ARBOBELEIDSPLAN 2015-2020 CVO Groep Advies GMT d.d.: 12-01-2015 Instemming pgmr d.d.: 09-03-2015 Vaststelling bestuurder d.d.: 16-04-2015
Inleiding Voor u ligt het arbobeleidsplan van CVO Groep. De Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet) (artikel 3, 4, 6 en 8 Arbowet 1998) verplicht het bevoegd gezag een aantal grondbeginselen in acht te nemen in het kader van de zorg voor de veiligheid, de gezondheid en het welzijn voor de werknemers. Concreet houdt dit in dat er beleid moet worden gevoerd op het gebied van de arbeidsomstandigheden. Voor het onderwijs betekent dit dat arbeidsomstandighedenbeleid (arbobeleid) deel moet uitmaken van het algemene beleid van het schoolbestuur. In de CAO VO 2014 2015 (art. 19.7) worden voorwaarden vermeld waaraan het arbobeleid moet voldoen. Bij het bewerkstelligen van dit Arbobeleidsplan is gebruik gemaakt van een voorbeeld arbobeleidsplan op www.voion.nl. 2
Inhoudsopgave Inhoudsopgave... 3 1 Uitgangspunten... 4 1.1 Arbobeleid in essentie... 4 1.2 Preventieve zorg... 4 1.3 Deskundige ondersteuning... 5 2 Organisatie... 6 2.1 Arbocommissie... 6 2.2 Arbocoördinator en preventiemedewerkers... 7 2.3 Bedrijfshulpverlening... 7 3 Risico-inventarisatie en -evaluatie (RI&E)... 7 3.1 Aanpak en voortgang... 7 3.2 Voorlichting... 8 4 Verzuimbeleid... 8 4.1 Overleg (indien van toepassing)... 8 4.2 Cijfers... 8 5 Speciale doelgroepen... 9 6 Agressie, intimidatie en geweld... 9 7 Registratie van arbeidsongevallen... 9 8 Asbest... 9 9 Arbeidstijdenbeleid...10 10 Financiering...10 11 Overige punten...10 11.1 Alcohol, drugs en medicijnen...10 11.2 Gebruik van chemicaliën, toxische en schadelijke stoffen...10 11.3 Overig...11 11.3.1 Sociale media... 11 11.3.2 Rookbeleid... 11 11.3.3 Voorlichting... 12 11.4 Hulpmiddelen...12 11.5 Calamiteitenplan...12 11.6 Veilig Publieke Taak Onderwijs (VPTO)...13 12 Bijlagen...14 Bijlage 1: Verdeling taken en verantwoordelijkheden...14 Bijlage 2: De functionarissen die met arbozaken belast zijn...16 Bijlage 3: Beleid ten aanzien van bijzondere groepen...17 Bijlage 4: Matrix arbotaken.18 3
1 Uitgangspunten De bestuurder van de onderwijsinstelling CVO Groep en de directie van de aangesloten scholen zijn verantwoordelijk voor het schoolbeleid. Het arbobeleid maakt hier deel van uit en daarom gelden de volgende algemene uitgangspunten ook voor het arbobeleid: - de zorg voor veiligheid, gezondheid en het voorkomen of beheersen van psychosociale arbeidsbelasting van personeel en leerlingen; - het belang van een ongestoorde voortgang van het onderwijsproces; - het voldoen aan kwaliteitseisen voor het onderwijs; - beleidsafspraken uit overige beleidsdocumenten. De bestuurder van de onderwijsinstelling streeft naar optimale arbeidsomstandigheden voor haar personeel en leerlingen. Het arbobeleid is gericht op waarborging van de veiligheid en gezondheid van medewerkers en leerlingen, en op het voorkomen of beheersen van psychosociale arbeidsbelasting (seksuele intimidatie, agressie en geweld, pesten en werkdruk). De bestuurder organiseert het werk op zo n manier dat onaanvaardbare risico s in principe zijn uitgesloten. Vermijdbaar verzuim en arbeidsongeschiktheid worden zo veel als mogelijk tegengegaan. Scholen formuleren en evalueren hiertoe doelen en realistische streefcijfers. Seksuele intimidatie, agressie, geweld, pesten en discriminatie worden actief bestreden. Verder is het streven om personeelsleden zo goed en breed mogelijk in te zetten. Speciale aandacht gaat uit naar de inzet van nieuw personeel, ouderen, herintreders en arbeidsgehandicapten. 1.1 Arbobeleid in essentie Behalve op genoemde uitgangspunten rust het arbobeleid uiteraard op de Arbowet, het Arbobesluit en andere relevante wet- en regelgeving. De doelstellingen van het arbobeleid worden in samenhang met de schooldoelstellingen geformuleerd. Dit gebeurt in overleg met de personeelsvertegenwoordiging ofwel P(G)MR. Het arbobeleidsplan bevat een omschrijving van het beleid waarmee de hoofddoelstelling wordt verwezenlijkt en van de hieruit voortvloeiende taken voor de komende vijf jaar. Indien van toepassing wordt voor elk beleidsonderdeel aangegeven: - wie verantwoordelijk is; - welke procedures worden gevolgd; - welke instrumenten worden gebruikt; - welke vorm van interne of externe ondersteuning nodig is; - hoe de kwaliteitsborging is geregeld. 1.2 Preventieve zorg De bestuurder wil risico s voor veiligheid, gezondheid en psychosociale arbeidsbelasting zo veel mogelijk voorkomen dan wel beheersen. De bestuurder laat zich bij de zorg voor de veiligheid, gezondheid en het voorkomen of beheersen van psychosociale arbeidsbelasting van het personeel ondersteunen door deskundige medewerkers (preventiemedewerkers). De taken van deze medewerkers omvatten tenminste de medewerking aan het verrichten en opstellen van een RI&E, het uitvoeren van arbomaatregelen en preventieve taken en het adviseren aan en overleggen met de medezeggenschapsraad. 4
Voor de preventie en beheersing van arborisico s zijn verschillende middelen beschikbaar zoals beschreven in de Arbocatalogus VO. Een adequaat aankoopbeleid en onderhoudscontracten zijn onlosmakelijk verbonden aan risicopreventie. Bij de bouw en inrichting van schoolgebouwen verdienen de arbeidsomstandigheden extra aandacht. In de omschrijving van de opdracht voor bouw- en inrichtingswerkzaamheden houdt de bestuurder uitdrukkelijk rekening met de arboregelgeving. Als de verantwoordelijkheid hiervoor bij de gemeente ligt, zal de bestuurder deze belangen inbrengen in het overleg met de verantwoordelijke functionaris. De arbocoördinator zorgt voor relevante informatie zoals inkoopspecificaties en ziet toe op de naleving van onderhoudscontracten. 1.3 Deskundige ondersteuning De bestuurder laat zich bij zijn verplichtingen uit de Arbowet bijstaan door een gecertificeerde arbodienst. De bestuurder heeft een contract met de arbodienst ArboNed. In overleg met het GMT en de personeelsvertegenwoordiging (P(G)MR), is voor verzuimbegeleiding een model gekozen waarbij de eerstelijnszorg door een vaste bedrijfsverpleegkundige wordt verzorgd met een vaste bedrijfsarts op de achtergrond. Er is een vast contactpersoon bij de arbodienst. Elk jaar evalueert de bestuurder in samenspraak met het GMT het contract met de arbodienst. Zo nodig wordt het bijgesteld. Namens de bestuurder is de beleidsmedewerker P&O het vaste aanspreekpunt voor de arbodienst. Wat betreft de verzuimbegeleiding is de directeur 1 het aanspreekpunt voor de arbodienst. De arbodienst overlegt vervolgens zowel met de contactpersoon van de bestuurder als met de schoolleiding. 1 Voor directeur kan ook rector gelezen worden. 5
2 Organisatie Het organogram van de onderwijsinstelling CVO Groep ziet er als volgt uit: Raad van Toezicht Bestuurder Centraal Bureau Arbocoördinator CCZ CLZ Dijnselburg Revius Doorn Revius Wijk bij Duurstede EOA Overberg Extern vertrouwenspersoon Preventiemedewerker Vertrouwenspersoon BHV-ers Zie bijlage 1 voor een uitgebreid overzicht van mogelijke taken en verantwoordelijkheden. De drie plaatjes onder CLZ gelden voor elke school. 2.1 Arbocommissie Het arbobeleidsplan wordt opgesteld door een arbocommissie ingesteld door de bestuurder - die bestaat uit de bestuurder, de afdeling P&O (max. twee personen) en het personeel (max. twee personen vanuit de (P)GMR). Het arbobeleidsplan wordt telkens voor een periode van vijf jaar vastgesteld door de bestuurder, nadat de P(G)MR het concept heeft goedgekeurd. (Zie ook bijlage 2, pagina 16) Voor het einde van ieder schooljaar evalueert de arbocommissie het gevoerde arbobeleid aan de hand van dit arbobeleidsplan. Het beleid kan worden bijgesteld als daartoe aanleiding is. 6
2.2 Arbocoördinator en preventiemedewerkers Op school is de directeur/rector verantwoordelijk voor de uitvoering van het arbobeleid. Hij zorgt voor de verdeling van arbotaken en overlegt met de bestuurder. De GMR heeft instemmingsrecht en inspraak bij de totstandkoming van het arbobeleid. De bestuurder stelt een arbocoördinator aan, die een ondersteunende arbowerkgroep leidt. In deze werkgroep zijn de deskundige medewerkers van de scholen (preventiemedewerkers) vertegenwoordigd. De werkzaamheden van de arbocoördinator en preventiemedewerker zijn vastgelegd in een functiebeschrijving. De werkzaamheden van de arbocoördinator beslaan acht klokuur per week; de werkzaamheden van de preventiewerkers op de scholen beslaan vier klokuren per week. Wanneer beide functies door een persoon wordt uitgevoerd, staat daar een urenvergoeding van tien uur tegenover. De preventiemedewerkers zorgen samen met de arbocoördinator voor de uitvoering van de arbotaken op de scholen. De directeur blijft de eindverantwoordelijke hiervoor. 2.3 Bedrijfshulpverlening De schoolleiding is verantwoordelijk voor de inrichting van de bedrijfshulpverlening (BHV). De preventiemedewerker regelt de uitvoering ervan. Een externe organisatie verzorgt de noodzakelijke opleiding voor BHV-ers, die uit het budget voor deskundigheidsbevordering wordt bekostigd. Minstens eenmaal per jaar wordt het ontruimingsplan geoefend. 3 Risico-inventarisatie en -evaluatie (RI&E) De RI&E wordt een keer per vier jaar door de deskundige medewerkers (preventiemedewerkers) uitgevoerd in overleg met de directeur en arbocommissie of in overleg met de arbocoördinator. De schoolleiding is eindverantwoordelijk voor de RI&E. Resultaten worden aan de MR voorgelegd. De arbocoördinator bepaalt jaarlijks of gewijzigde omstandigheden een (gedeeltelijke) herhaling van de RI&E vereisen. In ieder geval wordt jaarlijks een veiligheidscontrole uitgevoerd aan de hand van controlelijsten uit de Arboscan-VO. 3.1 Aanpak en voortgang Conform de Arbowet 2007 stelt een school op grond van de resultaten van de RI&E een plan van aanpak op. Hierin staat welke risico s met welke prioriteit aangepakt worden, welke werkzaamheden hiermee gepaard gaan, wie daarvoor verantwoordelijk is en welk budget in termen van tijd en geld daarmee gemoeid is. Ook is terug te lezen welke activiteiten al zijn uitgevoerd. Het plan van aanpak wordt aan de MR voorgelegd. Aan het eind van het schooljaar wordt het plan van aanpak geëvalueerd en aangepast voor het volgende jaar. Dit gebeurt aan de hand van een door de preventiemedewerker te vervaardigen voortgangsverslag (een overzicht van al dan niet gerealiseerde maatregelen) 2. De bevindingen worden op bestuursniveau gebundeld en besproken met de MR. 2 Het informeren van de medezeggenschap over de voortgang van het plan van aanpak is niet langer in de Arbowet geregeld. Op grond van de WMS (art. 8) heeft een GMR recht op informatie. 7
3.2 Voorlichting Op grond van de uitkomsten van de RI&E, teamvergaderingen en individuele gesprekken met teamleden wordt bepaald over welke risico s het personeel voorlichting moet krijgen. In ieder geval wordt aandacht besteed aan: - de veiligheids- en werkinstructies voor leerkrachten en leerlingen; - werkgebonden risico s, zoals agressie, geweld en stress; - het verzuimbeleid en bijbehorende protocollen; - de ontwikkeling van het ziekteverzuim op school; - de introductie van nieuwe medewerkers, stagiair(e)s en leerlingen. 4 Verzuimbeleid De bestuurder heeft een verzuimbeleid ontwikkeld, inclusief verzuimprotocollen, en ter instemming voorgelegd aan de PGMR. Het verzuimbeleid wordt jaarlijks door de bestuurder geëvalueerd en bijgesteld. Het verzuimbeleid inclusief de verzuimprotocollen voldoen aan de bepalingen van de Wet Verbetering Poortwachter (WVP). De schoolleiding is verantwoordelijk voor de uitvoering van het verzuimbeleid en wordt hierin ondersteund door de arbodienst. Zie het verzuimbeleidsplan voor een uitgebreide beschrijving. 4.1 Overleg (indien van toepassing) a. Minimaal 1 keer per jaar komt het sociaal-medisch team (SMT) bij elkaar voor overleg. Het team bestaat uit een vertegenwoordiger van de bestuurder, de bedrijfsarts en/of maatschappelijk werker en de directeur/direct leidinggevende (alleen voor actuele verzuimgevallen). In het overleg worden ontwikkelingen geagendeerd die van invloed kunnen zijn op het verzuimbeleid. Op verzoek van de bestuurder of op eigen verzoek kunnen directeuren van andere scholen binnen dezelfde onderwijsinstelling aan het overleg deelnemen. De onderwerpen op de agenda kunnen immers voor hen ook van belang zijn. Naast het beleidsmatig deel kan verzuimcasuïstiek geagendeerd worden. b. Door de gekozen constructie van de bedrijfsverpleegkundige die op regelmatige -vooraf bepaalde- tijden op de scholen aanwezig is, is direct contact met medewerkers en leidinggevende geborgd. c. Tweemaal per jaar neemt de beleidsmedewerker P&O met de bedrijfsarts de algemene gang van zaken door (ontwikkelingen in de organisatie, trends in de verzuimcijfers, etc). 4.2 Cijfers De verzuimkengetallen die het Centraal Bureau verzamelt, worden maandelijks aan de schoolleiding bekend gemaakt. De schoolleiding bespreekt de verzuimkengetallen in het teamoverleg en, zo nodig, in het SMT-overleg. 8
5 Speciale doelgroepen Nieuwe medewerkers, senioren en arbeidsgehandicapten zijn onderwerp van specifiek op deze groepen gericht beleid, zoals verwoord in het personeelsbeleidsplan van de instelling. De schoolleiding is verantwoordelijk voor de implementatie. Aandacht voor oudere (45+) medewerkers, nieuwe leerkrachten, stagiair(e)s en beginnende leerkrachten komt in de begeleiding, functioneringsgesprekken en beoordelingen nadrukkelijk naar voren. (Zie ook bijlage 3, pagina 17) 6 Agressie, intimidatie en geweld De werkgever registreert alle incidenten van agressie, geweld, pesten, discriminatie en seksuele- en homo-intimidatie die in de school of de directe omgeving van de school gebeuren. De wijze waarop de incidentenregistratie is georganiseerd inclusief de toedeling van taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden is schriftelijk vastgelegd. De bestuurder hanteert een beleid dat alle vormen van (seksuele) intimidatie, agressie, geweld, pesten en racistisch gedrag jegens personeel en leerlingen tegengaat. Een klachtenprocedure, een gedragscode en de aanstelling van vertrouwenspersonen maken hiervan onderdeel uit. Op bestuursniveau is een vertrouwenspersoon voor het personeel aangesteld. Voor de leerlingen heeft de schoolleiding op school een medewerker aangewezen bij wie ze hun verhaal kwijt kunnen. Elke school gebruikt de door de bestuurder vastgestelde gedragscode voor de omgang met leerlingen in bijzondere situaties. 7 Registratie van arbeidsongevallen De werkgever meldt arbeidsongevallen die leiden tot de dood, een blijvend letsel of een ziekenhuisopname direct aan de daartoe aangewezen toezichthouder [Arbeidsinspectie] en rapporteert hierover desgevraagd zo spoedig mogelijk schriftelijk aan deze toezichthouder. (Artikel 9, lid 1). Deze ongevallen worden direct schriftelijk aan de Arbeidsinspectie gemeld. Op bestuurlijk niveau wordt een registratie bijgehouden van arbeidsongevallen die bij de Arbeidsinspectie gemeld zijn. Ook arbeidsongevallen die geleid hebben tot een verzuim van meer dan drie werkdagen worden in deze registratie opgenomen. Bij een arbeidsongeval, zoals hiervoor omschreven, vult de arbocoördinator of een daarvoor aangewezen persoon een ongevallenmeldingsformulier in. Dit formulier is verkrijgbaar bij de preventiemedewerker. Het formulier moet binnen 24 uur na het ongeval ingevuld worden. In het register van arbeidsongevallen die aan de Arbeidsinspectie gemeld moeten worden, wordt in ieder geval de datum en aard van arbeidsongeval opgenomen. Uit de geregistreerde informatie blijkt of er gevaarlijke situaties zijn of kunnen ontstaan. Elk kwartaal bespreekt de arbocoördinator het register met de schoolleiding. 8 Asbest In 2011 is vanuit de gemeente Zeist aangegeven dat een inventarisatie van asbesthoudende materialen die in de scholen aanwezig noodzakelijk was. CVO heeft in dat jaar een 9
gecertificeerd bedrijf de opdracht gegeven die inventarisatie te doen. Op een plek is geconstateerd dat asbestverwijdering op zijn plaats was. Dat is ook gebeurd. Op twee plekken heeft de inventarisatie pas in 2014 plaatsgevonden. De gemeente Zeist heeft inmiddels bepaald dat CVO moet beschikken over een asbestbeheersplan. Ook het maken van dat plan per school is inmiddels aan het eerder genoemde gecertificeerde bedrijf uitbesteed. Zodra het plan beschikbaar is, zal het worden aangeboden aan de gemeente Zeist. 9 Arbeidstijdenbeleid Scholen moeten inzicht kunnen geven in de werktijden en pauzes van de medewerkers. Met de persoonlijke omstandigheden wordt waar redelijkerwijs mogelijk rekening gehouden bij het vaststellen van de arbeids- en rusttijden. De wijze waarop de bestuurder de arbeidstijdenregistratie invult is vormvrij. Het is voor de werkgever mogelijk een eigen invulling te geven aan deze verplichting, wel moet worden voldaan aan minimum eisen. Er kan worden volstaan met een opgave van het lesrooster, de standaard extra werkzaamheden (vergaderingen, ouderspreekuren e.d.) en het gemiddeld aantal uren thuiswerk. De medewerkers hoeven dan alleen nog de afwijkingen op het rooster bij te houden. De gegevens zijn op school opgeslagen en voor de Arbeidsinspectie inzichtelijk. De rector/directeur is verantwoordelijk voor het beheer van de gegevens. 10 Financiering Voor in het plan van aanpak vermelde items die de draagkracht van het schoolbudget te boven gaan, heeft de bestuurder een procedure vastgesteld. Om acute knelpunten op te kunnen lossen, stelt de bestuurder jaarlijks een budget van 5000 per school beschikbaar. Vanaf 2016 zal dit bedrag structureel in de begroting worden opgenomen. Uitgaven die dit bedrag overstijgen worden aangevraagd bij de bestuurder, die daarover zo spoedig mogelijk besluit. 11 Overige punten 11.1 Alcohol, drugs en medicijnen In Nederland heeft het Trimbos Instituut zich ontwikkeld tot het landelijke kenniscentrum met betrekking tot alcohol en drugs. Speciaal voor het onderwijs heeft het Trimbos Instituut het preventieprogramma 'De gezonde school en genotmiddelen' (DGSG) ontwikkeld. Dit programma voorziet in voorlichtingslessen, begeleiding van leerlingen en ouderparticipatie. Doel is het drugs- en alcoholgebruik onder leerlingen terug te dringen.(www.schoolenveiligheid.nl.) Op de scholen wordt een medicijnprotocol toegepast. 11.2 Gebruik van chemicaliën, toxische en schadelijke stoffen Bij gebruik van chemicaliën, toxische en schadelijke stoffen wil de wetgever dat beoordeeld wordt of de stof noodzakelijk is. Als dat het geval is, dient de stof zo veilig mogelijk gebruikt te worden, waarbij pas in laatste instantie naar persoonlijke beschermingsmiddelen gegrepen mag worden. De Arbo-wet eist dat bij de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen een register wordt bijgehouden. In het kader van de Risico Inventarisatie dient bij het beoordelen van de werkruimten te worden vastgesteld of blootstelling aan chemicaliën mogelijk is. Om de beoordeling grondig te doen zijn 10
een aantal hulpmiddelen aangereikt zoals een (verplicht) toxische-stoffenregister en een beheerbeleid. Deze hulpmiddelen zijn ontleend aan de Toolkit Arbobeleid in de school (Kluwer) en aan de preventiemedewerkers ter hand gesteld. Binnen scholen gaat het vooral om natuur- en scheikunde lokalen. Bij de RI&E wordt aan deze lokalen uitdrukkelijk aandacht besteed om er voor te zorgen dat de risico s voor leerlingen en werknemers binnen aanvaardbare proporties liggen. De technische onderwijsassistenten en de betrokken docenten zijn goed geïnstrueerd en hebben de volgende instrumenten tot hun beschikking: - Aandachtspuntenlijst chemicaliën; - Vuistregels bij de omgang met chemicaliën; - Etikettering/etiketten lezen; - Toxische-stoffenregister; - Opslag chemicaliën; - Beheer toxische-stoffenregister; - Inventarisatieformulier toxische stoffen en producten; - Stappenplan toxische stoffen en beleid; - Afvalverwerking, milieueisen; - Model practicumreglement; - Aandachtspuntenlijst arbo-instructie leerlingen. 11.3 Overig 11.3.1 Sociale media Vanuit de wetgeving wordt niet geëist dat scholen beschikken over gedragsprotocollen met betrekking tot internet en social media. De werkgever is wel verplicht een PSA-beleid te voeren om psychosociale arbeidsbelasting te voorkomen en/of te beperken. Gedragscodes als in deze oplossing geschetst, dragen bij aan het voorkomen van ongewenste situaties en zouden onderdeel uit kunnen maken van dit beleid. Onderstaande punten zouden kunnen worden ondernomen: Stel in samenspraak met en met instemming van het personeelsdeel van de (G)MR een gedragscode voor medewerkers op over internetgebruik, social media gebruik en e-mailverkeer. Stel ook een gedragscode op voor het gebruik van internet en sociale media voor leerlingen. Maak de afweging wel/geen gebruik te maken van contentfilters. Ontwikkel mediawijsheid bij de leerlingen. Communiceer met alle relevante betrokkenen (medewerkers, leerlingen, ouders) over de gedragscode en de maatregelen bij overtredingen. 11.3.2 Rookbeleid Uitgangspunt in de Arbowet 3 is dat in de school niet gerookt mag worden op grond van de Tabakswet die per 1 januari 2004 van kracht is. Binnen de organisatie hebben we te maken met medewerkers, leerlingen en bezoekers. Voor allen geldt dat zij zich aan de regels van de Tabakswet dienen te houden. 3 Artikel 7:658 en 7:660 BW. Artikel 3 Arbowet. Algemene Maatregel van Bestuur, rookverbod en verkoopverbod in openbare gebouwen, gebaseerd op de Tabakswet aangepast november 1997. In november 2002 is de Tabakswet opnieuw gewijzigd. Roken mag dan alleen buiten, thuis en in aparte rookruimten. Vanaf die datum geldt bijna overal een rookverbod. 11
11.3.3 Voorlichting Artikel 8 van de Arbowet 1998 verplicht de werkgever om het personeelslid en de leerlingen doeltreffend voor te lichten over de aard van de werkzaamheden en de daaraan verbonden gevaren. Tevens moeten het personeel en de leerlingen worden voorgelicht over de maatregelen die erop gericht zijn deze gevaren zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. Indien toch een incident voorkomt, moeten het personeelslid en de leerling weten wat hij/zij moet doen om schadelijke gevolgen voor hem/haarzelf en voor anderen zoveel mogelijk te beperken. Scholen hebben een extra taak: niet alleen het goede voorbeeld geven, maar ook voorbereiden op de toekomstige werksituatie. Goede voorlichting kan alleen worden gegeven als van iedere functie en iedere werk/leerplek de risico s op veiligheids-, gezondheids- en welzijnsgebied bekend zijn. Dat betekent dat dit gebaseerd zal moeten worden op een risico-inventarisatie en evaluatie (RI&E). 11.4 Hulpmiddelen CVO Groep regeling Vergoeding beeldschermbril Deze regeling is een uitwerking van het bovengenoemde artikel 5.11 van het Arbobesluit. 1. Deze regeling is van toepassing op de medewerker van de CVO Groep die bij het verrichten van zijn/haar arbeid gebruik maakt van beeldschermapparatuur en bij het kijken naar het beeldscherm klachten heeft ten gevolge van (ouderdoms)verziendheid, waarbij de eigen bril niet meer toereikend is. 2. De medewerker heeft recht op een financiële vergoeding voor een monofocale, bifocale of multifocale beeldschermbril, als het lezen van het beeldscherm met de eigen bril niet meer mogelijk is. 3. De medewerker met verziendproblemen kan bij een opticien naar eigen keuze een onderzoek laten doen naar de leesproblemen. 4. Indien het onderzoek uitwijst dat een beeldschermbril noodzakelijk is/aanpassing aan de beeldschermbril noodzakelijk is, draagt de opticien zorg voor het aanmeten van de bril. 5. De medewerker declareert de beeldschermbril bij zijn/haar eigen ziektekostenverzekeraar. 6. Voor de resterende kosten heeft de medewerker recht op een maximumvergoeding van 250,--. Het bedrag boven de maximumvergoeding komt voor rekening van de medewerker. In bijzondere gevallen kan de rector/directeur beslissen meer te vergoeden. 7. De vergoeding voor een beeldschermbril vindt maximaal éénmaal per drie jaar plaats. Voor andere aanpassingen, die de gezondheid ten goede komen, zijn geen vaste regelingen getroffen (aangepaste stoel, aangepast toetsenbord, etc). Deze aanpassingen worden bij de schoolleiding aangevraagd. Na advies van de preventiemedewerker kan tot aanschaf worden overgegaan. De kosten zijn voor rekening van de desbetreffende school. 11.5 Calamiteitenplan Het samenstellen van een draaiboek kan het beste worden opgedragen aan een kleine werkgroep. Leden kunnen bijvoorbeeld zijn: een lid van de schoolleiding, een zorgcoördinator, een teamleider en een gespecialiseerde, externe hulpverlener. Een draaiboek moet duidelijke omschrijvingen van handelingen bevatten. Wanneer ingeval van calamiteiten mensen gewaarschuwd moeten worden, staan ze met naam, toenaam en telefoonnummer in het draaiboek vermeld. Ook belangrijke websites kunnen in het lijstje opgenomen worden. 12
De volgende onderdelen maken deel uit van een draaiboek: Wie heeft in geval van calamiteiten de leiding (naam, adres en telefoon, ook privé- en/of mobiel nummer)? Wie maken deel uit van het crisisteam? Wat zijn de taken van het crisisteam? Op welke externe deskundigen kan een beroep gedaan worden? Op welke wijze kan de eerste opvang plaatsvinden? Hoe en wat wordt met leraren, leerlingen en ouders gecommuniceerd? Wie coördineert de voorlichting en staat de pers te woord? Hoe is de nazorg geregeld? Hoe wordt er gehandeld bij calamiteiten die plaatsvinden bij externe schoolactiviteiten, zoals ongelukken tijdens schoolreizen en werkweken? In de nota: Als een ramp de school treft is een Checklist calamiteiten opgenomen. Deze nota is te vinden op www.cvog.nl, onder Calamiteitenplan. Vanuit deze checklist kan elke school haar eigen draaiboek ontwikkelen. Het draaiboek moet gemakkelijk toegankelijk zijn, bijvoorbeeld via intranet. Het bestaan van het draaiboek en de plaats waar het draaiboek te vinden is, is bij ieder een bekend. Bij excursies en schoolreizen kan het draaiboek meegenomen worden. Daarnaast is op excursies (en op school) altijd een actuele lijst van aanwezige leerlingen beschikbaar. Het is raadzaam de adresgegevens en de mobiele nummers van leerlingen en hun ouders regelmatig te toetsen. 11.6 Veilig Publieke Taak Onderwijs (VPTO) Binnen het programma VPTO zijn de volgende 8 normen vastgelegd: 1. De school moet de gangbare normen vaststellen, die zo nodig uitleggen en actief uitdragen bij medewerkers, leerlingen en ouders. 2. Meld incidenten direct. Alleen dan is een adequate reactie mogelijk en kan er beleid worden gemaakt om het in het vervolg te voorkomen. Een klimaat waarin melden normaal is past bij een professionele cultuur. 3. Registreer, analyseer en evalueer incidenten op school. Hierdoor is het mogelijk van elkaar te leren en er vervolgens beleid op te baseren. 4. Doe aangifte van ernstige incidenten. Dit bevordert het veiligheidsgevoel van medewerkers en leerlingen. Maak daarbij structurele afspraken met politie en justitie over de afwikkeling. 5. Probeer schade van incidenten te verhalen op de dader en/of zijn of haar opvoeders. Uit pedagogische overwegingen kan het zinvol zijn dat de dader moet werken aan het vergoeden van financiële en geestelijke schade en aan het herstel van de relatie. 6. Wees duidelijk in de reactie naar de dader van een incident. Normen moeten steeds opnieuw worden genoemd en uitgelegd. Het management heeft hierbij een voorbeeldrol. 7. Zorg voor opleiding en training van medewerkers. Incidenten kunnen vaak worden voorkomen of beheerst door een professionele reactie: het tijdig signaleren van wat er aan de hand is, het investeren in de relatie en het geven van de juiste reactie op een incident. 8. Zorg voor goede nazorg. Neem daarom in protocollen op hoe nazorg is geregeld. Bijvoorbeeld door gesprekken met schoolleiding, psychosociale nazorg, een extern begeleidingstraject en/of supervisie. In de Arbocatalogus-VO zijn deze normen concreter uitgewerkt voor het voortgezet onderwijs. 13
12 Bijlagen Bijlage 1: Verdeling taken en verantwoordelijkheden NB. Arbocoördinator, preventiemedewerker en bedrijfshulpverlener zijn rollen die medewerkers kunnen vervullen. Het zijn dus niet per definitie volledige functies. De rol van arbocoördinator en preventiemedewerker kunnen in hoge mate samen vallen afhankelijk van de omvang van de instelling en de wijze waarop de interne deskundige medewerkers georganiseerd zijn. Bestuurder / Arbocommissie - arbobeleidsplan vaststellen; - arbobudget vaststellen; - taken en bevoegdheden delegeren, eventueel arbocoördinator aanstellen; - taakomschrijving arbocoördinator, preventiemedewerker en bedrijfshulpverlener maken; - middelen toekennen; - overleg voeren met personeelsvertegenwoordiging van de (G)MR; - contract sluiten met de arbodienst of andere gecertificeerde arbodeskundigen; - scholing en training organiseren; - informeren en adviseren over arbozaken; - organiseren van de BHV. Rector/Directeur - RI&E organiseren; - plan van aanpak vaststellen; - arbotaken verdelen; - arbocoördinator(en), preventiemedewerker, bedrijfshulpverleners en contactpersonen aanwijzen; - taakomschrijving arbowerkgroep maken en arbowerkgroep aanstellen; - overleggen met personeel; - contact onderhouden met arbodienst of andere gecertificeerde arbodeskundigen; - overleg met en informatieverstrekking aan bestuur en vertrouwenspersoon; - verzuimbegeleiding. Personeelsgeleding (G)MR - overleg/advies/instemming t.a.v.:. contract arbodienst / deskundigen (afhankelijk van vangnet- of maatwerkregeling). verzuimbeleid. personeelsbeleid. RI&E. plan van aanpak en voortgangsverslag. Arbocoördinator - arbowerkgroep leiden en stimuleren; - overleggen met en adviseren aan schoolleiding, MR en vertrouwenspersonen; - risico's signaleren; - plan van aanpak uitvoeren; - RI&E begeleiden; - bedrijfshulpverlening coördineren. 14
Deskundige medewerkers met preventietaken (preventiemedewerkers) - RI&E verrichten en opstellen; - bedrijfshulpverlening invullen; - personeel van informatie voorzien; - risico s signaleren en bespreken in arbo-overleg; - uitvoeren van arbomaatregelen. Team- en werkoverleg - opinievorming; - arboknelpunten bespreken; - draagvlak creëren voor maatregelen. Contactpersoon/vertrouwenspersoon - aanspreekpunt voor medewerkers dan wel leerlingen; - informatievoorziening; - klachtenprocedure begeleiden. Bij de uitvoering van het arbobeleid zijn de volgende externe instanties betrokken: Arbodienst of andere gecertificeerde arbodeskundigen - begeleiden van verzuim en re-integratie; - toetsen RI&E (bij meer dan 25 werknemers); - uitvoeren van arbeidsgezondheidskundig onderzoek (door een gecertificeerde bedrijfsarts); - werkplekonderzoek; - voorlichting en deskundigheidsbevordering Arbeidsinspectie - controle arbeidsomstandigheden; - controle uitvoering van Arbowetverplichtingen waaronder:. de registratie van arbeids- en rusttijden;. de uitvoering van de RI&E en het Plan van aanpak. 15
Bijlage 2: De functionarissen die met arbozaken belast zijn Bestuurder Rectoren/Directeuren Christelijk College Zeist Christelijk Lyceum Zeist Dijnselburgschool Revius Lyceum Doorn Revius Lyceum Wijk bij Duurstede Beleidsmedewerker P&O Arbocoördinator Preventiemedewerkers per school Christelijk College Zeist Christelijk Lyceum Zeist Dijnselburgschool Revius Lyceum Doorn Revius Lyceum Wijk bij Duurstede de heer drs. S. Poels directeur: dhr. A.A. Reinders, MSc rector: mw. drs. R.H. Leusink directeur: dhr. A.A. Reinders, MSc rector: mw. dr. I.M. van Eekelen directeur: mw. dr. G. Schrakamp de heer J.A. van der Mijl de heer J.A. van der Mijl mevrouw A. Veenhof de heer J. Nouwen mevrouw J.A. van Woudenbergh de heer J. Posthouwer mevrouw F. Koetsier de heer A.A. van der Lee Vertrouwenspersonen Christelijk College Zeist mevrouw V. Bak de heer W. Leseman Christelijk Lyceum Zeist vmbo t de heer W. van Vulpen havo/vwo mevrouw drs. S. Gerritsen Dijnselburgschool mevrouw H.P. van Ettinger Revius Lyceum Doorn Revius Lyceum Wijk bij Duurstede mevrouw H.M. Hazenbosch mevrouw G.J.M. van de Kant de heer J. van Wijgerden Extern vertrouwenspersoon Bedrijfsverpleegkundige Arbo-arts de heer L.Y. Gietema Mw. A. Janssen Mw. M. Ploeg 16
Bijlage 3: Beleid ten aanzien van bijzondere groepen Gedeeltelijk arbeidsongeschikten De omstandigheden waaronder gedeeltelijk arbeidsongeschikte medewerkers in dienst komen zijn verschillend. Voor zittende medewerkers, die met een gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid geconfronteerd worden, wordt in principe gezocht naar een aangepast dienstverband. Gedeeltelijk arbeidsongeschikte sollicitanten zijn, indien zij aan de functievereisten voldoen, zonder meer benoembaar. Er is vooralsnog niet voor gekozen een streefcijfer vast te stellen 4. Nieuwe medewerkers Bij indiensttreding krijgen de nieuwe medewerkers een introductie- en begeleidingsprogramma, dat op schoolniveau wordt uitgevoerd. Voor iedere nieuwe medewerker wordt zorggedragen voor een introductieprogramma. In het introductieprogramma wordt aandacht besteed aan de inrichting van het gebouw, de gedragsregels die gelden binnen het gebouw/de gebouwen. Tevens wordt zorggedragen voor een kennismaking met de collega s. Werkinstructies voor het personeel, maar ook voor leerlingen worden doorgenomen. Voor beginnende docenten geldt daarnaast dat de schoolleidingen hier extra zorg betrachten met betrekking tot de inzet van beginners. Voor nieuwe docenten, zij-instromers, lido s, lio s, stagiaires en nieuwe medewerkers wordt een begeleidingsprogramma opgesteld om hen ook voor de periode na de introductie een begeleidingsstructuur te kunnen bieden. Verder gelden binnen het taaktoedelingsbeleid aparte opslagen voor beginnende docenten. 4 Vanaf 1 januari 2015 treedt de participatiewet in werking, waarbij van de werkgever inspanning gevraagd wordt om arbeidsgehandicapten in reguliere functies te benoemen dan wel het aantal arbeidsgehandicapten, dat binnen de CVO Groep in dienst is, te vergroten. Wanneer de realisatie daarvan achterblijft, kan een werkgever per 1 januari 2017 met een quotumheffing worden geconfronteerd. De quotumheffing bedraagt 5.000 per niet-ingevulde arbeidsplaats. 17
Bijlage 4 Matrix arbotaken Nr Taak Eindverantwoordelijk Uitvoering Ondersteuning 1 Opstellen arbobeleidsplan Bestuurder Arbocoördinator P&O 2 Uitvoeren RI&E Bestuurder Preventiemedewerkers ArboNed 3 Opstellen Plan van Aanpak Rector/directeur Preventiemedewerkers ArboNed en P&O 4 Bewaken voortgang Plan van Aanpak Rector/directeur Preventiemedewerkers Arbocoördinator 5 Evalueren Plan van Aanpak Rector/directeur Preventiemedewerkers Arbocoördinator 6 Actualiseren Plan van Aanpak Rector/directeur preventiemedewerkers Arbocoördinator en P&O 7 Introductie nieuwe medewerkers Rector/directeur Leidinggevende/ Teamleiders 8 Werkinstructies nieuwe medewerkers Teamleider Collega s 9 Melding (bijna) ongevallen Rector/directeur Preventiemedewerkers Arbocoördinator en Centraal Bureau 10 Melding agressie en geweld Rector/directeur Preventiemedewerkers Arbocoördinator en Centraal Bureau 11 Melding seksuele intimidatie Rector/directeur Vertrouwenspersoon 12 Gevaarlijke stoffen Rector/directeur Arbocoördinator 13 Ziekmeldingen Rector/directeur Schooladministratie 14 Registratie ziekmeldingen Hoofd P&O Administratie P&O 15 Ziekmeldingen aan ArboNed Hoofd P&O Administratie P&O 16 Opstelling reïntegratieplannen Rector/directeur ArboNed en casemanager 17 Samenstelling en werkwijze SMT Rector/directeur Casemanager P&O 18 Organisatie BHV Rector/directeur Hoofd BHV Arbocoördinator en P&O 19 Opleiding en nascholing BHV-ers Bestuurder Arbocoördinator Centraal Bureau 20 Opstellen/actualiseren ontruimingsplan Rector/directeur Preventiemedewerkers Brandweer 21 Oefenen ontruiming (1x per 2 jaar) Rector/directeur Preventiemedewerkers Brandweer 22 Contract met ArboNed Algemeen directeur P&O 23 Interne verzuimbegeleiding Rector/directeur Leidinggevende en casemanager 24 Bewaking onderhoudscontracten Rector/directeur Senior medewerker huisvesting 25 Voeren functionerings- en Rector/directeur Direct leidinggevende beoordelingsgesprekken 26 Opstellen taakverdelingsplan Rector/directeur Teamleider 27 Delegatie taken/verantwoordelijkheden Rector/directeur Leidinggevende 28 Communicatie arbo- en verzuimbeleid met Bestuurder P&O MR en medewerkers 29 Informatievoorziening aan ouders en Rector/directeur leerlingen over veiligheid, gezondheid en welzijn 30 Verzekering voor medewerkers bij Bestuurder Bedrijfsbureau schoolactiviteiten en voor leerlingen 31 Gebruik en opslag van chemicaliën Rector/directeur Preventiemedewerker Arbocoördinator 32 (Preventief) onderhoud van hulpmiddelen, Rector/directeur OOP, OP machines etc. 33 Arbeidsomstandigheden en milieuafwegingen bij inkoop van hulpmiddelen, machines, meubilair etc. Rector/directeur Centrale inkoop Arbo coördinator 34 Afwegingen van de aspecten voor arbeidsomstandigheden bij investeringen, bouwactiviteiten en inrichting van gebouwen, lokalen en werkruimtes Rector/directeur Senior medewerker huisvesting Arbo coördinator 18