Recht uit het hart spreken
|
|
|
- Joanna de Ridder
- 8 jaren geleden
- Aantal bezoeken:
Transcriptie
1 Recht uit het hart spreken Een onderzoek naar de rechtspositie van minderjarige slachtoffers ten aanzien van het spreekrecht en de openbare terechtzitting Masterscriptie Universiteit van Tilburg Faculteit Rechtsgeleerdheid, Accent Strafrecht Door: D.G.B.M. van Rooij ANR: Examencommissie: mw. Mr. F.G.M. de Kort en mw. Mr. V.M. Smits Datum: 12 juli 2013 om 11:00 uur Zaal: C186 0
2 Voorwoord Voor u ligt mijn masterscriptie die mede dient tot de afsluiting van mijn studie Rechtsgeleerdheid, accent strafrecht aan de Universiteit van Tilburg. Het is een onderzoek naar de rechtspositie van minderjarige slachtoffers ten aanzien van het spreekrecht en de openbare terechtzitting. Mede door de impact van de zedenzaak Robert. M en de uitbreiding van het spreekrecht en de openbare terechtzitting, werd mijn interesse gewekt om hier nader onderzoek naar uit te voeren. Naast nationale regelgeving zal er ook gebruik worden gemaakt van internationale regelgeving. Allereerst wil ik alle mensen om mij heen bedanken voor hun begrip en betrokkenheid. In het bijzonder gaat mijn dank uit naar mijn moeder, haar steun en vertrouwen in mij is onvoorwaardelijk. Zij heeft mij geleerd om altijd door te gaan, ongeacht de situatie die zich voordoet. Daarnaast wil ik graag van de gelegenheid gebruik maken om mijn scriptiebegeleidster mw. mr. F.G.M de Kort hartelijk te bedanken. Haar nuttige feedback en goede begeleiding heeft tot de verwezenlijking van deze scriptie geleid. Tevens wil ik mw. mr. V.M. Smits en mw. mr. R. De Jong bedanken voor de bijdrage die zij hebben geleverd tot de realisatie van deze masterscriptie. Eindhoven, juni 2013 Daniëlla van Rooij 1
3 Inhoudsopgave Voorwoord p Inleiding p Het spreekrecht vanuit de nationale invalshoek p Inleiding p De ontstaansgeschiedenis p Het slachtoffer p De rechten van het slachtoffer p De eigenstandige positie van het slachtoffer p Art. 51e Sv voor de wetsuitbreiding p Het hedendaagse en uitgebreide art. 51e Sv p De reikwijdte van het spreekrecht p De ouders p Vertolking belangen p Het belang van slachtoffers en nabestaanden p Secundaire victimisatie p Conclusie p De openbare terechtzitting p Inleiding p De totstandkoming van art. 269 Sv p Art. 269 Sv voor de wetsuitbreiding p Art. 269 Sv na de wetsuitbreiding p De inhoud van de Nederlandse openbaarheidsnorm p De beperkingsgronden van art. 269 lid 1 Sv p Het slachtoffer op de zitting p Kanttekeningen ten opzichte van de openbare zitting p Privacy en het slachtoffer p Conclusie p Het spreekrecht en de openbare terechtzitting in het licht van p. 27 internationale regelgeving 4.1 Inleiding p Het verdrag inzake de rechten van het kind p Art. 12 IVRK p Guidelines on Justice in Matters involving Child Victims and p. 29 Witnesses of Crime in verhouding tot art. 51 e Sv 4.3.1Guidelines on Justice in Matters involving Child Victims and p. 30 Witnesses of Crime in verhouding tot art. 269 lid 5 Sv 4.4 Guidelines of the Committee of Ministers of the Council of Europe p. 31 on child friendly justice in verhouding tot art. 51e Sv Guidelines of the Committee of Ministers of the Council of Europe p. 33 on child friendly justice in verhouding tot art. 269 lid 5 Sv 4.5 Art. 16 IVRK en art. 17 IVBPR in verhouding tot art. 269 Sv p De spanning tussen art. 6 en 8 EVRM in verhouding tot art. 51e Sv p. 35 en art. 269 lid 5 Sv 4.7 Richtlijn inzake bescherming van slachtoffers van strafbare feiten p Conclusie p. 38 2
4 5. Juridische knelpunten p Inleiding p Knelpunten met betrekking tot het slachtoffer p Knelpunten met betrekking tot de verdachte p Overige knelpunten p Conclusie p Conclusie p Literatuurlijst p. 48 3
5 1. Inleiding Sinds 2005 kent Nederland het spreekrecht voor slachtoffers in een strafproces. Hiermee werd het mogelijk voor slachtoffers en nabestaanden van ernstige delicten om in een strafprocedure te spreken over de gevolgen die het delict voor hen heeft gehad. Dit heeft tot een hele vooruitgang voor de positie van de slachtoffers en nabestaanden van ernstige misdrijven in Nederland geleid. De laatste jaren is door invloed van een aantal maatschappelijke ontwikkelingen en de kennis die is opgedaan in de praktijk gebleken dat er behoefte ontstond om het spreekrecht verder uit te breiden. 1 Dit bracht met zich mee dat het huidige spreekrecht in de praktijk te beperkt bleek. Tot voor kort mocht namelijk enkel één nabestaande zijn of haar verhaal op de zitting houden. 2 Ook was het nog steeds niet mogelijk voor ouders om het spreekrecht uit te oefenen in een strafproces, waarbij hun minderjarig kind het slachtoffer was geworden van een ernstig delict. 3 De wet gaf deze mogelijkheid enkel aan het slachtoffer zelf en aan de eventuele nabestaande. Om gebruik te maken van het spreekrecht dient voor aanvang van de terechtzitting aan de officier van justitie (hierna: OvJ) schriftelijk kenbaar gemaakt te worden dat men een verklaring wil afleggen. 4 Naar aanleiding van onder andere de zedenzaak Robert M. heeft het spreekrecht meer aandacht gekregen. Het bleek dat het spreekrecht niet voldoende waarborgen had voor het slachtoffer. 5 Mede hierdoor heeft staatssecretaris Teeven van Veiligheid en Justitie een wetsvoorstel tot uitbreiding van het spreekrecht van slachtoffers en nabestaanden in het strafproces ontwikkeld. De Tweede Kamer heeft op 29 mei 2012 het wetsvoorstel aangenomen. 6 Het wetsvoorstel is op 10 juli 2012 door de Eerste Kamer afgedaan als hamerstuk. 7 De wetsuitbreiding is vanaf 1 september 2012 in werking getreden. 8 Met de uitbreiding van het wetsvoorstel zijn een aantal wetswijzigingen opgetreden. Allereerst vindt er een uitbreiding van personen plaats aan wie het spreekrecht toekomt. Ten tweede wordt het mogelijk om voor maximaal 3 nabestaanden gebruik te maken van het spreekrecht tijdens de zitting. Voorheen was dit toegestaan voor 1 persoon. Door deze verandering krijgen grootouders, kleinkinderen, ooms, tantes en neven en nichten de gelegenheid om op de zitting te spreken. 9 Ten derde hebben de ouders of voogden spreekrecht gekregen jegens hun minderjarige kinderen die slachtoffer zijn geworden van ernstige misdrijven. Deze slachtoffers zijn vanwege hun jeugdige leeftijd zelf nog niet in staat om op de zitting te spreken over de gevolgen van het aangerichte misdrijf. Voor minderjarige slachtoffers die zelf op de zitting kunnen en willen spreken en die minimaal 12 jaar oud zijn, blijft deze mogelijkheid uiteraard nog steeds open staan. 10 Ten vierde is het mogelijk geworden voor het slachtoffer om een vertolker of andere woordvoerder aan te stellen om in naam van hem te spreken. Eveneens heeft artikel (hierna: art.) 269 Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) een wijziging ondergaan. 11 In dit artikel is bepaald dat in Nederland het onderzoek ter terechtzitting in het openbaar plaatsvindt. 1 Kamerstukken II 2011/12, , nr. 4, p Kamerstukken II 2011/12, , nr. 3, p. 1, 2 (MvT). 3 Kamerstukken II 2011/12, , nr. 3, p. 4 (MvT). 4 Art. 51e lid 1 Sv. 5 Rb. Amsterdam 15 december 2011, LJN BP Handelingen II 2011/12, 88, item Handelingen I 2011/12, 37, item 9. 8 Rijksoverheid, Senaat stemt in met uitbreiding spreekrecht, 9 Kamerstukken II 2011/12, , nr. 3, p. 3, 4 (MvT). 10 Kamerstukken II 2011/12, , nr. 3, p. 4 (MvT). 11 Kamerstukken II 2011/12, , nr. C, p. 3 (MvA). 4
6 Op grond van dit art. is het mogelijk dat men sluiting der deuren beveelt, indien er sprake is van één van de genoemde beperkingsgronden uit het eerste lid van art. 269 Sv. Voorheen werden minderjarige toehoorders in beginsel niet toegelaten tot de zitting. Sinds de wetsuitbreiding is dit in art. 269 Sv aangepast en verder uitgebreid. Het is nu mogelijk geworden voor minderjarig publiek van 12 tot 18 jaar om aanwezig te zijn bij een strafzaak. 12 Een gerespecteerd recht is het recht op bescherming van de privacy vastgesteld in art. 8 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM), voor kinderen is dit recht specifiek neergelegd in art. 16 Internationaal verdrag voor de rechten van het kind (hierna: IVRK). Dit zijn rechten die te allen tijde gewaardeerd moeten worden. De gelegenheid bestaat dat door het toelaten van publiek tijdens de zitting, waarbij een minderjarig slachtoffer betrokken is, deze rechten worden geschonden. Belangrijk is hoe er met dit soort knelpunten moet worden omgegaan en hoe hierin opgetreden moet worden. Een andere kwestie die ook behandeling noodzaakt, is of de wetsuitbreiding in lijn is met de regelgeving zoals die in art. 12 van het IVRK wordt weergegeven? In dit art. is vastgesteld dat een kind ongeacht diens leeftijd het recht heeft om te worden gehoord in alle aangeledenheden die hem of haar betreffen. 13 Het hoorrecht kan in lijn bezien worden met het spreekrecht en dit hoorrecht wordt verder vormgegeven in art. 21 VN-Richtlijnen en art. 44 en verder van de Guidelines on child friendly justice. 14 Aangezien in de Nederlandse wetsuitbreiding wel leeftijdsgrenzen zijn gesteld aan het spreekrecht is de kans aanwezig dat de regelgeving niet overeenkomt met art. 12 IVRK en de daaruit voortvloeiende richtlijnen. In Nederland blijft men namelijk vasthouden aan de leeftijdsgrens van 12 jaar en ouder om gebruik te maken van het spreekrecht, terwijl uit art. 12 IVRK blijkt dat een kind in de gelegenheid moet worden gesteld om zich uit te drukken betreffende de aangelegenheid die ten grondslag ligt in de rechtszaak. Het kan als merkwaardig worden geacht dat Nederland geen gehoor geeft aan internationale regelgeving. Dit brengt mij tot de volgende onderzoeksvraag: Voldoet de wetsuitbreiding op het gebied van het spreekrecht en het ter zitting zijn van (minderjarige) aanwezigen aan toepasselijke internationale regelgeving, zodat de rechtspositie van het minderjarige slachtoffer optimaal gewaarborgd is of doen er zich juridische knelpunten voor die eventuele aanpassing noodzakelijk maken? Deze vraag zal ik door middel van een aantal hoofdstukken gaan beantwoorden: In hoofstuk 2 zal het spreekrecht vanuit de nationale invalshoek worden besproken. Hier zal onder andere worden weergegeven wat er onder een slachtoffer wordt verstaan en wat zijn rechten heden ten dage zijn. Verder zal de ontstaansgeschiedenis van het spreekrecht worden behandeld. De wetsuitbreiding die onlangs is ingetreden komt hier inhoudelijk aan bod. Tevens zal de reikwijdte van het spreekrecht besproken worden. Bovendien komt in dit hoofdstuk aan bod waarom het voor slachtoffers en nabestaanden belangrijk is dat zij door middel van de uitbreiding van de wet gebruik mogen maken van een spreekrecht in strafzaken, waarbij hun minderjarige kinderen slachtoffer zijn geworden van een ernstig misdrijf. In dit hoofdstuk zal er vooral juridische literatuur en wetgeving als methoden van onderzoek worden gebruikt. In hoofdstuk 3 zal er aandacht worden besteed aan art. 269 Sv. Hierbij zal de totstandkoming van de openbare zitting worden besproken. Tevens wordt art. 269 Sv van zowel voor als na de wetsuitbreiding behandeld. 12 Kamerstukken II 2011/12, , nr. C, p. 3 (MvA). 13 Vermeer 2012, p De Jong & Heerkens 2012/47, onder
7 Ook zal inhoudelijk de Nederlandse openbaarheidsnorm aan bod komen. Verder worden de beperkingsgronden van art. 269 Sv besproken. En tot slot wordt er aandacht besteed aan het slachtoffer op de openbare zitting en de kanttekeningen die er leven met betrekking tot de uitbreiding van het vijde lid. Ik zal bij dit hoofdstuk voornamelijk juridische literatuur en wetgeving als methoden van onderzoek gaan gebruiken. In hoofdstuk 4 zal aan de hand van art. 51e Sv en het vijfde lid van art. 269 Sv worden gekeken of deze artikelen aan toepasselijke internationale regelgeving voldoen. Daarbij zal ik onder andere onderzoeken en beoordelen of de wetsuitbreiding overeen komt met de in art. 12 IVRK gestelde normen en nader uitgewerkte richtlijnen. Hiervoor zal eerst art. 12 IVRK uiteen worden gezet, zodat vervolgens een verband gelegd kan worden met het uitgebreide spreekrecht. Ook art. 44 en verder van de Guidelines of the Committee of Ministers of the Council of Europe on child-friendly justice en onder andere art. 21 van de Guidelines on Justice in Matters involving Child Victims and Witnesses of Crime zullen bij beide artikelen aan bod komen. Artikelen zoals 6 en 8 van het EVRM, 17 van het IVBPR en 16 van het IVRK zullen tevens de revue passeren. Eveneens worden toepasselijke artikelen uit de recentelijke richtlijn van het Europees Parlement en de Raad ter vaststelling van minimumnormen voor de rechten van slachtoffers van strafbare feiten kort besproken. Ter behandeling van dit hoofdstuk zal er gebruik worden gemaakt van Europese en internationale regelgeving, richtlijnen en literatuur. In hoofdstuk 5 wordt gekeken of er door de uitbreiding van het spreekrecht tegen andere juridische knelpunten wordt aangelopen. Het uitgebreide spreekrecht mag er namelijk niet voor zorgen dat de rechten van bijvoorbeeld de verdachte in gedrang komen. In de fase dat het spreekrecht door slachtoffers wordt gebruikt is er nog steeds sprake van een verdachte en nog niet van een dader. Ook is er angst voor het feit dat strafzaken een aanzienlijke vertraging oplopen door de uitbreiding van het strafrecht. Er zal gezocht worden naar mogelijke oplossingen voor deze problematiek. Ten slotte zal hoofdstuk 6 door middel van een conclusie worden afgesloten, hierbij zal de beantwoording van de hoofdvraag aan bod komen. Tevens wordt hierbij verder ingegaan op noodzakelijke punten van aanpassing met betrekking tot de wetsuitbreiding. 6
8 2. Het spreekrecht vanuit de nationale invalshoek 2.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt het spreekrecht vanuit de nationale invalshoek besproken. Allereerst zal er met een beschrijving van de ontstaangeschiedenis van het spreekrecht worden begonnen. Vervolgens komt het slachtoffer en de rechten die hem heden ten dage toekomen aan bod. De wetsuitbreiding die onlangs is ingetreden, zal verder uitgebreid aan bod komen. Tevens zal de reikwijdte van het spreekrecht worden besproken. Bovendien laat dit hoofdstuk zien waarom het voor slachtoffers, nabestaanden en ouders van minderjarige slachtoffers belangrijk is, dat zij door middel van de uitbreiding van de wet gebruik mogen maken van het spreekrecht in strafzaken. 2.2 De ontstaansgeschiedenis Slachtofferrechten zijn de laatste jaren steeds belangrijker geworden en deze rechten zijn door de jaren heen steeds verder uitgebreid. Vanaf de invoering van de Wet Terwee 1992 is het voor een slachtoffer mogelijk geworden om zich als benadeelde partij in een strafproces te voegen om zo een schadevergoeding te vorderen van de verdachte. 15 Dit kan gezien worden als een goede stap in de richting en het slachtoffer kreeg hiermee een fundamentele basis in het strafproces. Gezien de verdere Europese ontwikkelingen op het gebied van slachtofferrechten, was het van belang dat Nederland het aangenomen kaderbesluit inzake de status van het slachtoffer in de strafprocedure van de Raad van de Europese Unie zou volgen. In art. 3 van het kaderbesluit is bepaald dat: Elke lidstaat waarborgt het slachtoffer de mogelijkheid om tijdens de procedure gehoord te worden en bewijselementen aan te dragen. Elke lidstaat neemt de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat het slachtoffer slechts voorzover noodzakelijk ten behoeve van de strafprocedure wordt ondervraagd door de autoriteiten. 16 De minimumnormen uit het kaderbesluit waren voor Boris Dittrich een reden om tijdens de behandeling van de begroting in november 1999, het initiatief te nemen om het spreekrecht voor slachtoffers en nabestaanden tijdens de zitting aan minister van Justitie Korthals voor te leggen. Dittrich vond dat het spreekrecht zou aansluiten op de Europese voortgang en op deze manier slachtoffers een sterkere positie binnen de strafprocedure te geven. 17 Minister Korthals verwierp echter de mogelijkheid van het initiatiefvoorstel, daarentegen gaf hij wel de gelegenheid om met een schriftelijke slachtofferverklaring aan de slag te gaan. 18 Het lag voor de hand dat er voor deze optie werd gekozen, omdat hiervoor geen aanpassing van het Wetboek van Strafvordering noodzakelijk was. Ook werd hiermee voorkomen dat er door het gebruik van spreekrecht door slachtoffers en nabestaanden in de rechtszaal emotionele taferelen zouden ontstaan. 19 Om gebruik te mogen maken van een schriftelijke slachtofferverklaring dient er sprake te zijn van een slachtoffer van een ernstige geweldszaak of zedenzaak. 15 Kamerstukken II 2001/02, , nr. 5, p. 1, Art. 3 Kaderbesluit van de Raad van 15 maart 2001 (2001/220/JBZ), Publicatieblad nr. L 082 van 22/3/ Kamerstukken II 2001/02, , nr. 5, p Leferink & Vos 2008, p Leferink & Vos 2008, p
9 Voor strafbare feiten ontstaan uit art. 6 Wegenverkeerswet 1994 is er eveneens de voorziening om gebruik te maken van de slachtofferverklaring. 20 Dit omdat in het artikel is bepaald dat het voor iedere verkeersdeelnemer verboden is om door zijn toedoen en schuld een verkeersongeval te veroorzaken, waardoor een ander wordt gedood of zwaar lichamelijk letsel ondervindt of zodanig lichamelijk letsel lijdt dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden ontstaat. 21 De uiteindelijke slachtofferverklaring wordt toegevoegd aan het strafdossier. Gedurende de tijd die verstreek was Dittrich niet stil blijven zitten. Inmiddels had hij namelijk een initiatiefwetsvoorstel afgerond om het spreekrecht vast te laten leggen in het Wetboek van Strafvordering. 22 In art. 302 Sv (later art. 51e Sv) werd toendertijd het volgende bepaald: 1. Het slachtoffer of diens nabestaande kan op de terechtzitting een verklaring afleggen omtrent de gevolgen die het tenlastegelegde feit, bedoeld in het tweede lid, bij hem teweeg heeft gebracht. 2. Het spreekrecht kan worden uitgeoefend indien het tenlastegelegde feit een misdrijf betreft waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaar of meer is gesteld, dan wel een van de misdrijven genoemd in de artikelen 240b, 247, 248a, 248b, 249, 250, 273f, 285, 285b, 300, tweede en derde lid, 301, tweede en derde lid, 306 tot en met 308 en 318 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 6 van de Wegenverkeerswet Deze wettelijke bepaling is uiteindelijk op 1 januari 2005 in werking getreden, doordat Dittrich steun kreeg van een kleine meerderheid van de kamer. 23 Met de komst van art. 302 Sv was het mogelijk voor slachtoffers en nabestaanden van ernstige misdrijven om zich gedurende de terechtszitting uit te laten over de gevolgen die het delict veroorzaakt hadden. Eveneens werd in 2004 de schriftelijke slachtofferverklaring (hierna: SSV) landelijk geïntroduceerd. Het slachtoffer kan voor deze optie kiezen, wanneer hij of zij niet wenst te spreken tijdens de terechtszitting. De SSV kan gezien worden als een voorfase van het spreekrecht, wanneer het spreekrecht wordt gebruikt als middel om de schriftelijke slachtofferverklaring nader toe te lichten. 24 Na de inwerkingtreding van 1 januari 2005 is het spreekrecht 6 jaar later opgenomen in art. 51e Sv, door het ingevoerde wetsvoorstel , ter versterking van de positie van het slachtoffer in het strafproces. 25 Op 1 september 2012 is art. 51e Sv verder uitgebreid. 2.3 Het slachtoffer Vanuit de Raad van de Europese Unie is in het kaderbesluit, inzake de status van het slachtoffer in de strafprocedure, bepaald dat onder een slachtoffer wordt verstaan: de natuurlijke persoon die als direct gevolg van het handelen of nalaten dat in strijd is met de strafwetgeving van een lidstaat schade, met inbegrip van lichamelijk of geestelijk letsel, geestelijke pijn en economische schade, heeft geleden. 26 De dader van het strafbare feit heeft aan deze persoon, respectievelijk het slachtoffer, materiële of immateriële schade aangericht. 20 Kamerstukken II 2001/02, , nr. 5, p Art. 6 Wegenverkeerswet Leferink & Vos 2008, p Leferink & Vos 2008, p Lens, Pemberton & Groenhuijsen 2010, p Reparatiewet II Justitie, Versterking van de positie van het slachtoffer in het strafproces, stb. 2010, Art. 1 Kaderbesluit van de Raad van 15 maart 2001 (2001/220/JBZ), Publicatieblad nr. L 082 van 22/3/
10 Van belang is dat de schade moet zijn voortgebracht als gevolg van de rechtstreekse handeling of nalating van de pleger. 27 De definitie volgend uit het Kaderbesluit heeft veel overeenkomsten met de Nederlandse wetsbepaling. In art. 51a lid 1 Sv wordt namelijk als slachtoffer aangemerkt, degene die als rechtstreeks gevolg van een strafbaar feit vermogensschade of ander nadeel heeft ondervonden. Essentieel is de directe schade ontstaan uit de strafbare handeling De rechten van het slachtoffer De rechten die het slachtoffer volgens de wet toekomen zijn neergelegd in de eerste afdeling van titel IIIA van het Wetboek van Strafvordering. Deze rechten zijn ingetreden op 1 januari 2011 ter versterking van de positie van het slachtoffer in het strafproces. Allereerst dient de OvJ zorg te dragen voor een correcte bejegening ten aanzien van het slachtoffer. Hij heeft mede de taak om er voor te zorgen dat de politie het slachtoffer correct behandeld. De voorwaarde van correcte bejegening is dat erop toegezien wordt dat een onverwachte confrontatie voorafgaand aan de terechtzitting tussen het slachtoffer en de verdachte wordt vermeden. Wanneer het slachtoffer van ernstige zeden- of geweldsdelicten behoefte heeft om een gesprek met de OvJ aan te gaan, dan komt hem deze mogelijkheid toe. De OvJ zal dan voordat de terechtzitting aanvangt, verslag uitbrengen van de te verwachten situatie tijdens de zitting. 28 Verder zal na verzoek van het slachtoffer informatie aangaande het strafproces jegens de verdachte, door de politie en de OvJ worden medegedeeld. Het slachtoffer heeft eveneens recht op informatie inzake de mogelijke schadevergoeding. 29 Uit het eerste lid van art. 51b Sv volgt dat het slachtoffer recht heeft op kennisgeving van processtukken die voor hem of haar van belang kunnen zijn. De OvJ moet hiertoe toestemming verlenen. Tevens komt het slachtoffer door middel van het tweede lid het recht toe om relevante processtukken via de OvJ aan het procesdossier toe te laten voegen. Het slachtoffer heeft de gelegenheid om zich op grond van art. 51c Sv te laten bijstaan door een advocaat of een andere gemachtigde. Indien het noodzakelijk is dan kan een tolk worden ingeschakeld. Er zijn geen specifieke eisen gesteld aan het bijstaan van het slachtoffer. Deze taak kan worden uitgeoefend door een familielid, vriend of een medewerker van slachtofferhulp. Voorwaarde is wel dat de persoon beschikt over een bijzondere schriftelijke volmacht. 30 Uit art. 51 d Sv volgt dat de hierboven beschreven rechten ook van toepassing zijn op de nabestaanden van het slachtoffer volgend uit art. 51e lid 2 jo. 51f Sv. Sinds 1 januari 2005 heeft het slachtoffer spreekrecht gekregen en door de inwerkingtreding van het wetsvoorstel vindt dit recht zijn grondslag in art. 51e Sv. Het spreekrecht zal later in dit hoofdstuk uitgebreid aan bod komen. Op grond van art. 51 f lid 1 Sv kan een slachtoffer die zijn schade uit een strafbaar feit vergoed wil krijgen, zich als benadeelde partij voegen in het strafproces. Uit art. 51 g lid 1 Sv blijkt dat aan het slachtoffer een voegingsformulier wordt toegezonden door de OvJ, indien de vervolging tegen de verdachte is ingesteld Kamerstukken II 2004/05, , nr. 3, p. 4 (MvT). 28 Mevis 2009, p Art. 51a Sv. 30 Bijlsma 2005, p Mevis 2009, p
11 2.3.2 De eigenstandige positie van het slachtoffer Met de komst van het spreekrecht kreeg het slachtoffer en de nabestaande een eigenstandige positie. Deze positie kwam tot stand na advies van de Raad van State, de Nederlandse Vereninging voor Rechtspraak (hierna: NVvR) en de Nederlandse Orde van Advocaten (hierna: NovA). 32 Aan het slachtoffer mogen door de rechter vragen gesteld worden die dienen tot verduidelijking. Wanneer het slachtoffer gebruik wil maken van zijn recht tot spreken, wordt hij niet beëdigd als getuige. 33 Mede door het vastgestelde art. 3 uit het Kaderbesluit van de Raad van de Europese Unie, is het niet de bedoeling dat het slachtoffer, indien dit niet strikt noodzakelijk is, door autoriteiten ondervraagd zal worden. Vragen vanuit het Openbaar ministerie (hierna: OM) en de verdediging dienen dan ook vermeden te worden, om dit te voorkomen is er bewust voor gekozen om het slachtoffer niet als getuige op te laten treden, zodat vervelende situaties worden ontweken Art. 51e Sv voor de wetsuitbreiding In het eerste lid van art. 51e Sv (oud) werd vastgesteld dat het slachtoffer of een nabestaande op de terechtzitting een verklaring kan afleggen over de gevolgen die de strafbare feiten hebben veroorzaakt. Zoals blijkt uit het vierde lid van het artikel dient er sprake te zijn van misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van 8 jaar of meer was gesteld. Strafbare feiten op het gebied van: kinderpornografie, ontucht, koppelarij, mensenhandel, bedreiging, intimidatie, verschillende soorten mishandeling, afdreiging, deelname aan aanval of vechterij, dood door schuld, zwaar lichamelijk letsel door schuld en art. 6 van de Wegenverkeerswet zijn tevens delicten die in aanmerking komen voor gebruikmaking van het spreekrecht. Het slachtoffer dient voor aanvang van de terechtzitting schriftelijk kenbaar te maken aan de OvJ dat hij van het spreekrecht gebruik wil maken, zodat de officier hem vroegtijdig kan oproepen. 35 In het tweede lid van art. 51e Sv (oud) is bepaald dat de echtgenoot of geregistreerd partner dan wel levensgezel van het slachtoffer onder een nabestaande vallen. Wanneer het niet mogelijk is om aanwezig te zijn of doordat er geen behoefte of wil is om tijdens de terechtzitting te spreken, dan mogen de ouders of de kinderen van het slachftoffer deze taak op zich nemen. Indien deze personen geen gehoor geven aan deze mogelijkheid dan kunnen de broers of zussen deze mogelijkheid overnemen. Uit het derde lid volgt dat een minderjarig slachtoffer of een nabestaande van 12 jaar of ouder het recht tot spreken mag gebruiken. Dit is ook van toepassing op een minderjarige die nog geen 12 jaar oud is, maar wel in de hoedanigheid verkeert om tot een redelijke waardering van zijn belangen te kunnen komen. Door de komst van deze wet kan de gebruikmaking van het spreekrecht door het slachtoffer of de nabestaande een bijdrage leveren aan het herstellen van aangedaan emotioneel letsel. 36 Het geven van een mondelinge verklaring tijdens de rechtszitting kan er in bepaalde gevallen toe dienen dat er verwerking van het teweeggebrachte leed zal optreden. Slachtoffers hebben het gevoel dat zij in het strafproces een waardevolle rol vervullen en meer erkenning krijgen. Dit kan bevoordelijk zijn voor het verwerken van het verdriet Kamerstukken II 2001/02, , nr. 5, p Leferink & Vos 2008, p Kamerstukken II 2001/02, , nr. 5, p Art.51e lid 1 Sv (oud). 36 Lens, Pemberton & Groenhuijsen 2010, p Leferink & Vos, p
12 Slachtoffers die gebruik maken van hun spreekrecht hebben de mogelijkheid om zich te laten ondersteunen door een advocaat of door slachtofferhulp. Het is de keus van het slachtoffer om gebruik te maken van het spreekrecht. Niemand zal het slachtoffer daartoe dwingen. Het spreekrecht is namelijk geen plicht om te spreken. 38 Een ander uitvloeisel van het spreekrecht is dat de procesdeelnemers en de rechter van de volledige informatie op de hoogte moeten worden gebracht door het slachtoffer. Men kan met eigen ogen en oren constateren hoe het met het slachtoffer of met de nabestaande is gesteld. De verklaringen die tijdens de rechtszitting worden gedaan, worden toegevoegd aan het strafdossier. De rechter kan deze informatie meenemen bij het vellen van zijn oordeel, omdat hij rechtstreeks verneemt wat de concequenties van het misdrijf voor het slachtoffer zijn geweest. Op deze manier voelt het slachtoffer zich meer betrokken bij de gehele strafprocedure. 39 Wanneer het slachtoffer zijn spreekrecht gebruikt, dan wordt de verdachte hiermee tijdens de rechtszitting direct geconfronteerd. Op deze wijze wordt aan de verdachte kenbaar gemaakt wat de impact van zijn handelen op het slachtoffer is geweest. Dit zou tot een positief effect kunnen leiden, omdat de verdachte duidelijk inziet hoeveel leed hij heeft toegebracht. Dit kan hem wellicht in de toekomst ervan weerhouden om een dergelijk misdrijf te plegen. 40 Verder kan het spreekrecht dienen tot algemene preventie, doordat het de zichtbaarheid van het slachtoffer kan vergroten. Er kan gedacht worden aan de herbevestiging van de norm en het aandeel dat het spreekrecht levert aan het geloof in de rechtsstaat Het hedendaagse en uitgebreide art. 51e Sv De indeling van art. 51e Sv heeft ook wijzigingen ondergaan. In het eerste lid is nu bepaald dat het spreekrecht gebruikt kan worden, mits er sprake is van een misdrijf waarop door de wet een gevangenisstraf van 8 jaar of meer is gesteld. 42 Eveneens volgt uit het eerste lid dat het spreekrecht toepasbaar is voor de strafbare feiten uit de artikelen 240b, 247, 248a, 248b, 249, 250, 285, 285b, 300, tweede en derde lid, 301, tweede en derde lid, 306 tot en met 308 en 318 van het Wetboek van Strafrecht en art. 6 van de Wegenverkeerswet Art. 273f lid 1 Sv is vergeleken met het oude art. 51e Sv nu verdwenen uit deze reeks delicten. In het tweede lid is nu vastgesteld dat zowel het slachtoffer, als de vader of de moeder van het kind dat de leeftijd van 12 jaar nog niet heeft bereikt, samen of individueel tijdens de terechtzitting mogen spreken over de consequenties die de strafbare feiten volgend uit het eerste lid, hebben veroorzaakt. Het spreekrecht wordt op deze manier vanuit de eigen positie van zowel het slachtoffer, de vader of de moeder gebruikt. Vereist is wel dat het minderjarig slachtoffer en de ouders in een nauwe en persoonlijke betrekking tot het kind staan. 43 Uit het art. blijkt niet dat er sprake moet zijn van gezamenlijk ouderlijk gezag over het kind, dus mocht de vader het kind niet erkend hebben dan kan hij op grond van lid 2 toch het spreekrecht uitoefenen. Het is tevens mogelijk dat andere personen dan de ouders, die het minderjarig slachtoffer binnen het gezin opnemen en het verzorging en opvoeding geven, gebruik kunnen maken van het spreekrecht. 38 Kamerstukken II 2001/02, , nr. 5, p Leferink & Vos, p Kamerstukken II 2001/02, , nr. 5, p Lens, Pemberton & Groenhuijsen 2010, p Artikel I van de Wet van 12 juli 2012, Stb. 2012, Kamerstukken II 2011/12, , nr. 3, p. 6 (MvT). 11
13 Er kan hierbij gedacht worden aan stiefouders, pleegouders of andere betrokken personen. Wel is het van belang dat ook deze personen in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staan. 44 Om gebruik te kunnen maken van het spreekrecht, dient dit in voren aan de OvJ schriftelijk weer te worden gegeven, zodat een tijdige oproeping kan plaatsvinden. Uit de laatste volzin van het tweede lid volgt dat de rechter de mogelijkheid toekomt om het recht tot spreken van de ouders, andere personen van ambtswege of op vordering van de OvJ te beperken of te onthouden. Dit is toelaatbaar wanneer er sprake is van strijdigheid ten aanzien van de belangen van het minderjarige slachtoffer of wanneer ouders zich uitlaten over de strafmaat. Een voorbeeld van dergelijke strijdige belangen kunnen worden voorkomen wanneer er sprake is van een ouder die zijn kind heeft mishandeld of misbruikt. De ouder zal naar alle waarschijnlijkheid zijn eigen belang voor het belang van het kind stellen om op deze manier zichzelf in een beter daglicht te plaatsen. 45 In het derde lid van art. 51e Sv is vastgesteld dat het spreekrecht kan worden gebruikt door een nabestaande. Voordat de terechtzitting plaatsvindt, heeft de nabestaande aan de OvJ schriftelijk kenbaar gemaakt dat hij wil spreken over de nasleep die de dood van het slachtoffer op hem heeft gehad. Uit art. 51e lid 4 sub a Sv blijkt dat onder nabestaanden die het spreekrecht toekomen, de echtgenoot, geregistreerde partner of een andere levensgezel vallen. Tevens volgt uit sub b van het vierde lid dat de bloedverwanten in de rechte lijn en de familieleden in de zijlijn tot de vierde graad in aanmerking komen om het spreekrecht te gebruiken. Wanneer er meer dan 3 nabestaanden aangegeven hebben om het spreekrecht te gebruiken en het lukt hen niet om te bepalen wie van hen deze taak op zich mag nemen, dan zal de rechter vervolgens deze beslissing maken. 46 In het vijfde lid is neergelegd dat minderjarige slachtoffers of nabestaanden die 12 jaar of ouder zijn, ook het recht hebben om te spreken tijdens de terechtzitting. Het spreekrecht komt een minderjarige eveneens toe wanneer hij jonger is dan 12 jaar oud, maar gezien zijn leeftijd toch in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake. In het zesde lid is bepaald dat het spreekrecht door de wettelijke vertegenwoordigers in naam van het slachtoffer kan worden gebruikt, indien het slachtoffer of de nabestaande jonger is dan 12 jaar. Vereist is dat de vertegenwoordigers niet in strijd met de belangen van de minderjarige mogen handelen. Verder blijkt dat het is toegestaan voor de vertegenwoordigers van de minderjarige om samen of ieder apart tijdens de terechtzitting te spreken over de gevolgen die de strafbare feiten bij hen hebben aangericht. De rechter kan ambtshalve of op vordering van de OvJ bepalen dat het spreekrecht niet kan worden gebruikt door de wettelijke vertegenwoordigers. Er moet dan blijken dat de vertegenwoordigers in strijd met de belangen van de minderjarige zouden handelen. 47 Het verschil tussen de ouders in het tweede lid en de wettelijke vertegenwoordigers in het zesde lid van art. 51e Sv is, dat in lid 6 de wettelijke vertegenwoordigers allereerst namens de postitie van het kind spreken. Daarna staat tevens de mogelijkheid open om te spreken over de gevolgen die het strafbare feit op hen heeft gehad. In het tweede lid spreken de ouders vanuit hun eigen positie over de gevolgen die de strafbare feiten hebben veroorzaakt en niet vanuit hun kind. 48 Uit het zevende lid volgt dat het slachtoffer of de nabestaande die feitelijk niet in staat is om te spreken over de gevolgen die het strafbare delict hem heeft aangericht, deze taak uit kan laten voeren door de echtgenoot, geregistreerde partner of een andere levensgezel. 44 De Jong & Heerkens 2012/47, onder Kamerstukken II 2011/12, , nr. 3, p. 4 (MvT). 46 Kamerstukken II 2011/12, , nr. 3, p. 3 (MvT). 47 De Jong & Heerkens 2012/47, onder Kamerstukken II 2011/12, , nr. C, p. 2, 7 (MvA). 12
14 Ook één van de bloedverwanten in de rechte lijn en die in de zijlijn tot de vierde graad zijn inbegrepen om het spreekrecht uit te mogen oefenen in naam van het slachtoffer of de nabestaande. Voornamelijk zal dit lid aan de orde zijn wanneer het slachtoffer of de nabestaande door middel van een geestelijke of fysieke beperking niet in staat is om het spreekrecht zelf te gebruiken. Ook kan er gedacht worden aan personen die zich bijvoorbeeld in coma bevinden. Er wordt dan gesproken van een afgeleid spreekrecht, er is namelijk sprake van een slachtoffer wat zelf niet de mogelijkheid heeft om het spreekrecht uit te oefenen. 49 Er kan worden opgemerkt dat slachtoffers die ouder zijn dan 12 jaar en die in staat zijn om te kunnen spreken, maar zelf op de terechtzitting niet wensen te spreken niet hun wettelijk vertegenwoordigers via lid 6 van art. 51e Sv kunnen inschakelen. De heer Teeven heeft in de memorie van antwoord hierop aangegeven dat voor een dergelijke situatie de mogelijkheid open staat om door het slachtoffer op grond van art. 51c Sv een advocaat of een bijzonder gemachtigde in te schakelen. Tevens wordt door het zevende lid van art. 51e Sv niet uitgesloten dat deze slachtoffers in bepaalde gevallen het recht tot spreken door de naaste bloedverwanten kunnen laten uitvoeren. 50 Dat er in de memorie van toelichting met betrekking tot het zevende lid wordt aangegeven dat dit lid in eerste instantie is bedoeld voor minderjarige slachtoffers en nabestaanden, betekent niet dat lid 7 geen samenhang kan hebben met de personen die buiten het zesde lid van art. 51e Sv vallen. 51 Door de komst van de wetsuitbreiding zijn er verschillende aanpassingen tot stand gekomen. Allereerst heeft er een uitbreiding van de spreekgerechtigden plaats gevonden. Uit een aantal onderzoeken en verschillende strafzaken bleek dat er behoefte ontstond om het spreekrecht verder uit te breiden. 52 Een voorbeeld hiervan is de recentelijke zedenzaak van Robert M. 53 Hierin kwam vanuit de ouders en wettelijk vertegenwoordigers van de minderjarige jonge slachtoffers sterk de behoefte naar voren om gebruik te maken van het spreekrecht tijdens de zitting. Het aantal personen dat in aanmerking komt om te spreken is verruimd. Het aantal nabestaanden dat van het spreekrecht gebruik mag gaan maken, is namelijk van 1 naar 3 personen gegaan. Tussen de nabestaanden zal overeen gekomen moeten worden wie tijdens de rechtszaak het spreekrecht op zich zal nemen. Mocht dit niet lukken dan kan de rechter beslissen wie uiteindelijk tijdens de rechtszitting mogen spreken. Nabestaanden dienen zich wel voortijdig aan te melden bij het OM, zodat zij de mogelijkheid hebben om de personen op tijd te benaderen en te informeren. Het maximum is volgens de heer Teeven op 3 personen gesteld, omdat dit het spreekrecht goed hanteerbaar zou houden, zowel op grond van de voorbereidende fase als de planning van de rechtszitting. 54 Verder laat de wet zien dat er uitbreiding rondom het spreekrecht van nabestaanden is ontstaan. Het is mogelijk voor grootouders en kleinkinderen om gebruik te maken van het recht tot spreken. Doordat er veruiming heeft plaats gevonden aan de bloedverwanten in de zijlijn tot de vierde, staat het spreekrecht ook open voor tantes en ooms en nichten en neven. Er is geen verdere rangorde aangebracht bij de bloedverwanten, wel blijft nog steeds de echtgenoot of de geregistreerd partner de eerst bevoegde persoon Aa & Groenhuijsen 2012, p Kamerstukken II 2011/12, , nr. C, p. 3 (MvA). 51 Kamerstukken II 2011/12, , nr. C, p. 3 (MvA). 52 Lens, Pemberton & Groenhuijsen Rb. Amsterdam 15 december 2011, LJN BU Kamerstukken II 2011/12, , nr. 3, p. 3 (MvT). 55 Kamerstukken II 2011/12, , nr. 3, p. 2 (MvT). 13
15 2.5.1 De reikwijdte van het spreekrecht Na advies werd het spreekrecht uitgebreid, zodat ouders onder meer van minderjarige slachtoffers de gelegenheid krijgen om zich tijdens de rechtszitting onafhankelijk en volledig uit te laten over delicten die ten grondslag liggen in art. 51e lid 1 Sv. Wel dient de ouder een nauwe persoonlijke betrekking met het slachtoffer te hebben. Ook moet het slachtoffer onderdeel zijn van het gezin, waarin hij opvoeding en verzorging verkrijgt. De affectieve relatie met het slachtoffer geeft uiteindelijk de doorslaggevende rol. 56 Verder blijft de richtlijn aangaande het niet uitspreken van de op te leggen straf gehandhaafd. Het is namelijk niet de bedoeling dat zowel het slachtoffer, ouders van minderjarigen of nabestaanden zich uitlaten over de te wensen straf. Uit het evaluatieonderzoek van Intervict 57 is gebleken dat slachtoffers geregeld uitspraak doen over de op te leggen straf. Hierbij vindt meestal geen correctie vanuit de rechter of de verdediging plaats. Er is niet vastgesteld of de uitspraken ook daadwerkelijk invloed hadden op de strafmaat. De heer Teeven ziet geen reden om de huidige situatie met betrekking tot het uitspreken van de strafmaat te veranderen De ouders Zoals in paragraaf 1.5 is besproken, hebben ouders door de wetsuitbreiding een eigen spreekrecht gekregen op grond van het tweede lid van art. 51e Sv. Zij mogen zich uitlaten over de teweeg gebrachte gevolgen van het strafbare feit, waarbij hun kind slachtoffer is geworden. Het spreekrecht zal naar alle waarschijnlijkheid door één ouder of door alle twee de ouders worden uitgevoerd. Er dient wel waakzaam omgegaan te worden met gevallen waarin de ouders zelf belang hebben bij het mitigeren van de gevolgen van het strafbare feit. 59 Dit geldt ook wanneer uit andere omstandigheden blijkt dat de ouder niet zal spreken in het voordeel van het minderjarige slachtoffer. Een voorbeeld hiervan is dat de ouder van het minderjarige slachtoffer als verdachte in de strafzaak is aangewezen. Waardoor het naar alle waarschijnlijkheid aanneembaar is dat deze ouder zijn belangen boven het belang van het kind zal stellen. 60 Met het wetsvoorstel is het tevens mogelijk geworden dat ouders van minderjarige slachtoffers, die vanwege hun jonge leeftijd nog niet bekwaam zijn om gebruik te maken van het spreekrecht, in naam van hun kind zullen spreken. Dit was eerder nog niet mogelijk. Hierdoor is er voor de ouders sprake van een afgeleid spreekrecht. 61 Wanneer een slachtoffer door lichamelijke of geestelijke ongemakken niet capabel is om zijn spreekrecht toe te passen of gebruik te maken van een schriftelijke slachtofferverklaring, is het gewenst om op één of andere manier toch het slachtoffer te horen. 62 De voorkeur gaat in zo n situatie uit naar de ouders of andere familieleden, de echtgenoot, de geregistreerd partner of de levensgezel om zich namens het slachtoffer te uiten. Ouders van minderjarige slachtoffers worden zelf niet expliciet bestempeld als slachtoffer. De rechters in de strafzaak tegen Robert M. besliste dat de ouders niet als slachtoffer konden worden gezien. Volgens hen zou de schade niet direct voortkomen uit de ten laste gelegde strafbare feiten. 56 Kamerstukken II 2011/12, , nr. 3, p. 5-6 (MvT). 57 Lens, Pemberton & Groenhuijsen Kamerstukken II 2011/12, , nr. 3, p. 7 (MvT). 59 Kamerstukken II 2011/12, , nr. 3, p. 4 (MvT). 60 Kamerstukken II 2011/12, , nr. 3, p De Jong & Heerkens 2012/47, onder Kamerstukken II 2011/12, , nr. 3, p. 3-4 (MvT). 14
16 Het komt er op neer dat in de zaak Robert. M de ouders van de misbruikte kinderen niet direct maar indirect zijn geraakt en dit maakt hen geen slachtoffer. 63 De wet schrijft namelijk voor dat er sprake moet zijn van een rechtstreeks gevolg van een strafbaar feit, de rechtbank gaf in de zedenzaak op 15 december 2011 verder nog aan: dat er geen ruimte bestaat om bedoelde ouders mede als slachtoffer aan te duiden. Het nadeel, hoe ernstig ook, blijft immers afgeleid van de positie van het kind. Het is vreemd dat ouders zelf niet als slachtoffer worden gezien. Uit verschillende rapporten van deskundigen in de zedenzaak is namelijk gebleken dat ouders wel degelijk nadeel van de veroorzaakte strafbare feiten, toegebracht aan hun kind, kunnen ervaren. Uit deze rapporten bleek dat de ouders met situaties als posttraumatische stress, depressies, angsten en emotionele distress te maken kregen. 64 Deze klachten kunnen gedurende geruime tijd aanwezig zijn en blijven voortduren. Vervolgens kunnen de klachten zich openbaren in het slecht verrichten van de ouderlijke taak op meerdere vlakken. Het is de vraag of het hof in de zedenzaak de beslissing, omtrent het niet verkrijgen van de positie slachtoffer voor de betrokken ouders van de rechtbank van Amsterdam in stand zal houden. 65 Er valt te verwachten dat er voor een andere beslissing wordt gekozen, omdat in de recentelijk goedgekeurde EU-richtlijn betreffende minimumnormen voor slachtoffers van misdrijven staat beschreven dat leden van de familie van het slachtoffer mogen worden gezien als geraakt door het strafbare feit. 66 Dit zou betekenen dat het hof bij behandeling van de Amsterdamse zedenzaak wellicht tot een ander besluit zou kunnen komen. De lidstaten van de EU hebben tot 25 oktober 2014 de tijd om de minimumnormen uit de EU-richtlijn te implenteren in het nationale recht. 67 Deze minimumnormen bestaan onder andere uit: het respecteren van de slachtoffers, het professioneel met slachtoffers omgaan, slachtoffers duidelijke informatie geven met betrekking tot de rechten die ze hebben, informeren over de beschikbaarheid van slachtofferhulp, het verstrekken van inlichtingen betreffende de eventuele rol die slachtoffers in het proces kunnen spelen en de mogelijkheid tot hulp om het proces bij te wonen en het erkennen en beschermen van kwetsbare slachtoffers Vertolking belangen Eveneens heeft er een uitbreiding plaatsgevonden betreffende de gelegenheid om gebruik te maken van een advocaat of vertrouwenspersoon. Onder het vorige spreekrecht was het namelijk niet mogelijk om een gemachtigde of een raadsman in naam van het slachtoffer te laten spreken. Het toestaan van een vertolker van de belangen van het slachtoffer heeft hier verandering in gebracht. Dit kan effectief werken bij slachtoffers die het niet aandurven om tijdens de zitting het woord te voeren. Ook wanneer het door andere omstandigheden niet zou gaan, is het aanstellen van een advocaat een goede optie. Indien er meerdere slachtoffers aanwezig zijn, dan kan er ook voor worden gekozen om een gezamenlijke raadsman aan te stellen om het woord te voeren. 69 De uitbreidingen zijn in art. 258 lid 6 en art. 303 lid 2 vastgelegd. 63 Rb. Amsterdam 15 december 2011, LJN BU Korver 2012, p Inmiddels heeft het Hof van Amsterdam de uitspraak van de rechtbank van Amsterdam in stand gehouden, de ouders worden juridisch niet erkend als slachtoffers. Dit is bepaald in: Hof Amsterdam 26 april 2013, LJN BZ Richtlijn 2012/29/EU (PbEU 2012, L 315/57) onder Persbericht Europese Commissie, IP/12/1066 van 4 oktober Persbericht Europese Commissie, IP/12/1066 van 4 oktober Kamerstukken II 2011/12, , nr. 3, p. 4-5 (MvT). 15
17 2.8 Het belang van slachtoffers en nabestaanden Allereerst is het spreekrecht ontstaan om te kunnen voorzien in het verwerken van het strafbaar feit en het daaruit volgend leed en verdriet. Het geeft slachtoffers het gevoel dat ze een actieve rol binnen de strafprocedure vervullen. Op deze manier dragen zij hun steentje bij in het gehele proces. Ze verschaffen namelijk bruikbare informatie voor de rechter en slachtoffers kunnen de verdachte direct laten horen wat de gevolgen zijn geweest van zijn handelingen. 70 Volgens een verricht onderzoek door Slachtofferhulp Nederland kan het spreken een gunstig effect hebben op het zelfbeeld van het slachtoffer. 71 Ook kan het ervoor zorgen dat de gevoeligheid afneemt ten aanzien van het treffen van de verdachte. Het kan het slachtoffer kracht geven om op de zitting te spreken en iedereen, inclusief de verdachte, naar hem te laten luisteren. 72 Voor ouders van minderjarige slachtoffers zal het een genoegdoening geven dat zij in ieder geval de gelegenheid krijgen om zich tijdens de rechtszitting uit te laten over de gevolgen die het delict heeft veroorzaakt. Dit kan bijdragen aan het verwerkingsproces en herstel bieden aan de schade die zij hebben geleden. Door de uitbreiding van het wetsvoorstel komt het slachtoffer een nog sterkere en verbeterde positie toe, zodat zijn stem nog beter kan worden gehoord. 2.9 Secundaire victimisatie Secundaire victimisatie is: dat een slachtoffer of nabestaande de nadelen van het jegens hem gepleegde misdrijf dient te verwerken en niet beschadigd mag raken als gevolg van een onbevredigend ervaren behandeling tijdens het strafproces, bijvoorbeeld door reacties van de verdediging of door de rol van de pers rondom het strafproces. Ook gewekte verwachtingen die niet waar kunnen worden gemaakt kunnen leiden tot secundaire victimisatie. 73 Het is belangrijk dat het slachtoffer wordt voorzien van de juiste informatie betreffende het spreekrecht en de schriftelijke slachtofferverklaring. Het slachtoffer dient op een zo realistisch mogelijke manier op de hoogte te worden gesteld van de functies en emoties die een verklaring te weeg kunnen brengen. Het is van belang dat aan de orde wordt gesteld dat het geven van een mondelinge verklaring in bepaalde gevallen negatieve effecten tot gevolg kunnen hebben. Zoals het herbeleven van de traumatische ervaring. Aan het slachtoffer dient een realistische weergave van de verwachtingen gemaakt te worden, zodat secundaire victimisatie wordt getracht te voorkomen. 74 Het zal er per slachtoffer van afhangen of het gebruiken van het spreekrecht concequenties, zoals mogelijke secundaire victimisatie, met zich mee zal brengen. Het ene slachtoffer zal namelijk beter met de situatie om kunnen gaan dan het andere slachtoffer, dit heeft te maken met de mondigheid en weerbaarheid van de persoon. Ook de ernst van het misdrijf zal hierbij meespelen. 75 Het komt het slachtoffer niet toe om zich uit te laten over de toedracht van de feiten en de duur van de straf, omdat hij te maken heeft met de eigenstandige positie die hij in neemt. Wanneer het slachtoffer zich hier toch over uit zou laten, dan zou deze verklaring te vergelijken zijn met een getuigenverklaring Kamerstukken II 2011/12, , nr. 3, p. 5 (MvT). 71 Leferink & Vos 2008, p Leferink & Vos 2008, p Aanwijzing spreekrecht en schriftelijke slachtofferverklaring van 23 december 2004, Stcrt. 2004, 248, p Lens, Pemberton & Groenhuijsen 2010, p Leferink & Vos 2008, p Lens, Pemberton & Groenhuijsen 2010, p
18 2.10 Conclusie Met de komst van het spreekrecht in 2005 is er veel veranderd inzake de rechten van het slachtoffer. Het werd vanaf toen mogelijk om tijdens de terechtszitting te spreken over de gevolgen die het strafbare feit had veroorzaakt. Maar door de jaren heen is gebleken dat dit spreekrecht te beperkt was en te weinig mogelijkheden gaf voor het slachtoffer of eventuele nabestaanden. Mede door de Amsterdamse zedenzaak is besloten om het spreekrecht verder uit te breiden. Deze uitbreiding is op 1 september 2012 in werking getreden. Zowel het slachtoffer, als de ouders van een slachtoffer onder de 12 jaar, evenals de nabestaanden zijn er op vooruit gegaan. Hen komen nu meer rechten toe, ouders van minderjarige slachtoffers die de leeftijd van 12 jaar nog niet hebben bereikt, mogen zich nu gedurende de terechtszitting uitlaten over de gevolgen die het strafbare feit ten aanzien van hun kind veroorzaakt hebben. Toch kan er geconcludeerd worden dat er nog steeds beperkingen aan het spreekrecht kleven. Zo worden de ouders van een minderjarig slachtoffer niet als slachtoffer gezien, omdat zij niet rechtstreeks geraakt zijn door het misdrijf. Uit verschillende rapporten is gebleken dat de ouders wel degelijk met aanzienlijk nadeel te maken hebben. Er zijn zeker veel positieve elementen te noemen door de komst van de wetsuitbreiding, maar toch zijn er ook punten aanwezig die verbetering behoeven. 17
19 3. De openbare terechtzitting 3.1 Inleiding In dit hoofdstuk zal er aandacht worden besteed aan art. 269 Sv. Hierbij zal de totstandkoming van de openbare zitting worden besproken. Tevens wordt art. 269 Sv van zowel voor als na de wetsuitbreiding behandeld. Ook zal inhoudelijk de Nederlandse openbaarheidsnorm aan bod komen. Verder worden de beperkingsgronden van art. 269 Sv besproken. Er zal ook aandacht worden besteed aan het slachtoffer op de openbare zitting en de kanttekeningen die er leven met betrekking tot de uitbreiding van het vijfde lid. Tot slot zal de privacy van het slachtoffer in de laatste paragraaf worden besproken. Hierbij komen een aantal zaken aan bod waarbij een slachtoffer met privacyschending te maken heeft gekregen. 3.2 De totstandkoming van art. 269 Sv Aan de totstandkoming van art. 269 Sv gaat een hele voorgeschiedenis vooraf. Vanaf 1848 werd in de Grondwet (hierna: Gw) verplicht gesteld om terechtzittingen in openbaarheid te houden, tevens moest er daarbij rekening gehouden worden met de eventuele uitzondering van het belang van de openbare orde en de zedelijkheid. 77 Omstreeks 1886 was er in het herziene Wetboek van Strafvordering nog geen eigenstandige wetsbepaling van de openbare terechtzitting te vinden. In beginsel was het gebruikelijk dat de terechtzitting in het openbaar plaatsvond, mogelijke uitzonderingen hierop waren toentertijd te vinden in art. 162 Gw ten tijde van 1887 en eveneens in art. 20 (oud) Wet RO. 78 In art. 20 was vastgesteld dat wanneer er sprake was van een belangrijke reden tot het sluiten van de deuren op straffe van nietigheid, dit in het proces-verbaal vermeld diende te worden. 79 In 1926 was er nog steeds geen sprake van een duidelijke bepaling waarin de openbare terechtzitting was vastgelegd, wel bevatte art. 273 (oud) Sv een bepaling over sluiting der deuren. 80 In deze wetsbepaling werd niet nader verklaard bij welke gebeurtenissen de zitting zich besloten moest voordoen. Ook hier werd voor verdere uitleg weer verwezen naar art. 20 (oud) Wet RO. De regels betreffende de openbare terechtzitting waren dus te vinden in het Wetboek van Strafvordering, de Wet RO en in de Gw. Wanneer in 1950 het EVRM inwerking werd gesteld, had de rechter vanaf toen de taak om art. 6 lid 1 EVRM in acht te nemen. In dit artikel stonden de uitzonderingsgronden van de openbare terechtzitting weergegeven. 81 Doordat er in 1983 een herziening van de Gw plaatsvond, verviel daarmee de mogelijkheid om op grond van openbare orde en zedelijkheid de deuren te sluiten ten aanzien van de openbare terechtzitting. In 1994 werden de gronden van art. 6 lid 1 EVRM in het toenmalige art. 273 Sv bijgevoegd. 82 Vanwege het omnummeren van de artikelen 268 tot en met 301 van het Wetboek van Strafvordering werd art. 273 Sv vanaf 1998 verplaatst naar art. 269 Sv. 83 Aan de inhoud van het art. werd weinig veranderd, wel kwam er een vijfde lid bij waarin werd vastgesteld dat minderjarige personen de openbare terechtzitting niet mogen waarnemen. 77 Lent 2008, p Lent 2008, p Lent 2008, p Lent 2008, p Lent 2008, p Wet van 8 november 1993, Stb. 1993, Wet van 15 januari 1998, Stb. 1998,
20 Het was voor het eerst dat de regeling van de openbare terechtzitting een zelfstandige betekenis kreeg. 84 In de geschiedenis van de wetten van de regeling van de openbare terechtzitting zijn geen gedegen opvattingen te vinden over de nuttigheid en de noodzakelijkheid van de publieke terechtzitting. 3.3 Art. 269 Sv voor de wetsuitbreiding In lid 1 van art. 269 (oud) Sv is neergelegd dat het onderzoek ter terechtzitting in het openbaar plaatsvindt. Bij de aankondiging van de zaak heeft de rechtbank de mogelijkheid om gehele of gedeeltelijke behandeling met sluiting der deuren te bevelen. Dit bevel kan worden uitgebracht in het belang van de goede zeden, de openbare orde, de veiligheid van de staat, alsmede indien de belangen van minderjarigen, of de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de verdachte, andere procesdeelnemers of anderszins bij de zaak betrokkenen dit eisen. 85 Ook wanneer de openbaarheid naar de opvatting van de rechtbank het belang van een deugdelijke rechtspraak ernstig zou aantasten dan kan een gelijksoortig bevel worden gegeven. In het tweede lid wordt aangegeven dat een bevel volgend uit het eerste lid door de rechtbank ambtshalve, op verzoek van het OM of op verlangen van de verdachte of andere procesdeelnemers kan worden bewerkstelligd. Pas wanneer de rechtbank het OM, de verdachte of andere procesdeelnemers (eventueel met sluiting der deuren) hierover heeft gehoord, zal zij in staat zijn om het bevel te geven. Art. 22 lid 4 Sv is overeenkomstig van toepassing. Het derde lid laat zien dat het besluit tot het geven van het bevel volgend uit lid 1, met redenen zal worden omkleed en vermelding verkrijgt in het proces-verbaal van de terechtzitting. Het vierde lid geeft weer dat de voorzitter de bevoegdheid heeft om tot het bijwonen van de niet openbare terechtzitting bijzondere toegang te verlenen. In lid 5 van art. 269 Sv is vastgesteld dat voor het bijwonen van een openbare terechtzitting in beginsel geen toelating plaatsvindt voor toehoorders die nog geen 18 jaar zijn. Dit is niet van toepassing op een minderjarig spreekgerechtigd slachtoffer of indien de minderjarige als benadeelde partij optreedt Art. 269 Sv na de wetsuitbreiding Na vergelijking van art. 269 voorafgaand en na de wetsuitbreiding blijkt dat de leden 1 tot en met 4 hetzelfde zijn gebleven. Lid 5 van art. 269 Sv is echter wel aangepast, het is namelijk nu mogelijk dat minderjarige toehoorders van 12 jaar of ouder de terechtzitting mogen bijwonen, tenzij er zich volgens de voorzitter bijzondere gevallen voordoen. De rechter kan bijvoorbeeld bij ernstige zeden- en geweldsmisdrijven ervoor kiezen om tot uitsluiting over te gaan. 87 Voorheen was het bijwonen van de zitting mogelijk voor personen die de leeftijd van 18 jaar hadden bereikt. Verder is er aan lid 5 een volzin toegevoegd, hierin komt naar voren dat de voorzitter bevoegd is om toehoorders niet toe te staan op de openbare terechtzitting wanneer zij nog geen 18 jaar zijn. 84 Lent 2008, p Art. 269 lid 1 (oud) Sv. 86 Kamerstukken II 2004/05, , nr. 3, p. 7, 12 (MvT). 87 Bijlage bij Kamerstuk 2011/12, nr.3 (Advies Raad voor de Rechtspraak, 22 september 2011, p. 4.). 19
21 Uitgezonderd hierop zijn minderjarige van 12 tot 18 jaar die slachtoffer zijn van het tenlastegelegde feit volgend uit art. 51e lid 1 Sv en die de openbare terechtzitting willen bijwonen. 88 Deze nieuwe regeling is er mede gekomen dankzij het advies van de Raad voor de Rechtspraak. Zij gaf aan dat het verstandig was om de leeftijdgrens aan te passen, mede door de ervarenheid blijkt namelijk dat minderjarige onder de 12 jaar het verloop van het onderzoek ter terechtzitting kunnen belemmeren De inhoud van de Nederlandse openbaarheidsnorm Na art. 269 Sv hierboven te hebben besproken, blijkt dat het art. zelf niet inhoudelijk in gaat op het begrip openbaarheid van de zitting. De regeling laat als het ware alleen de wijze zien waarop niet-openbaarheid van de terechtzitting verwezenlijkt kan worden. 90 De openbaarheidsnorm kan echter wel worden gezien als een grondbeginsel van het proces. Het beginsel duidt aan dat de rechtszaal haar toegang opent voor het publiek en dat eenieder de mogelijkheid heeft om toe te treden. 91 De openbare terechtzitting wordt geconstateerd door middel van de weergave ervan in het proces-verbaal van de zitting, ook kan het opgenomen worden in het vonnis of het arrest. Wanneer dit niet is gebeurd dan wordt de uitspraak nietig bevonden. 92 Indien men wil afwijken van de openbaarheidsnorm en dus sluiting der deuren wil bevelen, dan is dit enkel mogelijk als er sprake is van één van de gronden uit het eerste lid van art. 269 Sv. Deze gronden worden in de volgende paragraaf besproken. 3.5 De beperkingsgronden van art. 269 lid 1 Sv De beperkingsgronden zijn in 1994 vanuit art. 6 lid 1 EVRM overgenomen in art. 269 lid 1 Sv. Ze kunnen gezien worden als ruime begrippen, waardoor het mogelijk is om vrijwel ieder bezwaar tegen de openbare zitting te plaatsen onder één van de gronden. 93 De belangrijkste zekerheid ten opzichte van de beperkingsgronden komt voort uit de jurisprudentie van het EVRM, de rechter mag namelijk tot sluiting der deuren overgaan, wanneer hij het noodzakelijk acht dat behandeling van de zaak in beslotenheid dient plaats te vinden. Dit besluit zal hij maken op grond van een belangenafweging van de openbaarheid van de zaak, dan wel met het strijdige belang van het betreffende geval. 94 In de uitspraak van EHRM 8 juni 1976, NJ 1978, 223 (Engel e.a. tegen Nederland) en EHRM 26 september 1995, appl.no /91 (Diennet tegen Frankrijk) was dit beide het geval.volgens het EHRM mag de beperking van de openbaarheid niet enkel op een wettelijk voorschrift worden genomen, voor behandeling met gesloten deuren is het namelijk noodzakelijk dat deze afkomstig is uit de gebeurtenissen van het betreffende geval. 95 De feiten die zich hierbij voordoen zijn een belangrijk beoordelingscriterium of er een aanleiding is om af te wijken van de openbaarheidsnorm. De eerste grond die in het eerste lid van art. 269 Sv wordt genoemd is de goede zeden. Deze grond blijkt hedendaags een niet al te grote betekenis te hebben en zal niet meer vaak aan de orde zijn bij het verzoek om de deuren te sluiten. 88 Kamerstukken II 2011/12, , nr. 3, p. 10 (MvT). 89 Bijlage bij Kamerstuk 2011/12, nr.3 (Advies Raad voor de Rechtspraak, 22 september 2011, p. 4.). 90 Lent 2008, p Verbruggen & Verstraeten 2007, p Verbruggen & Verstraeten 2007, p Lent 2008, p Lent 2008, p EHRM 26 september 1995, appl.no /91 (Diennet tegen Frankrijk). 20
22 Vroeger werd deze grond vooral gebruikt om het publiek te beschermen tegen het behandelen van ernstige zedenzaken. Dit is momenteel niet meer relevant, omdat nu de belangstelling uit gaat naar de slachtoffers, getuigen en andere betrokkenen. 96 De tweede grond is de openbare orde, dit was ten tijde van de openbaarheidsnorm uit de Gw samen met de zedelijkheid een van de uitzonderingen om sluiting der deuren te kunnen eisen. Verschillend aan de beperkingsgrond openbare orde was dat de toestand die zich voordeed tijdens de zitting, voor verdere behandeling achter gesloten deuren kon zorgen. De grond van de openbare orde is dus niet zoals de goede zeden enkel op tenlastegelegde feiten gebaseerd. 97 Een voorbeeld van een dergelijk geval kwam voor in een zaak, waarbij de rechter vermoedens had dat er onder het publiek aanwezigen waren die de getuige zouden kunnen verstoren in het ongedwongen verklaren van zijn getuigenis. 98 Blijkens de zaak Campbell en Fell reikt het handhaven van de openbare orde verder dan alleen publieke ruimten. In dit arrest werd namelijk door het EHRM bepaald dat tot de zitting binnen de gevangenis geen publiek werd geaccepteerd. 99 De derde grond die wordt genoemd is de veiligheid van de staat, dit is relevant wanneer er sprake is van bepaalde staatsgeheimen binnen een strafzaak. Het werk en de informatie die bijvoorbeeld de AIVD uitvoert is strikt geheim. Wanneer op een openbare zitting deze inlichtingen zouden worden vrijgegeven, dan is het mogelijk dat de veiligheid van de staat hiermee ernstig in gevaar wordt gebracht. 100 Doet er zich een dergelijke situatie voor dan heeft de rechter de plicht om de rechtszaak met gesloten deuren verder voort te zetten. Als vierde grond komen de belangen van minderjarigen naar voren. Wanneer er minderjarige slachtoffers betrokken zijn bij de rechtszaak dan kan er door de voorzitter besloten worden om op grond van de belangen van de minderjarigen sluiting der deuren te bevelen. De beperkingsgrond houdt rekening met de gevolgen en invloeden van de openbare zitting die wegens de minderjarige leeftijd van een betrokkene enorm schadelijk kunnen zijn. Ook voor een minderjarige getuige die een verklaring wil afleggen, kan besloten worden ter bescherming van hem om de terechtzitting in beslotenheid te vervolgen. 101 Deze beperkingsgrond is door de wetgever in het leven geroepen om de annonimiteit van bijvoorbeeld minderjarige slachtoffers van seksuele misdrijven te kunnen waarborgen en er zo zorg voor te dragen dat de privacy van het slachtoffer wordt beschermd. 102 In art. 269 lid 1 Sv wordt als vijfde grond de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer genoemd van zowel de verdachte, als andere procesdeelnemers of anderszins betrokkenen bij de zaak. In de memorie van toelichting wordt dit verder uitgespecificeerd in de verdachte, getuige, benadeelde partij en het slachtoffer dat niet als getuige of als benadeelde partij in het proces zal optreden. 103 Enkel deelnemers aan het proces hebben de bevoegdheid om sluiting der deuren te verzoeken. Vanwege de privacy van de verdachte is het mogelijk dat er van de openbare terechtzitting wordt afgeweken, echter kan dit belang niet als een aangelegenheid gezien worden voor een algehele sluiting der deuren. 104 Wanneer een openbare zitting plaatsvindt, gaat dit sowieso gepaard met een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van eenieder waarvan gegevens of privé-aangelegenheden op de zitting voorbij komen. 96 Lent 2008, p Lent 2008, p HR 2 januari 1912, W EHRM 28 juni 1984, appl.nos. 7819/77; 7878/77, (Campbell & Fell tegen het Verenigd Koninkrijk). 100 Lent 2008, p Lent 2008, p Vermeulen 2001, p Kamerstukken II 1991/92, , nr. 3, p. 8, 19 (MvT). 104 Lent 2008, p
23 Het is in de meeste gevallen acceptabel dat de inbreuk op privacy wordt aanvaard bij een zitting die zich in het openbaar voordoet. Wel is het van belang dat indien er toch gebruik wordt gemaakt van de sluitingsgrond eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, dit gebaseerd moet zijn op nadrukkelijke omstandigheden van het desbetreffende geval. 105 Steeds vaker wordt er door een getuige een verzoek gedaan tot het sluiten van de deuren tijdens de terechtzitting, het komt namelijk nogal eens voor dat ze te maken krijgen met represailles. Om dit te voorkomen en de waarheidsvinding voorop te stellen, kan het verzoek tot het sluiten van de deuren worden gehonoreerd. 106 Het eerste lid van art. 269 Sv wordt afgesloten met het belang van een goede rechtspleging. Deze grond laat zien dat wanneer de openbare zitting het belang van een goede rechtspleging zou verstoren, dit een reden kan zijn om de zitting met gesloten deuren te vervolgen. Wel wordt deze grond met hoge uitzondering toegepast, immers is de openbaarheid de grondslag van de goede rechtspleging. Als de openbare zitting geen garanties zou kunnen geven voor een rechtvaardig proces dan zal in dit geval de beperkingsgrond worden aanvaard. 107 Door het EHRM is bepaald dat er van de openbare zitting afgeweken mag worden, indien het de rechtspleging ten goede komt en de informatie die essentieel is voor het vonnis, het eist dat een getuige zich in vrijheid kan uitlaten over persoonlijke aangelegenhedern zonder angst, publieke nieuwsgierigheid of commentaar. 108 Volgens van Lent kan het sluiten van de deuren in de meeste gevallen worden gezien als de reden om de waarheidsvinding in het proces te kunnen waarborgen, hierbij kan worden gedacht aan de getuige die een verklaring moet afleggen. 3.6 Het slachtoffer op de zitting Doordat er voor het slachtoffer geen algemene bepaling in de wet is vastgesteld met betrekking tot het bijwonen van de terechtzitting is hij net als ieder ander aangewezen op art. 269 Sv omtrent de openbare zitting. Wanneer de rechtbank besluit om de zaak achter gesloten deuren plaats te laten vinden, dan is het mogelijk dat de voorzitter aan het slachtoffer toch bijzondere toegang verleend. 109 Wanneer er sprake is van een minderjarige verdachte dan wordt de zaak in beginsel met gesloten deuren behandeld. Uit art. 495 b lid 1 Sv volgt dat ook hier het slachtoffer recht heeft op het bijwonen van de zitting, tenzij de voorzitter vanwege bijzondere redenen een andere beslissing maakt. De rechter kan bijvoorbeeld beslissen dat het vanwege de ernst van de zaak niet in het belang zou zijn van de terechtzitting om het slachtoffer toe te laten. 110 Wanneer het slachtoffer door middel van voeging als benadeelde partij of spreekgerechtigde een deelnemer is van het proces, dan is sluiting der deuren niet van toepassing voor hem. Het slachtoffer is dan geen onderdeel van het publiek, maar wordt gezien als procesdeelnemer. 111 Waardoor verwijdering van de zitting onmogelijk is, ondanks de beperkingsgronden van art. 269 Sv. 112 Het minderjarige slachtoffer van 12 jaar of ouder dat spreekrecht heeft, krijgt eveneens het recht om zijn eigen zitting bij te wonen. 105 Lent 2008, p Lent 2008, p Lent 2008, p EHRM 24 april 2001, appl.nos /97; 35974/97 (B. tegen het Verenigd Koninkrijk en P. tegen het Verenigd Koninkrijk). 109 Kamerstukken II 2004/05, 30143, nr. 3, p. 12 (MvT). 110 Kamerstukken II 2002/03, 27632, nr. 14, p Kamerstukken II 2004/05, , nr. 3, p. 7, Lent 2008, p
24 Dit recht kan hem niet worden ontnomen, wel kan de voorzitter bepalen om minderjarige toehoorders niet op de zitting toe te laten. 113 Doordat het minderjarig slachtoffer procesdeelnemer is, heeft ook hij volgens het tweede lid van art. 269 Sv de mogelijkheid om te bevelen dat de bewuste zaak zich af dient te spelen met gesloten deuren. Dit kan het slachtoffer uit verschillende beweegredenen doen. Een reden kan bijvoorbeeld zijn dat hij het niet prettig vindt om in het bijzijn van minderjarige toehoorders zijn spreekrecht uit te oefenen. Een ander voorbeeld kan zijn dat hij zich schaamt en wegens privacyredenen liever geen publiek bij de zitting aanwezig wil hebben. 114 Het minderjarig slachtoffer kan dan op grond van het tweede lid van art. 269 Sv verzoeken tot een bevel van sluiting der deuren. De rechtbank is de enige die kan beslissen over het verzoek. Het minderjarig slachtoffer heeft verder geen invloed op het aantal minderjarige toehoorders die de zitting willen bijwonen. Het is in het algemeen de taak van de voorzitter om de zitting in goede banen te leiden Kanttekeningen ten opzichte van de openbare zitting De Jong & Heerkens bekritiseren het feit dat klasgenootjes of bevriende leeftijdsgenootjes van het minderjarig slachtoffer aan de zitting mogen deelnemen. 115 De heer Teeven geeft in de memorie van antwoord weer dat hij zich in deze kritiek niet kan vinden en geeft aan dat bekende personen van het slachtoffer juist een vertrouwelijke sfeer kunnen creëren. Volgens Teeven heeft de rechter de mogelijkheid om aan de hand van het publiek dat de zitting wenst bij te wonen, te bepalen of dit voor het slachtoffer tot een ongewenste situatie kan leiden. 116 Het zal per individueel slachtoffer verschillen of de aanwezigheid van minderjarige toehoorders een positief of negatief effect zal veroorzaken. De rechter is de aangewezen persoon om op de nodige momenten in te grijpen en men kan erop vertrouwen dat hij rekening houdend met de orde van de openbare terechtzitting, zich kan laten inlichten door het OM of door de vertegenwoordiging van het slachtoffer. 117 Zoals hiervoor al aan de orde is geweest en blijkt uit art. 495 b lid 1 Sv, is er bij betrokkenheid van een minderjarige verdachte geen sprake van een openbare terechtzitting. De Hoge Raad heeft dit eveneens uitgesproken in haar arrest. 118 De rechtszaak wordt dus in de meeste gevallen met gesloten deuren afgedaan. Dit wordt uit kwetsbaarheid en bescherming van de minderjarige verdachte gedaan. Maar als er sprake is van een meerderjarige verdachte waarbij minderjarige slachtoffers zijn betrokken, wordt de strafzaak in beginsel in het openbaar behandeld. Dit kan alleen worden voorkomen, indien er op succesvolle wijze behandeling met gesloten deuren wordt bevolen. Het is vrij opmerkelijk dat de belangen van de minderjarige verdachte zwaarder wegen dan de belangen van de minderjarige slachtoffers. Volgens Korver zou het evenredig zijn om bij betrokkenheid van een minderjarige verdachte of minderjarige slachtoffers de rechtszaak in beginsel met gesloten deuren plaats te laten vinden. Naar mijn mening is dit een waardig besluit. Op deze manier wordt er namelijk zo min mogelijk schade berokkend en kan de privacy van de minderjarige persoon zo veel mogelijk worden gewaarborgd Kamerstukken II 2011/12, , nr. 3, p. 10 (MvT). 114 Kamerstukken I 2002/03, , 104b, p. 11 (MvA). 115 De Jong & Heerkens 2012/47, onder Kamerstukken II 2011/12, , nr. C, p. 3 (MvA). 117 Kamerstukken II 2011/12, , nr. C, p. 3 (MvA). 118 HR 21 februari 1961, NJ 1961, Korver 2012, p
25 Het sluiten van de deuren binnen een rechtszaak kan een nadelig effect teweeg brengen, het zou namelijk de gerechtelijke controle van het systeem in gevaar kunnen brengen. 120 Door middel van een openbare terechtzitting heeft het publiek namelijk de mogelijkheid om de rechter te controleren 121, wanneer de deuren worden gesloten wordt het publiek deze gelegenheid ontnomen. De Amsterdamse zedenzaak heeft bewezen dat ondanks gedeeltelijke sluiting van de deuren er toch sprake was van voldoende transparantie. 122 Door de gedeeltelijke sluiting werd er voor gekozen om de beschikbare beelden van de slachtoffertjes aan een klein deel van het publiek te tonen, zodat de privacy van de minderjarige slachtoffers zoveel mogelijk in acht werd genomen. 3.7 Privacy en het slachtoffer Een belangrijke vraag die kan worden gesteld in dit onderzoek, is of door de uitbreiding van het vijfde lid van art. 269 Sv het recht op privacy van het minderjarig slachtoffer niet in gedrang komt? In Nederland is het recht op privacy vastgelegd in art. 10 van de Gw. In het eerste lid van art. 10 Gw is bepaald dat: eenieder behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht heeft op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer. In het tweede lid wordt weer gegeven dat: de wet regels stelt ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met het vastleggen en verstrekken van persoonsgegevens. In Nederland is dit verder uitgewerkt in de Wet bescherming persoonsgegevens, die sinds 1 september 2001 is ingetreden. Art. 10 Gw wordt afgesloten met het derde lid, daarin staat dat: de wet regels stelt inzake de aanspraken van personen op kennisneming van over hen vastgelegde gegevens en van het gebruik dat daarvan wordt gemaakt, alsmede op verbetering van zodanige gegevens. Het vijfde lid van art. 269 Sv staat in beginsel toe dat toehoorders vanaf 12 jaar worden toegelaten tot de terechtzitting. Hierdoor kan het minderjarige slachtoffer voortaan te maken krijgen met minderjarig en meerderjarig publiek. De kans is aanwezig dat bekenden, zoals klasgenootjes, vriendjes en of -vriendinnetjes van deze mogelijkheid gebruik willen maken. 123 In sommige gevallen zal het voor een minderjarig slachtoffer positief uitvallen dat hij bekenden om zich heen heeft en steun ondervindt door de aanwezigheid van toehoorders op de terechtzitting. Het kan ook negatieve ervaringen veroorzaken, zoals schaamte en de schending van privacy. Het betreft namelijk zeer persoonlijke informatie die men niet met iedereen wil delen. Zeker gezien het feit dat situaties waarmee het slachtoffer te maken heeft gehad en waarover gesproken zal worden tijdens de zitting, de nodige impact op het publiek zal achterlaten. De privacy kan in twijfel worden getrokken, omdat op de terechtzitting het slachtoffer niet anoniem is. Bij de aangifte wordt aan het slachtoffer al naar de naam en het adres gevraagd. Deze gegevens worden opgenomen in het dossier en dit dossier komt later in handen van de politie, de advocaat van de verdachte, de verdachte zelf, bij het OM, de rechtbank, in sommige gevallen bij de reclassering en vele andere betrokken partijen Mommers e.a. 2010, p EHRC 17 januari 2008, 2008/43, nr /02 (Ryakib Biryukov tegen Rusland). 122 Malsch 2013, p De Jong & Heerkens 2012/47, onder Korver 2012, p
26 Dat er af en toe niet zorgvuldig met dossiers wordt omgegaan, is gebleken uit het geval dat een Zutphense rechter een dossier verloor van een psychiatrische patiënt, waardoor het dossier later bij de lokale krant terecht kwam. 125 Eveneens liet een rechter uit Haarlem in 2010 een dossier inhoudende een zaak over mensenhandel in een trein achter. 126 Volgens Korver zou alleen al door het voordoen van voorgaande gevallen, het slachtoffer in eigen persoon moeten kunnen bepalen of zijn adres in het dossier verschijnt. 127 Dit standpunt is naar mijn mening geheel correct, het lijkt mij namelijk meer dan rechtvaardig dat het slachtoffer zelf mag aangeven of hij instemt met het vrijgeven van privacy gevoelige gegevens. Even goed zou het verstandig zijn om een methode te ontwikkelen waarbij aan de rechter en de raadsman geanonimiseerde gegevens van het slachtoffer van een ernstig misdrijf zouden worden gegeven, zodat de privacy optimaal is gewaarborgd. Korver, raadsman zijnde in de Amsterdamse zedenzaak, heeft bepaalde gegevens op documenten uit het strafdossier zwart gemarkeerd. Het betrof informatie en namen van kinderen waarvan hij geen advocaat was of van wie zijn cliënten niet de wettelijke vertegenwoordigers waren. De advocaten van de verdachten, de rechter en het OM kregen wel een gewone versie van het dossier. Om te zorgen voor optimale bescherming van de privacy van de slachtoffers zou er bijvoorbeeld gewerkt kunnen worden met een coderingssysteem, waarbij de slachtoffers van een nummer worden voorzien, zodat het niet nodig is om persoonlijke gegevens in het dossier vast te leggen. 128 Mijns inziens is dit een eenvoudig toe te passen systeem, dat geen extra kosten met zich mee hoeft te brengen Op dit moment komen de namen en af en toe de adresgegevens van het slachtoffer voor in de tenlastelegging en daardoor ook in de dagvaarding. De pers kan deze dagvaarding voor aanvang van de zitting inzien. De meeste slachtoffers hebben er geen notie van dat dit gebeurt. De pers houdt wel rekening met het onvolledig melden van de naam van de verdachte. Dan zou het eveneens reël zijn als dit ook in alle gevallen van toepassing zou zijn op de namen van de slachtoffers. 129 In de Cordaan-verkrachtingszaak 130 heeft een slachtoffer met grove privacyschending te maken gekregen. Het meisje dat slachtoffer werd van een groepsverkrachting te Amsterdam is ten tijde van de openbare zitting door de OvJ aangeduid met haar voornaam, ook werd waarneembaar in welke instelling zij verbleef. Door deze handeling wisten jeugdigen spoedig dat het haar betrof, waardoor zij niet meer zonder problemen in de instelling kon verblijven. Doordat verschillende berichten in de media zijn verschenen en ook op internet gepubliceerd zijn, is de privacy van het slachtoffer ernstig geschonden. Zeker gezien het feit dat deze publicaties niet ongedaan gemaakt kunnen worden. 131 Naar mijn mening laat dit voorbeeld helaas zien dat het momenteel op het gebied van privacy niet optimaal met de waarborgen van het slachtoffer is gesteld. 125 Beveiliging nieuws, Rechter verliest vertrouwelijk dossier, 15 mei 2005, Elsevier, Rechter verliest dossier dossier mensenhandelzaak in trein, 27 april 2010, ELSEVIER264143W/. 127 Korver 2012, p Korver 2012, p Korver 2012, p Rb. Amsterdam 27 april 2011, LJN BQ8607, 13/ (Promis). 131 Korver 2012, p
27 Korver geeft als oplossing voor deze kwestie dat er voorafgaand aan de openbare zitting aan het slachtoffer kan worden gevraagd of hij er op tegen is dat ze zijn persoonlijke gegevens vermelden. Indien het slachtoffer aangeeft dat hij daartegen bezwaar heeft, dan zou het slachtoffer door middel van een nummer benoemd kunnen worden. 132 Naar mijn mening is dit een oplossing die niet omslachtig is en die eenvoudig valt toe te passen. In mijn ogen zouden de rechten optimaal worden gewaarborgd, indien slachtoffers standaard op anonimiteit binnen een strafproces zouden kunnen rekenen. Het moet namelijk voor het proces niet uitmaken of een slachtoffer met zijn naam of met een nummer benoemd wordt. In de Amsterdamse zedenzaak is voor het eerst gewerkt met een systeem waarin de slachtoffertjes werden voorzien van een nummer in het dossier. 133 Om ervoor te zorgen dat er in de toekomst op een ongecompliceerde wijze gebruik kan worden gemaakt van een coderingssysteem, zou de wetgever er goed aan doen als het systeem een wettelijke basis zou krijgen. In het volgende hoofdstuk zal er onder andere gekeken worden naar de status van internationale regelgeving op het gebied van de privacy van minderjarige slachtoffers in verhouding tot de openbare terechtzitting. 3.8 Conclusie Sinds 1848 is er sprake van een openbare terechtzitting, echter kreeg deze pas in 1994 een eigen bepaling in de wet. De recentelijke wetswijziging heeft ervoor gezorgd dat art. 269 Sv verder is uitgebreid. Het is nu mogelijk geworden dat minderjarige toehoorders van 12 jaar of ouder aan de zitting kunnen deelnemen, voor de wetswijziging lag de leeftijdsgrens namelijk op 18 jaar. Tevens kunnen slachtoffers, van een strafbaar feit volgend uit art. 51e lid 1 Sv, van 12 tot 18 jaar niet uitgesloten worden van de zitting. Het OM, de verdachte of andere procesdeelnemers kunnen de rechtbank wel verzoeken tot sluiting der deuren op grond van één van de gronden uit het eerste lid van art. 269 Sv. Dit kunnen zij doen om verschillende beweegredenen. Het is aan de rechter om te beoordelen of een verzoek tot het sluiten van de deuren gerechtvaardigd is. Toch liggen de rechten van de verdachte en het slachtoffer nog steeds niet op één lijn. Wanneer er namelijk sprake is van een minderjarige verdachte wordt de zaak standaard in geslotenheid behandeld. Terwijl dit bij betrokkenheid van een minderjarig slachtoffer niet het geval is. Om de privacy van het minderjarige slachtoffer optimaal te kunnen waarborgen zou het gepast zijn indien de terechtzitting besloten zou plaatsvinden. Ook zou er adequaat moeten worden omgegaan met het gebruik van persoonlijke gegevens van het slachtoffer. Voorafgaand aan de zitting zou er volgens Korver aan het slachtoffer gevraagd moeten worden of hij anonimiteit op prijs stelt en of hij weergave van gegevens acceptabel vindt. Mijns inziens zou anonimiteit net als bij de verdachte standaard moeten plaatsvinden. Een systeem waarbij nummers in plaats van namen worden gebruikt, dient tot een goede oplossing en zorgt voor optimale waarborging voor de rechten van het slachtoffer. 132 Korver 2012, p Korver 2012, p
28 4. Het spreekrecht en de openbare terechtzitting in het licht van toepasselijke internationale regelgeving 4.1 Inleiding In dit hoofdstuk zal aan de hand van art. 51e Sv en het vijfde lid van art. 269 Sv worden gekeken of deze artikelen in haar huidige vorm aan toepasselijke internationale regelgeving voldoen. Hiervoor zal eerst art. 12 IVRK uiteen worden gezet, zodat vervolgens een verband kan worden gelegd met het uitgebreide spreekrecht. Vervolgens komen de Guidelines on child-friendly justice en de Guidelines on Justice in Matters involving Child Victims and Witnesses of Crime aan bod. De artikelen 6 en 8 van het EVRM, art. 17 IVBPR en art. 16 IVRK zullen tevens worden behandeld. Eveneens worden toepasselijke artikelen uit de recentelijke richtlijn van het Europees Parlement en de Raad ter vaststelling van minimumnormen voor de rechten van slachtoffers van strafbare feiten kort besproken. Ten aanzien van alle artikelen wordt het hoorrecht in verhouding tot het Nederlandse spreekrecht besproken en het recht op privacy van het kind in het licht van de openbare terechtzitting. 4.2 Het verdrag inzake de rechten van het kind De Verenigde Naties brachten op 20 november 1959 de verklaring van de rechten van het kind uit. Deze verklaring was niet bindend, waardoor in 1979 de regering van Polen voorstelde om een verdrag inzake de rechten van het kind te ontwikkelen. Na tien jaar te hebben onderhandeld, was het op 20 november 1989 een feit. Het IVRK werd namelijk door de Algemene vergadering van de Verenigde Naties aanvaard. 134 Per 2 september 1990 is het verdrag in werking getreden en in Nederland trad het IVRK in op 8 maart De Verenigde Staten en Somalië hebben als enige het verdrag wel ondertekend maar hebben het tot op de dag van vandaag niet geratificeerd. Wereldwijd kan het IVRK als een verdrag worden beschouwd, dat het vaakst is geratificeerd en daarmee ook geaccepteerd als instrument voor de waarborging van mensenrechten. 136 Het IVRK is een bijzonder verdrag en heeft veel meerwaarde ten opzichte van de verdragen die al langer bestaan. Het geeft alle rechten van kinderen weer in één specifiek verdrag en dit maakt het verdrag zeldzaam. Tevens is het IVRK innovatief ten opzichte van bestaande verdragen en bepalingen, omdat het verdrag de participatierechten voor de eerste keer weergeeft, zoals onder andere het recht op informatie, het recht op het geven van de mening van het kind en het meepraten over zaken die betrekking hebben op zichzelf of andere naasten. 137 De landen die het verdrag geratificeerd hebben zijn juridisch verbonden aan het IVRK. Hierdoor kan ieder kind uit een dergelijk land rechten ontlenen aan de bepalingen uit het verdrag. De regering van een land heeft dan internationaal gezien de plicht om uitvoering te geven aan het verdrag. 138 In het eerste art. van het IVRK wordt onder het kind verstaan: ieder mens jonger dan 18 jaar, tenzij volgens het op het kind van toepassing zijnde recht de meerderjarigheid eerder wordt bereikt. Deze leeftijd wordt in Nederland eveneens gehandhaafd. In de volgende paragraaf zal art. 12 IVRK worden behandeld. 134 Meuwese & Blaak e.a. 2005, p Ruitenberg 2003 (samenvatting), p Meuwese & Blaak e.a. 2005, p Meuwese & Blaak e.a. 2005, p. 1, Meuwese & Blaak e.a. 2005, p
29 4.2.1 Art. 12 IVRK In het eerste lid van art. 12 van het IVRK is bepaald dat de landen die partij zijn bij het verdrag garanderen dat een kind dat in staat is zijn eigen mening te vormen, het recht heeft deze mening in volledige vrijheid in alle aangelegenheden die hem betreffen uit te oefenen. Hierbij moet men rekening houden met de leeftijd en de ontwikkeling van het kind. In het tweede lid is vastgelegd dat het kind in iedere toepasselijke gerechtelijke en bestuurlijke procedure de mogelijkheid moet krijgen tot het uiten van zijn mening, dit mag rechtstreeks, via een vertegenwoordiger een geschikte instelling of op een andere manier die verenigbaar is met de procedurele regelgeving van de nationale wet. Art. 12 IVRK wordt als het hoorrecht van het kind gezien. Maar doordat er nadrukkelijk wordt gesproken over het geven van de mening van het kind, kan er als het ware tussen dit recht en het Nederlandse spreekrecht, zoals neergelegd in art. 51e Sv een verband worden getrokken. Opmerkelijk is het feit dat art. 12 IVRK niet spreekt over een leeftijdsgrens, zoals we die in Nederland kennen. Het geeft hiermee in principe aan ieder kind onder de 18 jaar het recht om zijn mening te geven en gehoord te worden. 139 Wel wordt er aan de hand van de leeftijd en de rijpheid van het kind rekening gehouden met de gegeven mening. Met rijpheid wordt bedoeld dat ieder kind ongeacht zijn of haar leeftijd kan verschillen op het gebied van ontwikkeling, hierbij moet ook de verstandelijke beperking van een kind in acht genomen worden. 140 Aangezien in Nederland om het spreekrecht te kunnen gebruiken, de minderjarige minimaal de leeftijd van 12 jaar moet hebben, kan de conclusie getrokken worden dat Nederland op dit punt verschilt met art. 12 IVRK. Op grond van art. 51e lid 5 Sv blijkt wel dat in bepaalde gevallen voor de minderjarige die nog geen 12 jaar is, maar wel in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake, een uitzondering kan worden gemaakt door de rechter. In de convention on the rights of the child is op 1 juli 2009 j.l. een general comment inzake art. 12 IVRK bekend gemaakt. Het comité omtrent de rechten van het kind zegt over het eerste gedeelte van art. 12 IVRK dat er absoluut geen leeftijdgrenzen zijn verbonden aan het hoorrecht en aan het recht om een mening te uiten door kinderen. Zelfs wanneer er sprake is van het communiceren of uiten van de mening zonder directe verbaliteit, zoals bij hele jonge kinderen of jongeren met een verstandelijke beperking het geval kan zijn, dient men het recht toch te herkennen en te respecteren. 141 De interpretatie van het gedeelte: in alle aangelegenheden die het kind betreffen, uit sub 1 van art. 12 IVRK moet in de breedste zin van het woord opgevat worden en nimmer ingeperkt zijn tot enkel de aanwezige onderwerpen voortvloeiende uit het verdrag. 142 Dit houdt in verhouding tot het Nederlandse spreekrecht in dat het spreken zich hier niet beperkt tot de teweeg gebrachte gevolgen uit de strafbare feiten genoemd in het eerste lid van art. 51e Sv. Het Nederlandse spreekrecht wijkt op dit punt af van art. 12 IVRK, omdat in alle aangelegenheden verder zou moeten reiken dan gevolgen voortvloeiende uit strafbare misdrijven. Tevens laat sub 2 van art. 12 IVRK zien dat het recht om gehoord te worden en het recht om in vrijheid de mening te uiten, betrekking heeft op alle juridische procedures die het kind betreffen zonder enige exceptie Meuwese & Blaak e.a. 2005, p Meuwese & Blaak e.a. 2005, p UN Committee on the Rights of the Child 2009, CRC/C/GC/12, nr UN Committee on the Rights of the Child 2009, CRC/C/GC/12, nr UN Commitee on the Rights of the Child 2009, CRC/C/GC/12, nr
30 Hierdoor is het mogelijk dat een kind binnen een civiele, strafrechtelijke of administratieve rechtszaak gebruik mag maken van art. 12 IVRK. 144 Dit is niet in overeenstemming met art. 51e Sv, hierin wordt namelijk specifiek gesteld dat het spreekrecht enkel toepassing heeft op een tenlastegelegd strafbaar feit waarop ten minste 8 jaar gevangenisstraf staat, danwel sprake is van één van de genoemde delicten uit het artikel. De Nederlandse bepaling ligt hier niet in lijn met het bepaalde uit het IVRK, allereerst spreekt het verdrag namelijk niet over een minimumeis van 8 jaar of meer. En ten tweede worden er ook geen uitzonderingen gemaakt met betrekking tot bepaalde misdrijven waar het spreekrecht wel of niet van toepassing op is. Hieruit blijkt dat Nederland niet alle eisen zoals het IVRK die stelt in het Nationale recht heeft geïmplementeerd en daardoor bepaalde rechten die het kind toekomen tekort doet. 4.4 Guidelines on Justice in Matters involving Child Victims and Witnesses of Crime in verhouding tot art. 51 e Sv In 1945 direct na de Tweede Wereldoorlog zijn de Verenigde Naties opgericht. Nederland is vanaf het begin lid en dient daarom de opgestelde richtlijnen door de Verenigde Naties in acht te nemen. 145 Op 22 juli 2005 zijn door de Verenigde Naties de Guidelines on Justice in Matters involving Child Victims and Witnesses of Crime (hierna: de richtlijnen) vervaardigd ter herinnering van de bepalingen inzake het IVRK. Hiermee erkennende dat kinderen die slachtoffer of getuigen zijn geworden van strafbare feiten bijzonder kwetsbaar zijn en daarom speciale bescherming behoeven. 146 De richtlijnen hebben mede als doel om de nationale regelgeving, procedures en de praktijk te herzien, zodat de richtlijnen zorg dragen voor waarborging van de rechten van minderjarige slachtoffers en getuigen van strafbare feiten. Ook kunnen zij dienen tot een hulpmiddel voor professionele begeleiders en tot ondersteuning van personen die zorgen voor -en omgaan met minderjarige slachtoffers en getuigen. 147 Dat de richtlijnen tot ontwikkeling zijn gebracht, heeft met de enorme omvang van minderjarige slachtoffers in de hele wereld te maken. 148 Zij leiden ernstige schade door criminaliteit en machtsmisbruik, om dit te voorkomen en de rechten van minderjarige slachtoffers en getuigen te waarborgen, dienen de richtlijnen uitgevoerd te worden. 149 In paragraaf 8 onder d is in de richtlijnen het recht op participatie neergelegd, inhoudende dat ieder kind onder voorbehoud van het nationale procesrecht, recht heeft om in vrijheid zijn of haar standpunten, meningen en overtuigingen te uiten, in zijn of haar eigen woorden en in het bijzonder bij te dragen aan de beslissingen die invloed hebben op zijn of haar leven, met inbegrip van die beslissingen genomen in elk gerechtelijk proces en die standpunten in overweging genomen op basis van bekwaamheid, leeftijd, intellectuele rijpheid en hoedanigheid. 150 In paragraaf 9 sub A van de richtlijnen is net zoals in het IVRK en Nederland de leeftijdgrens van het kind onder de 18 jaar gelegd. 144 UN Committee on the Rights of the Child 2009, CRC/C/GC/12, nr EuropaNu, Verenigde Naties, Guidelines on Justice in Matters involving Child Victims and Witnesses of Crime (Resolutie 20 van de Economische en Sociale Raad van de Verenigde Naties (22 juli 2005), UN Doc ECOSOC/RES/2005/20), p Guidelines on Justice in Matters involving Child Victims and Witnesses of Crime (Resolutie 20 van de Economische en Sociale Raad van de Verenigde Naties (22 juli 2005), UN Doc ECOSOC/RES/2005/20), United Nations Office on Drugs and Crime (2012), p Dijk & Letschert 2006, K2-K Guidelines on Justice in Matters involving Child Victims and Witnesses of Crime (Resolutie 20 van de Economische en Sociale Raad van de Verenigde Naties (22 juli 2005), UN Doc ECOSOC/RES/2005/20), 8 sub D. 29
31 Tevens wordt er in de richtlijnen met betrekking tot de leeftijd bepaald, dat de leeftijd van het minderjarige slachtoffer geen belemmering mag opleveren voor deelname aan het juridisch proces. Ieder kind dat namelijk deel uit maakt van een onderzoek moet eveneens als een bekwaam getuige worden behandeld en de getuigenis die wordt afgegeven mag op grond van de leeftijd van het kind niet ongeldig of onbetrouwbaar worden geacht, zolang de leeftijd en rijpheid het toelaten om met of zonder gebruik van communicatiemiddelen of andere hulp een begrijpelijke en geloofwaardige getuigenis te geven. 151 In paragraaf 21 van de richtlijnen staat weergegeven dat professionals alles in werk moeten stellen om ervoor te zorgen dat minderjarige slachtoffers en getuigen hun mening en standpunten gerelateerd aan het betrokken juridische proces, kunnen uiten. 152 Onder professionals vallen onder andere: advocaten, rechters, de OvJ en ander ondersteunend personeel die via hun werk in contact komen met minderjarige slachtoffers en getuigen van strafbare feiten. 153 De professionals moeten erop toezien dat de minderjarige slachtoffers en getuigen in staat worden gesteld om in vrijheid hun mening te uiten en op hun eigen manier hun standpunten kunnen geven inzake hun betrokkenheid bij het juridisch proces. Tevens moeten ze waken voor de veiligheid van de minderjarige slachtoffers en de getuigen ten opzichte van de verdachte. Ook moet er rekening gehouden worden met de wijze waarop de minderjarige slachtoffers en de getuigen een getuigenis willen afleggen en de manier waarop ze hun gevoelens uiten inhoudende de conclusies van het proces. 154 Zoals uit de richtlijnen blijkt, is er geen sprake van een leeftijdsgrens voor minderjarige slachtoffers om zijn of haar mening kenbaar te maken in het strafrechtelijk proces. In paragraaf 18 van de richtlijnen is namelijk net zoals in het IVRK bepaald, dat de leeftijd van het kind geen bezwaar mag zijn om volledig aan het juridische proces deel te nemen. Er wordt in de richtlijnen niet specifiek gesproken over een spreekrecht voor minderjarige slachtoffers, maar wel over het recht om gehoord te worden en om in vrijheid de mening inzake het proces te geven. Doordat Nederland het spreekrecht op de grens van 12 jaar en ouder heeft gelegd, is de regelgeving niet in overeenstemming met de opgestelde richtlijnen van de Verenigde Naties Guidelines on Justice in Matters involving Child Victims and Witnesses of Crime justice in verhouding tot art. 269 lid 5 Sv In paragraaf 26 van de Guidelines on Justice in Matters involving Child Victims and Witnesses of Crime is bepaald dat het recht op privacy voor minderjarige slachtoffers en getuigen als een primair belang moet worden gezien. Paragraaf 27 laat zien dat informatie die gerelateerd is aan de betrokkenheid van het minderjarig slachtoffer in het strafproces dient te worden beschermd. Om dit te bewerkstelligen dient er vertrouwelijk omgegaan te worden met persoonlijke informatie van het slachtoffer of de getuige. 151 Guidelines on Justice in Matters involving Child Victims and Witnesses of Crime (Resolutie 20 van de Economische en Sociale Raad van de Verenigde Naties (22 juli 2005), UN Doc ECOSOC/RES/2005/20), Guidelines on Justice in Matters involving Child Victims and Witnesses of Crime (Resolutie 20 van de Economische en Sociale Raad van de Verenigde Naties (22 juli 2005), UN Doc ECOSOC/RES/2005/20), Guidelines on Justice in Matters involving Child Victims and Witnesses of Crime (Resolutie 20 van de Economische en Sociale Raad van de Verenigde Naties (22 juli 2005), UN Doc ECOSOC/RES/2005/20), 9 sub B. 154 Guidelines on Justice in Matters involving Child Victims and Witnesses of Crime (Resolutie 20 van de Economische en Sociale Raad van de Verenigde Naties (22 juli 2005), UN Doc ECOSOC/RES/2005/20), 21 sub B. 30
32 Tevens moet het openbaar maken van gegevens die tot identificatie kunnen leiden van het minderjarig slachtoffer of de getuige in het strafproces beperkt worden. Eveneens is in paragraaf 28 bepaald dat er maatregelen moeten worden genomen om kinderen te beschermen tegen overbodige onderwerping aan het publiek. Een voorbeeld hiervan kan zijn dat het publiek en de media de rechtszaal dient te verlaten, wanneer een kind een getuigenis aflegt, dit met instemming van de nationale wetgeving. 155 Op grond van deze richtlijnen kan opgemaakt worden dat er met de persoonlijke gegevens van het minderjarig slachtoffer uiterst voorzichtig omgegaan moet worden. De wijze waarop Nederland momenteel met privacy gevoelige informatie en gegevens van minderjarige slachtoffers in strafzaken omgaat, kan niet in overeenstemming worden geacht met de richtlijnen. Aangezien een slachtoffer binnen een proces niet anoniem is en zijn persoonlijke gegevens in dossiers verschijnen. Wanneer bijvoorbeeld in Nederland standaard gebruik zou worden gemaakt van een coderingssysteem, zodat de namen van minderjarige slachtoffers zouden worden vervangen door nummers dan zou hiermee de privacy beter worden gewaarborgd. Het sluiten van de deuren bij betrokkenheid van minderjarige slachtoffers binnen een rechtszaak kan op grond van paragraaf 28 enkel wanneer de nationale wetgeving dit toestaat. Aangezien het in Nederland via art. 269 Sv mogelijk is om behandeling met gesloten deuren te bevelen zou door middel van paragraaf 28 hierin een uitweg gevonden kunnen worden. Al zou het ter waarborging van de rechten van het kind beter zijn om een lid aan art. 269 Sv toe te voegen, waarin standaard het publiek geweerd zou worden in geval van betrokkenheid van minderjarige slachtoffers. Wat betreft de aanwezigheid van de media is het essentieel dat er bij betrokkenheid van minderjarige slachtoffers in een rechtszaak bijzonder voorzichtig omgegaan wordt. De persrichtlijn die door de Rechtspraak is opgesteld, geeft onder weer dat er geen beelden geluidsopnames mogen worden gemaakt van getuigen, deskundigen, slachtoffers en publiek. 156 Onder 4.1 is tevens bepaald dat een uitspraak geanonimiseerd gepubliceerd dient te worden. De reden dat er voor anonieme publicatie wordt gekozen, is omdat doorgaans het vonnis gedetailleerde privacy gevoelige gegevens omvat. Deze publicatie zou voor betrokken partijen, indien zij met naam en toenaam vermeld worden, schadelijk kunnen zijn. 157 Het standaard weren van de media zou naar mijn mening een te vergaande optie zijn, zeker gezien het feit dat door de komst van de persrichtlijnen rekening wordt gehouden met de privacy van slachtoffers. Daarnaast dient de rol van de media tot bevordering van het vertouwen in de rechtspraak en kunnen zij gezien worden als de verbindende factor richting het publiek Guidelines of the Committee of Ministers of the Council of Europe on child friendly justice in verhouding tot art. 51e Sv Sinds november 2010 heeft het Comité van Ministers van de Raad van Europa de Guidelines on child friendly justice, (hierna: te noemen de richtlijnen) aangenomen. Dit zijn richtlijnen die regeringen hulp bieden, om ervoor te zorgen dat kinderen op een juiste wijze worden behandeld binnen het rechtssysteem. 155 Guidelines on Justice in Matters involving Child Victims and Witnesses of Crime (Resolutie 20 van de Economische en Sociale Raad van de Verenigde Naties (22 juli 2005), UN Doc ECOSOC/RES/2005/20), De Rechtspraak, Persrichtlijn 2013, De Rechtspraak, Persrichtlijn 2013, p. 16, Media en rechtspraak in Nederland, Raad/OverDeHogeRaad/publicaties/Pages/MediaenrechtspraakinNederland.aspx. 31
33 Het doel van de richtlijnen is het bijdragen tot de identificatie van praktische oplossingen om bestaande tekortkomingen die zich in de rechtspraktijk voordoen weg te nemen. De richtlijnen kunnen als een praktisch hulpmiddel worden gebruikt voor de lidstaten bij het aanpassen van hun gerechtelijk en buitengerechtelijk systeem om zorg te dragen voor de specifieke rechten, belangen en behoeften van kinderen. 159 Eveneens is in deze richtlijnen vastgesteld dat een persoon onder de 18 jaar een kind is. 160 Alle kinderen hebben het recht om geïnformeerd te worden over hun rechten, zoals het recht om geraadpleegd en gehoord te worden ten aanzien van de juridische procedure waarbij zij betrokken zijn. Met de standpunten die kinderen geven moet gewichtig worden omgegaan, hierbij moet tevens rekening gehouden worden met de rijpheid van het kind en de mogelijke communicatieproblemen die kunnen optreden om de participatie betekenisvol te laten zijn. 161 Ook moeten kinderen worden beschouwd en behandeld als volwaardige dragers van rechten, ze hebben namelijk aanspraak om die rechten op een manier uit te oefenen die rekening houdt met hun vermogen, zodat hun eigen opvattingen en omstandigheden van de zaak worden gevormd. 162 Het hoorrecht komt verder gedetailleerd aan bod vanaf art. 44 tot en met 48 van de richtlijnen. In art. 44 is bepaald dat rechters het hoorrecht van kinderen in alle zaken die hen aangaan moeten respecteren. In ieder geval moet de rechter het kind horen als hij of zij over voldoende kennis beschikt. De middelen om dit doel te doen bereiken, dienen aangepast te worden aan het niveau van kennis en het vermogen van het kind om te communiceren. Ook moeten kinderen worden ingelicht over de manier waarop zij gehoord willen worden. 163 Art. 45 geeft weer dat de standpunten en de mening van kinderen van belang zijn, dit in overeenstemming met de leeftijd en volwassenheid van het kind. In art. 46 staat dat het hoorrecht een recht is van het kind en dat het niet als een verplichting voor het kind kan worden gezien. Belangrijk is het vastgestelde in art. 47, daarin staat namelijk dat een kind enkel op basis van zijn of haar leeftijd niet mag worden verhinderd om gehoord te worden. Indien het kind het initiatief neemt om gehoord te worden in het proces dat hem of haar treft, mag de rechter dit niet weigeren, tenzij het in het belang van het kind is. Ten slotte is in art. 48 bepaald dat kinderen moeten worden voorzien van informatie, op welke wijze zo effectief mogelijk van het hoorrecht gebruik kan worden gemaakt. Echter dient een kind erop geattendeerd te worden, dat het hoorrecht niet per definitie bepalend is voor de uiteindelijk te nemen beslissing van de rechter. De richtlijnen kennen net zoals het IVRK en de Guidelines on Justice in Matters involving Child Victims and Witnesses of Crime geen leeftijdgrens ten aanzien van het geven van standpunten van een juridisch proces waarbij een minderjarige is betrokken. Dat ook hier niet direct van een spreekrecht zoals we dat in Nederland kennen wordt gesproken, betekent niet dat het weergegeven hoorrecht niet in lijn kan worden gesteld met het Nederlandse spreekrecht. Bij beide mag er immers in vrijheid gesproken worden over de feiten, gevolgen, meningen en standpunten die het kind met betrekking tot de zaak heeft. 159 Guidelines of the Committee of Ministers of the Council of Europe on child-friendly justice, , p. 3. (< 160 Guidelines of the Committee of Ministers of the Council of Europe on child-friendly justice, , p. 3. (< 161 Guidelines of the Committee of Ministers of the Council of Europe on child-friendly justice, , p. 4. (< 162 Guidelines of the Committee of Ministers of the Council of Europe on child-friendly justice, , p. 4. (< 163 Guidelines of the Committee of Ministers of the Council of Europe on child-friendly justice, , art. 44. (< 32
34 Doordat er internationaal gezien van andere termen wordt gesproken, impliceert dat nog niet dat Nederland daarom de richtlijnen niet volledig hoeft te implementeren. Het is van belang voor ieder kind dat ongeacht welke leeftijd hij of zij is, de mogelijkheid tot spreken, horen, het geven van zijn of haar mening -en of standpunten open moet staan. Nederland schiet met de huidige wetgeving hierin te kort Guidelines of the Committee of Ministers of the Council of Europe on child-friendly justice in verhouding tot art. 269 lid 5 In de Guidelines on child-friendly justice is tevens de bescherming van het privé- en gezinsleven vastgelegd. Art. l 6 van deze richtlijnen laat een nog uitgebreidere bescherming van de privacy en persoonlijke gegevens van kinderen zien dan de in besproken richtlijnen. De bescherming gaat hierin uit naar minderjarigen die betrokken zijn bij gerechtelijke of buitengerechtelijke procedures of dit zijn geweest. Deze bescherming moet wel in lijn zijn met de nationale wetgeving. Het te beschermen recht houdt in dat er geen informatie of persoonlijke gegevens ter beschikking worden gesteld of in openbaarheid verschijnen. 164 Het openbaar maken van gegevens via bijvoorbeeld de media, kan er toe leiden dat de identiteit van het kind ongewenst wordt aangetast. Dit zou betekenen dat op grond hiervan Nederland meer bescherming zou moeten bieden ter voorkoming van openbaring van persoonlijke gegevens van het minderjarige slachtoffer. In art.7 is bepaald dat lidstaten moeten voorkomen dat privacy rechten door de media worden geschonden, dit kunnen ze doen door het stellen van maatregelen in de wet en door bijvoorbeeld aan te moedigen dat de media eigen regelgeving hieromtrent opstelt. 165 Verder is in art. 8 geregeld dat lidstaten beperkte toegang tot documenten moeten toestaan, waarin persoonlijke gegevens van kinderen zijn opgenomen. Wanneer inzage in privacy gevoelige informatie toch noodzakelijk is, dan dient hiermee rekening gehouden te worden met de belangen van het kind. 166 In art. 9 is bepaald dat wanneer minderjarige slachtoffers worden gehoord of indien een kind optreedt als getuige in een gerechtelijke of buitengerechtelijke procedure dit bij voorkeur voor de camera dient te geschieden. Hierbij zijn alleen diegene toegelaten die aanwezig moeten zijn, op voorwaarde dat ze niet zorgen voor hindering van de getuigenis. 167 Indien Nederland bovenstaande richtlijnen correct zou opvolgen, dan zou een minderjarige slachtoffer meer bescherming toe komen. Ook zou het bevoordelijk zijn voor de privacy rechten van het slachtoffer en kan er bij opvolging van de richtlijnen worden gezorgd voor het zo min mogelijk aantasten van de identiteit van het kind. Helaas heeft Nederland tot op heden geen toenadering genomen op de richtlijnen volledig te implementeren. Wel heeft de Rechtspraak zoals in paragraaf al aan de orde kwam persrichtlijnen ontwikkeld, waarin regels zijn vastgelegd voor de media met betrekking tot het bijwonen van rechtszaken. 164 Guidelines of the Committee of Ministers of the Council of Europe on child-friendly justice, , art. 6. (< 165 Guidelines of the Committee of Ministers of the Council of Europe on child-friendly justice, , art. 7. (< 166 Guidelines of the Committee of Ministers of the Council of Europe on child-friendly justice, , art. 8. (< 167 Guidelines of the Committee of Ministers of the Council of Europe on child-friendly justice, , art. 9. (< 33
35 4.6 Art. 16 IVRK en art. 17 IVBPR in verhouding tot art. 269 Sv In art. 16 van het IVRK is het recht op privacy voor het kind neergelegd. In het eerste lid staat dat : geen enkel kind mag worden onderworpen aan willekeurige of onrechtmatige inmenging in zijn of haar privéleven, in zijn of haar gezinsleven, in zijn of haar woning of zijn of haar correspondentie, noch aan enige onrechtmatige aantasting van zijn of haar eer en goede naam. Gevolgd door het tweede lid, waarin staat dat het kind recht heeft op bescherming door de wet wanneer er sprake is van zodanige inmenging of aantasting. 168 Ieder persoon waaronder dus ook een kind, heeft recht op een eerbiediging en bescherming van zijn of haar persoonlijke levenssfeer. Een ander woord voor het recht op privacy is het recht op de integriteit. 169 Het recht op privacy heeft twee strekkingen, namelijk aan de ene kant heeft het betrekking op het recht op een gezinsleven en aan de andere kant fungeert het tot het recht op integriteit dat door eenieder gerespecteerd moet worden. 170 In art. 16 IVRK is zo goed als hetzelfde bepaald als in art. 17 IVBPR, beide stellen namelijk het recht op privacy vast. Een kenmerkend verschil tussen beide is dat art. 16 IVRK zich rechtstreeks tot het kind richt, terwijl art. 17 IVBPR zich algemeen tot een ieder richt. De tweede kamer heeft zich hierover uitgelaten in de Memorie van Toelichting betreffende het goedkeuren van het verdrag. 171 Er werd gesteld dat het recht op privacy al in verschillende verdragen was opgenomen, te weten in art. 17 IVBPR en art. 8 EVRM, waardoor rechtstreekse werking denkbaar moet kunnen zijn of al is bepaald. 172 Zoals in het vorige hoofdstuk al aan bod is geweest, wil het nog wel eens voor komen dat er onzorgvuldig met privacy gevoelige informatie van een minderjarig slachtoffer wordt omgegaan en dat persoonlijke gegevens in de media te recht komen. Wanneer namelijk de namen van de minderjarige slachtoffers in het openbaar worden genoemd, zorgt dit voor een inbreuk op het recht van integriteit. Het kan immers nadelige gevolgen hebben voor het welzijn en de goede naam van het kind, zeker wanneer de namen in het openbaar worden gepubliceerd. 173 Aangezien we in een tijd leven dat de meeste nieuwsberichten ook via internet worden verspreid, leidt dit tot een wereldwijd bereik. Des te meer zou men rekening moeten houden met het belang van het kind en met de bescherming van het recht op privacy om dit zodoende te voorkomen. De huidige Nederlandse wetgeving schiet met het gewijzigde art. 269 Sv, in verhouding tot het bepaalde in art. 16 IVRK tekort. Om het recht op privacy optimaal te waarborgen, zou er bij betrokkenheid van een minderjarig slachtoffer gekozen moeten worden om de zaak standaard met gesloten deuren te behandelen. Ook dient er adequaat omgegaan te worden met het gebruik van persoonlijke gegevens van het slachtoffer. Op deze manier wordt de eer en de goede naam van het kind beschermd, dit is van belang voor zijn of haar toekomst. 168 Art. 16 IVRK. 169 Meuwese & Blaak e.a. 2005, p Meuwese & Blaak e.a. 2005, p Kamerstukken II 1992/93, 22855(R1451), nr. 3, p Meuwese & Blaak e.a. 2005, p Meuwese & Blaak e.a. 2005, p
36 4.7 De spanning tussen art. 6 en 8 EVRM in verhouding tot art. 51e Sv en art. 269 lid 5 Sv Art. 6 EVRM biedt bij vaststelling van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of van een tegen hem ingestelde strafvervolging, eenieder het recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn rechtszaak, door een onafhankelijke en onpartijdige rechter bij de wet ingesteld. Ook dient de berechting binnen een redelijk termijn plaats te vinden. 174 Verder dient de uitspraak in openbaarheid te geschieden, wel is er gedurende de hele zitting of een gedeelte ervan de mogelijkheid om de toegang tot de rechtszaal voor de pers en het publiek te ontzeggen. Dit is mogelijk in het belang van de goede zeden, in het belang van de openbare orde of nationale veiligheid in een democratische samenleving, in het belang van een minderjarige of indien de bescherming van het privé-leven van procespartijen dit eisen of wanneer de openbaarheid de belangen van een behoorlijke rechtspleging ernstig zou schaden, dit in mate die door de rechter onder bijzondere omstandigheden als strikt noodzakelijk worden geacht. 175 Deze uitzonderingsgronden tonen vele gelijkenissen met de genoemde gronden uit art. 269 lid 1 Sv. Beide artikelen laten zien dat bij betrokkenheid van minderjarigen de gelegenheid bestaat om de rechtszaak in geslotenheid te behandelen. De Nederlandse wetgeving is op dit gebied in overeenstemming met het EVRM. Echter het standaard sluiten van de deuren bij betrokkenheid van minderjarige slachtoffers komt bij zowel het EVRM als bij de Nederlandse wet niet voor. Ter volledige bescherming van de belangen van het minderjarig slachtoffer en ter voorkoming van secundaire victimidatie zou dit voor beide nog een punt van verbetering kunnen zijn. Nederland hanteert met betrekking tot het toelaten van publiek tot de terechtzitting een minimumleeftijd van 12 jaar, dit vereiste komt in het EVRM niet naar voren. Hieruit kan geconcludeerd worden dat in beginsel eenieder ongeacht zijn leeftijd de terechtzitting mag bijwonen. De Nederlandse wetgeving geeft op dit vlak meer bescherming aan betrokken procesdeelnemers. Uit het eerste lid van art. 6 EVRM volgt dat eenieder recht heeft op een fair en public hearing. Het recht om gehoord te worden vloeit hieruit voort, omdat dit recht als een een onderdeel van het recht op een eerlijk proces wordt gezien. 176 Het recht tot horen brengt met zich mee dat er sprake moet zijn van een mondelinge fase, hieraan zijn geen minimumleeftijden gebonden. 177 Dit maakt dat art. 6 EVRM ook aan minderjarigen is gericht en hierdoor de gelegenheid voor hen open staat om hun mening ten aanzien van de rechter te uiten. Doordat Nederland een minimumleeftijd van 12 jaar in art. 51e Sv hanteert om een minderjarig slachtoffer te laten spreken in een rechtszaak, kan hieruit geconcludeerd worden dat er geen overeenstemming is met art. 6 lid 1 EVRM. De vraag die kan worden gesteld is of art. 6 EVRM spanning oplevert met art. 8 EVRM, waarin het recht op eerbiediging van privé en gezinsleven is geregeld. Want aan de ene kant is er het recht op een eerlijk en openbaar proces en aan de andere kant het recht op privacy van een ander. 178 In art. 8 EVRM is in het eerste lid bepaald dat: eenieder het recht heeft op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie. 174 Art. 6 lid 1 EVRM. 175 Harteveld & Hielkema e.a. 2004, p EHRM 22 mei 1990, NJ 1992, 454,. 39 (Weber tegen Zwitserland). 177 Harteveld & Hielkema e.a. 2004, p Harteveld & Hielkema e.a. 2004, p
37 In het tweede lid is vastgesteld dat: geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. 179 Om inbreuk te mogen maken op de rechten uit het eerste lid van art. 8 EVRM dient er zich een situatie voor te doen die te plaatsen is onder het tweede lid. Een situatie waarbij spanning kan ontstaan tussen beide artikelen is het geval als er persoonlijke gegevens van het minderjarig slachtoffer op de openbare zitting gebruikt worden en daardoor aan de pers en het publiek bekend worden gemaakt. Hierdoor kan de aangelegenheid bestaan dat het recht op privacy wordt geschonden. Het EHRM heeft in Z. Tegen Finland uitgesproken dat er bij het openbaar maken van het vonnis rekening gehouden moet worden met het recht op privacy ongeacht of het een civiele of strafrechtelijke zaak betreft. 180 Tevens kwam in deze uitspraak naar voren dat in het belang van de eerbiediging van het privé-leven het weglaten van persoonlijke gegevens en het inkorten van het vonnis geen strijdigheid oplevert met art. 6 EVRM. 181 Het EHRM geeft verder aan dat een openbare behandeling in een strafzaak evident is, maar eist gelijktijdig de waarborging van de privacy van de betrokken procesdeelnemer. 182 Het EHRM verlangt eveneens dat er een juiste afweging tussen de verschillende belangen wordt gemaakt. Ondanks het recht op art. 6 EVRM zorgt het EHRM voor een flexibele houding om aan de gronden van privacy tegemoet te komen. 183 Het is niet noodzakelijk om de volledige uitspraak in het openbaar te publiceren. Aan art. 6 EVRM is er voldaan wanneer het vonnis op een bepaalde wijze openbaar is gemaakt. Om dit doel te bereiken is het dus niet vereist om alle persoonlijke gegevens van een minderjarig slachtoffer in de uitspraak te gebruiken. Het anonimiseren van een gedeelte van het vonnis kan als bescherming van privacy gevoelige informatie gezien worden en wordt door het EHRM niet bezien als een schending van het recht op een eerlijke en openbare berechting. 184 Om de rechten van een minderjarig slachtoffer optimaal te kunnen waarborgen zou ervoor gekozen moeten worden om binnen het proces tot anonimiteit van het minderjarige slachtoffer over te gaan. Hierdoor komen persoonlijke gegevens niet ongewenst terecht in de publiciteit en wordt er tevens niet tekort gedaan aan het recht op een openbare uitspraak. Indien Nederland haar wetgeving hieromtrent zou aanpassen, zou hierdoor de wet meer in overeenstemming zijn met het EVRM en het EHRM, waardoor minderjarige slachtoffers meer bescherming toekomen. 4.8 Richtlijn inzake bescherming van slachtoffers van strafbare feiten Op 25 oktober 2012 is er door het Europees Parlement en de Raad een richtlijn gepubliceerd ter vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten. 185 Deze richtlijn dient tot wijziging en uitbreiding van het kaderbesluit 2001/220/JBZ, inzake de status van het slachtoffer in een strafprocedure. 179 Art. 8 EVRM. 180 EHRM 25 februari 1997, NJ 1999, 516 (Z. tegen Finland). 181 Lent 2008, p Lent 2008, p Lent 2008, p Lent 2008, p Richtlijn 2012/29/EU (PbEU 2012, L 315/57). 36
38 Onder paragraaf 14 is weergegeven dat bij het toepassen van de vernieuwde richtlijn het belang van het kind voorop moet staan. Minderjarige slachtoffers komen namelijk net als ieder ander persoon de rechten uit de richtlijn volledig toe, ook moet hen de gelegenheid worden geboden om de rechten toe te passen op een wijze waarbij rekening wordt gehouden met de capaciteit van het kind om een eigen mening te geven. 186 Dat er hier wordt gesproken over het geven van een eigen mening kan als het verlengde worden gezien van het hoorrecht. Uit art. 1 blijkt onder andere dat de doelstelling van de richtlijn is dat slachtoffers van een strafbaar feit deugdelijke informatie, ondersteuning en bescherming verkrijgen en de mogelijkheid tot deelneming aan de strafprocedure open staat. In art. 10 is specifiek het hoorrecht ten aanzien van het kind neergelegd. In het eerste lid staat dat de lidstaten erin voorzien, dat het slachtoffer gedurende de strafprocedure wordt gehoord en bewijs kan aandragen. Indien een minderjarig slachtoffer wordt gehoord, dan dient men hierbij op een correcte manier rekening te houden met de leeftijd en het niveau van ontwikkeling. 187 Er wordt in deze richtlijn verder niet gesproken over het spreekrecht en het gaat te ver om de begrippen spreken en horen als één geheel te zien. Maar dit betekent niet dat het ontoelaatbaar is als een kind zijn of haar mening geeft, zoals ook uit bepaling 14 blijkt. Verder blijkt uit de richtlijn niet dat er ten aanzien van het hoorrecht een leeftijdsgrens aan verbonden is, noch aan het geven van een eigen mening. Onder bepaling 41 is neergelegd dat het slachtoffer dat in de gelegenheid is gesteld om een schriftelijke verklaring of toelichting te geven, het recht tot horen is toegekomen. Het geven van de toelichting valt te vergelijken met het spreken zoals we dat in Nederland kennen. In bepaling 42 komt nogmaals naar voren dat het hoorrecht van een minderjarig slachtoffer in een strafproces niet ontzegd mag worden door het gegeven dat het slachtoffer een kind betreft of door zijn of haar leeftijd. Hiermee wordt wederom benadrukt dat de richtlijnen ten aanzien van het hoorrecht geen leeftijdsgrens hanteren. Dit houdt in dat Nederland voor 16 november 2015 haar wetgeving met betrekking tot de huidige leeftijdsgrens op grond van deze richtlijnen zal moeten aanpassen. 188 Uit art. 21 volgt verder dat het de taak van de lidstaten is om door bevoegde autoriteiten het verspreiden van persoonlijke gegevens in het openbaar tegen te gaan. Het moet dan om informatie gaan die de identiteit van het minderjarig slachtoffer zouden kunnen herleiden. Op grond van deze richtlijn zou Nederland de huidige regelgeving moeten aanpassen, omdat er nu te weinig rekening wordt gehouden met het publiceren en vrijgeven van persoonlijke informatie. Verder van belang in deze richtlijn zijn de rechten die het slachtoffer extra bescherming geven, zoals bij de ondervraging of in het geval van het geven van een verklaring. Men kan er dan voor zorgen dat oogcontact tussen de verdachte en het slachtoffer wordt vermeden. 189 Eveneens wordt in art. 23 lid 3 onder d aangegeven dat de zitting in geslotenheid kan plaatsvinden. Er wordt in deze richtlijn verder niet gesproken over een verplichting om de deuren te sluiten wanneer er minderjarige slachtoffers betrokken zijn bij het proces. Op dit gebied is er voor de Nederlandse wetgeving geen verdere wijziging noodzakelijk. Doordat de richtlijn minimumnormen vaststelt staat het een lidstaat uiteraard vrij om in belang van de bescherming de rechten ten behoeve van het slachtoffer verder uit te breiden Richtlijn 2012/29/EU (PbEU 2012, L 315/57) onder Richtlijn 2012/29/EU (PbEU 2012, L 315/57) art. 10 lid Richtlijn 2012/29/EU (PbEU 2012, L 315/57) art. 27 lid Richtlijn 2012/29/EU (PbEU 2012, L 315/57) art Richtlijn 2012/29/EU (PbEU 2012, L 315/57) onder
39 Indien lidstaten voorzichtig omgaan met het vrijgeven van persoonlijke gegevens, zodat de identiteit van het minderjarig slachtoffer zo veel mogelijk beschermd blijft, kan hierdoor secundaire victimidatie en schending van het recht op privacy vermeden worden. Voorafgaand aan het publiceren van persoonlijke gegevens zal er te allen tijde een goede overweging gemaakt moeten worden of dergelijke informatie vrijgegeven mag worden. Bij een geval van bijvoorbeeld kinderontvoering kan het openbaar maken van persoonlijke gegevens bijdragen tot een positief gevolg Conclusie Uit verschillende richtlijnen en internationale regelgeving blijkt dat de Nederlandse wet op meerdere punten tekort schiet. Immers de toepasselijke artikelen: 12 IVRK, 16 IVRK, 17 IVBPR, 6 EVRM, 8 EVRM, beide Guidelines en de richtlijn inzake bescherming van slachtoffers van strafbare feiten hanteren allen ten aanzien van minderjarige slachtoffers geen leeftijdsgrens om hun mening te uiten op de terechtzitting. Doordat Nederland in haar huidige wetgeving een minimumleeftijd van 12 jaar heeft aangesteld voor gebruikmaking van het spreekrecht, is de regelgeving niet in lijn te noemen met de internationale. Ook worden er in art. 12 IVRK geen minimumeisen gesteld met betrekking tot bepaalde misdrijven waarop het spreekrecht wel of niet van toepassing is. Op het gebied van de openbare terechtzitting is de Nederlandse regelgeving meer in overeenstemming, echter zijn ook daar punten van verbetering en uitbreiding te noemen. Het zou ter bescherming van de rechten van het kind correct zijn om standaard sluiting der deuren te bevelen bij betrokkenheid van een minderjarig slachtoffer in een proces. Wanneer er eveneens deugdelijk wordt omgegaan met het gebruik van persoonlijke gegevens van het minderjarig slachtoffer, kan hierdoor de integriteit van het kind optimaal worden gewaarborgd en kan er worden voorkomen dat integere informatie in de publiciteit beland. Dit doel kan worden bereikt door het anonimiseren van privacy gevoelige informatie in het vonnis. Dit wordt namelijk door het EHRM niet gezien als een schending van het recht op een eerlijke en openbare berechting. Op grond van de internationale regelgeving en richtlijnen moet Nederland de huidige wetgeving aanpassen, om ervoor zorg te dragen dat de rechten van het minderjarig slachtoffer optimaal worden beschermd. 191 Richtlijn 2012/29/EU (PbEU 2012, L 315/57) onder
40 5. Juridische knelpunten 5.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt er gekeken of er door de uitbreiding van het spreekrecht tegen andere juridische knelpunten wordt aangelopen. Het uitgebreide spreekrecht mag er namelijk niet voor zorgen dat de rechten van bijvoorbeeld de verdachte in het geding komen. In de fase dat het spreekrecht door slachtoffers wordt gebruikt, is er nog steeds sprake van een verdachte en spreekt men nog niet van een dader. Ook is er angst voor het feit dat strafzaken een aanzienlijke vertraging oplopen door de uitbreiding van het spreekrecht. De bezwaren die het spreekrecht met zich mee brengen zullen besproken worden en aan de hand daarvan zal er worden gekeken of er mogelijke oplossingen voor deze problematiek bestaan. 5.2 Knelpunten met betrekking tot het slachtoffer Het slachtoffer heeft door de recentelijke uitbreiding van het spreekrecht meer rechten verkregen. Echter zijn er ook een aantal knelpunten voor het slachtoffer te noemen die aan het huidige spreekrecht kleven. Zoals in hoofdstuk 1.9 al kort aan de orde is geweest, loopt een slachtoffer dat gebruik maakt van zijn of haar spreekrecht de kans op secundaire victimisatie. Zo bestaat er onder andere het gevaar dat er bij het slachtoffer hoop wordt gewekt die niet te verwezenlijken valt. Deze hoop kan namelijk ontstaan, doordat slachtoffers in sommige gevallen er vanuit gaan dat hun verklaring tot beïnvloeding van de op te leggen straf kan leiden. Het kan zelfs voorkomen dat het gebruik maken van het spreekrecht de enige beweegreden is voor het slachtoffer om daadwerkelijk op de zitting te spreken. 192 Het niet uitkomen van dergelijke verwachtingen, kan een teleurstelling zijn waardoor de kans op secundaire victimisatie zal toenemen. 193 Het is daarom van belang dat een slachtoffer goed wordt geïnstrueerd over het verloop van de zaak en recht op spreken binnen het proces. Ook is de kans aanwezig dat het slachtoffer diep geraakt zal worden door confrontatie met de verdachte en de uitlatingen die hij of zijn of advocaat maakt, waardoor zijn bestaande leed zal verergeren. Een viertal gevolgen 194 van secundaire victimisatie zijn te herkennen: * het verergeren van het fundamentele trauma; * het is van negatieve invloed op het eigen vertrouwen van het slachtoffer, het vertrouwen in het rechtssysteem en de maatschappij; * het belet verdere mogelijkheid tot herstel; en * verdere victimisatie door een nieuw trauma. Deze gevolgen laten zich over het algemeen niet in ernstige mate openbaren door het gebruik van het spreekrecht. Uit het onderzoek verricht door Lens, Pemberton en Groenhuijsen 195 is namelijk naar voren gekomen dat door effectmetingen en tevredenheidscores geen aannames gevonden zijn voor openbaring van eventuele secundaire victimisatie. Tevens blijkt dat er weinig tot geen slachtoffers zijn die minder goede ervaringen ondervonden hebben ten aanzien van het spreekrecht. Eveneens zijn er geen gevallen geconstateerd waarbij er sprake is van hertraumatisering Wijers & de Boer 2010, p Leferink & Vos 2008, p Wijers & de Boer 2010, p Lens, Pemberton & Groenhuijsen Lens, Pemberton & Groenhuijsen 2010, p
41 Ondanks deze constateringen voldeed het spreekrecht niet meer aan de eisen die de huidige maatschappij stelt en was onder andere het ontbreken van het spreekrecht voor ouders van minderjarige slachtoffers een reden om de wetgeving te wijzigen. 197 Een kanttekening die ten aanzien van het hiervoor verwezen onderzoek gemaakt kan worden, is dat de onderzoeksresultaten gebaseerd zijn op het geldende spreekrecht van voor de wetsuitbreiding, eveneens zijn ze uit gegaan van slachtoffers van 18 jaar of ouder. Hierdoor kan er niet direct geconcludeerd worden dat de bevindingen ten op zichte van secundaire victimisatie ook gelden voor minderjarige slachtoffers. Aangezien minderjarige slachtoffers als een bijzonder kwetsbare groep gekenmerkt kunnen worden 198, bestaat er naar mijn idee de mogelijkheid dat de hierboven genoemde gevolgen van secundaire victimisatie bij kinderen in een ernstigere mate zullen voorkomen dan bij volwassenen. Het is om die reden van uiterst belang dat er alles aan gedaan zal moeten worden om secundaire victimisatie te voorkomen. In mijn ogen valt er hieromtrent winst te behalen bij het vermijden van de confrontatie tussen de verdachte en het minderjarig slachtoffer tijdens het moment van spreken. Zodat het minderjarige slachtoffer in vrijheid gebruik kan maken van het spreekrecht zonder onnodige emoties en angst voor de verdachte te ontwikkelen. Een knelpunt dat zich voor kan doen bij gebruikmaking van het spreekrecht, is dat het slachtoffer gefrustreerd kan raken over de beperkte rol die hij binnen het strafproces heeft. Het slachtoffer is geen volledige partij binnen het proces, maar nog steeds alleen procesdeelnemer. Hierdoor komen hem niet de volledige rechten toe die aan de verdachte wel zijn toegekend. Naar mijn mening zal een minderjarig slachtoffer deze gevoelens waarschijnlijk minder ontwikkelen, omdat hij zich vaak niet in die mate bewust is van zijn rechten. Dat ouders van minderjarige slachtoffers niet worden gezien als slachtoffer kan als een bezwaar worden ervaren. Doordat zij geen direct slachtoffer zijn, komen zij niet in aanmerking voor materiële en-of immateriële schade. Dit terwijl zij wel degelijk last en schade ondervinden van de gevolgen van het strafbare feit waarbij hun kind betrokken is. 199 Wanneer ouders van minderjarige slachtoffers gebruik maken van hun eigen spreekrecht, zonder dat ze als slachtoffer worden gezien, kan dit leiden tot een onvoldaan gevoel. Mijns inziens zal het spreken over gevolgen zonder dat de persoon als slachtoffer wordt aangemerkt, niet tot het beoogde begin van herstel van emotionele schade kunnen leiden. 200 Het verwerkingsproces zal namelijk worden bemoeilijkt wanneer de acceptatie van het slachtofferschap uit blijft. Daarnaast kunnen slachtoffers tevens het idee krijgen dat ze niet voldoende bij het proces betrokken zijn, terwijl het spreekrecht juist een evenwichtiger geheel zou moeten brengen tussen de belangen van het slachtoffer en de dader. 201 Tevens kunnen slachtoffers, ouders of nabestaanden na de zitting een teleurgesteld gevoel hebben met betrekking tot de gedane uitspraak. Dit uit zich vaak in het feit dat zij verwachten dat door het spreekrecht beïnvloeding van de straf mogelijk is. 202 Zoals blijkt uit een verricht onderzoek zijn slachtoffers meer voldaan, wanneer hen de gelegenheid wordt gegeven tot actieve deelname aan het proces en ze merken dat hun deelname effect heeft op de uitkomst. Zelfs indien de uitspraak van de zaak niet is zoals men had beoogd Kamerstukken II 2011/12, , nr. 3, p. 1(MvT). 198 Wijers & de Boer 2010, p Korver 2012, p Kamerstukken II 2001/02, , nr. 5, p Leferink & Vos 2008, p Wijers & de Boer 2010, p Herman 2003, p
42 Dit houdt in dat wanneer in de toekomst het spreekrecht nog verder wordt uitgebreid, zodat slachtoffers wel mogen aangeven welke strafmaat zij gewenst vinden, dit de tevredenheid verder zou laten toenemen. Deze verdere uitbreiding van het spreekrecht gaat echter wel gepaard met kritiek, zelfs Teeven vindt dat dit voorlopig een brug te ver gaat. Volgens hem zou een dergelijke uitbreiding voor het slachtoffer mogelijkerwijs tot een nog grotere desillusie kunnen leiden, dit omdat de einduitspraak niet overeen zou kunnen komen met zijn of haar strafeis. Ook meent Teeven dat ondervraging van het slachtoffer met betrekking tot zijn visie op de strafeis als onprettig kan worden ervaren. 204 Doordat het slachtoffer zich dan mag uitlaten over de gewenste straf, moet de verdediging de mogelijkheid krijgen om vragen te stellen naar aanleiding van deze bevindingen. Hierdoor zal de rechtbank het slachtoffer als getuige moeten beëdigen en dit kan nadelige gevolgen met zich meebrengen. 205 Een ander knelpunt wat zich voor zou kunnen doen, wanneer slachtoffers zich mogen uitlaten over de gewenste straf, is dat dit de beslissing van de rechter zou kunnen beïnvloeden. Rechters komen heden ten dage al met soortgelijke situaties in aanraking, doordat slachtoffers zich al geregeld tijdens het spreekrecht uitlaten over de wenselijkheid van de straf. Indien een minderjarig slachtoffer zich uitlaat over de gewenste straf, dan zou men zich moeten afvragen in hoeverre dit bezwaarlijk is. Mijns inziens zou naar aanleiding van de leeftijd en de ontwikkeling van het kind gekeken moeten worden of ingrijpen noodzakelijk is. Gebleken is dat rechters professioneel genoeg zijn om uitlatingen over de strafeis niet te laten mee wegen in hun beslissing. 206 Hierdoor zou het de uitbreiding van het spreekrecht in principe niet in de weg hoeven te staan. Aan slachtoffers zou er op deze wijze meer het gevoel worden gegeven dat zij deel uit maken van het proces en dit zou uiteindelijk tot meer voldoening kunnen leiden. Het blijft van belang dat slachtoffers die gebruik maken van het spreekrecht zo goed mogelijk begeleid en geïnformeerd worden, afgezien van het feit of ze zich in de toekomst wel of niet mogen uitlaten over de strafmaat. Dit om ervoor te zorgen dat teleurstellingen en het risico op secundaire victimisatie zo veel mogelijk worden vermeden. 5.3 Knelpunten met betrekking tot de verdachte Doordat het spreekrecht ten gunste van slachtoffers verder is uitgebreid, valt er ten aanzien van de verdachte te betwijfelen of hierdoor zijn rechten in het gedrang zijn gekomen. Momenteel vindt het recht tot spreken plaats voordat er bewezen is of de verdachte het strafbare feit heeft gepleegd. Uit de praktijk is eveneens gebleken dat slachtoffers zich niet altijd beperken tot enkel de gevolgen die het strafbare feit op hen heeft gehad, maar zich ook uitlaten over de te wensen straf. 207 Een veel gehoord punt van kritiek is dat wanneer een slachtoffer zich over de strafbaarheid of de strafeis uit spreekt, hiermee de onschuldpresumptie 208 (iemand is onschuldig totdat het tegendeel is bewezen) in gevaar zou komen. Want totdat de rechter zijn oordeel heeft gewezen, moet de verdachte als onschuldig worden gehouden. Dit weerhoudt zich er alleen niet van dat er voorafgaand aan deze conclusie geen sprake zou zijn van een slachtoffer dat recht heeft op gebruik van zijn spreekrecht Volkskrant, Teeven: uitbreiding spreekrecht heeft nadelen, Aanwijzing spreekrecht en schriftelijke slachtofferverklaring van 23 december 2004, Stcrt. 2004, 248, p Aa & Groenhuijsen 2012, p Lens, Pemberton & Groenhuijsen 2010, p De onschuldpresumptie is vastgelegd in art. 6 lid 2 EVRM. 209 Groenhuijsen & Letschert 2012, p
43 Er kan afgevragen worden in hoeverre een strafeis door een slachtoffer in strijd met de onschuldpresumptie kan worden geacht, zeker omdat de OvJ ook uitspraak doet over de op te leggen straf, voordat de rechter de verdachte schuldig heeft bevonden. Daarbij zal men bij een minderjarig slachtoffer in overweging moeten nemen in hoeverre zijn verklaring of strafeis te verenigen valt met de onschuldpresumptie. Een kind is namelijk nog volop in ontwikkeling en volgens mevrouw Groenhuijsen 210 zijn de hersenen van een kind pas vanaf de puberteit zover volgroeit dat hij op een abstracte wijze kan denken. Ook kan hij vanaf dan, zichzelf meer beschouwen en zijn gedachten en gevoelens bezien. 211 Groenhuijsen stelt verder dat een kind gemiddeld vanaf 12 jaar een kwestie van verschillende kanten kan beoordelen. Naar mijn mening zou er afhankelijk van de ontwikkeling van het minderjarig slachtoffer bezien moeten worden of het uitspreken van de strafeis in een bepaalde mate de onschuldpresumptie in gevaar brengt. In verhouding tot een meerderjarig slachtoffer zou er bij een minderjarig slachtoffer minder snel ingegrepen moeten worden, indien hij zich uitlaat over de gewenste straf. Dit omdat een minderjarige zich op een minder hoog ontwikkelingsniveau begeeft dan een volwassene. Om dergelijke problematiek te omzeilen en voor de toekomst te voorkomen bij eventuele verdere uitbreiding van het spreekrecht, zou het strafproces kunnen worden opgesplitst. Dit kan uitgevoerd worden door als het ware het strafproces in 2 fases op te delen. In het eerste gedeelte van het proces komen de vragen van art. 348 jo. 350 Sv aan bod, uitgezonderd van de straftoemetingsvraag. Hierbij dient na positieve beantwoording van de vragen over gegaan te worden op het tweede gedeelte van het strafproces, waarbij de toemeting van de straf aan bod zal komen en deze uiteindelijk opgelegd zal worden. 212 Vervolgens zal het slachtoffer in deze tweede fase de ruimte krijgen om gebruik te maken van het spreekrecht of de schriftelijke slachtofferverklaring. Door deze wijziging in het strafproces in te voeren kunnen de slachtofferverklaringen enkel meewegen met betrekking tot de strafoplegging en niet ten opzichte van de bewijsvraag. 213 Hierdoor voorkomt men dat het recht op een eerlijk proces wordt geschonden en de onschuldpresumptie in het geding raakt. Verder zou door deze opsplitsing ook het punt met betrekking tot de eventuele beïnvloeding van de beslissing van de rechter aangepakt kunnen worden. En om deze reden kunnen eventuele emotionele verklaringen van het slachtoffer niet meewegen bij de bewijsvraag. Dat dit ten aanzien van het huidige spreekrecht af en toe voorkomt, wijst uit een ingenomen stelling door een advocaat in het uitgevoerde onderzoek van slachtofferhulp Nederland. Daaruit blijkt dat een slachtofferverklaring meerdere malen wordt gebruikt om een rechter te overtuigen. Zo ook door het OM wanneer zij met deze verklaring het zwakke bewijs sterker kan maken. 214 Deze stelling is verder niet op concrete aanwijzigingen gebaseerd en tevens wordt door van der Aa en Groenhuijsen bevestigd dat er geen bewijs is dat rechters zich door dergelijke verklaringen laten beïnvloeden. 215 Of de rechten van de verdachte daadwerkelijk geschonden worden in het licht van het huidige spreekrecht valt mijns inziens te betwijfelen. Aangezien de slachtofferverklaringen niet in die mate de onschuldpresumptie in gevaar brengen dat het recht op een eerlijk proces niet meer gewaarborgd zou zijn. 210 Drs. E.A. Groenhuijsen is GZ Psycholoog B.I.G., NVO Orthopedagoog Generalist. Zij is werkzaam als gedragsdeskundige. 211 Groenhuijsen 2007, p Bijlage bij Kamerstuk 2011/12, nr.3 (Advies van de Nederlandse Orde van Advocaten), 13 oktober 2011, p Aa & Groenhuijsen 2012, p Leferink & Vos 2008, p Aa & Groenhuijsen 2012, p
44 Al zou toch geconcludeerd worden dat dit wel het geval is, dan kan men de vraag stellen of de rechten van het slachtoffer in sommige gevallen niet van meer belang zouden moeten zijn dan de rechten van de verdachte. 216 Het EVRM ziet het recht op een eerlijk proces niet als een absoluut recht, dit wordt namelijk beperkt door aanzienlijke belangen van slachtoffers en getuigen. 217 Indien de verdachte ofwel de verdediging sterk van mening is dat het slachtoffer verklaringen heeft gedaan die onwaarheden zouden bevatten of dat er geconcludeerd kan worden dat de verklaring overtrokken is, dan zou het slachtoffer door noodzakelijkheid van het strafproces als getuige ondervraagd kunnen worden. 218 Dit zal zich naar mijn mening meer openbaren bij meerderjarigen slachtoffers dan bij minderjarigen. Een ander nadeel van het opdelen van het strafproces is, wanneer een verdachte wordt vrijgesproken of indien er sprake is van ontslag van alle rechtsvervolging (hierna: ovar), het slachtoffer de kans ontnomen wordt om gebruik te maken van het spreekrecht. Ondanks dat het niet tot een tweede fase zou komen en daarmee de schuld van de verdachte niet is vastgesteld, betekent dit nog niet dat er geen sprake kan zijn van een slachtoffer. Wanneer een dergelijke situatie zich voordoet dan wordt het slachtoffer in zijn rechten tekort gedaan en dit kan niet de bedoeling zijn. 219 Het laatste knelpunt dat genoemd kan worden met betrekking tot de verdachte, is het feit dat het slachtoffer op de terechtzitting strafverzwarende informatie kan verschaffen. Dit brengt met zich mee dat het voor de verdachte en de verdediging lastig is om hier ten tijde van de zitting op te anticiperen. Beide horen namelijk pas ter plaatse wat het slachtoffer te zeggen heeft. Aangezien het slachtoffer zich niet enkel beperkt tot de gevolgen die het strafbare feit heeft veroorzaakt, maar ook vaak aangeeft wat zijn strafeis is, kan dit in combinatie met de strafverzwarende informatie als een nadeel voor de verdachte gezien worden. Ook dit geval zal meer van toepassing zijn op meerderjarigen slachtoffers, omdat in mijn ogen een minderjarige zich in een geringere mate zal uitlaten over strafverzwarende zaken. 5.4 Overige knelpunten Een ander veel genoemd punt van kritiek is dat door de rol die het slachtoffer heden ten dage heeft gekregen, het primaire doel van het strafproces uit het oog verloren zou raken. De kern van een strafproces blijft berechting van de dader en door de uitbreiding van het spreekrecht zou de focus verplaatsen van het behandelen van de feiten van de verdachte, naar beoordeling van de gevolgen die het strafbare feit voor het slachtoffer heeft gehad. 220 Teeven is niet bang dat er een dergelijke verplaatsing van het zwaartepunt in de richting van de gevolgen voor het slachtoffer gaat plaatsvinden. Na de invoering van het spreekrecht in 2005 heeft deze verschuiving zich niet geopenbaard. Het valt dan ook niet te verwachten dat dit gaat gebeuren met betrekking tot het vernieuwde spreekrecht. 221 Eveneens wordt in de literatuur het bezwaar genoemd dat het spreekrecht binnen het strafproces met hevige emoties gepaard zou gaan. 222 Dit zou tot problematische situaties binnen het strafproces kunnen leiden en dit zou niet te verenigen zijn met de harde strafrechtelijke regelgeving. 216 Groenhijsen & Letschert 2012, p Groenhuijsen & Kwakman 2002, p Groenhijsen & Letschert 2012, p Aa & Groenhuijsen 2012, p Bijlage bij Kamerstuk 2011/12, nr.3 (Advies van de Nederlandse Orde van Advocaten), 13 oktober 2011, p Kamerstukken II 2011/12, , nr. 3, p Fernhout & Spronken 2005, p
45 Toch blijkt aan de hand van eerder verricht onderzoek dat door de emoties die tijdens de zitting meespelen bij slachtoffers, dit niet tot ontwrichting van de rechtsorde zou leiden. 223 Aangegeven wordt dat de nodige emoties en gevoelens zich kunnen openbaren tijdens de zitting, dit geldt zowel voor de verdachte, het slachtoffer, een nabestaande of een getuige. De rechter komt vaker in aanraking met emotionele situaties en kan hier dan ook professioneel mee omgaan. Er zijn verder geen aanleidingen gevonden waaruit blijkt dat het spreekrecht daadwerkelijk de rechtsorde zou verstoren. 224 Een ander te noemen knelpunt is het feit dat de uitbreiding van het spreekrecht de werklast van de rechter overmatig zou laten stijgen. Doordat er nu tijdens de zitting meer spreekgerechtigden aan bod mogen komen, brengt dit een hogere productielast voor de rechter met zich mee. Ook de taken van het OM zullen verder uitgebreid worden, dit zal zich vooral uiten in de werkzaamheden voorafgaand aan het strafproces. Het OM komt nu de extra taak toe om de spreekgerechtigden van begeleiding en informatie te voorzien. 225 Naast de toename van de werkdruk is er ook de angst dat de zittingscapaciteit disproportioneel zou worden belast. Echter blijkt dat de laatste jaren ongeveer tussen de 230 en 260 slachtoffers, waarvan 50 nabestaanden, het spreekrecht hebben gebruikt. 226 Deze aantallen zijn aanmerkelijk lager uitgevallen dan in eerste instantie werd verwacht. De vraag is of deze cijfers door de recentelijke uitbreiding van het spreekrecht enorm zullen gaan stijgen. Waarschijnlijk valt hier pas over een aantal jaar meer over te zeggen. In ieder geval zijn er momenteel onvoldoende aanwijzingen om te concluderen dat door het uitgebreide spreekrecht in de toekomst de werkdruk buitensporig zal toenemen en de zittingscapaciteit zou belasten. Uit de MvT blijkt dat men verwacht dat de uitbreiding een maximale stijging van 150 spreekgerechtigden tot gevolg zal hebben. 227 Volgens de Raad voor de Rechtspraak komt dit aantal een stuk hoger uit. Zij verwachten dat de groep spreekgerechtigden zal oplopen tot 200. Daarnaast voorspellen zij dat meer slachtoffers ervoor zullen kiezen om een ander persoon te machtigen om namens hem te spreken over de teweeggebrachte gevolgen. Naar verwachting zal hierdoor het aantal sprekers stijgen tot 1000, waardoor de totale hoeveelheid op ongeveer 1200 zal uitkomen. Door deze stijging is het mogelijk dat het aantal zaken dat aangehouden wordt, zal toenemen. Het kan namelijk voorkomen dat een slachtoffer zich heeft aangemeld om gebruik te maken van het spreekrecht op de terechtzitting en uiteindelijk beslist om niet aanwezig te zijn, doordat hij het bijvoorbeeld te moeilijk vindt om te spreken. Indien verschijning van het slachtoffer op de zitting uitblijft, kan de rechtbank beslissen om nogmaals tot oproeping van het slachtoffer over te gaan. Hierdoor zal in de meeste gevallen de zaak aangehouden worden, waardoor de rechtszaak vertraging op zal lopen. 228 Deze vertraging is nadelig voor zowel de verdachte als het slachtoffer, beide zijn namelijk bij een spoedige afwikkeling gebaat Leferink & Vos 2008, p Leferink & Vos 2008, p Bijlage bij Kamerstuk 2011/12, nr.3 (Advies van het College van Procureurs-Generaal), 30 september 2011, p Lens, Pemberton & Groenhuijsen 2010, p Kamerstukken II 2011/12, , nr. 3, p. 8 (MvT). 228 Kamerstukken II 2011/12, , nr. 3, p. 7 (MvT). 229 Bijlage bij Kamerstuk 2011/12, nr.3 (Advies van de Nederlandse Orde van Advocaten), 13 oktober 2011, p
46 Naar verwachting zal het aanhoudingspercentage in alle strafzaken, waarbij slachtoffers of nabestaanden van het recht tot spreken gebruik willen maken, gaan stijgen. De kans is aanwezig dat er daardoor ieder jaar in ongeveer 2400 strafzaken een reden tot aanhouden van de zaak plaats zal vinden. Door deze toename zal de gemiddeld genomen tijd om de zaak te behandelen met vijf minuten toenemen. Volgens de Raad van de Rechtspraak zullen door het gevolg van beide toenames de extra kosten tot een bedrag van circa euro per jaar stijgen. 230 Volgens Teeven zijn de financiën die met de uitbreiding van het spreekrecht gepaard gaan te overzien en passen deze binnen het beschikbare budget. 231 Een ander knelpunt dat aan de orde dient te worden gesteld, is de wijze waarop nabestaanden te horen krijgen dat zij de mogelijkheid hebben om van het spreekrecht gebruik te maken. Doordat het aantal spreekgerechtigden is uitgebreid, is het lastiger om een goed beeld te krijgen van degene die het recht toekomen en deze personen hierover tijdig te berichten. 232 Bij het overlijden van het slachtoffer, zal een nabestaande een brief ontvangen van het OM inzake het spreekrecht. Deze persoon wordt dan de contactpersoon voor de gehele familie. Aan deze nabestaande wordt verzocht om andere leden van de familie in te lichten over het te gebruiken spreekrecht. Indien personen van de familie er voor open staan om van het spreekrecht gebruik te maken, dan dienen zij dit zelf te melden aan het OM. 233 Aangezien het overlijden van een dierbaar persoon gepaard gaat met emoties, kan het moeilijk zijn voor de nabestaande om de taak als contactpersoon op zich te nemen. Eventuele strubbelingen binnen de familie kunnen deze kwestie verder bemoeilijken. Naar mijns inziens zou het voor de nabestaanden prettig zijn als er een onafhankelijk contactpersoon zou worden aangesteld, deze zou de taken uit handen kunnen nemen, waardoor vervelende situaties voorkomen kunnen worden. De onafhankelijke persoon zou bijvoorbeeld een medewerker van slachtofferhulp kunnen zijn. 5.5 Conclusie Het slachtoffer heeft ten aanzien van het spreekrecht na de wetswijziging meer rechten verkregen. Deze uitbreiding heeft naast vele voordelen ook een aantal knelpunten veroorzaakt voor zowel het slachtoffer, de nabestaande als de rechtsorde. Zo is het risico aanwezig dat slachtoffers te maken kunnen krijgen met secundaire victimidatie. Uit het onderzoek blijkt niet dat de gevolgen van secundaire victimisatie, met betrekking tot meerderjarige slachtoffers, zich in ernstige mate openbaren. Aangezien het onderzoek dateert van voor de wetsuitbreiding en gericht is op slachtoffers van 18 jaar of ouder valt deze conclusie met betrekking tot minderjarige slachtoffers te bezien. Kinderen kunnen namelijk gezien worden als een kwetsbare groep, waardoor zij gevoeliger kunnen zijn voor de gevolgen die secundaire victimisate met zich mee kunnen brengen. Indien het slachtoffer de mogelijkheid zou krijgen om zich over de gewenste straf te mogen uitlaten, zou dit voor hem tot meer genoegdoening kunnen leiden. Een keerpunt is dat hierdoor de rechten van de verdachte wellicht in het geding komen. Zo zou de uitlating over de strafeis, de onschuldpresumptie in gevaar brengen en de te nemen beslissing de rechter beïnvloeden. 230 Bijlage bij Kamerstuk 2011/12, nr.3 (Advies van de Raad voor de Rechtspraak), 22 september 2011, p Kamerstukken II 2011/12, , nr. 3, p. 3, Bijlage bij Kamerstuk 2011/12, nr.3 (Advies van de Nederlandse Orde van Advocaten), 13 oktober 2011, p Openbaar Ministerie, slachtofferinformatie, Hoe geef ik aan dat ik gebruik wil maken van het spreekrecht?, 45
47 Daarbij zal in het achterhoofd gehouden moeten worden in hoeverre het doen van een eis tot de gewenste straf strijdigheid met de onschuldpresumptie oplevert. Aangezien de OvJ zich eveneens uitspreekt over de gewenste straf voordat de verdachte schuldig is bevonden, valt dit te bezien. Daarnaast zou er bij een minderjarig slachtoffer minder streng omgegaan moeten worden met dergelijke uitspraken en kan men zich daarbij afvragen of een dusdanige eis serieus genomen moet worden. Dit omdat een minderjarige zich op een minder hoog ontwikkelingsniveau begeeft dan een volwassene. Om deze kwestie te voorkomen zou het strafproces in 2 delen opgedeeld kunnen worden. Waardoor de slachtofferverklaringen in het tweede gedeelte aan bod komen, zodat deze niet kunnen meewegen in de bewijsvraag. Uit bevindingen blijkt verder niet dat het uitgebreidere spreekrecht de rechten van de verdachte niet meer zouden kunnen waarborgen. En al zou dit toch het geval zijn, dan is het de overweging waard om de rechten van het slachtoffer op bepaalde punten boven de rechten van de verdachte te stellen. Echter zullen wel de werklast voor de rechters als de algehele kosten stijgen. Deze kosten zijn echter te overzien en kunnen met het beschikbare budget worden opgevangen. Aangezien de wijzigingen omtrent het spreekrecht heel recentelijk zijn ingevoerd, zal de toekomst moeten uitwijzen in hoeverre de knelpunten zich daadwerkelijk gaan ontwikkelen. En aan de hand daarvan zal door middel van evaluaties bekeken moeten worden of verdere aanpassingen noodzakelijk zullen zijn. 46
48 6. Conclusie Voldoet de wetsuitbreiding op het gebied van het spreekrecht en het ter zitting zijn van (minderjarige) aanwezigen aan toepasselijke internationale regelgeving, zodat de rechtspositie van het minderjarige slachtoffer optimaal gewaarborgd is of doen er zich juridische knelpunten voor die eventuele aanpassing noodzakelijk maken? Uitgaande vanuit de besproken hoofdstukken kan er geconcludeerd worden dat de recentelijke wetsuitbreiding op het gebied van het spreekrecht en de openbare terechtzitting tot meer waarborgen voor het slachtoffer heeft geleid, maar dat de wet niet volledig aan de toepasselijke internationale regelgeving voldoet. Tevens is er gebleken dat er zich meerdere juridische knelpunten voordoen. Indien Nederland zich in de toekomst wendt tot de voorgeschreven richtlijnen en regelgeving op het gebied van de rechten voor het slachtoffer, dan kan de rechtspositie van het minderjarige slachtoffer naar een hoger niveau worden getild. Hier zullen kort de punten worden besproken waarop deze conclusie is gebaseerd. De uitbreiding van de wet geeft aan het minderjarig als het meerderjarig slachtoffer, de ouders van de slachtoffers en de nabestaanden een verbeterde rechtspositie binnen het strafrecht. Een belangrijke vooruitgang van het spreekrecht is onder andere dat ouders van minderjarige slachtoffers onder de 12 jaar zich tijdens de terechtzitting mogen uiten over de gevolgen die het strafbare feit ten aanzien van hun kind teweeg heeft gebracht. Daarnaast komt hen nu ook een eigen spreekrecht toe. Echter worden ouders van minderjarige slachtoffers nog steeds niet als slachtoffer beschouwd, omdat zij niet als rechtstreeks geraakt worden gezien. Dit gegeven kan als een noodzakelijk aanpassingspunt worden aangemerkt. Ook de regelgeving omtrent de openbare terechtzitting behoeft, in het kader van de waarborging van de rechten van het slachtoffer, verdere aanpassing. Om optimaal aan de privacyrechten van het minderjarige slachtoffer te kunnen voldoen zou het correct zijn als de terechtzitting standaard besloten zou plaatsvinden. Bij een minderjarige verdachte is dit namelijk eveneens het geval. Daarnaast zou er adequaat om gegaan moeten worden met het gebruik van persoonlijke gegevens van het slachtoffer. Net zoals bij de verdachte zou de anonimiteit bij het minderjarig slachtoffer standaard moeten plaatsvinden. Een systeem waarbij nummers in plaats van namen worden gebruikt, dient tot een goede oplossing en zorgt voor optimale waarborging voor de rechten van het slachtoffer. Zoals blijkt uit de besproken richtlijnen en internationale regelgeving voldoet de Nederlandse wet op meerdere punten niet aan de eisen die er internationaal worden gesteld. Zo hanteert Nederland een leeftijdsgrens van 12 jaar ten aanzien van het spreekrecht, terwijl dit strijdigheid oplevert met de toepasselijke artikelen: 12 IVRK, 16 IVRK, 17 IVBPR, 6 EVRM, 8 EVRM, beide Guidelines en de richtlijn inzake bescherming van slachtoffers van strafbare feiten. Daarnaast worden er in art. 12 IVRK geen minimumeisen gesteld met betrekking tot bepaalde misdrijven, waarop het spreekrecht wel of niet van toepassing is. Een ander punt dat aandacht behoeft is het voorkomen van secundaire victimisatie. Ter bescherming van het minderjarig slachtoffer zou het proces, bij het gebruik van het spreekrecht, zich standaard met gesloten deuren voor moeten doen. Ook dient de confrontatie tussen het minderjarig slachtoffer en de verdachte vermeden te worden. Aangezien de wijzigingen omtrent het spreekrecht heel recentelijk zijn ingevoerd, heeft het de tijd nodig om zich verder te kunnen ontwikkelen. Afhankelijk van toekomstige evaluaties zal er bekeken moeten worden of verdere aanpassingen noodzakelijk zullen zijn. 47
49 Literatuurlijst Boeken: Malsch 2013 M. Malsch, Een transparanter rechtssysteem in Nederland? Mogelijkheden en onmogelijkheden van meer openbaarheid, in: D. Broeders, J.E.J. Prins, e.a., Speelruimte voor transparantere rechtspraak, Amsterdam: Amsterdam University Press Korver 2012 R. Korver, Recht van spreken, Amsterdam-Antwerpen: Uitgeverij De Arbeiderspers Vermeer 2012 B. Vermeer, Strafprocessuele waarborgen tijdens het voorarrest van jeugdigen en hun beleving daarvan, Apeldoorn-Antwerpen: Maklu Groenhuijsen & Letschert 2012 M.S. Groenhuijsen & R.M. Letschert, Over spreekrecht plus en een twee fasen proces: Dilemma's bij een verantwoorde hervorming van het strafprocesrecht, in: M.S. Groenhuijsen, R.M. Letschert & S. Hazenbroek, KLM Van Dijk: Liber amicorum prof.dr.mr. J.J.M. van Dijk, Nijmegen: Wolf Legal Publishers Bijlsma 2011 A.C. Bijlsma, Praktijkboek slachtofferzorg: de rol van het slachtoffer in het strafproces, Nijmegen: WLP Mevis 2009 P.A.M. Mevis, Capita Strafrecht: een thematische inleiding, Nijmegen: Ars Aequi Libri Lent 2008 L. Lent, Externe openbaarheid in het strafproces, Den Haag: Boom huridische uitgevers 2008 (Pompe reeks deel 47). Verbruggen & Verstraeten 2007 F. Verbruggen, R. Verstraeten, Strafrecht en strafprocesrecht voor bachelors - deel 2, Antwerpen-Apeldoorn: Maklu Bijlsma 2005 A.C. Bijlsma, Handboek benadeelde partij: de rol en positie van het slachtoffer in het strafproces, Deventer: Kluwer Meuwese e.a S. Meuwese, M. Blaak & M. Kaandorp, Handboek Internationaal Jeugdrecht, Nijmegen: Ars Aequi Libri Harteveld & Hielkema 2004 A.E. Harteveld, J. Hielkema, B.F. Keulen & H.G.M. Krabbe, Het EVRM en het Nederlandse strafprocesrecht, Deventer: Kluwer
50 Groenhuijsen & Kwakman 2002 M. Groenhuijsen, N. Kwakman, Het slachtoffer in het vooronderzoek, In: Dwangmiddelen en rechtsmiddelen (Derde interim-rapport onderzoeksproject strafvordering), Deventer: Kluwer Vermeulen 2001 G.Vermeulen, Strafrechtelijke bescherming van minderjarigen, Antwerpen-Apeldoorn: Maklu Artikelen: Jong & Heerkens 2012 R. de Jong & R. Heerkens, Het spreekrecht van minderjarige slachtoffers: met recht een stem?, Tijdshrift voor Familie- en Jeugdrecht 2012, 47. Aa & Groenhuijsen 2012 S. van der Aa & M. Groenhuijsen, Slachtofferrechten in het strafproces: drie stapjes naar voren en een stapje terug?, Ars Aequi September Mommers, Zwenne & Schermer 2010 L. Mommers, G. Zwenne & B. Schermer, Het best bewaarde geheim van de raadkamer: over de ontoegankelijkheid van de rechtspraak, NJB 2010, 32. Groenhuijsen 2007 E.A. Groenhuijsen, Horen of luisteren, het kind in scheidings- en omgangszaken, FJR 2007, 101. Dijk & Letschert 2006 J.J.M. van Dijk & R.M. Letschert, Nieuwe richtlijnen van de Verenigde Naties: recht doen aan minderjarige slachtoffers en getuigen, Tijdschrift voor de rechten van het kind 2006, 16(2). Pemberton 2005 A. Pemberton, Het spreekrecht. Vergelding of herstel?, Tijdschrift voor Herstelrecht 2005, 5 (3). Fernhout e.a F. Fernhout & T. Spronken, Spreekrecht voor slachtoffers, aspirientje voor de rest, NJB 2005, 3. Herman 2003 J.L. Herman, The Mental Health of Crime Victims: Impact of Legal Intervention, Journal of Traumatic Stress 2003, Vol. 16 (2). 49
51 Elektronische bronnen: Eerste Kamer, wetsvoorstel , uitbreiding spreekrecht. Rijksoverheid, Senaat stemt in met uitbreiding spreekrecht. Openbaar Ministerie De Volkskrant Beveiliging nieuws Elsevier EuropaNu De Rechtspraak df De Rechtspraak Raad/OverDeHogeRaad/publicaties/Pages/MediaenrechtspraakinNederland.aspx Jurisprudentie: EHRM 8 juni 1976, NJ 1978, 223 (Engel e.a. tegen Nederland) EHRM 28 juni 1984, appl.nos. 7819/77; 7878/77, (Campbell & Fell tegen het Verenigd Koninkrijk). EHRM 22 mei 1990, NJ 1992, 454, (Weber tegen Zwitserland). EHRM 26 september 1995, appl.no /91 (Diennet tegen Frankrijk). EHRM 25 februari 1997, NJ 1999, 516 (Z. tegen Finland). EHRM 24 april 2001, appl.nos /97; 35974/97 (B. tegen het Verenigd Koninkrijk en P. tegen het Verenigd Koninkrijk). EHRC 17 januari 2008, 2008/43, nr /02 (Ryakib Biryukov tegen Rusland). 50
52 HR 21 februari 1961, NJ 1961, 429. Hof Amsterdam 26 april 2013, LJN BZ8895. Rb. Amsterdam 27 april 2011, LJN BQ8607, 13/ (Promis). Rb.Amsterdam 15 december 2011, LJN BP8322. Parlementaire stukken: Kamerstukken II 2011/12, , nr. 2 (voorstel van wet). Kamerstukken II 2011/12, , nr. 3 (memorie van toelichting). Kamerstukken II 2011/12, nr. 4 (advies Raad van State). Kamerstukken I 2011/12, , nr. A. Kamerstukken II 2001/02, , nr. 5. Kamerstukken II 1992/93, 22855(R1451), nr. 3. Bijlage bij Kamerstuk 2011/12, nr.3. (Advies Raad voor de Rechtspraak), 22 september Bijlage bij Kamerstuk 2011/12, nr.3. (Advies van de Nederlandse Orde van Advocaten), 13 oktober Bijlage bij Kamerstuk 2011/12, nr.3. (Advies van het College van Procureurs- Generaal), 30 september 2011, p. 6. Handelingen II 2011/12, 88, item 11. Handelingen I 2011/12, 37, item 9. Richtlijnen en internationale regelgeving: Richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, en ter vervanging van Kaderbesluit 2001/220/JBZ (PbEU 2012, L 315/57). Kaderbesluit van de Raad van de Europese Unie van 15 maart 2001, inzake de status van het slachtoffer in de strafprocedure (2001/220/JBZ), Publicatieblad nr. L 082 van 22/3/2001. Guidelines of the Committee of Ministers of the Council of Europe on child-friendly justice (Adopted by the Committee of Ministers on 17 November 2010 at the 1098th meeting of the Ministers' Deputies). 51
53 Guidelines on Justice in Matters involving Child Victims and Witnesses of Crime (Resolutie 20 van de Economische en Sociale Raad van de Verenigde Naties (22 Juli 2005), UN Doc ECOSOC/RES/2005/20). United Nations Convention on the Rights of the Child, CRC/C/GC/12, 1 July 2009, COMMITTEE ON THE RIGHTS OF THE CHILD Fifty-first session Geneva, 25 May-12 June Overige bronnen: Lens e.a K. Lens, A. Pemberton & M.S. Groenhuijsen, Het spreekrecht in Nederland: een bijdrage aan het emotioneel herstel van slachtoffers?, Tilburg: Universiteit van Tilburg (Intervict) Wijers & Boer 2010 M. Wijers & M. De Boer, Verkennend onderzoek naar secundaire victimisatie van slachtoffers als getuigen in het proces, Marjan Wijers Research & Consultancy Leferink e.a S.B.L. Leferink & K.H. Vos, Spreekrecht en schriftelijke slachtofferverklaring: recht of kans? Een onderzoek naar het Victim Impact Statement in de praktijk van het Nederlandse strafrecht, Slachtofferhulp Nederland Ruitenberg 2003 G.C.A.M. Ruitenberg, De doorwerking van het VN-verdrag inzake de Rechten van het Kind in de Nederlandse rechtspraak, Amsterdam: VU Amsterdam (WODC) United Nations 1999 United Nations, Office for drug Control and Crime Prevention, Handbook on Justice for Victims: on the Use and Application of the Declaration of Basic Principles of Justice for Victims of Crime and Abuse of Power, New York
Verruiming spreekrecht in rechtszaal van kracht
Regelingen en voorzieningen CODE 6.5.6.28 Verruiming spreekrecht in rechtszaal 1.9.2012 van kracht tekst bronnen Nieuwsbericht ministerie van Veiligheid en Justitie 10.7.2012; www.rijksoverheid.nl Wet
Tweede Kamer der Staten-Generaal
Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2004 2005 30 143 Wijziging van het Wetboek van Strafvordering ter versterking van de positie van het slachtoffer in het strafproces Nr. 2 VOORSTEL VAN WET
Tweede Kamer der Staten-Generaal
Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 20 202 33 76 Wijziging van het Wetboek van Strafvordering ter uitbreiding van het spreekrecht van slachtoffers en nabestaanden in het strafproces Nr. 4 ADVIES
Recht en bijstand bij juridische procedures
Recht en bijstand bij juridische procedures In deze folder leest u meer 0900-0101 (lokaal tarief) over de juridische bijstand door Slachtofferhulp Nederland en de rechten van slachtoffers. Een wirwar van
Het adviesrecht voor slachtoffers. Een toegevoegde waarde?
Het adviesrecht voor slachtoffers. Een toegevoegde waarde? Masterscriptie S. van Eersel ANR: 583395 Universiteit van Tilburg, Faculteit Rechtswetenschappen Afstudeerrichting: Rechtsgeleerdheid, accent
Spreekrecht en schriftelijke slachtofferverklaring
Spreekrecht en schriftelijke slachtofferverklaring Voor u als slachtoffer of nabestaande is het mogelijk om tijdens de rechtszaak een verklaring af te leggen of in te dienen. Spreekrecht en schriftelijke
Masterscriptie Universiteit van Tilburg Faculteit Rechtswetenschappen
Masterscriptie Universiteit van Tilburg Faculteit Rechtswetenschappen Te verdedigen tegenover de examencommissie, bestande uit: Mevrouw mr. V.M. Smits en mevrouw mr. R. Heerkens Op 19 februari 2013 te
De positie van het slachtoffer in het strafproces. 2.1. Definitie slachtoffer. 2.2. Correcte bejegening. 2. De rechten van het slachtoffer
2. De rechten van het slachtoffer 2.1. Definitie slachtoffer In de wet is een definitie van het begrip slachtoffer opgenomen: degene die als rechtstreeks gevolg van een strafbaar feit vermogensschade of
Wijziging van het Wetboek van Strafvordering ter uitbreiding van het spreekrecht van slachtoffers en nabestaanden in het strafproces
Wijziging van het Wetboek van Strafvordering ter uitbreiding van het spreekrecht van slachtoffers en nabestaanden in het strafproces VOORSTEL VAN WET Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden,
Wel of niet verder uitbreiden?
Het spreekrecht van het slachtoffer in het strafproces Wel of niet verder uitbreiden? Masterscriptie M. Moens ANR: 1246969 Universiteit van Tilburg, Faculteit Rechtswetenschappen Afstudeerrichting: Rechtsgeleerdheid,
Het spreekrecht van slachtoffers en nabestaanden
1 Het spreekrecht van slachtoffers en nabestaanden Is uit oogpunt van het spreekrecht voor slachtoffers en nabestaanden, een tweefasenproces passend binnen het Nederlandse Strafprocesrecht, mede gelet
Advies Conceptwetsvoorstel implementatie EU-richtlijn minimumnormen slachtoffers van strafbare feiten
contactpersoon De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie mr. F. Teeven Postbus 20301 2500 EH Den Haag datum 7 oktober 2014 Voorlichting e-mail [email protected] telefoonnummer 06-46116548
Het slachtoffer in het strafproces
Het slachtoffer in het strafproces Mijn mobiele telefoon a. Staat natuurlijk al uit. b. Staat nog aan, maar die zet ik nu onmiddellijk uit. c. Omdat ik heel belangrijk ben laat ik die aanstaan, maar wel
Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden
Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden Jaargang 2010 1 Wet van 17 december 2009 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering, het Wetboek van Strafrecht en de Wet schadefonds geweldsmisdrijven
Tweede Kamer der Staten-Generaal
Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2018 2019 35 116 Wijziging van het Wetboek van Strafvordering en de Overleveringswet ter implementatie van richtlijn nr. 2016/800/EU van het Europees Parlement
Aanwijzing spreekrecht en schriftelijke slachtofferverklaring
JU Aanwijzing spreekrecht en schriftelijke slachtofferverklaring Categorie: Strafvordering Rechtskarakter: Aanwijzing i.d.z.v. art. 130, lid 4 Wet RO Afzender: College van procureursgeneraal Adressant:
Is zwijgen altijd goud?
Is zwijgen altijd goud? Op welke manier kan een verruiming van het spreekrecht plaatsvinden, zonder dat er strijd ontstaat met de onschuldpresumptie ten aanzien van de verdachte? Auteur : Öznur Uzun ANR
Verdieping: Positie van het slachtoffer
Verdieping: Positie van het slachtoffer Korte omschrijving werkvorm: In de afgelopen jaren is de positie van het slachtoffer in het strafrecht almaar versterkt, maar in de huidige wetgeving is er geen
Hebben goedgevonden en verstaan: ARTIKEL I
Besluit van, houdende wijziging van het Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens in verband met de implementatie van de richtlijn 2011/93/EU van het Europees Parlement en de Raad ter bestrijding
Directoraat-Generaal Rechtspleging en Rechtshandhaving
ϕ Ministerie van Justitie Directoraat-Generaal Rechtspleging en Rechtshandhaving Directie Juridische en Operationele Aangelegenheden Postadres: Postbus 2030, 2500 EH Den Haag Aan de Voorzitter van de Tweede
Uitbreiding spreekrecht ex art. 51e Sv. De gevolgen voor de rechtspositie van de verdachte.
2013 Uitbreiding spreekrecht ex art. 51e Sv. De gevolgen voor de rechtspositie van de verdachte. De gevolgen voor de rechtspositie van de verdachte indien het spreekrecht voor slachtoffers en nabestaanden
Aanwijzing. Slachtofferzorg. Parket Curaçao
Aanwijzing Slachtofferzorg Parket Curaçao Samenvatting Deze aanwijzing stelt regels betreffende de bejegening van slachtoffers van misdrijven, zoals zeden, geweld- en verkeersmisdrijven. Daarbij worden
Slachtoffers hebben óók recht op hun rechten
Slachtoffers hebben óók recht op hun rechten Onderzoek naar de wijze waarop de rechten van slachtoffers met betrekking tot het spreekrecht, de schriftelijke slachtofferverklaring en de vordering tot schadevergoeding
Het spreekrecht van minderjarige slachtoffers: met recht een stem?
Mr. R. de Jong 1 & R. Heerkens 2 Artikelen Het spreekrecht van minderjarige slachtoffers: met recht een stem? 47 1. Inleiding Gedurende de afgelopen decennia heeft het slachtoffer een steeds prominentere
De concrete voorstellen in dit pamflet dragen in de optiek van de VVD bij aan het verwezenlijken van deze doelstellingen.
Slachtoffer zijn van een misdrijf is ingrijpend. Het draagt bij aan de verwerking van dit leed als slachtoffers het gevoel hebben dat zij de aandacht krijgen die zij verdienen. Dat zij zo goed mogelijk
Wet schadefonds geweldsmisdrijven in werking per 1.1.2012
Regelingen en voorzieningen CODE 6.5.6.32 Wet schadefonds geweldsmisdrijven in werking per 1.1.2012 bronnen Nieuwsbericht Schadefonds geweldsmisdrijven 6.6.2011; www.schadefonds.nl Wet van 6 juni 2011
Voegen in het strafproces
Voegen in het strafproces Voegen in het strafproces april 2011 U bent slachtoffer geworden van een misdrijf of overtreding en u heeft daarbij schade geleden. Eén van de mogelijkheden om uw schade vergoed
De positie van het slachtoffer in ontwikkeling: een onderzoek naar het onbeperkte spreekrecht
De positie van het slachtoffer in ontwikkeling: een onderzoek naar het onbeperkte spreekrecht Een praktijkgericht onderzoek inzake het per 1 juli 2016 in werking getreden onbeperkte spreekrecht van het
Masterscriptie Rechtsgeleerdheid accent Strafrecht
Masterscriptie Rechtsgeleerdheid accent Strafrecht HET SPREEKRECHT VOOR SLACHTOFFERS EN NABESTAANDEN VS. RECHTEN VAN EEN VERDACHTE Een onderzoek naar de invloed van het spreekrecht voor slachtoffers en
Tweede Kamer der Staten-Generaal
Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2014 2015 34 236 Implementatie van richtlijn 2012/29/EU van het Europees parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen voor
UITLEVEREN OF VERVOLGEN IN NEDERLAND?
UITLEVEREN OF VERVOLGEN IN NEDERLAND? W.R. Jonk, mr R. Malewicz en mr G.P. Hamer 1 Op 1 januari 2004 had het kaderbesluit betreffende het Europees aanhoudingsbevel 2 in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd
33000 VI Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Veiligheid en Justitie (VI) voor het jaar 2012
33000 VI Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Veiligheid en Justitie (VI) voor het jaar 2012 Nr. 75 Brief van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie Aan de Voorzitter van
Eindexamen vwo maatschappijwetenschappen 2014-I
Opgave 1 Recht van spreken Bij deze opgave horen de teksten 1 tot en met 4 uit het bronnenboekje. Inleiding In het tijdschrift Crimelink van mei 2012 staat een bespreking van het boek Slachtoffer-dadergesprekken
Het spreekrecht van het slachtoffer en het ondervragingsrecht Notitie van het NJCM naar aanleiding van wetsvoorstel nr. 27632
Het spreekrecht van het slachtoffer en het ondervragingsrecht Notitie van het NJCM naar aanleiding van wetsvoorstel nr. 27632 1. Inleiding Het NJCM heeft kennis genomen van het door Tweede kamerlid Dittrich
Eerste Kamer der Staten-Generaal
Eerste Kamer der Staten-Generaal 1 Vergaderjaar 2016 2017 34 257 Wijziging van het urgerlijk Wetboek, het Wetboek van Strafvordering en het Wetboek van Strafrecht teneinde de vergoeding van affectieschade
Artikel I. De Rijkswet op het Nederlanderschap wordt als volgt gewijzigd:
Wijziging van Rijkswet op het Nederlanderschap ter verruiming van de mogelijkheden voor het ontnemen en verlies van het Nederlanderschap bij terroristische activiteiten Allen, die deze zullen zien of horen
Jeugd gezond heids zorg. 0-19 jaar
Jeugd gezond heids zorg 0-19 jaar Ongewenst gedrag binnen het onderwijs Meldingsregeling Vertrouwenspersoon Inleiding Meldingen van machtsmisbruik Soms is er sprake van meldingen over een vorm van machtsmisbruik
Leidraad voor het nakijken van de toets
Leidraad voor het nakijken van de toets STRAFPROCESRECHT 14 OKTOBER 2011 (Uit het antwoord moet blijken dat de cursist de stof heeft begrepen en juist heeft toegepast; een enkel ja of nee is niet voldoende)
De positie van het slachtoffer in het strafproces
De positie van het slachtoffer in het strafproces Daniëlle van Gastel Anr: s823558 Scriptie in de strafrechtswetenschappen Universiteit van Tilburg Master Nederlands recht, accent strafrecht Begeleiders:
Masterscriptie Rechtsgeleerdheid accent Strafrecht
Masterscriptie Rechtsgeleerdheid accent Strafrecht De ontwikkelingen omtrent de positie van het slachtoffer in het strafprocesrecht - Van spreekrecht naar adviesrecht? Jolein Dortmans ANR 182544 Master
ARRESTANTENVERZORGING. Juridische aspecten De politie Het strafproces Verzorging Ethiek
ARRESTANTENVERZORGING Juridische aspecten De politie Het strafproces Verzorging Ethiek januari 2013 Doel van het strafproces / strafvordering = het nemen van strafvorderlijke beslissingen Bestaat uit =
Tweede Kamer der Staten-Generaal 2
Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2016-2017 Wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verband met de afschaffing van de voorwaardelijke invrijheidstelling en aanpassing van de voorwaardelijke
ADVIES. Conceptwetsvoorstel inzake het recht op een eerlijk proces in de Grondwet
ADVIES Conceptwetsvoorstel inzake het recht op een eerlijk proces in de Grondwet Oktober 2014 1 Inleiding Een ieder heeft het recht op een eerlijk proces. Of het nu in een strafzaak of in een civiele zaak
2014D36200 LIJST VAN VRAGEN
2014D36200 LIJST VAN VRAGEN De vaste commissie voor Veiligheid en Justitie heeft over de beleidsdoorlichting slachtofferzorg (Kamerstuk 33 199, nr. 4) de navolgende vragen ter beantwoording aan de Staatssecretaris
Aangifte doen En dan?
www.politie.nl/slachtoffer Aangifte doen En dan? 17035-1 Informatie voor slachtoffers van een misdrijf 1 Bent u slachtoffer van een misdrijf? Is er bijvoorbeeld bij u ingebroken? Of heeft iemand u mishandeld?
ECLI:NL:HR:2010:BO2558
ECLI:NL:HR:2010:BO2558 Instantie Hoge Raad Datum uitspraak 02-11-2010 Datum publicatie 03-11-2010 Zaaknummer 09/00354 Formele relaties Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BO2558
Richtlijn voor strafvordering Arbeidsomstandighedenwet 1998
JU Richtlijn voor strafvordering Arbeidsomstandighedenwet 1998 Categorie: Strafvordering Rechtskarakter: Aanwijzing i.d.z.v. artikel 130 lid 4 Wet RO Afzender: College van procureurs-generaal Adressaat:
Wet van 22 april 1999 betreffende de beroepstucht voor accountants en belastingconsulenten
Wet van 22 april 1999 betreffende de beroepstucht voor accountants en belastingconsulenten Bron : Wet van 22 april 1999 betreffende de beroepstucht voor accountants en belastingconsulenten (Belgisch Staatsblad,
Beleidskader herstelbemiddeling ten behoeve van slachtoffers
Beleidskader herstelbemiddeling ten behoeve van slachtoffers Datum: september 2016 Status: definitief 1 Woord vooraf Voor u ligt het beleidskader voor herstelbemiddeling ten behoeve van slachtoffers. Het
Eerste Kamer der Staten-Generaal
Eerste Kamer der Staten-Generaal 1 Vergaderjaar 1998 1999 Nr. 204 26 027 Wijziging van het Wetboek van Strafvordering, de Wet op de rechterlijke organisatie en enkele andere wetten met betrekking tot het
ECLI:NL:RBOVE:2017:2237
ECLI:NL:RBOVE:2017:2237 Instantie Rechtbank Overijssel Datum uitspraak 26-04-2017 Datum publicatie 31-05-2017 Zaaknummer 08/910083-15 Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Strafrecht Raadkamer
Adviesrecht van het slachtoffer
Adviesrecht van het slachtoffer Een onderzoek naar de gevolgen van de uitbreiding van het spreekrecht en eventuele aanpassingen of alternatieven van het wetsvoorstel adviesrecht die deze consequenties
A 2011 N 57 PUBLICATIEBLAD
A 2011 N 57 PUBLICATIEBLAD LANDSVERORDENING van de 15de december 2011 tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek ter zake van gezamenlijk gezag over minderjarige kinderen (Landsverordening gezamenlijk
ECLI:NL:GHSGR:2003:AI1012
ECLI:NL:GHSGR:2003:AI1012 Instantie Datum uitspraak 11-06-2003 Datum publicatie 12-08-2003 Zaaknummer 2200326602 Formele relaties Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Gerechtshof 's-gravenhage
MEMORIE VAN TOELICHTING. 1. Inleiding
Implementatie van de richtlijn 2014/62/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de strafrechtelijke bescherming van de euro en andere munten tegen valsemunterij en ter vervanging
6/03/2015. Marc Bockstaele (ere)hoofdcommissaris Federale Gerechtelijke Politie
Marc Bockstaele (ere)hoofdcommissaris Federale Gerechtelijke Politie 1 In Nederland is er wel een definitie van verdachte. Artikel 27 lid 1 Sv.: - Als verdachte wordt vóór de vervolging is aangevangen,
MEMORIE VAN TOELICHTING ALGEMEEN. 1. Inleiding
Wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering teneinde nader inhoud te geven aan het beginsel van openbaarheid van de behandeling van zaken betreffende personen- en familierecht MEMORIE VAN
Slachtoffers en Justitie
Slachtoffers en Justitie Dit informatieblad informeert u over uw rechten in een strafproces als slachtoffer of nabestaande. Het beschrijft ook hoe een strafproces werkt en welke hulp beschikbaar is. In
