsemineerd te worden met een vleesstier. Deze koeien worden het ondereind van de veestapel genoemd. Overigens is het opfokken van exportvaarzen (pagina 19) ook een optie om de kalveren te benutten. Veehouders passen redelijk massaal gebruikskruising toe. In 2004 kreeg zo n 13 procent van de koeien een eerste inseminatie met sperma van een vleesstier. Eén op de tien koeien werd drachtig van een stier van het Belgisch-witblauwras. Dit superbevleesde, dubbelbespierde vleesras uit België kan in kruisingen kalveren afleveren die over het algemeen gemakkelijk geboren worden. Maar er is veel verschil tussen stieren. Niet alle Belgische-blauwestieren geven kalveren die gemakkelijk geboren worden. Veehouders moeten bij de keuze van een stier alert zijn op de fokwaarde voor geboortegemak. De onderscheidende (blauwe) kleur van de kalveren en de extra spieren maken de kalveren geliefd bij vleesveehouders. Ook in het doorgeven van bevleesdheid en karkaskwaliteit zitten veel verschillen. De vleesindex [35] helpt bij het maken van een keuze van de beste stier. (www.nrs.nl > Documentatie > E-hoofdstukken > E22) Hoeveel koeien insemineren met een vleesstier? Het advies luidt: maximaal 20 tot 25 procent van de veestapel insemineren met een vleesstier. In dat geval houden veehouders nog genoeg jongvee over om later uit te selecteren als vervanging voor de melkveestapel. Vanzelfsprekend verdient alleen het ondereind, de koeien met een lage fokwaarde, van de veestapel inseminaties met vleesstieren. Deze koeien zijn niet interessant genoeg om er vaarskalveren van aan te houden. Overigens zijn er ook veehouders die al hun koeien drachtig maken van een vleesstier en de vervanging van de veestapel aankopen. Het is een afweging tussen kosten voor eigen opfok en de aankoop van een gekalfde of hoogdrachtige vaars. Ieder bedrijf heeft zo zijn eigen insteek bij het insemineren met een vleesstier. 42
Beschrijving zuivere vleesrassen Belgisch witblauw De populariteit van de Belgische-witblauwestier bij melkveehouders komt vooral door de goede herkenbaarheid van de kalveren in combinatie met de gemakkelijke geboorten bij de kruising met melkvee. Dat laatste is bijzonder, aangezien in de zuivere teelt de kalveren vooral ter wereld komen via een keizersnede. De dubbele gespierdheid zorgt voor veel vlees van dure kwaliteit. Er is een uitgebreid fokprogramma van dit ras in België en Nederland waaruit veel gegevens beschikbaar komen over afkalfgemak en geboorteverloop. Er is zelfs een speciale fokkerij opgezet voor de gebruikskruising. Bij het gebruik van een witte stier zijn de kalveren uit de gebruikskruising over het algemeen blauw van kleur; gemakkelijk te herkennen door de handelaar dus. Blonde d Aquitaine De enorme maat en lengte van de Blonde d Aquitianes zorgen voor zeer hoge eindgewichten. Het slachtrendement van de tarwekleurige dieren is goed en de vetaanzet gering. Het geboorteverloop is in de zuivere fokkerij gemakkelijk, terwijl er wel variatie in stieren is bij de kruising met melkvee. De kalveren zijn eenkleurig vaal. Charolais Het groeivermogen en de royale bevleesdheid zijn de sterke punten van de Charolais. Dit van oorsprong Franse ras is laatrijp, vrij grof gebouwd met een zeer geringe neiging tot vetaanzet. De dieren kunnen onder sobere omstandigheden gehouden worden. Ze bereiken hoge eindgewichten. Ook bij dit ras is het geboorteverloop zeer stierafhankelijk. De kruislingkalveren zijn eenkleurig vaal, met en witachtige kop. Belgisch witblauw is extra geliefd door zeer gemakkelijke geboorten bij kruising met melkvee en de herkenbaarheid van de kalveren 43
Limousin De bruin/rode Limousin is zeer royaal bevleesd en wordt vooral geroemd vanwege de vruchtbaarheid en goede moedereigenschappen. Ze kunnen sober gehouden worden en hebben een neiging tot vetaanzet. De geboorten verlopen zowel binnen als buiten het ras gemakkelijk. De kruislingkalveren zijn eenkleurig donker. Piemontese Het Piemonteseras blinkt uit in een hoog slachtrendement, wat wil zeggen dat er in verhouding tot het levende gewicht veel vlees aan het dier zit. Dit komt vooral omdat de oorspronkelijk uit Italië afkomstige Piemontese fijn in bot is. Daarbij is het vlees ook fijn van draad. De vetaanzet is gering. Het percentage moeilijke geboorten is zeer stierafhankelijk. In de zuivere fokkerij worden de kalveren licht van gewicht geboren, waarna de bespiering er in de loop van de tijd aangroeit. De kruislingkalveren zijn eenkleurig donkerbruin of bijna zwart. Het drinken uit de emmer levert nog wel eens problemen op. Verbeterd roodbont Verbeterd roodbont is een Nederlands ras met een vrij korte historie. De raszuivere dieren zijn dubbelbespierd, fijn van bot en leveren een hoog slachtrendement. De kalveren worden over het algemeen via een keizersnede op de wereld gezet. Er is (nog) niet veel ervaring met gebruikskruising. Is kruisen met andere rassen een idee? Ooit wel eens last gehad van een inteeltdepressie? Het klinkt zwaarmoedig, inteeltdepressie. Het komt in de fokkerij voor bij veel inteelt oftewel wanneer familie met elkaar gepaard wordt. Een inteeltdepressie kenmerkt zich door een lagere productie en een verminderde weerstand. Van vooruitgang in de fokkerij is geen sprake meer. Wanneer bijvoorbeeld dezelfde bloedlijnen of stieren meermalen in een afstamming van een dier voorkomen en de prestatie van het dier afneemt praat je over een inteeldepressie. Hiermee is inteeltdepressie het tegenovergestelde van heterosis. Inkruisen met andere rassen heeft voordelen, maar houdt ook risico s in. Bij het inkruisen met andere rassen maken veehouders handig gebruik van het zogenaamde heterosiseffect. Dat betekent dat de nakomelingen beter zijn dan het gemiddelde van de beide ouders. Hoe minder verwantschap er tussen de rassen is hoe groter het heterosiseffect. Heterosis levert een extra positief effect in de vorm van meer vitaliteit en betere vruchtbaarheid en gezondheid. Zo werkt het met de eerste kruising, waarbij het dier bijvoorbeeld half Holstein en half Jersey is. Bij een volgende generatie neemt dit heterosiseffect weer af. Overigens staat tegenover deze positieve heterosis ook een verlies aan eigenschappen. Zo kan de melkproductie afnemen of het eiwitgehalte verminderen bij kruisen. Wat doe je na de eerste generatie? De grote vraag met kruisen is: wat doe je na die eerste generatie, de zogenoemde F1? Als een veehouder begint met het inkruisen van andere rassen moet hij ook het fokdoel goed formuleren. Zo heeft een veehouder de keuze uit een eenmalige kruising, waarna hij weer terugkruist naar zijn oude ras. In het verleden is het met veel kruisingen zo gegaan. Het is ook mogelijk het nieuwe ras blijvend in te zetten, een verdringingskruising noemen we dat. Na een aantal jaren kan de hele veestapel bestaan uit bijvoorbeeld Zweedse roodbonten. Het is ook te vergelijken met de Holsteinisatie in Nederland. De Fries-Hollandse koeien zijn bijna helemaal verdrongen door de Holsteindieren. 44
Er zijn ook veehouders die elke keer opnieuw een nieuw ras inzetten bij het kruisen. Een voorbeeld daarvan is de rotatiekruising tussen Brown Swiss, Holstein en Fleckvieh. Door deze volgorde van rassen in de stierkeuze aan te houden krijgen veehouders elke keer weer een heterosiseffect. Uiteindelijk zal de veestapel letterlijk heel kleurrijk zijn door de mengeling van rassen. Het is overigens bij inkruisen belangrijk dat de veehouder zich verdiept in de stierkeuze om ervoor te zorgen dat de veestapel uniform blijft. Welke rassen komen in aanmerking? In Nederland hebben we ervaring opgedaan met het inkruisen van Brown Swiss, Jersey en Montbéliarde. Ook Fleckvieh, Zweeds roodbont, Deense roden en Noorse roodbonten krijgen kansen op de Nederlandse koeien. Ook de Oudhollandse rassen doen dienst in kruisingen. Blaarkoppen, FH en MRIJ kunnen ook zorgen voor een heterosiseffect. Vraag Voor welke koeien van andere rassen dan zwartbont, roodbont en MRIJ berekent NRS fokwaarden? Van Brown Swiss, Montbéliarde en Jersey. Let wel, de basis waarop de fokwaarden worden gepubliceerd zijn respectievelijk roodbont, roodbont en zwartbont. Antwoord Hoe bestel je sperma? Niet alle stieren die op de stierenkaart staan zijn vrij beschikbaar. De inseminator heeft een heel assortiment in zijn vat, maar het kan voorkomen dat een veehouder een stier wil die op reserveren staat. Hoe moeten doe-het-zelvers (veehouders die zelf hun koeien insemineren) aan hun sperma komen? Dat is telefonisch te bestellen bij de betreffende spermaleverancier. Die zorgt ervoor dat de rietjes in het vat komen van de inseminator of bij de veehouder in het eigen vat. Ook via internet is sperma te bestellen. Surf daarvoor naar www.crdelta.nl, en klik op sperma bestellen. Internetopdracht Sperma bestellen aan de hand van een SAP-lijst Surf eens over de internetpagina s van fokkerijorganisaties. Zoek van elk ras een stier die in Nederland beschikbaar is en vergelijk de fokwaarden. Let daarbij op de basis waarop de fokwaarden zijn gepubliceerd. Selecteer daarnaast ook HF-stieren (zowel roodals zwartbont) waarvan de fokwaarden extreem uiteenlopen. 45