ENGELS GESPREKKEN A2 IE 002 Kennismaken met een collega Kandidaat00 1
Voor het examen Planning Voor het examen krijg je het examenboekje en stem je het onderwerp van je gesprek af met de examenafnemer (indien nodig). Wie dat is en wanneer je dat kunt doen, hoor je als je het examenboekje krijgt. Voorbereiding Lees de opdracht en bereid je goed voor. Hulpmiddelen een woordenboek (alleen bij de voorbereiding) aantekeningen in steekwoorden: je mag niet voorlezen Wat ga je doen? Voor het examen Engels Gesprekken A2 voer je het volgende gesprek: Kennismaken met een collega Voor deze opdracht ga je een kennismakingsgesprek voeren met een nieuwe, Engelstalige collega. Jullie stellen jezelf aan elkaar voor. Hoe ziet het examen eruit? Het gesprek moet ongeveer 4 minuten duren. De volgende punten moeten tijdens het gesprek aan bod komen: 1. Begroet je nieuwe collega. 2. Stel jezelf voor. 3. Vraag naar de naam van je nieuwe collega. 4. Vraag hoe het met je collega gaat. 5. Vraag wat je collega gaat doen op het werk. 6. Vertel hoelang je zelf al bij het bedrijf/de instelling werkt. 7. Vertel wat je mening is over het bedrijf/de instelling. 8. Reageer op de vraag van je nieuwe collega, vertel wat jouw werkzaamheden zijn bij het bedrijf. Noem minimaal twee dingen. 9. Maak een afspraak om later verder te praten. 10. Neem afscheid van je collega. 2
Beoordeling De taalassessor beoordeelt je gespreksvaardigheid op niveau A2. Die beoordeling gaat in drie stappen: de precondities, de niveaubepaling en de cijferbepaling. Die stappen staan hieronder uitgewerkt. De precondities Dit zijn de voorwaarden waaraan je examen moet voldoen. Deze precondities zijn: De opdrachten zijn in het Engels gesproken; De opdrachten zijn voldoende verstaanbaar; Je hebt minimaal 80% van de totale opdracht uitgewerkt. Wanneer je examen niet voldoet aan al deze precondities, gaat de beoordeling niet verder en is het eindcijfer een 1,0. 3
De niveaubepaling [A2] Je moet laten zien dat jouw gespreksvaardigheid minimaal voldoet aan de volledige onderstaande omschrijving: Samenhang Je mag nog fouten maken in het aanbrengen van opbouw in het gesprek. Je gebruikt eenvoudige, veelvoorkomende voeg- en verwijswoorden (zoals because, but, then, this en him ). Bereik en beheersing van de woordenschat Je hebt voldoende woordenschat om je te redden bij belangrijke levensbehoeften en je kunt een beperkt aantal uit het hoofd geleerde uitdrukkingen gebruiken om te voorzien in alledaagse behoeften. Je gebruikt lidwoorden meestal op de juiste manier. Met voorzetsels mag je nog vaak fouten maken in veelvoorkomende combinaties (zoals on the table ). Interactie en interactiestrategieën Het lukt je vaak nog niet om het gesprek zelf op gang te houden, maar je reageert vooral op vragen en eenvoudige uitspraken. Je houdt de communicatie in stand met behulp van eenvoudige strategieën (zoals onbegrip aangeven, vragen om herhaling of gebruikmaken van fillers en stopwoorden). Je gebruikt af en toe nog een overkoepelend begrip (zoals fruit in plaats van orange ) of verbuitenlandst een woord uit je moedertaal. Grammaticale correctheid Je gebruikt een aantal eenvoudige constructies correct, maar je mag nog basale fouten maken. De woordvolgorde is meestal correct. Je gebruikt zo nu en dan bijzinnen. De vormen van veelvoorkomende werkwoorden zijn meestal juist. Met de werkwoordstijden mag je nog veel fouten maken. Je verbuigt naamwoorden in een aantal uit het hoofd geleerde constructies (zoals house/houses ). Dit gebeurt nog niet altijd goed. Vloeiendheid Je spreektempo is vrij laag. Je gebruikt zeer korte zinsdelen met voldoende gemak, ondanks duidelijke aarzelingen en valse starts. Uitspraak Je bent over het algemeen duidelijk verstaanbaar, ondanks een merkbaar accent. Je gesprekspartner moet af en toe nog om herhaling vragen. Afstemming taalgebruik op doel en gesprekspartner(s) Je hanteert zeer korte sociale contacten door gebruik te maken van alledaagse beleefdheidsvormen. 4
De cijferbepaling Voor ieder aspect kun je een onvoldoende, voldoende of excellent halen. Voor sommige aspecten kun je ook de beoordeling goed krijgen, maar dat verschilt per niveau. Bij dit niveau kun je een goed halen voor de aspecten Samenhang, Bereik en beheersing van de woordenschat, Vloeiendheid en Afstemming taalgebruik op doel en gesprekspartner(s). Hoe bereken je je cijfer? Er zijn twee cijferschalen: een cijferschaal voor voldoendes, van 6,0 tot en met 10,0 een cijferschaal voor onvoldoendes, van 1,0 tot en met 5,4 Voldoende Als je het niveau hebt behaald, krijg je een cijfer op de cijferschaal voor voldoendes. Je start met een 6,0. Bij ieder aspect waarvoor je een goed of excellent hebt gehaald, wordt je cijfer hoger. Dit gaat met vaste stappen. Deze stapgroottes zijn bepaald door het aantal aspecten waarvoor je een goed of excellent kunt halen te verdelen over de cijferschaal van 6,0 tot en met 10,0. Met deze formule kun je je cijfer berekenen: 6,0 + (aantal aspecten goed * 0,29) + (aantal aspecten excellent * 0,57) = cijfer 1 Onvoldoende Als je het niveau niet hebt behaald, krijg je een cijfer op de cijferschaal voor onvoldoendes. Heb je voor een aspect een onvoldoende gehaald? Dan krijg je een 5,4. Bij ieder volgend aspect waarvoor je een onvoldoende hebt gehaald, wordt je cijfer lager. Dit gaat met vaste stappen. Als je sommige aspecten onvoldoende, maar andere aspecten goed en/of excellent hebt uitgewerkt, kun je daarmee je cijfer verbeteren. Ook dit gaat met vaste stappen. Deze stapgroottes zijn bepaald door het aantal aspecten waarvoor je een onvoldoende, goed of excellent kunt halen te verdelen over de cijferschaal van 1,0 tot en met 5,4. Let op: je kunt nooit hoger halen dan een 5,4 als één of meerdere aspecten onvoldoende zijn. Met deze formule kun je je cijfer berekenen: 5,4 ((aantal aspecten onvoldoende 1) * 0,73) + (aantal aspecten goed * 0,37) + (aantal aspecten excellent * 0,73) = cijfer 1 1 In de TOA wordt het eindcijfer afgerond op één decimaal. 5
6