Preek van de week: zondag 15 april 2018 Predikant: Arend Linde De Vredehorst Lezing: Genesis 4: 1 16 Mattheüs 5: 1 10 1. Over Kaïn en Abel. Harmen Jansz Muller (1539 1617), Kaïn en Abel. 1. Voorlezer: Eva kreeg een zoon. Ze noemde hem Kaïn. Ze was trots. Een man zou hij worden, sterk en stoer. Ze kreeg nog een zoon. Ze noemde hem Abel. Dat betekent: wolkje, lucht, nevel, ademtocht. Kaïn werd akkerbouwer. Abel werd schaapherder. Het ging goed. Ze brachten God een offer. Dat hadden ze thuis geleerd. God heeft er recht op. 1
Dankbaarheid maakt een mens vrijgevig. God was blij met het offer van Abel. Maar op het offer van Kaïn lette Hij even niet. Dat maakte Kaïn boos. Was hij niet goed genoeg? Wat stelde dat broertje van hem eigenlijk voor? Stond hij in een goed blaadje bij God? Had hij een streepje voor bij God, misschien? Die vrome kerel, dacht Kaïn. Toen sprak God tot Kaïn. Stem van God: Wat kijk je boos, Kaïn. Wat is er gebeurd? Heb jij het goed gedaan? Als je het goed gedaan hebt, hoef je niet boos te zijn. Is jouw hart goed? Dan hoef je niet bang te zijn voor de zonde. Maar de zonde ligt op de loer. Wees dus op je hoede. Voorlezer: Kaïn zei tegen Abel: ga je mee? Ze gingen samen uit. Maar het liep niet goed af. Kaïn zocht ruzie. Hij sloeg Abel zo hard dat hij dood was. Weer sprak God tot Kaïn. Stem van God: Kaïn, waar is jouw broer, waar is Abel. Voorlezer: Kaïn wilde er niets mee te maken hebben. Hij deed of hij nergens van wist. Hij zei tegen God: 2
Antwoord van Kaïn: Waar Abel is? Weet ik dat. Waarom moet ík op hem passen? Kan hij niet voor zichzelf zorgen? Iedereen is toch zelf verantwoordelijk. 2. Voorlezer: In een gezin werd een zoon geboren. De ouders waren trots. Het was een jongen. Sterk en stoer zou hij zijn. Bij de buren werd ook een zoon geboren. De ouders waren trots. Maar hun zoon werd niet sterk en stoer. Dat hoefde ook niet van de ouders. Hij was gevoelig. De andere jongens noemden hem een watje en een mietje. Ze werden geen vrienden, die twee. De stoere jongen wilde niet graag met zijn buurjongen gezien worden. Hij schaamde zich voor hem. Hij pestte hem graag. Hij hielp hem nooit als hij door anderen gepest werd. Hij vond hem een loser. Op een keer waren ze uit. De stoere jongen was met zijn vrienden. Hij zag zijn buurjongen staan. Hij daagde hem uit en maakte ruzie. Hij wilde zich laten gelden. Hij wilde laten zien wat hij durfde. Hij had een mes. Hij stak zijn buurjongen neer. 3
Dood. Hij ging er met zijn vrienden vandoor. Later stond hij voor de rechter. De rechter sprak: Rechter: Hij was een waardevol mens. Gevoelig, met een goed karakter. Behulpzaam en edelmoedig. Wat heb je gedaan. Waarom stak je hem neer? Mocht jij hem van het leven beroven? Was je jaloers op zijn goedheid? Waarom die agressiviteit? Waarom dit zinloos geweld? Voorlezer: Hij kreeg een stevige straf. De jongen sprak bij zichzelf: Stoere jongen: Waarom heb ik dit gedaan? Het was volkomen zinloos. Ik was mijzelf niet. Ik wilde laten zien wat ik durfde. Het is te erg voor woorden. Hoe kan ik verder leven? Zouden de ouders het kunnen vergeven? Zou God het willen vergeven? Zal er nog leven voor mij zijn? Zal er nog een toekomst voor mij zijn? 3. Voorlezer: Kaïn sprak tot God. Kaïn: Hoe kan ik verder leven? 4
Hoe kan het vergeven worden wat ik heb gedaan? Geen mens zal mij nog vertrouwen. Ze zullen mij ook van het leven beroven. Uit haat en angst en wraakzucht. Waar moet ik heen? Voorlezer: God sprak tot Kaïn. Stem van God: Niemand mag jou doden. Ik wil niet dat het doden steeds maar doorgaat. Straks zullen de mensen elkaar allemaal nog dood slaan. Ik wil dat het stopt. Het is zinloos geweld. Ik heb de mensen geschapen om te leven. Het leven moet doorgaan. Het leven mag doorgaan. Voorlezer: God wil de haat, de angst en de wraakzucht wegnemen. Anders zou het leven voor de mensen geen leven zijn. Dan zou er alleen maar doodslag zijn. Een wereld vol zinloos geweld. Dat wil God niet. Daarom beschermt hij het leven. Daarom beschermt Hij wie zwak is. Daarom beschermt Hij wie bedreigd wordt. Het leven kan goed zijn. Als ons hart goed is. Dan maken wij de wereld veilig. Voor elkaar. 2. Jaloezie. 5
Jaloezie. Adam en Eva zochten zelfstandig inzicht in goed en kwaad. Ze geloven liever in zichzelf dan in God, de Schepper. Ze lieten zich ertoe verleiden God te wantrouwen. Maar het kennen van goed en kwaad, dat is een grote zaak. De mens neemt en krijgt de regie in eigen handen. Maar nu blijkt het kwaad een sterke macht te zijn. Het kwaad ligt op de loer om het menselijk hart binnen te dringen. En om de menselijke geest te beheersen. De zonde ligt op de loer. Ze is begerig om bezit van je te nemen. Pas op Kaïn, let op je zaak. Kaïn en Abel brengen allebei een offer. God zag het offer van Abel. Dat van Kaïn zag hij niet. Er staat niet dat Kaïn geen goede intentie had. Het kan ook zijn, dat zijn intentie nu helder wordt. Ook voor hemzelf. Waarom wordt hij anders zo boos? Waarom zou een mens boos worden? Waarom woedend op zijn naaste, op zijn broer, op zijn medemens? Waarom kun je niet blij zijn als de ander aandacht krijgt? Als de ander een compliment krijgt, waarom denk je dan: En ik dan? Waarom krijg ik geen compliment? Ben ik soms niet goed genoeg? Is die ander soms beter dan ik? Waarom denk je zo wantrouwend? Jaloezie is een gevaarlijke zonde. De invidia, de nijd, de jaloezie is niet voor niets één van de zeven hoofdzonden. 6
De invidia, de jaloezie, het kan ook woede betekenen. Je bent woedend omdat je broer, je zuster, je naaste succes heeft? Is je ego gekrenkt? Waarom die pijn? Of is het ook de diepste menselijke angst om niet gezien te worden? Om afgewezen te worden. Dat kan een mens woedend maken. Een woede die een diepe angst verbergt. God spreekt Kaïn aan. Waarom staat je gezicht zo donker? Waarom kijk je naar beneden? Waarom kijk je Abel niet meer aan? Als je goed handelt kun je iedereen toch recht in de ogen kijken? 3. Hoeder van mijn broeder? Waarom moest jij groot en sterk zijn ten koste van die ander? Waarom gebruik je je kracht dan niet om die ander te beschermen? Waarom kun je niet blij zijn dat het die ander goed gaat? Waarom kun je niet blij zijn dat die ander gezien wordt? Het sterke verhaal van de bijbel is dat God kijkt naar het zwakke. Naar Abel. Zijn naam betekent ademtocht, nevel. In mensenogen stelt hij niet veel voor. Maar God kijkt juist naar hem. Naar wie zichzelf niet redden kan. Naar wie klein is en afhankelijk. Naar wie niet gezien wordt en wie niet geacht wordt. Wat Kaïn ook had kunnen doen, was met God meekijken. Hé, mijn zwakke broertje niemand ziet hem staan. Maar God wel, God kijkt juist naar hem. Wat fijn voor hem! Twee broers. Twee jongens. De zwakke en de sterke. De bange en de stoere. Twee mensen. Vaak zien we in de bijbel verhalen over twee mensen. Of twee volken. Abram en Lot. Jakob en Esau. David en Jonathan. David en Saul. De jongste zoon die verloren heet te zijn en de oudste. Israël en Egypte. Israël en Amalek. Twee broers, twee volken. Wat doen ze? Gunnen ze elkaar hun successen? 7
Versterken ze elkaar? Of trekken ze elkaar naar beneden? Of vernietigen ze elkaar? Hoe is de mensenwereld buiten het paradijs? Waarom die haat tegen wat zwak is? Waarom die bewondering van kracht en geweld? Let op je zaak, Kaïn. De zonde, de jaloezie probeert je in de greep te krijgen. Ben jij de hoeder van je broeder? Ben jij de herder van je naaste? Ja, dat was juist wel de bedoeling. Dat de sterke de zwakke beschermt. 4. Leven van genade. Elk mens heeft wel zo n tegenover. Het kan je zuster zijn, je broer, je naaste, vrienden, partners. Jouw motieven worden helder in de ontmoeting. In het samenleven met je naaste. Aan je reactie ontdek je ook je eigen intenties. Misschien was je ze nog niet bewust. Je ontdekt de diepten van je eigen hart. Wat leeft daar? Wrok, woede, haat? En geef je dan de zonde een kans of doe je dat niet. Zalig wie nederig van hart zijn, zegt Jezus. Zalig wie een dienaar wil zijn. De hoeder en herder van je naaste. God beschermt de zwakken. In dit verhaal wordt dit ook waar. Want nu wordt Kaïn de zwakke. Nu wordt hij de zwerver die nergens thuis is. Nu wordt hij een kwetsbaar mens. Nu slaat hem de angst om het hart. En nu ziet God hem ook, in zijn angst en weerloosheid. En nu krijgt hij een teken, een teken van genade. Zijn stoerheid is weg. Hij heeft een hoge prijs betaald. Nu mag hij kwetsbaar zijn. Nu moet hij leven van genade. Nu mag hij leven van genade. Leren leven van genade. God is een herder. Wat fijn voor wie zwak en bang en kwetsbaar is. En laten leven van genade. Wij zijn geroepen om naar de naaste om zien. Er is niets mis met stoerheid. Stoere en sterke mensen hebben we nodig. Het is fijn, als ze maar nederig zijn en de zwakken beschermen. Leven van genade. En laten leven van genade. Stoer is het misschien niet. Of juist wel. Amen. 8