Rapport. Datum: 13 januari 2006 Rapportnummer: 2006/006
|
|
|
- Raphaël de Valk
- 10 jaren geleden
- Aantal bezoeken:
Transcriptie
1 Rapport Datum: 13 januari 2006 Rapportnummer: 2006/006
2 2 Klacht Verzoeker klaagt erover dat de Commissie van beroep ingevolge artikel 3 van de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993 zijn administratief beroep tegen de beslissing van 10 februari 2004 van het Innovam Branchekwalificatie Instituut op 11 mei 2004 onvoldoende gemotiveerd heeft afgewezen. Beoordeling Algemeen Om rijonderricht te mogen geven moet men een examen afleggen bij het Innovam Branchekwalificatie Instituut (IBKI). Tegen een besluit van de examinator kan een belanghebbende ingevolge artikel 3 van de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993 (WRM 1993; zie Achtergrond, onder 1.) administratief beroep instellen bij de Commissie van beroep. Ingevolge artikel 8:4, aanhef en onder e, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb; zie Achtergrond, onder 2.) kan tegen het besluit geen beroep bij de bestuursrechter worden ingesteld. I. Bevindingen 1. Op 10 februari 2004 legde verzoeker het examen rijinstructeur af. Het onderdeel Voertuig- en verkeersbeheersing werd door de examinator onvoldoende beoordeeld op de punten `gedrag bij en op kruispunt', `invoegen', en `gedrag bij en op (mini-)rotonde'. De examinator motiveerde zijn besluit als volgt. Bij het invoegen op de autosnelweg werd geen snelheid gemaakt waardoor achteropkomend verkeer werd gehinderd. Voorts werd op een rotonde een verkeerde weghelft gekozen. Ten slotte werd onzeker rijgedrag vertoond bij kruispunten door bijna stil te staan om een straat in te kijken. In het algemeen was er volgens de examinator sprake van een te trage rit. Een en ander leidde tot meer dat 45 aftrekpunten waardoor het totaalresultaat onvoldoende was. 2. Tegen het besluit van de examinator stelde verzoekers rechtsbijstandverzekeraar op 11 maart 2004 administratief beroep in bij de Commissie van beroep. In het beroepschrift gaf verzoeker gemotiveerd aan waarom hij bij het invoegen geen snelheid maakte, waarom hij bij een kruispunt bijna stil stond en waarom hij op een rotonde voor een bepaalde rijstrook koos. 3. Op 25 maart 2004 diende het IBKI bij de Commissie van beroep een verweerschrift in. Bij het verweerschrift voegde het IBKI een verklaring van de examinator van 22 maart 2004 waarin deze gemotiveerd zijn standpunt innam ten aanzien van het invoegen op de autosnelweg, het kiezen van een rijstrook op de rotonde en het onzekere rijgedrag bij kruispunten.
3 3 4. In het kader van de beroepsprocedure werd op 16 april 2004 een hoorzitting gehouden. Tijdens de hoorzitting lichtte verzoeker zijn beroepschrift toe. Voorts werd de vertegenwoordiger van het IBKI in de gelegenheid gesteld om het verweer toe te lichten. Ook stelden Commissieleden vragen aan de vertegenwoordiger van het IBKI over een opmerking van de examinator op het examenformulier en over een stelling in het verweerschrift. 5. Op 11 mei 2004 deed de Commissie van beroep uitspraak naar aanleiding van verzoekers beroepschrift. In de uitspraak verwees de Commissie van beroep voor de inhoud van het beroepschrift en het verweerschrift naar de stukken die aan de Commissie van beroep waren overgelegd. De Commissie van beroep overwoog dat verzoeker het niet eens was met de aftrekpunten. Naar het oordeel van de Commissie van beroep had verzoeker in zijn beroepschrift en tijdens de hoorzitting niet overtuigend aangetoond dat de waardering de beslissing van de examinator onjuist zouden zijn. De Commissie van beroep besliste dat het besluit van 10 februari 2004 in stand bleef. 6. Op 17 mei 2004 diende verzoeker een klacht in over de Commissie van beroep. Verzoeker klaagde erover dat de Commissie van beroep zijn administratieve beroep onvoldoende gemotiveerd had afgewezen. Volgens verzoeker had de Commissie van beroep haar oordeel dat verzoeker in zijn beroepschrift en tijdens de hoorzitting niet overtuigend had aangetoond dat de beslissing van de examinator onjuist zou zijn, onvoldoende gemotiveerd. 7. Op 30 september 2004 liet de Commissie van beroep verzoeker in reactie op de klacht onder meer het volgende weten. De Commissie van beroep merkte op dat toetsing van besluiten van het IBKI beperkingen kent. Omdat Commissieleden niet bij het examen aanwezig zijn geweest kunnen nooit volledig de gebeurtenissen tijdens het examen worden getoetst. De Commissie van beroep beoordeelt derhalve of de examinator in redelijkheid een goede beslissing heeft genomen. De Commissie van beroep nam het standpunt in dat een algemeen gestelde motivering in de uitspraak van 11 mei 2004 volstond. In de uitspraak was onder meer aangegeven dat verzoeker niet overtuigend had aangetoond dat de waardering en de beslissing van de examinator onjuist zouden zijn. Bedoelde uitspraak moest worden gezien als een samenvattend oordeel met betrekking tot hetgeen van de zijde van verzoeker naar voren was gebracht ten aanzien van een aantal situaties die zich tijdens het examen had voorgedaan. Een specifieke behandeling van al die situaties in de uitspraak zou uit het oogpunt van motivering niets hebben toegevoegd. Wel had de Commissie van beroep bij de voorbereiding van haar uitspraak, onder meer door verzoeker te horen, alle door verzoeker aangedragen situaties beoordeeld, aldus de Commissie van Beroep. Het oordeel was onafhankelijk van het IBKI tot stand gekomen, aldus de Commissie van beroep.
4 4 8. In reactie op de klacht bij de Nationale ombudsman bleef de Commissie van beroep bij het standpunt dat zij eerder in haar brief van 30 september 2004 aan verzoeker had ingenomen. II. Beoordeling 9. Verzoeker is gezakt voor het examen rijinstructeur omdat de examinator het onderdeel Voertuig- en verkeersbeheersing gemotiveerd onvoldoende beoordeelde. Tegen het besluit van de examinator heeft verzoekers rechtsbijstandverzekeraar administratief beroep ingesteld bij de Commissie van beroep. In het beroepschrift heeft verzoeker gemotiveerd aangegeven waarom hij zijns inziens niet onvoldoende beoordeeld had moeten worden. In een bijlage bij het verweerschrift van het IBKI heeft de examinator gemotiveerd uiteengezet waarom verzoeker in zijn ogen het examen niet voldoende heeft afgelegd. Verzoeker is naar aanleiding van zijn beroepschrift door de Commissie van beroep gehoord. Partijen werden in de gelegenheid gesteld hun standpunten toe te lichten en Commissieleden stelden een aantal vragen. De Commissie van Beroep heeft besloten het besluit van de examinator in stand te laten. Naar het oordeel van de Commissie van beroep heeft verzoeker in zijn beroepschrift en tijdens de hoorzitting niet overtuigend aangetoond dat de waardering en de beslissing van de examinator onjuist zouden zijn. 10. Verzoeker klaagt erover dat de Commissie van beroep zijn administratief beroep onvoldoende gemotiveerd heeft afgewezen. In reactie op de klacht heeft de Commissie van beroep het standpunt ingenomen dat een algemeen gestelde motivering in de uitspraak van 11 mei 2004 volstond. Bedoelde uitspraak moet worden gezien als een samenvattend oordeel met betrekking tot hetgeen van de zijde van verzoeker naar voren was gebracht ten aanzien van een aantal situaties die zich tijdens het examen had voorgedaan. Een specifieke behandeling van al die situaties in de uitspraak voegt uit het oogpunt van motivering niets toe. Wel heeft de Commissie van beroep bij de voorbereiding van haar uitspraak, onder meer door verzoeker te horen, alle door verzoeker aangedragen situaties beoordeeld, aldus de Commissie van Beroep. 11. Het motiveringsvereiste houdt in dat het handelen van bestuursorganen feitelijk en logisch wordt gedragen door een kenbare motivering. Dit beginsel is in de wettelijke regeling van motivering tot uitdrukking gebracht in afdeling 3.7 van de Awb (zie Achtergrond, onder 2.). In dit geval betekent het motiveringsvereiste onder meer dat de motivering bij de bekendmaking van de uitspraak van de Commissie van beroep moet worden vermeld en dat zij inzicht moet bieden in de gedachtegang van het bestuursorgaan (zie ook Achtergrond, onder 3.). 12. De Commissie van beroep heeft haar uitspraak, waarbij zij het beroep tegen de beslissing van de examinator om verzoeker te laten zakken voor het examen ongegrond heeft verklaard, slechts gemotiveerd door te overwegen dat verzoeker in zijn beroepschrift en tijdens de hoorzitting niet overtuigend heeft aangetoond dat de waardering en de
5 5 beslissing van de examinator onjuist zou zijn. Daarmee heeft de Commissie van beroep geen inzicht gegeven in het toetsingskader dat zij heeft gehanteerd en in de wijze waarop zij aan dat toetsingskader heeft getoetst. 13. Naar aanleiding van verzoekers klacht heeft de Commissie van beroep het standpunt ingenomen dat toetsing van de besluiten van het IBKI beperkingen kent en dat de Commissie van beroep slechts beoordeelt of de examinator in redelijkheid een goede beslissing heeft genomen. De Nationale ombudsman kan zich in dit standpunt vinden. Uitgangspunt dient te zijn dat het aan de examinator is om te beoordelen of een kandidaat bij een examen heeft voldaan aan de eisen. Bij verschil van mening over de beoordeling van het examen zoals dat door de kandidaat is afgelegd, dient in beginsel te worden uitgegaan van de juistheid van het oordeel van de examinator. De toetsing van het oordeel van de examinator kan dus slechts marginaal plaatsvinden. De Commissie van beroep had deze toelichting bij het door haar gehanteerde toetsingskader echter moeten opnemen in de motivering van haar uitspraak op het beroep van verzoeker. Tevens had zij daarin moeten aangeven waarom de toetsing aan dit toetsingskader leidde tot haar uitspraak. Door dit na te laten heeft de Commissie van beroep gehandeld in strijd met het motiveringsvereiste. De onderzochte gedraging is in zoverre niet behoorlijk. 14. Overigens betekent voorgaande niet dat de Nationale ombudsman van oordeel is dat de beslissing van de Commissie van beroep om het beroepschrift van verzoeker ongegrond te verklaren een onjuiste is. Zoals gesteld onder I.1. heeft de examinator in dit geval in zijn besluit van 10 februari 2004 gemotiveerd aangegeven waarom hij het onderdeel Voertuig- en verkeersbeheersing onvoldoende beoordeelde op de punten `gedrag bij en op kruispunt', `invoegen', en `gedrag bij en op (mini-)rotonde'. Zoals gesteld onder I.3. nam de examinator in reactie op het beroepschrift van verzoeker gemotiveerd zijn standpunt in ten aanzien van het invoegen op de autosnelweg, het kiezen van een rijstrook op de rotonde en het onzekere rijgedrag bij kruispunten. Op grond hiervan is de Nationale ombudsman van oordeel dat de examinator in redelijkheid tot zijn beslissing kon komen dat verzoeker voor zijn examen was gezakt. Conclusie De klacht over de onderzochte gedraging van Commissie van beroep ingevolge artikel 3 van de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993 te Den Haag, is gegrond wegens strijd met het motiveringsvereiste. Onderzoek
6 6 Op 1 november 2004 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van de heer Y. te Delft, met een klacht over een gedraging van Commissie van beroep ingevolge artikel 3 van de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993 te Rijswijk. Naar deze gedraging, die wordt aangemerkt als een gedraging van Commissie van beroep ingevolge artikel 3 van de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993, werd een onderzoek ingesteld. In het kader van het onderzoek werd Commissie van beroep verzocht op de klacht te reageren en een afschrift toe te sturen van de stukken die op de klacht betrekking hebben. Vervolgens werd verzoeker in de gelegenheid gesteld op de verstrekte inlichtingen te reageren. Verzoeker maakte van die gelegenheid geen gebruik. Het resultaat van het onderzoek werd als verslag van bevindingen gestuurd aan betrokkenen. De reactie van de Commissie van beroep gaf aanleiding het verslag aan te vullen. Informatieoverzicht De bevindingen van het onderzoek zijn gebaseerd op de volgende informatie: 1. Besluit van 10 februari Beroepschrift van SRK Rechtsbijstand namens verzoeker van 11 maart Verweerschrift van het Innovam Branchekwalificatie Instituut van 25 maart Verklaring van de examinator van 22 maart Verslag van de hoorzitting op 16 april Uitspraak van de Commissie van beroep ingevolge artikel 3 van de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993 van 11 mei van verzoeker aan de Nationale ombudsman van 17 mei Brief van de Commissie van beroep aan verzoeker van 30 september 2004 met als bijlage het verslag van de hoorzitting van 22 september van verzoeker aan de Nationale ombudsman van 1 november 2004.
7 7 10. Brief van de Commissie van beroep aan de Nationale ombudsman van 25 januari Bevindingen Zie onder Beoordeling. Achtergrond 1. Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993 (Wet van 7 juli 1993, houdende herziening van de Wet rijonderricht motorrijtuigen) Artikel 3: 1. Tegen een besluit van het instituut kan een belanghebbende administratief beroep instellen bij de in het tweede lid bedoelde commissie. 2. De commissie bestaat uit drie leden, waaronder de voorzitter, en drie plaatsvervangende leden. De leden en plaatsvervangende leden worden door Onze Minister benoemd en ontslagen. Zij zijn niet werkzaam bij of ten behoeve van het instituut. 3. In afwijking van artikel 7:28 van de Algemene wet bestuursrecht is voor de behandeling van het beroep een bedrag verschuldigd, indien het beroep is gericht tegen een besluit ter zake van: a. de toelating tot het examen rijinstructeur of het examen bijscholingsdocent, of b. de uitslag van het examen rijinstructeur, het examen bijscholingsdocent of de toets. 4. De hoogte van het bedrag en de wijze van betaling worden vastgesteld bij ministeriële regeling. 5. Indien de commissie het beroep gegrond acht, wordt het bedrag aan de indiener van het beroepschrift terugbetaald. 6. Onze Minister stelt een reglement van orde vast met betrekking tot de door de commissie te volgen procedure. 7. Het instituut verstrekt aan de commissie de gegevens die zij voor de uitvoering van haar taak nodig oordeelt. 2. Algemene wet bestuursrecht
8 8 Artikel 3:46: Een besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering. Artikel 3:47: 1. De motivering wordt vermeld bij de bekendmaking van het besluit. 2. Daarbij wordt zo mogelijk vermeld krachtens welk wettelijk voorschrift het besluit wordt genomen. 3. Indien de motivering in verband met de vereiste spoed niet aanstonds bij de bekendmaking van het besluit kan worden vermeld, verstrekt het bestuursorgaan deze binnen een week na de bekendmaking. 4. In dat geval zijn de artikelen 3:41 tot en met 3:43 van overeenkomstige toepassing. Artikel 3:48: 1. De vermelding van de motivering kan achterwege blijven indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat daaraan geen behoefte bestaat. 2. Verzoekt een belanghebbende binnen een redelijke termijn om de motivering, dan wordt deze zo spoedig mogelijk verstrekt. Artikel 8:4, aanhef en onder e: Geen beroep kan worden ingesteld tegen een besluit: ( ) e. inhoudende een beoordeling van het kennen of kunnen van een kandidaat of leerling die ter zake is geëxamineerd of op enigerlei andere wijze is getoetst, dan wel inhoudende de vaststelling van opgaven, beoordelingsnormen of nadere regels voor die examinering of toetsing, 3. Algemene wet bestuursrecht, Tekst en Commentaar, 2003 Aantekening 1 bij artikel 3:46: Het artikel codificeert het uit vroegere rechtspraak bekende motiveringsbeginsel dat meestal werd omschreven als het algemene beginsel van behoorlijk bestuur dat vereist dat de motivering de beschikking of het besluit moet kunnen dragen. Enerzijds is er het aspect van de juiste vaststelling van de feiten, anderzijds het aspect dat de vaststelling van de feiten dient te leiden (althans mag leiden) tot de genomen beslissing
9 9 Aantekening 2 bij artikel 3:47: a. Volledigheid De motivering moet zodanig volledig worden vermeld dat zij inzicht biedt in de gedachtegang van het bestuursorgaan. Onvolledig is een motivering indien bijvoorbeeld een deel van de motivering pas blijkt in de beroepsprocedure over het besluit (ARRS 3 november 1980, AB 1981, 188) of wanneer wordt volstaan met een verwijzing naar een wettelijk verbod en niet wordt aangegeven welke beweegredenen hebben geleid tot het weigeren van de ontheffing van dat verbod (CBB, AB 1985, 529). b. Begrijpelijk motiveren De vermelding van de motivering moet zodanig geschieden dat zij voor de betrokkene begrijpelijk is. Dat betekent enerzijds dat het bestuur des te zorgvuldiger in de vermelding van de motivering zal moeten zijn naarmate de betrokken belanghebbende minder goed op de hoogte is van het desbetreffende beleidsterrein en het van toepassing zijnde recht. Anderzijds zal het bestuur met een soberder aanduiding mogen volstaan als het besluit is gericht tot een zeer goed in de materie ingevoerde deskundige (MvT, Parl. Gesch. Awb I, p. 271). Met de eis, dat de motivering wordt vermeld bij de bekendmaking van het besluit, wordt beoogd dat kenbaar en inzichtelijk wordt gemaakt op welke grondslag het besluit is gebaseerd. Aanvaardbaar is dat ter motivering van een besluit wordt verwezen naar schriftelijke stukken, opgesteld ter voorbereiding van het besluit, mits deze uiterlijk tegelijk met het besluit ter kennis van de betrokkene zijn gebracht en in voldoende mate inzicht bieden in de feitelijke en juridische grondslag van het genomen besluit. De vraag of voldaan is aan de eisen van kenbaarheid en inzichtelijkheid kan slechts worden beantwoord in relatie tot de concrete inhoud en complexiteit van het besluit (CRvB, 27 juni 1997, AB 1997, 377). ( ) d. Schriftelijk motiveren Ofschoon het artikel daarover zwijgt moet worden aangenomen dat de motivering waarover het artikel spreekt schriftelijk moet worden verstrekt. Het woordgebruik (vermelden bij de bekendmaking) wijst in die richting. De motivering van een besluit dient op schrift te zijn gesteld; er kan niet worden volstaan met een verwijzing naar gesprekken tussen deskundigen en betrokkene (CRvB 27 juni 1997, AB 1997, 377). Aantekening 2 bij artikel 3:48: De vermelding van de motivering mag (in eerste instantie) achterwege blijven indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat daaraan (geen; N.o.) behoefte bestaat. Dit is het geval als geen enkele belanghebbende behoefte zal hebben aan vermelding ervan,
10 10 bijvoorbeeld omdat niemand door dat besluit wordt geschaad of belast, omdat de beschikking conform de aanvraag is, of omdat de beschikking reeds lang aangekondigd was en de motivering reeds lang bekend was, zonder dat iemand tegen die beslissing bezwaar zal hebben
hem niet heeft gehoord, ondanks zijn uitdrukkelijke verzoek daartoe;
Rapport 2 h2>klacht Verzoeker klaagt over de wijze waarop de Raad voor Rechtsbijstand te Amsterdam zijn klacht van 29 juli 2008 heeft behandeld. Met name klaagt verzoeker erover dat de Raad voor Rechtsbijstand:
Rapport. Datum: 8 juni 2006 Rapportnummer: 2006/197
Rapport Datum: 8 juni 2006 Rapportnummer: 2006/197 2 Klacht Verzoeker klaagt erover dat het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (verder: het CBR): bij het ten uitvoer brengen van de Educatieve Maatregel
Beoordeling Bevindingen
Rapport 2 h2>klacht Verzoeker klaagt erover dat Bureau Jeugdzorg Zeeland: hem niet heeft betrokken bij de totstandkoming van het indicatiebesluit dat is opgesteld met betrekking tot zijn minderjarige kind;
Beoordeling. h2>klacht
Rapport 2 h2>klacht Verzoeker, advocaat, klaagt erover dat zijn advocaatstagiaire op 18 mei 2009 geen toegang werd verleend tot de detentieboot Dordrecht, teneinde met verzoeker een telehoorzitting van
Rapport. Datum: 21 december 2006 Rapportnummer: 2006/384
Rapport Datum: 21 december 2006 Rapportnummer: 2006/384 2 Klacht Verzoeker klaagt erover dat het Centraal Justitieel Incasso Bureau bij de te late terugbetaling van een bekeuring niet standaard wettelijke
Rapport. Datum: 15 april 2005 Rapportnummer: 2005/121
Rapport Datum: 15 april 2005 Rapportnummer: 2005/121 2 Klacht Verzoeker klaagt erover dat de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit: - bij de afhandeling van zijn klacht van 18 november 2002
Rapport. Rapport over een klacht over de Belastingdienst/Toeslagen uit Utrecht. Datum: 22 november 2011. Rapportnummer: 2011/346
Rapport Rapport over een klacht over de Belastingdienst/Toeslagen uit Utrecht. Datum: 22 november 2011 Rapportnummer: 2011/346 2 Klacht Verzoekster klaagt erover dat de Belastingdienst/Toeslagen volhardt
Rapport. Datum: 18 oktober 2001 Rapportnummer: 2001/325
Rapport Datum: 18 oktober 2001 Rapportnummer: 2001/325 2 Klacht Verzoeker klaagt er over dat de Belastingdienst/Particulieren/Ondernemingen Venlo tot het moment van indienen van de klacht bij de Nationale
Rapport. Rapport betreffende een klacht over de directeur Belastingdienst/Zuidwest uit Roosendaal. Datum: 1 juni Rapportnummer: 2011/163
Rapport Rapport betreffende een klacht over de directeur Belastingdienst/Zuidwest uit Roosendaal. Datum: 1 juni 2011 Rapportnummer: 2011/163 2 Klacht Verzoekster klaagt over de wijze waarop de directeur
Rapport. Datum: 13 juli 2006 Rapportnummer: 2006/242
Rapport Datum: 13 juli 2006 Rapportnummer: 2006/242 2 Klacht Verzoeker klaagt erover dat het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, regio Zuid te Eindhoven hem niet heeft geïnformeerd over het positieve
Rapport. Datum: 27 december 2005 Rapportnummer: 2005/401
Rapport Datum: 27 december 2005 Rapportnummer: 2005/401 2 Klacht Verzoeker klaagt erover dat de Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) zijn verzoek om verwijdering van de stukken betreffende
Zie onder bevindingen of volledige tekst voor de volledige tekst van het rapport.
Rapport 2 h2>klacht Beoordeling Onderzoek Bevindingen Klacht Verzoeker klaagt erover dat het college van burgemeester en wethouders zijn klacht niet gegrond acht en geen reden ziet om zijn oprit alsnog
Rapport. Rapport betreffende een klacht over een gedraging van de Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) uit Rijswijk
Rapport Rapport betreffende een klacht over een gedraging van de Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) uit Rijswijk Datum: 27 december 2011 Rapportnummer: 2011/365 2 Klacht Verzoekster
Rapport. Datum: 28 juli 2000 Rapportnummer: 2000/252
Rapport Datum: 28 juli 2000 Rapportnummer: 2000/252 2 Klacht Op 8 maart 2000 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van mevrouw M. te Rotterdam, met een klacht over een gedraging van de Belastingdienst/Douane,
Rapport. Datum: 11 april 2000 Rapportnummer: 2000/148
Rapport Datum: 11 april 2000 Rapportnummer: 2000/148 2 Klacht Op 1 februari 1999 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van de heer Y. te Zwolle, ingediend door de Stichting Rechtsbijstand Asiel
Rapport. Datum: 8 augustus 2007 Rapportnummer: 2007/162
Rapport Datum: 8 augustus 2007 Rapportnummer: 2007/162 2 Klacht Verzoeker klaagt over de wijze waarop ambtenaren van het regionale politiekorps Utrecht op 6 mei 2006 hebben gereageerd op zijn verzoek om
Beoordeling Bevindingen
Rapport 2 h2>klacht Verzoeker klaagt erover dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) aan hem als advocaat een machtiging van zijn cliënt heeft gevraagd om stukken bij de IND te kunnen opvragen,
Beoordeling. h2>klacht
Rapport 2 h2>klacht Verzoeker klaagt erover dat de Belastingdienst/Toeslagen zijn bezwaarschrift tegen de voorschotbeschikking zorgtoeslag niet als zodanig heeft aangemerkt, maar als mutatie in behandeling
Rapport. Datum: 3 mei 2007 Rapportnummer: 2007/084
Rapport Datum: 3 mei 2007 Rapportnummer: 2007/084 2 Klacht Verzoeker klaagt erover dat de Belastingdienst niet de hem bekende inkomensgegevens over het jaar 2005 heeft gebruikt als basis voor het bepalen
Rapport. Rapport over een klacht over de directeur van Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland. Datum: 4 augustus 2011. Rapportnummer: 2011/233
Rapport Rapport over een klacht over de directeur van Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland. Datum: 4 augustus 2011 Rapportnummer: 2011/233 2 Klacht Verzoeker klaagt erover dat de directeur van Bureau Jeugdzorg
Beoordeling. h2>klacht
Rapport 2 h2>klacht Verzoekster klaagt erover dat de gemeente Steenbergen heeft nagelaten verzoekster tijdig op de hoogte te brengen van een wijziging van het bestemmingsplan, waardoor verzoekster onnodig
Rapport. Datum: 29 maart 2005 Rapportnummer: 2005/093
Rapport Datum: 29 maart 2005 Rapportnummer: 2005/093 2 Klacht Verzoeker klaagt erover dat de Algemeen Directeur van de Dienst Wegverkeer zijn verzoek van 16 juni 2003 om vergoeding van de kosten die hij
Rapport. Datum: 16 november 2006 Rapportnummer: 2006/368
Rapport Datum: 16 november 2006 Rapportnummer: 2006/368 2 Klacht Verzoeker klaagt over de wijze waarop een ambtenaar van het regionale politiekorps Gelderland-Zuid hem na zijn aanhouding op 20 mei 2005
Rapport. Rapport over een klacht over het College bescherming persoonsgegevens. Datum: 29 december Rapportnummer: 2011/368
Rapport Rapport over een klacht over het College bescherming persoonsgegevens Datum: 29 december 2011 Rapportnummer: 2011/368 2 Klacht Verzoeker klaagt erover dat het College bescherming persoonsgegevens
3. Op 26 juni 2007 diende verzoekster een klacht in omdat zij tot op dat moment het verschuldigde bedrag nog niet had ontvangen.
Rapport 2 h2>klacht Verzoekster, advocate, klaagt erover dat het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer de vergoeding proceskosten en griffierecht ten bedrage van 360,- niet
Beoordeling. h2>klacht
Rapport 2 h2>klacht Verzoekster klaagt er over dat de Belastingdienst executoriaal beslag heeft gelegd op onroerende zaken van haar ondanks het feit dat er - in verband met de door de Belastingdienst gestelde
Rapport. Datum: 10 oktober 2006 Rapportnummer: 2006/347
Rapport Datum: 10 oktober 2006 Rapportnummer: 2006/347 2 Klacht Verzoekster klaagt over de wijze waarop notaris X te Q bij gelegenheid van de afwikkeling van haar echtscheiding heeft gehandeld met een
Rapport. Datum: 30 september 2005 Rapportnummer: 2005/302
Rapport Datum: 30 september 2005 Rapportnummer: 2005/302 2 Klacht Verzoeker klaagt erover dat de korpschef van het regionale politiekorps Haaglanden in zijn brief van 31 januari 2005 niet inhoudelijk is
Rapport. Datum: 24 februari 2005 Rapportnummer: 2005/053
Rapport Datum: 24 februari 2005 Rapportnummer: 2005/053 2 Klacht Verzoeker klaagt erover dat het Korps landelijke politiediensten onvoldoende voortvarend heeft gereageerd op het door hem bij brief van
Beoordeling Bevindingen
Rapport 2 h2>klacht Verzoeker klaagt erover dat het regionale politiekorps Brabant-Noord hem niet financieel tegemoet heeft willen komen toen hij kort na een huiszoeking een geldbedrag van 1.020 miste.
Een onderzoek naar de verwerking van een adreswijziging van een burger.
Rapport Ieder heeft zijn eigen verantwoordelijkheid Een onderzoek naar de verwerking van een adreswijziging van een burger. Oordeel Op basis van het onderzoek is van oordeel dat de klacht over de minister
Rapport. Datum: 1 juli 1998 Rapportnummer: 1998/258
Rapport Datum: 1 juli 1998 Rapportnummer: 1998/258 2 Klacht Op 10 oktober 1997 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van de heer D. te Heemstede, met een klacht over een gedraging van de Huurcommissie
Rapport. Datum: 15 augustus 2006 Rapportnummer: 2006/280
Rapport Datum: 15 augustus 2006 Rapportnummer: 2006/280 2 Klacht Verzoekster klaagt erover dat het college van burgemeester en wethouders van Haarlem: 1. gegevens met betrekking tot haar persoonlijke omstandigheden
Rapport. Datum: 3 december 2010 Rapportnummer: 2010/344
Rapport Datum: 3 december 2010 Rapportnummer: 2010/344 2 Klacht Verzoeker klaagt erover dat het regionale politiekorps Limburg-Zuid zijn meldingen van geluidsoverlast vanaf 22 oktober 2009 tot heden, welke
Rapport. Belastingdienst wijst verzoek om ambtshalve vermindering af. Op basis van het onderzoek vindt de Nationale ombudsman de klachten gegrond.
Rapport Belastingdienst wijst verzoek om ambtshalve vermindering af. Op basis van het onderzoek vindt de klachten gegrond. Datum: 12 januari 2015 Rapportnummer: 2015/007 2 SAMENVATTING Verzoekster, een
Rapport. Rapport over een klacht over de Belastingdienst/Toeslagen te Utrecht. Datum: 6 mei 2013. Rapportnummer: 2013/047
Rapport Rapport over een klacht over de Belastingdienst/Toeslagen te Utrecht Datum: 6 mei 2013 Rapportnummer: 2013/047 2 Klacht Verzoeksters klagen over de beslissing van de Belastingdienst/Toeslagen van
Rapport. Datum: 6 juni 2007 Rapportnummer: 2007/109
Rapport Datum: 6 juni 2007 Rapportnummer: 2007/109 2 Klacht Verzoeker klaagt erover dat het college van burgemeester en wethouders van Weststellingwerf in zijn persbericht van 13 april 2006 stelt de bevindingen
Rapport. Datum: 30 september 2005 Rapportnummer: 2005/312
Rapport Datum: 30 september 2005 Rapportnummer: 2005/312 2 Klacht Verzoekster klaagt erover dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) incorrecte informatie heeft verschaft in de brochure en op de
