Inzetprocedure O.G.S. PBO Cursus Sergeant 2010 Hoofdstuk 9 O/Lt. Filip Van Acker Brandweer Zelzate Filip.vanacker@brandweervlaanderen.be 0475/58.95.58
Waarom een procedure? Ongevallen met Gevaarlijke stoffen vereisen een andere aanpak. Komen niet veel voor, dus toetsen van de procedure is belangrijk. Iedereen moet weten wat zijn specifieke taak is, en waar hij mee bezig is!!!
Inleiding : In dit hoofdstuk zullen we het hebben over : 1. Gebiedsindeling 2. Taakverdeling 3. Uitrukfase 4. Verkenningsfase 5. Inzetfase 6. Ontsmettingsfase 7. Nazorgfase 9. Gebruik van een explosiemeter
1.Gebiedsindeling WIND Werkveld brandweer BW voertuigen CP-Ops Minstens 25 m GEVARENZONE INCIDENT A U O W NIET BESMET OPSTELLIJN Ontsmettingsveld BESMET
1. Gebiedsindeling 1. De gevarenzone : Dit is het gebied rondom een ongeval met gevaarlijke stoffen waarbinnen de emissie (ontsnapping) van de stoffen plaatsvindt. De grens van de gevarenzone wordt gevormd door de lijn waar : 10 % van de OEG wordt gemeten (brandbare vloeistoffen en gassen). De Wettelijke grenswaarde (vroeger MAC-waarde) van de stof gemeten wordt (giftige stoffen). Een dosistempo wordt gemeten van 25 usv/h (radioactiviteit) Bij een combinatie van bovengestelde waarden.
1. Gebiedsindeling : 2. De opstelplaats : Is de plaats waar de brandweer bij aankomst het personeel en materieel opstelt. Is bovenwinds gelegen op een afstand van minimaal 25 meter. Door waarnemingen en metingen ter plaatse kan de grens liggen op : 50 meter : overzichtelijke situatie, stof bekend, gevaren bekend en beperkt, geen explosiegevaar. 100 meter : stoffen onbekend, onoverzichtelijke situatie, geen zekerheid over de windrichting. 500 meter : Dreiging van een krachtige explosie ( BLEVE ). Denk ook aan hoogteverschillen mbt uitstroom van vloeistoffen!!!!
1. Gebiedsindeling. 2. Opstelplaats : 50 meter 100 meter 500 meter
1. Gebiedsindeling : 3. Opstellijn: De opstellijn is een duidelijk met lint, kegels of een ketting gemarkeerde lijn. Bevindt zich op tenminste 25 meter bovenwinds van de grens van het ongeval (50 meter is aan te raden). Het materieel staat opgesteld achter deze opstellijn. Deze lijn is bedoeld als een fysieke barrière tussen het veilige en het onveilige gebied. 4. Het werkveld van de brandweer: Het werkveld van de brandweer is het gebied tussen de opstellijn en de grens van het ongeval. Het werkveld mag alleen worden betreden door brandweerpersoneel als aan de noodzakelijke veiligheidsvoorwaarden is voldaan.
1. Gebiedsindeling : 5. Het ontsmettingsveld: Dit veld dient als een sluis tussen het (mogelijk) besmette werkveld en het veilige gebied. Windrichting Aankleedplaats Uitkleedplaats Ontsmettingsplaats Wachtplaats -Registratie -Reserve kledij -Drinken -Grondzeil -Badslippers -Handdoeken -Afvoer besmette kledij -Douche -Opvangbekken -Detergenten -Water -Borstels -Sponsen -Emmers -Stoeltjes -Externe ademlucht NIET BESMET Opstellijn BESMET GEBIED
1. Gebiedsindeling : 7. Effectgebied : Het effectgebied is het verder benedenwinds gelegen gedeelte van de gevarenzone. In dit gebied kan het nodig zijn maatregelen ten aanzien van de bevolking te nemen. Aan de rand van dit gebied zullen dus ook de meetploegen (Victim)ingezet worden.
2. Taakverdeling : 1. Taak officier van dienst : Geeft leiding aan de brandweereenheden ter plaatse. Coördineert het optreden van de gezamelijke hulpverlenende diensten. Geeft leiding en advies aan de onderofficieren omtrent verkenning, inzet en redding eventueel bijgestaan door een AGS. 2. Taak Onderofficier / niveau Adjudant: Samenstellen van verkennings-, inzet-, of ontsmettingsploegen. Aanwijzen van helpers bij het voorbereiden van de inzetten. Leiding geven aan één of twee ploegen plus helpers. Communicatie verzorgen met de ploegen en de officier / AGS. Zorg dragen voor de algemene veiligheid. Verzorgen van de registratie van de ploegen.
2. Taakverdeling : 3. Taak onderofficier / Sergeant : Doet de verkenning samen met de verkenningsploeg. Onderhoud contact met de Adjudant of officier. Zorgt voor een veilige verkenning en controleert de te gebruiken meetapparatuur. 4. Taak Korporaals / brandweermannen / overig personeel : Deze vormen de verkenningsploeg en stand-by ploeg. Deze vormen de inzetploeg. Deze zorgen voor de ontsmetting. Deze doen andere taken op vraag van de Officieren en/of onderofficieren.
3. Uitrukfase Bij de melding van een incident met gevaarlijke stoffen zal de centrale navraag doen naar een aantal gegevens : Het Gevi-nummer, de stofnaam en/of het UN-nummer. Het soort voertuig, object of installatie. De aard van het incident ( brand of lekkage ). De hoeveelheid gevaarlijke stof die vrijkomt. Het aantal slachtoffers. Of er reeds deskundigen gewaarschuwd zijn. De eventuele windrichting ter plaatse. Of er informanten aanwezig zijn.
3. Uitrukfase : Tijdens het aanrijden moet de Onderofficier op de hoogte gesteld worden van de ongevalsgegevens. Op grond van deze informatie zal de onderofficier het volgende overwegen : * Het aanrijden zelf, dat bovenwinds moet gebeuren. * De betrokken stof (door opzoeken en/of navragen van gegevens). * De te gebruiken meetapparatuur. * De bluswatervoorzieningen en type blusstof. * Het informeren van de mansschappen (wordt vaak vergeten!!). * De in acht te nemen afstand bij aankomst (dreigende explosie!!).
4. Verkenningsfase : Het eerste dat de onderofficier na aankomst te doen staat, is controleren of de opstelplaats veilig is. Dit gebeurt d.m.v : Het controleren van de windrichting ter plaatse. Visuele waarneming van het incident (desnoods met verrekijker). Het ondervragen van informanten. Het meten met de explosiemeter en (indien van toepassing ) met meetbuisjes of een alarmdosistempometer. DENK EERST NA VOOR JE IETS ONDERNEEMT EN DENK DAARBIJ AAN UW EIGEN VEILIGHEID EN DAT VAN ANDEREN.
4. Verkenningsfase : Aangezien de beschikbare informatie in deze fase vaak onvolledig of onbetrouwbaar is zal de (voorlopige) opstelplaats zich vaak op 100 meter moeten bevinden. In dat geval zal een eerste voorlopige verkenning worden uitgevoerd door de Onderofficier met één lid van de verkenningsploeg, in uitrukkledij, met explosiemeter, communicatiemiddelen en aangesloten ademlucht. Op grond van deze verkenningsresultaten kunnen de voertuigen mogelijk dichter naderen tot de 25 meter grens. GOUDEN REGEL = STOP STEEDS OP 100 m VAN HET INCIDENT!
4. Verkenningsfase : De acties die nu volgen, vinden in principe plaats onder leiding van de Officier. Enkel in volgende gevallen mag tot directe actie worden overgegaan : * Als er gewonde slachtoffers gered moeten worden. * Door een snelle gerichte actie een levensbedreigend gevaar voor mensen weggenomen kan worden. Onder leiding officier Directe actie!
4. Verkenningsfase : Bij elke inzet, met name bij de allereerste acties, moeten de onderstaande tien basisveiligheidsregels in acht worden genomen: 1. Het verwachte resultaat moet opwegen tegen de risico s voor het personeel. 2. Werk steeds met ploegen van 2 personen. 3. Stel zo weinig mogelijk personeel zo kort mogelijk aan het gevaar bloot. 4. Vermijd alle contact met de gevaarlijke stof. 5. Stel een vluchtroute vast. 6. Pas toereikende persoonlijke bescherming toe ( altijd adembescherming!!!). 7. Controleer steeds op explosiegevaar met behulp van de explosiemeter. 8. Houd steeds een stand-by ploeg beschikbaar met dezelfde bescherming als de ingezette ploeg(en). 9. Houd een Hoge-drukstraal beschikbaar of voer acties uit onder dekking. 10.Doe niets waar je aan twijfelt, vraag tijdig de goede informatie!!!
4. Verkenningsfase : Welke beschermkledij doen we aan voor de verkenning? 1. Normale uitrukkledij + adembescherming : * Geen kans op contact met de stof (????? ). * Grote kans op ontsteking ( Gevi 33 ). 2. Chemicaliënpak en/of Gaspak: * Stoffen zijn onbekend en situatie is niet overzichtelijk. * Bij elke twijfel => Chemicaliënpak!!!
4. Verkenningsfase : Wat te doen indien er dringend slachtoffers moeten gered worden? Indien er zich slachtoffers in het gevarengebied bevinden mogen deze door een grijpredding gered worden in een beschermingsklasse lager als aangegeven in de literatuur ( Eric-kaartenboek, chemieboek, gevarenkaart ). Voorwaarde voor deze redding is wel dat : * Er geen rechtstreeks contact is met de stof. * De slachtoffers zich in bovenwinds gebied bevinden. BIJ OGS PROCEDURE IS VEILIGHEID VOOR EIGEN PERSONEEL PRIORITEIT NR 1!!!!!
4. Verkenningsfase : Wat zijn de taken van de verkenners? De verkenners hebben als opdracht om d.m.v. waarnemingen informatie te verschaffen over de aard en omvang van het incident : Zijn er slachtoffers, en zo ja, zijn ze mobiel of te verplaatsen? Zijn er borden of opschriften? Zijn er documenten beschikbaar en te vinden? Wat voor soort omhulling, verpakking is erbij betrokken? Is er lekkage, en zo ja, waarvan en waar? Is er explosiegevaar? => Explosiemeter in alarm = TERUG!! Hoe groot is het lek of de vloeistofplas? Is er gevaar voor verdere verspreiding naar open water, riolen,..? Zijn er andere zaken aanwezig zoals drukmeters, temperatuursmeters,..?
5. Inzetfase Of de brandweer bij een ongeval met gevaarlijke stoffen daadwerkelijk tot een inzet moet overgaan moet afgewogen worden tegen de risico s die opgelopen kunnen worden. In veel gevallen zal de inzet zich beperken tot het stabiliseren van de situatie bijvoorbeeld door het dichten van een gat in een tankwand, het afdekken van een vloeistofplas met schuim of het verdunnen of neerslaan van een gaswolk. Meestal zal bij een daadwerkelijke inzet gebruik gemaakt worden van deskundige hulp zoals : * Gaspakkenteams * Gespecialiseerde bedrijven ( Civiele Bescherming,BASF, DOW )
6. Ontsmettingsfase Welke beschermingskledij ook gebruikt is, het kan altijd nodig zijn om de ontsmettingsprocedure te starten. De beslissing hierover wordt genomen door de Officier van dienst eventueel bijgestaan door een AGS. Bij de ontsmetting heeft een Onderofficier de leiding over de ontsmettingsploegen en heeft hij vooral een controlerende taak met betrekking tot : * Het gebruik van reserve-ademlucht (meerurenaansluiting). * Het nauwkeurig ontsmetten op advies van de OVD / AGS. * De opvang van de ontsmettingsstof. * Het opbergen en labelen van de besmette kledij. * De aanwezigheid van voldoende materiaal. * De verzorging van ontsmet personeel.
6. Ontsmettingsfase : De registratie van de ontsmette personen zal ook gebeuren door een aangestelde onderofficier onder toezicht van de Officier en eventueel bijgestaan door een AGS. Opvang gebruikte kledij
7. Nazorgfase De nazorg treedt in nadat : * Het incident is gestabiliseerd. * Eventuele slachtoffers zijn gered en afgevoerd. * Het gevarengebied is vrijgegeven. * De ontsmetting van personeel en materieel heeft plaatsgevonden.
7. Nazorgfase Medische controle : Personeel dat tijdens de actie in direct contact is gekomen met gevaarlijke stoffen (huidcontact of via de luchtwegen ) moeten altijd onder medisch toezicht worden gesteld. In veel gevallen zal dit zich beperken tot een urinestaal of bloedprik bij de korpsarst.
Het gebruik van een explosiemeter Hoe werkt nu een explosiemeter? Een explosie(gevaar)meter wordt gebruikt om te meten of een eventueel aanwezig gas/luchtmengsel te ontsteken is. De meetmethode berust op het principe van de katalytische verbranding, dit betekend dus dat het te meten gas in het meettoestel verbrand wordt. De energie welke bij de katalytische verbranding vrijkomt wordt gemeten, versterkt en weergegeven op het display in procenten van de onderste explosiegrens De zuurstof welke nodig is voor deze verbranding wordt uit het gas/lucht mengsel gehaald ( let op minimaal 15% ). De meeste explosie(gevaar)meters zijn geijkt op methaan.
Het gebruik van een explosiemeter Wat lees ik nu eigenlijk af op het display? De waarde die wordt afgelezen op het display is steeds de waarde ten opzichte van de onderste explosiegrens. Het is dus niet het percentage gas/damp aanwezig in een ruimte of de omgeving. De explosiemeter geeft reeds alarm bij het bereiken van 10% van de onderste explosiegrens. Indien men dus 100 % meet betekend dit dat de onderste explosiegrens bereikt is en het gas/luchtmengsel te ontsteken is.
Het gebruik van een explosiemeter Voorbeeld van een meting : Meter geijkt op ethyleen i.p.v. methaan Meting in een ethyleen/luchtmengsel. Het explosiegebied van ethyleen ligt tussen 2.7 Vol% en 36 Vol%. Op hoeveel Vol% en ppm zal de meter een eerste alarm geven? 10 % van 2.7 Vol. % = 0.27 Vol. % of 2700 ppm (2.7 % is de onderste explosiegrens van ethyleen)
Het gebruik van een explosiemeter ENKELE TIPS VOOR EEN GOEDE METING : Omdat veel gassen zwaarder zijn dan lucht is het belangrijk om op verschillende hoogtes te meten, denk hierbij ook aan riolen, sloten e, kelders!!! Er moet steeds een hoeveelheid zuurstof (15%) aanwezig zijn om een goede meting te bekomen. Meet nooit corrosieve gassen, deze kunnen het meetelement definitief beschadigen ( vb. chloorgas, loodhoudende benzine ). Denk aan luchtstromingen en voer dus op verschillende plaatsen metingen uit. Voer gedurende langere tijd metingen uit (minimaal 180 sec/meting), vooral wanneer de oorzaak van de aanwezigheid en het soort gas nog niet gekend is. Hou er steeds rekening mee dat de meeste explosiemeters geijkt zijn op methaan zodat men bij metingen van andere soorten gassen vergelijkingtabellen zal moeten hanteren. HOU ER STEEDS REKENING MEE DAT DE SITUATIE SNEL KAN VERANDEREN!!!