Gebruikershandleiding Overzicht van het apparaat Papier plaatsen Documenten afdrukken Originelen kopiëren Originelen scannen Een fax verzenden en ontvangen Het apparaat configureren met het bedieningspaneel Het apparaat configureren met hulpprogramma's Het apparaat onderhouden Problemen oplossen Bijlage Voor een veilig en juist gebruik, zorg ervoor dat u de "Veiligheidsinformatie" leest voordat u het apparaat gebruikt.
INHOUDSOPGAVE Hoe werkt deze handleiding?... 7 Inleiding...7 Wettelijk verbod... 7 Disclaimer...7 Informatie over het IP-adres... 8 Verschillen in prestaties/functies tussen verschillende modellen...8 Opmerking voor de beheerder... 10 Modelspecifieke informatie...11 Belangrijke veiligheidsvoorschriften...12 Gebruikersinformatie over elektrische en elektronische apparaten... 12 Advies met betrekking tot het milieu... 12 Opmerking m.b.t. het batterij-/accusymbool (alleen voor EU-landen)...13 Opmerkingen voor gebruikers van de faxeenheid...14 Belangrijke veiligheidsvoorschriften... 15 Opmerkingen voor gebruikers van de staat Californië... 15 ENERGY STAR-programma... 16 1. Overzicht van het apparaat Overzicht van alle apparaatonderdelen... 19 Buitenkant... 19 Binnenkant... 21 Bedieningspaneel... 21 De bedieningstoepassingen... 26 Eerste setup...27 Het stuurprogramma en de software installeren...28 Netwerk-snelinstallatie... 28 PC-Fax-stuurprogramma... 28 Netwerkinstellingen configureren... 29 De IP-adresinstellingen configureren...29 Draadloze LAN-installatie...31 2. Papier plaatsen Ondersteund papier...35 Niet aanbevolen papiertypen...37 Afdrukgebied...38 1
Papier plaatsen...41 Papier plaatsen in lade 1... 41 Papier in de handinvoer plaatsen...45 De papiersoort en het papierformaat opgeven via het bedieningspaneel...47 Originelen plaatsen... 49 Originelen...49 Originelen op de glasplaat leggen...51 Originelen in de automatische documentinvoer leggen...51 3. Documenten afdrukken Basisbewerking... 53 Dubbelzijdig afdrukken...53 Een afdruktaak annuleren... 55 4. Originelen kopiëren Het kopieerapparaatscherm... 57 Basisbewerking... 59 Een kopie annuleren...60 Vergrote of verkleinde kopieën maken... 61 Verkleinen/vergroten opgeven...61 Gecombineerde/dubbelzijdige kopieën maken... 63 Gecombineerde en dubbelzijdige kopieën opgeven... 66 Beide zijden van een identiteitsbewijs op één zijde kopiëren...68 De instelling ID-kaart kopiëren opgeven... 68 Een identiteitsbewijs kopiëren...69 De scaninstellingen opgeven... 71 Instelling van de afbeeldingsdichtheid...71 Het documenttype selecteren aan de hand van het origineel... 71 5. Originelen scannen Het scannerscherm...73 Scanbestemmingen registreren... 74 Scanbestemmingen wijzigen... 80 Scanbestemmingen verwijderen...80 Basisbewerking... 82 Scannen naar E-mail/FTP/Map... 82 2
Basisbewerkingen voor Scannen naar USB...85 De scaninstellingen opgeven... 87 Het scanformaat opgeven aan de hand van het formaat van het origineel...87 Instelling van de afbeeldingsdichtheid...87 Resolutie opgeven...88 Vanaf een computer scannen...90 De TWAIN-scanner gebruiken...90 TWAIN-scannen... 90 Basisbewerking voor WIA-scannen...95 6. Een fax verzenden en ontvangen Faxapparaatscherm...97 De datum en tijd instellen...98 Tekens invoeren...99 Faxbestemmingen registreren...100 Faxbestemmingen registreren met het bedieningspaneel...100 Een fax versturen...103 Verzendingsmodus selecteren...103 Basisbewerking voor het versturen van een fax...104 De faxbestemming opgeven...107 Handige verstuurfuncties...111 De scaninstellingen opgeven...114 De faxfunctie gebruiken vanaf een computer (PC-fax)... 117 Basisbewerkingen voor het versturen van faxen vanaf een computer...117 Verzendinstellingen configureren...118 Het PC-faxadresboek configureren... 118 Een voor-/achterblad van een fax bewerken... 120 Een fax ontvangen...122 Ontvangstmodus selecteren... 122 Faxen doorsturen of in het geheugen opslaan... 125 Faxen afdrukken die in het geheugen zijn opgeslagen... 127 Lijsten/rapporten met betrekking tot de faxfunctie... 129 7. Het apparaat configureren met het bedieningspaneel Basisbewerking...131 3
Menuoverzicht... 133 Instellingen voor kopieereigenschappen...134 Instellingen scannereigenschappen... 138 Instellingen van de eigenschappen voor het versturen van faxen...140 Instellingen van faxeigenschappen...142 Instellingen voor het adresboek... 147 Systeeminstellingen...148 Lijsten/rapporten afdrukken... 153 De configuratiepagina afdrukken... 153 Soorten lijsten/rapporten... 153 Instellingen voor printereigenschappen...155 Netwerkinstellingen... 159 Beheerdersinstellingen... 163 8. Het apparaat configureren met hulpprogramma's Web Image Monitor gebruiken... 169 Bovenste pagina weergeven... 170 De taal van de interface wijzigen... 171 De systeeminformatie controleren... 172 Tabblad Status...172 Tabblad Teller...173 Tabblad Apparaatinformatie... 174 De systeeminstellingen configureren... 175 Tabblad Geluidsvolume aanpassen...175 Tabblad Papierlade-instellingen... 175 Tabblad Kopieerapparaat... 176 Faxtabblad...177 Tabblad Tonerbeheer... 178 Interfacetabblad...179 Tabblad Shortcut naar functie... 179 Bestemmingen registreren... 180 Het ontvangen faxbestand configureren... 181 De netwerkinstellingen configureren...182 Tabblad Netwerkstatus...182 4
Tabblad IPv6-configuratie...183 Tabblad Netwerkapplicatie... 183 Tabblad DNS... 185 Tabblad Automatische E-mailmelding...186 Tabblad SNMP... 186 Tabblad SMTP...187 Tabblad POP3...188 Tabblad Draadloos...189 De IPsec-instellingen configureren... 192 Tabblad Algemene IPsec-instellingen...192 Tabblad IPsec-beleidslijst... 192 Lijsten/rapporten afdrukken... 196 De beheerderinstellingen configureren...197 Tabblad Beheerder... 197 Tabblad Instellingen resetten...197 Tabblad Instellingen back-uppen... 198 Tabblad Instellingen herstellen...199 Tabblad Datum/tijd instellen...199 Tabblad Energiespaarstand... 200 9. Het apparaat onderhouden De printcartridge vervangen...203 Aandachtspunten bij het schoonmaken... 205 De binnenkant van het apparaat schoonmaken...206 De glasplaat schoonmaken... 208 De ADF schoonmaken...209 10. Problemen oplossen Veelvoorkomende problemen... 211 Problemen met papierdoorvoer... 212 Een papierstoring verwijderen... 213 Vastgelopen papier in de scanner verwijderen...218 Problemen met de afdrukkwaliteit... 220 De toestand van het apparaat controleren...220 Problemen met de printer...221 5
Afdrukposities komen niet overeen met het computerscherm... 222 Problemen met kopiëren... 223 Problemen met de scanner...225 Faxproblemen...226 Fout- en statusmeldingen op het scherm... 229 11. Bijlage Opmerkingen over de toner... 237 Het apparaat verplaatsen en vervoeren...238 Het apparaat weggooien...238 Waar kan ik meer informatie krijgen?... 239 Verbruiksartikelen... 240 Printcartridge...240 Specificaties van het apparaat...241 Algemene functie Specificaties...241 Specificaties van de printerfunctie... 243 Specificaties van de kopieerfunctie... 243 Specificaties van de scanfunctie... 244 Specificaties van de faxfunctie...245 Handelsmerken...247 INDEX...249 6
Hoe werkt deze handleiding? Inleiding Deze handleiding bevat gedetailleerde instructies en opmerkingen over de bediening en het gebruik van dit apparaat. Lees voor uw eigen veiligheid deze handleiding zorgvuldig door voordat u het apparaat gaat gebruiken. Bewaar deze handleiding op een handige plaats binnen handbereik. Wettelijk verbod Kopieer of druk geen documenten af waarvan de reproductie verboden is door de wet. Het kopiëren of afdrukken van de volgende documenten is over het algemeen verboden door plaatselijke wetgeving: bankbiljetten, belastingzegels, obligaties, aandeelcertificaten, bankcheques, cheques, paspoorten, rijbewijzen. De bovenstaande lijst is alleen bedoeld als richtlijn en is zeker niet volledig. Wij accepteren geen aansprakelijkheid voor de volledigheid of nauwkeurigheid ervan. Als u vragen heeft betreffende de wettelijkheid van het kopiëren of afdrukken van sommige documenten, neem dan contact op met uw wettelijk adviseur. Disclaimer De inhoud van deze handleiding kan zonder voorafgaande kennisgeving worden gewijzigd. Tot de maximale mate die is omschreven in de betreffende wetten, is de fabrikant in geen enkel geval aansprakelijk voor enige schade die voortvloeit uit storingen van dit product, verlies van opgeslagen gegevens of het gebruik of het niet gebruiken van dit product en de gebruikershandleidingen die zijn meegeleverd. Zorg ervoor dat u altijd een kopie heeft of back-ups maakt van de gegevens die op dit apparaat staan opgeslagen. Documenten of gegevens kunnen mogelijk gewist worden vanwege bedieningsfouten of apparaatstoringen. De fabrikant is in geen enkel geval aansprakelijk voor documenten die door u zijn gemaakt met behulp van dit apparaat of voor de resultaten die voortvloeien uit het gebruik van gegevens door u. Voor een goede afdrukkwaliteit adviseert de fabrikant u om de originele toner van de fabrikant te gebruiken. In deze handleiding gebruiken we twee soorten vermeldingen voor de afmetingen. Sommige illustraties of toelichtingen in deze handleiding verschillen mogelijk van uw product wegens verbetering of verandering van het product. 7
Informatie over het IP-adres In deze handleiding verwijst 'IP-adres' naar zowel de IPv4- als de IPv6-omgeving. Lees de instructies door die betrekking hebben op de omgeving die u gebruikt. Verschillen in prestaties/functies tussen verschillende modellen De verschillen in hoofdprestaties/functies van verschillende modellen zijn als volgt: SP 211SU SP 213SUw SP 211SF SP 213SFw (voorname lijk in Europa en Azië) SP 213SNw (voorname lijk in Europa en Azië) (voorname lijk in Europa en Azië) SP 213SFNw (voorname lijk in Europa en Azië) Type Type 1 Type 2 Type 3 Type 4 Type 5 Type 6 Fax Niet beschikba ar Niet beschikba ar Niet beschikba ar Beschikba ar (standaard ) Beschikba ar (standaard ) Beschikba ar (Standaar d) ADF Niet beschikba ar Beschikba ar (standaard ) Niet beschikba ar Beschikba ar (standaard ) Beschikba ar (standaard ) Beschikba ar (standaard ) PCLstuurprogramma Niet beschikba ar Beschikba ar Beschikba ar Niet beschikba ar Beschikba ar Beschikba ar GDIstuurprogramma Beschikba ar Niet beschikba ar Niet beschikba ar Beschikba ar Niet beschikba ar Niet beschikba ar Ethernetpoort (netwerk) Niet beschikba ar Beschikba ar Niet beschikba ar Niet beschikba ar Beschikba ar Niet beschikba ar 8
SP 211SU SP 213SUw SP 211SF SP 213SFw (voorname lijk in Europa en Azië) SP 213SNw (voorname lijk in Europa en Azië) (voorname lijk in Europa en Azië) SP 213SFNw (voorname lijk in Europa en Azië) Draadloos LAN Niet beschikba ar Beschikba ar Beschikba ar Niet beschikba ar Beschikba ar Beschikba ar Scannen naar e- mail/ftp/map Niet beschikba ar Beschikba ar Beschikba ar Niet beschikba ar Beschikba ar Beschikba ar Web Image Monitor Niet beschikba ar Beschikba ar Beschikba ar Niet beschikba ar Beschikba ar Beschikba ar Tonerbeheer (indicatie van tonerniveau) Beschikba ar Beschikba ar Beschikba ar Beschikba ar *1 Beschikba ar *1 Beschikba ar *1 Papierloze fax *2 Niet beschikba ar Niet beschikba ar Niet beschikba ar Niet beschikba ar Beschikba ar Beschikba ar *1 Afhankelijk van de instelling [Optie toner op] is de functie tonerbeheer (aanduiding tonerniveau) mogelijk niet beschikbaar. Meer informatie over [Optie toner op] vindt u in Pag. 148 "Systeeminstellingen". *2 "Papierloze fax" heeft betrekking op de functie waarmee u faxberichten kunt opslaan in het geheugen en kunt selecteren welke faxberichten u wilt afdrukken, waardoor u papier bespaart. "Papierloze fax" verwijst naar [Ontvangstbestand verwerken] en [Melding status doorsturen], die kunnen worden opgegeven via het bedieningspaneel van het apparaat en [Ontvangen faxbestand verwerken], dat kan worden opgegeven via Web Image Monitor. Zie voor details Pag. 142 "Instellingen van faxeigenschappen" en Pag. 175 "De systeeminstellingen configureren". 9
Opmerking voor de beheerder Wachtwoord Bepaalde configuraties van dit apparaat zijn mogelijk met een wachtwoord beveiligd om onbevoegde aanpassingen door anderen te voorkomen. We raden u ten zeerste aan meteen uw eigen wachtwoord te maken. De volgende bewerkingen zijn mogelijk met een wachtwoord beveiligd: De menu's [Adresboek], [Netwerkinstellingen] of [Beheerderstoepassingen ] configureren via het bedieningspaneel U kunt deze menu's openen zonder wachtwoord. Dit is een fabrieksinstelling. In [Beheerderstoepassingen] vindt u de instelling voor het maken van een wachtwoord. De menu's [Systeeminstellingen], [Snelkeuzebestemming], [Scanbestemming], [Verkorte faxkiesnummer-bestemming], [Ontvangen faxbestand], [Netwerkinstellingen], [IPsec-instellingen] of [Beheerdertoepassingen] configureren met Web Image Monitor Standaard is de toegang tot het apparaat via Web Image Monitor niet beveiligd met een wachtwoord. De instelling voor het configureren van het wachtwoord vindt u in [Beheerderinstellingen]. Voor meer informatie over het maken van wachtwoorden, zie Pag. 163 "Beheerdersinstellingen" of Pag. 197 "De beheerderinstellingen configureren". 10
Modelspecifieke informatie In dit gedeelte wordt uitgelegd tot welke regio uw apparaat behoort. Op de achterkant van het apparaat bevindt zich een sticker op de plaats die hieronder wordt weergegeven. De sticker bevat gegevens waarmee de regio van uw apparaat wordt geïdentificeerd. Lees wat er op de sticker staat. DCT065 De volgende informatie is regiospecifiek. Lees de informatie onder het symbool dat overeenkomt met de regio van uw apparaat. (voornamelijk in Europa en Azië) Als de sticker de volgende informatie bevat, is uw apparaat een Regio A-model: CODE XXXX -27, -29 220-240V (voornamelijk in Noord-Amerika) Als de sticker de volgende informatie bevat, is uw apparaat een Regio B-model: CODE XXXX -17 120V De afmetingen in deze handleiding worden gegeven in twee meeteenheden: metrisch en in inches. Als uw apparaat een model uit regio A is, raadpleegt u de metrische meeteenheid. Als uw apparaat een model uit regio B is, raadpleegt u de meeteenheid in inch. 11
Belangrijke veiligheidsvoorschriften Gebruikersinformatie over elektrische en elektronische apparaten Voor gebruikers in landen waar het symbool zoals hier is afgebeeld is gespecificeerd in de nationale wetgeving aangaande de verwerking van elektronisch afval Onze producten bevatten hoogwaardige componenten en zijn ontworpen om het recyclen te vergemakkelijken. Onze producten of productverpakkingen zijn gemarkeerd met het onderstaande symbool. Het symbool geeft aan dat het product niet mag worden behandeld als huishoudelijk afval. Als u het apparaat wilt afdanken, doe dit dan via de aangewezen afvalverzamelingsystemen die hiervoor ter beschikking gesteld zijn. Door deze instructies na te leven, bent u zeker dat dit product op de juiste manier wordt verwerkt en helpt u de mogelijke nadelige gevolgen voor het milieu en de openbare gezondheid, die het resultaat kunnen zijn van een foutieve verwerking van het product, te beperken. Het recyclen van producten is ten behoeve van het behoud van de natuurlijke grondstoffen en ter bescherming van het milieu. Voor meer informatie over inzamelsystemen en de recycling van dit product neemt u contact op met de winkel waar u het product gekocht heeft, of met uw plaatselijke dealer of leverancier. Alle overige gebruikers Als u dit product wilt afvoeren, neem dan contact op met uw gemeente of provincie, de winkel waar u dit product gekocht heeft, uw plaatselijke dealer of uw leverancier. Advies met betrekking tot het milieu Gebruikers in de EU, Zwitserland en Noorwegen Rendement van verbruiksartikelen Raadpleeg de Gebruikershandleiding voor deze informatie of de verpakking van het verbruiksartikel. 12
Gerecycled papier Het apparaat kan gerecycled papier verwerken dat is geproduceerd volgens de Europese norm EN 12281:2002 of DIN 19309. Voor producten die gebruik maken van de EP-printtechnologie, kan het apparaat afdrukken op papier van 64 g/m 2. Dit papier bevat minder ruwe materialen en is gemaakt met een lagere hoeveelheid nieuw gewonnen grondstoffen. Dubbelzijdig afdrukken (indien van toepassing) Met dubbelzijdig afdrukken maakt u gebruik van beide zijden van het papier. Dit bespaart papier en vermindert het aantal vellen per afgedrukt document. We raden u aan om dubbelzijdig afdrukken standaard in te schakelen, zodat u altijd dubbelzijdig afdrukt. Recycleprogramma voor toner- en inktcartridges U kunt toner- en inktcartridges gratis inleveren, zodat deze gerecycled worden. Dit gebeurt in overeenstemming met de milieuvoorschriften van uw gemeente. Voor meer informatie over het recycleprogramma, zie onze website of raadpleeg uw servicevertegenwoordiger. https://www.ricoh-return.com/ Energiezuinig De hoeveelheid elektriciteit die een apparaat verbruikt is zowel afhankelijk van zijn specificaties als van de manier waarop u er gebruik van maakt. Het apparaat is speciaal ontworpen om uw elektriciteitskosten te verminderen door over te schakelen naar de modus 'Gereed' nadat de laatste pagina is afgedrukt. Indien nodig kan het apparaat vanuit deze modus direct afdrukken. Als u geen extra afdrukken meer hoeft te maken en de opgegeven tijdsperiode verstrijkt, schakelt het apparaat over naar de energiespaarstand. In deze modi verbruikt het apparaat minder elektriciteit (Watt). Als het apparaat weer moet afdrukken, heeft het iets langer nodig om te herstellen uit de energiespaarstand dan uit de modus 'Gereed'. Als u een maximale energiebesparing wilt behalen, adviseren wij u om de standaardinstelling voor elektriciteitsbeheer te gebruiken. Producten die voldoen aan de Energy Star-vereisten zijn altijd energiezuinig. Opmerking m.b.t. het batterij-/accusymbool (alleen voor EU-landen) Overeenkomstig de Batterijrichtlijn 2006/66/EC artikel 20, Informatie voor eindgebruikers, bijlage II, wordt het hierboven weergegeven symbool weergegeven op batterijen en accu's. 13
Dit symbool geeft aan dat in de Europese Unie gebruikte batterijen en accu's gescheiden van uw huishoudelijke afval afgevoerd moeten worden. In de EU bestaan aparte inzamelingssystemen voor elektrische en elektronische apparaten, maar ook voor batterijen en accu's. Zorg ervoor dat u deze op de juiste wijze inlevert bij uw lokale afvalinzamelings-/recyclingcentrum. Opmerkingen voor gebruikers van de faxeenheid Verklaring van conformiteit Melding aan gebruikers in de EER-landen Dit product voldoet aan de essentiële vereisten en voorwaarden van Richtlijn 1999/5/EG van het Europese Parlement en van de Raad van 9 maart 1999 over radioapparatuur en telecommunicatie-eindapparatuur en de wederzijdse erkenning van hun conformiteit. Melding aan gebruikers die analoge PSTN gebruiken in de EER-landen Dit product is ontworpen om toegang te krijgen tot analoge Public Switched Telephone Networks (PSTN) in alle landen van de Europese Economische Ruimte. Lokale PSTN-compatibiliteit is afhankelijk van de instellingen van de softwareschakelaars. Neem contact op met uw servicevertegenwoordiger als u dit product verplaatst naar een ander land. Neem in geval van problemen in eerste instantie contact op met uw servicevertegenwoordiger. De CE-verklaring van overeenstemming is beschikbaar via de volgende URL: http://www.ricoh.co.jp/fax/ce_doc, waarna u vervolgens het desbetreffende product aanklikt. 14
Belangrijke veiligheidsvoorschriften Opmerkingen voor gebruikers van de staat Californië Perchloormaterialen - speciale behandeling is mogelijk van toepassing. Zie: www.dtsc.ca.gov/ hazardouswaste/perchlorate 15
ENERGY STAR-programma ENERGY STAR -programmavereisten voor beeldmateriaal De ENERGY STAR -programmavereisten voor beeldmateriaal moedigen milieubehoud aan via het promoten van energiebesparende computers en andere kantooruitrustingen. Het programma ondersteunt de ontwikkeling en verdeling van producten met energiebesparende functies. Het is een open programma waaraan fabrikanten op vrijwillige basis kunnen deelnemen. Beoogde producten zijn computers, beeldschermen, printers, faxapparaten, kopieerapparaten, scanners, en multifunctionele apparaten. De Energy Star-maatstaven en -logo's zijn internationaal uniform. Dit apparaat is uitgerust met de volgende energiebesparende standen: energiespaarstand 1 en energiespaarstand 2. Het apparaat komt uit de energiespaarstand als er een afdruktaak wordt ontvangen, er een ontvangen fax wordt afgedrukt of als er een knop wordt ingedrukt. Energiespaarstand 1 Dit apparaat gaat na 30 tellen automatisch over in energiespaarstand 1 nadat de laatste bewerking is voltooid. Energiespaarstand 2 Dit apparaat gaat na 1 minuut automatisch over in energiespaarstand 2 nadat de laatste bewerking is voltooid. Specificaties Energiespaarstand 1 Energieverbruik *1 39,1 W Standaardinterval Hersteltijd *1 30 seconden 10 seconden 16
Energiespaarstand 2 Energieverbruik *1 4,3 W Standaardinterval Hersteltijd *1 1 minuut 25 seconden *1 De hersteltijd en het energieverbruik kunnen variëren afhankelijk van de staat en de omgeving van het apparaat. 17
18
1. Overzicht van het apparaat Overzicht van alle apparaatonderdelen In dit deel staan de namen van de verschillende onderdelen van de voor- en achterkant van het apparaat samen met een beschrijving van hun functie. Buitenkant Modellen van type 1 en 3 zijn niet uitgerust met een automatische documentinvoer (ADF). Modellen van type 1, 3 en 4 en 6 zijn niet uitgerust met een Ethernetpoort. Modellen van type 1, 2 en 3 zijn niet uitgerust met een lijnpoort of TEL-poort. 8 1 9 2 3 4 5 6 7 10 11 12 13 14 16 15 17 DCT067 1. Glasplaat Plaats hier originelen vel voor vel. 2. Bedieningspaneel Bevat een touchscreen display en knoppen voor de bediening van het apparaat. Voor meer informatie, zie Pag. 21 "Bedieningspaneel". 3. Voorpaneel Open dit paneel om verbruiksartikelen te vervangen of om vastgelopen papier te verwijderen. 19
1. Overzicht van het apparaat 4. Papierstopper Zet dit klepje omhoog om te voorkomen dat het papier eraf valt. 5. Handinvoer Deze lade kan één vel normaal papier bevatten. 6. Lade 1 Deze lade kan maximaal 150 vellen normaal papier bevatten. 7. USB-poort voor geheugenkaart Steek een USB-geheugenkaart in het apparaat om gescande bestanden op te slaan met de Scannen naar USB-functie. 8. Aan-/uitschakelaar Gebruik deze schakelaar om het apparaat aan of uit te zetten. 9. Voeding Hier sluit u de stroomkabel op het apparaat aan. Steek de stekker van de kabel in een stopcontact. 10. Automatische documentinvoer (glasplaatklep) De ADF is in de klep van de glasplaat geïntegreerd. Open deze klep om documenten op de glasplaat te plaatsen. 11. ADF-invoerlade Plaats hier stapeltjes originelen. Ze worden automatisch ingevoerd. De lade kan maximaal 15 vellen normaal papier bevatten. 12. ADF-paneel Open deze klep om originelen die zijn vastgelopen in de ADF te verwijderen. 13. Achterklep Open deze klep om vellen papier met de bedrukte zijde naar boven te plaatsen of om vastgelopen papier te verwijderen. 14. Lijn- en TEL-poort Bovenste poort: poort voor externe telefoonverbinding. Onderste poort: G3 (analoog) lijn-interface-poort voor telefoonlijnverbinding. 15. USB-poort Gebruik deze poort om het apparaat op een computer aan te sluiten met een USB-kabel. 16. Ethernetpoort Gebruik deze poort om het apparaat met een netwerkkabel op een netwerk aan te sluiten. 17. Ladeklep Bevestig deze klep als u de lade eruit trekt. 20
Overzicht van alle apparaatonderdelen Binnenkant 1 DCT064 1. Printcartridge Dit verbruiksartikel zorgt ervoor dat u afdrukken op papier kunt maken. Voor meer informatie over het vervangen van de cartridge raadpleegt u Pag. 203 "De printcartridge vervangen". Bedieningspaneel Aan de rechterkant 1 2 3 4 5 6 7 8 9 DCT890 1. Display Geeft huidige status en meldingen weer. 2. Scrolltoetsen Druk op deze knoppen om de cursor in elke gewenste richting te bewegen. 21
1. Overzicht van het apparaat 3. Cijfertoetsen Gebruik deze knoppen om cijfers in te voeren als u instellingen opgeeft zoals faxnummers en kopieeraantallen. U kunt ze ook gebruiken om letters mee in te voeren als u namen opgeeft. 4. [Gebruikersinstellingen]-knop Druk hierop om het menu weer te geven voor het configureren van de systeeminstellingen van het apparaat. 5. [Wis/Stop]-knop Gebruik deze knop om het afdrukken van een taak, het kopiëren van een document, het scannen, het verzenden/ontvangen van een fax en andere actieve taken te annuleren of stoppen. 6. Selectieknoppen Druk op de toets die overeenkomt met een item dat in de onderste regel van het scherm wordt getoond om deze te selecteren. 7. [Escape]-knop Druk hierop om de laatste bewerking te annuleren of om het vorige niveau van de menustructuur af te sluiten. 8. [OK]-knop Gebruik deze knop om instellingen en opgegeven instellingswaarden te bevestigen of om naar het volgende menuniveau te gaan. 9. [Start]-knop Gebruik deze knop om het verzenden/ontvangen van faxen te starten of om te scannen of te kopiëren. Aan de linkerkant De positie van de knoppen is afhankelijk van het model. Type 1, Type 2, Type 3 1 2 3 4 5 6 7 8 DCT892 22
Overzicht van alle apparaatonderdelen 1. [Afbeeldingskwaliteit]-knop Druk hierop om de afbeeldingskwaliteit voor de huidige taak te selecteren. Kopieermodus: selecteer Tekst, Foto of Gemngd. Scannermodus: Selecteer de resolutie. 2. [Shortcut naar functies]-knop Druk hierop om de kopieermodus voor identificatiebewijzen voor de huidige taak in te schakelen. Als u de kopieermodus met ID-kaart weinig gebruikt, kunt u [Shortcut naar functie] configureren in [Beheerderstoepassingen] om deze toets beschikbaar te maken voor het weergeven van scanbestemmingen. Meer informatie over [Shortcut naar functie] vindt u in Pag. 163 "Beheerdersinstellingen". 3. [Kopieerapparaat]-toets (alleen Type 2, Type 3) Gebruik deze knop om het apparaat naar kopieerapparaatmodus over te schakelen. 4. Indicatielampje apparaat aan/uit Dit indicatielampje brandt blauw als het apparaat aan staat. 5. Waarschuwingsindicatielampje Dit indicatielampje brandt continu rood wanneer het papier of verbruiksartikelen in het apparaat op zijn of als er een andere fout optreedt. 6. [Wi-Fi]-knop (alleen Type 2, Type 3) Druk op deze knop om naar het draadloos LAN te schakelen. Druk op deze toets om het menu te zien om de instellingen handmatig te configureren in de modus Infrastructuur of ad-hoc geselecteerd in [Wi-Fi-knop]. Door deze toets ingedrukt te houden, kunt u het menu zien om de WPS te configureren aan de hand van de pincode of in de PBC-modus. Deze toets kan niet worden gebruikt indien [Wi-Fi inschakelen] op [Uitschakelen] is ingesteld. 7. [Belichting]-knop Druk hierop om de beeldbelichting aan te passen voor de huidige taak. Kopieermodus: selecteer uit 5 belichtingniveaus. Scanmodus: selecteer uit 5 belichtingsniveaus. 8. [Scanner]-knop (alleen Type 2, Type 3) Gebruik deze knop om het apparaat naar scanmodus over te schakelen. 23
1. Overzicht van het apparaat Type 4, Type 5, Type 6 1 23 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 DCT891 1. Snelkiestoetsen Druk hierop om een scan- of faxbestemming van Snelkeuze te selecteren. 2. [Pauze/Herhaal]-knop Pauze Druk op deze knop om een pauze in een faxnummer in te voegen. De pauze wordt weergegeven als "P". Herhaal Druk hierop om de laatst gebruikte scan- of faxbestemming weer te geven. 3. [Direct kiezen]-knop Druk hierop om de status van de bestemming te testen als u een fax stuurt. 4. [Adresboek]-knop Druk hierop om een scan- of faxbestemming uit het Adresboek te selecteren. 5. [Afbeeldingskwaliteit]-knop Druk hierop om de afbeeldingskwaliteit voor de huidige taak te selecteren. Kopieermodus: selecteer Tekst, Foto of Gemngd. Scannermodus: Selecteer de resolutie. Faxmodus: selecteer Standaard, Details of Foto. 6. [Shortcut naar functies]-knop Druk hierop om de kopieermodus voor identificatiebewijzen voor de huidige taak in te schakelen. Als u de kopieermodus met ID-kaart weinig gebruikt, kunt u [Shortcut naar functie] configureren in [Beheerderstoepassingen] om deze toets beschikbaar te maken voor het verzenden van faxberichten via directe verzending of voor het weergeven van scanbestemmingen. Meer informatie over [Shortcut naar functie] vindt u in Pag. 163 "Beheerdersinstellingen". 24
Overzicht van alle apparaatonderdelen 7. [Fax]-knop Gebruik deze knop om het apparaat naar faxmodus over te schakelen. 8. [Kopieerapparaat]-knop Gebruik deze knop om het apparaat naar kopieerapparaatmodus over te schakelen. 9. Indicatielampje apparaat aan/uit Dit indicatielampje brandt blauw als het apparaat aan staat. 10. Waarschuwingsindicatielampje Dit indicatielampje brandt rood als het papier of de verbruiksartikelen in het apparaat op zijn, als de papierinstellingen niet met de instellingen overeenkomen die in het stuurprogramma zijn opgegeven of als er andere storingen optreden. Het lampje knippert langzaam als de toner in het apparaat bijna op is. 11. [Shift]-knop Druk hierop om te schakelen tussen Snelkiestoets 1 t/m 4 en 5 t/m 8 als u een scan- of faxbestemming opgeeft via Snelkeuze. 12. [Wi-Fi]-knop (alleen Type 5, Type 6) Druk op deze knop om naar het draadloos LAN te schakelen. Druk op deze toets om het menu te zien om de instellingen handmatig te configureren in de modus Infrastructuur of ad-hoc geselecteerd in [Wi-Fi-knop]. Door deze toets ingedrukt te houden, kunt u het menu zien om de WPS te configureren aan de hand van de pincode of in de PBC-modus. Deze toets kan niet worden gebruikt indien [Wi-Fi inschakelen] op [Uitschakelen] is ingesteld. 13. [Belichting]-knop Druk hierop om de beeldbelichting aan te passen voor de huidige taak. Kopieermodus: selecteer uit 5 belichtingniveaus. Scanmodus: selecteer uit 5 belichtingsniveaus. Faxmodus: selecteer uit 3 belichtingsniveaus. 14. [Scanner]-knop (alleen Type 5, Type 6) Gebruik deze knop om het apparaat naar scanmodus over te schakelen. 25
1. Overzicht van het apparaat De bedieningstoepassingen In dit hoofdstuk worden de bedieningstoepassingen van dit apparaat uitgelegd. Afhankelijk van het model is het mogelijk dat Web Image Monitor niet beschikbaar is. Raadpleeg Pag. 8 "Verschillen in prestaties/functies tussen verschillende modellen" voor informatie over modelspecifieke verschillen. Bedieningspaneel Het bedieningspaneel bevat een scherm en toetsen om het apparaat mee te bedienen. Met behulp van het bedieningspaneel kunt u de verschillende instellingen van het apparaat configureren. Voor meer informatie over het gebruik van het bedieningspaneel, zie Pag. 131 "Het apparaat configureren met het bedieningspaneel". Web Image Monitor U kunt de status van het apparaat controleren en zijn instellingen configureren door rechtstreeks toegang tot het apparaat te krijgen via Web Image Monitor. Voor meer informatie over het gebruik van Web Image Monitor, zie Pag. 169 "Web Image Monitor gebruiken". 26
Eerste setup Eerste setup Als u het apparaat voor de eerste keer inschakelt, dient u de volgende items in te stellen. Selecteer elke instelling met [ ], [ ] of met de cijfertoetsen en druk vervolgens op de [OK]-knop. Taal van het display Land *3 De taal die hier geselecteerd wordt, wordt gebruikt voor het weergeven van berichten, enz. Het geselecteerde land wordt gebruikt voor het configureren van de instellingen die betrekking hebben op faxverzendingen, met de juiste standaardwaarden voor het land van gebruik. Faxnummer van de gebruiker *1 Het geregistreerde nummer wordt gebruikt als het faxnummer van het apparaat. Het faxnummer van de gebruiker kan bestaan uit de cijfers 0 tot 9, spaties en "+". Gebruikersnaam *1 De naam die u hier invoert, wordt gebruikt als de naam van de afzender van de fax. Datum/Tijd De tijd en datum die hier worden ingevoerd, worden voor de interne klok van het apparaat gebruikt. Gebied *2 *3 Door het gebied te selecteren waar het apparaat wordt gebruikt, kunt u de keuze van de displaytaal en andere instellingen beperken. *1 Deze instelling is alleen beschikbaar voor modellen van type 4, 5 en 6. *2 Deze instelling is alleen beschikbaar op modellen van type 1, 2 en 3. *3 Deze instelling is mogelijk niet beschikbaar, afhankelijk van de regio waar het apparaat wordt gebruikt. 27
1. Overzicht van het apparaat Het stuurprogramma en de software installeren Netwerk-snelinstallatie 1. Zet de computer aan. 2. Plaats de cd-rom in het cd-romstation. 3. Selecteer een taal en product voor de interface en klik vervolgens op [OK]. 4. Klik op [Netwerk-snelinstallatie]. 5. Lees de volledige licentieovereenkomst zorgvuldig door. Als u de voorwaarden ervan accepteert, klikt u op [Ik ga akkoord met de overeenkomst.] en klikt u op [Volgende >]. 6. Selecteer [Een nieuwe printer toevoegen] en klik vervolgens op [Volgende>]. 7. Selecteer de printerdetectiemethode, en klik vervolgens op [Volgende>]. Als u automatisch naar printers wilt zoeken, selecteert u [Automatisch naar printers zoeken]. Als u naar een printer wilt zoeken met het IP-adres, selecteert u [Zoeken naar printers op IP-adres]. Als u een poort wilt selecteren of een nieuwe poort wilt opgeven, selecteert u [Selecteer een poort of geef een nieuwe poort op]. Als er een dialoogvenster wordt weergegeven voor het selecteren van het poorttype, is het aanbevolen om de standaard TCP/IP-poort te selecteren. 8. Volg de instructies in de installatiewizard. PC-Fax-stuurprogramma 1. Zet de computer aan. 2. Plaats de cd-rom in het cd-romstation. 3. Selecteer een taal en product voor de interface en klik vervolgens op [OK]. 4. Klik op [PC-Fax-stuurprogramma]. 5. Lees de volledige licentieovereenkomst zorgvuldig door. Als u de voorwaarden ervan accepteert, klikt u op [Ik ga akkoord met de overeenkomst.] en klikt u op [Volgende >]. 6. Selecteer dezelfde poort als de poort die in het printerstuurprogramma is geselecteerd. 7. Volg de instructies in de installatiewizard. 28
Netwerkinstellingen configureren Netwerkinstellingen configureren In dit gedeelte wordt uitgelegd hoe u de netwerkinstellingen moet configureren. De instellingen voor Ethernet en draadloos LAN kunnen niet tegelijkertijd worden ingeschakeld. De IP-adresinstellingen configureren De stappen om de netwerkinstellingen te configureren variëren afhankelijk van of het IP-adres automatisch door het netwerk (DHCP) wordt toegewezen of dat dit handmatig gebeurt. U kunt het wachtwoord voor toegang tot het menu [Beheerderstoepassingen] opgeven in [Vergr.beheerderstoepass.]. Raadpleeg de Installatiehandleiding voor meer informatie over het configureren van het IPv4- adres. Voor meer informatie over het afdrukken van de configuratiepagina, zie Pag. 153 "Lijsten/ rapporten afdrukken". Automatisch een IPv6-adres ophalen Alleen met een DHCP-server op het netwerk kan het apparaat automatisch een IPv6-adres krijgen. 1. Druk op de knop [Gebruikersinstellingen]. DCT845 2. Druk op [ ] of [ ] om [Netwerkinstellingen] weer te geven. Druk vervolgens op de [OK]- knop. 3. Als u om een wachtwoord wordt gevraagd, voer het wachtwoord dan met de cijfertoetsen in en druk vervolgens op de [OK]-knop. 29
1. Overzicht van het apparaat 4. Druk op [ ] of [ ] om [IPv6-configuratie] te selecteren. Druk vervolgens op de [OK]- knop. 5. Druk op [ ] of [ ] om [IPv6] te selecteren. Druk vervolgens op de [OK]-knop. 6. Druk op [ ] of [ ] om [Actief] te selecteren en druk vervolgens op de [OK]-knop. 7. Druk op [ ] of [ ] om [DHCP] te selecteren. Druk vervolgens op de [OK]-knop. 8. Druk op [ ] of [ ] om [Actief] te selecteren en druk vervolgens op de [OK]-knop. 9. Druk op de [Gebruikersinstellingen]-knop om terug te keren naar het beginscherm. Als er een instelling gewijzigd is, start het apparaat automatisch opnieuw op. 10. Druk de configuratiepagina af om de instellingen te controleren. De IPv6-adresinstelling wordt weergegeven onder "IPv6-configuratie" op de configuratiepagina. Het IPv6-adres van het apparaat handmatig toewijzen Het IPv6-adres dat het apparaat toegewezen krijgt, mag niet door een ander apparaat op hetzelfde netwerk gebruikt worden. 1. Druk op de knop [Gebruikersinstellingen]. DCT845 2. Druk op [ ] of [ ] om [Netwerkinstellingen] weer te geven. Druk vervolgens op de [OK]- knop. 3. Als u om een wachtwoord wordt gevraagd, voer het wachtwoord dan met de cijfertoetsen in en druk vervolgens op de [OK]-knop. 4. Druk op [ ] of [ ] om [IPv6-configuratie] te selecteren. Druk vervolgens op de [OK]- knop. 5. Druk op [ ] of [ ] om [IPv6] te selecteren. Druk vervolgens op de [OK]-knop. 6. Druk op [ ] of [ ] om [Actief] te selecteren en druk vervolgens op de [OK]-knop. 7. Druk op [ ] of [ ] om [DHCP] te selecteren. Druk vervolgens op de [OK]-knop. 8. Druk op [ ] of [ ] om [Inactief] te selecteren en druk vervolgens op de [OK]-knop. 30
Netwerkinstellingen configureren 9. Druk op [ ] of [ ] om [Handm. Config.-adres] te selecteren. Druk vervolgens op de [OK]- knop. 10. Druk op [ ] of [ ] om [Handm. Config.-adres] te selecteren. Druk vervolgens op de [OK]- knop. 11. Voer het IPv6-adres in met behulp van de cijfertoetsen en druk vervolgens op de [OK]- knop. 12. Druk op [ ] of [ ] om [Lengte prefix] te selecteren. Druk vervolgens op de [OK]-knop. 13. Voer het kengetal in met de cijfertoetsen en druk op de [OK]-knop. 14. Druk op [ ] of [ ] om [Gateway-adres] te selecteren. Druk vervolgens op de [OK]-knop. 15. Voer het gateway-adres met de cijfertoetsen in en druk dan op de [OK]-knop. 16. Druk op de [Gebruikersinstellingen]-knop om terug te keren naar het beginscherm. Als er een instelling gewijzigd is, start het apparaat automatisch opnieuw op. 17. Druk de configuratiepagina af om de instellingen te controleren. De IPv6-adresinstelling wordt weergegeven onder "IPv6-configuratie" op de configuratiepagina. Draadloze LAN-installatie In dit gedeelte wordt beschreven hoe u de instellingen van draadloos LAN via het bedieningspaneel handmatig configureert. Zie de handleiding voor WiFi-instellingen voor het eenvoudig instellen met behulp van WPS (Wi-Fi Protected Setup). Als [Uitschakelen] is opgegeven voor de instelling [WiFi inschakelen], kunt u de [Installatiewizard] niet gebruiken. Selecteer eerst [Inschakelen] voor de instelling [WiFi inschakelen]. Als u de instelling [WiFi inschakelen] wijzigt, moet u het apparaat opnieuw opstarten. Infrastructuurmodus Gebruik de volgende procedure om handmatig verbinding te maken met de draadloze LAN-router of het toegangspunt. Zorg ervoor dat de router, het toegangspunt of het apparaat met draadloos LAN is ingeschakeld. Controleer eerst de verificatiemethode en de naam van de router, het toegangspunt of het apparaat met draadloos LAN (SSID/IBSS). 31
1. Overzicht van het apparaat 1. Druk op de knop [Gebruikersinstellingen]. DCT845 2. Druk op [ ] of [ ] om [Netwerkinstellingen] weer te geven. Druk vervolgens op de [OK]- knop. 3. Als u om een wachtwoord wordt gevraagd, voer het wachtwoord dan met de cijfertoetsen in en druk vervolgens op de [OK]-knop. 4. Druk op [ ] of [ ] om [Wi-Fi] te selecteren. Druk vervolgens op de [OK]-knop. 5. Druk op [ ] of [ ] om [Install.wizard] te selecteren. Druk vervolgens op de [OK]-knop. 6. Selecteer [Infrastructuur] en druk vervolgens op [Volgende]. 7. Druk op [ ] of [ ] om de betreffende SSID te selecteren. Druk vervolgens op [Volgende]. Als u de betreffende SSID niet kunt vinden, controleer dan of het apparaat is ingeschakeld. Wanneer u de SSID wilt invoeren, selecteert u [SSID invoeren]. Druk vervolgens op [Volgende]. Het SSID-invoerscherm wordt weergegeven. Voer de SSID met de cijfertoetsen in en druk dan op [Volgende]. 8. Druk op [ ] of [ ] om de verificatiemethode te selecteren. Druk vervolgens op [Volgende]. Selecteer dezelfde methode als die door de router of het toegangspunt wordt gebruikt. Als u [WPA2-PSK] of [Gemengde modus WPA2/WPA] geselecteerd heeft, ga dan verder met stap 10. 9. Druk op [ ] of [ ] om de coderingsmethode te selecteren. Druk vervolgens op [Volgende]. Selecteer dezelfde methode als die door de router of het toegangspunt wordt gebruikt. 10. Voer de coderingssleutel en de ID met de cijfertoetsen in en druk vervolgens op [Verb.]. Als u [Gedeelde sleutel] of [Open systeem] geselecteerd heeft in stap 8, moet u het ID invoeren. Het ID wordt gebruikt voor het identificeren van de coderingssleutel. U kunt vier coderingssleutels (ID 1 t/m 4) registreren. Gebruik het [ ] of [ ] om te wisselen tussen de coderingssleutel en de IDinstellingen. 32
Netwerkinstellingen configureren 11. Druk op [Ja]. Nadat verbinding met het netwerk gemaakt is, wordt het Wi-Fi scherm weergegeven. 12. Druk op [ ] of [ ] om [WiFi-status] te selecteren. Druk vervolgens op de [OK]-knop. Als "Verbonden" wordt weergegeven, is de verbinding tot stand gebracht. Als "Niet verbonden" wordt weergegeven, is er geen verbinding tot stand gebracht. Begin opnieuw vanaf het begin. Ad hoc modus In deze paragraaf wordt uitgelegd hoe u apparaten rechtstreeks via draadloos LAN kunt aansluiten, zoals computers op een peer-to-peer netwerk. Zorg dat [Wi-Fi-knop] is ingesteld op [Ad-hoc modus]. Voor [Wi-Fi-knop] zie Pag. 159 "Netwerkinstellingen". In een ad-hocnetwerk moet aan elk apparaat handmatig een IP-adres voor TCP/IP worden toegewezen als er geen DHCP-server is. In de ad-hocmodus worden alleen Open systeem of WEP-codering ondersteund. De verificatiemethoden WPA2-PSK en Gemengde modus WPA2/WPA worden niet ondersteund. 1. Druk op de knop [Wi-Fi]. DCT853 Als [Uitschakelen] is opgegeven voor de instelling [Wi-Fi inschakelen] kunt u de [Wi-Fi]-knop niet gebruiken. 2. Druk op [ ] of [ ] om een communicatiekanaal te selecteren. Druk vervolgens op [Volgende]. Selecteer een kanaal dat overeenkomt met het apparaat waarmee u het gaat verbinden. 3. Druk op [ ] of [ ] om de naam van het betreffende apparaat (IBSS) te selecteren. Druk vervolgens op [Volgende]. Als u het apparaat niet kunt vinden, controleer dan of het apparaat is ingeschakeld. 33
1. Overzicht van het apparaat Wanneer u de apparaatnaam wilt invoeren, selecteert u [SSID invoeren]. Druk vervolgens op [Volgende]. Het SSID-invoerscherm wordt weergegeven. Voer de naam van het apparaat in met de cijfertoetsen en druk vervolgens op [Volgende]. 4. Druk op [ ] of [ ] om de verificatiemethode te selecteren. Druk vervolgens op [Volgende]. 5. Druk op [ ] of [ ] om de coderingsmethode te selecteren. Druk vervolgens op [Volgende]. 6. Voer de coderingssleutel en de ID met de cijfertoetsen in en druk vervolgens op de knop [Verb.]. De ID wordt gebruikt om de coderingssleutel te identificeren. U kunt vier coderingssleutels (ID 1 t/m 4) registreren. 7. Druk op [Ja]. 8. Controleer de verbinding met behulp van [WiFi-status]. Als "Verbonden" wordt weergegeven, is de verbinding tot stand gebracht. Als "Niet verbonden" wordt weergegeven, is er geen verbinding tot stand gebracht. Begin opnieuw vanaf het begin. 34
2. Papier plaatsen Ondersteund papier Papierformaat A4 8 1 / 2 " 11 " (Letter) 8 1 / 2 " 14 " (Legal) B5 JIS 5 1 / 2 " 8 1 / 2 " (Half Letter) 7 1 / 4 " 10 1 / 2 " (Executive) A5 A6 B6 JIS 16K (197 273 mm) 16K (195 270 mm) 16K (184 260 mm) Aangepast formaat De volgende aangepaste papierformaten worden ondersteund: Horiz. Lade 1: ongeveer 100-216 mm (3,9-8,5 inch) Handinvoer: ongeveer 90-216 mm (3,6-8,5 inch) Vert. Ongeveer 148-356 mm (5,8-14 inch) Papiertype Normaal papier (65-99 g/m 2 (17-26 lb.)) Gerecycled papier (75-90 g/m 2 (20-24 lb.)) Dun papier (52-64 g/m 2 14-17 lb.)) Dik papier (100-130 g/m 2 (26,6-34 lb.)) Papiercapaciteit Lade 1 150 vellen (70 g/m 2 19 lb.) 35
2. Papier plaatsen Handinvoer 1 vel (70 g/m 2 19 lb.) 36
Niet aanbevolen papiertypen Niet aanbevolen papiertypen Gebruik de volgende papiertypen niet: Papier voor inkjetprinters Speciaal GelJet-papier Gegolfd, gevouwen of gekreukeld papier Opgekruld of verdraaid papier Gekreukt papier Vochtig papier Vuil of beschadigd papier Papier dat droog genoeg is om statische elektriciteit te veroorzaken Papier waarop al is afgedrukt, met uitzondering van een voorgedrukt briefhoofd. Storingen kunnen in het bijzonder worden verwacht, indien papier wordt gebruikt dat reeds door een andere dan een laserprinter is bedrukt (bijvoorbeeld door monochrome of kleurenkopieerapparaten, inkjetprinters, enz.) Speciaal papier, zoals thermisch papier of carbonpapier Papier dat zwaarder of lichter dan de limiet is Papier met vensters, gaatjes, perforaties, uitsparingen of reliëf Zelfklevende etikettenvellen waarvan de lijm of de onderlaag zichtbaar is Papier dat met paperclips of nietjes bijeen wordt gehouden Raak tijdens het plaatsen van papier het oppervlak van het papier niet aan. Zelfs als papier geschikt is voor het apparaat, kan papier dat niet juist wordt opgeslagen, leiden tot papierstoringen, een slechte afdrukkwaliteit of defecten. 37
2. Papier plaatsen Afdrukgebied De volgende illustratie laat het gedeelte van het papier zien waarop het apparaat kan adrukken. Van het printerstuurprogramma 3 4 4 1 3 2 CHZ904 1. Afdrukgebied 2. Invoerrichting 3. Ongeveer 4,2 mm (0,2 inch) 4. Ongeveer 4,2 mm (0,2 inch) Het afdrukgebied kan variëren, afhankelijk van het papierformaat en de instellingen van het printerstuurprogramma. Pas de afdrukpositie aan door [Printerregistratie] in [Systeeminstell.] op te geven. 38
Afdrukgebied Kopieerfunctie 3 4 4 1 3 2 CHZ904 1. Afdrukgebied 2. Invoerrichting 3. Ongeveer 4 mm (0,2 inch) 4. Ongeveer 3 mm (0,1 inch) Faxfunctie Het afdrukgebied kan variëren afhankelijk van het papierformaat. 3 4 4 1 3 2 CHZ904 1. Afdrukgebied 2. Invoerrichting 39
2. Papier plaatsen 3. Ongeveer 4,2 mm (0,2 inch) 4. Ongeveer 2 mm (0.08 inch) Het afdrukgebied kan variëren afhankelijk van het papierformaat. 40
Papier plaatsen Papier plaatsen Plaats een stapel papier om op af te drukken in de invoerlade. Als u papier plaatst, zorg er dan voor dat het papierformaat en het papiertype voor de handinvoer en lade 1 zijn geconfigureerd. Als u een document afdrukt, geef dan het papierformaat en het papiertype op en selecteer de papierlade in het printerstuurprogramma zodat de instellingen die geconfigureerd zijn als het papier is geplaatst, voor het afdrukken kunnen worden gebruikt. Papier plaatsen in lade 1 1. Trek lade 1 langzaam uit en haal deze er met beide handen uit. DCT063 Plaats de lade op een vlak oppervlak. 2. Maak de klemmen aan de zijgeleiders vast en schuif deze tot het standaardformaat. DCT030 41
2. Papier plaatsen 3. Knijp in de eindgeleider en schuif deze naar binnen tot het standaardformaat. DCT031 Wanneer u papier van A4- of Letter-formaat plaatst, moet u de papiergeleider in de volgende positie zetten: DCT871 4. Waaier de stapel even los voordat u deze in de lade plaatst. 5. Plaats het papier zodanig dat de afdrukzijde naar beneden ligt. Zorg dat het papier niet hoger wordt gestapeld dan de bovenste limietmarkering binnenin de lade. DCT032 42
Papier plaatsen 6. Controleer of er geen openingen tussen het papier en de papiergeleiders zijn; zowel bij de papiergeleiders aan de zijkant als aan de achterkant. DCT049 7. Duw lade 1 voorzichtig recht in het apparaat. DCT011 Zorg om papierstoringen te voorkomen, dat de lade stevig is geplaatst. Om de vellen met de afdrukzijde naar boven te leveren, dient u de achterklep te openen. DCT037 Lade 1 uittrekken om papier te plaatsen 1. Trek lade 1 langzaam uit en haal deze er met beide handen uit. 43
2. Papier plaatsen 2. Ontgrendel de vergrendelingen van het verlengstuk aan beide zijden van de lade en trek het verlengstuk uit. DCT034 Let op dat de binnenkant van het verlengstuk en de schaal uitgelijnd zijn. U kunt de lengte van het verlengstuk in drie stappen aanpassen. Als u papier van A4- of Letterformaat gebruikt, pas de lengte dan aan tot de positie die wordt aangegeven met de markering " " in de lade. DCT042 3. Trek het verlengstuk uit en vergrendel het. DCT033 4. Volg stap 2 tot en met 7 in 'Papier in lade 1 plaatsen'. 44
Papier plaatsen 5. Plaats de ladeklep. DCT038 Legal papier of papier met een aangepast formaat groter dan A4 moeten worden geplaatst zonder de ladeklep te bevestigen. (alleen ) Papier in de handinvoer plaatsen Laad geen papier in de handinvoer, tenzij het bericht "Gereed" wordt weergegeven. 1. Open de handinvoer. DCT029 45
2. Papier plaatsen 2. Schuif de zijgeleiders naar buiten, plaats het papier met de afdrukzijde naar boven en druk dit aan totdat het niet verder kan. DCT013 3. Pas de zijgeleiders aan de papierbreedte aan. Om de vellen met de afdrukzijde naar boven te leveren, dient u de achterklep te openen. DCT014 DCT037 46
Papier plaatsen De papiersoort en het papierformaat opgeven via het bedieningspaneel De papiersoort opgeven 1. Druk op de knop [Gebruikersinstellingen]. DCT845 2. Druk op [ ] of [ ] om [Systeeminstell.] te selecteren en druk vervolgens op [OK]. 3. Druk op [ ] of [ ] om [Papierlade-instellingen] te selecteren. Druk vervolgens op de [OK]-knop. 4. Druk op [ ] of [ ] om de instelling voor het papierformaat voor de gewenste lade te selecteren en druk vervolgens op de [OK]-knop. 5. Druk op [ ] of [ ] om de gewenste papiersoort te selecteren en druk vervolgens op de [OK]-knop. 6. Druk op de [Gebruikersinstellingen]-knop om terug te keren naar het beginscherm. Het standaard papierformaat opgeven 1. Druk op de knop [Gebruikersinstellingen]. DCT845 2. Druk op [ ] of [ ] om [Systeeminstell.] te selecteren en druk vervolgens op [OK]. 47
2. Papier plaatsen 3. Druk op [ ] of [ ] om [Papierlade-instellingen] te selecteren. Druk vervolgens op de [OK]-knop. 4. Druk op [ ] of [ ] om de instelling voor het papierformaat voor de gewenste lade te selecteren en druk vervolgens op de [OK]-knop. 5. Druk op [ ], [ ],[ ] of [ ] om het gewenste papierformaat te selecteren. Druk vervolgens op de [OK]-knop. 6. Druk op de [Gebruikersinstellingen]-knop om terug te keren naar het beginscherm. Een aangepast papierformaat opgeven 1. Druk op de knop [Gebruikersinstellingen]. DCT845 2. Druk op [ ] of [ ] om [Systeeminstell.] te selecteren en druk vervolgens op [OK]. 3. Druk op [ ] of [ ] om [Papierlade-instellingen] te selecteren. Druk vervolgens op de [OK]-knop. 4. Druk op [ ] of [ ] om de instelling voor het papierformaat voor de gewenste lade te selecteren en druk vervolgens op de [OK]-knop. 5. Druk op [ ], [ ], [ ] of [ ] om [Ang.fr] te selecteren. Druk vervolgens op de [OK]-knop. 6. Druk op [ ] of [ ] om [mm] of [inch] te selecteren. Druk vervolgens op de [OK]-knop. 7. Voer de breedte met de cijfertoetsen in en druk dan op de [OK]-knop. Om een komma in te voeren, drukt u op [ ]. 8. Voer de lengte in met de cijfertoetsen en druk op de [OK]-knop. Om een komma in te voeren, drukt u op [ ]. 9. Druk op de [Gebruikersinstellingen]-knop om terug te keren naar het beginscherm. 48
Originelen plaatsen Originelen plaatsen Dit onderdeel geeft uitleg over de soorten originelen die u gebruikt en hoe u originelen moet plaatsen. Originelen Aanbevolen origineelformaten Glasplaat ADF Tot maximaal 216 mm (8,5 inch) breed, tot maximaal 297 mm (11,7 inch) lang Papierformaat: 140 tot 216 mm breed (5,5-8,5 inch), 140 tot 356 mm lang (5,5-14 inch) Papiergewicht: 60 tot 90 g/m 2 (16 tot 24 lb.) Er kunnen tot maximaal 35 vellen van een origineel tegelijkertijd in de ADF worden geplaatst (bij gebruik van papier van 80 g/m 2, 21.3 lb.). Origineeltypen die niet door de automatische documentinvoer worden ondersteund Als er originelen in de ADF geplaatst worden, kunnen de volgende origineeltypen beschadigd raken, vastlopen of grijze en zwarte lijnen op de afdrukken verschijnen: Originelen die groter of zwaarder zijn dan de aanbevolen dikte/formaat Originelen met nietjes of paperclips Geperforeerde of gescheurde originelen Gekrulde, gevouwen of gekreukte originelen Beplakte originelen Originelen met een coating, zoals thermisch faxpapier, kunstdrukpapier, aluminiumfolie, carbonpapier of geleidend papier Originelen met perforatielijnen Originelen met duimgrepen, etiketten en uitstekende delen Klevende originelen zoals kalkpapier Dunne, zeer buigzame originelen Dikke originelen zoals briefkaarten Gebonden originelen zoals boeken Transparante originelen zoals transparanten of kalkpapier Originelen die nat zijn van de toner of correctievloeistof 49
2. Papier plaatsen Onscanbaar gebied Zelfs als u originelen juist plaatst, is het mogelijk dat er een marge van een paar millimeter van alle vier de zijden niet gescand wordt. Marges bij gebruik van de glasplaat CHZ916 Kopieerapparaat, fax Op afgedrukte documenten 1. Ongeveer 4 mm (0,2 inch) 2. Ongeveer 3 mm (0,1 inch) 3. Ongeveer 4 mm (0,2 inch) Scanner 1. Ongeveer 0 mm (0 inch) 2. Ongeveer 0 mm (0 inch) 3. Ongeveer 0 mm (0 inch) Marges bij gebruik van de ADF DCT001 50
Originelen plaatsen Kopieerapparaat, fax Op afgedrukte documenten 1. Ongeveer 4 mm (0,2 inch) 2. Ongeveer 3 mm (0,1 inch) 3. Ongeveer 4,3 mm (0,2 inch) Scanner 1. Ongeveer 0 mm (0 inch) 2. Ongeveer 0 mm (0 inch) 3. Ongeveer 2 mm (0.08 inch) Originelen op de glasplaat leggen Plaats originelen pas op de glasplaat als de correctievloeistof of toner geheel is opgedroogd. Als u ze eerder plaatst, ontstaan er vlekken op de glasplaat die op kopieën te zien zijn. 1. Til de klep van de glasplaat omhoog. 2. Leg het origineel met de bedrukte zijde naar beneden op de glasplaat. Het vel moet in de linkerbovenhoek worden uitgelijnd. DCT007 3. Breng de klep van de glasplaat omlaag. Houd de klep naar beneden gedrukt als u dik, gevouwen of ingebonden originelen (zoals een boek) gebruikt en de klep niet geheel dicht kan. Originelen in de automatische documentinvoer leggen Plaats geen originelen met andere papieren tegelijk in de ADF. 51
2. Papier plaatsen Om papierstoringen te voorkomen, moet u de pagina's loswaaieren voordat u deze in de ADF plaatst. 1. Open de invoerlade van de ADF. DCT016 2. Pas de geleiders aan het formaat van de originelen aan. DCT017 3. Plaats de originelen met de bedrukte zijde naar boven in de ADF. De laatste pagina moet onderaan worden geplaatst. DCT018 52
3. Documenten afdrukken Basisbewerking Gebruik het printerstuurprogramma om een document vanaf uw computer af te drukken. 1. Nadat u een document heeft aangemaakt, opent u het dialoogvenster [Voorkeursinstellingen] in de oorspronkelijke toepassing van het document. 2. Wijzig desgewenst ook andere afdrukinstellingen. Voor meer informatie over elke instellingsitem, klikt u op [Help]. 3. Als de wijzigingen van de instellingen voltooid zijn, klik dan op [OK]. 4. Druk het document af met de afdrukfunctie in de toepassing waarin het document is opgesteld. Als er een papierstoring optreedt, stopt het afdrukken halverwege. Open het voorpaneel, verwijder de printcartridge en verwijder vervolgens het vastgelopen papier. Als het papier op deze manier niet kan worden verwijderd, verwijder het dan door het fuseerpaneel te openen. Het afdrukken wordt automatisch hervat als het paneel is gesloten. Dubbelzijdig afdrukken Deze functie is niet beschikbaar bij de handinvoer. 1. Nadat u een document heeft aangemaakt, opent u het dialoogvenster [Voorkeursinstellingen] in de oorspronkelijke toepassing van het document. 53
3. Documenten afdrukken 2. Selecteer in het lijstvenster [Duplex:] op het tabblad [Setup] hoe u de ingebonden uitvoer wilt openen. 3. Geef eventueel nog verdere instellingen op en klik op [OK]. 4. Start de afdruktaak. 5. Pak alle afdrukken uit de uitvoerlade en plaats ze in lade 1. Om op de achterkant van de afdrukken af te drukken, draait u deze om en plaatst u ze in lade 1 zodat ze met de blanco zijde naar beneden liggen. Waaier het papier goed los voordat u het plaatst. Staand DCT005 Liggend 6. Druk op [Doorgaan]. DCT006 Als het achterpaneel open is, wordt het papier met de bedrukte zijde omlaag en achterstevoren uitgevoerd. Plaats de afgedrukte vellen in de juiste volgorde. 54
Basisbewerking Een afdruktaak annuleren U kunt afdruktaken annuleren door het bedieningspaneel van het apparaat of uw computer te gebruiken, afhankelijk van de status van de taak. Een afdruktaak annuleren voordat het afdrukken is gestart 1. Dubbelklik op het printerpictogram in de taakbalk van uw computer. 2. Selecteer de afdruktaak die u wilt annuleren en klik vervolgens op [Annuleren] in het menu [Document]. Als u een afdruktaak annuleert die al verwerkt wordt, kan het afdrukken een paar pagina's doorgaan voordat het wordt geannuleerd. Het kan wat tijd kosten om een grote afdruktaak te annuleren. Een afdruktaak annuleren tijdens het afdrukken 1. Druk op de [Wis/Stop]-knop. DCT846 55
56 3. Documenten afdrukken
4. Originelen kopiëren Het kopieerapparaatscherm In dit onderdeel wordt informatie gegeven over het scherm als het apparaat in de kopieermodus staat. Het display geeft standaard het kopieerscherm weer als het apparaat wordt ingeschakeld. Als het scanner- of faxscherm op het display wordt weergegeven, kunt u door op de [Kopieerapparaat]-knop op het bedieningspaneel te drukken naar het kopieerscherm gaan. Modellen van type 1 zijn niet uitgerust met de toets [Scanner]. Als de modus ID-kaart kopiëren wordt weergegeven, drukt u opnieuw op de toets [Shortcut naar functies ] om over te schakelen op de normale kopieermodus. DCT848 Stand-by scherm CVW200 1. Huidige status of mededelingen Toont de huidige status of meldingen. 2. Huidige instellingen Geeft de huidige lade, reproductieverhouding en scaninstellingen weer. 3. Selectietoetsen Geeft de functies weer die u kunt gebruiken door op de overeenkomende selectietoetsen te drukken. 4. Aantal kopieën Geeft het huidige aantal kopieën weer. U kunt het aantal kopieën wijzigen met de cijfertoetsen. 57
4. Originelen kopiëren De opstartmodus kan worden opgegeven in de the [Functieprioriteit]-instelling onder [Beheerderstoepassingen]. Voor meer informatie, zie Pag. 163 "Beheerdersinstellingen". 58
Basisbewerking Basisbewerking Het origineel in de ADF gaat voor het origineel op de glasplaat als u originelen zowel in de ADF als op de glasplaat plaatst. 1. Druk op de [Kopieerapparaat]-knop. DCT848 Bij modellen van type 1 start u bij stap 2. Indien de modus ID-kaart kopiëren wordt weergegeven, drukt u opnieuw op de toets [Shortcut naar functies ] om over te schakelen op de normale kopieermodus. 2. Plaats het origineel op de glasplaat of in de ADF. 3. Als u meerdere kopieën wilt maken, voer dan het aantal kopieën in met de cijfertoetsen. 4. Druk op de [Start]-knop. DCT847 Als er een papierstoring optreedt, stopt het afdrukken halverwege. Open het voorpaneel, verwijder de printcartridge en verwijder vervolgens het vastgelopen papier. Als het papier op deze manier niet kan worden verwijderd, verwijder het dan door het fuseerpaneel te openen. Het afdrukken wordt automatisch hervat als het paneel is gesloten. 59
4. Originelen kopiëren Als er een papierstoring in de ADF optreedt, open dan het ADF-paneel en verwijder het vastgelopen papier. Geef de kopieerinstelling opnieuw op vanaf de pagina waar het papier vastliep. Om op papier uit lade 1 af te drukken, dient u het papier uit de handinvoer te verwijderen. Anders wordt het papier uit de handinvoer eerst ingevoerd. [Sorteren] en [Duplex/Combin.] kunnen niet worden gebruikt met de handinvoer. Als u meerdere kopieën van een document dat uit meerdere pagina's bestaat wilt maken, kunt u selecteren of de kopieën die worden uitgevoerd in sets verzameld worden of in paginabatches. Deze selectie maakt u in [Sorteren] onder [Kopieereig.]. Een kopie annuleren Als het kopiëren geannuleerd wordt terwijl het apparaat een origineel aan het scannen is dat zich op de glasplaat bevindt, wordt het kopiëren direct geannuleerd en wordt er niks afgedrukt. Als het kopiëren geannuleerd wordt terwijl er een origineel bestaande uit meerdere pagina's in de ADF geplaatst is, wordt het scannen halverwege de huidige pagina gestopt. 1. Druk op de [Kopieerapparaat]-knop. Bij modellen van het type 1 start u bij stap 2. 2. Druk op de [Wis/Stop]-knop. DCT846 60
Vergrote of verkleinde kopieën maken Vergrote of verkleinde kopieën maken Er zijn twee manieren om de schaalverhouding in te stellen: gebruik een vooraf opgegeven verhouding of geef handmatig een aangepaste verhouding op. Vooraf ingestelde verhouding CES103 (voornamelijk in Europa en Azië) 50%, 71% A4 A5, 82% B5 JIS A5, 93%, 122% A5 B5 JIS, 141% A5 A4, 200%, 400% (voornamelijk Noord-Amerika) 50%, 65% LT HLT, 78% LG LT, 93%, 129% HLT LT, 155% HLT LG, 200%, 400% Aangepaste verhouding CES106 25% tot 400% in stappen van 1%. Verkleinen/vergroten opgeven 1. Druk op [Schaal]. 61
4. Originelen kopiëren 2. Druk op [Verkl.], [Vergrot.] of [Zoom]. Druk voor [Verkl.] of [Vergrot.] op [ ], [ ], [ ] of [ ] om de gewenste verhouding te selecteren. Voor [Zoom] geeft u de gewenste verhouding op met de cijfertoetsen. 3. Druk op de [OK]-knop. 62
Gecombineerde/dubbelzijdige kopieën maken Gecombineerde/dubbelzijdige kopieën maken In dit hoofdstuk wordt beschreven hoe u meerdere pagina's (twee of vier pagina's) combineert en afdrukt op een of twee zijden van het papier. Deze functie is uitsluitend beschikbaar als het origineel in de ADF is geplaatst en niet wanneer het origineel op de glasplaat is geplaatst. Om deze functie te gebruiken, dient het papierformaat dat voor kopieën gebruikt wordt, ingesteld te worden op A4, Letter of Legal. Hieronder volgen de kopieermodi. Selecteer een kopieermodus aan de hand van uw origineel en hoe u wilt dat de kopie eruit zal zien. Gecombineerde kopie op één zijde In deze modus wordt een origineel dat uit twee of vier pagina's bestaat, op één zijde van het papier afgedrukt. Comb. 2 op 1 Origineel Kopie Liggend Staand NL CMF250 Comb. 4 op 1 63
4. Originelen kopiëren Origineel Kopie Links naar rechts Boven naar onder Liggend Staand Links naar rechts Boven naar onder Gecombineerde kopie aan beide zijden In deze modus wordt een origineel dat uit meerdere pagina's bestaat, gecombineerd en op beide zijden van het papier afgedrukt. Comb. 2 op 1 DCT002 Origineel Kopie Boven naar boven Boven naar onder Liggend Staand Boven naar boven Boven naar onder NL CMF255 Comb. 4 op 1 64
Gecombineerde/dubbelzijdige kopieën maken Origineel Links naar rechts, boven naar boven 6 5 Kopie Links naar rechts, boven naar onder 8 7 Staand 8 7 Boven naar onder, boven naar boven 7 5 6 5 Boven naar onder, boven naar onder 8 6 8 6 7 5 DCT003 Origineel Kopie Links naar rechts, boven naar boven 6 5 Links naar rechts, boven naar onder 8 7 Liggend 8 7 Boven naar onder, boven naar boven 7 5 6 5 Boven naar onder, boven naar onder 8 6 8 6 7 5 Dubbelzijdig kopiëren In deze modus worden enkelzijdige pagina's op de voor- en achterkant van het het papier afgedrukt zonder te worden gecombineerd. DCT004 65
4. Originelen kopiëren Origineel Kopie Boven naar boven Boven naar onder Landscape Staand Boven naar boven Boven naar onder NL CMF261 Gecombineerde en dubbelzijdige kopieën opgeven 1. Druk op de [Kopieerapparaat]-knop. DCT848 Bij modellen van type 1 start u bij stap 2. Indien de modus ID-kaart kopiëren wordt weergegeven, drukt u opnieuw op de toets [Shortcut to Func. ] om over te schakelen op de normale kopieermodus. 2. Druk op [ ] of [ ]. 3. Druk op [Duplex/Combine]. 4. Druk op [ ] of [ ] om de gewenste modus te selecteren. Druk vervolgens op de [OK]- knop. 66
Gecombineerde/dubbelzijdige kopieën maken 5. Druk op [ ] of [ ] om de papierrichting en paginavolgorde te selecteren en druk dan op de [OK]-knop. Het scherm toont de geselecteerde kopieermodus. Als u de originelen heeft geplaatst, drukt u op de toets [Start] binnen de tijd insgesteld bij [Automatische reset systeem]. Anders wordt de taak geannuleerd. Voor meer informatie, zie Pag. 163 "Beheerdersinstellingen". 67
4. Originelen kopiëren Beide zijden van een identiteitsbewijs op één zijde kopiëren In dit onderdeel wordt uitgelegd hoe u de voor- en achterkant van een ID-kaart of andere kleine documenten of pasjes kunt kopiëren op één zijde van een vel papier. Als u op papier van A4-formaat kopieert, kunt u documenten kopiëren die kleiner zijn dan A5-formaat. Zo kunt u ook documenten kopiëren die kleiner zijn dan een Half Letter-formaat als u op papier van Letter-formaat kopieert. Om deze functie te gebruiken, dient het papierformaat dat voor kopieën gebruikt wordt, ingesteld te worden op A6, A5, A4, Half Letter of Letter. Voorkant Voorkant Achterkant Achterkant NL CES165 De instelling ID-kaart kopiëren opgeven U kunt de instelling ID-kaart kopiëren opgeven. Controleer de grootte van de te kopiëren kaart voordat u [ID-kaartformaat] opgeeft. 1. Druk op de [Kopieerapparaat]-knop. Bij modellen van het type 1 start u bij stap 2. 2. Druk op [ ] of [ ]. 3. Druk op[ ] of [ ] om [ID-kaart kopiëren] te selecteren. Druk vervolgens op de [OK]- knop. Meer informatie over [Kopieerinst. ID-krt] vindt u bij Pag. 134 "Instellingen voor kopieereigenschappen". 4. Druk op[ ] of [ ] om [ID-kaart kopiëren] te selecteren. Druk vervolgens op de [OK]- knop. 5. Druk op [ ] of [ ] om [Aan] te selecteren en druk vervolgens op de [OK]-knop. 68
Beide zijden van een identiteitsbewijs op één zijde kopiëren 6. Druk op [ ] of [ ] om [ID-kaart regel in midden] te selecteren. Druk vervolgens op de [OK]-knop. Selecteer [Afdrukken] om de middelste lijn af te drukken, anders selecteert u [Niet afdrukken] en drukt u op de toets [OK]. 7. Druk op [ ] of [ ] om [ID-kaartformaat] te selecteren. Druk vervolgens op de [OK]-knop. 8. Druk op [ ] of [ ] om [mm] of [inch] te selecteren. Druk vervolgens op de [OK]-knop. 9. Voer de horizontale lengte (Horiz.) in van de kaart die op de glasplaat zal worden gelegd en druk vervolgens op [OK]. 10. Voer de verticale lengte (Vert.) in van de kaart die op de glasplaat zal worden gelegd en druk vervolgens op [OK]. Een identiteitsbewijs kopiëren 1. Druk op de toets [Shortcut naar functies]. DCT851 Bij modellen van type 1: als de normale kopieermodus weergegeven wordt, drukt u opnieuw op de toets [Shortcut naar functies] om over te schakelen op de modus ID-kaart kopiëren. Als ID-kaart kopiëren niet verschijnt nadat u op de toets [Shortcut naar functies] heeft gedrukt, stelt u [Shortcut naar functie] in op [ID-kaart kopiëren] en drukt u vervolgens opnieuw op [Shortcut naar functies]. U kunt ook [ID-kaart kopiëren] instellen op [Aan] in [Kopieerinst. ID-krt] in [Kopieereigensch.]. 2. Als u meerdere kopieën wilt maken, voer dan het aantal kopieën in met de cijfertoetsen. 69
4. Originelen kopiëren 3. Plaats het origineel in de linkerbovenhoek van de glasplaat. 4. Druk op de [Start]-knop. DCT840 DCT847 5. Plaats binnen 60 seconden het origineel terug met de achterkant naar onderen tegen de linkerbenedenhoek op de glasplaat en druk vervolgens opnieuw op [Start]. Als u de originelen heeft geplaatst, drukt u op de toets [Start] binnen de tijd insgesteld bij [Automatische reset systeem]. Anders wordt de taak geannuleerd. Voor meer informatie, zie Pag. 163 "Beheerdersinstellingen". 70
De scaninstellingen opgeven De scaninstellingen opgeven In dit onderdeel wordt beschreven hoe u de afbeeldingsbelichting en scankwaliteit voor de huidige taak kunt instellen. Instelling van de afbeeldingsdichtheid Er zijn vijf afbeeldingsbelichtingsniveaus. Hoe hoger het belichtingsniveau, hoe donkerder de afdruk. 1. Druk op de [Belichting]-knop. DCT874 2. Druk op [ ] of [ ] om het gewenste belichtingsniveau te selecteren en druk vervolgens op de [OK]-knop. U kunt de standaardinstelling [Dichtheid] van het apparaat zo instellen dat alle kopieën worden gemaakt met een bepaald belichtingsniveau. Raadpleeg Pag. 134 "Instellingen voor kopieereigenschappen" voor meer informatie. Het documenttype selecteren aan de hand van het origineel Er zijn drie documenttypen: Tekst Foto Selecteer dit type als het origineel alleen tekst bevat en geen foto's of afbeeldingen. Selecteer dit type als het origineel alleen foto's of afbeeldingen bevat. Gebruik deze modus voor de volgende origineeltypen: Foto's Pagina's die geheel of hoofdzakelijk uit foto's of afbeeldingen bestaan, zoals pagina's in tijdschriften. 71
4. Originelen kopiëren Gemngd Selecteer dit type als het origineel zowel tekst als foto's of afbeeldingen bevat. Het origineeltype opgeven 1. Druk op de [Afbeeldingskwaliteit]-knop. DCT875 2. Druk op [ ], [ ], [ ] of [ ] om het gewenste documenttype te selecteren en druk vervolgens op [OK]. U kunt de standaardinstelling [Type Origineel] van het apparaat zo instellen dat er alleen maar kopieën met een bepaald documenttype worden gemaakt. Raadpleeg Pag. 134 "Instellingen voor kopieereigenschappen" voor meer informatie. 72
5. Originelen scannen Het scannerscherm In dit onderdeel wordt informatie gegeven over het scherm in de scanmodus. Het display geeft standaard het kopieerscherm weer als het apparaat wordt ingeschakeld. Als het kopieer- of faxscherm op het display worden weergegeven, druk dan op de [Scanner]-knop op het bedieningspaneel om naar het scanscherm over te gaan. DCT850 Scherm in standby-modus DCT857 1. Huidige status of mededelingen Toont de huidige status of meldingen. 2. Huidige instellingen Geeft de huidige scanmodus en scaninstellingen weer. Als "Geef best. op" wordt weergegeven: Er kan gebruik gemaakt worden van de functies Scannen naar E-mail, Scannen naar FTP of Scannen naar Map. 3. Selectietoetsen Geeft de functies weer die u kunt gebruiken door op de overeenkomende selectietoetsen te drukken. De standaardmodus van het apparaat als hij wordt aangezet, kan worden opgegeven bij [Functieprioriteit] onder [Beh. Toepas.]. Voor meer informatie over [Functieprioriteit], zie Pag. 163 "Beheerdersinstellingen". 73
5. Originelen scannen Scanbestemmingen registreren Dit onderdeel beschrijft hoe u bestemmingsmappen in het adresboek kunt registreren. Om gescande bestanden naar een e-mailadres (Scannen naar e-mail), FTP-server (Scannen naar FTP) of een gedeelde map op een netwerkcomputer (Scannen naar map) te sturen, dient u de bestemming eerst te registreren in het adresboek via Web Image Monitor. De gegevens in het Adresboek kunnen beschadigd zijn of onverwacht verloren gaan. De fabrikant aanvaardt geen aansprakelijkheid voor schade die optreedt als gevolg van dergelijk verlies van gegevens. Zorg ervoor dat u regelmatig een back-up maakt van bestanden met Adresboekgegevens. Afhankelijk van uw netwerkomgeving kunnen de functies Scannen naar FTP en Scannen naar map om een gebruikersnaam en wachtwoord vragen die zijn ingevoerd in de bestemmingsinformatie. Controleer in zulke gevallen nadat u de bestemmingen heeft geregistreerd of de gebruikersnaam en het wachtwoord juist zijn ingevoerd door testdocumenten naar die bestemmingen te sturen. Het adresboek kan maximaal 100 registraties bevatten, waaronder 8 snelkeuzebestemmingen. Bestemmingen die geregistreerd zijn als snelkeuzebestemmingen kunnen geselecteerd worden door op de daarmee overeenkomende sneltoetsknop te drukken. 1. Open de internetbrowser en verkrijg toegang tot het apparaat door het IP-adres in te vullen. 2. Klik op [Snelkeuzebestemming] of [Scanbestemming]. 3. Selecteer vanuit de lijst [Bestemmingstype] [E-mailadres], [FTP] of [Map]. 4. Registreer informatie indien nodig. De informatie die u moet registreren hangt af van het bestemmingstype. Zie de tabellen voor meer informatie. 5. Voer indien nodig het beheerderswachtwoord in. 6. Klik op [Toepassen]. 7. Sluit de internetbrowser. 74
Scanbestemmingen registreren Instellingen voor scannen naar e-mail Item Instelling Beschrijving Snelkeuzenummer Optioneel Selecteer deze als u de bestemming als snelkeuzesbestemming wilt invoeren. Naam Vereist Naam van de bestemming. De naam die hier wordt opgegeven wordt op het scherm weergegeven als er een scanbestemming wordt geselecteerd. Kan tot 16 tekens bevatten. E-mailadresbestemming Vereist E-mailadres van de bestemming. Kan tot 64 tekens bevatten. E-mailadres voor melding Optioneel E-mailadres waarnaar een melding wordt gestuurd na verzending. Kan tot 64 tekens bevatten. Onderwerp Vereist Onderwerp van de e-mail. Kan tot 64 tekens bevatten. Naam verzender Optioneel Naam van de afzender van de e-mail. De naam die hier wordt opgegeven wordt weergegeven onder het veld "Van" of een vergelijkbaar veld in de e- mailtoepassing van de ontvanger. Kan tot 32 tekens bevatten. Bestandsformaat (kleur/ grijswaarden) Vereist Bestandsformaat van het gescande bestand als er in kleur is gescand. PDF of JPEG kan worden geselecteerd. PDF ondersteunt meerdere pagina's in een document, JPEG daarentegen niet. 75
5. Originelen scannen Item Instelling Beschrijving Bestandsformaat (zwart-wit) Vereist Bestandformaat van het gescande bestand als er in zwart-wit wordt gescand. PDF of TIFF kan worden geselecteerd. Beide formaten ondersteunen meerdere pagina's in een document. Scanformaat Optioneel Selecteer het scanformaat voor het origineel uit de volgende formaten: A5, B5, A4, Executive, Half Letter, Letter, Legal, 16K of aangepast formaat. Als u een aangepast formaat selecteert, selecteer dan [mm] of [Inch] en geef vervolgens de breedte en de lengte op. Resolutie Optioneel Selecteer een van de volgende scanresoluties: 100 100, 150 150, 200 200, 300 300, 400 400 of 600 600 dpi. Belichting Optioneel Geef de afbeeldingsbelichting op door op de rechterof linkertoetsen te drukken. Met deze toetsen kunt u de afbeelding lichter of donkerder maken, met een maximum van 5. Instellingen voor scannen naar FTP 76
Scanbestemmingen registreren Item Instelling Beschrijving Snelkeuzenummer Optioneel Selecteer deze als u de bestemming als snelkeuzesbestemming wilt invoeren. Naam Vereist Naam van de bestemming. De naam die hier wordt opgegeven wordt op het scherm weergegeven als er een scanbestemming wordt geselecteerd. Kan tot 16 tekens bevatten. Hostnaam of IP-adres Vereist Naam of IP-adres van de FTP-server. Kan tot 64 tekens bevatten. Bestandsformaat (kleur/ grijswaarden) Vereist Bestandsformaat van het gescande bestand als er in kleur is gescand. PDF of JPEG kan worden geselecteerd. PDF ondersteunt meerdere pagina's in een document, JPEG daarentegen niet. Bestandsformaat (zwart-wit) Vereist Bestandformaat van het gescande bestand als er in zwart-wit wordt gescand. PDF of TIFF kan worden geselecteerd. Beide formaten ondersteunen meerdere pagina's in een document. FTP-gebruikersnaam Optioneel Gebruikersnaam voor aanmelden op de FTP-server. Kan tot 32 tekens bevatten. FTP-wachtwoord Optioneel Wachtwoord voor aanmelden op de FTP-server. Kan tot 32 tekens bevatten. Directory Optioneel Naam van de directory op de FTP-server waar gescande bestanden worden opgeslagen. Kan tot 64 tekens bevatten. E-mailadres voor melding Optioneel E-mailadres waarnaar een melding wordt gestuurd na verzending. Kan tot 64 tekens bevatten. Scanformaat Optioneel Selecteer het scanformaat voor het origineel uit de volgende formaten: A5, B5, A4, Executive, Half Letter, Letter, Legal, 16K of aangepast formaat. Als u een aangepast formaat selecteert, selecteer dan [mm] of [Inch] en geef vervolgens de breedte en de lengte op. Resolutie Optioneel Selecteer een van de volgende scanresoluties: 100 100, 150 150, 200 200, 300 300, 400 400 of 600 600 dpi. 77
5. Originelen scannen Item Instelling Beschrijving Belichting Optioneel Geef de afbeeldingsbelichting op door op de rechterof linkertoetsen te drukken. Met deze toetsen kunt u de afbeelding lichter of donkerder maken, met een maximum van 5. Instellingen van scannen naar een map Item Instelling Beschrijving Snelkeuzenummer Optioneel Selecteer deze als u de bestemming als snelkeuzesbestemming wilt invoeren. Naam Vereist Naam van de bestemming. De naam die hier wordt opgegeven wordt op het scherm weergegeven als er een scanbestemming wordt geselecteerd. Kan tot 16 tekens bevatten. Servicenaam Vereist Pad naar de directory waar gescande bestanden worden opgeslagen. Bestaat uit het IP-adres of de naam van de bestemmingscomputer (kan tot 64 tekens bevatten) en de naam van de gedeelde map (kan tot 32 tekens bevatten). Domein Optioneel Geef de naam op van het domein waartoe de computer behoort. Kan tot 15 tekens bevatten. Log-in gebruikersnaam Optioneel Gebruikersnaam voor aanmelden op de bestemmingscomputer. Kan tot 32 tekens bevatten. 78
Scanbestemmingen registreren Item Instelling Beschrijving Log-in wachtwoord Optioneel Wachtwoord voor aanmelden op de bestemmingscomputer. Kan tot 32 tekens bevatten. Directory Optioneel Directory in de gedeelde map waar gescande bestanden worden opgeslagen. Kan tot 64 tekens bevatten. E-mailadres voor melding Optioneel E-mailadres waarnaar een melding wordt gestuurd na verzending. Kan tot 64 tekens bevatten. Bestandsformaat (kleur/ grijswaarden) Vereist Bestandsformaat van het gescande bestand als er in kleur is gescand. PDF of JPEG kan worden geselecteerd. PDF ondersteunt meerdere pagina's in een document, JPEG daarentegen niet. Bestandsformaat (zwart-wit) Vereist Bestandformaat van het gescande bestand als er in zwart-wit wordt gescand. PDF of TIFF kan worden geselecteerd. Beide formaten ondersteunen meerdere pagina's in een document. Scanformaat Optioneel Selecteer het scanformaat voor het origineel uit de volgende formaten: A5, B5, A4, Executive, Half Letter, Letter, Legal, 16K of aangepast formaat. Als u een aangepast formaat selecteert, selecteer dan [mm] of [Inch] en geef vervolgens de breedte en de lengte op. Resolutie Optioneel Selecteer een van de volgende scanresoluties: 100 100, 150 150, 200 200, 300 300, 400 400 of 600 600 dpi. Belichting Optioneel Geef de afbeeldingsbelichting op door op de rechterof linkertoetsen te drukken. Met deze toetsen kunt u de afbeelding lichter of donkerder maken, met een maximum van 5. Om bestanden via e-mail, SMTP en DNS te versturen, dienen de instellingen juist te worden geconfigureerd. Als u de functie Scannen naar E-mail gebruikt, selecteer dan een tijdzone volgens uw geografische locatie om de e-mail met de juiste verzendingsdatum en -tijd te versturen. 79
5. Originelen scannen Om bestanden naar een FTP-server of computer te versturen, dienen de gebruikersnaam, het wachtwoord en de directory juist te worden geconfigureerd. Geef op een netwerk dat een DNS-server gebruikt, een computernaam op in [Servicenaam] en de naam van het domein waartoe de computer behoort in [Domein]. Configureer in dit geval ook de instellingen die betrekking hebben op de DNS via Web Image Monitor. Scanbestemmingen kunnen niet met het bedieningspaneel worden geregistreerd. Scanbestemmingen wijzigen In dit onderdeel wordt beschreven hoe u informatie van geregistreerde bestemmingen kunt wijzigen. 1. Open de internetbrowser en verkrijg toegang tot het apparaat door het IP-adres in te vullen. 2. Klik op [Scanbestemming]. 3. Klik op het tabblad [E-mailadres], [FTP] of [Map]. 4. Selecteer de gebruiker die u wilt wijzigen en klik vervolgens op [Wijzigen]. 5. Wijzig de instellingen indien nodig. 6. Voer indien nodig het beheerderswachtwoord in. 7. Klik op [Toepassen]. 8. Sluit de internetbrowser. U kunt een snelkeuzebestemming loskoppelen van een sneltoets via de pagina [Snelkeuzebestemming]. Selecteer daarvoor de gewenste invoer, klik op [Verwijderen] en klik vervolgens nogmaals op [Toepassen] op de bevestigingspagina. Scanbestemmingen verwijderen In dit onderdeel wordt beschreven hoe u geregistreerde bestemmingen kunt verwijderen. 1. Open de internetbrowser en verkrijg toegang tot het apparaat door het IP-adres in te vullen. 2. Klik op [Scanbestemming]. 3. Klik op het tabblad [E-mailadres], [FTP] of [Map]. 4. Selecteer de gebruiker die u wilt verwijderen en klik vervolgens op [Verwijderen]. 5. Bevestig dat u de geselecteerde gebruiker wilt verwijderen. 6. Voer indien nodig het beheerderswachtwoord in. 7. Klik op [Toepassen]. 80
Scanbestemmingen registreren 8. Sluit de internetbrowser. 81
5. Originelen scannen Basisbewerking Als u vanaf het bedieningspaneel scant, kunt u gescande bestanden via e-mail (Scannen naar e-mail) versturen naar een FTP-server (Scannen naar FTP), de gedeelde map van een computer op een netwerk of naar een netwerk (Scannen naar map) of naar een verwisselbaar geheugenapparaat (Scannen naar USB). De functies Scannen naar e-mail, Scannen naar FTP en Scannen naar map zijn alleen beschikbaar bij een netwerkverbinding. Er is geen netwerkverbinding vereist voor de functie Scannen naar USB; u kunt gescande bestanden rechtstreeks naar een USB-geheugenkaart versturen die in het apparaat is gestoken. Scannen naar E-mail/FTP/Map In dit onderdeel worden de basisbewerkingen uitgelegd voor het versturen van gescande bestanden via e-mail, naar een FTP-server of naar een computer, afhankelijk van de opgegeven bestemming. Het origineel in de ADF gaat voor het origineel op de glasplaat als u originelen zowel in de ADF als op de glasplaat plaatst. Als u de functie Scannen naar E-mail, Scannen naar FTP of Scannen naar Map gebruikt, moet u eerst de bestemming in het Adresboek registreren via Web Image Monitor. Voor meer informatie, zie Pag. 74 "Scanbestemmingen registreren". Afhankelijk van het model is de functie Scannen naar e-mail/ftp/map wellicht niet beschikbaar. Raadpleeg Pag. 8 "Verschillen in prestaties/functies tussen verschillende modellen" voor de verschillen tussen modellen. 1. Plaats het origineel op de glasplaat of in de ADF. Voor het correct plaatsen van het origineel, zie Pag. 49 "Originelen plaatsen". 2. Druk op de [Scanner]-knop. DCT850 82
Basisbewerking 3. Druk op de toets [Adresboek] of [Bestemm.]. U kunt ook op de toets [Shortcut naar functies] drukken als [Shortcut naar functie] bij de beheerderinstellingen is ingesteld op [Scanbestemm. selecteren]. Meer informatie over [Shortcut naar functie] vindt u in Pag. 163 "Beheerdersinstellingen". 4. Druk op [ ] of [ ] om [Adresboek doorzoeken] te selecteren. Druk vervolgens op [OK]. Als u een bepaalde invoer op naam wilt zoeken, voer dan met de cijfertoetsen de eerste letters van de naam in en druk vervolgens op de [OK]-knop. Met elk teken dat u invoert, verandert het display om de overeenkomende naam weer te geven. 5. Zoek naar de gewenste bestemming door op [ ] of [ ] te drukken om door het adresboek te bladeren. Druk vervolgens op de [OK]-knop. Als u een scanbestemming opgeeft, zullen de scaninstellingen van het apparaat automatisch worden gewijzigd aan de hand van de informatie die voor die bestemming in het Adresboek wordt geregistreerd. Indien nodig kunt u de scaninstellingen via het bedieningspaneel wijzigen. Voor meer informatie over scaninstellingen, zie Pag. 87 "De scaninstellingen opgeven". 6. Druk op de [Start]-knop. DCT847 Afhankelijk van de instellingen van het apparaat ziet u het volgende scherm op het display wanneer u scant vanaf de glasplaat. Als u dit scherm ziet, ga dan verder met de volgende stap. 7. Als u meer originelen wilt scannen, plaats dan het volgende origineel op de glasplaat en druk op [Ja]. Herhaal deze stap totdat alle originelen zijn gescand. 8. Als alle originelen gescand zijn, drukt u op [Nee] om te beginnen met het versturen van het gescande bestand. 83
5. Originelen scannen Om het scannen te annuleren drukt u op de [Scanner]-knop en vervolgens op de [Wis/Stop]- knop. De scanbestanden worden genegeerd. U kunt het apparaat zodanig instellen dat er gescand wordt in zwart-wit, kleur of in grijswaarden door de instelling [Scanmodus] onder scaninstellingen te wijzigen. Voor meer informatie, zie Pag. 138 "Instellingen scannereigenschappen". U kunt ook een bestemming opgeven via de sneltoetsen onder de [Pauze/Redial]-knop. Als de instelling [Onbeperkt scannen] onder de scaninstellingen is ingeschakeld, kunt u herhaaldelijk originelen op de glasplaat leggen in één enkele scanprocedure. Voor meer informatie, zie Pag. 138 "Instellingen scannereigenschappen". Als [Bestandstype]> onder scaninstellingen is ingesteld op [Meerdere pagina's], kunt u meerdere pagina's scannen om één enkel PDF- of TIFF-bestand te maken met alle pagina's. Als u JPEG als bestandsformaat heeft gekozen, wordt er voor elke gescande pagina apart een bestand aangemaakt. Voor meer informatie, zie Pag. 138 "Instellingen scannereigenschappen". Als er een papierstoring optreedt in de ADF wordt de scantaak afgewezen. Verwijder het vastgelopen papier en scan alle originelen opnieuw. Voor instructies over het verwijderen van papier dat in de ADF is vastgelopen, raadpleegt u Pag. 212 "Problemen met papierdoorvoer". De scanbestemming opgeven met de sneltoesten of de [Pauze/Redial]-knop In dit onderdeel wordt beschreven hoe een bestemming kan worden opgegeven met behulp van de volgende toetsen: Snelkiestoetsen Gebruik deze om bestemmingen op te geven die als snelkeuzebestemmingen zijn geregistreerd. [Pauze/Redial]-knop Druk hierop om de laatst gebruikte bestemming op te geven als de bestemming voor de huidige taak. De sneltoetsen gebruiken Druk op de sneltoets waaronder de gewenste snelkeuzebestemming is geregistreerd. Druk op de [Shift]-knop om snelkeuzebestemmingen te gebruiken met nummer 5 t/m 8. 84
Basisbewerking DCT878 De [Pauze/Redial]-knop gebruiken Druk op de [Pauze/Redial]-knop om de laatst gebruikte bestemming te selecteren. DCT877 Als u een scanbestemming opgeeft, zullen de scaninstellingen van het apparaat automatisch worden gewijzigd aan de hand van de informatie die voor die bestemming in het Adresboek wordt geregistreerd. Indien nodig kunt u de scaninstellingen via het bedieningspaneel wijzigen. Voor meer informatie over scaninstellingen, zie Pag. 87 "De scaninstellingen opgeven". De [Pauze/Redial]-knop werkt niet voor de eerste scantaak als het apparaat net is ingeschakeld. Om bestemmingen te selecteren die niet als snelkeuzebestemmingen zijn geregistreerd, gebruikt u de [Adresboek]-knop. Voor het opgeven van bestemming met [Adresboek], zie Pag. 82 "Scannen naar E-mail/FTP/Map". Basisbewerkingen voor Scannen naar USB In dit gedeelte worden de basisbewerkingen beschreven voor het versturen van gescande bestanden naar een USB-geheugenkaart. Kopieer- en faxfuncties zijn niet beschikbaar wanneer er een USB-geheugenkaart wordt ingebracht in modellen van het type 1. 85
5. Originelen scannen Als het apparaat niet naar de modus Scannen naar USB kan schakelen nadat de USBgeheugenkaart is ingebracht, stelt u [Scan op USB opslaan] in op [Actief]. Het origineel in de ADF gaat voor het origineel op de glasplaat als u originelen zowel in de ADF als op de glasplaat plaatst. Dit apparaat ondersteunt geen gebruik van USB-geheugenkaarten die zijn aangesloten op externe USB-hubs. Plaats uw USB-geheugenkaart direct in de USB-geheugenkaartpoort in de linkerbovenhoek van het apparaat. Sommige soorten USB-geheugenkaarten kunnen niet gebruikt worden. 1. Plaats uw USB-geheugenkaart in de USB-geheugenkaartpoort. DCT039 "Bezig met laden..." wordt op het display weergegeven. Wacht totdat het display de melding "Scan op USB opslaan" weergeeft (de duur hangt af van uw USB-geheugenkaart). 2. Plaats het origineel op de glasplaat of in de ADF. Configureer geavanceerde scaninstellingen indien nodig. Voor meer informatie, zie Pag. 87 "De scaninstellingen opgeven". 3. Druk op de [Start]-knop. 4. Selecteer het bestandsformaat. 5. Als u meer originelen wilt scannen, plaats dan het volgende origineel op de glasplaat en druk op [Ja]. Herhaal deze stap totdat alle originelen zijn gescand. 6. Als alle originelen gescand zijn, drukt u op [Nee] om te beginnen met het versturen van het gescande bestand. 7. Controleer of "Gereed" op het display wordt weergegeven. Het gescande bestand is aangemaakt in de root directory van de USB-geheugenkaart. 8. Verwijder de USB-geheugenkaart uit het apparaat. Om het scannen te annuleren drukt u op de [Scanner]-knop en vervolgens op de [Wis/Stop]- knop. De scanbestanden worden genegeerd. 86
De scaninstellingen opgeven De scaninstellingen opgeven Als u een scanbestemming opgeeft, zullen de scaninstellingen van het apparaat automatisch worden gewijzigd aan de hand van de informatie die voor die bestemming in het Adresboek wordt geregistreerd. Indien nodig kunt u de scaninstellingen voor de huidige taak via het bedieningspaneel wijzigen. Het scanformaat opgeven aan de hand van het formaat van het origineel In dit onderdeel wordt beschreven hoe u het scanformaat kunt opgeven aan de hand van het huidige origineel. 1. Druk op [Scanform]. 2. Druk op [ ] of [ ] om het formaat van het origineel te selecteren en druk vervolgens op de [OK]-knop. Als u iets anders heeft geselecteerd dan [Ang.fr], hoeft u de verdere stappen van de procedure niet uit te voeren. 3. Druk op [ ] of [ ] om [mm] of [inch] te selecteren. Druk vervolgens op de [OK]-knop. 4. Voer de breedte met de cijfertoetsen in en druk dan op de [OK]-knop. Om een komma in te voeren, drukt u op [ ]. 5. Voer de lengte met de cijfertoetsen in en druk vervolgens op de [OK]-knop. Om een komma in te voeren, drukt u op [ ]. U kunt de standaardinstelling [Scanformaat] van het apparaat zo instellen dat alle originelen worden gescand met een bepaald scanformaat. Voor meer informatie, zie Pag. 138 "Instellingen scannereigenschappen". Instelling van de afbeeldingsdichtheid In dit onderdeel wordt beschreven hoe u de afbeeldingsbelichting voor de huidige taak aanpast. Er zijn vijf afbeeldingsbelichtingsniveaus. Hoe hoger het belichtingsniveau, hoe donkerder de gescande afbeelding. 87
5. Originelen scannen 1. Druk op de [Dichtheid]-knop. DCT874 2. Druk op [ ] of [ ] om het gewenste belichtingsniveau te selecteren en druk vervolgens op de [OK]-knop. U kunt de standaardinstelling [Dichtheid] van het apparaat zo instellen dat alle scans worden gemaakt met een bepaald belichtingsniveau. Voor meer informatie, zie Pag. 138 "Instellingen scannereigenschappen". Resolutie opgeven In dit onderdeel wordt beschreven hoe u de scanresolutie voor de huidige taak kunt opgeven. Er zijn zes instellingen voor de resolutie. Hoe hoger de resolutie, hoe hoger de kwaliteit en hoe groter het bestand. 1. Druk op de [Afbeeldingskwaliteit]-knop. DCT875 2. Druk op [ ], [ ], [ ] of [ ] om de gewenste resolutie te selecteren en druk vervolgens op de [OK]-knop. 88
De scaninstellingen opgeven U kunt de standaardinstelling [Resolutie] van het apparaat zo instellen dat er altijd wordt gescand met een bepaald resolutieniveau. Voor meer informatie, zie Pag. 138 "Instellingen scannereigenschappen". 89
5. Originelen scannen Vanaf een computer scannen Met scannen vanaf een computer (TWAIN-scannen en WIA-scannen) kunt u het apparaat bedienen vanaf uw computer en originelen rechtstreeks naar uw computer scannen. DCT066 1. Uw computer (met geïnstalleerd TWAIN-stuurprogramma) Geef het apparaat de opdracht om het origineel dat in het apparaat is geplaatst, te scannen. 2. Dit apparaat Het origineel dat in het apparaat is geplaatst, is gescand en de gegevens zijn verzonden naar de clientcomputer. De TWAIN-scanner gebruiken In deze paragraaf worden de voorbereidingen en de procedure voor het gebruik van de TWAINscanner beschreven. Om de TWAIN-scanner te kunnen gebruiken, moet u het TWAIN-stuurprogramma installeren dat u op de meegeleverde cd-rom vindt. Als u een TWAIN-scanner wilt gebruiken, dient er een TWAIN-compatibele toepassing te worden geïnstalleerd. Om het apparaat als TWAIN-scanner te gebruiken, volgt u eerst deze stappen: Installeer het TWAIN-stuurprogramma. Installeer een TWAIN-compatibele toepassing. TWAIN-scannen TWAIN-scannen is mogelijk als uw computer over een toepassing beschikt die TWAIN ondersteunt. In de volgende procedure worden Windows 7 en Microsoft Office Document Scanning als voorbeeld gebruikt. 90
Vanaf een computer scannen 1. Plaats het origineel. 2. Ga in het menu [Start] naar [Alle programma's], [Microsoft Office], [Microsoft Officehulpprogramma's] en klik vervolgens op [Microsoft Office Document Scanning]. 3. Klik op [Scanner ]. 91
5. Originelen scannen 4. Selecteer de scanner die u wilt gebruiken. 5. Schakel het selectievakje [Dialoogvenster van stuurprogramma voor scannen weergeven] in. 6. Klik op [OK]. 7. Klik op de knop Scan. Het dialoogvenster Stuurprogramma voor scanner wordt weergegeven. 92
Vanaf een computer scannen 8. Klik op [Scan]. 9. Klik op [Sluiten]. Instellingen die u in het TWAIN-dialoogvenster kunt configureren: 1 2 3 4 5 6 7 DAC525 1. Scanner: Selecteer de scanner die u wilt gebruiken. De scanner die u selecteert, wordt de standaardscanner. Klik op [Verversen] om alle beschikbare scanners te zien die via USB of op het netwerk zijn aangesloten. 2. Origineel: Selecteer [Reflecterend] om vanaf de glasplaat te scannen of [Autom. Document Toevoer] om vanuit de ADF te scannen. 93
5. Originelen scannen 3. Type origineel Selecteer afhankelijk van uw origineel een instelling uit het overzicht met opties dat hieronder staat of selecteer [Aangepast...] om uw eigen scaninstellingen te configureren. "Modus:", "Resolutie:" en "Formaat:" bij "Scaninstelling" veranderen op basis van de instelling van het origineeltype dat u hier heeft geselecteerd. 4. Modus: Als u de glasplaat gebruikt: [Tekst Redigeren (OCR)] [Faxen, Opbergen of Kopiëren] [Zwart-wit foto] [Kleurendocument - Snel] [Kleurendocument - Betere kwaliteit] [Aangepast...] Als u de ADF gebruikt: [ADF - Sneller] [ADF - Beter] [ADF - Grijs] [Aangepast...] Kies uit volledige kleur, grijswaarden of zwart-wit. 5. Resolutie: Selecteer een resolutie in de lijst. Als u [Voorkeur...] selecteert, voer dan rechtstreeks een resolutiewaarde in het bewerkingsvenster in. Let op dat met het verhogen van de resolutie ook de grootte van het bestand en de scantijd oploopt. Te selecteren resoluties kunnen variëren afhankelijk van waar het origineel wordt geplaatst. Als u de glasplaat gebruikt: 75, 100, 150, 200, 300, 400, 500, 600, 1200, 2400, 4800, 9600, 19200 dpi, Voorkeur... Als u de ADF gebruikt: 6. Formaat: 75, 100, 150, 200, 300, 400, 500, 600 dpi, Voorkeur... Selecteer het scanformaat. Als u [Voorkeur...] selecteert, voer dan rechtstreeks het scanformaat in het bewerkingsvenster in. Ook kunt u het scanformaat met uw muis in het voorbeeldgebied wijzigen. U kunt kiezen uit de volgende meeteenheden: [cm], [inches] of [pixels]. Te selecteren resoluties kunnen variëren afhankelijk van waar het origineel wordt geplaatst. Raadpleeg voor meer informatie de Help-functie van het TWAIN-stuurprogramma. 7. Scantaak: (bij gebruik van de glasplaat) Geeft maximaal 10 vorig gebruikte scangebieden weer. Om een scantaak te verwijderen selecteert u het nummer van de taak en klikt u vervolgens op [Verwijd.]. Als u [AutoCrop] selecteert, detecteert de scanner automatisch het formaat van uw origineel. Raadpleeg voor meer informatie de Help-functie van het TWAIN-stuurprogramma. 94
Vanaf een computer scannen Basisbewerking voor WIA-scannen 1. Plaats het origineel. 2. Klik in het menu [Start] op [Apparaten en printers]. 3. Klik met de rechter muisknop op het printermodel dat u wilt gebruiken en klik vervolgens op [Beginnen met scannen]. 4. Configureer de scaninstellingen indien nodig en klik vervolgens op [Scannen]. 95
96 5. Originelen scannen
6. Een fax verzenden en ontvangen Faxapparaatscherm In dit onderdeel staat informatie over het scherm in de faxmodus. Het display geeft standaard het kopieerscherm weer als het apparaat wordt ingeschakeld. Als het kopieer- of scannerscherm op het display wordt weergegeven, druk dan op de [Fax]-knop op het bedieningspaneel om naar het faxscherm te gaan. Stand-by scherm DCT859 1. Huidige status of mededelingen Toont de huidige status of meldingen. 2. Huidige instellingen Geeft de huidige belichting en resolutie-instellingen weer. 3. Huidige datum en tijd Geeft de huidige datum en tijd weer. De standaardmodus van het apparaat als hij wordt aangezet, kan worden opgegeven bij [Functieprioriteit] onder [Beh. Toepas.]. Voor meer informatie over [Functieprioriteit], zie Pag. 163 "Beheerdersinstellingen". Hoe de tijd en datum worden weergegeven, kan worden aangepast in [Datum/tijd instellen] onder [Beheerderstoepassingen]. Voor meer informatie over het instellen van de datum en tijd, zie Pag. 98 "De datum en tijd instellen". 97
6. Een fax verzenden en ontvangen De datum en tijd instellen 1. Druk op de knop [Gebruikersinstellingen]. 2. Druk op [ ] of [ ] om [Beheerderstoepassingen] te selecteren. Druk vervolgens op de [OK]-knop. 3. Als u om een wachtwoord wordt gevraagd, voer het wachtwoord dan met de cijfertoetsen in en druk vervolgens op de [OK]-knop. 4. Druk op [ ] of [ ] om [Datum/Tijd instellen] te selecteren en druk vervolgens op de [OK]- knop. 5. Druk op [ ] of [ ] om [Datum instellen] te selecteren en druk vervolgens op de [OK]- knop. 6. Druk op [ ] [ ] om de gewenste datumindeling te selecteren en druk vervolgens op [OK]. Voor meer informatie over de indeling van de datum- en tijdweergave, zie Pag. 163 "Beheerdersinstellingen". 7. Voer de huidige datum met de cijfertoetsen in en druk dan op [OK]. U kunt op [ ]of [ ] drukken om tussen velden te schakelen. 8. Druk op [ ] of [ ] om [Tijd instellen] te selecteren en druk vervolgens op [OK]. 9. Druk op [ ] of [ ] om de gewenste tijdsindeling te selecteren en druk vervolgens op [OK]. 10. Voer de huidige tijd met de cijfertoetsen in en druk dan op [OK]. Als u [12-uursindeling] geselecteerd heeft, drukt u op [ ] of [ ] om [AM] of [PM] te selecteren. U kunt op [ ]of [ ] drukken om tussen velden te schakelen. 11. Druk op de [Gebruikersinstellingen]-knop om terug te keren naar het beginscherm. U kunt een wachtwoord voor toegang tot het menu [Beheerdertoepassingen] opgeven in [Vergr.beheerderstoepass.]. Voor meer informatie over [Vergr.beheerderstoepass.], zie Pag. 163 "Beheerdersinstellingen". 98
Tekens invoeren Tekens invoeren Als u tekens wilt invoeren, gebruikt u de volgende toetsen: Een cijfer invoeren Druk op een cijfertoets. Een teken verwijderen Druk op [ ]. Een faxnummer invoeren Een getal invoeren Gebruik de cijfertoetsen. Andere tekens dan cijfers invoeren " ": Druk op [ ]. " ": Druk op [ ]. "P" (Pauze): druk op de toets [Pauze/Redial]. Een naam invoeren Letters, cijfers en symbolen kunnen met de cijfertoetsen worden ingevoerd. Als u twee tekens in wilt voeren die dezelfde cijfertoets na elkaar gebruiken, druk dan nadat u het eerste teken heeft ingevoerd op [ ]. Cijfertoets Aantal keer indrukken ~ \ DCT843 99
6. Een fax verzenden en ontvangen Faxbestemmingen registreren Dit onderdeel beschrijft hoe u faxbestemmingen kunt registreren in het Adresboek via het bedieningspaneel. Zie "Tekens invoeren" voor meer informatie over het invoeren van tekens. Het Adresboek kan ook met behulp van Web Image Monitor worden bewerkt. De gegevens in het Adresboek kunnen beschadigd zijn of onverwacht verloren gaan. De fabrikant aanvaardt geen aansprakelijkheid voor schade die optreedt als gevolg van dergelijk verlies van gegevens. Zorg ervoor dat u regelmatig een back-up maakt van bestanden met Adresboekgegevens. Voor meer informatie over het maken van back-upbestanden, zie Pag. 197 "De beheerderinstellingen configureren". U kunt tot 108 bestemmingen opslaan in het adresboek (8 snelkeuzebestemmingen en 100 verkorte kiesbestemmingen). Snelkeuzebestemmingen Bestemmingen die geregistreerd zijn als snelkeuzebestemmingen kunnen geselecteerd worden door op de daarmee overeenkomende sneltoetsknop te drukken. Verkorte kiesbestemmingen Bestemmingen die als verkorte kiesbestemmingen zijn opgeslagen, kunnen via het Adresboek worden gekozen. Druk op de toets [Adresboek], selecteer [Adresboek doorzoeken] en selecteer vervolgens de gewenste invoer met [ ][ ]. Faxbestemmingen registreren met het bedieningspaneel 1. Druk op de knop [Gebruikersinstellingen]. DCT845 2. Druk op [ ] of [ ] om [Adresboek] te selecteren. Druk vervolgens op de [OK]-knop. 3. Als u om een wachtwoord wordt gevraagd, voer het wachtwoord dan met de cijfertoetsen in en druk vervolgens op de [OK]-knop. 100
Faxbestemmingen registreren 4. Druk op [ ] of [ ] om [Snelkiesbestemming] of [Verkort kiesbestemming fax] te selecteren. Druk vervolgens op de [OK]-knop. 5. Druk op [ ] of [ ] om [Nr.] te selecteren en voer vervolgens met de cijfertoetsen het gewenste snelkiesnummer (1 t/m 8) in of het verkorte kiesnummer (1 t/m 100). Als een bestemming al geregistreerd staat voor het ingevoerde nummer, zullen het faxnummer en de faxnaam die al zijn geregistreerd voor dat nummer, worden weergegeven. 6. Druk op [ ]of [ ] om [Faxnr.] te selecteren en voer vervolgens het faxnummer in (tot maximaal 40 tekens). 7. Druk op [ ] of [ ] om [Naam] te selecteren en voer vervolgens de faxnaam in (tot maximaal 20 tekens). 8. Bevestig de instelling en druk op de [OK]-knop. 9. Druk op de [Gebruikersinstellingen]-knop om terug te keren naar het beginscherm. Voor meer informatie over het invoeren van tekens, zie Pag. 99 "Tekens invoeren". Een faxnummer kan de volgende tekens bevatten: cijfers 0 t/m 9, pauze, " ", " " en spatie. Voer indien nodig een pauze in het faxnummer in. Het apparaat pauzeert kort voordat het de cijfers na de pauze kiest. U kunt de pauzetijd bepalen via de instelling [Pauzetijd] onder de instellingen voor het versturen van faxen. Meer informatie over [Pauzetijd] vindt u in Pag. 140 "Instellingen van de eigenschappen voor het versturen van faxen". Om toondiensten op een kiestoonlijn te gebruiken, voert u een " " in het faxnummer in. " " verandert de modus tijdelijk van pulstoon naar kiestoon. Als het apparaat via een PBX op het telefoonnetwerk is aangesloten, dient u ervoor te zorgen dat het externe lijntoegangsnummer is opgegeven in [PBX-toegangsnummer] voor het faxnummer. Voor meer informatie over [PBX-toegangsnummer], zie Pag. 163 "Beheerdersinstellingen". U kunt een wachtwoord voor toegang naar het [Adresboek]-menu instellen onder [Vergr. beh.toepass]. Voor meer informatie over [Vergr.beheerderstoepass.], zie Pag. 163 "Beheerdersinstellingen". Faxbestemmingen wijzigen of verwijderen 1. Druk op de knop [Gebruikersinstellingen]. 2. Druk op [ ] of [ ] om [Adresboek] te selecteren. Druk vervolgens op de [OK]-knop. 3. Als u om een wachtwoord wordt gevraagd, voer het wachtwoord dan met de cijfertoetsen in en druk vervolgens op de [OK]-knop. 4. Druk op [ ] of [ ] om [Snelkiesbestemming] of [Verkort kiesbestemming fax] te selecteren. Druk vervolgens op de [OK]-knop. 101
6. Een fax verzenden en ontvangen 5. Druk op [ ] of [ ] om [Nr.] te selecteren en voer vervolgens met de cijfertoetsen het gewenste snelkiesnummer (1 t/m 8) in of het verkorte kiesnummer (1 t/m 100). Het faxnummer en de faxnaam die op dat nummer zijn geregistreerd, worden weergegeven. 6. Druk op [ ] of [ ] om [Faxnr.] te selecteren en bewerk het faxnummer dan (maximaal 40 tekens). Als u het faxnummer wilt verwijderen, drukt u op [ ] totdat het huidige nummer wordt verwijderd. 7. Druk op [ ] of [ ] om [Naam] te selecteren en bewerk vervolgens de faxnaam (maximaal 20 tekens). Als u de faxnaam wilt verwijderen, drukt u op [ ] totdat de huidige naam wordt verwijderd. 8. Bevestig de instelling en druk op de [OK]-knop. 9. Druk op de [Gebruikersinstellingen]-knop om terug te keren naar het beginscherm. Voor meer informatie over het invoeren van tekens, zie Pag. 99 "Tekens invoeren". U kunt een wachtwoord voor toegang naar het [Adresboek]-menu instellen onder [Vergr. beh.toepass]. 102
Een fax versturen Een fax versturen Het is raadzaam de ontvanger te bellen en af te spreken wanneer belangrijke documenten worden verzonden. Verzendingsmodus selecteren Er zijn twee manieren van verzenden: Geheugenverzending en Directe verzending. Geheugenverzending In deze modus zal het apparaat verschillende originelen naar het geheugen scannen en ze daarna tegelijkertijd versturen. Dit is handig wanneer u haast heeft en het document wilt meenemen. In deze modus kunt u een fax naar meerdere bestemmingen versturen. Het aantal keer dat een nummer opnieuw wordt geprobeerd, is vooraf ingesteld op twee of drie keer, afhankelijk van de [Land]-instelling onder [Beheerderstoepassingen] in intervals van vijf minuten. Voor meer informatie, zie Pag. 140 "Instellingen van de eigenschappen voor het versturen van faxen". Directe verzending In deze modus scant het apparaat het origineel en faxt deze tegelijkertijd zonder het in zijn geheugen op te slaan. Dit is handig wanneer u snel een origineel wilt versturen. In deze modus kunt u slechts één bestemming opgeven. 1. Druk op de [Fax]-knop en druk vervolgens [ ] of [ ]. DCT849 U kunt ook op de toets [Shortcut naar functies] drukken als [Shortcut naar functie] bij de beheerderinstellingen is ingesteld op [Directe TX fax]. Meer informatie over [Shortcut naar functie] vindt u in Pag. 163 "Beheerdersinstellingen". 2. Druk op [ ] of [ ] om [Directe TX] te selecteren. Druk vervolgens op de [OK]-knop. 103
6. Een fax verzenden en ontvangen 3. Druk op [ ] of [ ] om [Uit], [Aan] of [Uitsluitend volgende fax] te selecteren. Druk vervolgens op de [OK]-knop. Voor geheugenverzending selecteert u [Uit]. Voor directe verzending selecteert u [Aan] of [Uitsluitend volgende fax]. 4. Druk op de [Gebruikersinstellingen]-knop om terug te keren naar het beginscherm. Basisbewerking voor het versturen van een fax Het origineel in de ADF gaat voor het origineel op de glasplaat als u originelen zowel in de ADF als op de glasplaat plaatst. 1. Druk op de [Fax]-knop. DCT849 2. Plaats het origineel op de glasplaat of in de ADF. Om de originelen te plaatsen, zie Pag. 49 "Originelen plaatsen". 3. Voer met de cijfertoetsen het faxnummer in (maximaal 40 tekens) of geef een bestemming op met de Eéntoetsknoppen of de functie verkorte kiesbestemming. Voor meer informatie over het invoeren van tekens, zie Pag. 99 "Tekens invoeren". Voor meer informatie over het opgeven van bestemmingen met sneltoetsen, zie Pag. 107 "De faxbestemming opgeven". Als het apparaat via een PBX op het telefoonnetwerk is aangesloten, dient u ervoor te zorgen dat het externe lijntoegangsnummer is opgegeven in [PBX-toegangsnummer] voor het faxnummer. Voor meer informatie over [PBX-toegangsnummer], zie Pag. 163 "Beheerdersinstellingen". 104
Een fax versturen 4. Druk op de [Start]-knop. DCT847 Afhankelijk van de apparaatinstellingen, wordt u mogelijk gevraagd om het faxnummer opnieuw in te voeren als u het faxnummer van de bestemming handmatig heeft ingevoerd. Voer in dat geval het nummer binnen 60 seconden opnieuw in, druk op [OK] en druk vervolgens op de [Start]-knop. Als de faxnummers niet overeenstemmen, keert u terug naar stap 3. Voor meer informatie over het bevestigen van faxnummers, zie Pag. 163 "Beheerdersinstellingen". Als u de glasplaat gebruikt in de stand Geheugentransmissie, zal u worden gevraagd een ander origineel te plaatsen. Ga in dit geval verder met de volgende stap. 5. Als u meerdere originelen wilt scannen, drukt u binnen 60 seconden op [Ja], plaatst u het volgende origineel op de glasplaat en drukt u op [OK]. Herhaal deze stap totdat alle originelen zijn gescand. Als u niet binnen 60 seconden op [Ja] drukt, kiest het apparaat de bestemming. 6. Wanneer alle originelen gescand zijn, drukt u op [Nee] om de fax te versturen. Een faxnummer kan de volgende tekens bevatten: cijfers 0 t/m 9, pauze, " ", " " en spatie. Voer indien nodig een pauze in in het faxnummer. Het apparaat pauzeert kort voordat het de cijfers na de pauze kiest. U kunt de pauzetijd bepalen via de instelling [Pauzetijd] onder de instellingen voor het versturen van faxen. Meer informatie over [Pauzetijd] vindt u in Pag. 140 "Instellingen van de eigenschappen voor het versturen van faxen". Om toondiensten op een pulslijn te gebruiken, voert u een " " in het faxnummer in. " " verandert de modus tijdelijk van pulstoon naar kiestoon. U kunt meerdere bestemmingen opgeven voor de fax die u stuurt. Voor meer informatie over het versturen van een fax met de broadcastfunctie, zie Pag. 107 "De faxbestemming opgeven". Het apparaat vraagt u alleen om het faxnummer tweemaal in te voeren als u de bestemming handmatig invoert. Bestemmingen die zijn opgegeven met de sneltoetsen, de functie verkorte kiesbestemming of de [Pauze/Redial]-knop hoeven niet te worden bevestigd. Als het apparaat in Geheugenverzendingmodus staat, kunt u [Autom. opn. prob.] onder de instellingen voor het versturen van faxen instellen zodat het apparaat automatisch de bestemming 105
6. Een fax verzenden en ontvangen opnieuw kiest als de lijn bezet is of als er een fout optreedt tijdens de verzending. Meer informatie over [Autom. opnieuw proberen] vindt u in Pag. 140 "Instellingen van de eigenschappen voor het versturen van faxen". Als het apparaat in Geheugenverzendingmodus staat, kan het geheugen van het apparaat vol raken tijdens het scannen van de originelen. In dit geval vraagt het scherm u om de verzending te annuleren of om alleen de pagina's te versturen die succesvol zijn gescand. Als het papier in de ADF is vastgelopen, is de vastgelopen pagina niet juist gescand. Als het apparaat in de Directe verzendingmodus staat, verstuur de fax dan opnieuw vanaf de vastgelopen pagina. Als het apparaat in Geheugenverzendingmodus staat, scan de gehele originelen dan opnieuw. Voor meer informatie over het verwijderen van papier dat in de ADF is vastgelopen, zie Pag. 212 "Problemen met papierdoorvoer". Een fax annuleren Volg de onderstaande procedure om het versturen van een fax te annuleren. Als het apparaat in de Directe verzendingmodus staat Als u het versturen van een fax annuleert als het apparaat het origineel scant, wordt het verzendingsproces van de fax onmiddellijk geannuleerd. In dit geval wordt er een foutmelding weergegeven op het apparaat van de ontvanger. Als het apparaat in de Geheugenverzendingmodus staat Als u het versturen van een fax annuleert als het apparaat het origineel scant, wordt het document niet verstuurd. Als u het versturen van een fax annuleert tijdens het versturen, wordt het verzendingsproces van de fax onmiddellijk geannuleerd. In dit geval wordt er een foutmelding weergegeven op het apparaat van de ontvanger. 1. Druk op de [Fax]-knop. DCT849 106
Een fax versturen 2. Druk op de [Wis/Stop]-knop. DCT846 Als u het versturen van een fax annuleert als de fax naar meerdere bestemmingen tegelijk wordt gestuurd (broadcast), wordt alleen de fax naar de huidige bestemming geannuleerd. De fax wordt naar de opeenvolgende bestemmingen gestuurd. Als u [TX stand-by bestand verw.] in [Faxeigenschappen] gebruikt, kunt u bestanden verwijderen die in de wachtrij staan om te worden verzonden. Selecteer [Verwijder gesel. bestand] om het bestand te verwijderen. U kunt ook een bestand verwijderen dat op dat moment wordt verzonden. Selecteer [Alle best. verw.] om alle bestanden die in de wachtrij staan om verzonden te worden, te verwijderen. Dit heeft geen invloed op het bestand dat op dat moment wordt verzonden. De faxbestemming opgeven U kunt het faxnummer van de bestemming invoeren met de cijfertoetsen of bestemmingen opgeven via de volgende functies: Snelkiestoetsen Verkort kiezen Broadcast-functie Opnieuw kiezen-functie 107
6. Een fax verzenden en ontvangen De bestemming opgeven met de snelkiestoetsen 1. Druk op de [Fax]-knop. DCT849 2. Druk op de sneltoets waaronder de gewenste snelkeuzebestemming is geregistreerd. Voor meer informatie over het registreren van snelkeuzebestemmingen, zie Pag. 100 "Faxbestemmingen registreren". Druk op de [Shift]-knop als u snelkiesbestemmingen 5 t/m 8 wilt gebruiken voordat u op een sneltoets drukt. DCT878 U kunt de geregistreerde namen en faxnummers nakijken door een overzicht af te drukken. Voor meer informatie over het afdrukken van het overzicht met snelkeuzebestemmingen, zie Pag. 153 "Lijsten/rapporten afdrukken". 108
Een fax versturen De bestemming opgeven met verkorte kiesbestemming 1. Druk op de [Fax]-knop. 2. Druk op de knop [Adresboek]. DCT849 DCT876 3. Druk op [ ] of [ ] om [Adresboek doorzoeken] te selecteren. Druk vervolgens op [OK]. Als u wilt zoeken naar een bepaalde registratie via een registratienummer of naam, gebruik dan de volgende stappen: Zoeken op registratienummer Druk nogmaals op de [Adresboek]-knop, voer het nummer in met de cijfertoetsen en druk op de [OK]-knop. Zoeken op naam Voer de eerste letters van de naam in met de cijfertoetsen en druk vervolgens op de [OK]- knop. Met elk teken dat u invoert, verandert het display om de overeenkomende naam weer te geven. 4. Druk op [ ] of [ ] om het gewenste verkorte kiesnummer te selecteren en druk vervolgens op de [OK]-knop. Voor meer informatie over het registreren van verkorte kiesbestemmingen, zie Pag. 100 "Faxbestemmingen registreren". 109
6. Een fax verzenden en ontvangen Het Adresboek toont alleen de verkorte kiesbestemmingen. Gebruik de sneltoetsen om snelkiesbestemmingen op te geven. U kunt de geregistreerde namen en faxnummers nakijken door een overzicht af te drukken. Voor meer informatie over het afdrukken van een overzicht met verkorte kiesbestemmingen, zie Pag. 153 "Lijsten/rapporten afdrukken". De bestemming opgeven met broadcastfunctie U kunt een fax naar meerdere bestemmingen (maximaal 100 bestemmingen) tegelijkertijd verzenden. Faxen worden naar bestemmingen gestuurd in de volgorde waarin ze zijn opgegeven. 1. Druk op de [Fax]-knop. DCT849 2. Voeg een bestemming toe op één van de volgende manieren: Om een snelkiesbestemming toe te voegen drukt u op de sneltoets naar keuze. Om een verkorte kiesbestemming toe te voegen, drukt u op de [Adresboek]-knop, selecteer [Adresboek doorzoeken], selecteer vervolgens een bestemming en druk op de [OK]-knop. Om een handmatig opgegeven bestemming toe te voegen controleert u of [Nr.toets] is ingedrukt en vervolgens voert u het faxnummer van de bestemming in met de cijfertoetsen. 3. Druk op de [OK]-knop. Druk op [Lijst] om de lijst te zien met de bestemmingen die u tot dusver heeft toegevoegd. Ga terug naar stap 2 om meer bestemmingen toe te voegen. Als u meerdere bestemmingen opgeeft, kunt op de [Wis/Stop]-knop drukken om alle bestemmingen te wissen. Als u meerdere bestemmingen opgeeft in Directe verzendingsmodus, schakelt het apparaat tijdelijk over op Geheugenverzendingmodus. 110
Een fax versturen Tijdens het verzenden naar meerdere bestemmingen, kunt u met de [Wis/Stop]-knop alleen de fax naar de huidige bestemming annuleren. De bestemming opgeven met de functie Opnieuw kiezen U kunt de laatst gebruikte bestemming opgeven als de bestemming voor de huidige taak. Met deze functie kunt u tijd besparen als u vaak berichten naar dezelfde bestemming stuurt, omdat u de bestemming niet opnieuw hoeft in te voeren. 1. Druk op de [Fax]-knop. 2. Druk op de [Pauze/Redial]-knop. DCT849 DCT877 Handige verstuurfuncties U kunt de status van het apparaat van de ontvanger eenvoudig controleren via de functie Op de haak voordat u een fax stuurt. Als u een extra telefoon heeft, kunt u praten en een fax versturen in één gesprek. Deze functie is alleen beschikbaar in de modus Directe verzending. Zelfs als [Directe TX] is ingesteld op [Uit], schakelt deze automatisch naar [Aan]. 111
6. Een fax verzenden en ontvangen De procedure verschilt afhankelijk van het feit of [Bewerking] is ingesteld op [Eenvoudige modus] of [Geavanceerde modus] in [Faxeigenschappen]. Een fax versturen met direct kiezen Met de functie Op de haak kunt u de status van de ontvanger controleren terwijl u via de ingebouwde luidspreker kunt meeluisteren. Dit is een handige functie als u zeker wilt weten dat de fax wordt ontvangen. De functie Op de haak kan niet worden gebruikt als [Bevestiging faxnummer] onder beheerdersinstellingen is ingeschakeld. 1. Plaats het origineel op de glasplaat of in de ADF. Als [Bewerking] is ingesteld op [Eenvoudige modus] kunt u geen faxen versturen via de glasplaat. 2. Druk op de [Fax]-knop. 3. Druk op de [Direct kiezen]-knop. DCT849 DCT852 "Op de haak" wordt op het scherm weergegeven. 4. Geef de bestemming op met de cijfertoetsen. 112
Een fax versturen 5. Als u een hoge toon hoort, druk dan op de [Start]-knop. DCT847 Als [Bewerking] is ingesteld op [Eenvoudige modus], is stap 6 niet van toepassing. 6. Als het origineel op de glasplaat is geplaatst, drukt u op [TX] en vervolgens drukt u op de toets [Start]. Voor meer informatie over het selecteren van de verzendingsmodus, zie Pag. 103 "Verzendingsmodus selecteren". Voor meer informatie over [Bevestiging faxnummer], zie Pag. 163 "Beheerdersinstellingen". Voor informatie over [Bewerking] raadpleegt u Pag. 142 "Instellingen van faxeigenschappen". Een fax versturen na een gesprek Met een externe telefoon kunt u een fax versturen nadat u uw gesprek heeft beëindigd zonder de verbinding te verbreken en opnieuw te moeten kiezen. Dit is een handige functie als u zeker wilt weten of de fax is ontvangen. 1. Plaats het origineel op de glasplaat of in de ADF. Als [Bewerking] is ingesteld op [Eenvoudige modus] kunt u geen faxen versturen via de glasplaat. 2. Druk op de [Fax]-knop. DCT849 113
6. Een fax verzenden en ontvangen 3. Pak de hoorn van de externe telefoon van de haak. 4. Geef de bestemming op met de externe telefoon. 5. Als de ontvanger antwoordt, vraag hem/haar dan om op de faxtoets aan de kant van de ontvanger te drukken. 6. Als u een hoge toon hoort, druk dan op de [Start]-knop. DCT847 Als [Bewerking] is ingesteld op [Eenvoudige modus], gaat u verder met stap 8. 7. Als het origineel op de glasplaat is geplaatst, drukt u op [TX] en vervolgens drukt u op de toets [Start]. 8. Leg de hoorn op de haak. Voor informatie over [Bewerking] raadpleegt u Pag. 142 "Instellingen van faxeigenschappen". De scaninstellingen opgeven De afbeeldingsbelichting aanpassen In dit onderdeel wordt beschreven hoe u de afbeeldingsbelichting voor de huidige taak aanpast. Er zijn drie afbeeldingsbelichtingsniveaus. Hoe donkerder het belichtingsniveau, hoe donkerder de afdruk. 114
Een fax versturen 1. Druk op de [Belichting]-knop. DCT874 2. Druk op [ ] of [ ] om het gewenste belichtingsniveau te selecteren en druk vervolgens op de [OK]-knop. U kunt de standaardinstelling [Dichtheid] van het apparaat zo instellen dat alle scans worden gemaakt met een bepaald belichtingsniveau. Meer informatie over [Dichtheid] vindt u in Pag. 140 "Instellingen van de eigenschappen voor het versturen van faxen". De resolutie opgeven In dit onderdeel wordt beschreven hoe u de scanresolutie voor de huidige taak kunt opgeven. Er zijn drie instellingen voor resolutie: Standaard Detail Foto Selecteer deze als het origineel een afgedrukt document of een document met drukletters met tekens van normale afmetingen. Selecteer deze als het origineel een document is met kleine opdruk. Selecteer deze als het origineel afbeeldingen bevat zoals foto's of gearceerde tekeningen. 115
6. Een fax verzenden en ontvangen 1. Druk op de [Afbeeldingskwaliteit]-knop. DCT875 2. Druk op [ ] of [ ] om de gewenste resolutie-instelling te selecteren en druk vervolgens op de [OK]-knop. U kunt de standaardinstelling [Resolutie] van het apparaat zo instellen dat er altijd wordt gescand met een bepaald resolutieniveau. Meer informatie over [Resolutie] vindt u in Pag. 140 "Instellingen van de eigenschappen voor het versturen van faxen". 116
De faxfunctie gebruiken vanaf een computer (PC-fax) De faxfunctie gebruiken vanaf een computer (PC-fax) In dit onderdeel wordt beschreven hoe u de faxfunctie van het apparaat kunt gebruiken op een computer. U kunt een document rechtstreeks vanaf een computer via dit apparaat naar een ander faxapparaat sturen, zonder het document te hoeven afdrukken. Basisbewerkingen voor het versturen van faxen vanaf een computer Dit onderdeel beschrijft de basishandelingen voor het versturen van faxen vanaf een computer. U kunt een bestemming uit het PC-faxadresboek selecteren of rechtstreeks handmatig een faxnummer invoeren. U kunt faxen versturen naar maximaal 100 bestemmingen tegelijk. De procedure in dit onderdeel is een voorbeeld dat is gebaseerd op Windows 7. Voordat u een fax verstuurt, slaat het apparaat alle faxgegevens op in het geheugen. Als het geheugen van het apparaat vol raakt tijdens het opslaan van deze gegevens, zal de verzending van de fax worden geannuleerd. Als dit gebeurt, kunt u de resolutie verlagen of het aantal pagina's verminderen en het opnieuw proberen. 1. Open het bestand dat u wilt verzenden. 2. Klik in het menu [Bestand] op [Afdrukken...]. 3. Selecteer het PC-faxstuurprogramma als de printer en klik op [Afdrukken]. 4. Geef een bestemming op. Om een bestemming uit het PC-faxadresboek op te geven: Selecteer een bestemming uit de [Lijst Gebruiker:] en klik vervolgens op [Aan Lijst toevoegen]. Herhaal deze stap om meer bestemmingen toe te voegen. Om een faxnummer rechtstreeks in te voeren: Klik op het [Geef de bestemming op]-tabblad, voer een faxnummer (van maximaal 40 cijfers) in bij [Faxnummer:] en klik vervolgens op [Aan Lijst toevoegen]. Herhaal deze stap om meer bestemmingen toe te voegen. 5. Voor het bijvoegen van een voorblad klikt u op [Voorblad bewerken] op het tabblad [Geef de bestemming op] en vinkt u het vakje [Een voorblad bijvoegen] aan. 6. Klik op [Verzenden]. Zie de Help-functie van het PC-faxstuurprogramma voor meer informatie. 117
6. Een fax verzenden en ontvangen Een faxnummer kan bestaan uit de cijfers 0 t/m 9, "P" (pauze), " " en " ". Om toondiensten op een pulslijn te gebruiken, voert u een " " in het faxnummer in. " " verandert de modus tijdelijk van pulstoon naar kiestoon. Voor het verwijderen van een ingevoerde bestemming, selecteert u de bestemming in [BEstemmingslijst:] en klikt u op [Verwijder van lijst]. Een fax annuleren U kunt het versturen van een fax annuleren door het bedieningspaneel van het apparaat of uw computer te gebruiken, afhankelijk van de status van de taak. Annuleren op het moment dat het apparaat een fax ontvangt van de computer Als het apparaat via een afdrukserver wordt gedeeld met meerdere computers, moet u erop letten dat u geen fax van een andere gebruiker annuleert. 1. Dubbelklik op het printerpictogram in de taakbalk van uw computer. 2. Selecteer de afdruktaak die u wilt annuleren en klik vervolgens op [Annuleren] in het menu [Document]. Een fax annuleren via het bedieningspaneel Annuleer de fax via het bedieningspaneel. 1. Druk op de [Fax]-knop. 2. Druk op de [Wis/Stop]-knop. Verzendinstellingen configureren In dit onderdeel wordt beschreven hoe u de verzendinstellingen kunt configureren in de eigenschappen van het PC-faxstuurprogramma. Eigenschappen moeten voor elke toepassing apart worden ingesteld. 1. Klik in het menu [Bestand] op [Afdrukken...]. 2. Selecteer het PC-faxstuurprogramma als de printer en klik op een knop als [Voorkeuren]. Het dialoogvenster met eigenschappen van het PC-faxstuurprogramma wordt weergegeven. 3. Configureer de instellingen indien nodig en klik op [OK]. Het PC-faxadresboek configureren In dit onderdeel wordt het PC-faxadresboek beschreven. Configureer het PC-faxadresboek op de computer. In het PC-faxadresboek kunt u PC-faxbestemmingen snel en eenvoudig opgeven. 118
De faxfunctie gebruiken vanaf een computer (PC-fax) Het PC-faxadresboek kan maximaal 1000 registraties bevatten, waaronder individuele bestemmingen en groepsbestemmingen. Het PC-faxadresboek openen In dit onderdeel wordt beschreven hoe u het PC-faxadresboek opent. 1. Klik in het menu [Start] op [Apparaten en printers]. 2. Klik met de rechtermuisknop op het pictogram van het PC-faxstuurprogramma en klik vervolgens op [Voorkeursinstellingen voor afdrukken]. 3. Klik op het tabblad [Adresboek]. Bestemmingen registreren Dit onderdeel beschrijft hoe u bestemmingen in het PC-faxadresboek kunt registreren. 1. Open het pc-fax-adresboek en klik op [Gebruiker toevoegen]. 2. Voer de bestemming in. U dient een contactnaam en faxnummer in te voeren. 3. Klik op [OK]. Groepen registreren In dit onderdeel wordt beschreven hoe u groepen bestemmingen kunt registreren. Een groep kan uit maximaal 100 individuele bestemmingen bestaan. 1. Open het pc-fax-adresboek en klik op [Groep toevoegen]. 2. Voer de groepsnaam in in het veld [Groepsnaam]. 3. Selecteer de bestemming die u in de groep wilt opnemen uit de [Lijst Gebruiker:] en klik vervolgens op [Toevoegen]. 4. Klik op [OK]. Gegevens voor het PC-faxadresboek exporteren/importeren In de volgende procedure wordt Windows 7 ter illustratie gebruikt. Als u een ander besturingsprogramma gebruikt, kan de procedure enigszins anders zijn. 119
6. Een fax verzenden en ontvangen Gegevens voor het PC-faxadresboek exporteren Gegevens voor het PC-faxadresboek kunnen geëxporteerd worden in een bestand in CSV-formaat (Comma Separated Values). Volg deze procedure om gegevens voor het PC-faxadresboek te exporteren. 1. Open het PC-faxadresboek en klik vervolgens op [Exporteren]. 2. Ga naar de locatie waar u de gegevens voor het PC-faxadresboek wilt opslaan, geef de naam voor het bestand op en klik vervolgens op [Opslaan]. Gegevens voor het PC-faxadresboek importeren Gegevens voor het PC-faxadresboek kunnen geïmporteerd worden in een bestand in CSV-formaat (Comma Separated Values). U kunt adresboekgegevens importeren uit andere toepassingen als de gegevens als een CSV-bestand zijn opgeslagen. Volg deze procedure om gegevens voor het PC-faxadresboek te importeren. Om adresboekgegevens uit andere toepassingen te importeren, dient u de juiste items te selecteren die moeten worden geïmporteerd. 1. Open het PC-faxadresboek en klik op [Importeren]. 2. Selecteer het bestand met de adresboekgegevens en klik op [Openen]. Er wordt een dialoogvenster voor het selecteren van de te importeren items weergegeven. 3. Selecteer voor elk veld een passend item uit de lijst. Selecteer [*leeg*] voor velden waarvoor geen te importeren gegevens bestaan. Let op dat [*leeg*] niet kan worden geselecteerd voor de velden [Naam] en [Fax]. 4. Klik op [OK]. Zie de Help-functie van het PC-faxstuurprogramma voor meer informatie over de instellingen. CSV-bestanden worden geëxporteerd met Unicode-codering. Gegevens in het PC-faxadresboek kunnen uit CSV-bestanden worden geïmporteerd mits de codering Unicode of ASCII is. Groepsgegevens kunnen niet geëxporteerd of geïmporteerd worden. Er kunnen maximaal 1000 bestemmingen in het PC-faxadresboek geregistreerd worden. Als deze grens tijdens het importeren wordt overschreden, zullen de overgebleven bestemmingen niet worden geïmporteerd. Een voor-/achterblad van een fax bewerken In dit onderdeel wordt beschreven hoe u een voor- of achterblad van een fax bewerkt in de eigenschappen van het PC-faxstuurprogramma. 120
De faxfunctie gebruiken vanaf een computer (PC-fax) 1. Klik in het menu [Bestand] op [Afdrukken...]. 2. Selecteer het PC-faxstuurprogramma als de printer en klik op [Afdrukken]. 3. Klik op het tabblad [Geef de bestemming op] en klik op [Voorblad bewerken]. 4. Configureer de instellingen indien nodig en klik op [OK]. Zie de Help-functie van het PC-faxstuurprogramma voor meer informatie over de instellingen. 121
6. Een fax verzenden en ontvangen Een fax ontvangen Als u een belangrijke fax ontvangt, is het raadzaam om de ontvangst te bevestigen aan de afzender. Wanneer er te weinig vrije geheugenruimte is, kan het apparaat geen faxdocumenten meer ontvangen. Er is een externe telefoon nodig om dit apparaat als telefoon te kunnen gebruiken. Alleen papier van het formaat A4, Letter of Legal kan voor het afdrukken van faxen worden gebruikt. Ontvangstmodus selecteren De volgende ontvangstmodi zijn beschikbaar: Het apparaat alleen als faxapparaat gebruiken Selecteer de volgende modus als er geen externe telefoon of antwoordapparaat is aangesloten: Modus Alleen Fax (autom. ontvangst) In deze modus wordt het apparaat alleen als faxapparaat gebruikt en zal het automatisch faxen ontvangen. Het apparaat met een extern apparaat gebruiken Selecteer één van de volgende modi als de hoorn, de externe telefoon of het antwoordapparaat is aangesloten: Modus FAX/TEL Handmatig (handmatige ontvangst) In deze modus moet u telefoontjes met de hoorn, een externe telefoon beantwoorden. Als een telefoontje een fax blijkt te zijn, moet u de ontvangst van de fax handmatig starten. Modus Alleen Fax (autom. ontvangst) In deze modus beantwoordt het apparaat alle binnenkomende telefoontjes in de faxontvangstmodus. Modus FAX/TAD (autom. ontvangst) In deze modus kunt u het apparaat gebruiken met een extern antwoordapparaat. 122
Een fax ontvangen 1. Druk op de knop [Gebruikersinstellingen]. DCT845 2. Druk op [ ] of [ ] om [Faxeigenschappen] te selecteren. Druk vervolgens op de [OK]- knop. 3. Druk op [ ] of [ ] om [Ontvangstinstellingen] te selecteren. Druk vervolgens op de [OK]- knop. 4. Druk op [ ] of [ ] om [Ontvangstmodus omschakelen] te selecteren. Druk vervolgens op de [OK]-knop. 5. Druk op [ ], [ ], [ ] of [ ] om de gewenste ontvangstmodus te selecteren en druk vervolgens op de [OK]-knop. 6. Druk op de [Gebruikersinstellingen]-knop om terug te keren naar het beginscherm. Een fax ontvangen in FAX/TEL handmatige modus De procedure verschilt afhankelijk van het feit of [Bewerking] is ingesteld op [Eenvoudige modus] of [Geavanceerde modus] in [Faxeigenschappen]. Om faxen te ontvangen dient u eerst de originelen die in de ADF geplaatst zijn, te verwijderen. 1. Neem de hoorn van de externe lijn van de haak om de oproep te beantwoorden. Er start een normale telefoonoproep. De verzender kan u eerst bellen om mee te delen dat hij/zij u een fax stuurt. 2. Wanneer u een beltoon van een fax of geen geluid hoort, drukt u op de toets [Fax]. 3. Druk op de [Start]-knop. Als [Bewerking] is ingesteld op [Eenvoudige modus], gaat u verder met stap 6. 4. Druk op [RX]. 5. Druk op de [Start]-knop. 6. Leg de hoorn op de haak. 123
6. Een fax verzenden en ontvangen Voor informatie over [Bewerking] raadpleegt u Pag. 142 "Instellingen van faxeigenschappen". Een fax ontvangen in de modus Alleen Fax Wanneer de ontvangstmodus ingesteld is op Alleen Fax, beantwoordt het apparaat automatisch alle oproepen in de faxontvangstmodus. U kunt het aantal keren dat het apparaat moet wachten voordat een telefoontje beantwoord wordt, wijzigen in de instelling [Aant. keer over laten gaan] onder [Faxeigenschappen]. Voor meer informatie over [Aant. keer over laten gaan], zie Pag. 142 "Instellingen van faxeigenschappen". Als u een telefoontje met de externe telefoon wilt beantwoorden terwijl het apparaat aan het bellen is, zal er een normaal telefoongesprek starten. Als u een faxtoon of geen geluid hoort, moet u de fax handmatig ontvangen. Voor meer informatie over het handmatig ontvangen van faxen, zie Pag. 123 "Een fax ontvangen in FAX/TEL handmatige modus". Een fax ontvangen in FAX/TAD-modus Wanneer de ontvangstmodus ingesteld is op FAX/TAD, beantwoordt en registreert het antwoordapparaat van de externe lijn berichten wanneer het apparaat telefoonoproepen ontvangt. Als de ontvangen oproep een faxoproep is, ontvangt het apparaat de fax automatisch. 1. Als er een inkomend gesprek is, gaat de externe telefoon over. Als het antwoordapparaat van de externe lijn de oproep niet beantwoordt, ontvangt het apparaat de fax automatisch. Als u een telefoontje met de externe telefoon wilt beantwoorden terwijl het apparaat aan het bellen is, zal er een normaal telefoongesprek starten. Indien u een faxtoon hoort, wacht dan totdat "Bezig met ontvangen..." op het display verschijnt. Het apparaat begint met het ontvangen van faxen. Als het bericht "Bezig met ontvangen..." niet wordt weergegeven, ontvang de fax dan handmatig. 2. Als het antwoordapparaat van de externe lijn de oproep beantwoordt, registreert het apparaat gedurende 30 seconden stilte op de lijn (stiltedetectie). Als er een faxtoon of geen geluid gedetecteerd wordt, ontvangt het apparaat de fax automatisch. Als er een stem gedetecteerd wordt, start er een normale telefoonoproep. Het antwoordapparaat van de externe lijn neemt berichten op. U kunt handmatig een fax ontvangen tijdens stiltedetectie. Stiltedetectie houdt 30 seconden aan, zelfs als het externe antwoordapparaat direct gaat kiezen, behalve als u op de [Wis/Stop]-knop drukt en de oproep afbreekt. 124
Een fax ontvangen Faxen doorsturen of in het geheugen opslaan Om te voorkomen dat onbevoegde gebruikers vertrouwelijke faxen onder ogen krijgen, kunt u het apparaat zo instellen dat ontvangen faxen naar een vooraf ingestelde bestemming worden doorgestuurd, of dat ze in het geheugen worden opgeslagen en niet worden afgedrukt. Deze functie is alleen beschikbaar op modellen van het type 5 en 6. De tabel hieronder laat zien wat er gebeurt als het doorsturen is gelukt of mislukt, afhankelijk van de configuratie van het apparaat. Doorzenden [Ontvangen bestand afdr.] Resultaat Gelukt Automatisch Het apparaat drukt de fax af en verwijdert deze uit het geheugen. Gelukt Handmatig Het apparaat slaat de fax op in het geheugen en de fax kan later handmatig worden afgedrukt. Mislukt Automatisch Het apparaat drukt een foutmelding af dat het doorsturen niet is gelukt, drukt de fax af en verwijdert de fax uit het geheugen. Mislukt Handmatig Het apparaat drukt een foutenrapport af dat het doorsturen niet is gelukt en slaat de fax op in het geheugen zodat deze later handmatig kan worden afgedrukt. Als het apparaat een fax niet kan afdrukken vanwege apparaatfouten zoals een lege papierlade of een papierstoring, zal de fax in het geheugen blijven. De overige pagina's worden afgedrukt zodra het probleem is verholpen. Het aantal doorstuurpogingen en de intervaltijd voor het opnieuw proberen kunnen worden opgegeven met Web Image Monitor. Voor meer informatie over de doorstuurbestemming, doorstuurpogingen en intervalinstellingen, zie Pag. 175 "De systeeminstellingen configureren". Doorstuurinstellingen Om doorstuurvoorwaarden voor ontvangen faxen op te geven, configureert u het apparaat als volgt: 125
6. Een fax verzenden en ontvangen 1. Druk op de knop [Gebruikersinstellingen]. DCT845 2. Druk op [ ] of [ ] om [Faxeigenschappen] te selecteren. Druk vervolgens op de [OK]- knop. 3. Druk op [ ] of [ ] om [Ontvangstinstellingen] te selecteren. Druk vervolgens op de [OK]- knop. 4. Druk op [ ] of [ ] om [Ontvangstbestand verwerken] te selecteren. Druk vervolgens op de [OK]-knop. 5. Druk op [ ] of [ ] om [Doorsturen & afdrukken] te selecteren. Druk vervolgens op de [OK]-knop. Om e-mailmeldingen te verzenden nadat faxen doorgestuurd zijn, gaat u verder met stap 6. Anders gaat u verder met stap 8. 6. Druk op [ ] of [ ] om [Melding status doorsturen] te selecteren. Druk vervolgens op de [OK]-knop. 7. Druk op [ ] of [ ] om [Aan] te selecteren en druk vervolgens op de [OK]-knop. [Aan]: Stuur een e-mailbericht na doorsturen. De bestemming van het e-mailbericht hangt af van hoe de doorstuurbestemming is geconfigureerd. [Uit]: Er wordt geen e-mailbericht verzonden. 8. Druk op de [Gebruikersinstellingen]-knop om terug te keren naar het beginscherm. De doorstuurbestemming handmatig instellen met Web Image Monitor 1. Open de internetbrowser en verkrijg toegang tot het apparaat door het IP-adres in te vullen. 2. Klik op [Systeeminstellingen]. 3. Klik op het tabblad [Fax]. 4. Geef de doorstuurbestemming op in [Doorstuurbestemming]. [E-mailadres]: Voer het e-mailadres in van de bestemming. [Scanbestemming]: Selecteer een scanbestemming als doorstuurbestemming. 126
Een fax ontvangen 5. Klik op [OK]. 6. Sluit de internetbrowser. Voor meer informatie over Web Image Monitor, zie Pag. 169 "Web Image Monitor gebruiken". De opslagvoorwaarden opgeven Om de opslagvoorwaarden voor ontvangen faxen op te geven, configureert u het apparaat als volgt: 1. Druk op de knop [Gebruikersinstellingen]. 2. Druk op [ ] of [ ] om [Faxeigenschappen] te selecteren. Druk vervolgens op de [OK]- knop. 3. Druk op [ ] of [ ] om [Ontvangstinstellingen] te selecteren. Druk vervolgens op de [OK]- knop. 4. Druk op [ ] of [ ] om [Ontvangstbestand verwerken] te selecteren. Druk vervolgens op de [OK]-knop. 5. Druk op de knop [ ] of [ ] om [Afdrukken] of [Doorsturen & afdrukken] te selecteren. Druk vervolgens op de [OK]-knop. 6. Druk op [ ] of [ ] om [Ontvangen bestand afdr.] te selecteren. Druk vervolgens op de [OK]-knop. 7. Druk op de knop [ ] of [ ] om [Automatisch] of [Handmatig] te selecteren. Druk vervolgens op de [OK]-knop. [Automatisch]: Druk automatisch de ontvangen faxen af en verwijder ze uit het geheugen. [Handmatig]: Sla de ontvangen faxen op in het geheugen en druk ze later handmatig af. 8. Druk op de [Gebruikersinstellingen]-knop om terug te keren naar het beginscherm. Als het is gelukt de fax af te drukken, wordt deze uit het geheugen verwijderd. Als het apparaat een fax niet kan afdrukken vanwege apparaatfouten zoals een lege papierlade of een papierstoring, zal de fax in het geheugen blijven. De overige pagina's worden afgedrukt zodra het probleem is verholpen. Faxen afdrukken die in het geheugen zijn opgeslagen In dit onderdeel wordt beschreven hoe u ontvangen faxen die zijn opgeslagen in het geheugen van het apparaat kan afdrukken. Als het stroomindicatielampje knippert, is er een fax in het geheugen van het apparaat. Volg de onderstaande procedure om de fax af te drukken. 127
6. Een fax verzenden en ontvangen 1. Druk op de knop [Gebruikersinstellingen]. DCT845 2. Druk op [ ] of [ ] om [Faxeigenschappen] te selecteren. Druk vervolgens op de [OK]- knop. 3. Druk op [ ] of [ ] om [Ontvangstinstellingen] te selecteren. Druk vervolgens op de [OK]- knop. 4. Druk op de knop [ ] of [ ] om [Opgeslagen RX-bestand] te selecteren. Druk vervolgens op de [OK]-knop. 5. Druk op [ ] of [ ] om [Geselect. bestand afdrukken] te selecteren. Druk vervolgens op de [OK]-knop. 6. Druk op de knop [ ] of [ ] om de afdruktaak te selecteren en druk vervolgens op de [OK]-knop. 7. Druk op [Ja]. 8. Druk op de [Gebruikersinstellingen]-knop om terug te keren naar het beginscherm. 128
Lijsten/rapporten met betrekking tot de faxfunctie Lijsten/rapporten met betrekking tot de faxfunctie De lijsten en rapporten met betrekking tot de faxfunctie zijn: Faxjournaal Hiermee wordt een journaal van faxverzending en -ontvangst van de laatste 100 taken afgedrukt. TX-statusrapport Drukt het meest recente verzendingsresultaat af. TX/RX stand-by bestandlijst Drukt een lijst af van onverstuurde faxtaken die in het geheugen van het apparaat staan. Stroomstoringsrapport Drukt een rapport af als de stroom van het apparaat is onderbroken terwijl er een fax werd verstuurd of ontvangen, of als er afbeeldingen die in het apparaatgeheugen waren opgeslagen, verloren zijn gegaan doordat het apparaat langere tijd is uitgeschakeld. Faxbest.lijst verk. kiezen Hiermee wordt een lijst met ingevoerde verkorte kiesnummers afgedrukt. Bestemm.lijst snel kiezen Hiermee wordt een lijst van snelkiesbestemmingen voor scannen en faxen afgedrukt. Storingsrapport doorsturen Dit rapport wordt afgedrukt als het doorsturen mislukt. Voor meer informatie over Faxjournaal en TX-statusrapport, zie Pag. 142 "Instellingen van faxeigenschappen". Rapporten worden afgedrukt op papier van A4-, Letter- of Legal-formaat. Plaats één van deze formaten papier in de lade voordat u rapporten afdrukt. Voor meer informatie over het plaatsen van papier, zie Pag. 41 "Papier plaatsen". 129
130 6. Een fax verzenden en ontvangen
7. Het apparaat configureren met het bedieningspaneel Basisbewerking U kunt op twee manieren toegang krijgen tot de apparaatinstellingen: Druk op de knop [Gebruikersinstellingen] voor toegang tot de systeem- en netwerkinstellingen. Druk op [ ] of [ ] om de kopieer-, scan- of faxinstellingen te openen. Om te controleren tot welke categorie de functie behoort die u wilt configureren, raadpleegt u Pag. 133 "Menuoverzicht". 1. Als u de systeeminstellingen van het apparaat wilt configureren, druk dan op de [Gebruikersinstellingen]-knop. DCT845 Druk anders op [ ] of [ ] terwijl "Gereed" op het startscherm van de kopieer-, scan- en faxinstellingen wordt weergegeven. DCT879 131
7. Het apparaat configureren met het bedieningspaneel 2. Druk op [ ] of [ ] om de instellingen die u wilt gebruiken te selecteren. Als u het menu [Adresboek], [Netwerkinstellingen] of [Beheerderstoepassingen] selecteert, kan u om een wachtwoord worden gevraagd. Voer het viercijferige wachtwoord in en druk op de [OK]- knop. Voor meer informatie over het wachtwoord, zie [Vergr.beheerderstoepass.] op Pag. 163 "Beheerdersinstellingen". 3. Om de weergegeven instellingen en waarden te bevestigen, drukt u op de [OK]-knop. 4. Druk op [Escape] om terug te gaan naar het voorgaande item. Om naar het beginscherm terug te keren, drukt u net zo vaak op de [Escape]-knop als het aantal items dat u geselecteerd heeft of druk eenmalig op de [Gebruikersinstellingen]-knop. Bij modellen van het type 1 drukt u op [ ] of [ ] om naar de Kopieerinstellingen te gaan. Om [Scaninstellingen] op te geven, plaatst u de USB-flashdrive en selecteert u de instellingen via [ ] of [ ]. 132
Menuoverzicht Menuoverzicht In dit onderdeel worden de parameters van elk menu genoemd. Voor meer informatie over het configureren van het apparaat met Web Image Monitor, zie Pag. 169 "Het apparaat configureren met hulpprogramma's". Sommige items kunnen ontbreken vanwege het modeltype of de configuratie van het apparaat. Sommige items kunnen worden geconfigureerd via Web Image Monitor. Kopieereigensch. (instelling [ ] en [ ]) Zie voor meer informatie Pag. 134 "Instellingen voor kopieereigenschappen" Scaninstellingen (instelling [ ] [ ] key setting) Zie voor meer informatie Pag. 138 "Instellingen scannereigenschappen" Fax-TX-instell. (instelling [ ] [ ]) Zie voor meer informatie Pag. 140 "Instellingen van de eigenschappen voor het versturen van faxen" Faxeigenschappen (instelling [Gebruikersinstellingen]) Zie voor meer informatie Pag. 142 "Instellingen van faxeigenschappen" Adresboek (instelling [Gebruikersinstellingen]) Zie voor meer informatie Pag. 147 "Instellingen voor het adresboek" Systeeminstellingen (instelling [Gebruikersinstellingen]) Zie voor meer informatie Pag. 148 "Systeeminstellingen" Netwerkinstellingen (instelling [Gebruikersinstellingen]) Zie voor meer informatie Pag. 159 "Netwerkinstellingen" Lijst/rap. afdrukken (instelling [Gebruikersinstellingen]-knop) Zie voor meer informatie Pag. 153 "Lijsten/rapporten afdrukken" Beheerderstoepassingen (instelling [Gebruikersinstellingen]-knop) Zie voor meer informatie Pag. 163 "Beheerdersinstellingen" Printereigenschappen (instelling [Gebruikersinstellingen]) Zie voor meer informatie Pag. 155 "Instellingen voor printereigenschappen" 133
7. Het apparaat configureren met het bedieningspaneel Instellingen voor kopieereigenschappen Selecteer papierlade Sorteren Selecteer de papierlade die wordt gebruikt om te kopiëren. Standaard: [Lade 1] Lade 1 Handinvoer Configureert het apparaat om pagina's in setjes af te leveren wanneer er meerdere kopieën worden gemaakt van een document dat uit meerdere pagina's bestaat (P1, P2, P1, P2,...). Standaardinstelling: [Uit] Aan Uit Type origineel Hier wordt de inhoud van de originelen weergegeven om de kopieerkwaliteit te optimaliseren. Standaardinstelling: [Gemngd] Belichting Gemngd Selecteer deze als het origineel zowel tekst als foto's of afbeeldingen bevat. Tekst Selecteer deze als het origineel alleen tekst bevat en geen foto's of afbeeldingen. Foto Selecteer deze optie als het origineel foto's of afbeeldingen bevat. Gebruik deze modus voor de volgende origineeltypen: Foto's Pagina's die geheel of hoofdzakelijk uit foto's of afbeeldingen bestaan, zoals pagina's in tijdschriften. Geeft de afbeeldingsbelichting op voor fotokopiëren. Verhoog het niveau (zwarte vierkantjes) om de dichtheid te verhogen. Standaardinstelling: De standaardinstelling is het midden van 5 instellingsniveaus. Verkleinen/vergroten Geeft het percentage aan waarmee kopieën vergroot of verkleind worden. Standaardinstelling: [100%] (voornamelijk in Europa en Azië) 134
Instellingen voor kopieereigenschappen 50%, 71% (A4->A5), 82% (B5J->A5), 93%, 100%, 122% (A5->B5J), 141% (A5->A4), 200%, 400% (voornamelijk Noord-Amerika) 50%, 65% LT->HLT, 78% LG->LT, 93%, 100%, 129% HLT->LT, 155% HLT->LG, 200%, 400% Zoom 25-400% Duplex/Combin. Hiermee geeft u gecombineerd kopiëren op. Selecteer een kopieermodus aan de hand van uw origineel en hoe u wilt dat de kopie eruit zal zien. Voor meer informatie, zie Pag. 63 "Gecombineerde/dubbelzijdige kopieën maken". Let op dat het activeren van gecombineerd kopiëren het kopiëren van identiteitskaarten automatisch uitschakelt. Standaardinstelling: [Uit] Uit 1-z 2orig->Cmb 2op1 1z De kopie wordt op 1 zijde gemaakt en hierop worden 2 pagina's van een enkelzijdig origineel afgedrukt. Staand Liggend 1-z 4orig->Cmb 4op1 1z De kopie wordt op 1 zijde gemaakt en hierop worden 4 pagina's van een enkelzijdig origineel afgedrukt. Staand: L naar R Staand: B naar O Liggend: L naar R Liggend: B naar O 1-zijd. orig->2-zijd. kopie Hiermee worden twee 1-zijdige pagina's op één 2-zijdige pagina gekopieerd. Staand: B naar B Staand: B naar O Liggend: B naar B Liggend: B naar O 1-z 4orig->Cmb 2op1 2z Hiermee worden vier 1-zijdige pagina's op twee 2-zijdige pagina gekopieerd. Staand: B naar B Staand: B naar O 135
7. Het apparaat configureren met het bedieningspaneel Liggend: B naar B Liggend: B naar O 1-z 8orig->Cmb 4op1 2z Kopieerinst. ID-krt Hiermee worden acht 1-zijdige pagina's op vier 2-zijdige pagina gekopieerd. Staand: L naar R, B naar B Staand: L naar R, B naar O Staand: B naar O, B naar B Staand: B naar O, B naar O Liggend: L naar R, B naar B Liggend: L naar R, B naar O Liggend: B naar O, B naar B Liggend: B naar O, B naar O U kunt de instelling opgeven voor ID-kaart kopiëren. ID-kaart kopiëren Als u dit instelt op [Aan], worden de instellingen die werden opgegeven bij [Kopieerinst. IDkrt] op afgedrukte kopieën toegepast. Standaardinstelling: [Uit] Aan Uit ID-kaart regel in midden Geef op of u een lijn in het midden wilt trekken als u een ID-kaart kopieert. Standaard: [Niet afdrukken] Afdrukken Niet afdrukken ID-kaartformaat U kunt de scangrootte van de Kopie van de ID-kaart wijzigen. mm inch Standaardinstelling: Horiz: 54 mm Vert: 86 mm (voornamelijk in Europa en Azië) 136
Instellingen voor kopieereigenschappen Horiz: 2,12 inch Vert: 3,38 inch (voornamelijk Noord-Amerika) 137
7. Het apparaat configureren met het bedieningspaneel Instellingen scannereigenschappen Scanformaat Geeft het scanformaat op volgens het formaat van het origineel. Standaardinstelling: [A4] [8 1/2 11] Scanmodus (voornamelijk in Europa en Azië) (voornamelijk Noord-Amerika) 8 1/2 14, 8 1/2 11, 8 1/2 5 1/2, 7 1/4 10 1/2, A4, B5, A5, 16K, Ang.fr Hier kunt u de scanmodus via het bedieningspaneel opgeven. Standaard: [Z-w] Z-w Het apparaat maakt afbeeldingen aan van 1 bit in zwart-wit. De afbeeldingen bevatten in dit geval alleen zwart en wit. Kleur Het apparaat creëert kleurenafbeeldingen van 8 bit. Afbeeldingen zijn in kleur. Grijswaarden Max. E-mailform. Het apparaat maakt afbeeldingen aan van 8 bit in zwart-wit. De afbeeldingen bevatten met deze instelling zwart en wit en tussenliggende grijswaarden. Geeft het maximale formaat op van een bestand dat via e-mail kan worden verstuurd. Standaardinstelling: [1 MB] Belichting 1 MB 2 MB 3 MB 4 MB 5 MB Geen limiet U kunt hier de afbeeldingsbelichting opgeven voor te scannen originelen. Verhoog het niveau (zwarte vierkantjes) om de dichtheid te verhogen. Standaardinstelling: De standaardinstelling is het midden van 5 instellingsniveaus. 138
Instellingen scannereigenschappen Resolutie U kunt hier de resolutie opgeven voor het te scannen origineel. Standaardinstelling: [300 300dpi] 100 100dpi 150 150dpi 200 200dpi 300 300dpi 400 400dpi 600 600dpi Compressie (kleur) U kunt hier de verhouding voor kleurcompressie opgeven voor JPEG-bestanden. Hoe lager de compressieverhouding, hoe hoger de kwaliteit en hoe groter het bestand. Standaardinstelling: [Medium] Laag Medium Hoog Onbeperkt scannen Deze functie stelt het apparaat zo in dat er om volgende originelen wordt gevraagd bij het scannen via de glasplaat. Standaardinstelling: [Uit] Uit Aan Bestandstype Geeft aan of er, als er meerdere pagina's worden gescand, één bestand met alle gescande pagina's of dat er per gescande pagina één bestand moet worden aangemaakt. Let op dat een gescand bestand alleen meerdere pagina's kan bevatten als het bestandsformaat PDF of TIFF is. Als het bestandsformaat JPEG is, wordt er voor elke gescande pagina een apart bestand aangemaakt. Standaardinstelling: [Meerdere pagina's] Meerdere pagina's Er wordt een bestand aangemaakt met daarin alle pagina's. Enkele pagina Er wordt een apart bestand voor iedere pagina aangemaakt. 139
7. Het apparaat configureren met het bedieningspaneel Instellingen van de eigenschappen voor het versturen van faxen Directe TX Hiermee stelt u het apparaat zo in dat er direct een fax wordt verstuurd als het origineel is gescand. Resolutie Standaardinstelling: [Uit] Uit Selecteer deze optie als u geheugenverzending gebruikt. Aan Selecteer deze optie als een fax direct wordt verstuurd. Uitsluitend volgende fax Selecteer deze optie bij directe verzending voor uitsluitend de volgende fax. Hiermee geeft u de resolutie op die gebruikt wordt tijdens het scannen van originelen. Standaardinstelling: [Standaard] Belichting Pauzetijd Standaard Selecteer deze als het origineel een afgedrukt document of een document met drukletters met tekens van normale afmetingen. Detail Selecteer deze als het origineel een document is met kleine opdruk. Foto Selecteer deze als het origineel afbeeldingen bevat zoals foto's of gearceerde tekeningen. Hiermee geeft u de afbeeldingsbelichting op voor te scannen originelen. Standaardinstelling: [Normaal] Licht Normaal Donker Specificeert de duur van de pauzetijd als er een pauze wordt ingevoegd in de cijfers van een faxnummer. Standaardinstelling: 3 seconden 1 tot 15 seconden 140
Instellingen van de eigenschappen voor het versturen van faxen Autom. opnieuw proberen Stelt het apparaat zo in dat de faxbestemming automatisch opnieuw wordt gekozen wanneer de lijn bezet is of er een verzendingsfout optreedt, mits het apparaat in de Geheugenverzendingsmodus staat. Het aantal keer dat een nummer opnieuw wordt geprobeerd, is vooraf ingesteld op twee of drie keer, afhankelijk van de [Land]-instelling onder [Beheerderstoepassingen] in intervals van vijf minuten. Standaardinstelling: [Aan] Uit Aan Faxkoptekst afdr. Stelt het apparaat zo in dat er aan elke fax die u verstuurt een koptekst wordt toegevoegd. De koptekst bevat de huidige datum en tijd, de faxnaam van de gebruiker en het faxnummer van het apparaat, het taaknummer en pagina-informatie. Standaardinstelling: [Aan] Uit Aan 141
7. Het apparaat configureren met het bedieningspaneel Instellingen van faxeigenschappen Ontvangstinstellingen Hier staan de instellingen voor het ontvangen van een fax. Ontvangstmodus omschakelen Hier kunt u de ontvangstmodus opgeven. Standaardinstelling: [Alleen fax] Alleen fax Het apparaat beantwoordt automatisch alle binnenkomende oproepen in de faxontvangstmodus. Fax/tel(hndm) Het apparaat rinkelt als er binnenkomende oproepen worden ontvangen. Het apparaat ontvangt alleen faxen als u handmatig faxen ontvangt. Fax/antw.app. Het apparaat ontvangt automatisch faxen als er een faxoproep wordt ontvangen. In andere gevallen zal het aangesloten antwoordapparaat de oproep beantwoorden. Autom. verkleining Laat het apparaat het formaat van een ontvangen fax verkleinen als het te groot is om op één vel papier af te drukken. Let op dat het apparaat het formaat alleen verkleint tot 74%. Als er een hogere verkleining nodig is om een fax op één vel te laten passen, zal het worden afgedrukt op aparte vellen zonder verder verkleind te worden. Standaardinstelling: [Aan] De standaardinstelling kan [Uit] zijn afhankelijk van de [Land]-instelling onder [Beheerderstoepassingen]. Uit Aan Aant. keer over laten gaan Geeft het aantal keer aan dat het apparaat rinkelt voordat het apparaat begint met het ontvangen van faxen in de modus Alleen fax. Standaardinstelling: 3 keer 3 tot 5 keer, in stappen van 1 RX Store File U kunt ontvangen faxen afdrukken of verwijderen. Geselect. bestand afdrukken 142
Instellingen van faxeigenschappen U kunt ontvangen faxen selecteren en afdrukken. Verwijder gesel. bestand U kunt ontvangen faxen selecteren en verwijderen. Verwijder alle bestanden Ontvangstbestand verwerken Hiermee zal het apparaat ontvangen faxen in het geheugen opslaan voordat deze worden afgedrukt of naar een vooraf opgegeven bestemming worden doorgestuurd. Gebruik Web Image Monitor om de doorstuurbestemming op te geven (zie voor meer informatie Pag. 175 "De systeeminstellingen configureren"). Standaardinstelling: [Afdruk.] Afdrukken Doorsturen & afdrukken Ontvangen bestand afdr. Stelt het apparaat zo in dat ontvangen faxen in het geheugen automatisch worden afgedrukt of dat ze worden opgeslagen om later handmatig te worden afgedrukt. Standaard: [Automatic] Automatisch De ontvangen faxen automatisch afdrukken en uit het geheugen wissen. Handmatig De ontvangen faxen in het geheugen opslaan om later handmatig te worden afgedrukt. Doorstuurresultaat melden Het apparaat verstuurt e-mailberichten nadat de faxen zijn doorgestuurd. De bestemming voor de e-mailberichten hangt af van hoe de doorstuurbestemming is geconfigureerd met Web Image Monitor (zie voor meer informatie Pag. 175 "De systeeminstellingen configureren"). Standaardinstelling: [Uit] Aan Uit TX stand-by bestand verw. Verwijdert onverstuurde faxtaken die in het geheugen van het apparaat staan. Het apparaat kan maximaal 5 faxen opslaan die nog niet verstuurd zijn. Deze functie wordt alleen uitgevoerd als deze is geselecteerd. Verwijder gesel. bestand 143
7. Het apparaat configureren met het bedieningspaneel Om een faxtaak te verwijderen, selecteert u de taak naar keuze en selecteert u vervolgens [Ja]. Door [Nee] te selecteren, sluit u het voorgaande niveau van de menustructuur af zonder de faxtaak te verwijderen. Verwijder alle bestanden Selecteer [Ja] om alle faxtaken te verwijderen. Door [Nee] te selecteren, sluit u het voorgaande niveau van de menustructuur af zonder de faxtaak te verwijderen. Communicatie-instellingen ECM-verzending Stelt het apparaat zo in dat de gegevens die tijdens de verzending verloren zijn gegaan, automatisch opnieuw worden verstuurd. Standaardinstelling: [Aan] Uit Aan ECM-ontvangst Stelt het apparaat zo in dat de gegevens die tijdens ontvangst verloren zijn gegaan, automatisch worden ontvangen. Standaardinstelling: [Aan] Uit Aan Kiestoondetectie Stelt het apparaat zo in dat er een kiestoon wordt gedetecteerd voordat het apparaat de bestemming automatisch begint te kiezen. Standaardinstelling: [Detecteren] (De standaardinstelling kan [Niet detecteren] zijn afhankelijk van de instelling [Land] bij [Beheerderstoepassingen].) Detecteren Niet detecteren Verzendsnelheid Hiermee geeft u de verzendingssnelheid op voor de faxmodem. Standaardinstelling: [33.6 Kbps] 33.6 Kbps 14.4 Kbps 9.6 Kbps 7.2 Kbps 4.8 Kbps 144
Instellingen van faxeigenschappen 2.4 Kbps Ontvangstsnelheid Geeft de ontvangstsnelheid op voor de faxmodem. Standaardinstelling: [33.6 Kbps] 33.6 Kbps 14.4 Kbps 9.6 Kbps 7.2 Kbps 4.8 Kbps 2.4 Kbps Afdrukinstellingen rapport Druk TX statusrapport af Hiermee drukt het apparaat automatisch een verzendingsrapport af nadat een fax is verzonden. Als het apparaat in Directe verzendingsmodus staat, zal de afbeelding van het origineel niet op het rapport worden gereproduceerd, zelfs als [Alleen fout (afb. bijgev.)] of [Elke TX (afb. bijgevoegd)] is geselecteerd. Let op: als er een geheugenfout optreedt bij verzending via PC-fax, wordt er altijd een verzendingsrapport afgedrukt, ongeacht hoe deze instelling is geconfigureerd. Standaardinstelling: [Alleen fout (afb. bijgev.)] Alleen fout Drukt een rapport af wanneer er een verzendingsfout optreedt. Alleen fout (afb. bijgev.) Drukt een rapport af met een afbeelding van het origineel wanneer er een verzendingsfout optreedt. Elke TX Drukt een rapport af bij elke faxverzending. Elke TX (afb. bijgevoegd) Drukt een rapport af met een afbeelding van het origineel bij elke faxverzending. Niet afdrukken Druk faxjournaal af Stelt het apparaat zo in dat er automatisch een faxjournaal wordt afgedrukt na elke 50 faxtaken (zowel verzonden als ontvangen faxen). Standaardinstelling: [Automatisch afdrukken] Automatisch afdrukken 145
7. Het apparaat configureren met het bedieningspaneel Bewerking Niet automatisch afdrukken U kunt de procedure voor het verzenden en ontvangen van faxen vereenvoudigen door het gebruik van de glasplaat uit te schakelen. Als originelen in de ADF geplaatst zijn, kunt u ze faxen door de ADF in iedere modus te gebruiken door op de [Start]-knop te drukken. Standaard: [Geadvanceerde modus] Eenvoudige modus Als u [Eenvoudige modus] selecteert, kunt u faxen ontvangen door op de [Start]-knop te drukken. De glasplaat kan niet worden gebruikt in deze modus. Geavanceerde modus Als u [Geavanceerde modus] selecteert, kunt u kiezen of u faxen wilt verzenden of ontvangen na het indrukken van de [Start]-knop. 146
Instellingen voor het adresboek Instellingen voor het adresboek Snelkiesbestemming Hier kunt u het faxnummer en de naam voor de snelkiesbestemmingen opgeven. U kunt maximaal 8 snelkiesbestemmingen registreren. Nr. Hier geeft u het snelkiesnummer op. Faxnr. Hier geeft u het faxnummer voor de betreffende snelkiesbestemming op. Het faxnummer kan maximaal 40 tekens van de volgende tekens bevatten: de cijfers 0 t/m 9, pauze, " ", " " en spatie. Naam Hier geeft u de naam voor snelkiesbestemmingen op. De naam mag maximaal 20 tekens bevatten. Verkort kiesbestemming fax Hier geeft u het faxnummer en de naam voor verkorte kiesbestemmingen op. U kunt maximaal 100 verkorte kiesbestemmingen registreren. Nr. Hier geeft u het nummer voor de verkorte kiesbestemming op. Faxnr. Hier geeft u het faxnummer voor verkorte kiesbestemmingen op. Het faxnummer kan maximaal 40 tekens van de volgende tekens bevatten: de cijfers 0 t/m 9, pauze, " ", " " en spatie. Naam Hier geeft u de naam voor verkorte kiesbestemmingen op. De naam mag maximaal 20 tekens bevatten. 147
7. Het apparaat configureren met het bedieningspaneel Systeeminstellingen Volume aanpassen Hier kunt u het volume van de geluiden die het apparaat produceert opgeven. Standaardinstelling: [Laag] voor [Paneeltoets toon] en [Medium] voor andere parameters. Paneeltoets toon Hiermee specificeert u het volume van het piepgeluid dat wordt gegeven als er op een toets wordt gedrukt. Uit Laag Medium Hoog Dir.kz modus Hiermee specificeert u het volume van het geluid uit de speaker als de hoorn op de haak wordt gelaten (Direct kiezen modus). Uit Laag Medium Hoog Geluid taakeinde Hiermee specificeert u het volume van de piepgeluiden die het apparaat maakt als een taak is voltooid. Uit Laag Medium Hoog Geluid taakfout Hiermee specificeert u het volume van de pieptoon die het apparaat produceert als er een faxontvangstfout optreedt. Uit Laag Medium Hoog Alarmvolume 148
Systeeminstellingen Hiermee specificeert u het volume van het alarmgeluid dat het apparaat produceert als er een bewerkingsfout optreedt. Uit Laag Medium Hoog Papierlade-instellingen Papierform.: Lade 1 Bepaalt het papierformaat voor lade 1. Standaardinstelling: [A4] [8 1 / 2 11] (voornamelijk in Europa en Azië) (voornamelijk Noord-Amerika) A4, B5 JIS, A5, B6 JIS, A6, 8 1/2 14, 8 1/2 11, 5 1/2 8 1/2, 7 1/4 10 1/2, 16K (197 273), 16K (195 270), 16K (184 260), Ang.fr Papierformaat: Handinvoer Bepaalt het papierformaat voor de handinvoer. Standaardinstelling: [A4] [8 1 / 2 11] (voornamelijk in Europa en Azië) (voornamelijk Noord-Amerika) A4, B5 JIS, A5, B6 JIS, A6, 8 1/2 14, 8 1/2 11, 5 1/2 8 1/2, 7 1/4 10 1/2, 16K (197 273), 16K (195 270), 16K (184 260), Ang.fr Papiertype: Lade 1 Bepaalt de papiersoort voor lade 1. Standaardinstelling: [Normaal papier] Normaal papier, Gerecycled papier, Dik papier, Dun papier Papiertype: Handinvoer Bepaalt de papiersoort voor de handinvoer. Standaardinstelling: [Normaal papier] Normaal papier, Gerecycled papier, Dik papier, Dun papier Detectie formaatfout 149
7. Het apparaat configureren met het bedieningspaneel Hiermee stelt u in dat er een fout wordt gerapporteerd wanneer het papierformaat niet overeenkomt met de instellingen voor de afdruktaak. Standaardinstelling: [Uit] Uit Aan I/O-timeout USB Bepaalt hoeveel seconden het apparaat wacht voordat gegevens worden afgedrukt, als de gegevens worden onderbroken terwijl deze vanaf de computer via USB worden gestuurd. Als het apparaat geen gegevens meer ontvangt binnen de hier opgegeven tijd, zal het apparaat alleen de gegevens afdrukken die zijn ontvangen. Verleng de time-outperiode als het afdrukken regelmatig wordt onderbroken door gegevens van andere poorten. Standaardinstelling: [60 sec.] 15 sec. 60 sec. 300 sec. Netwerk Bepaalt hoeveel seconden het apparaat wacht voordat gegevens worden afgedrukt, als de gegevens worden onderbroken terwijl deze vanaf de computer via het netwerk worden gestuurd. Als het apparaat geen gegevens meer ontvangt binnen de hier opgegeven tijd, zal het apparaat alleen de gegevens afdrukken die zijn ontvangen. Verleng de time-outperiode als het afdrukken regelmatig wordt onderbroken door gegevens van andere poorten. Standaardinstelling: [60 sec.] 15 sec. 60 sec. 300 sec. Vaste USB-poort Hiermee wordt bepaald of hetzelfde printer-/pc-faxstuurprogramma kan worden gebruikt voor meerdere printers via USB-verbinding. Standaardinstelling: [Uit] Uit U moet het printer-/pc-faxstuurprogramma apart installeren voor afzonderlijke apparaten, omdat alle apparaten die niet het oorspronkelijke apparaat zijn, worden herkend als nieuw apparaat bij aansluiting via USB. Aan 150
Systeeminstellingen Automatisch doorgaan Het printer-/pc-faxstuurprogramma dat u op uw computer heeft geïnstalleerd, kan worden gebruikt met elk ander apparaat dat van hetzelfde model is als het apparaat dat oorspronkelijk voor installatie was gebruikt. Hiermee stelt u in dat het apparaat fouten met het papierformaat negeert en verder gaat met afdrukken. Het afdrukken wordt tijdelijk onderbroken wanneer een fout wordt gedetecteerd en begint automatisch weer tien seconden nadat de instellingen gedaan zijn op het bedieningspaneel. Als de afmetingen van het papier die zijn opgegeven in het bedieningspaneel, die van het papier dat in de papierlade geplaatst is of het papier dat is opgegeven voor de afdruktaak niet overeenkomen als het afdrukken opnieuw gestart wordt, kan dit tot een papierstoring leiden. Standaardinstelling: [Uit] Uit Aan Toner besparen Hiermee wordt het apparaat ingesteld om een kleinere hoeveelheid toner te gebruiken bij het afdrukken (uitsluitend voor afdrukken die met de kopieerfunctie gemaakt worden). Standaardinstelling: [Uit] Uit Aan Optie toner op Deze instelling wordt gebruikt om het tonerniveau te controleren. Standaard: [Stoppen met afdrukken] Voorraden Stoppen met afdrukken Het controleren van het tonerniveau is actief. Het niveau van de resterende toner kan worden gecontroleerd via het bedieningspaneel en met Web Image Monitor. Doorgaan met afdrukken Het apparaat controleert niet langer het tonerniveau. Zelfs als de toner opraakt, zal het afdrukken doorgaan en worden er geen berichten weergegeven. Printcartr. Printerregistratie Hier vindt u informatie over verbruiksartikelen. Deze informatie wordt alleen weergegeven als [Optie toner op] is ingesteld op [Stoppen met afdrukken]. Als [Optie toner op] is ingesteld op [Doorgaan met afdrukken], wordt "**" weergegeven in plaats van de indicator hierboven. Past de positie van de invoerlade aan. Pas de waarde aan met [ ] of [ ]. 151
7. Het apparaat configureren met het bedieningspaneel Om de registratie te controleren kunt u een testpagina afdrukken. Standaardinstelling: [0] Horiz.: Lade 1 (-6 tot +6 mm, in stappen van 1 mm) Vert.: Lade 1 (-6 tot +6 mm, in stappen van 1 mm) Horiz.: Handinvoer (-6 tot +6 mm, in stappen van 1 mm) Vert.: Handinvoer (-6 tot +6 mm, in stappen van 1 mm) Modus lage vochtigheid Als het apparaat gebruikt wordt in een omgeving met een lage vochtigheidsgraad, is het mogelijk dat er om de paar millimeter zwarte strepen ontstaan. Als u [Aan] selecteert, zullen deze zwarte strepen niet ontstaan. Standaardinstelling: [Uit] Aan Uit Afbeeldingsdichtheid Past de afdrukdichtheid aan. Standaardinstelling: 0-3 tot +3 Tonerhechting verbeteren Als de toner niet goed wordt overgedragen, waardoor het papier vlekken vertoont, selecteert u [Aan] om de overdraagbaarheid te verbeteren. Standaardinstelling: [Uit] Uit Aan 152
Lijsten/rapporten afdrukken Lijsten/rapporten afdrukken De configuratiepagina afdrukken 1. Druk op de knop [Gebruikersinstellingen]. DCT845 2. Druk op [ ] of [ ] om [Rapport / lijst afdrukken] te selecteren. Druk vervolgens op de [OK]-knop. 3. Druk op [ ] of [ ] om [Configuratiepagina] te selecteren. Druk vervolgens op de [OK]- knop. 4. Druk op het bevestigingsscherm op [Ja]. Soorten lijsten/rapporten Rapporten worden afgedrukt op papier van A4-, Letter- of Legal-formaat. Plaats één van deze formaten papier in de lade voordat u rapporten afdrukt. Configuratiepagina Hiermee wordt algemene informatie en de huidige configuratie van het apparaat afgedrukt. U kunt de firmwareversie controleren op de pagina Configuratie. Als u de firmware bijwerkt, kunt u problemen verhelpen of een aantal nieuwe functies toevoegen. Voor meer informatie over het bijwerken van de firmware raadpleegt u de firmwareupdatehandleiding. U kunt de handleiding over het bijwerken van firmware van onze website downloaden. Faxjournaal Hiermee wordt een journaal van faxverzending en -ontvangst van de laatste 50 taken afgedrukt. 153
7. Het apparaat configureren met het bedieningspaneel Lijst met wachtende faxbestanden Hiermee wordt een lijst faxtaken afgedrukt die nog in het geheugen van het apparaat wachten om te worden afgedrukt, verzonden of doorgestuurd. Lijst met snelkeuzebestemmingen Hiermee wordt een lijst van snelkeuzebestemmingen voor scannen en faxen afgedrukt. Lijst met verkorte faxkiesnummer-bestemmingen Hiermee wordt een lijst met ingevoerde verkorte kiesnummers afgedrukt. Sorteren op verkort kiesnr. Hiermee wordt een lijst met records gesorteerd op het registratienummer van de verkorte kiesbestemmingen. Sorteren op naam Hiermee wordt de lijst afgedrukt met de records gesorteerd op naam. Bestemmingslijst scanner Hiermee wordt een lijst van de scanbestemmingen afgedrukt. Scannerjournaal Hiermee wordt een scanjournaal afgedrukt voor de laatste 100 taken van Scannen naar E-mail, Scannen naar FTP en Scannen naar Map. Onderhoudspagina Hiermee wordt de onderhoudspagina afgedrukt. Testpagina Hiermee controleert u de resultaten van een aangepaste afdrukpositie. Deze instelling is alleen beschikbaar op modellen van type 1 en 4. 154
Instellingen voor printereigenschappen Instellingen voor printereigenschappen Lijst-/proefafd Systeem Drukt lijsten af met de configuraties van het apparaat. Configuratiepagina Hiermee wordt algemene informatie en de huidige configuratie van het apparaat afgedrukt. Menulijst Drukt de functiemenu's van het apparaat af. Testpagina Hiermee drukt u een testpagina af om de voorwaarde voor enkelzijdig afdrukken te controleren. Op de testpagina staan netwerkinstellingen. PCL-lettertypelijst Drukt de geïnstalleerde PCL-lettertypelijst af. Kopieën Stelt het apparaat zo in dat het opgegeven aantal sets wordt afgedrukt. Deze instelling is uitgeschakeld indien het aantal af te drukken pagina's is aangegeven door het printerstuurprogramma. Standaard: 1 1 tot 999 Sub papierformaat Stelt het apparaat zo in dat er op papier van een ander formaat wordt afgedrukt als het opgegeven papier niet is geplaatst. Andere formaten zijn vooraf ingesteld op A4 en Letter. Standaardinstelling: [Automatisch] Automatisch Uit Standaard paginaformaat Bepaalt welk papierformaat gebruikt moet worden als het papierformaat in de afdruktaak niet is opgegeven. Standaardinstelling: [A4] [8 1/2 11] (voornamelijk in Europa en Azië) (voornamelijk Noord-Amerika) 155
7. Het apparaat configureren met het bedieningspaneel PCL-menu A4, B5 JIS, A5, B6 JIS, A6, 8 1/2 14, 8 1/2 11, 5 1/2 8 1/2, 7 1/4 10 1/2, 16K (197 273), 16K (195 270), 16K (184 260) Blanco pag. afdr. Hiermee wordt ingesteld dat het apparaat blanco pagina's afdrukt. Wanneer het afdrukken van kaften is ingesteld vanuit het printerstuurprogramma, worden kaften ingevoegd zelfs als u [Uit] selecteert. Let op: deze instelling heeft een lagere prioriteit dan de instelling voor lege pagina's van het printerstuurprogramma. Standaardinstelling: [Aan] Aan Uit Foutenrapp. afdr. Hiermee wordt ingesteld dat het apparaat een foutpagina afdrukt als het apparaat een afdruk- of geheugenfout detecteert. Standaardinstelling: [Uit] Aan Uit Hiermee worden voorwaarden opgegeven als PCL wordt gebruikt voor het afdrukken. Richting Selecteer hier de invoerrichting van de pagina. Standaardinstelling: [Staand] Staand Liggend Formulierregels Stelt het aantal regels per pagina in tussen 5 en 128. Standaardinstelling: [64] [60] Lettertypenummer (voornamelijk in Europa en Azië) (voornamelijk Noord-Amerika) Geeft de ID aan van het standaardlettertype dat u wilt gebruiken tussen 0 en 89. Standaardinstelling: 0 156
Instellingen voor printereigenschappen Puntgrootte Hier kunt u de puntgrootte opgeven die u wilt gebruiken voor het standaardlettertype. U kunt een waarde opgeven tussen 4,00 en 999,75 in stappen van 0,25. Standaardinstelling: 12,00 punten Lettertypebreedte Hier kunt u het aantal tekens per inch opgeven dat u wilt gebruiken voor het standaardlettertype. U kunt een waarde opgeven tussen 0,44 en 99,99 in stappen van 0,01. Deze instelling is alleen van toepassing op lettertypes die een vaste ruimte tussen de letters heeft (fixed-space font). Standaardinstelling: 10,00 tekenbreedte Symbolenset Geeft de tekenset van het geselecteerde lettertype op. De volgende sets zijn beschikbaar: Standaardinstelling: [PC-8] Roman-8, Roman-9, ISO L1, ISO L2, ISO L5, PC-8, PC-8 D/N, PC-850, PC-852, PC-858, PC-8 TK, Win L1, Win L2, Win L5, Desktop, PS-tekst, VN Intl, VN US, MS Publ, Math-8, PS Math, VN Math, Pifont, Legal, ISO 4, ISO 6, ISO 11, ISO 15, ISO 17, ISO 21, ISO 60, ISO 69, Win 3.0, MC Text, ISO L6, ISO L9, PC-775, PC-1004, Win Baltic Courier lettertype Selecteert een lettertype van het couriertype. Standaardinstelling: [Standaard] Standaard Donker A4 breedte uitbreiden Stelt het apparaat in zodat de breedte van het afdrukgebied op A4-papier groter wordt en het verkleint de marge aan de zijkant. Standaardinstelling: [Uit] Aan Uit Van CR naar LF Stelt het apparaat in zodat er een CR-code aan elke LF-code wordt toegevoegd zodat tekstgegevens duidelijk worden afgedrukt. Standaardinstelling: [Uit] Aan Uit 157
7. Het apparaat configureren met het bedieningspaneel Resolutie Stelt de resolutie van de afdruk in dots per inch in. Standaardinstelling: [600 600 dpi] 158
Netwerkinstellingen Netwerkinstellingen Mogelijk moet u uw apparaat, afhankelijk van de instellingen die u wijzigt, opnieuw opstarten. Ethernet Wi-Fi MAC-adres Toont het MAC-adres van het apparaat. Ethernetsnelheid Toont de huidige ethernetsnelheidinstelling. 100Mbps volledig duplex 100Mbps half duplex 10Mbps volledig duplex 10Mbps half duplex Ethernet niet beschikbaar Dit wordt weergegeven als er geen netwerkkabel is aangesloten. Ethernetsnelheid instellen Bepaalt de snelheid voor Ethernetcommunicatie. Selecteer een snelheid die overeenstemt met uw netwerkomgeving. Voor de meeste netwerken is de standaardinstelling de beste instelling. Standaardinstelling: [Automatisch selecteren] Automatische selecteren 100Mbps volledig duplex 100Mbps half duplex 10Mbps volledig duplex 10Mbps half duplex Wi-Fi inschakelen Selecteer of u draadloze LAN wilt in- of uitschakelen. Standaardinstelling: [Inschakelen] Uitschakelen Inschakelen Als [Uitschakelen] is ingesteld, worden [Wi-Fi-knop], [Wi-Fi-status], [MAC-adres], [Huidige verbinding] en [Installatiewizard] niet weergegeven. Wi-Fi-knop 159
7. Het apparaat configureren met het bedieningspaneel Selecteer de modus die verschijnt indien op de knop [Wi-Fi] is gedrukt. Standaardinstelling: [Infrastructuurmodus] Infrastructuurmodus Ad-hoc modus Wi-Fi-status Hiermee wordt de huidige status van de verbinding aangegeven. MAC-adres Toont het MAC-adres van het apparaat. Huidige verbinding Hiermee worden details over de verbinding weergegeven, zoals de SSID en de sterkte van het draadloze signaal. Installatiewizard IPv4-configuratie Hiermee wordt de procedure weergegeven voor het maken van een handmatige verbinding met draadloos LAN. Het leidt u stap voor stap door de configuratie van de instellingen voor het maken van verbinding met draadloos LAN. DHCP Hiermee verkrijgt het apparaat automatisch zijn IPv4-adres, subnetmasker en standaard gateway-adres van een DHCP-server. Standaardinstelling: [Actief] Inactief Actief IP-adres Hiermee geeft u het IPv4-adres van het apparaat op wanneer DHCP niet wordt gebruikt. Gebruik dit menu om het huidige IP-adres te controleren bij gebruik van DHCP. Standaardinstelling: XXX.XXX.XXX.XXX De cijfers die voor "X" staan, hangen af van uw netwerkomgeving. Subnetmasker Hiermee geeft u het subnetmasker van het apparaat op wanneer DHCP niet wordt gebruikt. Gebruik dit menu om het huidige subnetmasker te controleren bij gebruik van DHCP. Standaardinstelling: XXX.XXX.XXX.XXX De cijfers die voor "X" staan, hangen af van uw netwerkomgeving. Gateway-adres 160
Netwerkinstellingen Hiermee geeft u het standaard gateway-adres van het apparaat op wanneer DHCP niet wordt gebruikt. Gebruik dit menu om het standaard gateway-adres te controleren bij gebruik van DHCP. Standaardinstelling: XXX.XXX.XXX.XXX De cijfers die voor "X" staan, hangen af van uw netwerkomgeving. Methode IP-adres Geeft de acquisitiemethode van het IP-adres weer. IP niet gereed DHCP IPv6-configuratie IPv6 Automatisch IP Handmatige configuratie Standaard IP Selecteer of u IPv6 wilt in- of uitschakelen Standaardinstelling: [Actief] DHCP Actief Inactief Hiermee stelt u in dat het apparaat het IPv6-adres ontvangt van een DHCP-server. Standaardinstelling: [Inactief] Actief Inactief IP-adres (DHCP) Hiermee wordt het IPv6-adres weergegeven dat wordt verkregen van een DHCP-server. Handmatig config.adres Handmatig config.adres Hiermee geeft u het IPv6-adres van het apparaat op wanneer DHCP niet wordt gebruikt. Kan tot 39 tekens bevatten. Voor meer informatie over het invoeren van tekens, zie Pag. 99 "Tekens invoeren". Lengte prefix Hiermee stelt u de prefixlengte in met een waarde tussen 0 en 128. Gateway-adres Bepaalt het IPv6-adres van de standaard gateway. Kan tot 39 tekens bevatten. 161
7. Het apparaat configureren met het bedieningspaneel Voor meer informatie over het invoeren van tekens, zie Pag. 99 "Tekens invoeren". Staatloos adres Geeft de IPv6 staatloze adressen weer die zijn verkregen via router-advertisement. Staatloos adres 1 Staatloos adres 2 Staatloos adres 3 Staatloos adres 4 Link-plaats. adres Geef het IPv6 linklokale adres weer. Neem contact op met uw netwerkbeheerder voor informatie over de netwerkconfiguratie. 162
Beheerdersinstellingen Beheerdersinstellingen Dat/tijd instell Hiermee stelt u de datum en tijd in van de interne klok van het apparaat. Datum instellen Bepaalt de datum van de interne klok van het apparaat. Er kunnen alleen data worden ingesteld die overeenkomen met het jaar en de maand. Nietcompatibele data worden geweigerd. Standaard Datumindeling: (voornamelijk Europa en Azië) [Dag/maand/jaar], (voornamelijk Noord-Amerika) [Jaar/maand/dag] Datumindeling: Maand/dag/jaar, Dag/maand/jaar of Jaar/maand/dag Tijd instellen Jaar: 2000 tot en met 2099 Maand: 1 t/m 12 Dag: 1 t/m 31 Bepaalt de tijd van de interne klok van het apparaat. Standaard Tijdindeling: (voornamelijk Europa en Azië) [24-uursindeling], (voornamelijk Noord-Amerika) [12-uursindeling] Tijdsindeling: 12-uursindeling, 24-uursindeling AM/PM stempel: AM, PM (voor 12-uursindeling) Uur: 0 t/m 23 (voor 24-uursindeling) of 1 t/m 12 (voor 12-uursindeling) Minuten: 0 t/m 59 Faxinformatie programmeren Hier geeft u de faxnaam en het faxnummer van het apparaat op. Nummer: Bepaalt het faxnummer van het apparaat, dit kan uit maximaal 20 tekens bestaan, inclusief 0 t/m 9, spatie en "+". Naam: Kies-/pulstoon Hier geeft u de faxnaam van het apparaat op. Deze kan uit maximaal 20 letters, cijfers en symbolen bestaan. Bepaalt het lijntype van de telefoonlijn. 163
7. Het apparaat configureren met het bedieningspaneel Om deze instelling te configureren dient u contact op te nemen met uw telefoonmaatschappij om de instelling te selecteren aan de hand van uw telefoonlijn. Het selecteren van een verkeerde instelling kan tot storingen leiden in faxverzendingen. [Tel. kiessch.(20pps)] kan mogelijk niet worden weergegeven door de landinstelling van het apparaat. Standaardinstelling: [Pulstoon] Pulstoon PSTN / PBX Tel. kiessch. (10PPS) Tel. kiessch. (20PPS) Hiermee bepaalt u of het apparaat direct is aangesloten op het algemeen gebruikte telefoonnetwerk (PSTN) of via een telefooncentrale die voor een bedrijf gebruikt wordt (PBX). Standaardinstelling: [PSTN] PSTN PBX PBX-toegangsnummer Bepaalt het nummer dat moet worden gedraaid om toegang tot de externe lijn te krijgen als het apparaat op een PBX is aangesloten. Let op dat deze instelling overeenkomt met de instelling van uw PBX. Anders kunt u wellicht geen faxen versturen naar externe bestemmingen. Standaardinstelling: 9 0 tot 999 Functieprioriteit Bepaalt de modus die geactiveerd wordt wanneer het apparaat wordt ingeschakeld of als de tijd die is opgegeven voor [Automatische reset systeem] is verstreken zonder activiteit terwijl het beginscherm van de huidige modus wordt weergegeven. Standaardinstelling: [Kopieerapparaat] Kopieerapparaat Fax Scanner Automatische reset systeem Stelt het apparaat zo in dat het terugkeert naar de modus die is opgegeven bij [Functieprioriteit]. Deze instelling wordt ook toegepast op de time-out voor het kopiëren van het volgende document tijdens ID-kaart kopiëren. Standaardinstelling: [Aan] (1 min.) 164
Beheerdersinstellingen Aan (30 sec., 1 min., 2 min., 3 min., 5 min., 10 min.) Uit Energiespaarstandmodus Taal Bepaalt of dat het apparaat naar Energiespaarstandmodus, Energiespaarstandmodus 1 of Energiespaarstandmodus 2 overgaat om het stroomverbruik te verlagen. Het apparaat keert terug uit de energiespaarstand wanneer een afdruktaak wordt ontvangen, een ontvangen fax wordt afgedrukt of een willekeurige toets wordt ingedrukt. Energiesp.modus 1 Het apparaat gaat over naar Energiespaarstandmodus 1 als het apparaat 30 seconden niet is gebruikt. Het kost minder tijd om terug te keren uit Energiespaarstand 1 dan uit de uitgeschakelde status of uit Energiespaarstand 2, maar het stroomverbruik in Energiespaarstand 1 is hoger in dan in Energiespaarstand 2. Standaardinstelling: [Uit] Uit Aan (30 seconden) Energiespaarstandmodus 2 Het apparaat gaat over naar Energiespaarstandmodus 2 als de opgegeven tijd voor deze instelling is verstreken. Het apparaat verbruikt in Energiespaarstandmodus 2 minder stroom dan in Energiespaarstandmodus 1, maar het duurt langer om terug te keren uit Energiespaarstandmodus 2. Europa Standaardinstelling: [1 minuut] Dit kan worden ingesteld van 1 tot 30 minuten. Andere landen dan Europese landen Standaardinstelling: [Aan] (1 minuut) Aan (1 tot 240 minuten, met intervallen van 1 minuut) Uit Bepaalt de taal die op het scherm en in rapporten gebruikt wordt. Gebied (alleen Europa) Door het gebied te selecteren waar de machine wordt gebruikt, kunt u de keuze van de displaytaal en andere instellingen beperken. U kunt deze instelling ook opgeven tijdens de initiële set-up, nadat u het apparaat voor het eerst heeft ingeschakeld. Standaardinstelling: [Europa] Europe 165
7. Het apparaat configureren met het bedieningspaneel Land Azië Oceanië Amerika Afrika Selecteer het land waarin het apparaat wordt gebruikt. Het land dat u specificeert bepaalt de displaynotatie van de datum en tijd en de standaardwaarden van de faxverzendingsinstellingen. Zorg ervoor dat u de correcte landcode selecteert. Het selecteren van een verkeerd land kan tot storingen leiden in faxverzendingen. De standaardwaarde voor deze instelling is de landcode die u heeft opgegeven tijdens de eerste set-up, die moeten worden opgegeven als het apparaat voor het eerst wordt ingeschakeld. Instellingen terugzetten Let op dat u de instellingen niet per ongeluk wist. Alle instell. terugzetten Zet alle instellingen van het apparaat terug naar de standaardinstellingen, behalve de volgende: taal voor het scherm, landinstelling, netwerkinstellingen en snelkiesbestemmingen/ verkorte kiesbestemmingen voor faxen. Druk op [Ja] om deze bewerking uit te voeren. Druk op [Nee] om het voorgaande niveau van de menustructuur af te sluiten zonder de instellingen te wissen. Netwerkinstell. terugzetten Zet de netwerkinstellingen terug naar de standaardinstelllingen. Druk op [Ja] om deze bewerking uit te voeren. Druk op [Nee] om het voorgaande niveau van de menustructuur af te sluiten zonder de instellingen te wissen. Adresboek wissen Hiermee wist u de faxsnelkiesbestemmingen en verkorte faxbestemmingen. Druk op [Ja] om deze bewerking uit te voeren. Druk op [Nee] om het voorgaande niveau van de menustructuur af te sluiten zonder de bestemmingen te wissen. Shortcut naar functie Wijst één van de volgende functies toe aan de toets [Shortcut naar functies] op het bedieningspaneel. Standaardinstelling: [ID-kaart kopiëren] ID-kaart kopiëren Druk op de knop om naar de modus ID-kaart kopiëren over te schakelen. Directe TX fax Druk op de toets om naar het menu [Directe TX] te gaan. 166
Beheerdersinstellingen Scanbestemm. selecteren Druk op de toets om naar het menu scannerbestemmingsselectie te gaan. Vergr. beh.toepass. IPsec Geef een wachtwoord op van vier cijfers om toegang te krijgen tot [Adresboek], [Netwerkinstellingen] en [Beheerderstoepassingen]. Onthoud dit wachtwoord. Aan (0000 tot en met 9999) Uit Hiermee selecteert u of IPsec moet worden in- of uitgeschakeld. Deze functie wordt alleen weergegeven als er een wachtwoord is opgegeven onder [Vergr. beh.toepass]. Standaardinstelling: [Inactief] Actief Inactief Bevestiging faxnummer Stelt het apparaat zo in dat er gevraagd wordt een faxnummer tweemaal in te voeren als er handmatig een bestemming wordt opgegeven. Als deze functie is ingeschakeld, kunt u de functie Op de haak niet gebruiken. Deze functie wordt alleen weergegeven als er een wachtwoord is opgegeven onder [Vergr. beh.toepass]. Standaardinstelling: [Uit] Aan Uit Scan op USB opslaan Geef op of Scannen naar USB in- of uitgeschakeld moet worden. Deze functie wordt alleen weergegeven als er een wachtwoord is opgegeven onder [Vergr. beh.toepass]. Standaardinstelling: [Actief] Actief Inactief 167
168 7. Het apparaat configureren met het bedieningspaneel
8. Het apparaat configureren met hulpprogramma's Web Image Monitor gebruiken Om het apparaat te bedienen via Web Image Monitor, moet u eerst de TCP/IP- of draadloze LAN-instellingen van het apparaat instellen. Zie voor meer informatie Pag. 159 "Netwerkinstellingen" of Pag. 182 "De netwerkinstellingen configureren". Sommige items worden mogelijk niet weergegeven, afhankelijk van het modeltype dat u gebruikt. Sommige items kunnen worden geconfigureerd via het bedieningspaneel. Beschikbare bewerkingen De volgende bewerkingen kunnen vanaf een computer op afstand worden uitgevoerd met Web Image Monitor: De status of instellingen van het apparaat weergeven Apparaatinstellingen configureren Scan- en faxbestemmingen registreren Netwerkinstellingen configureren IPsec-instellingen configureren Rapporten afdrukken Het wachtwoord en e-mailadres van de beheerder instellen Apparaatconfiguratie terugzetten naar de fabrieksinstellingen Back-upbestanden maken van de apparaatconfiguratie De apparaatconfiguratie herstellen via back-upbestanden Datum en tijd van het apparaat configureren De energiespaarstandmodus van het apparaat configureren Ondersteunde webbrowsers Internet Explorer 6-11 Firefox 3.0 23 169
8. Het apparaat configureren met hulpprogramma's Bovenste pagina weergeven Als u via Web Image Monitor toegang tot het apparaat verkrijgt, wordt de bovenste pagina in uw browservenster weergegeven. 1. Start de internetbrowser. 2. Voer in de adresbalk van de browser "http://(ip-adres van apparaat)/" in om toegang te krijgen tot dit apparaat. Als u een DNS- of WINS-server gebruikt wordt en de hostnaam van het apparaat is opgegeven, kunt u in plaats van het IP-adres de hostnaam opgeven. De eerste pagina van Web Image Monitor wordt weergegeven. Bovenste pagina Elke pagina van Web Image Monitor is onderverdeeld in de volgende gedeeltes: 2 3 1 4 DCT841 1. Menugedeelte Als u op een menu klikt, wordt de inhoud ervan in het hoofdgedeelte weergegeven. 2. Tabbladen Bevat tabbladen met informatie en instellingen die u wilt bekijken of configureren. 3. Veelgest. vragen/kennisdatabase Biedt antwoord op veelgestelde vragen en andere nuttige informatie over het gebruik van dit apparaat. Om deze informatie te bekijken, is een internetverbinding vereist. 170
Bovenste pagina weergeven 4. Algemeen gebied Hier wordt de inhoud weergegeven van het item dat in het menugedeelte is geselecteerd. De informatie in het algemene gedeelte wordt niet automatisch bijgewerkt. Klik op [Vernieuwen] in de rechterbovenhoek van het algemene gebied om de informatie bij te werken. Klik op de button [Vernieuwen] van de webbrowser om het volledige browserscherm bij te werken. Als er een oudere versie van een ondersteunde browser wordt gebruikt of JavaScript en cookies zijn uitgeschakeld, kunnen er weergave- en bewerkingsproblemen optreden. Als u een proxyserver gebruikt, wijzigt u de instellingen van de webbrowser indien nodig. Neem contact op met uw netwerkbeheerder voor meer informatie over de instellingen. De vorige pagina wordt mogelijk niet weergegeven, zelfs niet als op de knop [Vorige] in de webbrowser wordt geklikt. Als dit gebeurt, klikt u op de knop [Vernieuwen] van de webbrowser. De veelgestelde vragen/kennisdatabase zijn in bepaalde talen niet beschikbaar. De taal van de interface wijzigen Selecteer de gewenste interfacetaal uit de lijst [Taal]. 171
8. Het apparaat configureren met hulpprogramma's De systeeminformatie controleren Klik op [Home] om de hoofdpagina van Web Image Monitor weer te geven. Op deze pagina kunt u de huidige systeeminformatie controleren. Deze pagina bevat drie tabbladen: [Status], [Teller] en [Apparaatinformatie]. Tabblad Status Item Modelnaam Locatie Contact Hostnaam Apparaatstatus Toont de naam van het apparaat. Beschrijving Toont de locatie van het apparaat zoals is geregistreerd op de [SNMP]- pagina. Toont de contactinformatie van het apparaat zoals is geregistreerd op de [SNMP]-pagina. Toont de hostnaam zoals is opgegeven in de [Hostnaam] op de [DNS]- pagina. Toont de huidige berichten op het display van het apparaat. Status Item Beschrijving Printcartridge Geeft de resterende toner weer. Papierlade Item Beschrijving Lade 1 Toont de huidige status en instelling voor papierformaat/-soort van lade 1. Handinvoer Toont de huidige status en instelling voor het papierformaat/-type van de handinvoer. 172
De systeeminformatie controleren Tabblad Teller Paginateller Item Printer Scanner Kopieerapparaat Fax Beschrijving Toont het volgende voor pagina's die worden afgedrukt met de printfunctie: Totaal aantal pagina's dat is afgedrukt via de printfunctie, en lijsten/ rapporten die afgedrukt zijn vanuit het menu [Lijst-/proefafd] onder [Printereigensch.] Aantal kleurenpagina's (toont altijd 0) Aantal pagina's dat in zwart-wit via de printerfunctie is afgedrukt Toont het volgende voor pagina's die worden gescand met de scanfunctie: Totaal aantal pagina's Aantal kleurenpagina's Aantal zwart-witpagina's Toont het volgende voor pagina's die worden afgedrukt met de kopieerfunctie: Totaal aantal pagina's Aantal kleurenpagina's (toont altijd 0) Aantal zwart-witpagina's Toont het volgende voor faxen via de telefoonlijn: Totaal aantal pagina's dat is verstuurd of ontvangen Aantal verzonden pagina's Aantal ontvangen pagina's Afdrukteller Item Totaal aantal pagina's Beschrijving Toont het totale aantal afdrukken die met het apparaat gemaakt zijn: Pagina's afgedrukt via de printer-, kopieer- en faxfuncties Lijsten/rapporten die zijn afgedrukt vanuit het menu [Rapport / lijst afdrukken] Lijsten/rapporten die zijn afgedrukt vanuit het menu [Lijst-/proefafd] onder [Printereigensch.] 173
8. Het apparaat configureren met hulpprogramma's Tabblad Apparaatinformatie Apparaatinformatie Item Firmwareversie Firmwareversie van apparaat Apparaat-ID Faxkaart Totale hoeveelheid geheugen Beschrijving Toont de versie van de firmware die op het apparaat is geïnstalleerd. Toont het versienummer voor de firmware van de elektromotor van het apparaat. Toont het identificatieummer van het apparaat. Toont de geïnstalleerde faxkaart (indien van toepassing). Toont het totale geheugen dat op het apparaat is geïnstalleerd. 174
De systeeminstellingen configureren De systeeminstellingen configureren Klik op [Systeeminstellingen] om de pagina voor configuratie van de systeeminstellingen weer te geven. Deze pagina bevat de volgende tabbladen: [Geluidsvolume aanpassen], [Papierlade-instellingen], [Kopieerapparaat], [Fax], [Tonerbeheer], [Interface] en [Shortcut naar functie]. Tabblad Geluidsvolume aanpassen Geluidsvolume aanpassen Item Beschrijving Paneeltoets toon Dir.kz modus Geluid taakeinde Geluid taakfout Alarmvolume Selecteer het volume van de piep als er op een toets wordt gedrukt en kies daarbij uit [Uit], [Laag], [Medium] of [Hoog]. Selecteer het volume van het geluid uit de luidspreker als er 'op de haak' wordt gebeld en kies daarbij uit [Uit], [Laag], [Medium] of [Hoog]. Selecteer het volume van de piep als er een taak is voltooid en kies daarbij uit [Uit], [Laag], [Medium] of [Hoog]. Selecteer het volume van de piep als er een faxverzendingsfout is opgetreden en kies daarbij uit [Uit], [Laag], [Medium] of [Hoog]. Selecteer het volume van het alarm als er een bewerkingsfout is opgetreden en kies daarbij uit [Uit], [Laag], [Medium] of [Hoog]. Tabblad Papierlade-instellingen Lade 1 Item Beschrijving Papierformaat Selecteer het papierformaat voor lade 1: A4, B5 JIS, A5, B6 JIS, A6, 8 1/2 14, 8 1/2 11, 5 1/2 8 1/2, 7 1/4 10 1/2, 16K (197 273 mm), 16K (195 270 mm), 16K (184 260 mm), Aangepast formaat Papiersoort Selecteer de papiersoort voor lade 1: Normaal papier, Gerecycled papier, Dik papier (100 tot 130 g/m 2 ), Dun papier (52 tot 64 g/m 2 ) 175
8. Het apparaat configureren met hulpprogramma's Handinvoer Item Papierformaat Papiersoort Beschrijving Selecteer het papierformaat voor de handinvoer: A4, B5 JIS, A5, B6 JIS, A6, 8 1/2 14, 8 1/2 11, 5 1/2 8 1/2, 7 1/4 10 1/2, 16K (197 273 mm), 16K (195 270 mm), 16K (184 260 mm), Aangepast formaat Selecteer de papiersoort voor de handinvoer: Normaal papier, Gerecycled papier, Dik papier (100 tot 130 g/m 2 ), Dun papier (52 tot 64 g/m 2 ) Formaat komt niet overeen Item Beschrijving Formaat komt niet overeen Selecteer of u een foutenrapport wilt ontvangen wanneer het papierformaat niet overeenkomt met de instellingen van de afdruktaak. Tabblad Kopieerapparaat Papier selecteren Item Papier selecteren Beschrijving Selecteer de papierlade die wordt gebruikt om te kopiëren. Scheidingslijn Item Scheidingslijn Beschrijving Geef op of u een regel in het midden van het afgedrukte papier wilt afdrukken als u een ID-kaart kopieert of gecombineerd kopieert. 176
De systeeminstellingen configureren Faxtabblad Faxnummer bevestigen Item Faxnummer bevestigen Beschrijving Schakel deze instelling in om bij het handmatig invoeren van een bestemming, het apparaat te laten vragen een faxnummer tweemaal in te invoeren. Deze instelling wordt alleen weergegeven als het beheerderwachtwoord is ingesteld op de [Beheerder]-pagina. Ontvangen faxbestand verwerken Item Beschrijving Ontvangen bestand verwerken Automatisch afdrukken Doorstuurresultaat melden Doorstuurbestemming Selecteer of ontvangen faxen in het geheugen van het apparaat moeten worden opgeslagen voordat ze worden afgedrukt of doorgestuurd naar een bestemming die is opgegeven voor [Doorstuurbestemming]. Selecteer of faxen die in het geheugen van het apparaat worden ontvangen, automatisch worden afgedrukt of dat ze worden opgeslagen om later handmatig te worden afgedrukt. Selecteer of er een e-mailmelding moet worden gestuurd nadat er een fax is doorgestuurd. De bestemming voor e-mailmeldingen hangt af van hoe [Doorstuurbestemming] is ingesteld: Als deze is ingesteld met een [E-mailadres], zal de melding naar het beheerderse-mailadres worden gestuurd die is opgegeven in [Emailadres beheerder] op de pagina [Beheerder]. Als deze is ingesteld met een [Scanbestemming], zal de melding naar de meldingsbestemming worden gestuurd die is opgegeven voor de geselecteerde scanbestemming. Let op: als er geen e-mailadres voor de bestemming is opgegeven, wordt er geen melding gestuurd zelfs als deze instelling is ingeschakeld. Bepaalt de doorzendbestemming. [E-mailadres]: Voer het e-mailadres in van de bestemming. Kan tot 64 tekens bevatten. [Scanbestemming]: Selecteer een scanbestemming als doorstuurbestemming. 177
8. Het apparaat configureren met hulpprogramma's Item Aantal doorstuurpogingen (tijd) Interval tussen doorstuurpogingen (min.) Beschrijving Bepaalt hoe vaak het apparaat een fax probeert door te sturen (1 tot en met 255 keer). Bepaalt hoeveel minuten het apparaat wacht voordat er een nieuwe poging wordt gedaan (1 tot en met 255 minuten). Tabblad Tonerbeheer Toner besparen Item Toner besparen Beschrijving Schakel deze instelling in om kopieën af te drukken met een beperkte hoeveelheid toner. Optie voor einde voorraad Item Beschrijving Optie voor einde voorraad Deze instelling wordt gebruikt om het tonerniveau te controleren. Stoppen met afdrukken Het controleren van het tonerniveau is actief. Het niveau van de resterende toner kan worden gecontroleerd via het bedieningspaneel en met Web Image Monitor. Doorgaan met afdrukken Het apparaat controleert niet langer het tonerniveau. Zelfs als de toner opraakt, zal het afdrukken doorgaan en worden er geen berichten weergegeven. 178
De systeeminstellingen configureren Interfacetabblad Interface Item Beschrijving Vaste USB-poort Hiermee wordt bepaald of hetzelfde printer-/pc-faxstuurprogramma kan worden gebruikt voor meerdere printers via USB-verbinding. Als deze instelling is ingeschakeld, kan het printer/pc-faxstuurprogramma dat u op uw computer heeft geïnstalleerd, worden gebruikt met elk ander apparaat dat van hetzelfde model is als het apparaat dat oorspronkelijk voor de installatie is gebruikt. Als deze instelling is uitgeschakeld, dient u het printer-/pcfaxstuurprogramma apart te installeren voor afzonderlijke apparaten, omdat alle apparaten die niet het oorspronkelijke apparaat zijn, als nieuw apparaat worden herkend bij aansluiting via USB. Tabblad Shortcut naar functie Shortcut naar functie Item Shortcut naar functieinstellingen Beschrijving Wijst één van de volgende functies toe aan de toets [Shortcut naar functies] op het bedieningspaneel. [Modus ID-kaart kopiëren] [Directe faxverzending] [Scannerbestemmingen selecteren] 179
8. Het apparaat configureren met hulpprogramma's Bestemmingen registreren Scan- en faxbestemmingen kunnen worden geregistreerd met Web Image Monitor. Er kunnen tot 100 scanbestemmingen en 108 faxbestemmingen (8 snelkeuzebestemmingen en 100 verkorte kiesbestemmingen) worden geregistreerd. Raadpleeg de scan- en faxonderdelen voor meer informatie over het registreren van bestemmingen. Voor meer informatie over het registreren van scanbestemmingen, zie Pag. 74 "Scanbestemmingen registreren". 180
Het ontvangen faxbestand configureren Het ontvangen faxbestand configureren U kunt ontvangen faxen afdrukken of verwijderen. Geselect. bestand afdrukken U kunt ontvangen faxen selecteren en afdrukken. Verwijder gesel. bestand U kunt ontvangen faxen selecteren en verwijderen. Verwijder alle bestanden U kunt alle ontvangen faxen. 181
8. Het apparaat configureren met hulpprogramma's De netwerkinstellingen configureren Klik op [Netwerkinstellingen] om de pagina weer te geven waarop u de netwerkinstellingen kunt configureren. Deze pagina bevat de volgende tabbladen: [Netwerkstatus], [IPv6-configuratie], [Netwerkapplicatie], [DNS], [Automatische E-mailmelding], [SNMP], [SMTP], [POP3] en [Draadloos]. Mogelijk moet u uw apparaat, afhankelijk van de instellingen die u wijzigt, opnieuw opstarten. Op sommige modellen wordt een aantal items mogelijk niet weergegeven. Tabblad Netwerkstatus Algemene status Item Ethernetsnelheid IPP-printernaam Netwerkversie Ethernet MAC-adres Actieve interface Beschrijving Toont het type en de snelheid van de netwerkverbinding. Toont de naam waarmee het apparaat op het netwerk wordt aangeduid. Toont de versie van de netwerkmodule van het apparaat (onderdeel van de printerfirmware). Toont het Ethernet MAC-adres van het apparaat. Geeft de actieve communicatiemethode weer. TCP/IP-status Item DHCP IP-adres Subnetmasker Gateway Beschrijving Selecteer of het apparaat automatisch een dynamisch IPv4-adres moet ontvangen via DHCP. Selecteer [Actief] als u DHCP wilt gebruiken. Indien ingeschakeld kunnen onderstaande items niet worden geconfigureerd. Voer het IPv4-adres voor het apparaat in. Voer het subnetmasker van het netwerk in. Voer het IPv4-adres van de netwerkgateway in. 182
De netwerkinstellingen configureren Tabblad IPv6-configuratie IPv6 IPv6 Item Beschrijving Selecteer of u IPv6 wilt in- of uitschakelen U kunt IPv6 niet uitschakelen via Web Image Monitor als het apparaat momenteel in gebruik is in een IPv6- omgeving. Gebruik in dat geval het bedieningspaneel om [IPv6] uit te schakelen onder de Netwerkinstellingen. Indien uitgeschakeld kunnen [DHCP], [Handmatige adresconfiguratie], [Prefixlengte] en [Gateway-adres] hieronder niet worden geconfigureerd. IPv6-adres DHCP Item IP-adres (DHCP) Staatloos adres Gateway-adres Link-plaats. adres Handmatig adresconfiguratie Beschrijving Selecteer of het apparaat zijn IPv6-adres verkrijgt van de DHCP-server. Toont het IPv6-adres dat is verkregen van de DHCP-server wanneer [DHCP] is ingesteld op [Actief]. Toont tot vier staatloze automatische adressen. Toont het standaard gatewayadres van het apparaat. Toont het gelinkte lokale adres van het apparaat. Het link lokale adres is een adres dat alleen geldig is binnen het lokale netwerk (lokaal segment). Voer het IPv6-adres van het apparaat in. Kan tot 39 tekens bevatten. Lengte prefix Geef de prefixlengte een waarde tussen 0 en 128. Gateway-adres Voer het IPv6-adres voor de standaard gateway in. Kan tot 39 tekens bevatten. Tabblad Netwerkapplicatie Verzendinstelling scanner Item Beschrijving E-mail Selecteer deze optie om de functie Scannen naar E-mail in te schakelen. 183
8. Het apparaat configureren met hulpprogramma's Item Max. E-mailform. FTP Map Beschrijving Selecteer het maximale formaat voor scanbestanden die als bijlage van een e-mail worden verstuurd (1 tot 5 MB of geen maximale grootte). Selecteer deze optie om de functie Scannen naar FTP in te schakelen. Selecteer deze optie om de functie Scannen naar Map in te schakelen. Afdrukinstelling van netwerk Item Beschrijving IPP FTP RAW Poortnummer LPR Selecteer deze optie om afdrukken via het netwerk met behulp van Internet Print Protocol (via TCP-poort 631/80) in te schakelen. Selecteer deze optie om afdrukken via het netwerk met behulp van een ingesloten FTP-server in het apparaat (via TCP-poort 20/21) in te schakelen. Selecteer deze optie om RAW-afdrukken via het netwerk in te schakelen. Voer het TCP-poortnummer in voor RAW-afdrukken. Het geldige bereik is 1024 t/m 65535, met uitzondering van 53550 en 49999 (standaardinstelling is 9100). Selecteer deze optie om afdrukken via het netwerk met behulp van LPR/LPD (via TCP-poort 515) in te schakelen. mdns-instelling Item mdns Printernaam Beschrijving Selecteer deze optie om Multicast DNS (via UDP-poort 5353) in te schakelen. Indien uitgeschakeld kan onderstaand item niet worden geconfigureerd. Voer de naam van het apparaat in. Kan tot 32 tekens bevatten. 184
De netwerkinstellingen configureren Tabblad DNS DNS Item Beschrijving DNS-methode Primaire DNS-server Secundaire DNS-server Domeinnaam IPv6 DNS-methode Primaire IPv6 DNSserver Secundaire IPv6 DNSserver IPv6-domeinnaam DNS oplossen prioriteit DNS-time-out (seconden) Hostnaam Selecteer of u handmatig domeinnaamservers wilt opgeven of automatisch DNS-informatie van het netwerk wilt ophalen. Indien ingesteld op [Automatisch verkrijgen (DHCP)] zijn de opties [Primaire DNS-server], [Secundaire DNS-server] en [Domeinnaam] hieronder niet beschikbaar. Voer het IPv4-adres van de primaire DNS in. Voer het IPv4-adres van de secundaire DNS in. Voer de IPv4-domeinnaam voor het apparaat in. Kan tot 32 tekens bevatten. Selecteer of u de domeinserver handmatig wilt opgeven of dat het apparaat zijn DNS-informatie automatisch verkrijgt. Indien ingesteld op [Automatisch verkrijgen (DHCP)] zijn de opties [Primaire IPv6 DNS-server], [Secundaire IPv6 DNS-server] en [IPv6-domeinnaam] niet beschikbaar. Voer het IPv6-adres van de primaire IPv6 DNS-server in. Kan tot 39 tekens bevatten. Voer het IPv6-adres van de secundaire IPv6 DNS-server in. Kan tot 39 tekens bevatten. Voer de IPv6-domeinnaam voor het apparaat in. Kan tot 32 tekens bevatten. Selecteer of u prioriteit wilt geven aan IPv4 of IPv6 voor het omzetten van DNS-namen. Voer het aantal seconden in dat het apparaat wacht totdat deze een DNSaanvraag als verlopen beschouwt (1-999 seconden). Voer een hostnaam in voor het apparaat. Kan tot 15 tekens bevatten. 185
8. Het apparaat configureren met hulpprogramma's Tabblad Automatische E-mailmelding E-mailmelding 1/E-mailmelding 2 Item Beschrijving Weergavenaam Voer een naam in voor de de afzender van de e-mailmelding. Kan tot 32 tekens bevatten. E-mailadres Papierstoring Vervang printcartridge binnenkort Vervang printcartridge Papier is op Service bellen Paneel open Voer een naam in voor de ontvanger van de waarschuwingsmail. Kan tot 64 tekens bevatten. Selecteer deze optie als u wilt dat er een waarschuwingsmail wordt verzonden naar het opgegeven adres wanneer zich een papierstoring voordoet. Selecteer deze optie als u wilt dat er een waarschuwingsmail wordt verzonden naar het opgegeven adres wanneer de toner bijna leeg is. Selecteer deze optie als u wilt dat er een waarschuwingsmail wordt verzonden naar het opgegeven adres wanneer de toner op is. Selecteer deze optie als u wilt dat er een waarschuwingsmail wordt verzonden naar het opgegeven adres wanneer het papier op is. Selecteer deze optie als u wilt dat er een waarschuwingsmail wordt verzonden naar het opgegeven adres wanneer een onderhoudsbeurt vereist is. Selecteer deze optie als u wilt dat er een waarschuwingsmail wordt verzonden naar het opgegeven adres wanneer er een paneel openstaat. Tabblad SNMP SNMP SNMP Item Beschrijving Selecteer of het apparaat SNMP-services kan gebruiken. 186
De netwerkinstellingen configureren Trap Item Beschrijving Trap gebruiken SNMP-beheer host 1 SNMP-beheer host 2 Selecteer of het apparaat traps kan verzenden naar de managementhost (NMS). Als deze optie is uitgeschakeld, zijn [SNMP-beheer host 1] en [SNMPbeheer host 2] hieronder niet beschikbaar. Voer het IP-adres of de hostnaam van de beheerhost in. Kan tot 64 tekens bevatten. Voer het IP-adres of de hostnaam van de beheerhost in. Kan tot 64 tekens bevatten. Community Item Get Community Trapcommunity Beschrijving Voer de naam van de community in die moet worden gebruikt voor verificatie van Get-aanvragen. Kan tot 32 tekens bevatten. Voer de naam van de community in die moet worden gebruikt voor verificatie van Trap-aanvragen. Kan tot 32 tekens bevatten. Systeem Locatie Contact Item Beschrijving Voer de locatie van het apparaat in. De locatie die u hier invoert, wordt weergegeven op de hoofdpagina. Kan tot 64 tekens bevatten. Voer de contactgegevens voor het apparaat in. De contactgegevens die u hier invoert, worden weergegeven op de hoofdpagina. Kan tot 64 tekens bevatten. Tabblad SMTP SMTP Item Beschrijving Primaire SMTP-server Voer het IP-adres of hostnaam in van de SMTP-server. Kan tot 64 tekens bevatten. Poortnummer Voer het poortnummer in voor SMTP (1-65535). 187
8. Het apparaat configureren met hulpprogramma's Item Verificatiemethode Gebruikersnaam Beschrijving Selecteer een van de volgende verificatiemethoden: [Anoniem]: gebruikersnaam en wachtwoord zijn niet nodig. [SMTP]: het apparaat biedt ondersteuning voor NTLM- en LOGINverificatie. [POP voor SMTP]: de POP3-server wordt gebruikt voor verificatie. Wanneer u e-mails verzendt naar een SMTP-server, kunt u het beveiligingsniveau van de SMTP-server verhogen door verbinding te maken met de POP-server t.b.v. verificatie. Voer de gebruikersnaam in om u aan te melden bij de SMTP-server. Kan tot 32 tekens bevatten. Wachtwoord Voer het wachtwoord in voor aanmelding bij de SMTP-server. Kan tot 32 tekens bevatten. E-mailadres apparaat Servertime-out (seconden) Tijdzone Geef het e-mailadres van het apparaat op. Dit adres wordt gebruikt als het adres van de afzender van e-mailberichten die vanaf dit apparaat worden verstuurd, zoals e-mailmeldingen. Kan tot 64 tekens bevatten. Voer het aantal seconden in dat het apparaat wacht voordat deze een SMTP-bewerking als verlopen beschouwt (1-999). Selecteer een tijdzone aan de hand van uw geografische locatie. Als er een andere tijdzone wordt geselecteerd, kan dit leiden tot een onjuiste verzenddatum en -tijd voor e-mails die via de functie Scannen naar E-mail worden verstuurd, zelfs als de klok van het apparaat zelf juist is ingesteld. Tabblad POP3 POP3-instell. Item Beschrijving POP3-server Voer het IP-adres of de hostnaam van de POP3-server voor e- mailontvangst in. De POP3-server die hier is opgegeven, wordt gebruikt voor [POP voor SMTP]. Kan tot 64 tekens bevatten. Gebruikersaccount Voer de gebruikersnaam in voor aanmelding bij de POP3-server. Kan tot 32 tekens bevatten. 188
De netwerkinstellingen configureren Item Beschrijving Gebruikerswachtwoord Voer het wachtwoord in voor aanmelding bij de POP3-server. Kan tot 32 tekens bevatten. Verificatie Selecteer een van de volgende verificatiemethoden: [Geen]: wachtwoord wordt niet gecodeerd. [APOP-verificatie]: wachtwoord wordt gecodeerd. [Automatisch]: wachtwoord wordt wel of niet gecodeerd, afhankelijk van de POP3-serverinstellingen. Tabblad Draadloos Status draadloos LAN Item Status draadloos LAN MAC-adres Communicatiemodus SSID Kanaal Draadloze signaalstatus Draadloos Beschrijving Hiermee wordt de status van de verbinding met draadloos LAN weergegeven. Dit geeft het MAC-adres weer. Hiermee wordt de communicatiemodus weergegeven waarin het apparaat verbinding maakt. Hiermee wordt de SSID weergegeven van het toegangspunt waarmee het apparaat is verbonden. Hiermee geeft u de kanaalinformatie weer van de huidige draadloze LANinstellingen als [Ad-hoc] geselecteerd is als [Communicatiemodus]. Hiermee wordt de sterkte weergegeven van het draadloze signaal dat wordt ontvangen. Hiermee kunt u opgeven of u draadloos LAN wel of niet wilt gebruiken. Wireless LAN-instellingen Item Beschrijving SSID Voer de SSID van het toegangspunt in. De SSID mag maximaal 32 tekens bevatten. Als u op [Scanlijst] klikt, wordt een lijst met beschikbare toegangspunten weergegeven. U kunt de SSID uit de lijst selecteren. 189
8. Het apparaat configureren met hulpprogramma's Item Communicatiemodus Ad-hoc kanaal Verificatie Codering WPA-wachtwoordzin WEP-sleutellengte WEP verzendsleutel-id WEP-sleutelindeling WEP-sleutel Beschrijving Selecteer de modus waarin u verbinding wilt maken. Selecteer [Infrastructuur] als u het apparaat wilt verbinden met een een draadloze router of toegangspunt. Selecteer [Ad-hoc] als u het apparaat rechtstreeks wilt verbinden met een apparaat met draadloos LAN. Selecteer een kanaal als u [Ad-hoc] hebt geselecteerd als [Communicatiemodus]. Selecteer een verificatiemethode. Als [Ad-hoc] is geselecteerd voor [Communicatiemodus], kunt u alleen [Open systeem] en [Gedeelde sleutel] selecteren. Selecteer een coderingsmethode. Als [Ad-hoc] is geselecteerd voor [Communicatiemodus], kunt u alleen [Geen] en [WEP] selecteren. Voer de WPA-coderingssleutel in als [WPA2-PSK] of [WPA/WPA2 gemengde modus] geselecteerd is voor [Verificatie]. Selecteer 64-bits of 128-bits als de lengte voor de coderingssleutel als [WEP] is geselecteerd voor [Codering]. Selecteer een ID-nummer waarmee u elke WEP-sleutel kunt identificeren in het geval er meerdere WEP-verbindingen worden geconfigureerd. Selecteer een indeling waarin u de WEP-sleutel invoert. Voer de WEP-sleutel in. Het aantal en het type tekens dat u kunt invoeren hangt af van de lengte en indeling die u voor de sleutel hebt geselecteerd. Zie voor meer informatie: Lengte WEP-sleutel: [64-bit], Indeling: [Hexadecimaal] Maximumlengte WEP-sleutel: 10 tekens (0-9, A-F, a-f) Lengte WEP-sleutel: [64-bit], Indeling: [ASCII] Max. lengte WEP-sleutel: 5 tekens (0x20-0x7e) Lengte WEP-sleutel: [128-bit], Indeling: [Hexadecimaal] Maximumlengte WEP-sleutel: 26 tekens (0-9, A-F, a-f) Lengte WEP-sleutel: [128-bit], Indeling: [ASCII] Max. lengte WEP-sleutel: 13 tekens (0x20-0x7e) 190
De netwerkinstellingen configureren Als u de verbindingsinstellingen handmatig configureert, moet u van tevoren de SSID, de verificatiemethode of de coderingssleutel van het toegangspunt of draadloze router controleren. 191
8. Het apparaat configureren met hulpprogramma's De IPsec-instellingen configureren Klik op [IPsec-instellingen] om de pagina voor configuratie van de IPsec-instellingen te configureren. Deze pagina bevat de volgende tabbladen: [Algemene IPsec-instellingen] en [IPsec-beleidslijst]. Deze functie is alleen beschikbaar wanneer er een beheerderswachtwoord is opgegeven. Tabblad Algemene IPsec-instellingen Item IPsec-functie Standaard beleid Broadcast en multibroadcast Alle ICMP overslaan Beschrijving Geef op of u IPsec actief of inactief wilt maken. Selecteer of u het standaard IPsec-beleid wilt toestaan. Selecteer de services waarop u IPsec niet wilt toepassen: [DHCPv4], [DHCPv6], [SNMP], [mdns], [NetBIOS], [UDP-poort 53550] Selecteer of u IPsec wilt toepassen op ICMP-pakketten (IPv4 en IPv6): [Actief]: alle ICMP-pakketten worden overgeslagen zonder IPsecbeveiliging. 'ping'-opdracht (echoaanvraag en echoantwoord) niet ingesloten door IPsec. [Inactief]: sommige ICMP-berichttypen worden overgeslagen zonder IPsecbeveiliging. Tabblad IPsec-beleidslijst Item Beschrijving Nr. Naam Adresinstellingen Actie IPsec-beleidsnummer. Toont de naam van het IPsec-beleid. Toont de IP-adresfilter van het IPsec-beleid zoals hieronder: Extern adres/prefixlengte Toont de actie van de IPsec-beleidsregels als "Toestaan", "Niet toestaan" of "Beveiliging vereisen". 192
De IPsec-instellingen configureren Item Beschrijving Status Toont de status van het IPsec-beleid als "Actief" of "Inactief". Als u IPsec-beleidsregels wilt configureren, selecteert u het gewenste IPsec-beleid en klikt u op [Wijzigen] om de pagina "IPsec-beleidsinstellingen" weer te geven. Op de pagina "IPsecbeleidsinstellingen" kunnen de volgende instellingen worden geconfigureerd. IP-beleidsinstellingen Item Nr. Activiteit Naam Adrestype Lokaal adres Extern adres Lengte prefix Actie Beschrijving Geef een nummer op tussen 1 en 10 voor het IPsec-beleid. Het nummer dat u opgeeft, bepaalt de positie van het beleid in de IPsec-beleidslijst. Beleidszoekacties worden uitgevoerd op basis van de lijstvolgorde. Als het opgegeven nummer al is toegewezen aan een ander beleid, krijgt het huidige beleid het nummer van het eerdere beleid en worden het eerdere beleid en eventuele verdere beleidsregels opnieuw genummerd. Selecteer of u het beleid in of uit wilt schakelen. Voer de naam van het beleid in. Kan tot 16 tekens bevatten. Selecteer IPv4 of IPv6 als het type IP-adres dat moet worden gebruikt in IPsec-communicatie. Toont het IP-adres van deze printer. Voer het IPv4- of IPv6-adres in van het appparaat waarmee u wilt communiceren. Kan tot 39 tekens bevatten. Voer de prefixlengte van het externe adres in met een waarde tussen 1 en 128. Als u deze instelling leeg laat, wordt automatisch '32' (IPv4) of '128' (IPv6) geselecteerd. Geef op hoe de IP-pakketten worden verwerkt: [Toestaan]: IP-pakketten worden verzonden en ontvangen zonder toepassing van IPsec. [Niet toestaan]: IP-pakketten worden verworpen. [Beveiliging vereisen]: IPsec wordt toegepast op IP-pakketten die worden verzonden en ontvangen. Als u [Beveiliging vereisen] heeft geselecteerd, moet u de [IPsecinstellingen] en [IKE-instellingen] configureren. 193
8. Het apparaat configureren met hulpprogramma's IPsec-instellingen Item Encapsulation-type Beveiligingsprotocol Verificatiealgoritme voor AH Coderingsalgoritme voor ESP Verificatiealgoritme voor ESP Geef het encapsulation-type op: Beschrijving [Transport]: selecteer deze modus om alleen de nettolading van elk IPpakket te beveiligen wanneer er wordt gecommuniceerd met apparaten die met IPsec compatibel zijn. [Tunnel]: selecteer deze modus om elk gedeelte van elk IP-pakket te beveiligen. Dit type wordt aangeraden voor communicatie tussen beveiligingsgateways (zoals VPN-apparaten). Selecteer het beveiligingsprotocol: [AH]: hiermee wordt veilige communicatie ingesteld die alleen verificatie ondersteunt. [ESP]: hiermee wordt veilige communicatie ingesteld die zowel verificatie als gegevenscodering ondersteunt. [ESP&AH]: hiermee wordt veilige communicatie ingesteld die zowel gegevenscodering als verificatie van pakketten, inclusief pakketheaders, ondersteunt. U kunt dit protocol niet specificeren wanneer [Tunnel] is geselecteerd als [Encapsulation-type]. Geef het verificatiealgortime op dat moet worden toegepast wanneer [AH] of [ESP&AH] is geselecteerd als [Beveiligingsprotocol]: [MD5], [SHA1] Geef het coderingsalgortime op dat moet worden toegepast wanneer [ESP] of [ESP&AH] is geselecteerd als [Beveiligingsprotocol]: [Geen], [DES], [3DES], [AES-128], [AES-192], [AES-256] Geef het verificatiealgoritme op dat moet worden toegepast wanneer [ESP] is geselecteerd als [Beveiligingsprotocol]: [MD5], [SHA1] 194
De IPsec-instellingen configureren Levensduur Item Key Perfect Forward Secrecy Beschrijving Geef de levensduur van de IPsec SA (beveiligingskoppeling) op als tijdsperiode of gegevensvolume. De SA verloopt wanneer de opgegeven tijdsperiode verloopt of als het opgegeven gegevensvolume wordt bereikt. Als u zowel een periode als een gegevensvolume opgeeft, verloopt de SA zodra een van de twee is bereikt en wordt er door middel van onderhandeling een nieuwe SA verkregen. Als u de levensduur van de SA wilt opgegeven als tijdsperiode, voert u een aantal seconden in. Wilt u de levensduur van de SA opgegeven als gegegevensvolume, voer dan een aantal KB in. Selecteer of u PFS (Perfect Forward Secrecy) wilt in- of uitschakelen. IKE-instellingen IKE-versie Item Coderingsalgoritme Verificatiealgoritme IKE-levensduur IKE Diffie-Hellman groep Vooraf gedeelde sleutel Key Perfect Forward Secrecy Toont de IKE-versie. Geef het coderingsalgoritme op: Beschrijving [DES], [3DES], [AES-128], [AES-192], [AES-256] Geef het verificatiealgoritme op: [MD5], [SHA1] Geef de levensduur van de ISAKMP SA op als tijdsperiode. Voer een aantal seconden in. Selecteer de IKE Diffie-Hellmangroep die moet worden gebruikt bij het genereren van de IKE-coderingssleutel: [DH1], [DH2] Geef de vooraf gedeelde sleutel op die moet worden gebruikt voor verificatie van een communicerend apparaat. Kan tot 32 tekens bevatten. Selecteer of u PFS (Perfect Forward Secrecy) wilt in- of uitschakelen. 195
8. Het apparaat configureren met hulpprogramma's Lijsten/rapporten afdrukken Klik op [Rapport/ lijst afdrukken] om de pagina voor afdrukrapporten weer te geven. Selecteer vervolgens een item en klik op [Afdrukken] om informatie over dat item af te drukken. Rapport/ lijst afdrukken Item Configuratiepagina Faxjournaal Lijst met wachtende faxbestanden Lijst met snelkeuzebestemminge n Lijst met verkorte faxkiesnummerbestemmingen Lijst met scannerbestemmingen Scannerjournaal Onderhoudspagina Beschrijving Hiermee wordt algemene informatie over het apparaat en de huidige configuratie afgedrukt. Hiermee wordt een journaal van faxverzending en -ontvangst van de laatste 50 taken afgedrukt. Voor meer informatie over het automatisch afdrukken van een faxjournaal, zie Pag. 142 "Instellingen van faxeigenschappen". Hiermee wordt een lijst faxtaken afgedrukt die nog in het geheugen van het apparaat wachten om te worden afgedrukt, verzonden of doorgestuurd. Hiermee wordt een lijst met snelkeuzebestemmingen afgedrukt. Hiermee wordt een lijst met ingevoerde verkorte kiesnummers afgedrukt. Hiermee wordt een lijst van de scanbestemmingen afgedrukt. Hiermee wordt een scanjournaal afgedrukt voor de laatste 100 taken van Scannen naar E-mail, Scannen naar FTP en Scannen naar Map. Hiermee wordt de onderhoudspagina afgedrukt. Er kunnen geen rapporten worden afgedrukt via Web Image Monitor als er andere afdruktaken actief zijn. Controleer of het apparaat niet bezig is met afdrukken voordat u rapporten afdrukt. Rapporten worden afgedrukt op papier van A4-, Letter- of Legal-formaat. Plaats één van deze formaten papier in de lade voordat u rapporten afdrukt. 196
De beheerderinstellingen configureren De beheerderinstellingen configureren Klik op [Beheerdertoepassingen] om de pagina voor configuratie van de beheerdersinstellingen te configureren. Deze pagina bevat de volgende tabbladen: [Beheerder], [Instellingen resetten], [Instellingen backuppen], [Instellingen herstellen], [Datum/tijd instellen] en [Energiespaarstand]. Tabblad Beheerder Beheerderinstellingen Item Wachtwoord wijzigen Nieuw wachtwoord Nieuw wachtwoord bevestigen E-mailadres wijzigen E-mailadres beheerder Beschrijving Vink dit aan om het beheerderwachtwoord te configureren. Voer het nieuwe beheerderswachtwoord in. Kan tot 16 tekens bevatten. Voer hetzelfde wachtwoord in ter bevestiging. Vink dit aan om het beheerdere-mailadres te configureren. Voer het beheerdere-mailadres in. Als het e-mailadres van het apparaat niet is geconfigureerd op de pagina [SMTP], zal dit adres worden gebruikt als adres van de afzender van e- mails die vanaf dit apparaat verstuurd worden, zoals e-mailmeldingen. Kan tot 64 tekens bevatten. Tabblad Instellingen resetten Instellingen terugzetten Item Netwerkinstell. terugzetten Menu-instellingen terugzetten Scanbestemming wissen Adresboek wissen Beschrijving Herstelt de instellingen die zijn geconfigureerd onder [Netwerkinstellingen] en [Beheerdertoepassingen]. Selecteer deze optie om instellingen die niet met het netwerk te maken hebben, naar hun fabriekswaarden terug te zetten. Selecteer deze optie om de scanbestemmingen te wissen. Selecteer deze optie om de faxbestemmingen te wissen. 197
8. Het apparaat configureren met hulpprogramma's Item IPsec-instellingen resetten Beschrijving Selecteer deze optie om IPsec-instellingen te wissen. [IPsec-instellingen resetten] wordt alleen weergegeven als het beheerderswachtwoord is opgegeven. Tabblad Instellingen back-uppen Wanneer u het apparaat wegbrengt voor reparatie, is het belangrijk om van tevoren backupbestanden te maken. De instellingen van het apparaat worden na de reparatie teruggezet op hun standaardwaarden. Instellingen back-uppen Item Back-up van netwerkinstellingen Back-up van menuinstellingen Back-up van scanbestemmingen Back-up van adresboek IPsec-instellingen backuppen Beschrijving Maakt een back-up van de instellingen die zijn geconfigureerd onder [Netwerkinstell.] en [Beheerdertoepassingen]. Echter, let op dat van de instelling [Max. E-mail form.] onder [Netwerkapplicatie] geen back-up wordt gemaakt. De back-up hiervan wordt gemaakt via [Back-up van menu-instellingen]. Hiermee maakt u een back-up van de instellingen die niet verwant zijn aan het netwerk. Hiermee worden scanbestemmingen in een back-upbestand opgeslagen. Hiermee worden faxbestemmingen in een back-upbestand opgeslagen. Hiermee worden de IPsec-instellingen opgeslagen in een back-upbestand. Volg onderstaande procedure om back-upbestanden van de configuratie te maken. 1. Selecteer het keuzerondje voor het gegevenstype waarvan u back-ups wilt maken. 2. Voer indien nodig het beheerderswachtwoord in. 3. Klik op [OK]. 198
De beheerderinstellingen configureren 4. Klik op [Opslaan] in het bevestigingsvenster. 5. Ga naar de locatie waar u het back-upbestand wilt opslaan. 6. Geef een naam voor het bestand op en klik op [Opslaan]. [IPsec-instellingen back-uppen] wordt alleen weergegeven als het beheerderswachtwoord is opgegeven. Tabblad Instellingen herstellen Wanneer het apparaat terugkomt van reparatie, is het belangrijk om de apparaatinstellingen te herstellen vanuit back-upbestanden. De instellingen van het apparaat worden na de reparatie teruggezet op hun standaardwaarden. Instellingen herstellen Item Bestand om te herstellen Beschrijving Voer het pad in naar het bestand dat hersteld moet worden of klik op [Bladeren...] om het bestand te selecteren. Volg onderstaande procedure om back-upbestanden van uw configuratie te herstellen. 1. Klik op [Bladeren...]. 2. Navigeer naar de map met het back-upbestand dat u wilt herstellen. 3. Selecteer het back-upbestand en klik op [Openen]. 4. Voer indien nodig het beheerderswachtwoord in. 5. Klik op [OK]. Als de instellingen niet juist worden hersteld, verschijnt er een foutmelding. Probeer nogmaals om het bestand volledig te herstellen. Tabblad Datum/tijd instellen Datum instellen Item Beschrijving Jaar Voer het huidige jaartal in (2000 tot en met 2099). 199
8. Het apparaat configureren met hulpprogramma's Item Beschrijving Maand Voer de huidige maand in (1 t/m 12). Dag Voer de huidige dag in (1 t/m 31). Datumindeling Selecteer de datumindeling: [MM/DD/JJJJ], [DD/MM/JJJJ] of [JJJJ/MM/ DD]. Tijd instellen Item Tijdsindeling Tijd (AM / PM) uur (0-23) uur (1-12) Beschrijving Selecteer een tijdsindeling van 24 of 12 uren. Selecteer [AM] of [PM] als er een tijdsindeling van 12 uur is geselecteerd. Voer het huidige tijdstip in als er een tijdsindeling van 24 uur is geselecteerd (0-23). Voer het huidige tijdstip in als er een tijdsindeling van 12 uur is geselecteerd (1-12). min. (0-59) Voer het huidige tijdstip in qua minuten (0-59). Tabblad Energiespaarstand Energiespaarstandmodus Item Beschrijving Energiespaarstand 1 Selecteer [Actief] als u wilt dat het apparaat overschakelt op Energiespaarstand 1 als deze zo'n 30 seconden inactief is geweest. Het kost minder tijd om terug te keren uit Energiespaarstand 1 dan uit de uitgeschakelde status of uit Energiespaarstand 2, maar het stroomverbruik in Energiespaarstand 1 is hoger in dan in Energiespaarstand 2. 200
De beheerderinstellingen configureren Item Energiespaarstand 2 Beschrijving Selecteer [Actief] als u wilt dat het apparaat overschakelt op Energiespaarstand 2 nadat de periode is verstreken die is opgegegeven voor [Wachttijd (1-240)] (1 tot 240 minuten). [Actief] en [Inactief] zijn mogelijk niet geselecteerd, afhankelijk van het gebied waarin het apparaat wordt gebruikt. Het bereik van de beschikbare Wachttijd kan ook variëren op basis van de locatie waar het apparaat wordt gebruikt. Het apparaat verbruikt in Energiespaarstandmodus 2 minder stroom dan in Energiespaarstandmodus 1, maar het duurt langer om terug te keren uit Energiespaarstandmodus 2. 201
202 8. Het apparaat configureren met hulpprogramma's
9. Het apparaat onderhouden De printcartridge vervangen Als "Vervanging vereist: Printcartridge" op het bedieningspaneel wordt weergegeven, vervang dan de printcartridge door de stappen hieronder te volgen. Dit bericht wordt echter niet weergegeven als [Optie toner op] is ingesteld op [Doorgaan met afdrukken]. Vervang de printcartridge als de afgedrukte afbeelding bleek of vaag wordt. Bewaar printcartridges altijd op een koele donkere plaats. Het daadwerkelijke aantal kopieën die u kunt afdrukken, hangt af van het volume en de dichtheid van afbeeldingen, het aantal pagina's dat u gelijktijdig afdrukt, de papiersoort en het papierformaat en de omgevingsomstandigheden, zoals temperatuur en luchtvochtigheid. De kwaliteit van toner verslechtert na verloop van tijd. Voor een goede afdrukkwaliteit adviseert de fabrikant u de originele toner van de fabrikant te gebruiken. De fabrikant is niet aansprakelijk voor eventuele schade of kosten die kunnen voortvloeien uit het gebruik van onderdelen die geen originele onderdelen van de fabrikant zijn bij uw kantoorapparatuur. 1. Open de voorklep en laat deze vervolgens voorzichtig zakken. 2. Til de printercartridge er voorzichtig horizontaal uit, terwijl u deze in het midden vasthoudt. 3. Haal de nieuwe printcartridge uit de verpakking en dan uit de plastic zak. 4. Houd de printcartridge vast en schud deze vijf of zes keer heen en weer. DCT024 Schud de printcartridge in horizontale richting. De eerste afgedrukte pagina's kunnen wazig of vlekkerig zijn als de cartridge niet goed geschud is. 203
9. Het apparaat onderhouden 5. Schuif de printcartridge er horizontaal in en druk die er dan langzaam helemaal in. Duw de cartridge ten slotte naar beneden tot de cartridge op zijn plaats klikt. DCT026 6. Duw de voorklep voorzichtig omhoog totdat deze sluit. 204
Aandachtspunten bij het schoonmaken Aandachtspunten bij het schoonmaken Maak het apparaat regelmatig schoon om een hoge afdrukkwaliteit te garanderen. Neem de buitenkant af met een zachte, droge doek. Als dit niet voldoende is, kunt u een zachte, vochtige doek gebruiken die goed is uitgewrongen. Als u er zo nog niet in slaagt om vlekken te verwijderen, kunt u een neutraal schoonmaakmiddel gebruiken. Neem het apparaat af met een goed uitgewrongen vochtige doek, veeg het daarna droog en laat het vervolgens goed opdrogen. Gebruik geen vluchtige chemicaliën als benzine of thinner en spuit geen insectenspray op het apparaat, om vervorming, verkleuring of barstvorming te voorkomen. Als er stof of aanslag binnen in het apparaat zit, verwijdert u deze met een schone, droge doek. U moet ten minste eenmaal per jaar de stekker uit het stopcontact verwijderen. Verwijder stof en aanslag van en rond de stekker en het stopcontact voordat u de printer weer aansluit. Opgehoopt stof en aanslag verhogen het risico op brand. Pas op dat er geen paperclips, nietjes of andere kleine voorwerpen in het apparaat vallen. 205
9. Het apparaat onderhouden De binnenkant van het apparaat schoonmaken 1. Open de voorklep en laat deze vervolgens voorzichtig zakken. 2. Til de printercartridge er voorzichtig horizontaal uit, terwijl u deze in het midden vasthoudt. DCT024 3. Gebruik een doekje om de binnenkant van het apparaat schoon te vegen door het naar u toe en van u af te vegen. DCT040 Veeg voorzichtig zodat u geen uitsteeksels aan de binnenkant van het apparaat aanraakt. 4. Schuif de printcartridge er horizontaal in en druk die er dan langzaam helemaal in. Duw de cartridge ten slotte naar beneden tot de cartridge op zijn plaats klikt. DCT026 206
De binnenkant van het apparaat schoonmaken 5. Duw de voorklep voorzichtig omhoog totdat deze sluit. 207
9. Het apparaat onderhouden De glasplaat schoonmaken 1. Til de klep van de glasplaat omhoog. Zorg ervoor dat u de invoerlade niet aanraakt bij het optillen van de glasplaat, anders kan de lade beschadigd raken. 2. Maak de delen die met pijlen worden aangegeven schoon met een zachte, vochtige doek en wrijf dezelfde delen met een droge doek na zodat er geen vocht achterblijft. DCT008 208
De ADF schoonmaken De ADF schoonmaken 1. Open de ADF. Zorg ervoor dat u de invoerlade niet aanraakt bij het optillen van de ADF, anders kan de lade beschadigd raken. 2. Maak de delen die met pijlen worden aangegeven schoon met een zachte, vochtige doek en wrijf dezelfde delen met een droge doek na zodat er geen vocht achterblijft. DCT009 209
210 9. Het apparaat onderhouden
10. Problemen oplossen Veelvoorkomende problemen In dit onderdeel wordt beschreven hoe u algemene problemen kunt oplossen die kunnen optreden bij de bediening van dit apparaat. Probleem Mogelijke oorzaak Oplossing Het apparaat kan niet worden aangezet. Pagina's worden niet afgedrukt. Het apparaat maakt een vreemd geluid. De stroomkabel is niet op de juiste wijze aangesloten. De USB-kabel of netwerkkabel is niet juist aangesloten. Het verbruiksartikel is niet op de juiste wijze geïnstalleerd. Zorg dat de stekker goed in het stopcontact is bevestigd. Controleer of het stopcontact functioneert door er een ander werkend apparaat op aan te sluiten. Haal de USB-kabel of netwerkkabel los en sluit deze opnieuw aan. Controleer of het verbruiksartikel op de juiste wijze is geïnstalleerd. Als deze problemen blijven aanhouden, schakel dan de stroom uit, haal de stekker uit het stopcontact en neem contact op met uw verkoop- of onderhoudsvertegenwoordiger. 211
10. Problemen oplossen Problemen met papierdoorvoer Als het apparaat werkt, maar het papier niet wordt doorgevoerd of papier loopt telkens vast, controleer dan het apparaat en het papier. Probleem Het papier wordt niet soepel doorgevoerd. Het papier loopt vaak vast. Er worden meerdere vellen papier tegelijkertijd doorgevoerd. Oplossing Gebruik ondersteunde papiertypen. Zie Pag. 35 "Ondersteund papier". Plaats papier zoals het moet en zorg er daarbij voor dat de papiergeleiders goed tegen het papier aan zijn geschoven. Zie Pag. 41 "Papier plaatsen". Als het papier gekruld is, strijk het papier dan glad. Neem het papier uit de lade en waaier het uit. Draai het papier dan om en plaats het terug in de lade. Als er ruimte tussen het papier en de papiergeleiders zit, druk de papiergeleiders dan aan. Druk niet aan beide zijden van het papier af als u afbeeldingen afdrukt met grote effen vlakken met kleur, want deze vlakken verbruiken veel toner. Gebruik ondersteunde papiertypen. Zie Pag. 35 "Ondersteund papier". Plaats papier maximaal zo hoog als de bovenste limietmarketing op de papiergeleider. Waaier het papier los voordat u het plaatst. Zorg er ook voor dat de randen gelijk zijn door de stapel op een vlakke ondergrond zoals een bureau te tikken. Zorg ervoor dat de papiergeleiders in de juiste positie staan. Gebruik ondersteunde papiertypen. Zie Pag. 35 "Ondersteund papier". Plaats papier maximaal zo hoog als de bovenste limietmarketing op de papiergeleider. Controleer of er geen papier is toegevoegd terwijl er nog papier in de lade zat. Voeg alleen papier toe als er niets meer over is in de lade. 212
Problemen met papierdoorvoer Probleem Het papier krijgt plooien. Het afgedrukte papier is omgekruld. Afbeeldingen worden diagonaal ten opzichte van de pagina afgedrukt. Oplossing Het papier is vochtig. Gebruik papier dat op de juiste wijze is bewaard. Het papier is te dun. Zie Pag. 35 "Ondersteund papier". Als er ruimte tussen het papier en de papiergeleiders zit, druk de papiergeleiders dan aan. Plaats het papier omgekeerd in de invoerlade. Het papier is vochtig. Gebruik papier dat op de juiste wijze is bewaard. Als er ruimte tussen het papier en de papiergeleiders zit, druk de papiergeleiders dan aan. CER091 Een papierstoring verwijderen Vastgelopen papier kan natte toner bevatten. Let erop dat u geen toner op uw handen en kleding krijgt. Bij afdrukken die direct na het oplossen van een papierstoring worden gemaakt, kan de toner onvoldoende zijn gefuseerd en gaan vlekken. Druk testpagina's af totdat er geen strepen toner meer op de afdrukken verschijnen. Verwijder het vastgelopen papier niet met te veel kracht. Verscheurde delen die in het apparaat achterblijven, zullen het papier opnieuw doen vastlopen en dit kan het apparaat beschadigen. Papierstoringen kunnen ervoor zorgen dat papier verloren gaat. Controleer uw afdruktaak op ontbrekende pagina's en druk de pagina's af die nog niet zijn afgedrukt. Het vastgelopen papier kan automatisch worden uitgeworpen door de voorklep te openen en te sluiten of door de stroom uit en weer in te schakelen. 213
10. Problemen oplossen Vastgelopen papier verwijderen uit lade 1 1. Trek lade 1 er half uit en controleer of u vastgelopen papier ziet. Als er vastgelopen papier in de lade ligt, verwijder dit dan. DCT012 2. Schuif lade 1 voorzichtig terug tot deze niet verder kan. 3. Open de voorklep en laat deze vervolgens voorzichtig zakken. DCT027 4. Til de printercartridge er voorzichtig horizontaal uit, terwijl u deze in het midden vasthoudt. DCT024 Schud de verwijderde printcartridge niet. Als u dit wel doet, kan de overgebleven toner gaan lekken. 214
Problemen met papierdoorvoer Plaats de printcartridge op papier of gelijksoortig materiaal om uw werkruimte niet vuil te maken. 5. Til de geleiderplaat op en verwijder voorzichtig het vastgelopen papier. DCT025 6. Schuif de printcartridge er horizontaal in en druk die er dan langzaam helemaal in. Duw de cartridge ten slotte naar beneden tot de cartridge op zijn plaats klikt. DCT026 7. Duw de voorklep voorzichtig omhoog totdat deze sluit. DCT028 Als de fout opnieuw wordt weergegeven, voer dan de procedure uit onder "De achterklep openen om vastgelopen papier te verwijderen". 215
10. Problemen oplossen Vastgelopen papier uit de handinvoer verwijderen Aangezien de temperatuur rondom de geleider hoog is moet u wachten totdat deze afgekoeld is voordat u op vastgelopen papier controleert. 1. Als er papier in de buurt van de handinvoer is vastgelopen, verwijdert u dit voorzichtig. 2. Sluit de handinvoer. 3. Volg stap 3 tot en met 7 onder "Vastgelopen papier uit lade 1 verwijderen". DCT015 Als de fout opnieuw wordt weergegeven, voer dan de procedure uit onder "De achterklep openen om vastgelopen papier te verwijderen". De achterklep openen om vastgelopen papier te verwijderen Aangezien de temperatuur rondom de geleider hoog is moet u wachten totdat deze afgekoeld is voordat u op vastgelopen papier controleert. 1. Open de klep aan de achterzijde. DCT022 216
Problemen met papierdoorvoer 2. Open de fuseerklep. DCT035 3. Druk de hendels aan beide kanten met uw duimen naar beneden. DCT036 4. Verwijder het vastgelopen papier zorgvuldig. DCT068 5. Druk de hendels aan beide kanten met uw duimen naar boven. 6. Sluit de fuseerklep. 217
10. Problemen oplossen 7. Sluit de achterklep. DCT023 Vastgelopen papier in de scanner verwijderen 1. Open het ADF-paneel. DCT019 2. Trek voorzichtig aan het vastgelopen origineel om het te verwijderen. Verwijder het vastgelopen origineel niet met te veel kracht. DCT021 218
Problemen met papierdoorvoer 3. Sluit het ADF-paneel. DCT020 4. Til de ADF op en trek voorzichtig aan het vastgelopen origineel om het te verwijderen. Zorg ervoor dat u de invoerlade niet aanraakt bij het optillen van de ADF, anders kan de lade beschadigd raken. 5. Sluit de ADF. DCT010 219
10. Problemen oplossen Problemen met de afdrukkwaliteit De toestand van het apparaat controleren Als er een probleem is met de afdrukkwaliteit, controleer dan eerst de toestand van het apparaat. Mogelijke oorzaak Er is een probleem met de locatie van het apparaat. Er wordt een papiertype gebruikt dat niet wordt ondersteund. De instelling voor het papiertype is onjuist. Er wordt een printcartridge gebruikt die niet authentiek is. Er wordt een oude printcartridge gebruikt. Het apparaat is vuil. Oplossing Zorg ervoor dat het apparaat op een vlakke ondergrond staat. Plaats het apparaat waar het niet is blootgesteld aan trillingen of schokken. Zorg ervoor dat het papier dat gebruikt wordt, door het apparaat ondersteund wordt. Zie Pag. 35 "Ondersteund papier". Zorg dat de instelling voor het type papier van het printerstuurprogramma overeenkomt met het type papier dat is geplaatst. Zie Pag. 35 "Ondersteund papier". Printcartridges van andere fabrikanten/merken verlagen de afdrukkwaliteit en kunnen voor defecten zorgen. Gebruik uitsluitend authentieke printcartridges. Zie Pag. 240 "Verbruiksartikelen". Printcartridges dienen voor hun vervaldatum te worden geopend en dan binnen zes maanden gebruikt te worden. Zie Pag. 203 "Het apparaat onderhouden" en maak het apparaat schoon. 220
Problemen met de printer Problemen met de printer Probleem Er treedt een fout op. Er wordt een afdruktaak geannuleerd. Er is een aanzienlijke vertraging tussen de startinstructie voor afdrukken en het daadwerkelijke afdrukken. De gehele afdruk is vaag. Oplossing Als een fout optreedt tijdens het afdrukken, wijzigt u de instellingen van de computer of het printerstuurprogramma. Controleer of het pictogram van de printernaam niet langer is dan 32 alfanumerieke tekens. Maak deze korter als dit het geval is. Controleer of andere applicaties actief zijn. Sluit alle andere applicaties, want die kunnen mogelijk een conflict veroorzaken met het afdrukken. Als het probleem niet is opgelost, sluit dan ook onnodige processen. Controleer of het nieuwste printerstuurprogramma wordt gebruikt. Stel I/O Time-out op een hogere waarde in dan de huidige instelling. De verwerkingstijd hangt af van het volume van de gegevens. Een hoog datavolume, zoals documenten met veel afbeeldingen, duurt langer om te verwerken. Wacht even. Om het afdrukken te versnellen, kunt u de afdrukresolutie verlagen via het printerstuurprogramma. Het papier is vochtig. Gebruik papier dat op de juiste wijze is bewaard. Zie Pag. 35 "Ondersteund papier". Als u [Toner besparen] activeert, worden de afdrukken over het algemeen lichter. Er heeft zich wellicht condens gevormd. Indien er een snelle verandering in temperatuur of luchtvochtigheid optreedt, gebruik het apparaat dan pas nadat het apparaat is geacclimatiseerd. 221
10. Problemen oplossen Probleem Het is niet mogelijk om bepaalde gegevens op de juiste manier af te drukken wanneer een bepaalde toepassing wordt gebruikt of het is niet mogelijk om afbeeldingsgegevens juist af te drukken. Bepaalde tekens worden vaag of helemaal niet afgedrukt. De afdrukpositie is verkeerd uitgelijnd. Oplossing Wijzig de instellingen die effect hebben op de afdrukkwaliteit. Geef [Printerregistratie] op bij [Systeeminstell.] om de afdrukpositie aan te passen. Afdrukposities komen niet overeen met het computerscherm Als de positie van items op de afgedrukte pagina afwijkt van de positie die op het computerscherm wordt weergegeven, kan de oorzaak bij één van de volgende zaken liggen. Mogelijke oorzaak De instellingen voor paginaopmaak zijn niet juist geconfigureerd. Oplossing Controleer of de instellingen voor de paginaopmaak juist zijn geconfigureerd in de applicatie. 222
Problemen met kopiëren Problemen met kopiëren Probleem Papier waarop gekopieerd is, is leeg. De gekopieerde pagina's zijn te donker of te licht. Gekopieerde pagina's zien er anders uit dan de originelen. Er verschijnen zwarte vlekken als er een fotografische afdruk wordt gekopieerd. Er wordt een moiré-patroon geproduceerd. Oplossing Het origineel is achterstevoren geplaatst. Zie Pag. 49 "Originelen plaatsen". Pas de belichting aan. Selecteer de juiste scanmodus aan de hand van het origineeltype. Originelen kunnen vastkleven aan de glasplaat door een hoge vochtigheid. Plaats het origineel op de glasplaat en leg er dan twee of drie vellen wit papier bovenop. Laat de glasplaatklep tijdens het kopiëren open staan. Het origineel heeft waarschijnlijk gebieden met veel lijnen of stippen. Als u bij de instelling voor afdrukkwaliteit [Foto] of [Gemngd] probeert, kan dit het probleem oplossen. Gekopieerd papier is vuil. Als er vanaf de glasplaat wordt gekopieerd, is het afdrukgebied van de kopie niet zo uitgelijnd als het origineel. De beeldbelichting is te hoog. Pas de belichting aan. De toner op het afgedrukte oppervlak is nog niet droog. Raak afgedrukte oppervlakken niet aan als er net gekopieerd is. Verwijder net afgedrukte vellen één voor één en zorg er daarbij voor dat u de afgedrukte gebieden niet aanraakt. Het scangebied is vuil. Voordat u originelen op de glasplaat legt, moet de toner of correctievloeistof droog te zijn. Plaats de originele kopie met de bovenkant naar beneden, zorg ervoor dat de kopie is uitgelijnd in de linker achterhoek en dat de kopie vlak op de glasplaat ligt. 223
10. Problemen oplossen Probleem Het ingestelde papierformaat komt niet overeen met het geplaatste papier. Oplossing Controleer of het papierformaat dat op het apparaat is opgegeven, overeenkomt met het papierformaat van het geplaatste papier. 224
Problemen met de scanner Problemen met de scanner Probleem De gescande afbeelding is vuil. De gescande afbeelding is vervormd of verplaatst. De gescande afbeelding is ondersteboven. De gescande afbeelding is blanco. De gescande afbeelding is te donker of te licht. Het scangebied is vuil. Oplossing Voordat u originelen op de glasplaat legt, moet de toner of correctievloeistof droog te zijn. Het origineel is verplaatst tijdens het scannen. Verplaats het origineel niet tijdens het scannen. Het origineel is ondersteboven geplaatst. Plaats het origineel in de juiste richting. Zie Pag. 49 "Originelen plaatsen". Het origineel is achterstevoren geplaatst. Pas de belichting aan. 225
10. Problemen oplossen Faxproblemen Als er een foutcode op het faxjournaal of het verzendingsstatusrapport wordt weergegeven De tabel hieronder geeft de betekenis van de foutcodes die onder "Resultaten" op het faxjournaal of het verzendingsstatusrapport kunnen worden weergegeven, en wat u kunt doen als er een bepaalde foutcode wordt weergegeven. "X" geeft een nummer aan in een foutcode dat afwijkend wordt weergegeven afhankelijk van een bepaalde situatie. Foutcode Oplossing 1XXX11 1XXX21 1XXX22 tot en met 1XXX23 Er is een origineel in de ADF vastgelopen tijdens het versturen van een fax in de modus Directe verzending. Verwijder vastgelopen originelen en plaats ze opnieuw. Zie Pag. 212 "Problemen met papierdoorvoer". Controleer of de originelen geschikt zijn om te worden gescand. Zie Pag. 49 "Originelen plaatsen". De verbinding kon niet tot stand worden gebracht. Controleer of de telefoonkabel correct op het apparaat is aangesloten. Haal de telefoonlijn los van het apparaat en sluit een standaard telefoon aan. Controleer of u met de telefoon wel kunt bellen. Als u op deze manier niet kunt bellen, neem dan contact op met uw telefoonmaatschappij. Blijft het probleem aanhouden, neem dan contact op met uw verkoop- of servicevertegenwoordiger. Het draaien van een nummer mislukt bij het versturen van faxen. Controleer of het faxnummer dat u draaide, juist is. Controleer of de bestemming een faxapparaat is. Controleer of de lijn bezet is of niet. Misschien moet u een pauze tussen gekozen nummers invoegen. Druk op de [Pause/Redial]-knop, bijvoorbeeld na het kengetal. Controleer of [PSTN / PBX] onder [Beheerderstoepassingen] juist is ingesteld voor uw verbindingsmethode op het telefoonnetwerk. Zie Pag. 163 "Beheerdersinstellingen". 226
Faxproblemen Foutcode 1XXX32 tot en met 1XXX84 2XXX14 Oplossing Er is een fout opgetreden tijdens het versturen van een fax. Controleer of de telefoonkabel correct op het apparaat is aangesloten. Haal de telefoonlijn los van het apparaat en sluit een standaard telefoon aan. Controleer of u met de telefoon wel kunt bellen. Als u op deze manier niet kunt bellen, neem dan contact op met uw telefoonmaatschappij. Blijft het probleem aanhouden, neem dan contact op met uw verkoop- of servicevertegenwoordiger. Het apparaat kan de ontvangen fax niet afdrukken of het geheugen van het apparaat heeft de maximale capaciteit bereikt tijdens het ontvangen van een fax, omdat het document te groot was. De papierlade was leeg. Plaats papier in de papierlade. Zie Pag. 41 "Papier plaatsen". In de papierlade was geen A4-, Letter- of Legal-papier geplaatst. Plaats papier van het juiste formaat in de lade en configureer de instellingen voor het papierformaat onder [Systeeminstellingen]. Een paneel of lade stond open. Sluit het paneel of de lade. Er was een papierstoring. Verwijder het vastgelopen papier. Zie Pag. 212 "Problemen met papierdoorvoer". Een van de printcartridges is leeg. Vervang de inktcartridge. Zie Pag. 203 "De printcartridge vervangen". De ontvangen fax was te groot. Vraag de afzender om het document opnieuw te sturen, maar nu in delen als een aantal kleinere individuele faxen of als document met een lagere resolutie. 227
10. Problemen oplossen Foutcode 2XXX32 t/m 2XXX84 Oplossing Er is een fout opgetreden tijdens het ontvangen van een fax. Controleer of de telefoonkabel correct op het apparaat is aangesloten. Haal de telefoonlijn los van het apparaat en sluit een standaard telefoon aan. Controleer of u met de telefoon wel kunt bellen. Als u op deze manier niet kunt bellen, neem dan contact op met uw telefoonmaatschappij. Blijft het probleem aanhouden, neem dan contact op met uw verkoop- of servicevertegenwoordiger. 228
Fout- en statusmeldingen op het scherm Fout- en statusmeldingen op het scherm Meldingen staan op alfabetische volgorde in de tabel hieronder. "X" geeft aan dat dit onderdeel van een melding kan afwijken afhankelijk van een bepaalde situatie, zoals het papierformaat, het papiertype of namen van laden. Meldingen Oorzaken Oplossing 2XXX14 Papierst. orig. ADF Open ADF-paneel en verwijder papier. Het apparaat kan de ontvangen fax niet afdrukken of het geheugen van het apparaat heeft de maximale capaciteit bereikt tijdens het ontvangen van een fax, omdat het document te groot was. Er is een origineel vastgelopen in de ADF. De papierlade was leeg. Plaats papier in de papierlade. Zie Pag. 41 "Papier plaatsen". In de papierlade was geen A4-, Letter- of Legal-papier geplaatst. Plaats papier van het juiste formaat in de lade en configureer de instellingen voor het papierformaat onder [Systeeminstell.]. Een paneel of lade stond open. Sluit het paneel of de lade. Er was een papierstoring. Verwijder het vastgelopen papier. Zie Pag. 212 "Problemen met papierdoorvoer". Een van de printcartridges is leeg. Vervang de inktcartridge. Zie Pag. 203 "De printcartridge vervangen". De ontvangen fax was te groot. Vraag de afzender om het document opnieuw te sturen, maar nu in delen als een aantal kleinere individuele faxen of als document met een lagere resolutie. Verwijder vastgelopen originelen en plaats ze opnieuw. Zie Pag. 212 "Problemen met papierdoorvoer". Controleer of de originelen geschikt zijn om te worden gescand. Zie Pag. 49 "Originelen plaatsen". 229
10. Problemen oplossen Meldingen Oorzaken Oplossing Beschikb: ID-kaart kopie A4/A5/ A6/8,5 x 11/5,5 x 8,5 Bezet Kan inst. niet kopiëren. Combineren: 2 op 1 / 4 op 1 Kan niet kopiëren. Plaats origineel in ADF. Controleer papierformaat ID-kaart kopiëren kan niet worden uitgevoerd, omdat de lade geen papier bevat met één van de volgende geldige formaten: A4, A5, A6, 8,5 11 of 5,5 8,5. De fax kon niet worden verstuurd, omdat de lijn bezet was. Gecombineerd kopiëren kon niet worden uitgevoerd, omdat de lade geen papier bevat met één van de volgende geldige formaten: A4, Letter en Legal. Gecombineerd kopiëren kan niet worden uitgevoerd omdat de originelen niet in de ADF zijn geplaatst. Het papierformaat dat is ingesteld voor het document komt niet overeen met het papierformaat in de opgegeven lade. Geef papier van het formaat A4, A5, A6, 8,5 11 of 5,5 x 8,5 op voor de geselecteerde lade voor het afdrukken van kopieën. Zie Pag. 148 "Systeeminstellingen". Wacht een ogenblik en verstuur de fax opnieuw. Geef het papierformaat A4, Letter of Legal op voor de lade die is geselecteerd voor het afdrukken van kopieën. Zie Pag. 148 "Systeeminstellingen". Gebruik de ADF, zelfs als u één vel papier wilt kopiëren. Als u de glasplaat wilt gebruiken, schakel gecombineerd kopiëren bij [Duplex/Combin.] in de kopieerinstellingen dan uit en probeer het opnieuw. Zie Pag. 134 "Instellingen voor kopieereigenschappen". Druk op [Pg.drv.] om het afdrukken te starten of druk op [JobReset] om de taak te annuleren. 230
Fout- en statusmeldingen op het scherm Meldingen Oorzaken Oplossing Verbinding maken mislukt De verbinding kon niet tot stand worden gebracht. Controleer of de telefoonkabel correct op het apparaat is aangesloten. Haal de telefoonlijn los van het apparaat en sluit een standaard telefoon aan. Controleer of u met de telefoon wel kunt bellen. Als u op deze manier niet kunt bellen, neem dan contact op met uw telefoonmaatschappij. Bezig met afkoelen... De motor is oververhit geraakt. Wacht totdat het bericht verdwenen is. Paneel open Er is een klep open. Sluit de klep goed. Bestemming niet geprogramm. Bellen is mislukt Max e-mailform overschr. Er is geen snelkiesbestemming opgeslagen onder de sneltoets waarop u drukte. De fax kon niet worden verstuurd. Het scanbestand is groter dan maximaal is toegestaan voor bestanden die via e-mail kunnen worden verstuurd. Druk op een andere sneltoets. Wijs een geregistreerde bestemming toe aan de sneltoets. Zie Pag. 74 "Scanbestemmingen registreren". Controleer of het faxnummer dat u draaide, juist is. Controleer of de bestemming een faxapparaat is. Controleer of de lijn bezet is of niet. Misschien moet u een pauze tussen gekozen nummers invoegen. Druk op de [Pauze/Redial]-knop, bijvoorbeeld na het kengetal. Configureer [Resolutie] onder scaninstellingen om de scanresolutie te verlagen. Zie Pag. 138 "Instellingen scannereigenschappen". Configureer [Max E-mail form.] onder Scaninstellingen om de maximaal toegestane grootte te verhogen. Zie Pag. 138 "Instellingen scannereigenschappen". 231
10. Problemen oplossen Meldingen Oorzaken Oplossing Geheugenoverloop faxtaak Ander merk prt.cartr. Interne storing Geheugen bijna vol Geheugenoverloop Geheugenoverloop Het aantal faxtaken in het geheugen (faxen die niet zijn verstuurd of afgedrukt) heeft het maximum bereikt, dus er kunnen geen nieuwe taken worden opgeslagen. Er geen authentieke Ricohprintcartridge geïnstalleerd. Er is papier vastgelopen in het apparaat. Het geheugen heeft bijna de volledige capaciteit bereikt tijdens het sorteren van kopieën. De gegevens zijn te groot of te moeilijk om af te drukken. Het geheugen van het apparaat heeft bijna de volledige capaciteit bereikt tijdens het scannen van de eerste pagina van het origineel om een faxtaak in het geheugen op te slaan voordat deze verstuurd wordt. Het geheugen heeft de volledige capaciteit bereikt tijdens het opslaan van een fax in het geheugen in de modus Geheugenverzending. Wacht totdat de taken in het geheugen zijn verstuurd of afgedrukt. Verwijder en vervang deze door een printcartridge van een geautoriseerde verkoper. Verwijder het vastgelopen papier. Zie Pag. 212 "Problemen met papierdoorvoer". Als er nog een aantal originelen moeten worden gescand, is het raadzaam om nu te beginnen met afdrukken en de overige originelen apart te kopiëren. Als de originelen worden gescand vanuit de ADF, verwijder dan de overgebleven pagina's uit de ADF. Als u het PCL-printerstuurprogramma gebruikt, stelt u de [Resolutie] bij [Afdrkwal.] in op [600 600 dpi]. Stuur de fax opnieuw, maar nu in delen als een aantal kleinere individuele faxen of als document met een lagere resolutie. 232
Fout- en statusmeldingen op het scherm Meldingen Oorzaken Oplossing Geheugenoverloop TX Annul. Storing: Handinv. Storing: Stnrd lade Storing: Lade 1 Netwerkcommunicati efout Netwerk is niet gereed Direct kiezen of Stop Papier op: X Start app. opnieuw op Het geheugen heeft bijna de volledige capaciteit bereikt tijdens het scannen van de tweede pagina of de opeenvolgende pagina's van het origineel, terwijl wordt geprobeerd een fax te versturen in de modus geheugenverzending. Er is papier vastgelopen in de handinvoer. Er is papier vastgelopen in de papieruitgang. Er is papier vastgelopen in het papierinvoergebied van lade 1. De verbinding met de server ging verloren tijdens het versturen of ontvangen van gegevens. Een gescand bestand kon niet verstuurd worden, omdat het apparaat geen volledige IPadresinformatie van de DHCPserver heeft gekregen. Het apparaat heeft lang in de modus Direct kiezen gestaan. Het papier in de opgegeven lade is op. Het apparaat dient opnieuw te worden opgestart. Druk op [TX] om alleen de pagina's te versturen die in het geheugen zijn gescand of druk op [Annul.] om te annuleren. Verwijder het vastgelopen papier. Zie Pag. 212 "Problemen met papierdoorvoer". Verwijder het vastgelopen papier. Zie Pag. 212 "Problemen met papierdoorvoer". Verwijder het vastgelopen papier. Zie Pag. 212 "Problemen met papierdoorvoer". Neem contact op met de netwerkbeheerder. Wacht totdat het apparaat de IPadresinformatie volledig heeft ontvangen en probeer de bewerking dan opnieuw uit te voeren. Leg de hoorn neer of druk op de [Wis/ Stop]-knop. Plaats papier in de opgegeven lade. Zie Pag. 41 "Papier plaatsen". Het apparaat wordt automatisch opnieuw opgestart. 233
10. Problemen oplossen Meldingen Oorzaken Oplossing Plts.fout printcartr. Verwijder papier: Handinvoer Vervang. binnk. vereist: Printcartridge De printcartridge is niet geïnstalleerd of is niet juist geïnstalleerd. Het apparaat kon niet verdergaan met de afdruktaak, omdat lade 1 als de invoerlade is opgegeven, terwijl het papier was ingesteld op de handinvoerlade. De printcartridge is bijna leeg. Verwijder de tonerafvalfles en installeer deze opnieuw. Zie Pag. 203 "De printcartridge vervangen". Verwijder het papier uit de handinvoer. Bereid een nieuwe cartridge voor. Vervanging vereist: Printcartridge De toner is op. Vervang de inktcartridge. Zie Pag. 203 "De printcartridge vervangen". RX-opdrachtfout Verb. netwerkscan verbr. Verb. scan-usb verbr. Serververbinding mislukt Er is een ontvangstfout opgetreden en de fax kon niet correct worden ontvangen. Een gescand bestand kan niet worden verstuurd, omdat de netwerkkabel niet correct is aangesloten. De verbinding met de USBkabel ging verloren terwijl er werd gescand vanaf een computer. Een gescand bestand kon niet worden verstuurd, omdat de bestemming niet bereikt kon worden. Neem indien mogelijk contact op met de afzender van de fax en vraag hem/haar om de fax opnieuw te versturen. Sluit de netwerkkabel opnieuw aan en probeer de bewerking opnieuw uit te voeren. Sluit de USB-kabel opnieuw aan en probeer de bewerking opnieuw uit te voeren. Controleer of de bestemming juist is geregistreerd en probeer de bewerking opnieuw uit te voeren. 234
Fout- en statusmeldingen op het scherm Meldingen Oorzaken Oplossing Fout antwoord server Serviceoproep - X Plaats juist papier Plaats origineel in ADF. Kan glasplaat niet gebr. met inst. v [Scanformaat]. Kopie sorteren geannuleerd Er is een fout opgetreden in de communicatie met de server voordat kon worden begonnen met de verzending. Er is een fatale hardwarefout opgetreden en het apparaat werkt niet meer. De papierlade bevat geen papier met formaat A4, Letter of Legal. Scannen kan niet worden uitgevoerd, omdat de originelen niet in de ADF zijn geplaatst, hoewel het apparaat is ingesteld om originelen die groter zijn dan Legal-formaat te scannen. Het geheugen heeft de volledige capaciteit bereikt tijdens het scannen van originelen uit de ADF om gesorteerd kopiëren uit te voeren. Controleer of de bestemming juist is geregistreerd en probeer de bewerking opnieuw uit te voeren. Als het probleem hiermee niet is opgelost, neem dan contact op met de netwerkbeheerder. Neem contact op met uw verkoopvertegenwoordiger. Als het bericht wordt weergegeven, druk dan op de [OK]-knop. Er wordt een menu weergegeven waarin u het papierformaat van de huidige lade kunt wijzigen. Plaats papier van formaat A4, Letter of Legal in de lade en selecteer dan het overeenkomende papierformaat door [ ] of [ ] te gebruiken en druk vervolgens op de [OK]-knop. Het apparaat zal dan de fax afdrukken. Let op dat de papierformaatinstelling voor de lade onder Systeeminstellingen gewijzigd zal worden. Zie Pag. 148 "Systeeminstellingen". Gebruik de ADF, zelfs bij het scannen van originelen met Legal-formaat of kleiner. Als u de glasplaat moet gebruiken, stel dan A4/Letter of kleiner formaat in [Scanformaat] en probeer het vervolgens opnieuw. Zie Pag. 87 "De scaninstellingen opgeven". Druk op [Afsluit.] om de originelen af te drukken die wel naar het geheugen zijn gescand. Kopieer vervolgens opnieuw de originelen die in de ADF zijn achtergebleven. 235
10. Problemen oplossen Meldingen Oorzaken Oplossing TX-opdrachtfout Er is een verzendingsfout opgetreden en de fax kon niet correct worden verstuurd. Als de [Autom. opnieuw proberen]- instelling is ingeschakeld, zal het apparaat het nummer opnieuw kiezen. Als alle pogingen mislukken of als het apparaat in de modus Directe verzending staat, zal de fax niet worden verstuurd. Probeer de bewerking opnieuw uit te voeren. 236
11. Bijlage Opmerkingen over de toner Er kan geen juiste werking worden gegarandeerd als er toner van een ander merk wordt gebruikt. Afhankelijk van de afdrukvoorwaarden zijn er gevallen waarin de printer niet het aantal vellen kan afdrukken dat in de specificaties is opgegeven. Als u dit apparaat voor het eerst gebruikt, maak dan gebruik van de printcartridge die bij het apparaat geleverd wordt. Als deze cartridge niet bij de eerste keer gebruikt wordt, kunnen de volgende problemen optreden: "Vervanging vereist: Printcartridge" wordt weergegeven voordat de toner op is. "Vervanging vereist: Printcartridge" wordt niet weergegeven als de toner opraakt, maar in plaats daarvan worden afgedrukte beelden ineens bleek of vaag. Om verder te kunnen afdrukken nadat "Vervanging vereist: Printcartridge" wordt weergegeven, stelt u [Optie toner op] in op [Doorgaan met afdrukken]. Aangezien problemen die worden veroorzaakt door deze setup buiten de garantie van de fabrikant vallen, moet deze setup voorzichtig worden gebruikt. Voor meer informatie over [Optie toner op], zie Pag. 148 "Systeeminstellingen". Als [Optie toner op] eerst is ingesteld op [Doorgaan met afdrukken] en daarna op [Stoppen met afdrukken], gebruik dan een nieuwe printcartridge. Als er een gebruikte printcartridge wordt geïnstalleerd, zal er een afwijking optreden tussen het weergegeven niveau resterende toner en de werkelijke resterende toner. Dit leidt uiteindelijk tot het weergeven van "Vervanging vereist: Printcartridge" op het verkeerde moment. Er wordt rekening gehouden met de levensduur van de fotogeleider die in de printcartridge is ingebouwd, bij de weergave van het bericht "Vervanging vereist: Printcartridge". Als de fotogeleider niet meer werkt voordat de toner op is, is het mogelijk dat "Vervanging vereist: Printcartridge" wordt weergegeven. 237
11. Bijlage Het apparaat verplaatsen en vervoeren In dit onderdeel worden voorzorgsmaatregelen genoemd die u dient te volgen als u het apparaat over korte of lange afstanden vervoert. Pak het apparaat in zijn oorspronkelijke verpakkingsmateriaal in als u het apparaat over een lange afstand vervoert. Controleer voordat u het apparaat verplaatst of er geen kabels meer zijn aangesloten op het apparaat. Het apparaat is een precisie-apparaat. Zorg dat u voorzichtig omgaat met het apparaat tijdens het verplaatsen. Houd het apparaat horizontaal terwijl u het verplaatst. Wees extra voorzichtig wanneer het apparaat de trap op- of afgedragen moet worden. Verwijder de printcartridges niet tijdens het verplaatsen van het apparaat. Zorg ervoor dat u het apparaat horizontaal houdt tijdens het tillen. Verplaats het apparaat voorzichtig om te voorkomen dat er toner wordt gemorst. 1. Controleer zorgvuldig het volgende: De stroom is uitgeschakeld. Het netsnoer is uit het stopcontact getrokken. Alle andere kabels zijn van het apparaat losgehaald. 2. Til het apparaat op via de inkepingen aan beide zijden van het apparaat en verplaats het apparaat vervolgens horizontaal naar de gewenste plek. Als u het apparaat over een lange afstand vervoert, pak het apparaat dan goed in. Zorg ervoor dat u het apparaat goed horizontaal houdt tijdens het vervoer. Aan de binnenkant van het apparaat kan toner gemorst worden als het apparaat tijdens het vervoer niet horizontaal wordt gehouden. Neem contact op met uw verkoop- of onderhoudsvertegenwoordiger voor meer informatie over het vervoeren van het apparaat. Het apparaat weggooien Vraag uw verkoop- of onderhoudsvertegenwoordiger hoe u dit apparaat het best kunt afvoeren. 238
Het apparaat verplaatsen en vervoeren Waar kan ik meer informatie krijgen? Neem contact op met uw verkoop- of servicevertegenwoordiger voor meer informatie over de onderwerpen die in deze handleiding worden behandeld of om informatie te verkrijgen over onderwerpen die niet in de met het apparaat meegeleverde handleiding worden behandeld. 239
11. Bijlage Verbruiksartikelen Printcartridge Printcartridge Gemiddeld aantal af te drukken pagina's per cartridge *1 Zwart 1500 pagina's, 2600 pagina's *1 Het aantal afdrukbare pagina's is gebaseerd op pagina's die voldoen aan de norm ISO/IEC 19752 en op de afbeeldingsbelichting die als fabrieksstandaard is ingesteld. ISO/IEC 19752 is een internationale meetstandaard voor het afdrukken van pagina's, die door de ISO (International Organization for Standardization) is gesteld. Tenzij een printcartridge wordt vervangen voordat de toner opraakt, kan er niet worden afgedrukt. Wij adviseren u dan ook om extra printcartridges te kopen en deze op voorraad te houden zodat u ze gemakkelijk kunt vervangen. Het feitelijke aantal afgedrukte pagina's is afhankelijk van de grootte en dichtheid van de afbeelding, het aantal pagina's dat tegelijk moet worden afgedrukt, het papiertype, het papierformaat en omgevingsfactoren als temperatuur en vochtigheid. Printcartridges kunnen minder lang mee gaan dan aangegeven staat, vanwege verslechtering gedurende de gebruiksperiode. Printcartridges vallen niet onder de garantie. Neem in geval van problemen contact op met de winkel waar u ze heeft gekocht. Met de meegeleverde printcartridge kunnen ongeveer 700 pagina's worden afgedrukt. Dit apparaat voert regelmatig reinigingsbeurten uit. Tijdens het schoonmaken wordt er toner verbruikt om de afdrukkwaliteit te kunnen behouden. 240
Specificaties van het apparaat Specificaties van het apparaat In dit onderdeel worden de specificaties van het apparaat gegeven. Algemene functie Specificaties Configuratie Bureaumodel Afdrukmethode Laser electrostatische beeldoverdracht Maximaal papierformaat voor scannen via de glasplaat 216 mm 297 mm (8,5 11,7 inch) Maximaal papierformaat voor scannen via de ADF 216 mm 356 mm (8,5 14 inch) Maximaal papierformaat om af te drukken 216 mm 356 mm (8,5 14 inch) Opwarmtijd Type 1, Type 4 Minder dan 25 seconden (23 C, 71,6 F) Type 2, Type 3, Type 5, Type 6 Papierformaten Minder dan 27 seconden (23 C, 71,6 F) A4, 8 1 / 2 " 11 " (Letter), 8 1 / 2 " 14 " (Legal), B5, 5 1 / 2 " 8 1 / 2 " (Half Letter), 7 1 / 4 " 10 1 / 2 " (Executive), A5, A6, B6, 16K (197 273 mm), 16K (195 270 mm), 16K (184 260 mm), aangepast papierformaat De volgende aangepaste papierformaten worden ondersteund: Breedte Lade 1: ongeveer 100-216 mm (3,9-8,5 inch) Handinvoer: ongeveer 90-216 mm (3,6-8,5 inch) Lengte Ongeveer 148-356 mm (5,8-14 inch) 241
11. Bijlage Papiertype Normaal papier (65-99 g/m 2 (17-26 lb.)), Gerecycled papier (75-90 g/m 2 (20-24 lb.)), dun papier (52-64 g/m 2 (14-17 lb.)), dik papier (100-130 g/m 2 (26,6-34 lb.)) Papierinvoercapaciteit Lade 1 150 vellen (70 g/m 2, 19 lb.) Handinvoer 1 vel (70 g/m 2, 19 lb.) Maximale plaatsingshoogte 15,5 mm (0,6 inch) Papieruitvoercapaciteit Uitvoerlade 50 vellen (70 g/m 2, 19 lb.) Achterkant ADF-capaciteit 1 vel (70 g/m 2, 19 lb.) 35 vellen (80 g/m 2, 21,3 lb.) Geheugen 128 MB Stroomvereisten (voornamelijk in Europa en Azië) 220-240 V, 5 A, 50/60 Hz (voornamelijk Noord-Amerika) Stroomverbruik 120 V, 8 A, 60 Hz Maximaal stroomverbruik 780 W Energiespaarstand 1 39,1 W Energiespaarstand 2 4,3 W * Het stroomniveau wanneer de hoofdstroomschakelaar uitgeschakeld staat en de stekker van het netsnoer in het stopcontact zit: 1 W of minder 242
Specificaties van het apparaat Afmetingen van het apparaat (Breedte x Diepte x Hoogte) Type 1, Type 3 402 360 252 mm (15,8 14,2 10,1 inch) Type 2, Type 4, Type 5, Type 6 402 360 293 mm (15,8 14,2 11,5 inch) Gewicht (apparaat zelf met verbruiksartikelen) Type 1, Type 3 Ongeveer 9,9 kg (22 lb.)of minder Type 2, Type 4, Type 5, Type 6 Ongeveer 11,1 kg (24,5 lb.) of minder Specificaties van de printerfunctie Afdruksnelheid Resolutie (voornamelijk in Europa en Azië) 22 pagina's per minuut (A4) (voornamelijk Noord-Amerika) 23 pagina's per minuut (Letter) 600 600 dpi (maximaal 1200 600 dpi) Afdruksnelheid vd 1e afdruk 10 seconden of minder (vanaf de voltooiing van gegevensverwerking tot de voltooiing van het afleveren van het papier) Interface Ethernet (10BASE-T, 100BASE-TX) USB 2.0 WiFi Printertaal GDI, PCL Specificaties van de kopieerfunctie Maximale resolutie (scannen en afdrukken) Glasplaat 243
11. Bijlage Scannen: 600 600 dpi Afdrukken: 600 600 dpi ADF Scannen: 600 300 dpi Afdrukken: 600 600 dpi Afdruksnelheid vd 1e kopie (A4/Letter, bij 23 C, 71,6 F) 32 seconden of minder Kopieersnelheid bij meerdere kopieën Andere landen dan Europese landen 22 pagina's per minuut Reproductieverhouding (voornamelijk in Europa en Azië) Vaste verhoudingen: 50%, 71%, 82%, 93%, 122%, 141%, 200%, 400% (voornamelijk Noord-Amerika) Vaste verhoudingen: 50%, 65%, 78%, 93%, 129%, 155%, 200%, 400% Zoomverhouding: 25 tot 400% Aantal kopieën 99 Specificaties van de scanfunctie Maximaal scangebied (horizontaal verticaal) Glasplaat 216 297 mm (8,5 11,7 inch) ADF 216 356 mm (8,5 14 inch) Maximale resolutie bij scannen vanaf het bedieningspaneel (Scannen naar e-mail, Scannen naar FTP, Scannen naar Map, Scannen naar USB) 600 600 dpi Maximale resolutie bij scannen vanaf een computer (TWAIN) Glasplaat 4800 4800 dpi ADF 600 600 dpi 244
Specificaties van het apparaat Maximale resolutie bij scannen vanaf een computer (WIA) 600 600 dpi ADF-doorvoer Zwart-wit: 64 mm per seconde Kleur: 22 mm per seconde Interface Scannen vanaf het bedieningspaneel Ethernet (10BASE-T, 100BASE-TX), USB2.0, Wi-Fi Scannen vanaf een computer Ethernet (10BASE-T, 100BASE-TX), USB2.0, Wi-Fi Specificaties van de faxfunctie Toegangslijn Algemeen gebruikt telefoonnetwerk (Public switched telephone networks, PSTN) Telefooncentrale van het bedrijf (Private branch exchange, PBX) Overdrachtmodus ITU-T Groep 3 (G3) Scanregeldichtheid 8 dots per mm 3,85 regels per mm (200 100 dpi) 8 dots per mm 7,7 regels per mm (200 200 dpi) Verzendingstijd 3 seconden (8 dots per mm 3,85 regels per mm, 33,6 kbps, MMR, ITU-T # 1 tabel) Overdrachtssnelheid 33,6 kbps tot 2400 bps (automatische terugkoppeling) Gegevenscompressiemethoden MH, MR, MMR Geheugencapaciteit Verzending: maximaal 5 taken en maximaal 10 pagina's per taak Ontvangst: maximaal 50 taken en maximaal 100 pagina's voor het totale aantal pagina's van alle taken Adresboek Verkort kiezen 100 items 245
11. Bijlage Snelkiezen 8 items Aantal keer opnieuw kiezen voor faxen 1 246
Handelsmerken Handelsmerken Firefox is een gedeponeerd handelsmerk van Mozilla Foundation. Microsoft, Windows, Windows Server, Windows Vista en Internet Explorer zijn gedeponeerde handelsmerken of handelsmerken van Microsoft Corporation in de Verenigde Staten en/of overige landen. Andere productnamen in deze handleiding dienen alleen ter aanduiding en kunnen handelsmerken zijn van hun respectievelijke eigenaren. Wij maken geen enkele aanspraak op enig recht op deze merken. De werkelijke namen van Internet Explorer 6, 7, 8, 9, 10 en 11 zijn: Microsoft Internet Explorer 6 Windows Internet Explorer 7 Windows Internet Explorer 8 Windows Internet Explorer 9 Internet Explorer 10 Internet Explorer 11 De eigennamen van de Windows-besturingssystemen zijn: De productnamen van Windows XP zijn als volgt: Microsoft Windows XP Professional Microsoft Windows XP Home Edition Microsoft Windows XP Professional x64 Edition De productnamen van Windows Vista zijn als volgt: Microsoft Windows Vista Ultimate Microsoft Windows Vista Business Microsoft Windows Vista Home Premium Microsoft Windows Vista Home Basic Microsoft Windows Vista Enterprise De productnamen van Windows 7 zijn als volgt: Microsoft Windows 7 Home Premium Microsoft Windows 7 Professional Microsoft Windows 7 Ultimate Microsoft Windows 7 Enterprise De productnamen van Windows 8 zijn als volgt: Microsoft Windows 8 Microsoft Windows 8 Pro 247
11. Bijlage Microsoft Windows 8 Enterprise De productnamen van Windows 8.1 zijn als volgt: Microsoft Windows 8.1 Microsoft Windows 8.1 Pro Microsoft Windows 8.1 Enterprise De productnamen van Windows Server 2003 zijn als volgt: Microsoft Windows Server 2003 Standard Edition Microsoft Windows Server 2003 Enterprise Edition De productnamen van Windows Server 2003 R2 zijn als volgt: Microsoft Windows Server 2003 R2 Standard Edition Microsoft Windows Server 2003 R2 Enterprise Edition De productnamen van Windows Server 2008 zijn als volgt: Microsoft Windows Server 2008 Foundation Microsoft Windows Server 2008 Standard Microsoft Windows Server 2008 Enterprise De productnamen van Windows Server 2008 R2 zijn als volgt: Microsoft Windows Server 2008 R2 Foundation Microsoft Windows Server 2008 R2 Standard Microsoft Windows Server 2008 R2 Enterprise De productnamen van Windows Server 2012 zijn als volgt: Microsoft Windows Server 2012 Foundation Microsoft Windows Server 2012 Essentials Microsoft Windows Server 2012 Standard De productnamen van Windows Server 2012 R2 zijn als volgt: Microsoft Windows Server 2012 R2 Foundation Microsoft Windows Server 2012 R2 Essentials Microsoft Windows Server 2012 R2 Standard Microsoft Windows Server 2012 R2 Datacenter Schermafbeeldingen van Microsoft-producten zijn afgedrukt met toestemming van Microsoft Corporation. 248
INDEX A Aanbevolen origineelformaten... 49 ADF (Auto Document Feeder)...209 Adresboek... 74, 100, 147 Adresboek (pc-fax)...119 Afbeeldingsbelichting... 114 Afbeeldingsdichtheid...71, 87 Afdrukgebied...38 Algemene IPsec-instellingen...192 Apparaatinformatie...174 B Basisbewerking...53, 59, 82, 131 Bedieningspaneel...21 Bedieningstoepassingen... 26 Beheerderinstellingen... 197 Beheerdersinstellingen... 163, 197 Beheerderswachtwoord... 10 Beheerderwachtwoord...197 Belangrijke veiligheidsvoorschriften... 12, 15 Binnenkant... 21 Bovenste pagina... 170 Broadcastfunctie...110 Buitenkant...19 C Configuratiepagina...153, 196 D Datum... 98 Datum instellen... 199 De papiersoort opgeven...47 DHCP...29 Direct kiezen...112 Directe verzending...103 Disclaimer...7 DNS-instelling...185 Doorsturen... 125 Draadloze LAN-installatie... 31 Dubbelzijdig afdrukken... 53 Dubbelzijdige kopieën...63 E Een aangepast papierformaat opgeven... 48 Een fax annuleren...106, 118 Een fax ontvangen... 122 Een fax versturen... 103, 104 Een kopie annuleren... 60 Eerste setup... 27 Energiespaarstand... 200 ENERGY STAR-programma... 16 F FAX/TAD-modus...124 FAX/TEL handmatige modus... 123 Faxapparaatscherm...97 Faxbestemmingen...100, 180 Faxeigenschappen...142 Faxfunctie...245 Foutmeldingen... 229 G Gecombineerde kopie...63 Geheugenontvangst... 125 Geheugenverzending...103 Geluidsvolume aanpassen... 175 Glasplaat... 208 H Handelsmerken... 247 Handinvoer... 45 Handmatig IP-adres... 30 Het kopieerapparaatscherm... 57 Het scannerscherm... 73 Het standaard papierformaat opgeven... 47 Het stuurprogramma en de software installeren.28 I Identiteitsbewijs kopiëren...68 Inleiding...7 Instelling voor datum...199 Instelling voor datum en tijd... 199 Instelling voor tijd... 199 Instellingen Automatische E-mailmelding...186 Instellingen back-uppen... 198 Instellingen herstellen...199 Instellingen resetten...197 Instellingen scannereigenschappen... 138 249
Instellingen voor het versturen van faxen...140 Interface... 179 IP-adres... 8, 29 IPsec-beleidsinstellingen...192 IPsec-instellingen... 192 IPv6-configuratie... 183 K Kopieereigenschappen... 134 Kopieerfunctie... 243 L Lade 1... 41 Lijsten... 129, 153, 196 M Menuoverzicht...133 Modellen...11 N Netwerkapplicatie... 183 Netwerkinstellingen... 29, 159, 182 Netwerkstatus... 182 Niet aanbevolen papiertypen...37 O Ondersteund papier...35 Onscanbaar gebied...50 Ontvangstmodus... 122 Opnieuw kiezen...111 Origineeltype...71 Origineeltypen die niet door de ADF worden ondersteund... 49 Originelen... 49 Originelen plaatsen...51 P Papier plaatsen...41 Papierlade-instellingen... 149, 175 Papierstoring... 213, 216, 218 Pauze/Redial-knop...84 PC-fax... 117 POP3-instellingen...188 Printcartridge...203, 240 Printereigenschappen... 155 Printerfunctie... 243 Problemen met de afdrukkwaliteit...220 Problemen met de printer... 221 Problemen met de scanner... 225 Problemen met kopiëren...223 Problemen met papierdoorvoer...212 Problemen oplossen...211, 212, 220, 221, 222, 223, 225, 226, 229 R Rapporten...129, 153, 196 Resolutie... 88, 115 S Scanbestemmingen... 74, 80, 84, 180 Scanformaat... 87 Scanfunctie... 244 Scannen... 90 Scannen naar e-mail... 74, 82 Scannen naar FTP... 74, 82 Scannen naar map... 74, 82 Scannen naar USB...85 Schoonmaken...205, 206, 208, 209 Shortcut naar functie... 179 Shortcut naar functie-knop... 179 SMTP-instellingen...187 Sneltoetsen...84 SNMP-instellingen... 186 Specificaties...241, 243, 244, 245 Standaardinstellingen... 197 Statusinformatie... 172 Statusmeldingen... 229 Systeeminformatie... 172 Systeeminstellingen... 148, 175 T Taak annuleren...55 Taal...171 Tekens invoeren...99 Tellerinformatie...173 Toestand van het apparaat... 220 Toner...172, 237 Tonerbeheer... 178 TWAIN...90 250
Tijd... 98 Tijd instellen... 199 V Veelvoorkomende problemen... 211 Verbruiksartikelen...240 Vergrot... 61 Vergrote of verkleinde kopieën...61 Verkl...61 Verkorte kiesbestemming...109 Verplaatsing... 238 Verschillen in prestaties/functies tussen verschillende modellen...8 Vervangen... 203 Verzendingsmodus...103 W Web Image Monitor...169 Wettelijk verbod... 7 WIA... 95 Wireless LAN-instellingen... 189 251
MEMO 252 NL NL M217-8657
2014
NL NL M217-8657