Masterscriptie Rechtsgeleerdheid accent Strafrecht
|
|
|
- Lodewijk Timmermans
- 9 jaren geleden
- Aantal bezoeken:
Transcriptie
1 Masterscriptie Rechtsgeleerdheid accent Strafrecht De ontwikkelingen omtrent de positie van het slachtoffer in het strafprocesrecht - Van spreekrecht naar adviesrecht? Jolein Dortmans ANR Master Rechtsgeleerdheid, Accent Strafrecht, Tilburg University Datum 15 Juli 2014 Begeleider: Mevr. Mr. M.E.W. Muskens Tweede lezer: Mevr. Mr. L.H.A.M. Kemperman-Boeren
2 Voorwoord Na vele maanden hard werken ligt hier mijn masterscriptie voor u ter afsluiting van de master Rechtsgeleerdheid accent Strafrecht aan de Universiteit van Tilburg. De masterscriptie is een onderdeel van de studie waar ik vanaf het begin van mijn studie erg tegenop zag, want een geheel eigen onderzoek schrijven leek me erg lastig. Ondanks dat is het na vele maanden hard werken en goede begeleiding allemaal goed gekomen. Het onderwerp van de scriptie is de positie van het slachtoffer in het strafprocesrecht. De ontwikkelingen van de laatste jaren hebben er namelijk toe geleid dat de positie van het slachtoffer in het strafproces drastisch veranderd en versterkt is. Een laatste ontwikkeling omtrent de positie van het slachtoffer in het strafprocesrecht is het conceptwetsvoorstel van Teeven en dit is dan ook mede de aanleiding geweest voor het schrijven van mijn scriptie over dit onderwerp. Via deze weg wil ik graag mijn ouders, vriend, zussen en vriendinnen bedanken voor hun interesse, steun en vertrouwen in mij tijdens het schrijven van mijn scriptie. Bovendien wil ik ook zeker mijn scriptiebegeleidster mevrouw Muskens bedanken voor haar goede begeleiding. Haar goede feedback heeft er mede voor gezorgd dat alles vrijwel zonder problemen verliep. Jolein Dortmans, Heeswijk-Dinther, Juli
3 Inhoudsopgave Voorwoord p. 1 Inhoudsopgave p. 2 Lijst van gebruikte afkortingen p Inleiding p Probleemanalyse p Centrale onderzoeksvraag p Opbouw van de scriptie en onderzoeksmethoden p Het wetsvoorstel en het Nederlands strafrechtssysteem p Invloed van de Europese Unie p Het wetsvoorstel p Het Adviesrecht p Uitgangspunten van het wetsvoorstel p Het Strafrechtsysteem p Het strafprocesrecht p Het onderzoek ter terechtzitting p Het adviesrecht tijdens het onderzoek ter terechtzitting p Inquisitoir of adversair procestype? p Participatie van het slachtoffer door middel van het adviesrecht p Conclusie p De positie van de verdachte en het slachtoffer p Positie van de verdachte p De waarborgen van de verdachte vanuit het EVRM p a. Recht op een eerlijk proces p b. Onschuldpresumptie p c. Verdedigingsrechten van de verdachte p De positie van de verdachte tijdens het onderzoek ter p. 26 terechtzitting in Nederland a. Verzoek tot voorlezing van de processtukken p b. Het recht op pleidooi en 'het laatste woord' p c. Het recht op een verzoek tot nader onderzoek p. 28 2
4 3.2. Positie van het slachtoffer p Waarborgen van het slachtoffer vanuit het Europees recht p a. De waarborgen van het slachtoffer door p. 29 middel van het EVRM en EHRM b. De historische ontwikkelingen van de rechten p. 30 van het slachtoffer op Europees niveau De ontwikkelingen van de positie van het slachtoffer in het p. 31 Nederlands strafprocesrecht Huidige procespositie van het slachtoffer p a. Het slachtoffer als rechtstreeks belanghebbende partij p b. Het slachtoffer als benadeelde partij p c. Het slachtoffer als spreekgerechtigde p d. Het slachtoffer als getuige en adviesgerechtigde p Conclusie p Het adviesrecht met betrekking tot de positie van de verdachte en het slachtoffer p Het adviesrecht en de positie van de verdachte p a. Nadelen p b. Voordelen p Het adviesrecht en de positie van het slachtoffer p a. Nadelen p b. Voordelen p Conclusie p Conclusie p. 47 Literatuurlijst p. 49 Jurisprudentielijst p. 51 Lijst van regelgeving en parlementaire stukken p. 52 Overige bronnen p. 53 3
5 Lijst van gebruikte afkortingen EVRM Verdrag tot beschermen van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden EHRM Europees Hof van de Rechten van de Mens GW Grondwet INTERVICT International Victimology Institute Tilburg MvT Memorie van Toelichting OM Openbaar Ministerie OvJ Officier van Justitie Sv Wetboek van Strafvordering Sr Wetboek van Strafrecht WODC Wetenschappelijk onderzoek en documentatiecentrum 4
6 1. Inleiding 1.1. Probleemanalyse Wanneer er een ernstig misdrijf is gepleegd, draait het in het strafprocesrecht vooral om de verdachte. Het slachtoffer speelt nauwelijks een rol, maar hier is de laatste jaren enigszins verandering in gekomen. In 1995 hebben slachtoffers een bescheiden rol in het strafprocesrecht gekregen, doordat zij schade konden verhalen. Voorheen hadden ze slechts recht op een schadevergoeding onder zeer strenge voorwaarden. 1 In de jaren die daarop volgden zijn er wel eens kleine aanpassingen aangebracht, maar pas in 2005 heeft het slachtoffer een wezenlijke rol verkregen in het strafproces doordat het spreekrecht van slachtoffers is opgenomen in het Wetboek van Strafvordering. Vervolgens is er in 2011 opnieuw een wet aangenomen die de positie van het slachtoffer in het strafproces deed versterken. Daarnaast is er in 2012 een wet aangenomen waarin de kring van slachtoffers verruimd werd. 2 Deze ontwikkelingen hebben ertoe geleid dat het slachtoffer een steeds grotere rol is gaan spelen in het strafprocesrecht. Ten slotte ligt er op dit moment wederom een conceptwetsvoorstel van Teeven over het spreekrecht voor slachtoffers. In het wetsvoorstel gaat het met name om het spreekrecht van slachtoffers van misdrijven dat uitgebreid zal worden. De uitbreiding houdt in dat het huidig spreekrecht kan worden uitgebreid naar een adviesrecht. Het gevolg daarvan is dat slachtoffers op de zitting hun opvatting mogen geven over de inhoud van de bewezenverklaring, kwalificatie van het feit, schuld van de verdachte en de straftoemeting van de verdachte, oftewel de materiële vragen van art. 350 Sv. 3 Terwijl in het verleden de rol van het slachtoffer zoveel mogelijk buiten het strafproces werd gehouden, hebben de ontwikkelingen van de laatste jaren ertoe geleid dat de positie van het slachtoffer als procesdeelnemer in het strafproces steeds meer versterkt is. Het adviesrecht zal de ontwikkelingen omtrent de versterking van de positie van het slachtoffer voortzetten. De vraag is echter of het adviesrecht past binnen de grenzen van het huidig strafrechtssysteem mede gelet op de positie van de verdachte en het slachtoffer en dit zal dan ook centraal staan in mijn scriptie. Het onderzoek van de scriptie is grotendeels gericht op het adviesrecht dat toekomt aan het slachtoffer. De opmerking die ik daarom hierbij dien te maken, is dat wanneer ik in de scriptie gebruik maak van het begrip slachtoffer, ik daarmee 1 R. Korver, Recht van spreken, Utrecht: Uitgeverij de Arbeiderspers 2012, p Kamerstukken II 2012/ , nr. 3 (MvT). 3 Concept wetsvoorstel wetboek van strafvordering ter aanvulling van het spreekrecht, 5
7 doel op de gehele kring van slachtoffers. Dat wil zeggen dat met het begrip slachtoffer eveneens de eventuele nabestaanden van het slachtoffer en ouders/verzorgers van het minderjarige slachtoffer wordt bedoeld. De nabestaanden en ouders/verzorgers van minderjarige slachtoffers zullen namelijk in de toekomst eveneens recht op het adviesrecht krijgen op grond van het voorgesteld art. 51e lid 8 Sv. 4 In het vervolg van de scriptie zal daarom met het begrip slachtoffer eveneens op nabestaanden van het slachtoffer en de ouders/verzorgers van het minderjarige slachtoffer gedoeld worden Centrale onderzoeksvraag Zoals hierboven al aan de orde is gekomen is het onderzoek van de scriptie voornamelijk gericht op het adviesrecht dat Teeven heeft voorgesteld in zijn conceptwetsvoorstel van 3 oktober Het adviesrecht kan worden gezien als de voortzetting van de ontwikkelingen van de versterkende positie van het slachtoffer binnen het strafprocesrecht. Passen de huidige ontwikkelingen van de positie van het slachtoffer binnen de grenzen van het strafrechtssysteem mede gelet op de positie van de verdachte en het slachtoffer? 1.3. Opbouw van de scriptie en onderzoeksmethoden Het onderzoek naar de vraag of het adviesrecht past binnen het huidig strafrechtssysteem mede gelet op de positie van de verdachte en het slachtoffer staat centraal in de scriptie. Ik maak bij het onderzoek gebruik van een literatuurstudie, waarbij ik voornamelijk gebruik zal maken van het conceptwetsvoorstel van Teeven, kamerstukken, wetenschappelijke artikelen, jurisprudentie en enige andere bronnen. Bovendien zal ik veelal gebruik maken van de adviezen die opgesteld zijn door de instanties, zoals Raad voor de Rechtspraak en Slachtofferhulp, waaraan Teeven het wetsvoorstel ter consultatie heeft toegestuurd. Om tot een beantwoording van de centrale onderzoeksvraag te komen, is de scriptie opgedeeld in drie hoofdstukken die ieder een deel van de onderzoeksvraag beantwoorden. In het tweede hoofdstuk staan het wetsvoorstel en het Nederlands strafrechtssysteem centraal. In dit hoofdstuk zal allereerst aandacht besteed worden aan de Europese invloed op de ontwikkelingen van de positie van het slachtoffer in het strafprocesrecht en vervolgens zal het wetsvoorstel en de uitgangspunten daarvan behandeld worden. Daarnaast wordt het Nederlands strafrechtssysteem besproken mede gelet op het voorgestelde adviesrecht. 4 Conceptwetsvoorstel Wetsvoorstel ter aanvulling van het spreekrecht van slachtoffers en nabestaanden in het strafproces. 6
8 Vervolgens zal in hoofdstuk drie de positie van de verdachte en het slachtoffer in het strafproces op nationaal en Europees gebied besproken worden. In de eerste subparagraaf zullen de huidige waarborgen en rechten van de verdachte aan de orde komen. Bovendien zal in die paragraaf mede onderzocht worden wat de gevolgen van het adviesrecht zijn voor de verdachte. In de tweede paragraaf van hoofdstuk drie zullen allereerst de ontwikkelingen van de positie van het slachtoffer in het strafprocesrecht aan bod komen. Daarnaast wordt de huidige positie van het slachtoffer en de eventueel toekomstige positie door middel van het adviesrecht van het slachtoffer besproken. Tot slot zullen in hoofdstuk vier de voordelen en nadelen van het adviesrecht besproken worden voor zowel de verdachte als het slachtoffer. Op basis van de voorgaande hoofdstukken zal ten slotte in het laatste hoofdstuk een antwoord gegeven worden op de centrale onderzoeksvraag van de scriptie. 7
9 2. Het wetsvoorstel en het Nederlands strafrechtssysteem Inleiding De positie van het slachtoffer in het strafproces is de laatste jaren drastisch veranderd. Naast de verdachte die centraal staat in het strafprocesrecht, werden de belangen van het slachtoffer steeds meer behartigd op zowel Europees als nationaal niveau. Deze gedachtegang omtrent de vergroting van de invloed van het slachtoffer in het strafprocesrecht ligt ook ten grondslag aan het conceptwetsvoorstel dat Teeven heeft opgesteld. Het huidig strafrechtssysteem en het conceptwetsvoorstel zijn van groot belang in de scriptie, omdat aan de hand daarvan de probleemstelling van het onderzoek deels beantwoord kan worden. Beide onderwerpen worden in dit hoofdstuk nader uitgewerkt. In paragraaf 2.1 komt de invloed die de Europese Unie heeft gehad op de veranderingen van de positie van het slachtoffer op nationaal niveau aan bod. In paragraaf 2.2 wordt het wetsvoorstel van Teeven behandeld. Teeven pleit in zijn wetsvoorstel voor een nieuw adviesrecht als uitbreiding op het huidige spreekrecht van slachtoffers. Kort gezegd wordt via het spreekrecht het slachtoffer een gelegenheid geboden om zich uit te spreken over de gevolgen van het delict (art. 51e Sv). Het spreekrecht komt in hoofdstuk 3 uitgebreid aan bod. Het wetsvoorstel beoogt een uitbreiding van het spreekrecht, doordat slachtoffers zich door middel van het adviesrecht ook uit mogen gaan spreken over de inhoud van de bewezenverklaring, de kwalificatie van het feit, de schuld van de verdachte en de passende straftoemeting. 5 In de subparagrafen van paragraaf 2.2. wordt een uitleg gegeven over het adviesrecht en de uitgangspunten daarvan. Vervolgens wordt in paragraaf 2.3 behandeld binnen welke fase van het strafrechtsysteem het wetsvoorstel geplaatst kan worden. Om die reden komt in de eerste subparagraaf het onderzoek ter terechtzitting aan de orde. Vervolgens wordt in een nieuwe subparagraaf ingegaan op het onderscheid tussen de inquisitoire en adversaire 6 procestypen en wordt beoordeeld welk procestype het strafrechtssysteem van Nederland kenmerkt. In de laatste subparagraaf wordt de participatie van het slachtoffer in het strafprocesrecht behandeld dat betrekking heeft op het wetsvoorstel. Ter afsluiting omvat paragraaf 2.4 een concluderend antwoord op de vraag of het wetsvoorstel van Teeven binnen het strafrechtsysteem van Nederland past. 5 Conceptwetsvoorstel Wetsvoorstel ter aanvulling van het spreekrecht van slachtoffers en nabestaanden in het strafproces. 6 Voorheen werd in de literatuur vooral gebruik gemaakt van de termen inquisitoir en accusatoir. De laatste tijd wordt er echter steeds meer gebruik gemaakt van de term adversair in plaats van accusatoir in de literatuur. Ook Teeven spreekt in zijn wetsvoorstel over adversair systeem, vandaar dat ik in deze scriptie dan ook gebruik maak van deze term. 8
10 2.1. De invloed van Europese Unie Zoals voor iedereen bekend is, is Nederland aangesloten bij de Europese Unie. De Europese Unie is een internationale organisatie met een eigen rechtsorde, die ervoor zorgt dat de organen van de Unie bevoegdheden hebben om de lidstaten bepaalde maatregelen op te leggen. 7 Dat betekent dat Europa langs verschillende wegen invloed kan uitoefenen op ons nationaal strafrecht. 8 De Europese Unie maakt gebruik van verschillende rechtsinstrumenten om het recht te harmoniseren in Europa. Een van de rechtsinstrumenten van de Europese Unie is de richtlijn. Een richtlijn is er op gericht een algemeen beleid te maken. Het heeft namelijk geen directe werking in de staat, maar dient door de staat te worden omgezet in nationale wetgeving. Op deze manier wordt de wetgeving in de Europese Unie nader tot elkaar gebracht, dat zorgt voor harmonisatie. De Richtlijn 2012/29 tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten is een voorbeeld daarvan. Zoals uit de titel al is af te leiden beoogt de richtlijn ondermeer de versterking van de positie van het slachtoffer. Het uitgangspunt van de richtlijn is dat slachtoffers van misdrijven moeten kunnen vertrouwen op een aantal minimumnormen. 9 De doelstelling van de richtlijn is dat slachtoffers van strafbare feiten passende ondersteuning, informatie en bescherming krijgen en deel kunnen nemen aan de procedure. 10 Volgens Teeven, in zijn brief aan de Tweede Kamer waarin hij zijn visie op de positie van het slachtoffer bekend heeft gemaakt, dient de richtlijn 2012/29 minimumnormen slachtoffers in 2015 geïmplementeerd te zijn en zijn de eerste voorbereidingen al gestart. 11 Het nieuwe adviesrecht van Teeven kan worden gezien als een van de voorbereidingen voor de implementatie van de richtlijn 2012/29 minimumnormen slachtoffers. Het adviesrecht zal er voor gaan zorgen dat het slachtoffer een grotere rol gaat spelen tijdens het strafproces, doordat hij tijdens het onderzoek ter terechtzitting niet langer beperkt wordt in zijn uitlatingen. Het slachtoffer krijgt namelijk de gelegenheid zich niet alleen uit te laten over de gevolgen van het strafbare feit, maar ook over de inhoud van de bewezenverklaring, de kwalificatie van het feit, de schuld van de verdachte en de passende straftoemeting. Indien het wetsvoorstel aangenomen wordt, is de minimumnorm dat slachtoffers desgewenst een rol kunnen spelen bij de procedure en deel mogen nemen aan de strafprocedure (art. 1 Richtlijn 2012/29/EU) versterkt door middel van het adviesrecht en daarmee al enigszins geïmplementeerd. Hier 7 P.A.M. Mevis, Capita strafrecht, Nijmegen: Ars Aequi Libri 2009, p E. van Sliegdregt e.a, Handboek internationaal strafrecht, Deventer: Kluwer 2008, p T. Königs, S. Wahedi en T. Waterbolk, Het Europees recht en de bescherming van kwetsbare slachtoffers van misdrijven, NJB 2013, afl. 30, p Art. 1 lid 1 Richtlijn 2012/29/EU 11 Kamerstukken II 2012/13, 33552, 2 9
11 dient echter wel opgemerkt te worden dat volgens Richtlijn 2012/29 de rol van het slachtoffer niet op zodanige wijze ingevuld dient te worden dat het de positie van een procespartij als aanklager in het strafproces verkrijgt. 12 De lidstaten bepalen bovendien zelf volgens welke criteria de reikwijdte van de genoemde rechten in de richtlijn worden vastgesteld, doordat de rol van het slachtoffer afhankelijk is van het nationale stelsel en het type proces dat in een land gehanteerd wordt. 13 In Nederland is het slachtoffer juridisch geen partij in de strafprocedure, dat wil zeggen dat hij niet kan optreden als aanklager. Het slachtoffer kan echter wel deelnemen aan de strafprocedure door bijvoorbeeld gebruik te maken van zijn spreekrecht. Indien het wetsvoorstel wordt aangenomen, is het slachtoffer nog steeds geen juridische partij in de procedure en blijft het huidige nationale stelsel gehandhaafd, maar kan hij wel een grotere rol gaan spelen door middel van het adviesrecht Wetsvoorstel Zoals in de voorgaande paragraaf is behandeld, wordt op Europees niveau gepleit voor een versterking van de positie van het slachtoffer in het strafproces en vindt dit zijn doorwerking in het nationaal recht. In het regeerakkoord Bruggen Slaan is dan ook naar voren gekomen dat het slachtofferbeleid aangepast dient te worden. Er wordt benadrukt dat de positie van het slachtoffer verbeterd moet worden voor, tijdens en na afloop van het strafproces. 14 Vervolgens heeft ook Teeven zijn visie op de positie van het slachtoffer bekend gemaakt in een brief aan de Tweede Kamer. Kort gezegd houdt de visie van Teeven in dat er verbeteringen dienen te komen in de erkenning, bejegening en informatievoorziening van het slachtoffer. 15 Dat heeft ervoor gezorgd dat Teeven pleit voor uitbreiding van het spreekrecht voor het slachtoffer dat hij zonder inhoudelijke beperkingen moet kunnen uitoefenen tijdens de terechtzitting. Het spreekrecht zorgt er namelijk voor dat het slachtoffer in de gelegenheid wordt gesteld om de gevolgen van het delict toe te lichten tijdens het onderzoek ter terechtzitting. Hier wordt uitgebreider op ingegaan in hoofdstuk 3. De bedoeling van Teeven is dat het slachtoffer in de toekomst onder andere zijn standpunt mag geven over de gewenste straf voor de verdachte, wat een onderdeel is van het adviesrecht, en overigens volgens de huidige regeling formeel niet is toegestaan. Teeven is met andere woorden van mening dat het slachtoffer in de toekomst niet langer beperkt mag worden in zijn uitlatingen. Het 12 T. Spronken, Kroniek van het straf(proces)recht, NJB 2013, afl. 15, p Overweging 20 Richtlijn 2012/29/EU. Zie paragraaf voor een uitleg over de verschillende procestypen. 14 Regeerakkoord Bruggen Slaan, 29 oktober 2012, p Kamerstukken II 2012/13, 33552, 2, p
12 wetsvoorstel van Teeven, waarin hij pleit om naast het spreekrecht een nieuw adviesrecht voor het slachtoffer in te voeren strekt daartoe Het Adviesrecht 17 Door middel van het wetsvoorstel wil Teeven een nieuw adviesrecht voor slachtoffers aan het onderzoek ter terechtzitting toevoegen, waar hij naast zijn spreekrecht beroep op kan doen. Door gebruik te maken van het adviesrecht kan een slachtoffer tijdens de terechtzitting zijn opvatting geven over de inhoud van de bewezenverklaring, de kwalificatie van het feit, de schuld van de verdachte en de passende straftoemeting. Dat betekent dat het slachtoffer zich mag uitspreken over de materiële vragen van art. 350 Sv waarover de rechter een beslissing dient te nemen. Het slachtoffer geeft als het ware advies aan de rechter over de materiële vragen van art. 350 Sv waarnaar de rechter onderzoek doet tijdens het onderzoek ter terechtzitting en waarover hij ten slotte beraadslaagt en beslist. Om deze reden is dan ook voor de naam adviesrecht gekozen. Bovendien dient de rechter in het vonnis zijn standpunten te onderbouwen wanneer hij volledig afwijkt van de standpunten in het advies van de adviesgerechtigde op grond van de het huidige art. 359 lid 2 en de nieuwe volzin die aan artikel 359 lid 2 Sv zal worden toegevoegd, dat luidt Ditzelfde geldt voor een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat is neergelegd in het advies van de spreekgerechtigde uitgebracht op grond van artikel 302 tweede lid. In tegenstelling tot het huidig spreekrecht, waarbij het slachtoffer zich in beginsel slechts mag uitlaten over de gevolgen die het misdrijf bij hem teweeg hebben gebracht, kan de uitoefening van het adviesrecht belastende verklaringen bevatten ten opzichte van de verdachte. Het hiervoor beschreven verschil tussen het huidig spreekrecht en het adviesrecht ligt echter genuanceerder. De wettelijke grens van het spreekrecht wordt in de praktijk namelijk vaak overschreden door het slachtoffer, waardoor er sprake kan zijn van belastende verklaringen ten opzichte van de verdachte. Hier kom ik in de volgende paragraaf bij uitgangspunten 2 en 4 van het adviesrecht uitgebreid op terug. 16 Conceptwetsvoorstel Wetsvoorstel ter aanvulling van het spreekrecht van slachtoffers en nabestaanden in het strafproces De bron van deze paragraaf vindt zijn volledige grondslag in het Conceptwetsvoorstel. Conceptwetsvoorstel Wetsvoorstel ter aanvulling van het spreekrecht van slachtoffers en nabestaanden in het strafproces. 11
13 Uitgangspunten van het wetsvoorstel Het adviesrecht vindt zijn grondslag in een aantal uitgangspunten uit het wetsvoorstel. De uitgangspunten sluiten in grote lijnen aan op de eerdere brief van Teeven aan de Tweede Kamer, waarin hij zijn visie op de positie van het slachtoffer bekend maakt. 18 Het eerste uitgangspunt houdt in dat de uitbreiding van het spreekrecht plaats moet vinden tijdens het onderzoek ter terechtzitting, zodat het binnen de context van de huidige regeling valt. Het tweede uitgangspunt dat luidt dat het bestaande spreekrecht het best door het slachtoffer zelf uitgeoefend kan worden, sluit ook aan bij de huidige regeling. Het spreekrecht biedt het slachtoffer de mogelijkheid zijn ervaringen van het misdrijf en de gevolgen daarvan te verwoorden. Het spreekrecht is met andere woorden gericht op het kunnen vertellen van de door het slachtoffer persoonlijk ervaren gevolgen en niet op het afleggen van een objectief waarheidsgetrouw verslag over de gevolgen die het misdrijf voor hem hebben gehad. Om deze reden was de initiatiefwetgever van het spreekrecht destijds van mening dat beëdiging van het slachtoffer niet nodig zou zijn wanneer het slachtoffer gebruik maakt van zijn spreekrecht, zo blijkt uit de Memorie van Toelichting. 19 Dat heeft als gevolg dat de initiatiefwetgever van destijds eveneens van mening was dat art. 6 EVRM, waarin is geregeld dat de verdachte recht heeft de getuige te ondervragen, niet van toepassing is indien het slachtoffer zich slechts uitlaat op basis van zijn spreekrecht. Uit onderzoek van het wetenschappelijk onderzoek- en documentatiecentrum (WODC) blijkt dat in de praktijk de wettelijke grens van het spreekrecht vaak wordt overschreden, omdat het slachtoffer zich niet slechts uitlaat over de gevolgen van het strafbare feit maar zich laat leiden door zijn emoties waardoor hij belastende opmerkingen maakt ten opzichte van de verdachte. 20 Indien er sprake is van belastende opmerkingen van het slachtoffer dient hij alsnog beëdigd te worden zodat de verdachte hem kan ondervragen. De verdachte heeft namelijk het recht om zich te verdedigen tegen verwijten die belastend zijn voor hem. In hoofdstuk 3 kom ik hier nog uitgebreid op terug. Het probleem dat hierbij aan de orde is, is dat de grens tussen wat als belastend kan worden gezien, en daarom onder het ondervragingsrecht van de verdachte op grond van art. 6 EVRM valt, en wat niet, moeilijk te beantwoorden is. Het derde uitgangspunt van Teeven is dat het slachtoffer een procesdeelnemer blijft en geen zelfstandige procespartij wordt. Op 18 Conceptwetsvoorstel Wetsvoorstel ter aanvulling van het spreekrecht van slachtoffers en nabestaanden in het strafproces Kamerstukken II 2001/02, , nr. 5, p. 9 (MvT) 20 K. Lens e.a., Het spreekrecht in Nederland: een bijdrage aan het emotioneel herstel van slachtoffers?, Universiteit van Tilburg, Intervict: WODC 2010, p
14 deze manier blijft het OM de enige aanklager en dus het vervolgingsmonopolie behouden. De rol van het slachtoffer blijft hierdoor beperkt en hij wordt geen partij met eigen bevoegdheden om de resultaten van het (voor)onderzoek te beïnvloeden. Aldus wordt hij geen Nebenklager zoals men in het Duits recht kent. 21 In zijn vierde en laatste uitgangspunt komt Teeven nog eens terug op het feit indien het adviesrecht aan het slachtoffer wordt toegekend er ook sprake kan zijn van ondervraging van het slachtoffer door middel van het ondervragingsrecht van de verdachte, op grond van art. 6 EVRM. In dat geval dient het slachtoffer als getuige te worden beëdigd waardoor hij als getuige een verplichting heeft tot antwoorden naar waarheid. 22 In uitgangspunt twee is al eens naar voren gekomen dat de toepassing van het ondervragingsrecht van de verdachte op grond van art. 6 EVRM ook nu al van toepassing kan zijn in de praktijk als het slachtoffer de wettelijke grens van het spreekrecht overschrijdt. Kort samengevat geldt formeel gezien dat het slachtoffer naar aanleiding van zijn spreekrecht niet kan worden onderworpen aan het ondervragingsrecht van de verdachte, indien het slachtoffer binnen de grenzen blijft van zijn spreekrecht op grond van art. 51e lid 2 Sv. De uitoefening van het adviesrecht daarentegen kan belastende verklaringen bevatten en dat leidt ertoe dat het slachtoffer als getuige beëdigd dient te worden zodat de verdachte het slachtoffer kan ondervragen. Hieruit kan geconcludeerd worden dat het huidige spreekrecht en het voorgestelde adviesrecht los van elkaar gezien moeten worden, omdat daaraan formeel gezien andere processuele gevolgen zijn verbonden. De vraag die nog onbeantwoord blijft is of het adviesrecht waarbij het slachtoffer onderworpen kan worden aan een overvloed van vragen van de verdachte wel als voordeel kan worden gezien voor het slachtoffer en zal in hoofdstuk 4 nader aan de orde komen Het Strafrechtsysteem In het strafrecht bestaat er een tweedeling van materieel strafrecht en formeel strafrecht. In het materiële strafrecht staan de regels omtrent de strafbaarstelling van gedrag centraal, dat wil zeggen dat het materiële strafrecht het geheel van strafbare feiten en de daarbij horende 21 Het Duitse recht heeft het voor slachtoffers mogelijk gemaakt om zich als Nebenklager bij de strafvordering aan te sluiten. Op deze manier kunnen zij als procesdeelnemers in de strafprocedure opkomen voor hun persoonlijke belangen en geeft het hen de mogelijkheid om het optreden van het openbaar ministerie te controleren. D. van Daele, Het openbaar ministerie en de afhandeling van strafzaken in Duitsland, Leuven: Universitaire Pers Leuven 2000, p Conceptwetsvoorstel Wetsvoorstel ter aanvulling van het spreekrecht van slachtoffers en nabestaanden in het strafproces. 13
15 strafbedreiging omvat die zijn neergelegd in de wet. 23 Het formele strafrecht daarentegen omvat alle regels betreffende de strafrechtelijke procedure, het strafproces. Het formele strafproces is geregeld in het Wetboek van Strafvordering (Sv) en geeft aan op welke wijze en door welke personen en instanties onderzocht mag worden, of en door wie er een strafbaar feit is begaan en op grond van welke maatstaven wordt beslist over de strafrechtelijke sancties die opgelegd kunnen worden na een bewezen strafbaar feit. 24 Het gaat in het strafproces kort samengevat om de opsporing, vervolging en berechting van de verdachte van een strafbaar feit. Het ligt dan ook voor de hand dat het wetsvoorstel, waarin de versterking van de positie van het slachtoffer door middel van uitbreiding van het spreekrecht centraal staat, in de context van het formele recht gezien moet worden. Om deze reden zal in dit hoofdstuk dieper worden ingegaan op het formele strafrecht, hierna het strafprocesrecht. Aan de hand daarvan kan in de concluderende paragraaf van het hoofdstuk een antwoord gegeven worden op de vraag of het wetsvoorstel past binnen het huidig strafrechtssysteem van Nederland Strafprocesrecht Ondanks de tweedeling in het strafrecht van materieel recht en het strafprocesrecht zijn zij sterk met elkaar verbonden, doordat het strafprocesrecht het materieel strafrecht veronderstelt en dient. Dat betekent dat het strafprocesrecht gezien kan worden als een instrument van de overheidsmacht waarin het materiële strafrecht wordt toegepast. 25 Kortweg gaat het om zichtbaar en daadwerkelijk optreden van de overheid in het strafrecht. Het overheidsoptreden wordt echter wel door middel van gedetailleerde regels uitgewerkt. Dat het overheidsoptreden bij wet voorzien moet worden is dan ook een van de belangrijkste beginselen in ons Wetboek van Strafvordering en is te vinden in art. 1 Sv, het legaliteitsbeginsel. Op deze manier wordt de overheid aan de wet verbonden, indien zij inbreuk maakt op de vrijheden en rechten van de burger en worden de vrijheden en rechten van de burgers beschermd. Deze vrijheden en rechten zijn overigens niet alleen terug te vinden in de Nederlandse wet- en regelgeving zoals de Grondwet en het hiervoor genoemde Wetboek van Strafvordering, maar ook in de internationale en Europese regelgeving zoals het EVRM. In het strafprocesrecht zijn het vooral de fundamentele belangen en rechten van de verdachte 26, als zijnde verdachte en burger, waarop inbreuk gemaakt kan worden. Zo heeft een verdachte onder andere als burger recht op privacy (art. 10 Gw en art. 8 EVRM) en als verdachte recht op een eerlijk proces (art. 23 P.A.M. Mevis, Capita strafrecht, Nijmegen: Ars Aequi Libri 2009, p J.B.J. van der Leij, Het Nederlandse strafrechtssysteem, Den Haag: WODC P.A.M. Mevis, Capita strafrecht, Nijmegen: Ars Aequi Libri 2009, p Het begrip verdachte en de positie daarvan in het strafprocesrecht wordt nader uitgelegd in hoofdstuk
16 6 EVRM). Daarnaast dient opgemerkt te worden dat niet alleen de vrijheden en rechten van de verdachte een rol spelen in het strafprocesrecht, maar ook de vrijheden en rechten van het slachtoffer steeds meer gestalte krijgen in het strafprocesrecht. 27 In hoofdstuk 3 wordt nader in gegaan op de positie van zowel de verdachte als het slachtoffer in het strafprocesrecht. Het gaat in het strafproces kortom niet alleen om de waarheidsvinding omtrent een strafbaar feit van een verdachte, maar ook om de vraag of de waarheidsvinding binnen een eerlijk proces heeft plaatsgevonden en of de overheid zich aan alle regels van het strafproces heeft gehouden. 28 Het recht op een eerlijk proces is voor de verdachte een van de belangrijkste waarborgen en zal daarom in het volgende hoofdstuk waarin de positie van de verdachte in het strafproces wordt behandeld nader toegelicht worden Onderzoek ter terechtzitting Ook binnen het strafprocesrecht kan onderscheid worden gemaakt in verschillende fases. Deze fases binnen het strafprocesrecht zijn opsporing, vervolging en berechting zoals ook in de inleiding van deze paragraaf beschreven is. Doordat het adviesrecht, dat door Teeven in zijn wetsvoorstel naar voren is gebracht, plaats vindt tijdens het onderzoek ter terechtzitting, wordt in deze paragraaf de huidige situatie van een onderzoek ter terechtzitting geschetst dat valt onder de berechtingsfase. De berechtingsfase is onder te verdelen in verschillende fases. Allereerst dient de zaak aanhangig gemaakt te worden ter terechtzitting. Het recht tot vervolging van de verdachte, dat vooraf gaat aan de berechting, is in handen van het Openbaar Ministerie (hierna OM). Het recht om te bepalen wie voor welk strafbaar feit voor de strafrechter dient te komen om berecht te worden ligt daarom in handen van het OM. De officier van justitie (hierna OvJ) maakt de zaak ten slotte aanhangig bij de rechter door middel van een dagvaarding uit te brengen (art. 258 Sv). Op grond hiervan is te bepalen dat er sprake is van twee hoofdpartijen tijdens de berechting, zijnde de vervolgende instantie en de verdediging, of makkelijker gezegd het OM en de verdachte. Na het aanhangig maken van de zaak vindt er een onderzoek van de zaak op de terechtzitting plaats, het onderzoek ter terechtzitting. Het onderzoek ter terechtzitting is een onderzoek van een strafzaak door de rechter met het oog op de betreffende strafzaak te nemen beslissing. De rechter doet onderzoek naar de gegrondheid van de beschuldiging van de verdachte. Vervolgens vindt er een beraadslaging door de rechter plaats omtrent de vragen van art. 348 en 350 Sv, dat overigens uitsluitend is gebaseerd op hetgeen dat besproken en voorgevallen is tijdens het 27 Het begrip slachtoffer en de positie daarvan in het strafprocesrecht wordt ander uitgelegd in hoofdstuk P.A.M. Mevis, Capita strafrecht, Nijmegen: Ars Aequi Libri 2009, p
17 onderzoek ter terechtzitting. De rechter vormt ten slotte een oordeel, neemt een beslissing en legt dit vast in een vonnis. 29 Het is van groot belang dat zowel de OvJ als zijnde aanklager, als de verdachte en zijn raadsman deel kunnen nemen aan de discussie over de inhoud van de strafzaak, dat alles wat relevant is ter discussie komt en dat beide partijen ook een gelijkwaardige positie innemen. 30 Hierdoor wordt niet alleen het ten laste gelegde feit behandeld, maar ook de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. 31 Daarnaast is het tijdens het onderzoek ter terechtzitting ook van belang dat eventuele getuigen, deskundigen en slachtoffers gehoord kunnen worden. Het gevolg hiervan is dat de verdachte door middel van zijn ondervragingsrecht ervan is verzekerd dat hij de gelegenheid krijgt om een reactie te geven op al het belastende materiaal dat tegen hem ingebracht is tijdens het onderzoek ter terechtzitting, waardoor het belangrijke recht van art. 6 EVRM van de verdachte gewaarborgd wordt. Zoals in de vorige paragraaf al naar voren is gekomen, is de enige uitzondering hierop de verklaring van het slachtoffer over de gevolgen van het strafbaar feit, doordat het spreekrecht in beginsel niet kan worden onderworpen aan een weerlegging door de verdediging, aldus de verdachte. Hier dient daarom wederom de opmerking geplaatst te worden dat dit afhangt van wat er in de verklaring van het slachtoffer naar voren komt. Indien de rechter van mening is dat de slachtofferverklaring belastende verklaringen bevat ten opzichte van de verdachte, kan het ondervragingsrecht alsnog gelden. In dat geval zal het slachtoffer als getuige worden beëdigd en kan de verdachte hem onderwerpen aan het ondervragingsrecht. In hoofdstuk 3 wordt dit echter nader behandeld Het adviesrecht tijdens het onderzoek ter terechtzitting In aansluiting op het hiervoor behandelde onderzoek ter terechtzitting dient bekeken te worden of het adviesrecht van het slachtoffer voor of na het requisitoir uitgeoefend moet worden. Het onderzoek ter terechtzitting kan worden opgedeeld in twee fases, namelijk de fase van informatievergaring en de fase van informatiewaardering. In de informatievergaringsfase wordt al het bewijs dat van belang is voor de behandeling van de strafzaak naar voren gebracht. In de informatiewaarderingsfase daarentegen wordt het bewijs dat tijdens de zitting naar voren is gekomen gewaardeerd door de procespartijen. In de informatievergaringsfase worden onder andere de eventuele getuigen gehoord (art. 292 Sv). Bovendien wordt in deze fase eveneens het slachtoffer in de gelegenheid gesteld om gebruik 29 P.A.M. Mevis, Capita strafrecht, Nijmegen: Ars Aequi Libri 2009, p P.A.M. Mevis, Capita strafrecht, Nijmegen: Ars Aequi Libri 2009, p J.B.J. van der Leij, Het Nederlandse strafrechtssysteem, Den Haag: WODC
18 te maken van zijn spreekrecht (art. 302 lid 1 Sv). In de informatiewaarderingsfase worden de procespartijen, oftewel de verdachte en de OvJ, nogmaals aan het woord gelaten tijdens het requisitoir (art. 311 Sv) en het pleidooi. De vraag is echter in welke fase het slachtoffer zijn adviesrecht mag uitoefenen. In beginsel kan het adviesrecht van het slachtoffer, waarmee het slachtoffer advies geeft aan de rechter over de vragen van art. 350 Sv, worden gezien als een informatiewaardering door het slachtoffer waardoor het na het requisitoir geplaatst dient te worden. Teeven is daarentegen van mening dat het adviesrecht voor het requisitoir uitgeoefend mag worden door het slachtoffer, omdat het adviesrecht in het verlengde van het spreekrecht gezien moet worden. 32 Naar mijn mening dient het adviesrecht inderdaad plaats te vinden voor het requisitoir, omdat het adviesrecht nieuwe feiten kan bevatten en dat hoort thuis in de informatievergaringsfase. Het slachtoffer krijgt namelijk tijdens zijn spreekrecht, dat voor het requisitoir plaatsvindt, slechts de gelegenheid om in te gaan op de gevolgen van het strafbare feit. Indien het slachtoffer daarnaast gebruik wenst te maken van zijn adviesrecht, waardoor het slachtoffer in zal gaan op de inhoud van de bewezenverklaring, de kwalificatie van het feit, de schuld van de verdachte en de passende straftoemeting, zullen er vanzelfsprekend nieuwe feiten aan de orde gesteld worden door het slachtoffer naast hetgeen hij tijdens zijn spreekrecht al naar voren heeft gebracht Inquisitoir of adversair procestype? Het strafrechtssysteem dat hierboven beschreven is kan tot slot worden onderverdeeld in twee verschillende procestypes. Allereerst kan het adversair strafproces worden beschreven als een partijenproces, waarbij de partijen de vervolgende instantie en de verdachte het geschil bepalen en ieder een autonoom onderzoek uitvoeren, dat wordt voorgelegd aan een onafhankelijke passieve rechter. 33 Dit zorgt ervoor dat de verdachte op gelijke voet staat met de vervolgende instantie. De waarheidsvinding wordt gebaseerd op de confrontatie van de stellingen en bewijzen van beide partijen, die plaats vindt in de fase van het eindonderzoek tijdens een zogenaamd debat. Het uiteindelijke oordeel wordt geveld door de passieve rechter of lekenjury en is gebaseerd op hetgeen partijen in het debat hebben gepresenteerd. Hiertegenover staat het inquisitoir procestype waarbij het onderzoek wordt toevertrouwd aan 32 Conceptwetsvoorstel Wetsvoorstel ter aanvulling van het spreekrecht van slachtoffers en nabestaanden in het strafproces P. de Hert en T. Decaigny, Evolueren het Nederlandse en het Belgische strafproces naar adversaire systemen?, Strafblad 2013, p
19 een rechter met autoriteit die een beslissing neemt over de juistheid van de feiten. De autoriteit van de rechter komt naar voren door de kwaliteit van zijn onderzoek dat hij verricht voordat hij een beslissing neemt. Het uitgangspunt hierbij is dat er sprake is van één waarheid, die achterhaald wordt door een neutrale instantie door middel van het onderzoek dat hij verricht. Dat leidt ertoe dat de verdachte veel minder als procespartij en meer als een voorwerp van onderzoek gezien wordt, waardoor hij in mindere mate op gelijke voet staat met de vervolgende instantie zoals in het adversair procestype. 34 In het Nederlands strafrechtssysteem zijn elementen van beide procestypen te bespeuren, zeker indien we slechts kijken naar het onderzoek ter terechtzitting. In de vorige paragraaf is duidelijk geworden dat de rechter een zeer actieve rol bezit tijdens het onderzoek ter terechtzitting, omdat hij onderzoek doet naar de gegrondheid van de beschuldiging van de verdachte. Gezien de actieve rol van de rechter tijdens het onderzoek ter terechtzitting kan er gesproken worden van een inquisitoir procestype. 35 Desondanks heeft het onderzoek ter terechtzitting zich de laatste jaren ontwikkeld richting een adversair proces, omdat er tijdens het onderzoek ter terechtzitting steeds meer ruimte wordt gelaten voor participatie van partijen. Naast het feit dat de verdachte meer rechten zijn toegekend de laatste jaren waardoor hij zoveel mogelijk als gelijkwaardige partij ten opzichte van het OM kan optreden, is ook de slachtoffers de laatste jaren meer participatie geboden tijdens het onderzoek ter terechtzitting door hen onder andere spreekrecht te geven. Deze ontwikkelingen hebben ervoor gezorgd dat het huidige onderzoek ter terechtzitting plaats vindt in een adversaire setting Participatie van het slachtoffer door middel van het adviesrecht Zoals in de voorgaande paragrafen aan bod is gekomen, beoogt het adviesrecht de rol van het slachtoffer in het strafproces te vergroten. Het slachtoffer kan zich door middel van het adviesrecht uitlaten over de inhoud van de bewezenverklaring, de kwalificatie van het feit, de schuld van de verdachte en de passende straftoemeting, waardoor de participatie van het slachtoffer tijdens het onderzoek ter terechtzitting wordt vergroot. Indien het wetsvoorstel zijn doorgang vindt, krijgt het strafproces een nog meer adversair karakter dan voorheen, erkende Teeven in het wetsvoorstel. Het adversaire karakter zal zich vooral afspelen tussen de verdediging en het slachtoffer, omdat de verdachte op grond van zijn verdedigingsbelang het slachtoffer mag ondervragen over zijn uitgesproken adviesrecht zoals in paragraaf 2.2. is besproken. Indien het slachtoffer zijn adviesrecht heeft uitgesproken, zal de verdediging er 34 P.A.M. Mevis, Capita strafrecht, Nijmegen: Ars Aequi Libri 2009, p P.A.M. Mevis, Capita strafrecht, Nijmegen: Ars Aequi Libri 2009, p
20 veelal op uit zijn om de belastende verklaringen van het slachtoffer te ontkrachten waardoor er een meer debaterend proces naar voren komt dat past binnen een adversair proces. Het uitgangspunt van het adversair proces is namelijk dat een verdachte zoveel mogelijk deel neemt aan een debat op voet van gelijkwaardigheid met andere procesdeelnemers, zoals het slachtoffer. Er kan kortom geconcludeerd worden dat het onderzoek ter terechtzitting in Nederland door middel van het adviesrecht zich nog meer ontwikkelt richting een adversair proces. Indien het adviesrecht zijn doorgang vindt, neigt het slachtoffer steeds meer een volwaardige procespartij te worden tijdens het onderzoek ter terechtzitting. Dit staat echter op gespannen voet met het feit dat in het verleden bewust is gekozen om het slachtoffer zoveel mogelijk buiten het proces te houden. Desalniettemin kan er nog niet gesproken geworden van een volledig adversair proces, doordat het slachtoffer wettelijk nog altijd slechts procesdeelnemer blijft en geen procespartij in de zin van aanklager wordt. Dit is dan ook terug te vinden in een van de uitgangspunten van het adviesrecht dat Teeven in zijn wetsvoorstel naar voren brengt. De handhaving moet volgens Teeven in handen blijven van het OM, omdat het strafbare feit niet alleen zorgt voor een inbreuk op de rechten van het slachtoffer maar ook zorgt voor een inbreuk op de maatschappelijke belangen die daaraan verbonden zijn. Vanwege het feit dat er maatschappelijke belangen bij betrokken kunnen zijn, dient de handhaving daarvan in handen te blijven van de overheid. Met andere woorden, Teeven zorgt door middel van het adviesrecht dat het slachtoffer een sterkere positie in het proces krijgt zonder afbreuk te doen aan de absolute vervolgingsmonopolie van het OM Conclusie Sinds een aantal jaren staat de positie van het slachtoffer in het strafproces steeds meer ter discussie. Zowel op Europees als nationaal niveau wordt gepleit voor een versterkende positie van het slachtoffer in het strafproces en dit is dan ook terug te zien in verschillende wetswijzigingen van de afgelopen jaren, zo is uit dit hoofdstuk gebleken. Het wetsvoorstel dat centraal staat in de scriptie beoogt er eveneens voor te zorgen dat de positie van het slachtoffer versterkt wordt en sluit daarmee in beginsel aan bij de ontwikkelingen omtrent het slachtoffer in het strafproces van de laatste jaren. De vraag die in dit hoofdstuk echter onderzocht werd is of het wetsvoorstel past binnen het strafrechtssysteem van Nederland. Hierbij is met name de focus gelegd op het onderzoek ter terechtzitting, omdat het adviesrecht tijdens deze fase uitgeoefend zal worden door het slachtoffer. In het hoofdstuk is naar voren 36 E. Prakken, Het grote taboe: burgerparticipatie in het strafproces, Strafblad 2013, afl. 6, p
21 gekomen dat het onderzoek ter terechtzitting zich de laatste jaren steeds meer ontwikkeld heeft in de richting van een adversair proces. Zowel de verdachte als het slachtoffer zijn de laatste jaren meer rechten toegekend, waardoor er steeds meer ruimte werd geboden voor participatie van procesdeelnemers tijdens het onderzoek ter terechtzitting dat kenmerkend is voor een adversair proces. Door middel van het adviesrecht mag een slachtoffer zich uit spreken over de inhoud van de bewezenverklaring, de kwalificatie van het feit, de schuld van de verdachte en de passende straftoemeting, dat kort gezegd belastend kan zijn voor de verdachte. Het slachtoffer dient dit echter wel onder ede te doen, zodat de verdachte op grond van zijn verdedigingsbelang dat is neergelegd in art. 6 EVRM het slachtoffer kan ondervragen. De verdachte zal er tijdens zijn ondervragingsrecht op uit zijn de verklaringen van het slachtoffer zoveel mogelijk te ontkrachten waardoor er een debaterend proces tussen beide partijen naar voren komt, dat aansluit bij het adversaire proces. Door middel van het adviesrecht wordt met andere woorden het onderzoek ter terechtzitting verder ontwikkeld in de richting van een adversair proces. Terwijl ons strafproces er in het verleden op gericht was het slachtoffer zoveel mogelijk een beperkte stem te geven in de rechtszaal, hebben de laatste ontwikkelingen ertoe geleid dat daar verandering in is gekomen. Het slachtoffer heeft de afgelopen jaren als procesdeelnemer al een grotere participatierol verkregen tijdens het onderzoek ter terechtzitting en het adviesrecht zet die ontwikkeling voort. Of de ontwikkeling door middel van het adviesrecht past binnen het Nederlands strafrechtssysteem gelet op de positie van de verdachte en het slachtoffer wordt onderzocht in de volgende hoofdstukken. 20
22 3. De positie van de verdachte en het slachtoffer De afgelopen jaren zijn er verschillende belangrijke veranderingen opgetreden omtrent de positie van het slachtoffer in het strafproces. De positie van het slachtoffer is de laatste jaren enorm versterkt, terwijl de positie van het slachtoffer jarenlang in vergelijking met de positie van de verdachte onderbelicht is gebleven. 37 Het uitgangspunt dat hierbij altijd werd ingenomen en overigens nog steeds wordt ingenomen, is dat de vergroting van de invloed van het slachtoffer in het strafproces niet ten koste mag gaan van de bejegening en de rechten van de verdachte. In dit hoofdstuk worden de posities van beide partijen in het strafprocesrecht behandeld Positie van de verdachte Inleiding Om de positie van de verdachte in het strafproces goed te kunnen weergeven, dient er allereerst antwoord gegeven te worden op de vraag wanneer er sprake is van een verdachte. Volgens het EVRM is de definitie van een verdachte everyone charged with a criminal offence (art. 6 EVRM), wat inhoudt dat het EVRM diegene tegen wie een strafvervolging is ingesteld als verdachte beschouwt. In ons Wetboek van Strafvordering is eveneens een definitie van een verdachte opgenomen, dat overeenkomt met de definitie van het EVRM. In art. 27 Sv staat namelijk vermeld dat degene tegen wie de vervolging is gericht kan worden aangemerkt als verdachte. In het vorige hoofdstuk is naar voren gekomen dat het adviesrecht van het slachtoffer uitgeoefend zal worden tijdens het onderzoek ter terechtzitting, daarom wordt in deze paragraaf ingegaan op de positie van de verdachte tijdens het onderzoek ter terechtzitting. In subparagraaf zullen de waarborgen van de verdachte vanuit het EVRM behandeld worden. Een aantal van deze waarborgen kan op gespannen voet komen te staan met het adviesrecht van het slachtoffer. Deze waarborgen van de verdachte zullen daarom mede gelet op het adviesrecht van het slachtoffer extra toegelicht worden. Naast de rechten van de verdachte die voortvloeien uit het EVRM heeft Nederland nog een aantal rechten en bevoegdheden toegekend aan de verdachte tijdens het onderzoek ter terechtzitting en deze zullen in paragraaf behandeld worden. 37 M.S. Groenhuijsen, Mensenrechten van slachtoffers van delicten en verdachten in het strafproces in: C.H. Brants, C. Kelk en M. Moerings (red), Er is meer. Opstellen over mensenrechten in internationaal en nationaal perspectief (Swart-bundel), Deventer : Gouda Quint 1996, p
23 De waarborgen van de verdachte vanuit het EVRM In art. 6 EVRM is terug te vinden dat everyone charged with a criminial offence als verdachte kan worden aangemerkt. Indien een persoon als verdachte wordt aangemerkt, wordt zijn procedure automatisch met een aantal waarborgen omkleed die eveneens te vinden zijn in art. 6 EVRM. Het EVRM heeft in Nederland directe werking, waardoor een verdachte zich rechtstreeks op art. 6 EVRM kan beroepen. Het artikel bevat drie leden die telkens in een algemene term de hoofdrechten van de verdachte weergeven, namelijk het recht op een eerlijk proces, de onschuldpresumptie en de verdedigingsrechten van de verdachte a. Recht op een eerlijk proces De verdachte is voorwerp van het onderzoek en heeft daarom het recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tijdens de gehele procedure. Er is geen abstract criterium om na te gaan of de verdachte een eerlijk proces heeft gehad, omdat het afhankelijk is van de eigen omstandigheden en de aard van de zaak of het proces in zijn geheel eerlijk is geweest. 38 In art. 6 lid 1 EVRM staan wel enkele deelaspecten opgenomen aan de hand waarvan geoordeeld kan worden of er sprake is van een eerlijk proces. Kort samengevat heeft de verdachte recht op een eerlijke en openbare behandeling van de zaak, binnen een redelijke termijn en door middel van een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat door de wet is ingesteld. De redelijke termijn waarbinnen een zaak behandeld moet worden is niet specifiek geregeld in onze nationale wetgeving. De reden daarvoor is dat de redelijkheid van de duur van de behandeling van een zaak afhankelijk is van meerdere omstandigheden waardoor geen algemene specifieke termijn gesteld kan worden die voor iedereen geldt. Volgens de Hoge Raad is de redelijkheid van de duur van een zaak afhankelijk van de ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door bevoegde autoriteiten is behandeld. 39 Het recht op een openbare behandeling en onafhankelijk en onpartijdig gerecht is wel vastgelegd in onze nationale wetgeving en wel in onze grondwet. Het recht op een openbare behandeling betekent dat de terechtzitting in het openbaar plaats vindt, tenzij dit gevaar oplevert voor de openbare orde of goede zeden (art. 121 Gw). Het vereiste dat er sprake dient te zijn van een onafhankelijk gerecht houdt in dat de organisatie en bevoegdheden van de rechtsmacht bij wet is geregeld en is daarom in art. 112 Gw e.v. geregeld. Het adviesrecht van het slachtoffer kan op gespannen voet komen te staan 38 F. Verbruggen en R. Verstraeten, Strafrecht en strafprocesrecht voor bachelors deel 2, Antwerpen- Apeldoorn: Maklu-uitgevers 2009, p HR 17 juni 2008, ECLI:NL:PHR:2008:BD
24 met het recht op een eerlijk proces van de verdachte zoals hierboven beschreven is, omdat de rechter beïnvloed kan worden door de emotionele uitspraken van het slachtoffer waardoor hij zijn onpartijdigheid en objectiviteit kan verliezen. Teeven geeft overigens ook zelf aan in het wetsvoorstel dat een substantieel deel van de rechtspractici meent dat het voor de rechter lastig is de onpartijdige rol te combineren met een voldoende emphatische houding jegens het slachtoffer. Het adviesrecht zorgt er namelijk voor dat een slachtoffer zich over dezelfde kwestie mag uiten als waarover een rechter dient te beslissen, namelijk over de bewijsbaarheid van het feit, de schuld van de verdachte en de straftoemeting. Hierdoor geeft het slachtoffer als het ware advies aan de rechter over de beantwoording van de vragen van art. 350 Sv. Zoals ook Teeven zelf toegeeft in het wetsvoorstel blijkt dat in de praktijk veel slachtoffers zeer geëmotioneerd raken op het moment dat zij aan het woord zijn op grond van het spreekrecht dat hen toekomt en dit zal tijdens het gebruik maken van het adviesrecht niet anders zijn. Het ligt dan ook voor de hand dat het advies van het slachtoffer, waarin de emotionele gevoelens van het slachtoffer vaak de overhand zullen hebben, alles behalve objectief is. Bovendien is er op basis van het adviesrecht geen beperking voor het spreken meer opgelegd voor het slachtoffer en kan hij worden onderworpen aan het ondervragingsrecht van de verdachte, dat er voor kan zorgen dat de emotionele reacties van het slachtoffer nog heftiger worden dan voorheen tijdens het spreekrecht aan de orde was. Teeven brengt hier tegen in dat de rechters trainingen krijgen om hiermee om te gaan zodat zij zoveel mogelijk hun objectiviteit en onpartijdigheid kunnen behouden en niet worden meegesleurd in de emoties van het slachtoffer. Ondanks deze trainingen en professionaliteit van de rechter blijft de rechter een mens die naar mijn mening zich niet volledig kan afsluiten van emotionele reacties, waardoor enige emotionele aspecten zowel bewust als onbewust toch vaak een rol spelen in de beraadslaging en beslissing. In het laatste hoofdstuk kom ik hier nog eens op terug b. Onschuldpresumptie De onschuldpresumptie is geregeld in art. 6 lid 2 EVRM en houdt in dat een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, onschuldig is totdat zijn schuld in rechte is vast komen te staan. Kort samengevat is de verdachte onschuldig, totdat het tegendeel bewezen is. De onschuldpresumptie is dan ook een van de uitgangspunten van ons strafrecht, waardoor 23
25 eveneens geldt dat zonder schuld geen straf opgelegd kan worden. 40 Een nadere uitwerking van de onschuldpresumptie is te vinden in de rechtspraak van het Europees Hof. In een uitspraak van het EHRM in 1988 heeft het Hof geoordeeld dat rechters niet vooringenomen mogen zijn, dat wil zeggen dat zij er niet van uit mogen gaan dat de verdachte een strafbaar feit heeft gepleegd. 41 Het uitgangspunt van het Hof is eveneens terug te vinden in het Groenboek dat de Europese Commissie heeft opgesteld in Hierin staat namelijk vermeld dat een verdachte moet worden behandeld alsof hij geen strafbaar feit heeft gepleegd, totdat de aanklager voldoende bewijzen heeft geleverd om een onafhankelijk en onpartijdig gerecht ervan te overtuigen dat hij schuldig is. 42 Het adviesrecht van het slachtoffer waardoor hij zich kan gaan uitspreken over de inhoud van de bewezenverklaring, kwalificatie van het feit, schuld van de verdachte en de straftoemeting van de verdachte, zal ertoe leiden dat de verdachte door het slachtoffer al schuldig verklaard wordt voordat een rechter zich daarover heeft uitgesproken. Het adviesrecht kan daardoor in strijd zijn met de onschuldpresumptie die de verdachte toekomt op grond van art. 6 EVRM. In hoofdstuk 4 zal de onschuldpresumptie die door het adviesrecht in het geding kan komen mede gelet op de positie van het slachtoffer nog eens nader toegelicht worden. Bovendien is uit de vorige paragraaf gebleken dat het adviesrecht kan leiden tot beïnvloeding van de rechter waardoor er onbewust een vooringenomen mening bij hem gecreëerd kan worden dat de verdachte schuldig is. Tot slot vloeit uit de onschuldpresumptie ook het recht om niet mee te werken aan de eigen veroordeling voort, waardoor de verdachte recht heeft om te zwijgen. Op basis van het nemo tenetur-beginsel is een verdachte namelijk niet verplicht om mee te werken aan het leveren van bewijs tegen zichzelf. Het nemo tenetur-beginsel is niet specifiek in het EVRM vermeld, maar is volgens het Hof een algemeen erkende internationale norm die behoort tot de grondslagen van een eerlijk proces. 43 Bovendien blijkt uit het Groenboek over het vermoeden van onschuld dat het nemo tenetur-beginsel zorgt voor equality of arms principle, dat betekent dat de partijen (de verdachte en OvJ) met gelijke wapens kunnen strijden Melai/Groenhuijsen e.a., Wetboek van Stravordering, 7.1. Onschuldpresumptie als beginpunt van het strafproces bij: Wetboek van Strafvordering, artikel 271 [verklaring van vrijheid. Geen blijk van vooringenomenheid] 41 EHRM 6 december 1988, nr /83, 10589/83, 10590/83 (Barberà, Messegué en Jabardo t. Spanje) 42 Commissie van de Europese Gemeenschap, Groenboek over het vermoeden van onschuld, Brussel EHRM 21 december 2000, nr /97 (Heaney en McGuines t. Ierland) 44 Commissie van de Europese Gemeenschap, Groenboek over het vermoeden van onschuld, Brussel
26 3.1.1.c. Verdedigingsrechten van de verdachte In het derde lid van art. 6 EVRM staan de vijf verdedigingsrechten van de verdachte vermeld. Ook deze vijf rechten van de verdachte zorgen voor equality of arms, waardoor de verdachte zoveel mogelijk gelijke rechten als het OM worden geboden. Het eerste recht is het recht van de verdachte op informatie over de aard en reden van de beschuldiging in een taal die hij begrijpt. Uit de uitspraak van het EHRM in de zaak Mattoccia tegen Italie blijkt dat het voldoende is als het voor de verdachte duidelijk is waarvan hij wordt beschuldigd, wat de verweten feiten zijn en welke wettelijke bepaling hij overtreden zou hebben, zodat hij zich op een goede manier kan voorbereiden op zijn verdediging. 45 Het tweede recht zorgt ervoor dat de verdachte voldoende tijd en faciliteiten krijgt, zodat hij zich kan voorbereiden op een goede verdediging. Het derde recht van de verdachte is dat hij zich kan laten bijstaan door een raadsman die door de overheid bekostigd wordt indien de verdachte de raadsman niet zelf kan betalen. Het vierde recht van de verdachte is het recht om getuigen op te roepen en te ondervragen, waardoor hij zich kan verdedigen tegen de belastende verklaringen van de getuige. Tot slot heeft een verdachte het recht op een tolk, indien hij de taal van het land waar hij berecht wordt niet spreekt of verstaat. Voornamelijk het ondervragingsrecht is van belang voor de verdachte wanneer een slachtoffer gebruik maakt van zijn adviesrecht. In het vorige hoofdstuk is het ondervragingsrecht van de verdachte als verdedigingsbelang al eens kort aan de orde gekomen, omdat een slachtoffer dat zich uitspreekt op basis van zijn adviesrecht kan worden onderworpen aan het ondervragingsrecht van de verdachte. In beginsel impliceert het ondervragingsrecht dat de verdachte recht heeft om getuigen à charge en à décharge op te roepen en te ondervragen. Een getuige à charge is een getuige die op verzoek van de OvJ wordt opgeroepen. 46 De getuigenverklaring van een getuige à charge is daarom in de meeste gevallen belastend voor de verdachte. De getuige à décharge kan worden opgeroepen door de verdachte of zijn advocaat. Door zelf getuigen op te roepen en te ondervragen kan een verdachte zijn verdediging onderbouwen, maar dit dient hij volgens het EHRM wel te motiveren. 47 Bovendien kan een verdachte zichzelf verdedigen door de getuigen à charge vragen te stellen, zodat hij kan proberen om de onjuistheid en onbetrouwbaarheid van de verklaring van de getuige aan te tonen. Een verdachte mag zich met andere woorden beroepen op zijn ondervragingsrecht, wanneer verklaringen worden afgelegd die belastend zijn voor hem. Dat betekent dat een verdachte ook deskundigen en slachtoffers mag ondervragen die 45 EHRM 25 juli 2000, nr /94 (Mattoccia t. Italië) 46 De rechtspraak, Brochure U bent getuige in een strafproces, Augustus 2008, p EHRM 6 mei 2003, nr /99 (Perna t. Italië) 25
27 belastende uitspraken doen. In het vorige hoofdstuk is namelijk al naar voren gekomen dat slachtoffers de wettelijke grens van het spreekrecht kunnen overschrijden, waardoor het belastend is voor de verdachte. In dat geval dient het slachtoffer alsnog als getuige te worden beëdigd, zodat de verdachte het ondervragingsrecht kan uitoefenen jegens het slachtoffer. Uit het Doorson arrest blijkt overigens dat het ondervragingsrecht van de verdachte moet worden afgewogen tegen de belangen van de getuigen om te bepalen of de verdachte er ook daadwerkelijk een beroep op mag doen. 48 Hierdoor geeft het EHRM aan dat in sommige gevallen de belangen van de getuigen en dus ook slachtoffers voor het verdedigingsbelang van de verdachte gaan. Een nadere uitleg zal gegeven worden in paragraaf waarin onder andere de hoedanigheid van het slachtoffer als getuige in het strafproces wordt behandeld De positie van de verdachte tijdens het onderzoek ter terechtzitting in Nederland Al meerdere malen is naar voren gekomen dat de verdachte het object is van het onderzoek ter terechtzitting. Tevens is hij tijdens het onderzoek ter terechtzitting een meer gelijkwaardige partij aan de OvJ dan voorheen, doordat de verdachte als een procespartij wordt gezien tijdens de terechtzitting. De gelijkwaardigheid van partijen wordt zoveel mogelijk gegarandeerd door de verdachte bepaalde rechten te geven. In de voorgaande paragraaf zijn de waarborgen van de verdachte naar Europees recht behandeld, die diende te zorgen voor een 'equality of arms'. In deze paragraaf zullen de rechten van de verdachte op nationaal niveau behandeld worden die gelden naast de rechten van het EVRM. Op grond van art. 271 lid 1 Sv heeft de rechter tijdens het onderzoek ter terechtzitting een leidende rol en kan hij bevelen doen. Dat wil zeggen dat de rechter dient te zorgen voor een goed verloop van het onderzoek tijdens de terechtzitting. De rechter moet tijdens het onderzoek ter terechtzitting onderzoek doen en gegevens verzamelen, zodat hij na de terechtzitting over de zaak kan oordelen. Daarnaast is het van belang dat zowel de verdachte als het OM deel kunnen nemen aan de discussie van het onderzoek, zodat alles wat relevant is voor de beoordeling van de zaak naar voren is gekomen. Naast de bevoegdheden van de rechter, worden ook de OvJ en de verdachte bevoegdheden toegekend. Deze bevoegdheden maken het mogelijk om bepaalde aspecten alsnog te behandelen die door de rechter of de andere partij nog niet zijn behandeld, maar wel als relevant worden beschouwd voor de behandeling van de zaak. Het is overigens de rechter die de zaak leidt en daarom ook bepaalt hoe en wanneer de bevoegdheden van de partijen worden uitgeoefend. 48 EHRM 26 maart 1996, nr /92 (Doorson t. Nederland) 26
28 3.1.2.a. Verzoek tot voorlezing van de processtukken Op grond van art. 301 Sv kan zowel de verdachte als de OvJ de rechter verzoeken tot voorlezing van de processtukken. Het recht vloeit voort uit het onmiddellijkheidsbeginsel en openbaarheidsbeginsel. Het onmiddellijkheidsbeginsel houdt in dat de rechter zich een oordeel dient te vormen op grond van het materiaal dat ter terechtzitting door hem zelf, de OvJ of de verdachte naar voren is gebracht. 49 De voorgelezen stukken kunnen dus door de rechter worden gebruikt ter beantwoording van de vragen van art. 348 en art. 350 Sv. Het openbaarheidsbeginsel betekent dat de terechtzitting in beginsel op een openbare zitting moet plaatsvinden waardoor het voor iedereen kenbaar is en is terug te vinden in art. 6 lid 1 EVRM en art. 121 Gw. De strekking van art. 301 Sv is de verdachte de gelegenheid te geven om kennis te nemen van al het materiaal van het strafbare feit. 50 Het is het belang voor de verdachte dat alle stukken worden voorgelezen, omdat deze stukken belastend kunnen zijn voor hem. Op grond van art. 301 Sv kan de verdachte zich kortom op een adequate manier verdedigen, doordat hij de rechter kan verzoeken tot voorlezing van bepaalde processtukken die ten gunste zijn van zijn verdediging b. Het recht op pleidooi en 'het laatste woord' Indien naar mening van de rechter alles behandeld is en de OvJ zijn vordering heeft uitgesproken, wordt het woord gegeven aan de verdachte en eventueel zijn raadsman om te reageren in een pleidooi op de vordering van de OvJ op grond van art. 311 lid 2 Sv. In het pleidooi wordt het standpunt van de verdediging onderbouwd met verweren. Ondanks dat er in de wet letterlijk staat opgenomen 'de verdachte kan hierop antwoorden', mag de verdachte alles naar voren brengen. De OvJ heeft vervolgens na het pleidooi van de verdediging nog de bevoegdheid om een reactie te geven op grond van art. 311 lid 3 Sv. Tot slot wordt voordat het onderzoek ter terechtzitting wordt afgesloten, de verdachte en zijn raadsman op grond van art. 311 lid 4 Sv nog een laatste woord geboden. Hiermee wordt bedoeld dat zowel de verdachte als zijn raadsman zich nog een laatste keer mogen uitlaten over de 'inhoudelijke op de strafzaak tegen de verdachte betrekking hebbende argumenten'. 51 Ook hierbij is de actieve rechter van belang, omdat een verdachte het pleidooi en laatste woord ontnomen kan worden 49 D. van Daele, Het openbaar ministerie en de afhandeling van strafzaken in Nederland, Leuven: Universitaire pers Leuven 2003, p J. Wöretshofer, Cleiren e.a., Tekst & Commentaar Strafvordering, Voorlezing van stukken bij: Artikel 301, Deventer: Kluwer J. Wöretshofer, Cleiren e.a., Tekst & Commentaar Strafvorering, Requisitoir/Pleidooi/Laatste woord bij Artikel 311, Deventer: Kluwer
29 wanneer hij steeds maar blijft herhalen, geen nieuwe aspecten meer aanvoert of hetgeen dat de verdediging aanvoert niet in verband staat met de berechting c. Het recht op een verzoek tot nader onderzoek Na het laatste woord van de verdachte is de zaak in principe afgesloten en kan de rechter nieuwe vragen stellen aan de verdachte, getuigen en deskundigen en wederom stukken voorlezen, waarop een mogelijkheid wordt geboden tot een nader onderzoek op grond van art. 311 lid 5 Sv. Indien de rechter ambtshalve geen nader onderzoek doet, kan de verdachte en de OvJ daar ook om verzoeken. Het nader onderzoek kan er kortom voor zorgen dat na het laatste woord van de verdachte, het onderzoek wordt voortgezet De positie van het slachtoffer Inleiding Een persoon kan worden aangemerkt als slachtoffer, indien diegene als rechtstreeks gevolg van een strafbaar feit vermogensschade of ander nadeel heeft ondervonden, op grond van art. 51a Sv. De rechten van het slachtoffer zijn sinds 2011 samengebracht in Titel IIIA van het Eerste Boek van Strafvordering. Bovendien komen de meeste rechten van het slachtoffer eveneens toe aan de eventuele nabestaanden op grond van art. 51d Sv, maar zoals in de inleiding al is aangegeven laat ik dat buiten beschouwing in de scriptie. Pas vanaf 2011 heeft het slachtoffer een titel verkregen in het Wetboek van Strafvordering, maar hier is een ingrijpende ontwikkeling aan vooraf gegaan die behandeld wordt in paragraaf Daarop volgend zullen in paragraaf de huidige verschillende hoedanigheden waarin het slachtoffer een rol kan spelen in het strafprocesrecht uitgelegd worden. Bovendien speelde het Europees recht een grote rol in de ontwikkelingen van de positie van het slachtoffer op nationaal niveau. Deze waarborgen van het slachtoffer vanuit het Europees recht zullen daarom voorafgaand aan de nationale ontwikkelingen behandeld worden in paragraaf Waarborgen van het slachtoffer vanuit het Europees recht Al een aantal decennia wordt er op Europees niveau bescherming geboden aan slachtoffers van misdrijven. De inspanningen van de Europese Unie om slachtoffers van misdrijven te beschermen, zijn onder andere tot uiting gekomen in het Kaderbesluit van de Raad van de Europese Unie van 15 maart Daarnaast zijn de laatste decennia al veel documenten opgesteld door de Europese Unie om de rechten van de slachtoffers te versterken. Deze 28
30 ontwikkelingen zullen behandeld worden in paragraaf 3.2.1b. Bovendien zijn de rechten van het slachtoffer deels terug te vinden in de jurisprudentie van het EHRM dat in de volgende paragraaf behandeld wordt a. De waarborgen van het slachtoffer door middel van het EVRM en EHRM In het EVRM zijn geen specifieke waarborgen ter bescherming van het slachtoffer opgenomen. Desondanks wordt er steeds meer voor gepleit dat ook de slachtofferrechten onder het bereik van het EVRM dienen te vallen. Het probleem daarbij is echter dat de slachtofferrechten op gespannen voet kunnen staan met de waarborgen van de verdachte die in art. 6 EVRM te vinden zijn, zoals we in de vorige paragraaf al eens gezien hebben. Ondanks dat de slachtofferrechten niet direct zijn terug te vinden in het EVRM, kunnen de belangen van het slachtoffer wel indirect worden afgeleid uit een aantal artikelen van het EVRM volgens het EHRM. 52 Het EHRM heeft namelijk in verschillende uitspraken benadrukt dat ondanks de rechtsbescherming van de verdachte op grond van art. 6 EVRM, eveneens serieus rekening moet worden gehouden met de belangen van het slachtoffer. Bijvoorbeeld in het Doorson-arrest heeft het Hof geoordeeld dat op grond van de beginselen van een fair trial (art. 6 EVRM) vereist kan worden dat de belangen van de verdachte worden afgewogen tegen de belangen van het slachtoffer die kan worden opgeroepen als getuige, omdat het immers dient te gaan om een proces dat in zijn geheel eerlijk is geweest. 53 Daarnaast kunnen ook art. 2 EVRM en art. 8 EVRM met zich meebrengen dat het ondervragingsrecht van de verdachte op grond van art. 6 EVRM moet wijken voor het slachtoffer. In het arrest X en Y t. Nederland is naar voren gekomen dat de strafrechtspleging de slachtoffers daadwerkelijk bescherming moet kunnen bieden op grond van art. 8 EVRM waarin het recht op privéleven is opgenomen. Het Hof oordeelde namelijk dat er een positieve verplichting rust op de overheid om slachtoffers te beschermen. 54 Daarnaast bevat art. 2 EVRM het recht op leven. In het arrest Osman t. Verenigd Koninkrijk is door het Hof geoordeeld dat onder bepaalde omstandigheden op grond van art. 2 EVRM de positieve verplichting bestaat voor de overheid om preventieve maatregelen te nemen om personen, oftewel de slachtoffers, te beschermen die kans hebben hun leven te verliezen door een misdrijf. 55 Of de overheid ook daadwerkelijk dient in te grijpen, hangt volgens het Hof af van 52 R.S.B. Kool, Melai/Groenhuijsen e.a., Wetboek van Strafvordering, Toepasselijkheid van art. 6 EVRM bij: Artikel 51f, Deventer: Kluwer EHRM 26 maart 1996, nr /92, r.o. 70. (Doorson t. Nederland) 54 EHRM 26 maart 1985, nr. 8978/80, r.o. 23. (X en Y t. Nederland) 55 EHRM 28 oktober 1995, nr /94, r.o (Ösman t. Verenigd Koninkrijk) 29
31 het feit of autoriteiten wisten of moesten weten dat er sprake was van werkelijk en onmiddellijk levensgevaar. 56 Kort samengevat kan gezegd worden dat er geen directe rechten van slachtoffers te vinden zijn in het EVRM, maar zoals hiervoor beschreven heeft het EHRM wel een aantal keer duidelijk gemaakt dat slachtoffers onder bepaalde omstandigheden toch rechten kunnen ontlenen aan het EVRM b. De ontwikkelingen van de rechten van het slachtoffer door Europese instellingen Naast de rechten van het slachtoffer op basis van het EVRM en het EHRM, zijn er in de laatste decennia veel documenten opgesteld om de rechten van het slachtoffer te versterken in Europa. Het eerste document waarin de rechten van slachtoffers naar voren kwamen is het Europees Verdrag van 27 november 1983 met betrekking tot de schadeloosstelling van slachtoffers van geweldsmisdrijven en is opgesteld door de Raad van Europa. De Raad van Europa is overigens geen onderdeel van de Europese Unie, maar een zelfstandige internationale organisatie die de mensenrechten, democratie en rechtsstaat in de lidstaten wil versterken en is niet hetzelfde als de Raad van de Europese Unie. 57 Uit het verdrag van 1983 vloeit voort dat de staten de verplichting hebben personen financieel tegemoet te komen, indien zij slachtoffer zijn geworden van een geweldsmisdrijf. Naast de Raad van Europa die zich hard maakte voor de slachtoffers van misdrijven, zijn ook de EU-instellingen de laatste jaren steeds meer opgekomen voor een verbetering van de positie van het slachtoffer in het strafproces. Om te beginnen heeft de Raad van de Europese Unie in 2001 een Kaderbesluit opgesteld inzake de positie van het slachtoffer in het strafproces. Het Kaderbesluit gaf de lidstaten de opdracht om hun wetgeving zodanig aan te passen dat het overeenkwam met het doel om slachtoffers van misdrijven een hoog beschermingsniveau te bieden. 58 Vervolgens is er in 2004 een richtlijn opgesteld betreffende de schadeloosstelling van slachtoffers van misdrijven die een aanvulling is op het Kaderbesluit van De richtlijn heeft ervoor gezorgd dat alle lidstaten een nationale regeling moesten invoeren waarin stond opgenomen dat slachtoffers van misdrijven een passende en redelijke schadeloosstelling werd gegarandeerd. 59 Nederland voldeed hieraan door het vaststellen van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven. Daarnaast is er in 2011 door het Europees Parlement een Europees Beschermingsbevel (Richtlijn 2011/99/EG) aangenomen. Het Europees Beschermingsbevel 56 EHRM 28 oktober 1995, nr /94, r.o (Ösman t. Verenigd Koninkrijk) Kaderbesluit van de Raad van 15 maart 2001 inzake de status van het slachtoffer in de strafprocedure, nr. 2001/220/JBZ, overweging Kamerstukken II, 2004/05, , nr. 3. p. 1. (MvT) 30
32 beoogt slachtoffers die worden beschermd in een EU-lidstaat, in staat te stellen om gelijkgestelde bescherming te verkrijgen indien het slachtoffer naar een andere lidstaat verhuist. 60 Tot slot is de meest recente richtlijn over de positie van het slachtoffer vastgesteld in 2012, waarin de minimumnormen van slachtoffers staan opgesteld. Richtlijn 2012/29/EU is een vervanging van het Kaderbesluit inzake de positie van het slachtoffer in het strafproces. De rechtsbescherming van het slachtoffer wordt met name uitgebreid op het gebied van informatierechten, slachtofferhulp en processuele rechten. 61 Bovendien wordt in deze richtlijn niet alleen het slachtoffer dat schade heeft geleden door een bepaald misdrijf erkend, maar ook de eventuele nabestaanden van het slachtoffer op grond van art. 2 lid 1 sub a onder ii Richtlijn 2012/29/EU De ontwikkelingen van de positie van het slachtoffer in het Nederlands strafprocesrecht De laatste decennia hebben er veel veranderingen plaatsgevonden op het gebied van de positie van het slachtoffer. De ontwikkelingen op Europees niveau, zoals in de vorige paragraaf behandeld is, hebben er toe geleid dat ook op nationaal niveau de positie van het slachtoffer verbeterd werd. Voor deze ontwikkelingen had het slachtoffer in Nederland slechts een aantal rechten onder zeer geringe omstandigheden als benadeelde partij die schadevergoeding wilde vorderen. 62 In 1992 kwam er voor het eerst een omslag in het denken over de geringe positie van het slachtoffer in het strafproces, omdat er in dat jaar een wetsvoorstel werd ingediend waarin vermeld is dat de voegingsmogelijkheden van benadeelde partijen verruimd moesten worden. Op 1 april 1995 is de zogeheten wet Terwee in werking getreden en kan worden gezien als een van de eerste belangrijke stappen van de versterking van de positie van het slachtoffer in het strafproces. In de jaren die daarop volgden werden nog enkele stappen meer gezet, die ten slotte hebben geleid tot een nieuwe wet die in 2005 werd aangenomen. Deze wetswijziging heeft ervoor gezorgd dat slachtoffers en eventuele nabestaanden een mogelijkheid hebben om een schriftelijke slachtofferverklaring te geven of een mondelinge verklaring tijdens de rechtszitting af te leggen dat ook wel het spreekrecht wordt genoemd. 63 Het spreekrecht van slachtoffers wordt in paragraaf d. nader besproken. Vervolgens is er 60 Richtlijn 2011/99/EG betreffende het Europees Beschermingsbevel. (Art. 1 en Art. 2 lid 1). 61 Richtlijn 2012/29/EU vaststelling minimumnormen voor de rechten, ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, M.S. Groenhuijsen, Schadevergoeding voor slachtoffers van delicten in het strafgeding, Nijmegen: Ars Aequi Libri Aanwijzing spreekrecht en schriftelijke slachtofferverklaring van 23 december 2004, Stcrt. 2004, nr. 248, p
33 in 2011 een nieuwe wet ingetreden die zorgt voor een uitbreiding van rechten van het slachtoffer, dat onder andere het volgende betrof: het recht op inzage in het strafdossier, informatie over de vrijlating van de verdachte of veroordeelde, het recht op correcte bejegening, het recht om te verzoeken bepaalde documenten aan het strafdossier toe te voegen, een voorschotregeling voor slachtoffers van geweldsmisdrijven en de mogelijkheid om zich te voegen. 64 Sinds de inwerkingtreding van deze wet hebben slachtoffers dus een zelfstandige positie verkregen in het strafproces los van de rol als aangever van het strafbare feit of getuige. 65 In 2012 is een uitbreiding aangenomen op het spreekrecht dat in hetzelfde jaar in werking is getreden. Door middel van het wetsvoorstel werd de kring van nabestaanden die spreekrecht hebben verruimd. 66 Deze ontwikkelingen hebben ervoor gezorgd dat het slachtoffer momenteel, in vergelijking met ongeveer 25 jaar geleden, vrij veel hebben in te brengen in het strafproces. Teeven zet met het wetsvoorstel de ontwikkelingen de versterking van de positie van het slachtoffer voort, omdat hij de slachtoffers de bevoegdheid wil geven om zich uit te laten over de inhoud van de bewezenverklaring, de kwalificatie van het feit, de schuld van de verdachte en de passende straftoemeting. De ontwikkelingen op het gebied van de versterking van de positie van het slachtoffer hebben ertoe geleid dat het slachtoffer in het huidig strafprocesrecht kan optreden in vier verschillende hoedanigheden die behandeld worden in de volgende paragraaf. Door middel van het adviesrecht komt het slachtoffer in de toekomst een vijfde hoedanigheid toe Huidige procespositie van het slachtoffer Uit de voorgaande paragraaf is gebleken dat het slachtoffer de laatste decennia een duidelijk betere positie heeft verkregen in het strafproces. Deze ontwikkelingen hebben ertoe geleid dat het slachtoffer in het huidig strafproces kan optreden in verschillende hoedanigheden. De rechtspositie van het slachtoffer is afhankelijk van de hoedanigheid waarin hij optreedt. 67 De vier hoedanigheden zullen in de subparagrafen a,b,c en d behandeld worden. 64 Wijziging van het Wetboek van Strafvordering, het Wetboek van Strafrecht en de Wet schadefonds geweldsmisdrijven ter versterking van de positie van het slachtoffer in het strafproces van 17 december 2009, Stb. 2010, nr Teeven, Ministerie van Veiligheid en Justitie, Recht doen aan slachtoffers, 22 februari Kamerstukken II, 2011/12, 33176, nr. 3. (MvT) 67 Conceptwetsvoorstel Wetsvoorstel ter aanvulling van het spreekrecht van slachtoffers en nabestaanden in het strafproces 32
34 3.2.3.a. Het slachtoffer als rechtstreeks belanghebbende partij Zoals in hoofdstuk 2 al eens aan de orde is gekomen, heeft het OM na de opsporing de keuze om een verdachte al dan niet te vervolgen. Naast het wel of niet vervolgen van de verdachte kan het OM er ook voor kiezen de verdachte te vervolgen door middel van zelf een strafbeschikking uit te vaardigen in plaats van de verdachte te dagvaarden ter berechting op grond van art. 257a Sv. Voor een slachtoffer kan het in sommige ernstige zaken erg onbevredigend zijn als de verdachte niet wordt vervolgd of slechts een strafbeschikking krijgt opgelegd door het OM. In beide gevallen kan het slachtoffer een beklag indienen bij het gerechtshof op grond van art. 12 Sv, waarin de beslissing van de OvJ ter discussie zal staan. Het gerechtshof oordeelt of het beklag gegrond verklaard kan worden en wanneer dit zo is, wordt de zaak alsnog aan de rechter in eerste aanleg voorgelegd. De beklagprocedure kan dus worden gezien als een soort correctiemiddel en kan slechts worden ingediend door een rechtstreeks belanghebbende. Een persoon die slachtoffer is geworden van een bepaald strafbaar feit gepleegd door een verdachte kan dus al vrij snel worden aangemerkt als een rechtstreeks belanghebbende bij de zaak b. Het slachtoffer als benadeelde partij Indien een slachtoffer rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van een strafbaar feit, kan hij worden aangemerkt als benadeelde partij. Een benadeelde partij, en dus ook het slachtoffer, kan zich door middel van zijn vordering tot schadevergoeding voegen in het strafproces op grond van art. 51f lid 2 Sv. De schadevergoeding kan door het slachtoffer worden geëist in het strafproces en door de rechter op basis van het onderzoek op de terechtzitting worden toegewezen. 68 Dat leidt ertoe dat het slachtoffer de schadevergoeding niet alsnog via de civiele procedure hoeft te vorderen. Indien een benadeelde partij zich heeft gevoegd in het strafproces komen hem dezelfde rechten als het slachtoffer toe, omdat op grond van art. 51a en art. 51f Sv het slachtoffer en benadeelde op dezelfde manier worden aangemerkt. In beide gevallen dient het namelijk te gaan om een persoon die schade heeft geleden door een strafbaar feit dat gepleegd is door een ander persoon. 68 P.A.M. Mevis, Capita Strafrecht, Nijmegen: Ars Aequi Libri 2009, p
35 3.2.3.c. Het slachtoffer als spreekgerechtigde Sinds 2005 kan het slachtoffer tijdens de terechtzitting gebruik maken van zijn spreekrecht op grond van art. 51e Sv. De voorzitter stelt op grond van art. 302 Sv het slachtoffer in de gelegenheid om zijn spreekrecht uit te oefenen tijdens de terechtzitting. Uit art. 52e Sv is af te leiden dat spreekrecht slechts kan worden uitgeoefend door een slachtoffer, indien het tenlastegelegde feit een misdrijf betreft waarop volgens de wet een gevangenisstraf van acht jaar of meer is gesteld. Het slachtoffer mag zich door middel van het huidig spreekrecht slechts uitspreken over de gevolgen die het strafbare feit bij hem of haar teweeg hebben gebracht. Er kan in die zin gesproken worden van een beperkt spreekrecht, omdat het slachtoffer de gevolgen van het strafbare feit niet te buiten mag gaan. Hij mag zich met andere woorden niet uitlaten over bijvoorbeeld de schuld van de verdachte of de straftoemeting. Een slachtoffer kan gehoord worden door de rechter op grond van art. 303 lid 1 Sv. Daarnaast kunnen het slachtoffer nadere vragen gesteld worden door de OvJ en de verdachte met tussenkomst van de rechter op grond van art. 302 lid 1 Sv. Juridisch gezien is het slachtoffer niet verplicht om de vragen te beantwoorden, omdat hij op basis van het spreekrecht niet beëdigd wordt. Wanneer het slachtoffer de wettelijke grens van het spreekrecht overschrijdt, door verklaringen af te leggen die belastend zijn voor de verdachte, moet hij formeel gezien alsnog worden beëdigd als getuige, waardoor hij wel verplicht is om te antwoorden naar waarheid. In dat geval leidt het verdedigingsbelang van de verdachte ertoe dat hij een beroep kan doen op zijn ondervragingsrecht op grond van art. 6 EVRM, zoals in paragraaf 3.1.1c en 3.2.3c al aan de orde is geweest. De hoedanigheid van een slachtoffer als getuige in het strafproces wordt in de laatste subparagraaf behandeld en hangt nauw samen met het adviesrecht. Het slachtoffer kan ook een slachtofferverklaring laten opstellen door een medewerker van Slachtofferhulp Nederland, indien hij geen gebruik wenst te maken van zijn spreekrecht. 69 De slachtofferverklaring wordt naar de OvJ en de verdachte gestuurd. De OvJ zal er voor zorgen dat de slachtofferverklaring bij het dossier wordt gevoegd, zodat het tijdens de terechtzitting behandeld zal worden. Op deze manier hoeft het slachtoffer zijn verklaring niet mondeling af te leggen, waardoor hij kan ontkomen aan de confrontatie met de verdachte. Er is overigens ook een combinatie mogelijk van het spreekrecht en de slachtofferverklaring. In dat geval bereidt een slachtoffer zich voor door middel van een schriftelijke slachtofferverklaring die hij tijdens de zitting mondeling toelicht. 69 A.C. Bijlsma, Handboek benadeelde partij, Alphen aan den Rijn: Kluwer 2005, p
36 3.2.3.d. Het slachtoffer als getuige en adviesgerechtigde In deze paragraaf wordt de hoedanigheid van het slachtoffer als getuige samen met het slachtoffer als adviesgerechtigde behandeld, omdat een slachtoffer die gebruik maakt van zijn adviesrecht als getuige beëdigd dient te worden. Voordat ik in zal gaan op het slachtoffer dat optreedt als getuige of als adviesgerechtigde, kom ik eerst terug op het begrip slachtoffer. Zoals ik in de inleiding van de scriptie heb aangegeven, versta ik in de scriptie onder het begrip slachtoffer eveneens de nabestaanden, omdat hen eveneens het adviesrecht zal toekomen volgens Teeven. De vraag is echter of de nabestaanden wel als getuige kunnen optreden in het strafprocesrecht vanwege het feit dat de getuige zijn verklaring zo veel mogelijk dient te baseren op hetgeen hij ten aanzien van het feit heeft waargenomen en ondervonden (art. 291 Sv). Deze vraag kan echter bevestigend beantwoord worden, omdat het begrip getuige zeer ruim wordt uitgelegd door het EHRM. Volgens het EHRM kan een persoon worden aangemerkt als getuige, indien deze een verklaring aflegt die ter kennis komt van de rechter en waarmee de rechter rekening houdt. 70 Om die reden kan eveneens een nabestaande van het slachtoffer verklaren over de gevolgen van het delict en dat heeft de Hoge Raad eveneens bevestigd. 71 Een slachtoffer kan vaak worden gezien als bron van informatie tijdens het strafproces, omdat slachtoffers meestal gehoord worden door de politie en de rechter-commissaris. 72 In sommige gevallen kunnen zij zelfs gehoord worden als getuige tijdens de terechtzitting, waardoor hem een aantal rechten maar zeker ook verplichtingen worden opgelegd. Indien een slachtoffer als getuige gehoord wordt, zal hij namelijk beëdigd worden (art. 215 e.v. Sv). De beëdiging zorgt ervoor dat hij naar waarheid moet antwoorden, omdat indien hij dit niet doet sprake is van meineed, dat strafbaar is op grond van art. 192 Sr. Bovendien heeft een getuige een passieve positie, omdat hij slechts antwoord mag geven als hem een vraag wordt gesteld. Een getuige kan worden opgeroepen door de OvJ (art. 260 Sv) en door de verdachte zelf (art. 263 Sv) in belang van het onderzoek. Het slachtoffer heeft daarom niet op zich zelf het recht om een verklaring af te leggen als getuige, maar deze moet hem worden toegekend. Het adviesrecht brengt hier verandering in, omdat dat recht van het slachtoffer automatisch met zich mee brengt dat het slachtoffer als getuige wordt beëdigd op grond van het ondervragingsrecht van de verdachte. Bovendien is in de vorige subparagraaf al naar voren gekomen dat ook door middel van het huidig spreekrecht het slachtoffer beëdigd kan worden als getuige, indien het 70 EHRM 20 november 1989, nr /85 (Kostovski t. Nederland) 71 C.P.J. Scheele, Mevis e.a., Handboek strafzaken, Wat wordt onder een getuige verstaan?, Deventer: Kluwer HR 4 juni 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AD9474 (concl., A-G Machielse), NJ 2002/ B.F. Keulen e.a., Naar een tweefasenproces?, WODC 2013, p
37 slachtoffer de wettelijke grens van het spreekrecht overschrijdt. Door middel van de getuigenverklaring kan een slachtoffer worden onderworpen aan vragen van de OvJ, de rechter maar ook van de verdachte. De getuigenverklaring en het adviesrecht van het slachtoffer kunnen het verdedigingsbelang van de verdachte raken. Het verdedigingsbelang wordt dan beschermd door middel van het ondervragingsrecht dat geregeld is in art. 6 EVRM. De conclusie die daardoor getrokken kan worden, is dat ondanks het vergaande recht van het slachtoffer om belastende verklaringen af te leggen, de belangen van de verdachte niet tekort worden gedaan omdat hij zichzelf op een adequate manier kan verdedigen door het slachtoffer als getuige te onderwerpen aan vragen. De rechtstreekse ondervraging waarmee het slachtoffer geconfronteerd wordt door de verdachte kan echter wel erg belastend zijn voor het slachtoffer, waardoor de vraag zich voordoet of het ondervragingsrecht dan nog wel zo voordelig is voor het slachtoffer. In hoofdstuk 4 zal ik daar dieper op ingaan. Overigens heeft het EHRM in het arrest Doorson geoordeeld dat het ondervragingsrecht van de verdachte niet altijd absoluut is, omdat er redenen kunnen bestaan dat het ondervragingsrecht tijdens de zitting niet gerealiseerd kan worden bijvoorbeeld doordat er rekening moet worden gehouden met de belangen van de getuigen, aldus het slachtoffer. 73 Daarnaast is in een recent arrest eveneens geoordeeld door het EHRM dat indien een verdachte de getuige niet heeft kunnen ondervragen er niet direct sprake is van schending van het ondervragingsrecht, omdat de schending voorkomen kan worden door middel van compenserende factoren. 74 Nederland is kort geleden zelfs nog op de vingers getikt door het EHRM in het arrest Vidgen tegen Nederland, omdat het ondervragingsrecht van de verdachte geschonden werd. De bewezenverklaring was namelijk alleen gebaseerd op de verklaring van een getuige en de verdachte had geen mogelijkheid gehad om de getuige effectief te ondervragen, omdat de getuige zich beriep op het verschoningsrecht en volgens het Hof waren er onvoldoende compenserende maatregelen geboden aan de verdachte. 75 Kort samengevat, kan op basis van de voorgaande arresten gesteld worden dat het ondervragingsrecht van de verdachte niet absoluut is en daarom niet altijd geldt. Er dient namelijk ook rekening gehouden te worden met de belangen van het slachtoffer die in bepaalde situaties zwaarder kunnen wegen dan het belang van de verdachte om het slachtoffer te ondervragen. Indien een verdachte geen gebruik kan maken van zijn ondervragingsrecht jegens het slachtoffer als getuige kan dat zeer nadelig voor hem zijn, omdat hij zich dan niet op een adequate manier kan verdedigen. Overigens 73 EHRM 26 maart 1996, nr /92. (Doorson t. Nederland) 74 EHRM 15 december 2011, nr /05 en 22228/06. (Al-Khawaja&Tahery t. Verenigd Koninkrijk). 75 EHRM 10 juli 2012, appl.nr /06 (Vidgen t. Nederland). 36
38 dient hier eveneens de kanttekening gemaakt te worden dat het ook voordelig uit kan pakken voor de verdachte. Indien een getuige niet ondervraagd kan worden, kan dat als gevolg hebben dat er onvoldoende bewijs is waardoor de verdachte vrijgesproken dient te worden Conclusie In dit hoofdstuk zijn de positie van de verdachte en het slachtoffer in het strafproces behandeld. In de eerste paragraaf is voornamelijk gekeken naar de rechten van de verdachte op Europees en nationaal niveau. In de tweede paragraaf is veelal aandacht besteed aan de ontwikkelingen van de versterking van de positie van het slachtoffer in het strafproces op Europees en nationaal niveau die er uiteindelijk toe hebben geleid dat het slachtoffer in het strafproces in Nederland kan optreden in vier verschillende hoedanigheden. De conclusie die hieruit getrokken kan worden is dat het slachtoffer die vroeger zoveel mogelijk buiten het strafproces werd gehouden de laatste jaren een steeds sterkere positie als procesdeelnemer heeft verkregen. Het adviesrecht dat Teeven in zijn wetsvoorstel naar voren heeft gebracht, kan worden gezien als de meest recente ontwikkeling om de positie van het slachtoffer te versterken. De vraag is echter of deze ontwikkeling een stap te ver gaat, gelet op het uitgangspunt dat de versterking van de positie van het slachtoffer niet ten koste mag gaan van de rechten en bejegening van de verdachte. De conclusie die uit de eerste paragraaf getrokken kan worden is dat het adviesrecht voornamelijk op gespannen voet staat met recht op een onpartijdige rechter en onschuldpresumptie van de verdachte, die gezien kunnen worden als deelaspecten die het recht op een eerlijk proces van de verdachte garanderen op grond van art. 6 EVRM. Om ervoor te zorgen dat de rechten en bejegening van de verdachte niet ten koste gaan van de versterkende positie van het slachtoffer door middel van het adviesrecht, kan de verdachte beroep doen op het ondervragingsrecht dat rechtstreeks geldt ten opzichte van een slachtoffer dat gebruik maakt van zijn adviesrecht. Hier dient echter de kanttekening gemaakt te worden, dat het ondervragingsrecht geen absoluut recht is. Dat wil zeggen dat het mogelijk is dat de verdachte zijn ondervragingsrecht niet mag uitoefenen, indien hem voldoende compenserende factoren worden geboden. 76 Een verdachte kan zich met andere woorden verdedigen tegen de belastende verklaringen van het slachtoffer op basis van het adviesrecht, door het slachtoffer het hemd van het lijf te vragen op grond van art. 6 EVRM en art. 292 lid 3 Sv. De vraag is echter of het adviesrecht dan nog wel zijn voordelen heeft indien hij wordt onderworpen aan een tal van vragen van de verdachte. Hier wordt in hoofdstuk 4 nader aandacht aan besteed. 76 EHRM 15 december 2011, nr /05 en 22228/06. (Al-Khawaja&Tahery t. Verenigd Koninkrijk). 37
39 4. Het adviesrecht met betrekking tot de positie van de verdachte en het slachtoffer In dit laatste hoofdstuk zal gekeken worden hoe het adviesrecht zich verhoudt tot de positie van de verdachte en het slachtoffer, zodat er een antwoord gegeven kan worden op de vraag of het adviesrecht binnen het strafrechtsysteem van Nederland past gelet op de positie van beide partijen. In het vorige hoofdstuk is gebleken dat er wel degelijk een plek is gecreëerd voor het slachtoffer binnen het Nederlands strafproces, maar de vraag is hoeveel ruimte hem geboden dient te worden gelet op het voorgestelde adviesrecht. In deze paragraaf zal met andere woorden onder andere onderzocht worden of het adviesrecht niet te veel inbreuk maakt op de rechten van de verdachte en of er ook enige voordelen zijn voor de verdachte. Bovendien dient eveneens onderzocht te worden of het adviesrecht ook daadwerkelijk voordelen heeft voor het slachtoffer en wat de eventuele nadelen ervan zijn. Ik maak in dit hoofdstuk voornamelijk gebruik van de adviezen die opgesteld zijn door de instanties waaraan Teeven het wetsvoorstel heeft toegestuurd ter consultatie Het adviesrecht en de positie van de verdachte 4.1.a. Nadelen Het grootste kritiekpunt op het adviesrecht gelet op de positie van de verdachte is dat het op gespannen voet staat met het recht op een eerlijk proces van de verdachte. In het vorige hoofdstuk is naar voren gekomen dat het adviesrecht voornamelijk op gespannen voet staat met de onschuldpresumptie van de verdachte. Het adviesrecht geeft het slachtoffer namelijk de mogelijkheid zich uit te spreken over de inhoud van de bewezenverklaring, kwalificatie van het feit, schuld van de verdachte en de straftoemeting van de verdachte. Hierdoor wordt tijdens het onderzoek ter terechtzitting door het slachtoffer geoordeeld dat de verdachte schuldig is, terwijl dit nog niet in rechte vast staat omdat de rechter nog geen uitspraak heeft gedaan. Dat levert strijd op met de onschuldpresumptie (art. 6 lid 2 EVRM), omdat dat beginsel inhoudt dat de verdachte als onschuldig dient te worden beschouwd totdat het tegendeel bewezen is. Slachtofferhulp Nederland is echter van mening dat de onschuldpresumptie niet als zwaarwegend argument kan dienen tegen het adviesrecht. 77 Zij geeft als argument dat de OvJ in zijn vordering ook al te kennen geeft dat hij een verdachte schuldig acht. Dat zie ik overigens als een zwak argument, aangezien de OvJ als enige aanklager zijn vordering dient over te leggen aan de rechter. Daarnaast is zij van mening als 77 Het advies van Slachtofferhulp Nederland, te raadplegen via file:///c:/users/systeembeheer/downloads/131202_teeven_spreekrecht_met_adviesrecht%20(11).pdf 38
40 een slachtoffer zich pas mag laten horen wanneer de verdachte al dan niet schuldig is verklaard, het slachtoffer tijdens het gehele proces als vermoedelijk slachtoffer wordt beschouwd en dat levert strijd op met de correcte bejegening van het slachtoffer op grond van art. 1 Richtlijn 2012/29/EU. Groenhuijsen 78 sluit zich aan bij dit laatste argument van Slachtofferhulp Nederland en is van mening dat de onschuldpresumptie van de verdachte los staat van de procespositie van het slachtoffer. 79 Het basisrecht van het slachtoffer dat hij tijdens het gehele strafproces met respect wordt bejegend als slachtoffer van een misdrijf en niet als vermoedelijk slachtoffer wordt behandeld, is ook terug te vinden in art. 51a Sv en art. 288a lid 2 Sv. In het vorige hoofdstuk hebben we al eens gezien dat naast de onschuldpresumptie ook de (on)partijdigheid van de rechter kan zorgen voor een oneerlijk proces van de verdachte (art. 6 lid 1 EVRM). Een rechter zou namelijk beïnvloed kunnen worden door het adviesrecht van het slachtoffer. Uit een onderzoek van International Victimology Institute Tilburg (INTERVICT) naar het huidig spreekrecht is in 2010 gebleken dat de hoop op beïnvloeding van de rechter een van de redenen van veel slachtoffers is om het spreekrecht te gebruiken. 80 Daarnaast blijkt uit een onderzoek dat in het tijdschrift voor Criminologie naar voren kwam, dat mensen die hevige emotie waarnemen zelf ook geëmotioneerd kunnen raken. 81 Dat betekent dat ondanks de opleiding voor de rechters waarin zij onder andere hebben geleerd om informatie kritisch te benaderen, zij zich niet altijd geheel kunnen afsluiten van hun emoties. Ook IJzermans concludeert in een onderzoek voor de Raad voor de Rechtspraak over de relaties tussen de emoties van juridische professionals en de legitimiteit van het professioneel handelen, dat rechterlijke emoties onvermijdelijk van invloed zijn op hun oordeelsvorming. 82 Met andere woorden het kan zijn dat een rechter wel degelijk in sommige gevallen (on)bewust beïnvloed zal worden door het spreekrecht van het slachtoffer. Bovendien blijkt uit de Memorie van Toelichting van het in 2005 ingevoerde spreekrecht dat één van de doelen van het spreekrecht een informatievoorziening voor de rechter is. Daarmee wordt bedoeld dat een rechter rechtstreeks van het slachtoffer zelf kan vernemen wat de gevolgen van het misdrijf voor hem zijn geweest, zodat hij daarmee 78 Prof. mr. M.S. Groenhuijsen is hoogleraar aan de Universiteit van Tilburg. Bovendien is hij plaatsvervangend raadsheer in het Gerechtshof te Arnhem en wetenschappelijk directeur van het onderzoekscentrum INTERVICT. 79 M.S. Groenhuijsen, Aanvulling van het spreekrecht van slachtoffers en nabestaanden in het strafproces: naar een adviesrecht omtrent de vragen van artikel 350?, DD 2014, afl. 3, p. 15. en M. Groenhuijsen en R. Letschert, Over spreekrecht plus en een tweefasenproces: Dilemma s bij een verantwoorde hervorming van het strafprocesrecht, Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2012, p M. Groenhuijsen e.a., Spreekrecht in Nederland: een bijdrage aan het emotioneel herstel van slachtoffers?, Tilburg: INTERVICT/PrismaPrint: WODC Kampen e.a., `Het effect van de slachtofferverklaring op straftoemeting: een experimenteel onderzoek onder rechtenstudenten`, TvC 2013, afl. 1, p M. IJzermans, De rol van rechterlijke emoties bij het oordelen, Den Haag: Sdu Uitgevers 2012, p
41 rekening kan houden. Bij het adviesrecht zal deze beïnvloeding vanzelfsprekend nog groter kunnen worden zoals in het vorige hoofdstuk al eens besproken is, omdat het slachtoffer niet alleen over de gevolgen van het strafbare feit mag praten maar een volledig advies mag geven dat betrekking heeft op de inhoud van de bewezenverklaring, de kwalificatie van het feit, de schuld van de verdachte en de passende straftoemeting. 4.1.b. Voordelen Zoals tot nu toe duidelijk is geworden in de scriptie zijn er weinig tot geen voordelen van het adviesrecht te bedenken voor de verdachte. Ik noem hier bewust weinig, omdat er naar mijn mening wel een voordeel is aan het adviesrecht voor de verdachte. Een slachtoffer dat gebruik maakt van zijn adviesrecht dient namelijk beëdigd te worden als getuige, waardoor de verdachte het slachtoffer kan onderwerpen aan het ondervragingsrecht op grond van ar. 6 lid 3 sub d EVRM. Op deze manier krijgen de verdachte en zijn raadsman de mogelijkheid om het slachtoffer, die belastende verklaringen heeft afgelegd, aan de tand te voelen. Het ondervragingsrecht van de verdachte geldt momenteel formeel gezien niet wanneer een slachtoffer slechts gebruik maakt van zijn spreekrecht, terwijl deze grens in de praktijk wel eens overschreden wordt en daarom belastend kan zijn voor de verdachte. In die zin kan het adviesrecht ten opzichte van het spreekrecht een voordeel voor de verdachte zijn, omdat zijn ondervragingsrecht zal gelden indien het slachtoffer zijn adviesrecht uitoefent. Overigens is in de vorige hoofdstukken al eens aan de orde gekomen dat de wettelijke grens van het spreekrecht dat overschreden wordt ervoor kan zorgen dat het slachtoffer alsnog als getuige beëdigd dient te worden, waardoor het ondervragingsrecht van de verdachte gaat gelden. Ook is in die hoofdstukken vermeld dat het voorstaande afhankelijk is van de rechter. Een verdachte kan zich met andere woorden wel beroepen op het ondervragingsrecht wanneer het spreekrecht van het slachtoffer in zijn ogen belastend voor hem is, maar is het de rechter die oordeelt of dit ook daadwerkelijk zo is. Hierdoor kunnen er verschillen ontstaan in de praktijk, zo geeft ook de Raad voor de Rechtspraak toe in het advies aan Teeven over het wetsvoorstel. De Raad voor de Rechtspraak geeft aan dat rechters in sommige gevallen een ruimer spreekrecht geven dan volgens art. 51e Sv is toegestaan en dat hier in de praktijk op verschillende manieren mee om wordt gegaan door de rechters. 83 Soms wordt de overschrijding van de wettelijke grens van het spreekrecht van de slachtoffers door de rechters 83 Het advies van de Raad voor de Rechtspraak, te raadplegen via Voor-De-Rechtspraak/Wetgevingsadvisering/Wetgevingsadviezen2013/ Advies-Conceptwetsvoorstel- Wijziging-van-het-Wetboek-van-Strafvordering-ter-aanvulling-van-het-spreekrecht.pdf. 40
42 toegestaan, omdat ze zich niet willen inmengen in het emotionele verslag van het slachtoffer of doordat de wettelijke grens van het spreekrecht al overschreden is voordat zij überhaupt in hebben kunnen grijpen. Daarnaast geeft de Raad voor de Rechtspraak aan dat het ook voorkomt dat het slachtoffer als getuige beëdigd dient te worden, zoals hiervoor en in de vorige hoofdstukken besproken is. Deze verschillen in de praktijk kunnen zorgen voor rechtsongelijkheid, dat nadelig is voor de verdachte en het slachtoffer, omdat zij niet weten wat zij kunnen verwachten van de rechter. Het adviesrecht kan er voor zorgen dat de rechtsongelijkheid deels wordt opgeheven, omdat het kan zorgen voor meer duidelijkheid naar mijn mening. Waar voorheen de rechter in sommige gevallen moeite had met de omgang van de overschrijding van de wettelijke grens van het spreekrecht door het slachtoffer en hierbij een grens te stellen, kan de rechter het slachtoffer dat zich uitspreekt over meer dan alleen de gevolgen van het strafbare feit nu wijzen op het adviesrecht en de beëdiging die daarmee gepaard gaat. Op deze manier dient het slachtoffer zelf voor ogen te houden of hij gebruik maakt van zijn spreekrecht of het verstrekkendere adviesrecht waarmee hij als getuige ondervraagd kan worden door de verdachte en ligt dit risico dus bij hem zelf. In het onderzoek naar het spreekrecht van INTERVICT komt naar voren dat Van Dijk van mening is dat in het huidig proces het risico al bij het slachtoffer ligt of hij als getuige kan worden ondervraagd. 84 In de praktijk blijkt echter, zo geeft de Raad voor de Rechtspraak toe, dat dit vaak afhankelijk is van de grens die de rechter trekt bij het al dan niet overschrijden van de wettelijke grens van het spreekrecht. Het nieuwe adviesrecht zal de wettelijke grens van de overschrijding van het spreekrecht duidelijker maken voor de rechter, waardoor het risico om als getuige te worden beëdigd en ondervraagd te worden door de verdachte merendeels bij het slachtoffer komt te liggen. Het huidig spreekrecht zal met andere woorden strikter worden uitgevoerd door de rechters zo vindt ook Fonds Slachtofferhulp 85, omdat zij nu het adviesrecht als stok achter de deur hebben. Waar voorheen de rechter niet altijd een scherpe grens stelde bij het overschrijden van het spreekrecht, zal de rechter nu eerder ingrijpen en het slachtoffer erop wijzen dat hij zijn uitlatingen over bijvoorbeeld de bewijsbaarheid of strafmaat alleen mag doen door gebruik te maken van het adviesrecht. 84 M. Groenhuijsen en R. Letschert, Over spreekrecht plus en een tweefasenproces: Dilemma s bij een verantwoorde hervorming van het strafprocesrecht, Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2012, p Advies Fonds Slachtofferhulp, te raadplegen via 41
43 4.2. Het adviesrecht en de positie van het slachtoffer 4.2.a. Nadelen Ondanks dat het adviesrecht ter bevoordeling van het slachtoffer is voorgesteld, zijn er ook enkele nadelen voor het slachtoffer te bespeuren indien hij gebruik zal maken van het adviesrecht. Het meest voorkomende argument, dat ook ten tijde van de invoering van het spreekrecht door vele tegenstanders gebruikt werd, is de secundaire vicitimisatie die kan optreden bij het slachtoffer. Secundaire victimisatie houdt kort gezegd herhaald slachtofferschap in. Volgens de Raad voor de Rechtspraak kan de secundaire victimisatie door het adviesrecht op verschillende manieren optreden. Het geven van advies aan de rechter, kan zorgen voor verkeerde verwachtingen bij het slachtoffer die uiteindelijk kunnen zorgen voor een teleurstelling. Het slachtoffer kan namelijk door het adviesrecht het gevoel gegeven worden, dat hij een wezenlijke inspraak heeft in het verloop van het proces. Bovendien zal het slachtoffer vanuit zijn perspectief advies geven aan de rechter waardoor hij waarschijnlijk altijd op een hogere straf zal uitkomen dan de rechter. Het slachtoffer dat gebruik maakt van zijn adviesrecht mag zich uit spreken over alle materiële vragen van art. 350 Sv. Dat betekent dat het slachtoffer antwoord dient te geven op de vraag of de verdachte schuldig is, waarbij rekening gehouden dient te worden met eventuele schulduitsluitingsgronden etc. en dat is onmogelijk, zo laat ook Groenhuijsen blijken in zijn artikel in reactie op het voorgestelde adviesrecht van Teeven. 86 De rechter dient met andere woorden met veel factoren rekening te houden, terwijl het slachtoffer hier geen weet van heeft omdat hij niet juridisch geschoold is en het slechts vanuit zijn perspectief beoordeelt. In die zin zal het uiteindelijke oordeel van de rechter in het grote deel van de gevallen minder zwaar uitpakken dan het slachtoffer heeft geadviseerd en gehoopt. Dat zal zorgen voor een flinke tegenslag bij het slachtoffer waardoor herhaald slachtofferschap, ofwel secundaire victimisatie, kan ontstaan. De Raad voor de Rechtspraak noemt ook het verhoor van het slachtoffer als getuige als argument dat kan zorgen voor herhaald slachtofferschap bij het slachtoffer. Het adviesrecht van het slachtoffer brengt met zich mee dat hij als getuige gehoord mag worden door de verdachte en dat kan vervelende situaties met zich meebrengen. De verdachte en zijn raadsman zullen er namelijk alles aan doen hetgeen het slachtoffer naar voren heeft gebracht in twijfel te trekken waardoor de vragen van de verdediging zwaar kunnen vallen bij het slachtoffer, dat kan leiden tot secundaire victimisatie. Slachtofferhulp Nederland geeft toe dat de hiervoor genoemde argumenten kunnen leiden tot secundaire 86 M.S. Groenhuijsen, Aanvulling van het spreekrecht van slachtoffers en nabestaanden in het strafproces: naar een adviesrecht omtrent de vragen van artikel 350?, DD 2014, afl. 3, p
44 victimisatie, maar brengt hier tegenin dat dit verminderd kan worden door middel van goede voorbereiding, begeleiding en informatie. Tot slot dient de opmerking gemaakt te worden dat het slachtoffer in het huidige strafproces al als getuige gehoord kan worden en in 2010 is een onderzoek gedaan naar de secundaire victimisatie van slachtoffers als getuigen in het strafproces. In de conclusie van het onderzoek komt naar voren dat secundaire victimisatie bij slachtoffers met enige regelmaat voorkomt. 87 Het adviesrecht zal het aantal slachtoffers die als getuige gehoord zullen worden doen vergroten, waarmee ook de secundaire victimisatie van slachtoffers in het strafproces zal stijgen. 4.2.b. Voordelen Ondanks dat sommige instanties van mening zijn dat het adviesrecht zal zorgen voor secundaire victimisatie bij het slachtoffer, menen anderen dat het juist kan bijdragen aan emotioneel herstel van het slachtoffer. Beleidsmedewerker mr. A.H. Sas van Slachtofferhulp Nederland is van mening dat slachtoffers door gebruik te maken van het adviesrecht kunnen opkomen voor zichzelf en kunnen participeren in het strafproces, dat zorgt voor een bijdrage aan de verwerking van wat het slachtoffer heeft meegemaakt. 88 Bovendien blijkt uit de Memorie van Toelichting bij het invoeren van het spreekrecht in 2005 dat de bijdrage aan het herstel van emotionele schade bij het slachtoffer een van de doelen van het spreekrecht is. 89 Het adviesrecht is als het ware het verlengde van het spreekrecht, waardoor het eveneens zou kunnen bijdragen aan het emotioneel herstel van het slachtoffer. Wetenschappelijk onderzoek heeft aangetoond dat de strafrechtelijke context van het spreekrecht een extra bijdrage kan leveren aan het gevoel van erkenning van het slachtoffer. 90 Bovendien kan het adviesrecht een bijdrage leveren aan de procedurele rechtvaardigheid in de ogen van het slachtoffer. Er is sprake van procedurele rechtvaardiging in de ogen van het slachtoffer als hij gehoord wordt en naar zijn gevoel serieus genomen wordt tijdens het strafproces. Slachtofferhulp Nederland geeft aan dat de reactie die de rechter dient te geven op het advies van het slachtoffer een bijdrage kan leveren aan het gevoel procedurele rechtvaardigheid van het slachtoffer. Daarnaast is uit het onderzoek naar de secundaire victimisatie van slachtoffers gebleken dat 87 M. Meijers en M. de Boer, Een keer is genoeg verkennend onderzoek naar secundaire vicitimisatie van slachtoffers als getuigen in het strafproces, Utrecht: Marjan Wijers Research & Consultanc: WODC 2010, p A.H. Sas, Geen adviesrecht voor zielig slachtoffer?, NJB 2014, afl. 13, p Kamerstukken II, 2000/01, 27632, nr M. Groenhuijsen e.a., Spreekrecht in Nederland: een bijdrage aan het emotioneel herstel van slachtoffers?, Tilburg: INTERVICT/PrismaPrint: WODC
45 de procedurele rechtvaardigheid als risicobeschermende factor kan worden gezien om secundaire victimisatie tegen te gaan. Met andere woorden, indien een slachtoffer het gevoel heeft dat er sprake is van procedurele rechtvaardigheid van het strafproces zal hij minder snel in herhaald slachtofferschap terugvallen. Het onderzoek naar de secundaire victimisatie geeft aan dat onder andere de gelegenheid tot het vertellen van het eigen verhaal, participatie in het beslissingsproces, een respectvolle behandeling en vertrouwen in de neutraliteit van de beslisser een bijdrage leveren aan het rechtvaardigheidsgevoel van het slachtoffer. 91 Het adviesrecht zal de hiervoor genoemde factoren van procedurele rechtvaardigheid versterken. Tot slot is het meest voorname voordeel van het adviesrecht voor slachtoffers de versterkende juridische positie die hij verkrijgt in het strafproces. Het adviesrecht zorgt er voor dat het slachtoffer bijna een volwaardig procespartij wordt in het strafproces. De nadruk dient gelegd te worden op bijna, omdat in een van de uitgangspunten van het wetsvoorstel nadrukkelijk naar voren komt dat het slachtoffer slechts procesdeelnemer blijft en geen zelfstandige procespartij wordt waardoor er een drie partijenproces ontstaat zoals in Duitsland. In Duitsland kan het slachtoffer namelijk optreden als Nebenklager in het strafproces, waardoor hij het recht heeft om zich uit te laten over het bewijs en de gewenste straf. Het adviesrecht geeft het slachtoffer de mogelijkheid om zich net zoals in Duitsland te uiten over het bewijs en de gewenste straf. Het slachtoffer blijft echter wel slechts procesdeelnemer en geen procespartij waarmee bedoeld wordt dat hij ook een vervolgingsrecht heeft, zoals in Duitsland wel het geval is. Ondanks dat vele instanties tegenstander zijn van het drie partijenproces, brengt Slachtofferhulp Nederland in zijn advies naar voren dat de positie van het slachtoffer als volwaardige procespartij juist bevoordelend is voor het slachtoffer. Volgens Slachtofferhulp Nederland overheerst de gedachte dat indien een slachtoffer meerdere rechten krijgt toegewezen, zoals het adviesrecht, dit ten alle tijde ten koste gaat van het recht op een eerlijk proces van de verdachte op grond van art. 6 EVRM. Uit de systemen van onze buurlanden waar het slachtoffer wel zelfstandig kan vervolgen en zich over onder andere het bewijs mag uitspreken tijdens het proces, blijkt dat dit geen strijd oplevert met het recht op een eerlijk proces van de verdachte, want zij zijn immers nog nooit op de vingers getikt door het EHRM in verband met strijd met art. 6 EVRM. 92 Daarnaast geeft Slachtofferhulp Nederland in zijn advies als argument dat uit recent onderzoek is gebleken dat de positie van het slachtoffer als Nebenklager zoals in Duitsland een positieve uitwerking heeft op het 91 M. Meijers en M. de Boer, Een keer is genoeg verkennend onderzoek naar secundaire vicitimisatie van slachtoffers als getuigen in het strafproces, Utrecht: Marjan Wijers Research & Consultanc: WODC 2010, p S. Leferink, Het verschil maken: Samenwerken voor slachtoffers van seksueel geweld en misbruik, Utrecht: Slachtofferhulp Nederland 2014, p
46 slachtoffer. 93 Ondanks dat uit de praktijk van onze buurlanden blijkt dat het slachtoffer als volwaardige procespartij goed uitpakt, blijft de overheersende mening in Nederland dat het slachtoffer slechts procesdeelnemer dient te blijven. Teeven pleit zelf in het wetsvoorstel ook voor de positie van het slachtoffer als procesdeelnemer en niet als partij. Volgens de woorden van Teeven bezit de overheid een vervolgingsmonopolie dat wil zeggen dat slechts de overheid verantwoordelijk is voor het strafproces en zorg moet dragen voor de belangen van slachtoffers van criminaliteit in het proces en deze zware verantwoordelijkheid mogen we niet afwentelen op de slachtoffers. 94 Ook Groenhuijsen die al jaren opkomt voor de positie van het slachtoffer is van mening dat niemand gebaat is bij een driepartijen proces, maar is van mening dat door middel van het adviesrecht het slachtoffer wel het gevoel gegeven wordt dat hij hieraan deelneemt. Volgens Groenhuijsen zal het slachtoffer het strafprocesrecht als een driepartijen proces gaan ervaren door het adviesrecht, omdat het voorgesteld art. 302 lid 3 Sv ervoor zorgt dat na het gegeven advies van het slachtoffer zowel de verdediging als het OM mogen reageren op het adviesrecht. 95 Zowel de verdediging als het OM zullen in de meeste gevallen geheel iets anders bepleiten dan het slachtoffer in zijn advies naar voren heeft gebracht, omdat het slachtoffer nu eenmaal vanuit zijn perspectief beredeneert, de verdachte vanuit zijn perspectief beredeneert om zichzelf te verdedigen en het OM rekening dient te houden met alle aspecten die van belang zijn voor de zaak. Het slachtoffer zal daarmee het gevoel krijgen dat er sprake is van twee tegen een en dat kan wederom zorgen voor een flinke tegenslag voor het slachtoffer. Ook de Raad voor de Rechtspraak is van mening dat het slachtoffer slechts procesdeelnemer moet blijven en geen procespartij. Volgens de Raad voor de Rechtspraak willen slachtoffers vooral gehoord worden en hebben de meeste geen behoefte aan juridisering. 93 Het advies van Slachtofferhulp Nederland, te raadplegen via file:///c:/users/systeembeheer/downloads/131202_teeven_spreekrecht_met_adviesrecht%20(11).pdf 94 Toespraak Teeven op de Europese dag van het slachtoffer, te raadplegen via: 95 M.S. Groenhuijsen, Aanvulling van het spreekrecht van slachtoffers en nabestaanden in het strafproces: naar een adviesrecht omtrent de vragen van artikel 350?, DD 2014, afl. 3, p
47 4.3. Conclusie Aan de hand van de voor- en nadelen van het adviesrecht voor zowel de verdachte als voor het slachtoffer, is mijn conclusie dat het adviesrecht gelet op de positie van beide partijen niet past binnen het strafrechtssysteem van Nederland. Ondanks dat ik aan het begin van het onderzoek van mening was dat het adviesrecht te veel inbreuk zou maken het recht op een eerlijk proces (art. 6 EVRM) van de verdachte, is mijn conclusie op dit moment dat dit niet het meest belastende bezwaar is. Er wordt weliswaar enige inbreuk gemaakt op het recht op een eerlijk proces van de verdachte wanneer het slachtoffer gebruik maakt van zijn adviesrecht, maar daar staat naar mijn mening een voldoende waarborg voor de verdachte tegenover, namelijk het ondervragingsrecht op grond van art. 6 lid 3 sub d EVRM. Waar voorheen de rechter niet altijd een scherpe grens stelde bij het overschrijden van het spreekrecht, zal de rechter nu eerder ingrijpen en het slachtoffer erop wijzen dat hij zijn uitlatingen over bijvoorbeeld de bewijsbaarheid of strafmaat alleen mag doen door gebruik te maken van het adviesrecht waardoor hij beëdigd dient te worden en onderworpen kan worden aan het ondervragingsrecht van de verdachte. Bovendien kan ik slechts concluderen dat, hoewel het adviesrecht is voorgesteld met het oog op de positie van het slachtoffer in het strafproces te versterken, er meer nadelen dan voordelen voor het slachtoffer zijn. Het slachtoffer zal inderdaad door het adviesrecht een versterkende juridische positie bezitten tijdens het strafproces, maar daar staat tegenover dat de kans op secundaire victimisatie vele malen groter is dan voorheen het geval was. Het slachtoffer zal namelijk als getuige worden beëdigd waardoor de verdachte zijn ondervragingsrecht mag uitoefenen op het slachtoffer. Uit onderzoek van WODC in 2010 is gebleken dat secundaire victimisatie bij slachtoffers die optreden als getuige vaak voorkomt. Het gebruik van het adviesrecht zal dit aantal doen vergroten. Bovendien is het slachtoffer niet de geschikte persoon om de rechter advies te geven over art. 350 Sv. Het adviesrecht van het slachtoffer zal namelijk erg subjectief zijn en hij zal geen weloverwogen advies kunnen geven. Het slachtoffer is nu eenmaal niet juridisch geschoold, waardoor hij onder andere geen weet heeft van de schulduitsluitingsgronden die kunnen gelden bij de derde materiële vraag van art. 350 Sv. Om die redenen zal de uiteindelijke straftoemeting van het slachtoffer vele malen lager liggen dan het oordeel van de rechter en ook dat zal kunnen leiden tot secundaire victimisatie. 46
48 5. Conclusie De ontwikkelingen van de positie van het slachtoffer in het strafproces hebben er de laatste jaren toe geleid dat het slachtoffer een steeds sterkere positie heeft verkregen in het strafproces. De laatste ontwikkeling omtrent de versterkende positie van het slachtoffer is het wetsvoorstel van Teeven dat mede de aanleiding is geweest voor het onderzoek van de scriptie waarin de volgende onderzoeksvraag centraal staat: Passen de huidige ontwikkelingen van de positie van het slachtoffer binnen de grenzen van het strafrechtssysteem mede gelet op de positie van de verdachte en het slachtoffer? Indien het wetsvoorstel wordt aangenomen zal het slachtoffer in de toekomst naast zijn spreekrecht ook recht hebben op adviesrecht, waarmee hij de rechter advies kan geven over de bewezenverklaring, de kwalificatie van het feit, de schuld van de verdachte en straftoemeting van de verdachte. Het adviesrecht zal er voor zorgen dat de positie van slachtoffer in het strafprocesrecht in de toekomst wederom versterkt wordt, omdat de participatie van het slachtoffer tijden het onderzoek ter terechtzitting vergroot zal worden. Het onderzoek ter terechtzitting heeft zich in Nederland de laatste jaren steeds meer ontwikkeld richting een adversair proces en het adviesrecht zet die ontwikkeling voort. Er zal namelijk een meer debatterend proces ontstaan tussen het slachtoffer en de verdachte, doordat een slachtoffer dat gebruik maakt van zijn adviesrecht eveneens onderworpen kan worden aan het ondervragingsrecht van de verdachte. Overigens krijgt het slachtoffer door het adviesrecht slechts meer inspraak als procesdeelnemer en niet als procespartij, want het vervolgingsmonopolie van het OM blijft gehandhaafd. Bovendien behoudt de rechter zijn actieve rol, wat betekent dat hij het proces leidt en actief onderzoek zal doen om de waarheid boven tafel te krijgen. Zodoende blijven de belangrijkste maatstaven van ons strafrechtssysteem gewaarborgd. Puur gelet op het strafrechtssysteem van Nederland en voornamelijk het onderzoek ter terechtzitting kan met andere woorden geconcludeerd worden dat het adviesrecht binnen het Nederlands strafrechtssysteem past. Gelet op de positie van zowel de verdachte als het slachtoffer dient een andere conclusie getrokken te worden met betrekking tot de vraag of het adviesrecht past binnen het strafrechtssysteem van Nederland. Zowel op nationaal als op Europees niveau is de positie van het slachtoffer de laatste jaren drastisch versterkt. Ondanks de versterkende positie van het slachtoffer, is het uitgangspunt dat de invloed van het slachtoffer in het strafproces niet ten koste mag gaan van de bejegening en de rechten van de verdachte. Door de invoering van het adviesrecht wordt weliswaar een inbreuk gemaakt op het recht op een eerlijk proces (art. 6 EVRM) van de verdachte, maar hier 47
49 staat naar mijn mening een voldoende waarborg van de verdachte tegenover, namelijk het ondervragingsrecht (art. 6 lid 3 sub d EVRM). Doordat de verdachte zich in de meeste gevallen adequaat kan verdedigen tegen het adviesrecht van het slachtoffer door middel van het ondervragingsrecht, kan de inbreuk op een eerlijk proces van de verdachte niet als meest bezwarende argument gelden ten opzichte van het adviesrecht. Het meest bezwarende argument tegen het adviesrecht dat in het onderzoek naar voren is gekomen, is de kans op secundaire victimisatie die kan optreden indien het slachtoffer gebruik maakt van zijn adviesrecht. De kans op secundaire victimisatie zal namelijk vele malen groter zijn wanneer het slachtoffer zijn adviesrecht uitoefent, dan in het huidige systeem het geval is. Het slachtoffer zal namelijk beëdigd worden als getuige en ondervraagd worden door de verdediging, indien hij gebruik wenst te maken van zijn adviesrecht. Uit onderzoek van WODC in 2010 is echter gebleken dat secundaire victimisatie bij slachtoffers die optreden als getuige vaak voorkomt. Kort samengevat, kan het adviesrecht worden gezien als een huidige ontwikkeling omtrent de positie van het slachtoffer. Indien er slechts gekeken wordt naar het Nederlands strafrechtssysteem en met name het onderzoek ter terechtzitting kan er geconcludeerd worden dat het adviesrecht binnen dit systeem past, omdat het adviesrecht de ontwikkeling richting een adversair proces voortzet. Wanneer er eveneens gelet wordt op de positie van de verdachte en het slachtoffer binnen het strafrechtssysteem van Nederland dient echter het tegenovergestelde geconcludeerd te worden, omdat de posities van beide partijen erop achteruit gaan door het adviesrecht. 48
50 Literatuurlijst Bijlsma 2005 A.C. Bijlsma, Handboek benadeelde partij, Alphen aan den Rijn: Kluwer Boer en Meijers 2010 M. de Boer en M. Meijers, Een keer is genoeg: verkennend onderzoek naar secundaire victimisatie van slachtoffers als getuigen in het strafproces, Utrecht: Marjan Wijers Research & Consultancy: WODC Van Daele 2000 D. van Daele, Het openbaar ministerie en de afhandeling van strafzaken in Duitsland, Leuven: Universitaire Pers Leuven Van Daele 2003 D. van Daele, Het openbaar ministerie en de afhandeling van strafzaken in Nederland, Leuven: Universitaire pers Leuven Groenhuijsen 1985 M.S. Groenhuijsen, Schadevergoeding voor slachtoffers van delicten in het strafgeding, Nijmegen: Ars Aequi Libri Groenhuijsen 1996 M.S. Groenhuijsen, Mensenrechten van slachtoffers van delicten en verdachten in het strafproces in: C.H. Brants, C. Kelk en M. Moerings (red), Er is meer. Opstellen over mensenrechten in internationaal en nationaal perspectief (Swart-bundel), Deventer : Gouda Quint Groenhuijsen e.a M. Groenhuijsen e.a., Spreekrecht in Nederland: een bijdrage aan het emotioneel herstel van slachtoffers?, Tilburg: INTERVICT/PrismaPrint: WODC Groenhuijsen en Letschert 2012 M. Groenhuijsen en R. Letschert, Over spreekrecht plus en een tweefasenproces: Dilemma s bij een verantwoorde hervorming van het strafprocesrecht, Nijmegen: Wolf Legal Publishers Groenhuijsen, DD 2014 M.S. Groenhuijsen, Aanvulling van het spreekrecht van slachtoffers en nabestaanden in het strafproces: naar een adviesrecht omtrent de vragen van artikel 350?, DD 2014, afl. 3, p. 15. De Hert en Decaigny, Strafblad 2013 P. de Hert en T. Decaigny, Evolueren het Nederlandse en het Belgische strafproces naar adversaire systemen?, Strafblad 2013, p IJzermans 2012 M. IJzermans, De rol van rechterlijke emoties bij het oordelen, Den Haag: Sdu Uitgevers
51 Kampen e.a., TvC 2013 Kampen e.a., `Het effect van de slachtofferverklaring op straftoemeting: een experimenteel onderzoek onder rechtenstudenten`, TvC 2013, afl. 1, p. 29. Keulen e.a B.F. Keulen e.a., Naar een tweefasenproces?, WODC Königs, Wahedi en Waterbolk, NJB 2013 T. Königs, S. Wahedi en T. Waterbolk, Het Europees recht en de bescherming van kwetsbare slachtoffers van misdrijven, NJB 2013, afl. 30, p Kool 2011 R.S.B. Kool, Melai/Groenhuijsen e.a., Wetboek van Strafvordering, Toepasselijkheid van art. 6 EVRM bij: Artikel 51f, Deventer: Kluwer Korver 2012 R. Korver, Recht van spreken, Utrecht: Uitgeverij de Arbeiderspers 2012, p. 10. Leferink 2014 S. Leferink, Het verschil maken: Samenwerken voor slachtoffers van seksueel geweld en misbruik, Utrecht: Slachtofferhulp Nederland Van der Leij 2012 J.B.J. van der Leij, Het Nederlandse strafrechtssysteem, Den Haag: WODC Lens e.a K. Lens e.a., Het spreekrecht in Nederland: een bijdrage aan het emotioneel herstel van slachtoffers?, Universiteit van Tilburg, Intervict: WODC Prakken, Strafblad 2013 E. Prakken, Het grote taboe: burgerparticipatie in het strafproces, Strafblad 2013, afl. 6, p Melai/Groenhuijsen Melai/Groenhuijsen e.a., Wetboek van Strafvordering, Kluwer Navigator Collecties. Mevis 2009 P.A.M. Mevis, Capita strafrecht, Nijmegen: Ars Aequi Libri Sas, NJB 2014 A.H. Sas, Geen adviesrecht voor zielig slachtoffer?, NJB 2014, afl. 13, p Scheele 2012 C.P.J. Scheele, Mevis e.a., Handboek strafzaken, Wat wordt onder een getuige verstaan?, Deventer: Kluwer Sliegdregt e.a E. van Sliegdregt e.a, Handboek internationaal strafrecht, Deventer: Kluwer
52 Spronken, NJB 2013 T. Spronken, Kroniek van het straf(proces)recht, NJB 2013, afl. 15, p Spronken, T&C Strafvordering 2013 T.N.B.M. Spronken, Inleidende opmerkingen bij: Wetboek van Strafvordering, Titel II de verdachte, T&C Strafvordering, Deventer: Kluwer 2013 Verbruggen en Verstraeten 2009 F. Verbruggen en R. Verstraeten, Strafrecht en strafprocesrecht voor bachelors deel 2, Antwerpen-Apeldoorn: Maklu-uitgevers Winter en Baas 2012 J.A. Winter en A. Baas, Lexplicatie, Inleiding bij: Richtlijn 2012/29/EU vaststelling minimumnormen voor de rechten, ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, Wöretshofer, T&C Strafvordering 2013 J. Wöretshofer, Cleiren e.a., Tekst & Commentaar Strafvorering, Requisitoir/Pleidooi/Laatste woord bij Artikel 311, Deventer: Kluwer Wöretshofer, T&C Strafvordering 2013 J. Wöretshofer, Cleiren e.a., Tekst & Commentaar Strafvordering, Voorlezing van stukken bij: Artikel 301, Deventer: Kluwer Jurisprudentielijst EHRM 26 maart 1985, nr. 8978/80, (X en Y t. Nederland) EHRM 6 december 1988, nr /83, 10589/83, 10590/83 (Barberà, Messegué en Jabardo t. Spanje) EHRM 20 november 1989, nr /85 (Kostovski t. Nederland) EHRM 10 februari 1995, Series A 308, NJ 1997, 523NJ 1997, 523 (Allenet de Ribemont t. Frankrijk) EHRM 28 oktober 1995, nr /94 (Ösman t. Verenigd Koninkrijk) EHRM 26 maart 1996, nr /92 (Doorson t. Nederland) EHRM 21 december 2000 nr /97 (Heaney en McGuines t. Ierland) EHRM 25 juli 2000, nr /94 (Mattoccia t. Italië) EHRM 6 mei 2003, nr /99 (Perna t. Italië) HR 23 maart 1989, ECLI:NL:HR:1982:AC7569 HR 4 juni 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AD9474 (concl., A-G Machielse), NJ 2002/603. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:PHR:2008:BD2578 HR 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1968 (concl. A-G E.J. Hofstee), RvdW nr. 13/
53 Lijst van regelgeving en parlementaire stukken - Aanwijzing spreekrecht en schriftelijke slachtofferverklaring van 23 december 2004, Stcrt. 2004, nr Conceptwetsvoorstel Wetsvoorstel ter aanvulling van het spreekrecht van slachtoffers en nabestaanden in het strafproces - Commissie van de Europese Gemeenschap, Groenboek over het vermoeden van onschuld, Brussel Kamerstukken II 2012/13, 33552, nr Kamerstukken II, 2011/12, 33176, nr Kamerstukken II, 2006/07, 29362, nr Kamerstukken II, 2004/05, 30143, nr Kamerstukken II, 2004/05, , nr Kamerstukken II, 2000/01, 27632, nr Kaderbesluit van de Raad van 15 maart 2001 inzake de status van het slachtoffer in de strafprocedure, nr. 2001/220/JBZ. - Regeerakkoord Bruggen Slaan, 29 oktober Richtlijn 2010/64/EU Het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures. - Richtlijn 2011/99/EG betreffende het Europees Beschermingsbevel - Richtlijn 2012/29/EU - Minimumnormen slachtoffers Richtlijn - Richtlijn 2012/13/EU Het recht op informatie in strafprocedures - Richtlijn 2013/48/EU Het recht op rechtsbijstand voor verdachten in strafprocedures - Teeven, Ministerie van Veiligheid en Justitie, Recht doen aan slachtoffers, 22 februari Wijziging van het Wetboek van Strafvordering, het Wetboek van Strafrecht en de Wet schadefonds geweldsmisdrijven ter versterking van de positie van het slachtoffer in het strafproces van 17 december 2009, Stb. 2010, nr
54 Overige bronnen - De rechtspraak, Brochure U bent getuige in een strafproces, Augustus 2008, p Advies van Slachtofferhulp Nederland, te raadplegen via: file:///c:/users/systeembeheer/downloads/131202_teeven_spreekrecht_met_adviesre cht%20(11).pdf - Het advies van de Raad voor de Rechtspraak, te raadplegen via: Rechtspraak/Wetgevingsadvisering/Wetgevingsadviezen2013/ Advies- Conceptwetsvoorstel-Wijziging-van-het-Wetboek-van-Strafvordering-ter-aanvullingvan-het-spreekrecht.pdf. - Advies Fonds Slachtofferhulp, te raadplegen via: - Toespraak Teeven op de Europese dag van het slachtoffer, te raadplegen via: 53
Het adviesrecht voor slachtoffers. Een toegevoegde waarde?
Het adviesrecht voor slachtoffers. Een toegevoegde waarde? Masterscriptie S. van Eersel ANR: 583395 Universiteit van Tilburg, Faculteit Rechtswetenschappen Afstudeerrichting: Rechtsgeleerdheid, accent
ARRESTANTENVERZORGING. Juridische aspecten De politie Het strafproces Verzorging Ethiek
ARRESTANTENVERZORGING Juridische aspecten De politie Het strafproces Verzorging Ethiek januari 2013 Doel van het strafproces / strafvordering = het nemen van strafvorderlijke beslissingen Bestaat uit =
Grondtrekken van het Nederlandse strafrecht
Grondtrekken van het Nederlandse strafrecht Mr. J. Kronenberg Mr. B. de Wilde Vijfde druk Kluwer a Kluwer business Deventer - 2012 Inhoudsopgave Voorwoord 13 Aanbevolen literatuur 15 Afkortingenlijst 17
Inhoudsopgave. Voorwoord 13. Aanbevolen literatuur 15. Afkortingenlijst 17. Hoofdstuk 1 Inleiding 19
Inhoudsopgave Voorwoord 13 Aanbevolen literatuur 15 Afkortingenlijst 17 Hoofdstuk 1 Inleiding 19 1.1 Eerste kennismaking 19 1.2 Plaats van het strafrecht 19 1.3 Doelen van straffen 22 1.4 Materieel strafrecht,
GERECHTSHOF TE 's-hertogenbosch meervoudige kamer voor strafzaken
parketnummer : 20.001938.96 uitspraakdatum : 29 april 1997 verstek dip GERECHTSHOF TE 's-hertogenbosch meervoudige kamer voor strafzaken A R R E S T gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis
Datum 23 februari 2012 Onderwerp Beantwoording Kamervragen over de voorlopige hechtenis van dhr. R.
1 > Retouradres Postbus 20301 2500 EH Den Haag Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG Schedeldoekshaven 100 2511 EX Den Haag Postbus 20301 2500 EH Den
Verruiming spreekrecht in rechtszaal van kracht
Regelingen en voorzieningen CODE 6.5.6.28 Verruiming spreekrecht in rechtszaal 1.9.2012 van kracht tekst bronnen Nieuwsbericht ministerie van Veiligheid en Justitie 10.7.2012; www.rijksoverheid.nl Wet
Internationale bewijsgaring in strafzaken
Internationale bewijsgaring in strafzaken Nederland, Engeland & Wales S.K. de Groot Gouda Quint Deventer 2000 Inhoudsopgave Voorwoord Inhoudsopgave Lijst van afkortingen V VII XI Hoofdstuk 1: Inleiding
Recht en bijstand bij juridische procedures
Recht en bijstand bij juridische procedures In deze folder leest u meer 0900-0101 (lokaal tarief) over de juridische bijstand door Slachtofferhulp Nederland en de rechten van slachtoffers. Een wirwar van
Tweede Kamer der Staten-Generaal
Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 20 202 33 76 Wijziging van het Wetboek van Strafvordering ter uitbreiding van het spreekrecht van slachtoffers en nabestaanden in het strafproces Nr. 4 ADVIES
Nederlandse antiterrorismeregelgeving getoetst aan fundamentele rechten. Een analyse met meer bijzonder aandacht voor het EVRM
Nederlandse antiterrorismeregelgeving getoetst aan fundamentele rechten Een analyse met meer bijzonder aandacht voor het EVRM P.H.P.H.M.C. van Kempen & J. Van de Voort Samenvatting Radboud Universiteit
Inleiding. 1 Strafrecht
Inleiding 1 Strafrecht Plaats van het strafrecht Het strafrecht is, net als bijvoorbeeld het staatsrecht en het bestuursrecht, onderdeel van het publiekrecht. Het publiekrecht regelt de betrekkingen tussen
Adviesrecht van het slachtoffer
Adviesrecht van het slachtoffer Een onderzoek naar de gevolgen van de uitbreiding van het spreekrecht en eventuele aanpassingen of alternatieven van het wetsvoorstel adviesrecht die deze consequenties
Voorwoord. Lawbooks Grondslagen van Recht ( ) Beste student(e),
Grondslagen van Recht Week 3 2018 2019 Voorwoord Beste student(e), Voor je ligt de samenvatting van de stof van Hoofdstuk 14 van het boek Hoofdlijnen, dat voorgeschreven wordt in week 3. Aanvankelijk hebben
Het spreekrecht van het slachtoffer en het ondervragingsrecht Notitie van het NJCM naar aanleiding van wetsvoorstel nr. 27632
Het spreekrecht van het slachtoffer en het ondervragingsrecht Notitie van het NJCM naar aanleiding van wetsvoorstel nr. 27632 1. Inleiding Het NJCM heeft kennis genomen van het door Tweede kamerlid Dittrich
Het spreekrecht van slachtoffers en nabestaanden
1 Het spreekrecht van slachtoffers en nabestaanden Is uit oogpunt van het spreekrecht voor slachtoffers en nabestaanden, een tweefasenproces passend binnen het Nederlandse Strafprocesrecht, mede gelet
Advies Conceptwetsvoorstel implementatie EU-richtlijn minimumnormen slachtoffers van strafbare feiten
contactpersoon De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie mr. F. Teeven Postbus 20301 2500 EH Den Haag datum 7 oktober 2014 Voorlichting e-mail [email protected] telefoonnummer 06-46116548
Verkorte inhoudsopgave
Verkorte inhoudsopgave Gebruikte afkortingen 17 I Inleiding, onderzoeksvragen en onderzoeksmethoden 19 1 Inleiding 19 2 Meervoudige aansprakelijkstelling nader beschouwd 20 2.1 Een omschrijving van meervoudige
Slachtoffers hebben óók recht op hun rechten
Slachtoffers hebben óók recht op hun rechten Onderzoek naar de wijze waarop de rechten van slachtoffers met betrekking tot het spreekrecht, de schriftelijke slachtofferverklaring en de vordering tot schadevergoeding
ECLI:NL:HR:2010:BO2558
ECLI:NL:HR:2010:BO2558 Instantie Hoge Raad Datum uitspraak 02-11-2010 Datum publicatie 03-11-2010 Zaaknummer 09/00354 Formele relaties Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BO2558
Spreekrecht en schriftelijke slachtofferverklaring
Spreekrecht en schriftelijke slachtofferverklaring Voor u als slachtoffer of nabestaande is het mogelijk om tijdens de rechtszaak een verklaring af te leggen of in te dienen. Spreekrecht en schriftelijke
ECLI:NL:GHARL:2013:BZ4692
ECLI:NL:GHARL:2013:BZ4692 Instantie Datum uitspraak 19-03-2013 Datum publicatie 19-03-2013 Zaaknummer 21-000368-12 Formele relaties Rechtsgebieden Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGRO:2009:BH3578,
Hof van Discipline Zitting van 19 juni 2017 te uur Kenmerk: art. 515 lid 4 Sv en daartoe overwogen:
Hof van Discipline Zitting van 19 juni 2017 te 14.30 uur Kenmerk: 160102 PLEITNOTA Inzake: Deken orde van Advocaten Den Haag - mr. M.J.F. Stelling Raadsman: W.H. Jebbink Geen ontzegging tot onafhankelijke
De concrete voorstellen in dit pamflet dragen in de optiek van de VVD bij aan het verwezenlijken van deze doelstellingen.
Slachtoffer zijn van een misdrijf is ingrijpend. Het draagt bij aan de verwerking van dit leed als slachtoffers het gevoel hebben dat zij de aandacht krijgen die zij verdienen. Dat zij zo goed mogelijk
Hebben goedgevonden en verstaan: ARTIKEL I
Besluit van, houdende wijziging van het Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens in verband met de implementatie van de richtlijn 2011/93/EU van het Europees Parlement en de Raad ter bestrijding
Masterscriptie Rechtsgeleerdheid accent Strafrecht
Masterscriptie Rechtsgeleerdheid accent Strafrecht HET SPREEKRECHT VOOR SLACHTOFFERS EN NABESTAANDEN VS. RECHTEN VAN EEN VERDACHTE Een onderzoek naar de invloed van het spreekrecht voor slachtoffers en
The Impact of the ECHR on Private International Law: An Analysis of Strasbourg and Selected National Case Law L.R. Kiestra
The Impact of the ECHR on Private International Law: An Analysis of Strasbourg and Selected National Case Law L.R. Kiestra Samenvatting Dit onderzoek heeft als onderwerp de invloed van het Europees Verdrag
15445/1/06 REV 1 wat/hor/mg 1 DG H 2B
RAAD VAN DE EUROPESE UNIE Brussel, 24 november 2006 (01.12) (OR. en) 15445/1/06 REV 1 COPEN 119 NOTA van: het voorzitterschap aan: de Raad nr. vorig doc.: 15115/06 COPEN 114 nr. Comv.: COM(2005) 91 def.
Parketnummer: /17 Uitspraak: 2 november 2018 Tegenspraak
vonnis GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO Parketnummer: 500.00480/17 Uitspraak: 2 november 2018 Tegenspraak Vonnis van dit Gerecht in de strafzaak tegen de verdachte: R.M.C., geboren op Curaçao, wonende
Tweede Kamer der Staten-Generaal
Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2004 2005 30 143 Wijziging van het Wetboek van Strafvordering ter versterking van de positie van het slachtoffer in het strafproces Nr. 2 VOORSTEL VAN WET
NEDERLANDsE ORDE VAN ADVOCATEN. Strafprocesrecht
4. NEDERLANDsE ORDE VAN ADVOCATEN. Strafprocesrecht Samsom H.D. Tjeenk Willink Alphen aan den Rijn 1992 Derde druk Prof. mr M. Wladimiroff Mr S.E. Marseille Dr mr J.M. Sjöcrona Mr P.R. Wery Strafprocesrecht
De positie van het slachtoffer in het strafproces
De positie van het slachtoffer in het strafproces Daniëlle van Gastel Anr: s823558 Scriptie in de strafrechtswetenschappen Universiteit van Tilburg Master Nederlands recht, accent strafrecht Begeleiders:
UITLEVEREN OF VERVOLGEN IN NEDERLAND?
UITLEVEREN OF VERVOLGEN IN NEDERLAND? W.R. Jonk, mr R. Malewicz en mr G.P. Hamer 1 Op 1 januari 2004 had het kaderbesluit betreffende het Europees aanhoudingsbevel 2 in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd
De Minister van Veiligheid en Justitie. Postbus 20301 2500 EH Den Haag. Advies wetsvoorstel toevoegen gegevens aan procesdossier minderjarige
POSTADRES Postbus 93374, 2509 AJ Den Haag BEZOEKADRES Juliana van Stolberglaan 4-10 TEL 070-88 88 500 FAX 070-88 88 501 INTERNET www.cbpweb.nl www.mijnprivacy.nl AAN De Minister van Veiligheid en Justitie
INHOUDSOPGAVE LIJST VAN AFKORTINGEN 21 INLEIDING Algemene inleiding Aanleiding Probleemstelling en onderzoeksvragen 31
De rol van de rechter bij de waarheidsvinding in de correctionele procedure. Een rechtsvergelijkend onderzoek naar Belgisch, Frans en Nederlands recht. Daniel DE WOLF WAV TO KNOWLfDGE \UGrfV r die keure
ECLI:NL:GHSGR:2009:BH2061
ECLI:NL:GHSGR:2009:BH2061 Instantie Datum uitspraak 03-02-2009 Datum publicatie 05-02-2009 Gerechtshof 's-gravenhage Zaaknummer 22-002670-08 Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Strafrecht
Uitbreiding spreekrecht ex art. 51e Sv. De gevolgen voor de rechtspositie van de verdachte.
2013 Uitbreiding spreekrecht ex art. 51e Sv. De gevolgen voor de rechtspositie van de verdachte. De gevolgen voor de rechtspositie van de verdachte indien het spreekrecht voor slachtoffers en nabestaanden
Puzzel: Wie is wie in de kinderrechtszaal?
Puzzel: Wie is wie in de kinderrechtszaal? Korte omschrijving werkvorm De docent en leerlingen bekijken samen wie waar zit en wat doet in de rechtszaal. Hierbij staat de rol van het kind in de rechtszaal
Strafrechtelijk bewijsrecht
Strafrechtelijk bewijsrecht vijfde, herziene druk J.F. Nijboer 2008 Ars Aequi Libri Nijmegen Voorwoord Lijst van gebruikte afkortingen Inhoudsopgave V IX XIII Hoofdstuk 1: Oriëntatie 1 1.1. De plaats van
Het onbeperkt spreekrecht De positie van de verdachte onder druk?
Het onbeperkt spreekrecht De positie van de verdachte onder druk? Naam: Vincent van Wonderen Mastertrack: Publiekrecht - strafrecht Begeleider: Dhr. prof. dr. mr. T. Blom Tweede lezer: Mevr. dr. A. van
ECLI:NL:RBOVE:2017:2237
ECLI:NL:RBOVE:2017:2237 Instantie Rechtbank Overijssel Datum uitspraak 26-04-2017 Datum publicatie 31-05-2017 Zaaknummer 08/910083-15 Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Strafrecht Raadkamer
ECLI:NL:GHSGR:2003:AI1012
ECLI:NL:GHSGR:2003:AI1012 Instantie Datum uitspraak 11-06-2003 Datum publicatie 12-08-2003 Zaaknummer 2200326602 Formele relaties Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Gerechtshof 's-gravenhage
Besluitvorming over bijzondere opsporingsbevoegdheden in de aanpak van georganiseerde criminaliteit
SAMENVATTING De Wet BOB: Titels IVa en V in de praktijk Besluitvorming over bijzondere opsporingsbevoegdheden in de aanpak van georganiseerde criminaliteit Mirjam Krommendijk Jan Terpstra Piet Hein van
Puzzel: De rechtszaal
Puzzel: De rechtszaal Korte omschrijving werkvorm: De leerlingen vullen in wie waar zit of staat in de rechtszaal. Leerdoel: De leerlingen kennen de opstelling van een rechtszaal en ze weten welke actoren
Enkele achtergronden bij de beslissing om geen onderzoek in te stellen tegen Jorge Zorreguieta. Voorgeschiedenis. Aangifte 2001
Enkele achtergronden bij de beslissing om geen onderzoek in te stellen tegen Jorge Zorreguieta Voorgeschiedenis Aangifte 2001 Eerder werd aangifte gedaan tegen Jorge Zorreguieta in 2001 ter zake van foltering
De advocaat in jeugdstrafzaken
De advocaat in jeugdstrafzaken D. Ruij sendaal Met bijdragen van: Mr. J.A.C. Bartels Mr. J.H. de Graaf Mr. H.W.J. de Groot Mr. R.H.J. de Vries Mr. M.A.C. van Vuuren KLUWER Deventer 2002 Inhoudsopgave WOORDVOORAF.
Voorwoord. Materieel strafrecht. Inleiding. 2 Bronnen van strafrecht 3 Voorwaarden voor strafbaarheid. De menselijke gedraging
Inhoud Voorwoord 9 Deel I Materieel strafrecht 11 1 Strafrecht 2 Bronnen van strafrecht 3 Voorwaarden voor strafbaarheid 13 13 14 18 I 4 5 II 6 7 8 9 10 11 De menselijke gedraging De gedraging Causaal
Zoekresultaat - inzien document. ECLI:NL:RBOBR:2015:5776 Permanente link: Uitspraak. Rechtbank Oost-Brabant
Zoekresultaat - inzien document ECLI:NL:RBOBR:2015:5776 Permanente link: http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ec Instantie Datum uitspraak 07-10-2015 Datum publicatie 07-10-2015 Rechtbank Oost-Brabant
Graag worden wij op de hoogte gehouden over de verdere voortgang van dit wetgevingsp roces.
t.. Ministerie van Veiligheid en Justitie T.a.v. de heet l.w. Opstelten Postbus 20301 2500EH Den Haag 0 BD 11h II hihh II h 1h t.. t. Onderwerp: Reactie consultatie conceptvoorstel digitale processtukken
Directoraat-Generaal Rechtspleging en Rechtshandhaving
ϕ Ministerie van Justitie Directoraat-Generaal Rechtspleging en Rechtshandhaving Directie Juridische en Operationele Aangelegenheden Postadres: Postbus 2030, 2500 EH Den Haag Aan de Voorzitter van de Tweede
Het slachtoffer in het strafproces
Het slachtoffer in het strafproces Mijn mobiele telefoon a. Staat natuurlijk al uit. b. Staat nog aan, maar die zet ik nu onmiddellijk uit. c. Omdat ik heel belangrijk ben laat ik die aanstaan, maar wel
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG
1 > Retouradres Postbus 20301 2500 EH Den Haag Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG Turfmarkt 147 2511 DP Den Haag Postbus 20301 2500 EH Den Haag www.rijksoverheid.nl/venj
13538/14 cle/rts/sv 1 DG D 2B
Raad van de Europese Unie Brussel, 30 september 2014 (OR. en) Interinstitutioneel dossier: 2013/0407 (COD) 13538/14 DROIPEN 112 COPEN 230 CODEC 1868 NOTA van: aan: het voorzitterschap het Comité van permanente
Regeling toezicht verwerking persoonsgegevens door gerechten en het parket bij de Hoge Raad 1
Regeling toezicht verwerking persoonsgegevens door gerechten en het parket bij de Hoge Raad 1 Gelet op artikel 55 lid 3 Verordening EU 2016/679 en artikel 45 lid 2 van de Richtlijn EU 2016/680, gehoord
De positie van het slachtoffer in het strafproces. 2.1. Definitie slachtoffer. 2.2. Correcte bejegening. 2. De rechten van het slachtoffer
2. De rechten van het slachtoffer 2.1. Definitie slachtoffer In de wet is een definitie van het begrip slachtoffer opgenomen: degene die als rechtstreeks gevolg van een strafbaar feit vermogensschade of
`Voorheen kon ook zonder machtiging de raadsman de verdediging voeren voor zijn afwezige cliënt, sedert het Bouterse-arrest niet meer.
3.8 Meningen van bevraagden ten aanzien van de verstekregeling 3.8.1 Verruiming mogelijkheden verdachte? Uit de verkregen reacties wordt duidelijk dat er uiteenlopende antwoorden zijn gegeven op de vraag
Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden
Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden Jaargang 2000 370 Besluit van 13 september 2000 tot wijziging van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren en het Besluit opleiding rechterlijke ambtenaren
ADVIES. Conceptwetsvoorstel inzake het recht op een eerlijk proces in de Grondwet
ADVIES Conceptwetsvoorstel inzake het recht op een eerlijk proces in de Grondwet Oktober 2014 1 Inleiding Een ieder heeft het recht op een eerlijk proces. Of het nu in een strafzaak of in een civiele zaak
De Amsterdamse zedenzaak Vragen en Antwoorden
De Amsterdamse zedenzaak Vragen en Antwoorden MAART 2012 Waarvan worden Roberts M. en Richard van O. beschuldigd? Het Openbaar Ministerie (OM) verdenkt Roberts M. van vele gevallen van seksueel binnendringen
Adviesaanvraag werklastgevolgen kostenverhaal rechtsbijstand draagkrachtige veroordeelden (34 159)
De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie dr. K.H.D.M. Dijkhoff Postbus 20301 2500 EH Den Haag datum 19 oktober 2015 contactpersoon Voorlichting e-mail [email protected] telefoonnummer 06-46
No.W03.12.0197/II 's-gravenhage, 16 juli 2012
... No.W03.12.0197/II 's-gravenhage, 16 juli 2012 Bij Kabinetsmissive van 18 juni 2012, no.12.001344, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Veiligheid en Justitie, bij de Afdeling advisering
