Studentenmonitor Hoger Onderwijs 2007
|
|
|
- Maria Martens
- 10 jaren geleden
- Aantal bezoeken:
Transcriptie
1 Studentenmonitor Hoger Onderwijs 2007 Juni 2009 ResearchNed Nijmegen Anja van den Broek Froukje Wartenbergh Lette Hogeling Danny Brukx Jules Warps Bas Kurver Marjolein Muskens
2
3 Inhoud Voorwoord 7 1 Inleiding en verantwoording Achtergrond Inhoud van de Studentenmonitor Steekproefontwerp Dataverzameling, respons en weging Afgestudeerden in de steekproef Opbouw van het rapport 20 2 Kernindicatoren Karakteristieken van studenten Studievoortgang, motivatie en inzet Kwaliteit en studeerbaarheid Budget en studiefinanciering Tijdbesteding Studiekeuze en aansluiting Internationalisering Toekomstperspectief Studenttypen Samenvatting 68 3 Studiekeuze en voorlichting Inleiding Gebruik van voorlichting Aantal geraadpleegde bronnen en de juiste studiekeuze Motieven voor studiekeuze Keuzemotieven en de juiste studiekeuze Keuzeprofiel van studenten die de juiste keuze maakten Samenvatting 87 Studentenmonitor
4 4 Studievoortgang en tijdbesteding Inleiding Ontwikkeling van studievoortgang Studievoortgang verklaard De waarde van een studiepunt Tijdbesteding Profiel van de lenende student Samenvatting Herkomst, afkomst en studiesucces Inleiding Begripsdefinitie en werkwijze Ouderlijk opleidingsniveau, beroepsstatus en afkomst Afkomst, herkomst en studiesucces Samenvatting Uitzonderlijk gemotiveerd Inleiding Hoger onderwijs, hbo en wo Motivatie verklaard Samenvatting De hoogte van de ouderlijke bijdrage Inleiding Toelichting relatieve ouderbijdrage Hoeveel ouderbijdrage ontvangen studenten? Profiel van studenten in relatie tot de veronderstelde ouderbijdrage Samenvatting Nederlandse studenten in Europees perspectief Inleiding Profiel van de Europese student Budget van de Europese student en toegankelijkheid van het Europees hoger onderwijs Europese studenten en internationale mobiliteit Samenvatting Studentenmonitor 2007
5 9 Studieuitval in het hoger onderwijs Profiel van de studiestaker Redenen van studiestaken Voorkomen van studieuitval Huidige en toekomstige situatie Samenvatting 214 Afkortingen 219 Schaalconstructies 221 Overzicht tabellen en figuren 227 Studentenmonitor
6
7 Voorwoord Voor u ligt de achtste editie van de Studentenmonitor. Deze reeks is in 2001 begonnen met de bedoeling om ordening te brengen in de enquêtes die studenten voor beleidsdoeleinden worden afgenomen. Door een standaardvragenlijst voor te leggen aan een representatieve selectie van studenten kunnen alle aspecten van de student en het studentenleven aan bod komen. Op basis van de verzamelde gegevens uit 2007 is een uitgebreid rapport geschreven. Hierin vinden we een analyse van de sociaal-economische positie en het studiegedrag op kernindicatoren, maar ook aandacht voor onderwerpen als studiekeuze en voorlichting, studievoortgang en tijdbesteding, de relatie tussen herkomst, afkomst en studiesucces, het percentage uitzonderlijk gemotiveerde studenten en de hoogte van de ouderlijke bijdrage. Interessant is ook het hoofdstuk waarin de positie van de Nederlandse studenten is vergeleken met studenten in een aantal andere Europese landen. Ook de eerder gemaakte analyse over studieuitval in het hoger onderwijs maakt deel uit van deze Studentenmonitor. De Studentenmonitor is in de loop der jaren uitgegroeid tot een factor van belang voor beleidsontwikkeling. Via het project Eurostudent is er zelfs internationale aandacht voor. Ook dit jaar signaleert de Studentenmonitor weer een aantal opvallende ontwikkelingen. Zo is de studievoortgang ten opzichte van het voorgaande jaar over het geheel genomen iets gedaald, maar mannelijke studenten lijken zowel in het hbo als in het wo hun achterstand op dit punt enigszins in te lopen. In het hbo wordt nog steeds meer tijd besteed aan de studie dan in het wo, maar het wo loopt in. Dit is een positieve ontwikkeling. Wel is er sprake van verschillen in studie-inspanning die studenten moeten leveren voor het behalen van een studiepunt. Ruim 18 procent van de Nederlandse studenten is uitzonderlijk gemotiveerd. Die motivatie wordt sterk bepaald door een positieve waardering voor de studeerbaarheid van de opleiding en de toegankelijkheid van de docenten. Dat lijkt zeker zo belangrijk als de individuele eigenschappen van de student. Het aantal werkende studenten groeit. Vergeleken met studenten uit andere Europese landen hebben Nederlandse studenten veel vaker een betaalde (bij)baan van meer dan 5 uur per week. Een te lage ouderlijke bijdrage kan hiervoor geen verklaring zijn omdat het merendeel van de studenten een hogere ouderbijdrage krijgt dan verondersteld. Studentenmonitor
8 Uit de Europese analyse blijkt dat het inkomen van studenten vooral wordt bepaald door inkomsten van ouders en inkomsten uit een (bij)baan van de student zelf, en in veel mindere mate door een bijdrage van de overheid. Voor Nederlandse studenten ligt deze verhouding iets anders. Zij zijn voor hun inkomsten in ongeveer gelijke mate afhankelijk van de drie bronnen: ouders, overheid en eigen inkomsten uit werk. Het hoofdstuk over studieuitval is een echte aanrader. Dit geeft een waardevolle inkijk in de redenen van studieuitval en het toekomstperspectief van studiestakers. Ik vind het positief dat 60 procent toch overweegt om een andere studie in het hoger onderwijs op te pakken. Het wordt al met al steeds duidelijker hoe belangrijk het is om meteen de juiste studiekeuze te maken. Dat zal steeds beter kunnen dankzij de website Studiekeuze123.nl en andere initiatieven die momenteel in het onderwijsveld worden ontplooid, zoals bijvoorbeeld intakegesprekken. Dit is slechts een greep uit de Studentenmonitor. Vanuit verschillende invalshoeken zijn er nog veel meer wetenswaardigheden verzameld in deze publicatie, die unieke informatie bevat over de sociaal-economische achtergronden van studenten. Om de toegankelijkheid van het rapport te vergroten is het ook te vinden op evenals eerdere Studentenmonitoren, (interactieve) tabellen en trendbestanden. Tot slot bedank ik iedereen die een bijdrage heeft geleverd aan deze Studentenmonitor: de medewerkers van ResearchNed onder leiding van Anja van den Broek, de IB-Groep, en uiteraard de studenten die de enquêtes invulden. De begeleiding vanuit het ministerie is verzorgd door Jon Tienstra. Ik wens alle lezers van deze Studentenmonitor veel wijsheid toe. Dr. Ronald H. A. Plasterk Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap 8 Studentenmonitor 2007
9 1 Inleiding en verantwoording 1.1 Achtergrond Het ministerie van OCW, Directie Hoger Onderwijs & Studiefinanciering (HO&S), publiceren voor de achtste keer de Studentenmonitor Hoger Onderwijs. Deze publicatie bevat de resultaten van de Studentenmonitor 2007 en heeft betrekking op het studiejaar Het onderzoek is uitgevoerd door het onderzoeksinstituut ResearchNed uit Nijmegen. De monitor is gestart in 2000 en bevat een schat aan informatie over studeren in Nederland 1. De Studentenmonitor is te omschrijven als het periodiek en systematisch volgen van ontwikkelingen op het gebied van de sociaal-economische dimensie van studeren in het hoger onderwijs met behulp van kengetallen en bevraging van doelgroepen. De monitor fungeert als ondersteuning van beleid en als informatiebron voor derden. Een dergelijk monitorsysteem heeft vooral een signaleringsfunctie bij de ontwikkeling van beleid en genereert informatie op de momenten dat dit volgens de beleidscyclus nodig is. Door periodiek dezelfde soort gegevens te verzamelen neemt de informatiewaarde toe. Toch is, met verschuivingen van accenten in het beleid, ook de informatiebehoefte over studenten in de loop der jaren op onderdelen gewijzigd. Daarom wordt bij de uitvoering van de Studentenmonitor, naast standaardisatie van inhoud en procedures, ook flexibiliteit, beleidsinzicht en beleidsrelevantie in acht genomen. In dit hoofdstuk gaan we achtereenvolgens in op de inhoud van de Studentenmonitor 2007, het steekproefontwerp, de dataverzameling en respons, en geven we een typering van de steekproef. 1 Hofman, A. et al. (2001). Studentenmonitor Zoetermeer: Ministerie van OC&W. BGO 75. Hofman, A. et al. (2002). Studentenmonitor 2001: studenten in het hoger onderwijs. Zoetermeer: Ministerie van OC&W. BGO 87. Jong, U. de (2002). Studentenmonitor 2001: aanvullende analyses over motivatie en sociaal milieu. Zoetermeer: Ministerie van OC&W. BGO 88. Jong, U. de (2002). Studentenmonitor 2001: trends in de jaren Zoetermeer: Ministerie van OC&W. BGO 89. Hofman, A. et al. (2002). Studentenmonitor 2001: kernrapport. Zoetermeer: Ministerie van OC&W. BGO 90. Hofman, A. et al. (2003). Studentenmonitor 2002: studenten in het hoger onderwijs. Zoetermeer: Ministerie van OC&W. BGO 94. Graaf, D. de et al. (2002). Nadere analyses studentenmonitor 2002: studeren met een handicap en studieverloop in het algemeen. Den Haag: Ministerie van OCW. BGO 101. Broek, A. van den et al. (2004). Studentenmonitor 2003: studeren in het hoger onderwijs. Den Haag: Ministerie van OCW. BGO 108. Broek, A. van den, Sijbers, R., Wiel, E. van de, Welling, N. & Uerz, D. (2005). Net dat beetje extra. Studentenmonitor Studeren in Nederland: kernindicatoren, determinanten van studievoortgang en de gedreven student. Den Haag: SDU. BGO 118. Broek, A. van den, Wiel, E. van de, Pronk, T. & Sijbers, R., (2006). Studentenmonitor Studeren in Nederland. Kernindicatoren, studievoortgang, studieuitval en internationale mobiliteit. Den Haag: SDU. Beleidsgerichte Studies Hoger Onderwijs en Wetenschappelijk Onderzoek 126. Broek, A. van den, Wartenbergh, F. Wermink, I., Sijbers, R., Thomassen, M., Klingeren, M. van & Hogeling, L. (2007). Studentenmonitor Studeren in Nederland: kernindicatoren, motieven bij masterkeuze, studievoortgang, studenttypen en de bijzonder gemotiveerde student. Den Haag: SDU. Beleidsgerichte Studies Hoger Onderwijs en Wetenschappelijk Onderzoek 129. Studentenmonitor
10 1.2 Inhoud van de Studentenmonitor De vragenlijst van de Studentenmonitor bestaat uit vaste en variabele componenten. De vaste onderdelen zijn: opleiding en studieverloop, achtergrondkenmerken, kwaliteit en studeerbaarheid, inkomsten en uitgaven, tijdbesteding en internationalisering. Deze onderwerpen zijn, soms met verschillende definities, sinds de aanvang van de Studentenmonitor steeds aan de orde geweest. In de Studentenmonitor 2007 is een aantal nieuwe rubrieken toegevoegd, zoals het toekomstbeeld van studenten, een vragencluster over het profiel van studenten en de positie van masterstudenten. Andere onderwerpen, zoals de overgang van de oude stijl naar het BaMa-stelsel, zijn uit de Studentenmonitor verdwenen. Onderstaand overzicht geeft de onderwerpen en subrubrieken weer van de Studentenmonitor Achtergrondkenmerken (nationaliteit, geslacht, leeftijd, etniciteit, studiefase, burgerlijke staat, woonsituatie, kinderen, sociaal-economische herkomst en studenten met een beperking). Studentprofielen (Idealisten, Vakgeïnteresseerden, Zelfontplooiers, Normatieven, Statuszoekers). Onderwijsroute (vooropleiding, bezigheid vorig jaar en omzwaai). Studiekeuze en aansluiting (keuzemotieven, keuze voor bèta en techniek, aansluiting, Studiekeuze123). Studievoortgang (voortgang, tentamencijfer, propedeuse). Tijdbesteding (studie, werk, overig). Studiehouding en motivatie (inzet, motivatie, redenen afnemende motivatie). Studenttevredenheid (werkdruk, studeerbaarheid, toegankelijkheid docenten). Studieperspectief. Arbeidsmarktperspectief (docent, ambtenaar, zelfstandig ondernemer, wetenschapper). Internationalisering (ervaring, organisatie, financiering, plannen). Na de bachelor (overgang van bachelor naar master, informatievoorziening). Inkomsten (inkomsten en inkomstenbronnen). Uitgaven (studie, levensonderhoud, ontspanning). Financiële situatie en leengedrag (financiële situatie, leengedrag, redenen wel/niet lenen). Betaalde arbeid (percentage werkenden, aard werk en redenen werken). Associate degree Positie van studiestakers (separaat onderzoek onder studiestakers). Afgestudeerd (korte rubriek: positie van afgestudeerden). Om de bevragingslast te reduceren is gebruik gemaakt van gegevens die voorhanden zijn in de centrale studentenadministraties van de IB-Groep. Achtergrondkenmerken van studenten uit deze databases zijn gebruikt voor populatieanalyses en gekoppeld aan de respondentbestanden. Er is door de onderzoekers gewerkt met geanonimiseerde gegevens (niet te herleiden tot individuele personen). Het betreft hier de volgende gegevens: 10 Studentenmonitor 2007
11 CRIHO (Centraal Register Inschrijvingen Hoger Onderwijs): alle inschrijvingen in het hoger onderwijs: BRIN (instellingscode), CROHO-code, inschrijfvorm, soort inschrijving, aanvangsdatum inschrijving, eind inschrijving (per studiejaar), examen. Er is gebruik gemaakt van een historisch bestand. RASP (Registratie Aanmelding, Selectie en Plaatsing): vooropleiding en achtergrondkenmerken (alle vooropleidingen, leeftijd, geslacht, nationaliteit, geboorteland student en geboorteland ouders). WSF (Wet Studiefinanciering): alle toekenningen studiefinanciering (basisbeurs, aanvullende beurs, rentedragende leningen, verbruikte rechten en ov-studentenkaart). ERR (Examen Resultaten Register): alle geslaagden in het voortgezet onderwijs: eindexamencijfers per vak, vo-profiel, datum afgelegd examen, BRIN vo. De Studentenmonitor bevat dus, naast de gegevens uit de vragenlijst, ook populatiegegevens. In de voetteksten van de tabellen en in de tekst is steeds aangegeven welke bronbestanden zijn gebruikt. 1.3 Steekproefontwerp Voor de Studentenmonitor is een gestratificeerd steekproefontwerp opgesteld. Allereerst zijn hiervoor strata vastgesteld. De studentenpopulatie is ingedeeld in verschillende strata. Dit zijn de cellen/groepen die als uitgangspunt dienden voor het trekken van een gestratificeerde steekproef. De strata voor de Studentenmonitor waarbinnen een aselecte steekproef is getrokken zijn soort hoger onderwijs (hbo of wo), croho-onderdeel (sector) en studiejaar. Ten aanzien van deze laatste uitsplitsing is gekeken naar het aantal jaren dat een student binnen hetzelfde croho-onderdeel is ingeschreven. Uitzondering hierop vormen de eerstejaars hoger onderwijs. Dat zijn alle studenten die voor het eerst studeren in het hoger onderwijs. Deze groep is apart opgenomen in het steekproefdesign. Binnen de strata is een aselecte steekproef getrokken uit het Centraal Register Inschrijvingen Hoger Onderwijs (CRIHO) peildatum februari In totaal stonden in bijna studenten ingeschreven in het hoger onderwijs. Tabel 1 toont de samenstelling van de studentpopulatie naar achtergrondkenmerken. Ruim 62 procent van de studenten zit in het hbo; 38 procent studeert aan een universiteit. Economie (hbo) bevat de meeste studenten (36%). In het wo studeren de meeste studenten bij Gedrag & Maatschappij (21%). Studentenmonitor
12 Tabel 1: Samenstelling studentenpopulatie in Hbo Wo Totaal Landbouw 2% 2% 2% Natuur - 7% 3% Techniek 16% 13% 15% Gezondheidszorg 9% 13% 10% Economie 36% 15% 28% Recht - 13% 5% Gedrag & Maatschappij 14% 21% 17% Taal & Cultuur 4% 15% 9% Onderwijs 19% - 12% Man 48% 50% 49% Vrouw 52% 50% 51% OCW Studentenmonitor Kolompercentages. Bron: IB-Groep: CRIHO. Tabel 2 toont de ingeschrevenen in het hbo, onderscheiden naar sector en studiejaar. Tabel 3 laat de bruto-steekproef zien. Hierbij zijn eerstejaars onderscheiden naar eerstejaars ho Nederland (voor het eerst in het ho) en eerstejaars sector (voor het eerst in sector: doorstroom, omzwaai). De overige studenten zijn ingedeeld in tweedejaars, derdejaars, vierdejaars en vijfdejaars en ouder. Tabel 2: Ingeschrevenen hbo naar strata: populatie jr.1 ho jr.1 sector jr. 2 jr. 3 jr. 4 jr. 5+ Populatie Landbouw Techniek Gezondheidszorg Economie Gedrag & Maatschappij Taal & Cultuur Onderwijs OCW Studentenmonitor Bron: IB-Groep: CRIHO 2006/ Studentenmonitor 2007
13 Tabel 3: Ingeschrevenen hbo naar strata: bruto steekproef jr.1 ho jr.1 sector jr. 2 jr. 3 jr. 4 jr. 5+ Bruto steekproef Landbouw Techniek Gezondheidszorg Economie Gedrag & Maatschappij Taal & Cultuur Onderwijs OCW Studentenmonitor Bron: IB-Groep: CRIHO 2006/2007. Tabel 4 toont de aantallen ingeschreven studenten 2006/2007 in het wo, ingedeeld naar strata. Tabel 5 geeft een overzicht van de bruto-steekproefaantallen in het wo. In het wo is een groep zesdejaars en ouder toegevoegd. De steekproef voor bachelorstudenten en studenten oude stijl is ingedeeld in 42 strata in het hbo en 56 strata in het wo. In totaal onderscheiden we voor de Studentenmonitor strata. Binnen deze strata is een aselecte steekproef getrokken zodanig dat met deze aantallen betrouwbare uitspaken kunnen worden gedaan over de studentenpopulatie in Nederland. In totaal omvat de bruto steekproef studenten. Tabel 4: Ingeschrevenen wo naar strata: populatie jr.1 ho jr.1 sector jr. 2 jr. 3 jr. 4 jr. 5 jr. 6+ Populatie Landbouw Natuur Techniek Gezondheidszorg Economie Recht Gedrag & Maatschappij Taal & Cultuur OCW Studentenmonitor Bron: IB-Groep: CRIHO 2006/2007. Studentenmonitor
14 Tabel 5: Ingeschrevenen wo naar strata: bruto-steekproef jr.1 ho jr.1 sector jr. 2 jr. 3 jr. 4 jr. 5 jr. 6+ Bruto steekproef Landbouw Natuur Techniek Gezondheidszorg Economie Recht Gedrag & Maatschappij Taal & Cultuur OCW Studentenmonitor Bron: IB-Groep: CRIHO 2006/ Dataverzameling, respons en weging De belangrijkste gegevensverzameling vond plaats via enquêtering van studenten. Gedurende de eerste vier jaren in het bestaan van de Studentenmonitor is een schriftelijke vragenlijst gebruikt, in jaar drie en vier in combinatie met een internetvragenlijst. Analyses in het vierde jaar (Studentenmonitor 2003) wezen uit dat er geen grote verschillen zijn in de online resultaten en de resultaten van de schriftelijke enquête. Geconcludeerd is destijds dat er geen wezenlijke bezwaren bestaan tegen een online enquêtering. Daarom is vanaf 2004 overgegaan op een volledig online afname van de Studentenmonitor. De dataverzameling voor de Studentenmonitor 2007 vond plaats in de maanden mei, juni en juli De internetenquête is geprogrammeerd met behulp van het softwarepakket DimensionNet van SPSS waarbij gebruik is gemaakt van routering en randomisatie van vragen, databasebewerking, tussentijdse correctie en responsberekeningen. De respondenten zijn benaderd via een speciale mailing van de IB-Groep. In de brief stond een verwijzing naar de website: waarop de vragenlijst te raadplegen was. Voor elke student was een unieke toegangscode afgedrukt. Met deze code kon de student inloggen in de vragenlijst. De toegangscode is later gekoppeld aan een versleuteld nummer van de IB-Groep, wat toevoeging van achtergrondkenmerken mogelijk maakt. Gedurende de dataverzamelingsperiode is tweemaal een schriftelijk rappel uitgezet aan alle studenten die nog niet hadden gerespondeerd of anderszins (bijvoorbeeld via of telefonisch) hadden gereageerd. De studenten waarvan de brieven retour afzender zijn gekomen, zijn buiten de rappels gehouden. De studenten konden als dank voor het invullen van een vragenlijst kans maken op een prijs (mp3-speler of cadeaubon). Na beëindiging van de enquête is direct teruggekoppeld aan de studenten wie tot de winnaars behoorde. De winnaars zijn bepaald met behulp van een random loting in de software. In geval van acceptatie van de prijs konden studenten hun adres invullen. De prijzen zijn verstuurd in september Studentenmonitor 2007
15 Na sluiting van de dataverzameling hadden studenten de enquête ten minste eenmaal geopend (de bruto-respons). Het responspercentage is daarmee 32 procent van bereikte studenten (na correctie voor niet ontvangen lijsten en retour afzender). Tabel 6 geeft een overzicht van de totale responsaantallen en responspercentages. Voor de berekening van de respons is verder gekeken naar het deel van de vragenlijst dat studenten hebben ingevuld. De software die gebruikt wordt voor de webenquête registreert het nummer van de laatste ingevulde vraag. Alleen studenten die de volledige vragenlijst ( volledig ingevuld ) of een substantieel deel van de lijst (tot en met het onderdeel over de kans om af te studeren: onvolledig opgenomen ) hebben ingevuld, zijn meegenomen in de uiteindelijke dataset (vaak zijn dit respondenten die de allerlaatste pagina niet hebben afgesloten). De studenten die vóór dit onderdeel zijn afgehaakt, zijn buiten de analyses gehouden (de groep onvolledig verwijderd ). Tabel 6: Overzicht totale respons Studentenmonitor 2007 Typering Aantal Steekproef Bruto-steekproef Correctie voor niet bereikt/niet aangeschreven* Aantal studenten bereikt Netto-respons Onvolledig verwijderd 606 Onvolledig opgenomen Volledig ingevuld Afgestudeerd Gestopt 456 Totaal bruto respons Totaal bruikbare respons Responspercentage Bruto 32% Bruikbaar 27% OCW Studentenmonitor * Correctie voor niet bereikt, adres onbekend en niet verzonden door IB-Groep: ongeveer 20 procent. Van de totale groep was 87 procent (N=10.684) op het moment van dataverzameling daadwerkelijk ingeschreven in het hoger onderwijs. Vier procent (N=456) was gestopt met de opleiding en negen procent was afgestudeerd (N=1.119). Deze groepen uitgesloten brengt de bruikbare respons op 27 procent. Over de gehele linie laat de Studentenmonitor een dalende respons zien. Dit is een trend die in vergelijkbare onderzoeken ook is waargenomen. Studentenmonitor
16 Figuur 1 laat de bruto responspercentages (ongewogen) zien naar croho-sector. Een bovengemiddelde respons is te zien bij Natuur (wo) en gezondheidszorg (wo). Een relatief lage respons is waargenomen bij Economie en Taal & Cultuur (beide hbo). hbo wo ho T T tc g m re ec g z te na lb T ow tc g m ec g z 35 te 29 lb 29 0% 10% 20% 30% 40% 50% Figuur 1: Responspercentages (ongewogen) naar croho-sector Figuur 2 geeft een overzicht van de bruto responspercentages (ongewogen) naar de volgende achtergrondkenmerken: opleidingstype (alleen wo: ongedeeld, bachelor, master), jaar (eerstejaars, ouderejaars), opleidingsvorm (voltijd-deeltijd), geslacht, studiefinancieringsgegevens (studiefinancieringgerechtigd, nominale fase, leenfase, niet-studiefinancieringsgerechtigd), woonsituatie (uitwonend en thuiswonend) en etniciteit (allochtoon en autochtoon). 16 Studentenmonitor 2007
17 hbo wo ho jaar vorm gesl. sf woon etn. T type jaar vorm gesl. sf woon etn. T T allochtoon a utochtoon uitwone nd thuiswone nd s f- s f-le e nfas e s f-nomina a l s f+ vrouw ma n dee ltijd voltijd oudere jaa rs e e rste jaa rs ma ste r ba chelor ong e dee ld allochtoon a utochtoon uitwone nd thuiswone nd s f- s f-le e nfas e s f-nomina a l s f+ vrouw ma n dee ltijd voltijd oudere jaa rs e e rste jaa rs % 10% 20% 30% 40% 50% Figuur 2: Responspercentages (ongewogen) naar achtergrondkenmerken Studentenmonitor
18 Voltijdstudenten responderen iets beter dan deeltijdstudenten en thuiswonenden responderen iets beter dan uitwonenden. Studenten met studiefinanciering tonen meer responsbereidheid van studenten zonder studiefinanciering. Vrouwen responderen beter dan mannen; autochtonen beter dan allochtonen. Tussen eerstejaars en ouderejaars zien we weinig verschillen in responsgedrag, zo ook tussen de verschillende opleidingstypen in het wo (bachelor, master, ongedeeld). De bruikbare respons van ruim studenten is qua omvang voldoende om betrouwbare generaliserende uitspraken te doen over de Nederlandse studentenpopulatie, maar doet geen recht aan de proportionele verdeling van de CROHOonderdelen en studiejaren in de populatie. Vrouwelijke studenten zijn oververtegenwoordigd in de steekproef vanwege een grotere responsbereidheid. Deze afwijkingen zijn gecorrigeerd door middel van een wegingsprocedure. De weegfactor is bepaald door de proportie van een subgroep in de totale populatie te delen door de proportie van dezelfde subgroep in de totale responsgroep. Bijvoorbeeld: als een groep studenten 12 procent van de populatie vertegenwoordigt en acht procent van de responsgroep, dan is de weegfactor: 12 gedeeld door 8 is 1,5. De weegfactor van deze subgroep wordt dan bepaald op 1,5 wat wil zeggen dat de groep anderhalf keer meeweegt in de resultaten. Na het toepassen van de weging zijn de gegevens analysegereed gemaakt door koppeling van achtergrondkenmerken uit de CRIHO-bestanden, indikking en clustering van het materiaal door middel van factoranalyses en opschoning van open antwoorden. Deze laatste procedure is gehanteerd bij vragen waarbij men een getal kon invullen. Steeds zijn de onderste (indien relevant) en bovenste twee procent van de verdeling buiten de analyses gehouden om te voorkomen dat incidentele buitenproportionele bedragen of uren het gemiddelden naar boven of beneden te sterk zouden beïnvloeden. Op basis van de studiefinancieringgegevens is hierna een correctie toegepast op het kenmerk opleidingsvorm (voltijd-deeltijd), woonsituatie en studiefinancieringskenmerken. De etniciteit van de studenten is vastgesteld aan de hand van gegevens uit het CRIHO (geboorteland van ouders en student) en aangevuld met vragenlijstgegevens. Hierbij zijn WBEAA-normen 2 als uitgangspunt genomen. De sociaal-economische status is bepaald aan de hand van het opleidingsniveau, beroepsniveau en inkomen van de ouders. Een verantwoording hiervan en de constructie van de overige factoren zijn opgenomen in de bijlage. Voor de Studentenmonitor is een omvangrijke set tabellen geproduceerd van alle opgenomen vragen. De tabellen van 2007 en alle overige tabellen (vanaf de Studentenmonitor 2006) zijn overzichtelijk gerubriceerd te vinden op: de officiële website van de Studentenmonitor. Op deze site zijn eveneens alle rapporten van de Studentenmonitor die sinds 2000 zijn verschenen, te downloaden. Figuur 3 geeft een schematisch overzicht van de samenstelling van de steekproef naar studiefinancieringskenmerken van zowel de gewogen als de ongewogen steekproef. 2 Wet Bevordering Evenredige Arbeidsdeelname Allochtonen. 18 Studentenmonitor 2007
19 thuis=thuiswonend; uit=uitwonend bb=basisbeurs; ab=aanvullende beurs; rl=rentedragende lening nom=nominale fase; leen=leenfase sf+=sf-gerechtigd; sf-=niet-sfgerechtigd vt=voltijd; dt=deeltijd. vt (5252) sf+ (4981) nom (4372) leen (609) bb (2928) ab (1444) thuis (213) uit (396) thuis (1755) uit (1173) thuis (771) uit (673) hbo (6284) sf- (271) thuis (97) uit (174) steekproef (10078) dt (1032) dt (250) thuis (90) uit (942) uit (239) thuis (11) wo (3794) sf- (453) uit (398) thuis (55) vt (3544) sf+ (3091) leen (971) uit (756) thuis (215) ab (470) uit (314) thuis (156) nom (2120) uit (1183) bb (1650) thuis (467) Figuur 3: Samenstelling respondentgroep naar achtergrondkenmerken: gewogen respons. Studentenmonitor
20 1.5 Afgestudeerden in de steekproef In totaal waren studenten in de steekproef inmiddels afgestudeerd. Deze studenten vulden de reguliere vragenlijst niet in, maar werden als afgestudeerden doorverwezen naar twee verdiepingsvragen over hun arbeidsmarktpositie. Tabel 7 toont de resultaten van deze verdiepingsvragen. Tabel 7: Arbeidsmarktsituatie van afgestudeerden % N % Baan Geen baan Totaal afgestudeerd Volledige aansluiting bij opleiding Gedeeltelijke aansluiting bij opleiding Geen aansluiting bij opleiding Totaal met baan OCW Studentenmonitor Aantal en percentages. Acht van de tien afgestudeerden in de steekproef (79%) heeft een baan (in 2006 was dit ook 79%; in %; in %). Voor tweederde van de afgestudeerden met een baan geldt dat deze baan volledig aansluit bij de opleiding die zij hebben gevolgd (63% in 2006; 60% in 2005; 57% in 2004). Ten opzichte van de totale populatie afgestudeerden (met en zonder baan) is dit 52 procent (50% in 2006; 46% in 2005; 42% procent in 2004). Bij 21 procent van alle afgestudeerden met een baan sluit deze gedeeltelijk aan bij de opleiding (25% in 2006; 22% in 2005; 23 procent in 2004). Dit staat gelijk aan 17 procent van alle afgestudeerden in de steekproef. Voor 13 procent van de afgestudeerden met een baan is er geen aansluiting tussen opleiding en baan (13% in 2006; 18% in 2005; 20 procent in 2004). Ten opzichte van de totale groep afgestudeerden is dit 10 procent (10% in 2006; 14% in 2005; 15% in 2004). 1.6 Opbouw van het rapport Het rapport van de Studentenmonitor 2007 is uitgebreid en kent in totaal negen hoofdstukken. Hoofdstuk 2 bevat een beschrijving van alle kernindicatoren over uiteenlopende onderwerpen: studentkarakteristieken, studievoortgang, motivatie en inzet, kwaliteit en studeerbaarheid, budget en studiefinanciering, tijdbesteding, studiekeuze en aansluiting, internationalisering, toekomstperspectief van studenten en een beschrijving van de verschillende studenttypen. 20 Studentenmonitor 2007
21 Hoofdstuk 3 behandelt onderwerpen die betrekking hebben op studiekeuze en voorlichting. In dit hoofdstuk gaat het onder andere om het gebruik van voorlichting, het aantal geraadpleegde bronnen en de juiste studiekeuze, de motieven voor studiekeuze, keuzemotieven in relatie tot de juiste studiekeuze en het keuzeprofiel van studenten die de juiste keuze maakten. Hoofdstuk 4 beschrijft de studievoortgang en tijdbesteding van de Nederlandse studenten. Allereerst wordt de ontwikkeling van de studievoortgang in de afgelopen jaren geschetst. Daarna wordt voor het hbo en wo een verklaringsmodel gepresenteerd. Vervolgens staat de waarde van een studiepunt centraal (hoe hard moeten studenten werken voor een studiepunt). Tenslotte gaat dit hoofdstuk in op de tijdbesteding van studenten en het profiel van de lenende student. Hoofdstuk 5 gaat over de relatie tussen herkomst, afkomst en studiesucces in het hoger onderwijs. Er wordt vooral aandacht besteed aan etniciteit, generatie hoger onderwijs en de sociaal-economische status van verschillende groepen studenten in relatie tot hun studiesucces. Hoofdstuk 6 geeft een overzicht van de percentages uitzonderlijk gemotiveerde studenten in het hoger onderwijs in de periode en een verklaring van deze motivatie uit achtergrond- en studiekenmerken. De hoogte van de ouderlijke bijdrage staat centraal in hoofdstuk 7. Op basis van landelijke normen wordt de ouderlijke bijdrage die studenten ontvangen bestudeerd. Dit hoofdstuk geeft eveneens een beschrijving van het profiel van studenten met meer dan de veronderstelde of minder dan de veronderstelde ouderbijdrage. Op basis van Eurostudent waarin Nederland met de Studentenmonitor Hoger Onderwijs participeert wordt in hoofdstuk 8 aandacht besteed aan de Nederlandse studenten in Europees perspectief. De onderwerpen die aan de orde komen zijn: het profiel van de Europese student, het budget van de Europese student, de toegankelijkheid van het Europees hoger onderwijs en internationale mobiliteit van Europese studenten. Hoofdstuk 9 ten slotte doet verslag van een separaat onderzoek naar studieuitval in het hoger onderwijs. Dit hoofdstuk gaat nader in op het profiel van de studiestaker, de redenen van studiestaken, het voorkomen van studieuitval en de huidige en toekomstige situatie van studiestakers. Het rapport eindigt met een aantal bijlagen: een overzicht van opgenomen figuren en tabellen, een lijst met gebruikte afkortingen en een overzicht van de schaalconstructies. Studentenmonitor
22
23 2 Kernindicatoren 2.1 Karakteristieken van studenten In het Nederlands hoger onderwijs bestaat de studentenpopulatie voor 51 procent uit vrouwen en voor 49 procent uit mannen. Absoluut gezien zijn de grootste groepen studenten terug te vinden in de hbo-sectoren Economie, Onderwijs en Techniek (Figuur 4). In het wo geldt dit voor de sectoren Gedrag & Maatschappij en Economie. tc g m re hbo wo e c g z te na lb ow tc g m e c g z te lb ma n vrouw Figuur 4: Samenstelling studentenpopulatie naar geslacht (absolute aantallen) De verdeling naar geslacht is niet voor elke sector gelijk aan die van de populatie. Zo treffen we in het hbo ruim 70 procent vrouwelijke studenten aan in de sectoren Gezondheidszorg, Gedrag & Maatschappij en Onderwijs. In het wo is het merendeel vrouw in de sectoren Gezondheidszorg, Gedrag & Maatschappij en Taal & Cultuur (ruim 60%). Studentenmonitor
24 Een duidelijke oververtegenwoordiging van mannen is te zien in de sector Techniek (hbo: 86%; wo: 82%). Het aandeel mannen is ook hoog in de wo-sectoren Economie (70%) en Natuur (67%). Figuur 5 maakt duidelijk dat 13 procent van de studenten in het hoger onderwijs in deeltijd studeert. In het hbo (17%) zijn dit er meer dan in het wo (7%). hbo wo ho T T tc g m re e c 3 g z 2 te 1 na 1 lb0 T ow tc g m e c g z 12 te 11 lb 14 0% 10% 20% 30% 40% Figuur 5: Samenstelling studentenpopulatie naar opleidingsvorm (% deeltijdstudenten) De hbo-sectoren Onderwijs (32%) en Gedrag & Maatschappij (24%) bevatten de meeste deeltijdstudenten. Op universitair niveau vinden we de meeste deeltijders terug in de sectoren Recht (17%) en Taal & Cultuur (11%), terwijl er in de sectoren Techniek en Natuur amper studies in deeltijd worden gevolgd. De gemiddelde leeftijd (peildatum mei 2007) van Nederlandse studenten in het hoger onderwijs is weergegeven in Figuur Studentenmonitor 2007
25 hbo wo ho T T tc g m re e c g z te na lb T ow tc g m e c g z te lb voltijd de eltijd Figuur 6: Gemiddelde leeftijd studentenpopulatie naar voltijd en deeltijd Voltijdstudenten in het ho zijn met 22 jaar en 10 maanden gemiddeld 11 jaar en 9 maanden jonger dan deeltijdstudenten. In het wo zijn studenten voltijd ouder dan in het hbo (23 jaar en 6 maanden t.o.v. 22 jaar en 5 maanden). Studentenmonitor
26 Voor deeltijders geldt dit met 36 jaar en 3 maanden (wo) en 34 jaar en 2 maanden (hbo) ook. Van de voltijdstudenten in het wo zijn die in de sectoren Taal & Cultuur, Techniek en Landbouw het oudst (24 jaar). Zij zijn gemiddeld ongeveer een jaar ouder dan dezelfde groep studenten in de overige sectoren. In de hbo-sectoren Gedrag & Maatschappij, Economie, Gezondheidszorg en Techniek zitten gemiddeld de jongste voltijdstudenten (22 jaar). Van de voltijd hbo ers zijn die in de sector Taal & Cultuur met 24 jaar en 4 maanden gemiddeld het oudst. Van de ondervraagde studenten woont 38 procent nog thuis (Figuur 7). Studenten die in voltijd een studie volgen, wonen in 58 procent van de gevallen niet meer thuis (niet weergegeven in figuur). Voor deeltijders is dit bij 92 procent van de studenten het geval (niet weergegeven in figuur). Eerstejaars voltijders wonen relatief gezien vaak thuis (70% hbo; 41% wo; 60% totaal) en ouderejaars zelfstandig (51% hbo; 78% wo; 62% totaal). Ongeveer 90 procent van alle deeltijdstudenten woont op zichzelf. oude re ja a rs 4 96 hbo wo vt dt vt dt e e rsteja a rs oude re ja a rs e e rsteja a rs oude re ja a rs e e rsteja a rs oude re ja a rs e e rsteja a rs % 20% 40% 60% 80% 100% thuiswone nd uitwone nd Figuur 7: Uit- en thuiswonende studenten naar opleidingsvorm en studiejaar (%) Van de voltijdstudenten behoort in het hbo 13 procent en in het wo 12 procent tot een allochtone bevolkingsgroep (Figuur 8). 3 3 Vastgesteld op basis van WBEAA-normen (Wet Bevordering Evenredige Arbeidsdeelname Allochtonen), aan de hand van het geboorteland van de ouders en het eigen geboorteland. 26 Studentenmonitor 2007
27 a utochtoon taal niet-nl subjectief allochtoon 3 3 a llochtoon % 20% 40% 60% 80% 100% hbo wo Figuur 8: Etniciteit studentenpopulatie naar soort hoger onderwijs (% voltijdstudenten) Als studenten zelf kunnen aangeven tot welke groep zij zichzelf rekenen, geeft zowel in het hbo als in het wo drie procent aan dat dit een allochtone bevolkingsgroep betreft. Daarnaast zegt 12 procent van de geënquêteerden thuis een andere taal dan Nederlands te spreken. De percentages studenten in het hbo en het wo die thuis geen Nederlands spreken, zijn daarmee gestegen ten opzichte van de Studentenmonitor in 2003 (6-7%), 2004 (8-9%) en 2005 (10-11%). Allochtone studenten zijn met 18 procent het sterkst vertegenwoordigd in de sectoren Recht (wo) en Economie (hbo). Verder tellen de wosectoren Gezondheidszorg en Economie (14%) relatief veel allochtone studenten. Figuur 9 toont het hoogst voltooide opleidingsniveau van de ouders van de ondervraagde studenten uit het hoger onderwijs. De meesten van hen (voor hbo en wo gemiddeld 30%) hebben een mbo-, havo- of vwo-diploma behaald. wo hbo mbo, ha vo, vwo po, vmbo, ma vo % 10% 20% 30% 40% hbo wo Figuur 9: Hoogste opleidingsniveau van de ouders naar soort hoger onderwijs (% voltijdstudenten) Studentenmonitor
28 Studenten aan een universiteit hebben hoger opgeleide ouders dan studenten aan een hogeschool. Tegenover 13 procent van de ouders van hbo-studenten staat 33 procent van de ouders van wo-studenten met een afgeronde universitaire studie. Aan de andere kant hebben ouders van hbo-studenten (24%) maximaal een lage opleiding (po, vmbo, mavo) afgerond, terwijl dit bij ouders van wo-studenten 14 procent bedraagt. In Figuur 10 toont het gezamenlijk netto maandinkomen van de ouders van bevraagde studenten weergegeven. Ouders van wo-studenten verdienen maandelijks gemiddeld meer dan die van hbo-studenten. Van thuiswonende en uitwonende studenten verdienen de ouders van de eerstgenoemde groep per maand gemiddeld 230 euro meer. Deeltijdstudenten hebben ouders die maandelijks een lager inkomen hebben dan voltijdstudenten. Hetzelfde geldt voor allochtone studenten in vergelijking met autochtone studenten. totaal hbo wo thuiswonend uitwonend 0-le ning alleen rl bb+ab+rl bb+rl bb+a b alleen bb g e e n SF 0-le ning alleen rl bb+ab+rl bb+rl bb+a b alleen bb g e e n SF dt vt dt vt wo hbo Figuur 10: Gemiddeld maandelijks netto inkomen van de ouders ( ) 28 Studentenmonitor 2007
29 De arbeidsparticipatie van ouders, uitgesplitst naar soort hoger onderwijs en opleidingsvorm, is te zien in Figuur 11. Van alle studenten werkt 90 procent van de vaders en 78 procent van de moeders (vt en dt). De verschillen tussen ouders van voltijd- en deeltijdstudenten zijn groter dan tussen ouders van hbo- en wo-studenten. In totaal 92 procent van de vaders van voltijders en 77 procent van deeltijders verricht betaald werk. Ook moeders van voltijdstudenten (80%) verrichten vaker betaalde arbeid dan die van deeltijdstudenten (59%). Er zijn geen verschillen in arbeidsparticipatie van ouders van hbo- en wo-studenten. Vaders en moeders van autochtone studenten (92% en 80%) oefenen vaker een betaald beroep uit dan vaders en moeders van allochtone studenten (77% en 64%). T moeder verzorgster vader verzorger hbo wo T hbo wo T dt vt T dt vt T dt vt T dt vt T dt vt T dt vt % 20% 40% 60% 80% 100% betaalde arbeid werkloos niet beschikbaar Figuur 11: Arbeidsparticipatie ouders naar soort hoger onderwijs en opleidingsvorm (%) Studentenmonitor
30 Ouders van studenten aan een universiteit werken op een hoger niveau 4 dan ouders van studenten aan een hogeschool (Figuur 12). Het beroepsniveau van de vaders van voltijdstudenten is in 42 procent van de gevallen hoog. Van de vaders van deeltijdstudenten werkt 31 procent op dat niveau. Voor moeders van voltijders (12%) en moeders van deeltijders (9%) liggen deze percentages een stuk lager. Van alle ondervraagde studenten heeft 41 procent van de vaders en 11 procent van de moeders een hoog beroepsniveau. T moeder verzorgster vader verzorger hbo wo T hbo wo T dt vt T dt vt T dt vt T dt vt T dt vt T dt vt % 20% 40% 60% 80% 100% la a g midde n hoog Figuur 12: Beroepsniveau ouders naar soort hoger onderwijs en opleidingsvorm (%) 4 Laag (agrarisch beroep, ongeschoolde en geoefende handarbeid); midden (semi-geschoolde handarbeid, geschoolde en leidinggevende handarbeid, overige hoofdarbeid); hoog (middelbaar leidinggevend of commercieel beroep, middelbaar intellectueel of vrij beroep, hoger leidinggevend beroep, hoger intellectueel of vrij beroep). 30 Studentenmonitor 2007
31 De eerder gepresenteerde gegevens met betrekking tot het opleidingsniveau, het beroepsniveau en het netto maandinkomen van de ouders van studenten vormen de basis van de sociaal-economische status (ses) van diezelfde ouders. In Figuur 13 worden de studenten in de steekproef naar die status uitgesplitst. Deze indicator is genormaliseerd binnen de steekproef. De totale steekproef is ingedeeld in drie gelijke ses-groepen. Door uitsplitsingen te maken is zichtbaar welke subgroepen onevenredig zijn vertegenwoordigd in de onderscheiden niveaus. Ouders van voltijdstudenten (35% ses-hoog) hebben gemiddeld een hogere sociaal-economische status dan ouders van deeltijdstudenten (21% ses-hoog). Voor studenten op universitair niveau (44% ses-hoog) is de sociaal-economische status van de ouders hoger dan voor studenten op hogeschoolniveau (27% ses-hoog). T hbo wo T dt vt T dt vt T dt vt % 20% 40% 60% 80% 100% se s -laa g se s-midden se s-hoog Figuur 13: Sociaal-economische status naar soort hoger onderwijs en opleidingsvorm (%) Tijdens het beantwoorden van de vragenlijst konden studenten aangeven of ze een of meerdere beperkingen hebben. Hieronder kan een handicap, een (chronisch) lichamelijke ziekte, een (chronisch) psychische ziekte, een functiebeperking of een andere ziekte of aandoening worden verstaan. In totaal geeft 8 procent van de studenten aan met een beperking te maken te hebben (Figuur 14). In het hbo geven studenten in de sectoren Onderwijs (12%), Landbouw (11%) en Gezondheidszorg (10%) het vaakst en in de sectoren Economie (6%) en Techniek (8%) het minst vaak aan een beperking te hebben. Voor studenten in het wo is dit het vaakst zo in de sectoren Taal & Cultuur (10%) en Techniek (9%) en het minst vaak in de sectoren Economie (6%) en Gezondheidszorg (7%). Studentenmonitor
32 hbo wo ho T T tc g m re e c g z te na lb T ow tc g m e c g z te lb % 2% 4% 6% 8% 10% 12% Figuur 14: Studenten met een beperking (%) be perking zie kte a nde rs Om de studieloopbaan van studenten in het hoger onderwijs in kaart te brengen, wordt de hoogst voltooide opleiding in het secundair onderwijs geraadpleegd. In Figuur 15 is te zien dat de traditionele routes met 56 procent (van havo naar hogeschool) en 83 procent (van vwo naar universiteit) het meest voorkomen. In het wo stroomt 14 procent van de studenten in vanuit havo (via hbo). In het hbo hebben studenten in de sector Taal & Cultuur het vaakst (29%) en in de sectoren Gedrag & Maatschappij en Landbouw het minst vaak (13%) een vwo-opleiding afgerond. In de wo-sectoren Gezondheidszorg (95%) en Landbouw (73%) zitten gemiddeld respectievelijk de meeste en de minste studenten met een vwo-diploma. 32 Studentenmonitor 2007
33 De doorstroom van havo (via hbo) naar universiteit komt het meest voor in de sectoren Gedrag & Maatschappij (21%) en Landbouw (20%). Deze route is minder gebruikelijk in de sectoren Gezondheidszorg (5%), Natuur (9%) en Techniek (10%). hbo wo ho T T tc g m re ec g z te na lb T ow tc g m ec g z te lb % 20% 40% 60% 80% 100% mbo ha vo vwo ove rig Figuur 15: Hoogst genoten vooropleiding in het secundair onderwijs naar soort hoger onderwijs (%) Studentenmonitor
34 2.2 Studievoortgang, motivatie en inzet Figuur 16 presenteert de studievoortgang van verschillende groepen studenten 5. hbo wo ho T T tc g m re ec g z te na lb T ow tc g m ec g z te lb % 20% 40% 60% 80% 100% <50% 50-75% 75-90% op schema >120% Figuur 16: Studievoortgang: percentage van de geprogrammeerde studielast behaald 5 Ingedeeld in vijf categorieën: <50% gerealiseerd; 50-75% gerealiseerd; 75-90% gerealiseerd; op schema (90-120% gerealiseerd; >120% gerealiseerd). 34 Studentenmonitor 2007
35 Aan de hand van het aantal behaalde studiepunten, het maximaal aantal te behalen studiepunten, de opleidingsduur in maanden en de verbruikte opleidingstijd in maanden wordt de studievoortgang van studenten berekend 6. De studievoortgang van iemand die precies op schema loopt, is volgens deze berekening 100 procent. Van alle geënquêteerde studenten loopt 34 procent op schema. Op hbo-niveau (37%) ligt dat percentage hoger dan op woniveau (28%). Studenten die minder dan 50 procent van de mogelijke studiepunten hebben behaald, lopen behoorlijk achter op schema. In totaal loopt 11 procent van de studenten achter op schema, in het wo is dat 16 procent en in het hbo acht procent. Zeven procent van de studenten in de steekproef loopt voor op schema (5% in het wo; 8% in het hbo). Wat betreft hbo ers zijn de verschillen tussen de onderwijssectoren niet heel groot. Vooral in de sectoren Taal & Cultuur (47%) en Gedrag & Maatschappij (43%) lopen relatief veel studenten op schema. Wo ers lopen het meest op schema in de sector Gezondheidszorg (45%) en het minst in de sectoren Techniek (21%), Economie (23%), Recht (24%) en Taal & Cultuur (24%). Behalve voor de sector Economie geldt voor de vier laatstgenoemde sectoren dat bijna een vijfde van de studenten achter loopt op schema. Wanneer studenten wordt gevraagd hoe groot ze de kans achten dat ze hun studie succesvol af zullen gaan ronden, meent in totaal 91 procent van hen dat dit het geval zal zijn. Figuur 17 laat zien dat studenten die verder gevorderd zijn met hun studie (93%) positiever gestemd zijn over het behalen van een einddiploma dan beginnende studenten (81%). Hoewel we eerder zagen dat hbo-studenten vaker op schema lopen dan wo-studenten blijkt dat studenten in het wo meer vertrouwen in hun slagingskansen hebben dan studenten in het hbo. De verschillen tussen de sectoren, ongeacht het soort hoger onderwijs, zijn niet groot. 100% 90% % % hbo totaal wo totaal ho totaal e ers te ja ars oude re ja a rs Figuur 17: Kans afstuderen voltijdstudenten (%) 6 Het percentage studiepunten dat feitelijk behaald is, gedeeld door het percentage studiepunten dat behaald had moeten worden, gezien de verbruikte opleidingstijd. Studentenmonitor
36 Er is studenten niet alleen gevraagd naar de afstudeerkans die zij zichzelf toedichten, maar ook naar hun motivatie aan het begin van de studie. Zodoende blijkt dat vijf procent van hen ongemotiveerd aan de huidige studie is begonnen (Figuur 18). Het verschil tussen hbo ers (5%) en wo ers (6%) in deze is nihil. Van alle studenten zijn die in de wo-sector Recht (11%) het vaakst ongemotiveerd aan het begin van hun opleiding (niet weergegeven in figuur). 8% 6% 4% 2% % hbo totaal wo totaal ho totaal Figuur 18: Voltijdstudenten (%) die ongemotiveerd aan de opleiding beginnen: trend Bij 18 procent van de voltijders is de motivatie gedurende de studie toegenomen (niet weergegeven in figuur). Voor een grote groep voltijdstudenten (43%) is de huidige motivatie echter afgenomen ten opzichte van de motivatie aan het begin van hun studie. De voltijders bij wie dit motivatieverlies werd vastgesteld, is gevraagd waardoor dat komt. De redenen die het meest werden opgegeven zijn: slechte administratie/organisatie (38%), opleiding niet uitdagend (30%), slechte docenten (25%) en opleiding maakt beloften niet waar (20%). Het minst vaak wordt als reden opgevoerd dat het niveau van medestudenten te laag is (1%). De inzet van studenten wordt bepaald op basis van de mate waarin zij bepaalde stellingen 7 van toepassing vinden op zichzelf. Van alle voltijdstudenten toont 19 procent te weinig inzet (Figuur 19). In het wo (21%) is dat percentage hoger dan in het hbo (17%). 7 Ik gebruik alle beschikbare tijd zoveel mogelijk om snel af te studeren; ik probeer steeds een zo hoog mogelijk cijfer te halen; ik vind het moeilijk om zelfstandig mijn studie te plannen; mijn bezigheden buiten mijn studie verhinderen mij volledig op te gaan in mijn studie; waarom zou ik de studie sneller afronden dan nodig is, het is de mooiste tijd van mijn leven; ik kan alleen bij vlagen goed studeren; ik ben tevreden over de studieprestaties die ik tot nu toe heb geleverd; ik vind het moeilijk me in te spannen voor oninteressante studieonderdelen; ik heb de neiging verplichtingen uit te stellen; mijn zelfdiscipline is goed; ik zou eigenlijk meer tijd moeten besteden aan mijn studie. 36 Studentenmonitor 2007
37 30% 20% 10% % hbo totaal wo totaal ho totaal Figuur 19: Voltijdstudenten (%) met onvoldoende inzet: trend Hbo-studenten in de sector Economie (22%) leveren het vaakst onvoldoende inzet (niet weergegeven in figuur). Op hboniveau gebeurt dit het minst vaak in de sector Taal & Cultuur. Behalve in de sector Gezondheidszorg (11%) geeft ongeveer een vijfde van de studenten in de overige sectoren van het wo aan niet genoeg tijd in hun studie te steken. 2.3 Kwaliteit en studeerbaarheid Het meten van de tevredenheid van studenten is opgebouwd uit drie componenten: de ervaren werkdruk, de studeerbaarheid en de toegankelijkheid van docenten. De eerste van deze componenten wordt berekend aan de hand van de mate waarin studenten het eens zijn met stellingen over de zwaarte van de studie 8. Weinig voltijdstudenten in het hoger onderwijs (3%) ervaren een hoge werkdruk (Figuur 20). Autochtone voltijdstudenten (4%) ervaren minder vaak een hoge werkdruk dan voltijdstudenten van allochtone afkomst (7%; niet weergegeven in figuur). Tussen de verschillende sectoren in het hbo en het wo bestaan slechts minimale verschillen (niet weergegeven in figuur). In de hbo-sector Onderwijs ervaart één procent van de studenten een hoge werkdruk. Dit is het laagste percentage van alle sectoren, al wijkt dat niet sterk af van het hoogste (4%; hbo en wo Techniek en wo Taal & Cultuur). 8 Er bleef naast de studie voldoende tijd over voor andere zaken; ik had voldoende tijd om me voor te bereiden op colleges/werkgroepen; ik had voldoende tijd om me voor te bereiden op tentamens; ik had grote moeite de stof onder de knie te krijgen; ik vond de werkdruk niet erg groot; ik kon het studietempo niet bijbenen; de studie was voor mij te moeilijk; leervakken gaven mij problemen; het ontbrak mij aan studievaardigheden. Studentenmonitor
38 4% 3% 2% % 0% hbo totaal wo totaal ho totaal Figuur 20: Voltijdstudenten (%) die een hoge werkdruk ervaren: trend Studeerbaarheid is gemeten door studenten te vragen in hoeverre ze het eens zijn met stellingen over studeerbaarheid van studieprogramma s en de aansluiting op de arbeidsmarkt 9. Voltijdstudenten met een negatief oordeel over de studeerbaarheid vormen met vijf procent geen meerderheid (Figuur 21). Ook in het hbo en het wo is dat met respectievelijk zeven procent en drie procent niet het geval. Voltijders in de hbo-sector Economie (8%) zijn het meest negatief over de studeerbaarheid (niet weergegeven in figuur). Thuiswonende studenten hebben vaker een negatief oordeel over de studeerbaarheid dan uitwonende studenten. Hetzelfde geldt voor allochtone studenten in vergelijking met autochtone studenten. In het hbo geven studenten in de sectoren Techniek (12%) en Economie (12%) het vaakst een negatief oordeel over de studeerbaarheid. Studenten in de sector Natuur (9%) van het wo beoordelen de studeerbaarheid vaker negatief dan studenten in de overige sectoren. 9 Er is te veel overlap tussen de verschillende studieonderdelen; de samenhang in het onderwijsprogramma is onduidelijk; ik ben tevreden over de inhoud van het studieprogramma; er is voldoende ruimte voor invulling van keuzemogelijkheden binnen de studie; de diverse studieonderdelen sluiten goed op elkaar aan; de studiebelasting is goed verdeeld over het studiejaar; de boeken en studiematerialen bieden onvoldoende steun; de syllabi waren van slechte kwaliteit; het is onduidelijk wat je moet doen ter voorbereiding van een tentamen; de tentameneisen zijn vaak onduidelijk; bij tentamenvoorbereiding kan ik meestal niet goed inschatten of ik de stof voldoende beheers; tentamens waren zwaarder dan ik in redelijkheid had kunnen verwachten; tentamens kwamen niet overeen met de tentameneisen; belangrijke delen van de stof zijn te kort voor het tentamen behandeld; de opleiding biedt voldoende voorbereiding op een toekomstige loopbaan; in de opleiding wordt voldoende aandacht besteed aan de beroepsmogelijkheden; de opleiding sluit goed aan bij het werk dat ik later wil gaan doen; door mijn opleiding krijg ik een goed beeld van het beroep dat ik er later mee kan uitoefenen. 38 Studentenmonitor 2007
39 8% 6% % 2% % hbo totaal wo totaal ho totaal Figuur 21: Voltijdstudenten (%) met negatief oordeel over studeerbaarheid: trend Het oordeel van studenten over de toegankelijkheid van docenten is bepaald op basis van de instemming met enkele stellingen over docenten 10. Figuur 22 laat zien dat 17 procent van alle voltijdstudenten hun docenten slecht toegankelijk vindt. 20% 15% % 5% 0% hbo totaal wo totaal ho totaal Figuur 22: Voltijdstudenten (%) die docenten als slecht toegankelijk ervaren: trend De docenten bieden voldoende steun bij problemen met de leerstof; de docenten geven in het algemeen helder en begrijpelijk college; docenten zijn niet of nauwelijks geïnteresseerd in hun studenten; docenten stellen het op prijs wanneer je hen buiten colleges/werkgroepen benadert met vragen; er zijn voldoende mogelijkheden om invloed uit te oefenen op het onderwijs; het is gemakkelijk contact te leggen met docenten; de docenten zijn inspirerend; de docenten geven je snel te horen of je goed of niet goed werkt. Studentenmonitor
40 Op hbo-niveau (19%) is dat aandeel groter dan op wo-niveau (13%; niet weergegeven in figuur). Er bestaan niet alleen verschillen tussen de twee soorten hoger onderwijs, maar ook tussen de sectoren van het hbo en het wo. De hbo-sector Taal & Cultuur (6%) wijkt op dit vlak nogal af van de sector Economie (23%). Een min of meer vergelijkbare situatie vinden we voor wo-studenten in de sectoren Landbouw (3%) en Economie (20%). Mannen (21%) hebben minder vaak last van slecht toegankelijke docenten dan vrouwen (26%). Voor autochtone en allochtone studenten liggen deze percentages nog verder uit elkaar (22 om 34%). 2.4 Budget en studiefinanciering Studenten, hun ouders en de overheid dragen gezamenlijk bij aan de studiefinanciering. Voor het levensonderhoud (inclusief boeken en leermiddelen) stelt de overheid verschillende financieringsbronnen beschikbaar aan studenten die een voltijd opleiding volgen (zie Tabel 8). Hierbij geldt een normbudget dat jaarlijks wordt geïndexeerd en is de aanvullende beurs bestemd voor studenten met ouders met onvoldoende inkomen voor de maximale (veronderstelde) ouderbijdrage. Voor de onderwijsretributie kunnen studenten sinds september 2007 een beroep op het collegegeldkrediet. Deze onderwijsretributie is veelal het wettelijk collegegeld, maar is bij sommige opleidingen een hoger instellingscollegegeld. Tabel 8: Normbedragen studiefinanciering hoger onderwijs t/m Uitwonend Thuiswonend Budgetopbouw Normbudget voor levensonderhoud (excl. toeslagen) Onderwijsretributie Totaal Financieringsbronnen Basisbeurs Maximale aanvullende beurs (of veronderstelde ouderbijdrage) Basislening Collegegeldkrediet Toeslagen Éénoudertoeslag Partnertoeslag OCW Studentenmonitor Bron: IB-Groep. 40 Studentenmonitor 2007
41 Figuur 23 toont de netto financiële maandinkomsten van voltijdstudenten. Voor uitwonende wo-studenten bedraagt dit euro; voor uitwonende hbo-studenten euro. Dit bedrag ligt hoger dan het normbudget voor levensonderhoud. Dit geldt ook voor thuiswonende studenten (701 euro wo; 777 euro hbo). Het verschil tussen thuiswonende hbo- en wo-studenten manifesteert zich het duidelijks bij de bedragen voor studiefinanciering, inkomen uit arbeid en de overige inkomsten. In het wo ontvangen studenten meer geld van hun ouders/partner dan in het hbo. Hbo ers genereren doorgaans meer inkomsten uit de overige bronnen. Studenten die nog bij hun ouders/verzorgers wonen, lenen gemiddeld minder dan studenten die het ouderlijk huis verlaten hebben. De bedragen die uitwonende studenten met een lening en overige inkomsten genereren, verschillen marginaal tussen hbo ers en wo ers. Uitwonende studenten in het hbo krijgen gemiddeld meer studiefinanciering en verdienen meer met betaald werk dan uitwonende studenten in het wo. Wo-studenten ontvangen maandelijks gemiddeld meer geld van hun ouders/partner dan hbo-studenten. T sf-nom hbo wo thuis uit thuis uit sfsf-le e n T sf-nom sfsf-le e n T sf-nom sf-le e n sf- T sf-nom sf-le e n sf be urs le ning oude rs/pa rtne r a rbe id ove rig Figuur 23: Maandelijkse financiële inkomsten (netto) van voltijdstudenten ( ) Studentenmonitor
42 De relatieve verdelingen van de inkomstenbronnen over het totale financiële inkomen (inkomsten in natura worden hiervan uitgesloten) zijn weergegeven in Figuur 24. T s f-nom hbo wo thuis uit thuis uit sf-le e n s f- T s f-nom sf-le e n s f- T s f-nom sf-le e n s f- T s f-nom sf-le e n s f % 20% 40% 60% 80% 100% beurs le ning oude rs/pa rtne r a rbeid ove rig Figuur 24: Maandelijkse financiële inkomsten (netto) van voltijdstudenten (% van diverse bronnen ten opzichte van het totale inkomen) Het inkomen van hbo-studenten in de leenfase bestaat voor een groter deel uit arbeidsloon en lening dan dat van dezelfde groep studenten in het wo. De bijdrage van de ouders/partner vormt voor deze groep op wo-niveau een groter deel van het totale inkomen dan op hbo-niveau. In de nominale fase van hun studie is het aandeel van de inkomsten uit arbeid voor hbo ers groter dan voor wo ers. Relatief gezien is de ouderlijke bijdrage voor deze studenten in het wo groter dan in het hbo. Voor studenten die geen recht meer hebben op studiefinanciering bepaalt in het hbo de bijdrage van de ouders het inkomen voor een groter deel dan in het wo. De samenstelling van het totale financiële maandinkomen van voltijdstudenten in de nominale fase staat in Figuur 25. Het betreft hier procentuele verdelingen die zijn uitgesplitst naar de sociaal-economische status (ses) van de ouders van studenten. 42 Studentenmonitor 2007
43 se s -hoog thuis uit se s -midde n s es -la a g se s -hoog se s -midde n s es -la a g % 20% 40% 60% 80% 100% be urs le ning oude rs/pa rtne r a rbe id ove rig Figuur 25: Samenstelling van maandelijkse financiële inkomsten (netto) van voltijdstudenten (nominale fase) naar sociaaleconomische herkomst Het inkomen van studenten uit lagere sociale milieus bestaat voor een groter deel uit studiefinanciering dan dat van studenten uit hogere sociale milieus. Aangezien de hoogte van de studiefinanciering deels wordt bepaald op basis van het inkomen van de ouders zullen studenten met een lage sociaal-economische herkomst meer studiefinanciering krijgen dan studenten met een hoge sociaal-economische herkomst. Uitwonende studenten van ouders met een lage soeciaal-economische status verdienen relatief meer met betaald werk dan uitwonende studenten van ouders met een hoge soeciaal-economische. Voor het ontvangen van een ouderlijke bijdrage is er sprake van een omgekeerd verband. Studentenmonitor
44 hbo wo be urs le ning oude rs /partne r arbe id overig Figuur 26: Trends inkomsten ( ) sinds 2000, vt en dt De inkomsten van voltijd- en deeltijdstudenten vanaf de eerste jaargang van de Studentenmonitor staan in Figuur 26 weergegeven. Met uitzondering van 2004 zijn in alle onderzoeksjaren de totale inkomsten van hbo- en wo-studenten gestegen ten opzichte van het jaar ervoor. In het wo dragen ouders meer bij aan het studentinkomen dan in het hbo. In Figuur 27 (hbo) en Figuur 28 (wo) zijn de ontwikkelingen (vanaf 2000) van bepaalde inkomstenbronnen voor alle studenten grafisch weergegeven. Het inkomen uit arbeid is voor hbo-studenten sterker gestegen dan voor wo-studenten. De hoogte van het bedrag dat geleend wordt, is sterker gestegen in het wo dan in het hbo. 44 Studentenmonitor 2007
45 be urs le ning ouders /pa rtne r a rbe id ove rig Figuur 27: Trends inkomsten per inkomstenbron in hbo sinds 2000, vt en dt be urs le ning ouders /pa rtne r a rbe id ove rig Figuur 28: Trends inkomsten per inkomstenbron in wo sinds 2000, vt en dt Studentenmonitor
46 De ontvangen studiefinanciering is door de jaren heen redelijk gelijk gebleven. Hbo ers krijgen gemiddeld wat meer studietegemoetkoming van de overheid dan wo ers. Studenten wo krijgen gemiddeld meer geld van hun ouders/partner dan studenten hbo; dat verschil is in de afgelopen jaren wel kleiner geworden. Het inkomen uit overige bronnen heeft zich voor studenten uit beide soorten hoger onderwijs op een vrijwel identieke manier ontwikkeld. Toch liggen de gemiddelde bedragen voor hbo-studenten in 2006 en 2007 wat hoger dan voor wostudenten. In Figuur 29 zijn de gemiddelde maandelijkse uitgaven van voltijdstudenten in het hoger onderwijs weergegeven. T s f-nom hbo wo thuis uit thuis uit s f-le en sf- T s f-nom s f-le en sf- T s f-nom s f-le en sf- T s f-nom s f-le en sf s tudie le ve ns onderhoud onts panning ove rig Figuur 29: Maandelijkse uitgaven van voltijdstudenten ( ) 46 Studentenmonitor 2007
47 Studenten wo geven maandelijks meer uit dan studenten hbo. Zowel in het hbo als in het wo geven uitwonende studenten per maand tegen de 400 euro meer uit dan thuiswonende studenten. Dit onderscheid is vooral terug te zien in de bedragen die besteed worden aan het levensonderhoud (bijv. huur en levensmiddelen). In totaal geven thuiswonende hbo-studenten gemiddeld 636 euro per maand uit, uitwonende euro. Voor wo-studenten is dat totaalbedrag respectievelijk 656 en euro. Van alle voltijd hbo ers hebben thuiswonende studenten in de nominale studiefinancieringfase gemiddeld de laagste financiële lasten. Dat is ook het geval bij wo ers. In het hbo hebben uitwonende studenten zonder recht op studiefinanciering gemiddeld de hoogste maandelijkse uitgaven. In het wo zijn dat de uitwonende studenten in de leenfase. De relatieve verdeling van de gemiddelde totale maanduitgaven van voltijdstudenten over de verschillende kostenposten is te zien in Figuur 30. T s f-nom hbo wo thuis uit thuis uit s f-le en sf- T s f-nom s f-le en sf- T s f-nom s f-le en sf- T s f-nom s f-le en sf % 20% 40% 60% 80% 100% s tudie le ve nsonde rhoud onts pa nning ove rig Figuur 30: Maandelijkse uitgaven van voltijdstudenten (% van diverse posten ten opzichte van de totale uitgaven) Studenten, ongeacht woonsituatie en soort hoger onderwijs, geven relatief het meeste geld uit aan hun levensonderhoud. Voor uitwonende studenten is dit ruim 60 procent en voor thuiswonende studenten ongeveer 40 procent van het totaal. Studentenmonitor
48 In vergelijking met uitwonende studenten zijn de aandelen van de andere uitgaven (studie, ontspanning en overige kosten) voor thuiswonende studenten groter. Wanneer de gemiddelde (financiële) inkomsten en uitgaven van voltijdstudenten met elkaar worden vergeleken (Figuur 23 en Figuur 29), blijkt dat er in sommige gevallen meer uitgegeven dan verdiend wordt. Dit geldt voor hbo-studenten zonder recht op studiefinanciering (uit- en thuiswonend) en uitwonende wo-studenten, en dan met name zij die geen recht meer hebben op studiefinanciering of in de leenfase zitten. Na toevoeging van de inkomsten uit natura aan het totaal spenderen blijven de uitgaven van thuiswonende hbo ers zonder recht op studiefinanciering en uitwonende wo ers zonder recht op studiefinanciering hoger dan hun inkomsten. Het oordeel van voltijdstudenten over de eigen financiële situatie verschilt nauwelijks tussen universitaire en hogeschoolstudenten (Figuur 31). wo totaal hbo wo uitwone nd thuis wone nd hbo totaal uitwone nd thuis wone nd % 20% 40% 60% 80% 100% ze e r s lecht sle cht re de lijk g oe d ze e r g oe d Figuur 31: Oordeel financiële situatie voltijdstudenten (%) Op beide niveaus van hoger onderwijs beoordelen thuiswonende studenten hun financiële situatie beter dan uitwonende studenten. Studenten die gemiddeld meer uitgeven dan ze verdienen, spreken zich, niet geheel verrassend, vaak negatief uit over de eigen financiële situatie. Volgens studiefinancieringgegevens van de IB-Groep (peildatum februari 2007) heeft 35 procent van de studenten met recht op studiefinanciering 11 een studielening. Dit fenomeen (niet in tabel) doet zich bij uitwonende studenten (48%) beduidend vaker voor dan bij thuiswonende studenten (16%). Ook zijn er duidelijk waarneembare verschillen tussen wo- en hbo-studenten (32 om 21%) en tussen eerste- en ouderejaars (28 om 18%). 11 Studenten met een 0-lening behoren niet tot de groep met een lening, maar tot de studiefinancieringgerechtigden. 48 Studentenmonitor 2007
49 Figuur 32 geeft weer wat voor studiefinancieringgerechtigde voltijdstudenten de belangrijkste argumenten zijn om geen studielening af te sluiten. Er mochten meerdere redenen genoemd worden. lenen indien noodzakelijk wil g e en schulde n ma ke n g e e n le ning nodig oude rs dra g e n bij ve rricht be taa ld we rk ontraden door ouders g e en of la g e la s te n studielening te duur leenvoorwaarden IBG onbekend toekomstig inkomen onzeker % 20% 40% 60% 80% 100% hbo wo Figuur 32: Belangrijke argumenten tegen een studielening (% studiefinancieringgerechtigde voltijdstudenten) Meer dan de helft van de studenten in het hbo en het wo geeft aan alleen te lenen als het echt nodig is (75 om 80%), geen (grote) schulden te willen maken (79 om 78%), geen lening nodig te hebben (71 om 72%), dat hun ouders bijdragen (52 om 68%) en betaald werk te verrichten (61 om 55%). Voor zowel hbo- als wo-studenten is de onzekerheid over het latere inkomen de minst genoemde reden (hbo 13 en wo 12%). In Figuur 33 zijn de belangrijkste argumenten om wel te lenen opgesomd. Ook hier kon men meerdere redenen noemen. Studentenmonitor
50 leenvoorwaarden IBG g unstig voldoende inkomsten later hog e las te n minder werken naast studie ouders niet belasten g e e n re cht op ba sis be urs ouders drag en onvoldoende bij meer luxe veroorloven g eld nodig voor buitenland g e ld nodig voor s ta g e % 20% 40% 60% 80% 100% hbo wo Figuur 33: Belangrijke redenen om te lenen (% studiefinancieringgerechtigde voltijdstudenten) Een meerderheid van de lenende wo ers zegt dit te doen vanwege de gunstige leenvoorwaarden van de IB-Groep (70%), het vooruitzicht op voldoende inkomsten in de toekomst om de lening terug te kunnen betalen (59%), de noodzaak om te lenen met betrekking tot hoge lasten (59%) en het minder te hoeven werken naast de studie (51%). In het hbo geeft meer dan de helft van de lenende studenten aan dit te doen omdat de leenvoorwaarden van de IB-Groep gunstig zijn (62%) en men hoge lasten heeft (55%). Bijna de helft van hen geeft als argument dat men later genoeg zal verdienen (48%) en de ouders niet wil belasten (48%). Veel minder vaak wordt aangekaart dat men geld nodig heeft voor stage/co-schappen (hbo 18 en wo 16%), geld nodig heeft om naar het buitenland te gaan (hbo 16 en wo 17%) of zich meer luxe wil kunnen veroorloven (hbo 18 en wo 24%). 50 Studentenmonitor 2007
51 2.5 Tijdbesteding Om inzicht te kunnen krijgen in de tijdbesteding van studenten is hen gevraagd aan te geven hoeveel tijd zij kwijt zijn met het uitvoeren van bepaalde activiteiten. De resultaten van de antwoorden van voltijdstudenten op deze vragen zijn, in de vorm van trends tussen 2000 en , te zien in Figuur hbo studie hbo contacttijd hbo werk wo studie wo contacttijd wo werk Figuur 34: Trends in tijdbesteding aan studie en betaalde arbeid (alle studenten) sinds 2000 (alleen voltijdstudenten) Vanaf 2000 hebben hbo ers altijd meer tijd aan hun studie besteed dan wo ers. Tussen 2001 en 2004 is dit verschil gegroeid ten opzichte van 2000, daarna zijn de gemiddelden steeds dichter bij elkaar gekomen. In 2007 geven studenten op beide niveaus van het hoger onderwijs aan ongeveer 35 uur per week met studiegerelateerde activiteiten bezig te zijn. Wat betreft het aantal contacturen op de instelling liggen de gemiddelden van hbo- en wo-studenten in 2000 het verst uit elkaar (18 om 13 uur). Vanaf 2001 komen die gemiddelden dichter bij elkaar in de buurt en het verschil blijft sindsdien ongeveer gelijk. Studenten in het hbo volgen gemiddeld 14 uur in de week contacturen op hun instelling en studenten in het wo 13 uur. 12 Bron: Studentenmonitor 2000 t/m Studentenmonitor
52 De ontwikkelingen van de bestede tijd aan betaalde arbeid 13 zijn in grote lijnen gelijk met die aan contacturen. In 2000 ligt het gemiddelde voor studenten in het hbo bijna 5 uur hoger dan dat voor studenten in het wo. In de daaropvolgende jaren zijn de gemiddelden steeds praktisch gelijk en in 2007 zijn beide groepen studenten gemiddeld 13 uur per week kwijt met het verrichten van betaald werk. De gemiddelde tijdverdeling van werk en studie voor werkende voltijdstudenten is te zien in Figuur 35. hbo wo ho T T tc g m re e c g z te na lb T ow tc g m e c g z te lb % 20% 40% 60% studie ba a n Figuur 35: Verhouding tijdbesteding aan studie en werk voltijdstudenten (gem. per week, alleen werkende studenten) Voltijders zijn gemiddeld 33 uur per week bezig met hun studie en 13 uur met hun (bij)baan. Hbo ers (34 uur) besteden gemiddeld meer tijd aan studiegerelateerde activiteiten dan wo ers (31 uur). 13 Niet-werkenden zijn hierbij opgenomen als studenten die 0 uur per week betaald werk verrichten. 52 Studentenmonitor 2007
53 De meeste studietijd (41 uur) zien we in de sectoren Landbouw (wo) en Taal & Cultuur (hbo). Kijken we naar het totaal van baan en studie, dan besteden hbo-studenten in de sectoren Taal & Cultuur, Gezondheidszorg en Landbouw daar gemiddeld meer dan 50 uur aan. De wo-studenten blijven onder de 50 uur. Gemiddeld gezien besteden voltijdstudenten minder tijd aan hun studie, naarmate ze meer tijd inruimen voor het verrichten van betaald werk (Figuur 36). >10 u. pw. 30 hbo wo 1-10 u. pw. nie t we rke nd >10 u. pw u. pw nie t we rke nd 38 0% 10% 20% 30% 40% Figuur 36: Tijdbesteding voltijdstudenten aan studie naar aantal uren werk (gemiddeld per week) Voltijders in het hbo die geen (bij)baan hebben, zijn wekelijks gemiddeld 38 uur bezig met studiegerelateerde bezigheden. Bij hen die meer dan tien uur per week werken, is dat 5 uur minder. In het wo (38 om 30 uur) is dat verschil met acht uur nog extremer. Figuur 37 laat zien hoeveel uur werkende en niet-werkende deeltijdstudenten aan hun studie besteden. >10 u. pw. 23 hbo wo 1-10 u. pw. nie t we rke nd >10 u. pw u. pw nie t we rke nd 38 0% 10% 20% 30% 40% Figuur 37: Tijdbesteding deeltijdstudenten aan studie naar aantal uren werk (gemiddeld per week) Ook bij deeltijders bestaan er grote verschillen in tijdbesteding aan de studie tussen studenten die niet werken en studenten die meer dan tien uur per week werken. In het hbo zijn studenten die niet werken gemiddeld zelfs 16 uur per week meer bezig met hun studie dan studenten die meer dan tien uur per week werken. Voor studenten in het wo is dat verschil zes uur. Studentenmonitor
54 Toch geldt voor wo-studenten niet dat men minder tijd aan studie besteedt naarmate men meer werkt. Deeltijdstudenten in het wo die niet meer dan tien uur per week werken, stoppen per week gemiddeld acht uur meer tijd in hun studie dan deeltijdstudenten in het wo die niet werken. De verhouding tussen het aantal uren dat werkende voltijdstudenten, uitgesplitst naar studiefinancieringfase, gemiddeld per week besteden aan studie en werk staat weergegeven in Figuur le ning alleen rl bb+ab+rl hbo wo bb+rl bb+a b alleen bb g e e n SF 0-le ning alleen rl bb+ab+rl bb+rl bb+a b alleen bb g e e n SF % 20% 40% 60% studie ba an Figuur 38: Verhouding tijdbesteding aan studie en werk voltijdstudenten (gemiddeld per week) naar aard studiefinanciering (alleen werkenden) Zowel in het hbo als in het wo hebben studenten zonder recht op studiefinanciering, met een 0-lening en met alleen een studielening de meest intensieve weken wat het totaal aan studie en werk betreft. Voor wo ers betekent dit ongeveer 50 uur en voor hbo ers meer dan 50 uur. In het wo komen de groepen studenten met in elk geval een basisbeurs tot weken van om en nabij de 40 uur. In het hbo maken deze studenten weken van ongeveer 45 uur. Studenten in het hbo maken over het algemeen dus langere weken dan studenten in het wo. 54 Studentenmonitor 2007
55 Voltijdstudenten zonder studiefinanciering besteden met gemiddeld 20 uur per week (hbo en wo) het meeste tijd aan het verrichten van betaald werk. Hbo-studenten met een 0-lening (37 uur) en wo-studenten met alleen een rentedragende lening (35 uur) besteden, in vergelijking met de andere onderscheiden groepen op respectievelijk hbo- en wo-niveau, het meeste tijd aan hun studie. Figuur 39 toont de verhoudingen tussen de aantallen uren die werkende deeltijdstudenten wekelijks besteden aan studie en werk. Deze studenten besteden gemiddeld 31 uur van hun tijd aan betaalde arbeid en 23 uur aan studie. De gemiddelden voor hbo- en wo-studenten zijn nagenoeg gelijk aan die voor de totale groep studenten. hbo wo ho T T tc g m re ec g z te na T ow tc g m ec g z te lb % 20% 40% 60% 80% s tudie ba an Figuur 39: Verhouding tijdbesteding aan studie en werk deeltijdstudenten (gem. per week, alleen werkenden) In het wo besteden studenten uit de sectoren Natuur (40 uur) en Economie (39 uur) relatief het meeste tijd aan hun (bij)baan. Opvallend is dat dit voor de sector Economie met 33 uur ook geldt voor de tijd die besteed wordt aan studie. Studentenmonitor
56 Hbo-studenten in de sectoren Techniek (38 uur) en Economie (36 uur) besteden een groter deel van hun beschikbare tijd aan het verrichten van betaald werk dan studenten uit de overige sectoren. Wat betreft studietijd is dit zo voor de sectoren Taal & Cultuur (34 uur) en Gezondheidszorg (27 uur). Een vergelijking van Figuur 35 en Figuur 39 wijst uit dat deeltijdstudenten gemiddeld ongeveer 20 uur per week meer werken dan voltijdstudenten, terwijl ze slechts tien uur minder tijd besteden aan hun studie. Vanzelfsprekend blijkt hieruit dat deeltijders intensievere weken beleven dan voltijders. Voor alle werkende studenten bedraagt dit verschil acht uur. De verdeling van werkende studenten in het ho over arbeidsmarktsectoren is te zien in Figuur 40. De verdelingen van voltijd- en deeltijdstudenten wijken sterker van elkaar af dan die van hbo- en wo-studenten. 60% 50% 40% 47 30% % 10% 0% hbo wo hbo wo voltijd de e ltijd hore ca ha nde l die nstve rle ning onde rwijs zorg /we lzijn ove rig Figuur 40: Verdeling werkende studenten over de arbeidsmarktsectoren (%) Afgezien van de categorie overig werken de meeste voltijdstudenten in het hbo in de sectoren Detailhandel (25%) en Horeca (20%). Voor deeltijdstudenten in het hbo zijn dat de sectoren Onderwijs (31%) en Gezondheidszorg/welzijnszorg (20%). Ook in het wo werken voltijders het vaakst in de sectoren Detailhandel (18%) en Horeca (18%). Deeltijders zijn vooral te vinden in de sectoren Gezondheidszorg/welzijnszorg (22%) en Financiële/zakelijke dienstverlening (17%). 56 Studentenmonitor 2007
57 2.6 Studiekeuze en aansluiting Er kunnen heel wat zaken een rol spelen bij het kiezen van de juiste opleiding. Om in te kunnen schatten welke overwegingen studenten maken bij deze beslissing is hen in de enquête een aantal stellingen voorgelegd. Ze konden daarbij aangeven in hoeverre bepaalde motieven een rol speelden bij de gemaakte studiekeuze. In Figuur 41 zijn de als meest belangrijk bestempelde studiekeuzemotieven van voltijdstudenten terug te zien. De drie meest belangrijke redenen om de studiekeuze op te baseren wijken voor hbo ers en wo ers niet veel van elkaar af: inhoudelijke interesse in de opleiding (hbo 80; wo 89%), de opleiding sluit aan bij de capaciteiten en vaardigheden (hbo 73; wo 76%), de beroepsperspectieven (hbo 67%) en de beroepsmogelijkheden die de opleiding biedt (hbo 67; wo 64%). inhoud past bij capaciteiten be roe psmog e lijkhe de n kwa lite it ople iding kwa lite it onde rwijs naam instelling ba a nka ns be roe ps pe rs pectie ve n studente nle ve n dicht in de buurt % 20% 40% 60% 80% 100% hbo wo Figuur 41: Belangrijkste studiekeuzemotieven voltijdstudenten bij aanvang van de opleiding (%) Studentenmonitor
58 Uit Figuur 42 komen de belangrijkste studiekeuzemotieven van deeltijdstudenten naar voren. Universitaire studenten hechten vooral veel waarde aan: inhoudelijke interesse in de opleiding (95%), de opleiding sluit aan bij de capaciteiten en vaardigheden (81%), het specifieke beroep dat met de opleiding uitgeoefend kan worden (61%), de kwaliteit van het onderwijs (61%) en de kwaliteit van de opleiding (60%). Studenten in het hbo baseren hun studiekeuze veelal op grond van: inhoudelijke interesse in de opleiding (82%), de opleiding sluit aan bij de capaciteiten en vaardigheden (79%), het specifieke beroep dat met de opleiding uitgeoefend kan worden (76%), een goede kans op een baan met deze opleiding (62%) en de brede beroepsmogelijkheden die de opleiding biedt (59%). inhoud pa st bij ca pacite ite n be roe pspe rspe ctie ve n kwalite it onde rwijs kwa liteit ople iding dicht in de buurt beroe ps mog e lijkhe de n naam instelling g rondsla g the ore tis ch ba a nkans % 20% 40% 60% 80% 100% hbo wo Figuur 42: Belangrijkste studiekeuzemotieven deeltijdstudenten bij aanvang van de opleiding (%) 58 Studentenmonitor 2007
59 Hbo voltijd- en deeltijdstudenten zijn meer op de latere arbeidsmarkt gericht dan wo ers. Dat duidt erop dat zij zich meer richten op hun ontwikkeling op de korte termijn. Studenten wo stellen onderwijsgerelateerde zaken vaker voorop dan studenten hbo. Daarmee houden zij zich meer bezig met hun ontwikkeling op de korte termijn. Van bijna 43 procent van de ruim voltijdstudenten is bekend dat zij toegang hebben tot een bètatechnische studie. Mannen hebben vaker toegang tot een bètaopleiding (54%) dan vrouwen (31%). Uiteindelijk is 48 procent (60 procent van de mannen en 26 procent van de vrouwen) van diegenen die toegang hebben daadwerkelijk een bètastudie gaan volgen. Geneeskunde, tandheelkunde en andere opleidingen in de sector Gezondheidszorg behoren niet tot deze bètatechnische opleidingen. Aan studenten die wel toegang hadden tot een bètastudie maar hier niet voor kozen, is gevraagd waarom zij afzagen van een bètatechnische opleiding (Figuur 43). weinig maa tscha ppe lijk onaantrekkelijk beroep te theoretisch te eenzijdig te moeilijk s fee r weinig vrouwe n we inig vrije tijd 9 9 nie t binnen tijd af te ronde n 4 7 slechte baankans s f-risico % 10% 20% 30% 40% man vrouw Figuur 43: Belangrijkste argumenten (mannen en vrouwen) tegen de keuze voor bètatechniek (% voltijdstudenten met bètatoegang) Studentenmonitor
60 Ongeveer een kwart of meer van de vrouwen vindt een technische opleiding onvoldoende maatschappelijk gericht (31%), is van mening dat een technische opleiding niet leidt tot een aantrekkelijk beroep (30%), vindt een technische opleiding te theoretisch (28%), te eenzijdig (28%) of te moeilijk (24%). Rangschikking van de motieven voor mannen geeft een iets andere volgorde: een technische opleiding is te theoretisch (29%), een technische opleiding is te eenzijdig (27%), een technische opleiding is onvoldoende maatschappelijk gericht (25%), met een technische opleiding is geen aantrekkelijk beroep uit te oefenen (24%) en bij een technische opleiding is de sfeer onder de studenten niet aansprekend (23%). Vrouwelijke hbo-studenten met toegang tot bètastudies die geen bètastudie zijn gaan volgen (niet in tabel of figuur), studeren voornamelijk in de sectoren Gezondheidszorg (30%), Economie (23%) en Onderwijs (18%). Voor vrouwelijke wostudenten zijn dat de sectoren Gezondheidszorg (49%) en Gedrag & Maatschappij (22%). Mannelijke hbo ers met deze achtergrond kiezen het meest een studie in de sectoren Economie (33%) of Onderwijs (13%). In het wo geldt dat voor de sectoren Gezondheidszorg (30%), Economie (24%) en Gedrag & Maatschappij (17%). Eerstejaars voltijdstudenten beoordelen de aansluiting tussen het voortgezet en het hoger onderwijs niet altijd optimaal (Figuur 44). zelfsta ndig we rke n inhoud vakken probleemanalyse maken s chrifte lijke va a rdig hede n communicatie ve va a rdig hede n ict-va a rdig hede n % 10% 20% 30% 40% hbo wo Figuur 44: Percentage eerstejaars voltijdstudenten met negatief oordeel over aansluiting voortgezet en hoger onderwijs De aansluiting tussen vo en ho is voor zeker 60 procent op minstens één van de voorgelegde vlakken niet optimaal. In het eerste jaar van een hbo-opleiding heeft 31 procent van de studenten moeite met het maken van probleemanalyse en het zelfstandig aanpakken en plannen van studietaken. 60 Studentenmonitor 2007
61 Communicatieve vaardigheden zorgen voor aansluitingsproblemen bij 28 procent van de eerstejaars in het hbo. Eerstejaars wo-studenten hebben in vergelijking met hun tijd in het voortgezet onderwijs vooral moeite met het zelfstandig aanpakken en plannen van studietaken (25%), de inhoud van de vakken (24%) en het maken van probleemanalyse (22%). In vergelijking met autochtonen hebben allochtonen het in het eerste jaar van hun studie moeilijker met zowel schriftelijke als communicatieve vaardigheden. In Figuur 45 zijn de door voltijdstudenten bij het maken van hun studiekeuze gebruikte informatiebronnen weergegeven. folde rs website instelling voorlichting s da g en deca nen s tudie beurzen fa milie/kenniss en onafhankelijke bronnen rechtstreeks bij instelling studie ke uze 123.nl andere websites % 20% 40% 60% 80% 100% hbo wo Figuur 45: Geraadpleegde informatiebronnen bij studiekeuze (% voltijdstudenten) Studentenmonitor
62 Studenten maken vaak gebruik van folders of overige schriftelijke informatie van de opleiding of hogeschool/universiteit (wo 89; hbo 82%), de website van de hogeschool/universiteit (wo 84; hbo 84%) en meeloopdagen, vakantiecursussen, informatiedagen of introductiedagen bij de opleiding (wo 72; hbo 68%). Grotere verschillen tussen hbo ers en wo ers treffen we aan bij het gebruik van onafhankelijke bronnen, bijvoorbeeld Keuzegids of Elsevier (wo 43; hbo 30%) en het rechtstreeks bij de instelling (telefonisch/ ) aanvragen van informatie (wo 33; hbo 44%). Iets meer dan één procent van de voltijdstudenten geeft aan geen informatie voor het maken van een studiekeuze te hebben ingewonnen. 2.7 Internationalisering Figuur 46 laat de aandelen voltijdstudenten hbo en wo met studiegerelateerde buitenlandervaring zien. In 2007 is 17 procent van de studenten in het wo en 12 procent van de studenten in het hbo voor stage- of onderwijservaring naar het buitenland geweest. Deze percentages zijn nagenoeg gelijk aan die van Er is dus geen trend naar meer of minder internationalisering in het hoger onderwijs aan te tonen. Van de studenten zonder buitenlandervaring geeft 55 procent van de hbo-studenten en 49 procent van de wo-studenten aan hier in de toekomst geen verandering in te zullen brengen. 20% 15% 10% 5% 0% hbo wo Figuur 46: Percentage voltijdstudenten met stage- of onderwijservaring in het buitenland: Alle voltijdstudenten konden in de enquête aangeven of ze in de toekomst (opnieuw) naar het buitenland zouden gaan voor studiegerelateerde activiteiten. De helft van hen geeft aan geen plannen in die richting te hebben. Deze studenten hebben daarna aangegeven waarom dat zo is (Figuur 47). 62 Studentenmonitor 2007
63 persoonlijke redenen zo snel mog elijk a fstude re n g e ldg e brek wil g e en studie ve rtra g ing oplope n pa st nie t in studie prog ra mma buite nlande rva ring nie t re le va nt socia le ve rplichting e n beheersing vreemde taal % 10% 20% 30% 40% hbo wo Figuur 47: Redenen van voltijdstudenten om af te zien van stage- of onderwijservaring in het buitenland (%) Persoonlijke redenen (hbo 39; wo 33%) worden het vaakst aangevoerd als argument om niet naar het buitenland te gaan voor de studie. Wo-studenten geven verder aan dat ze zo snel mogelijk willen afstuderen (28%), geldgebrek hebben (27%) en geen studievertraging op willen lopen (25%). Hbo-studenten gaan niet naar het buitenland vanwege geldgebrek (30%) en omdat buitenlandervaring niet relevant is (20%). Het onvoldoende beheersen van een vreemde taal wordt door 17 procent van de hbo ers genoemd, terwijl slechts 8 procent van de wo ers dit als reden voor het niet plannen van een studiegerelateerde buitenlandtrip noemt. 2.8 Toekomstperspectief Naast vragen over hun studie is studenten ook gevraagd naar hun toekomstbeeld. Zo konden zij aangeven in welke mate bepaalde beroepen en functies hen aanspreken. In Figuur 48 is te zien welke onderdelen van de arbeidsmarkt het meest en welke het minst in trek zijn bij voltijdstudenten in het hoger onderwijs. Minder dan 10 procent van de wo-studenten geeft aan een baan als docent voortgezet onderwijs (8%), docent middelbaar beroepsonderwijs (4%) of docent basisonderwijs/speciaal onderwijs (3%) te ambiëren. Voor hbo-studenten geldt dat voor docent middelbaar beroepsonderwijs (9%) en promovendus, PhD (8%). Studentenmonitor
64 In het wo lijken studenten zich verder vooral te richten op de zakelijke dienstverlening (37%), het zelfstandig ondernemerschap (33%) en het bedrijfsleven of de automatisering (29%). Ongeveer een kwart van hen ziet een baan bij de overheid (27%), als promovendus, PhD (27%), in de gezondheidszorg of het welzijn (25%), in de communicatie, media (24%) of in de industrie, productie, Research and Development (23%) wel zitten. Hbo ers geven veelal de voorkeur aan het zelfstandig ondernemerschap (38%), de zakelijke dienstverlening (31%) en de communicatie, media (28%). Op gepaste afstand volgen functies in het bedrijfsleven of de automatisering (26%), in de gezondheidszorg of het welzijn (21%), bij de overheid (18%) en in de industrie, productie, Research and Development (18%). g e e n va n de ze be roe pe n 6 9 doce nt mbo 4 9 doce nt po 3 14 doce nt vo 8 12 doce nt ho financiële dienstverlening promove ndus, PhD 8 27 industrie, R&D ove rheid g e zondheidszorg /we lzijn communica tie, me dia be drijfsle ven/a utoma tise ring zakelijke dienstverlening ze lfsta ndig onde rne me r % 10% 20% 30% 40% hbo wo Figuur 48: Toekomstperspectief voltijdstudenten (%) 64 Studentenmonitor 2007
65 Verschillen tussen hbo- en wo-studenten zijn onder andere te vinden bij de percentages respondenten die na hun studie in het onderwijs zouden willen gaan werken. Hbo-studenten willen vaker als docent middelbaar beroepsonderwijs (9 tegenover 4%), voortgezet onderwijs (12 tegenover 8%) en basisonderwijs/speciaal onderwijs (14 tegenover 3%) aan de slag, terwijl wo-studenten zichzelf in de toekomst liever als docent hoger onderwijs (19 tegenover 12%) terugzien. Daarnaast willen meer studenten in het wo dan in het hbo promoveren (27 tegenover 8%) en voor de overheid werken (27 tegenover 18%). Ten opzichte van vrouwen hebben mannen veel vaker een voorkeur voor functies in het bedrijfsleven of de automatisering (38 en 17%), in de zakelijke dienstverlening (41 en 27%), als zelfstandig ondernemer (42 en 29%) en in de industrie, productie, Research and Development (30 en 10%). In tegenstelling tot mannen hebben vrouwen dit vooral met een baan in de gezondheidszorg of het welzijn (34 en 12%) en als docent basisonderwijs/speciaal onderwijs (14 en 6%). (Gegevens niet opgenomen in tabel of figuur). 2.9 Studenttypen In 2006 is door TNS NIPO in opdracht van het Ministerie van OCW een onderzoek naar studentprofielen 14 uitgevoerd. Aan de hand van 20 stellingen zijn studenten ingedeeld in vijf segmenten (Idealisten, Statuszoekers, Normatieven, Zelfontplooiers en Vakgeïnteresseerden). De segmenten zijn gebaseerd op de dimensie motivatie (intrinsiek/extrinsiek) en de sociale dimensie (op de ander gericht/affiliatie en op zichzelf gericht/individualiteit). Hierna is te lezen hoe de segmenten door TNS NIPO worden beschreven (cit.). Idealisten Idealisten zijn intrinsiek gemotiveerd: ze zien hun studie als een kans op het verder ontplooien van zichzelf en de maatschappij. Ze zijn sociaal geëngageerd, willen mensen helpen. De studie is een uitdaging voor idealisten, ze houden van afwisseling, zelfstandigheid, zijn kritisch en willen zich niet aan regels houden. Net als de zelfontplooiers, zijn de idealisten van mening dat studeren niet het allerbelangrijkste is omdat je jezelf ook met andere dingen kunt ontwikkelen. Idealisten zijn erg op mensen gericht, niet alleen om hen te helpen, maar ook voor het sociale contact en de gezelligheid. Dat is heel belangrijk voor hen. Statuszoekers Statuszoekers zijn op zichzelf gericht en hebben een extrinsieke motivatie: de studie is voor hen louter een instrument voor het bereiken van een gouden toekomst. Dit betekent een beroep met veel aanzien/status en/of waarin zij veel geld kunnen verdienen. 14 Nijhof, M. & Mazor, L. (2006). Studenten gesegmenteerd, Statistisch zakboek met studentenprofielen. Amsterdam: TNS NIPO. Studentenmonitor
66 Normatieven Normatieven zijn extrinsiek gemotiveerd en op anderen gericht: zij studeren omdat het hoort (van hun sociale omgeving en/of de maatschappij). De studie biedt hen zekerheid voor hun bestaan, het biedt hen betere kansen in de toekomst dan wanneer zij meteen zouden zijn gaan werken na de middelbare school. Dit geeft hen een veilig gevoel ten aanzien van de toekomst. Zij vinden studeren niet echt leuk, ze zien het als een noodzakelijk kwaad waar je niet echt om heen kunt. Contact met anderen is belangrijk voor hen. Zelfontplooiers Zelfontplooiers worden gedreven door innerlijke behoefte aan kennis, aan leren van nieuwe dingen, zichzelf als mens te ontwikkelen. Studeren is geen middel tot een bepaald achterliggend doel (baan, status etcetera) maar een doel op zichzelf. Zij zijn dus intrinsiek gemotiveerd. Zij hechten waarde aan het zichzelf onderscheiden van de massa en een eigen mening te hebben, zijn kritisch en zijn op zoek naar dynamiek, uitdaging, verandering/afwisseling en vrijheid. Ze staan open voor nieuwe dingen en vinden contact met medestudenten belangrijk, vanwege het sociale maar ook omdat zij hier zelf weer van kunnen leren. Vakgeïnteresseerden Vakgeïnteresseerden hebben een intrinsieke motivatie voor een bepaald vak en studeren om (nog meer) kennis te vergaren die daaraan verbonden is. Ze zijn toegewijd en ze zijn doelgericht. Vaak zijn het vak en de studie verbonden met hun hobby, bijvoorbeeld een student wiens hobby computers is en Informatica gaat studeren om daar nog meer over te weten te komen. Ze vinden contact met anderen belangrijk, maar niet perse om hier zelf van te leren (zoals de zelfontplooiers). Zij willen juist kennis overdragen op anderen in relatie tot hun vakgebied. Figuur 49 toont deze profielen naar soort hoger onderwijs en sector. In het wo zijn de verschillen tussen de onderscheiden studenttypen met maximaal vier procentpunten (22% Statuszoekers versus 18% Vakgeïnteresseerden) niet heel groot. In het hbo bestaat de grootste groep voltijdstudenten uit Normatieven (28%) en de kleinste groep uit Zelfontplooiers (13%). Voor het merendeel van de Idealisten komt men terecht bij de Sectoren Gedrag & Maatschappij (hbo 43, wo 29%) en Gezondheidszorg (hbo 38, wo 34%). Dat zijn vaker vrouwen dan mannen (26 en 13%) en vaker autochtonen dan allochtonen (20 en 16%). 66 Studentenmonitor 2007
67 T tc g m re hbo wo ec g z te na lb T ow tc g m ec g z te lb % 20% 40% 60% 80% 100% ide aliste n va kg e ïnte re ss e erde n ze lfontplooie rs norma tie ve n s ta tuszoe ke rs Figuur 49: Studentprofielen (% voltijdstudenten) naar soort hoger onderwijs en sector De grootste groepen Normatieven in het wo en het hbo zijn terug te vinden in de sectoren Economie (wo 25, hbo 33%), Landbouw (wo 25, hbo 31%) en Techniek (wo 24, hbo 36%). Mannen zijn eerder normatief ingesteld dan vrouwen (29 versus 21%) en allochtonen eerder dan autochtonen (33 versus 24%). Statuszoekers in het wo volgen vaak een studie in de sector Economie (44%) of Recht (36%). In het hbo studeert dit type student voornamelijk in de sectoren Economie (33%) en Techniek (25%). We vinden meer mannen dan vrouwen (27 om 17%) en meer allochtonen dan autochtonen (29 om 21%) bij Statuszoekers. Op hbo-niveau bevinden de meeste Vakgeïnteresseerden zich in de sectoren Taal & Cultuur (63%), Landbouw (34%) en Onderwijs (27%). Op wo-niveau geldt dat voor de sectoren Gezondheidszorg (28%) en Taal & Cultuur (24%). Vrouwen behoren iets vaker tot dit segment dan mannen (20 om 17%). Dit is ook het geval met autochtonen ten opzichte van allochtonen (19 om 10%). Studentenmonitor
68 In de sectoren Taal & Cultuur (wo 37, hbo 20%) en Gedrag & Maatschappij (wo 26, hbo 20%) vinden we veel Zelfontplooiers terug. Iets meer vrouwen dan mannen (17 tegenover 15%) en iets meer autochtonen dan allochtonen (17 tegenover 13%) behoren tot deze groep Samenvatting Karakteristieken van studenten Allereerst is gekeken naar persoonskenmerken en de sociaal-economische herkomst van studenten. De totale studentenpopulatie omvat iets meer vrouwen dan mannen. Vrouwen zijn vooral te vinden in de sectoren Gezondheidszorg, Gedrag & Maatschappij, Onderwijs (hbo) en Taal & Cultuur (wo). Mannen zijn juist oververtegenwoordigd in de sector Techniek en de wo-sectoren Natuur en Economie. Het hbo (17%) kent meer deeltijdstudenten dan het wo (7%). In totaal studeert 13 procent in deeltijd. In studiejaar was de gemiddelde leeftijd van voltijdstudenten 22 jaar en tien maanden. Deeltijdstudenten zijn met 34 jaar en zeven maanden gemiddeld zo n 12 jaar ouder. Van alle studenten woont 38 procent nog thuis. Hieronder vallen aanzienlijk meer voltijders dan deeltijders, en relatief gezien veel hbo-studenten en eerstejaars. Ongeveer 13 procent van de studenten is volgens de gangbare definitie allochtoon, maar voelt zichzelf niet zo. Allochtone studenten zijn met 18 procent het sterkst vertegenwoordigd in de sectoren Recht (wo) en Economie (hbo). Wo-studenten komen doorgaans uit een hoger sociaal milieu dan hbo ers. Hun ouders hebben vaker een universitaire studie afgerond dan ouders van hbo-studenten, en verdienen maandelijks meer. Ouders van voltijdstudenten verrichten vaker betaalde arbeid dan ouders van deeltijders. Ruim de helft van de ouders van studenten in het hoger onderwijs heeft een mbo-, havo- of vwo-diploma behaald, of een opleiding aan het hbo afgerond. Ongeveer 8 procent van de studenten geeft aan een beperking te hebben in de vorm van een handicap, een (chonisch) lichamelijke of psychische ziekte, een functiebeperking of een andere ziekte of aandoening. De meeste studenten in het hoger onderwijs volgen een traditionele route van havo naar hogeschool (56%) of van vwo naar universiteit (83%). Studievoortgang, motivatie en inzet De studievoortgang is gemeten aan de hand van het aantal behaalde studiepunten, het maximaal aantal te behalen studiepunten, de opleidingsduur in maanden en de verbruikte opleidingstijd in maanden. Iets meer dan een derde van de studenten studeert op schema, in het hbo (37%) meer dan in het wo (28%). In het hbo zijn de verschillen tussen de onderwijssectoren klein; in het wo zijn die wat groter, met als positieve uitschieter Gezondheidszorg (bijna de helft op schema) en als negatieve uitschieters Techniek, Economie, Recht en Taal & Cultuur (nog geen kwart op schema). 68 Studentenmonitor 2007
69 De meeste studenten verwachten hun studie succesvol af te ronden (91%). Dit aantal stijgt nog iets wanneer studenten verder gevorderd zijn in de studie. Wo-studenten hebben ondanks hun geringere studievoortgang wat meer vertrouwen in hun slagingskansen dan hbo-studenten. Het grootste deel van de voltijdstudenten begint gemotiveerd aan de opleiding (95%). In de wo-sector Recht echter is 11 procent van de studenten ongemotiveerd bij aanvang van de studie. Bij veel studenten neemt de motivatie gedurende de opleiding af, met name door / met als meest genoemde redenen een slechte administratie/organisatie, een opleiding die niet uitdagend genoeg is en slechte docenten. Bijna een vijfde van alle voltijdstudenten toont te weinig inzet. In het wo (21%) is dat percentage hoger dan in het hbo (17%), met uitzondering van de wo-sector Gezondheidszorg, waar slechts 11 procent van de studenten aangeeft te weinig tijd in de studie te steken. Kwaliteit en studeerbaarheid Net als in voorgaande jaren ervaren slechts weinig voltijdstudenten een hoge werkdruk (3%). Ook het percentage studenten met een negatief oordeel over de studeerbaarheid is gering (5%). Hbo-studenten Techniek en Economie en wo-studenten Natuur zijn het vaakst ontevreden over de studeerbaarheid van hun opleiding. Thuiswonende studenten en allochtone studenten zijn dat eveneens vaker. De toegankelijkheid van docenten wordt door 17 procent van de voltijdstudenten als slecht beoordeeld. In het hbo is dit vaker het geval dan in het wo. De oordelen van vrouwelijke en allochtone studenten vallen negatiever uit dan die van hun mannelijke en autochtone medestudenten. Daarnaast bestaan er verschillen tussen de sectoren onderling. Hbo- en wo-studenten in de sector Economie zijn het meest kritisch over de toegankelijkheid van hun docenten. Budget en studiefinanciering Zowel uitwonende als thuiswonende voltijdstudenten hebben een maandelijks inkomen dat ruim boven het door de IB-Groep vastgestelde norminkomen ligt. Wo-studenten ontvangen een hogere bijdrage van hun ouders/partner dan hbo-studenten. Hbo-studenten hebben echter gemiddeld een hoger maandinkomen doordat zij meer studiefinanciering en meer inkomsten uit arbeid ontvangen. Het inkomen van hbo-studenten in de leenfase bestaat voor een groter deel uit arbeidsloon en lening dan dat van vergelijkbare wo-studenten. Studenten uit lagere sociale milieus ontvangen meer studiefinanciering en verdienen relatief meer met betaald werk dan studenten met een hoge sociaal-economische herkomst. De laatste groep op haar beurt ontvangt een hogere ouderlijke bijdrage. Hbo ers ontvangen meer studietegemoetkoming van de overheid dan wo ers. De hoogte van de studiefinanciering is sinds 2000 stabiel gebleven. Studentenmonitor
70 De totale inkomsten van studenten zijn net als in voorgaande jaren gestegen. Hbo-studenten kenden een relatief grotere stijging van inkomen uit arbeid en van de ouderlijke bijdrage. Wo-studenten zijn relatief meer gaan lenen. Wo-studenten geven maandelijks meer uit dan hbo-studenten. De lasten van uitwonende studenten liggen gemiddeld 400 euro hoger dan die van thuiswonende studenten, vooral door de kosten voor levensonderhoud: voor uitwonende studenten maken die 60 procent uit van hun totale inkomen, voor thuiswonende studenten 40 procent. Thuiswonende studenten beoordelen hun financiële situatie dan ook positiever dan uitwonende studenten. Hbo-studenten die geen recht meer hebben op studiefinanciering en uitwonende wo-studenten, vooral degenen zonder studiefinanciering of met een lening, geven maandelijks meer uit dan ze verdienen. Ruim een derde van de studenten heeft een lening bij de IB-Groep. Vooral wo ers, ouderejaars en uitwonenden maken gebruik van deze mogelijkheid. De voornaamste redenen voor studenten om niet te lenen, zijn dat zij alleen willen lenen als het echt nodig is en geen schulden willen maken. Redenen voor studenten om wel te lenen, zijn de gunstige leenvoorwaarden van de IB-Groep en het hebben van hoge lasten. Tijdbesteding Studenten besteden ongeveer 35 uur per week aan hun studie. Terwijl het aantal uren dat wo-studenten aan hun studie besteden de afgelopen jaren steeds is gestegen, is het aantal studie-uren voor hbo ers juist iets gedaald, zodat de verschillen tussen de twee groepen kleiner zijn geworden. Hbo-studenten kennen gemiddeld 14 contacturen op de instelling, wo-studenten met 13 iets minder. Zowel hbo- als wo-studenten besteden 14 uur per week aan betaalde arbeid. Hbo-studenten die werken besteden gemiddeld meer tijd aan hun studie (34 uur) dan werkende wo-studenten (31 uur). Deze aantallen zijn in vergelijking met 2006 (35 om 30 uur) iets dichter bij elkaar komen te liggen. Het aantal contact- en arbeidsuren van de twee groepen studenten is voor het eerst (nagenoeg) gelijk. In 2000 bestond er op beide punten nog een groot verschil tussen hbo- en wo-studenten (18 tegenover 13 contacturen; 12 tegenover 7 arbeidsuren). Naarmate voltijdstudenten meer werken, besteden ze minder tijd aan hun studie. Voor deeltijders geldt in grote lijnen hetzelfde, zij het voor wo-studenten pas zodra er meer dan tien uur per week gewerkt wordt: wo-studenten die niet meer dan tien uur per week werken, stoppen juist meer tijd in hun studie dan niet-werkende deeltijdstudenten. Studenten die geen studiefinanciering (meer) ontvangen en/of lenen, maken langere weken dan studenten met een beurs. Alle hbo-studenten besteden meer tijd aan werk en studie dan wo-studenten. Voltijdstudenten zonder studiefinanciering werken relatief gezien het meest. Deeltijdstudenten maken langere weken dan voltijdstudenten: zij werken gemiddeld zo n 20 uur meer per week (31 uur), terwijl ze slechts 10 uur minder tijd aan hun studie besteden (23 uur). 70 Studentenmonitor 2007
71 Voltijdstudenten werken veelal in de sectoren Detailhandel en Horeca, deeltijdstudenten hebben vaak banen in de sectoren Onderwijs, Gezondheidszorg/welzijnszorg en Financiële/zakelijke dienstverlening. Studiekeuze en aansluiting De belangrijkste motieven voor voltijd- en deeltijdstudenten om voor een opleiding te kiezen zijn inhoudelijke interesse, aansluiting van de opleiding bij de capaciteiten en beroepsmogelijkheden. Hbo ers zijn meer toekomst- en beroepsgericht, waar wo ers vooral onderwijsgericht zijn. Lang niet alle studenten die op basis van hun vooropleiding toegang tot een bètatechnische opleiding hebben, beginnen aan een dergelijke studie: 40 procent van de mannen en 74 procent van de vrouwen ziet hiervan af. Zo n 28 procent van de groep die niet voor een bètaopleiding kiest, geeft aan een bètaopleiding te eenzijdig en te theoretisch te vinden. Vrouwen worden verder vooral weerhouden door onaantrekkelijke beroepsperspectieven en een geringe maatschappelijk gerichtheid van de opleidingen. Deze studenten komen na hun keuze vooral terecht in de hboen wo-sectoren Gezondheidszorg, Economie, Onderwijs en de wo-sector Gedrag & Maatschappij. De aansluiting tussen het voortgezet en hoger onderwijs wordt door 6 van de tien studenten op minstens één van de gevraagde punten negatief beoordeeld. Hbo ers ondervinden iets vaker aansluitingsproblemen dan wo ers. Het zelfstandig aanpakken en plannen van studietaken vormt voor beide groepen het grootste struikelblok. Allochtone studenten hebben in het eerste studiejaar relatief meer moeite met schriftelijke en communicatieve vaardigheden. Voor hun studiekeuze maken studenten vooral gebruik van schriftelijke informatie of de website van de hogeschool/universiteit en van voorlichtingsdagen. Internationalisering Van de wo-voltijders heeft 17 procent studiegerelateerde buitenlandervaring; van de hbo ers 13 procent. Deze percentages zijn nagenoeg gelijk aan die van 2001 en al een aantal jaren stabiel. Bijna de helft van de wo-studenten en ruim de helft van de hbo-studenten heeft geen plannen voor een stage- of onderwijservaring in het buitenland. Dit is vooral te wijten aan persoonlijke redenen, aan geldgebrek of de wens zo snel mogelijk af te studeren. Toekomstperspectief Het zelfstandig ondernemerschap en de zakelijke dienstverlening, gevolgd door het bedrijfsleven of de automatisering, zijn populair als toekomstige werkgebieden onder zowel hbo- als wo-studenten. Daarna lopen de voorkeuren meer uiteen. Wo ers opteren vaker voor de overheid of promoveren, waar hbo ers de voorkeur geven aan communicatie/media. Ook willen hbo-studenten vaker als docent werken in lager, voortgezet en middelbaar onderwijs. Studentenmonitor
72 Mannen hebben vaker dan vrouwen een voorkeur voor een baan in het bedrijfsleven of de automatisering, in de zakelijke dienstverlening, als zelfstandig ondernemer en in de industrie/productie. Vrouwen kiezen vaker voor een baan in de gezondheidszorg en het basis-/speciaal onderwijs. Studenttypen Op basis van twee dimensies (motivatie en een sociale dimensie) zijn studenten ingedeeld in vijf studenttypen: Idealisten, Statuszoekers, Normatieven, Zelfontplooiers en Vakgeïnteresseerden. In het wo zijn alle studenttypen ongeveer evenredig vertegenwoordigd. In het hbo bestaat de grootste groep voltijdstudenten uit Normatieven (die studeren omdat het hoort) en de kleinste groep uit Zelfontplooiers (die zichzelf als mens willen ontwikkelen). Tot de Idealisten behoren twee keer zoveel vrouwen als mannen. Mannen en allochtone studenten vinden we relatief vaak terug onder de Normatieven en Statuszoekers. Veel studenttypen kennen een grotere vertegenwoordiging bij specifieke studies: zo zijn veel Normatieven terug te vinden in de sectoren Economie, Landbouw en Techniek, en veel Vakgeïnteresseerden in de sectoren Taal & Cultuur en Gedrag & Maatschappij. De laatste sector trekt verder met name Idealisten, net als de sector Gezondheidszorg. 72 Studentenmonitor 2007
73 3 Studiekeuze en voorlichting 3.1 Inleiding In dit hoofdstuk gaan we in op het studiekeuzeproces van bachelorstudenten in hbo en wo: de motieven die studenten leiden in hun keuze en de bronnen die zij raadpleegden. Daarbij zoeken wij antwoord op de volgende vragen. (1) Zijn er verschillen in keuzemotieven en voorlichtinggebruik tussen studenten met verschillende vooropleidingen en in verschillende croho-sectoren? (2) Leidt het raadplegen van meer informatiebronnen tot een betere studiekeuze? (3) Zijn er betere en minder goede motieven te onderscheiden in het licht van de latere tevredenheid over de studiekeuze en kans op afstuderen? 3.2 Gebruik van voorlichting Figuur 50 toont het voorlichtingsgebruik naar vooropleiding. Uit Figuur 50 valt op dat onder bachelorstudenten in het hbo havisten van de meeste informatiebronnen vaker gebruik hebben gemaakt in vergelijking met de mbo ers en vwo ers (voorlichtingsdagen, decanen, studiebeurzen, familie/kennissen, rechtstreeks bij instelling, andere websites dan studiekeuze123.nl). Alle verschillen zijn significant (p<0,05). Het zijn de mbo ers die van de meeste bronnen juist het minst gebruik hebben gemaakt (folders, voorlichtingsdagen, decanen, studiebeurzen, andere websites, onafhankelijke bronnen). Mbo ers lijken daarmee wat voorlichting betreft een nog enigszins achtergebleven groep. Zij nemen voor hun oriëntatie wel vaker dan havisten en vwo ers rechtstreeks contact op met de hogeschool. Studentenmonitor
74 folde rs voorlichting s da g e n de cane n fa milie /kennisse n s tudie beurze n rechtstreeks bij instelling onafhankelijke bronnen andere websites Studiekeuze 123.nl % 20% 40% 60% 80% 100% mbo ha vo vwo Figuur 50: Geraadpleegde informatiebronnen hbo-studenten naar vooropleiding In het wo blijken vwo ers veel informatiebronnen vaker te raadplegen dan hbo ers (Figuur 51). Rechtstreeks contact opnemen met de universiteit doen de hbo ers daarentegen vaker. Alle verschillen tussen hbo en wo zijn significant (p<0,05). 74 Studentenmonitor 2007
75 folders voorlichting sdag en deca nen studiebe urzen onafhankelijke bronnen rechtstreeks bij instelling % 20% 40% 60% 80% 100% vwo hbo Figuur 51: Geraadpleegde informatiebronnen wo-studenten naar vooropleiding Tussen de croho-sectoren in het hbo zijn verschillen in voorlichtinggebruik te vinden (Tabel 9). Met name studenten Taal & Cultuur maken van een aantal mogelijkheden minder vaak gebruik, zoals folders, decanen en studiebeurzen, maar raadplegen daarentegen weer het vaakst van alle sectoren hun familie of kennissen. Tabel 9: Meest geraadpleegde informatiebronnen hbo-studenten naar croho-sector (%) Lb Te Gz Ec Gm Tc Ow Website instelling Folders Voorlichtingsdagen Familie/kennissen Decanen Studiebeurzen Andere websites Studiekeuze123.nl Studentenmonitor Verschillen tussen sectoren bij alle getoonde bronnen significant (p<0,05) In Tabel 10 is het voorlichtinggebruik door wo-studenten per sector weergegeven. Ook hier worden veel informatiebronnen door studenten Taal & Cultuur minder vaak geraadpleegd. Studenten Economie vallen juist op door hun hoge voorlichtinggebruik. Studentenmonitor
76 Tabel 10: Meest geraadpleegde informatiebronnen wo-studenten naar croho-sector (%) Lb Na Te Gz Ec Re Gm Tc Website instelling Voorlichtingsdagen Decanen Studiebeurzen Familie/kennissen Onafhankelijke bronnen Rechtstreeks bij instelling Andere websites Studentenmonitor Verschillen tussen sectoren bij alle getoonde bronnen significant (p<0,05) 3.3 Aantal geraadpleegde bronnen en de juiste studiekeuze Ook in het aantal verschillende informatiebronnen waar studenten gebruik van maken, bestaan verschillen tussen hbo en wo en tussen vooropleidingen (Figuur 52). 30% 25% 20% 15% 10% 5% 0% mbo-hbo ha vo-hbo vwo-hbo vwo-wo hbo-wo Figuur 52: Aantal geraadpleegde informatiebronnen naar hbo/wo en naar vooropleiding. Hbo-studenten uit het mbo hebben voor hun studiekeuze minder verschillende bronnen geraadpleegd dan havisten en vwo ers. Binnen de groep wo-studenten zien we dat vwo ers zich duidelijk via meer verschillende bronnen geïnformeerd hebben dan de hbo ers die aan een wo-opleiding beginnen. 76 Studentenmonitor 2007
77 Een relevante vraag is uiteraard of het raadplegen van meer informatiebronnen ook leidt tot een betere studiekeuze. Twee indicatoren hanteren wij hier om te bepalen of studenten zelf vinden dat zij de juiste keuze hebben gemaakt. In de eerste plaats mogen zij geen spijt van hun keuze hebben. Met andere woorden, zij zouden nu opnieuw dezelfde keuze maken (62% van de hbo- en 77% van de wo-bachelorstudenten zou nu opnieuw dezelfde opleiding en instelling kiezen). In de tweede plaats moeten zij het niveau van de studie aankunnen. Met andere woorden, zij dichten zichzelf een goede kans toe de opleiding met succes af te kunnen ronden (54% van de hbo- en 62% van de wo-bachelorstudenten geeft zichzelf 100% kans om met succes af te studeren). Uit Figuur 53 blijkt dat zowel in het hbo als in het wo-studenten die zichzelf een grotere kans geven de studie af te ronden, minder verschillende bronnen hebben geraadpleegd. 100% ka ns 80% -90% ka ns 0% -70% ka ns 4,6 5,0 5,3 5,1 5,4 5, hbo wo Figuur 53: Gemiddeld aantal geraadpleegde bronnen naar kans op afstuderen. Figuur 54 laat zien dat hbo-studenten die geen spijt hebben van hun opleidings- en/of instellingskeuze, eveneens van minder bronnen gebruik hebben gemaakt (in het wo is het verschil niet significant). Kortom, twijfel of spijt over de studiekeuze kan over het algemeen niet worden verklaard door een tekort aan geraadpleegde informatiebronnen. De resultaten wijzen er eerder op dat studenten die minder zeker zijn van hun keuze (wellicht daarom) meer verschillende bronnen raadplegen. In hoofdstuk 7 zal nog een vergelijking worden gemaakt van voorlichtinggebruik tussen studie-uitvallers en niet-uitvallers. juiste keuze spijt van opleiding en/of instelling 5,1 4,9 5,2 5, hbo wo Figuur 54: Gemiddeld aantal geraadpleegde bronnen naar wel of niet spijt van keuze. Studentenmonitor
78 3.4 Motieven voor studiekeuze Studiekeuzemotieven werden in hoofdstuk 2 al vergeleken tussen hbo- en wo-studenten. We vergelijken nu binnen hbo en wo de motieven tussen studenten van verschillende vooropleidingen. In Figuur 55 vinden we de verschillen tussen vwo ers en hbo ers die een wo-opleiding kiezen. inhoudelijk interessant be roepspe rspe ctieven studente nleven dicht in de buurt the ore tische g rondsla g en onderzoeksvaardig heden verkorte onderwijsroute % 20% 40% 60% 80% 100% vwo hbo Figuur 55: Keuzemotieven van vwo ers en hbo ers in het wo (%). De verschillen tussen vooropleidingsgroepen zijn bij alle getoonde motieven significant (p<0,05). De hbo ers zijn over de hele linie uitgesprokener in hun studiekeuzemotieven en hechten aan alle weergegeven motieven meer belang dan de vwo ers. Zij kiezen bewuster een wo-opleiding vanwege bijvoorbeeld de beroepsperspectieven of de aandacht voor theoretische grondslagen of onderzoeksvaardigheden. Enige uitzondering is het aantrekkelijke studentenleven, dat voor de vwo ers juist veel vaker een belangrijk keuzeargument is. In Figuur 56 vinden we de keuzemotieven, waarin mbo ers, havisten en vwo ers in het hbo daadwerkelijk van elkaar verschillen. Mbo ers en vwo ers zijn over het algemeen wat explicieter in hun motieven en nemen elk een aantal hoge motiefscores voor hun rekening. De havisten zijn over veel motieven juist het minst uitgesproken van de drie vooropleidingsgroepen. 78 Studentenmonitor 2007
79 inhoudelijk interessant be roe pspe rs pe ctie ve n beroe ps mog e lijkhe de n g oe de kans op ba a n veel praktijkervaring g oede naam instelling hoog sa la ris g oede kwaliteit onderwijs projectonde rwijs niet te moeilijk onderzoeksvaardig heden s tude nte nle ve n theoretische g rondslag en studie be g e le iding verkorte onderwijsroute % 20% 40% 60% 80% 100% mbo ha vo vwo Figuur 56: Keuzemotieven van hbo-studenten met een mbo-, havo- of vwo-vooropleiding (%) Studentenmonitor
80 De motieven hangen voor een deel samen met de achtergrond of het perspectief van de drie groepen. Zo komen vwo ers relatief vaak naar een hbo-opleiding om meer praktijkervaring op te doen en minder vaak voor onderzoeksvaardigheden en de aandacht voor theoretische grondslagen, terwijl voor mbo ers juist het omgekeerde geldt. Vwo ers kiezen vaker in het hbo een opleiding omdat zij menen dat die niet te moeilijk is en uit inhoudelijke interesse, mboers juist vaker vanwege de goede kans op een baan. Een verkorte onderwijsroute is typisch een motief dat meer mbo ers trekt, eenvoudig doordat het voor de meeste havisten en vwo ers niet van toepassing is. In Tabel 11 staan de keuzemotieven van hbo ers uitgewerkt naar croho-sector. Studenten Taal & Cultuur, die minder gebruik bleken te maken van diverse informatiebronnen, hebben kennelijk wel duidelijke argumenten voor hun keuze. Op veel motieven tonen zij de hoogste scores: niet alleen op de overall belangrijkste motieven van inhoudelijke interesse, het aansluiten bij eigen capaciteiten en beroepsperspectieven, maar ook op de typische kwaliteitsmotieven (kwaliteit van opleiding en onderwijs en goede naam instelling). Deze studenten zijn ook het meest bereid daar wat verder voor te reizen. Veruit het minst van alle sectorgroepen laten zij zich leiden door de kans op een baan. Tabel 11: Keuzemotieven hbo-studenten naar croho-sector (%) Lb Te Gz Ec Gm Tc Ow Inhoudelijk interessant Sluit aan bij capaciteiten Beroepsperspectieven Beroepsmogelijkheden Goede kans op baan Veel praktijkervaring Dicht in de buurt Goede kwaliteit opleiding Goede naam instelling Goede kwaliteit onderwijs Hoog salaris Projectonderwijs Niet moeilijk Theoretische grondslagen Onderzoeksvaardigheden Studiebegeleiding Studentenleven Verkorte onderwijsroute Studentenmonitor Verschillen tussen sectoren bij alle getoonde motieven significant (p<0,05) 80 Studentenmonitor 2007
81 Studenten Techniek lijken enigszins tegenpolen van de Taal & Cultuurstudenten: zij hechten het minst belang aan de kwaliteitsmotieven, maar juist veel meer aan de kans op een baan. Dat laatste hebben zij weer gemeen met studenten Economie, die daarbij ook het meest letten op de brede beroepsmogelijkheden en hoger salaris. Studenten in de sector Onderwijs hechten het minst van alle sectoren aan brede beroepsmogelijkheden (maar scoren wel hoog op de beroepsperspectieven die hun opleiding biedt) en beginnen evenmin aan hun opleiding vanwege het hoge salaris. Samen met studenten Gedrag & Maatschappij kiezen zij juist het vaakst een opleiding die naar verwachting niet te moeilijk zal zijn. De motieven per croho-sector in het wo vinden we in Tabel 12. Tabel 12: Keuzemotieven wo-studenten naar croho-sector (%) Lb Na Te Gz Ec Re Gm Tc Inhoudelijk interessant Beroepsmogelijkheden Goede kwaliteit opleiding Goede naam instelling Goede kans op baan Beroepsperspectieven Studentenleven Dicht in de buurt Hoog salaris Onderzoeksvaardigheden Veel praktijkervaring Projectonderwijs Studiebegeleiding Verkorte onderwijsroute Studentenmonitor Verschillen tussen sectoren bij alle getoonde motieven significant (p<0,05) De kans op een baan, een hoog salaris en brede beroepsmogelijkheden zijn ook in het wo vooral voor Economiestudenten van belang. Deze groep laat zich juist minder leiden door inhoudelijke interesse. Het zijn de studenten in de sector Gezondheid die juist het meest kiezen uit inhoudelijke interesse, hetgeen kennelijk goed samengaat met aandacht voor beroepsperspectieven, een aantrekkelijk studentenleven en het opdoen van veel praktijkervaring. Studenten Landbouw hechten het minst belang aan een aantrekkelijk studentenleven en aan de nabijheid van de universiteit, maar zij hebben daar in hun sector dan ook weinig keuze in. Studentenmonitor
82 Wo-studenten Taal & Cultuur zijn het minst uitgesproken in hun keuzemotieven en scoren op de helft van de getoonde motieven zelfs het allerlaagst. Deze studenten worden met name gedreven door inhoudelijke interesse en nemen aspecten als een lagere baankans of salaris voor lief. 3.5 Keuzemotieven en de juiste studiekeuze Ook bij de keuzemotieven is de vraag of we deze in verband kunnen brengen met een kwalitatief betere studiekeuze. Net als in paragraaf 3.3 bestuderen we het verband met het krijgen van spijt over de keuze en (de eigen inschatting van) de kans op succesvol afstuderen. Hbo-studenten die achteraf liever een andere opleiding of instelling zouden kiezen, vertonen lagere scores op het merendeel van de keuzemotieven (Figuur 57). De grootste verschillen tussen studenten met en zonder spijt vinden we bij de drie kwaliteitsmotieven (kwaliteit opleiding en onderwijs en goede naam instelling) en bij de hoofdmotieven inhoudelijke interesse, aansluiten bij eigen capaciteiten en beroepsperspectieven. Er zijn geen motieven gevonden waarop de studenten met spijt juist hoger scoren. Met andere woorden, het hoeft studenten niet àfgeraden te worden om te letten op bepaalde motieven, omdat deze vaker leiden tot spijt van de studiekeuze. Gezien het grote aantal motieven dat positief samenhangt met een juiste keuze, kan gesteld worden dat studenten in elk geval een duidelijke motivatie moeten hebben voor hun studiekeuze; wat die motivatie precies inhoudt is van minder belang. 82 Studentenmonitor 2007
83 inhoudelijk interessant sluit aan bij capaciteiten be roepspe rspe ctieven beroepsmog e lijkhe den g oe de kans op ba an veel praktijkervaring g oede kwaliteit opleiding g oede na a m ins te lling g oede kwaliteit onderwijs projectonde rwijs the ore tische g rondsla g en s tudie beg e le iding onderzoeksvaardig heden verkorte onderwijsroute % 20% 40% 60% 80% 100% juiste keuze spijt Figuur 57: Verschillen in keuzemotieven tussen hbo-studenten met en zonder spijt van opleidings- en/of instellingskeuze In Figuur 58 vinden we de motieven waarop wo-studenten met en zonder spijt van elkaar verschillen. Ook hier zien we de grootste verschillen bij de kwaliteitsmotieven (kwaliteit opleiding en onderwijs) en bij de hoofdmotieven inhoudelijke interesse, aansluiten bij eigen capaciteiten en beroepsperspectieven. Studentenmonitor
84 inhoudelijk interessant sluit aan bij capaciteiten g oede kwaliteit opleiding g oede kwaliteit onderwijs g oede naam instelling be roe pspe rs pe ctie ve n theoretische g rondslag en onderzoeksvaardig heden studie be g e le iding % 20% 40% 60% 80% 100% juiste keuze spijt Figuur 58: Verschillen in keuzemotieven tussen wo-studenten met en zonder spijt van opleidings- en/of instellingskeuze In Figuur 59 vinden we de verschillen in motieven tussen hbo-studenten die zichzelf meer en minder kans geven de opleiding met succes af te ronden. Het grootste verschil treedt op bij het motief dat de opleiding goed aansluit bij de eigen capaciteiten. Vooral de groep die zichzelf maar 70 procent kans of minder geeft op afstuderen, lette bij de keuze minder op dit motief. Niet bij alle motieven komt hier een lineair verband naar voren: bijvoorbeeld aan studiebegeleiding wordt het meest belang gehecht door studenten die zichzelf 80 procent tot 90 procent kans op afstuderen geven. Een hoog salaris is vaker een belangrijk motief voor de studenten die zichzelf de laagste kans geven op afstuderen. 84 Studentenmonitor 2007
85 inhoudelijk interessant sluit aan bij capaciteiten be roe pspe rspectie ve n g oede ka ns op ba a n vee l praktijkervaring g oe de na a m inste lling proje ctonde rwijs hoog sala ris theore tische g ronds la g e n onderzoe ksva ardig hede n studie be g e leiding studente nle ve n % 20% 40% 60% 80% 100% 0% - 70% ka ns 80% - 90% kans 100% ka ns Figuur 59: Keuzemotieven hbo-studenten en hun kans op afstuderen Studentenmonitor
86 In Figuur 60 staat een vergelijkbaar overzicht voor de wo-studenten. Met name de studenten die zichzelf de laagste kansen op succes geven, lieten zich bij hun keuze minder leiden door inhoudelijke interesse en aansluiting bij hun persoonlijke capaciteiten. Ook hier zijn niet alle verbanden lineair. Het kiezen van een universiteit dichtbij huis scoort juist hoog bij de groep met de laagste afstudeerkans. inhoudelijk interessant sluit aan bij capaciteiten g oe de kwa lite it ople iding beroe ps pers pe ctie ve n dicht in de buurt nie t moe ilijk proje ctonde rwijs % 20% 40% 60% 80% 100% 0% - 70% ka ns 80% - 90% ka ns 100% ka ns Figuur 60: Keuzemotieven wo-studenten en hun kans op afstuderen 3.6 Keuzeprofiel van studenten die de juiste keuze maakten Met behulp van een logistische regressie is tenslotte nagegaan welke motieven samen het best onderscheid kunnen maken tussen studenten die wel en niet een juiste studiekeuze maakten: op welke motieven verschillen deze twee groepen wezenlijk van elkaar? Onder een juiste studiekeuze wordt in dit geval verstaan dat studenten: geen spijt van hun keuze hebben èn zichzelf 100 procent kans op afstuderen geven. In het hbo behoort 34 procent van de studenten tot deze groep; in het wo 49 procent. 86 Studentenmonitor 2007
87 Tabel 13 geeft weer welke combinaties van motieven het beste regressiemodel opleveren. Zowel in hbo als wo hechten studenten die een juiste keuze maakten, meer belang aan de drie motieven die ook in het algemeen het belangrijkst worden gevonden: inhoudelijke interesse, goede aansluiting bij de eigen capaciteiten en aantrekkelijke beroepsperspectieven. Deze drie motieven vormen daarmee de kernvragen waar studenten in hun studiekeuze een overtuigd antwoord op moeten kunnen geven. Opvallend is verder dat hbo ers met een juiste keuze minder sterk letten op de aandacht voor onderzoeksvaardigheden, terwijl wo-studenten met een juiste keuze juist minder sterk letten op de mogelijkheden om praktijkervaring op te doen. Hbo ers met een juiste keuze letten tenslotte sterker op de kwaliteit van de opleiding en de mogelijkheden voor verkorte routes en minder op studiebegeleiding en een aantrekkelijk studentenleven. Wo-studenten met een juiste keuze houden er minder rekening mee of de opleiding niet te moeilijk is. Tabel 13: Keuzeprofiel van studenten met een juiste studiekeuze. Indicator Hbo Wo Goede kwaliteit opleiding 1,27 ** Inhoudelijk interessant 1,16 ** 1,41 ** Sluit aan bij capaciteiten/vaardigheden 1,14 ** 1,25 ** Beroepsperspectieven spreken aan 1,11 ** 1,14 ** Mogelijkheid verkorte onderwijsroute 1,06 * Persoonlijke studiebegeleiding 0,93 * Aandacht onderzoeksvaardigheden 0,92 ** Aantrekkelijk studentenleven 0,91 ** Mogelijkheden praktijkervaring 0,91 * Opleiding niet te moeilijk 0,91 * Studentenmonitor * significant p<0,05, ** significant p<0,01, Nagelkerke R 2 is voor het hbo- en wo-model respectievelijk 0,06 en 0, Samenvatting In dit hoofdstuk is een nadere analyse gemaakt van voorlichtinggebruik en studiekeuzemotieven van studenten in het hoger onderwijs. Voorlichtinggebruik naar vooropleiding en croho-sector In het hbo maken de mbo ers van diverse informatiebronnen minder gebruik dan de havisten en vwo ers. In het wo geldt hetzelfde voor de hbo ers in vergelijking met de vwo ers. Deze twee groepen nemen juist vaker rechtstreeks contact op met de instelling. Zowel in het hbo als in het wo maken studenten Taal & Cultuur minder gebruik van veel voorlichtingsbronnen en studenten Economie juist meer. Studentenmonitor
88 Aantal geraadpleegde bronnen en juiste keuze Twijfel of spijt over de studiekeuze, dat wil zeggen dat studenten niet opnieuw dezelfde keuze zouden maken of zichzelf minder kans geven de studie succesvol af te ronden kan over het algemeen niet worden verklaard door een tekort aan geraadpleegde informatiebronnen. Eerder ontstaat juist het beeld dat studenten die minder zeker zijn van hun keuze meer verschillende bronnen raadplegen. (In hoofdstuk 9 zal nog het verband tussen voorlichtinggebruik en daadwerkelijke uitval worden onderzocht). Keuzemotieven naar vooropleiding en croho-sector In het hbo zijn mbo ers en vwo ers vaak wat explicieter in hun studiekeuzemotieven en havisten juist wat minder. In het wo blijken de hbo ers overwegend sterker gedreven te worden door diverse keuzemotieven dan de vwo ers. Er bestaan ook duidelijke verschillen in keuzemotieven tussen studenten van verschillende croho-sectoren. In het hbo scoren studenten Taal & Cultuur het hoogst op alle drie de belangrijkste motieven inhoudelijke interesse, aansluiting bij capaciteiten en beroepsperspectieven. Studenten Economie hechten aan deze motieven juist het minst belang, maar vinden daarentegen brede beroepsmogelijkheden en kans op een baan relatief belangrijk. Dat laatste motief is ook voor studenten Techniek belangrijk. Studenten in de sector Onderwijs hechten het minst van alle sectoren belang aan brede beroepsmogelijkheden en scoren hoog op concrete beroepsperspectieven. Zij betrekken het latere salaris minder in hun keuze. Samen met studenten Gedrag & Maatschappij letten zij er sterk op dat de opleiding niet te moeilijk zal zijn. In het wo hechten studenten Taal & Cultuur relatief weinig belang aan veel keuzemotieven, waaronder de kwaliteit van de opleiding en alle motieven die met de opbrengst van de studie na afloop te maken hebben (beroepsmogelijkheden, kans op baan, beroepsperspectieven, hoog salaris). Studenten Landbouw vinden de kwaliteit van de opleiding het belangrijkst. Studenten in de sector Natuur letten het meest van alle sectoren op onderzoeksvaardigheden, studenten Techniek op de goede naam van de instelling. Studenten Gezondheid worden het meest gedreven door inhoudelijke interesse en combineren dit met aandacht voor beroepsperspectieven en studentenleven. Zij vinden ook het vaakst belangrijk in de studie praktijkervaring op te doen. Rechtenstudenten kiezen het vaakst een universiteit dichtbij huis en letten minder op de aandacht voor onderzoeksvaardigheden en studiebegeleiding. Keuzemotieven en juiste keuze Met behulp van een logistische regressieanalyse is onderzocht in welke motieven studenten die een juiste keuze maakten dat wil zeggen dat zij nu opnieuw dezelfde keuze zouden maken èn zichzelf 100 procent kans geven op afstuderen zich wezenlijk onderscheiden van studenten die dat niet deden. Zowel in het hbo als wo geldt dat studenten met een juiste studiekeuze sterker kiezen uit inhoudelijke interesse, omdat de opleiding aansluit bij de eigen capaciteiten en omdat zij de beroepsmogelijkheden aantrekkelijk vinden. Aangezien deze drie argumenten ook in het algemeen het vaakst worden genoemd, zijn dit duidelijk de drie kernmotieven voor een succesvolle studiekeuze. 88 Studentenmonitor 2007
89 Verder letten hbo ers met een juiste keuze sterker op de kwaliteit van de opleiding en de mogelijkheden voor verkorte routes en minder op studiebegeleiding, de aandacht voor onderzoeksvaardigheden en een aantrekkelijk studentenleven. Wo-studenten met een juiste keuze letten minder sterk op de mogelijkheden om praktijkervaring op te doen en houden er minder rekening mee of de opleiding niet te moeilijk is. Studentenmonitor
90
91 4 Studievoortgang en tijdbesteding 4.1 Inleiding In dit hoofdstuk beschrijven we de studievoortgang en de tijdbesteding van studenten in het hoger onderwijs. We beantwoorden daarbij de volgende vragen. (1) Hoe ontwikkelt de studievoortgang zich over de jaren? (2) Zijn de verschillen die er in studievoortgang zijn, te verklaren uit achtergrondkenmerken? (3) Wat is de waarde van een studiepunt? Moeten studenten uit bepaalde sectoren er harder voor werken dan studenten uit andere sectoren? (4) Hoeveel tijd besteden studenten aan hun studie en aan werk? Hoe ontwikkelt dit zich door de tijd? (5) Zijn de verschillen in tijdbesteding te verklaren uit achtergrondkenmerken? (6) Welke verschillen zien we tussen lenende studenten en niet-lenende studenten? 4.2 Ontwikkeling van studievoortgang In de Studentenmonitor is met betrekking tot studievoortgang het volgende gevraagd: het totale aantal behaalde studiepunten; de totale studielast van de opleiding; het aantal maanden dat zij staan ingeschreven voor de opleiding; de totale nominale studieduur van de opleiding. Op basis van deze gegevens is berekend hoeveel procent van de totale studielast reeds is behaald en hoeveel procent van de opleidingsduur is verbruikt. De studievoortgang is berekend door het percentage van de studiepunten dat is behaald te delen door het percentage van de opleidingsduur die is verbruikt, uitgaande van de nominale studieduur. Wanneer we spreken van een studievoortgang van 80 procent, bedoelen we dat studenten 80 procent van het aantal studiepunten dat ze gezien hun studieduur hadden kunnen halen ook daadwerkelijk hebben gehaald. Studievoortgang over de jaren Omdat in de Studentenmonitor vanaf 2004 studievoortgang op eenzelfde manier is gemeten als dit jaar, kunnen we verschillen tussen deze jaren bekijken. De studievoortgang in zowel het hbo als het wo is ten opzichte van 2006 voor het eerst heel licht (maar niet significant) gedaald (Figuur 61). In het hbo zien we een daling van 89,3 naar 88,7 procent en in het wo van 81,4 naar 79,6 procent. 91 Studentenmonitor 2007
92 95% 90% 85% 80% 75% 70% Figuur 61: hbo wo ho Studievoortgang in het hoger onderwijs (totalen), 2004 t/m 2007, 95%-betrouwbaarheidsintervallen In Figuur 62 zijn de trends in studievoortgang weergegeven voor de verschillende sectoren in het hbo. 100% 95% 90% 85% 80% 75% 70% lb te g z e c g m tc ow Figuur 62: Studievoortgang in het hbo, 2004 t/m 2007, 95%-betrouwbaarheidsintervallen hbo 92 Studentenmonitor 2007
93 De daling ten opzichte van voorgaande meting was het sterkst in de sector Taal & Cultuur (3,7% lager dan in 2006), gevolgd door de sector Techniek (3% gedaald). Ook in de sectoren Gezondheidszorg en Gedrag & Maatschappij daalde de studievoortgang. De studievoortgang nam licht toe in de hbo-sectoren Landbouw en Onderwijs. In de sector Economie bleef de voortgang nagenoeg gelijk aan het niveau van voorgaand jaar. Onder de streep betekent één en ander dat ondanks de schommelingen de studievoortgang ook dit jaar het hoogst blijft in de sector Techniek (90,5%) en het laagst in de sector Onderwijs (86,7%). In het wo zijn de verschillen tussen de sectoren doorgaans groter (Figuur 63). 100% 95% 90% 85% 80% 75% 70% lb na te g z e c re g m tc Figuur 63: Studievoortgang in het wo, 2004 t/m 2007, 95%-betrouwbaarheidsintervallen wo De sector Techniek blijft achter bij de andere sectoren. Gezondheidszorg en Landbouw daarentegen kennen de meest gunstige studievoortgang. Ten opzichte van 2006 constateren we een (hele kleine) verbetering in de gemiddelde studieprogressie in de sectoren Taal & Cultuur, Natuur en Economie. De studievoortgang verslechterde het sterkst in de sector Gedrag & Maatschappij en nam eveneens af in de sectoren Gezondheidszorg en Recht. Tabel 14 geeft de gemiddelden per sector in cijfers weer. Aanvullend op de hierboven beschreven verschillen valt daarin op hoe de studievoortgang in bepaalde sectoren sterk varieert tussen de twee soorten hoger onderwijs. Zo is de studievoortgang bij hbo Techniek het hoogst van alle hbo-sectoren en juist het laagst in het wo. Bij de sector Gezondheidzorg zien we juist het omgekeerd: binnen het wo behoort de studievoortgang van studenten in deze sector tot de top, in het hbo is de studievoortgang juist de op één na laagste. 93 Studentenmonitor 2007
94 Tabel 14: Studievoortgang 2006 en 2007: gemiddelden naar sector Verschil Hbo Landbouw 89,3 89,9 0,6 Techniek 93,5 90,5-3,0 Gezondheidszorg 87,9 87,1-0,9 Economie 89,2 89,2 0,0 Gedrag & maatschappij 89,0 88,3-0,7 Taal & cultuur 91,2 87,5-3,7 Onderwijs 86,0 86,7 0,7 Hbo totaal 89,3 88,7-0,7 Wo Landbouw 83,9 83,9 0,0 Natuur 81,4 82,0 0,6 Techniek 75,0 74,8-0,2 Gezondheidszorg 88,8 86,6-2,2 Economie 81,0 81,4 0,4 Recht 80,0 78,3-1,7 Gedrag & maatschappij 83,0 79,3-3,7 Taal & cultuur 78,8 79,6 0,7 Wo totaal 81,4 80,4-1,0 Ho totaal 86,4 85,5-0,9 Studentenmonitor Studievoortgang verklaard Bivariate samenhang In Tabel 15 bekijken we de variatie in studievoortgang naar een aantal achtergrondkenmerken van de (voltijd)studenten. In het wo is de studievoortgang van vrouwen iets beter dan die van de mannen, al is het verschil ten opzichte van 2006 wel iets kleiner geworden. Verschil naar woonsituatie is er alleen wanneer we de groep hbo- en wo-studenten samen nemen: thuiswonende studenten doen het dan iets beter dan uitwonende studenten. Per onderwijssoort is enig verschil hierin echter niet significant. 94 Studentenmonitor 2007
95 Er is dit jaar met name ook gekeken naar de verschillen in vooropleiding: doen hbo-studenten het in het wo anders dan de overige studenten en zien we in het hbo verschillen tussen ex-havisten, ex-mbo ers en ex-vwo ers? Alleen in het hbo zien we verschil: de studievoortgang van vwo ers ligt hier het hoogst, gevolgd door die van de mbo ers. Havisten laten de meest ongunstige studievoortgang zien. Ook de indicator eerste-generatie-studenten is meegenomen in deze analyses. Hiermee doelen we op studenten van wie de ouders niet hoger opgeleid zijn; de studenten die de eerste generatie vormen met een opleiding in het hoger onderwijs. Dit blijkt alleen voor het hele hoger onderwijs samen een effect te hebben: op ho-niveau laten studenten wiens ouders geen opleiding in het hoger onderwijs volgden een lagere studievoortgang zien. Een effect naar etniciteit is er niet. Kijken we naar de sociaal-economische status van de studenten dan is het verschil alleen significant bij een vergelijking van de totale groep waarbij studenten afkomstig uit lagere sociale milieus een iets betere studievoortgang hebben dan die uit hogere sociale milieus. Studenten die te kampen hebben met een beperking hebben zowel in het hbo als in het wo een slechtere studievoortgang dan studenten zonder beperking. Studenten die een jaar doubleerden in het voortgezet onderwijs nemen ook in het hoger onderwijs meer hun tijd voor de studie: hun studievoortgang ligt lager dan die van studenten die zonder doubleren het voortgezet onderwijs doorliepen. Voor een jaar extra in het primair onderwijs, vinden we geen effect. 95 Studentenmonitor 2007
96 Tabel 15: Gemiddelde studievoortgang van voltijdstudenten naar achtergrondkenmerken (hbo, wo en totaal) Hbo Wo Totaal Voortgang N Voortgang N Voortgang N Geslacht Man (n.s.) , (n.s.) Vrouw (n.s.) , (n.s.) Woonsituatie Thuiswonend (n.s.) (n.s.) , Uitwonend (n.s.) (n.s.) , Vooropleiding Havo 86, Mbo 91, Hbo (n.s.) 394 Vwo 92,9 738 (n.s.) Eerste generatie HO Eerste generatie (n.s.) (n.s.) , Latere generatie (n.s.) (n.s.) , Sociaal-economische status Ses-laag (n.s.) (n.s.) , Ses-midden (n.s.) (n.s.) , Ses-hoog (n.s.) (n.s.) , Etniciteit Autochtoon (n.s.) (n.s.) (n.s.) Allochtoon (n.s.) 605 (n.s.) 346 (n.s.) 951 Beperking Nee 89, , , Ja 83, , ,7 636 Doubleren po Nee (n.s.) (n.s.) (n.s.) Ja (n.s.) 473 (n.s.) 128 (n.s.) 601 Doubleren vo Nee 89, , , Ja 87, , , Studentenmonitor Gewogen voor steekproefafwijkingen. Verschillen zijn significant p<0,05, tenzij anders aangegeven. 96 Studentenmonitor 2007
97 Tabel 16 toont de studievoortgang naar studiekenmerken. We zien daarin dat studenten zonder studielening een betere studievoortgang laten zien dan studenten met een lening bij de IB-Groep. In het hbo zien we een afwijkend beeld: studenten met een lening in de nominale fase laten hier de hoogste studievoortgang zien. Hbo-studenten die geen plannen hebben om een deel van de studie in het buitenland te gaan volgen, laten een iets hogere studievoortgang zien dan de andere hbo-studenten. Tot slot zijn de diverse studentprofielen met elkaar vergeleken: in het hbo laten Zelfontplooiers de hoogste studievoortgang zien, in het wo de Idealisten. De studieprogressie ligt in beide onderwijssoorten het laagst onder de groep Normatieven (studenten die studeren omdat dat van hen verwacht wordt). Tabel 16: Gemiddelde studievoortgang van voltijdstudenten naar studiekenmerken (hbo, wo en totaal) Hbo Wo Totaal Voortgang N Voortgang N Voortgang N Fase waarin student leent Geen lening 88, , , Lening in nominale fase 91, , , Lening in leenfase 80, , ,1 855 Tijdbesteding werk Niet werkend (n.s.) 721 (n.s.) 616 (n.s.) u. Pw. (n.s.) (n.s.) (n.s.) >10 u. Pw. (n.s.) (n.s.) 783 (n.s.) Buitenlandervaring Nee (n.s.) (n.s.) (n.s.) Ja (n.s.) 549 (n.s.) 465 (n.s.) Buitenlandplannen Nee 89, (n.s.) (n.s.) Ja 87, (n.s.) (n.s.) Studentprofiel Idealisten 90, , , Vakgeïnteresseerden 89, , , Zelfontplooiers 91, , , Normatieven 84, , , Statuszoekers 90, , , Studentenmonitor Gewogen voor steekproefafwijkingen. Verschillen zijn significant p<0,05, tenzij anders aangegeven. 97 Studentenmonitor 2007
98 Determinanten in samenhang Tabel 17 toont het verklaringsmodel voor studievoortgang van hbo-studenten. In het model wordt elk effect voor de invloed van de andere kenmerken gecontroleerd: we meten dus de unieke inbreng van elk afzonderlijk studentkenmerk. In het model zijn alle studentkarakteristieken uit de vorige tabellen ingevoerd. Het kenmerk met de meeste verklaringskracht is door het programma als eerste gekozen. Kenmerken zonder significante inbreng zijn achterwege gelaten. Het kan voorkomen dat de relatie tussen de studentkenmerken in een multivariate analyse zich niet meer voordoet of een tegengestelde samenhang laat zien. Dit heeft te maken met het feit dat de effecten in een bivariate analyse (de tabellen hierboven) worden geneutraliseerd door andere kenmerken. Tabel 17: Verklaringsmodel studievoortgang van hbo-studenten: gestandaardiseerde (ß) en ongestandaardiseerde regressiecoëfficiënten (B) B ß t Constant 16,56 2,26 * Achtergrondkenmerken Geslacht (0=man; 1=vrouw) -3,31-0,05-2,73 * Handicap (0=geen handicap; 1=handicap) -5,36-0,04-2,45 * Mbo (havo=ref.) 4,64 0,06 3,28 ** Vwo (havo=ref.) 6,66 0,08 4,05 ** Opleiding in ho afgerond (0=nee; 1=ja) 9,52 0,06 2,86 ** Voltijd-deeltijd (0=vt; 1=dt) 20,53 0,12 5,77 ** Inzet en motivatie Huidige motivatie 1,62 0,05 2,55 * Procent kans behalen einddiploma 3,11 0,15 7,73 ** Gemiddeld tentamencijfer 4,07 0,08 4,02 ** Fase waarin student leent Nominale fase (0=nee; 1=ja) 8,47 0,09 4,39 ** Studentprofiel Idealisten -2,02-0,06-3,33 ** Studentenmonitor Gewogen voor steekproefafwijkingen. R=0,29; R 2 =0,08; * p<0,05; **p<0,01; N= Samen verklaren de kenmerken 8,2 procent van de verschillen in studievoortgang van hbo-studenten. Net als in 2006 hebben mannelijke hbo-studenten een significant betere studievoortgang dan vrouwelijke hbo-studenten. 98 Studentenmonitor 2007
99 Verschil tussen allochtone en autochtone hbo-studenten is niet geconstateerd. Ook het effect in 2006 dat allochtonen deelstudenten het beter doen dan autochtone deeltijdstudenten, zien we dit jaar niet terug. Er is wel verschil tussen studenten met en zonder handicap: studenten die belemmerd worden door een handicap of beperking hebben een lagere studievoortgang. Ook zien we een verschil naar vooropleiding, zowel mbo ers als vwo ers doen het beter dan havisten. Studenten die eerder een andere studie in het hoger onderwijs afrondden, laten ook een hogere studievoortgang zien. Deeltijders liggen beter op studieschema dan voltijdstudenten. Inzet en motivatie dragen duidelijk bij aan de studievoortgang: naarmate studenten meer gemotiveerd zijn, zichzelf een grotere kans geven het einddiploma te behalen en gemiddeld een hoog tentamencijfer halen, vertaalt zich dat in een hogere studieprogressie. Studenten die geld lenen in de nominale fase laten een hogere studievoortgang zien dan de andere studenten. Naarmate hbo ers zich meer identificeren met het profiel van de Idealisten, neemt de studievoortgang af. In Tabel 18 zijn de resultaten van een zelfde multivariate analyse weergegeven voor wo-studenten. Tabel 18: Verklaringsmodel studievoortgang van wo-studenten: gestandaardiseerde (ß) en ongestandaardiseerde regressiecoëfficiënten (B) B ß t Constant -0,61-0,06 Achtergrondkenmerken Voltijd-deeltijd (0=vt; 1=dt) -23,71-0,07-3,40 ** Opleiding in ho afgerond (0=nee; 1=ja) 8,62 0,10 4,52 ** Inzet en motivatie Inzet 6,67 0,15 6,13 ** Procent kans behalen einddiploma 2,95 0,13 5,85 ** Uren p.w. Studie -0,10-0,05-2,07 * Gemiddeld tentamencijfer 5,83 0,13 5,39 ** Tevredenheid Werkdruk -3,19-0,06-2,61 ** Fase waarin student leent Leenfase (0=nee; 1=ja) -5,95-0,08-3,62 ** Studentprofiel Idealisten 1,48 0,05 2,12 * Vakgeïnteresseerden -2,23-0,07-3,10 ** Studentenmonitor Gewogen voor steekproefafwijkingen. R=0,34; R 2 =0,12; * p<0,05; **p<0,01; N= Studentenmonitor 2007
100 De ingevoerde kenmerken verklaren 11,8 procent van de studievoortgang. Onder de wo-studenten is de studievoortgang van deeltijdstudenten lager dan van voltijdstudenten. Studenten die eerder een opleiding in het hoger onderwijs afrondden, laten een hogere studievoortgang zien. Inzet en motivatie hebben net als bij de hbo-studenten een positief effect op de studievoortgang: hoe meer studenten zich inzetten voor hun studie, hoe hoger ze voor zichzelf de kans inschatten dat ze hun einddiploma halen en hoe hoger het gemiddelde tentamencijfer, des te beter de studievoortgang. Opvallend is de constatering dat multivariaat (in tegenstelling tot bivariaat) het aantal uur dat studenten per week aan hun studie besteden negatief samenhangt met de studievoortgang. Dit heeft te maken met het feit dat multivariaat het effect van tijdbesteding wordt geneutraliseerd of zelfs omgekeerd door de andere ingevoerde factoren. Studenten die buiten de nominale fase geld lenen, tonen een minder goede studievoortgang. In het wo geven studenten met een Idealistenprofiel blijk van een hogere studievoortgang dan anderen en Vakgeïnteresseerden juist van een lagere. 4.4 De waarde van een studiepunt In totaal moet een voltijdstudent die voor één opleiding is ingeschreven jaarlijks 60 studiepunten (ECTS) behalen. In deze paragraaf bekijken we of de inspanningen die studenten moeten verrichten voor het bereiken van hun studieresultaten gemeten aan de hand van ECTS varieert tussen diverse categorieën studenten. Moeten studenten uit bepaalde sectoren harder werken voor een studiepunt dan studenten uit andere sectoren? Oftewel: wat is de waarde van een studiepunt? Voor de analyses in deze paragraaf zijn alleen bachelorstudenten meegenomen. Daarbinnen zijn studenten geselecteerd die niet in hun scriptiefase zitten. Allereerst is berekend hoeveel studiepunten studenten gemiddeld per week hebben behaald. Dit is gedaan door het totaal aantal behaalde studiepunten op het moment van dataverzameling (deze datum is geregistreerd in de database) te delen door het aantal weken in het studiejaar die verstreken waren op dat moment. Dit aantal is gecorrigeerd met een factor 1,24, omdat een studiejaar uit 42 weken bestaat (52/42): in deze tijd moet een student 60 ECTS behalen. Loopt een student op schema, dan behaalt hij of zij per week ongeveer 1,43 ECTS. Dat wil zeggen dat een student 28 uur studie-inspanning moet leveren voor één ECTS (40 uur per week gedeeld door 1,43). Figuur 64 geeft het gemiddeld aantal behaalde studiepunten per week naar sector. Dit is ongeacht de tijd die een student spendeert aan de studie. In het hbo worden gemiddeld (significant) meer studiepunten per week behaald dan in het wo. Koploper in het hbo zijn studenten in de sector Taal & Cultuur (een deel haalt zelfs meer dan het aantal geprogrammeerde studiepunten) en in het wo de sectoren Natuur en Gezondheidszorg. 100 Studentenmonitor 2007
101 1,5 norm 1,4 1,3 1,2 1,1 1,0 0,9 0,8 lb te g z e c g m tc ow T lb na te g z e c re g m tc T T Figuur 64: hbo wo ho Behaald aantal studiepunten per week naar soort hoger onderwijs en sector, 95%-betrouwbaarheidsintervallen Deze gegevens zijn vergeleken met het aantal uren dat een student (gemiddeld per week) aan de studie besteedt. Omdat het feitelijk aantal uren pas berekend kan worden als alle tentamens in een jaar zijn afgerond, is de inspanning van studenten in de verschillende sectoren vergeleken met de gemiddelde tijd die geïnvesteerd moet worden voor het verkrijgen van één studiepunt in de totale steekproef. Hiervoor is het aantal uren per sector gedeeld door het aantal uren van de totale steekproef en als percentage weergegeven. Een score van 10 procent betekent dat men tien procent meer inspanning (in studie-uren) verricht (om één studiepunt te halen) dan de totale groep studenten. Figuur 65 toont de resultaten. In het hbo kost het significant minder inspanning om een studiepunt te halen. In het hbo leveren studenten relatief de minste studie-inspanning in de sector Gedrag & Maatschappij en ligt de studie-inspanning in de sectoren Economie en Onderwijs eveneens onder het gemiddelde. Studenten in de hbo-sectoren Techniek, Gezondheidszorg en met Taal & Cultuur moeten de grootste inspanning leveren voor het behalen van één studiepunt. In het wo is de inspanning die studenten Gedrag & Maatschappij moeten leveren relatief laag. Met name de studenten Landbouw en Techniek en in mindere mate ook Gezondheidszorg, Rechten, Natuur, en Taal & Cultuur moeten meer studieinspanning verrichten om één studiepunt te behalen. 101 Studentenmonitor 2007
102 hbo wo ho T T tc g m re e c g z te na lb T ow tc g m e c g z te 15 lb 0-30% -20% -10% 0% 10% 20% 30% 40% Figuur 65: Percentage studie-inspanning (ten opzichte van de totale steekproef) per sector In Tabel 19 is de hiervoor beschreven studie-inspanning vergeleken met achtergrondkenmerken. Hieruit blijkt dat in het hbo de havisten het hardst moeten werken voor een studiepunt en vwo ers het minst hard. Er is ook verschil tussen studenten eerste generatie hoger onderwijs en studenten wiens ouders ook al in het hoger onderwijs studeerden: de groep eerste generatie hoger onderwijs steekt meer uren in de studie dan de anderen. In het hbo blijkt verder dat studenten met een handicap of beperking meer inspanning per studiepunt moeten leveren, net als studenten die in het voortgezet onderwijs doubleerden. In het wo moeten allochtonen beduidend meer tijd besteden voor het behalen van één studiepunt dan autochtonen. Iets dat ook geldt voor studenten met een handicap of beperking en studenten die een jaar doubleerden in het voortgezet onderwijs. 102 Studentenmonitor 2007
103 Tabel 19: Percentage studie-inspanning (ten opzichte van steekproef) naar achtergrondkenmerken Hbo Wo Totaal Inspanning N Inspanning N Inspanning N Geslacht Man (n.s.) (n.s.) 495 (n.s.) Vrouw (n.s.) (n.s.) 523 (n.s.) Woonsituatie Thuiswonend (n.s.) (n.s.) 306 (n.s.) Uitwonend (n.s.) (n.s.) 711 (n.s.) Vooropleiding Havo 4% % Mbo -7% 700-7% 700 Hbo (n.s.) % 120 Vwo -11% 463 (n.s.) 878 2% Eerste generatie HO Eerste generatie 0% (n.s.) 646 4% Latere generatie -8% (n.s.) 371-4% Sociaal-economische status Ses-laag (n.s.) (n.s.) 288 (n.s.) Ses-midden (n.s.) 596 (n.s.) 267 (n.s.) 864 Ses-hoog (n.s.) 652 (n.s.) 462 (n.s.) Etniciteit Autochtoon (n.s.) % 902 (n.s.) Allochtoon (n.s.) % 115 (n.s.) 380 Beperking Nee -7% % 939-3% Ja 24% % 78 33% 281 Doubleren po Nee (n.s.) (n.s.) 974 (n.s.) Ja (n.s.) 238 (n.s.) 43 (n.s.) 281 Doubleren vo Nee -7% % 836-3% Ja 2% % 181 8% 878 Studentenmonitor Alleen bachelorstudenten. Gewogen voor steekproefafwijkingen. Verschillen zijn significant p<0,05, tenzij anders aangegeven. 103 Studentenmonitor 2007
104 Tabel 20 geeft de in studie-inspanning weer naar studiegerelateerde studentkenmerken. Tabel 20: Percentage studie-inspanning (ten opzichte van de totale steekproef) naar studiekenmerken (hbo, wo en totaal) Hbo Wo Totaal Inspanning N Inspanning N Inspanning N Recht op studiefinanciering Niet sf-gerechtigd -32% 535 (n.s.) 94-25% 630 Sf-gerechtigd 4% (n.s.) 923 5% Fase waarin student leent Geen lening -10% (n.s.) 714-5% Lening in nominale fase 8% 409 (n.s.) % 658 Lening in leenfase 58% 88 (n.s.) 54 37% 142 Tijdbesteding werk Niet werkend 10% % % u. Pw. 0% 796 3% 429 1% >10 u. Pw. -11% % 325-8% Buitenlandervaring Nee 5% (n.s.) 910 6% Ja -13% 219 (n.s.) 63-8% 282 Buitenlandplannen Nee (n.s.) 883 (n.s.) 328 (n.s.) Ja (n.s.) (n.s.) 645 (n.s.) Studentprofiel Idealisten -7% 370 (n.s.) 171 (n.s.) 541 Vakgeïnteresseerden 3% 400 (n.s.) 147 (n.s.) 547 Zelfontplooiers -17% 326 (n.s.) 213 (n.s.) 539 Normatieven -1% 661 (n.s.) 219 (n.s.) 880 Statuszoekers -5% 623 (n.s.) 266 (n.s.) 889 Studentenmonitor Gewogen voor steekproefafwijkingen. Verschillen zijn significant p<0,05, tenzij anders aangegeven. In het hbo hangt studie-inspanning samen met leengedrag van studenten: studenten met recht op een lening, studenten die lenen (versterkt nog wanneer ze in de leenfase lenen) werken harder voor een studiepunt. Hbo-studenten die naast hun studie werken, hoeven minder tijd per studiepunt in hun studie te steken, net als studenten met buitenlandervaring. Voor de hbo-studenten is er ook verschil naar studentprofiel: Zelfontplooiers behalen met de minste studie-inspanning hun 104 Studentenmonitor 2007
105 studiepunten, waar Vakgeïnteresseerden meer dan gemiddeld moeite moeten doen. In het wo zien we alleen verschil naar tijdbesteding aan werk: naarmate studenten meer naast de studie werken, behalen ze met minder studie-inspanning hun punten. 4.5 Tijdbesteding In deze paragraaf richten we onze blik verder op de tijdbesteding van studenten. We beginnen met de trends in tijdbesteding aan studie en aan een betaalde bijbaan. In de analyses van de tijdbesteding aan werk zijn alle studenten meegenomen, waarbij studenten die geen betaalde bijbaan hebben de waarde 0 hebben gekregen. In de tweede helft van de paragraaf bekijken we of de tijdbesteding aan werk en studie verschilt tussen groepen studenten. Trends in tijdbesteding aan studie Figuur 66 toont de trends in tijdbesteding aan de studie: het aantal uren dat voltijdstudenten gemiddeld per week aan hun studie besteden. In het hbo ligt dat telkens iets hoger dan in het wo. In het hbo nam de tijdbesteding dit jaar heel licht af (in ,5 uur, dit jaar 35,1), in het wo zien we al sinds een aantal jaren de trend doorzetten van een toename (in 2006 gemiddeld 32,0 uur, dit jaar 32,9 uur) hbo wo ho Figuur 66: Tijdbesteding aan studie van voltijdstudenten naar soort hoger onderwijs en totaal hoger onderwijs, 2003 t/m 2007, 95%- betrouwbaarheidsintervallen 105 Studentenmonitor 2007
106 Figuur 67 geeft voor de hbo-studenten de trends per sector weer. Net als in 2006 ligt de tijdbesteding aan de studie het hoogst in de sector Taal & Cultuur (gemiddeld 42,2 uur) en het laagst in de sector Economie (gemiddeld 32,2 uur). De toename in tijdbesteding die in 2006 werd geconstateerd in de sector Gedrag & Maatschappij is iets geneutraliseerd, al blijft de huidige tijdbesteding ver boven het niveau van twee en drie jaar geleden lb te g z e c g m tc ow Figuur 67: hbo Tijdbesteding aan studie van voltijdstudenten in het hbo, 2003 t/m 2007, 95%-betrouwbaarheidsintervallen Figuur 68 laat de trends per sector voor de wo-studenten zien. De verschillen tussen sectoren zijn in het wo extremer dan in het hbo. Het duidelijke onderscheid tussen bètawetenschappen (Landbouw, Natuur, Techniek en Gezondheid) en alfa/gammawetenschappen (Economie, Recht, Gedrag & Maatschappij en Taal & Cultuur) blijft. Ten opzichte van 2006 is in de meeste sectoren een stijging zichtbaar, het sterkst in de sector Taal & Cultuur en in de sector Natuur. De sector Economie bleef het meest stabiel. 106 Studentenmonitor 2007
107 lb na te g z ec re g m tc Figuur 68: wo Tijdbesteding aan studie van voltijdstudenten in het wo, 2003 t/m 2007, 95%-betrouwbaarheids-intervallen Trends in tijdbesteding aan betaalde arbeid Figuur 69 toont de trends in tijdbesteding van voltijdstudenten aan betaalde arbeid hbo wo ho Figuur 69: Tijdbesteding aan betaalde arbeid van voltijdstudenten, hoger onderwijs totaal, 2003 t/m 2007, 95%- betrouwbaarheidsintervallen 107 Studentenmonitor 2007
108 We zien in zowel het hbo als in het wo een voorzetting van de stijgende lijn van de afgelopen twee jaren. Studenten besteden steeds meer tijd aan betaalde arbeid. In het hbo blijft de tijdbesteding aan werk hoger dan in het wo. Gemiddeld besteden hbo-studenten 10,4 uur aan een betaalde baan en wo-studenten 9,9 uur. Figuur 70 toont de tijdbesteding aan betaald werk in de hbo-sectoren. Die variatie is aanzienlijk: hbo-studenten in de sector Taal & Cultuur werken gemiddeld 7,9 uur per week, studenten Economie 11,8 uur. De gemiddelde tijd dat studenten per week betaald werk verrichten nam in de meeste hbo-sectoren toe, het sterkst in de sector Landbouw: studenten in die sector gingen ten opzichte van 2006 ruim 1,5 uur meer werken. In de sectoren Taal & Cultuur en Onderwijs gingen studenten minder werken, gemiddeld respectievelijk een kwartier en 1,2 uur minder dan in lb te g z e c g m tc ow Figuur 70: hbo Tijdbesteding aan betaalde arbeid van voltijdstudenten in het hbo, 2003 t/m 2007, 95%-betrouwbaarheidsintervallen De tweedeling tussen bètastudies enerzijds en alfa/gammawetenschappen anderzijds werd ook geconstateerd bij de tijdbesteding aan de studie. Dit zien we in Figuur 71 gespiegeld terug bij de tijdbesteding aan betaald werk. Bètastudenten werken beduidend minder naast hun studie. In het wo werken de studenten Landbouw het minst aantal uren: gemiddeld 4,3 uur. Studenten in de sector Economie verrichten het meest betaalde arbeid: gemiddeld 11,0 uur. In de meeste sectoren zien we ten opzichte van 2006 een lichte stijging van het aantal uren werk (het sterkst in de sector Economie van 10,5 naar 11,0 uur). Alleen in de sectoren Landbouw en Natuur nam de tijdbesteding aan werk af. 108 Studentenmonitor 2007
109 lb na te g z e c re g m tc Figuur 71: wo Tijdbesteding aan betaalde arbeid van voltijdstudenten in het wo, 2003 t/m 2007, 95%-betrouwbaarheidsintervallen Tijdbesteding aan studie: verschillen tussen studenten In het tweede deel van deze paragraaf bekijken we welke karakteristieken van studenten het meest bepalend zijn voor de tijd die studenten aan studie en betaald werk besteden. Tabel 21 toont het multivariate verklaringsmodel voor verschillen in tijd besteed aan studie voor voltijd hbo-studenten. We zien daarin dat vrouwen meer tijd aan hun studie besteden dan mannen, autochtonen meer dan allochtonen, studenten met een beperking meer dan studenten zonder beperking en uitwonende hbo-studenten meer dan thuiswonende hbo ers. Wat betreft inzet en motivatie zien we dat de tijdbesteding aan de studie toeneemt naarmate studenten een hogere inzet tonen, zichzelf meer kans geven op het behalen van het einddiploma en naarmate ze minder tijd besteden aan een betaalde baan. Studenttevredenheid is eveneens van invloed: naarmate studenten meer werkdruk ervaren, maken ze meer uren voor hun studie en naarmate ze hun docenten toegankelijk zijn, besteden ze eveneens meer tijd aan hun studie. Studenten in de leenfase besteden gemiddeld meer tijd aan hun studie dan anderen. Ten slotte is er nog een verschil naar studentprofiel: Vakgeïnteresseerden stoppen meer tijd in hun studie dan de overige studenten, Statuszoekers juist minder. 109 Studentenmonitor 2007
110 Tabel 21: Verklaringsmodel tijdbesteding in uren aan studie van voltijd hbo-studenten: gestandaardiseerde (B) en ongestandaardiseerde regressiecoëfficiënten B ß t Constant 2,78 0,93 Achtergrondkenmerken Geslacht (0=man; 1=vrouw) 1,76 0,06 3,31 ** Allochtoon (0=nee; 1=ja) -2,72-0,05-2,91 ** Beperking (0=nee; 1=ja) 3,32 0,06 3,60 ** Woonsituatie (0=thuis;1=uit) 1,17 0,04 2,17 * Inzet en motivatie Inzet 4,14 0,19 9,77 ** Kans behalen einddiploma 0,94 0,10 5,31 ** Tijdbesteding betaald werk -0,16-0,08-4,82 ** Tevredenheid Werkdruk 2,26 0,09 4,80 ** Toegankelijkheid docenten 1,04 0,05 2,79 ** Financiën Leenfase (0=nee; 1=ja) 3,79 0,07 4,30 ** Studentprofiel Statuszoekers -0,66-0,04-2,36 * Vakgeïnteresseerden 0,76 0,05 2,74 ** Studentenmonitor Gewogen voor steekproefafwijkingen. R 2 =0,10; alle effecten zijn significant; * p<0,05; **p<0,01; N= Tabel 22 geeft een zelfde overzicht voor de voltijd wo-studenten. Verschil tussen mannen en vrouwen is er in het wo niet. Wel is er verschil naar woonsituatie: uitwonende studenten besteden meer tijd aan hun studie dan thuiswonende. Ook neemt de tijd voor de studie toe naarmate studenten een hoger gemiddeld eindexamencijfer haalden. De effecten van inzet en motivatie lijken op die voor de hbo-studenten: naarmate studenten meer inzet tonen en zichzelf een hogere kans geven met succes de studie af te ronden neemt de tijdbesteding aan de studie toe, terwijl de tijd besteed aan werk juist ten koste gaat van de tijd voor de studie. Naarmate studenten meer werkdruk ervaren neemt de tijd voor studie toe, net als wanneer ze tevreden zijn over de toegankelijkheid van docenten. Studenten in de leenfase besteden meer tijd aan hun studie dan de overige studenten. En tot slot steken in het wo de Vakgeïnteresseerde studenten beduidend meer tijd in hun studie dan de anderen. 110 Studentenmonitor 2007
111 Tabel 22: Verklaringsmodel tijdbesteding in uren aan studie van voltijd wo-studenten: gestandaardiseerde (B) en ongestandaardiseerde regressiecoëfficiënten B ß t Constant -29,08-6,10 ** Achtergrondkenmerken Woonsituatie (0=thuis; 1=uit) 2,08 0,06 3,44 ** Eindexamencijfer vo 1,55 0,06 3,27 ** Inzet en motivatie Inzet 5,65 0,29 13,69 ** Kans behalen einddiploma 0,74 0,07 3,59 ** Tijdbesteding betaald werk -0,25-0,13-6,65 ** Tevredenheid Toegankelijkheid docenten 3,08 0,14 6,94 ** Werkdruk 5,49 0,23 11,09 ** Financiën Leenfase (0=nee; 1=ja) 5,74 0,18 9,53 ** Studentprofiel Vakgeïnteresseerden 1,18 0,08 4,03 ** Studentenmonitor Gewogen voor steekproefafwijkingen; R 2 =0,21; alle effecten zijn significant; * p<0,05; **p<0,01; N= Tijdbesteding aan betaalde arbeid: verschillen tussen studenten Tabel 23 toont het verklaringsmodel van de verschillen in tijdbesteding aan werk voor de hbo-studenten. Beginnend bij verschillen in achtergrondkenmerken constateren we dat uitwonende hbo-studenten minder tijd besteden aan werk, net als studenten met een vwo-vooropleiding. Ook neemt de tijd voor een betaalde baan af met het toenemen van het gemiddelde eindexamencijfer dat de hbo-studenten in het voortgezet onderwijs behaalden. Wat betreft inzet en motivatie zien we dat studenten die minder gemotiveerd zijn meer tijd steken in een betaalde baan en hbo-studenten die zich sterk inzetten voor hun studie minder betaald werk verrichten. De tijdbesteding aan een betaalde baan neemt toe naarmate studenten zichzelf een hogere kans geven het einddiploma te behalen. Zoals we eerder al zagen is er een negatief verband tussen de tijdbesteding aan studie en aan werk: naarmate studenten meer studeren, werken zij minder. Hbo-studenten besteden meer tijd aan werk naarmate ze minder werkdruk ervaren en naarmate ze minder tevreden zijn over de toegankelijkheid van docenten. Hbo-studenten in de leenfase werken meer dan anderen. Statuszoekers werken meer dan overige studenten. 111 Studentenmonitor 2007
112 Tabel 23: Verklaringsmodel tijdbesteding in uren aan werk van voltijd hbo-studenten: gestandaardiseerde (B) en ongestandaardiseerde regressiecoëfficiënten B ß t Constant 23,97 9,81 ** Achtergrondkenmerken Woonsituatie (0=thuis; 1=uit) -0,55-0,03-1,98 * Eindexamencijfer vo -0,71-0,04-2,28 * Vooropleiding: vwo -1,44-0,07-3,79 ** Inzet en motivatie Huidige motivatie -0,38-0,05-2,31 * Inzet -1,25-0,11-5,38 ** Kans behalen einddiploma 0,43 0,09 4,51 ** Tijdbesteding studie -0,05-0,09-4,96 ** Tevredenheid Toegankelijkheid docenten -0,65-0,06-3,20 ** Werkdruk -1,49-0,11-5,94 ** Financiën Leenfase (0=nee; 1=ja) 1,81 0,07 3,88 ** Studentprofiel Statuszoekers 0,77 0,09 5,26 ** Studentenmonitor Gewogen voor steekproefafwijkingen. R 2 =0,07; alle effecten zijn significant; * p<0,05; **p<0,01; N= Tabel 24 laat de verschillen zien in tijdbesteding aan werk van voltijd-wo-studenten. Samen verklaren de kenmerken 11 procent van de verschillen tussen studenten. Wat betreft achtergrondkenmerken van studenten zien we dat studenten minder tijd aan een bepaalde baan besteden naarmate ze een hoger gemiddeld eindexamencijfer in het voortgezet onderwijs behaalden. Studenten die doorstroomden vanuit het hbo besteden meer tijd per week aan werk dan andere studenten. De tijdbesteding aan een betaalde baan hangt negatief samen met de inzet bij en tijdbesteding aan de studie. Naarmate wo-studenten negatiever oordelen over de toegankelijkheid van docenten en een hogere werkdruk ervaren, verrichten ze meer uur per week betaald werk. Studenten in de leenfase van de studie besteden overwegend meer tijd aan werk, echter, wanneer studenten een lening hebben afgesloten, werken ze gemiddeld minder. Tot slot zien we dat studenten die passen in het profiel van de Idealisten minder dan anderen werken en Normatieven en Zelfontplooiers juist meer. 112 Studentenmonitor 2007
113 Tabel 24: Verklaringsmodel tijdbesteding in uren aan werk van voltijd wo-studenten: gestandaardiseerde (B) en ongestandaardiseerde regressiecoëfficiënten B ß t Constant 29,65 13,27 ** Achtergrondkenmerken Eindexamencijfer vo -1,75-0,14-6,74 ** Hbo-vooropleiding 1,35 0,06 2,93 ** Inzet en motivatie Inzet -0,52-0,05-2,15 * Tijdbesteding studie -0,07-0,14-6,43 ** Tevredenheid Toegankelijkheid docenten -0,93-0,08-3,80 ** Werkdruk -0,81-0,06-2,93 ** Financiën Leenfase (0=nee; 1=ja) 2,06 0,13 5,57 ** Lening (0=nee; 1=ja) -1,35-0,09-4,10 ** Studentprofiel Normatieven 0,55 0,07 3,12 ** Zelfontplooiers 0,62 0,08 3,80 ** Idealisten -0,32-0,04-1,98 * Studentenmonitor Gewogen voor steekproefafwijkingen. R 2 =0,11; alle effecten zijn significant; * p<0,05; **p<0,01; N= Profiel van de lenende student In deze paragraaf staan we kort stil bij het leengedrag van studenten en de effecten van de gekozen financiële strategieën op zowel de studievoortgang als de tijd besteed aan de studie. In totaal heeft 42 procent van de voltijdstudenten in het hbo die recht hebben op een lening ook daadwerkelijk een lening bij de IB-Groep op het moment van bevraging. In het wo geldt heeft de helft van de voltijdstudenten met recht op een lening daadwerkelijk en studielening (niet in tabel). Tabel 25 geeft een profielvergelijking van lenende studenten versus niet-lenende studenten. Met behulp van logistische regressie kunnen we zien welke kenmerken de ene groep van de andere onderscheiden. Hiermee geven we antwoord op de vraag: Zijn er groepen studenten die relatief vaker een lening bij de IB-Groep afsluiten dan anderen? 113 Studentenmonitor 2007
114 Uiteraard zien we dat de kans op het hebben van een lening groter is wanneer studenten in de leenfase van hun studie zijn. Ouderejaars studenten lenen vaker dan eerstejaars; studenten zonder een handicap of beperking vaker dan studenten met een handicap. Studenten die een lening afgesloten hebben zijn doorgaans ouder en wonen vaker op zichzelf. Ze schatten (mogelijk dankzij de lening) hun financiële positie positiever in. In hun studie tonen lenende studenten doorgaans minder inzet maar zijn wel meer gemotiveerd en ervaren minder werkdruk. Hun studentprofiel lijkt vaker op dat van Zelfontplooiers en minder vaak op dat van Idealisten. Tabel 25: Het profiel van de lenende student (alleen voltijdstudenten) Indicator Exp(B) Dominant profiel: lenen (versus niet-lenen) Leenfase (1=nominale fase) 0,35 ** Vaker in leenfase Tijd in studie (0=eerstejaars; 1=ouderejaars) 0,77 ** Vaker ouderejaars Handicap (0=nee; 1=ja) 0,76 * Minder vaak handicap Leeftijd 1,17 ** Ouder Woonsituatie (0=thuis; 1=uit) 3,48 * Vaker uitwonend Tijdbesteding studie 0,99 * Minder tijd aan studie Financiële situatie 1,41 ** Inschatting financiële situatie positiever Inzet 0,70 ** Minder inzet Huidige motivatie 1,20 ** Meer gemotiveerd Werkdruk 0,88 * Minder ervaren werkdruk Idealisten 0,89 ** Minder vaak Idealisten Zelfontplooiers 1,15 ** Vaker Zelfontplooiers Constant 0,01 ** Studentenmonitor Gewogen voor steekproefafwijkingen. R 2 =0,22; alle effecten zijn significant; * p<0,05; **p<0,01; N= In de vragenlijst is studenten ook gevraagd of ze bij het plannen van hun studie rekening houden met hun financiële situatie. Studenten konden de volgende antwoorden aankruisen: ik probeer mijn opleiding zo snel mogelijk af te ronden; ik probeer geld bij te verdienen met een bijbaan, ook al doe ik dan langer over mijn opleiding; ik ga geld lenen; ik heb geen duidelijke strategie; nee, ik houd geen rekening met mijn financiële situatie. 114 Studentenmonitor 2007
115 Tabel 26 geeft het effect weer van de verschillende financiële strategieën op de studievoortgang en de tijdbesteding aan studie. De strategie om de studie zo snel mogelijk af te ronden vertaalt zich ook daadwerkelijk in een betere studievoortgang. Ook leidt het daarnaast ook tot het besteden van meer tijd aan de studie. Het hebben van een bijbaan leidt in het wo tot een verminderde studievoortgang en ook een lagere tijdsinspanning ten behoeve van de studie. In het hbo zien we het negatieve effect van de bijbaan eveneens terug in een lagere studievoortgang. Het afsluiten van een lening als financiële strategie hangt voor hbo-studenten samen met een lagere studievoortgang. Studenten in het wo voor wie een lening als financiële strategie geldt, besteden juist meer tijd aan hun studie. Het niet hebben van een duidelijke strategie levert voor studenten uit zowel wo als hbo tot meer studie-uren per week. Studenten die helemaal geen rekening houden met financiën besteden in het hbo meer tijd aan hun studie en voor de wostudenten is de studievoortgang van deze groep significant hoger. Tabel 26: Financiële strategieën, studievoortgang en tijdbesteding aan studie. Hbo Wo Studietijd Studievoortgang Studietijd Studievoortgang Snel afstuderen Nee 34,1 87,3 31,6 75,2 Ja 37,2 91,9 34,9 84,2 Bijbaan Nee (n.s.) 90,1 33,9 80,1 Ja (n.s.) 85,4 31,2 75,3 Lening Nee (n.s.) 89,0 32,8 (n.s.) Ja (n.s.) 85,7 34,5 (n.s.) Duidelijke strategie Nee 35,9 (n.s.) 33,5 (n.s.) Ja 33,8 (n.s.) 30,9 (n.s.) Rekening met financiën Nee 35,7 (n.s.) (n.s.) 78,0 Ja 32,6 (n.s.) (n.s.) 81,7 Studentenmonitor Gewogen voor steekproefafwijkingen. Verschillen zijn significant p<0,05, tenzij anders aangegeven. 115 Studentenmonitor 2007
116 4.7 Samenvatting In dit hoofdstuk is nagegaan welke studentkenmerken van invloed zijn op de studievoortgang en de tijdbesteding aan studie en betaalde arbeid. Daarbij stelden we de volgende vragen: (1) Hoe ontwikkelt de studievoortgang zich over de jaren? (2) Zijn de verschillen die er in studievoortgang zijn, te verklaren uit achtergrondkenmerken? (3) Wat is de waarde van een studiepunt? Moeten studenten uit bepaalde sectoren er harder voor werken dan studenten uit andere sectoren? (4) Hoeveel tijd besteden studenten aan hun studie en aan werk? Hoe ontwikkelt dit zich door de tijd? (5) Zijn de verschillen in tijdbesteding te verklaren uit achtergrondkenmerken? (6) Welke verschillen zien we tussen lenende studenten en niet-lenende studenten? In deze samenvatting zullen we de antwoorden die we vonden nogmaals kort samenvatten. Studievoortgang De studievoortgang in zowel het hbo als het wo is ten opzichte van 2006 voor het eerst heel licht gedaald. In het hbo van 89,3 naar 88,7 procent en in het wo van 81,4 naar 79,6 procent. In het hbo is de studievoortgang (net als in 2006) het hoogst in de sector Techniek en het laagst in de sector Onderwijs. In het wo is de studievoortgang juist het laagst in de sector Techniek en het hoogst in de sectoren Gezondheidszorg en Landbouw. In het hbo hebben mannen een iets hogere studievoortgang dan vrouwen, in het wo zien we dit jaar voor het eerst juist geen verschil naar geslacht. Studenten met een handicap hebben in het hbo een lagere studievoortgang dan nietgehandicapte studenten, mbo ers en vwo ers doen het in het hbo beter dan havisten evenals studenten die eerder een andere studie in het hoger onderwijs afrondden. Naarmate studenten meer gemotiveerd zijn, zichzelf een grotere kans geven het einddiploma te behalen en gemiddeld een hoog tentamencijfer halen, neemt de studievoortgang toe. Studenten in de nominale fase hebben een hogere studievoortgang dan die in de leenfase. Naarmate hbo ers zich meer identificeren met het profiel van de Idealisten neemt de studievoortgang af. In het wo kennen Idealisten juist een hogere studievoortgang. De waarde van een studiepunt In dit hoofdstuk is dit jaar een analyse opgenomen van de verschillen in studie-inspanning die studenten per studiepunt moeten leveren. In het hbo hoeven studenten in de sector Gedrag & Maatschappij relatief de minste studie-inspanning te leveren en ligt de studie-inspanning in de sectoren Economie en Onderwijs eveneens onder het gemiddelde. Studenten in de hbo-sectoren Techniek, Gezondheidszorg en met name Taal & Cultuur moeten de meeste inspanning voor een studiepunt leveren. In het wo is de inspanning die studenten Gedrag & Maatschappij moeten leveren relatief laag. Met name de studenten Landbouw en Techniek en in mindere mate ook Gezondheidszorg, Rechten, Natuur, en Taal & Cultuur moeten meer studie-inspanning verrichten om een studiepunt te behalen. 116 Studentenmonitor 2007
117 Tijdbesteding aan studie In het hbo nam de tijdbesteding dit jaar heel licht af (in ,5 uur, dit jaar 35,1), in het wo zien we al sinds een aantal jaar een toename (in 2006 gemiddeld 32,0 uur, dit jaar 32,9 uur). Net als in 2006 ligt de tijdbesteding aan studie in het hbo het hoogst in de sector Taal & Cultuur (gemiddeld 42,2 uur) en het laagst in de sector Economie (gemiddeld 32,2 uur). In het wo zien we net als elk jaar een duidelijke onderscheid tussen bètawetenschappen (Landbouw, Natuur, Techniek en Gezondheid) met een hoge tijdbesteding aan studie en alfa/gammawetenschappen (Economie, Recht, Gedrag & Maatschappij en Taal & Cultuur) met een relatief lage tijdbesteding aan studie. In het hbo besteden vrouwen meer tijd aan hun studie dan mannen, autochtonen meer dan allochtonen, studenten met een beperking meer dan studenten zonder beperking. In zowel hbo als wo besteden uitwonende studenten meer tijd aan hun studie dan thuiswonende. Naarmate studenten meer inzet tonen en zichzelf een hogere kans geven met succes de studie af te ronden neemt de tijdbesteding aan de studie toe. Naarmate studenten meer werkdruk ervaren neemt de tijdbesteding aan studie toe, net als wanneer ze tevreden zijn over de toegankelijkheid van docenten. Studenten in de leenfase besteden gemiddeld meer tijd aan hun studie dan anderen. En tot slot steken de Vakgeïnteresseerde studenten beduidend meer tijd in hun studie dan de anderen. Tijdbesteding aan de studie hangt sterk samen met tijdbesteding aan werk: naarmate studenten meer tijd in hun studie steken, besteden ze minder tijd aan een bepaalde bijbaan. Tijdbesteding aan betaalde arbeid We zien in zowel het hbo als in het wo een voorzetting van de stijgende lijn van de afgelopen twee jaren. Studenten besteden steeds meer tijd aan betaalde arbeid. In het hbo blijft de tijdbesteding aan werk hoger dan in het wo. Gemiddeld besteden hbo-studenten 10,4 uur aan een betaalde baan en wo-studenten 9,9 uur. Hbo-studenten in de sector Taal & Cultuur werken gemiddeld het minst: 7,9 uur per week, studenten Economie het meest: 11,8 uur. In het wo werken de studenten Landbouw het minst aantal uren: gemiddeld 4,3 uur. Studenten in de sector Economie verrichten het meest betaalde arbeid: gemiddeld 11,0 uur. De tweedeling tussen bètastudies enerzijds en alfa/gammawetenschappen anderzijds zien we ook bij de tijdbesteding aan werk: bètastudenten werken beduidend minder naast hun studie. In het hbo besteden uitwonende studenten minder tijd aan werk dan thuiswonende, in het wo zien we dat verschil niet. Ook neemt de tijd voor een betaalde baan af met het toenemen van het gemiddelde eindexamencijfer dat de hbo- en wostudenten in het voortgezet onderwijs behaalden. Hbo-studenten met een vwo-vooropleiding besteden minder tijd aan werk dan hbo-studenten met een andere vooropleiding, in het wo zien we dat hbo-doorstromers juist meer tijd aan werk besteden. De tijdbesteding aan een betaalde baan hangt negatief samen met de inzet bij en tijdbesteding aan de studie. Studenten besteden meer tijd aan werk naarmate ze minder werkdruk ervaren en naarmate ze minder tevreden zijn over de toegankelijkheid van docenten. Studenten in de leenfase werken meer dan anderen, echter, wanneer wo-studenten een lening hebben afgesloten, werken ze gemiddeld minder. Statuszoekers in het hbo werken meer dan overige hbo-studenten. Wo-studenten die passen in het profiel van de Idealisten werken minder dan anderen en Normatieven en Zelfontplooiers juist meer. 117 Studentenmonitor 2007
118 Profiel van de lenende student Van de voltijdstudenten met recht op een lening heeft 42 procent van de hbo-studenten en 50 procent van de wostudenten daadwerkelijk een lening bij de IB-Groep afgesloten. De kans op het hebben van een lening is groter wanneer studenten in de leenfase van hun studie zijn. Ouderejaars studenten lenen vaker dan eerstejaars. Studenten zonder een handicap of beperking vaker dan studenten met een handicap. Studenten die een lening afgesloten hebben zijn doorgaans ouder en wonen vaker op zichzelf. Ze schatten (mogelijk dankzij de lening) hun financiële positie positiever in. De inzet van lenende studenten is doorgaans iets lager, maar ze zijn wel meer gemotiveerd en ook ervaren ze minder werkdruk. Zelfontplooiers hebben relatief vaak een lening afgesloten, Idealisten juist minder vaak. 118 Studentenmonitor 2007
119 5 Herkomst, afkomst en studiesucces 5.1 Inleiding Studiesucces wordt bepaald door een samenspel van uiteenlopende factoren. In dit hoofdstuk worden aspecten belicht die verankerd zijn in de thuissituatie van studenten, namelijk afkomst en herkomst. Met afkomst doelen we op de sociaaleconomische achtergrond van studenten. Met herkomst bedoelen we het land van herkomst. We zijn in het bijzonder geïnteresseerd in de relatie tussen de afkomst van studenten (uitgedrukt in het opleidingsniveau en het beroepsniveau van ouders) en het studiesucces en de verschillen tussen de verschillende herkomstgroepen, in samenspel met andere achtergrondkenmerken van de student. In dit hoofdstuk geven we antwoord op de volgende vragen: (1) Hoe verhouden het ouderlijk opleidingsniveau en het beroepsniveau (afkomst) en de (etnische) herkomst zich tot elkaar? (2) Zijn deze verhoudingen verschillend voor het hbo en wo? (3) Wat is de unieke bijdrage van de afkomst in studiesucces en is deze rol hetzelfde voor studenten van verschillende herkomst? (4) Is deze unieke bijdrage van opleidingsniveau van ouders voor groepen van verschillende herkomst op het hbo hetzelfde als op het wo? Allereerst worden in paragraaf 5.2 de gebruikte begrippen en definities toegelicht. Vervolgens schetsen we in paragraaf 5.3 een beeld van de overlap tussen het ouderlijk opleidingsniveau, het ouderlijk beroepsniveau en de herkomst van studenten in het hbo en wo. In paragraaf 5.4 gaan we in op de relatie met studiesucces. We sluiten af met de belangrijkste conclusies. 5.2 Begripsdefinitie en werkwijze In dit hoofdstuk is gekeken of er een compositionele overlap bestaat tussen het ouderlijk opleidingsniveau, het beroepsniveau en de herkomst van studenten, en naar de samenhang hiervan met studiesucces. In deze paragraaf beschrijven we de gehanteerde begrippen en lichten we de werkwijze toe. Herkomst Voor deze analyses is een gepoold bestand gebruikt van de Studentenmonitor Hoger Onderwijs. In totaal zijn de gegevens van studenten geanalyseerd (van de records hadden studenten op één van de kenmerken een ontbrekende score). Drie opeenvolgende jaren ( ) zijn samengevoegd om te komen tot voldoende respondenten binnen de herkomstgroepen. 119 Studentenmonitor 2007
120 Deze groepen zijn herwogen naar de proporties in de populatie op basis van het soort hoger onderwijs (hbo en wo), studiejaar (eerstejaars versus ouderejaars), de CROHO-sectoren en de herkomst. De herkomst is ontleend aan een samenvoeging van de categorieën uit het EénCijferHogerOnderwijs. Aldus is de steekproef opgesplitst in vier groepen met verschillende herkomst; de groep afkomstig uit Irak, Iran, Afghanistan, Vietnam, de Filippijnen en China (hier genoemd Niet-westers allochtoon Azië ), de studenten afkomstig uit overige niet-westerse landen ( Niet-westers allochtoon overig ), studenten afkomstig uit westerse landen ( Westers allochtoon ) en studenten afkomstig uit Nederland ( Autochtoon ). In Tabel 27 is deze indeling en samenvoeging weergegeven. Tabel 27: Indeling van groepen allochtonen Code Omschrijving Samenvoeging voor weging Steekproefaantal 11 Autochtoon Autochtoon Niet-westers Azië 38 Niet-westers China 31 Niet-westers Afrika 32 Niet-westers Amerika 33 Niet-westers Antillen 35 Niet-westers Marokko 36 Niet-westers Suriname 37 Niet-westers Turkije 39 Niet-westers Aruba 21 Westers Amerika 22 Westers Australië/Nieuw-Zeeland 23 Westers Azië 24 Westers Europa 25 Westers Oceanië Niet-westers allochtoon Azië 722 Niet-westers allochtoon overig Westers allochtoon overig Onbekend Buiten analyses 21 OCW Studentenmonitor Bron: Cfi, 1CijferHO. Afkomst Afkomst wordt in dit hoofdstuk geoperationaliseerd als twee factoren waarvan de functie onafhankelijk van elkaar onderzocht is, namelijk het opleidingsniveau van de ouders en het beroepsniveau van de ouders. Vanwege de onvergelijkbaarheid van inkomens tussen de onderzochte landen is het gezinsinkomen als factor buiten beschouwing gelaten. Tabel 28 toont de indeling van de studenten in twee beroepsgroepen. De indeling die in de Studentenmonitor wordt gehanteerd is ingedikt in twee groepen: hoge/intellectuele beroepen versus overige beroepen. 120 Studentenmonitor 2007
121 Tabel 28: Indeling beroepsniveau in hoog versus overig Omschrijving Samenvoeging Steekproefaantal Ongeschoold laag beroep Ongeschoolde en geoefende handarbeid Semi-geschoolde handarbeid Geschoolde en leidinggevende handarbeid Overige hoofdarbeid Middelbaar leidinggevend of commercieel beroep Middelbaar intellectueel of vrij beroep Hoger leidinggevend beroep Hoger intellectueel of vrij beroep Beroep overig Beroep hoog Onbekend Buiten analyses OCW Studentenmonitor Ten tweede is er een indeling gemaakt naar eerste generatie hoger onderwijs (studenten met ouders die geen opleiding in het hoger onderwijs voltooid hebben) en niet-eerste generatie hoger onderwijs (studenten waarvan ten minste één van de ouders een opleiding in het hoger onderwijs heeft afgerond). Tabel 29 toont deze indeling. Tabel 29: Indeling eerste generatie ho versus niet-eerste generatie ho Omschrijving Samenvoeging Steekproefaantal Minder dan zes jaar lager onderwijs Lager onderwijs (voltooid) Lager beroepsonderwijs (lbo) Een opleiding uit het leerlingwezen Mavo of mulo of ulo Drie jaar hbs, gymnasium of atheneum Middelbaar beroepsonderwijs (mbo) Havo of mms Hbs, gymnasium of atheneum - met diploma Hbo of universiteit - zonder diploma Hbo hoger beroepsonderwijs (hbo) - met diploma Universiteit doctoraaldiploma Gepromoveerd Eerste generatie hoger onderwijs Niet-eerste generatie hoger onderwijs Onbekend Buiten analyses 496 OCW Studentenmonitor Studentenmonitor 2007
122 Studiesucces Studiesucces is de factorscore samengesteld uit de volgende zes indicatoren (de factor heeft een gemiddelde van 0 en heeft waarden tussen de -3 en 4). Motivatie: studenten hebben op een 5-puntsschaal aangegeven hoe gemotiveerd zij zijn. Studievoortgang: het percentage van de geprogrammeerde studieonderdelen dat succesvol is voltooid (in ECTS) gedeeld door het percentage van de studietijd dat is verbruikt. Studenten die op schema lopen, hebben een studievoortgang van 100 procent. Tentamencijfer: het gemiddeld behaalde tentamencijfer. Slaagkans: de kans die studenten zelf denken te hebben op het behalen van een einddiploma (uitgedrukt in een percentage tussen 0-100). Inzet: gemiddelde score van elf stellingen (5-puntsschaal), zoals bijvoorbeeld: Ik zou eigenlijk meer tijd moeten besteden aan mijn studie. Tijdbesteding aan studie: gemiddeld aantal uren per week dat besteed wordt aan studie. In Tabel 30 zijn de factorladingen en verklaarde variantie weergegeven voor de factorscore studiesucces. Tabel 30: Correlaties (factorladingen) van afzonderlijke succesindicatoren met schaal studiesucces Tijdbesteding aan studie 0,39 Inzet 0,78 motivatie 0,67 Studievoortgang 0,35 Slaagkans 0,51 Tentamencijfer 0,63 Percentage variantie verklaard 33,14 Studentenmonitor Alleen voltijdstudenten. 5.3 Ouderlijk opleidingsniveau, beroepsstatus en afkomst In deze paragraaf schetsen we een beeld van de verhoudingen en overlap tussen het ouderlijk opleidingsniveau (eerste generatie versus niet-eerste generatie), het beroepsniveau (hoog versus overig) en afkomst. Ook laten we zien hoe het aantal studerende zich per etnische groep verhoudt tot de gehele populatie. Ruim twintig procent van de Nederlanders tussen de 17 en 30 jaar oud volgt een studie in het hoger onderwijs (7% in het wo, 13% in het hbo). Dit aandeel is onder de westers allochtonen maar liefst een derde, en bij niet-westers allochtonen uit Azië ruim een kwart. Van de groep niet-westers allochtonen overig studeert 4 procent in het wo en bijna 10 prcoent in het hbo (Figuur 72). 122 Studentenmonitor 2007
123 Westers allochtoon 15,0 hbo wo Niet-westers allochtoon overig Niet-westers allochtoon Azië Autochtoon Westers allochtoon Niet-westers allochtoon overig Niet-westers allochtoon Azië 4,2 7,2 11,0 9,7 15,5 20,0 Autochtoon 13,2 Figuur 72: Aandeel jarigen studerend in het ho 0% 10% 20% 30% Zowel in het hbo als wo is driekwart van de studenten van Nederlandse afkomst (Figuur 73). In het wo is ruim 13 procent westers allochtoon; in het hbo ruim tien procent. De kleinste groep wordt in zowel hbo als wo gevormd door de nietwesters allochtonen uit Azië (3,9% in het wo en 2,3% in het hbo). De overige niet-westerse allochtonen vormen acht procent (in wo en hbo) van de studentenpopulatie. Westers allochtoon 13,2 hbo wo Niet-westers allochtoon overig Niet-westers allochtoon Azië Autochtoon Westers allochtoon Niet-westers allochtoon overig Niet-westers allochtoon Azië 8,1 3,9 10,3 8,2 2,3 74,8 Autochtoon 79,3 Figuur 73: Verdeling herkomst in hbo en wo 0% 20% 40% 60% 80% 100% Figuur 74 en Figuur 75 geven voor het hbo en wo het aandeel studenten weer, uitsplitst naar afkomst (achtereenvolgens generatie ho en beroepsniveau ouders) en herkomst. In het wo is het aandeel studenten met een ouder die een opleiding in het hoger onderwijs heeft afgerond het grootst bij de westers allochtonen (63%) en de autochtonen (58%). In het hbo ligt dit percentage op 42 en 39 procent. In het wo is het aandeel studenten met een ouder die een opleiding in het hoger onderwijs heeft afgrond bij de overige niet-westers allochtonen iets hoger dan bij de niet-westers allochtonen uit Azië. In het hbo is dit andersom. Daar is dit aandeel (Azië) gelijk aan dat van de autochtonen. 123 Studentenmonitor 2007
124 Westers allochtoon Niet-westers allochtoon overig hbo wo Niet-westers allochtoon Azië Autochtoon Westers allochtoon Niet-westers allochtoon overig Niet-westers allochtoon Azië Autochtoon % 20% 40% 60% 80% 100% Figuur 74: Beroep hoog Beroep overig Aandeel (%) studenten naar generatie ho en herkomst in hbo en wo Qua beroepsniveau zien we een soortgelijk beeld (Figuur 75). Westers allochtoon Niet-westers allochtoon overig hbo wo Niet-westers allochtoon Azië Autochtoon Westers allochtoon Niet-westers allochtoon overig Niet-westers allochtoon Azië Autochtoon % 20% 40% 60% 80% 100% Nie t-e e rste g e ne ra tie ho Ee rste g e ne ra tie ho Figuur 75: Aandeel (%) studenten naar beroepsniveau ouders en herkomst in hbo en wo 124 Studentenmonitor 2007
125 Het aandeel wo-studenten met een ouder met een hoog/intellectueel beroep is het hoogst bij de westers allochtonen (55%) en autochtonen (49%). Ook hier is dit percentage (wo) het laagst bij de groep niet-westers allochtonen uit Azië (33%) en iets hoger bij de overige niet-westers allochtonen (40%). In het hbo lijkt de groep niet-westers allochtonen uit Azië qua samenstelling op basis van het beroep van de ouders op de autochtone studenten en de westers allochtonen. In het hbo is de groep studenten met een ouder met een hoog/intellectueel beroep bij de overige niet-westers allochtonen het kleinst (28%). Figuur 76 en Figuur 77 tonen de samenhang tussen beide afkomstindicatoren voor de verschillende herkomstgroepen (voor hbo en wo afzonderlijk). Over het algemeen hebben ouders met een hoog/intellectueel beroep ook een opleiding in het hoger onderwijs genoten. In het hbo heeft ongeveer tweederde van de studenten een ouder met een hoger beroepsniveau èn een afgeronde hoopleiding (niet-eerste generatie ho-studenten). Deze combinatie komt het vaakst voor bij de westers allochtonen (74%) tegenover ongeveer 65 procent van de overige studenten. Van de studenten met ouders in de overige beroepsniveaus heeft een veel kleiner aandeel een opleiding afgerond in het hoger onderwijs (niet-eerste generatie ho-studenten). Deze combinatie komt het vaakst voor bij niet-westers allochtone studenten uit Azië (31 procent); het minst vaak bij de overige niet-westers allochtone studenten (15%) en bij een kwart van de autochtone en westers allochtone studenten. We kunnen hieruit opmaken dat in het hbo ouders van niet-westers allochtone studenten afkomstig uit Azië, ondanks een hogere opleiding relatief vaker een lager beroepsniveau hebben, dan in de overige herkomstgroepen. Westers allochtoon Beroep overig Beroep hoog Niet-westers allochtoon overig Niet-westers allochtoon Azië Autochtoon Westers allochtoon Niet-westers allochtoon overig Niet-westers allochtoon Azië Autochtoon % 20% 40% 60% 80% 100% Nie t-e e rste g e ne ra tie ho Ee rste g e ne ra tie ho Figuur 76: Eerste en niet-eerste generatie hbo-studenten naar herkomst en beroepsniveau ouders 125 Studentenmonitor 2007
126 Figuur 77 toont de combinatie van het ouderlijk opleidingsniveau en beroepsniveau voor de onderscheiden herkomstgroepen in het wo. Westers allochtoon Beroep overig Beroep hoog Niet-westers allochtoon overig Niet-westers allochtoon Azië Autochtoon Westers allochtoon Niet-westers allochtoon overig Niet-westers allochtoon Azië Autochtoon % 20% 40% 60% 80% 100% Nie t-e e rste g e ne ra tie ho Ee rste g e ne ra tie ho Figuur 77: Eerste en niet-eerste generatie wo-studenten naar herkomst en beroepsniveau ouders De combinatie hoog beroep en hoger opgeleid komt het vaakst voor bij de westers allochtonen (86%), gevolgd door de autochtonen (81%) en de beide groepen de niet-westers allochtone studenten (iets minder dan 80%). De combinatie van hoog opgeleid en geen hoog/intellectueel beroep komt in het wo het vaakst voor bij westers allochtone studenten (40%) en autochtone studenten (38%). Bij de overige herkomstgroepen is dit minder (tussen 27 en 29%). Voor wat betreft de samenstelling van de onderscheiden groepen op basis van afkomst (opleidings- en beroepsniveau van ouders) en herkomst (land van herkomst) kunnen we stellen dat het opleidings- en beroepsniveau van ouders van westers allochtone studenten het hoogst is, gevolgd door dat van autochtone studenten. In het hbo lijkt de groep niet-westers allochtonen uit Azië qua samenstelling enigszins op de groep autochtone studenten. In het wo is deze groep meer vergelijkbaar met de overige niet-westers allochtonen. 5.4 Afkomst, herkomst en studiesucces Tabel 31 (hbo) en Tabel 32 (wo) geven per groep een overzicht van de gemiddelde scores op kenmerken van studiesucces in relatie tot opleidingsniveau van de ouders. In de tabellen is aangegeven of de gemiddelden anders zijn voor eerste en nieteerste generatie studerenden. Of deze verschillen significant zijn, is gemeten aan de hand van een multivariate regressie analyse. Bij het berekenen van de verschillen is rekening gehouden met het beroepsniveau van de ouders, zodat een mogelijk invloed van deze factor geen rol speelt in de gevonden verschillen. 126 Studentenmonitor 2007
127 Ter illustratie; autochtone hbo studenten met hoog opgeleide ouders hebben gemiddeld een lagere inzet dan autochtone hbo studenten met ouders zonder opleiding in het ho. Dit verschil in inzet kan uniek worden toegedicht aan het feit dat de ouders al dan niet een opleiding in het hoger onderwijs hebben gevolgd en staat los van een eventueel verschil in beroepsniveau. Daarnaast is in deze analyse rekening gehouden met het geslacht van de respondent, zodat een eventueel verschil tussen mannen en vrouwen geen rol speelt in de gepresenteerde resultaten. Alleen de gemiddelden van voltijdstudenten zijn gepresenteerd. Tabel 35 geeft de resultaten en achterliggende statistieken van de regressie-analyses weer. Tabel 31: Gemiddelde scores op afzonderlijke indicatoren van studiesucces en samengestelde factor voor onderscheiden groepen en generatie ho: hbo Motivatie Studievoortgang Tentamencijfer Slaagkans Inzet Tijdbesteding Studie-succes studie (totaal) Autochtoon (n.s.) * ** (n.s.) ** ** (n.s.) Eerste generatie 4,0 90,8 7,0 90,3 3,3 32,2 0,0 Niet-eerste generatie 4,0 89,7 7,0 90,5 3,2 33,8 0,0 Totaal 4,0 90,4 7,0 90,4 3,3 32,8 0,0 N-w allochtoon Azië (n.s.) (n.s.) (n.s.) (n.s.) (n.s.) (n.s.) (n.s.) Eerste generatie 3,8 84,4 6,8 85,9 3,4 33,4-0,3 Niet-eerste generatie 3,9 87,4 6,7 88,6 3,4 32,6-0,2 Totaal 3,8 85,7 6,7 87,1 3,4 33,1-0,2 N-w allochtoon overig (n.s.) (n.s.) (n.s.) * (n.s.) (n.s.) (n.s.) Eerste generatie 4,0 85,9 6,8 86,6 3,3 32,7-0,2 Niet-eerste generatie 4,0 86,9 6,9 88,9 3,3 33,1-0,1 Totaal 4,0 86,1 6,8 87,1 3,3 32,8-0,2 Westers allochtoon ** ** (n.s.) (n.s.) (n.s.) ** (n.s.) Eerste generatie 4,0 93,9 7,0 90,2 3,3 29,3 0,0 Niet-eerste generatie 4,1 88,2 7,0 88,8 3,2 34,4 0,0 Totaal 4,1 91,2 7,0 89,6 3,3 31,7 0,0 Totaal (n.s.) ** ** (n.s.) ** ** (n.s.) Eerste generatie 4,0 90,4 6,9 89,8 3,3 32,0 0,0 Niet-eerste generatie 4,0 89,3 7,0 90,2 3,2 33,8 0,0 Totaal 4,0 90,0 7,0 89,9 3,3 32,7 0,0 Studentenmonitor Gewogen voor steekproefafwijkingen. Alleen voltijdstudenten. 127 Studentenmonitor 2007
128 Studenten in het hbo laten een gevarieerd beeld zien wat betreft de relatie tussen opleidingsniveau van de ouders en verschillende facetten van studiesucces. Gemiddeld genomen hebben eerste generatie studenten een betere studievoortgang en tonen ze meer inzet dan studenten van hoog opgeleide ouders. Ze halen daarentegen wel lagere tentamencijfers en besteden minder tijd aan de studie. Kijken we naar de autochtone en westers allochtone hbo studenten, dan vinden we min of meer dezelfde verschillen. Binnen de groep niet-westers allochtonen zien we nauwelijks verschillen tussen eerste en nieteerste generatie studenten. Alleen de slaagkans van niet-eerste generatie overig niet-westers allochtonen is hoger dan die van eerste generatie overig niet-westers allochtonen. Tabel 32: Gemiddelde scores op afzonderlijke indicatoren van studiesucces en samengestelde factor voor onderscheiden groepen en generatie ho: wo Motivatie Studievoortgang Tentamencijfer Slaagkans Inzet Tijdbesteding Studie-succes studie (totaal) Autochtoon (n.s.) (n.s.) ** * (n.s.) (n.s.) * Eerste generatie 4,1 81,7 7,0 91,6 3,3 31,4 0,0 Niet-eerste generatie 4,1 82,4 7,1 92,9 3,2 31,6 0,0 Totaal 4,1 82,1 7,1 92,4 3,3 31,5 0,0 N-w allochtoon Azië ** (n.s.) (n.s.) * (n.s.) (n.s.) (n.s.) Eerste generatie 3,7 81,0 7,0 88,1 3,2 29,4-0,3 Niet-eerste generatie 3,9 74,2 7,0 92,9 3,2 31,5-0,1 Totaal 3,8 77,6 7,0 90,4 3,2 30,4-0,2 N-w allochtoon overig (n.s.) ** (n.s.) ** (n.s.) (n.s.) (n.s.) Eerste generatie 3,9 77,3 6,8 88,2 3,2 30,4-0,3 Niet-eerste generatie 4,0 82,6 7,0 93,0 3,2 31,1-0,1 Totaal 4,0 79,4 6,9 90,2 3,2 30,7-0,2 Westers allochtoon (n.s.) (n.s.) (n.s.) (n.s.) (n.s.) * (n.s.) Eerste generatie 4,0 81,4 7,0 92,1 3,2 31,9 0,0 Niet-eerste generatie 4,1 79,0 7,1 92,1 3,2 30,2 0,0 Totaal 4,1 79,7 7,1 92,1 3,2 30,8 0,0 Totaal (n.s.) (n.s.) ** ** (n.s.) (n.s.) ** Eerste generatie 4,0 81,0 7,0 91,1 3,3 31,3-0,1 Niet-eerste generatie 4,0 81,8 7,1 92,8 3,2 31,4 0,0 Totaal 4,0 81,5 7,0 92,1 3,3 31,3 0,0 Studentenmonitor Gewogen voor steekproefafwijkingen. Alleen voltijdstudenten. 128 Studentenmonitor 2007
129 Wo studenten laten een eenduidiger beeld zien. Het studiesucces van studenten met hoog opgeleide ouders is over het algemeen beter dan die van eerste generatie studenten. Zowel het tentamencijfer als de slaagkans zijn hoger bij niet-eerste generatie studenten. Ook scoren ze hoger op de samengestelde factor studiesucces dan eerste generatie studenten. Dit beeld zien we binnen bijna alle onderscheiden etnische groepen. Alleen de westers allochtonen wijken af; daar zijn het juist de eerste generatie studenten die meer tijd aan de studie besteden. Tabel 33 (hbo) en Tabel 34 (wo) geven per groep een overzicht van de gemiddelde scores op kenmerken van studiesucces in relatie tot beroepsniveau van de ouders. In de tabellen is aangegeven of er verschillen zijn in de gemiddelde scores op studiesucces tussen studenten met ouders met een hoger beroepsniveau en studenten met ouders met lager beroepsniveau. Of deze verschillen significant zijn, is wederom gemeten aan de hand van een multivariate regressie analyse. Bij het berekenen van de verschillen is gecontroleerd voor opleidingsniveau van de ouders, zodat een mogelijk invloed van deze factor geen rol speelt in de gevonden verbanden. Ter illustratie; autochtone wo studenten wier ouders een hoger beroep uitoefenen, hebben gemiddeld een lagere inzet dan autochtone hbo studenten met ouders met een beroep op lager niveau. Dit verschil in inzet kan uniek worden toegedicht aan het beroepsniveau van de ouders en staat los van een eventueel verschil in opleidingsniveau. Daarnaast is ook bij deze analyse rekening gehouden met het geslacht van de student, zodat een eventueel verschil tussen mannen en vrouwen geen rol speelt in de gepresenteerde resultaten. Alleen de gemiddelden van voltijdstudenten zijn gepresenteerd. Tabel 35 geeft de resultaten en statistische verantwoording van de regressie analyses weer. Er bestaat weinig verschil in studiesucces tussen hbo studenten van wie de ouders een intellectueel of een niet-intellectueel beroep uitoefenen. Alleen de inzet van de tweede groep is significant beter. Kijken we naar alleen autochtone studenten, dan zien we dat het gemiddeld tentamencijfer van studenten van ouders met een hoog beroepsniveau wel hoger is. Binnen de niet-westers overig allochtonen is dit juist de studievoortgang. Samengevat kan gezegd worden dat de studievoortgang van hbo studenten zich slecht laat voorspellen aan de hand van het beroepsniveau van de ouders. Studenten in het wo laten een gevarieerder beeld zien wat betreft de relatie tussen beroepsniveau van de ouders en verschillende facetten van studiesucces. Kijken we naar het totaal, dan zien we dat studenten van ouders met een hoog beroep een betere slaagkans hebben dan de overige studenten. Bezien we de studievoortgang binnen de verschillende etnische groepen dan laten alleen de westers allochtonen een eenduidig beeld zien; zowel de inzet als de factorscore studiesucces zijn het hoogst bij studenten van wie de ouders een hoog beroep uitoefenen. Binnen de groep niet-westers overig allochtonen vinden we geen verschillen in studievoortgang. De overige twee etnische groepen (autochtonen en niet-westers Azië) laten een gevarieerder beeld zien. 129 Studentenmonitor 2007
130 Tabel 33: Gemiddelde scores op afzonderlijke indicatoren van studiesucces en samengestelde factor voor onderscheiden groepen en beroepsniveau ouders: hbo Motivatie Studievoortgang Tentamencijfer Slaagkans Inzet Tijdbesteding Studie-succes studie (totaal) Autochtoon (n.s.) (n.s.) ** (n.s.) * (n.s.) (n.s.) Beroep overig 4,0 90,4 7,0 90,2 3,3 32,9 0,0 Beroep hoog 4,0 90,1 7,0 90,6 3,2 33,0-0,1 Totaal 4,0 90,3 7,0 90,3 3,3 32,9 0,0 N-w allochtoon Azië (n.s.) (n.s.) (n.s.) (n.s.) (n.s.) (n.s.) (n.s.) Beroep overig 3,8 85,4 6,7 88,5 3,4 31,5-0,2 Beroep hoog 3,9 84,9 6,7 86,4 3,4 32,8-0,4 Totaal 3,9 85,2 6,7 87,7 3,4 32,0-0,3 N-w allochtoon overig (n.s.) ** (n.s.) (n.s.) (n.s.) (n.s.) (n.s.) Beroep overig 4,0 83,6 6,8 87,1 3,3 33,0-0,2 Beroep hoog 3,9 94,3 6,9 88,2 3,2 32,3-0,1 Totaal 4,0 86,3 6,8 87,4 3,3 32,8-0,2 Westers allochtoon * (n.s.) (n.s.) (n.s.) (n.s.) (n.s.) (n.s.) Beroep overig 4,1 91,8 7,0 90,2 3,3 31,2 0,0 Beroep hoog 4,0 91,6 7,0 88,7 3,2 33,2-0,1 Totaal 4,1 91,7 7,0 89,6 3,3 32,0 0,0 Totaal (n.s.) (n.s.) (n.s.) (n.s.) ** (n.s.) (n.s.) Beroep overig 4,0 89,7 7,0 89,9 3,3 32,8 0,0 Beroep hoog 4,0 90,5 7,0 90,2 3,2 33,0-0,1 Totaal 4,0 90,0 7,0 90,0 3,3 32,8-0,1 Studentenmonitor Gewogen voor steekproefafwijkingen. Alleen voltijdstudenten. 130 Studentenmonitor 2007
131 Tabel 34: Gemiddelde scores op afzonderlijke indicatoren van studiesucces en samengestelde factor voor onderscheiden groepen en beroepsniveau ouders: wo Motivatie Studievoortgang Tentamencijfer Slaagkans Inzet Tijdbesteding Studie-succes studie (totaal) Autochtoon (n.s.) (n.s.) * (n.s.) ** (n.s.) ** Beroep overig 4,1 82,5 7,1 91,8 3,3 31,8 0,0 Beroep hoog 4,0 81,6 7,1 92,9 3,2 31,3 0,0 Totaal 4,0 82,1 7,1 92,3 3,3 31,6 0,0 N-w allochtoon Azië * (n.s.) (n.s.) (n.s.) * (n.s.) (n.s.) Beroep overig 3,8 80,2 7,0 90,8 3,1 28,9-0,2 Beroep hoog 3,7 74,4 7,1 90,5 3,3 32,5-0,2 Totaal 3,7 78,1 7,1 90,7 3,2 30,1-0,2 N-w allochtoon overig (n.s.) (n.s.) (n.s.) (n.s.) (n.s.) (n.s.) (n.s.) Beroep overig 3,9 78,2 6,9 89,2 3,2 30,4-0,2 Beroep hoog 4,0 82,7 7,0 92,5 3,2 30,8-0,1 Totaal 3,9 79,8 6,9 90,4 3,2 30,5-0,2 Westers allochtoon (n.s.) (n.s.) (n.s.) (n.s.) ** (n.s.) * Beroep overig 4,0 81,0 7,0 91,6 3,2 30,6-0,1 Beroep hoog 4,1 79,1 7,1 92,7 3,3 30,7 0,0 Totaal 4,1 79,9 7,1 92,2 3,2 30,7 0,0 Totaal (n.s.) (n.s.) (n.s.) ** (n.s.) (n.s.) (n.s.) Beroep overig 4,0 81,8 7,0 91,4 3,3 31,4 0,0 Beroep hoog 4,0 81,2 7,1 92,8 3,2 31,2 0,0 Totaal 4,0 81,5 7,0 92,1 3,3 31,3 0,0 Studentenmonitor Gewogen voor steekproefafwijkingen. Alleen voltijdstudenten. 131 Studentenmonitor 2007
132 Tabel 35: Samenhang tussen generatie ho, beroepsniveau ouders en etniciteit en factoren voor studiesucces (ongestandaardiseerde regressie-coëfficiënten) Eerste generatie ho Niet-eerste generatie ho Verschil generatie Beroep overig Beroep hoog Verschil beroep Motivatie (R 2 hbo=,019; N=14.174; R 2 wo=,022; N=9.395) Hbo (Constant) 3,73 ** 3,67 ** (n.s.) 3,70 ** 3,72 ** (n.s.) Geslacht (vrouw) 0,18 ** 0,20 ** (n.s.) 0,19 ** 0,18 ** (n.s.) N-w allochtoon Azië -0,22 ** -0,02 (n.s.) -0,16 * -0,05 (n.s.) N-w allochtoon overig -0,08 ** -0,02 (n.s.) -0,06 * -0,07 (n.s.) Westers allochtoon 0,02 0,11 ** ** 0,08 ** 0,04 * Wo (Constant) 3,82 ** 3,80 ** (n.s.) 3,81 ** 3,81 ** (n.s.) Geslacht (vrouw) 0,15 ** 0,16 ** (n.s.) 0,15 ** 0,16 ** (n.s.) N-w allochtoon Azië -0,47 ** -0,13 ** -0,28 ** -0,32 ** * N-w allochtoon overig -0,14 ** -0,06 (n.s.) -0,13 ** -0,06 (n.s.) Westers allochtoon -0,02 0,01 (n.s.) -0,04 0,03 (n.s.) Studievoortgang (R 2 hbo=,005; N=13.181; R 2 wo=,005; N=8.838) Hbo (Constant) 90,90 ** 91,59 ** (n.s.) 90,67 ** 92,10 ** (n.s.) Geslacht (vrouw) -0,05-1,35 (n.s.) -0,19-1,26 (n.s.) N-w allochtoon Azië -7,01-2,77 (n.s.) -5,00-5,41 (n.s.) N-w allochtoon overig -4,94 ** -1,76 (n.s.) -6,77 ** 4,37 * ** Westers allochtoon 3,98 ** -1,02 ** 1,43 1,42 (n.s.) Wo (Constant) 78,16 ** 76,24 ** (n.s.) 76,15 ** 77,96 ** (n.s.) Geslacht (vrouw) 2,25 * 3,97 ** (n.s.) 4,15 ** 2,35 * (n.s.) N-w allochtoon Azië 0,20-6,96 * (n.s.) -2,18-6,84 (n.s.) N-w allochtoon overig -4,26 * 0,60 ** -4,39 ** 1,12 (n.s.) Westers allochtoon -0,14-3,35 ** (n.s.) -1,90-2,49 (n.s.) Studentenmonitor Gewogen voor steekproefafwijkingen. Alleen voltijdstudenten. 132 Studentenmonitor 2007
133 Tabel 35 - vervolg: Samenhang tussen generatie ho, beroepsniveau ouders en etniciteit en factoren voor studiesucces (ongestandaardiseerde regressie-coëfficiënten) Eerste generatie ho Niet-eerste generatie ho Verschil generatie Beroep overig Beroep hoog Verschil beroep Tentamencijfer (R 2 hbo=,024; N=11.559; R 2 wo=,012; N=8.896) Hbo (Constant) 6,75 ** 6,76 ** (n.s.) 6,75 ** 6,75 ** (n.s.) Geslacht (vrouw) 0,14 ** 0,15 ** (n.s.) 0,15 ** 0,14 ** (n.s.) N-w allochtoon Azië -0,17 * -0,34 ** (n.s.) -0,28 ** -0,22 * (n.s.) N-w allochtoon overig -0,17 ** -0,10 ** (n.s.) -0,19 ** -0,07 * (n.s.) Westers allochtoon 0,01 0,01 (n.s.) -0,01 0,05 (n.s.) Wo (Constant) 7,01 ** 6,96 ** (n.s.) 6,99 ** 6,97 ** (n.s.) Geslacht (vrouw) 0,02 0,08 ** (n.s.) 0,05 ** 0,06 ** (n.s.) N-w allochtoon Azië 0,01-0,01 (n.s.) -0,03 0,03 (n.s.) N-w allochtoon overig -0,22 ** -0,09 ** (n.s.) -0,21 ** -0,10 * (n.s.) Westers allochtoon -0,03 0,00 (n.s.) -0,04 0,02 (n.s.) Slaagkans (R 2 hbo=,006; N=14.174; R 2 wo=,008; N=9.394) Hbo (Constant) 88,27 ** 89,03 ** (n.s.) 88,23 ** 89,17 ** (n.s.) Geslacht (vrouw) 1,26 ** 0,97 * (n.s.) 1,28 ** 0,90 * (n.s.) N-w allochtoon Azië -3,53 * -1,71 (n.s.) -1,75-4,00 * (n.s.) N-w allochtoon overig -3,60 ** -1,46 * -3,22 ** -2,51 ** (n.s.) Westers allochtoon 0,10-1,76 ** (n.s.) -0,06-1,83 ** (n.s.) Wo (Constant) 90,09 ** 90,68 ** (n.s.) 89,89 ** 90,99 ** (n.s.) Geslacht (vrouw) 0,97 1,39 ** (n.s.) 1,24 ** 1,21 ** (n.s.) N-w allochtoon Azië -3,14 0,24 * -0,97-2,15 (n.s.) N-w allochtoon overig -3,35 ** 0,29 ** -2,63 ** -0,35 (n.s.) Westers allochtoon 0,86-0,79-0,31-0,20 (n.s.) Studentenmonitor Gewogen voor steekproefafwijkingen. Alleen voltijdstudenten. 133 Studentenmonitor 2007
134 Tabel 35 - vervolg: Samenhang tussen generatie ho, beroepsniveau ouders en etniciteit en factoren voor studiesucces (ongestandaardiseerde regressie-coëfficiënten) Eerste generatie ho Niet-eerste generatie ho Verschil generatie Beroep overig Beroep hoog Verschil beroep Inzet (R 2 hbo=,038; N=14.174;R 2 wo=,030; N=9.395) Hbo (Constant) 2,91 ** 2,76 ** (n.s.) 2,91 ** 2,76 ** (n.s.) Geslacht (vrouw) 0,24 ** 0,30 ** (n.s.) 0,25 ** 0,30 ** (n.s.) N-w allochtoon Azië 0,06 0,16 * (n.s.) 0,06 0,20 * (n.s.) N-w allochtoon overig -0,02-0,03 (n.s.) -0,02-0,04 (n.s.) Westers allochtoon 0,02-0,01 (n.s.) 0,02-0,03 (n.s.) Wo (Constant) 2,96 ** 2,84 ** (n.s.) 2,93 ** 2,85 ** (n.s.) Geslacht (vrouw) 0,21 ** 0,26 ** (n.s.) 0,24 ** 0,24 ** (n.s.) N-w allochtoon Azië -0,07-0,04 (n.s.) -0,14 * 0,08 * N-w allochtoon overig -0,07 * -0,01 (n.s.) -0,07 * 0,00 (n.s.) Westers allochtoon -0,10 * -0,01 (n.s.) -0,13 ** 0,04 ** Tijdbesteding studie (R 2 hbo=,012; N=14.174; R 2 wo=,005; N=9.935) Hbo (Constant) 28,96 ** 28,69 ** (n.s.) 28,50 ** 29,45 ** (n.s.) Geslacht (vrouw) 2,20 ** 3,31 ** (n.s.) 2,85 ** 2,29 ** (n.s.) N-w allochtoon Azië -0,36-1,59 (n.s.) -1,49 0,25 (n.s.) N-w allochtoon overig 0,17-1,31 (n.s.) -0,23-1,00 (n.s.) Westers allochtoon -2,83 ** 0,82 ** -1,70 ** 0,17 (n.s.) Wo (Constant) 28,39 ** 29,80 ** (n.s.) 29,19 ** 29,19 ** (n.s.) Geslacht (vrouw) 2,02 ** 1,17 ** (n.s.) 1,68 ** 1,39 ** (n.s.) N-w allochtoon Azië -1,96-0,82 (n.s.) -2,88 * 1,32 (n.s.) N-w allochtoon overig -1,36 * -0,57 (n.s.) -1,41 * -0,51 (n.s.) Westers allochtoon 0,19-1,45 ** * -1,25-0,62 (n.s.) Studentenmonitor Gewogen voor steekproefafwijkingen. Alleen voltijdstudenten. 134 Studentenmonitor 2007
135 Tabel 35 - vervolg: Samenhang tussen generatie ho, beroepsniveau ouders en etniciteit en factoren voor studiesucces (ongestandaardiseerde regressie-coëfficiënten) Eerste generatie ho Niet-eerste generatie ho Verschil generatie Beroep overig Beroep hoog Verschil beroep Studiesucces(R 2 hbo=,035; N=10.881; R 2 wo=,026; N=8.057) Hbo (Constant) -0,53 ** -0,68 ** (n.s.) -0,57 ** -0,61 ** (n.s.) Geslacht (vrouw) 0,32 ** 0,42 ** (n.s.) 0,36 ** 0,36 ** (n.s.) N-w allochtoon Azië -0,26 * -0,21 (n.s.) -0,21-0,26 (n.s.) N-w allochtoon overig -0,20 ** -0,14 * (n.s.) -0,20 ** -0,12 (n.s.) Westers allochtoon 0,01 0,00 (n.s.) 0,03-0,03 (n.s.) Wo (Constant) -0,40 ** -0,45 ** (n.s.) -0,42 ** -0,45 ** (n.s.) Geslacht (vrouw) 0,25 ** 0,30 ** (n.s.) 0,29 ** 0,28 ** (n.s.) N-w allochtoon Azië -0,30 * -0,12 (n.s.) -0,25 * -0,14 (n.s.) N-w allochtoon overig -0,29 ** -0,06 (n.s.) -0,28 ** -0,07 (n.s.) Westers allochtoon -0,03-0,02 (n.s.) -0,11 * 0,04 * Studentenmonitor Gewogen voor steekproefafwijkingen. Alleen voltijdstudenten. 5.5 Samenvatting In dit hoofdstuk is gekeken naar ouderlijk opleidingsniveau, beroepsniveau en herkomst. In de eerste paragraaf zijn de begrippen en definities geoperationaliseerd. In paragraaf 5.3 is een beeld geschetst van de verhoudingen tussen het ouderlijk opleidingsniveau, het beroepsniveau en de afkomst van de studenten. Paragraaf 5.4 gaat in op de relatie tussen afkomst/ herkomst en studiesucces. In deze paragraaf zullen we de belangrijkste conclusies kort samenvatten. In de eerste paragraaf zijn vier vragen aan bod gekomen. Deze worden achtereenvolgens beantwoord. Hoe verhouden het ouderlijk opleidingsniveau en het beroepsniveau (afkomst) en de (etnische) herkomst zich tot elkaar en zijn deze verhoudingen verschillend voor het hbo en wo? Een derde van alle jarige westers allochtonen volgt een opleiding in het ho. Binnen de groep niet- westers allochtonen uit Azië bedraagt dit ruim een kwart, bij Nederlanders een vijfde en van de niet-westers allochtonen overig studeert 14 procent in het hoger onderwijs. 135 Studentenmonitor 2007
136 Zowel in het hbo als in het wo vormen de autochtone studenten de grootste groep, gevolgd door de westers allochtonen, niet-westers allochtonen overig. Niet-westers allochtonen uit Azië vormen twee procent van de hbo- en bijna vier procent van de wo-studenten. In het wo is het aandeel studenten van wie de ouders een hoog opleidingsniveau of een intellectuele baan hebben het grootst bij de autochtonen en westers allochtonen. In het hbo zijn dit de autochtonen, westers allochtonen en nietwesters allochtonen uit Azië. Van ruim twee derde van de hbo studenten van wie de ouders een hoog beroep hebben, hebben de ouders ook een hoog opleidingsniveau. Bij de autochtonen is dit zelfs driekwart. Binnen het wo ligt dit aandeel op gemiddeld tachtig procent. Wat is de unieke bijdrage van de afkomst in studiesucces en is deze rol hetzelfde voor studenten met verschillende herkomst en is deze unieke bijdrage van opleidingsniveau van ouders voor groepen met verschillende herkomst op het hbo hetzelfde als op het wo? Studenten in het hbo laten een gevarieerd beeld zien wat betreft de relatie tussen opleidingsniveau van de ouders en verschillende facetten van studiesucces. Eerste generatie hbo studenten hebben een betere studievoortgang en inzet dan studenten van hoog opgeleide ouders; ze halen wel lagere tentamencijfers en besteden minder tijd aan de studie Dit geldt met name voor autochtone en westers allochtone hbo studenten Binnen de groep niet-westers allochtone hbo studenten zien we nauwelijks verschillen tussen eerste en niet-eerste generatie studenten. Dit betekent dat het voor niet-westerse allochtone hbo studenten voor het studiesucces- niet uitmaakt of hun ouders hoogopgeleid zijn of niet Het studiesucces van studenten met hoog opgeleide ouders is over het algemeen beter dan die van eerste generatie studenten. Niet-eerste generatie autochtone allochtone hbo studenten halen hogere tentamencijfers, hebben een betere slaagkans en scoren het hoogst op studiesucces Het beroepsniveau van de ouders toont geen eenduidig verband met de studiesuccessen van studenten Dit geldt met name bij hbo-studenten de niet-westers overige allochtone wo-studenten. Bij westers allochtone wo-studenten zien we wel een duidelijke samenhang tussen beroepsniveau van de ouders en de studiesuccessen; zowel de inzet als de factorscore studiesucces zijn het hoogst bij studenten van wie de ouders een hoog beroep uitoefenen. 136 Studentenmonitor 2007
137 6 Uitzonderlijk gemotiveerd 6.1 Inleiding Dit hoofdstuk van de Studentenmonitor 2007 doet verslag van een analyse van het percentage uitzonderlijk gemotiveerde studenten sinds In overleg met het ministerie van OCW is hiervoor een absolute norm ontwikkeld, die toepasbaar is op de gegevens van de Studentenmonitor 2003 tot en met Deze typering is een indicatie voor de uitzonderlijk gemotiveerde student en fungeert de komende jaren als indicator die beleidsmatig gevolgd wordt. Onderstaande criteria zijn gebruikt voor het vaststellen van deze indicator: Tijdbesteding aan studie hoger dan 35 uur per week. Motivatiescore (schaal van 1 tot en met 5), gemiddelde score van naar motivatie aan start van de studie, motivatie aan begin van het studiejaar en huidige motivatie: hoger dan 3,5 gemiddeld. Inzet, schaal geconstrueerd op basis van onderstaande stellingen (alles positief gehercodeerd); gemiddelde schaalscore hoger dan 3,5: - Ik gebruik alle beschikbare tijd zoveel mogelijk om snel af te studeren; - Ik probeer steeds een zo hoog mogelijk cijfer te halen; - Ik vind het moeilijk om zelfstandig mijn studie te plannen; - Mijn bezigheden buiten mijn studie verhinderen mij volledig op te gaan in mijn studie; - Waarom zou ik de studie sneller afronden dan nodig is, het is de mooiste tijd van mijn leven; - Ik kan alleen bij vlagen goed studeren; - Ik ben tevreden over de studieprestaties die ik tot nu toe heb geleverd; - Ik vind het moeilijk me in te spannen voor oninteressante studieonderdelen; - Ik heb de neiging verplichtingen uit te stellen; - Mijn zelfdiscipline is goed; - Ik zou eigenlijk meer tijd moeten besteden aan mijn studie. Verder zijn de volgende selecties toegepast op deze indicator: studenten moeten een valide score hebben op de drie selectievariabelen; alleen gegevens van voltijdstudenten van 26 jaar of jonger zijn geanalyseerd (reguliere studenten); de weergegeven percentages betreffen studenten die voldoen aan alle bovenstaande criteria; de weergegeven betrouwbaarheidsintervallen zijn de marges waarbinnen in de populatie de percentages zich in 95 procent van de gevallen bevinden (kleine respondentaantallen laten doorgaans grotere intervallen zien); de betrouwbaarheidsmarges zijn berekend op basis van ongewogen aantallen; de weergegeven percentages zijn gewogen voor steekproefafwijkingen. 15 De gegevens uit 2000 tot en met 2002 zijn vanwege afwijkende vraagformulering buiten beschouwing gelaten. 137 Studentenmonitor 2007
138 In de navolgende analyse worden de percentages uitzonderlijk gemotiveerde studenten weergegeven voor achtereenvolgens het totale hoger onderwijs, hbo en wo en voor de sectoren (over alle jaren). Daarna besteden we aandacht aan de percentages gemotiveerde studenten per sector en de fluctuaties over de jaren heen. Vervolgens zijn per hbo- en wo-sector de trends grafisch weergegeven. 6.2 Hoger onderwijs, hbo en wo In de totale ho-populatie is over alle jaren heen sprake van 18,5 procent uitzonderlijk gemotiveerde studenten (Figuur 78 en Figuur 80). Sinds 2001 zijn er verschuivingen zichtbaar. In 2003 was het percentage met 20 procent het hoogst. Daarna is er sprake van een stabilisatie op 18 à 19 procent. Door een lichte daling in het hbo en een stijging in het wo, is het percentage gemotiveerde studenten voor hbo en wo nagenoeg gelijk. Sinds 2006 valt er in het hbo een lichte daling waar te nemen van 19,2 procent naar 18,7 procent en in het wo is een kleine stijging zichtbaar van 17,7 procent naar 18,3 procent. 24% 22% 20% 18% 16% 14% 12% 10% hbo wo ho Figuur 78: Percentages van uitzonderlijk gemotiveerde studenten in het hoger onderwijs sinds 2003 De stijging sinds 2004 in het wo is in Figuur 80 ook goed zichtbaar aan de hand van de 75%-betrouwbaarheidsintervallen. 138 Studentenmonitor 2007
139 30% 25% 20% 15% 10% ho hbo wo Figuur 79: Percentages en 95%-betrouwbaarheidsintervallen van uitzonderlijk gemotiveerde studenten in het hoger onderwijs sinds 2003 Figuur 81 toont de percentages en betrouwbaarheidsintervallen per sector in het hbo ( ). 50% 45% 40% 35% 30% 25% 20% 15% 10% 5% 0% 2003 Figuur 80: lb te g z e c g m tc ow Percentages en 95%-betrouwbaarheidsintervallen van uitzonderlijk gemotiveerde studenten in hbo per sector (periode ) Studentenmonitor 2007
140 De sector Landbouw laat een onstabiel beeld zien. De cijfers per jaar zijn sterk wisselend. Dit heeft onder andere te maken met de relatief lage aantallen. Taal & Cultuur (gedaald ten opzichte van 2006), Gedrag & Maatschappij (licht gedaald), Gezondheidszorg (gedaald) en Onderwijs (stabiel) herbergen naar verhouding relatief veel gemotiveerde studenten. Vooral het aantal gemotiveerde studenten binnen Taal & Cultuur (inclusief Kunst) in het hbo is bijzonder hoog. De sector Techniek laat een redelijk stabiel aantal gemotiveerde studenten zien rond de 18 procent, redelijk op het niveau van het ho en het hbo. De sector Economie heeft relatief weinig gemotiveerde studenten (tussen 12 en 14%). Door de jaren heen blijft dit lage percentages stabiel. Figuur 81 geeft een overzicht van de percentages en betrouwbaarheidsintervallen per sector in het wo ( ). Ook in het wo vinden we een groot aandeel gemotiveerde studenten in de sector Gezondheidszorg. Dit aandeel is stabiel sinds Ook de sector Landbouw en in iets mindere mate Natuur (licht stijgend) laten een meer dan gemiddeld aandeel gemotiveerde studenten zien. In de middengroep van gemotiveerden zitten de wo-sectoren Techniek (stabiel) en Taal & Cultuur (licht stijgend). Een minder dan gemiddeld aandeel gemotiveerde studenten is zichtbaar in de wo-sectoren Gedrag & Maatschappij en Recht. 50% 45% 40% 35% 30% 25% 20% 15% 10% 5% 0% Figuur 81: lb na te g z e c re g m tc Percentages en 95%-betrouwbaarheidsintervallen van uitzonderlijk gemotiveerde studenten in wo per sector (periode ) 140 Studentenmonitor 2007
141 6.3 Motivatie verklaard Met een logistisch regressiemodel is nagegaan welke factoren in onderlinge samenhang de hiervoor beschreven uitzonderlijke motivatie het best verklaren. De analyses zijn verricht op een bestand van ruim voltijdstudenten in hbo en wo uit de jaren 2004 tot en met Voor deze analyses is 2003 achterwege gelaten. Dit vanwege het feit dat de indicator studievoortgang (de verhouding tussen de verbruikte studietijd en het aantal behaalde studiepunten) in 2003 vanwege de recente invoering van BaMa niet vergelijkbaar is met de latere jaren. Tabel 36 toont de resultaten. Tabel 36: Indicator Profiel van de uitzonderlijk gemotiveerde student Exp(B) Dominant profiel van de uitzonderlijk gemotiveerde studenten versus de referentiegroep Studeerbaarheid 28,52 ** Betere waardering voor de studeerbaarheid Eindexamencijfer voortgezet onderwijs 7,81 ** Hoog eindexamencijfer in voortgezet onderwijs Studievoortgang 4,02 ** Betere studievoortgang Toegankelijkheid docenten 2,18 ** Betere waardering voor toegankelijkheid docenten Leeftijd 2,03 ** Meer oudere dan jongere studenten Geslacht (0=man; 1=vrouw) 1,97 ** Meer vrouwen dan mannen Sector (0=overig; 1=gezondheidszorg) 1,40 ** Vaker in sector Gezondheidszorg Studiefase (0=eerstejaars; 1=ouderejaars) 1,30 ** Meer ouderejaars dan eerstejaars Etniciteit (0=autochtoon; allochtoon) 0,77 ** Meer autochtonen dan allochtonen Woonsituatie (0=thuis; 1=uit) 0,77 ** Meer thuiswonenden dan uitwonenden Soort hoger onderwijs (0=hbo; 1=wo) 0,64 ** Meer hbo-studenten dan wo-studenten Tijdbesteding aan werk in uren per week 0,11 ** Minder tijdbesteding aan betaalde arbeid Constant 0,00 ** Studentenmonitor Gewogen voor steekproefafwijkingen. Alleen voltijdstudenten. Nagelkerke R 2 =0,14. N= Alle indicatoren zijn op een schaal van 0-1 geplaatst. Het meest in het oog lopende verschil tussen de groep uitzonderlijk gemotiveerde studenten is hun positiever oordeel over de studeerbaarheid van de opleiding (in vergelijking met de referentie: de overige studenten) en over de toegankelijkheid van de docenten. Daarnaast heeft de groep gemotiveerden in vergelijking met de referentiegroep een betere studievoortgang. Verder valt op dat de groep gemotiveerde studenten ten opzichte van de referentiegeroep iets anders is samengesteld: relatief veel vrouwen, oudere studenten, veel ouderejaars, veel thuiswonenden en relatief meer hbo- dan wo-studenten en meer autochtone dan allochtone studenten. 141 Studentenmonitor 2007
142 De groep gemotiveerden is relatief vaak gesitueerd in de sector Gezondheidszorg. Zij hadden in vergelijking met de referentiegroep een hoger eindexamencijfer in het voortgezet onderwijs. De uitzonderlijk gemotiveerde studenten besteden minder tijd aan betaalde arbeid dan de referentiegroep. 6.4 Samenvatting In dit hoofdstuk van de Studentenmonitor 2007 is wederom de uitzonderlijk gemotiveerde student in beeld gebracht. Dat zijn studenten die hoog scoren op de indicatoren: motivatie, inzet voor de studie en tijdbesteding aan studiegerelateerde activiteiten. Hiervoor is een absolute norm gehanteerd. In dit hoofdstuk zijn de resultaten besproken van de jaren 2003 tot en met 2007: de ontwikkeling van het percentage uitzonderlijk gemotiveerde studenten en de verklaring voor hun motivatie. Hoger onderwijs, hbo en wo Over de totale studentenpopulatie over alle jaren is sprake van ruim 18 procent uitzonderlijk gemotiveerde studenten. Sinds 2006 is dit percentage nauwelijks veranderd. Hoge percentages uitzonderlijk gemotiveerde studenten zijn in 2007 te vinden in de sectoren Taal & Cultuur en (in iets mindere mate) bij Gezondheidszorg, Onderwijs en Gedrag & Maatschappij (hbo), en Gezondheidszorg en Landbouw (wo). Een oorzaak hiervoor kan liggen in het gelimiteerde toelatingsbeleid van een aantal van deze opleidingen. In de sectoren Economie (hbo en wo), Recht (wo), Gedrag & Maatschappij (wo) is in 2007 het percentage uitzonderlijk gemotiveerde studenten relatief gering. De overige sectoren laten een gemiddeld aantal gemotiveerde studenten zien. Kleine dalingen zijn geconstateerd bij Taal & Cultuur en Gezondheidszorg (hbo); de wo-sectoren Natuur en Taal & Cultuur laten een lichte stijging zien. Motivatie verklaard Een belangrijk aspect bij het verklaren van motivatie onder studenten is het oordeel van de student over de studeerbaarheid van de opleiding en de toegankelijkheid van de docenten. Studenten met meer dan gemiddelde motivatie oordelen vaker positiever. De studievoortgang van deze groep is beter dan van de overige studenten. Het eindexamencijfer in het vo was hoger dan in de referentiegroep. De groep uitzonderlijk gemotiveerde studenten wordt daarnaast gekenmerkt door de volgende aspecten: relatief veel vrouwen (ook na controle voor studenten Gezondheidszorg), oudere studenten, ouderejaars, relatief veel hbo ers, thuiswonenden en autochtonen en minder tijdbesteding aan betaalde arbeid. 142 Studentenmonitor 2007
143 7 De hoogte van de ouderlijke bijdrage 7.1 Inleiding Het Nederlandse studiefinancieringsbeleid wordt gemaakt vanuit het principe dat de kosten die studeren met zich meebrengt gezamenlijk worden betaald door drie partijen; de overheid, de ouders van de student en de student zelf. De bijdrage van de student zelf kan bestaan uit inkomen uit bijvoorbeeld arbeid of een lening/collegekrediet (bij de IB-Groep). De bijdrage van de overheid bestaat voor gerechtigden uit de basisbeurs en eventueel een aanvullende beurs. Het recht op en de hoogte van deze aanvullende beurs zijn afhankelijk van het inkomen van de ouders. Van ouders wordt daarmee omgekeerd óók verwacht dat zij het inkomen van de studerende zoon of dochter zover mogelijk aanvullen. Om de hoogte van de aanvullende beurs te kunnen afstemmen op het ouderlijk inkomen wordt gewerkt met de begrippen maximale aanvullende beurs en veronderstelde ouderlijke bijdrage. Voor studenten van ouders met een laag inkomen geldt een normbedrag voor de maximale aanvullende beurs. Naarmate het inkomen van ouders hoger is, worden ouders verondersteld meer te kunnen bijdragen aan de financiering van de studie van hun kinderen en wordt een lager bedrag aan aanvullende beurs toegekend. Het verschil tussen de toegekende en maximale aanvullende beurs is daarmee de veronderstelde ouderbijdrage. De maximale veronderstelde ouderbijdrage is daarmee gelijk aan de maximale aanvullende beurs. Hoewel de veronderstelde ouderlijke bijdrage een indicatie is voor hoeveel ouders zouden kunnen bijdragen, is de daadwerkelijke ouderlijke bijdrage een zaak tussen ouders en kinderen zelf. In dit hoofdstuk wordt verkend in hoeverre de veronderstelde ouderlijke bijdrage in de praktijk richtinggevend is voor de bijdrage die ouders daadwerkelijk leveren. Hieruit kan echter geen conclusie worden getrokken of ouders daarmee te veel of te weinig zouden bijdragen aan de studie van hun kinderen. In de eerstvolgende paragraaf wordt een beknopte toelichting gegeven op de definities en analysemethode voor dit hoofdstuk. In paragraaf 7.3 wordt het verschil tussen de daadwerkelijke en de veronderstelde ouderlijke bijdrage geanalyseerd. Hierin wordt de vraag beantwoord in welke mate de daadwerkelijke ouderbijdrage verschilt van de veronderstelde ouderbijdrage. Daarnaast wordt bekeken in welke mate verschillende achtergrondkenmerken hierbij een rol spelen. In paragraaf 7.4 komen de volgende vragen aan de orde: Hebben studenten met een hoger dan veronderstelde ouderbijdrage een ander profiel dan studenten met een lager dan veronderstelde ouderbijdrage? en In hoeverre kunnen achtergrondkenmerken verschillen in ouderlijke bijdragen verklaren?. 143 Studentenmonitor 2007
144 7.2 Toelichting relatieve ouderbijdrage Jaarlijks bepaalt de overheid het normbedrag voor de maximaal aanvullende beurs (of de richtinggevende ouderbijdrage) voor studenten. In Tabel 37 zijn deze bedragen voor de afgelopen 5 jaar op een rij gezet. Bij het vaststellen van deze normbedragen wordt rekening gehouden met de woonsituatie van studenten, omdat dit een relatief grote, en stabiele invloed heeft op de maandelijkse uitgaven. Tabel 37: Normbedragen maximaal aanvullende beurs (of ouderbijdrage) per maand, in, Uitwonend 213,25 216,37 221,02 225,88 225,17 Thuiswonend 195,84 198,37 202,63 207,28 206,25 Studentenmonitor Bron: IB-Groep/Cfi De wettelijke ouderlijke bijdrage aan studerende kinderen wordt berekend aan de hand van het inkomen van de ouders. Als de ouders hiervoor voldoende inkomen hebben, is het de bedoeling dat zij het volledige normbedrag betalen. Als ze minder verdienen, betalen ze naar inkomen; de rest wordt aangevuld met aanvullende beurs van de overheid. De ouderlijke bijdrage die door studenten wordt ontvangen hoeft echter niet altijd precies de wettelijke ouderlijke bijdrage te zijn. Sommige ouders betalen veel meer dan wordt verondersteld, sommige ouders minder. Op onderstaande wijze is berekend in hoeverre, volgens de ouderbijdrage berekend door IB-Groep, ouders minder dan verondersteld betalen, precies het richtinggevende bedrag betalen, of juist meer dan verondersteld bijdragen aan studerende kinderen: normbedragen aanvullende beurs/ouderbijdrage minus ontvangen aanvullende beurs=veronderstelde aanvulling ouders (AO); werkelijke ouderbijdrage (WO)=financiële ouderbijdrage + ouderbijdrage in natura; relatieve ouderbijdrage=veronderstelde aanvulling ouders (AO) werkelijke aanvulling ouders (WO). De relatieve ouderbijdrage die op deze manier wordt berekend resulteert in een reeks bedragen van ongeveer tot 300. Op basis daarvan zijn groepen geconstrueerd. Deze groepen zijn voor de meeste analyses ingedikt naar drie groepen (1/2 meer dan verondersteld ; 3 richtinggevend ; 4/5 minder dan verondersteld ). Groep 1: Studenten die veel meer dan verondersteld krijgen; oftewel studenten die over de 200 meer dan verondersteld krijgen per maand. Groep 2: studenten die meer dan verondersteld krijgen; oftewel studenten die tussen de 200 en 50 per maand meer dan verondersteld krijgen. Groep 3: studenten die een richtinggevend bedrag aan ouderbijdrage krijgen; waarbij de ouderlijke bijdrage niet meer dan 50 afwijkt van de veronderstelde ouderbijdrage. 144 Studentenmonitor 2007
145 Groep 4: studenten die minder dan verondersteld aan ouderbijdrage krijgen; oftewel studenten die tussen de 50 en 200 minder dan verondersteld krijgen per maand. Groep 5: studenten die veel minder dan verondersteld krijgen; oftewel studenten die meer dan 200 euro minder dan verondersteld krijgen per maand. In dit hoofdstuk wordt met de term relatieve ouderlijke bijdrage steeds verwezen naar de indicator voor ouderbijdrage zoals hierboven is toegelicht. 7.3 Hoeveel ouderbijdrage ontvangen studenten? Hoeveel ouderlijke bijdrage ontvangen studenten nu echt? In Figuur 82 is het bedrag dat studenten gemiddeld van hun ouders zeggen te ontvangen en het bedrag dat zij aan aanvullende beurs ontvangen weergegeven. In de aanvullende beurs is in de afgelopen jaren een lichte stijging voor zowel uitwonende en thuiswonende studenten O ude rlijke bijdra g e (uit) O ude rlijke bijdra g e (thuis ) Aa nvullende beurs (uit) Aa nvullende beurs (thuis) Figuur 82: Gemiddelde ouderlijke bijdrage / gemiddelde aanvullende beurs in , voor uitwonenden en thuiswonenden De gemiddelde ouderlijke bijdrage fluctueert redelijk sterk. In het afgelopen jaar is toch ook hierin voor zowel thuis- als uitwonenden een lichte stijging. Figuur 83 laat zien in hoeverre de werkelijke ouderlijke bijdrage voor uitwonende en thuiswonende studenten gelijk is aan de veronderstelde ouderbijdrage. 145 Studentenmonitor 2007
146 De verschillen tussen uit- en thuiswonende studenten zijn niet erg groot. Onder thuiswonenden krijgt bijna één derde van de studenten de richtinggevende bijdrage van hun ouders. De helft van de studenten die bij hun ouders woont krijgt meer dan de veronderstelde bijdrage. Uitwonende studenten krijgen nog vaker meer dan het veronderstelde bedrag (58%). uitwone nd thuis wone nd totaa l % 20% 40% 60% 80% 100% Me e r da n ve ronde rs te ld Richting g e ve nd Minde r da n ve ronde rs te ld Figuur 83: Relatieve ouderbijdrage naar achtergrondkenmerken (woonsituatie) In Tabel 38 staan we de relatieve ouderbijdrage, uitgesplitst naar sector en Tabel 39 toont de relatieve ouderbijdrage, uitgesplitst naar achtergrondkenmerken. Opvallend is allereerst dat in (bijna) alle groepen het grootste deel van de studenten meer krijgt dan de veronderstelde ouderbijdrage dan richtinggevend is. Tabel 38: Relatieve ouderbijdrage naar achtergrondkenmerken (sector, geslacht, studiejaar, etniciteit) Meer dan veronderstelde ouderbijdrage Richtinggevend Minder dan veronderstelde ouderbijdrage Sector Onderwijs 39,5 34,6 26,0 Gedrag & Maatschappij 51,5 32,4 16,1 Techniek 52,3 23,3 24,3 Economie 55,8 25,2 19,0 Landbouw 56,5 22,3 21,2 Taal & Cultuur 56,8 26,0 17,2 Gezondheidszorg 60,3 21,5 18,1 Recht 61,9 21,5 16,6 Natuur 65,9 21,4 12,8 Totaal HO 54,2 26,3 19,6 Studentenmonitor Studentenmonitor 2007
147 Allochtone studenten krijgen iets vaker het veronderstelde bedrag (41,4% krijgt richtinggevend ; 37,4% krijgt meer dan verondersteld). Relatief weinig studenten krijgen minder dan de veronderstelde ouderbijdrage. Binnen de sector Onderwijs zijn dit er nog het meest, namelijk 26 procent van de studenten. Ook in de sector Techniek zijn studenten relatief financieel onafhankelijk van hun ouders; hier krijgt 24,3 procent minder dan de veronderstelde bijdrage. Studenten in de sector Natuur krijgen relatief vaak meer dan de veronderstelde ouderbijdrage (65,9 procent krijgt meer; slechts 12,8 procent krijgt minder dan verondersteld). Tabel 39: Relatieve ouderbijdrage naar achtergrondkenmerken (geslacht, studiejaar, etniciteit) Meer dan veronderstelde ouderbijdrage Richtinggevend Minder dan veronderstelde ouderbijdrage Geslacht Man 53,4 25,0 21,6 Vrouw 54,9 27,4 17,7 Studiejaar Eerstejaars 56,0 28,8 15,2 Ouderejaars 53,6 25,5 20,9 Etniciteit Autochtoon 56,1 24,6 19,4 Allochtoon 37,4 41,4 21,1 Totaal HO 54,2 26,3 19,6 Studentenmonitor Hebben studenten die meer ouderbijdrage dan verondersteld ontvangen een andere achtergrond dan studenten die minder dan de veronderstelde bijdrage ontvangen? In Figuur 84 is de relatieve ouderbijdrage uitgesplitst naar het hoogste opleidingsniveau van de ouders in beeld gebracht. Studenten met wetenschappelijk opgeleide ouders krijgen relatief vaak meer dan verondersteld (68%), en relatief weinig minder dan het richtinggevende bedrag (14%). Van de studenten met middelbaar- en laagopgeleide ouders én ouders met een hbo-opleiding krijgt ongeveer één vijfde minder ouderbijdrage dan verondersteld. 147 Studentenmonitor 2007
148 wo hbo mbo, ha vo, vwo po, vmbo, ma vo tota a l % 20% 40% 60% 80% 100% Meer dan verondersteld Richting g evend Minder dan verondersteld Figuur 84: Relatieve ouderbijdrage naar hoogste opleiding ouders Ouders met een hoger inkomen zouden hun studerende kinderen onevenredig veel financiële steun kunnen geven. In Figuur 85 zien we dat hier in enige mate sprake van is. Van studenten met ouders met een ondergemiddeld inkomen geeft bijna de helft meer dan de veronderstelde ouderbijdrage, van de studenten met bovengemiddeld verdienende ouders is dit 66 procent. bove ng e midde ld inkome n onde rg e midde ld inkome n tota a l % 20% 40% 60% 80% 100% Meer dan verondersteld Richting g evend Minder dan verondersteld Figuur 85: Relatieve ouderbijdrage naar inkomen ouders Ten slotte bekijken we in deze paragraaf nog waar studenten oorspronkelijk vandaan komen. Houden ouders uit het zuiden zich bijvoorbeeld vaker aan de richtinggevende bedragen voor ouderbijdrage of geven zij meer dan wordt verondersteld? De verschillen tussen studenten uit verschillende provincies zijn niet opvallend groot. Studenten uit Zeeland blijken relatief vaak meer dan de veronderstelde ouderbijdrage te ontvangen (61%), terwijl Groningse ouders dit het minst vaak doen (51 procent meer dan verondersteld). Aan de andere kant ontvangen studenten die uit Overijssel komen relatief vaak minder dan de veronderstelde bijdrage (22%) en geldt dit voor slechts één tiende van de studenten met Zeeuwse ouders. 148 Studentenmonitor 2007
149 Limburg Noord-Braba nt Ze e la nd Zuid-Holla nd Noord-Holla nd Utre cht Gelde rla nd Fle vola nd O ve rijs se l D renthe Frie s la nd Groning e n totaa l % 20% 40% 60% 80% 100% Me e r da n ve ronde rs te ld Richting g e ve nd Minde r da n ve ronde rs te ld Figuur 86: Relatieve ouderbijdrage (%) naar provincie van herkomst (oudst bekende postcode) In Figuur 87 is weergegeven in hoeverre allochtone studenten van verschillende etniciteit de veronderstelde bijdrage van hun ouders krijgen tijdens hun studie. Opvallend is dat het grootste deel van de Marokkaanse studenten precies het richtinggevende bedrag aan ouderbijdrage krijgt (80%). Van de autochtonen is dit deel veel minder groot (24%). Van de Surinamers en Antilianen krijgt één derde minder dan de veronderstelde ouderbijdrage. Daarnaast kan ook het verschil worden bekeken tussen studenten waarvan de ouders zelf wél hoger opgeleid zijn en studenten die de eerste generatie in het hoger onderwijs zijn (Figuur 87). Eerste generatie studenten krijgen iets vaker minder dan de veronderstelde ouderbijdrage dan studenten van hoger opgeleide ouders. Dit zagen we al eerder terug in Figuur Studentenmonitor 2007
150 Ee rste g e ne ra tie ho Nie t-e e rste g e ne ra tie ho Autochtoon Ande rs Turks Marokkaa ns Surina me rs /Antillia ne n Tota a l % 20% 40% 60% 80% 100% Meer dan verondersteld Richting g evend Minder dan verondersteld Figuur 87: Relatieve ouderbijdrage naar etniciteit en generatie in hoger onderwijs In Figuur 88 zien we de gemiddelde werkelijke ouderlijke bijdrage 16 voor studenten van verschillende afkomst ,2 222, , ,9 98,4 0 Surinaams en Antillia a ns Marokka a ns Turks Ande rs Autochtoon Figuur 88: Gemiddelde ouderlijke bijdrage naar etniciteit (autochtoon, Surinamers en Antilianen, Marokkanen, Turken, anders allochtonen) 16 Ouderlijke bijdrage betreft hier het gemiddeld bedrag dat door studenten wordt ontvangen van ouders per maand, zoals aangegeven door studenten. Eventuele bijdrage van partners is hierbij, afwijkend van overige hoofdstukken, buiten beschouwing gelaten. 150 Studentenmonitor 2007
151 Marokkanen krijgen relatief weinig van hun ouders. Nederlandse en allochtonen van andere afkomst krijgen daarentegen relatief veel (respectievelijk 222,90 en 216,20 gemiddeld per maand). Voor de Surinamers en Antilianen en Turken ligt het bedrag aan ouderlijke bijdrage ongeveer op het gemiddelde. Studenten die meer dan de veronderstelde ouderbijdrage ontvangen, hebben minder of geen noodzaak om tijd te besteden aan een bijbaan en hebben zo meer tijd te besteden aan de studie. Van studenten die minder dan de veronderstelde ouderbijdrage ontvangen kan daarentegen worden verwacht dat zij meer tijd aan een (bij)baan moeten of willen besteden en zo minder tijd hebben voor studiegerelateerde activiteiten. In Figuur 89 en Figuur 90 is de tijdbesteding aan studie en werk weergegeven voor studenten met meer en minder dan de veronderstelde ouderbijdrage. Qua tijdbesteding aan (betaald) werk zien we dat studenten met minder dan de veronderstelde ouderbijdrage iets vaker meer dan 16 uur per week werken dan studenten meer dan de veronderstelde bijdrage. De studenten die meer ouderbijdrage ontvangen dan het richtinggevende bedrag hebben iets vaker helemaal geen werk (19 t.o.v. 17%) of een kleine bijbaan van 1-8 uur (31 t.o.v. 23%). 30 uur e n me e r uur uur 9-15 uur 1-8 uur g e e n we rk/0 uur Meer dan verondersteld Minder dan verondersteld Figuur 89: Tijdbesteding aan (betaald) werk (uren per week), voor studenten die meer dan verondersteld en studenten die minder dan verondersteld aan ouderbijdrage ontvangen Studenten die meer dan de veronderstelde financiële steun van hun ouders krijgen lijken daarmee ook minder te zijn genoodzaakt een (grote) baan te hebben. Maar wordt de gewonnen tijd ook gebruikt om te studeren? De percentages in Figuur 90 lijken dit tegen te spreken. Studenten met meer dan de veronderstelde ouderbijdrage studeren ongeveer net zo hard als studenten die veel minder bijdrage van hun ouders ontvangen. Alleen onder studenten die heel veel tijd aan hun studie besteden (41 uur of meer per week), en onder studenten die nauwelijks tijd aan hun studie besteden (1 tot 8 uur per week), is er 2 procentpunt verschil tussen studenten die meer of juist minder dan het richtinggevende bedrag aan ouderbijdrage ontvangen. 151 Studentenmonitor 2007
152 41 uur of me e r uur uur uur 9-15 uur 1-8 uur Meer dan verondersteld Minder dan verondersteld Figuur 90: Tijdbesteding aan studie (uren per week), voor studenten die meer en studenten die minder dan de veronderstelde ouderbijdrage ontvangen Het is te verwachten dat studenten die minder dan de veronderstelde financiële bijdragen van hun ouders ontvangen eerder een krap budget hebben en daarom vaak een erg slecht oordeel over de eigen financiële situatie. In Figuur 91 zien we dat onder studenten die meer dan het veronderstelde bedrag aan ouderbijdrage ontvangen, meer dan de helft de eigen financiële situatie als goed heeft beoordeeld. Onder studenten die minder dan verondersteld ontvangen, ligt het aandeel studenten met een goede financiële situatie iets meer dan 10 procentpunt lager. Minder dan verondersteld Richting g eve nd Meer dan verondersteld % 20% 40% 60% 80% 100% g oed re delijk sle cht Figuur 91: Relatieve ouderbijdrage naar oordeel van studenten over de financiële situatie. Op welke manier zorgen studenten die minder dan de veronderstelde ouderbijdrage ontvangen ervoor dat zij toch een budget/inkomen hebben waar zij positief over zijn? 152 Studentenmonitor 2007
153 Wat zijn de strategieën om voldoende inkomsten te verwerven van studenten met minder dan de veronderstelde bijdrage? 17 Uit Figuur 92 blijkt dat studenten die minder dan de veronderstelde ouderbijdrage ontvangen vaker aangeven dat dit een reden is om te gaan lenen dan studenten die het richtinggevende bedrag of meer dan het veronderstelde bedrag bijdrage ontvangen. Ook, maar in mindere mate, geven financieel meer onafhankelijke studenten vaker aan dat zij werken om het gebrek aan ouderlijke bijdrage te compenseren. Het verschil tussen studenten die meer dan verondersteld en studenten die minder dan verondersteld ontvangen is groter voor lenen (25 procentpunt verschil) dan voor werken (17 procentpunt). Lenen lijkt daarmee een populaire strategie om te compenseren dat de bijdrage van de ouders minder is dan wordt verondersteld. Minder dan verondersteld Richting g eve nd Meer dan verondersteld Tota a l % 10% 20% 30% 40% 50% we rke n om onvoldoe nde oude rbijdra g e le ne n om onvoldoe nde ouderbijdra g e Figuur 92: Percentage studenten dat aangeeft te lenen en percentage studenten dat aangeeft te werken met als reden onvoldoende ouderlijke bijdrage, naar de relatieve ouderbijdrage. Wat is de relatie tussen een relatief lage ouderlijke bijdrage en de normbedragen voor levensonderhoud, die jaarlijks voor uit- en thuiswonende studenten worden vastgesteld? Tabel 40 geeft de gemiddelde maandelijkse inkomsten uit basisbeurs, aanvullende beurs, lening bij de IB-Groep en uit werk. In het studiefinancieringsbeleid wordt ervan uit gegaan dat deze vier bronnen tezamen de kosten voor levensonderhoud / studie dekken. Alleen voor thuiswonende studenten die minder dan de veronderstelde ouderbijdrage ontvangen en voor thuiswonende studenten die het richtinggevende bedrag ontvangen is het berekende inkomen gemiddeld lager dan het normbedrag levensonderhoud. Het verschil in maandelijks inkomen uit de genoemde bronnen tussen studenten met relatief veel en relatief weinig ouderlijke bijdrage is wel significant. 17 Er zijn uiteenlopende redenen waarom ouders minder dan de veronderstelde bijdrage betalen. Met de analyses die hier worden uitgevoerd is het niet mogelijk daar een oordeel over het inkomen van de student aan te verbinden (student krijgt té weinig of té veel ouderlijke bijdrage). Een student kan bijvoorbeeld onafhankelijk van zijn ouders willen zijn, andere inkomstenbronnen hebben of misschien wel met weinig geld rond kunnen komen. 153 Studentenmonitor 2007
154 Tabel 40: Gemiddeld maandelijks inkomen uit beurs, lening, arbeid en van ouders, naar relatieve ouderlijke bijdrage Thuiswonend Uitwonend Normbedragen levensonderhoud * 573,53 754,41 Minder dan verondersteld ** 614,66 879,50 Richtinggevend 466,44 856,12 Meer dan verondersteld ** 493,03 916,86 Studentenmonitor (*) Bron: Cfi. (**) Het verschil in gemiddeld maandelijks inkomen uit beurs, lening, arbeid en van ouders tussen studenten met relatief veel en studenten met relatief weinig ouderlijke bijdrage is significant; ; * p <0,05; ** p < 0,01; De eigen bijdrage van studenten aan de studiekosten kan op verschillende manieren tot stand komen. Een student kan door betaalde arbeid te verrichten in de kosten voor levensonderhoud voorzien. Daarnaast biedt de IB-Groep de mogelijkheid van een studielening. In hoeverre maken studenten met relatief weinig ouderbijdrage meer gebruik van deze leenmogelijkheid? Tabel 41 geeft gemiddelde maandelijkse leenbedragen weer. Studenten met meer dan veronderstelde ouderbijdrage lenen significant minder dan studenten die relatief weinig relatieve ouderlijke bijdrage ontvangen. Tabel 41: Gemiddeld maandelijks leenbedrag bij IB-Groep, naar relatieve ouderlijke bijdrage Thuiswonend Uitwonend Meer dan verondersteld ** 274,53 369,76 Richtinggevend 251,10 334,20 Minder dan verondersteld ** 298,93 505,93 Studentenmonitor (**) Het verschil in gemiddeld maandelijks leenbedrag tussen studenten met relatief veel en studenten met relatief weinig ouderlijke bijdrage is significant; ; * p <0,05; ** p < 0, Profiel van studenten in relatie tot de veronderstelde ouderbijdrage In deze paragraaf wordt nader ingegaan op twee groepen studenten: studenten die meer dan de veronderstelde ouderbijdrage ontvangen en studenten die juist minder dan de veronderstelde financiële steun van hun ouders krijgen. Op welke factoren/aspecten, en in welke mate, wijken deze studenten vooral af van de rest van de studentenpopulatie? Is hun achtergrond bijvoorbeeld anders dan die van de overige studenten? En besteden studenten met meer dan de richtinggevende ouderbijdrage ook meer tijd aan studie? Compenseren studenten met minder dan de veronderstelde bijdrage dit door meer tijd te besteden aan een betaalde (bij)baan? 154 Studentenmonitor 2007
155 Studenten in het hbo uit de vijf studentprofielen (zie paragraaf 2.9) verschillen niet aanzienlijk van elkaar wat betreft een overschrijding van de veronderstelde bedragen aan ouderbijdrage (zie Tabel 41). Onder Vakgeïnteresseerden bevinden zich iets meer studenten die meer dan de veronderstelde ouderbijdrage ontvangen (51,5%) dan onder de overige vier studenttypen. Onder Statuszoekers bevinden zich daarentegen juist relatief veel studenten die minder dan het richtinggevende bedrag van hun ouders ontvangen (26,3%). Tabel 42: Relatieve ouderbijdrage naar studenttypen - hbo Meer dan veronderstelde ouderbijdrage Minder dan veronderstelde ouderbijdrage Verschil met overige typen Idealist 47,7 19,2 (n.s.) Vakgeïnteresseerd 51,5 21,3 (n.s.) Zelfontplooiers 46,7 23,2 (n.s.) Normatieven 48,2 22,4 (n.s.) Statuszoekers 48,8 26,3 (n.s.) Studentenmonitor Wo studenten krijgen - dit geldt voor alle profielen - vaker meer dan de veronderstelde bijdrage dan hbo-studenten. Onder wo-studenten zien we iets meer verschil tussen de groepen; echter is dit verschil telkens niet significant. Onder Normatieven bevinden zich opvallend weinig studenten die meer dan de veronderstelde bijdrage ontvangen (59%). Het studenttype met de meeste studenten die minder dan het veronderstelde bedrag ontvangen zijn óók de Normatieven (16,5%). Tabel 43: Relatieve ouderbijdrage naar studenttypen - wo Meer dan veronderstelde ouderbijdrage Minder dan veronderstelde ouderbijdrage Verschil met overige typen Idealist 64,8 14,2 (n.s.) Vakgeïnteresseerd 67,9 14,2 (n.s.) Zelfontplooiers 65,6 13,9 (n.s.) Normatieven 59,0 16,5 (n.s.) Statuszoekers 66,6 11,0 (n.s.) Studentenmonitor Studentenmonitor 2007
156 Met een logistische regressieanalyse is bekeken in welke opzichten de groep studenten die meer dan de veronderstelde ouderbijdrage ontvangen verschilt van andere studenten. Voor studenten aan een hogeschool (Tabel 44) blijkt dat deze rijke studenten vaker uit de zuidelijke dan uit de noordelijke provincies komen, en ouders hebben met een hogere sociaal-economische status. Daarnaast zijn ze jonger. Studenten die meer dan de veronderstelde financiële steun van hun ouders ontvangen vinden we vaker in de sectoren Techniek en Economie, én vinden we minder onder de Statuszoekers dan onder andere studentprofielen. Tabel 44: Indicator Profiel van hbo-studenten met meer dan de veronderstelde ouderbijdrage Exp(B) Studenten met meer dan de veronderstelde ouderbijdrage: Achtergrondkenmerken Woonsituatie (0=thuis, 1=uit) 2,24 ** Zijn vaker uitwonend Leeftijd 0,91 ** Zijn jonger Sociaal-economische status 1,40 ** Ouders met een hogere sociaal-economische status Provincie van herkomst: Groningen 0,46 ** Komen minder vaak uit Groningen Provincie van herkomst: Friesland 0,57 * Komen minder vaak uit Friesland Provincie van herkomst: Limburg 1,61 ** Komen vaker uit Limburg Studiekenmerken Techniek 1,40 ** Studeren vaker in de sector Techniek Economie 2,12 ** Studeren vaker in de sector Economie Studentprofiel Statuszoekers 0,51 ** Zijn minder vaak Statuszoekers Constant 0,94 Studentenmonitor Gewogen voor steekproefafwijkingen. Nagelkerke R 2 =0,09; * p <0,05; ** p < 0,01; N= Voor studenten in het wetenschappelijk onderwijs met meer dan de veronderstelde ouderbijdrage geldt dat zij zich op ongeveer dezelfde achtergrondkenmerken onderscheiden als deze groep in het hbo (Tabel 45). Daarnaast zijn wo ers met meer dan de veronderstelde ouderbijdrage minder vaak te vinden in de sector Gedrag & Maatschappij, en zijn zij minder vaak te vinden onder de Normatieven. 156 Studentenmonitor 2007
157 Tabel 45: Indicator Profiel van wo-studenten met meer dan de veronderstelde ouderbijdrage Exp(B) Studenten met meer dan de veronderstelde ouderbijdrage: Achtergrondkenmerken Woonsituatie (0=thuis, 1=uit) 2,67 ** Zijn vaker uitwonend Leeftijd 0,88 ** Zijn jonger Sociaal-economische status 1,62 ** Ouders met een hogere sociaal-economische status Provincie van herkomst: Groningen 0,53 ** Komen minder vaak uit Groningen Studiekenmerken Gedrag & Maatschappij 0,69 ** Minder in de sector Gedrag & Maatschappij Studentprofiel Normatieven 0,74 ** Zijn minder vaak Normatieven Constant 3,20 ** Studentenmonitor Gewogen voor steekproefafwijkingen. Nagelkerke R 2 =0,12; * p <0,05; ** p < 0,01; N= Multivariate verklaringen relatieve ouderbijdrage Tabel 46 toont een verklaringsmodel voor de relatieve ouderbijdrage voor studenten in het hbo. In de tabel worden alleen de factoren weergegeven die hierop een significant effect hebben, onder controle van de overige factoren. Hbo ers waarvan de ouders een hogere sociaal-economische status hebben, ontvangen meer ouderlijke bijdrage, evenals studenten die niet (meer) thuis wonen. Daarnaast geldt dat des te ouder studenten worden, des te minder ouderlijke bijdrage zij ontvangen. Studenten uit de provincies Flevoland en Limburg ontvangen significant meer ouderlijke bijdrage dan studenten uit de overige provincies. Vervolgens zien we dat studenten die Economie studeren, meer ouderlijke bijdrage ontvangen dan de rest, terwijl studenten in het (hbo) Onderwijs juist met significant minder genoegen moeten nemen. Statuszoekers én Normatieven ontvangen significant minder ouderlijke bijdrage dan de overige studenttypen. 157 Studentenmonitor 2007
158 Tabel 46: Verklaringsmodel hoogte van de relatieve ouderlijke bijdrage voor studenten in het hbo: gestandaardiseerde en ongestandaardiseerde regressiecoëfficiënten. B ß t Constant 4,18 14,92** Achtergrondkenmerken Sociaal-economische status 0,20 0,11 7,32 ** Gemiddelde leeftijd -0,08-0,09-5,71 ** Woonsituatie (0=thuis, 1=uit) 0,30 0,08 5,02 ** Provincie van herkomst: Flevoland 0,57 0,05 3,28 ** Provincie van herkomst: Limburg 0,31 0,04 2,90 * Studiekenmerken Economie 0,35 0,09 5,71 ** Onderwijs -0,24-0,05-3,03 * Studentprofiel Statuszoekers -0,30-0,07-4,18 ** Normatieven -0,14-0,03-2,13 * Studentenmonitor Gewogen voor steekproefafwijkingen. R=0,21; R 2 =0,04; * p <0,05; ** p < 0,01; N= Voor studenten in het wo zijn er meerdere factoren aan te wijzen die een deel (ongeveer 4%) van de verschillen in relatieve ouderlijke bijdrage verklaren. In Tabel 47 zien we dat een hogere sociaal-economische status van de ouders voor studenten aan de universiteit leidt tot meer ouderlijke bijdrage, en dat uitwonende studenten significant vaker veel ouderlijke bijdrage ontvangen. Daarnaast is de ouderlijke bijdrage, net zoals in het hbo, voor studenten in het wo, minder vaak (veel) te veel naarmate studenten ouder zijn. Tabel 47: Verklaringsmodel hoogte van de relatieve ouderlijke bijdrage voor studenten in het wo: gestandaardiseerde en ongestandaardiseerde regressiecoëfficiënten. B ß t Constant 4,68 10,82** Achtergrondkenmerken Sociaal-economische status 0,24 0,13 5,85 ** Woonsituatie (0=thuis, 1=uit) 0,46 0,11 5,03 ** Leeftijd -0,09-0,10-4,35 ** Studentenmonitor Gewogen voor steekproefafwijkingen. R=0,19; R 2 =0,04; * p <0,05; ** p < 0,01; N= Studentenmonitor 2007
159 7.5 Samenvatting In dit hoofdstuk is gekeken naar de (financiële) ouderbijdrage die studenten ontvangen, gerelateerd aan de normbedragen voor ouderlijke bijdrage (relatieve ouderbijdrage). Er is geanalyseerd op welke kenmerken studenten die meer of minder dan de veronderstelde ouderbijdrage ontvangen verschillen van overige studenten. In deze paragraaf worden de belangrijkste uitkomsten samengevat. De hoogte van de ouderlijke bijdrage Het merendeel van de studenten ontvangt meer dan de veronderstelde ouderbijdrage. Ongeveer een kwart ontvangt precies het vastgestelde, richtinggevende bedrag van hun ouders. De overige gemiddeld 20 procent van de studenten krijgt maandelijks minder dan het veronderstelde bedrag van hun ouders. Binnen de sector Onderwijs krijgen studenten relatief vaak minder dan de veronderstelde ouderbijdrage. Studenten in de sector Natuur krijgen daarentegen relatief vaak meer dan de veronderstelde bijdrage. Onder thuiswonende studenten krijgt de helft meer ouderbijdrage dan verondersteld. Uitwonende studenten krijgen nog vaker meer dan de veronderstelde bijdrage, namelijk 58 procent. Achtergrond Studenten met hoogopgeleide ouders krijgen relatief vaak meer dan verondersteld, en relatief weinig minder dan het veronderstelde bedrag aan ouderbijdrage. Onder studenten met ouders met een ondergemiddeld inkomen krijgt bijna de helft meer dan verondersteld aan ouderbijdrage, onder studenten met bovengemiddeld verdienende ouders is dit 66 procent. Marokkanen krijgen relatief vaak minder dan de veronderstelde financiële bijdrage van hun ouders. Het grootste deel van de Marokkaanse studenten (80%) krijgt precies het richtinggevende bedrag aan ouderbijdrage. Nederlandse studenten en andere allochtone studenten (Turken, Surinamers/Antillianen) krijgen daarentegen relatief vaak meer dan het veronderstelde bedrag. Van de oorspronkelijk Surinaamse en Antilliaanse studenten krijgt één derde meer dan de veronderstelde ouderlijke bijdrage. Studenten met minder dan de veronderstelde ouderbijdrage werken vaker meer dan 16 uur per week dan studenten met meer dan de veronderstelde ouderbijdrage. Studenten met meer dan de veronderstelde ouderbijdrage studeren ongeveer net zoveel als studenten die minder dan de veronderstelde bijdrage van hun ouders ontvangen. Profielen In het hbo bevinden zich onder Vakgeïnteresseerden relatief veel studenten die meer dan de veronderstelde ouderbijdrage ontvangen. Onder Statuszoekers in het hbo vinden we daarentegen juist relatief veel studenten die minder dan het veronderstelde bedrag ontvangen. 159 Studentenmonitor 2007
160 In het wo verschillen de studentprofielen ook niet significant van elkaar voor wat betreft de relatieve ouderbijdrage. Onder Normatieven bevinden zich weinig studenten die meer dan verondersteld ontvangen. Hbo ers die meer dan de veronderstelde ouderbijdrage ontvangen verschillen op een aantal punten van de rest van de studenten op het hbo: - ze zijn vaker uitwonend; - ze zijn jonger; - ze hebben ouders met een hogere sociaal-economische status; - komen minder vaak uit Friesland of Groningen; - komen vaker uit Limburg; - studeren vaker in de sector Techniek en Economie ; - zijn minder vaak statuszoekers. Wo ers met meer dan de veronderstelde ouderbijdrage wijken op een aantal punten af van overige studenten: - ze zijn significant vaker uitwonend; - zijn jonger; - hebben ouders met een hogere sociaal-economische status; - komen minder vaak uit Groningen ; - studeren minder vaak in de sector Gedrag en Maatschappij en zijn minder vaak Normatieven. Verklaringen Hbo ers waarvan de ouders een hogere sociaal-economische status hebben ontvangen meer ouderlijke bijdrage, evenals studenten in het hbo die niet (meer) thuis wonen. Daarnaast geldt in het hbo dat des te ouder studenten worden, des te minder ouderlijke bijdrage zij ontvangen. Voor studenten in het wo zijn er ook meerdere factoren aan te wijzen die een deel van de verschillen in ouderlijke bijdrage verklaren. Ouders hebben met een hogere sociaal-economische status en uitwonend zijn zorgen voor een hogere ouderlijke bijdrage. Ook hier krijgen oudere studenten minder bijdrage. 160 Studentenmonitor 2007
161 8 Nederlandse studenten in Europees perspectief 8.1 Inleiding Internationalisering is de laatste jaren een belangrijk thema in het hoger onderwijs. Dit geldt niet alleen voor de toename in de mobiliteit van studenten in het Europees hoger onderwijs, maar ook voor de samenwerking en de positie van het Nederlands hoger onderwijs in internationaal perspectief. Er bestaan verschillende initiatieven die binnen de grenzen van Europa de positie van studenten in beeld brengen. Eén daarvan is Eurostudent 18. Dit netwerk, waar inmiddels 23 landen in participeren, brengt door middel van (secundaire) analyse op samengevoegde data de sociale dimensie van studeren in Europa in kaart. In dit hoofdstuk gebruiken we de data van Eurostudent III 19 om de (sociale) positie van de Nederlandse student in Europees perspectief te onderzoeken. In het bijzonder zal met behulp van deze gegevens in de volgende paragrafen een antwoord worden gegeven op de volgende vragen: (1) Wat zijn de kenmerken van Europese studenten, en in het bijzonder van de Nederlandse student in Europees perspectief? Wat is de gemiddelde leeftijd van studenten in Europese landen; zijn er meer jongens of juist meer meisjes; hoe is de woonsituatie van studenten in de verschillende landen? Ook wordt aandacht besteed aan opleidingskenmerken; studeren studenten in vol- of deeltijd en voor welke diploma s studeren studenten in de verschillende landen? (2) Hoe toegankelijk is het onderwijs in Nederland, vergeleken met verschillende Europese landen? Krijgen jongeren uit lagere sociale klassen (met laag opgeleide ouders) extra (financiële) steun van de overheden om een opleiding in het hoger onderwijs te gaan volgen en zijn studenten met laagopgeleide ouders en hoogopgeleide ouders evenredig vertegenwoordigd in het hoger onderwijs? Waar komt het inkomen van Nederlandse studenten vooral vandaan, en hoe is dit vergeleken met studenten uit andere Europese landen? En is een hoog of laag inkomen vooral het resultaat van de hoogte van de bijdrage van de overheid, de ouderlijke bijdrage of juist de student zelf (door een betaalde (bij)baan)? (3) Hoe internationaal georiënteerd is de Nederlandse student vergeleken met overige Europese collega-studenten? Hoeveel studenten hebben buitenlandervaringen- of definitieve plannen; en welke activiteiten ontplooien zij in het buitenland (stage, studie, werk etc). Ten slotte, hoe financieren Europese studenten deze activiteiten over de grens? Zie ook voor meer informatie over Eurostudent. Gegevens kunnen afwijken van eerder genoemde percentages voor Nederlandse studenten in dit rapport. In dit hoofdstuk zijn de gegevens gebruikt van Eurostudent III, uitgevoerd in Studentenmonitor 2007
162 8.2 Profiel van de Europese student Van de Nederlandse student kan een profiel worden opgemaakt aan de hand van een aantal achtergrondkenmerken 20 die zij wel of niet gemeen hebben met studenten in de rest van Europa. Deze vergelijking wordt in de figuren in deze paragraaf gepresenteerd. In eerste instantie worden twee demografische kenmerken van Europese studenten vergeleken: geslacht en leeftijd. 80% 72 60% 40% % 0% TR SK D E CH NL RO AU CZ ES PT IT E/W FR LT BG SCO EE IE NO FI SL SE LV onder alle studenten onder bachelor-studenten Figuur 93: Percentage vrouwelijke studenten. Noorwegen; Zweden: geen gegevens beschikbaar voor alleen bachelorstudenten. Een aantal punten valt op in Figuur 93. Er is een aantal landen, Slovenië, Letland, Finland, Ierland waar een groot deel van de studenten (meer dan 60%) vrouw is. Daarnaast is er een groot aantal landen waar ongeveer evenveel mannelijke als vrouwelijke studenten zijn. Landen waar het aandeel vrouwelijke studenten relatief laag is zijn Zwitserland (slechts 38 procent van de bachelorstudenten is vrouw), Duitsland (48% vrouw) en Turkije (47% vrouw). Vrouwelijke studenten zijn in een groot deel van de Europese landen iets ouder dan mannen (Figuur 94). Veel scheelt het niet. 20 Percentages kunnen afwijken van eerder genoemde percentages voor Nederlandse studenten in dit rapport. in dit hoofdstuk zijn de gegevens gebruikt van Eurostudent III, uitgevoerd in Studentenmonitor 2007
163 In Groot-Brittannië, Oostenrijk, Zwitserland, Duitsland en Nederland zijn studenten relatief oud (gemiddeld ouder dan 24 jaar). In Noorwegen zijn vooral studerende vrouwen relatief oud, gemiddeld 28 jaar. In Turkije, Letland en Litouwen ligt de gemiddelde leeftijd van studenten een stuk lager. Hier zijn alle (zowel mannelijke als vrouwelijke) studenten gemiddeld 21 jaar TR LV LT IE BG IT FR PT RO EE CZ ES AU SK D E NL SL FI SCO CH SE E/W NO vrouwe n ma nnen Figuur 94: Gemiddelde leeftijd van studenten, naar geslacht Mede bepalend voor het profiel van de Nederlandse student zijn studiegerelateerde kenmerken. De factoren die in dit opzicht onderscheidend kunnen zijn, zijn studiefase (bachelor/master) en opleidingsvorm (voltijd/deeltijd). Ook de woonsituatie van de studenten (thuiswonend: bij ouders of familie; uitwonend: in studentenhuisvesting of een particuliere flat of appartement) draagt bij aan het profiel van de Europese student. In alle Europese landen die hier met elkaar worden vergeleken overheerst de standaard voltijdstudent (Figuur 95). Nederlandse studenten wijken hier niet sterk vanaf. Relatief veel deeltijdstudenten zijn te vinden in Engeland/Wales (30%) en Slowakije (37%). In Italië en Letland zijn deeltijdstudenten daarentegen erg schaars (beide 2 procent deeltijdstudenten). In een aantal landen is het onderwijssysteem niet ingericht op studeren in deeltijd, terwijl in andere landen de combinatie van studie en werk juist meer regel dan uitzondering is. 163 Studentenmonitor 2007
164 100% 80% % 40% % 0% IT LV D E IE EE SE CH BG RO LT NO NL CZ PT SCO ES SI E/W SK voltijd de e ltijd ove rig e Figuur 95: Studenten naar opleidingsvorm (voltijd/deeltijd/overige; %) Een groot aantal landen heeft afgesproken de bachelor-masterstructuur door te voeren in het hoger onderwijs, een belangrijk onderdeel van het Bologna proces 21. Sommige landen zijn met het doorvoeren van deze three-cycle-structure (Bachelor- Master-Doctorate) verder gevorderd dan anderen. Dit heeft ook te maken met de invoeringstermijnen die door individuele landen zijn vastgesteld. In Nederland is de invoering van het BaMa-stelsel in 2002 (gefaseerd) gestart. Spanje is bijvoorbeeld dit jaar begonnen met het implementeren van de nieuwe structuur in plaats van de oude nationale diploma s, en in Oostenrijk en Duitsland hebben studenten nog steeds de mogelijkheid om zich in te schrijven voor een overig nationaal diploma. De mate waarin door studenten wordt aangegeven deel te nemen aan een bachelor of masteropleiding is dus niet altijd een directe indicator voor het succes van het proces van implementatie van de three-cycle-structure in een bepaald land. 21 In1999 ondertekenden 29 Europese ministers de Bologna-verklaring, waarin zij afspraken hun nationale hoger onderwijssystemen op een aantal cruciale punten op elkaar af te stemmen. De doelstelling van het Bolognaproces is een aantrekkelijk en internationaal competitief hoger onderwijs, door mobiliteit van studenten en docenten. Voor die mobiliteit is transparantie van de systemen van hoger onderwijs in Europa van belang. Die zijn daarom in heel Europa gestructureerd in drie cycli (bachelor, master en doctor). Voor meer informatie zie: Studentenmonitor 2007
165 100% 80% 60% % 20% 0% PT LT NL BG SCO E/W IE LV EE IT CZ FI SK FR ES RO SE CH AT SL D E bachelor master overig e nationale diploma 's Figuur 96: Voor welk diploma studeer je? Nederlandse studenten zijn relatief vaak aan het studeren voor een bachelordiploma (83%). Dit geldt ook voor Portugal (89% bachelorstudenten), Litouwen (88% bachelorstudenten) en Bulgarije en Schotland (beide 80% bachelorstudenten). Andere nationale diploma s zijn sterk vertegenwoordigd in Duitsland (87% overige nationale diploma s), Slovenië (86%) en Zwitserland en Oostenrijk (respectievelijk 80% en 81%). Een aantal landen heeft de bachelor-masterstructuur al zo ver door kunnen voeren dat er geen studenten meer zijn die op weg zijn naar een afwijkend nationaal diploma. Dit geldt voor Italië, Tsjechië, Slowakije en Finland. Figuur 97 geeft de woonsituatie van studenten in Europa weer. Europese studenten wonen redelijk vaak bij hun ouders of familie. Het vaakst komt dit voor onder studenten in Spanje, Portugal en Italië. In Noord-Europa is het aanzienlijk minder gebruikelijk om in het ouderlijk huis te (blijven) wonen; in Zweden, Noorwegen en Finland wonen respectievelijk slechts 10, 7 en 4 procent van de studenten bij ouders/familie. In Oost Europese landen als Bulgarije, Slowakije en Litouwen wonen studenten relatief vaak in speciale studentenhuisvesting ( student halls ), terwijl dit in Zuid Europa bijna niet voorkomt. 165 Studentenmonitor 2007
166 100% 80% 60% 40% 20% 0% IT ES PT LV SI FR IE CH NL RO CZ LT TR SK BG EE SCO AT D E E/W SE NO FI Figuur 97: Woonsituatie van Europese studenten (%) oude rs / fa millie stude nte nhuis ve s ting pa rticulie r/e ig e n fla t/a ppa rteme nt 8.3 Budget van de Europese student en toegankelijkheid van het Europees hoger onderwijs Toegankelijkheid De toegankelijkheid van het onderwijs gaat over de sociaal-economische achtergrond van studenten die deelnemen aan het hoger onderwijs in de Europese landen. Is er binnen een onderwijssysteem een gelijke verdeling van studenten met verschillende achtergrond, bijvoorbeeld van studenten met arme en rijke ouders? Of van studenten met ouders die zelf hoger onderwijs hebben gevolgd en ouders met een laag opleidingsniveau? Worden specifiek jongeren uit lagere sociale klassen (extra) gestimuleerd of gesteund als zij gaan studeren in het hoger onderwijs? In Figuur 98 staat het aandeel studenten dat steun van de overheid ontvangt uitgesplitst naar opleidingsniveau van de ouders (sociale achtergrond). 166 Studentenmonitor 2007
167 100% 80% 60% 40% 20% 0% tot voortg e ze t la g e r onde rwijs voortg e ze t onde rwijs midde lba a r onde rwijs hog e r onde rwijs SE LT NO NL IE D E E/W RO Figuur 98: Percentage studenten met steun van de overheid naar opleiding van de ouders (alleen landen waarvoor alle gegevens beschikbaar zijn) In Figuur 99 is te zien in welke mate het inkomen van studenten in Europese landen afhankelijk is van ouders, betaalde arbeid door de student zelf of steun van de overheid. Over het algemeen wordt het inkomen van studenten vooral bepaald door inkomsten van ouders en inkomsten uit een (bij)baan, en relatief weinig door een bijdrage van de nationale overheid. In Portugal, Ierland, Bulgarije en in iets mindere mate Duitsland heeft de ouderlijke bijdrage een groot aandeel in het budget van studenten. In Tsjechië en Estland komen de inkomsten van studenten voor een groot deel voort uit betaalde arbeid. Nederlandse studenten zijn voor hun inkomsten ongeveer evenredig afhankelijk van de drie bronnen, ouders (27,5%), overheid (33,7%) en eigen inkomsten uit werk (38,8%). De positie van een land in de figuur wordt bepaald door de bijdrage aan studiekosten van ouders (linksonder, diagonale as), de bijdrage van overheden (boven, horizontale as) en de bijdrage van studenten zelf uit arbeid (rechtsonder, diagonale as). Een positie in het centrum van de drie assen betekent dat de bijdrage uit de drie bronnen ongeveer gelijk is (bijvoorbeeld Nederland, Bulgarije). Wanneer we kijken naar de verschillen tussen studenten uit een laag sociaal-economisch milieu en studenten uit een hoog sociaal-economisch milieu dan valt het volgende op. Ouders met een hogere opleiding dragen meer bij aan de deelname dan ouders met een lagere opleiding. Daarnaast hebben studenten met hoogopgeleide ouders in veel Europese landen minder overheidssteun en minder inkomsten uit arbeid dan studenten met laagopgeleide ouders. 167 Studentenmonitor 2007
168 Studenten uit een laag sociaal-economisch milieu compenseren het gebrek aan ouderlijke bijdrage dus veelal met inkomen uit betaalde arbeid, én met extra steun van de overheid. Tot slot wordt duidelijk dat in een aantal landen de verschillen in de herkomst van het studentenbudget tussen studenten met laagopgeleide en studenten met hoogopgeleide ouders meer verschilt dan in andere landen. Vergelijk bijvoorbeeld de herkomst van de inkomsten van deze groepen studenten in Ierland met de inkomsten van deze groepen studenten in Portugal (Figuur 99). Overheid 100% Ouders hoog opleidingsniveau Ouders laag opleidingsniveau IE BG FR NL FI SE DE Ouders 100% PT LT CH AT CZ EE Arbeid 100% Figuur 99: Percentage inkomsten uit baan, overheid en ouders voor studenten met een lage sociaal-economische achtergrond en studenten met een hoge sociaal-economische achtergrond. 168 Studentenmonitor 2007
169 Inkomsten en uitgaven Aan studenten in alle deelnemende landen zijn vragen gesteld over de hoogte van het inkomen, inkomensbronnen, de hoogte van uitgaven en de bestemming van de uitgaven. In deze paragraaf bekijken we de verschillen in inkomsten en uitgaven voor studenten uit verschillende Europese landen. Speciaal wordt aandacht besteed aan de positie van de Nederlandse student hierin. Het inkomen van studenten in Europa is in uiteenlopende mate afhankelijk van bijdragen van de ouders, bijdragen van de overheden, inkomsten van studenten uit betaalde arbeid en overige inkomsten (Figuur 100). In Engeland/Wales en Schotland ontvangen studenten een relatief erg groot aandeel van het inkomen van de overheid (rond 40%). In Estland daarentegen, is de bijdrage van de overheid minimaal (6% van het totale inkomen). In Portugal, Bulgarije, Turkije en Ierland is een relatief groot deel van het inkomen van studenten afkomstig van ouders, familie en partner. Nederlandse, Slowaakse en Finse studenten krijgen een relatief geringe ouderbijdrage (resp. 16%, 13% en 16% van het totale inkomen). 100% 80% 60% 40% 20% 0% SK EE CZ CH PT SL ES RO LT AT LV IE D E BG TR FR FI NL E/W SCO fa milie /pa rtne r ove rhe id (bij)ba a n ove rig inkome n Figuur 100: Inkomen van uitwonende studenten, aandeel naar bron: overheid, familie / partner / (bij)baan / overig inkomen (%) 169 Studentenmonitor 2007
170 In Figuur 101 zien we het aandeel studenten dat hun budget aanvult met betaald werk naast de studie. Als Europese studenten werken, doen zij dit zelden minder dan vijf uur per week. Nederlandse studenten hebben relatief vaak een betaalde (bij)baan van meer dan vijf uur per week, slechts een kwart werkt helemaal niet. Ook voor studenten in Letland, Estland en Slovenië geldt dat zij relatief vaak werken naast de studie. In Turkije, Portugal en Spanje is het aandeel werkende studenten minimaal (respectievelijk 8%, 22% en 25%). Ook valt op dat studenten in Frankrijk nooit meer dan vijf uur per week werken. 100% % 60% % % % NL LV EE SL D E SCO CH CZ E/W AT SK NO FR IE FI SE LT IT RO BG ES PT TR g een betaald werk betaald werk, tot 5 uur per week betaald werk, meer dan 5 uur per week Figuur 101: Aandeel studenten met betaald werk naast de studie 8.4 Europese studenten en internationale mobiliteit Een belangrijk speerpunt van Europees beleid met betrekking tot hoger onderwijs is de internationale mobiliteit van studenten in Europa. In onder andere het Bologna Proces is een aantal afspraken gemaakt waardoor de toegankelijkheid van instellingen voor hoger onderwijs voor buitenlandse studenten en de mogelijkheden tot studentmobiliteit vergroot worden. 170 Studentenmonitor 2007
171 Dit kan betekenen afspraken over financiering (verstrekken van beurzen e.d.) maar ook over faciliteiten voor buitenlandse studenten. In eerste instantie is het interessant te bekijken in hoeverre studenten, en in het bijzonder Nederlandse studenten, studiegerelateerde activiteiten (studie, cursus, stage, talencursus e.d.) buiten de landsgrenzen ontplooien. In Figuur 102 is het aandeel van alle studenten dat voor studiegerelateerde activiteiten naar het buitenland gaat weergegeven, én dit aandeel voor meisjes. 30% 20% 10% 0% TR LT IT CH LV PT SK ES SI EE AT BG IE NL SE CZ FI D E NO alle studenten vrouwen Figuur 102: Studenten (alle studenten en alleen vrouwen) met buitenlandervaring Gemiddeld verblijft ongeveer één zesde deel van de Europese studenten een tijd in het buitenland voor studiegerelateerde activiteiten. In Nederland ligt het percentage mobiele studenten ongeveer op het gemiddelde (14%). In Turkije en Letland ligt het percentage mobiele studenten onder de 5 procent (resp. 3% en 5%). In veel landen gaan meisjes íets vaker naar het buitenland dan de gemiddelde student in dat land. Alleen in Portugal, Slowakije en Bulgarije zijn meisjes wat minder dan gemiddeld internationaal mobiel. Opvallend is het verschil tussen definitieve plannen om naar het buitenland te gaan (Figuur 103) en de uitvoering van deze plannen. In Turkije, waar bijna de helft van de studenten aangeeft definitieve plannen te hebben voor een studie gerelateerd buitenlandverblijf (45%), is het percentage daadwerkelijke mobiele studenten (naar eigen zeggen) vele malen lager (3%). Omgekeerd is het beeld in Zweden. Hier geeft 8 procent van de studenten aan definitieve plannen te hebben, terwijl 14 procent van de studenten aangeeft activiteiten in het buitenland te hebben ontplooid. 171 Studentenmonitor 2007
172 Het Europees beleid is gericht op het vergroten van de toegankelijkheid van het Europees hoger onderwijs. Daarbij wordt specifiek aandacht besteed aan het vergroten van de internationale mobiliteit van studenten met uiteenlopende achtergrond. Door het aanbieden van beurzen wordt bijvoorbeeld de financiële drempel verlaagd. In hoeverre zijn studenten uit lagere en hogere sociaal-economische klassen internationaal mobiel? 50% 40% 45 30% 20% 10% 0% ES LT SE IT SI FI LV CH SK NO PT EE IE D E NL CZ BG AT TR alle studenten vrouwen Figuur 103: Definitieve plannen om naar het buitenland te gaan In Figuur 104 is de mobiliteit van studenten uitgesplitst naar het opleidingsniveau van de ouders voor een selectie van landen 22 weergegeven. In Nederland zeggen studenten met laag opgeleide ouders minder naar het buitenland te gaan voor studie of stage/taalcursus dan studenten met hoogopgeleide ouders. Dit geldt overigens voor de meeste landen in de figuur. Alleen in Oostenrijk en Estland gaan studenten met laagopgeleide ouders meer voor studie naar het buitenland dan studenten waarvan de ouders ook gestudeerd hebben. In Turkije zijn de verschillen in internationale mobiliteit tussen studenten met hoog- en laagopgeleide ouders het kleinst (maar de mobiliteit is hier dan in totaal ook minimaal). 22 Selectie van landen gebaseerd op beschikbaarheid van de indicator in de data van alle landen in Eurostudent III. 172 Studentenmonitor 2007
173 AT BG CZ D E EE ES FI FR IE LT NL PT RO SE SI TR studie : hoog stag e, taalcursus: hoog studie : laag stag e, taalcursus: laag Figuur 104: Mobiliteit Europese studenten (studie/stage/taalcursus) naar opleidingsniveau ouders Hoe bekostigen studenten de studiegerelateerde activiteiten in het buitenland? In veel landen komt een substantieel deel van het budget van de ouders/familie van studenten (Figuur 105). Dit geldt allereerst voor Portugal (67% van ouders/familie), maar ook in Ierland is meer dan de helft van de financiering afkomstig van ouders/familie (53%). In Finland en Zweden financieren studenten de activiteiten in het buitenland vooral met een studielening uit eigen land, en spelen ouders hierin een veel kleinere rol. Nederlandse studenten financieren buitenlandse studiegerelateerde activiteiten vooral met bijdragen van ouders/familie (27% van het budget), inkomen uit een eerder baantje (21%), en een studiebeurs/lening uit het ontvangend land (20%). 173 Studentenmonitor 2007
174 100% 80% 60% 40% 20% 0% , , PT IE AT RO BG SI LT NL SK SE FI EE NO ouders /familie inkomen eerder baantje andere bronnen studielening land van herkomst EU studiebeurzen inkomen uit baan in buitenland Figuur 105: Financiering van het buitenlandverblijf voor studenten uit Nederland, Noorwegen, Portugal, Zweden, Slovenië en Litouwen 8.5 Samenvatting In dit hoofdstuk hebben we gekeken naar de positie van studenten in Europa. Daarbij zijn verschillende thema s aan bod gekomen, waaronder achtergrond- en studiekenmerken, het budget van de Europese student, de toegankelijkheid van het Europees hoger onderwijs en Europese studenten en internationale mobiliteit. In deze paragraaf worden de belangrijkste bevindingen samengevat. Achtergrond- en studiekenmerken Over het algemeen bestaat er al een redelijk gelijke verdeling tussen mannen en vrouwen aan universiteiten in Europa. Landen waar het aandeel vrouwen relatief laag is zijn Zwitserland, Duitsland en Turkije. In Noord-Europa, Groot-Brittannië, Oostenrijk, Zwitserland, Duitsland en Nederland zijn studenten relatief oud. In Turkije, Letland en Litouwen zijn studenten juist relatief jong, gemiddeld jonger dan 21 jaar. In Engeland/Wales en in Slowakije vinden we relatief veel deeltijdstudenten, in Italië en Letland zijn deeltijdstudenten daarentegen relatief schaars. Europese studenten wonen redelijk vaak bij ouders/familie. Het vaakst komt dit voor onder studenten in Spanje, Portugal en Italië. In Noord - Europa is het aanzienlijk minder gebruikelijk om thuis te wonen. 174 Studentenmonitor 2007
175 Budget van de Europese student en toegankelijkheid van het Europees hoger onderwijs Over het algemeen wordt het inkomen van studenten vooral bepaald door inkomsten van ouders en inkomsten uit een (bij)baan van de student zelf, en relatief weinig door een bijdrage van de nationale overheid. Nederlandse studenten zijn voor hun inkomsten ongeveer evenredig afhankelijk van de drie bronnen: ouders, overheid en eigen inkomsten uit werk. Studenten uit een laag sociaal milieu compenseren het gebrek aan ouderlijke bijdrage veelal met inkomen uit betaalde arbeid, én met extra steun van de nationale overheden. Nederlandse studenten hebben relatief vaak een betaalde (bij)baan van meer dan 5 uur per week, slechts een kwart werkt helemaal niet. In Turkije, Portugal en Spanje is het aandeel werkende studenten minimaal. Europese studenten en internationale mobiliteit Gemiddeld verblijft ongeveer één zesde van de Europese studenten een tijd in het buitenland voor studiegerelateerde activiteiten. In Nederland ligt het percentage mobielen rond dit gemiddelde (14%). In Turkije, waar bijna de helft van de studenten aangeeft definitieve plannen te hebben voor een studiegerelateerde buitenlandverblijf, is het percentage daadwerkelijk mobiele studenten (naar eigen zeggen) vele malen lager (3%). In veel landen komt een substantieel deel van het budget voor studiegerelateerde activiteiten in het buitenland van de ouders/familie van studenten. Nederlandse studenten financieren studiegerelateerde activiteiten vooral met bijdragen van ouders/familie, inkomen uit een eerder baantje en een studiebeurs/lening uit het ontvangend land. 175 Studentenmonitor 2007
176
177 9 Studieuitval in het hoger onderwijs In dit hoofdstuk besteden we aandacht aan uitval in het hoger onderwijs. De groep uitvallers is vastgesteld door te kijken naar de groep studenten die op 1 oktober 2004 voor het laatst stonden ingeschreven en van wie het hoogst bepaalde hodiploma maximaal een wo-propedeuse is. Wo-bachelors worden dus niet als uitvallers beschouwd. Het betreft alle tussen 1 oktober 2004 en 1 oktober 2005 uitgestroomde studenten die de afgelopen twee jaar (1 oktober 2005 en 1 oktober 2006) geen inschrijving meer hebben gehad. Van de laatste inschrijving zijn de gegevens van de hoofdinschrijving in het hoger onderwijs overgenomen. In totaal stonden er volgens bovenstaande definitie in 2004 in het hoger onderwijs uitvallers geregistreerd, hiervan hebben er in de uitvalvragenlijst ingevuld (15%): studiestakers uit het hbo en 657 uitvallers uit het wo. Omdat we zo algemeen mogelijk uitspraken willen doen is er een gewicht berekend op enkele achtergrondkenmerken waardoor de gegevens van de respondenten die de vragenlijst ingevuld hebben te vergelijken zijn met de totale populatie aan uitvallers. In dit rapport beantwoorden we de volgende vragen. (1) Hoe ziet de groep studiestakers er qua samenstelling uit? (2) In hoeverre verschilt het profiel van deze studiestakers van de groep studerenden? (3) Wat zijn de belangrijkste redenen van studieuitval en wat is er gedaan om de uitval te voorkomen? (4) Wat zijn de huidige activiteiten van de studiestakers? (5) Wat is het toekomstbeeld van de studiestakers? 9.1 Profiel van de studiestaker Wie zijn precies de uitvallers in het hoger onderwijs? We beginnen met de beschrijving van enkele achtergrondkenmerken en vergelijken verderop in dit hoofdstuk het profiel van de studiestakers met het profiel van de nog studerenden. Achtergrondkenmerken van studiestakers Uitval in het hbo is veel hoger dan in het wo. Ongeveer 64 procent van de studerenden volgt een opleiding in het hbo; van de studiestakers is 84 procent afkomstig uit het hbo. Figuur 106 toont de samenstelling van de uitvalpopulatie naar sector en geslacht in absolute aantallen. Figuur 107 laat de aantallen zien ten opzichte van de populatie studerenden. Uitval manifesteert zich in absolute aantallen vooral in bepaalde sectoren. Opvallende uitschieter in het hbo is de sector Economie; binnen deze groep is vooral de uitval onder mannelijke studenten hoog. 177 Studentenmonitor 2007
178 hbo wo tc g m re ec g z te na lb ow tc g m ec g z te lb man vrouw Figuur 106: Samenstelling uitvalpopulatie naar geslacht (absolute aantallen) Figuur 107 toont het percentage uitval uitgesplitst naar geslacht. Het percentage is berekend door het aantal studiestakers te delen door het totaal aantal studerenden. De uitval in het hbo is hoger dan in het wo en komt vaker voor onder mannelijke dan onder vrouwelijke studenten (respectievelijk 6% en 4% t.o.v. de populatie studerenden). De totale uitval gedefinieerd door Cfi is ongeveer vijf procent ten opzichte van de studentenpopulatie. Deze (relatieve) uitval is in het hbo groter dan in het wo (7% versus 2%). In de sector Gedrag & Maatschappij in het hbo is verhoudingsgewijs het percentage uitvallers het hoogst (12% mannen en 7% vrouwen). De wo-sectoren Economie, Techniek en Gezondheidszorg kennen een relatief lage uitval (1 à 2%). Het verschil tussen mannen en vrouwen is het grootst in de hbo-sectoren Gedrag & Maatschappij, Onderwijs en Gezondheidszorg (relatief veel mannen die uitvallen). 178 Studentenmonitor 2007
179 hbo wo ho T T tc g m re e c g z te na lb T ow tc g m e c g z 5 8 te 5 7 lb 8 9 0% 2% 4% 6% 8% 10% 12% 14% ma n vrouw Figuur 107: Percentage uitval naar geslacht gerelateerd aan studentenpopulatie Figuur 108 geeft een verdeling van de totale populatie uitval (voor hbo en wo apart) en de totale populatie studerenden (voor hbo en wo apart) naar sector. Op deze wijze kunnen we nagaan of de verdeling bij studiestakers verschilt van de verdeling bij studerenden. De vraag hierbij is: Wijkt de verdeling van studerenden over de sectoren in hbo en wo af van de verdeling van uitvallers over de sectoren? 179 Studentenmonitor 2007
180 tc g m re hbo wo ec g z te na lb ow tc g m ec g z 7 9 te lb 2 3 0% 5% 10% 15% 20% 25% 30% 35% 40% uitva l s tude re nde n Figuur 108: Uitvalgroep en groep studerenden naar sector (hbo=100%; wo=100%) In het hbo is er volgens deze methode geen sector waarin de uitval proportioneel (uitzonderlijk) hoog of laag is. In het wo wel. Daar is de uitval relatief laag in de sector Gezondheidszorg en (in mindere mate) Techniek en relatief hoog in de sector Taal & Cultuur en (in mindere mate) in de sector Recht. Van alle studiestakers is ook de opleiding bekend. Deze opleidingscodes zijn ingedeeld naar clusters om de relatie tussen bachelor/master en ongedeeld te kunnen leggen. Hierbij zijn eveneens verwante opleidingen samengevoegd. 180 Studentenmonitor 2007
181 Er is berekend hoeveel uitvallers er zijn naar opleidingscluster, zowel in absolute aantallen als relatief ten opzichte van de studentaantallen. De uitval varieert van minder dan één procent tot ongeveer twaalf procent per opleiding. Tabel 48 toont de aantallen uitvallers naar opleidingscluster (absoluut en relatief) voor opleidingen met een uitval van meer dan 350 studenten. De uitval is absoluut en relatief groot bij: Hbo International business and management en Hbo Small business en alleen in relatief opzicht groot bij Hbo Management in de Zorg en Hbo Culturele en maatschappelijke vorming. Tabel 48: Uitval naar opleidingscluster: absolute aantallen en percentage t.o.v. studerenden Opleiding Uitval % t.o.v. studerenden Hbo International business and management 709 9% Hbo Small business 423 9% Hbo Bedrijfseconomie 784 8% Hbo Personeel en Arbeid 696 8% Hbo Lerarenopleidingen maatschappijvakken 618 8% Hbo Lerarenopleiding talen 537 8% Hbo Landbouw 420 8% Hbo Leraar basisonderwijs (PABO) % Hbo Commerciële economie % Hbo Informatica % Hbo Sociaal pedagogische hulpverlening % Hbo Maatschappelijk werk en dienstverlening 688 7% Hbo Lerarenopleidingen exact 397 7% Hbo Management, Economie en Recht 793 6% Hbo Verpleegkunde 729 6% Hbo Communicatie 705 6% Hbo Toerisme en Vrijetijdskunde 525 6% Hbo Bedrijfskunde en management 500 6% Hbo Bouwkunde 369 6% Hbo Werktuigbouwkunde 351 6% Hbo Kunstacademie 720 5% Wo Recht 646 3% Wo Economie 364 3% Wo Psychologie 382 2% Studentenmonitor Studentenmonitor 2007
182 In absolute aantallen is de uitval groot bij Hbo Leraar basisonderwijs (PABO), Hbo Commerciële economie, Hbo Informatica en Hbo Sociaal pedagogische hulpverlening (allemaal 7% t.o.v. het totaal aantal studerenden). In het wo is de uitval in absoluut aantal het hoogst bij Recht (>600), Economie en Psychologie (beide >300). Minder groot in omvang, maar proportioneel tussen acht en twaalf procent, is de uitval bij: Hbo Elektrotechniek Hbo Culturele en maatschappelijke vorming Hbo Sociaal-juridische dienstverlening Hbo Constructiestudies Hbo Management in de Zorg Hbo Vertaalopleidingen Een heel gering percentage uitvallers (0-1%) zien we bij: Hbo Social Work Hbo Toegepaste Psychologie Wo Bèta en Beleid Wo Criminologie Wo Diergeneeskunde en Dierwetenschappen Wo Farmaceutische wetenschappen Wo Fiscale Economie Wo Geneeskunde Wo Gezondheidswetenschappen Wo Industrieel ontwerpen Wo Pedagogiek en Onderwijskunde Wo Scheikunde en Chemische technologie Wo Tandheelkunde Figuur 109 geeft de verhouding voltijd/deeltijd weer (het percentage deeltijdstudenten ten opzichte van de totale groep uitvallers). Over het geheel genomen is het percentage uitval onder deeltijders geringer dan onder voltijders. De totale uitval bestaat voor ongeveer een kwart uit deeltijdstudenten. In het hbo ligt dit percentage deeltijders hoger (26%) dan in het wo (16%). Naar verhouding vallen veel deeltijdstudenten uit in de hbo-sectoren Gedrag & Maatschappij (42%deeltijd) en Onderwijs (36% deeltijders) en bij wo-rechten (34% deeltijd). 182 Studentenmonitor 2007
183 hbo wo ho T T tc g m re e c g z te na lb0 T ow tc g m e c g z te 17 lb 23 0% 10% 20% 30% 40% 50% Figuur 109: Samenstelling uitvalpopulatie naar opleidingsvorm (% deeltijdstudenten) In Figuur 110 toont de gemiddelde leeftijd van de uitvallers. Peildatum is 30 september 2004, het laatste jaar waarin de toenmalige studenten als zodanig stonden ingeschreven aan een opleiding, dus het jaar voordat de studenten hun studie staakten. De leeftijd van de uitvalgroepen wordt vergeleken met de gemiddelde leeftijd van studerenden. De gemiddelde leeftijd ligt op 22 jaar onder de voltijders en 33 onder de deeltijders. Vergeleken met de studentenpopulatie is in het totale hoger onderwijs (en ook in het hbo) de leeftijd waarop studenten hun studie staken lager dan de gemiddelde leeftijd van de studerenden. In het wo zijn de studiestakers ouder dan de gemiddelde studerenden (vooral bij deeltijders). Wo-uitvallers zijn gemiddeld drie jaar ouder dan hbo-uitvallers (voor deeltijders is dit verschil 6 jaar). 183 Studentenmonitor 2007
184 hbo wo ho dt vt dt vt dt vt uitva l s tudere nde n Figuur 110: Leeftijd waarop studenten uitvallen Figuur 111 toont de verblijfsduur van de uitvallers in het hoger onderwijs. In totaal valt 41 procent uit in het eerste jaar. Dit geldt in ieder geval voor het grootste deel van de hbo-studenten (45%). In het wo is juist een grote groep (40%) die veel later in de studie staakt (na 6 jaar of langer). ho wo hbo % 20% 40% 60% 80% 100% 1 jr. 2 jr. 3 jr. 4 jr. 5 jr. 6 jr. of me e r Figuur 111: Verblijfsduur van studiestakers in het hoger onderwijs (%) Een groot deel van de studiestakers (71%) woont niet meer thuis (Figuur 112): 93 procent van de studiestakers uit deeltijd en 60 procent van de uitvallers uit voltijd. Voor uitvallers die een voltijdopleiding volgden woont respectievelijk 44 procent (hbo) en 20 procent (wo) ook na het staken van de studie nog thuis. Relatief veel uitvallers wonen zelfstandig of op kamers. Vergeleken met de studerenden wonen in de uitvalgroep (met name in het hbo) verhoudingsgewijs minder studiestakers nog bij hun ouders (minus 10 procentpunt). In het wo is dit verschil iets kleiner, maar wel vergelijkbaar (minus 5 procentpunt). 184 Studentenmonitor 2007
185 T hbo wo ho dt 7 vt T dt 1 vt T dt vt % 20% 40% 60% 80% 100% thuiswone nd uitwone nd Figuur 112: Woonsituatie uitvallers naar opleidingsvorm (%) Zo n 15 procent van de studiestakers (zowel hbo als wo) is van allochtone afkomst (Figuur 113) 23. hbo wo uitva l stude re nde n uitva l stude re nde n % 20% 40% 60% 80% 100% allochtoon subjectief allochtoon taal niet-nederlands autochtoon Figuur 113: Etniciteit naar soort hoger onderwijs (%) 23 Het percentage allochtonen en autochtonen is berekend op basis van de gegevens uit de populatiebestanden van Cfi en IB-Groep; de andere indicatoren zijn bevraagd in de vragenlijst. 185 Studentenmonitor 2007
186 Iets meer dan 10 procent spreekt thuis geen Nederlands. Dit verschilt nauwelijks van het percentage allochtonen in de groep studerenden. Dit geldt ook voor de andere indicatoren voor etniciteit. Voor de totale groep studiestakers (voltijd en deeltijd) lijkt de uitval onder allochtone studenten niet proportioneel hoger dan onder autochtone studenten. Ook per sector (Figuur 113) zijn er slecht marginale verschillen te zien. Figuur 114 toont de percentages allochtone studenten in de uitvalgroep en in de groep studerenden. Het grootste verschil manifesteert zich bij Gezondheidszorg (met name Geneeskunde en Tandheelkunde) in het wo. Daar zijn de allochtonen in de uitvalgroep oververtegenwoordigd. Dit geldt ook voor de sector Onderwijs in het hbo. Een kleine ondervertegenwoordiging van allochtonen in de uitvalgroep zien we bij Taal & Cultuur in het hbo. Ongeveer 11 procent van de uitvallers is van niet-westerse komaf. In het hbo zijn respondenten van niet-westerse komaf licht oververtegenwoordigd in de uitvalgroep. In het wo is het verschil niet significant. Het aandeel personen van westerse niet-nederlandse komaf is in de uitvalgroep nagenoeg gelijk of zelfs iets kleiner dan in de groep studerenden. uitva l hbo wo ho s tude re nde n uitva l s tude re nde n uitva l s tude re nde n % 20% 40% 60% 80% 100% Nederland westers land niet-westers land Figuur 114: Afkomst naar soort hoger onderwijs: studerenden en studiestakers (%) Figuur 115 geeft een beeld van het percentage studerenden en uitvallers waarvan de ouders geen opleiding hebben genoten op het niveau van het hoger onderwijs, de zogenaamde eerste generatie hoger onderwijs. Dit is het geval voor 61 procent van de uitvallers en 51 procent van de studerenden. In de uitvalgroep is deze eerste generatie hoger onderwijs oververtegenwoordigd in het hbo (58% versus 65%); in het wo is dit verschil (39% versus 44%) niet significant. 186 Studentenmonitor 2007
187 uitva l 61 hbo wo ho s tude re nde n uitva l s tude re nde n uitva l s tude re nde n % 20% 40% 60% 80% Figuur 115: Eerste generatie hoger onderwijs naar soort hoger onderwijs: studerenden en studiestakers (%) Figuur 116 toont het gemiddeld gezinsinkomen van de ouders. Voor de totale groep uitvallers ligt dit significant hoger dan voor de totale groep studerenden. Kijken we echter binnen het hbo en wo dan blijkt dat dit verschil vooral veroorzaakt wordt door een hoger ouderlijk inkomen van studiestakers en studerenden uit het wo. Binnen het hbo en binnen het wo zijn de verschillen in ouderlijk inkomen tussen de groep uitvallers en de groep studerenden niet significant. hbo wo ho uitva l s tude re nde n uitva l s tude re nde n uitva l s tude re nde n Figuur 116: Gezinsinkomen ouders naar soort hoger onderwijs: studerenden en studiestakers (%) Figuur 117 geeft een overzicht van de respondenten in ses-groepen (sociaal-economische status). Dit is een relatieve indeling van alle respondenten op basis van het ouder inkomen en het opleidings- en beroepsniveau van de ouders. Voor de totale groep is de verdeling in sociaal-economische status in de uitvalgroep nagenoeg gelijk aan die in de groep studerenden. In het wo zijn de studiestakers oververtegenwoordigd in de laagste ses-groep (33% versus 23%). In het hbo ligt deze relatie precies andersom: daar zijn de uitvallers ondervertegenwoordigd in de laagste ses-groep (32% versus 40%). 187 Studentenmonitor 2007
188 uitval hbo wo ho stude re nde n uitval stude re nde n uitval stude re nde n % 20% 40% 60% 80% 100% ses-laag ses-midde n ses-hoog Figuur 117: Sociaal-economische status naar soort hoger onderwijs: studerenden en studiestakers (%) In totaal wordt 12 procent van de uitvallers beperkt door een handicap of (chronische) ziekte (Figuur 118). Ongeveer acht à negen procent van de studerenden kampt met een handicap, (chronische) ziekte of andere beperking. In de uitvalgroep ligt dit percentage beduidend hoger (gemiddeld 12%). Personen met een handicap, (chronische) ziekte of andere beperking komen proportioneel meer voor onder de groep studiestakers. We kunnen dan ook stellen dat studenten met een handicap, (chronische) ziekte of andere beperking meer risico lopen voortijdig hun studie te staken. uitva l 12 hbo wo ho s tude re nde n uitva l s tude re nde n uitva l s tude re nde n % 3% 6% 9% 12% 15% Figuur 118: Handicap/beperking naar soort hoger onderwijs: studerenden en studiestakers (%) Tenslotte is gekeken of studenten met kinderen vaker uitvallen dan studenten zonder kinderen (Figuur 119). In totaal hebben ruim 800 studiestakers de zorg over één of meer kinderen. Dit betekent dat één op de vijf studiestakers een of meer kinderen heeft tegenover één op de 14 studerenden. Het is evident dat het risico op voortijdige studieuitval groter is voor mensen met kinderen dan voor studerenden zonder kinderen. Dit geldt overigens op een gelijke wijze voor mannelijke en voor vrouwelijke studiestakers. 188 Studentenmonitor 2007
189 uitva l 20 hbo wo ho stude re nde n uitva l stude re nde n uitva l stude re nde n % 5% 10% 15% 20% 25% Figuur 119: Respondenten met kinderen naar soort hoger onderwijs: studerenden en studiestakers (%) Profiel van studiestakers In de vorige paragraaf is een beschrijving gegeven van de groep uitvallers. In deze paragraaf bekijken we de verschillen tussen uitvallers en studerenden. Verschillen deze groepen wezenlijk van elkaar op achtergrondkenmerken? Welke kenmerken onderscheiden de uitvallers nu het sterkst van de studerenden? In het model in Tabel 49 hebben we gelijktijdig alle eerder besproken achtergrondkenmerken ingevoerd in een logistisch regressiemodel. Wanneer een kenmerk geen significant verschil oplevert, is dit niet in het model opgenomen. Zodoende houden we een lijst met onderscheidende kenmerken over. Voor alle in het uiteindelijke model opgenomen kenmerken is de unieke invloed weergegeven: het effect van ieder kenmerk is gecontroleerd voor dat van alle andere. Deze kenmerken verklaren samen ruim acht procent van de totale variantie. Op basis van de logistische regressie kunnen we stellen dat uitvallers ten opzichte van studerenden relatief vaker behoren tot de groep: met kinderen en/of (gehuwd) samenwonend; zelfstandig wonend; niet-westers allochtoon; eerste generatie hoger onderwijs; met handicap/beperking; afkomstig uit hoger sociaal milieu; jongere leeftijd; mannelijk geslacht en afkomstig uit het hbo. 189 Studentenmonitor 2007
190 Tabel 49: Het profiel van de studiestakers Indicator Exp (B) Dominant profiel: uitvaller (versus studerenden) Kind(eren) (geen=0) 3,14 ** Vaker kinderen Burgerlijke staat (alleenstaand=0) 1,97 ** Vaker (gehuwd) samenwonend Woonsituatie (thuiswonend=0) 1,49 ** Vaker uitwonend Niet-westers allochtoon 1,39 * Vaker niet-westers allochtoon Eerste generatie HO 1,38 ** Vaker eerste generatie hoger onderwijs Handicap/beperking (geen=0) 1,35 * Vaker met handicap/beperking Sociaal-economische status 1,28 * Hoger sociaal milieu Leeftijd 0,95 ** Jonger Geslacht (man=0) 0,61 ** Vaker man Hbo/wo (hbo=0) 0,32 ** Vaker uit het hbo Studentenmonitor Gewogen voor steekproefafwijkingen. * significant p<0,05,** significant p<0,01; Nagelkerke R 2 =0, Redenen van studiestaken Overzicht van redenen naar achtergrondkenmerken Aan de uitvallers is gevraagd waarom ze met hun opleiding gestopt zijn. In eerste instantie konden ze diverse redenen aangeven, later is ook gevraagd welke reden doorslaggevend is geweest. Daarover verderop in dit rapport. Figuur 120 toont dat voor meer dan de helft van de uitvallers (51% hbo en 57% wo) gebrek aan motivatie mede ervoor zorgde dat de student besloot te stoppen met de opleiding. De tweede en derde plaats wordt ingenomen door de moeite die studiestakers hadden met de wijze waarop het onderwijs werd gegeven (44% hbo en 37% wo) en de eigen persoonlijke omstandigheden (41% hbo en 46% wo). Redenen die door ongeveer een derde van de studiestakers worden gegeven, zijn onvoldoende studiebegeleiding en een verkeerde studiekeuze. Voor 25 procent van de ex-hbo ers (18% wo) was een te zware studie reden om te stoppen. Bij 28 procent van studiestakers uit het wo (18% hbo) werd het besluit te stoppen mede ingegeven door het vinden van een baan. Minder vaak genoemd noemen de studiestakers als reden het switchen naar een studie buiten het hoger onderwijs, het stoppen vanwege een beperking en het ophouden van het recht op studiefinanciering. Dat laatste punt geldt overigens wel voor bijna 20 procent van de uitvallers in het wo. Dit verklaart mede de relatief hoge leeftijd en het relatief late tijdstip in de opleiding waarop wo-studenten hun studie staken. 190 Studentenmonitor 2007
191 g een motivatie moeite met wijze van onderwijs pers oonlijke omsta ndig he de n onvoldoe nde studie be g e le iding verkeerde studiekeuze studie te zwaar baan g evonden opleiding buiten ho va nwe g e bepe rking g een recht meer op studiefinanciering % 20% 40% 60% 80% hbo wo Figuur 120: Uitvalredenen (%) Tabel 50 splitst de genoemde uitvalredenen voor de studiestakers uit het hbo uit naar de sector waarin zij hun studie volgden. Gezien te lage aantallen per sector voor het wo is het statistisch niet verantwoord en dergelijke tabel te tonen. Gebrek aan motivatie is voor de hbo-uitvallers uit de sectoren Techniek (55%) en Economie (58%) de meest genoemde reden om te stoppen. In de sectoren Landbouw (43%), Gezondheidszorg (50%) en Taal & Cultuur (50%) wordt de moeite die men had met de manier van onderwijs het vaakst genoemd. In de sectoren Gedrag & Maatschappij (48%) en Onderwijs (46%) staan persoonlijke omstandigheden op de eerste plaats. Ook bij de andere uitvalredenen zien we verschillen. Een te zware studie heeft in de sectoren Landbouw en Gezondheidszorg vaker meegespeeld dan bij de anderen. Een verkeerde studiekeuze was vaker voor studiestakers bij Economie (40%) mede bepalend voor het besluit om met de studie te stoppen; in de sector Taal & Cultuur (21%) speelde dit beduidend minder een rol. Stoppen met de studie omdat men een baan gevonden heeft, komt in de sector Gezondheidszorg (13%) minder voor dan bij de andere sectoren. Het meest belangrijk is dit in de sectoren Landbouw en Economie (beide 24%). 191 Studentenmonitor 2007
192 Stoppen omwille van het switchen naar een opleiding buiten het hoger onderwijs wordt het vaakst als reden genoemd door studiestakers uit de sector Landbouw en het minst vaak door die in de sector Taal & Cultuur. De studie staken vanwege een beperking of handicap wordt in de hbo-sector Taal & Cultuur vaker genoemd dan in de overige sectoren. Tabel 50: Uitvalredenen naar sector (hbo) Lb Te Gz Ec Gm Tc Ow Moeite met manier van onderwijs Geen motivatie Persoonlijke omstandigheden Studie te zwaar Onvoldoende studiebegeleiding (n.s.) (n.s.) (n.s.) (n.s.) (n.s.) (n.s.) (n.s.) Verkeerde studiekeuze Baan gevonden Opleiding buiten ho Functiebeperking/handicap Geen recht op studiefinanciering (n.s.) (n.s.) (n.s.) (n.s.) (n.s.) (n.s.) (n.s.) Studentenmonitor Gewogen voor steekproefafwijkingen. Alle verschillen significant, tenzij anders aangegeven. N= Kolompercentages. Meer antwoorden mogelijk. In Tabel 51 zijn de resultaten uitgesplitst naar geslacht. In de tabel komt een trend naar voren dat mannen vaker de voorgelegde redenen herkennen in de keuze die ze destijds maakten om de studie te staken dan de vrouwen. Wanneer we kijken naar het gemiddeld aantal genoemde redenen (niet in tabel), blijkt dat mannen gemiddeld iets meer redenen noemen dan vrouwen (gemiddeld 2,9 tegenover 2,7). Zo geven mannen vaker dan vrouwen aan dat ze stopten vanwege gebrek aan motivatie (hbo respectievelijk 57% en 43%; wo respectievelijk 63% en 48%), vanuit onvrede over de manier van onderwijs geven (hbo respectievelijk 47% en 40%; wo respectievelijk 42% en 29%), onvoldoende studiebegeleiding (hbo respectievelijk 40% en 35%) en omdat ze een baan hadden gevonden (hbo respectievelijk 22% en 14%; wo respectievelijk 33% en 19%). Vrouwen geven vaker aan de studie te staken vanwege persoonlijke omstandigheden (hbo respectievelijk 46% en 36%; wo respectievelijk 62% en 36%), omdat ze de studie te zwaar vonden (hbo respectievelijk 30% en 21%) of vanwege een functiebeperking of handicap (hbo respectievelijk 11% en 7%). 192 Studentenmonitor 2007
193 Tabel 51: Uitvalredenen naar geslacht Hbo Wo Man Vrouw Man Vrouw Geen motivatie Moeite met manier van onderwijs Onvoldoende studiebegeleiding (n.s.) (n.s.) Persoonlijke omstandigheden Verkeerde studiekeuze (n.s.) (n.s.) (n.s.) (n.s.) Baan gevonden Studie te zwaar (n.s.) (n.s.) Opleiding buiten ho (n.s.) (n.s.) (n.s.) (n.s.) Functiebeperking/handicap 7 11 (n.s.) (n.s.) Geen recht op studiefinanciering (n.s.) (n.s.) (n.s.) (n.s.) Studentenmonitor Gewogen voor steekproefafwijkingen. Alle verschillen significant, tenzij anders aangegeven. Kolompercentages. Meer antwoorden mogelijk. In Tabel 52 vergelijken we de genoemde uitvalredenen tussen studiestakers die al in of direct na het eerste jaar hun studie staakten en degenen die dat verderop in hun studie deden. De verschillen tussen deze twee groepen zijn in het hbo groter dan in het wo. Gebrek aan motivatie speelde voor ouderejaars studiestakers uit het wo meer een rol dan voor eerstejaars uitvallers (62% en 42%). Eerstejaars studiestakers uit het hbo geven vaker dan ouderejaars aan gestopt te zijn vanwege: onvrede met de manier van onderwijs (47% en 42%), een verkeerde studiekeuze (hbo 43% en 28%; wo 48% en 25%), persoonlijke omstandigheden (hbo 47% en 32%) en/of omdat zij een opleiding buiten het hoger onderwijs zijn gaan volgen (hbo 14% en 8%). Onvoldoende studiebegeleiding leidde bij ouderejaars vaker tot de beslissing te stoppen dan bij de eerstejaars (hbo 40% en 35%; wo 38% en 17%). Net als het te veel belemmerd worden door een functiebeperking of handicap (hbo 11% en 7%) en/of het aflopen van het recht op studiefinanciering (hbo 9% en 4%; wo 21% en 9%). 193 Studentenmonitor 2007
194 Tabel 52: Uitvalredenen naar tijd in studie (eerstejaars versus ouderejaars) Hbo Wo Eerstejaars Ouderejaars Eerstejaars Ouderejaars Geen motivatie (n.s.) (n.s.) Moeite met manier van onderwijs (n.s.) (n.s.) Verkeerde studiekeuze Onvoldoende studiebegeleiding Studie te zwaar (n.s.) (n.s.) Persoonlijke omstandigheden (n.s.) (n.s.) Baan gevonden (n.s.) (n.s.) Opleiding buiten ho 14 8 (n.s.) (n.s.) Functiebeperking/handicap 7 11 (n.s.) (n.s.) Geen recht op studiefinanciering Studentenmonitor Gewogen voor steekproefafwijkingen. Alle verschillen significant, tenzij anders aangegeven. Kolompercentages. Meer antwoorden mogelijk. Belangrijkste reden om te stoppen Aan de uitvallers is eveneens gevraagd aan te geven welke reden uiteindelijk doorslaggevend is geweest bij de beslissing met de studie te stoppen. Figuur 121 geeft hiervan de resultaten. De top drie van doorslaggevende uitvalredenen wordt voor de ex-hbo ers gevormd door persoonlijke omstandigheden (22%), gebrek aan motivatie (16%) en op een gedeelde derde plaats een verkeerde studiekeuze en moeite met de manier waarop onderwijs werd gegeven (15%). Voor de ex- wo ers ziet de topdrie er anders uit. Meest genoemd als belangrijkste reden is hier het gebrek aan motivatie (25%), daarna persoonlijke omstandigheden (23%) en op een eveneens gedeelde derde plaats een verkeerde studiekeuze en het vinden van een baan (10%). In het vervolg van deze paragraaf gaan we de belangrijkste redenen verder uitdiepen. Omdat de aantallen respondenten soms onvoldoende groot zijn, zullen we niet verder uitsplitsen naar soort hoger onderwijs en sector, maar de resultaten beschrijven voor de gezamenlijke groep uitvallers. Voor de uitvallers uit het hbo is wel gekeken naar de redenen voor studiestaken in relatie tot de gevolgde vooropleiding. Hierbij is een onderscheid gemaakt tussen hbo ers met een vooropleiding in mbo, havo en vwo. Voor de studiestakers uit het wo zijn de aantallen te klein voor een dergelijke analyse. Er is alleen melding gemaakt van verschillen tussen de vooropleidingsgroepen indien deze significant zijn. 194 Studentenmonitor 2007
195 pe rsoonlijke omsta ndig he de n g e e n motiva tie verkeerde studiekeuze moeite met manier van onderwijs studie te zwaar 3 9 ba a n g e vonde n 7 10 onvoldoende studiebeg eleiding 5 7 vanweg e beperking 5 9 opleiding buiten ho g een recht meer op studiefinanciering % 10% 20% 30% hbo wo Figuur 121: Doorslaggevende uitvalreden (%) Voor studiestakers uit het hbo met een mbo-vooropleiding speelden vooral persoonlijke omstandigheden een rol; veel minder maakten zij in hun ogen een verkeerde studiekeuze. Voor de havisten ligt dit net andersom: hun studiestaken had vaker te maken een met verkeerde studiekeuze en minder vaak met persoonlijke omstandigheden. Studiestakers uit het hbo die in het bezit zijn van een vwo-diploma geven minder dan de andere studiestakers aan dat zij de studie te zwaar vinden, maar kampen vaker met motivatieproblemen. Doorslaggevend: persoonlijke omstandigheden Persoonlijke omstandigheden vormden voor 22 procent van de studiestakers uit het hbo en 23 procent uit het wo de doorslaggevende reden om te stoppen met de studie. Figuur 122 laat zien welke persoonlijke omstandigheden bij deze studenten een rol speelden bij het staken van de studie. Uitvallers konden meer dan één aspect noemen. Het vaakst gaat het om problemen in de persoonlijke levenssfeer (80%). 195 Studentenmonitor 2007
196 Daarnaast noemt 44 procent dat ze geen tijd of gelegenheid meer hadden om te studeren, 40 procent heeft zorgtaken die een studie in de weg staan, 24 procent heeft te kampen met financiële problemen en 14 procent is gestopt vanwege praktische problemen (bijv. reisafstand naar de instelling). persoonlijke problemen 83 g een tijd/g eleg enheid om te studeren zorg ta ke n financiële problemen 24 praktische problemen 14 vrienden stopten ook met hun studie 1 0% 20% 40% 60% 80% 100% Figuur 122: Persoonlijke omstandigheden die geleid hebben tot uitval (%) Doorslaggevend: geen motivatie Gebrek aan motivatie gaf voor 16 procent van studiestakers uit het hbo en 25 procent uit het wo de doorslag bij de keuze niet meer verder te studeren. Figuur 123 geeft de redenen waarom die motivatie tijdens de studie is afgenomen. Wederom konden de respondenten meerdere aspecten aankruisen. Bijna de helft (49%) van de uitvallers geeft aan dat ze vooraf een verkeerd beeld hebben gehad van de studie. Vooral voor de uitvallers uit het hbo met een vwo-vooropleiding was dit het geval. Rond de 40 procent voelde zich niet thuis op de opleiding, vond de opleiding niet uitdagend (dit geldt in sterke mate voor de hbo ers met een vwo-vooropleiding en minder sterk voor hbo ers met een vooropleiding in het mbo) en slecht georganiseerd. Ongeveer 30 procent stelt dat de studie de belofte niet waarmaakte, dat de kwaliteit van de medestudenten slecht was en eveneens ongeveer 30 procent vond het eigen opleidingsniveau voldoende om een leuke baan te vinden (vooral de mbo ers in het hbo). Bijna een kwart (23%) noemt de studie te schools, 19 procent had onvoldoende contact met medestudenten, 17 procent vond de studie te moeilijk, 11 procent vond het niveau van medestudenten als ook het niveau van de studie te laag (dit geldt vooral voor de hbo ers met een vwo-vooropleiding), vier procent vond het niveau van de medestudenten juist te hoog. 196 Studentenmonitor 2007
197 verkeerd beeld opleiding 49 niet thuisvoelen studie nie t uitda g e nd s le chte org a nisa tie studie maakte belofte niet waar kwaliteit docenten slecht ople iding snive a u g e noe g voor le uke ba a n studie te schools 23 onvoldoende contact medestudenten studie te moeilijk niveau medestudenten te laag niveau te laag niveau medestudenten te hoog g e e n va n de ze 4 7 Figuur 123: Redenen voor motivatiegebrek (%) Doorslaggevend: verkeerde studiekeuze 0% 20% 40% 60% Bij 15 procent van de uitvallers uit het hbo en 10 procent uit het wo leidde een verkeerde studiekeuze tot het besluit de studie zonder diploma te verlaten. Voor de eerstejaars studiestakers uit het hbo is een verkeerde studiekeuze voor 23 procent (9% voor ouderejaars) van doorslaggevende belang en in het wo voor 24 procent (tegenover 5% ouderejaars). Figuur 124 geeft de verklaringen die de uitvallers geven voor hun verkeerde studiekeuze. Bijna 70 procent vond de studie niet aansluiten bij de eigen talenten en interesses, 30 procent vond de manier van lesgeven niet voor zichzelf geschikt. Voor 65 procent sloot de studie onvoldoende aan op wat ze in de toekomst willen worden en 58 procent vond achteraf de beroepsperspectieven niet aantrekkelijk. Meer dan eenderde heeft klachten over de studiekeuzeinformatie, voor een deel omdat ze zich onvoldoende georiënteerd hebben (42%) en deels omdat de informatie die ze hebben gekregen niet overeen stemde met de werkelijkheid (36%). Zo n 20 procent geeft aan te weinig informatie te hebben gehad. 197 Studentenmonitor 2007
198 sluit niet aan bij interesse 69 past niet bij toekomstbeeld 65 beroe ps pe rspe ctie ve n 58 s le cht g e orië nte e rd 42 informatie niet reëel 36 manier van lesg even past niet 30 onvoldoende informatie 19 Figuur 124: Verklaring verkeerde studiekeuze (%) 0% 20% 40% 60% 80% Figuur 125 toont de informatiebronnen die de respondenten hebben geraadpleegd bij hun studiekeuze en op basis waarvan zij destijds de keuze voor hun opleiding maakten. Het is goed om hierbij te beseffen dat het over informatiebronnen uit op z n laatst 2004, maar mogelijk ook ouder dan dat gaat. Om die reden is de publieke website Studiekeuze123 niet opgenomen. schriftelijke informatie 92 website van instelling 85 introductie da g e n 59 de ca ne n 48 s tudie be urze n familie /ke nnis s en rechtstreeks bij instelling andere websites 26 andere onafhankelijke bronnen 14 Figuur 125: Geraadpleegde informatiebronnen (%) 0% 20% 40% 60% 80% 100% De studiestakers voor wie een verkeerde studiekeuze de doorslaggevende reden was om met de studie te stoppen, hebben zich bijna allemaal georiënteerd op de studie via schriftelijke informatie (92%) of de website van de hogeschool of universiteit (85%). In totaal 59 procent bezocht de instelling tijdens introductiedagen. 198 Studentenmonitor 2007
199 Bijna de helft van de uitvallers werd geadviseerd door decanen, 42 procent verzamelde informatie op studiebeurzen, 38 procent kreeg informatie van familie of kennissen of benaderde rechtstreeks de instelling per telefoon of via (37%). Iets meer dan een kwart keek op andere websites voor informatie en 14 procent gebruikte andere onafhankelijke bronnen. In Tabel 54 maken we voorzichtig een vergelijking tussen studerenden en de studiestakers voor wie een verkeerde studiekeuze doorslaggevend was en kijken we naar de informatiebronnen die zij gebruikten ter oriëntatie op hun studie. Daarbij moeten we wel twee kanttekeningen plaatsen. Ten eerste hebben de studerenden niet per definitie wél de juiste studiekeuze gemaakt. We weten alleen dat zij ten tijde van de enquête nog studeren. Op de tweede plaats zit er een ongelijktijdigheid in de data. De uitvallers zijn uiterlijk in 2005 uitgestroomd, terwijl de studerenden tot en met 2006 gestart kunnen zijn. In die periode zijn informatiebronnen en vooral websites behoorlijk verbeterd (bijvoorbeeld de introductie van de publieke website Studiekeuze123 in 2006). Tabel 53: Gebruikte informatiebronnen (uitvallers met verkeerde studiekeuze en studenten) hbo wo studerenden studiestakers studerenden studiestakers Website van instelling Schriftelijke informatie 82* 92* 89* 95* Introductiedagen Familie/kennissen 51* 38* 49* 41* Rechtstreeks bij instelling Decanen Studiebeurzen Andere onafhankelijke bronnen 29** 13** 42** 20** Andere websites Studentenmonitor Gewogen voor steekproefafwijkingen. * significant p<0,05, ** p<0,01. Kolompercentages. Meer antwoorden mogelijk. Het grootste verschil tussen de studerenden en de uitvallers zien we bij het gebruik van onafhankelijke bronnen (bijv. Keuzegids en Elsevier). Dit ligt onder studerenden meer dan twee keer zo hoog als onder de uitvallers (hbo 29% en 13%; wo 42% en 20%). Studerenden raadpleegden vaker dan studiestakers hun familie en kennissen (hbo 51% en 38%; wo 49% en 41%). Schriftelijke informatie is meer geraadpleegd door studiestakers dan door studerenden (hbo 92% en 82%; wo 95% en 89%). 199 Studentenmonitor 2007
200 In een volgende analyse is bestudeerd of de onderbouwingen die de uitvallers geven voor het feit dat een verkeerde studiekeuze voor hen de belangrijkste reden was om te stoppen met de opleiding, verschilt naar gebruikte informatiebron. Tabel 54 toont de resultaten. Tabel 54: Verklaring verkeerde studiekeuze, naar gebruikte informatiebron Past niet bij toekomst Slecht georiënteerd Informatie niet conform werkelijkheid Geen aansluiting bij interesse/talent Onvrede over manier van lesgeven Onvoldoende informatie Beroepsperspectieven spreken niet aan Andere onafhankelijke bronnen * Schriftelijke informatie Website van instelling Rechtstreeks bij instelling Andere websites * Decanen Studiebeurzen * Introductiedagen * Familie/kennissen Studentenmonitor Gewogen voor steekproefafwijkingen. * significant p<0,01. Kolompercentages. Meer antwoorden mogelijk. We vinden weinig verschillen tussen de gebruikte informatiebronnen en de verklaringen die worden gegeven voor het feit dat de studiekeuze achteraf niet juist is geweest. Drie van de vier verschillen hebben betrekking op het niet stroken van de informatie met de werkelijkheid: dit is vaker het geval bij de studiestakers die (onder andere) onafhankelijke informatiebronnen en andere websites (anders dan de website van de instelling) hebben geraadpleegd en studiebeurzen hebben bezocht. De groep die gebruik heeft gemaakt van de open dagen op een instelling geeft relatief vaak aan dat de beroepsperspectieven achteraf toch niet aantrekkelijk zijn. Doorslaggevend: onvrede met de wijze van onderwijs Voor 15 procent van de uitvallers uit het hbo en negen procent van het wo was onvrede met de manier waarop het onderwijs werd gegeven het beslissende argument de studie te staken. Figuur 126 geeft de resultaten weer. 200 Studentenmonitor 2007
201 Voor meer dan de helft tot tweederde van de uitvallers speelde mee dat het onduidelijk was wat er van hen werd verwacht (64%), dat ze aan hun lot werden overgelaten (60%), dat de kwaliteit van de studie slecht was (56%), dat de inhoud niet goed was (56%) en dat de organisatie van de opleiding te wensen overliet (54%). Een eveneens aanzienlijk deel van deze studiestakers geeft aan dat ze de kwaliteit van de docenten slecht vonden (48%), dat er te veel in projectgroepen werd gewerkt (44%), dat ze onvoldoende op hun eigen, individuele prestaties werden beoordeeld (43%), dat er onvoldoende contacturen waren (40%), de sfeer niet beviel (38%) en dat er in de studie te weinig vrijheid was om te doen wat de student zelf belangrijk vond (32%). Te weinig mogelijkheden om over te stappen naar een andere studie speelde slechts voor acht procent van deze uitvallers een rol. ve rwa chting e n onduide lijk 64 aan lot overg elaten 60 kwaliteit studie slecht inhoud was niet g oed org anisatie niet g oed kwaliteit docenten slecht 48 te veel in projectg roepen onvoldoende individuele beoordeling onvoldoende contacturen s fe e r be vie l nie t we inig vrijhe id 32 te we inig switchmog e lijkhe de n 8 0% 20% 40% 60% 80% Figuur 126: Verklaring voor onvrede met de wijze van onderwijs (%) Doorslaggevend: studie te zwaar In totaal gaf negen procent van de uitvallers uit het hbo en drie procent uit het wo als doorslaggevende reden om de studie te staken dat de studie te zwaar was. Figuur 127 toont de aspecten die de studie voor de uitvallers te zwaar maakten. De helft tot tweederde van de uitvallers die gestopt zijn omdat de studie die te zwaar was, had moeite met de stof (66%), vond de werkdruk te hoog (60%), de studie te moeilijk (59%), vond dat er te weinig tijd naast de studie overbleef (50%) en dat het studietempo te hoog lag (50%). Een deel had met name problemen met leervakken of was te druk met andere bezigheden naast de studie (beide 41%). 201 Studentenmonitor 2007
202 Ongeveer eenderde geeft aan dat ze onvoldoende voorbereidingstijd voor de colleges hadden (39%), dat de studie slecht aansloot op de vooropleiding (38%), de manier van lesgeven niet voor hen geschikt was (37%) en/of er onvoldoende voorbereidingstijd was voor tentamens (35%). Voor 30 procent van deze uitvallers was het ontbreken van studievaardigheden een belangrijke reden. Eén op de vijf studiestakers voor wie de zwaarte van de studie een belangrijke reden was, is slecht te spreken over de informatie die van te voren door de instelling is verstrekt. moe ite me t de s tof 66 we rkdruk studie te moeilijk te weinig tijd naast de studie s tudie te mpo problemen met leervakken a nde re be zig he de n na a st de studie onvoldoe nde voorbe re iding s tijd colle g e s aansluiting op vooropleiding ong eschikte manier van lesg even onvoldoe nde voorbe re iding stijd te nta me ns s tudie va a rdig he de n ontbra ke n slechte informatie vooraf door instelling Figuur 127: Redenen waarom studie te zwaar was (%) 0% 20% 40% 60% 80% Doorslaggevend: baan gevonden Het vinden van een baan gaf bij zeven procent van de van de studiestakers uit het hbo en voor tien procent van de wo ers de doorslag bij de keuze de studie niet af te maken. Figuur 128 geeft een overzicht van de achterliggende redenen. Voor bijna 80 procent bood de baan die men gevonden had voldoende mogelijkheden voor ontwikkeling, voor 64 procent was de baan niet was te combineren met de studie en 57 procent achtte het opleidingsniveau van dat moment voldoende voor een leuke baan. Rond de helft geeft aan werken en geld verdienen leuker en belangrijker te vinden dan studeren. Bijna 30 procent keek al een tijdje rond naar een baan. Dat het stagebedrijf de student een baan aanbod, speelde voor 21 procent een rol bij het staken van de studie. Eén op de vijf uitvallers was inmiddels een eigen bedrijf gestart. 202 Studentenmonitor 2007
203 baan bood voldoende ontwikkeling baan was niet te combineren met studie opleiding sniveau voldoende voor leuke baan werken leuker dan studeren g e ld ve rdie ne n be la ng rijk ke e k a l rond voor e e n ba an s ta g e be drijf bood we rk a an e ig en be drijf g e start % 20% 40% 60% 80% 100% Figuur 128: Redenen waarom baan doorslaggevend was om met studie te stoppen (%) Doorslaggevend: onvoldoende studiebegeleiding Gebrek aan passende studiebegeleiding leidde bij zeven procent van hbo ers en vijf procent van de wo ers tot de beslissing de studie voortijdig te staken. Figuur 129 geeft aan op welke punten deze uitvallers de studiebegeleiding als onvoldoende beoordeelden. De meerderheid van deze studiestakers geeft aan dat ze onvoldoende steun bij problemen met de lesstof kregen (73%) en dat de feedback van docenten vaak te laat kwam (72%). Er is meer commentaar op de docenten. Zo zouden de betreffende docenten geen interesse hebben getoond in de studenten (63%), zou het lastig zijn om contact te leggen met docenten (63%), waren docenten niet inspirerend (48%), gaven docenten onduidelijk college (41%) en was er te weinig ruimte voor vragen buiten contacturen (31%). Iets meer dan de helft (54%) van deze uitvallers geeft aan dat ze naar hun idee geen invloed hadden op het onderwijs. onvoloende steun bij problemen met lesstof feedback van docenten kwam te laat doce nte n g e e n inte re sse in stude nten lastig contact te leg g en met docenten g een invloed op het onderwijs docenten niet inspirerend doce nten g a ve n onduide lijk colle g e g e e n ruimte buite n conta cture n % 20% 40% 60% 80% Figuur 129: Redenen waarom studiebegeleiding onvoldoende was (%) 203 Studentenmonitor 2007
204 Doorslaggevend: handicap of beperking De laatste doorslaggevende reden die we hier nader zullen bekijken, betreft de uitval vanwege een handicap of beperking. In totaal is vijf procent van de hbo-uitvallers en negen procent van de wo-uitvallers opgehouden met hun studie vanwege een handicap of beperking. Figuur 130 toont de aard van de beperking waarmee deze uitvallers kampen. Men kon meerdere antwoorden aankruisen. a nde re be pe rking /ha ndica p 47 psychische problemen 44 ve rmoe idhe id/e ne rg ie te kort 31 mig raine /ernstig e hoofdpijn dysle xie /ta a lstoornis(se n) AD HD /conce ntra tie proble me n proble me n me t be we g e n rsi doof/sle chthore nd blind/sle chtzie nd Figuur 130: Aard van de handicap/functiebeperking (%) 0% 20% 40% 60% Bijna de helft (47%) herkent zich niet in de voorgelegde lijst van beperkingen. Van de overige respondenten kampt 44 procent met psychische problemen, 31 procent met vermoeidheid of energietekort, 11 procent lijdt aan migraine, 11 procent is dyslectisch, 10 procent wordt beperkt door ADHD of andere concentratieproblemen, vijf procent heeft een bewegingsbeperking en drie procent heeft rsi. De redenen waarom de beperking of handicap uiteindelijk leidde tot uitval, staan vermeld in Figuur 131. De meerderheid (82%) geeft aan dat studeren fysiek onmogelijk was geworden en voor 39 procent demotiveerde de opgelopen vertraging. Voor ongeveer een kwart was het feit dat de instelling onvoldoende rekening hield met de beperking, een reden om de studie te staken. 204 Studentenmonitor 2007
205 studie volg e n we rd fysie k onmog elijk 82 opg e lope n ve rtra g ing de motivee rde 39 inste lling hie ld onvoldoe nde re ke ning 26 0% 20% 40% 60% 80% 100% Figuur 131: Redenen waarom beperking/handicap tot uitval leidde (%) Meest doorslaggevende redenen voor studieuitval In de vorige paragrafen is verlag gedaan van de doorslaggevende redenen en de verdiepende oorzaken die hieraan ten grondslag lagen. Deze verdiepende vragen zijn alleen gesteld aan degenen die een thema als doorslaggevend aankruisten: persoonlijke omstandigheden, motivatiegebrek, verkeerde studiekeuze, onvrede met manier van onderwijs, zwaarte studie, baan gevonden, onvoldoende studiebegeleiding, handicap/beperking, opleiding buiten hoger onderwijs, geen recht meer op studiefinanciering. Zoals we hiervoor beschreven, zijn allereerst persoonlijke omstandigheden, gevolgd door motivatiegebrek, een verkeerde studiekeuze en onvrede met de wijze waarop het onderwijs verzorgd werd de belangrijkste redenen voor studenten om voortijdig hun opleiding te staken. Om alle achterliggende oorzaken te vergelijken voor de totale groep studiestakers is het percentage studiestakers dat de geclusterde redenen als doorslaggevend aanmerkten vermenigvuldigd met het percentage uitvallers dat de verdiepende redenen belangrijk vond. Zo was bijvoorbeeld binnen het cluster Persoonlijke omstandigheden (22% doorslaggevend) voor 83% Persoonlijke problemen de belangrijkste oorzaak. Herberekend naar de totale uitvalgroep zijn persoonlijke problemen voor (83% x 22%) 18,5 procent (5153 personen) van alle studiestakers doorslaggevend geweest. Tabel 55 toont de belangrijkste achterliggende redenen herberekend naar de totale uitvalgroep. De belangrijkste oorzaken van studiestaken hebben te maken met persoonlijke omstandigheden (problemen in de persoonlijke sfeer: 19%, zorgtaken: 10%) en met een verkeerde studiekeuze (10% sluit niet aan bij interesse en eveneens 10% past niet in toekomstbeeld). De invloed van opleidingen op persoonlijke omstandigheden is zeer beperkt. Daarentegen is het wel degelijk een taak van opleidingen studenten goed voor te lichten. Uit deze cijfers blijkt dar ongeveer 4000 studenten hun studie langdurig staken als gevolg van een verkeerde studiekeuze. Voor ongeveer studiestakers sluit de opleiding achteraf niet aan op de interesse of toekomstbeelden van de betrokkenen. 205 Studentenmonitor 2007
206 Tabel 55: Belangrijkste verdiepende redenen herberekend naar totale groep studiestakers Doorslaggevende reden Verdiepende reden Totaal doorslaggevend Aantallen in populatie Persoonlijke omstandigheden Persoonlijke problemen 19% 5163 Verkeerde studiekeuze Sluit niet aan bij interesse 10% 2758 Persoonlijke omstandigheden Geen tijd/gelegenheid om te studeren 10% 2701 Verkeerde studiekeuze Past niet bij toekomstbeeld 9% 2589 Onvrede met wijze van onderwijs Verwachtingen onduidelijk 9% 2473 Persoonlijke omstandigheden Zorgtaken 9% 2468 Motivatiegebrek Verkeerd beeld opleiding 9% 2447 Verkeerde studiekeuze Beroepsperspectieven spreken niet aan 8% 2316 Onvrede met wijze van onderwijs Aan lot overgelaten 8% 2302 Onvrede met wijze van onderwijs Kwaliteit studie slecht 8% 2164 Onvrede met wijze van onderwijs Inhoud was niet goed 8% 2151 Onvrede met wijze van onderwijs Organisatie niet goed 7% 2071 Motivatiegebrek Niet thuis voelen 7% 2000 Studentenmonitor Gewogen voor steekproefafwijkingen. Ook het item dat te maken heeft met motivatiegebrek duidt in feite op verkeerde voorlichting (9% verkeerd beeld van opleiding). Een ander belangrijk punt is de onvrede met de wijze waarop het onderwijs wordt gegeven. Binnen dit thema staat vier redenen bij de meest belangrijke oorzaken van studieuitval (7 à 8% van alle studiestakers), namelijk: studenten worden aan hun lot overgelaten, slechte kwaliteit van de opleiding, slechte inhoud en slechte organisatie. 9.3 Voorkomen van studieuitval In dit hoofdstuk bekijken we op welke manieren er actie is ondernomen om het voortijdig uitvallen te voorkomen. Aan de uitvallers is allereerst gevraagd welke personen of instanties moeite hebben gedaan hen op de studie te houden (Figuur 132). De meeste inspanning hiervoor kwam vanuit de studiestakers zelf: 63 procent uit het hbo en 68 procent uit het wo heeft vooral zelf inspanningen verricht om de studie voort te zetten. Een tweede belangrijke groep vormen de ouders van de studiestakers (hbo 53%; wo 56%). Daarnaast speelde voor eenderde van de uitvallers vrienden, kennissen (hbo 29%; wo 30%) en medestudenten (hbo 28%; wo 16%) een rol. Opvallend minder vaak worden de studiebegeleiders (hbo 16%; wo 11%), studentdecanen (hbo 14%; wo 6%) en docenten (hbo 11%; wo 5%) genoemd. 206 Studentenmonitor 2007
207 ze lf/e ig e n initia tie f ouders/verzorg ers vrie nde n/ke nnissen me de stude nte n studie be g e le ide r stude nte nde ca a n a nde re n doce nte n % 20% 40% 60% 80% hbo wo Figuur 132: Personen of instanties die moeite deden student op de opleiding te houden (%) Figuur 133 geeft aan welke inspanningen verricht zijn om de studenten te weerhouden van het staken van hun studie. Van de studiestakers zegt 63 procent (hbo) en 66 procent (wo) dat er vanuit de instelling geen actie is ondernomen. Als er wel inspanningen zijn verricht, gaat dat in de meeste gevallen om het kijken of een andere studie wellicht beter zou passen (hbo 18%; wo 16%) en het onderzoeken van de mogelijkheden naar een andere studie over te stappen (hbo 16%; wo 13%). In respectievelijk 12 procent (hbo) en 13 procent (wo) werd hulp gegeven bij persoonlijke problemen en/of een beroepskeuzetest afgenomen (hbo 11%; wo 8%). Bij ongeveer acht procent werd gekeken of een andere instelling beter zou zijn, bij zes procent werd extra studiebegeleiding aangeboden en vier procent werd geprobeerd te helpen met bijlessen. 207 Studentenmonitor 2007
208 g e e n ins panning e n verkennen of andere studie beter past mog e lijke switch a ndere studie hulp bij persoonlijke problemen be roe ps keuze te st mog e lijke switch ande re inste lling e xtra s tudie be g e le iding bijlessen in bepaalde vakken % 20% 40% 60% 80% hbo wo Figuur 133: Inspanningen om uitval te voorkomen (%) 9.4 Huidige en toekomstige situatie Betaalde arbeid In deze paragraaf besteden we aandacht aan de huidige situatie van de uitvallers. Hoe ziet hun leven er na het staken van hun studie uit? Zijn zij aan het werk? Een nieuwe opleiding begonnen? Figuur 134 geeft inzicht in de huidige bezigheid van de studiestakers. De meerderheid van de studiestakers heeft een betaalde baan (hbo 80%; wo 75%), ongeveer een kwart volgt een opleiding of cursus (hbo 28%; wo 23%). Acht procent van de uitvallers is druk met zorgtaken en/of vrijwilligerswerk. In totaal geeft zes procent aan geen concrete bezigheid te hebben (hbo 5%; wo 11%). Van de studiestakers uit het hbo is het percentage werkenden onder mensen met een mbo-vooropleiding (90% met baan) of een vwo-vooropleiding (81% met baan) groter dan onder mensen met een havo-vooropleiding (69% met baan). Deze groep volgt vaker een nieuwe opleiding of een cursus (41%). Studiestakers die vrijwilligerswerk doen zijn vaak ouder en hebben vaker een vwo-vooropleiding. De aansluiting tussen baan en voormalige opleiding is voor studiestakers uit het hbo het best voor mensen met een mbo-vooropleiding en het slechts voor de havisten. 208 Studentenmonitor 2007
209 betaald werk ople iding /cursus zorg ta ke n vrijwillig erswerk g een concrete bezig heid % 20% 40% 60% 80% 100% hbo wo Figuur 134: Huidige bezigheid (%) In ongeveer een kwart van de gevallen sluit de baan volledig aan bij de opleiding die men voortijdig heeft verlaten (hbo 25%; wo 20%) en bij eenderde is deze aansluiting er gedeeltelijk (hbo 35%; wo 29%), zie Figuur 135. Voor 42 procent is deze match er helemaal niet (hbo 40%; wo 51%). Hieruit kunnen we concluderen dat de arbeidsmarktpositie van studiestakers in het hbo (ook qua aansluiting tussen studie en baan) beter is dan die van uitvallers uit het wo. ho wo hbo % 20% 40% 60% 80% 100% past helemaal niet past een beetje past helemaal Figuur 135: Aansluiting baan bij gestaakte studie (%) Meer dan de helft van de uitvallers werkt onder vast contract bij hun huidige werkgever (Figuur 136). Dit geldt voor de hbo ers met een mbo-vooropleiding sterker dan voor degenen met een havo of vwo-diploma. Ongeveer een kwart (hbo 27%; wo 24%) heeft een tijdelijk contract. Van de studiestakers uit het is negen procent aan de slag als zelfstandige of freelancer (hbo 7%; wo 18%). Ongeveer vijf procent werkt via een uitzendbureau. 209 Studentenmonitor 2007
210 ho wo hbo % 20% 40% 60% 80% 100% va s t tijde lijk ze lfsta ndig /fre e la nce uitze ndbure a u Figuur 136: Aard van het dienstverband (%) Figuur 137 toont het opleidingsniveau dat vereist is voor de baan. Dat verschilt nogal tussen de studiestakers uit hbo en wo. De helft van de hbo-uitvallers heeft een baan op mbo-niveau, 21 procent op hbo-niveau, en telkens zo n 10 procent heeft een baan waarvoor havo/vwo, vmbo of geen opleidingsniveau voor vereist is. Zo n 40 procent van de wo-uitvallers heeft een baan waarvoor hbo-niveau vereist is, acht procent heeft een baan op wo-niveau. Daarnaast heeft 19 procent werk op mbo-niveau, 15 procent op havo-/vwo-niveau, zeven procent op vmbo-niveau en 12 procent heeft een baan waarvoor geen opleiding voor is vereist. Als we binnen het hbo deze gegevens bestuderen voor de verschillende vooropleidingen dan valt op dat van de mensen met een mbo-diploma 72 procent een baan heeft op mbo-niveau; 16 procent van deze groep heeft een baan op hboniveau. Van de vwo ers heeft 33 procent een baan op hbo-niveau en 24 procent op mbo-niveau. Het grootste deel van de havisten (33%) werkt op mbo-niveau; 20 procent van hen heeft een baan op hbo-niveau. wo 1 8 hbo mbo ha vo/vwo vmbo 7 9 g e e n/po % 20% 40% 60% hbo wo Figuur 137: Vereist opleidingsniveau voor baan (%) 210 Studentenmonitor 2007
211 Studiestakers die langer in het hoger onderwijs verbleven, vinden doorgaans een baan op een hoger niveau. Degenen met een baan op wo-niveau gemiddeld vijf jaar in het hoger onderwijs; uitvallers met een baan op hbo-niveau brachten 3,6 jaar door in het hoger onderwijs. Uitzondering is de groep die een baan op mbo-niveau heeft gevonden. Zij verbleven van alle groepen het kortst in het hoger onderwijs (2,3 jaar). De meeste uitvallers hebben mogelijkheden zich binnen de baan bij te scholen (Figuur 138), deels via het werk zelf (18%), deels via cursussen (36%) en deels via een externe opleiding (24%). Voor 16 procent is er niet direct een opleidingsmogelijkheid en zes procent weet het niet. ho wo hbo % 20% 40% 60% 80% 100% in het werk zelf cursussen opleiding nee weet niet Figuur 138: Mogelijkheden om in het werk bij te scholen (%) Terug naar het onderwijs In totaal 27 procent gaat na het studiestaken een andere opleiding volgen: 28 procent in het hbo en 23 procent in het wo (zie ook Figuur 134). Figuur 139 toont het type opleiding dat gevolgd wordt. Bijna de helft van de studiestakers uit het hbo en 15 procent uit het wo gaat naar het mbo. Het betreft hier voor het merendeel havisten (62%). Van alle havisten die voortijdig uitvallen uit het hoger onderwijs gaat 41 procent een opleiding volgen. Dat houdt in dat een kwart van alle uitvallers met een havo-diploma naar het mbo gaat. In totaal 13 procent uit het hbo en 33 procent uit het wo is gestart met een particuliere opleiding. Respectievelijk negen en acht procent hbo en wo volgt een bedrijfsopleiding. De groep die naar het voortgezet onderwijs gaat of een opleiding in het buitenland gaan oen, is zeer gering. 211 Studentenmonitor 2007
212 mbo a nde rs pa rticulie r be drijfsople iding in buitenland vo % 20% 40% 60% hbo wo Figuur 139: Indien opleiding buiten ho: type opleiding (%) Figuur 140 toont de wijze waarop degenen die zijn teruggekeerd naar het onderwijs zich oriënteerden op hun opleiding. De studiestakers uit het hoger onderwijs die een nieuwe opleiding zijn gaan volgen, vonden op verschillende manieren hun huidige opleiding. Veelal gebeurde dat via vrienden (hbo 21%; wo 28%), via werkgever of docent (hbo 20%; wo 14%) of via zoekmachines (hbo 18%; wo 19%). De websites Opleidingenberoep.nl en Studiekeuze123.nl speelden nauwelijks een rol bij het selecteren van de nieuwe opleiding. andere manier vrie nde n we rkg e ve r of doce nt zoe kma chine s O ple iding e nbe roe p.nl Studie ke uze 123.nl % 20% 40% 60% hbo wo Figuur 140: Wijze waarop huidige opleiding is gevonden (%) 212 Studentenmonitor 2007
213 Tot slot is het interessant te weten in hoeverre de hier ondervraagde studiestakers het hoger onderwijs definitief hebben verlaten of dat er toch plannen zijn in de toekomst een studie in het hoger onderwijs opnieuw op te pakken (Figuur 141). In totaal is 42 procent definitief gestopt met studeren in het hoger onderwijs (hbo 42%; wo 38%). Deze groep is in het hbo verhoudingsgewijs het grootst onder de mensen met een mbo-vooropleiding (48%) en een vwo-vooropleiding (43%) en het kleinst onder de havisten (39%). Van de vwo ers in het wo stopt 39 procent definitief met studeren in het hoger onderwijs. Van de studiestakers met een baan stopt 44 procent definitief en van de mensen zonder baan 35 procent. De overige uitvallers willen in de toekomst terug naar het hoger onderwijs, deels wel in een andere opleiding (hbo 39%; wo 30%), deels ook in dezelfde opleiding (hbo 19%; wo 32%). ho wo hbo % 20% 40% 60% 80% 100% later weer oppakken andere opleiding in ho definitief g estopt in ho Figuur 141: Plannen om later weer in het hoger onderwijs te studeren (%) Figuur 142 toont de plannen die de studiestakers hebben om in de toekomst in het hoger onderwijs te gaan studeren uitgesplitst naar hun belangrijkste uitvalreden. Van degenen die definitief stoppen hebben relatief veel studiestakers aangegeven dat zij gestopt zijn omdat zij een leuke baan hebben gevonden, omdat de studie te zwaar was of omdat ze een opleiding buiten het hoger onderwijs volgen. Voor degenen die geen recht meer hebben op studiefinanciering of gestaakt zijn vanwege persoonlijke omstandigheden is het studiestaken in het hoger onderwijs tijdelijk. Deze groep en de studiestakers met een beperking willen meer dan de overige groepen dezelfde studie later weer oppakken. De uitvallers die gestopt zijn vanwege een verkeerde studiekeuze opteren vooral voor een andere opleiding in het hoger onderwijs en veel minder voor terugkeren naar de oude opleiding. 213 Studentenmonitor 2007
214 g een recht meer op studiefinanciering persoonlijke omstandig hede n vanweg e bepe rking verkeerde studiekeuze onvoldoe nde studie be g e le iding moeite met manier van onderwijs g e e n motivatie baa n g e vonde n studie te zwaar opleiding buiten ho totaal % 20% 40% 60% 80% 100% zelfde studie later andere studie ho definitief g estopt in ho Figuur 142: Plannen om later in het hoger onderwijs te studeren naar belangrijkste reden van studiestaken (%) 9.5 Samenvatting In dit rapport verslag gedaan van de kenmerken, de positie en toekomstperspectief van studiestakers in het hoger onderwijs. Hiervoor zijn in het kader van de Studentenmonitor Hoger Onderwijs alle uitvallers aangeschreven die tussen 1 oktober 2004 en 1 oktober 2005 zonder diploma het hoger onderwijs hebben verlaten en de afgelopen twee jaar (1 oktober 2005 en 1 oktober 2006) geen inschrijving in het hoger onderwijs hebben gehad. In totaal vulden uitvallers de vragenlijst in (3.553 uit het hbo en 657 uit het wo). We vatten de belangrijkste uitkomsten samen aan de hand van de geformuleerde onderzoeksvragen: (1) Hoe ziet de groep studiestakers er qua samenstelling uit? (2) In hoeverre verschilt het profiel van deze studiestakers van de groep studerenden? (3) Wat zijn de belangrijkste redenen van uitval en wat is gedaan om de uitval te voorkomen? (4) Wat zijn de huidige activiteiten van de studiestakers? (5) Wat is het toekomstbeeld van de studiestakers? 214 Studentenmonitor 2007
215 Achtergrondkenmerken van studiestakers Uitval in het hbo is niet alleen in aantal, maar ook in aandeel groter dan in het wo: 64 procent van de studerenden studeert in het hbo, onder de uitvallers is 84 procent afkomstig uit het hbo. Er is ook verschil naar geslacht: uitval onder mannen is relatief groter dan onder vrouwen. In het wo is de verdeling van de uitval over de sectoren onevenwichtiger dan in het hbo. In het hbo is de uitval in vergelijking met het aantal studerenden proportioneel nagenoeg gelijk verdeeld over de sectoren. In het wo is de uitval (relatief) klein bij gezondheidszorg en Techniek en (relatief groot) bij Taal & Cultuur en Recht. Het percentage uitval onder deeltijders is kleiner dan onder voltijders. De leeftijd van studiestakers in het hbo is lager dan gemiddeld; in het wo hoger dan gemiddeld. Dit heeft ook te maken met het moment van uitstroom. Studiestakers in het hbo stoppen vooral in of direct na het eerste jaar; in het wo vallen studenten veel later in de opleiding uit. Verschil naar sociaal-economische status zien in de totale uitvalgroep geen verschil, wel binnen het hbo en wo. In het wo vallen verhoudingsgewijs veel studenten uit de lagere milieus uit; in het hbo is de groep studenten uit hogere milieus relatief groot. Wel vallen studenten waarvan de ouders geen opleiding hebben genoten in het hoger onderwijs (de zogenaamde eerste generatie hoger onderwijs ) iets vaker uit. Het percentage gehandicapten is onder uitvallers hoger dan onder studerenden. Uitvallers wonen vaker zelfstandig, zijn vaker gehuwd en/of hebben kinderen. Profiel van studiestakers Als al deze factoren in samenhang worden bestudeerd kunnen we concluderen dat de kans op uitval groter is voor de volgende groepen 24 : studenten met kinderen; gehuwde/samenwonende studenten; zelfstandig wonende studenten; niet-westers allochtoon; studenten waarvan de ouders geen opleiding in het hoger onderwijs hebben genoten; studenten met een handicap of beperking; studenten uit hogere sociaal milieus; jonge studenten; mannen; studenten in het hbo. 24 Vanwege de bovenproportionele hoge uitval in het hbo is het profiel van deze groep hierin duidelijk dominant. 215 Studentenmonitor 2007
216 Redenen en voorkomen van studieuitval De topdrie van doorslaggevende uitvalredenen voor de uitvallers uit het hbo wordt gevormd door persoonlijke omstandigheden (22%), gebrek aan motivatie (16%) en op een gedeelde derde plaats een verkeerde studiekeuze en onvrede met de manier van onderwijs geven (15%). Gebrek aan motivatie (25%), persoonlijke omstandigheden (23%), een verkeerde studiekeuze (10%) en het vinden van een baan (10%) speelden vooral in het wo een beslissende rol. Bonnen deze bepalende redenen waren de volgende verdiepende aspecten van betekenis: persoonlijke problemen; geen aansluiting bij interesse; geen tijd/gelegenheid om te studeren; past niet bij toekomstbeeld; verwachtingen onduidelijk; zorgtaken thuis; verkeerd beeld van de opleiding; beroepsperspectieven spreken niet aan; studenten worden aan hun lot overgelaten; slechte kwaliteit studie; slechte inhoud; slechte organisatie; zich niet thuis voelen binnen de opleiding. Het zijn vooral de studiestakers zelf en hun ouders die een poging hebben gedaan om de uitvallers te voorkomen. Opvallend minder vaak worden de studiebegeleiders (hbo 16%; wo 11%), studentdecanen (hbo 14%; wo 6%) en docenten (hbo 11%; wo 5%) genoemd. Van de uitvallers geeft 63 procent (hbo) en 66 procent (wo) aan dat er vanuit de instelling geen enkele inspanning is verricht om de uitval te voorkomen. Huidige activiteiten van studiestakers Van studiestakers uit het hbo heeft 80 procent inmiddels een betaalde baan; in het wo is dit 75 procent. Meer dan de helft van hen heeft een vaste aanstelling. In ruim de helft van de gevallen (58%) past de baan helemaal of in elk geval een beetje bij de gestaakte studie. Doorgaans is zowel de arbeidsmarktparticipatie alsook de aansluiting tussen werk en studie het best voor hbo-uitvallers met een mbo-vooropleiding; voor havisten het slechtst. De meeste studiestakers uit het hbo hebben een baan op mbo-niveau (dit geldt met name voor degenen met een mbovooropleiding); het grootste deel van de uitvallers uit het wo hebben een baan op hbo-niveau. Voor studiestakers uit het wo geldt dat het baanniveau beter is naarmate zij langere tijd hebben doorgebracht op de universiteit. Voor de meeste uitvallers biedt het werk mogelijkheden zich verder te scholen: via het werk zelf (18%), via cursussen (36%) of via een externe opleiding (24%). 216 Studentenmonitor 2007
217 Toekomstbeeld van de studiestakers Ruim een kwart van de studiestakers gaat na de uitval uit het hoger onderwijs een opleiding volgen buiten het hoger onderwijs. Van de hbo ers vertrekt bijna de helft van deze groep naar het mbo; van de wo ers onder hen gaat een derde naar het particulieren onderwijs. Van alle uitvallers verwacht bijna 60 procent in de toekomst weer een studie in het hoger onderwijs te gaan volgen; ruim 40 procent stopt definitief met studeren in het hoger onderwijs. Eén op de vijf studiestakers denkt de oude opleiding in de toekomst weer te vervolgen; 37 procent switcht van studie. Is men gestopt vanwege het vinden van een baan, vanwege de zwaarte van de opleiding of omdat men een opleiding buiten het hoger onderwijs volgt, dan is de kans gering dat er een herintrede plaatsvindt in het hoger onderwijs. Stopte men vanwege het verlopen van het recht op studiefinanciering of vanwege persoonlijke omstandigheden, dan is de kans groot dat het studiestaken tijdelijk is. Dit geldt ook voor studenten die hun studie staakten vanwege een handicap of beperking. Is men gestopt vanwege een verkeerde studiekeuze, dan kiest 60 procent voor een andere opleiding in het wo. 217 Studentenmonitor 2007
218
219 Afkortingen ab BaMa bb CROHO CRIHO dt ec ERR gm gz havo hbo ho IB-Groep lb mavo mbo na naw OCW ov-kaart ow po RASP re rl ses sf+ sfsf-nominaal sf-leenfase SFB tc te Aanvullende beurs Bachelor-Master Basisbeurs Centraal Register Opleidingen Hoger Onderwijs Centraal Register Inschrijvingen Hoger Onderwijs Deeltijd Economie (CROHO-onderdeel) Examen Registratie Register Gedrag & Maatschappij (CROHO-onderdeel) Gezondheidszorg (CROHO-onderdeel) Hoger Algemeen Vormend Onderwijs Hoger Beroepsonderwijs Hoger Onderwijs Informatie Beheer Groep Landbouw (CROHO-onderdeel) Middelbaar Algemeen Vormend Onderwijs Middelbaar Beroepsonderwijs Natuur (CROHO-onderdeel) Naam, Adres en Woonplaats Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap Openbaar Vervoer kaart Onderwijs (CROHO-onderdeel) Primair Onderwijs Registratie Aanmelding, Selectie en Plaatsing Recht (CROHO-onderdeel) Rentedragende Lening Sociaal-Economische Status Studiefinancieringsgerechtigd Niet-studiefinancieringsgerechtigd Studenten in de nominale studiefase (doorgaans vier jaar) Studenten van wie de nominale studieduur is verstreken Studiefinancieringsbeleid Taal & Cultuur (CROHO-onderdeel) Techniek (CROHO-onderdeel) vmbo vo vt vwo WBEAA WSF wo AT BG CH CZ DE E/W EE ES FI FR IE IT LT LV NL NO PT RO SCO SE SI SK TR Voorbereidend Middelbaar Beroepsonderwijs Voortgezet Onderwijs Voltijd Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs Wet Bevordering Evenredige Arbeidsdeelname Allochtonen Wet op de Studiefinanciering Wetenschappelijk Onderwijs Oostenrijk Bulgarije Zwitserland Tsjechië Duitsland Engeland / Wales Estland Spanje Finland Frankrijk Ierland Italië Litouwen Letland Nederland Noorwegen Portugal Roemenië Schotland Zweden Slovenië Slowakije Turkije 219 Studentenmonitor 2007
220
221 Schaalconstructies Tabel 56: Factorladingen voor schaal Sociaal-economische status Gemiddeld netto maandinkomen (euro) 0,77 Hoogste opleidingsniveau ouders ruwe score 0,85 Hoogste beroepsniveau ouders 0,87 Percentage variantie verklaard 68,85 Studentenmonitor Tabel 57: Factorladingen voor schalen Studiekeuzemotieven Kwaliteit Begeleiding en werkvormen Beroepsperspectief Inhoud Goede kwaliteit onderwijs gekozen instelling 0,91 Goede kwaliteit opleiding aan gekozen instelling 0,91 Goede naam van gekozen instelling 0,87 Veel aandacht voor onderzoeksvaardigheden 0,73 Persoonlijke studiebegeleiding 0,73 Veel projectonderwijs 0,72 Veel aandacht voor theoretische grondslagen 0,59 Veel mogelijkheden praktijkervaring op te doen 0,59 Goede kans op baan 0,86 Hoog salaris verdienen 0,80 Opleiding biedt brede beroepsmogelijkheden 0,68 Opleiding inhoudelijk interessant 0,82 Opleiding sluit goed aan bij capaciteiten/vaardigheden 0,80 Beroepsperspectieven spreken aan 0,70 Percentage variantie verklaard 30,27 13,78 11,82 9,41 Alpha 0,92 0,74 0,74 0,70 Studentenmonitor Studentenmonitor 2007
222 Tabel 58: Factorladingen voor schaal Aansluiting Inhoud vakken 0,66 Zelfstandig aanpakken/plannen studietaken 0,74 Communicatieve vaardigheden 0,76 Schriftelijke vaardigheden 0,73 Ict- of computervaardigheden 0,56 Maken van probleemanalyse 0,78 Percentage variantie verklaard 50,27 Alpha 0,80 Studentenmonitor Tabel 59: Factorladingen voor schaal Studeerbaarheid Tentameneisen duidelijk 0,68 Duidelijk wat te doen ter voorbereiding van tentamen 0,66 Tevreden over inhoud studieprogramma 0,64 Tentamens kwamen overeen met tentameneisen 0,64 Samenhang onderwijsprogramma duidelijk 0,63 Studieonderdelen sluiten goed op elkaar aan 0,59 Syllabi van goede kwaliteit 0,59 Belangrijke delen van stof tijdig voor tentamen behandeld 0,56 Boeken en studiematerialen bieden voldoende steun 0,50 Voldoende voorbereiding op toekomstige loopbaan 0,49 Goede inschatting over beheersing stof voor tentamen 0,47 Goede aansluiting bij toekomstig werk 0,47 Tentamens overeenkomstig verwachting 0,46 Opleiding biedt goed beeld van beroepsmogelijkheden 0,44 Studiebelasting goed verdeeld over studiejaar 0,43 Voldoende aandacht voor beroepsmogelijkheden 0,38 Voldoende ruimte voor invulling keuze binnen studie 0,35 Geen overlap tussen verschillende studieonderdelen 0,29 Percentage variantie verklaard 27,58 Alpha 0,84 Studentenmonitor Studentenmonitor 2007
223 Tabel 60: Factorladingen voor schaal Werkdruk Studie te moeilijk 0,76 Studietempo niet bijbenen 0,76 Grote moeite stof onder de knie krijgen 0,76 Leervakken gaven problemen 0,64 Ontbreken studievaardigheden 0,64 Onvoldoende tijd voorbereiding tentamens 0,55 Onvoldoende tijd voorbereiding contacturen 0,54 Naast de studie onvoldoende tijd over voor andere zaken 0,52 Werkdruk groot 0,50 Percentage variantie verklaard 40,64 Alpha 0,81 Studentenmonitor Tabel 61: Factorladingen voor schaal Inzet Zelfdiscipline goed 0,77 Besteedt voldoende tijd aan studie 0,77 Niet de neiging verplichtingen uit te stellen 0,75 Doorgaans goed studeren 0,71 Gemakkelijk om zelfstandig studie te plannen 0,69 Alle beschikbare tijd gebruiken om snel af te studeren 0,61 Makkelijk inspannen voor oninteressante onderdelen 0,58 Zo hoog mogelijk cijfer halen 0,58 Tevreden over de studieprestaties tot nu toe 0,56 Volledig inspanning voor studie ondanks bezigheden extern 0,55 Studie zo snel mogelijk afronden 0,34 Percentage variantie verklaard 41,17 Alpha 0,85 Studentenmonitor Studentenmonitor 2007
224 Tabel 62: Factorladingen voor schaal Toegankelijkheid van docenten Docenten bieden voldoende steun leerproblemen 0,78 Docenten zijn inspirerend 0,76 Gemakkelijk contact leggen met docenten 0,76 Docenten gemakkelijk buiten contacturen te benaderen 0,72 Docenten geven begrijpelijk college 0,70 Docenten geïnteresseerd in studenten 0,69 Voldoende invloed uitoefenen op onderwijs 0,62 De docenten geven snel feedback 0,61 Percentage variantie verklaard 50,08 Alpha 0,85 Studentenmonitor Tabel 63: Factorladingen voor schaal Oordeel keuze-informatie Onafhankelijke bronnen 0,67 Folders/schriftelijke informatie van de opleiding 0,67 Website van de instelling 0,64 Rechtstreeks bij de instelling (telefonisch/ ) 0,66 Andere websites 0,73 Decanen 0,63 Studiebeurzen 0,66 Voorlichtingsdagen/vakantiecursussen bij de opleiding 0,74 Familie of kennissen 0,54 Percentage variantie verklaard 43,80 Alpha 0,84 Studentenmonitor Studentenmonitor 2007
225 Tabel 64: Factorladingen voor schaal Studentprofielen Idealisten Status zoekers Vakgeïnteresseerden Zelfontplooiers Normatieven Door studeren anderen helpen 0,78 Door studie anderen helpen 0,77 Bijdrage aan maatschappij 0,74 Iets goeds terug doen voor maatschappij 0,74 Nuttig voor maatschappij belangrijker dan hoog salaris 0,68 Passie voor vak 0,82 Altijd al geïnteresseerd in vak 0,73 Buiten studie met vak bezig 0,72 Kennis en inzicht voor toekomstig vak 0,66 Studie opent deuren voor baan met aanzien 0,81 Door studie verzekerd van betaalde baan 0,76 Belangrijk dat studie aanzien heeft in maatschappij 0,74 Studeren is zelfverrijking 0,73 Studeren is zelfontplooiing 0,69 Studeren is breed ontwikkelen 0,63 Studeren is doel op zich 0,54 Studeren is noodzakelijk kwaad 0,73 Studie mag weinig vrije tijd in beslag nemen 0,65 Studeren is voldoen aan verwachting 0,57 Kijk uit naar einde studie 0,51 Percentage variantie verklaard 20,40 12,48 9,58 7,90 5,61 Alpha 0,81 0,75 0,74 0,61 0,54 Studentenmonitor Studentenmonitor 2007
226
227 Overzicht tabellen en figuren Figuur 1: Responspercentages (ongewogen) naar croho-sector 16 Figuur 2: Responspercentages (ongewogen) naar achtergrondkenmerken 17 Figuur 3: Samenstelling respondentgroep naar achtergrondkenmerken: gewogen respons. 19 Figuur 4: Samenstelling studentenpopulatie naar geslacht (absolute aantallen) 23 Figuur 5: Samenstelling studentenpopulatie naar opleidingsvorm (% deeltijdstudenten) 24 Figuur 6: Gemiddelde leeftijd studentenpopulatie naar voltijd en deeltijd 25 Figuur 7: Uit- en thuiswonende studenten naar opleidingsvorm en studiejaar (%) 26 Figuur 8: Etniciteit studentenpopulatie naar soort hoger onderwijs (% voltijdstudenten) 27 Figuur 9: Hoogste opleidingsniveau van de ouders naar soort hoger onderwijs (% voltijdstudenten) 27 Figuur 10: Gemiddeld maandelijks netto inkomen van de ouders ( ) 28 Figuur 11: Arbeidsparticipatie ouders naar soort hoger onderwijs en opleidingsvorm (%) 29 Figuur 12: Beroepsniveau ouders naar soort hoger onderwijs en opleidingsvorm (%) 30 Figuur 13: Sociaal-economische status naar soort hoger onderwijs en opleidingsvorm (%) 31 Figuur 14: Studenten met een beperking (%) 32 Figuur 15: Hoogst genoten vooropleiding in het secundair onderwijs naar soort hoger onderwijs (%) 33 Figuur 16: Studievoortgang: percentage van de geprogrammeerde studielast behaald 34 Figuur 17: Kans afstuderen voltijdstudenten (%) 35 Figuur 18: Voltijdstudenten (%) die ongemotiveerd aan de opleiding beginnen: trend Figuur 19: Voltijdstudenten (%) met onvoldoende inzet: trend Figuur 20: Voltijdstudenten (%) die een hoge werkdruk ervaren: trend Figuur 21: Voltijdstudenten (%) met negatief oordeel over studeerbaarheid: trend Figuur 22: Voltijdstudenten (%) die docenten als slecht toegankelijk ervaren: trend Figuur 23: Maandelijkse financiële inkomsten (netto) van voltijdstudenten ( ) 41 Figuur 24: Maandelijkse financiële inkomsten (netto) van voltijdstudenten (% van diverse bronnen ten opzichte van het totale inkomen) 42 Figuur 25: Samenstelling van maandelijkse financiële inkomsten (netto) van voltijdstudenten (nominale fase) naar sociaal-economische herkomst 43 Figuur 26: Trends inkomsten ( ) sinds 2000, vt en dt 44 Figuur 27: Trends inkomsten per inkomstenbron in hbo sinds 2000, vt en dt 45 Figuur 28: Trends inkomsten per inkomstenbron in wo sinds 2000, vt en dt 45 Figuur 29: Maandelijkse uitgaven van voltijdstudenten ( ) 46 Figuur 30: Maandelijkse uitgaven van voltijdstudenten (% van diverse posten ten opzichte van de totale uitgaven) Studentenmonitor 2007
228 Figuur 31: Oordeel financiële situatie voltijdstudenten (%) 48 Figuur 32: Belangrijke argumenten tegen een studielening (% studiefinancieringgerechtigde voltijdstudenten) 49 Figuur 33: Belangrijke redenen om te lenen (% studiefinancieringgerechtigde voltijdstudenten) 50 Figuur 34: Trends in tijdbesteding aan studie en betaalde arbeid (alle studenten) sinds 2000 (alleen voltijdstudenten) 51 Figuur 35: Verhouding tijdbesteding aan studie en werk voltijdstudenten (gem. per week, alleen werkende studenten) 52 Figuur 36: Tijdbesteding voltijdstudenten aan studie naar aantal uren werk (gemiddeld per week) 53 Figuur 37: Tijdbesteding deeltijdstudenten aan studie naar aantal uren werk (gemiddeld per week) 53 Figuur 38: Verhouding tijdbesteding aan studie en werk voltijdstudenten (gemiddeld per week) naar aard studiefinanciering (alleen werkenden) 54 Figuur 39: Verhouding tijdbesteding aan studie en werk deeltijdstudenten (gem. per week, alleen werkenden) 55 Figuur 40: Verdeling werkende studenten over de arbeidsmarktsectoren (%) 56 Figuur 41: Belangrijkste studiekeuzemotieven voltijdstudenten bij aanvang van de opleiding (%) 57 Figuur 42: Belangrijkste studiekeuzemotieven deeltijdstudenten bij aanvang van de opleiding (%) 58 Figuur 43: Belangrijkste argumenten (mannen en vrouwen) tegen de keuze voor bètatechniek (% voltijdstudenten met bètatoegang) 59 Figuur 44: Percentage eerstejaars voltijdstudenten met negatief oordeel over aansluiting voortgezet en hoger onderwijs 60 Figuur 45: Geraadpleegde informatiebronnen bij studiekeuze (% voltijdstudenten) 61 Figuur 46: Percentage voltijdstudenten met stage- of onderwijservaring in het buitenland: Figuur 47: Redenen van voltijdstudenten om af te zien van stage- of onderwijservaring in het buitenland (%) 63 Figuur 48: Toekomstperspectief voltijdstudenten (%) 64 Figuur 49: Studentprofielen (% voltijdstudenten) naar soort hoger onderwijs en sector 67 Figuur 50: Geraadpleegde informatiebronnen hbo-studenten naar vooropleiding 74 Figuur 51: Geraadpleegde informatiebronnen wo-studenten naar vooropleiding 75 Figuur 52: Aantal geraadpleegde informatiebronnen naar hbo/wo en naar vooropleiding. 76 Figuur 53: Gemiddeld aantal geraadpleegde bronnen naar kans op afstuderen. 77 Figuur 54: Gemiddeld aantal geraadpleegde bronnen naar wel of niet spijt van keuze. 77 Figuur 55: Keuzemotieven van vwo ers en hbo ers in het wo (%). 78 Figuur 56: Keuzemotieven van hbo-studenten met een mbo-, havo- of vwo-vooropleiding (%) 79 Figuur 57: Verschillen in keuzemotieven tussen hbo-studenten met en zonder spijt van opleidings- en/of instellingskeuze 83 Figuur 58: Verschillen in keuzemotieven tussen wo-studenten met en zonder spijt van opleidings- en/of instellingskeuze 84 Figuur 59: Keuzemotieven hbo-studenten en hun kans op afstuderen Studentenmonitor 2007
229 Figuur 60: Keuzemotieven wo-studenten en hun kans op afstuderen 86 Figuur 61: Studievoortgang in het hoger onderwijs (totalen), 2004 t/m 2007, 95%-betrouwbaarheidsintervallen 92 Figuur 62: Studievoortgang in het hbo, 2004 t/m 2007, 95%-betrouwbaarheidsintervallen 92 Figuur 63: Studievoortgang in het wo, 2004 t/m 2007, 95%-betrouwbaarheidsintervallen 93 Figuur 64: Behaald aantal studiepunten per week naar soort hoger onderwijs en sector, 95%- betrouwbaarheidsintervallen 101 Figuur 65: Percentage studie-inspanning (ten opzichte van de totale steekproef) per sector 102 Figuur 66: Tijdbesteding aan studie van voltijdstudenten naar soort hoger onderwijs en totaal hoger onderwijs, 2003 t/m 2007, 95%-betrouwbaarheidsintervallen 105 Figuur 67: Tijdbesteding aan studie van voltijdstudenten in het hbo, 2003 t/m 2007, 95%- betrouwbaarheidsintervallen 106 Figuur 68: Tijdbesteding aan studie van voltijdstudenten in het wo, 2003 t/m 2007, 95%-betrouwbaarheidsintervallen 107 Figuur 69: Tijdbesteding aan betaalde arbeid van voltijdstudenten, hoger onderwijs totaal, 2003 t/m 2007, 95%- betrouwbaarheidsintervallen 107 Figuur 70: Tijdbesteding aan betaalde arbeid van voltijdstudenten in het hbo, 2003 t/m 2007, 95%- betrouwbaarheidsintervallen 108 Figuur 71: Tijdbesteding aan betaalde arbeid van voltijdstudenten in het wo, 2003 t/m 2007, 95%- betrouwbaarheidsintervallen 109 Figuur 72: Aandeel jarigen studerend in het ho 123 Figuur 73: Verdeling herkomst in hbo en wo 123 Figuur 74: Aandeel (%) studenten naar generatie ho en herkomst in hbo en wo 124 Figuur 75: Aandeel (%) studenten naar beroepsniveau ouders en herkomst in hbo en wo 124 Figuur 76: Eerste en niet-eerste generatie hbo-studenten naar herkomst en beroepsniveau ouders 125 Figuur 77: Eerste en niet-eerste generatie wo-studenten naar herkomst en beroepsniveau ouders 126 Figuur 78: Percentages van uitzonderlijk gemotiveerde studenten in het hoger onderwijs sinds Figuur 79: Percentages en 95%-betrouwbaarheidsintervallen van uitzonderlijk gemotiveerde studenten in het hoger onderwijs sinds Figuur 80: Percentages en 95%-betrouwbaarheidsintervallen van uitzonderlijk gemotiveerde studenten in hbo per sector (periode ) 139 Figuur 81: Percentages en 95%-betrouwbaarheidsintervallen van uitzonderlijk gemotiveerde studenten in wo per sector (periode ) 140 Figuur 82: Gemiddelde ouderlijke bijdrage / gemiddelde aanvullende beurs in , voor uitwonenden en thuiswonenden 145 Figuur 83: Relatieve ouderbijdrage naar achtergrondkenmerken (woonsituatie) 146 Figuur 84: Relatieve ouderbijdrage naar hoogste opleiding ouders Studentenmonitor 2007
230 Figuur 85: Relatieve ouderbijdrage naar inkomen ouders 148 Figuur 86: Relatieve ouderbijdrage (%) naar provincie van herkomst (oudst bekende postcode) 149 Figuur 87: Relatieve ouderbijdrage naar etniciteit en generatie in hoger onderwijs 150 Figuur 88: Gemiddelde ouderlijke bijdrage naar etniciteit (autochtoon, Surinamers en Antilianen, Marokkanen, Turken, anders allochtonen) 150 Figuur 89: Tijdbesteding aan (betaald) werk (uren per week), voor studenten die meer dan verondersteld en studenten die minder dan verondersteld aan ouderbijdrage ontvangen 151 Figuur 90: Tijdbesteding aan studie (uren per week), voor studenten die meer en studenten die minder dan de veronderstelde ouderbijdrage ontvangen 152 Figuur 91: Relatieve ouderbijdrage naar oordeel van studenten over de financiële situatie. 152 Figuur 92: Percentage studenten dat aangeeft te lenen en percentage studenten dat aangeeft te werken met als reden onvoldoende ouderlijke bijdrage, naar de relatieve ouderbijdrage. 153 Figuur 93: Percentage vrouwelijke studenten. Noorwegen; Zweden: geen gegevens beschikbaar voor alleen bachelorstudenten. 162 Figuur 94: Gemiddelde leeftijd van studenten, naar geslacht 163 Figuur 95: Studenten naar opleidingsvorm (voltijd/deeltijd/overige; %) 164 Figuur 96: Voor welk diploma studeer je? 165 Figuur 97: Woonsituatie van Europese studenten (%) 166 Figuur 98: Percentage studenten met steun van de overheid naar opleiding van de ouders (alleen landen waarvoor alle gegevens beschikbaar zijn) 167 Figuur 99: Percentage inkomsten uit baan, overheid en ouders voor studenten met een lage sociaal-economische achtergrond en studenten met een hoge sociaal-economische achtergrond. 168 Figuur 100: Inkomen van uitwonende studenten, aandeel naar bron: overheid, familie / partner / (bij)baan / overig inkomen (%) 169 Figuur 101: Aandeel studenten met betaald werk naast de studie 170 Figuur 102: Studenten (alle studenten en alleen vrouwen) met buitenlandervaring 171 Figuur 103: Definitieve plannen om naar het buitenland te gaan 172 Figuur 104: Mobiliteit Europese studenten (studie/stage/taalcursus) naar opleidingsniveau ouders 173 Figuur 105: Financiering van het buitenlandverblijf voor studenten uit Nederland, Noorwegen, Portugal, Zweden, Slovenië en Litouwen 174 Figuur 106: Samenstelling uitvalpopulatie naar geslacht (absolute aantallen) 178 Figuur 107: Percentage uitval naar geslacht gerelateerd aan studentenpopulatie 179 Figuur 108: Uitvalgroep en groep studerenden naar sector (hbo=100%; wo=100%) 180 Figuur 109: Samenstelling uitvalpopulatie naar opleidingsvorm (% deeltijdstudenten) 183 Figuur 110: Leeftijd waarop studenten uitvallen 184 Figuur 111: Verblijfsduur van studiestakers in het hoger onderwijs (%) Studentenmonitor 2007
231 Figuur 112: Woonsituatie uitvallers naar opleidingsvorm (%) 185 Figuur 113: Etniciteit naar soort hoger onderwijs (%) 185 Figuur 114: Afkomst naar soort hoger onderwijs: studerenden en studiestakers (%) 186 Figuur 115: Eerste generatie hoger onderwijs naar soort hoger onderwijs: studerenden en studiestakers (%) 187 Figuur 116: Gezinsinkomen ouders naar soort hoger onderwijs: studerenden en studiestakers (%) 187 Figuur 117: Sociaal-economische status naar soort hoger onderwijs: studerenden en studiestakers (%) 188 Figuur 118: Handicap/beperking naar soort hoger onderwijs: studerenden en studiestakers (%) 188 Figuur 119: Respondenten met kinderen naar soort hoger onderwijs: studerenden en studiestakers (%) 189 Figuur 120: Uitvalredenen (%) 191 Figuur 121: Doorslaggevende uitvalreden (%) 195 Figuur 122: Persoonlijke omstandigheden die geleid hebben tot uitval (%) 196 Figuur 123: Redenen voor motivatiegebrek (%) 197 Figuur 124: Verklaring verkeerde studiekeuze (%) 198 Figuur 125: Geraadpleegde informatiebronnen (%) 198 Figuur 126: Verklaring voor onvrede met de wijze van onderwijs (%) 201 Figuur 127: Redenen waarom studie te zwaar was (%) 202 Figuur 128: Redenen waarom baan doorslaggevend was om met studie te stoppen (%) 203 Figuur 129: Redenen waarom studiebegeleiding onvoldoende was (%) 203 Figuur 130: Aard van de handicap/functiebeperking (%) 204 Figuur 131: Redenen waarom beperking/handicap tot uitval leidde (%) 205 Figuur 132: Personen of instanties die moeite deden student op de opleiding te houden (%) 207 Figuur 133: Inspanningen om uitval te voorkomen (%) 208 Figuur 134: Huidige bezigheid (%) 209 Figuur 135: Aansluiting baan bij gestaakte studie (%) 209 Figuur 136: Aard van het dienstverband (%) 210 Figuur 137: Vereist opleidingsniveau voor baan (%) 210 Figuur 138: Mogelijkheden om in het werk bij te scholen (%) 211 Figuur 139: Indien opleiding buiten ho: type opleiding (%) 212 Figuur 140: Wijze waarop huidige opleiding is gevonden (%) 212 Figuur 141: Plannen om later weer in het hoger onderwijs te studeren (%) 213 Figuur 142: Plannen om later in het hoger onderwijs te studeren naar belangrijkste reden van studiestaken (%) 214 Tabel 1: Samenstelling studentenpopulatie in Tabel 2: Ingeschrevenen hbo naar strata: populatie 12 Tabel 3: Ingeschrevenen hbo naar strata: bruto steekproef 13 Tabel 4: Ingeschrevenen wo naar strata: populatie Studentenmonitor 2007
232 Tabel 5: Ingeschrevenen wo naar strata: bruto-steekproef 14 Tabel 6: Overzicht totale respons Studentenmonitor Tabel 7: Arbeidsmarktsituatie van afgestudeerden 20 Tabel 8: Normbedragen studiefinanciering hoger onderwijs t/m Tabel 9: Meest geraadpleegde informatiebronnen hbo-studenten naar croho-sector (%) 75 Tabel 10: Meest geraadpleegde informatiebronnen wo-studenten naar croho-sector (%) 76 Tabel 11: Keuzemotieven hbo-studenten naar croho-sector (%) 80 Tabel 12: Keuzemotieven wo-studenten naar croho-sector (%) 81 Tabel 13: Keuzeprofiel van studenten met een juiste studiekeuze. 87 Tabel 14: Studievoortgang 2006 en 2007: gemiddelden naar sector 94 Tabel 15: Gemiddelde studievoortgang van voltijdstudenten naar achtergrondkenmerken (hbo, wo en totaal) 96 Tabel 16: Gemiddelde studievoortgang van voltijdstudenten naar studiekenmerken (hbo, wo en totaal) 97 Tabel 17: Verklaringsmodel studievoortgang van hbo-studenten: gestandaardiseerde (ß) en ongestandaardiseerde regressiecoëfficiënten (B) 98 Tabel 18: Verklaringsmodel studievoortgang van wo-studenten: gestandaardiseerde (ß) en ongestandaardiseerde regressiecoëfficiënten (B) 99 Tabel 19: Percentage studie-inspanning (ten opzichte van steekproef) naar achtergrondkenmerken 103 Tabel 20: Percentage studie-inspanning (ten opzichte van de totale steekproef) naar studiekenmerken (hbo, wo en totaal) 104 Tabel 21: Verklaringsmodel tijdbesteding in uren aan studie van voltijd hbo-studenten: gestandaardiseerde (B) en ongestandaardiseerde regressiecoëfficiënten 110 Tabel 22: Verklaringsmodel tijdbesteding in uren aan studie van voltijd wo-studenten: gestandaardiseerde (B) en ongestandaardiseerde regressiecoëfficiënten 111 Tabel 23: Verklaringsmodel tijdbesteding in uren aan werk van voltijd hbo-studenten: gestandaardiseerde (B) en ongestandaardiseerde regressiecoëfficiënten 112 Tabel 24: Verklaringsmodel tijdbesteding in uren aan werk van voltijd wo-studenten: gestandaardiseerde (B) en ongestandaardiseerde regressiecoëfficiënten 113 Tabel 25: Het profiel van de lenende student (alleen voltijdstudenten) 114 Tabel 26: Financiële strategieën, studievoortgang en tijdbesteding aan studie. 115 Tabel 27: Indeling van groepen allochtonen 120 Tabel 28: Indeling beroepsniveau in hoog versus overig 121 Tabel 29: Indeling eerste generatie ho versus niet-eerste generatie ho 121 Tabel 30: Correlaties (factorladingen) van afzonderlijke succesindicatoren met schaal studiesucces 122 Tabel 31: Gemiddelde scores op afzonderlijke indicatoren van studiesucces en samengestelde factor voor onderscheiden groepen en generatie ho: hbo Studentenmonitor 2007
233 Tabel 32: Gemiddelde scores op afzonderlijke indicatoren van studiesucces en samengestelde factor voor onderscheiden groepen en generatie ho: wo 128 Tabel 33: Gemiddelde scores op afzonderlijke indicatoren van studiesucces en samengestelde factor voor onderscheiden groepen en beroepsniveau ouders: hbo 130 Tabel 34: Gemiddelde scores op afzonderlijke indicatoren van studiesucces en samengestelde factor voor onderscheiden groepen en beroepsniveau ouders: wo 131 Tabel 35: Samenhang tussen generatie ho, beroepsniveau ouders en etniciteit en factoren voor studiesucces (ongestandaardiseerde regressie-coëfficiënten) 132 Tabel 36: Profiel van de uitzonderlijk gemotiveerde student 141 Tabel 37: Normbedragen maximaal aanvullende beurs (of ouderbijdrage) per maand, in, Tabel 38: Relatieve ouderbijdrage naar achtergrondkenmerken (sector, geslacht, studiejaar, etniciteit) 146 Tabel 39: Relatieve ouderbijdrage naar achtergrondkenmerken (geslacht, studiejaar, etniciteit) 147 Tabel 40: Gemiddeld maandelijks inkomen uit beurs, lening, arbeid en van ouders, naar relatieve ouderlijke bijdrage 154 Tabel 41: Gemiddeld maandelijks leenbedrag bij IB-Groep, naar relatieve ouderlijke bijdrage 154 Tabel 42: Relatieve ouderbijdrage naar studenttypen - hbo 155 Tabel 43: Relatieve ouderbijdrage naar studenttypen - wo 155 Tabel 44: Profiel van hbo-studenten met meer dan de veronderstelde ouderbijdrage 156 Tabel 45: Profiel van wo-studenten met meer dan de veronderstelde ouderbijdrage 157 Tabel 46: Verklaringsmodel hoogte van de relatieve ouderlijke bijdrage voor studenten in het hbo: gestandaardiseerde en ongestandaardiseerde regressiecoëfficiënten. 158 Tabel 47: Verklaringsmodel hoogte van de relatieve ouderlijke bijdrage voor studenten in het wo: gestandaardiseerde en ongestandaardiseerde regressiecoëfficiënten. 158 Tabel 48: Uitval naar opleidingscluster: absolute aantallen en percentage t.o.v. studerenden 181 Tabel 49: Het profiel van de studiestakers 190 Tabel 50: Uitvalredenen naar sector (hbo) 192 Tabel 51: Uitvalredenen naar geslacht 193 Tabel 52: Uitvalredenen naar tijd in studie (eerstejaars versus ouderejaars) 194 Tabel 53: Gebruikte informatiebronnen (uitvallers met verkeerde studiekeuze en studenten) 199 Tabel 54: Verklaring verkeerde studiekeuze, naar gebruikte informatiebron 200 Tabel 55: Belangrijkste verdiepende redenen herberekend naar totale groep studiestakers 206 Tabel 56: Factorladingen voor schaal Sociaal-economische status 221 Tabel 57: Factorladingen voor schalen Studiekeuzemotieven 221 Tabel 58: Factorladingen voor schaal Aansluiting 222 Tabel 59: Factorladingen voor schaal Studeerbaarheid 222 Tabel 60: Factorladingen voor schaal Werkdruk Studentenmonitor 2007
234 Tabel 61: Factorladingen voor schaal Inzet 223 Tabel 62: Factorladingen voor schaal Toegankelijkheid van docenten 224 Tabel 63: Factorladingen voor schaal Oordeel keuze-informatie 224 Tabel 64: Factorladingen voor schaal Studentprofielen Studentenmonitor 2007
Studentenmonitor 2006
Studentenmonitor 006 Studeren in Nederland: kernindicatoren, motieven bij masterkeuze, studievoortgang, studenttypen en de uitzonderlijk gemotiveerde student ResearchNed Nijmegen, oktober 007 Anja van
Monitor beleidsmaatregelen 2014. Anja van den Broek
Monitor beleidsmaatregelen 2014 Anja van den Broek Maatregelen, vraagstelling en data Beleidsmaatregelen Collegegeldsystematiek tweede studies uit de Wet Versterking besturing inclusief uitzonderingen
Tevredenheid over uitdagend onderwijs onder studenten Een korte notitie op basis van de Studentenmonitor Hoger Onderwijs
Tevredenheid over uitdagend onderwijs onder studenten Een korte notitie op basis van de Studentenmonitor Hoger Onderwijs Robert Tholen Mark van Hees Nijmegen, ResearchNed augustus 2015 2015 ResearchNed
Factsheet. Samenvatting
Studiesucces en uitval 2018 Deze factsheet bevat de belangrijkste ontwikkelingen in het hbo op het gebied van studiesucces, studieduur, uitval en studiewissel van voltijd bachelorstudenten uitgesplitst
Steeds meer niet-westerse allochtonen in het voltijd hoger onderwijs
Steeds meer niet-westerse allochtonen in het voltijd hoger onderwijs Esther van Kralingen Tussen studiejaar 1995/ 96 en 21/ 2 is het aandeel van de niet-westerse allochtonen dat in het hoger onderwijs
Instroom hbo afgenomen maar forse groei aantal gediplomeerden
Instroom hbo afgenomen maar forse groei aantal gediplomeerden Groei bij gezondheidszorg, aantal studenten in het hbo stabiliseert, aandeel allochtonen blijft groeien, 5% groei in diploma s, aantal Ad-studenten
7. Deelname en slagen in het hoger onderwijs
7. Deelname en slagen in het hoger onderwijs Vergeleken met autochtonen is de participatie in het hoger onderwijs van niet-westerse allochtonen ruim twee keer zo laag. Tussen studiejaar 1995/ 96 en 21/
Studieuitval in het hoger onderwijs
Studie in het hoger onderwijs Achtergrond en oorzaken Onderzoek in opdracht van het ministerie van OCW Froukje Wartenbergh Anja van den Broek ResearchNed bv Nijmegen, september 0 2007 ResearchNed Nijmegen
Uitval studenten. Sectorbeeld Onderwijs, Inspectie van het Onderwijs,
Studenten sector Onderwijs vallen vaker uit... 2 Veel uitval bij 2 e graads hbo... 3 Meer uitval van pabo studenten met mbo-achtergrond... 5 Steeds meer mannen vallen uit bij pabo... 7 Studenten met niet-westerse
Feiten en cijfers. Studentenaantallen in het hoger beroepsonderwijs
Feiten en cijfers Studentenaantallen in het hoger beroepsonderwijs 2010 1 Feiten en cijfers Studentenaantallen in het hoger beroepsonderwijs 2010 Ten opzichte van 2009 is de instroom stabiel: -0,3 procent
Toegankelijkheid hoger onderwijs en de rol van studiefinanciering
Toegankelijkheid hoger onderwijs en de rol van studiefinanciering Achtergrondnotitie van de HBO-raad n.a.v. ideeën over een leenstelsel Den Haag, 3 september 2012 Inleiding In het recente debat over mogelijk
Instroom en inschrijvingen
Instroom en inschrijvingen Minder studenten beginnen aan opleidingen in de sector Onderwijs... 2 Instroom pabo keldert in 2015 maar herstelt zich deels in 2016... 3 Minder mbo ers naar sector Onderwijs...
Feiten en cijfers. Afgestudeerden en uitvallers in het hoger beroepsonderwijs. juni 2011
Feiten en cijfers Afgestudeerden en uitvallers in het hoger beroepsonderwijs juni 2011 2 Feiten en cijfers Afgestudeerden en uitvallers in het hoger beroepsonderwijs Meer dan zeven op de tien studenten
5. Onderwijs en schoolkleur
5. Onderwijs en schoolkleur Niet-westerse allochtonen verlaten het Nederlandse onderwijssysteem gemiddeld met een lager onderwijsniveau dan autochtone leerlingen. Al in het basisonderwijs lopen allochtone
Nadere analyses studentenmonitor 2002; Studeren met een handicap en Studieverloop in het algemeen
Stichting voor Economisch Onderzoek Beleidsgerichte studies Hoger onderwijs en Wetenschappelijk onderzoek 101 Nadere analyses studentenmonitor 2002; Studeren met een handicap en Studieverloop in het algemeen
Factsheet Toelatingstoets PABO
Pabo-opleidingen zitten in de lift De pabo s hebben de afgelopen jaren veel stappen gezet om de kwaliteit verder te versterken, onder meer door de invoering van de toelatingstoetsen. Deze maatregelen betalen
Studentenhuisvesting Feiten en trends 2010
Studentenhuisvesting Feiten en trends 2010 Studentenhuisvesting - Feiten en trends 2010-1- Studenten Aantal ingeschreven voltijd studenten in bekostigde HBO- en WO-instellingen in Nederland 2009-2010 2008-2009
Factsheet. HBO-Monitor De arbeidsmarktpositie van hbo-afgestudeerden
HBO-Monitor 2016 De arbeidsmarktpositie van hbo-afgestudeerden Managementsamenvatting In deze factsheet staat de arbeidsmarktpositie van de hbo-afgestudeerden uit studiejaar 2014/2015 centraal. Eind 2016,
Wat weet jij over het leenstelsel?!
Resultaten onderzoek Wat weet jij over het leenstelsel? 13-01-2015 Wat weet jij over het leenstelsel? In 2015 staan er ingrijpende veranderingen voor de deur die de toegankelijkheid van het onderwijs onder
Studentenmonitor 2001
Beleidsgerichte studies Hoger onderwijs en Wetenschappelijk onderzoek 87 Studentenmonitor 2001 studenten in het hoger onderwijs Adriaan Hofman Uulkje de Jong Marko van Leeuwen Jan de Boom Ineke van der
Subsector politicologie en bestuurskundige opleidingen
Subsector politicologie en bestuurskundige Samenvatting... 2 Weinig deeltijd... 2 Wo-instroom... 3 Weinig uitval iets toegenomen... 3 Veel switch... 3 Vier in herstel... 3 Veel studenten raden opleiding
StudentenBureau Stagemonitor
StudentenBureau Stagemonitor Rapportage Mei 2011 1 SAMENVATTING... 3 ERVARINGEN... 3 INLEIDING... 4 ONDERZOEKSMETHODE... 5 RESPONDENTEN... 5 PROCEDURE... 5 METING... 5 DEEL I ANALYSE... 6 1. STAGE EN ZOEKGEDRAG...
Baan op niveau en in richting
Baan op niveau en in richting Studenten Onderwijs meer kans op baan gemiddeld... 2 Pabo had sterkste terugloop baankansen in 2012... 3 Hbo-studenten in sector vaker baan op niveau en in richting... 4 Voltijd
Factsheet. HBO-Monitor De arbeidsmarktpositie van hbo-afgestudeerden
HBO-Monitor 2018 De arbeidsmarktpositie van hbo-afgestudeerden Managementsamenvatting In deze factsheet staat de arbeidsmarktpositie van de hbo-afgestudeerden uit studiejaar 2016-2017 centraal. Eind 2018,
Tien jaar Studentenmonitor
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap Beleidsgerichte studies 140 Hoger onderwijs en Wetenschappelijk onderzoek Tien jaar Studentenmonitor Studiegedrag en de sociaal-economische positie van de
Studeren met een functiebeperking
Studeren met een functiebeperking 15 oktober 2013 Directie Hoger onderwijs en studiefinanciering Ministerie van OCW Anja van den Broek, Marjolein Muskens & Jeroen Winkels Meerjarig onderzoek 2008-2012
Cijfermatige achtergrondinformatie ten behoeve van Slotconferentie HO-tour
Cijfermatige achtergrondinformatie ten behoeve van Slotconferentie HO-tour In deze bijlage zijn feiten en cijfers opgenomen over het hoger onderwijs die illustratief kunnen zijn voor de discussies in de
1 of 7 12/23/2010 12:44 PM
1 of 7 12/23/2010 12:44 PM Faculteit Economie en Bedrijfskunde Adam Booij Afmelden Nederlands Engels Formulieren Formuliersamenvatting Vragenbank Vraagcategorieën Formulieren Formuliersamenvatting Samenvatting
Feiten en cijfers. Afgestudeerden en uitvallers in het hoger beroepsonderwijs. April 2016
Feiten en cijfers Afgestudeerden en uitvallers in het hoger beroepsonderwijs April 2016 Feiten en cijfers 2 Het algemene beeld Start van de studie uitval en wisselaars Tal van inspanningen bij hogescholen
Studeren met een functiebeperking
CIJFERS Studeren met een functiebeperking Gebaseerd op het onderzoek Studeren met een functiebeperking 2012 door ResearchNed/ITS in opdracht van het Ministerie van OCW. 1 De 10 meest voorkomende functiebeperkingen
Dit onderdeel gaat over diploma s van bekostigde opleidingen. Hierbij onderscheiden we diplomarendement en het aantal diploma s.
Na nominaal plus 1 jaar 45 procent een diploma... 2 Rendement wo stijgt, hbo-rendement daalt... 4 Hbo-ontwerpopleidingen laagste rendement van de sector... 6 Hoger rendement wo biologie, scheikunde en
Feiten en cijfers. HBO-Monitor 2013: De arbeidsmarktpositie van afgestudeerden van het hbo. juni 2014
Feiten en cijfers HBO-Monitor 2013: De arbeidsmarktpositie van afgestudeerden van het hbo juni 2014 Honderden Feiten en cijfers 2 Inleiding In deze factsheet staan de arbeidsmarktresultaten van hbo-afgestudeerden
Bron Definities Onderwerpen
Bron De kengetallen van de HBO-raad over studenten zijn gebaseerd op een extract uit het Centraal Register Inschrijvingen Hoger Onderwijs (CRIHO) dat de IB-groep in de eerste week van december 2010 heeft
Feiten en cijfers. Afgestudeerden en uitvallers in het hoger beroepsonderwijs. Mei 2015
Feiten en cijfers Afgestudeerden en uitvallers in het hoger beroepsonderwijs Mei 2015 Feiten en cijfers 2 Inleiding Op 19 mei 2015 hebben de hogescholen hun strategische agenda #hbo2025: wendbaar & weerbaar1
Subsector overig. Subsector overig
Subsector overig Samenvatting... Grote subsector... 2 Veel switchende studenten... 3 Hoge uitval onder mbo ers... 4 Hoog wo-diplomarendement... 4 Minste studenten van hbo naar wo... 4 8 accreditaties na
Gebruik en invloed Studie in Cijfers Eindrapportage op basis van Startmonitor t/m
Gebruik en invloed Studie in Cijfers Eindrapportage op basis van Startmonitor 2013-2014 t/m 2015-2016 Onderzoek in opdracht van Ministerie van OCW Jules Warps ResearchNed februari 2017 2017 ResearchNed
Feiten en cijfers. Afgestudeerden en uitvallers
Feiten en cijfers Afgestudeerden en uitvallers April 2017 Inhoud 1 Het algemene beeld 2 2 Start van de studie: uitvallers 4 3 Start van de studie: wisselaars 5 4 Afsluiting van de studie: studiesucces
Instroom hbo afgenomen maar forse groei aantal gediplomeerden
Instroom hbo afgenomen maar forse groei aantal gediplomeerden Groei bij gezondheidszorg, aantal studenten in het hbo stabiliseert, aandeel allochtonen blijft groeien, 5% groei in diploma s, aantal Ad-studenten
Studenten aan lerarenopleidingen
Studenten aan lerarenopleidingen Factsheet januari 219 In de afgelopen vijf jaar is het aantal Amsterdamse studenten dat een lerarenopleiding volgt met ruim 9% afgenomen. Deze daling is het sterkst voor
Feiten en cijfers. HBO-Monitor 2014: De arbeidsmarktpositie van afgestudeerden van het hbo. April 2015
Feiten en cijfers HBO-Monitor 2014: De arbeidsmarktpositie van afgestudeerden van het hbo April 2015 Feiten en cijfers 2 Inleiding In deze factsheet staan de arbeidsmarktresultaten van hbo-afgestudeerden
Mannen geven veel vaker leiding dan vrouwen
nen geven veel vaker leiding dan vrouwen Astrid Visschers en Saskia te Riele In 27 gaf 14 procent van de werkzame beroepsbevolking leiding aan of meer personen. Dit aandeel is de afgelopen jaren vrijwel
Instroom en Inschrijvingen
Instroom en Inschrijvingen Meer instroom van studenten in de sector Techniek... 2 Veel instroom in ontwerp-opleidingen... 3 Meer havisten en minder mbo ers in hbo-bacheloropleidingen... 5 Groeiende instroom
LelyStadsGeluiden. De mening van de jongeren gepeild. School en werk 2007
LelyStadsGeluiden De mening van de jongeren gepeild School en werk 007 In 007 hebben.37 jongeren meegewerkt aan de jongerenenquête. Het onderzoek had als doel om in kaart te brengen wat jongeren doen,
Monitor Jeugdwerkloosheid Amsterdam over 2016
1 Monitor Jeugdwerkloosheid Amsterdam over 20 Fact sheet april 20 De totale werkloosheid onder Amsterdamse jongeren is het afgelopen jaar vrijwel gelijk gebleven aan 2015. Van de 14.000 Amsterdamse jongeren
Jongeren op de arbeidsmarkt
Jongeren op de arbeidsmarkt Tanja Traag In 23 was 11 procent van alle jongeren werkloos. Jongeren die geen onderwijs meer volgen, hebben een andere positie op de arbeidsmarkt dan jongeren die wel een opleiding
Bindend Studieadvies Een landelijk beeld
Bindend Studieadvies Een landelijk beeld Bijlage bij het rapport Met beide benen op de grond. Onderzoek naar de uitvoeringspraktijk van het bindend studieadvies in het hoger onderwijs, Inspectie van het
Feiten en cijfers. Afgestudeerden en uitvallers in het hoger beroepsonderwijs. mei 2010
Feiten en cijfers Afgestudeerden en uitvallers in het hoger beroepsonderwijs mei 2010 1 Feiten en cijfers Afgestudeerden en uitvallers in het hoger beroepsonderwijs Inleiding Deze factsheet geeft informatie
1. Studenttevredenheid TOELICHTING
1. Studenttevredenheid TOELICHTING Dit criteria geeft een beeld van het oordeel dat studenten over hun studie geven. Het is een eenvoudige maar robuuste indicatie van hoe de studenten de kwaliteit van
Erratum. In dit artikel zijn helaas enkele onnauwkeurigheden geslopen.
Erratum In dit artikel zijn helaas enkele onnauwkeurigheden geslopen. In figuur 1, pagina 19, is de legenda onjuist weergegeven, waardoor de categorieën en verwisseld zijn. De juiste grafiek is hieronder
Studievoortgang en studiesucces in het wo
Evidence-based verbeteren Studievoortgang en studiesucces in het wo VSNU Conferentie Studiesucces, 13 juni 2012 Studentenmonitor Toegankelijkheid Determinanten van studiegedrag Studiekeuze Determinanten
Feiten en cijfers. HBO-Monitor 2015: De arbeidsmarktpositie van afgestudeerden van het hbo. Juni 2016
Feiten en cijfers HBO-Monitor 2015: De arbeidsmarktpositie van afgestudeerden van het hbo Juni 2016 Feiten en cijfers 2 Inleiding In deze factsheet staan de arbeidsmarktresultaten van hbo-afgestudeerden
Afgestudeerden en uitvallers in Avans en het hoger beroepsonderwijs
Leer- en Innovatiecentrum Breda, 's-hertogenbosch, Tilburg NOTITIE ons kenmerk IR24052017 contactpersoon Daniël Rijckborst telefoon 0610359505 onderwerp Factsheet Vereniging Hogescholen e-mail [email protected]
Werkbelevingsonderzoek 2013
Werkbelevingsonderzoek 2013 voorbeeldrapport Den Haag, 17 september 2014 Ipso Facto beleidsonderzoek Raamweg 21, Postbus 82042, 2508EA Den Haag. Telefoon 070-3260456. Reg.K.v.K. Den Haag: 546.221.31. BTW-nummer:
Bijlage 1: Vragenlijst factoren en items
Bijlage 1: Vragenlijst factoren en items Factoren Alle studenten die zich vooraanmelden via Studielink krijgen een online vragenlijst aangeboden via een link die in de aanmeldingsprocedure van Studielink
TECHNISCH RAPPORT SECTORHOOFDSTUK HOGER ONDERWIJS. De Staat van het Onderwijs 2014/2015. April 2016
TECHNISCH RAPPORT SECTORHOOFDSTUK HOGER ONDERWIJS De Staat van het Onderwijs 2014/2015 April 2016 INHOUD Inleiding 3 Belangrijkste bevindingen en aandachtspunten 4 1 Databronnen en definities 5 1.1 Databronnen
Jongeren & hun financiële verwachtingen
Nibud, februari Jongeren & hun financiële verwachtingen Anna van der Schors Daisy van der Burg Nibud in samenwerking met het 1V Jongerenpanel van EenVandaag Inhoudsopgave 1 Onderzoeksopzet Het Nibud doet
ONDERZOEKSBUREAU DE (ON)ZICHTBARE GEVOLGEN VAN HET LEENSTELSEL
ONDERZOEKSBUREAU DE (ON)ZICHTBARE GEVOLGEN VAN HET LEENSTELSEL De invloed van de invoering van het leenstelsel op financiële maatregelen, studiekeuzes en motivaties. 3 INHOUDSOPGAVE 1. Inleiding...6 1.1
Enquête functiewaardering voortgezet onderwijs
Enquête functiewaardering voortgezet onderwijs Nico van Kessel (ITS) en Robert Sikkes (AOb) november 2005 Voorwoord In de maanden oktober en november heeft het ITS voor de AOb een enquête uitgevoerd onder
Subsector pedagogische opleidingen
Samenvatting... 2 Gemiddeld in aantal en inschrijvingen... 2 Meeste instroom in hbo-... 3 Weinig uitval... 3 Relatief minder switchers... 3 Hoog rendement in hbo-bachelor en wo-master... 3 Accreditatie-uitkomsten:
Studentenmonitor 2001
Studentenmonitor 2001 aanvullende analyses over motivatie en sociaal milieu Uulkje de Jong (SCO-Kohnstamm Instituut) Jaap Anne Korteweg (SEO) Marko van Leeuwen (SEO) Ineke van der Veen (SCO-Kohnstamm Instituut)
CAO-enquête Werkdruk VO
CAO-enquête Werkdruk VO Onderzoek in opdracht van het Sectorbestuur Onderwijsarbeidsmarkt drs. H.S. Vrielink drs. M. Thomassen drs. B. Kurver drs. L. Hogeling ResearchNed maart 2010 2010 ResearchNed Nijmegen
Erasmus Universiteit Rotterdam, Van scholier naar student BIJLAGE 1 VRAGENLIJST STUDIEKEUZEGESPREKKEN
Erasmus Universiteit Rotterdam, Van scholier naar student BIJLAGE 1 VRAGENLIJST STUDIEKEUZEGESPREKKEN VRAGENLIJST STUDIEKEUZEGESPREKKEN ERASMUS UNIVERSITEIT ROTTERDAM VWO-6 Over de vragenlijst Deze vragenlijst
Meting tevredenheid werkgevers AANSLUITING MBO-ARBEIDSMARKT [ ]
Meting tevredenheid werkgevers AANSLUITING MBO-ARBEIDSMARKT [12-3-2018 ] 1. Inleiding Op 14 oktober 2015 heeft Tweede Kamerlid Straus een motie ingediend om een indicator voor de tevredenheid van werkgevers
Afgestudeerden en uitvallers in Avans en het hoger beroepsonderwijs
Leer- en Innovatiecentrum Breda, 's-hertogenbosch, Tilburg NOTITIE ons kenmerk IR06062016 contactpersoon Daniël Rijckborst datum 06-06-2016 telefoon 0610359505 onderwerp Factsheet Vereniging Hogescholen
Voortijdig schoolverlaten 0c het voortgezet et onderwijs in
e088 Voortijdig schoolverlaten 0c olverlaten vanuit het voortgezet et onderwijs in Nederland en 21 gemeenten naar herkomstgroepering en geslacht Antilianen- Toelichting bij geleverde everde maatwerktabellen
Resultaten WO-monitor 2013
Resultaten WO-monitor 2013 Samenvatting: De WO-Monitor is een vragenlijst die wordt afgenomen onder recent afgestudeerden (1-1,5 jaar na afstuderen) van de universiteiten in Nederland. De WO-monitor wordt
FACTSHEET. Toptalenten VO in het vervolgonderwijs
FACTSHEET Toptalenten VO in het vervolgonderwijs De onderwijsprestaties van Nederlandse leerlingen zijn gemiddeld genomen hoog, maar er blijft ruimte voor verbetering. Deze factsheet geeft inzicht in de
