Is zwijgen altijd goud?
|
|
|
- Guus van Wijk
- 9 jaren geleden
- Aantal bezoeken:
Transcriptie
1 Is zwijgen altijd goud? Op welke manier kan een verruiming van het spreekrecht plaatsvinden, zonder dat er strijd ontstaat met de onschuldpresumptie ten aanzien van de verdachte? Auteur : Öznur Uzun ANR : Opleiding : Rechtsgeleerdheid Afstudeerrichting : Strafrecht Begeleiders : Dhr. mr. E.J.M.F.C. Broers en mw. mr. S.B.G. Kierkels Datum en plaats verschijning : Tilburg, augustus 2013
2 Voorwoord Met genoegen en trots presenteer ik u mijn masterthesis in het kader van de Masteropleiding Rechtsgeleerdheid, accent Strafrecht, aan de Universiteit van Tilburg. Aan deze masterthesis heb ik de afgelopen maanden actief gewerkt. Dit onderzoek staat geheel in het teken van het spreekrecht van slachtoffers en nabestaanden. De keuze voor dit onderwerp was niet moeilijk. De actuele Robert M. zaak heeft de maatschappij gewezen op de gruwelen van het kindermisbruik en de beperkingen van het spreekrecht. Het onderwerp van mijn masterthesis was daarmee geboren. Het schrijven van deze masterthesis heb ik als een leerzame periode ervaren. Graag wil ik van de gelegenheid gebruik maken om een aantal mensen te bedanken. Allereerst wil ik mijn stagebegeleider dhr. Broers bedanken voor zijn begeleiding, steun en voor de feedback tijdens het onderzoek en het schrijven van deze scriptie. Daarnaast wil ik mw. Kierkels bedanken voor haar bereidheid om te fungeren als tweede lezer. Als laatste wil ik mijn familie bedanken voor de mogelijkheid en steun die zij mij hebben geboden om deze studie te volgen en met succes af te ronden. Rest mij niets anders dan u veel leesplezier toe te wensen! Roermond, 4 juli 2013 Öznur Uzun 2
3 Inhoudsopgave Voorwoord... 2 Inhoudsopgave Inleiding Wetsvoorstel van Teeven Actualiteit Onderzoeksvraag en opzet Het spreekrecht van slachtoffers en nabestaanden tot 1 september Ontwikkelingen Positie van het slachtoffer Wet Terwee Schriftelijke slachtofferverklaring Situatie vóór de wetswijzing van 1 september Aanleiding Doelstellingen De wettelijke regeling De kring van spreekgerechtigden De reikwijdte van het spreekrecht Wet versterking positie slachtoffers in het strafproces Samenvatting Het huidige spreekrecht van slachtoffers en nabestaanden Aanleiding Het huidige stelsel Nabestaanden (Wettelijke) vertegenwoordigers/kring van spreekgerechtigden Mogelijkheid van vertolking Leeftijdsgrens Inhoud van het spreekrecht Samenvatting Een verdere verruiming van het spreekrecht? Situatie na de wetswijziging van 1 september Beperkingen huidige situatie Delictscategorieën Nabestaanden Inhoud van het spreekrecht Samenvatting
4 5. Onschuldpresumptie Artikel 6 EVRM: recht op een eerlijk proces Onschuldpresumptie volgens het EHRM De onschuldpresumptie Het recht op een behandeling als onschuldige Onschuldpresumptie in nationale context Verruiming van het spreekrecht in het kader van de onschuldpresumptie Delictscategorieën Kring van spreekgerechtigden Inhoud van het spreekrecht Samenvatting Conclusie en aanbevelingen Conclusie Aanbevelingen Literatuurlijst
5 "De haat verdwijnt door te spreken over de haat, zoals de stilte verdwijnt door te spreken over de stilte." Multatuli,
6 1. Inleiding 1.1 Wetsvoorstel van Teeven Het slachtoffer en zijn rol in het strafproces is een hot issue in het strafprocesrecht. De rechten van slachtoffers hebben de afgelopen decennia een prominentere plaats ingenomen op de maatschappelijke en politieke agenda. Een belangrijke wijziging die in 2005 is doorgevoerd in ons Wetboek van Strafvordering, is het spreekrecht voor het slachtoffer. 1 Het spreekrecht is toen weliswaar ingevoerd, maar tegelijkertijd ook beperkt tot het slachtoffer zelf en bij overlijden tot één nabestaande. Vertegenwoordiging was niet mogelijk. Bij de invoering van de Wet spreekrecht slachtoffers per 1 januari 2005 is bewust gekozen voor een spreekrecht enkel voor het slachtoffer zelf of bij diens overlijden voor één nabestaande. De reden hiervoor was, dat men niet wilde dat de strafzaak vertraging zou oplopen vanwege het grote aantal spreekgerechtigden. 2 Het spreekrecht schiet tekort omdat de kring van spreekgerechtigden en de inhoud van het spreekrecht beperkt is, waardoor er behoefte bestaat aan een verdere verruiming van dit recht. Staatssecretaris Teeven van Veiligheid en Justitie heeft op 16 februari 2012 een wetsvoorstel ingediend waarmee het spreekrecht van slachtoffers en nabestaanden in het strafproces is uitgebreid. 3 Het wetsvoorstel strekte ertoe de kring van personen uit te breiden aan wie het spreekrecht van slachtoffers en nabestaanden in het strafproces toekomt. Hiertoe wordt voorgesteld de kring van nabestaanden uit te breiden tot alle nabestaanden in de rechte lijn en tot in de vierde graad in de zijlijn. Het aantal nabestaanden dat het spreekrecht kan uitoefenen wordt uitgebreid van één tot drie personen. Daarnaast is er sprake van een uitbreiding tot een nieuwe kring van spreekgerechtigden voor jeugdige personen onder de 12 jaar die niet in staat zijn om zelf van hun spreekrecht gebruik te maken. Dit wetsvoorstel is aangenomen en als wet op 1 september 2012 in werking getreden. De nieuwe wet is een stap in de goede richting als het gaat om de versterking van de positie van het slachtoffer in het strafproces. 1 Wet van 21 juli 2004, Stb. 382, i.w.tr. op 1 januari T. Spronken, spreekrecht, NJB 2011, nr Kamerstukken II , , nr. 5. 6
7 1.2 Actualiteit Dat er sprake was van een lacune in de wet bleek uit een actueel onderwerp, de Amsterdamse zedenzaak Robert M. uit 2011 waarin het spreekrecht uitgebreid aan de orde is geweest. 4 De verdachte Robert M. werkte op kinderdagverblijf Het Hofnarretje en heeft bekend misbruik gemaakt te hebben van 83 kinderen. Tevens werd hij verdacht van het maken en verspreiden van kinderporno. Omdat de misbruikte kinderen in deze zaak te jong waren om gebruik te kunnen maken van het spreekrecht, wensten de ouders het spreekrecht uit te oefenen. De ouders hadden echter geen spreekrecht daar zij indirect slachtoffer waren. De ouders van tientallen minderjarige slachtoffers kregen uiteindelijk toch het spreekrecht toegewezen, waardoor het mogelijk werd om tijdens de inhoudelijke behandeling van de zaak namens de minderjarige slachtoffers aan de rechters en de verdachte kenbaar te maken welke gevolgen het misdrijf voor de levens van de kinderen en de overige gezinsleden heeft gehad. Gezien de aard en omvang van deze zaak heeft één ouder/verzorger het spreekrecht namens het slachtoffer toegekend gekregen. De kinderen hadden immers geen reële rol in het strafproces en waren als het ware monddood. Deze zaak heeft uiteindelijk geleid tot het doorbreken van de wettelijke regeling met betrekking tot het spreekrecht van slachtoffers en nabestaanden. Op 1 september 2012 is daarop de Wet ter uitbreiding van het spreekrecht van slachtoffers en nabestaanden in werking getreden. De mogelijkheden om gebruik te maken van het spreekrecht zijn ruimer dan voorheen. In hoeverre biedt deze wetswijziging echter een wezenlijke verbetering wat betreft het spreekrecht van spreekgerechtigden in het Nederlandse strafprocesrecht? Onderzocht zal worden, of de beperkingen van de vorige regeling met deze wetswijziging zijn komen te vervallen. Voorts heeft het arrest van de Hoge Raad van 6 maart 2012 een nieuw vraagstuk voortgebracht. 5 Hoe zit het namelijk met dode slachtoffers die geen nabestaanden in de wettelijke categorie hebben, maar wel vrienden nalaten zoals in het arrest van de Hoge Raad van 6 maart 2012? In deze strafzaak gaat het om de uitoefening van het spreekrecht door een vriendin van het slachtoffer, die niet tot de wettelijke categorie spreekgerechtigden behoort. Het Hof heeft namelijk aan de vriendin van het slachtoffer de gelegenheid gegeven haar op schrift gestelde verklaring (victim impact statement) voor te lezen en gebruik te maken van het spreekrecht. De Hoge Raad oordeelt echter dat de rechter het verzoek van een persoon die 4 Rb. Amsterdam 15 december 2011, LJN BU HR 6 maart 2012, NS 2012,
8 niet tot de wettelijke categorie spreekgerechtigden behoort ter terechtzitting een verklaring af te leggen, zal behoren af te wijzen. Immers, de vriendin van het slachtoffer is een persoon wie niet het spreekrecht toekomt. Strikte toepassing van de wettelijke categorie spreekgerechtigden biedt over de status van de spreekgerechtigde wel zekerheid. Door dit arrest wordt duidelijk dat er een lacune in de wet is voor niet erkende nabestaanden op wie de impact van het delict even intens en pijnlijk kan zijn als het door erkende nabestaanden ondervonden leed. Hier kan sprake zijn van een goede vriendin waar het slachtoffer een hechte band mee had, maar ook de partner met wie jarenlang is samengewoond. Hebben deze nabestaanden ook geen recht op het spreekrecht? Het kan wenselijk zijn dat het spreekrecht verder wordt uitgebreid, opdat de stem van het slachtoffer en andere spreekgerechtigden beter op de terechtzitting kan worden gehoord. Dit kan immers bijdragen aan herstel van emotioneel geleden schade bij het slachtoffer of diens nabestaanden. Vroeger kon het slachtoffer alleen een kwade blik toewerpen aan de verdachte, maar sinds 2005 mag het slachtoffer tijdens de zitting de verdachte toespreken. Dit spreekrecht geldt voor misdrijven waarop acht jaar of meer gevangenisstraf is gesteld en voor een aantal andere misdrijven die in de wet zijn genoemd. Het slachtoffer dient zich echter te beperken tot hoe hij de gevolgen van het strafbaar feit heeft ervaren. De nieuwe wetswijziging brengt niet met zich mee dat het slachtoffer of de andere spreekgerechtigde zich mag uitlaten over de gewenste strafoplegging. De spreekgerechtigde zou immers in die situatie als getuige ondervraagd kunnen worden door de verdediging van de verdachte. De verdachte heeft op grond van art. 6 EVRM het ondervragingsrecht; het recht om te reageren op het oordeel van het slachtoffer. Dit zal echter de positie van de spreekgerechtigde bemoeilijken. Desondanks bestaat er bij spreekgerechtigden de drang om zich uit te laten over de strafmaat. Eveneens hebben spreekgerechtigden ook bij minder ernstige delicten waarbij het spreekrecht niet kan worden uitgeoefend behoefte om te spreken. Naar aanleiding van bovengenoemde wetswijziging rijst de vraag of een verdere verruiming van de kring van spreekgerechtigden, delictscategorieën en de inhoud van het spreekrecht wenselijk is en op welke manier deze uitbreiding plaats kan vinden. Een onwrikbaar uitgangspunt is dat het spreekrecht geen inbreuk mag maken op de rechten en waarborgen van de verdachte/dader. Dat zou immers de wortels van de rechtsstaat raken. Deze uitbreiding van het spreekrecht dient dus plaats te vinden zonder dat er strijd ontstaat met de onschuldpresumptie ten aanzien van de verdachte: de verdachte is onschuldig tot het 8
9 tegendeel bewezen is. Heeft een verdere verruiming van het spreekrecht invloed op de onschuldpresumptie met betrekking tot de verdachte, in die zin dat de verdachte van het begin af aan meer als dader wordt gezien dan als verdachte? Door het slachtoffer te laten spreken komt de verdachte immers meer als dader naar voren dan als verdachte. 1.3 Onderzoeksvraag en opzet De nieuwe regeling vertoont gaten in de wet. Wordt echter door een verdere verruiming van de kring van spreekgerechtigden, de delictscategorieën en de inhoud van het spreekrecht niet de onschuldpresumptie terzijde geschoven? Dit heeft bij mij de vraag doen rijzen op welke manier er verruiming van het spreekrecht plaats kan vinden, zonder dat er strijd ontstaat met de onschuldpresumptie ten aanzien van de verdachte. Ter beantwoording van deze onderzoeksvraag wordt allereerst in het volgende hoofdstuk het spreekrecht van slachtoffers en nabestaanden tot 1 september 2012 behandeld. In hoofdstuk 3 zal vervolgens onderzocht worden of de huidige situatie na de wetswijzing van 1 september 2012 voldoende waarborg biedt met betrekking tot het spreekrecht van slachtoffers en overige spreekgerechtigden. Aan de hand van het voorgaande wordt in hoofdstuk 4 nader bekeken of een verdere verruiming van het spreekrecht wenselijk is en op welke manier deze verruiming plaats kan vinden. In hoofdstuk 5 wordt de strekking van de onschuldpresumptie met betrekking tot het spreekrecht van slachtoffers en overige spreekgerechtigden inhoudelijk besproken. Getracht wordt een antwoord te geven op de vraag op welke manier een verruiming van het spreekrecht plaats kan vinden zonder dat er strijd ontstaat met de onschuldpresumptie ten aanzien van de verdachte. Uiteindelijk wordt in hoofdstuk 6 de voornoemde onderzoeksvraag beantwoord. 9
10 2. Het spreekrecht van slachtoffers en nabestaanden tot 1 september 2012 Na een lange aanloop is het spreekecht in 2005 voor slachtoffers en nabestaanden ingevoerd. De weerstand tegen de invoering van het spreekrecht was aanvankelijk groot. Echter, de wetgever zag er niets in om het slachtoffer als mosterd na de maaltijd op te voeren. Om enigszins tegemoet te komen aan de bezwaren, is gekozen voor een strikte inkadering van het spreekrecht. In hoofdstuk 1 is aan de orde gekomen dat het spreekrecht vóór de wetswijziging van 1 september 2012 tekortschoot in het strafprocesrecht. Alvorens in te gaan op de nieuwe regeling van het spreekrecht en op de vraag of een verdere verruiming in het kader van de onschuldpresumptie ten aanzien van de verdachte wenselijk is, zullen in dit hoofdstuk de ontwikkelingen die hebben geleid tot de nieuwe wet van 1 september 2012 met betrekking tot het spreekrecht worden behandeld. 2.1 Ontwikkelingen Positie van het slachtoffer Aan de invoering van het spreekrecht van slachtoffers en nabestaanden gaat een lange geschiedenis vooraf. Het huidige Wetboek van Strafvordering is in 1926 ingevoerd, gebaseerd op het Wetboek van Strafvordering uit Het slachtoffer had een marginale rol in het Wetboek van Strafvordering. Het slachtoffer verdween uit beeld op het moment dat het strafrechtelijk onderzoek van start was gegaan, tenzij de verklaring van het slachtoffer als getuige nodig was om de waarheid te achterhalen. Naar aanleiding van de aanpassingen aan het Wetboek van Strafvordering in de jaren 70 ontstond de discussie over de marginale positie van het slachtoffer in het strafprocesrecht. Men realiseerde zich dat bij criminaliteit niet slechts daders, maar ook slachtoffers betrokken zijn. 7 Immers, voor het goed functioneren van het strafrecht is de medewerking van het slachtoffer evident. Pas in de jaren 90 kreeg het slachtoffer uiteindelijk een prominentere rol in het strafprocesrecht en een plaats in de wet. Een mijlpaal was de invoering van de Wet Terwee op 1 april Kamerstukken II , , nr S. Leferink, Slachtofferrechten, doen ze recht aan slachtoffers?, informatiefolder Slachtofferhulp Nederland, februari 2012, p Kamerstukken II , , nr. 3. S. Leferink, Slachtofferrechten, doen ze recht aan slachtoffers?, informatiefolder Slachtofferhulp Nederland, februari 2012 p
11 2.1.2 Wet Terwee Op 1 april 1995 is de Wet Terwee in werking getreden, met als doel om de positie van slachtoffers in het strafproces te versterken. Deze wet is genoemd naar de voorzitter van de Commissie wettelijke voorzieningen slachtoffers binnen het strafproces, mevrouw Terwee-van Hilten. 9 Om te beginnen kan het slachtoffer sedert de invoering van de Wet Terwee zich als benadeelde partij in het strafproces voegen en een onbegrensde vordering tot schadevergoeding tegen de verdachte indienen. Er geldt geen maximumbedrag meer voor de schadevordering. In de tweede plaats is een schadevergoedingsstraf als maatregel ingevoerd, die inhoudt dat de rechter de dader kan verplichten tot het betalen van schadevergoeding aan het slachtoffer. In de derde plaats is een nieuwe bijzondere voorwaarde opgenomen in art. 14c Sr, namelijk een verplichting om een geldsom in het schadefonds geweldsmisdrijven of ten behoeve van een instelling te storten die de belangen van slachtoffers behartigt. Het laatste doel was het verbeteren van de Wet voorlopige regeling schadefonds geweldsmisdrijven. Het slachtoffer had daarnaast het recht om zich in rechte te laten bijstaan door een advocaat en werd niet beëdigd op het moment dat hij het woord voerde. Hoewel de invoering van de Wet Terwee een stap in de goede richting was voor de positie van het slachtoffer, was er nog steeds geen aandacht voor het slachtoffer zelf Schriftelijke slachtofferverklaring In 1999 werd tijdens de begrotingsbehandeling de minister van justitie verzocht om het spreekrecht voor slachtoffers of hun nabestaanden op te nemen in het Wetboek van Strafvordering. 10 De minister voelde niets voor dit spreekrecht, maar kondigde een notitie aan over de positie van het slachtoffer. 11 Gestart werd met het opstellen van schriftelijke slachtofferverklaringen in ernstige strafzaken door een politiefunctionaris die deel uitmaakt van een politieopsporingsteam. Kort voor de zitting nam deze contact op met het slachtoffer of diens nabestaanden om de schriftelijke slachtofferverklaring vast te leggen. Het slachtoffer kreeg de mogelijkheid om in deze schriftelijke verklaring te spreken over de gevolgen van ernstige gewelds- en zedendelicten, maar ook over strafzaken op grond van art. 6 WvW. 12 Deze verklaringen werden dan in het dossier gevoegd en ter zitting gebruikt door de officier van justitie of de rechter. 9 Kamerstukken II , , nr Kamerstukken II , , nr Kamerstukken II , , nr K. Lens, A. Pemberton en M. Groenhuijsen, Het spreekrecht in Nederland: een bijdrage aan het emotioneel herstel van slachtoffers? Tilburg Intervict 2010, p
12 De invoering van een schriftelijke slachtofferverklaring op 1 mei 2004 was een volgende belangrijke stap in de versterking van de positie van het slachtoffer. 13 De schriftelijke slachtofferverklaring is thans een door Slachtofferhulp Nederland opgesteld stuk in samenwerking met het slachtoffer. Het is als het ware de schriftelijke pendant van het spreekrecht. Deze schriftelijke slachtofferverklaring is een alternatief voor degenen die geen gebruik wensen te maken van het spreekrecht en dient tevens als voorbereiding op het spreekrecht zelf. In dat geval dient het spreekrecht als een mondelinge toelichting op deze schriftelijke verklaring van het slachtoffer. De schriftelijke slachtofferverklaring kan tot bewijs dienen indien de voorwaarden voor bewijsmiddelen ex art. 339 jo 334 lid 1, sub 5 Sv in acht worden genomen Situatie vóór de wetswijzing van 1 september Aanleiding Hoewel bovengenoemde schriftelijke slachtofferverklaring een stap in de goede richting was ter verbetering van de positie van het slachtoffer, kwam deze niet tegemoet aan het verzoek om een spreekrecht voor slachtoffers en nabestaanden in de wet op te nemen, terwijl er slachtoffers en nabestaanden waren die op de terechtzitting mondeling wilden toelichten in hoeverre de gevolgen van het strafbaar feit een inbreuk hadden gemaakt op hun leven. Een ander herstelpunt was niet zo zeer de verbetering van de positie van de slachtoffers, maar ook het spreekrecht voor nabestaanden. In de rechtspraktijk werd verschillend gereageerd op het verzoek van nabestaanden om tijdens de terechtzitting het woord te voeren. Het belang om nabestaanden aan het woord te laten werd door rechters vaak niet onderkend. Zo weigerde het gerechtshof Den Haag in de zaak van Froukje Schuitmaker, die in Gorinchem in een discotheek werd neergeschoten, de vader het woord te geven. De voorzitter van het gerechtshof voerde aan dat de wet de nabestaanden dat recht niet toekende. 15 Daarentegen besliste de voorzitter van de rechtbank Amsterdam in een andere zaak dat de ouders van het slachtoffer Joes Kloppenburg wel het woord mochten voeren. In deze zaak was in 1996 het slachtoffer op straat omgekomen door zinloos geweld. De voorzitter liet de ouders 13 S. Leferink, Slachtofferrechten, doen ze recht aan slachtoffers?, informatiefolder Slachtofferhulp Nederland, februari 2012 p HR 11 oktober 2011, NJ 2011, Kamerstukken II , , nr
13 van het slachtoffer aan het woord, ook al onderkende de rechter dat het spreekrecht niet in de wet geregeld was. Ook de ouders in de Rotterdamse zaak van het slachtoffer Nienke Kleiss, die in het Beatrixpark in Schiedam is vermoord, kregen het woord tijdens de terechtzitting. De ouders kregen de mogelijkheid te spreken over de gevolgen die de dood van hun dochter Nienke op hun leven had. 16 Het initiatiefwetsvoorstel van de Tweede Kamerleden Dittrich en Schonewille sloot aan bij de rechters die in de praktijk de slachtoffers of nabestaanden wel aan het woord lieten. Zoals uit de gegeven voorbeelden blijkt, werd door de rechters sporadisch aan slachtoffers en nabestaanden het spreekrecht toegekend, zonder dat het wettelijk was geregeld. Op 1 januari 2005 trad uiteindelijk de Wet invoering van spreekrecht voor slachtoffers en nabestaanden in werking. 17 Dit recht is in de wet opgenomen naar aanleiding van het bovengenoemde initiatiefvoorstel van Dittrich en Schonewille, bij de Wet van 21 juli 2004, Stb Doelstellingen Voorafgaand aan de invoering van het spreekrecht heeft de wetgever een aantal zaken voor ogen gehad. 18 De memorie van toelichting noemt vier gronden voor de invoering van het mondelinge spreekrecht op de terechtzitting: Het spreekrecht van het slachtoffer of diens nabestaande kan bijdragen aan herstel van emotioneel geleden schade. In het openbaar afleggen van een verklaring over de gevolgen van het strafbaar feit kan het slachtoffer of de nabestaande helpen bij het verwerken van het leed. Het spreekrecht draagt bij aan herstel van emotionele schade. Het voorkomt dat het slachtoffer zich buitengesloten gaat voelen in zijn eigen zaak. Daarnaast komt het erop neer dat hij erkenning krijgt voor zijn verdriet en zich serieus genomen voelt. Het gevoel te worden gehoord wordt hierdoor bij het slachtoffer en de nabestaande sterker. 20 Dat het spreekrecht kan bijdragen aan herstel van emotionele schade blijkt ook uit Korver (2012). Uit een van de reacties van de ouders van een minderjarig slachtoffer in de zaak tegen Robert M. komt de helende werking van het spreekrecht uitdrukkelijk naar voren. De ouders 16 Kamerstukken II , , nr Wet van 21 juli 2004, Stb. 382, i.w.tr. op 1 januari Korver 2012, p Kamerstukken II , , nr Korver 2012, p
14 van het slachtoffer wilden geen gebruikmaken van het spreekrecht, totdat de advocaten van Robert M. de rechtbank wraakten. De ouders zeiden tijdens de zitting het volgende: "Amsterdam, maart 2012 Ik was oorspronkelijk niet van plan om hier een verklaring af te leggen. Op de eerste zittingsdag herbevestigde de rechtbank het recht van ons, ouders, om namens onze onmondige kinderen het woord te voeren. Toen daarop de reactie van Robert was om de rechtbank te wraken, ervoer ik dat als een ultieme poging om ons, slachtoffers, de mond te snoeren. Ik voelde dat ik niet langer kon zwijgen De informatie van het slachtoffer of diens nabestaande dient als voorlichting voor de rechter. Een spreekrechtverklaring mag niet gebruikt worden als bewijsmiddel. De rechter verneemt bij het gebruik van het spreekrecht uit eerste hand wat de gevolgen van het strafbaar feit zijn geweest voor het slachtoffer en kan hiermee rekening houden. 22 De rechter kan namelijk direct zien en horen hoe het met het slachtoffer of zijn nabestaanden gaat. Uiteindelijk kan de rechter de spreekrechtverklaring mee laten wegen bij het opleggen van een straf/maatregel aan de verdachte. 23 De verklaring wordt hierdoor onderdeel van alle informatie waarover de rechter beschikt. Een voorbeeld is de eerder genoemde zaak Robert M. in het boek van Korver. De rechtbank motiveerde de strafmaat uitgebreid, o.a. naar aanleiding van informatie uit de spreekrechtverklaringen. De rechtbank overwoog daarbij als volgt: Ter zitting hebben ouders aangegeven dat hun leven ernstig wordt beheerst, soms ook geobsedeerd, door deze dreiging, waarop nauwelijks vat is te krijgen. 24 In het vonnis zegt de rechter het volgende: De wijze en lange duur van handelen, het leed aangedaan aan de slachtoffers en hun familieleden, de geraffineerde wijze van werken, de beschaming van het 21 Korver 2012, p K. Lens, A. Pemberton en M. Groenhuijsen, Het spreekrecht in Nederland: een bijdrage aan het emotioneel herstel van slachtoffers? Tilburg Intervict 2010, p Kamerstukken II , , nr Korver 2012, p
15 vertrouwen, het verzamelen en delen van beeldmateriaal, het adviseren van andere pedoseksuelen, het al dan niet tegen betaling laten delen van een beschikbaar kind, en al het andere, het heeft een grote negatieve impact op de rechtsorde Algemene preventie vergroot de zichtbaarheid van het slachtoffer. 26 Van belang is hierbij de bijdrage die het spreekrecht levert aan het vertrouwen in de rechtsstaat en de herbevestiging van de norm. Het spreekrecht kan dus effect hebben op anderen dan de verdachte die van plan zijn een vergelijkbaar misdrijf te plegen Speciale preventie heeft als doel het voorkomen van recidive. 28 De mogelijkheid die het slachtoffer heeft de verdachte rechtstreeks aan te spreken op het door hem gepleegde misdrijf, kan bijdragen aan het schuldbesef van de verdachte. Dit besef kan helpen bij het voorkomen van recidive. Dit blijkt ook uit de Amstelveense zedenzaak. 29 Verdachte Florin O. heeft tijdens de zitting laten weten dat de spreekrechtverklaringen hem diep hebben geraakt en hem iets hebben geleerd: "To parents [.] I have heard your story, you have seen me cry, you have taught me a lesson I will never forget. 30 De laatste drie doelstellingen van het spreekrecht zijn niet direct gericht op de belangen van slachtoffers. Deze doelen richten zich op de informatievoorziening voor de rechter en het voorkomen van nieuwe strafbare feiten voor de dader en/of door anderen De wettelijke regeling Het spreekrecht is vanaf 1 januari 2005 een wettelijk recht, waarbij het slachtoffer door het Openbaar Ministerie wordt geïnformeerd. Het slachtoffer is niet verplicht om van dit recht 25 Korver 2012, p K. Lens, A. Pemberton en M. Groenhuijsen, Het spreekrecht in Nederland: een bijdrage aan het emotioneel herstel van slachtoffers? Tilburg Intervict 2010, p Korver 2012, p Kamerstukken II , , nr Rb. Amsterdam 23 juli 2012, LJN BX Korver 2012, p K. Lens, A. Pemberton en M. Groenhuijsen, Het spreekrecht in Nederland: een bijdrage aan het emotioneel herstel van slachtoffers? Tilburg Intervict 2010, p
16 gebruik te maken. Het Openbaar Ministerie wijst het slachtoffer tijdig op het recht om te spreken of om alsnog gebruik te maken van de schriftelijke slachtofferverklaring als alternatief voor dit spreekrecht. Tot 1 januari 2011 was dit recht terug te vinden in art. 302 van de Wet Spreekrecht. Vanaf de komst van de Wet versterking van de positie van het slachtoffer in het strafproces (Wvps) is het spreekrecht verplaatst naar artikel 51 e Sv, dat is opgenomen in de catalogus van rechten van het slachtoffer in titel IIIA van het Wetboek van Strafvordering. Hierdoor krijgen de slachtoffers van ernstige misdrijven de gelegenheid om tijdens de strafzitting het woord te voeren over de gevolgen van het misdrijf. Niet voor elk gepleegd delict bestaat het spreekrecht. Het betreft uitsluitend misdrijven met een gevangenisstraf van 8 jaar of meer. Naast levensdelicten als moord kan men ook denken aan mishandeling, zedendelicten, mensenhandel en dood of zwaar lichamelijk letsel als gevolg van een gedraging in het verkeer De kring van spreekgerechtigden Wie hebben normaal gesproken het recht om te spreken in de rechtszaal? De verdachte maakt gebruik van zijn spreekrecht omdat hij terecht staat en zich moet verdedigen. Tevens heeft de advocaat van de verdachte spreekrecht, uiteraard om dezelfde redenen als de verdachte. Ook de rechter en de officier van justitie hebben het spreekrecht tijdens de zitting, met als doel om de strafeis en het vonnis toe te lichten. Naast deze procespartijen heeft de wetgever bepaald dat ook andere spreekgerechtigden gebruik mogen maken van het spreekrecht. Het slachtoffer kan een verzoek indienen bij de officier van justitie om opgeroepen te worden en het spreekrecht uit te oefenen. Dit is meer een emotioneel betoog, vergeleken met het juridisch betoog van de officier van justitie. Wanneer het slachtoffer te kennen geeft zelf te willen spreken, kan de echtgenoot of een familielid van het slachtoffer niet meer het woord voeren. Wanneer het slachtoffer niet in staat is om het spreekrecht uit te oefenen, kan hij geen wettelijke vertegenwoordiger aanwijzen. Immers, het moet gaan om vertolking van de eigen ervaringen. Het slachtoffer kan wel altijd een schriftelijke verklaring opstellen, die aan het dossier wordt toegevoegd. Indien het slachtoffer niet meer in leven is, heeft één nabestaande het recht om te spreken. Dit is dan de echtgenoot of de geregistreerde partner. Bij de invoering van het spreekrecht heeft men expliciet gekozen voor een spreekrecht alleen voor het slachtoffer zelf of één 32 Kamerstukken II , , nr
17 nabestaande. 33 Men wilde namelijk niet dat door een groot aantal spreekgerechtigden de strafzaak vertraagd zou worden. Een meer principiële reden is de inhoudelijke beperktheid van het spreekrecht zelf. Immers, alleen het slachtoffer zelf of één nabestaande, mag zich uitlaten over de gevolgen van het strafbare feit. Het was uitdrukkelijk niet de bedoeling dat het slachtoffer zich zou laten vertegenwoordigen door een derde. Het ervaren leed diende persoonlijk aan de rechter overgebracht te worden. Verondersteld werd dat dit een bijdrage zou leveren aan het verwerkingsproces van het slachtoffer zelf. Wanneer het slachtoffer niet in staat is om te spreken, en er geen echtgenoot of geregistreerd partner aanwezig is of deze geen gebruik wenst te maken van het spreekrecht, mogen bloedverwanten in de rechte lijn in de eerste graad het spreekrecht uitoefenen. Dit zijn de ouders van het slachtoffer of de kinderen. Is niemand van deze kring in staat om gebruik te maken van dit spreekrecht, komt dit recht toe aan bloedverwanten in de zijlijn in de tweede graad, zoals een broer of zus. 34 Verder hebben ook minderjarigen vanaf 12 jaar het spreekrecht. Minderjarigen onder de 12 jaar kunnen op grond van art. 336 lid 3 Sv het spreekrecht uitoefenen, indien de minderjarige redelijk in staat is zijn eigen belangen waar te nemen. Het slachtoffer of de nabestaande hebben op de zitting een zelfstandige positie met een eigen statuut. 35 Hij wordt in beginsel niet als getuige aangemerkt en kan dus ook niet als een getuige ondervraagd worden. Indien het slachtoffer zou worden blootgesteld aan het ondervragingsrecht van het Openbaar Ministerie en de verdediging omdat het slachtoffer formeel als getuige optreedt en beëdigd wordt, zou dit nadelige gevolgen hebben voor het slachtoffer. 36 Voorkomen wordt dat het slachtoffer de gevolgen van het strafbare feit moet herleven. Dit is de zogenoemde secundaire victimisatie: het slachtoffer wordt voor de tweede keer slachtoffer van hetzelfde feit. Het slachtoffer of de nabestaande kan zich daarnaast op de zitting doen bijstaan op grond van art. 337 Sv. De meegenomen persoon heeft echter niet het recht zelf het woord te voeren. De wet wijst immers geen vervangers aan. Deze bijstand verlenende persoon kan dus niet meer doen dan adviseren als hij door de spreekgerechtigde wordt geraadpleegd. 33 T. Spronken, spreekrecht, NJB 2011, nr. 43, p Kamerstukken II , , nr F. Fernhout en T. Spronken, Spreekrecht voor slachtoffers, aspirientjes voor de rest, NJB 2005, afl. 3, p Kamerstukken II , , nr
18 2.2.5 De reikwijdte van het spreekrecht Ondanks de invoering van de nieuwe wet is de inhoud van het spreekrecht beperkt gebleven. Er kan alleen een verklaring afgelegd worden over de gevolgen die het strafbare feit bij het slachtoffer of nabestaanden teweeg heeft gebracht. Dit wordt ook wel de victim s statement of impact genoemd. Het slachtoffer of nabestaande krijgt geen ruimte om zijn visie op de op te leggen straf te geven. 37 Er mag geen sprake zijn van een "victim s statement of opinion". Met andere woorden, het spreekrecht mag niet gebruikt worden om een mening te verkondigen. Men wenste geen schaduwofficier van justitie in de persoon van het slachtoffer. Verder is het de bedoeling dat het slachtoffer alleen over zichzelf spreekt. De gevolgen voor andere slachtoffers mogen niet aan bod komen. Wel is het zo dat een nabestaande de ruimte krijgt om te spreken over de gevolgen van het strafbaar feit voor andere nabestaanden. 38 Ook zijn er grenzen gesteld aan de duur van de uitoefening van het spreekrecht. Het slachtoffer of diens nabestaande heeft maximaal tien minuten de tijd om te spreken. 2.3 Wet versterking positie slachtoffers in het strafproces Zoals eerder vermeld in paragraaf is op 1 januari 2011 de Wet versterking positie slachtoffers in het strafproces in werking getreden. Deze wet heeft tot doel om de positie van slachtoffers in het strafproces nog meer te versterken. Het slachtoffer krijgt door deze wet een duidelijker omschreven positie. De hierna genoemde hoofdlijnen zijn opgenomen in deze wet 39 : recht op informatie over de strafrechtelijke procedure (met inbegrip van de afloop) tegen de verdachte (art. 51a, lid 3 Sv); recht op correcte bejegening (art. 51a, lid 2 Sv); recht op informatie over de mogelijkheden van schadevergoeding in het kader van het strafproces (art. 51a, lid 4 Sv); recht op kennisneming van processtukken en het recht op het toevoegen van stukken aan het procesdossier (art. 51b Sv); recht op bijstand van een raadsman en recht op een tolk (art 51c Sv); spreekrecht op de terechtzitting (art. 51 e Sv); rechten van nabestaanden ( art. 51d Sv). 37 J.C.A.M. Claassens, Het slachtoffer in het strafproces, Strafblad , p Kamerstukken II , , nr < versterking van de positie van het slachtoffer. 18
19 2.4 Samenvatting Aan de invoering van het spreekrecht van slachtoffers en nabestaanden gaat een lange geschiedenis vooraf. Het slachtoffer had aanvankelijk een marginale rol in het Wetboek van Strafvordering. Vanaf de jaren 90 kreeg het slachtoffer steeds meer aandacht in het strafproces. Een mijlpaal is de invoering van de Wet Terwee op 1 april 1995, die als doel had om de positie van slachtoffers in het strafproces te versterken. Een spreekrecht werd door deze wet echter niet ingevoerd. Voordat het spreekrecht werd ingevoerd, maakte men gebruik van de schriftelijke slachtofferverklaringen in ernstige strafzaken. Het spreekrecht voor slachtoffers, dat per 1 januari 2005 inwerking is getreden, is een goed voorbeeld van de toegenomen aandacht voor slachtoffers van strafbare feiten. Dit spreekrecht geeft slachtoffers en nabestaanden het recht om te spreken over de gevolgen die het delict bij hen teweeg heeft gebracht. Wel stelt dit recht een aantal beperkingen. Niet voor elk gepleegd delict bestaat het spreekrecht en is het uitsluitend toegekend aan het slachtoffer zelf of één nabestaande. Bovendien moet het slachtoffer minimaal de leeftijd van 12 hebben bereikt. Verder kan alleen een verklaring afgelegd worden over de gevolgen die het strafbare feit bij het slachtoffer of nabestaanden teweeg heeft gebracht, met een maximale duur van 10 minuten. 19
20 3. Het huidige spreekrecht van slachtoffers en nabestaanden Het spreekrecht dat ingevoerd is in 2005 riep ergernis op. Slachtoffers en nabestaanden ervaarden de regels als beperkend en frustrerend. De staatssecretaris van Justitie bleef niet ongevoelig voor de klachten van slachtoffers en nabestaanden. Bovendien heeft de actuele zedenzaak Robert M., die het hele land schokte, hierin een handje geholpen. In deze zaak werd immers op pijnlijke wijze duidelijk wat de beperkingen van het spreekrecht waren. Uiteindelijk is de Wet uitbreiding spreekrecht van slachtoffers en nabestaanden op 1 september 2012 in werking getreden. In dit hoofdstuk wordt deze nieuwe wet uitvoerig behandeld. 3.1 Aanleiding Bij de invoering van het spreekrecht op 1 januari 2005 hadden de initiatiefvoorstellers voor ogen dat het recht om te spreken strikt geregeld moest worden, omdat zij bang waren voor de werklastgevolgen voor de zittende magistratuur en de consequenties voor de zittingscapaciteit. 40 Inmiddels blijkt dat de wijze waarop het spreekrecht wordt uitgeoefend aanmerkelijk minder belastend is voor de zittende magistratuur en de zittingscapaciteit dan vóór de invoering van het spreekrecht. Uit het evaluatieonderzoek van het spreekrecht in Nederland blijkt dat slachtoffers en nabestaanden het spreekrecht waarderen. 41 Zij voelen zich immers voorzien in hun behoefte om hun ervaringen kenbaar te maken aan de rechter en de verdachte. Wel werd de strikte beperking van de spreekgerechtigden op de zitting als knellend ervaren. Als gevolg hiervan heeft staatssecretaris Teeven van Veiligheid en Justitie op 16 februari 2012 een wetsvoorstel ingediend waarmee de kring van spreekgerechtigden voor het spreekrecht is uitgebreid. Voorgesteld is om het spreekrecht voor nabestaanden te wijzigen en een nieuwe groep van spreekgerechtigden in te voeren voor kinderen die vanwege hun leeftijd of hun feitelijke toestand niet in staat waren om gebruik te maken van het spreekrecht. Per 1 september 2012 is uiteindelijk het spreekrecht door een wetswijziging gewijzigd. 40 Kamerstukken II , , nr K. Lens, A. Pemberton en M. Groenhuijsen, Het spreekrecht in Nederland: een bijdrage aan het emotioneel herstel van slachtoffers? Tilburg Intervict
21 De Amsterdamse zedenzaak Robert M. vormde een van de aanleidingen voor deze wetswijziging. In deze Amsterdamse zedenzaak ging het om slachtoffertjes die geen gebruik konden maken van het spreekrecht in verband met hun leeftijd. Het ging om misbruik van 52 jongens en 13 meisjes en om 6000 foto s en 138 videobeelden die via internet zijn verspreid. 42 Zoals eerder vermeld gaat het in deze zaak om zeer traumatische ervaringen van jonge kinderen, maar ook om revictimisatie: deze jonge kinderen kunnen in de toekomst hard geconfronteerd worden met foto s en beelden van hun misbruik. Kort gezegd: een helse nachtmerrie voor zowel de kinderen als de ouders. Er was immers op dat moment nog geen wettelijke basis om het spreekrecht uit te laten oefenen door de ouders van deze slachtoffers. Toch was de Amsterdamse rechtbank vatbaar voor de argumenten en besloot de ouders toe te staan om namens hun kinderen te spreken. Hieruit blijkt dat sommige rechters het onredelijk vonden dat de stem van het slachtoffer verloren zou gaan, en daarom zonder een wettelijke grondslag het spreekrecht aan de ouders toekenden. 3.2 Het huidige stelsel Het spreekrecht is per 1 september 2012 op vier belangrijke punten verruimd. Ik zal deze in het navolgende bespreken Nabestaanden Allereerst mogen in plaats van slechts één nabestaande, maximaal drie nabestaanden het spreekrecht uitoefenen. Dit is terug te vinden in art. 51 e lid 4 Sv. Het getal drie is een bewuste keuze geweest om het spreekrecht hanteerbaar te houden mede gelet op de planning van de zittingen en andere logistieke voorzieningen die in ogenschouw genomen moeten worden om eenieder tijdig voor de zitting op te roepen. Wel is het mogelijk dat de rechter in de praktijk meerdere mensen kan toelaten om het spreekrecht uit te oefenen, maar een maximum van drie geeft hem de ruimte om een beperking op te leggen in het geval er meerdere mensen zich opgeven om gebruik te maken van het spreekrecht. Indien meer dan drie bloedverwanten gebruik willen maken van het spreekrecht en onderling geen overeenstemming kunnen bereiken, zal de beslissing door de rechter worden genomen. Van belang is echter dat zij zich tijdig voor de terechtzitting aanmelden. Niet alleen de (voormalige) levensgezel van het door 42 T. Spronken, spreekrecht, NJB 2011, nr. 43, p Kamerstukken II , , nr. 3; J.C.A.M. Claassens, Het slachtoffer in het strafproces, Strafblad , p
22 het delict omgekomen slachtoffer, maar ook (maximaal) drie andere nabestaanden hebben het recht om te spreken. De kring van nabestaanden die het spreekrecht mogen uitoefenen wordt uitgebreid tot bloedverwanten in de rechte lijn en die in de zijlijn tot de vierde graad. De beperking in de eerste graad voor bloedverwanten in de rechte lijn is weggevallen, waardoor ook de kleinkinderen evenals de grootouders spreekgerechtigd zijn. De verruiming voor bloedverwanten tot de vierde graad strekt ertoe dat voortaan ook nichten/neven en tantes/ooms met wie het slachtoffer ook een hechte band heeft gehad, spreekgerechtigd zijn. Wel is in art. 51 e lid 4 een rangorde bepaald, in die zin dat de levensgezel, echtgenoot of geregistreerde partner, altijd vóór de andere bloedverwanten gaat. Bovendien is het niet de bedoeling dat de familieleden die geen hechte band met het slachtoffer hebben, maar toch dichter in de familiegraad tot het slachtoffer staan, gebruik kunnen maken van het spreekrecht ten koste van iemand met een verwijderde verwantschap, maar die met de overledene juist wel een nauwe band had (Wettelijke) vertegenwoordigers/kring van spreekgerechtigden Verder krijgen de ouders en voogden op grond van art. 51 e lid 6 Sv het recht om te spreken, indien het gaat om minderjarige slachtoffers die de leeftijd van 12 jaren nog niet hebben bereikt, en niet in staat zijn om te praten over de gevolgen die het delict bij hen teweeg heeft gebracht. Dit wordt ook wel het afgeleide spreekrecht genoemd. Op grond van ditzelfde artikel hebben de wettelijke vertegenwoordigers ook een eigen spreekrecht: ze krijgen de mogelijkheid om te spreken over de gevolgen die het strafbaar feit bij henzelf teweeg heeft gebracht. Zijn de minderjarige slachtoffers wel in staat om zelf te spreken, dan mogen ze het spreekrecht zelf uitoefenen. Daar is met de wetswijziging geen verandering in gekomen. Ten aanzien van de wettelijke vertegenwoordigers geldt dat één of beide ouders het recht om te spreken zullen uitoefenen. 45 Mogelijk is dat namelijk beide ouders het spreekrecht wensen uit te oefenen. Wel dient de rechter een uitzondering te maken voor de gevallen waarbij het aannemelijk is dat de ouder niet in het belang van het kind zal spreken omdat hij zelf belang heeft bij het mitigeren van de gevolgen van het strafbaar feit. Te denken valt aan een gezinssituatie met daarin de ouders als verdachten en het kind als slachtoffer. Men kan hierbij denken aan een ouder die op de hoogte is van misbruik van het kind en die niet de volle 44 Kamerstukken II , , nr Kamerstukken II , , nr
23 belangen van het slachtoffer zal behartigen. 46 Daarnaast introduceert art. 51 e lid 2 Sv een zelfstandig spreekrecht voor de ouders van een minderjarig slachtoffer. Zij krijgen op grond van dit artikel een volwaardig en zelfstandig spreekrecht om te spreken over de gevolgen van minderjarige slachtoffers van zware geweldsdelicten. 47 Hiermee worden zij niet erkend als (indirect) slachtoffer, maar krijgen ze bij het uitoefenen van het spreekrecht een positie die gelijkwaardig is aan die van het slachtoffer. Zowel de moeder als de vader kunnen op grond van deze wijziging gezamenlijk of ieder afzonderlijk een verklaring afleggen over de gevolgen van het strafbaar feit zoals zij die hebben ondergaan. Dit spreekrecht moet onderscheiden worden van het spreekrecht dat een ouder uitoefent als wettelijke vertegenwoordiger namens het minderjarige slachtoffer dat nog geen 12 is. Deze verklaring ziet immers alleen op de gevolgen die het strafbaar feit bij de minderjarige teweeg heeft gebracht. 48 Vóór de wetswijziging van 1 september 2012 was er geen mogelijkheid om het spreekrecht uit te oefenen als ouders of voogd van minderjarige kinderen. Dat het een goede zaak is dat de wet is aangepast op dit punt, blijkt ook uit een ervaring van mr. Korver als raadsman van minderjarige slachtoffers. Het ging om een kwestie waarbij twee minderjarige zusjes seksueel misbruikt waren door een oom. Deze minderjarige meisjes wilden graag de zitting bijwonen, een schriftelijke verklaring voordragen, maar dit door hun raadsman, mr. Korver, laten doen. Volgens de voorzitter van die zitting waren de minderjarige meisjes groot genoeg om zelf gebruik te maken van het spreekrecht. De voorzitter maakte duidelijk dat de wetgever bewust geen ruimte heeft gelaten dat een ander dan het slachtoffer het recht om te spreken uitoefent; hiermee zou men een confrontatie van de verdachte met twee aanklagers voorkomen. Mr. Korver, de raadsman van deze twee minderjarige kinderen, voerde aan dat dit zeer belastend zou zijn voor de meisjes. Uiteindelijk kreeg de raadsman de mogelijkheid om het woord te voeren namens de meisjes. 49 Bovenstaand voorbeeld speelde zich af vóór de wetswijziging van 1 september Opmerkelijk is dat sommige rechters vóór de wetswijziging al bereid waren om het minderjarige slachtoffer tegemoet te treden zoals in bovengenoemd situatie. 46 Kamerstukken II , , nr Kamerstukken II , , nr Kamerstukken II , , nr Korver 2012, p
24 Sinds de wetswijziging van 1 september 2012 kan het spreekrecht ook uitgeoefend worden namens het slachtoffer die zelf niet meer in staat is om het woord te voeren. Men kan hierbij denken aan een fysieke of geestelijke toestand die het slachtoffer onmogelijk maakt om het spreekrecht uit te oefenen, bijvoorbeeld omdat het slachtoffer als gevolg van het strafbaar feit in comateuze toestand verkeert. 50 Deze regel is terug te vinden in art. 51 e lid 7 Sv. Het is immers wenselijk dat de stem van het slachtoffer in het strafproces wordt gehoord. In die gevallen kan een persoon die het slachtoffer na staat, in aanvulling op een medische verklaring over de toestand van het slachtoffer, spreken over de consequenties van het strafbaar feit voor het slachtoffer. 51 Het gaat hierbij om dezelfde kring van spreekgerechtigden als die van de nabestaanden. Volgens de nieuwe regeling kan dit spreekrecht uitgeoefend worden door de echtgenoot, geregistreerd partner of levensgezel en nog één naaste, genoemd in art. 51e lid 4b Sv. 52 Slachtofferhulp Nederland stelde echter voor om deze groep op grond van art. 51e, zevende lid, uit te breiden tot de levensgezel en drie andere naasten. 53 Hier is geen gehoor aan gegeven, waarbij in ogenschouw is genomen dat de spreker veelal slechts zijn eigen leed kan bespreken omdat de slachtoffers veelal comateuze patiënten zijn dan wel verstandelijk beperkt, waardoor zij niet kunnen spreken over de gevolgen van het strafbaar feit. Het spreekrecht van wettelijke vertegenwoordigers en dat van naasten van comateuze slachtoffers of van andere slachtoffers die feitelijk niet in staat zijn om het spreekrecht uit te oefenen, is een afgeleid spreekrecht. Er is namelijk wel een slachtoffer, ook al kan hij het spreekrecht niet zelf uitoefenen. Deze vertegenwoordigers kunnen daarom niet als direct slachtoffer aangemerkt worden, omdat zij niet direct door de gevolgen van het strafbaar feit zijn getroffen Mogelijkheid van vertolking Volgens de nieuwe regeling kan het slachtoffer of nabestaanden zich laten bijstaan door een raadsman of een medewerker van Slachtofferhulp. De verklaring van de spreekgerechtigde wordt als het ware vertolkt. 55 Deze verruiming is opgenomen in art. 258, zesde lid, en art. 303, tweede lid Sv. Zij krijgen de mogelijkheid om namens het slachtoffer of nabestaanden te spreken over de gevolgen die het strafbaar feit teweeg heeft gebracht. De wet stelt geen 50 Kamerstukken II , , nr Kamerstukken II , , nr Kamerstukken II , , nr Kamerstukken II , , nr Kamerstukken II , , nr Kamerstukken II , , nr
25 criterium waaraan de rechter dit verzoek moet toetsen. 56 Volgens de memorie van toelichting zal de rechter dit verzoek beoordelen tegen het licht van de orde en inrichting en de omvang van het onderzoek ter terechtzitting Leeftijdsgrens De wet uitbreiding spreekrecht wijzigt ten slotte nog in art. 269 lid 5 Sv de leeftijdsgrens voor toegang tot de openbare zittingen. Voorheen was deze 18 jaar; vanaf de nieuwe wetswijziging is deze veranderd in 12 jaar. Eveneens is er een bepaling toegevoegd waarbij de voorzitter de bevoegdheid heeft om toehoorders onder de 18 jaar niet tot de zitting toe te laten, tenzij het gaat om slachtoffers van 12 tot 18 jaar van een ernstig misdrijf waarop het spreekrecht van toepassing is en die dus de terechtzitting willen bijwonen Inhoud van het spreekrecht De nieuwe wetswijziging brengt niet met zich mee dat het slachtoffer of de andere spreekgerechtigde zich mag uitlaten over de gewenste strafoplegging. 58 Over dit laatste is veelvuldig gediscussieerd. Het opheffen van deze beperking zou kunnen leiden tot een wijziging van het karakter van het spreekrecht, en consequenties hebben voor de positie van het slachtoffer in het strafproces. De rechter neemt een beslissing over de schuld van de verdachte aan de hand van wat tijdens het onderzoek op de terechtzitting naar voren is gekomen en wat de verdediging hierop aanvoert. Verder houdt de rechter rekening met het requisitoir van de officier van justitie die bij het formuleren van zijn eis al rekening heeft gehouden met de invloed die het strafbaar feit heeft gehad op het slachtoffer en diens omgeving. Wel blijkt uit een onderzoek dat het slachtoffer zich veelal wel over de strafmaat uitlaat en daarin zelden wordt gecorrigeerd door de rechter. 59 Getracht is door middel van een amendement van twee Kamerleden, Van der Steur en Recourt, de beperkingen ten aanzien van wat het slachtoffer mag zeggen op te heffen. 60 Die poging heeft gefaald omdat de staatssecretaris zich over deze uitbreiding van het spreekrecht negatief heeft uitgesproken. Volgens de staatssecretaris heeft deze uitbreiding van het spreekrecht nadelige gevolgen voor de positie van het slachtoffer en voor de wijze van procesvoering in het strafprocesrecht. 61 De 56 J.C.A.M. Claassens, Het slachtoffer in het strafproces, Strafblad , p J.C.A.M. Claassens, Het slachtoffer in het strafproces, Strafblad , p Kamerstukken II , , nr Kamerstukken II , , nr Korver 2012, p. 222; Kamerstukken II , , nr J.C.A.M. Claassens, Het slachtoffer in het strafproces, Strafblad , p
26 huidige regeling houdt in dat de officier van justitie en de verdediging naar aanleiding van de afgelegde verklaring via de voorzitter van de rechtbank vragen kunnen stellen. Het slachtoffer is echter niet verplicht deze te beantwoorden. Een antwoord kan dus niet afgedwongen worden. Op het moment dat het wettelijk mogelijk wordt dat het slachtoffer zich kan uiten over de strafmaat, kan een dergelijke regeling ten behoeve van de verdachte in het kader van de eisen van een behoorlijke procedure in het leven worden geroepen. In het kader van hoor en wederhoor moet de verdediging in de gelegenheid worden gesteld hierop haar mening te geven. Immers, spreken over de mate van schuld en strafmaat zou de ruimte kunnen creëren voor de verdediging van de verdachte om de spreekgerechtigde te ondervragen. 62 Uit het eerdere evaluatieonderzoek van het spreekrecht blijkt dat de rechters in de praktijk de regel dat het slachtoffer niet mag spreken over de strafmaat, niet strikt handhaven. Toch blijft de regel dat het slachtoffer (of overige spreekgerechtigden) zich niet mag uitlaten over de door hem gewenste wijze van afdoening of over de bewezenverklaring, gehandhaafd. 63 Dit komt er ook op neer dat het slachtoffer de door de verdachte gevoerde verdediging niet kan weerleggen. Dit blijft voor veel slachtoffers nog steeds frustrerend. 3.4 Samenvatting In de praktijk bleek dat het spreekrecht niet toereikend was en dat niet alle slachtoffers het recht hadden om te spreken over de gevolgen van het strafbaar feit. Met de inwerkingtreding van de Wet uitbreiding spreekrecht slachtoffers en nabestaanden is getracht om in dit probleem te voorzien. Het spreekrecht is door deze wetswijziging aangepast en op 4 punten verruimd. Allereerst mogen in plaats van slechts één nabestaande, maximaal drie nabestaanden het spreekrecht uitoefenen. Niet alleen de (voormalige) levensgezel van het door het delict omgekomen slachtoffer, maar ook (maximaal) drie andere nabestaanden hebben het recht om te spreken. Verder krijgen de ouders en voogden, alsmede de wettelijke vertegenwoordigers het recht om te spreken, indien het gaat om minderjarige slachtoffers die te jong zijn en niet in staat zijn om te praten over de gevolgen die het delict voor hen teweeg heeft gebracht. Zijn de minderjarige slachtoffers wel in staat om zelf te spreken, dan mogen ze het spreekrecht zelf uitoefenen. Bovendien kunnen de ouders van deze minderjarige slachtoffers het spreekrecht zelfstandig uitoefenen. Dat wil zeggen dat zij het recht hebben om 62 Erica van Asselt-Pronk, Spreekrecht slachtoffers en nabestaanden uitgebreid, < 63 Korver 2012, p
27 ook te spreken over welke gevolgen het delict voor henzelf heeft gehad. Als het slachtoffer niet in staat is om het spreekrecht zelf uit te oefenen in verband met een fysieke of geestelijke toestand, kan volgens de nieuwe wet het spreekrecht worden uitgeoefend door de levensgezel of één naaste. Tevens kan het slachtoffer of nabestaande zich laten bijstaan door een raadsman of door een medewerker van Slachtofferhulp Nederland. Inhoudelijk is het spreekrecht verder niet aangepast. Men mag alleen spreken over de gevolgen die het strafbaar feit heeft gehad, en dat met een maximale duur van 10 minuten. 27
28 4. Een verdere verruiming van het spreekrecht? Er bestaat een groeiende belangstelling voor de belangen van slachtoffers van strafbare feiten. In hoofdstuk 3 is gebleken dat slachtoffers en nabestaanden het spreekrecht als beperkend en frustrerend ervaren. Hierdoor bestaat er een toenemende behoefte om de positie van het slachtoffer en diens nabestaande verder te versterken. Is het in 2012 ingevoerde spreekrecht wel een wezenlijke verbetering voor slachtoffer en nabestaanden? In dit hoofdstuk wordt beschreven of een verruiming van het spreekrecht wenselijk is en op welke manier deze uitbreiding plaats kan vinden. 4.1 Situatie na de wetswijziging van 1 september 2012 Na de invoering van het spreekrecht voor slachtoffers en nabestaanden op 1 januari 2005, heeft dit recht een vaste plaats gekregen in het Nederlandse strafprocesrecht. In de eerder genoemde evaluatie van het spreekrecht komt naar voren dat het recht om te spreken in een behoefte voorziet. In de oude situatie was het spreekrecht tot nu toe een beperkt recht; het spreekrecht van slachtoffers en nabestaanden is door de wetswijziging van 1 september 2012 een uitgebreid recht geworden. Dat dit een goede zaak is, blijkt ook uit een recente uitspraak van de rechtbank s-gravenhage. Dit voorbeeld laat zien dat, nu het spreekrecht is verruimd, de kring van spreekgerechtigden dankbaar gebruikmaakt van deze uitbreiding. In deze zaak heeft de vader van een zesjarig slachtoffer gebruikgemaakt van het spreekrecht. 64 Het zesjarig slachtoffer was wederrechtelijk van haar vrijheid beroofd, waarbij er ook sprake was geweest van seksueel binnendringen. De tekortkoming in de wet met betrekking tot de kring van spreekgerechtigden is gedeeltelijk door de wetswijziging van 1 september 2012 weggenomen. De wijziging van het spreekrecht brengt met zich mee dat de kring van spreekgerechtigden is uitgebreid. Wel rijst de vraag of op deze manier niet de deur wordt opengezet voor bijdragen van betrokkenen voor wie het spreekrecht in beginsel niet bedoeld zou moeten zijn. 65 Kan de bijdrage van deze personen wier band met het slachtoffer niet zeer hecht is geweest, buiten de deur gehouden worden nu de wet met betrekking tot de kring van spreekgerechtigden is verruimd? De in de wet opgenomen discretionaire bevoegdheid van de rechter om indien nodig af te wijken van de wet, en in bepaalde gevallen het spreekrecht niet toe te kennen aan 64 Rb. s-gravenhage 15 oktober 2012, LJN BY Bijlage bij Kamerstukken II , , nr. 3. Advies van de Nederlandse Orde van Advocaten 17 oktober 2011, p
29 bepaalde spreekgerechtigden, is hierdoor zinvol. 66 Men voorkomt hiermee dat het spreekrecht wordt toegekend in situaties waarin het gebruik van het spreekrecht niet het belang verwezenlijkt dat door deze wetswijziging wordt gediend. Al met al kan er gezegd worden dat een verruiming van het spreekrecht een goede zaak is en derhalve een zinvolle aanvulling is op hetgeen in de eerdere jaren op dit gebied al is bereikt. Zoals blijkt uit de vorige hoofdstukken bestond er veel behoefte aan een verdere uitbreiding van het spreekrecht. In hoofdstuk 2 en 3 zijn hier een aantal voorbeelden van gegeven. Een ander schrijdend geval is een zaak waarin de broer van het slachtoffer niet mocht spreken, terwijl hij daartoe een grote behoefte voelde en dit ook had kunnen bijdragen aan zijn verwerkingsproces. Het is een stap in de goede richting dat dergelijke voorbeelden tot het verleden zullen behoren. Desondanks zijn er nog veel tekortkomingen in de huidige situatie te vinden, die in de volgende paragraaf aan bod zullen komen. 4.2 Beperkingen huidige situatie Delictscategorieën Er wordt door de wetgever nog steeds geen aandacht besteed aan de groep misdrijven waarbij het spreekrecht niet kan worden uitgeoefend, zoals neergelegd in art. 51 e lid 1 Sv. 67 Het spreekrecht is nu opengesteld voor misdrijven waarop een gevangenisstraf van 8 jaar of meer is gesteld, dan wel een van de misdrijven genoemd in art. 51 e lid 1 Sv. Maar ook een minder ernstig strafbaar feit, dat niet in art. 51 e lid 1 Sv is opgenomen, kan een grote impact hebben op het slachtoffer. Er bestaat dan ook bij minder ernstige delicten wel degelijk behoefte om gebruik te maken van het spreekrecht. 68 Het slachtoffer bepaalt hierbij zelf of hij uiteindelijk gebruik wil maken van het spreekrecht. De beleving van het slachtoffer dient hierin het criterium te zijn. Volgens het evaluatierapport van het spreekrecht zal deze verruiming niet leiden tot een grote toename van het aantal slachtoffers dat gebruik zal maken van het spreekrecht Bijlage bij Kamerstukken II , , nr. 3. Advies van de Nederlandse Orde van Advocaten 17 oktober 2011, p Bijlage bij Kamerstukken II , , nr. 3. Advies Slachtofferhulp Nederland 14 september 2011, p K. Lens, A. Pemberton en M. Groenhuijsen, Het spreekrecht in Nederland: een bijdrage aan het emotioneel herstel van slachtoffers? Tilburg Intervict 2010, p K. Lens, A. Pemberton en M. Groenhuijsen, Het spreekrecht in Nederland: een bijdrage aan het emotioneel herstel van slachtoffers? Tilburg Intervict 2010, p
30 Bovendien zal het toepassen van het spreekrecht bij alle misdrijven geen bezwaar opleveren in het kader van de wetsystematiek. 70 Sedert de inwerkingtreding van de Wet versterking van de positie van het slachtoffer bestaat voor het slachtoffer het recht om stukken aan het strafdossier toe te voegen. Ook de zogenaamde schriftelijke slachtofferverklaringen, "victim impact statements", kunnen aan dit strafdossier worden toegevoegd. In de wet wordt dit niet beperkt tot alleen misdrijven waarbij je gebruik kunt maken van het spreekrecht. Hieruit kan de conclusie worden getrokken dat het slachtoffer in iedere strafzaak een schriftelijke slachtofferverklaring kan indienen. Daarnaast is de kring van personen die de mogelijkheid heeft tot het indienen van een schriftelijke slachtofferverklaring, altijd hetzelfde geweest als de kring van spreekgerechtigden. Verder dient zowel het spreekrecht als een schriftelijke slachtofferverklaring hetzelfde doel. In dat kader spreekt het voor zich dat indien er behoefte bestaat bij het slachtoffer of diens nabestaande, hij het spreekrecht bij ieder delict moet kunnen uitoefenen Nabestaanden Ondanks de wetswijziging van 1 september 2012 blijft er een lacune in de wet met betrekking tot de kring van spreekgerechtigden. Op grond van art. 51 e lid 4 Sv zijn de echtgenoot (of gelijkwaardig) en de nabestaanden in rechte lijn en in de zijlijn tot in de vierde graad spreekgerechtigd. De vraag rijst waarom het spreekrecht wordt beperkt tot de in dit artikel genoemde kring van spreekgerechtigden. Het is voorstelbaar dat ook een vriend/vriendin die geen levensgezel is en die niet tot de wettelijke categorie van spreekgerechtigden behoort, gebruik wil maken van het spreekrecht. Zoals genoemd in hoofdstuk 1 heeft het arrest van de Hoge Raad van 6 maart 2012 een nieuw vraagstuk opgeroepen. Het Hof had in deze zaak aan de vriendin van het slachtoffer, die niet tot de wettelijke categorie van spreekgerechtigden behoorde, de gelegenheid gegeven haar schriftelijke slachtofferverklaring voor te lezen en gebruik te maken van het spreekrecht. De Hoge Raad oordeelde echter dat de rechter het verzoek van een persoon die niet tot de wettelijke categorie spreekgerechtigden behoort en ter terechtzitting een verklaring wenst af te leggen, zal moeten afwijzen. Vergeten wordt kennelijk dat voor niet erkende spreekgerechtigden de impact van het delict even intens en pijnlijk kan zijn. Daarom is het wenselijk dat het spreekrecht verder wordt uitgebreid, en in de wet de mogelijkheid wordt 70 Bijlage bij Kamerstukken II , , nr. 3. Advies Slachtofferhulp Nederland 14 september 2011, p Bijlage bij Kamerstukken II , , nr. 3. Advies Slachtofferhulp Nederland 14 september 2011, p
31 opgenomen om gebruik te maken van het spreekrecht door personen die niet voldoen aan de huidige wettelijke criteria. Het College van procureurs-generaal adviseerde in 2011 een hardheidsclausule te formuleren die aan de voorzitter de bevoegdheid verleent op het verzoek van de officier van justitie aan een derde, die niet tot de wettelijke categorie van spreekgerechtigden behoort, het spreekrecht toe te kennen. 72 De in de wet voorziene kring van spreekgerechtigden is ontoereikend. 73 Van belang is om duidelijke voorschriften te verstrekken aan de rechter en spreekgerechtigden. Dit kan men bereiken door middel van een hardheidsclausule. Op deze wijze wordt de beoogde uitbreiding van het aantal nabestaanden gerealiseerd Inhoud van het spreekrecht Zoals vermeld in hoofdstuk 3 is de inhoud van het speekrecht niet gewijzigd, en mag enkel een verklaring afgelegd worden over de gevolgen van het strafbaar feit. Thans bestaat er nog steeds geen mogelijkheid voor slachtoffers en nabestaanden om te spreken over de strafmaat. Men betoogt dat deze wijziging ertoe zou leiden dat de verdachte een ondervragingsrecht krijgt ten opzichte van de spreekgerechtigde, welke zou kunnen leiden tot secundaire victimisatie. 74 Echter, het is aan het slachtoffer of diens nabestaanden zelf om zelfstandig of desgewenst met hulp de omvang van de verklaring te bepalen. Hierdoor ligt een secundaire victimisatie minder voor de hand. 75 Het slachtoffer of diens nabestaande kan immers van het spreekrecht afzien of een ander in de gelegenheid stellen om namens hem te spreken als het afleggen van een verklaring te belastend zou zijn. Tevens blijkt uit het evaluatieonderzoek van het spreekrecht dat de spreekgerechtigden wel degelijk behoefte hebben om zich uit te laten over de strafmaat. In de praktijk blijkt al dat veel rechters de regel dat slachtoffers zich alleen kunnen uitlaten over de gevolgen die het strafbaar feit heeft gehad, niet strikt handhaven. 76 Uit het evaluatieonderzoek van het spreekrecht blijkt dat dit niet tot problemen leidt. 77 De rechter neemt een bepaalde vrijheid en corrigeert niet altijd de slachtoffers die zich wel over de strafmaat uitlaten. De rechters corrigeren pas als er buitensporigheden dreigen, en hanteren dan pas de wettelijke grens. Hierdoor bestaat de kans op ongewenste ongelijkheden en ontstaat er rechtsonzekerheid. 78 Bovendien is het voor veel slachtoffers onduidelijk wat ze 72 Bijlage bij Kamerstukken II , , nr. 3. Advies van het College van procureurs-generaal, p Bijlage bij Kamerstukken II , , nr. 3. Advies Slachtofferhulp Nederland 14 september 2011, p Bijlage bij Kamerstukken II , , nr. 3. Advies Slachtofferhulp Nederland 14 september 2011, p Kamerstukken II , , nr Kamerstukken II , , nr K. Lens, A. Pemberton en M. Groenhuijsen, Het spreekrecht in Nederland: een bijdrage aan het emotioneel herstel van slachtoffers? Tilburg Intervict 2010, p Kamerstukken II , , nr
32 nu wel en niet mogen zeggen. Met een uitbreiding van de inhoud van het speekrecht met een wettelijke basis wordt een einde gemaakt aan de onduidelijkheden die er op dit moment zijn. 79 Voorkomen wordt dat bepaalde rechters een vrije verklaring wel toelaten en andere rechters niet en het zorgt ervoor dat deze rechters op één lijn komen te staan met elkaar. Uit het herhaaldelijk genoemde onderzoek betreffende de evaluatie van het spreekrecht blijkt dat de wettelijke grens als een ondergrens wordt gezien door de rechters. De veronderstelling van de onderzoekers die dit rapport hebben geschreven, is dat deze wettelijke grens ertoe dient om het slachtoffer tot de orde te kunnen roepen wanneer hij te ver gaat. De inhoudelijke beperking van het spreekrecht kan worden weggenomen door het strafgeding in tweeën te splitsen, zoals vermeld in het advies van de Nederlandse Orde van de Advocaten. 80 In de eerste fase staat de schuldvraag van de verdachte centraal, zonder de straftoemetingsvraag. Op het moment dat de schuld van de verdachte vaststaat, dient in het tweede deel de straftoemetingsvraag behandeld te worden. Het spreekrecht komt pas in het tweede gedeelte aan bod. Deze verklaringen hebben dan uitsluitend invloed op de straftoemeting, en kunnen niet tot bewijsbaarheid dienen. Een uitbreiding is meer gelegitimeerd op het moment dat degene die als verdachte wordt aangemerkt en naar de slachtofferverklaringen moet luisteren, ook daadwerkelijk de dader is. Het zou immers zeer pijnlijk en belastend kunnen zijn voor iemand die wel verdachte is, maar achteraf niet als dader wordt aangemerkt. Het voordeel voor het slachtoffer is dat hij met deze splitsing de mogelijkheid krijgt zich uit te laten over de gewenste straf of maatregel ten opzichte van iemand van wie vast staat dat hij ook de dader is. In de praktijk is namelijk gebleken dat slachtoffers en nabestaanden vaak uitspraken doen over de strafmaat. Wel kleeft er een nadeel aan een splitsing van het strafgeding. Op het moment dat de verdachte wordt vrijgesproken of er ontslag van alle rechtsvervolging volgt, komt men niet toe aan het tweede deel van de zitting. Het slachtoffer of de nabestaande kan dan geen gebruik meer maken van het spreekrecht. Dit leidt niet tot een versterkte positie van het slachtoffer in het strafproces. Het slachtoffer heeft in principe al de mogelijkheid om zijn mening over de strafmaat naar voren te brengen. 81 Het spreekrecht is op grond van art. 51e lid 1 Sv beperkt en de inhoud van deze verklaring heeft een geringe betekenis bij de straftoemeting. Dit geldt echter niet voor 79 Kamerstukken II , , nr Bijlage bij Kamerstukken II , , nr. 3. Advies van de Nederlandse Orde van Advocaten 17 oktober 2011, p
33 een schriftelijke slachtofferverklaring. Op grond van art. 51b lid 2 Sv heeft het slachtoffer het recht om stukken die hij relevant acht voor de zaak toe te voegen aan het strafdossier. Een schriftelijke slachtofferverklaring valt ook onder dit artikel. Deze verklaring kan dan tot bewijs worden gebezigd van het ten laste gelegde op grond van art. 344 lid 1 sub 5 Sv. 82 Volgens een recent arrest van de Hoge Raad van 6 november 2012 heeft de rechter de vrijheid om op de inhoud van een schriftelijke slachtofferverklaring acht te slaan voor zover in deze verklaring opmerkingen over de op te leggen straf voorkomen. 83 In dit kader lijkt het juist gewenst dat het spreekrecht in één lijn wordt gebracht met de mogelijkheden die al bestaan bij de schriftelijke slachtofferverklaring. Derhalve is het beter dat de wetgever het spreekrecht dezelfde ruimte geeft die al bij een schriftelijke slachtofferverklaring bestaat. Als de bovengenoemde verruiming plaatsvindt, begrijpen slachtoffers en nabestaanden dat er met hun gevoelens rekening is gehouden. De officier van justitie of de rechter kan in zo'n geval een opmerking maken bij het formuleren van de eis of in het vonnis. Spreekgerechtigden krijgen het gevoel dat er naar hen geluisterd wordt. Uiteraard is de voorgestelde strafmaat door het slachtoffer niet leidend voor de rechter en/of het Openbaar Ministerie. Wel is het denkbaar dat het Openbaar Ministerie en/of de rechter bij afwijking van de door het slachtoffer of diens nabestaande gewenste strafmaat, kort kan motiveren waarom hij daarvan afwijkt. Daarnaast blijkt dat in andere landen binnen Europa reeds ervaring is opgedaan met zulke slachtofferrechten en dat er geen sprake is van verharding van de strafmaat onder invloed van de verklaringen van slachtoffers. 84 Zo mag het slachtoffer in Duitsland zich uitlaten over alle aspecten van het strafproces, waaronder de strafmaat. Al met al is de conclusie dat het slachtoffer of diens nabestaande het spreekrecht zou mogen gebruiken waarvoor hij dat wil. Hij kan zijn emoties en woede uiten, maar indien gewenst zou hij ook iets kunnen zeggen over de strafmaat. Wel dient het slachtoffer vooraf goed geïnformeerd en voorbereid te zijn alvorens hij besluit te spreken over de strafmaat. Immers, in sommige gevallen kan het ertoe leiden dat de verdachte of diens verdediging het slachtoffer als getuige wil horen. In feite moet deze keuze aan het slachtoffer worden overgelaten. Het slachtoffer dient zelf dit risico af te wegen. Indien men een dergelijke confrontatie wil vermijden, kan er gebruik worden gemaakt van het spreekrecht op de oude wijze. 82 HR 11 oktober 2011, LJN BR HR 6 november 2012, LJN BX J. van Dijk, De komende emancipatie van het slachtoffer, Naar een verbeterde rechtspositie voor gedupeerden van misdrijven, Tijdschrift voor Herstelrecht 2009 (9), p
34 Met andere woorden, alleen een verklaring afleggen over de gevolgen die het strafbaar feit teweeg heeft gebracht. 4.3 Samenvatting Na de invoering van het spreekrecht voor slachtoffers en nabestaanden op 1 januari 2005, heeft dit recht een vaste plaats gekregen in het Nederlandse strafproces. Uit een eerdere evaluatie van het spreekrecht komt naar voren dat het recht om te spreken in een behoefte voorziet. De wijziging van het spreekrecht van 1 september 2012 brengt met zich mee dat de kring van spreekgerechtigden is uitgebreid. Nu de wet met betrekking tot het spreekrecht is gewijzigd, wordt door de kring van spreekgerechtigden dankbaar gebruikgemaakt van deze uitbreiding. Desondanks zijn er nog veel beperkingen in de huidige situatie te vinden. Er wordt nog steeds geen aandacht besteed aan de groep misdrijven waarbij het spreekrecht niet kan worden uitgeoefend. Ook een minder ernstig strafbaar feit, dat niet in art. 51 e lid 1 Sv is opgenomen, kan een grote impact hebben op het slachtoffer. Derhalve bestaat er ook bij minder ernstige delicten wel degelijk behoefte om gebruik te maken van het spreekrecht. Tevens blijft er ondanks de wetswijziging van 1 september 2012 een lacune in de wet met betrekking tot de kring van spreekgerechtigden. Op grond van art. 51 e lid 4 Sv zijn de echtgenoot (of gelijkwaardig) en de nabestaanden in rechte lijn en in de zijlijn tot in de vierde graad spreekgerechtigd. Het is voorstelbaar dat ook een vriend/vriendin die geen levensgezel is en die niet tot de wettelijke categorie van spreekgerechtigden behoort, gebruik wil maken van het spreekrecht. Daarom is de in de wet voorziene kring van spreekgerechtigden ontoereikend. Voorts is de inhoud van het spreekrecht niet gewijzigd, en mag enkel een verklaring afgelegd worden over de gevolgen van het strafbaar feit. Uit het evaluatieonderzoek van het spreekrecht blijkt dat de spreekgerechtigden wel degelijk behoefte hebben om zich uit te laten over de strafmaat. Kort samengevat kunnen we zeggen dat slachtoffers of hun nabestaanden moeten krijgen waar ze recht op hebben, en dat, waar nodig, deze rechten uitgebreid moeten worden. Slachtoffers en nabestaanden hechten enorm veel waarde aan het spreekrecht, maar ervaren nog steeds tekortkomingen die met de huidige wetswijziging niet zijn weggenomen. De beperkingen die op dit moment aan het spreekrecht kleven, dienen opgeheven te worden. Een verdere uitbreiding van het spreekrecht dient dan ook te worden toegejuicht. De huidige regeling laat nog te veel wensen over, en kan dus (nog) beter. 34
35 5. Onschuldpresumptie Art. 6 van het EVRM geeft het recht op een eerlijke en openbare berechting. Het tweede lid van dit artikel bepaalt de onschuldpresumptie: eenieder tegen wie een vervolging is ingesteld, wordt voor onschuldig gehouden totdat het tegendeel is bewezen. De onschuldpresumptie staat in dit hoofdstuk centraal. Zoals eerder vermeld in hoofdstuk 3, is het spreekrecht beperkt in omvang. Het slachtoffer of diens nabestaande mag zich onder andere uitsluitend uitlaten over de gevolgen die het strafbaar feit teweeg heeft gebracht. Door deze beperking wordt de onschuldpresumptie, het fundamentele uitgangspunt van een eerlijk proces, gewaarborgd. Voorkomen wordt dat het slachtoffer of diens nabestaande zich uitlaat over de strafmaat, terwijl nog niet over de schuldvraag is beslist. Om te bepalen of een verruiming van het spreekrecht niet in strijd is met de onschuldpresumptie van de verdachte, wordt allereerst in dit hoofdstuk de onschuldpresumptie onderzocht. Eerst wordt bezien wat art. 6 EVRM inhoudt. Voorts wordt ingegaan op de betekenis die het EHRM 85 toekent aan de onschuldpresumptie en de invulling van de onschuldpresumptie in het Nederlandse strafprocesrecht. Tot slot wordt beschreven hoe de onschuldpresumptie zich verhoudt tot het spreekrecht en welk effect een verruiming van het spreekrecht zal hebben op de onschuldpresumptie. 5.1 Artikel 6 EVRM: recht op een eerlijk proces Burgers hebben rechten en vrijheden, maar de overheid ziet zich soms genoodzaakt om inbreuk te maken op deze rechten en vrijheden in verband met handhaving van rechtsnormen. De overheid dient echter bepaalde beginselen te waarborgen tegen willekeur van bestraffing en vervolging. In art. 6 van het EVRM is het recht op een eerlijk proces vastgelegd, dat toeziet op het recht van de verdachte van een strafbaar feit op een eerlijke en openbare berechting. Uit het eerste lid van dit artikel blijkt dat het recht op een eerlijke en openbare berechting iedereen gegeven wordt in the determination of his civil rights and obligations or of any criminal charge against him. Daartoe krijgt de verdachte in het eerste lid onder andere het recht op een behandeling binnen een redelijke termijn door een onafhankelijke en onpartijdige rechter. Het recht op een eerlijke behandeling omvat verder de toegang tot de rechter, het zwijgrecht, het recht om gehoord te worden en het recht om onderdeel uit te 85 Hierna aangeduid als het Hof. 35
36 maken van het onderzoek ter terechtzitting. Ook de bewijsvoering speelt een relevante rol bij het recht op een eerlijke behandeling. Het Hof ziet toe op het eerlijke karakter van de gehele procedure. 86 Het tweede lid van dit artikel omvat de onschuldpresumptie, ook wel aangeduid als het vermoeden van onschuld. De onschuldpresumptie heeft als doel te voorkomen dat onschuldige burgers worden veroordeeld. In de volgende paragraaf zal verder worden ingegaan op de onschuldpresumptie. Voorts krijgt de verdachte in het derde lid van art. 6 EVRM het recht om getuigen te ondervragen, het recht om op de hoogte te worden gehouden van de beschuldigingen in de taal die hij spreekt en het recht om zichzelf te verdedigen of gebruik te maken van een raadsman. Het bovenvermelde tweede en het derde lid omvatten het recht op een eerlijke berechting van eenieder die vervolgd wordt wegens een criminal offence. 87 Op grond van art. 94 GW heeft art. 6 EVRM een directe werking in het Nederlandse strafprocesrecht. Dit houdt in dat burgers een direct beroep kunnen doen op de waarborgen die dit artikel biedt. Art. 6 EVRM is niet slechts van toepassing bij de vaststelling van burgerlijke rechten en verplichtingen, maar eveneens bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen een (rechts)persoon ingestelde strafvervolging. 88 Art. 6 EVRM is van toepassing op het moment dat het nationaal recht een verboden gedraging als een strafbaar feit aanmerkt. 89 Deze normschending dient voor toepassing van art. 6 EVRM te vallen onder de noemer "criminal charge". Het Hof interpreteert het begrip "criminal charge" autonoom, dat wil zeggen onafhankelijk van de betekenis van dat begrip naar het nationaal recht. 90 Uit het Öztürk-arrest volgt dat de staten de waarborgen van art. 6 EVRM niet kunnen omzeilen simpel door te bepalen dat afdoening van bepaalde strafrechtelijke inbreuken niet strafrechtelijk zijn. 91 De basis voor de uitleg van de term "criminal charge" is gelegd in de arresten Engel en Öztürk. 92 Van een "criminal charge" is sprake wanneer een individu van een bevoegde autoriteit een officieel bericht ontvangt dat hij ervan wordt verdacht een strafbaar feit te hebben gepleegd. 93 Het verzenden van de dagvaarding aan de verdachte of het bekendmaken van een lopend onderzoek 94 wordt gezien als een officieel bericht van de 86 EHRM 12 mei 2000, NJ 2002, Harteveld e.a. 2004, p Viering 1994, p Viering 1994, p Harteveld e.a. 2004, p EHRM 21 februari 1984, NJ 1988, 937 (Öztürk vs. Duitsland). 92 EHRM 8 juni 1976, NJ 1978, 223 (Engel vs. Nederland). 93 Harteveld e.a. 2004, p EHRM 19 februari 1991, A.195 (Motta vs. Italie). 36
37 daartoe bevoegde autoriteit. Het Hof stelt aan de hand van de volgende drie criteria vast of er sprake is van een "criminal charge" De interne kwalificatie van de inbreuk: Van belang is of de overtreden norm is opgenomen in het strafrecht van de betrokken staat. Dit criterium wordt ook wel het classificatie-criterium genoemd en impliceert de toepasselijkheid van art. 6 EVRM bij strafoplegging door de rechter. Niet iedere strafoplegging impliceert de toepasselijkheid van dit artikel, zo blijkt ook uit het Escoubet-arrest. 96 In deze Belgische zaak werd de inneming van het rijbewijs van een dronken rijder niet onder de reikwijdte van art. 6 EVRM verklaard. De inneming van het rijbewijs was niet bedoeld als straf, maar als een preventieve maatregel om gevaarlijke bestuurders aan het verkeer te onttrekken. 2. De aard van de inbreuk: Het tweede criterium stond centraal in het Öztürk-arrest. Met dit criterium wordt gekeken naar het karakter van de overtreding. Het Hof bepaalt aan de hand van twee subcriteria wat de aard van de overtreding is. Allereerst wordt de vraag gesteld of de strafbaarstelling een algemene of beperkte draagwijdte heeft, met andere woorden tot wie de norm zich richt. 97 Voorts wordt gekeken wat het doel van de sanctie is en of met de sanctie een repressief of alleen een preventief doel wordt nagestreefd. 3. De ernst van de sanctie: Het gaat hierbij om het karakter en de zwaarte van de straf die de verdachte riskeert. De zwaarte van de sanctie kan bepalend zijn voor het strafrechtelijke karakter van de overtreding. 98 Art. 6 EVRM is zoals gezegd primair bedoeld om de betrekkingen tussen de overheid en de burgers aan regels te onderwerpen en daarmee willekeur en machtsmisbruik door de overheid te voorkomen. Het gaat hierbij om fundamentele rechten van verdachten en daders van strafbare feiten. Het is niet ondenkbaar dat deze daders ook slachtoffers hebben gemaakt. De laatstgenoemden vallen echter niet onder het beschermingsbereik van het EVRM. Slachtofferrechten staan namelijk op gespannen voet met de waarborgen die art. 6 EVRM biedt aan de verdachte of dader van het delict. 95 Harteveld e.a. 2004, p EHRM 28 oktober 1998, appl. no /95 (Escoubet vs. Belgium). 97 Viering 1994, p Viering 1994, p
38 Indien door de verdachte een strafbaar feit is gepleegd en dit feit kan worden aangemerkt als een "criminal charge", dient de onschuldpresumptie van de verdachte in acht worden genomen. De consequentie hiervan is dat het spreekrecht van het slachtoffer en diens nabestaanden niet in strijd mag zijn met de onschuldpresumptie van de verdachte. In de volgende paragraaf wordt de onschuldpresumptie verder toegelicht. 5.2 Onschuldpresumptie volgens het EHRM De onschuldpresumptie Art. 6 lid 2 EVRM luidt als volgt: "eenieder tegen wie een vervolging is ingesteld, wordt voor onschuldig gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan". Zoals genoemd in paragraaf 5.1 is deze onschuldpresumptie vastgelegd in het tweede lid van art. 6 EVRM en valt onder het recht op een eerlijk proces. Het vermoeden van onschuld moet, anders dan de waarborg van een eerlijk proces, in elk processtadium afzonderlijk worden gewaarborgd. 99 Immers, in een latere fase kunnen handelingen waarbij de verdachte tijdens het vooronderzoek als dader wordt gebrandmerkt niet meer worden rechtgezet. In de onschuldpresumptie wordt in zijn algemeenheid een onderscheid gemaakt in drie aspecten 100 : - er mag bij redelijke twijfel geen veroordeling volgen; - de verdachte heeft recht op een behandeling als onschuldige; - de verdachte behoeft zijn onschuld niet te bewijzen. Het tweede aspect is met betrekking tot het spreekrecht van belang. Dit aspect zal in het navolgende kort worden besproken Het recht op een behandeling als onschuldige De verdachte heeft recht op een behandeling als onschuldige. Het vermoeden van onschuld begint op het moment waarop eenieder uit een officieel bericht kan afleiden dat tegen hem een 99 Rimanque en De Smet 2002, p Harteveld e.a. 2004, p
39 vervolging wordt gestart. Art. 6 lid 2 EVRM zou immers zijn betekenis verliezen op het moment dat de verdachte uitsluitend op de openbare terechtzitting geacht wordt onschuldig te zijn. De rechter die de zaak behandelt, mag zich vooraf niet over de schuld van de verdachte uitlaten. Het vermoeden van onschuld geldt totdat de schuld in rechte is komen vast te staan, zowel tijdens het onderzoek ter terechtzitting als tijdens het vooronderzoek. Met andere woorden, de onafhankelijke en onpartijdige deelnemers in het strafproces mogen bij aanvang niet van de veronderstelling uitgaan dat de verdachte het strafbaar feit heeft begaan. In de zaak tegen Minelli is dit aspect van de onschuldpresumptie aan bod gekomen. 101 In dit arrest heeft de Zwitserse gerechtelijke overheid de betrokkene veroordeeld tot betaling van de proceskosten, terwijl de strafvordering in verband met verjaring vervallen was. Deze beslissing motiveerde men met het argument dat "zonder de verjaring de verdachte toch zou zijn veroordeeld". Het Hof stelde een schending vast van het tweede lid van art. 6 EVRM omdat de verdachte schuldig werd verklaard zonder dat hij zijn recht op verdediging heeft kunnen uitoefenen. Daarnaast had de nationale rechter blijk gegeven van zijn overtuiging van de schuld van de verdachte. De rechter mag tijdens het proces op geen enkele wijze laten blijken dat hij overtuigd is van de schuld, zolang deze niet in rechte is vast komen te staan. 102 Deze voorwaarde sluit aan bij het principe dat de rechter onpartijdig moet zijn. Bij lacunes in de bewijsvoering dient de verdachte vrijgesproken te worden. 103 De bewijslast ligt overigens bij de staat. Slaagt het Openbaar Ministerie er dus niet in om alle twijfels over de schuld weg te nemen, dan dient de beklaagde in vrijheid te worden gesteld. Op grond van het tweede lid van art. 6 geldt namelijk het vermoeden van onschuld tot het tegendeel is bewezen Onschuldpresumptie in nationale context Zoals eerder vermeld heeft art. 6 EVRM op grond van art. 94 GW een rechtstreekse werking in het Nederlandse strafprocesrecht. De burgers kunnen zich rechtstreeks op deze bepalingen beroepen. De onschuldpresumptie is ook in Nederland een grondbeginsel van het strafrecht, dat bepaalt dat eenieder voor onschuldig wordt gehouden tot het tegendeel is bewezen. Dit recht is echter niet letterlijk gecodificeerd in het Nederlandse strafrecht. Wel zijn bepaalde facetten van de onschuldpresumptie terug te vinden in het nationaal strafprocesrecht. Om in het Nederlandse strafprocesrecht een strafprocedure te beginnen, dient er sprake te zijn van 101 EHRM 25 maart 1983, NJ 1983, 698 (Minelli vs. Zwitserland). 102 Harteveld e.a. 2004, p. 105; EHRM 25 maart 1983, NJ 1983, 698 (Minelli vs. Zwitserland); EHRM 25 augustus 1987, NJ 1988, 938 (Lutz vs. Germany). 103 EHRM 6 december 1988, A.140 (Barbera Messegue en Jabardo vs. Spanje). 104 Rimanque en De Smet 2002, p
40 een verdenking. Er dient een vermoeden te bestaan dat een strafbaar feit is begaan. Vanaf dat moment kunnen door politie en justitie hun bevoegdheden ingezet worden. Het redelijk vermoeden wordt beoordeeld aan de hand van objectieve maatstaven en steunt op die feiten of omstandigheden. Dit is een strenge eis, bedoeld om willekeur van bestraffing door de overheid te voorkomen. Indirect is dit ook te herleiden uit de onschuldpresumptie. Immers, volgens de onschuldpresumptie dient de verdachte niet als dader aangemerkt te worden totdat zijn schuld in rechte is bewezen. De onschuldpresumptie wordt in ons strafprocesrecht in acht genomen vanaf het moment dat sprake is van een verdachte. 105 Volgens art. 27 lid 1 Sv wordt als verdachte aangemerkt "degene te wiens aanzien uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit voortvloeit". Indien de vervolging is aangevangen, wordt ingevolge het tweede lid van art. 27 Sv "als verdachte aangemerkt degene tegen wie de vervolging is gericht". De vraag is hoe die persoon in het Nederlandse strafprocesrecht voor onschuldig gezien moet worden. De onschuldpresumptie geeft een richtlijn voor strafvorderlijke autoriteiten om de verdachte niet als een reeds veroordeelde aan te merken. 106 In Nederland heeft dit de volgende consequenties. Allereerst moet de verdachte niet belast worden met het bewijzen van zijn onschuld. De bewijslast ligt bij de beschuldigende partij. De verdachte dient overigens een eerlijke kans te krijgen om belastend bewijsmateriaal te weerleggen. Enige twijfel over de schuld van de verdachte wordt in het voordeel van de verdachte uitgelegd. Wel bestaan er gevallen waarbij het Openbaar Ministerie een lichte vorm van bewijslast heeft. De overtredingen die in het Wetboek van Strafrecht zijn opgenomen dienen slechts in materiële zin bewezen te worden. Met andere woorden, het Openbaar Ministerie hoeft de schuld of opzet van de verdachte niet te bewijzen omdat deze geen bestanddeel van de delictsomschrijving vormt. Het tweede aspect van de onschuldpresumptie in het Nederlandse strafprocesrecht is dat de rechter moet "uitstralen" dat hij de verdachte niet als een veroordeelde beschouwt. 107 De onschuldpresumptie komt in het tweede lid van art. 271 Sv nader tot uitdrukking. Art. 271 lid 2 Sv werkt dit voor het onderzoek ter terechtzitting uit. Dit artikel bepaalt dat de zittingsrechter geen blijk mag geven van enige overtuiging omtrent de schuld of onschuld van 105 Kamerstukken II , , nr. 455, p Corstens 2008, p Corstens 2008, p
41 de verdachte. Dit maakt tevens onderdeel uit van de eis van rechterlijke onpartijdigheid. Ten derde moet worden voorkomen dat de verdachte van het strafbaar feit, alvorens te zijn veroordeeld, aan de ter zake van de verdenking opgelegde maatregelen zal worden onderworpen. 108 Daarnaast mag de verdachte bij de tenuitvoerlegging van de voorlopige hechtenis niet als een veroordeelde worden aangemerkt. Tot slot heeft de onschuldpresumptie ook consequenties voor de informatieverstrekking door het Openbaar Ministerie aan de media. De informatieverstrekking dient te worden beperkt tot de schuld van de verdachte en mag geen strafrechtelijk kwalificerende conclusies bevatten. Derhalve dient informatieverschaffing door het Openbaar Ministerie terughoudend te gebeuren. De verdachte heeft de mogelijkheid om hierover een klacht in te dienen bij de Nationale Ombudsman. Naar aanleiding van de bovengenoemde analyse kan er geconcludeerd worden dat ofschoon de Nederlandse wetgever de onschuldpresumptie niet wettelijk heeft vastgelegd, hij de gedachte van dit beginsel toch goed heeft laten integreren in het Nederlandse strafprocesrecht. 5.4 Verruiming van het spreekrecht in het kader van de onschuldpresumptie Slachtofferrechten kunnen op gespannen voet staan met de waarborgen van art. 6 EVRM voor verdachten van strafbare feiten. Indien door de verdachte een strafbaar feit is gepleegd en dit feit kan worden aangemerkt als een "criminal charge", dient de onschuldpresumptie van de verdachte in acht te worden genomen. De consequentie hiervan is dat het spreekrecht van het slachtoffer en diens nabestaande niet in strijd mag zijn met de onschuldpresumptie van de verdachte. Het spreekrecht is in de huidige situatie redelijk strikt afgebakend. In hoofdstuk 4 zijn de lacunes in het huidige spreekrecht van slachtoffers en nabestaanden beschreven. Er bestaat immers een alsmaar groeiende behoefte om de positie van het slachtoffer en diens nabestaanden verder te versterken. Zoals eerder besproken is verruiming van het spreekrecht op diverse punten gewenst. Maar is, met het oog op de onschuldpresumptie, deze uitbreiding wel wenselijk? In het navolgende zal per punt bekeken worden of de wijziging in strijd komt met de onschuldpresumptie van de verdachte van een strafbaar feit. 108 Corstens 2008, p
42 5.4.1 Delictscategorieën Zoals bleek, is het spreekrecht opengesteld voor misdrijven waarop een gevangenisstraf van 8 jaar of meer is gesteld, dan wel een van de misdrijven genoemd in art. 51 e lid 1 Sv. Uit paragraaf blijkt dat er ook bij minder ernstige delicten wel degelijk behoefte bestaat om gebruik te maken van het spreekrecht. 109 Over een verruiming van de delictscategorieën kan ik kort zijn. Een uitbreiding van de delictscategorieën waarvoor het spreekrecht geldt, levert geen bezwaar op in het kader van de onschuldpresumptie van de verdachte. Op grond van de onschuldpresumptie wordt eenieder tegen wie een vervolging is ingesteld voor onschuldig gehouden tot het tegendeel is bewezen. Een verruiming van de delictscategorie raakt de belangen van de verdachte niet en komt derhalve niet in strijd met het tweede lid van art. 6 EVRM. In dat kader kan er gezegd worden dat indien er behoefte bestaat bij het slachtoffer of diens nabestaande, hij het spreekrecht bij ieder delict moet kunnen uitoefenen nu blijkt dat een verruiming niet in strijd is met de onschuldpresumptie Kring van spreekgerechtigden Zoals in paragraaf ter sprake kwam, blijft er ondanks de wetswijziging van 1 september 2012 een lacune in de wet met betrekking tot de kring van spreekgerechtigden. Alleen de tot het vierde lid van art. 51e Sv behorende kring van spreekgerechtigden kan gebruikmaken van het spreekrecht. Uit het onderzoek van paragraaf blijkt dat de kring van spreekgerechtigden ontoereikend is, omdat ook bij niet-erkende spreekgerechtigden de impact van het delict even intens en pijnlijk kan zijn. Het is daarom wenselijk dat het spreekrecht verder wordt uitgebreid, en dat in de wet de mogelijkheid wordt opgenomen om gebruik te maken van het spreekrecht door spreekgerechtigden die niet voldoen aan de wettelijke criteria. Ook deze uitbreiding raakt de waarborgen voor de verdachte van het strafbare feit niet en komt niet in strijd met de onschuldpresumptie. Kortom, een uitbreiding van de kring van spreekgerechtigden levert geen bezwaren op ten opzichte van de rechten van de verdachte Inhoud van het spreekrecht De wetswijziging van 1 september 2012 heeft geen verandering gebracht met betrekking tot de inhoud van het spreekrecht. Zoals eerder gezegd bestaat de mogelijkheid om te spreken over de strafmaat er nog niet. In paragraaf van deze masterthesis is naar voren gekomen dat spreekgerechtigden wel degelijk behoefte hebben zich uit te laten over de strafmaat. Door 109 Bijlage bij Kamerstukken II , , nr. 3. Advies Slachtofferhulp Nederland 14 september 2011, p
43 de huidige inperking is er feitelijk sprake van een muilkorfspreekrecht. 110 Maar is deze verruiming van het spreekrecht wenselijk, gezien de onschuldpresumptie? Uitbreiding van het spreekrecht in die zin zal nadelige consequenties hebben voor de verdachte en voor de positie van het slachtoffer. 111 In de literatuur is uitvoerig ingegaan op de belasting en de mogelijkheden van secundaire victimisatie, indien het slachtoffer niet ongehinderd zijn verklaring kan afleggen en geen vragen van de verdediging hoeft te verwachten. Uit paragraaf blijkt dat indien het slachtoffer zich uitlaat over de strafmaat, dit ertoe kan leiden dat de verdachte een ondervragingsrecht krijgt ten opzichte van de spreekgerechtigde. Indien de verdachte dit ondervragingsrecht niet heeft, komt het spreekrecht in strijd met art. 6 EVRM. Uitingen over de gevolgen die het strafbaar feit teweeg heeft gebracht zijn hierop een uitzondering, omdat deze verklaringen zich niet voor feitelijke weerlegging lenen. In de huidige situatie hebben de officier van justitie en de verdediging de mogelijkheid om het slachtoffer naar aanleiding van zijn verklaring vragen te stellen. Het slachtoffer is echter niet verplicht een antwoord te geven. Op het moment dat het wettelijk vaststaat dat het slachtoffer of de nabestaande zich kan uiten over de strafmaat, dient een aanvullende voorziening ten behoeve van de verdachte in overweging te worden genomen, in verband met de eisen van een behoorlijke procedure (hoor en wederhoor) zoals vastgelegd in art. 6 EVRM. Het slachtoffer komt in de positie van een getuige, waardoor de verdachte het recht heeft om te reageren op het oordeel van het slachtoffer. Daarnaast is de schuld van de verdachte nog niet vastgesteld op het moment dat het slachtoffer op de terechtzitting het woord voert. Het verdient immers de aandacht dat op grond van de onschuldpresumptie de verdachte van het strafbare feit als onschuldig aangemerkt moet worden tot het tegendeel is bewezen. De verklaringen van het slachtoffer kunnen pijnlijk en intens zijn voor iemand die wel verdachte is, maar achteraf niet als dader wordt aangemerkt. 112 Dit kan eveneens pijnlijk zijn voor degene die gebruik heeft gemaakt van zijn spreekrecht. Op het moment dat het slachtoffer zich wel kan uitlaten over de strafmaat, dient de verdachte tijdens de zitting de gelegenheid te krijgen om op het belastende materiaal een reactie te geven. Daarom is aan de verdachte het ondervragingsrecht van art. 6 lid 3 sub d EVRM toegekend. 110 M. Groenhuijsen en R. Letschert, Over spreekrecht plus en een twee fasen proces: Dilemma's bij een verantwoorde hervorming van het strafprocesrecht, KLM van Dijk: Liber amicorum prof. Dr. Mr. J.J.M. Van Dijk 2012, p J.C.A.M. Claassens, Het slachtoffer in het strafproces, Strafblad , p Kamerstukken II , , nr
44 Onder bepaalde omstandigheden kan het voor de verdachte van groot belang zijn om niet alleen een reactie op de verklaringen van het slachtoffer te geven, maar ook vragen te stellen om de verklaringen van het slachtoffer in een andere perspectief te plaatsen. 113 Het ondervragingsrecht is namelijk een van de belangrijkste waarborgen voor een eerlijk strafproces. Wel heeft het Hof het ondervragingsrecht van de verdachte beperkt ten aanzien van slachtoffers van zedendelicten. Deze beperking vindt zijn grondslag in art. 8 EVRM, en betreft de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer. 114 In paragraaf is de tweefasenstructuur aan bod gekomen. In het kader van de onschuldpresumptie is het wenselijk om strafzaken in tweeën te splitsen. De rechter buigt zich allereerst over de bewijsvragen en beslist in de eerste fase of de verdachte schuldig is. Dan pas komt men toe aan de tweede fase, aan de vraag welke straf of maatregel opgelegd kan worden. Het spreekrecht komt dan in de tweede fase aan bod. De uitlatingen over de strafmaat hebben dan alleen invloed op de straftoemeting, en zullen niet in strijd komen met de onschuldpresumptie. Het slachtoffer uit zich dan ten opzichte van iemand van wie vaststaat dat hij ook de dader is. Zo voorkomt men dat het spreekrecht in strijd komt met art. 6 EVRM. Het recht op een eerlijke berechtiging van de verdachte wordt gewaarborgd en het slachtoffer kan alsnog het spreekrecht gebruiken waarvoor hij dat wil. 5.5 Samenvatting Slachtofferrechten kunnen op gespannen voet staan met de waarborgen van art. 6 EVRM voor verdachten van strafbare feiten. Art. 6 van het EVRM geeft het recht op een eerlijke en openbare berechting. Het tweede lid van dit artikel bepaalt de onschuldpresumptie: eenieder tegen wie een vervolging is ingesteld, wordt voor onschuldig gehouden tot het tegendeel is bewezen. Indien door de verdachte een strafbaar feit is gepleegd en dit feit aangemerkt kan worden als een "criminal charge", dient de onschuldpresumptie van de verdachte in acht te worden genomen. Het spreekrecht dient de waarborgen van het tweede lid van art. 6 EVRM niet te raken. 113 M.J.A. Duker, 'Commentaar op wetsvoorstel : het spreekrecht van het slachtoffer en het ondervragingsrecht', NJCM -Bulletin 2002, 27-4, p M.J.A. Duker, 'Commentaar op wetsvoorstel : het spreekrecht van het slachtoffer en het ondervragingsrecht', NJCM -Bulletin 2002, 27-4, p
45 Het spreekrecht is in de huidige situatie strikt afgebakend. Uit onderzoek blijkt dat een verruiming van het spreekrecht wenselijk is, met name op gebied van de delictscategorieën, de kring van spreekgerechtigden en de inhoud van het spreekrecht. Uitbreiding van de delictscategorieën waarvoor het spreekrecht geldt en van de kring van spreekgerechtigden levert geen bezwaar op in het kader van de onschuldpresumptie. Een uitbreiding in onderhavige zin raakt de belangen van de verdachte niet en komt derhalve niet in strijd met het tweede lid van art. 6 EVRM. Uitbreiding van de inhoud van het spreekrecht kan nadelige consequenties hebben voor de verdachte en voor de positie van het slachtoffer. Op het moment dat het wettelijk wordt dat het slachtoffer of diens nabestaande zich kan uiten over de strafmaat, dient een aanvullende voorziening ten behoeve van de verdachte in overweging te worden genomen, in verband met de eisen van een behoorlijke procedure (hoor en wederhoor) zoals vastgelegd in art. 6 EVRM. Het slachtoffer komt in de positie van een getuige, waardoor de verdachte het recht heeft om te reageren op het oordeel van het slachtoffer. Daarnaast is de schuld van de verdachte nog niet vastgesteld op het moment dat het slachtoffer op de terechtzitting het woord voert. In dat kader is het wenselijk om strafzaken in tweeën te splitsen. De rechter buigt zich allereerst over de bewijsvragen en beslist in de eerste fase of de verdachte schuldig is. Dan pas komt men toe aan de tweede fase, aan de vraag welke straf of maatregel opgelegd kan worden. Het spreekrecht komt dan in de tweede fase aan bod. Het recht op een eerlijke berechting van de verdachte wordt gewaarborgd en het slachtoffer kan alsnog het spreekrecht gebruiken waarvoor hij dat wil. 45
46 6. Conclusie en aanbevelingen 6.1 Conclusie Deze masterthesis is geschreven naar aanleiding van de wetswijziging inzake het spreekrecht van slachtoffers en nabestaanden. Uit het evaluatieonderzoek van het spreekrecht in Nederland blijkt dat slachtoffers en nabestaanden het spreekrecht waarderen. 115 Zij voelen zich immers voorzien in hun behoefte om hun ervaringen kenbaar te maken aan de rechter en de verdachte. Wel werd de strikte beperking van de spreekgerechtigden op de zitting als knellend ervaren. Op 1 september 2012 is de Wet uitbreiding spreekrecht voor slachtoffers en nabestaanden in het strafrecht in werking getreden naar aanleiding van de gaten in de Wet spreekrecht slachtoffers van Het spreekrecht is door de nieuwe wet op enkele belangrijke punten verruimd. Allereerst mogen in plaats van slechts één nabestaande, maximaal drie nabestaanden het spreekrecht uitoefenen. Niet alleen de (voormalige) levensgezel van het door het delict omgekomen slachtoffer, maar ook (maximaal) drie andere nabestaanden hebben het recht om te spreken. Verder krijgen de ouders en voogden het spreekrecht, indien het gaat om minderjarige slachtoffers die te jong zijn en niet in staat zijn om te praten over de gevolgen die het delict voor hen teweeg heeft gebracht. Zijn de minderjarige slachtoffers wel in staat om zelf te spreken, dan mogen ze het spreekrecht zelf uitoefenen. Daarnaast kunnen de ouders van deze minderjarige slachtoffers het spreekrecht zelfstandig uitoefenen. Indien het slachtoffer niet in staat is om het spreekrecht zelf uit te oefenen in verband met een fysieke of geestelijke toestand, kan volgens de nieuwe wet het spreekrecht worden uitgeoefend door de levensgezel of één naaste. Tot slot kan het slachtoffer of diens nabestaande zich laten bijstaan door een raadsman of een medewerker van Slachtofferhulp Nederland. De nieuwe wet is een stap in de goede richting als het gaat om de versterking van de positie van slachtoffers en nabestaanden in het strafproces en is derhalve een zinvolle aanvulling op hetgeen in eerdere jaren op dit gebied al is bereikt. Maar biedt deze wet vooralsnog voldoende waarborg voor de spreekgerechtigde? Daarom heb ik mij de volgende onderzoeksvraag gesteld: 115 K. Lens, A. Pemberton en M. Groenhuijsen, Het spreekrecht in Nederland: een bijdrage aan het emotioneel herstel van slachtoffers? Tilburg Intervict
47 Op welke manier kan een verruiming van het spreekrecht plaatsvinden, zonder dat er strijd ontstaat met de onschuldpresumptie ten aanzien van de verdachte? Slachtoffers en nabestaanden ervaren nog steeds frustraties en beperkingen in het huidige spreekrecht van Mijns inziens is het huidige spreekrecht met enig kunst- en vliegwerk in het Wetboek van Strafvordering geregeld. De huidige inperking van het spreekrecht zorgt voor een "muilkorfspreekrecht", dat ontoereikend is voor slachtoffers en nabestaanden. Het spreekrecht dient niet een door de rechter te verlenen gunst te worden, maar een volledig spreekrecht. Zoals eerder genoemd is het een onwrikbaar uitgangspunt dat het spreekrecht geen inbreuk mag maken op de waarborgen van de verdachte. Daarmee is het spreekrecht van slachtoffers en nabestaanden een vreemde maar vooral ongemakkelijk eend in de bijt van het Nederlandse strafprocesrecht. Bij een verruiming van het spreekrecht zouden er waarborgen in het gedrang kunnen komen, zoals de onschuldpresumptie. Maar ik ben van mening dat een uitbreiding van het spreekrecht mogelijk is zonder dat er sprake is van strijd met de onschuldpresumptie. Allereerst kan een verruiming van de delictscategorieën plaatsvinden. Dit levert geen bezwaar op in het kader van de onschuldpresumptie van de verdachte, zoals neergelegd in art. 6 lid 2 EVRM. Deze uitbreiding raakt de belangen van de verdachte niet. Deze uitbreiding leidt er immers niet toe dat de verdachte niet onschuldig wordt geacht tot het tegendeel is bewezen. Het spreekrecht dient niet alleen van toepassing te zijn op misdrijven genoemd in art. 51e lid 1 Sv. Derhalve bestaat ook bij minder ernstige strafbare feiten de behoefte aan spreekrecht. De beleving van het slachtoffer dient hierin het criterium te zijn. Indien er behoefte bestaat bij het slachtoffer of diens nabestaanden, moet mijns inziens bij ieder delict van het spreekrecht gebruikgemaakt kunnen worden. Ook een uitbreiding van de kring van spreekgerechtigden kan plaatsvinden zonder dat er strijd ontstaat met de onschuldpresumptie van de verdachte. Deze kring is op dit moment ontoereikend, omdat de pijn en het leed bij personen die niet tot de wettelijke categorie behoren, even intens en zwaar kunnen zijn. Derhalve dient in de wet een hardheidsclausule opgenomen te worden die de rechter de bevoegdheid geeft om aan personen die niet tot de wettelijke categorie behoren, alsnog het spreekrecht toe te kennen. 47
48 Tot slot ervaren slachtoffers en nabestaanden nog steeds moeite met de opgelegde zelfcensuur. Spreekgerechtigden mogen uitsluitend een verklaring afleggen over de gevolgen die het strafbare feit teweeg heeft gebracht. Spreekgerechtigden zouden niet gehinderd moeten worden om alles te zeggen wat ze willen. De mogelijkheid om te spreken over de strafmaat is er nog niet. Een verruiming in die zin kan nadelige consequenties hebben voor de spreekgerechtigde. Immers, op het moment dat het slachtoffer zich kan uiten over de strafmaat, kan dit ertoe leiden dat de verdachte een ondervragingsrecht krijgt ten opzichte van de spreekgerechtigde. Indien de verdachte dit ondervragingsrecht niet heeft, komt het spreekrecht in strijd met de eisen van een behoorlijke procedure zoals vastgelegd in art. 6 EVRM. In het kader van de onschuldpresumptie is het wenselijk om strafzaken in tweeën te splitsen, zoals beschreven in par Het spreekrecht dient dan in de tweede fase behandeld te worden. Het slachtoffer uit zich dan ten opzichte van iemand van wie vast staat dat hij ook de dader is. Het recht op een eerlijke berechtiging van de verdachte wordt gewaarborgd en het slachtoffer kan alsnog het spreekrecht gebruiken waarvoor hij dat wil. Kortom, het spreekrecht van slachtoffers en spreekgerechtigden moet beter worden verankerd in het strafprocesrecht. Het dient niet van de individuele rechter af te hangen hoeveel ruimte het slachtoffer dan wel zijn nabestaande krijgt. Nederland toont zich in bovengenoemde beperkingen zeer behoudend. Geconstateerd kan worden dat Nederland zeer streng in de leer is wat betreft de waarborgen die in art. 6 EVRM zijn vastgelegd. Mijns inziens onnodig: andere Europese landen die het EVRM ook hebben ondertekend, hebben de spreekgerechtigde een ruimer spreekrecht toegekend. De waarborgen van art. 6 EVRM staan bovengenoemde uitbreidingen niet in de weg. Nederland hoeft niet het braafste jongetje van de klas te zijn en moet niet tevreden achterover leunen om van het uitzicht te genieten. Het spreekrecht kan namelijk nog beter. 48
49 6.2 Aanbevelingen Op basis van de bevindingen in deze masterthesis zijn de volgende aanbevelingen geformuleerd. - Zoals genoemd in de conclusie dient de "harde knip", de splitsing van het strafproces in tweeën, in overweging worden genomen. Middels een experiment kan gekeken worden of deze tweefasenstructuur voldoende waarborg biedt voor het slachtoffer en diens nabestaanden. De spreekgerechtigde krijgt dan in de tweede fase de ruimte om te spreken over de strafmaat. Wel dient de rechter de wettelijke mogelijkheid te krijgen om er zorg voor te dragen dat het spreekrecht op een beschaafde manier wordt uitgeoefend. - Slachtoffer Nederland pleit voor een "spreekrecht plus" waardoor het slachtoffer dan wel zijn nabestaande zich ook over andere aspecten kan uitlaten. 116 Als alternatief voor de "harde knip" dient in de wet het spreekrecht gesplitst te worden in twee categorieën. Als eerste categorie het spreekrecht, waarin alleen een verklaring afgelegd kan worden over de gevolgen van het strafbaar feit. Tevens een tweede categorie, het spreekrecht plus, waarmee bedoeld wordt dat de spreekgerechtigde zich ook kan uitlaten over het misdrijf, de verdachte en de strafmaat. In dit geval dient het slachtoffer vooraf beter geïnformeerd en ondersteund te worden, omdat de verdachte op grond van art. 6 EVRM het ondervragingsrecht heeft. Mijns inziens is dit een risico dat de spreekgerechtigde zelf moet afwegen en een beslissing die hij zelf zal moeten nemen. Met behulp van goede voorlichting komt dit tegemoet aan de behoefte van de spreekgerechtigden die wel iets over de strafmaat willen zeggen. - Uit onderzoek blijkt dat de spreekrechtverklaring impact heeft op de verdachte. Zoals vermeld in hoofdstuk 2 heeft het spreekrecht een speciale preventie tot doel om recidive te voorkomen. Vaak komt het voor dat de verdachte tijdens de zitting weggaat of wegblijft. De wet dient een wettelijke basis te creëren om de verdachte in bepaalde gevallen, middels een bevel tot medebrenging, te dwingen om aanwezig te zijn en kennis te nemen van wat de spreekgerechtigde te melden heeft M. Groenhuijsen en R. Letschert, Over spreekrecht plus en een twee fasen proces: Dilemma's bij een verantwoorde hervorming van het strafprocesrecht, KLM van Dijk: Liber amicorum prof. Dr. Mr. J.J.M. Van Dijk 2012, p Korver 2012, p
50 - Indien het slachtoffer of de nabestaande zich heeft aangemeld om gebruik te maken van het spreekrecht en ter zitting niet verschijnt of niet correct is opgeroepen, dient de behandeling van de strafzaak in uitzonderlijke gevallen eenmaal om die reden worden aangehouden. De rechter dient hierbij het belang van de voortgang van de zaak en het belang van het slachtoffer en de verdachte zorgvuldig af te wegen. 118 Bij een hogerberoepszaak dient het Hof de mogelijkheid te krijgen om de zaak terug te verwijzen naar de rechter in eerste aanleg, zodat het slachtoffer alsnog de gelegenheid krijgt om zijn spreekrecht uit te oefenen. 119 Om te komen tot een volledig spreekrecht is het essentieel dat bovengenoemde aanbevelingen worden ingevoerd, opdat de stem van slachtoffers en nabestaanden beter kan worden gehoord. 118 Kamerstukken II , , nr S. Leferink, Slachtofferrechten, doen ze recht aan slachtoffers?, informatiefolder Slachtofferhulp Nederland, februari 2012, p
51 Literatuurlijst Geraadpleegde literatuur Claassens 2012 J.C.A.M. Claassens, Het slachtoffer in het strafproces, Strafblad Corstens 2008 G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, Deventer: Kluwer Dijk 2009 J. van Dijk, 'De komende emancipatie van het slachtoffer. Naar een verbeterde rechtspositie voor gedupeerden van misdrijven', Tijdschrift voor Herstelrecht Duker 2002 M.J.A. Duker, 'Commentaar op wetsvoorstel : het spreekrecht van het slachtoffer en het ondervragingsrecht', NJCM -Bulletin 2002, Fernhout & Spronken 2005 F. Fernhout & T. Spronken, Spreekrecht voor slachtoffers, aspirientjes voor de rest, NJB Groenhuijsen & Letschert 2012 M. Groenhuijsen & R. Letschert, Over spreekrecht plus en een twee fasen proces: Dilemma's bij een verantwoorde hervorming van het strafprocesrecht, in M.S. Groenhuijsen, R.M. Letschert, & S. Hazenbroek (Eds.), KLM Van Dijk: Liber amicorum prof.dr.mr. J.J.M. van Dijk, Nijmegen: Wolf Legal Publishers Harteveld 2004 A.E. Harteveld e.a., Het EVRM en het Nederlandse Strafprocesrecht, Deventer: Kluwer Korver 2012 R. Korver, Recht van spreken, slachtoffers in het Nederlandse strafproces, Amsterdam: De Arbeiderspers
52 Leferink 2012 S. Leferink, Slachtofferrechten, doen ze recht aan slachtoffers?, informatiefolder Slachtofferhulp Nederland, februari Lens, Pemberton & Groenhuijsen 2010 K. Lens, A. Pemberton & M.S. Groenhuijsen, Het spreekrecht in Nederland: een bijdrage aan het emotioneel herstel van slachtoffers? Tilburg: Intervict Rimanque & De Smet 2002 K. Rimanque en B. De Smet, Het recht op behoorlijke rechtsbedeling, een overzicht op basis van artikel 6 EVRM, Antwerpen-Apeldoorn: Maklu Spronken 2011 T. Spronken, spreekrecht, NJB 2011, nr. 43. Viering 1994 M.L.W.M. Viering, Het toepassingsgebied van artikel 6 EVRM, Zwolle: Tjeenk Willink Parlementaire stukken Kamerstukken II , , nr. 3. Kamerstukken II , , nr. 1. Kamerstukken II , , nr. 3. Kamerstukken II , , nr. 5. Kamerstukken II , , nr. 8. Kamerstukken II , , nr Kamerstukken II , , nr. 3. Kamerstukken II , , nr. 4. Kamerstukken II , , nr. 5. Kamerstukken II , , nr. 6. Kamerstukken II , , nr. 8 Bijlage bij Kamerstukken II , , nr. 3. Advies Slachtofferhulp Nederland 14 september
53 Bijlage bij Kamerstukken II , , nr. 3. Advies van het College van procureursgeneraal 30 september Bijlage bij Kamerstukken II , , nr. 3. Advies van de Nederlandse Orde van Advocaten 17 oktober Jurisprudentie EHRM: EHRM 8 juni 1976, NJ 1978, 223 (Engel vs. Nederland). EHRM 25 maart 1983, NJ 1983, 698 (Minelli vs. Zwitserland). EHRM 21 februari 1984, NJ 1988, 937 (Öztürk vs. Duitsland). EHRM 25 augustus 1987, NJ 1988, 938 (Lutz vs. Germany). EHRM 6 december 1988, A.140 (Barbera Messegue en Jabardo vs. Spanje). EHRM 19 februari 1991, A.195 (Motta vs. Italie). EHRM 28 oktober 1998, appl. no /95 (Escoubet vs. Belgium). EHRM 12 mei 2000, NJ 2002, 180. Hoge Raad: HR 11 oktober 2011, NJ 2011, 558. HR 11 oktober 2011, LJN BR2359. HR 6 maart 2012, NS 2012, 159. HR 6 november 2012, LJN BX8471. Rechtbank: Rb. Amsterdam 15 december 2011, LJN BU8322. Rb. Amsterdam 23 juli 2012, LJN BX2325. Rb. s-gravenhage 15 oktober 2012, LJN BY0109. Elektronische bronnen < versterking van de positie van het slachtoffer, geraadpleegd op 1 maart
54 < geraadpleegd op 10 april Erica van Asselt-Pronk, Spreekrecht slachtoffers en nabestaanden uitgebreid, , < geraadpleegd op 1 maart
Verruiming spreekrecht in rechtszaal van kracht
Regelingen en voorzieningen CODE 6.5.6.28 Verruiming spreekrecht in rechtszaal 1.9.2012 van kracht tekst bronnen Nieuwsbericht ministerie van Veiligheid en Justitie 10.7.2012; www.rijksoverheid.nl Wet
Tweede Kamer der Staten-Generaal
Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 20 202 33 76 Wijziging van het Wetboek van Strafvordering ter uitbreiding van het spreekrecht van slachtoffers en nabestaanden in het strafproces Nr. 4 ADVIES
Tweede Kamer der Staten-Generaal
Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2004 2005 30 143 Wijziging van het Wetboek van Strafvordering ter versterking van de positie van het slachtoffer in het strafproces Nr. 2 VOORSTEL VAN WET
Het adviesrecht voor slachtoffers. Een toegevoegde waarde?
Het adviesrecht voor slachtoffers. Een toegevoegde waarde? Masterscriptie S. van Eersel ANR: 583395 Universiteit van Tilburg, Faculteit Rechtswetenschappen Afstudeerrichting: Rechtsgeleerdheid, accent
Wijziging van het Wetboek van Strafvordering ter uitbreiding van het spreekrecht van slachtoffers en nabestaanden in het strafproces
Wijziging van het Wetboek van Strafvordering ter uitbreiding van het spreekrecht van slachtoffers en nabestaanden in het strafproces VOORSTEL VAN WET Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden,
Wel of niet verder uitbreiden?
Het spreekrecht van het slachtoffer in het strafproces Wel of niet verder uitbreiden? Masterscriptie M. Moens ANR: 1246969 Universiteit van Tilburg, Faculteit Rechtswetenschappen Afstudeerrichting: Rechtsgeleerdheid,
Recht en bijstand bij juridische procedures
Recht en bijstand bij juridische procedures In deze folder leest u meer 0900-0101 (lokaal tarief) over de juridische bijstand door Slachtofferhulp Nederland en de rechten van slachtoffers. Een wirwar van
Spreekrecht en schriftelijke slachtofferverklaring
Spreekrecht en schriftelijke slachtofferverklaring Voor u als slachtoffer of nabestaande is het mogelijk om tijdens de rechtszaak een verklaring af te leggen of in te dienen. Spreekrecht en schriftelijke
Recht uit het hart spreken
Recht uit het hart spreken Een onderzoek naar de rechtspositie van minderjarige slachtoffers ten aanzien van het spreekrecht en de openbare terechtzitting Masterscriptie Universiteit van Tilburg Faculteit
Verdieping: Positie van het slachtoffer
Verdieping: Positie van het slachtoffer Korte omschrijving werkvorm: In de afgelopen jaren is de positie van het slachtoffer in het strafrecht almaar versterkt, maar in de huidige wetgeving is er geen
Het slachtoffer in het strafproces
Het slachtoffer in het strafproces Mijn mobiele telefoon a. Staat natuurlijk al uit. b. Staat nog aan, maar die zet ik nu onmiddellijk uit. c. Omdat ik heel belangrijk ben laat ik die aanstaan, maar wel
ARRESTANTENVERZORGING. Juridische aspecten De politie Het strafproces Verzorging Ethiek
ARRESTANTENVERZORGING Juridische aspecten De politie Het strafproces Verzorging Ethiek januari 2013 Doel van het strafproces / strafvordering = het nemen van strafvorderlijke beslissingen Bestaat uit =
De concrete voorstellen in dit pamflet dragen in de optiek van de VVD bij aan het verwezenlijken van deze doelstellingen.
Slachtoffer zijn van een misdrijf is ingrijpend. Het draagt bij aan de verwerking van dit leed als slachtoffers het gevoel hebben dat zij de aandacht krijgen die zij verdienen. Dat zij zo goed mogelijk
Tweede Kamer der Staten-Generaal
Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2014 2015 34 257 Wijziging van het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Strafvordering en het Wetboek van Strafrecht teneinde de vergoeding van affectieschade
De positie van het slachtoffer in het strafproces. 2.1. Definitie slachtoffer. 2.2. Correcte bejegening. 2. De rechten van het slachtoffer
2. De rechten van het slachtoffer 2.1. Definitie slachtoffer In de wet is een definitie van het begrip slachtoffer opgenomen: degene die als rechtstreeks gevolg van een strafbaar feit vermogensschade of
Het spreekrecht van slachtoffers en nabestaanden
1 Het spreekrecht van slachtoffers en nabestaanden Is uit oogpunt van het spreekrecht voor slachtoffers en nabestaanden, een tweefasenproces passend binnen het Nederlandse Strafprocesrecht, mede gelet
Masterscriptie Universiteit van Tilburg Faculteit Rechtswetenschappen
Masterscriptie Universiteit van Tilburg Faculteit Rechtswetenschappen Te verdedigen tegenover de examencommissie, bestande uit: Mevrouw mr. V.M. Smits en mevrouw mr. R. Heerkens Op 19 februari 2013 te
Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden
Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden Jaargang 2010 1 Wet van 17 december 2009 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering, het Wetboek van Strafrecht en de Wet schadefonds geweldsmisdrijven
Aanwijzing. Slachtofferzorg. Parket Curaçao
Aanwijzing Slachtofferzorg Parket Curaçao Samenvatting Deze aanwijzing stelt regels betreffende de bejegening van slachtoffers van misdrijven, zoals zeden, geweld- en verkeersmisdrijven. Daarbij worden
Wet schadefonds geweldsmisdrijven in werking per 1.1.2012
Regelingen en voorzieningen CODE 6.5.6.32 Wet schadefonds geweldsmisdrijven in werking per 1.1.2012 bronnen Nieuwsbericht Schadefonds geweldsmisdrijven 6.6.2011; www.schadefonds.nl Wet van 6 juni 2011
Aanwijzing spreekrecht en schriftelijke slachtofferverklaring
JU Aanwijzing spreekrecht en schriftelijke slachtofferverklaring Categorie: Strafvordering Rechtskarakter: Aanwijzing i.d.z.v. art. 130, lid 4 Wet RO Afzender: College van procureursgeneraal Adressant:
Voegen in het strafproces
Voegen in het strafproces Voegen in het strafproces april 2011 U bent slachtoffer geworden van een misdrijf of overtreding en u heeft daarbij schade geleden. Eén van de mogelijkheden om uw schade vergoed
Datum 23 februari 2012 Onderwerp Beantwoording Kamervragen over de voorlopige hechtenis van dhr. R.
1 > Retouradres Postbus 20301 2500 EH Den Haag Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG Schedeldoekshaven 100 2511 EX Den Haag Postbus 20301 2500 EH Den
Deze brochure 3. Dagvaarding 3. Bezwaarschrift 3. Rechtsbijstand 4. Slachtoffer 4. Inzage in uw dossier 4. Getuigen en deskundigen 5.
U MOET TERECHTSTAAN INHOUD Deze brochure 3 Dagvaarding 3 Bezwaarschrift 3 Rechtsbijstand 4 Slachtoffer 4 Inzage in uw dossier 4 Getuigen en deskundigen 5 Uitstel 5 Aanwezigheid op de terechtzitting 6 Verstek
De positie van het slachtoffer in het strafproces
De positie van het slachtoffer in het strafproces Daniëlle van Gastel Anr: s823558 Scriptie in de strafrechtswetenschappen Universiteit van Tilburg Master Nederlands recht, accent strafrecht Begeleiders:
Masterscriptie Rechtsgeleerdheid accent Strafrecht
Masterscriptie Rechtsgeleerdheid accent Strafrecht HET SPREEKRECHT VOOR SLACHTOFFERS EN NABESTAANDEN VS. RECHTEN VAN EEN VERDACHTE Een onderzoek naar de invloed van het spreekrecht voor slachtoffers en
Advies Conceptwetsvoorstel implementatie EU-richtlijn minimumnormen slachtoffers van strafbare feiten
contactpersoon De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie mr. F. Teeven Postbus 20301 2500 EH Den Haag datum 7 oktober 2014 Voorlichting e-mail [email protected] telefoonnummer 06-46116548
33000 VI Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Veiligheid en Justitie (VI) voor het jaar 2012
33000 VI Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Veiligheid en Justitie (VI) voor het jaar 2012 Nr. 75 Brief van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie Aan de Voorzitter van
ECLI:NL:GHLEE:2011:BU1518
ECLI:NL:GHLEE:2011:BU1518 Instantie Datum uitspraak 17-10-2011 Datum publicatie 25-10-2011 Gerechtshof Leeuwarden Zaaknummer 24-003332-09 Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Strafrecht
arrest GERECHTSHOF AMSTERDAM Parketnummer: X Datum uitspraak: 20 oktober 2016 TEGENSPRAAK (gemachtigde raadsman)
arrest GERECHTSHOF AMSTERDAM Parketnummer: X Datum uitspraak: 20 oktober 2016 TEGENSPRAAK (gemachtigde raadsman) Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis
De Amsterdamse zedenzaak Vragen en Antwoorden
De Amsterdamse zedenzaak Vragen en Antwoorden MAART 2012 Waarvan worden Roberts M. en Richard van O. beschuldigd? Het Openbaar Ministerie (OM) verdenkt Roberts M. van vele gevallen van seksueel binnendringen
ECLI:NL:PHR:2014:1700 Parket bij de Hoge Raad Datum conclusie Datum publicatie Zaaknummer 12/04833
ECLI:NL:PHR:2014:1700 Instantie Parket bij de Hoge Raad Datum conclusie 01-07-2014 Datum publicatie 26-09-2014 Zaaknummer 12/04833 Formele relaties Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken - Inhoudsindicatie
Uitbreiding spreekrecht ex art. 51e Sv. De gevolgen voor de rechtspositie van de verdachte.
2013 Uitbreiding spreekrecht ex art. 51e Sv. De gevolgen voor de rechtspositie van de verdachte. De gevolgen voor de rechtspositie van de verdachte indien het spreekrecht voor slachtoffers en nabestaanden
`Voorheen kon ook zonder machtiging de raadsman de verdediging voeren voor zijn afwezige cliënt, sedert het Bouterse-arrest niet meer.
3.8 Meningen van bevraagden ten aanzien van de verstekregeling 3.8.1 Verruiming mogelijkheden verdachte? Uit de verkregen reacties wordt duidelijk dat er uiteenlopende antwoorden zijn gegeven op de vraag
Het spreekrecht van het slachtoffer en het ondervragingsrecht Notitie van het NJCM naar aanleiding van wetsvoorstel nr. 27632
Het spreekrecht van het slachtoffer en het ondervragingsrecht Notitie van het NJCM naar aanleiding van wetsvoorstel nr. 27632 1. Inleiding Het NJCM heeft kennis genomen van het door Tweede kamerlid Dittrich
Masterscriptie Rechtsgeleerdheid accent Strafrecht
Masterscriptie Rechtsgeleerdheid accent Strafrecht De ontwikkelingen omtrent de positie van het slachtoffer in het strafprocesrecht - Van spreekrecht naar adviesrecht? Jolein Dortmans ANR 182544 Master
Eerste Kamer der Staten-Generaal
Eerste Kamer der Staten-Generaal 1 Vergaderjaar 2016 2017 34 257 Wijziging van het urgerlijk Wetboek, het Wetboek van Strafvordering en het Wetboek van Strafrecht teneinde de vergoeding van affectieschade
Artikel I. De Rijkswet op het Nederlanderschap wordt als volgt gewijzigd:
Wijziging van Rijkswet op het Nederlanderschap ter verruiming van de mogelijkheden voor het ontnemen en verlies van het Nederlanderschap bij terroristische activiteiten Allen, die deze zullen zien of horen
Parketnummer: /17 Uitspraak: 2 november 2018 Tegenspraak
vonnis GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO Parketnummer: 500.00480/17 Uitspraak: 2 november 2018 Tegenspraak Vonnis van dit Gerecht in de strafzaak tegen de verdachte: R.M.C., geboren op Curaçao, wonende
ECLI:NL:GHSGR:2003:AI1012
ECLI:NL:GHSGR:2003:AI1012 Instantie Datum uitspraak 11-06-2003 Datum publicatie 12-08-2003 Zaaknummer 2200326602 Formele relaties Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Gerechtshof 's-gravenhage
ECLI:NL:RBUTR:2010:BN2158
ECLI:NL:RBUTR:2010:BN2158 Instantie Rechtbank Utrecht Datum uitspraak 14-07-2010 Datum publicatie 22-07-2010 Zaaknummer Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie 16-711123-09 [P] Strafrecht
De civiele kamer van de Commissie van het Schadefonds Geweldsmisdrijven
Uitspraak De civiele kamer van de Commissie van het Schadefonds Geweldsmisdrijven Zaaknummer: ****** Datum uitspraak: 7 augustus 2015 De civiele kamer van de Commissie van het Schadefonds Geweldsmisdrijven
Adviesrecht van het slachtoffer
Adviesrecht van het slachtoffer Een onderzoek naar de gevolgen van de uitbreiding van het spreekrecht en eventuele aanpassingen of alternatieven van het wetsvoorstel adviesrecht die deze consequenties
Directoraat-Generaal Rechtspleging en Rechtshandhaving
ϕ Ministerie van Justitie Directoraat-Generaal Rechtspleging en Rechtshandhaving Directie Juridische en Operationele Aangelegenheden Postadres: Postbus 2030, 2500 EH Den Haag Aan de Voorzitter van de Tweede
34300 VI Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Veiligheid en Justitie (VI) voor het jaar 2016
34300 VI Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Veiligheid en Justitie (VI) voor het jaar 2016 Nr. 75 Brief van de minister van Veiligheid en Justitie Aan de Voorzitter van de Tweede
Rapport. Datum: 13 oktober 1998 Rapportnummer: 1998/446
Rapport Datum: 13 oktober 1998 Rapportnummer: 1998/446 2 Klacht Op 11 februari 1998 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van de heer X te Y, ingediend door de heer mr. G. Meijers, advocaat
ECLI:NL:RBUTR:2011:BT1675
ECLI:NL:RBUTR:2011:BT1675 Instantie Rechtbank Utrecht Datum uitspraak 07-09-2011 Datum publicatie 15-09-2011 Zaaknummer 16-600572-11 Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Strafrecht Eerste
Wijziging van de regeling van de bevrijdende verjaring in het Burgerlijk Wetboek in geval van schade veroorzaakt door strafbare feiten
Wijziging van de regeling van de bevrijdende verjaring in het Burgerlijk Wetboek in geval van schade veroorzaakt door strafbare feiten VOORSTEL VAN WET Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden,
Leidraad voor het nakijken van de toets
Leidraad voor het nakijken van de toets STRAFPROCESRECHT 14 OKTOBER 2011 (Uit het antwoord moet blijken dat de cursist de stof heeft begrepen en juist heeft toegepast; een enkel ja of nee is niet voldoende)
ECLI:NL:HR:2014:381. Uitspraak. Datum uitspraak Datum publicatie Zaaknummer 13/ Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:2556, Gevolgd
ECLI:NL:HR:2014:381 Instantie Hoge Raad Datum uitspraak 18-02-2014 Datum publicatie 19-02-2014 Zaaknummer 13/02084 Formele relaties Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:2556,
ECLI:NL:RBOVE:2017:2237
ECLI:NL:RBOVE:2017:2237 Instantie Rechtbank Overijssel Datum uitspraak 26-04-2017 Datum publicatie 31-05-2017 Zaaknummer 08/910083-15 Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Strafrecht Raadkamer
De positie van het slachtoffer in het strafproces. 3.2. De benadeelde. 3.3. Nabestaanden. 3.4. Splitsing van de vordering door de benadeelde
3. Schadevergoeding (voegen) 3.2. De benadeelde Degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit, kan zich ter zake van zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij voegen
Samenvatting strafzaken die in 2008 zijn aangemeld bij/afgedaan door de Toegangscommissie
Samenvatting strafzaken die in 2008 zijn aangemeld bij/afgedaan door de Toegangscommissie Van onderstaande zaken zijn nummer 0038 t/m 0052 in 2008 onder de aandacht gebracht. Zaak 0031 is zowel in 2006,
Slachtoffers hebben óók recht op hun rechten
Slachtoffers hebben óók recht op hun rechten Onderzoek naar de wijze waarop de rechten van slachtoffers met betrekking tot het spreekrecht, de schriftelijke slachtofferverklaring en de vordering tot schadevergoeding
De Minister van Justitie
= POSTADRES Postbus 93374, 2509 AJ Den Haag BEZOEKADRES Juliana van Stolberglaan 4-10 TEL 070-88 88 500 FAX 070-88 88 501 E-MAIL [email protected] INTERNET www.cbpweb.nl AAN De Minister van Justitie DATUM
Vervolging. Getuigenverhoor rechter-commissaris
Als u in de strafzaak door een advocaat wordt bijgestaan, is het van belang dat u de advocaat op de hoogte houdt van de voortgang in het onderzoek. Na aangifte zal het politieonderzoek waarschijnlijk nog
Hof van Discipline Zitting van 19 juni 2017 te uur Kenmerk: art. 515 lid 4 Sv en daartoe overwogen:
Hof van Discipline Zitting van 19 juni 2017 te 14.30 uur Kenmerk: 160102 PLEITNOTA Inzake: Deken orde van Advocaten Den Haag - mr. M.J.F. Stelling Raadsman: W.H. Jebbink Geen ontzegging tot onafhankelijke
Uitspraak. Afdeling strafrecht. Parketnummer: Datum uitspraak: 1 november TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)
ECLI:NL:GHAMS:2016:5673 Instantie Gerechtshof Amsterdam Datum uitspraak 01-11-2016 Datum publicatie 30-12-2016 Zaaknummer 23-003159-15 Rechtsgebieden Strafrecht Bijzondere kenmerken Hoger beroep Inhoudsindicatie
Aangifte doen En dan?
www.politie.nl/slachtoffer Aangifte doen En dan? 17035-1 Informatie voor slachtoffers van een misdrijf 1 Bent u slachtoffer van een misdrijf? Is er bijvoorbeeld bij u ingebroken? Of heeft iemand u mishandeld?
ECLI:NL:RBDHA:2014:1006
ECLI:NL:RBDHA:2014:1006 Instantie Rechtbank Den Haag Datum uitspraak 29-01-2014 Datum publicatie 29-01-2014 Zaaknummer 09/818467-13 Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Strafrecht Eerste
ECLI:NL:GHARN:2011:BQ0420
ECLI:NL:GHARN:2011:BQ0420 Instantie Gerechtshof Arnhem Datum uitspraak 05-04-2011 Datum publicatie 07-04-2011 Zaaknummer 21-002244-10 Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Strafrecht Hoger
Verkeersongeluk. Misdrijf. Calamiteit. Praktisch. Slachtofferhulp Nederland Veelzijdig deskundig
Misdrijf Verkeersongeluk Calamiteit Juridisch Emotioneel Praktisch Veelzijdig deskundig biedt juridische, praktische en emotionele hulp aan slachtoffers van een misdrijf, calamiteit of verkeersongeluk.
Strafrechtelijke context huwelijksdwang en achterlating
Strafrechtelijke context huwelijksdwang en achterlating Bij de aanpak van huwelijksdwang en gedwongen achterlating dient het belang van het slachtoffer centraal te staan. De in Nederland geldende wet-
