syllabus Collegereeks Introductie Architectuur

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "syllabus Collegereeks Introductie Architectuur"

Transcriptie

1 syllabus Collegereeks Introductie Architectuur

2 Collegereeks Introductie Architectuur Van bouwmeester tot starchitect Samengesteld door drs. Max Put Inigo Jones, Banqueting House, Whitehall Londen,

3 Inhoudsopgave Hoofdstuk 1: Grieken p. 4 Hoofdstuk 2: Romeinen p. 10 Hoofdstuk 3: Vroeg-christelijke en Karolingische architectuur p. 17 Hoofdstuk 4: De middeleeuwen I: het romaans p. 24 Hoofdstuk 5: De middeleeuwen II: gotiek p. 29 Hoofdstuk 6: De renaissance p. 36 Hoofdstuk 7: De barok p. 43 Hoofdstuk 8: Rococo & neo-classicisme p. 48 Hoofdstuk 9: De 19de eeuw: van neo-stijlen tot art nouveau p. 55 Hoofdstuk 10: De twintigste eeuw p. 60 Bijlagen: Literatuurlijst p. 66 COLOFON Uitgave: Vrije Academie Kunst & Cultuur copyright januari 2012 Samengesteld door drs. Max Put Disclaimer: informatie en afbeeldingen uit deze uitgave mogen niet zonder toestemming van de Vrije Academie gebruikt of verspreid worden. 3

4 Inleiding De Introductiecursus Westerse Architectuur geeft een compact kunsthistorisch overzicht van de Westerse architectuur van de Griekse oudheid tot en met de 20ste eeuw. Omdat dit een enorm terrein is, beperkt de cursus zich tot Westerse architectuur, maar die van andere cultuurgebieden krijgt aandacht als ze hier invloed op uitoefende, zoals de Egyptische op de Griekse, de Islamitische op de Spaanse en de traditionele Japanse architectuur op de moderne architectuur. De cursus is chronologisch opgebouwd en begint bij de antieke Griekse bouwkunst. Als eindpunt is gekozen voor de tweede helft van de 20ste eeuw, waarmee de cursus mooi wordt afgerond. In elke les wordt een periode behandeld, volgens de gebruikelijke kunsthistorische indeling, waarbij eerst de historische context geschetst wordt, waarna de ontwikkelingen in de architectuur aan bod komen, uitvoerig geïllustreerd met prominente voorbeelden. Hierbij wordt o.a. aandacht geschonken aan bouwmaterialen, technieken, functie en vorm van de behandelde gebouwen en eventuele latere veranderingen. In elke les krijgt één representatief gebouw bijzondere aandacht: bijvoorbeeld voor de Griekse bouwkunst het Parthenon, voor de Romeinse het Pantheon, voor het vroeg-christelijk de Hagia Sofia in Istanbul. Aan de hand daarvan worden essentiële kenmerken van de stijl of periode behandeld. Bovendien wordt in elke les, waar mogelijk, aandacht besteed aan Nederlandse voorbeelden. Hoofdstuk 1: Grieken Méér dan die van andere beschavingen uit de oudheid, is de Griekse bouwkunst maatgevend geweest voor de westerse architectuur. Hiervoor zijn veel oorzaken aan te wijzen, zoals de verspreiding van de Griekse cultuur, die in de 8ste eeuw v. Chr. begon met de koloniën die de Grieken stichtten in het hele Middellandse zee-gebied. De latere veroveringen van Alexander de Grote brachten de Griekse beschaving tot diep in India. Ook voor de Romeinen werd Griekenland het grote voorbeeld en hoewel de Romeinse architectuur een eigen ontwikkeling doormaakte, was de vormentaal gebaseerd op Griekse bouwwerken. Na de val van het Romeinse rijk ging deze traditie in het Westen grotendeels verloren, al bleven bepaalde gebouwtypen en bouwtechnieken ook in middeleeuws-christelijke context bestaan. Tijdens de renaissance werd de Romeins-Griekse architectuur van de oudheid opnieuw tot voorbeeld genomen en dat is ze, af en aan, eigenlijk tot en met de 20ste eeuw gebleven. Hierom is het gerechtvaardigd de Westerse architectuur te laten beginnen met de Griekse, die zelf uiteraard ook een geschiedenis heeft waarin invloeden van andere (soms oudere) culturen te traceren zijn. De belangrijkste hiervan was de Egyptische cultuur. Contacten tussen Griekenland en Egypte bestonden al vanaf de 8ste eeuw v. Chr. In de Griekse architectuur komt dit o.a. naar voren in het gebruik van stenen zuilen, die in Egypte al werden toegepast in de vroegste monumentale bouwwerken, zoals de trappenpiramide van Djoser in Sakkara, uit ca v. Chr. De vorm van de zuilen is afgeleid van bundels papyrusriet en lijken vooruit te lopen op Dorische zuilen. Zuilen spelen ook een belangrijke rol in de architectuur van de Minoïsche beschaving op Kreta, de eerste in het Aegeïsche gebied die monumentale bouwwerken heeft nagelaten. De oorsprong van deze beschaving, waarvan de oudste sporen dateren uit 7000 v.chr., is nog steeds onduidelijk. Volgens de mythe ontvoerde oppergod Zeus, vermomd als stier, de dochter van de Fenicische koning Agenor, Europa, en zwom hij met haar naar Kreta waar hij zijn gewone gedaante aannam en 3 zonen bij haar verwekte: Sarpedon, Rhadamantys en Minos. 4

5 De eerste nederzettingen op Kreta dateren uit ca v. Chr., maar de eerste paleizen ontstonden in de zgn. proto-palatiale periode. Hiervan is het Paleis van koning Minos, bij Knossos, het grootst. Dit enorme complex, met ca vertrekken, lijkt rond 1500 v. Chr. het centrum te zijn geweest van het antieke Kreta. Het werd tussen opgegraven door de Engelse archeoloog Sir Arthur Evans ( ). Zuilen in het paleis van koning Minos, Knossos, Kreta, ca v. Chr. Knossos ligt aan noordkust van Kreta, bij Heraklion. Het is slechts één van de paleiscomplexen die op het eiland gevonden zijn en rond 1700 v. Chr. vermoedelijk door een aardbeving werden vernietigd. Knossos werd ca groter dan voorheen herbouwd, maar is na een brand in de Myceense tijd verlaten. De Grieken dachten dat Knossos het labyrint van de minotaurus was. Opvallend is dat verdedigingswerken vrijwel ontbreken. Kenmerk van de paleizen op Kreta is het centrale binnenhof, dat in Knossos ca. 54 x 27 m meet. Over de functie is debat: gedacht wordt o.a. dat er stierenspelen plaatsvonden. Ook over de functie van het paleis is discussie: was het een vorstelijke residentie, een religieus centrum of een gebouw voor de handel? Er zijn in elk geval werkplaatsen aangetroffen, wijn- en oliepersen en opslagruimten voor o.a. graan, honing, bonen en olijfolie, bewaard in grote potten, de zgn. pithoi. Het paleis in Knossos was gebouwd van natuursteen, met klei, leisteen en gips voor de muren, hout voor zuilen, deuren en de hogere etages. Evans liet delen van het paleis nogal fantasierijk (in beton) reconstrueren. Zo denkt men dat het beroemde dolfijnen-fresco, gerestaureerd door de Nederlander Piet de Jong, eigenlijk een vloerdecoratie was. Het paleis bezit ook een megaron: een ruimte met een zuilenportiek, vermoedelijk met een ceremoniële functie: troonzaal of cultusruimte, en mogelijk een van de voorlopers van de Griekse tempel. Een megaron is ook gevonden in de burcht van Mycene, het centrum van de Myceense beschaving, die volgde op de Minoïsche. Ze worden vaak gezien als tegenhangers: vredelievend tegenover krijgslustig, verfijnd tegenover grof, maar dit beeld is de laatste jaren genuanceerd. Belangrijk verschil met Knossos is dat de burcht in Mycene (ca ) muren heeft van gigantische rotsblokken: cyclopische muren, genoemd naar de eenogige reuzen uit de Griekse mythologie. De burcht is tussen 1868 en 1878 opgegraven door de Duitser Heinrich Schliemann, die ook Troje ontdekte. De toegang wordt gevormd door de leeuwenpoort, versierd met een stenen reliëf van 2 leeuwen en een Minoïsche zuil, met een taps toelopende schacht en kussenvormig kapiteel. Binnen de burcht lagen residenties voor het hof, woningen voor de elite, cultusgebouwen en zgn. schachtgraven voor de koningen en hun familie. Deze rechthoekige, met stenen verstevigde kuilen lagen binnen een cirkelvormige muur. Later ging men over op koepelgraven, of tholoi, buiten de stad. Ze bestaan uit kegelvormige, stenen grafkamers, afgedekt door een heuvel, met vaak een monumentale toegangsweg, de dromos. De bekendste en enige intacte is de zgn. Schatkamer van Atreus. De kegelvormige koepel hiervan bestaat uit stenen die in steeds kleinere cirkels op elkaar gestapeld zijn en waarvan de uitstekende delen werden weggehakt zodat een gladde muur ontstond. De oorspronkelijke toegangspoort was versierd met gekleurde zuilen en friezen met geometrische motieven. In de 12e eeuw v.chr. viel de Myceense wereld uiteen en stroomden uit het noorden Griekssprekende stammen binnen die beschikten over ijzeren wapens. Dit leidde tot de vroegste Griekse kolonisaties, o.a. op de kust van Klein-Azië. Tot de volkeren die zich ca

6 v.chr in Griekenland hadden gevestigd hoorden de Ioniërs (midden en de kust van Klein- Azië) en de Doriërs (vasteland en zuiden). Ze noemden Griekenland Hellas en hadden o.a. een gemeenschappelijke taal en religie. De Grieken leefden in stadstaten (polis) die door de geografische omstandigheden in hoge mate zelfstandig waren en vaak enorme rivaliteit ontplooiden. In hun architectuur vermengden Minoïsche en Myceense invloeden zich met die uit Egypte en het nabije Oosten. Het belangrijkste gebouwtype van de Griekse architectuur is de tempel, bedoeld als huis voor de godheid in de vorm van een cultusbeeld. De Griekse tempel ontwikkelde zich uit houtbouw. Een concrete aanwijzing hiervoor is een lang houten gebouw uit ca v. Chr., opgegraven in Lefkandi, op Euboea, met twee schachtgraven, waarvan gedacht wordt dat het een tempel is geweest. Ook zijn oude kleimodellen bewaard gebleven van vroege houten tempels, die een beeld geven van hun uiterlijk, zoals van het Hera-heiligdom op Argos uit de 9de eeuw v. Chr.. De vroegst bekende echte Dorische tempel is die van Hera uit ca. 600 v. Chr. in Olympia, aan de westkant van de Peloponnesos, waar vanaf ca. 776 v. Chr. de Olympische spelen plaatsvonden. Het is een peripteros tempel: met een zuilengang rondom het hele gebouw, wellicht ontstaan onder invloed van de zuilenhallen die de Grieken kenden uit Egypte. De zuilen waren van hout en werden geleidelijk vervangen door steen. Mogelijk symboliseert een peripteros een heilig woud rondom een cultusplaats. Of de Hera-tempel gedecoreerd was met sculptuur is onbekend, maar dit werd in de Griekse tempelbouw gebruikelijk. Met name het pediment (driehoekige vlak boven zuilen en balken aan korte zijden van de tempel, ook timpaan genoemd) leende zich er goed voor: het vroegst bewaarde voorbeeld is afkomstig van de Artemis-tempel in Korfoe uit ca v.chr.. De Dorische peripteros werd in Griekenland de favoriete vorm voor tempels, die steeds groter en monumentaler werden, zoals de tempel van Zeus in Olympia, gebouwd tussen 472 en 456 v. Chr. met afmetingen van 64 (lang) bij 28 (breed) bij 20 m (hoog). Gezicht op de Acropolis van Athene, huidige toestand In de 5de eeuw v. Chr. ontwikkelde Athene zich tot de machtigste Griekse stadstaat. Hier ontstond een democratische staatsvorm, maar de stad raakte ook in oorlog met het Perzische rijk. In 490 werd echter in de slag om Marathon een onverwachte zege behaald op de Perzen, die daarop Athene verwoestten. Uiteindelijk werden de Perzen met hulp van andere Griekse stadstaten, verenigd in het Delische verbond, in 479 v. Chr. verslagen en brak voor Athene een periode van grote bloei aan die gestalte kreeg in de herbouw van de Akropolis, het religieuze hart van de stad. De Akropolis is een rots, 156 m boven zeeniveau, die al rond 8000 v. Chr. bewoond was. In de Myceense tijd stond er een burcht, maar hierna werd het een cultusplaats. De eerste tempel, gewijd aan Athena, dateerde uit de 6de eeuw v. Chr., maar werd later herbouwd. Rond 490 v.chr. begon de bouw van een nieuwe, grotere tempel, de voorloper van het Parthenon. Representatief gebouw: Het Parthenon Na de overwinning op de Perzen wilden de Atheners aanvankelijk het puin op de Akropolis laten liggen, maar dankzij de staatsman Pericles (ca v. Chr.) besloot men toch tot herbouw. Het project werd o.a. betaald met belastingen, oorlogsbuit en geld van het Delische verbond. De beeldhouwer Phidias werd aangesteld als opzichter en het puin werd opgeruimd, waarna men als eerste begon met het Parthenon, dat wordt beschouwd als de meest perfecte Dorische tempel ooit gebouwd. 6

7 In de Griekse architectuur hebben alle onderdelen een naam: basement, zuil, kapiteel, abacus, architraaf, fries, kroonlijst etc.. Maten en verhoudingen waren min of meer vastgelegd, maar hier week men regelmatig vanaf. Dit geldt ook voor het Parthenon: het aantal zuilen, 8 x 17, wijkt af van het standaardaantal van 6 x 13, de cella (of naos, waar het godenbeeld staat) bestaat uit twee ruimten met aan beide korte zijden 6 in de plaats van de gebruikelijke 2 zuilen. Deze verschillen zijn misschien te verklaren uit de functie: hoewel de tempel onderdak bood aan een godenbeeld, was dit niet de oude olijfhouten Athena Polias, die elders op de Akropolis stond. Het Parthenon was wellicht meer een overwinningsmonument en deed, volgens beschrijvingen uit de oudheid, ook dienst als schathuis. De architecten waren Iktinos en Callicrates. Phidias maakte het enorme beeld van Pallas Athene in de cella, van goud en ivoor. In de architectuur zitten optische correcties: zo zijn de lange zijden licht gebogen, buigen de zuilen naar binnen en zijn ze voorzien van entasis, lichte zwelling. Ook kan de zgn. gulden snede gevonden worden in de verhoudingen, maar dit is omstreden. Het Parthenon is gebouwd van marmer en de blokken zijn zonder cement op elkaar gestapeld. Ze werden gezekerd door middel van metalen klampen in gleuven, die volgegoten werden met lood. Dankzij allerlei uitsteeksels konden de blokken op hun plaats gemanoeuvreerd worden, waarna ze glad gemaakt werden. Het plafond van de cella was van hout, maar er is discussie over of dit nu open was of gesloten. Aan beide korte zijden zaten voor de cella bronzen hekken en ook de toegangsdeuren waren van brons. Het Parthenon was rijk versierd met sculptuur. Het meeste is weggehaald door Thomas Bruce, 7de graaf van Elgin, die van de Turkse overheid toestemming kreeg om de beelden te meten en af te gieten. Toen hij ontdekte dat ze in slechte staat waren, besloot hij ze naar Engeland te verschepen, waar ze werden gekocht door de staat en ondergebracht in het British museum. De tympanen toonden aan de oostzijde de geboorte van Athena en aan de westzijde de strijd tussen Athena en Poseidon. In de metopen van het fries waren de strijd tussen de giganten en goden, lapithen en centauren, de invasie van de Amazonen en de Trojaanse oorlog afgebeeld en rondom de cella aan de binnenkant zat een doorlopend fries dat mogelijk de Pan-Atheense optocht voorstelde. Het beeldhouwwerk werd gemaakt door Phidias en zijn assistenten en was beschilderd, zoals al het Griekse beeldhouwwerk. Over de kleuren is discussie. Het Parthenon is later o.a. gebruikt als kerk en kruitmagazijn (onder de Turken). Tijdens een belegering door de Venetianen in 1687 werd het gebouw geraakt door een voltreffer die enorme schade toebracht. Hierna volgden o.a. Lord Elgin en de Atheense luchtverontreiniging, maar sinds 25 jaar wordt het gebouw gerestaureerd. Tot de andere gebouwen op de Akropolis hoort de toegangspoort, of Propyleeën, ontworpen door Mnesicles en begonnen in 437 v.chr.. In 432 v. Chr. werd de bouw gestaakt i.v.m. het uitbreken van de Peleponnesische oorlog (Athene-Sparta). De stijl is Dorisch en de toegang heeft de vorm van een tempelfront. Het hoogteverschil tussen de westelijke (buitenzijde) en de oostelijke gevel wordt overbrugd met trappen en hellingen. De gebouwen terzijde (waarvan er één is gebouwd), waren bedoeld voor het tonen van schilderkunst en beeldhouwkunst. Aan weerszijden van de middelste doorgang werden drie Ionische zuilen geplaatst. Deze stijl is vermoedelijk ontstaan in de Griekse koloniën in Klein Azië. De zuilen zijn langer en slanker, en hebben een basement en een kapiteel met twee voluten (krullen). De stijl werd aanvankelijk vooral toegepast in het interieur, maar de grootste Griekse tempel uit de oudheid, die van Artemis in Efeze uit ca. 550 v. Chr., was geheel in Ionische stijl. Ook het Erechteion is Ionisch, tussen 421 en 406 v. Chr. gebouwd op de plaats van de olijfboom van Athena. De tempel bevatte o.a. een heiligdom van Athena, een heiligdom van Hephaistos, een heiligdom van Erechteus (Atheense held) en een heiligdom van Poseidon. Beroemd is de portico van de kariatiden, toegeschreven aan de beeldhouwer Alcamenes: 6 vrouwenfiguren in contraposto-houding die de balken van het dak dragen. Over de herkomst is discussie: het zouden gestrafte vrouwen zijn van Karia, een stad die de kant van de Perzen koos in de Perzische oorlog, of ze zouden voortkomen uit de Artemiscultus, ook in Karia. 7

8 Erechteion van Philocles (?), , Acropolis, Athene, portiek van de kariatiden (replica s van de originelen) In Epidaurus, aan de noordoostkant van de Peloponnesus, lag een heiligdom gewijd aan Asklepios, de God van de geneeskunst. Hier liggen o.a. de resten van een peristyle, ronde tempel, een tholos, mogelijk ontworpen door Polycleitus en gebouwd tussen ca v. Chr.. Onder de vloer lag een labyrint van concentrische gangen dat is geïnterpreteerd als een model van de kosmos. De zuilen binnen waren uitgevoerd in Korinthische stijl, de laatste van de drie Griekse zuilenorden. De oudste voorbeelden dateren uit de 4de eeuw v. Chr.. Aanvankelijk beperkt de toepassing zich tot het interieur, maar in de 2de eeuw v. Chr. verschijnen Korinthische motieven ook aan het exterieur. De Griekse wereld maakt dan echter al deel uit van het Romeinse rijk. In Epidaurus ligt ook een beroemd theater, dat goed bewaard is gebleven. Het oudst bekende permanente stenen theater ligt echter in Athene, aan de voet van de Akropolis, op de plaats van een tempel van Dionysus, uit wiens cultus het theater ontstond. Eind 5de eeuw. werd hier een houten theater gebouwd, dat rond 325 c. Chr. in steen vernieuwd werd. Een Grieks theater heeft de vorm van een doorgeschoten halve cirkel met rijen zitplaatsen, de cavea, rondom een cirkel, de orchestra. Hierachter ligt de skène: (lett. tent), een (oorspr. houten) gebouw, waar de spelers zich konden verkleden. Hiervoor ontstond het proskenion: een verhoging die als een podium ging fungeren. Aan weerszijden van het theater liepen twee paden die toegang gaven tot de plaatsen, de paroden. Griekse theaters zijn altijd tegen een natuurlijke helling gebouwd. Aanvankelijk werden toneelspelen in Athene opgevoerd op de agora, de markt aan de voet van de Akropolis, waar zich ook de bestuursgebouwen bevonden. In de 6de eeuw v. Chr. was het een begraafplaats, maar later ontwikkelde het plein zich tot het economische en politieke centrum van de stad. Tot de bestuursgebouwen die er verrezen horen o.a. het bouleuterion, zetel van de boule (senaat), de tholos, waar het stadsbestuur bijeenkwam, het gerechtshof en verschillende stoai, of zuilenhallen, een gebouwtype dat al voorkwam in het oude Egypte. In Griekenland ontwikkelde de stoa zich in de 7de eeuw v. Chr. en het gebouw had verschillende functies: ontmoetingsplaats, kantoor, markthal, tentoonstellingsruimte etc. Stoai waren te vinden rond marktpleinen, waar ook bestuursgebouwen en tempels stonden. Aan de agora in Athene stonden er vijf, waaronder de Stoa Poikile, die zijn naam ontleende aan de schilderingen van beroemde veldslagen waarmee het interieur gedecoreerd was. Eind 4de eeuw voor Chr. ontmoetten de volgelingen van de filosoof Zeno van Citium ( v. Chr.) hier hun meester, hetgeen leidde tot de naam stoïcisme voor zijn filosofische leer. Ook in de stad Milete lagen stoai rond de 3 agora s. Milete was door de Perzen verwoest, maar werd vanaf 479 v. Chr. opnieuw opgebouwd volgens een roostervormig plan van Hippodamus van Milete, met veel ruimte voor agora s en bestuursgebouwen. Hippodamus ontwierp 8

9 later ook de havenstad van Athene, Pireaus. Milete is het vroegst bekende voorbeeld van een planmatige stadsaanleg volgens een grid uit de westerse architectuur. De woningen in Griekse steden waren eenvoudig: van hout en leem, gedekt met riet of dakpannen, met een cisterne (waterbassin) en vertrekken rondom een binnenhof dat het huis van licht en lucht voorzag. Vrouwen- en mannenverblijven waren van elkaar gescheiden, de mannen ontmoetten elkaar in het andron, waar ze banketten (symposia) hielden. Grotere woningen hadden meer binnenhoven en verdiepingen en waren soms van steen. Sanitaire voorzieningen waren primitief (geen stromend water) en ook het meubilair was eenvoudig: ligbedden, kisten en stoelen, krukjes, tafeltjes. Dankzij de Griekse kolonisatie, die in de 9de eeuw v. Chr. begon, verspreidde de Griekse bouwkunst zich over de antieke wereld. Sommige van de best bewaarde Griekse tempels zijn te vinden in Italië, bijvoorbeeld bij Agrigento op Sicilië. Agrigento (Akragas), in de 6de eeuw v. Chr. gesticht vanuit Gela (ook op Sicilië), was een van de welvarendste stadstaten van Magna Graecia, tot het in 408 v. Chr. werd verwoest door de Carthagers. Onder de ruïnes in de Valli dei Templi, bevinden zich de resten van zeven Dorische tempels, waaronder de Concordiatempel, die haar goede staat dankt aan het feit dat hij gebruikt is geweest als kerk. De tempel is gebouwd van lokale kalksteen, en naderhand gestuct om het op marmer te laten lijken. Van het enorme Olympeion zijn alleen brokstukken overgebleven. Met maten van ca. 110 x 56 x 20 m was het de grootste Dorische tempel ooit. De architectuur was ongebruikelijk: een muur met 7 x 14 Dorische halfzuilen omgaf het gebouw en tussen de zuilen stonden enorme atlanten. Ook de bouwwijze week af: de halfzuilen waren, net als de muur, van kleinere blokken gebouwd i.p.v. gestapelde zuiltrommels. De tempel had een open dak en is vermoedelijk nooit voltooid. In de Hellenistische tijd drongen Griekse kunst en architectuur nog verder door in de antieke wereld. Er ontwikkelde zich een dynamische, barokke, stijl, gebouwen werden grilliger van vorm, met technische innovaties zoals bogen en gewelven. In Labranda (nu Turkije) in het antieke Karia was een oud heiligdom van Zeus dat onder koning Mausolos werd verrijkt met nieuwe gebouwen, waaronder een tombe met een tongewelf uit ca. 350 v. Chr., een van de vroegste voorbeelden van de boogvorm in Griekse architectuur. Koning Mausolos is vooral bekend van zijn enorme (45 m hoge) grafmonument in Helikarnassos. Mausolos tombe, het mausoleum, werd ontworpen door Griekse architecten (Satyros en Pythis) en gedecoreerd door Griekse beeldhouwers (o.a. Scopas en Timotheus). Een dergelijke monumentale graftombe was nieuw in de Griekse wereld. Helikarnassos werd in 334 veroverd door Alexander de Grote, die het monument spaarde. Later viel het alsnog ten prooi aan o.a. aardbevingen en plundering. Na de dood van Alexander de Grote viel zijn rijk uiteen in kleinere Hellenistische rijken. Een ervan was Pergamon, dat geregeerd werd door de Attaliden. In ca liet de zoon van Attalus I, Eumenes II, op een heuvel boven de stad Pergamon een altaar oprichten om de overwinningen van zijn vader te gedenken. Veel van het beeldhouwwerk is eind 19de eeuw opgegraven door de Duitse archeoloog Karl Humann, waarna het westfront (de ingangspartij) van het altaar vanaf 1902 in Berlijn werd gereconstrueerd. Het altaar stond op een platform, omgeven door een muur en een open zuilengalerij met Ionische zuilen. Twee zijvleugels omsloten een monumentale trap die toegang gaf tot het platform. Langs de sokkel liep een fries van 120 m lang en ruim 2 m hoog, met scènes uit de strijd tussen goden en reuzen (de zgn. Gigantomachie ). De Griekse architectuur bereikte zelfs India, waar in Boeddhistische tempels zgn. Indo- Korinthische kapitelen zijn aangetroffen. Dit was te danken aan de veroveringen van Alexander de Grote, maar wellicht zijn er ook andere factoren aan te wijzen: de Griekse bouwkunst is in wezen eenvoudig en constructief helder, met een goede balans tussen dragende (zuilen) en gedragen (balken, pedimenten) delen. Ook bleken de verschillende stijlen (Dorisch, Ionisch, Korinthisch) goed toepasbaar op allerlei soorten gebouwen, die bovendien een monumentaal karakter konden krijgen door de afmetingen en decoraties, maar vaak ook dankzij de 9

10 Dorische bouworde: onderdelen & ontwikkeling dramatische, van verre zichtbare, locaties. Al in de oudheid getuigen veel literaire bronnen dan ook van de indruk die ze maakten, hetgeen tot op de huidige dag zo is gebleven. (rechts) Dorische bouwstijl: terminologie onderdelen plattegrond Hoofdstuk 2: Romeinen Hoewel de antieke Griekse architectuur als het begin beschouwd kan worden van de Westerse architectuur, heeft die van het Romeinse rijk mogelijk nóg meer invloed gehad. De Romeinen hebben stilistisch veel ontleend aan de Grieken, maar ze ontwikkelden ook allerlei nieuwe technieken en gebouwen die in de Griekse wereld niet bestonden. Omdat de herinnering aan Rome in het Westen een belangrijke rol bleef spelen, greep men telkens terug op de architectonische resten. Dit werd in de renaissance versterkt door de herontdekking van 10 boeken over architectuur van de Romeinse architect Vitruvius (ca. 80 v. Chr.-15 AD), het enige architectuurhandboek overgeleverd uit de oudheid. Vanaf dat moment was er (weer) een technisch en theoretisch kader voor een wedergeboorte van de antieke bouwkunst, die lang doorwerkte. Vóór de opkomst van Rome waren de Etrusken dominant in midden-italië. Over hun oorsprong is weinig bekend, maar gedacht wordt dat ze verwant waren aan de Villanova-cultuur die ca v. Chr. vanuit de Alpen naar Italië migreerde. De bloeitijd van de Etruskische beschaving lag tussen v. Chr., toen Zuid-Italië beheerst werd door de Feniciërs en de Grieken, die sterke invloed uitoefenden op de Etruskische kunst. De Etrusken hadden een complexe dodencultus: naast hun nederzettingen lagen dodensteden (necropolen). Een van de bekendste is die van Banditaccia, bij Cerveteri, met meer dan 1000 tomben en een oppervlakte van ca. 400 ha. Er zijn twee typen tomben: rond (tumulus) en rechthoekig (dobbelsteengraf), meestal gebouwd van tufsteen en afgedekt met aarde, die in rijen langs straten liggen. De grafkamers zijn uitgehakt en bootsen woningen na, met meubilair en allerlei voorwerpen. De wanden zijn doorgaans beschilderd. Hier werden de doden bijgezet in asurnen of sarcofagen, van steen of ceramiek, de vroegste in de vorm van een (rond) huis of mens, latere in de vorm van rustbedden met daarop de overledene(n). De Romeinen namen sommige elementen van de Etruskische dodencultus over: necropolen buiten de stad, huisvormige graven en de cirkelvorm voor monumentale tomben. 10

11 Cerveteri, Interieur van de Tomba dei Relievi, 3de eeuw v. Chr. Ook de Etruskische tempels lieten sporen na in de Romeinse architectuur. Omdat ze van hout waren, zijn ze verloren gegaan en voor een indruk moeten we afgaan op Vitruvius en opgegraven fundamenten. Ondanks Griekse invloed, verschilden de Etruskische tempels van hun Griekse tegenhangers. Ze stonden op stenen podia en hadden alleen zuilen in de voorhal (porticus). Het houten dak hing over en was gedekt met terracotta pannen en sculptuur. De cella was ondiep en breed en soms in drieën gedeeld (voor 3 godenbeelden). Ook op het gebied van de utiliteitsbouw (bruggen en aquaducten en verdedigingswerken etc.) hebben de Romeinen veel geleerd van de Etrusken. De Porta Augusta in Perugia is een zeldzaam restant van een Etruskisch verdedigingswerk. Opvallend is de toepassing van echte bogen uit speciaal in vorm gehakte stenen. Bogen (en tongewelven) kwamen eerder voor (o.a. in Mesopotamië) maar zijn in de Griekse architectuur nooit op grote schaal toegepast. In de Romeinse architectuur wél, en men denkt dat dit mede het gevolg is van Etruskische invloed. Het gebied rond Rome werd vermoedelijk al jaar geleden bewoond, maar de legendarische stichtingsdatum van de stad is 21 april 753 v. Chr.. Aanvankelijk werd Rome door koningen geregeerd, vanaf 616 v. Chr. van Etruskische afkomst. De laatste koning, Tarquinius Superbus, werd in 510 v. Chr. verjaagd en Rome werd een republiek. Geleidelijk onderwierp Rome de Etruskische gebieden en begin 3de eeuw v. Chr. heerste de stad over heel Italië, waarna de rest van de antieke wereld volgde. In de 1ste eeuw v. Chr. waren er slavenopstanden en burgeroorlogen, culminerend in de moord op Julius Caesar (44 v. Chr.) Hierna kwam er een triumviraat van Octavianus (adoptiefzoon van Caesar), Marcus Antonius en Lepidus, wat leidde tot een nieuwe burgeroorlog, waaruit Octavianus als overwinnaar naar voren kwam. De senaat van Rome gaf hem in 27 v. Chr. de titel Augustus (de verhevene): de republiek werd keizerrijk. Het succes van Rome was o.a. te danken aan een goed georganiseerd leger, goede wegen en bruggen etc., sterk centraal gezag, invoering van Romeins recht in veroverde gebieden, tolerantie ten opzichte van de overwonnen volkeren. Rome is gebouwd op zeven heuvels langs de Tiber: Palatijn, Esquilijn, Quirinaal, Capitolijn, Aventijn, Caelius en Viminaal, die in de 4de eeuw v. Chr. gezamenlijk ommuurd werden. Op de Capitolijn zijn o.a. de resten opgegraven van de tempel van Jupiter Optimus Maximus, die begonnen zou zijn onder Tarquinius Superbus, maar gewijd in 509 v. Chr., het 13de jaar van 11

12 de republiek. De tempel mat ca. 60 bij 60 m en stond op een stenen podium. De rest was van hout en volgens Etruskisch gebruik was het dak gedekt met terracotta pannen en sculptuur, waaronder een vierspan met Jupiter. Etruskische invloed is ook zichtbaar in de plattegrond: een podium met een diepe porticus van 3 rijen van 6 zuilen en de driedeling van de cella. Toch had de tempel van Jupiter ook zuilen langs de zijkanten, mogelijk een Griekse invloed, al was het geen volledige peripteros: de achterzijde was vlak. De tempel brandde in 83 v. Chr. af en is hierna nog drie keer vervangen door steeds grotere en rijkere stenen tempels. Stilistisch absorbeert de Romeinse tempelbouw in toenemende mate Griekse vormen, maar het Etruskische model blijft dominant. Een goed voorbeeld is het Maison Carrée in Nimes uit 16 v. Chr., in de provincie Gallia. Dankzij het feit dat het gebouw in de 4de eeuw werd gewijd tot christelijke kerk is het een van de best bewaarde Romeinse tempels. De maten en verhoudingen beantwoorden aan die van de ideale tempel volgens Vitruvius: lengte ca. 2 x breedte, de portico 1/3de van de diepte etc.. Toch is ook het Etruskische model (hoog podium, diepe voorhal) bewaard gebleven, al is de stijl is Grieks. Belangrijk verschil met de Griekse tempel is het ontbreken van zuilen rondom. Alleen de porticus heeft zuilen, aan de achter- en zijkanten van de cella zitten halfzuilen, die geen dragende functie hebben. Dit is kenmerkend voor Romeinse architectuur: de relatie tussen constructie en vorm van een gebouw, die in Griekse architectuur altijd zichtbaar bleef, werd doorbroken. Ook trad decoratie meer op de voorgrond, publiek vertoon was belangrijk in de Romeinse wereld. Het Maison Carrée is gebouwd in opdracht van de schoonzoon van Augustus, generaal Marcus Vispanius Agrippa, wiens naam ook te vinden is aan het Pantheon. Pantheon, Rome, 27 v. Chr., ca. 126 AD (huidige vorm) Representatief gebouw: het Pantheon De tempel wordt nog steeds gedekt met de in doorsnee grootste (ongewapende) betonnen koepel ter wereld en alleen al daarom kan het Pantheon dienen als uitgangspunt voor beschouwing van de Romeinse bouwmethoden. Hoewel gebouwd in opdracht van Marcus Agrippa, is het huidige Pantheon het resultaat van een herbouw. Over de vorm van het oorspronkelijke Pantheon is debat, want het brandde in 80 AD af, waarna het werd herbouwd en in 110 AD opnieuw afbrandde. Onderzoek van de bakstenen wees uit dat de laatste herbouw begon 12

13 onder Hadrianus voorganger Trajanus, mogelijk naar ontwerp van diens architect: Apollodorus van Damascus. De wijding vond in 126 AD plaats onder Hadrianus, die er de inscriptie op liet aanbrengen die de eerste opdrachtgever identificeert. Over de functie van de tempel is al sinds de oudheid debat: de senator/historicus Cassius Dio schreef ca. 75 jaar na de voltooiing: Het heeft deze naam (Pantheon), omdat er onder de beelden die het voor de versiering ontving, veel goden waren, onder wie Mars en Venus, maar zelf denk ik dat de naam is afgeleid van de koepel, die lijkt op de hemel Cirkelvormige tempels waren al bekend in de Griekse bouwkunst en ook een van de oudste tempels van Rome was rond, die van de Vestaalse maagden uit de 8ste eeuw v.chr.. Vesta bewaakte als godin van de huiselijke haard de eendracht van het rijk en de Vestaalse maagden hielden in het midden van de cella een vuur brandend, waarvan de rook door een opening in het dak naar de hemel opsteeg. De tempel is meermalen afgebrand en de huidige (gereconstrueerde) tempel dateert uit ca. 191 AD. Ook voor monumentale graven gaf men de voorkeur aan de cirkel, met als eerste voorbeeld de tombe van keizer Augustus. De vorm is mogelijk afgeleid van Etruskische tumulusgraven, maar de cirkel had ook een kosmologische betekenis. Bij Vitruvius is het de vorm die beschreven wordt door de ideale mens en men stelde zich de hemel voor als een koepel, een idee dat o.a. terugkomt in het Domus Aurea (gouden huis) van keizer Nero (64-68 AD), waar een eetzaal een roterende koepel had, met de zon, de planeten en de sterrenhemel. Het Pantheon bestaat uit 1) een porticus met Korinthische zuilen, 2) een rechthoekig bouwdeel van gelijke hoogte als de cella en 3) een cilindervormige cella gedekt met een koepel. Voor de tempel lag oorspronkelijk een plein met een zuilengang. De zuilen van de porticus zijn van Egyptisch graniet en monolithisch (uit één stuk). De balken boven de zuilen droegen ooit een bronzen dak, maar hoe dit er uitzag is onduidelijk. Via de porticus betreedt men de cella, of rotunda, waar een bol in zou passen met een diameter van 43,3 m (150 Romeinse voet). De koepel begint halverwege en heeft in het midden een oculus van 8,3 m doorsnede, de enige lichtbron. Hij rust op 8 in de muren verborgen pijlers, ca. 6 m dik, met halfronde nissen aan de buitenkant, en binnen afwisselend rechthoekige en halfronde nissen. De pijlers, de muren en de koepel zijn grotendeels van bak- en tufsteen en beton, de belangrijkste Romeinse bouwmaterialen. Baksteen werd al rond 3000 v. Chr. gebruikt in Mesopotamië, maar de Romeinen pasten het in het Westen voor het eerst op grote schaal toe (vanaf 5de eeuw v. Chr.). De stenen kregen een datumstempel, en brede platte vormen waren gebruikelijk. Romeins beton bestond uit water, kalk en steenslag, aangevuld met vulkanische aarde, wat bijdroeg aan de stevigheid. Eind 3de eeuw v. Chr. pasten de Romeinen beton al toe, bijvoorbeeld in havenwerken en cisternen. In grote gebouwen, zoals het domus Aurea van Nero, verschijnt het in de 1ste eeuw AD. Bij muren werd beton vooral gebruikt als vulmateriaal, tussen wanden van bak- of tufsteen. Voor het storten van koepels en tongewelven werden houtconstructies gebruikt, net als voor bogen van bruggen en aquaducten. Het oudste Romeinse aquaduct was de Aqua Appia, uit. ca. 315 v. Chr., dat water vanuit Preaneste (Palestrina) over een afstand van 16 km naar Rome bracht. Belangrijk was het verval, want er waren geen pompinstallaties. Wel werd het principe van communicerende vaten toegepast en ook werden watertorens gebouwd om de druk te verhogen. Het grootste deel van een aquaduct lag onder de grond, de boogconstructies droegen alleen waar noodzakelijk de waterkanalen. Bogen werden ook toegepast in triomfbogen: dragers van keizerlijke propaganda. Aan het forum Romanum staat nog steeds de triomfboog van Septimius Severus, uit de late keizertijd. Aan de andere zijde lagen twee bogen opgericht door keizer Augustus, daterend uit resp. 29 en 19 v. Chr. De tweede had één opening, maar de eerste drie, en deze werd het belangrijkste voorbeeld voor latere triomfbogen, als laatste die van Constantijn uit 315. Triomfbogen waren versierd met sculptuur waarin de daden van de keizer werden verheerlijkt. 13

14 Ook in het Pantheon zitten bogen en tongewelven in de muren. Ze geleiden de druk (4535 ton) van de koepel, die aan de buitenzijde versterkt werd met 7 gestapelde ringen van baksteen. Verder is de koepel van puur beton, dat naar boven toe lichter wordt. De dikte van de wand varieert van ca. 6 tot ca. 1,2 m. Om het gewicht verder te verkleinen heeft de koepel cassetten, vooraf in de bekisting gevormd, die perspectivisch met de holle vorm meegaan. Deze techniek werd voor alle grote overwelvingen toegepast. Het Pantheon was o.a. bekleed met marmer en brons, waarvan weinig over is. Het huidige interieur stamt uit de 18de eeuw. Een fragment van de originele bekleding is gereconstrueerd. In 609 werd het Pantheon tot kerk gewijd, waarbij de heidense beelden verwijderd werden. In de 17de eeuw kreeg de voorgevel twee torens ontworpen door Bernini, die in 1883 zijn afgebroken. Het Pantheon van Marcus Agrippa was een van de vele bouwwerken uit de tijd van keizer Augustus. De meeste hiervan waren projecten van de keizer zelf, zoals het forum dat hij liet aanleggen bij het forum Romanum. Het forum was aanvankelijk een moerasachtig dal, dat dankzij de aanleg van de cloaca maxima (riool) in de 7de eeuw v. Chr. drooggelegd werd. Hierna werd het een marktplaats, maar geleidelijk ontwikkelde het zich tot het centrum van het openbare en politieke leven in Rome. In het zuiden van het forum was de markt en overal stonden altaren, monumenten en tempels. Aan de noordzijde vonden politieke bijeenkomsten en volksfeesten plaats. In de 5de eeuw v. Chr. verrezen hier de Rostra (sprekerstribune) en de Curia, waar de senaat samenkwam. In 44 v.chr. liet Julius Ceasar een nieuwe Curia bouwen, die na een brand in 283 AD in zijn huidige vorm herbouwd is. Het rechthoekige (27x18 m) gebouw bood plaats aan de 300 senatoren. De marmeren vloer in opus sectile (porfier en serpentijn) is bewaard gebleven. Vanaf eind 3de eeuw v.chr. werd het forum verrijkt met een nieuw gebouwtype: de basilica, mogelijk afgeleid van de Griekse stoa. Basilica s waren rechthoekige zuilenhallen, met meerdere beuken (ruimte tussen de zuilenrijen), soms met een hoger middenschip voor het licht, en lagere zijbeuken. Ze hadden verschillende functies: o.a. markthal, gerechtshof, ontmoetingsplaats, en later keizerlijke troon(en audiëntie) zaal. De Basilica Aemilia (179 v. Chr.) was de oudste en diende vooral voor geldzaken. In 54 v. Chr. verrees aan de overzijde de basilica Julia, die gebruikt werd voor rechtspraak en meet 101 bij 49 m zijn tegenhanger overtrof. Hiermee was het forum nagenoeg vol. Julius Caesar begon met een nieuw forum, aan de noordzijde. Dit mat 160 x 75 m en was met een zuilenporticus omgeven. Aan de zuidkant waren winkels. Aan de westkant stond een tempel voor Venus, de stammoeder van het Julische huis. Augustus voltooide het en liet aangrenzend een eigen forum aanleggen van 125 x 118 m. Tegen de brandmuur aan de achterzijde stond de tempel van Mars Ultor (Mars de wreker). Het forum was omgeven met zuilengalerijen, met twee halfcirkelvormige uitstulpingen, exedrae. Hierin stonden beelden die het Julische huis verheerlijkten. Oostelijk hiervan werd in 79 het forum van Nerva gebouwd, tussen gevolgd door het grootste forum, dat van Trajanus, ontworpen door Apollodorus van Damascus en voltooid onder Hadrianus. Het omvatte o.a. een plein van 200 x 120 m met zuilengalerijen en dubbele exedrae, met om de oostelijke een overdekte markt: de eerste shopping mall. Het plein werd afgesloten door de Basilica Ulpia van 120 x 60 m, met 5 beuken, de middelste hoger om voldoende licht binnen te brengen. De zijbeuken hadden tongewelven, de zoldering van het schip was vlak, met cassetten, en het dak had vergulde bronzen pannen. Hierachter lag een kleiner plein met aan weerszijden bibliotheken en in het midden de 38 m hoge zuil van Trajanus. De holle zuil (met wenteltrap) was tussen opgericht ter herinnering aan Trajanus veldtochten tegen de Daciërs, die op een spiraalvormig fries rondom waren afgebeeld. Na zijn dood werd de as van Trajanus in een gouden urn in de sokkel bijgezet. De tendens tot schaalvergroting zien we in de keizertijd in alle openbare gebouwen, zoals de basilica van Maxentius en Constantijn: met een oppervlakte van ca m2 het grootste gebouw aan het forum. Het had betonnen kruisgewelven in het middenschip (35 m hoog) en tongewelven in de zijschepen, voorzien van octagonale cassetten. Aan de westzijde stond in een apsis een beeld van de keizer, gezeten op een troon. Schaalvergroting trad ook op in Romeinse 14

15 thermencomplexen, meestal gebouwd in opdracht van de keizer. Badhuizen speelden een grote rol in het leven van de Romeinen, als ontspanningscentra en ontmoetingsplaatsen. De oudste dateerden uit de 2de eeuw v. Chr., maar in de keizertijd namen ze gigantische vormen aan, zoals de thermen van Caracalla ( )met afmetingen van 337 x 328 m. Ze bevatten o.a. een natatio (zwembad), frigidarium (koud waterbad), tepidarium (warm (stort)bad) en een caldarium (heet bad). Binnen waren ze bekleed met marmer en voorzien van mozaïekvloeren, beelden, rondom tuinen, een renbaan, bibliotheek, gymnasia, paviljoens en winkels. De waterleidingen en verwarmingen waren zeer geavanceerd. In een oven verhitte lucht stroomde onder het bad door en werd naar een ruimte onder de met pijlers gesteunde vloer (hypocaustus) geleid en via aardewerk pijpen naar uitlaten op het dak. Colosseum (Flavisch Amfitheater), Rome, A.D. De Romeinen brachten veel tijd door in theaters, amfitheaters, stadions en renbanen. Het theater van Marcellus is in Rome het best bewaard. De bouw startte onder Caesar, maar het theater werd in 13. v. Chr. ingewijd door Augustus. Met een doorsnede van 111 m bood het plaats aan toeschouwers. Belangrijk verschil met Griekse theaters is dat het een losstaand, gesloten, halfrond gebouw was. Aan de buitenzijde was het bekleed met marmer en gedecoreerd met halfzuilen: onder Dorisch, daarboven Ionisch en daarboven Korinthisch. Deze superpositie vinden we ook terug aan de buitengevel van het Colosseum. De bouw van het Flavisch amfitheater, zoals het eigenlijk genoemd werd, begon in 72 met Vespasianus, de eerste keizer van het Flavische huis. De naam Colosseum is afgeleid van een enorm beeld van Nero, dat in de buurt stond. Het werd voltooid in 80 AD, onder Vespasianus zoon Titus, die het liet inwijden met spelen die 100 dagen duurden. De buitenzijde toont 4 etages met bogen en een superpositie van halfzuilen: Dorisch, Ionisch, Korinthisch, die bovenin vlak zijn (pilasters). Het 48 m hoge amfitheater heeft een elipsvorm van 189 en 156 m, en bood plaats aan ca mensen. De spelen waren populair bij alle klassen, maar er waren rangen en ere-tribunes voor de elite. De keizerlijke familie had een eigen loge. In het Colosseum vonden gladiatorengevechten en venationes (dierengevechten) plaats, en hiernaast circusachtige shows. Bij warm weer werd een velum gespannen van zeildoek, door zeelieden die waren ondergebracht in een kazerne in (of bij) het gebouw. Rondom het Colosseum zijn stenen paaltjes bewaard die deel uitmaakten van het mechaniek. Onder de houten vloer van de arena lag een labyrinth van tunnels, kerkers en kooien voor de wilde beesten, die met katrol-liften omhoog kwamen. Stadions, zoals dat van keizer Domitianus, waren bedoeld voor sportwedstrijden. De contouren zijn bewaard gebleven in het huidige Piazza Navona in Rome. Nog groter was het Circus Maximus, dat gebruikt werd voor wagenrennen. Het gebouw gaat terug tot de 7e eeuw v. Chr. en werd in de loop van de tijd vergroot, tot het plaats bood aan ca toeschouwers. Het mat 621 x 118 m en in de middellijn lag de spina ( ruggegraat ), een 214 m lange muur versierd met beelden, zuilen, tempeltjes, een obelisk en 2 metae: kegelvormige pilaren. De wagens moesten 7 ronden afleggen, langs de spina en om de metae. Aan één kant stond een rek met 7 houten eieren, aan de andere kant met 7 bronzen dolfijnen, bij elke ronde werd een ervan omlaag getrokken. Ook in het circus had de keizerlijke familie een eigen loge, te bereiken vanuit de keizerlijke paleizen op de Palatijnse (vandaar paleis ) heuvel. De Palatijn werd gezien als plaats waarop Rome ooit was ontstaan. Gedurende de Republiek woonde er rijke families. Keizer Augustus 15

16 bouwde er vanaf 30 v. Chr. zijn paleis, dat door latere uitbreidingen en verbouwingen uitgroeide tot een immens complex, waarvan alleen nog fundamenten resten. De keizers verbleven liever in hun villa s. Al in de republikeinse tijd was er bij de elite een cultuur ontstaan van luxe villa s, vaak met een agrarische functie, o.a. rond de baai van Napels. De grootste was die van keizer Hadrianus bij Tibur (Tivoli), ten westen van Rome. Hadrianus liet op zijn reizen door het rijk overal tempels restaureren en monumenten bouwen. De keizer zou zelf zijn immense villa hebben ontworpen: een geheugenpaleis van de plaatsen die hij had bezocht, met o.a. een Grieks theater, een nymphaeum, een Serapis-tempel, een gymnasium ( sportschool ), bibliotheken, een renbaan, thermen, een visvijver, fonteinen, allerlei tempels en woonverblijven voor de keizer, gasten, de lijfwacht (pretoriaanse garde) en slaven. Tot de best bewaarde delen hoort de Canopus, een 119 m lange vijver, die zijn naam ontleende aan een stad in Egypte die bekend was om de Isis en Serapis-cultus. Aan de zuidzijde lag het serapeum, een halfronde koepelbouw waar o.a. beelden stonden van Antinoüs, Hadrianus geliefde die was verdronken in de Nijl. Ook was er een Maritiem theater, een cirkelvormig eiland in een vijver met ophaalbruggen, waarop een cirkelvormig Romeins huis lag met eetzaal, bibliotheek, thermen, latrines en een atrium. De villa was gedecoreerd met marmer, stucwerk, schilderingen, mozaïek en honderden beelden. Een deel kwam terecht in musea, maar het meeste verdween. Voor een indruk van de Romeinse wooncultuur moeten we naar Pompeii. Huis van de Vettii, Pompeii, voor 79 A.D. Dit is te danken aan de uitbarsting van de Vesuvius op 24 Augustus 79 AD, die een groot gebied bedekte met een dikke laag as, waardoor Pompeii bewaard bleef. Sinds eind 18de eeuw wordt er gegraven, waarbij veel informatie over Romeinse wooncultuur aan het licht is gekomen. De elite woonde in villa-achtige huizen (domus) met een atrium: een binnenplaats met een waterbassin (impluvium), en soms een peristylium, een binnenplaats met een zuilengalerij, die dienst deed als ontvangstruimte, een eetkamer (triclinium), een keuken (cucina) en hiernaast ruimten (cubicula) met verschillende functies (w.o. slaapvertrek). Alleen de grootste huizen hadden badruimten en latrines en soms een aparte tuin. Het exterieur was gesloten, raampjes zaten op de 1ste verdieping, atrium en peristylium zorgden voor lucht en licht. De buitenmuren waren gepleisterd en beschilderd en aan de voorkant zaten vaak winkeltjes (tabernae). Binnen waren de wanden beschilderd, waarbij men op grond van de vondsten in Pompeii vier stijlen onderscheidt (van 200 v. Chr. tot 80), zich ontwikkelend van marmerimitaties tot schijnarchitectuur, mythologische scènes, landschappen en stillevens. De vloeren waren geplaveid met mo-zaïeken gemaakt van stenen en marmeren blokjes (tesserae), gelegd in geometrische of schilderkunst imiterende patronen. In de rijkste huizen lag marmer op de vloer. Het meubilair was sober: stoelen, ligbanken met kussens, tafeltjes, komforen, lampenstandaards, kasten en kisten, al waren meubels soms van materialen als verguld brons, exotisch hout, zilver en ivoor. Een van de grootste huizen in Pompeii was het huis met de faun, genoemd naar een bronzen beeldje dat er stond. Het dateert uit de 2de eeuw v. Chr. en had een oppervlakte van ca

17 Porta Nigra, Trier, begin 4e eeuw m2, met verschillende atria en peristyliums, triclinia en een eigen badkamer (balneum) met warm water. Hier werd onder andere het beroemde Alexandermozaïek gevonden. De huizen lagen aan geplaveide straten met een riool en een waterleiding die het water naar de thermen, latrines en watertorens met fonteinen vervoerde. De straten deelden de stad in rechthoekige blokken in: insulae (lett. eilanden). Er waren hoofdstraten die elkaar kruisten, vaak met herbergen en winkels. Pompeii was welvarend, maar in steden als Rome en Ostia woonde de middenklasse in appartementengebouwen die ook insulae genoemd werden, meestal slecht gebouwde stapelingen van licht- en luchtarme hokjes, zonder voorzieningen. De armen woonden op straat of buiten de stad, tussen de graven van de necropolen. Ook legerplaatsen werden rationeel gepland, met twee elkaar kruisende hoofdstraten: de cardo en de decumanus. In het midden lag een forum, met het badhuis, een tempel en het verblijf van de centurion. Dit model werd ook toegepast op echte steden, zoals Treverorum (Trier) in Germania. Van de Romeinse verdedigingwerken rondom de stad is o.a. de Porta Nigra bewaard gebleven. In de late keizertijd werden zelfs paleizen als legerkampen aangelegd, zoals het paleis dat keizer Diocletianus liet bouwen in het huidige Split, aan de Adriatische zee. Het is goed bewaard gebleven en toont de reikwijdte van de Romeinse architectuur, die zich verspreidde over de hele antieke wereld. Hoofdstuk 3: Vroeg-christelijke en Karolingische architectuur Na de dood van Christus in 33 ontstond het christendom, dat uitgroeide tot een van de belangrijkste Oosterse mysterie-cultussen in het Romeinse rijk. De Romeinse overheid was tolerant t.o.v. uitheemse religies, maar omdat de christenen weigerden zich te onderwerpen aan de keizercultus, werd het christendom verboden en werden de aanhangers (sporadisch) vervolgd. Ondanks dit verbod wist het christendom in de 2e en 3e eeuw door te dringen tot in de verste uithoeken van het rijk. In het algemeen werd dit gedoogd, maar in 250 besloot Keizer Decius tot harde aanpak. Ook onder keizer Diocletianus vonden vervolgingen plaats, maar met zijn opvolger Constantijn de Grote kwam er een omslag: hij werd zelf christen, waarschijnlijk onder invloed van zijn moeder Helena, die zich rond 306 had laten dopen. Politieke overwegingen speelden ook een rol: de christelijke kerk was goed georganiseerd. Constantijn s bekering zou te danken zijn aan de overwinning op zijn rivaal Maxentius in de slag bij de Milvische brug (312) na een droom waarin hem het kruis verschenen was. Het jaar daarop schonk hij de christenen godsdienstvrijheid in het edict van Milaan, maar zelf liet de keizer zich pas dopen op zijn sterfbed (337). Christelijke architectuur ontwikkelt zich pas hierna, maar toch zijn er oudere sporen bewaard gebleven. Christenen kwamen aanvankelijk illegaal bijeen in huiskerkjes. In de verlaten stad Dura Europos in Syrië, niet ver van Damascus, zijn resten opgegraven van het oudst bekende huiskerkje dat 17

18 dateert uit ca. 235 AD. Een belangrijk verschil met een tempel komt vanaf het begin naar voren: de tempel is het huis van de godheid, in een kerk komt de gemeenschap samen. Het kerkje in Dura Europos kreeg later een apart baptisterium en lekenruimte: er kwam meer afstand tussen clerus en gelovigen en men mocht de kerk niet langer ongedoopt betreden. Het baptisterium in Dura Europos had wandschilderingen en het doopbassin was in een boognis tegen de achterwand geplaatst: een arcosolium. Het doopritueel was symbolisch sterven en wedergeboren worden, vandaar dat we arcosolia ook terugvinden in de catacomben. Cubiculum van Leonis, met arcosoli, Catacombe van Commodilla, 4de eeuw A.D. Traditioneel vonden doden in het Romeinse rijk hun laatste rustplaats buiten de stad. Crematie was gebruikelijk en rondom de steden lagen uitgestrekte necropolen. Christenen waren tegen crematie en wilden vanaf de 2de eeuw niet langer te midden van heidenen begraven worden. Omdat land voor begraafplaatsen duur was, gingen ze over op het graven van catacomben, een praktijk die al eerder bestond. (o.a. bij de joden). In de zachte tufsteen rond Rome was dit niet moeilijk en er zijn zo n 40 catacomben-complexen bekend (elders o.a. in Syracuse). Ze beslaan een gebied van ruim 2,5 km2, met gangenstelsels van kilometers lengte, vaak met meerdere verdiepingen. Catacomben waren vooral plaatsen van begraven en herdenken. De doden werden bijgezet in loculi (horizontale nissen), in rijen boven elkaar, gesloten met stenen platen waarop de naam van de overledene(n) en soms een geschilderde decoratie. Andere vormen waren: formae (direct in de grond) en cubiculi: kamertjes voor families, met loculi, sarcofagen en arcosoli: nisgraven met een boog. Bisschoppen werden soms in crypten begraven. Grotere graven kregen vaak een centrale vorm, zoals een vierkant met een cirkelvormige (schijn)koepel. Dit komt voort uit de associatie van de cirkel met dood en wederopstanding (en de hemel), zoals in keizerlijke mausolea of ronde tempels. De tomben van martelaars, martyria, werden pelgrimsoorden en ze kregen o.a. triclia (voor gezamenlijke maaltijden), altaren, een aedicula, een baldakijn of een atrium. Later verrees er vaak een centraalbouw omheen. Pas na het edict van Milaan verrezen de eerste echte kerken, zoals de Anastasis kerk in Jeruzalem, gebouwd op de plaats waar Constantijns moeder Helena in 326 AD het ware kruis en de tombe van Christus terugvond. De kerk is meermaals herbouwd, tot ze in 1009 AD met de grond gelijk werd gemaakt door kalief Hakim I. Hierna werd met Byzantijns geld een nieuwe kerk gebouwd, nog aanwezig in het huidige gebouw. Opgravingen en beschrijvingen geven een idee van de eerste kerk: de tombe stond in een centraalbouw onder een baldakijn. Ervoor lag een atrium en daarvoor een vijfschepige basiliek met een volgend atrium en een toegangsgebouw. In de late keizertijd werden basilica s vooral gebruikt voor de keizerverering. Mede hierdoor waren ze geschikt als prototype voor het kerkgebouw: de versmelting van kerkelijke en keizerlijke macht kwam tot uitdrukking, en het gebouw bood voldoende ruimte voor de samenkomst van gelovigen. Ook de geboortekerk in Bethlehem toonde deze opzet, al was de basilica hier gekoppeld aan een achthoekige centraalbouw. Het getal 8 symboliseert de wederopstanding en een centraalbouw had de vorm van een cirkel of een octagon, maar ook een vierkant, Grieks kruis of varianten hiervan. De centraalbouw/basilica werd een van de prototypes van het kerkgebouw. Een goed voorbeeld van een centraalbouw biedt de Santa Costanza in Rome, gebouwd als mausoleum voor Constantijn s dochters: Constantia en Helena. De kerk ligt bij de resten van de 18

19 Santa Costanza, Rome, interieur vanuit het ambulatorium, ca. 350 basiliek van de heilige Agnes, wier relieken Constantia van een ziekte genezen zouden hebben. De Santa Costanza was vanuit de basiliek via een narthex (voorhal) te betreden, die niet bewaard is gebleven. De rotunda zelf is gebouwd van Romeins beton en baksteen, en heeft een koepel met lichtbeuk met 12 vensters (12 apostelen), op bogen die rusten op gekoppelde zuilen, met hier omheen een cirkelvormige gang, gedekt met een tongewelf, het ambulatorium. Rondom zitten nissen en apsiden, in de nis tegenover de entree stond (vermoedelijk) de porfieren sarcofaag van Constantia. In de absiden en op het tongewelf zijn mozaïeken bewaard gebleven die een mengeling van christelijke en heidense motieven tonen. Stilistisch staan ze nog in de klassieke traditie. Een voorbeeld van een vroege basiliek bood de oude St. Pieter, tussen ca. 325 en 360 gebouwd boven het graf van de apostel. Dankzij opgravingen en tekeningen etc. hebben we een goed idee van het gebouw. Om de pelgrims te accommoderen had de vijf-beukige kerk enorme afmetingen: 119 x 64 m, met een atrium ervoor, omgeven met een zuilengang. De middenbeuk (schip) stak met een lichtbeuk boven de zijbeuken uit. Aan de andere kant stond het lagere transept hier dwars op. Het was breder dan het schip en in het midden stond het graf van de heilige onder een baldakijn met erachter een apsis. De plattegrond had de vorm van een Latijns kruis en de hele kerk was gedekt met houten daken. Het interieur was rijk voorzien van stucwerk, marmeren zuilen, mozaïeken en schilderingen. Ook lagen er talloze graven, men wilde zo dicht mogelijk bij de heilige begraven worden (ad sanctos). Een van de weinige kerken in Rome die nog een indruk geven van de vroeg-christelijke basilieken uit Constantijns tijd is de Santa Sabina (5de eeuw). De basiliek, in de vorm van een Latijns kruis, werd het dominante model voor de kerkelijke architectuur van het westen en de centraalbouw in het Oosten. Een goed voorbeeld is de kerk bij Aleppo in Syrië, gebouwd rond de pilaar waarop St. Simeon 37 jaar van zijn leven doorbracht. Hij stond in een octagon waaromheen vier basilieken gebouwd waren, bij elkaar een Grieks kruis. Een eigen ontwikkeling toont de kerkelijke architectuur van Armenië, dat zich in 301 tot het christendom bekeerde. Opvallend zijn hier de kegelvormige koepels en de centrale plattegrond van veel kerkgebouwen: rond, octagonaal, vierkant, Grieks kruis etc. Hét oostelijke centrum van vroeg-christelijke architectuur was echter Constantinopel Constantinopel was de naam die Constantijn gaf aan Byzantion, als Griekse kolonie gesticht in de 7de eeuw v. Chr.. De keizer koos de stad door de gunstige ligging: in een vruchtbaar gebied op een schiereiland en op een kruispunt van handelswegen. In 330 werd Constantinopel de oostelijke hoofdstad van het Romeinse rijk. Van de gebouwen waarmee Constantijn de stad verrijkte is vrijwel niets overgebleven. De resten van de stadsmuren dateren uit de tijd van keizer Theodosius II (reg ). Tot de oudste christelijke kerken in het huidige Istanbul hoort de Hl. Sergios en Bacchuskerk, tussen 527 en 536 gebouwd in opdracht van Justinianus, die in 527 zijn adoptiefvader Justinus (oorspr. een boer) als keizer opvolgde, met zijn vrouw Theodora, dochter van een berentemmer. De Sergios en Bacchuskerk was bedoeld als bevestiging van hun keizerlijke status, die door de hofadel in twijfel getrokken werd. Het werd een centraalbouw, omsloten door een vierkant, met in het centrum een octagon met een koepel van 8 holle en 8 vlakke segmenten (meloenkoepel). Rondom zitten twee verdiepingen van afwisselend rechthoekige en halfronde nissen, met zuilenstellingen geopend naar omgang en galerij. De nissen worden bekroond door bogen, die in de halfronde nissen een apsisvorm aannemen. Tegenover de oorspronkelijke narthex ligt de uitgebouwde hoofdapsis. De Sergios en Bacchuskerk werd in 1509 moskee. 19

20 Hagia Sophia, interieur , Istanbul Representatief gebouw: de Hagia Sophia ( ), Istanbul Begin 532 brak de Niké-opstand uit, die door Justinianus en Theodora met moeite onderdrukt werd. De Hagia Sophia was in de as gelegd en Justinianus besloot de kerk (zetel van de patriarch) grootser en mooier dan voorheen te herbouwen. De eerste Hagia Sophia ( heilige wijsheid ) was tussen ca. 350 en 360 onder Constantius II gebouwd. Deze rechthoekige basilica met atrium ging tijdens een opstand in 404 in vlammen op, maar was onder Theodosius in 415 herbouwd. De Hagia Sophia van Justinianus had dezelfde maten (77 x 71,70 m) en werd ontworpen door de Griekse architecten/wiskundigen Anthemius van Tralles en Isidorus van Miletus. De kerk kon al in 537 ingewijd worden. In 558 stortte de koepel na een aardbeving in. Hij werd direct in andere vorm gerestaureerd, door een neef van Isodorus van Milete. Na de val van Constantinopel (1453) werd de kerk moskee en in de 16de eeuw werden minaretten toegevoegd. Sinds 1935 is het een museum. Hoewel de Hagia Sophia een centraalbouw lijkt, is de kerk langer dan breed: basilica en centraalbouw zijn met elkaar versmolten. In het midden zit de koepel, met 2 halve koepels samen het schip, geflankeerd door zijbeuken met galerijen. In het oosten eindigt het schip in een halfronde apsis. Hieromheen stond een koorafscheiding met een ambo (preekstoel). De apsis zelf bevatte een synthronon: een trapvormige tribune rondom, met in het midden de troon van de patriarch. De ingang ligt in een narthex, even breed als de gevel, met een diepere en hogere narthex erachter (exo- en esonarthex), waarin o.a. de Porta Reale (keizerlijke poort) toegang geeft tot de kerk. Oorspronkelijk lag hiervoor een atrium. Deze opeenvolging van ruimten hangt samen met het ritueel van de keizerlijke intrede. De kerk lag dicht bij het paleis en werd gebruikt door de patriarch, de keizerlijke familie en het hof. Het interieur wordt gedomineerd door de centrale koepel, ca. 56 m hoog en ca. 33 m in doorsnede, op vier pijlers die een vierkant vormen en boven de galerijen met elkaar verbonden zijn door bogen, aan de noord- en zuidzijde dichtgezet met muren voorzien van vensters. De overgang van vierkant naar cirkel wordt bereikt met pendentieven. Over de vorm van de eerste koepel is debat, net als over de bouwwijze, de functie van de halfkoepels, de verhoogde en verlengde steunmuren. De pijlers en bogen zijn van steen, cement en baksteen. Lood werd gebruikt voor het fixeren van de stenen, en de bogen hebben ijzeren trekstangen. De koepel is van baksteen en cement en heeft dankzij de ribben een relatief dunne wand: ca. 0.7 m. De ribben zijn aan de basis versterkt met een ring van steunberen. Tussen de ribben zitten 40 ramen, die de koepel doen zweven. Het interieur was rijk versierd met marmer en mozaïeken, de zuilen o.a. van porfier, met bronzen ornamenten, hekwerken, deuren van exotisch hout, vergulde kroonluchters etc. De kapitelen tonen nog sporen van de klassieke vormentaal, maar zijn op een andere, patroonachtige, manier bewerkt. De originele mozaïeken zijn tijdens het iconoclasme ( ) vrijwel geheel verdwenen. Voor een indruk van de mozaïekkunst van vóór het iconoclasme moeten we naar Ravenna. Na zijn kroning begon Justinianus met de herovering van het West-Romeinse rijk. Zijn generaals Belisarius en Narses wisten o.a. de noordkust van Afrika, Corsica, Sardinië, Sicilië en Zuid Spanje te veroveren. In 540 nam Belisarius Ravenna in, sinds de 5de eeuw hoofdstad van het West-Romeinse rijk. Tot de gebouwen die er stonden hoort het mausoleum van Galla Placida, de dochter van Keizer Theodosius I. Het lag naast de verdwenen Sta. Croce en heeft de vorm van een Grieks kruis. Binnen zijn de wanden bekleed met marmer en daarboven mozaïek, 20

21 gemaakt van glazen tesserae, die uit het cement steken om het licht beter te reflecteren. Dit werd in de Byzantijnse architectuur de gebruikelijke wandversiering, zoals ook naar voren komt in het belangrijkste bouwwerk van Justinianus in Ravenna: de San Vitale. Over de stichting is discussie, maar de kerk is in 548 door aartsbisschop Maximianus gewijd. Het is een octagonale centraalbouw met 8 pijlers onder een lichtbeuk met een ronde koepel. Tussen de pijlers zitten halfronde, dubbele boogstellingen die zich openen naar het ambulatorium en de galerij op de verdieping, waar ze bekroond worden met koepelgewelven. Het uitgebouwde koor eindigt in San Vitale, Ravenna, A.D. een centrale apsis, met ter weerszijden twee kapelletjes. Voor de kerk ligt, schuin ten opzichte van de lengte-as, een narthex die oorspronkelijk aansloot op een atrium. Van binnen zijn de mozaïeken in het koor bewaard gebleven, in de apsis (mogelijk) gemaakt door kunstenaars uit Constantinopel. De voorstellingen hebben betrekking op de liturgie: bijv. het offer van Abraham, en in de apsis zit Christus (op een bol) met St. Vitalis en St. Ecclesias, die de kerk aanbiedt. Interessant zijn de afbeeldingen van Justinianus en Theodora en hofhoudingen ter weerszijden hiervan. Er is in Ravenna ook een aantal vroeg-christelijke basilieken bewaard gebleven, het best wellicht de San Apollinare in Classe, de vroegere haven van de stad. De kerk bewaarde de relieken van de eerste bisschop van Ravenna, Apollinaris, en werd onder Justinianus in 549 voltooid. De basiliek heeft een schip met lichtbeuk, door zuilenarcades gescheiden van de zijbeuken, en in het oosten een centrale apsis. Schip en zijbeuken zijn gedekt met houten dakstoelen. Dit model blijft in Italië tot en met de renaissance dominant. Het apsismozaïek is bewaard gebleven. In Ravenna zijn ook twee baptisteria bewaard gebleven, het oudste van de orthodoxen, dat ca. 460 voltooid werd onder bisschop Neon. Het andere, van de arianen, is eind 5de eeuw gebouwd onder de Ostrogotische koning Theodoric, wiens mausoleum ook bewaard bleef. De 3 gebouwen hebben een octagonale vorm, conform de symboliek van de wederopstanding. Het orthodoxe baptisterium heeft goed bewaarde mozaïeken, stucwerk en een octagonaal doopbassin. Vrijstaande baptisteria kwamen ook buiten Italië voor, in Poitiers staat een vroeg voorbeeld. Het gebouwtje is verschillende malen gewijzigd, de oorspronkelijke vorm is niet bekend. Wel is het octagonale doopbassin uitgegraven, dat uit de 6de eeuw dateert. In Italië bleven vrijstaande baptisteria lang gebruikelijk, elders werden baptisteria geïntegreerd in de kerkruimte zelf. Na Justinianus dood verloor Byzantium geleidelijk haar westelijke territorium. De Byzantijnse architectuur had echter grote invloed op die van het westen, zoals naar voren komt in de kerkelijke architectuur van de christelijk-germaanse koninkrijken. In de Friuli, Noordoost-Italië, 21

22 bleef in Cividale de vermoedelijke hofkapel bewaard van de Germaans-Lombardische hertogen die er van de 6de tot en met de 8ste eeuw de dienst uitmaakten. De tempietto longobardo is ca. 750 gebouwd in opdracht van hertog Astolfo. Het interieur bevat uniek monumentaal stucwerk, dat net als de overige decoraties Byzantijns aandoet. In Zuid-Frankrijk en Spanje vestigden de Visigoten rond 500 een christelijk rijk dat in de eeuwen erna uit elkaar viel. Hiervan zijn in Spanje nog architectonische resten te vinden, vnl. kerkjes, die een eigen stijlontwikkeling laten zien, al is Byzantijnse invloed ook hier aanwezig. De San Pedro de la Nave bij Zamora uit ca. 680, heeft de vorm van een Grieks kruis, met zijbeuken langs schip en koor, waardoor het kerkje een basilicaal karakter krijgt. Boven de kruising zit een toren waaronder een stenen (kruis?)gewelf zat. Koor en apsis zijn gedekt met een tongewelf. De kapitelen hebben een afwijkende Visigotische vorm en de bogen zijn doorgeschoten (of hoefijzervormig), een uniek kenmerk van de Visigotische architectuur in Spanje, dat door de Moren is overgenomen. Vanaf 711 werd het grootste deel van Spanje vanuit Noord-Afrika door de Islamitische Omajjaden veroverd. De christenen trokken zich terug in het bergachtige Asturië in het noorden. Spanje werd Al-Andalus, maar in 750 werden de Omajjaden uit Damascus verjaagd door de Abassiden. Prins, Abd ar-rahman ontkwam naar Spanje, dat hij opnieuw veroverde, waarna een periode van grote bloei aanbrak. Cordoba werd hoofdstad en groeide uit tot het economische en culturele hart van Al-Andalus, waar islamieten, christenen en joden vreedzaam samenleefden. In het centrum lag bij het Alcazar, waar de emir woonde, de grote moskee, of Mezquita, op de plaats van de Visigotische kerk van San Vicente, die de christenen aanvankelijk deelden met de moslims. Met de groei van de islamitische bevolking ontstond behoefte aan een grotere gebedsruimte en Abd ar-rahman kocht de kerk en liet haar afbreken, waarop ca. 785 de bouw van de grote moskee begon, op een vierkant van ca. 74 x 74 m. De gebedsruimte had 11 beuken, gescheiden door arcaden van 12 bogen, haaks op de qibla-muur die de richting van Mekka aangaf, maar in Cordoba door Abr ar-rahman richting Damascus geplaatst werd als verwijzing naar zijn geboorteplaats. Door gebruik van Romeinse en Visigotische kapitelen en zuilen, duurde de bouw slechts ca. 1 jaar. Dit was waarschijnlijk een esthetische keuze: in Mérida, ten noorwesten van Cordoba, ligt een Romeins aquaduct met driedubbele bogen dat als voorbeeld gediend zou kunnen hebben en ook de moskee in Damascus had dubbele bogen. Abd-ar-Rahmans opvolgers breidden de moskee uit, eerst met 8, daarna met 12 traveeën. Ook werd een Maqsura aangelegd, gereserveerd voor de emir, die bij de tweede uitbreiding verplaatst werd. Deze bestaat uit drie ruimten gescheiden door complexe boogstellingen. Elke ruimte is gedekt met een koepel met ribben in sterren- en schelpenpatronen, de middelste versierd met mozaïeken. Hier ligt de marmeren mihrab, de nis die de qibla aanduidt, achter een hoefijzerboog eveneens voorzien van mozaïek, gemaakt door Byzantijnse kunstenaars (de moskee van Damascus was ook gedecoreerd door Byzantijnse mozaïekwerkers). Onder Abd-ar-Rahman III, de eerste kalief, werd een minaret gebouwd, later getransformeerd tot klokkentoren. De laatste uitbreiding vond plaats onder Al-Mansur, die de Mezquita verbreedde met 8 beuken, waarmee de omtrek op 175 x 218 m kwam. Na de reconquista van Cordoba (1236) werd de moskee kathedraal. Ondertussen was vanuit het noorden de christelijke reconquista begonnen. In de heroverde gebieden werden christelijke kerken gebouwd, vaak in Moorse stijl, en ook bouwden christenen in Moorse gebieden. Dit heet Mozarabisch, al wordt tegenwoordig ook de term repoblación (herbevolking) gebruikt. Een goed voorbeeld biedt de kerk van de verdwenen abdij van San Miguel de Escalada, in Léon, in Noord-Spanje, die in 951 gewijd zou zijn. Bij de bouw is gebruik gemaakt van Visigotische en Romeinse zuilen en kapitelen, maar de stijl is Moors. De reconquista werd gesteund door de Franken, een van de Germaanse stammen die zich in de 4de eeuw in het Romeinse rijk hadden gevestigd, aanvankelijk rond de Rijn. Onder de vorsten van de Merovingische dynastie (vanaf Clovis I, ) wisten ze hun gebied in westelijke richting (nu Frankrijk) uit te breiden. In 751 kwamen met Pepijn de Korte de Karolingen aan de macht, genoemd naar Karel de Grote, die het Frankische rijk tot in Noord-Spanje en Zuid-Italië 22

23 Lorsch (Duitsland), voormalige abdij, Koningszaal, eind 9de eeuw uitbreidde en in 800 in Rome tot keizer gekroond werd. Deze renovatio imperium (herstel van het keizerrijk) was ook belangrijk voor de Karolingische architectuur. De Karolingische vorsten reisden van de ene naar de andere residentie, Paltsen genoemd ( palatium ). Karels favoriete Palts was Aken, door Pepijn de Korte bij een oud thermencomplex gesticht. Dit werd in opdracht van Karel eind 8ste eeuw uitgebreid tot keizerlijke residentie, volgens Karels biograaf Einhart ontworpen door Odo van Metz. Van de gebouwen die er stonden is alleen de Paltskapel overgebleven, nu deel van de kathedraal. Oorspronkelijk omvatte het complex o.a. nog een aula regia (troon- en raadszaal), thermengebouwen, een curia waar de keizer recht sprak, een bibliotheek en scriptorium, een schatkamer en woonverblijven. De Paltskapel is een 16-hoekige centraalbouw van twee verdiepingen, rondom een hoger octagon met een lichtbeuk, van binnen gedekt met een achtzijdige koepel. Binnen zijn de verschillende niveaus met boogstellingen geopend naar het octagon. Aan de oostzijde was een rechthoekige apsis die later plaats maakte voor het huidige, gotische koor. Aan de noord- en zuidzijde stonden 2 basilica-achtige gebouwen t.b.v. de clerus. Aan de westzijde lag een atrium, waarbinnen tegen de westgevel een torenachtig bouwwerk stond met een portaal, geflankeerd door 2 traptorens, een westwerk dat deels bewaard bleef. Op de eerste etage is hierin een ruimte geopend naar de galerij van de kapel, met aan de westkant een apsis. Hiervoor staat de vermoedelijk originele troon van Karel de Grote. Voor de inrichting werden kosten noch moeite gespaard: zuilen en kapitelen kwamen uit Rome en Ravenna, muren en koepel werden bekleed met marmer en mozaïeken, en Karel liet bronzen deuren gieten, de eerste sinds de Romeinse oudheid. De architectuur van de Paltskapel is gebaseerd op de San Vitale in Ravenna, die Karel verschillende malen bezocht had. De keizer zag zichzelf als tegenhanger van zijn Byzantijnse collega. Er is ook gewezen op de overeenkomst met de Sergios en Bacchuskerk in Constantinopel en bovendien zou de kapel het hemelse Jeruzalem representeren. Na zijn dood werd Karel de Grote in de kapel begraven, in een antieke Romeinse sarcofaag, waarschijnlijk in het westwerk. Vanaf dat moment werd de symbolische betekenis van de kapel steeds belangrijker. In Nederland staat een kopie van deze kapel in Nijmegen, waar een Karolingische Palts was die later verwoest werd en in 12de eeuw plaats maakte voor een burcht (eind 18de eeuw afgebroken). De kapel bleef bewaard. Lang is gedacht dat hij Karolingisch was, maar tegenwoordig neemt men aan dat de kapel in de 11de eeuw in opdracht van de Salische keizer Koenraad II ( ) gebouwd is. De Ottoonse en Salische keizers legitimeerden hun macht door te verwijzen naar Karel de Grote en dit kwam ook in de architectuur tot uitdrukking. Een directe(re) verwijzing naar Rome biedt de koningszaal van de abdij van Lorsch, in 746 door een Frankische graaf gesticht en later begunstigd door keizer Karel de Grote. Van de bewaard gebleven koningszaal werd lang aangenomen dat hij onder Karel de Grote gebouwd was, maar tegenwoordig wordt hij eind 9de eeuw gedateerd. Ook over de functie is debat, maar de triomfboogvorm en de decoratie met Ionische en Korinthische halfzuiltjes, lijken bewust te verwijzen naar het Romeinse verleden. Kloosters werden in de Karolingische tijd steeds belangrijker. De oude Romeinse steden waren in verval geraakt en op het land heersten feodale heren. Alleen kloosters waren pleisterplaatsen voor kunst en wetenschap en kweekvijvers van bestuurlijk talent. Het kloosterleven ontstond in de 3de eeuw in Egypte. In het westen werd het in de 6de eeuw gereguleerd door St. Benedictus van Nurcia ( ), waarna kloosters snel in aantal toenamen. Uit de Karolingische tijd bleef een perkamenten plattegrond bewaard voor een ideale Benedictijnse kloosteraanleg, genoemd naar het klooster van Sankt Gallen (Zwitserland), waar hij bewaard wordt, maar gemaakt in 23

24 Reichenau, rond Het afgebeelde kloostercomplex bestaat uit ca. 50 gebouwen, w.o. gasten- en monnikenverblijven, badhuizen, een school, smidse, bakkerij, brouwerij, latrinen, hospitaal, een palts voor de abt, voorraadschuren, stallen voor o.a. varkens, geiten, koeien en paarden, en bovendien een groentetuin, boomgaard en begraafplaats. Over de vraag voor wie en met welke bedoeling het plan gemaakt is, woedt al decennia lang debat. Wel is men het erover eens dat het een ideaalplan is, dat nooit is verwezenlijkt. Kloosters waren essentieel voor de ontwikkeling van de volgende fase van de Westerse architectuur: het romaans. Hoofdstuk 4: De middeleeuwen I: het romaans St. Michaël vanuit het zuidoosten, Hildesheim, Romaans is een kunsthistorische term die wordt gebruikt om de Europese architectuur en beeldende kunst aan te duiden die ontstond tussen 1000 en Het verwijst naar de heropleving van Romeinse bouwtechnieken die in deze periode plaatsvond, waarbij het gebruik van ronde bogen gezien wordt als kenmerkend. De term werd aanvankelijk toegepast op de architectuur van 500 tot 1200, maar tegenwoordig noemt men de kunst van vóór 1000 doorgaans preromaans (of Karolingisch, Visigotisch of Longobardisch etc.). Ook onderscheidt men een vroege en een late fase, die overgaat in de (vroege) gotiek. Hoewel het romaans een Europese stijl was, waren er regionale verschillen die voortvloeiden uit lokale tradities en omstandigheden. Tegelijkertijd was er sterke onderlinge beïnvloeding, mede veroorzaakt door de pelgrimage die leidde tot toenemende mobiliteit van o.a. vaklieden. Na de dood van Lodewijk de Vrome in 840, viel het Frankische rijk in 3 delen uiteen: het West-, Midden- en Oost-Frankische rijk. Geleidelijk verzwakte de macht van de Karolingische heersers en in 924 kwam de dynastie ten einde. In dezelfde periode vonden in Europa invallen plaats van Noormannen en Hongaren, die grote schade toebrachten. Vanaf midden 10de eeuw is er herstel: uit het Oost-Frankische rijk ontstond het Heilige Roomse Rijk, dat Duitsland, de Nederlanden en Noord-Italië omvatte. Hier vestigden Saksische koningen een krachtig centraal gezag ( ) en deze Ottonen werden tot keizers gekroond. Net als hun voorgangers gebruikten de Ottonen architectuur als uitdrukking van hun macht. Tot de imposante kerken uit deze periode hoort de St. Michael in Hildesheim, gebouwd in opdracht van bisschop Bernward, mentor van keizer Otto III. De kloosterkerk is in 1010 begonnen en rond 1033 voltooid en heeft twee transepten en koren. In het schip wordt de lichtbeuk gedragen door een alternerend stelsel: twee ronde zuilen afgewisseld met een vierkante pijler. Het schip beslaat vijf vierkanten, waarvan twee in de kruisingen, ieder bekroond met vierkante kruisingstorens. De zijbeuken volgen hetzelfde schema, maar zijn 2/3de breed en eindigen aan de oostzijde in apsiden. De transepten hebben aan beide zijden een ronde traptoren. De kerk is na WO II gerestaureerd. De kapitelen uit de tijd van Bernward hebben een kubusvorm met afgeronde hoeken. Opvallend is dat het koor aan de westzijde is uitgebouwd met een diepe, rondgesloten hal boven een crypte, omgeven met een ambulatorium. Hier werd in 1033 bisschop Bernward bijgezet. Dit uitgebouwde westkoor neemt hier de plaats in van een westwerk, typisch voor keizerlijke kerken. Een echt westwerk is te vinden aan de Dom van Hildesheim, waarvan de 24

25 oudste delen dateren uit 872. Hoe dit er uitzag is onduidelijk, het huidige westwerk is een reconstructie van na WO II. Gedacht wordt dat de beroemde bronzen deuren van Bernward oorspronkelijk hier zaten, inplaats van in de St. Michael. De deuren zijn ca. 4,5 m hoog en tonen scènes uit het oude en nieuwe testament, typologisch met elkaar verbonden: bijvoorbeeld zondeval naast kruisiging (verlossing). De grootste keizerlijke kerk is de Mariendom in Speyer, gebouwd in opdracht van Koenraad II, eerste keizer van de Salische dynastie die de Ottoonse opvolgde. Behalve als uitdrukking van macht was de kerk hun laatste rustplaats. Koenraad II werd er als eerste in 1039 begraven, lang voor de wijding van de kerk in Onder Koenraads kleinzoon, Hendrik IV, werd de kerk herbouwd en uitgebreid. Dit Speyer II was in 1106 voltooid en mat ca. 134 bij 43 m, met een interne hoogte van 33 m. De kerk is later grondig verbouwd, het laatst in de 19de eeuw. Over Speyer I is nog veel onduidelijk, maar wel is bekend dat het schip een houten dak had, terwijl de zijbeuken voorzien waren van kruisgraatgewelven. Deze Romeinse overwelvingtechniek bleef in Italië bewaard, maar raakte in het Noorden vrijwel verloren, tot de Paltskapel in Aken, waar het ambulatorium kruisgraatgewelven heeft. Kruisgraatgewelven werden rond ook aangebracht over het schip in Speyer II. Ook de crypte waar de keizers begraven werden, met 850 m2 de grootste in Europa, heeft kruisgraatgewelven. Als keizerlijke kerk heeft Speyer ook een westwerk, waarvan het huidige exterieur dateert uit de 19de eeuw. In Nederland zijn twee voorbeelden van westwerken te vinden in Maastricht: de St. Servaas en de Onze Lieve Vrouwekerk. De St. Servaas gaat terug tot de 4de eeuw, maar het huidige gebouw dateert uit de 11de eeuw. In 2de helft van de 12de eeuw werden westwerk en koor gewijzigd. Het westwerk kreeg o.a. een keizerzaal (keizerlijk verblijf), uitdrukking van de band met keizer Frederik Barbarossa ( ) en de rijksonmiddelijke status (direct onder het gezag van de keizer) van de kerk. Een ander keizerlijk element is de dwerggalerij om het koor van de St. Servaas, die teruggaat op die van de Kaiserdom in Speyer. De dwerggalerij werd in Maastricht gebruikt voor het tonen van relieken, in Speyer vertoonde de keizer zich er mogelijk aan het volk. De oudste bekende dwerggalerij is te vinden aan het westkoor van de dom in Trier, die teruggaat op een stichting van Constantijn de Grote. De bogen zijn hier nog niet met elkaar verbonden. Dwerggalerijen bestaan in 2 varianten: met haakse tongewelven in elke boog of met doorlopend tongewelf, en komen in de romaanse bouwkunst vrijwel alleen in het Duitse rijk voor, inclusief Noord- en Midden-Italië. Een van de oudste kerken in Milaan is de San Ambrogio, eind 4de eeuw gesticht door S. Ambrogio, Milaans eerste bisschop, die er zelf is begraven. De huidige kerk dateert van eind 11de eeuw, mogelijk met delen uit de 9de eeuw. De koorapsis heeft een dwerggalerij die net als die in Trier bestaat uit losse boognissen, in groepjes van 3 gescheiden door lisenen. Aan de westzijde heeft de kerk een atrium, dat volgens een inscriptie in 1098 voltooid zou zijn. Het is in WO II sterk beschadigd en daarna gerestaureerd. De kerk werd door zowel monniken als kannuniken gebruikt, die ieder een toren kregen: de monniken in 9de eeuw (zuid) en de kannuniken in 1144 (noord). Aan de oostzijde van het atrium zit een narthex, met erboven een tribune met 5 opklimmende bogen, waarop een stenen kruis. Deze vorm is mogelijk afgeleid van de rijkskroon en verwijst opnieuw naar het keizerschap: kerk en klooster waren na een periode van verval opnieuw gesticht en in 789 bevestigd door Karel de Grote. De westgevel van de S. Michele in Pavia (ten zuiden van Milaan) vertoont een vergelijkbaar schema. Pavia was lang hoofdstad van het Lombardische rijk en in de S. Michele zijn de keizers Hendrik II en Frederik gekroond. Beide kerken zijn rijk gedecoreerd met beeldhouwwerk, gemaakt door Lombardische steenhouwers, die al in de 7de eeuw werden aangeduid als Magistri Comacini, mogelijk verwijzend naar de stad Como. In hun beeldhouwwerk zitten motieven uit allerlei cultuurgebieden: o.a. Germaans, Keltisch, Byzantijns en Armeens. De namen van de meesters zijn onbekend, maar hun steenhouwersmerken zijn overal in Europa gevonden: een fenomeen dat corrente comasca (golf uit Como) genoemd wordt. Het schip van de Sant Ambrogio is gedekt met kruisribgewelven. Over de datering is debat, maar waarschijnlijk zijn ze van rond 25

26 , waarmee ze tot de vroegst bekende horen. Voordeel is dat grote oppervlakten veiliger overwelfd kunnen worden en dat ze lichter zijn, nadeel dat de kruisribben hoger worden dan de scheibogen tussen de traveeën, waardoor het aparte koepel-achtige compartimenten worden met weinig ruimte voor vensters. In Normandië, waar de Vikingen zich hadden gevestigd, experimenteerden bouwmeesters met hetzelfde overwelvingssysteem. Hertog Willem de Veroveraar claimde na de dood van de Engelse koning Edward de Belijder de Engelse troon, die naar Harold II ging, een neef van Edward. Hierop stak Willem met een leger over naar Engeland en toen Harold sneuvelde in de slag bij Hastings (1066), werd hij koning. De Normandische heersers droegen hun status o.a. uit met de bouw van kastelen en kerken, zoals in Durham, waar een burcht en kathedraal staan, de laatste een van de grootste romaanse kerken ooit gebouwd. De bouw begon in 1093 aan de oostzijde, de gewelven over het schip werden van ca tot 1135 aangelegd, volgens een nieuwe methode: de vierdelige kruisribgewelven worden beurtelings ondersteund door pijlers en zuilen. De pijlers dragen scheibogen, boven de zuilen eindigen de kruisribben in de muur van de galerij. Hierdoor ontstaan tussen de pijlers dubbele vierdelige kruisribgewelven. De scheibogen zijn spits, wat voldoende ruimte geeft voor vensters. In de door Willem de Veroveraar gestichte abdijkerk van St. Etienne in Caen paste men weer een andere oplossing toe: zesdelige kruisribgewelven. Een voordeel hiervan is dat het een lichte constructie is, die in de vroege gotiek een belangrijke rol zou spelen. De kruisingstoren heeft nog deels het originele gewelf: een structuur van acht ribben rondom een cirkel, die met elkaar een ster vormen. De eerste abt kwam uit Lombardije: Lanfranco van Pavia, later bisschop van Canterbury. Vaak is gewezen op Lombardische invloed, o.a. in de gevel, die net als de Sant Ambrogio in Milaan twee torens heeft, maar de oorsprong van het kruisribgewelf is onduidelijk. Tot de mogelijke bronnen hoort de architectuur van islamitisch Spanje, waar o.a. in de Mezquita in Cordoba ribbenkoepels zijn toegepast die dateren uit de 10de eeuw, maar ook de Byzantijnse bouwkunst kan tot voorbeeld gediend hebben. Rond 1200 was Spanje weer voor de helft in christelijke handen. Dit was mede te danken aan de pelgrimage naar Santiago de Compostela. De apostel Jacobus was in Judea onthoofd en naar Spanje gebracht, waar hij in Galicië zou zijn begraven. Volgens de legende werd zijn lichaam na een lichtschijnsel in ca. 818 door een kluizenaar gevonden. Koning Alfonso II van Asturië liet er een kerkje bouwen, dat in 872 vervangen werd door een grote basiliek. Santiago ontwikkelde zich tot een belangrijk pelgrimsoord en overal ontstonden pelgrimsroutes. Het werd een soort industrie, waar kerken en kloosters een graantje van trachtten mee te pikken door zoveel mogelijk relieken te verzamelen. Hoofddoel bleef de schrijn van St. Jacobus in Santiago. De huidige kerk verving vanaf 1075 de eerdere, die verwoest was door Al Mansur, en werd in 1128 ingewijd. Achter de barokke voorgevel uit de 18de eeuw bevindt zich de portico de la Gloria, een hoogtepunt van laat-romaanse sculptuur van meester Matteo. Het timpaan toont in het midden Christus als rechter bij het laatste oordeel. Hieronder staat een pilaar met St. Jacobus, met aan het basement aan de binnenzijde mogelijk meester Matteo zelf, van wie wordt aangenomen dat hij in Zuid-Frankrijk was opgeleid. De relatie met Frankrijk komt ook naar voren de St. Sernin in Toulouse, de grootste van de vijf pelgrimskerken. Ze dateren uit dezelfde periode en hebben een vergelijkbare plattegrond: een Latijns kruis met een diep koor, uitstekende transeptarmen en twee torens aan de westgevel. Ze zijn rijk voorzien van beeldhouwwerk, dat zich concentreert rond de portalen, zoals bij de Ste. Foy in Conques, waar boven het westportaal een timpaan zit waarop het laatste oordeel is afgebeeld, met sporen van de originele beschildering. Aan de oostzijde hebben de pelgrimskerken aan de transeptmuren en het koor apsiden, rond het koor kapellenkrans genoemd, die openen naar een ambulatorium dat de hele kerk omgaat. Zo konden de pelgrims naar het reliek in de crypte of het koor geleid worden, waarna ze langs de andere kant de kerk weer uit konden. De zijbeuken van de pelgrimskerken zijn gedekt met kruisgraatgewelven, maar het schip heeft een tongewelf met schei- of gordelbogen. Dit gewelftype werd al toegepast door de Romeinen, 26

27 Cluny III, virtueel model van de kerk maar de techniek was in het Noorden verloren gegaan. Een van de vroegste tongewelven is te vinden in Noord-Spanje in de Sta. Maria de Naranco uit de 9de eeuw, gebouwd als buitenverblijf van koning Ramiro I van Asturië. De 11de eeuwse abdijkerk van St. Philibert in Tournus (Bourgogne) bezit de vroegste Franse tongewelven. De westgevel met twee torens doet Lombardisch aan. Hier zit een kapel gewijd aan St. Michaël, gedekt met een tongewelf met gordelbogen. In het schip is een ander tongewelf toegepast: haaks rustend op boogstellingen. De bouwmeester is onbekend, maar hij liet zich vermoedelijk leiden door het voorbeeld van de tweede abdijkerk van Cluny. Representatief gebouw: de abdijkerk van Cluny Kloosters werden in de loop van de 9de eeuw steeds meer instrumenten van adellijke heren. Dit leidde in de 10de eeuw tot een hervormingsbeweging, vanuit de abdij van Cluny, in 909 gesticht door Willem I van Aquitanië. Onder bekwame abten groeide Cluny uit tot de belangrijkste kloosterorde van Europa, met eind 12de eeuw, ca dochterkloosters. Door hun contacten met de Paus en andere heersers, werden de abten hoofdrolspelers op het Europese politieke toneel. Het hoofdklooster lag in Bourgondië, tussen Dijon en Lyon. De eerste abdijkerk werd tweemaal vervangen door een grotere: Cluny I was een eenvoudig, zaalvormig gebouw, Cluny II een kerk in de vorm van een Latijns kruis, met narthex en kruisingstoren en, mogelijk, tongewelven, Cluny III was bij voltooiing in 1130, inclusief narthex, ca. 187 m lang, met een transeptbreedte van ca. 77 m en gewelven in het schip van ruim 30 m hoog. Vorm en afmetingen werden bepaald door de liturgie, er vonden continu missen en processies plaats. De kerk is in de Franse revolutie onteigend en daarna als steengroeve gebruikt. De resten zijn tussen 1927 en 50 uitgegraven door de Amerikaanse kunsthistoricus Kenneth Conant ( ). In Cluny III werden de nieuwste bouwtechnieken toegepast. Het schip had dubbele zijbeuken die in hoogte opklommen, zodat elke beuk licht ontving van eigen vensters. Het spitse tongewelf werd gesteund door luchtbogen. De kerk had twee transepten, aan de oostzijden voorzien van kapellen. Op de kruisingen stonden torens, met bovendien nog 2 octagonale torens aan de noord- en zuidzijde. De westkant had ter weerszijden van de narthex ook torens. Het halfronde koor had een kapellenkrans en een lichtbeuk bekroond met een halfkoepel. In het interieur 27

28 Vézelay, St. Madeleine, ca , schip richting het (latere) gotische koor hadden de arcaden van het schip spitse bogen. Over de oorsprong van spitsbogen is discussie: de vorm ontstaat vanzelf bij kruisribgewelven en bij overlappende bogen, zoals bijvoorbeeld aan de kathedraal van Monreale op Sicilië, dat door de Normandiërs veroverd was op de Arabieren. Er ontstond een mengkunst van Byzantijns, Normandisch en Moors, met de kathedraal van Monreale ( ) als hoogtepunt. Maar de spitsboog verschijnt in de Islamitische architectuur al eerder, zoals in de Al Aqsa moskee in Jeruzalem uit de eerste helft van de 11de eeuw. Fontenay (Bourgogne), Cisterciënzer abdij, Fontenay (Bourgogne), Cisterciënzer abdij, , kloostergang Twee kerken kunnen een indruk geven van het interieur van Cluny III: de St. Madeleine in Vezelay en de St. Lazare in Autun. Een idee van het torenmassief geeft de kathedraal van Doornik en van de wandschilderingen geeft de Cluniacenzer priorij in Berzé la Ville een indruk. Gedacht wordt dat ze gemaakt zijn door kunstenaars uit Byzantium. Van het beeldhouwwerk van Cluny III is weinig overgebleven. De stijl van Cluny had echter grote invloed en verspreidde zich over heel Europa. Op de extravagantie van kerkgebouwen en de rijkdom van de kloosters kwam een reactie met de Cisterciënzer beweging, in 1098 gesticht door Robert de Molesme die met zijn volgelingen een abdij bouwde in Citeaux, waar men terugkeerde naar de strenge regel van Benedictus. In 1111 werd de Bernard van Clairvaux lid van de orde. Hij ontwikkelde zich tot de spirituele leider van het Westen en de Cisterciënzer orde werd een groot succes, met talloze kloosters in heel Europa. Ze lagen vaak in onontgonnen gebied en waren 28

29 streng en sober vormgegeven. Een van de best bewaarde is Fontenay, in 1118 door Bernard van Clairvaux gesticht. De onderdelen van het abdijcomplex zijn goed aanwijsbaar op de efficiënte plattegrond: de slaapzaal dicht bij de kerk, de keuken grenzend aan de refter, de ziekenzaal aan de rand van het complex etc. De architectuur is spartaans : de abdijkerk heeft geen toren en het koor is recht gesloten. Het interieur heeft een spits tongewelf met scheibogen. Haaks hierop liggen de spitse gewelven van de zijbeuken. Bernard van Clairvaux riep in 1146 op tot een tweede kruistocht om de kruisvaarders in het Heilige land te helpen. Hier verschansten ze zich in kastelen als het Crac des Chevaliers in Syrië, dat gebouwd werd door de emir van Aleppo, maar tijdens de 1ste kruistocht (1099) werd veroverd en daarna uitgebreid en versterkt. Militaire architectuur kwam in de 11de en 12de eeuw tot grote bloei, maar er zijn weinig kastelen uit die tijd bewaard gebleven. Tot de oudste in Nederland hoort de burcht in Leiden, een rond mottekasteel in tufsteen, eind 11de eeuw gebouwd ter vervanging van een houten burcht. De tweede kruistocht bracht hernieuwde belangstelling voor de heilige Grafkerk in Jeruzalem, die tussen 1027 en 1048 was herbouwd. De kerk werd vaak nagevolgd, zoals in Bologna waar een 11de eeuws exemplaar onderdeel is van een complex dat in de 5de eeuw gesticht werd door St. Petronius, eerste bisschop van de stad, wiens relieken werden bijgezet in een nabootsing van de Aedicula boven het heilig graf in Jeruzalem. De (octagonale) centraalbouw werd in Italië vooral toegepast bij baptisteria. Van het baptisterium in Parma is de bouwmeester bekend: Benedetto Antelami, die ook de figuren van de maanden van het jaar binnen heeft gemaakt. Het baptisterium in Firenze heeft een mozaïekkoepel die getuigt van de voortdurende Byzantijnse invloed op de kunst van de Westeuropese middeleeuwen. De 12de eeuwse kathedraal van Cahors, in Midden-Frankrijk (Midi Pyrénees), heeft bijvoorbeeld twee koepels op pendentieven van 32 m hoog (!), met een doorsnee van 16 m. Het is slechts een van de Byzantijns geïnspireerde kerkgebouwen in het voormalige Aquitanië. Venetië had van oudsher nauwe banden met het Byzantijnse Rijk, wat ook naar voren komt in de architectuur van de San Marco. De geschiedenis van de kerk begon in 828 met de roof van de relieken van San Marco uit een klooster in Alexandrië door Venetiaanse kooplieden. In 1063 begon de bouw van de huidige kerk, waarvan de plattegrond mogelijk gebaseerd is op de verdwenen kerk van de Heilige Apostelen in Constantinopel. Het uiterlijk van de San Marco is echter later veranderd: de oorspronkelijke koepels waren lager en Byzantijnser, terwijl de portalen een romaanse vorm hadden. Het interieur werd van mozaïeken voorzien, in de kerk door Byzantijnse kunstenaars en in de 13de eeuwse narthex door lokale kunstenaars. De San Marco in Venetië was een van de kerken die volgens de monnik Raul Glaber vanaf het jaar 1000 Europa als een witte mantel bedekten. Mede dankzij de toegenomen mobiliteit waren de steden in opkomst, ten koste van de kloosters en de feodale heren. Tegen deze achtergrond ontstond in Frankrijk rond 1140 een nieuwe stijl: de gotiek. Hoofdstuk 5: De middeleeuwen II: gotiek Net als romaans is gotiek een kunsthistorisch begrip, geïntroduceerd door de 16de eeuwse Italiaanse schilder/kunsthistoricus Giorgio Vasari om de barbaarse kunst van het Noorden aan te duiden. Wanneer de gotiek ontstaat is omstreden, net de ontwikkeling van de stijl. De term wordt vooral gebruikt voor architectuur, maar ook de andere kunsten van de late middeleeuwen worden ermee aangeduid. De gotische architectuur verspreidde zich vanuit Frankrijk over heel Europa. Lokale bouwtradities en omstandigheden speelden hierbij een grote rol en leidden tot allerlei regionale varianten. 29

30 Abdijkerk St. Denis, oorspronkelijke toestand na bouw westgevel & nieuwe koor, ca door abt Suger Laon, kathedraal Notre Dame, De gotiek begon officieel met de abdijkerk van St. Denis, ten noorden van Parijs, in de 7de eeuw gesticht door koning Dagobert I van Frankrijk ( ), die er werd begraven. De kerk was gewijd aan Sint Denis, de eerste bisschop van Parijs, die volgens de legende in 250 op Montmartre onthoofd was en met zijn hoofd onder zijn arm al prekend doorliep tot hij de geest gaf. Op deze plaats verrees een schrijn die zich later ontwikkelde tot de abdij, die diende als begraafplaats van de Franse koningen. De kerk werd tussen c en 1150 verbouwd in opdracht van abt Suger, de voornaamste adviseur van koning Lodewijk VI en diens zoon Lodewijk VII. Deze koningen van het huis Capet streden met de feodale heren om de macht in Frankrijk, waarin ze werden gesteund door Suger. Mede als uitdrukking van dit machtsstreven, besloot Suger de kerk die de monarchie symboliseerde een nieuw aanzien te geven. Spitsbogen, steunberen, luchtbogen en kruisribgewelven werden al eerder toegepast, o.a. in Cluny III en in Normandië, en ook voor gotische roosvensters zijn precedenten, b.v. in de preromaanse architectuur van Spanje. In het nieuwe koor van St. Denis versmolten deze elementen met elkaar tot een raamwerk voor voorstellingen van gekleurd licht (glas in lood). Dit hing samen met de lichttheologie van abt Suger, waarin God gelijkgesteld werd aan licht, gebaseerd op 6de eeuwse teksten toegeschreven aan Dionysius de Areopagiet, een volgeling van de apostel Paulus, die verward werd met St. Denis. Suger wilde dit tot uitdrukking brengen in zijn kerk, die hij zag als toegang tot de hemel. Hij moet geassisteerd zijn door een bekwame bouwmeester, bekend met recente ontwikkelingen. De gotiek was een groot succes, rond Parijs verrezen spoedig kathedralen en kerken in de nieuwe stijl. Hiervan is de kathedraal van Sens de oudste, begonnen in De bouwmeester was Guillaume de Sens, die later mogelijk de bouw van de kathedraal van Canterbury leidde. Het schip werd gedekt met 6-delige kruisribgewelven, zoals ook gebruikt in de romaanse St. Etienne in Caen. Tot de vroege gotische kathedralen hoort ook de Notre Dame in Laon, die een eerdere kerk verving die in 1112 was afgebrand. De nieuwbouw begon rond 1155 en de Notre Dame van Laon wordt gezien als hoogtepunt van de eerste fase van de gotiek. Net als Sens heeft de kathedraal zesdelige kruisribgewelven over het schip. De bouw begon met het rondgesloten koor, dat ca voltooid was. Hierna volgde het schip tot 1205 en kreeg het koor een rechthoekige sluiting, mogelijk onder Engelse invloed. De opstand toont een paar innovaties: in plaats van drie etages heeft Laon er vier: arcade, triforium (loopgang met boogjes) galerij en lichtbeuk. Nieuw is ook dat de arcade volledig rust op zuilen, waarboven kolonetten (halfzuiltjes) de ribben steunen. Bijzonder in Laon is het aantal torens: inclusief de kruisingstoren vijf, maar het hadden er zeven moeten worden. Wellicht was de romaanse kathedraal van het nabij gelegen Doornik het voorbeeld, de bisschop van Laon was hier ook bisschop. 30

31 Ook de kathedraal van Chartres had meer torens moeten krijgen, minstens acht. Dit aantal wordt verklaard met het idee dat een kathedraal het hemels Jeruzalem voorstelde. Chartres is een van de best geconserveerde gotische kerken van Frankrijk en markeert de volgende fase. De romaanse voorganger, begonnen in 1134, werd grotendeels verwoest bij een brand in 1194, maar het belangrijkste reliek, de tuniek van de heilige maagd, werd gered en dankzij dit wonder stroomde uit heel Europa geld binnen voor de herbouw van de kathedraal, die in 1260 werd ingewijd. De plattegrond van Chartres doet denken aan de pelgrimskerken, de fundamenten van de oude kerk werden gevolgd en de crypte bleef grotendeels bewaard. De kerk werd gedekt met 4-delige kruisribgewelven en de opstand heeft drie delen: arcade, triforium en lichtbeuk. Voordeel hiervan is dat de vensters van de lichtbeuk hoger zijn. Wel werden buiten zware steunberen en luchtbogen aangebracht. Chartres is beroemd om het gebrandschilderd glas: ca. 175 ramen, bij elkaar ca m2. Hierin worden verhalen uit de bijbel verteld en zitten motieven als de maanden van het jaar of de tekens van de dierenriem. Het beeldhouwwerk rond de portalen bevat soortgelijke motieven. Dit had een educatieve functie voor de analfabete massa van gelovigen. In Chartres zijn romaanse portalen bewaard van vóór de brand van 1194 met zogenaamde statues colonnes: gestileerde beelden die integraal onderdeel zijn van de architectuur. In de latere portalen komen ze geleidelijk los en worden ze naturalistischer. Deze ontwikkeling zet zich in gotiek voort, maar vrijstaande beelden blijven relatief zeldzaam. Als koninklijke hoofdstad kon Parijs niet achterblijven en in 1160 werd de bestaande kathedraal vervangen door een nieuwe in gotische stijl: de Notre Dame. Rond 1250 was de westgevel voltooid en begon men aan de verbouwing van het transept in rayonnante stijl. De kerk werd meermalen gewijzigd en vergroot: zo werden de rozetten van het triforium verwijderd ten gunste van hogere vensters in de lichtbeuk, waardoor de daken van de galerijen werden verlaagd en de luchtbogen verlengd. Het transept werd rond 1250 verlengd en eind 13de eeuw begon de bouw van nieuwe kapellen rond de hele kerk. Tot de hoogtepunten van de Notre Dame in Parijs horen de roosvensters; dat in het noordelijke transept bleef het best bewaard. Het is uitgevoerd in rayonnante stijl, met motieven gebaseerd op cirkels, dat maaswerk genoemd wordt. Aan de westgevel zit een koningsgalerij, met de koningen van Judea en Israël, die tijdens de Franse revolutie onthoofd zijn en in de 19de eeuw door Viollet le Duc werden gerestaureerd. De gotische kathedraal, terminologie plattegrond 31

32 Kathedraal, terminologie opstand Franse koningen staan in de koningsgalerij van de kathedraal van Reims, waar ze gekroond werden. Ze maken deel uit van het grootste ensemble van gotische sculptuur in Frankrijk. De kerk verving een Karolingische voorganger die door brand was vernietigd. Dankzij een inscriptie zijn de bouwmeesters bekend: Jean d Orbais, Jean-Le-Loup, Gaucher de Reims en Bernard de Soissons. Net als Laon en Chartres had de kerk meer torens moeten krijgen, mogelijk tien, maar bij een brand in 1481 gingen de transepttorens verloren en de westelijke torens zijn nooit voltooid. Met een lengte van ca. 140 m en een gewelfhoogte van bijna 39 m getuigt de kathedraal van de tendens in de Franse gotiek naar steeds hoger en groter. Representatief gebouw: de volmaakte kathedraal van Amiens Een hoogtepunt werd bereikt in de kathedraal van Amiens, met 145 m lengte, 43 m hoogte en een inhoud van m3 de grootste van Frankrijk. De kathedraal verving een voorganger die door brand in 1218 verwoest was. In 1220 begon de nieuwbouw van het schip onder leiding van Robert de Luzarches, in 1222 opgevolgd door Thomas de Cormont en in 1228 door diens zoon Renauld de Cormont, onder wie de kathedraal in 1288 voltooid werd. De kathedraal van Amiens wordt vaak beschouwd als volmaakt, maar toch bleek eind 15de eeuw dat de luchtbogen van het koor te hoog zaten en dreigden in te storten. Ze werden aan de zuiden noordzijde voorzien van extra bogen. Ook ontstonden scheuren in de kruisingspijlers en om erger te voorkomen legde men over het triforium een ketting van ijzer om de kerk. De plattegrond van Amiens dient om de onderdelen van gotische (en andere) kerken te benoemen. Voor de opstand wordt een doorsnede van de kathedraal van Noyon gebruikt, omdat die vierdelig is en dus zowel triforium als tribune of galerij bevat. Voor de bouwtechniek zijn we aangewezen op afbeeldingen; bouwkundige kennis werd oraal overgedragen. Het schetsboek van Villard de Honnecourt, mogelijk een meestermetselaar, bleef bewaard en bevat tekeningen van kranen, houtconstructies en kerken die hij bezocht zou hebben. Gewelven werden geconstrueerd op houten bogen die verplaatst konden worden, steigers zaten in gaten in de muren, men gebruikte kranen die op de gewelven stonden, soms 32

33 met tredmolens aangedreven. Maten en vormen van de steenblokken werden met mallen afgetekend en daarna in de benodigde aantallen gehakt, zodat ze op de bouwplaats alleen nog geassembleerd hoefden te worden. Muren waren gemetseld van steen of baksteen, gevuld met puin, en grote blokken werden met ijzer en lood verankerd. Voor ramen en wimpergen (bekroningen van gevels of portalen) maakte men 1:1 tekeningen waarop men de delen uitlegde alvorens ze te plaatsen. Op het dak van de kathedraal van Clermont-Ferrand bleef er een bewaard. Het bouwbedrijf was afhankelijk van de capaciteiten van de bouwmeesters, die een hoge status genoten en soms in hun kerken begraven werden. Ze gaven leiding aan bouwhutten, die functioneerden als opleidingscentra vanwaar vaklieden uitwaaierden naar andere bouwplaatsen. De lange bouwtijd van kathedralen was vooral het gevolg van het opdrogen van de geldstroom, die afhankelijk was van de goedgevigheid van gelovigen, de rijkdom van bisschoppen en de gunst van adellijke heren. De kathedraal van Amiens kon relatief snel gebouwd worden dankzij de welvaart van de stad, die een bloeiende lakenververij had. Ook Amiens heeft veel sculptuur, vooral aan de westelijke façade. Boven het centrale portaal zit zoals gebruikelijk in het timpaan een laatste oordeel. Op de onderste zone zitten de tekens van de dierenriem en de maanden van St. Chapelle, Parijs, het jaar etc.. Op basis van sporen kon men de kleuren reconstrueren. s-zomers worden ze na zonsondergang met laserlicht op de façade geprojecteerd. Kleur is ook alom aanwezig in de Sainte Chapelle in Parijs. De kapel was deel van de Koninklijke burcht aan de Seine en werd gebouwd in opdracht van Lodewijk IX, de Heilige ( ), die in 1239 o.a. de doornenkroon kocht van zijn neef Boudewijn II van Vlaanderen, toen keizer van het Latijnse rijk in het heilige land. Het reliek werd in processie naar Parijs gebracht en de koning liet een stenen schrijn bouwen om het te huisvesten. Het ontwerp is toegeschreven aan Pierre de Montrieul ( ), die o.a. de façade van de Notre Dame voltooide, maar dit wordt betwijfeld. Het gebouw heeft 2 verdiepingen: een onderkapel voor het personeel en een bovenkapel voor de koning, zijn familie en het hof. De stijl is rayonnant, de wanden vormen een fragiel skelet voor het glas in lood. Met Amiens en de St. Chapelle was de grens van de gotiek bereikt. De kathedraal St. Pierre in Beauvais, die met 48 m gewelfhoogte Amiens overtreft, is dan ook nooit voltooid. In

34 stortten de gewelven in, waarna men ze weer opbouwde, met extra zuilen en nieuwe 6-delige kruisribgewelven. Tussen 1500 en 1548 volgde het transept en hierna begon de bouw van de 153 m hoge kruisingstoren, die in 1573 instortte. Toen kwam de bouw stil te liggen. De gewelven worden tegenwoordig met stalen en houten spanten bij elkaar gehouden. De doorsnede van Beauvais wijkt af: in plaats van een hoog schip geflankeerd door dubbele zijbeuken van gelijke hoogte, klimmen de zijbeuken op in hoogte. Dit is afgeleid van de kathedraal van Bourges. De St. Etienne in Bourges, gebouwd tussen ca , wijkt op meer punten af: er is geen transept en het hoogteverschil tussen schip en zijbeuken verloopt in 2 trappen, waardoor meer licht tot het schip doordringt. Ook de westgevel verschilt: de vijf beuken hebben elk een eigen portaal. Het koor heeft piepkleine kapelletjes i.p.v. echte straalkapellen. De bouwmeester is onbekend, maar hij lijkt verschillende motieven gecombineerd te hebben: de oplopende opstand van Cluny III, de plattegrond van Parijs etc. In Frankrijk is dit nauwelijks nagevolgd, maar in Spanje zijn veel kerken gebaseerd op Bourges, zoals de kathedraal van Toledo, gebouwd op de plaats van een afgebroken moskee. De eerste steen werd in 1226 gelegd en wellicht werd de omtrek nog bepaald door de moskee, maar opstand en kooromgang volgen het model van Bourges. De eerste bouwmeester was meester Martin, mogelijk afkomstig uit Frankrijk. Zijn opvolgers waren Spaans, maar het model van Bourges werd maatgevend voor de gotiek in Spanje: o.a. Segovia, Salamanca, Granada en de grootste gotische kerk ter wereld in Sevilla. De kathedraal is net als in Toledo gebouwd op de plaats van de moskee, waarvan delen bewaard bleven. De kerk beslaat een blok van ruim 173 bij 148 m, met een oppervlakte van ca m2. Anders dan Bourges heeft de kerk een transept, dat echter niet uitsteekt. Er zijn talloze kapellen, koren, patio s, kapittelzalen en kanunnikenkloosters, typisch voor Spaanse kerken. Onder de kruising ligt het koor, dat, zoals gebruikelijk in Spanje, in tweeën gedeeld is, met in het oosten het hoofdaltaar en in het westen het koorgestoelte. Hiertussen verheft zich tot 35,5 m hoogte de kruising, met extravagante netgewelven, waarin Moorse invloeden te bespeuren zijn. Op de navolging van Bourges zijn in Spanje twee belangrijke uitzonderingen: de kathedralen van Burgos en Leon. Bij beide waren Franse bouwmeesters betrokken en ze volgden het model van Reims, al hebben de kerken ook Spaanse trekken zoals de aanbouwsels en de tweedeling van het koor. De kathedraal van Burgos kreeg 1417 een nieuwe westgevel in flamboyante stijl, ontworpen door een Duitse bouwmeester: Juan de Colonia, die in Keulen had gewerkt aan de Dom. Hoewel niet de eerste gotische kerk in Duitsland, is de Dom van Keulen wel de grootste en hoogste. De kerk verving een Karolingische voorganger en de bouwmeester Gerhard von Rile was vermoedelijk van Franse afkomst. De bouw vorderde traag en kwam in de 16de eeuw stil te liggen. Pas in de 19de eeuw werd de Dom na een landelijke inzamelingsactie, naar de originele plannen in 1880 voltooid. De kathedraal is gebaseerd op die van Amiens, ook in afmetingen en verhoudingen, 144 m lang en 43 m hoog in het interieur. De opengewerkte spitsen van de enorme (150 m hoge) torens zijn een Duitse innovatie. Gebruikelijker in Duitsland is de Hallenkerk, met zijbeuken van gelijke hoogte als het schip. Het type ontwikkelt zich al in het romaans en als vroegste gotische voorbeeld geldt de Elizabethkirche in Marburg. In Hallenkerken komt veel licht binnen en constructief zijn ze eenvoudiger: luchtbogen hoeven niet te worden aangebracht. In het noorden van Duitsland ontstond de baksteengotiek, met de Marienkirche in het voormalige Danzig als grootste voorbeeld. De baksteengotiek ontwikkelde zich rond 1250 in Lübeck en had vooral succes in de Hanzesteden. De Marienkirche in Danzig is een hallenkerk. Het witte interieur dateert van na de reformatie (1577). Bijzonder zijn de bakstenen netgewelven, de gotiek werd steeds extravaganter. De St. Vitus kathedraal in Praag heeft ook bijzondere gewelven. In opdracht van koning Karel IV, vanaf 1355 keizer, verving de kerk een romaanse voorganger. De eerste bouwmeester kwam uit Frankrijk: Matthias van Arras, wiens plaats in 1352 werd ingenomen door Peter Parler ( ). Onder hem en zijn zonen werd de bouw voortgezet tot de Hussietenoorlogen 34

35 ( ). Pas in 1929 is de kerk voltooid. Peter Parler was beeldhouwer zoals te zien is in de St. Vitus: gewelven hebben bijzondere vormen, de ribben komen los en worden decoratie. Een vergelijkbare ontwikkeling doet zich voor in Engeland, waar de gotiek ca arriveerde in het koor van de kathedraal van Canterbury, verbouwd o.l.v. William van Sens. Ondanks dit Franse begin ontwikkelde de Engelse gotiek zich anders: de kerken zijn laag en lang, vaak met dubbele transepten, een kruisingstoren en complexe gewelven, zoals in Winchester waar ze van hout zijn. Engelse gotiek kent een eigen indeling: early English, Decorated, en als laatste Perpendicular, dat samenvalt met Flamboyant, afgeleid van de vlam-achtige vormen van het laat-gotische maaswerk. De Frans-gotische stijl is in Italië het best vertegenwoordigd in de dom van Milaan, gebouwd o.l.v. Franse meesters: Nicolas de Bonaventure en Jean Mignot, die het model van Bourges volgden. De bouw begon in 1386 en kon pas na 6 eeuwen voltooid worden. Vaak wordt gedacht dat de gotiek in Italië nauwelijks voet aan de grond kreeg. De Italiaanse gotiek is echter sterk beïnvloed door locale bouwtradities, waardoor ze minder herkenbaar is. De stijl kwam naar Italië met de Cisterciënzers, de abdijkerk van Fossanova (tussen Rome en Napels) geldt als het vroegste voorbeeld. Opvallend is het roosvenster, dat als motief in Italië al voorkomt in het romaans, zoals aan de San Zeno in Verona (ca. 1145). De kerk volgt het traditionele basiliekmodel, dat in Italië de norm blijft. Veel gotiek is te vinden in Venetië: aan kerken, openbare gebouwen en woonhuizen, vaak van baksteen. De Franciscaner Frari-kerk is een vroeg voorbeeld. In deze periode kwamen de bedelorden op: Franciscanen en Dominicanen, die zich vestigden in de steden, waar ze kerken lieten bouwen in gotische stijl met Italiaanse trekjes zoals houten dakstoelen en grote kapellen aan de koorkant die door particulieren of gilden gesticht werden. Ook de hoofdkerk van de Franciscanen in Assisi is gotisch, met een Italiaanse losse campanile (toren) en relatief kleine vensters. Veel Franser is de gotiek van de (zuidelijke en noordelijke) Nederlanden. Ook in de Nederlanden begint de gotiek met de Cisterciënzers, waarvan de ruïne van de in 1145 vanuit Clairvaux gestichte abdijkerk van Villers getuigt. De kerk werd tussen 1210 en 1267 uitgebreid in gotische stijl, maar in de Franse Revolutie werd het klooster onteigend en verkocht aan een handelaar in bouwmaterialen. Beter bewaard bleef het gotische koor van de kathedraal van Doornik, dat beschouwd wordt als het belangrijkste gotische bouwwerk van de zuidelijke Nederlanden. De Brusselse St. Goedele kathedraal is eerder begonnen en doet door zijn westgevel met twee torens Frans aan. Haarlem, Sint Bavo, ca Dit geldt ook voor de Dom van Utrecht, de eerste gotische kerk in de noordelijke Nederlanden. De dom had verschillende voorgangers, waarvan de laatste in 1253 dusdanig werd beschadigd door een stadsbrand, dat men besloot tot de bouw van een nieuwe. Het is een Franse kathedraal met straalkapellen en gedacht wordt dat Gerard van Keulen bij de bouw betrokken was. Wel wijkt de westgevel af, in plaats van 2 torens, koos men voor 1 toren, die tussen gebouwd werd. Dit werd mogelijk ingegeven door plaatsgebrek, er stond namelijk nog een kerk op het terrein, de St. Salvator. Transept en schip werden tussen 1440 en 1517 gebouwd, maar in 1674 werd het schip door een tornado verwoest. Ondertussen verrees in Mechelen de toren van de St. Romboutskathedraal, het begin van wat Brabantse gotiek genoemd wordt. Hierbij speelt het steenhouwersgeslacht Keldermans 35

36 een belangrijke rol. Deze Mechelse familie had een groot werkgebied dat ook de noordelijke Nederlanden bestreek (o.a. Leiden, Middelburg, Veere, Alkmaar, Breda, Delft, Dordrecht). Ze werkten aan de bouw van de kathedraal van Antwerpen, met hun assistent Evert Spoorwater, die later betrokken werd bij de St. Bavo in Haarlem. Hier ontwierp hij de kruising en het transept, tussen 1445 en 1500 gebouwd. Het koor was omstreeks 1400 voltooid, ter vervanging van een oudere kerk die in 1370 door brand zwaar beschadigd was. Het schip werd in 1481 voltooid. De toren die Evert Spoorwater voorzien had aan de westgevel, is er nooit gekomen. Wel ontwierp Cornelis de Wael, bouwmeester in Utrecht, een kruisingstoren, waarvan de uitvoering in 1505 werd toevertrouwd aan Antoon I Keldermans. Toen bleek dat de kruisingspijlers het gewicht niet konden dragen, werd de toren afgebroken. Delen ervan zijn hergebruikt voor de toren van de nabijgelegen Bakenesserkerk. Op de kruising kwam nu een houten toren, vermoedelijk naar ontwerp van Michael Bartssoen. Aan de buitenkant van de Bavo is te zien dat het schip eigenlijk stenen gewelven had zullen krijgen: de aanzetten voor luchtbogen zijn aanwezig. In plaats hiervan kregen koor en schip houten net- en stergewelven: stenen gewelven waren te zwaar voor de slappe bodem. Andere Nederlandse kenmerken zijn het ontbreken van straalkapellen, enkele torens en een eenvoudige opstand, doorgaans in 2 delen (zonder triforium), en het gebruik van baksteen. Ook hallenkerken komen in Nederland veel voor. Een uitzondering op de regel is de grote kerk van Dordrecht, die tussen 1285 en ca is gebouwd. Ook hier waren Evert Spoorwater en Antoon I Keldermans bij de bouw betrokken en het werd een van de weinige Frans aandoende kerken in ons land: een koor met straalkapellen (Reims als voorbeeld), en stenen gewelven met luchtbogen. Gotische vormen werden ook toegepast in woonhuizen van rijke burgers. Een bekend voorbeeld is het paleis van de rijke koopman Jacques Coeur in Bourges. Hij stak een deel van zijn fortuin in een gotisch stadspaleis dat beroemd is om de beelden van figuren in vensters. Uiteraard bouwden ook vorsten paleizen in gotische stijl, maar de meeste hiervan zijn verdwenen of later gewijzigd naar de smaak van de tijd. Het best bewaard is het pauselijke paleis in Avignon, de stad waar ze tussen 1309 en 1377 verbleven. Behalve de residenties van de rijken werden ook openbare gebouwen in gotische stijl opgetrokken. In Nederland staat een van de mooiste gotische stadhuizen in Middelburg, ontworpen door leden van de Keldermansfamilie. Helaas werd het in WO II zwaar beschadigd. De gotiek is hier een complexe vorm van decoratie geworden. Veel soberder is de Schaufassade van het Rathaus van de oude hanzestad Stralsund, gelegen aan een zeestraat van de Baltische zee, een van de mooiste voorbeelden van Duitse Backsteingotik. Een ander beroemd voorbeeld van een gotisch stadhuis is het Palazzo Publico in Siena. Dergelijke indrukwekkende stadhuizen met torens die in hoogte die van de kathedralen naar de kroon staken, drukken het groeiende zelfbewustzijn van de steden uit. Dat geldt ook voor de zgn. Orsanmichele in Florence, gebouwd als korenbeurs, maar later een kerk voor de gilden. Rond 1399 droeg het stadsbestuur de gilden op het gotische gebouw te versieren met beelden, voor elk gilde een. Tot de beeldhouwers die een bijdrage leverden hoorde Donatello ( ), die wordt gezien als een van de pioniers van een nieuwe stijl: de renaissance, die ook grote gevolgen zou hebben voor de architectuur. Hoofdstuk 6: De renaissance Net als gotiek is de term renaissance (rinascimento) afkomstig van Giorgio Vasari. Hij duidde er de wedergeboorte van de kunst van de oudheid mee aan, die na de donkere middeleeuwen in de 13de eeuw in zijn geboortestad Florence begon. Dat de middeleeuwen donker waren, maar dat het licht dankzij de herontdekking van de oudheid weer zou gaan schijnen, was al betoogd 36

37 door de dichter Petrarca ( ). In 1860 werd de Italiaanse renaissance onderbouwd door de Zwitserse cultuurhistoricus Jacob Burckhardt, die het zag als het begin van de moderne tijd. Deze opvatting is recent genuanceerd. Ook elders in Europa deden zich nieuwe ontwikkelingen voor, en de breuk met het verleden was minder radicaal. De renaissance was een stedelijk fenomeen, het leven op het platteland ging nog lang op middeleeuwse voet door. Leon Battista Alberti (of Bernardo Rosselino), gevel Palazzo Ruccelai, Florence De Toscaanse stad Florence (Firenze) ontwikkelde zich in 14de eeuw dankzij de wolindustrie tot een van de rijkste steden van Europa. Hoewel een republiek, werd de stad geregeerd door rijke families als de Medici. Het was een van de stadstaatjes in Midden- en Noord-Italië, die elkaar economisch en cultureel hevig beconcurreerden. Soms nam de wedijver artistieke vormen aan en ging het om de mooiste en grootste kathedraal of stadhuis. Florence slaagde er in de 15de en 16de eeuw in, zijn gebied te vergroten, ten koste van o.a. Siena en Pisa, en uiteindelijk werden de Medici heersers van het hertogdom Toscane. Competitie heerste ook binnen de stadsmuren: rijke families betwistten elkaar de macht, gilden streden om privileges, kunstenaars troefden elkaar af. Maar ook hier was de wedijver vaak artistiek: wie liet de mooiste kapel inrichten of het mooiste palazzo bouwen? In dit klimaat ontstond de nieuwe renaissancestijl, die voortkwam uit de (her)oriëntatie op de cultuur van de oudheid die al in de 14de eeuw begon met de studie van antieke teksten. Hij manifesteerde zich eerst in de beeldhouwkunst, gevolgd door schilderkunst en architectuur, al bleef hier de traditie hardnekkig. Zo lijkt het Palazzo Medici-Ricardi, tussen 1444 en 1460 gebouwd, nog op middeleeuwse gebouwen als het Palazzo Vecchio (stadhuis) uit de 13de eeuw. Achter de gevel dragen de zuilen om het binnenhof echter Korinthische kapitelen en in de tondi boven de arcade zitten voorstellingen gebaseerd op antieke cameeën. Bij een van de palazzi die tussen 1444 en 1478 in Florence verrezen, is de invloed van de antieke Romeinse architectuur ook aan de buitenzijde zichtbaar. Het is ca gebouwd voor de bankiersfamilie Ruccelai. De gevel toont een basement met een superpositie van Dorische, composiete en Korinthische pilasterorden. De zuilen in de vensters onder de bogen dragen een architraaf. Het ontwerp wordt toegeschreven aan Leon Battista Alberti, een uomo universale die zich met vrijwel alle takken van wetenschap en kunst heeft beziggehouden. Zo schreef hij een traktaat over de schilderkunst de pictura (1463), waarin voor het eerst het gebruik van perspectief wordt beschreven, ontdekt door de edelsmid Filippo Brunelleschi. In 1401 deed Brunelleschi mee aan een wedstrijd voor nieuwe bronzen deuren voor het baptisterium, die gewonnen werd door zijn rivaal Lorenzo Ghiberti. Daarna reisde hij naar Rome, waar zijn belangstelling voor architectuur werd gewekt. Zijn eerste gebouw was het ospedale degli innocenti (weeshuis) in Florence, voor het zijdekopersgilde, waar ook de edelsmeden toe hoorden. Hij ontwierp o.a. de loggia met klassieke elementen als Korinthische kapitelen en pilasters in grijze steen, die contrasteerde met de witte pleistering van de gevel: pietra serena. In dezelfde periode voerde hij een experiment uit, waarmee hij aantoonde dat hij een methode had gevonden om ruimte weer te geven op een plat vlak. Het had grote gevolgen, ook voor de architectuur: het werd mogelijk om gebouwen perspectivisch correct 37

38 Leon Battista Alberti, Façade Sta. Maria Novella, , rechts plattegrond van de kerk Brunelleschi, Pazzi kapel, Florence weer te geven. Brunelleschi s beroemdste bouwwerk is de koepel van de kathedraal van Florence, die vanaf 1296 gebouwd werd ter vervanging van een 5de-eeuwse voorganger. Na de dood van bouwmeester Arnolfo di Cambio in 1302 vertraagde de bouw, tot in 1330 relieken van St. Zenobius ontdekt werden. Het wolkopersgilde nam het op zich de kathedraal te voltooien, olv. Giotto, die o.a. de campanile ontwierp. Toen de ruwbouw in 1418 klaar was, ontbrak alleen de koepel. In 1419 organiseerden de wolkopers een wedstrijd om de koepel te voltooien, waaraan Ghiberti en Brunelleschi deelnamen. De laatste won, maar Ghiberti moest toch een oogje in het zeil houden (tot woede van Brunelleschi). Over hoe hij het voor elkaar kreeg is veel discussie. Duidelijk is dat hij een raamwerk toepaste van ribben en ringen, waardoor de 2 schillen van de koepel in baksteen gebouwd konden worden, zonder steunberen en houtconstructies. De stenen lantaarn bovenop, ook van Brunelleschi, is postuum in 1461 voltooid. Inclusief lantaarn is de koepel ca. 114 m hoog, met een doorsnede van ca. 43 m, tot die van de nieuwe St. Pieter niet overtroffen. Hoewel gesuggereerd is dat Brunelleschi zich liet inspireren door het Pantheon, verschilt zijn koepel daar sterk van: dubbelwandig i.p.v. massief, baksteen i.p.v. beton, achthoekig i.p.v. rond. Het belangrijkste verschil is dat de vorm is gebaseerd op spitsbogen, conform het gotische karakter van de kerk. Ook de onvoltooide gevel was gotisch en werd eind 16de eeuw verwijderd. Pas tussen 1876 en 1887 werd een neogotische façade toegevoegd. Ook van de Dominicaner kerk Santa Maria Novella, tussen 1246 en 1360 gebouwd, bleef de façade onvoltooid. In 1456 kreeg Alberti de opdracht een ontwerp te maken voor het bovendeel. Het timpaan en de pilasters zijn ontleend aan de Romeinse oudheid, maar de s-vormige krullen ter weers-zijden zijn nieuw. De plattegrond is traditioneel: een basiliek met een rechtgesloten koor, gebruikelijk bij bedelordekerken. Dit geldt ook voor Brunelleschi s Santo Spirito, maar hier kreeg het basilicale plan renaissance-maten en -verhoudingen, gebaseerd op het vierkant van de kruising. Het vlakgedekte schip lijkt terug te grijpen op vroeg-christelijke architectuur, net als de koepel op pendentieven. Bij-zonder is dat elke zijbeuktravee is voorzien van apsidiaal kapelletje, 38 in totaal. De helderheid wordt ook hier versterkt door het grijs-wit contrast van het pietra serena. De Pazzi kapel wordt gezien als een hoogtepunt in Brunelleschi s oeuvre, maar is pas na zijn dood voltooid. Het lijkt op zijn eerdere oude sacristie van de San Lorenzo (de familiekerk van de Medici), een volmaakte centraalbouw van een cirkel in een vierkant. De wanden hebben gecanneleerde pilasters met Korinthische kapitelen, de koepel heeft ribben en rust op pendentieven met tondi, die later gevuld zijn met terracotta reliëfs. Renaissance-architecten waren gefascineerd door de centraalbouw, 38

39 zoals naar voren komt in geschilderde voorstellingen van de ideale stad met in het midden een centraalbouw. Ook Alberti hield zich bezig met de ideale stad in zijn traktaat over bouwkunst de re aedificatoria (in 1486 postuum gepubliceerd), dat was gebaseerd op de 10 boeken over architectuur van Vitrivius (ca. 70 v.chr.-15 A.D.) die in 1414 in St. Gallen (her)ontdekt waren door de Florentijnse humanist Poggio Bracciolini. Spoedig verschenen complete edities, de eerste geïllustreerde in Hierin duikt de Vitruviaanse man op, die het idee weergeeft dat ideale maten en verhoudingen zijn af te leiden van het ideale menselijk lichaam. Dit gaat terug tot Pythagoras, die dezelfde verhoudingen vond in de kosmos. Omdat ze afkomstig waren van de schepper, waren ze volmaakt en leidden ze, indien juist toegepast, tot schoonheid in kunst en architectuur. De volmaaktste vormen zijn de cirkel en het vierkant, symbolen van de ziel en de fysieke wereld. De centraalbouw benaderde dit het best en de verhoudingen van gebouwen moesten afgeleid zijn van de mens, zoals blijkt uit een traktaat van architect/schilder/ingenieur Francesco di Giorgio Martini die in Urbino de jonge Leonardo da Vinci ontmoette, die ook een Vitruviaanse man tekende en talloze centraalbouwen ontwierp. De centraalbouw bleef ook bouwmeesters van de volgende generatie bezighouden, onder wie Donato Bramante uit Urbino, die in Rome voor paus Julius II een rond martyrium ontwierp bij de San Pietro in Montorio. Julius was zo ingenomen met het gebouwtje dat hij Bramante de opdracht gaf voor een ontwerp voor de nieuwe St. Pieter (1503). Het moest een centraalbouw worden, het meest geëigend voor een martelaarsgraf. De eerste steen werd in 1506 gelegd. Na Julius dood in 1513 werd Bramante vervangen door o.a. Rafaël, die de centraalbouw vergrootte tot een Latijns kruis, waarna Guiliano da Sangallo dit weer terugdraaide. In 1547 waren slechts de vier pijlers van de koepel voltooid. Toen benoemde Paulus III de 70-jarige Michelangelo tot architect. Beeldhouwer Michelangelo had zijn sporen als architect verdiend met een grafkapel voor de San Lorenzo, de familiekerk van de Medici. De kapel, waarvoor hij ook de graftombes maakte, was geïnspireerd door de oude sacristie van Brunelleschi: pietra serena, Korinthische pilasters en een koepel. Vervolgens ontwierp Michelangelo ook de bibliotheek bij de kerk, die wegens zijn vertrek naar Rome in 1534 werd voltooid door zijn leerling Bartolommeo Ammanati. In de vestibule werden de regels van Vitruvius gebogen : dubbele zuilen in nissen boven dubbele voluten, blinde vensters omlijst door naar onder taps toelopende pilasters met afwisselend halfronde en driehoekige pedimenten. In Rome beschilderde Michelangelo de Sixtijnse kapel en ontwierp hij het piazza de Campidoglio, de zetel van het Romeinse stadsbestuur, waar hij de trapeziumvorm van het plein verhulde door in het plaveisel een ovaal te leggen dat een ei-vorm heeft (pas in 1940 gebeurd). De gebouwen tonen voor het eerst de kolossale orde: Korinthische pilasters op een basement, die over twee etages naar de dakbalk doorlopen. Bij zijn ontwerp voor de St. Pieter liet Michelangelo zich leiden door dat van Bramante, dat hij vereenvoudigde, waardoor de nadruk op de koepel kwam te liggen. Deze kreeg een spitsere vorm, geïnspireerd door die van Florence, en is in grote trekken zo gebouwd. Ook de achterzijde van de kerk is naar Michelangelo s ontwerp uitgevoerd. Michelangelo had grote invloed op de volgende generatie architecten, wier werk maniëristisch genoemd wordt, onder wie zijn opvolgers bij de St. Pieter, Giacomo Vignola en Giacomo della Porta, die de Gesù ontwierpen, de ordekerk van de Jezuïeten in Rome. Michelangelo had aangeboden de kerk te ontwerpen, maar na zijn dood in 1564 ging de opdracht naar Vignola, die in 1573 overleed. Della Porta voltooide de kerk met een gewijzigde façade, waarin Michelangelo s invloed zichtbaar is: een kolossale orde, gebroken timpanen en verdiepte delen van de gevel. De krullen boven de zijbeuken lijken op die van de Sta. Maria Novella. De kerk werd het model voor alle volgende Jezuïetenkerken. Vignola ontwierp ook de villa Farnese bij Caprarola, ten noorden van Rome. Begin 15de eeuw, onder invloed van de herleving van de Romeinse oudheid, was in Toscane een villacultuur ontstaan die zich over heel Italië verspreidde. Villa s waren zowel boerenbedrijven als landhuizen waar de elite zich terug kon trekken uit het gewoel van de stad. De vijfhoekige villa die Vignola voor de Farnese s ontwierp toont opnieuw de invloed van Michelangelo in de toepassing van de kolossale orde. Dit geldt ook voor het Palazzo Te, bij Mantua, dat hertog Federigo II Gonzaga liet ontwerpen door Giulio Romano, voormalig assistent van Rafaël. De villa suburbana werd tussen 1524 en 34 gebouwd en was bedoeld als 39

40 feestpaleis. De architectuur bevat maniëristische grapjes als doorgezakte trigliefen van de architraaf, waardoor het gebouw instabiel lijkt, versterkt door Romano s fresco in de Sala dei Giganti, waar alles instort. De tuingevel heeft een arcade met serliana s, vooral bekend uit het werk van Andrea Palladio. Palladio paste de serliana toe in zijn Basilica in Vicenza, maar het motief: een boog op de uiteinden van een architraaf met twee openingen aan beide zijden, is genoemd naar Sebastiano Serlio, die een geïllustreerd boek over architectuur schreef dat vanaf 1537 verscheen. Serlio was ook geconsulteerd voor de voltooiing van de basilica, of Palazzo della Ragione, een 14de eeuws stadhuis en markthal. Palladio dankte de opdracht aan zijn beschermheer, graaf Trissino, een invloedrijke figuur in Vicenza, met wie hij o.a. naar Rome reisde waar ze kardinaal Daniele Barbaro ontmoetten, lid van de Venetiaanse elite. Na Trissino s dood in 1550 kwam Palladio onder de hoede van Barbaro en illustreerde diens editie van Vitruvius (1556). Ook ontwierp hij een villa voor zijn broer, in Maser. De villa is tegen een helling gebouwd en heeft o.a. een nymphaeum. Toch is het ook een boerenbedrijf: de vleugels werden voor wijn maken gebruikt. Palladio beroemdste villa is echter is La Rotonda, of villa Almerico-Capra. Palladio, villa Almerico-Capra, (La Rotonda), Vicenza, Representatief gebouw: de villa Rotonda bij Vicenza De Rotonda was het buitenverblijf van de gepensioneerde prelaat Paolo Almerico. In tegenstelling tot veel andere villa s was het geen boerenbedrijf, maar een echte villa suburbana. Hij ligt op een heuvel van waaruit het omliggende landschap te bewonderen was. Na Palladio s overlijden in 1580 werd de bouw overgenomen door zijn leerling Vincenzo Scamozzi, die de koepel verlaagde. In 1589 overleed Almerico en werd de villa verkocht aan de familie Capra. De Rotonda is een centraalbouw met vier identieke gevels, gebaseerd op de cirkel en het vierkant, en geïnspireerd door het Pantheon in Rome. Palladio had dit gebouw opgemeten en geïllustreerd in zijn handboek over architectuur: I Quattro Libri dell Architectura (4 boeken over architectuur) dat in 1570 verscheen en in heel Europa succes had. Palladio greep in zijn werk meermalen terug op het Pantheon, zoals in de Redentore kerk in Venetië, gebouwd als dank voor verlossing van de pest. Palladio ontwierp een centraalbouw en een rechthoekige basilica, waar het stadsbestuur de voorkeur aan gaf. Toch lijkt de kerk een centraalbouw, mede dankzij de hoge koepel. In de voorgevel zijn twee pedimenten ineen geschoven, een motief ontleend aan het Pantheon, waar het pediment van de portico vóór dat van de tussenbouw zit. De villa Rotonda is een verviervoudiging van het schema van het Pantheon (rondbouw met koepel gecombineerd met een zuilenhal), zodat het totaal weer een (kruisvormige) centraalbouw wordt. De villa is zelf ook talloze malen nagevolgd, te beginnen met de villa Rocca-Pisana van Scamozzi. Palladio ontwierp ook stadspaleizen, zoals palazzo Chiericati in Vicenza. Het gebouw stond op een eiland aan de rand van de stad en houdt het midden tussen een palazzo en een villa 40

41 suburbana. Ertegenover ligt Palladio s Teatro Olimpico ( ). Dit ovalen theater, dat ongeschonden bewaard bleef, is een reconstructie van een antiek Romeins theater, maar dan overdekt. Palladio overleed voor de voltooiing en de bouw werd overgenomen door Scamozzi, die het decor ontwierp met de beroemde schijnperspectieven. Ook Scamozzi publiceerde een boek over architectuur: L Idea della Architettura Universale (1615) en dankzij dit soort publicaties verspreidde de renaissance-architectuur zich over heel Europa. In Frankrijk arriveerde de renaissance met Italiaanse kunstenaars als Leonardo da Vinci en Sebastiano Serlio, die door koning François I uitgenodigd werden. Leonardo da Vinci zou volgens Vasari in de armen van de koning zijn gestorven (1519). François zette zijn Italiaanse kunstenaars aan het werk in zijn paleizen: Blois, Amboise, Chambord, Fontainebleau. Serlio ontwierp ook kasteel Ancy-le-Franc in de Bourgogne, voor graaf Antoine de Clermont, maar overleed in 1554, waarna de werkzaamheden werden overgenomen door Pierre Lescot ( ), die hierna met de beeldhouwer Jean Goujon werkte aan de verbouwing van het middeleeuwse Louvre. Bij Lescot s dood (1578) was de zuidwestvleugel voltooid, die het Franse classicisme inluidde. In Spanje duiken renaissancemotieven voor het eerst op de in de extravagante plateresco stijl, gemengd met gotische en Moorse invloeden. Het beroemdste voorbeeld is de voorgevel van de universiteit van Salamanca uit ca. 1529, waarin grotesken voorkomen. De term is afgeleid van het Italiaanse grotto: de motieven waren in de 15de eeuw in Rome gevonden in het Domus Aurea van keizer Nero, waarvan men dacht dat een grot was. Ze werden gereproduceerd in prenten die in heel Europa circuleerden. Het paleis dat in opdracht van Karel V werd gebouwd in het Alhambra is ontworpen door Pedro Machuca, van wie wordt aangenomen dat hij o.a. voor Michelangelo werkte. Diens invloed is zichtbaar in de kolossale orde, maar als het bouwjaar 1527 klopt, dan is dit nog voordat Michelangelo die zelf toepaste op het Piazza de Campidoglio (1536). Veel strenger is het Escorial, dat Philips II ten noordwesten van Madrid liet bouwen. De eerste architect was Juan Bautista de Toledo, maar toen die in 1567 overleed kwam de leiding in handen van Juan de Herrera, onder wie het in 1584 voltooid werd. Het kloosterpaleis was o.a. gebaseerd op de tempel van Salomo (met wie Philips werd vergeleken), gereconstrueerd door de monnik Juan de Villalpanda, waarvan de maten en verhoudingen van God afkomstig waren. De stijl van het Escorial, die Herreriano heet, had grote invloed op de Spaanse architectuur. Inigo Jones, Banqueting House, Whitehall Londen, In het Noorden is de komst van de renaissance vooral te danken aan geïllustreerde boeken, zoals dat van Sebastiano Serlio uit 1537, dat in het Nederlands vertaald werd door de schilder Pieter Coecke van Aelst, die in de jaren 1520 in Italië was geweest en later decors maakte voor de triomfantelijke entree van Philips II in Antwerpen (1549). Zijn assistent was de uit Leeuwarden afkomstige uomo universalis Hans Vredeman de Vries: schilder, architect, mathematicus etc., die o.a. werkte voor keizer Rudolf II in Praag. Ook hij kende het werk van Serlio en andere Italiaanse architecten en gebruikte het als basis voor zijn eigen architectuurboeken, waarin hij speelde met de vormentaal van de renaissance. In Engeland arriveerde de renaissance onder de Tudors: een van de vroegste voorbeelden was Nonsuch Palace, gebouwd voor Hendrik VIII (1538), dat in 1682 werd afgebroken. Nederlandse invloed is zichtbaar in veel Tudor landhuizen, zoals Wollaton Hall, waar de Dutch gables rolwerk vertonen ontleend aan de boeken van Vredeman de Vries. Belangrijk was ook het beursgebouw 41

42 in Londen uit 1565, gebaseerd op de beurs van Antwerpen (uit 1531), dat bij de grote brand van Londen in 1666 verloren ging. Het was echter de architect Inigo Jones die de echte Italiaanse renaissance in Engeland in-troduceerde, dankzij zijn reizen naar Italië ( , ), waar vooral het werk van Palladio indruk maakte. Terug in Londen ontwierp Jones het Banqueting House, een feestzaal voor Whitehall Palace. Veel decoraties zijn gemaakt door Nicholas Stone, de schoonzoon van Hendrik de Keyser. Inigo Jones bekendste schepping is echter The Queen s House in Greenwich, gebouwd tussen 1614 en Hoewel Palladiaans, is het ook beïnvloed door de Medici-villa in Poggio ai Caiano van Da Sangallo. In Polen is een vroeg voorbeeld van renaissance-architectuur bewaard gebleven in een deel van het koninklijk slot in Wawel, in Krakau, begin 16de eeuw gebouwd door Italiaanse meesters, o.a. Bartholomeo Berrecci uit Florence, die ook de Sigismundkapel van de slotkerk ontwierp. Later werd ook in Polen de invloed van het Hollands Maniërisme dominant, zoals zichtbaar in de Groene Poort in Danzig, gebouwd tussen , door Hans Kramer en Reiner van Amsterdam. In Bohemen is in Praag een vroeg voorbeeld van renaissance-architectuur te vinden in de vensters van de beroemde Vladislav-zaal, die vermoedelijk ontworpen zijn door een Italiaanse meester. Het latere Schwarzenberg-paleis toont weer Nederlandse invloed. Lieven de Key, Vleeshal Haarlem, ca In Duitsland is een van de vroegste voorbeelden van renaissance-architectuur het stadspaleis voor de bankiersfamilie Fugger in Augsburg. Het gebouw was geïnspireerd door Italiaanse voorbeelden, maar is in WO II verwoest (nu gerestaureerd). De renaissance pronk-loggia van het stadhuis van Keulen, ontworpen door Wilhelm Vernukken, zou gebaseerd zijn op het stadhuis van Antwerpen, in de 16de eeuw de belangrijkste handelsstad van West-Europa. De bouw van een indrukwekkend stadhuis aan de Grote Markt moest dit onderstrepen. Het project stond onder leiding van Cornelis Floris de Vriendt, maar ook Pieter Coecke van Aelst was erbij betrokken. Het is wellicht het belangrijkste renaissancegebouw van de Nederlanden, in deze periode nog niet van elkaar gescheiden. Gedacht wordt dat leden van de ploeg in Antwerpen ook het oude stadhuis van Den Haag bouwden (1565), een van de vroegste voorbeelden van renaissancearchitectuur in de Noordelijke Nederlanden. Het Leidse stadhuis, gebouwd rond 1600, is ontworpen door architect Lieven de Key uit Gent, die als veel protestante Zuid-Nederlanders naar de republiek kwam en zich vestigde in Haarlem. Hij wordt gezien als de belangrijkste bouwmeester van de Noord-Nederlandse renaissance, maar er waren al eerder gebouwen in die stijl verrezen, zoals de toren van de Nicolaaskerk in IJsselstein, gebouwd voor Floris van Egmond en versierd met een superpositie van Dorische, Ionische en Korinthische pilasters. De vermoedelijke architect was Tomasso Vincidor da Bologna, een leerling van Rafaël die naar Antwerpen kwam en later in dienst trad van Graaf Hendrik III van Nassau, voor wie hij het kasteel van Breda verbouwde tot residentie in renaissance-stijl. De bouw begon in 1536, en na het overlijden van Hendrik in 1539 zette zijn opvolger René van Chalon het project voort. Het is echter nooit voltooid en veel elementen zijn later verloren gegaan, waaronder de fraaie trap. Ook andere vroege renaissancegebouwen Nederland zijn verdwenen: het oude stadhuis van Utrecht uit 1545, het huis de Steenrotse in Middelburg uit 1590 of de Amsterdamse waag uit Gelukkig bleef de Vleeshal van Lieven 42

43 de Key in Haarlem met zijn rijke renaissancegevel met rolwerk, koeienkoppen, obelisken, voluten en timpaantjes bewaard. De renaissance-architectuur werd hier in feite decoratie, maar de Key s waaggebouw in Haarlem (ca. 1599) is veel zuiverder renaissance. De gevel, met Michelangeleske ven-sters op de eerste verdieping, toont een versobering die we ook aantreffen in het werk van Hendrik de Keyser. De Keyser was geboren in Utrecht waar hij in de leer was geweest bij de beeldhouwer Cornelis Bloemaert. In 1595 werd hij stadssteenhouwer in Amsterdam en in deze functie ontwierp hij o.a. het gebouw van de VOC en de beurs, waarvoor hij ter oriëntatie in 1507 naar Londen reisde. De opdracht tot herbouw van het in 1618 afgebrande stadhuis van Delft dankte de Keyser aan zijn praalgraf voor Willem van Oranje uit Het stadhuis wijkt enigszins af van het ontwerp zoals gepubliceerd in de Architectura Moderna van Cornelis Danckerts uit De gevel is verrijkt met een balustrade en een extra pediment in het midden. De Keyser heeft zich laten inspireren door Les plus excellents bastiments de France uit van de Franse architect Jacques Ducerceau, van wie hij de geblokte pilasters overnam. Als stadsbouwmeester was de Keyser ook verantwoordelijk voor de nieuwe protestantse kerken die in Amsterdam verrezen, als eerste de Zuiderkerk ( ). Het is een rechthoekig gebouw, nog afgeleid van katholieke kerken. Later zou de centraalbouw populair worden voor protestantse kerken. De toren hoort tot de zuiverste renaissance torens van Nederland, met zijn overhoeks geplaatste Ionische zuilen. Van de woonhuizen die de Keyser ontwierp is het Bartolotti_huis aan de Herengracht in Amsterdam het indrukwekkendst. De gevel toont het hele repertoire van de renaissance: obelisken, pilasters, rolwerk, vazen, timpanen etc. De laatste afbeelding in de Architectura Moderna toont een huis dat niet door de Keyser ontworpen is, maar door Jacob van Campen. Het is een dubbelhuis, gebouwd voor de gebroeders Coymans, en voor het eerst lijken hier de zuilenorden op correcte wijze toegepast. Van Campen kende inderdaad zijn Vitruvius, maar zijn werk kan wellicht beter gezien worden als Hollandse barok. Hoofdstuk 7: De barok Barok is afgeleid van barroco, dat grillig gevormde parel betekent. Tijdens het 18de eeuwse neoclassicisme, werd barok laatdunkend gebruikt voor de kunst van de voorgaande periode ( ). De stijl ontstond in Rome, in de context van de contrareformatie. Met pracht en praal probeerde de Roomse kerk haar positie weer te verstevigen. Met succes, want midden 17de eeuw was de opmars van het protestantisme tot staan gebracht. Toch had de barok ook invloed in de protestantse gebieden, al kreeg ze hier een eigen karakter. De barok heeft veel gemeen met de renaissance, zoals het gebruik van elementen ontleend aan de architectuur van de Romeinse oudheid. Maar om de toeschouwer mee te slepen werden de Vitruviaanse regels gebogen en de grenzen tussen de kunsten opgeheven. Dit buigen van de regels begon bij Michelangelo: in de vestibule van de bibliotheek van San Lorenzo werden de functies van wand (vullend) en zuil (dragend) verwisseld. Na een roerige 16de eeuw begon Rome in de 17de eeuw aan een grootse wederopbouw. Pausen en kardinalen uit adellijke families als de Borghese, Farnese en Barberini, lieten talloze kerken bouwen en straten, vestingwerken, fonteinen en pleinen aanleggen. De koepel van de Sint Pieter was in 1590 naar ontwerp van Michelangelo voltooid en in 1606 kon de bouw van het nieuwe schip beginnen. Paus Paulus V (Borghese) gaf de opdracht aan Carlo Maderno, die gevraagd werd 43

44 Carlo Maderno, voorgevel St. Pieter, Rome de centraalbouw te veranderen in een basiliek. De nieuwe voorgevel kreeg een dramatisch accent door het naar voren geplaatste middendeel (middenrisaliet) en de barokke ordening van pilasters en zuilen. Ter weerszijden waren twee torens gepland, die wegens de slappe grond afgebroken werden. Maderno, afkomstig uit de Ticino, was in Rome doorgebroken met zijn ontwerp voor de façade van de Sta. Suzanna, waarin hij hetzelfde crescendo-effect van volumes, pilasters en zuilen toepaste. De kerk wordt beschouwd als een van de eerste barokke bouwwerken van Rome, maar eigenlijk ging de Gesù van Vignola en Della Porta er aan vooraf. Borromini, San Carlo alle quattro fontane, Rome, interieur & koepel, Voor de St. Pieter lag een rommelig plein met een vismarkt, dat grensde aan een volkswijk. Er was een fontein (van Maderno) en er stond een obelisk. In 1656 gaf paus Alexander VII (Fabio Chigi) de beeldhouwer/architect/schilder Gianlorenzo Bernini ( ) opdracht het gebied te transformeren tot een plein, de kerk waardig. Bernini, de zoon van een beeldhouwer uit Napels, kwam in 1605 naar Rome waar hij werd ontdekt door de kunstminnende kardinaal Scipione Borghese, voor wie hij beelden maakte in een nieuwe, dynamische stijl. Zijn eerste architectuuropdracht ontving hij van paus Urbanus VIII (Maffeo Barberini): een bronzen baldakijn boven het graf van Petrus in de St. Pieter, waarvoor het brons o.a. van het Pantheon kwam. Het gevaarte werd tussen 1623 en 34 voltooid en Bernini werd geassisteerd door een beeldhouwer uit de Ticino: Francesco Borromini ( ), een verre neef van Carlo Maderno, met wie hij vanaf 1625 samenwerkte aan het familiepaleis van de Barberini s in Rome. Hier ontwierp Borromini o.a. de vensters van de hoofdgevel, gebaseerd op die van de Porta Pia (1564) van Michelangelo, wiens werk hij diepgaand had bestudeerd. Borromoni ontwierp ook de ovalen wenteltrap, die getuigt van zijn fascinatie voor optische effecten. Na Madarno s dood in 1629 ging de leiding van de bouw naar Bernini. Borromini bleef assistent, maar het was het begin van hun rivaliteit. Representatief gebouw: San Carlo alle Quattro Fontane Voor de Barberini ontwierp Borromini ook de San Carlo alle Quattro Fontane ( ), genoemd naar de fonteinen op de hoeken van de kruising bij de kerk. De orde van de Spaanse Trinitariërs had de grond gekregen van Francesco Barberini: een klein en, door de schuine hoek, lastig perceel. Het kloostertje werd als eerste voltooid: de binnenplaats heeft twee etages met galerijen met rond afgeschuinde hoeken en een balustrade met concaaf/convexe driehoekige balusters die om en om boven of beneden een zwelling vertonen. De bouw van de kerk begon in In 1641 was het interieur voltooid, waarna de bouw door geldgebrek stil kwam te liggen. Aan het ontwerp ligt een vernuftig geometrisch systeem ten grondslag van driehoeken, cirkels en ovalen, waaruit plattegrond en opstand ontwikkeld werden. De vorm van de kerk wordt omschreven door een architraaf, waarboven een ovalen koepel op pendentieven gedragen door ronde en ovalen apsiden. Ook de stervormige Sant Ivo alla Sapienza, de kapel van de pauselijke universiteit ( ) is op deze wijze ontworpen. Beide kerken hebben originele details zoals 44

45 Bernini, Sint Pietersplein, , Rome de naar binnen gekeerde voluten van de kapitelen, en de interieurs zijn voornamelijk wit, in tegenstelling tot andere, vaak bont gekleurde, barokke gebouwen in Rome. De golvende gevel van de San Carlo is postuum in gewijzigde vorm voltooid. Dit in beweging komen van gevels door het gebruik van concave en convexe vormen is kenmerkend voor de architectuur van de barok. Bijvoorbeeld aan de Sta. Maria della Pace, een 15de eeuwse kerk die tussen 1656 en 1667 door Pietro da Cortona voorzien werd van een nieuwe façade. Het ovaal neemt in de barok de rol over van de cirkel, die in de architectuur van de renaissance zo belangrijk was. Bernini gebruikte de ovaal in de Sant Andrea al Quirinale ( ), door hemzelf beschouwd als zijn meesterwerk, die aan dezelfde straat ligt als Borromini s San Carlo. De Sant Andrea heeft de vorm van een hele ovaal en is aan beide kanten voorzien van half-ovalen armen, waarbinnen het halfronde portaal naar voren stulpt. Het hoofdaltaar ligt in een half-ovalen apsis met een verborgen venster, waardoor alle aandacht er naartoe getrokken wordt, een effect dat Bernini ook toepaste in de Cornari kapel in de Sta. Maria della Vittoria ( ), waar het licht door een verborgen venster in de ovalen nis van het hoofdaltaar op het beeld van de extatische Sta. Theresa valt. Dit opheffen van de grenzen tussen de kunsten is ook typisch barok: men wil de toeschouwer overdonderen, zoals op Bernini s nieuwe St. Pietersplein dat vanaf 1656 werd aangelegd. De colonnades die het ovalen plein als uitgestrekte armen omgeven dragen de bezoekers als het ware de St. Pieter binnen. Oorspronkelijk was dit effect nog verrassender, het plein was via smalle straten door een dichtbebouwde buurt te bereiken. De Via della Conciliazone die nu de stad in voert is pas vanaf 1929 onder Mussolini aangelegd. Tot de andere pleinen die in Rome werden aangelegd hoort het piazza Navona, door Girolamo Rainaldi in opdracht van Innocentius X (Doria Pamphilj) ontworpen op de plaats van het oude stadion van Domitianus, waar een belangrijke markt was. Rainaldo verbouwde het familiepaleis van de Doria Pamphilj en ontwierp de kerk ernaast, Sant Agnese in Agone. Dit viel niet in goede aarde en in 1653 werd Borromini erbij gehaald, wiens ingrijpende wijzigingen ook niet volledig werden uitgevoerd. Na de dood van Innocentius X, kwam de bouw stil te liggen. De kerk is voltooid onder Rainaldo s zoon Carlo, met hulp van Bernini, die ook de vier stromen fontein op het plein maakte. Het verhaal dat de figuur van de Rio de la Plata schrikt van Borromini s Sta. Agnese klopt niet omdat de fontein voltooid was voordat de kerk gebouwd werd. Hoewel de barok in Rome begon, ontwikkelde de stijl zich ook elders in Italië, zoals in Venetië, waar vanaf 1631 de Santa Maria della Salute verrees, gebouwd om verlossing van een pestepidemie (1629) af te smeken. De kerk is ontworpen door Baldessare Longhena, een leerling van Scamozzi, en Palladio s invloed is te bespeuren in het triomfboogmotief van het portaal. Maar het omhoogstuwende effect van de voluten om de koepel van de centraalbouw is typisch barok. Longhena introduceerde de barok ook in stadspaleizen als het Ca Pesaro en ontwierp veel kerken, waarvan de Sta. Maria degli Scalzi Romeins aandoet, al bleef de Venetiaanse barok klassieker. Borromini s invloed bereikte wel Turijn, waar de priester/architect Guarino Guarini ( ) werkte, die vanuit Modena in 1666 naar Turijn was gekomen, waar hij hofarchitect van het huis Savoye werd. Hier ontwierp hij o.a. het palazzo Carignano, met Borromini-achtige concave en convexe vormen. Guarini had veel gereisd, o.a. naar Rome, Sicilië, Frankrijk, Spanje, Portugal en Bohemen, en liet overal gebouwen achter, zoals op Sicilië, waar zijn Santissima Annunziata in Messina, de eerste barokkerk zou zijn geweest (in 1902 bij een aardbeving verwoest). Een aardbeving in 1693 in de Val de Noto veroorzaakte hier een uitbundige nabloei van de barok in 45

46 de steden die herbouwd moesten worden. Van Guarini s reis naar Spanje en Portugal zijn sporen terug te vinden in zijn San Lorenzo in Turijn ( ). De kerk, bij het koninklijk paleis, verving een eerdere kapel waar oorspronkelijk de lijkwade van Turijn bewaard werd. De plattegrond van een vierkant en octagon met convexe zijden, verraadt invloed van Borromini. De koepel heeft ribben die een ster vormen, mogelijk gebaseerd op Moorse koepels in Spanje. De lijkwade verhuisde in 1694 naar een kapel bij de kathedraal, ook ontworpen door Guarini, en opnieuw zien we in de complexe koepel zowel Moorse invloed als die van Borromini, die via Guarini en zijn leerling Filippe Juvarra ook het Duitse rijk en Oost-Europa bereikte In Bohemen was het vooral de familie Dientzenhofer die de barokstijl verspreidde. Ze kwamen uit Beieren en Georg, de oudste zoon, ging naar Praag, waar hij samenwerkte met Italiaanse bouwmeesters als Carlo Lurago en Giovanni Orsi. In zijn Drievuldigheidskapel in Waldsassen ( ) is Borromini s invloed te zien in de op het getal drie gebaseerde plattegrond. Hun beroemdste bouwwerk in Praag is de St. Nicolaaskerk in Malastrana ( ), ontworpen door Georgs broer Christoph en voltooid door diens zoon Kilian Ignaz. De gevel golft en het kleurrijke interieur is een barok totaalkunstwerk dat het rococo al aankondigt. Dit geldt ook voor de Vierzehnheiligenkirche ( ) in de buurt van Bamberg, ontworpen door de Boheemse architect Johann Balthasar Neumann. Borromini s invloed, die tot uiting komt in de plattegrond van ovalen en cirkels, had Neumann via het werk van Guarini ondergaan tijdens een verblijf in Milaan. Maar hij werd ook beïnvloed door de Weense architect Johann Fischer von Erlach, die lang in Rome had gewoond. Hij was de favoriete architect van de Habsburgse keizers en bouwde in Wenen o.a. de Karlskirche ( ): waarin o.a. het Pantheon, de Sta. Agnese en de zuil van Trajanus zijn terug te vinden. Ook elders was de barok vaak van Italiaanse oorsprong, zoals in Dresden, waar de in Rome geboren Gaetano Chiavari, via St. Petersburg en Krakau, neerstreek en de Hofkirche ontwierp. De barok verspreidde zich ook via de Jezuieten, die hun op de Gesù in Rome gebaseerde kerken lieten door Italiaanse bouwmeesters als Giovanni Trevani (in Krakau) en de familie della Torre, afkomstig uit Como, die de Ignatiuskerk in Gyor (Hongarije) bouwden ( ). Le Vau, Hardouin Mansart, Le Brun, Le Nôtre: Versailles Guarini had in Parijs de St. Anne la Royale ontworpen. De onvoltooide kerk (afgebr. 1823) werd in 1664 bezocht door Bernini, die naar Parijs was gekomen i.v.m. de bouw van de oostfaçade van het Louvre. Bernini ontwierp een Italiaans barokke gevel met concave en convexe vormen rondom een ovalen middendeel. Dit was te wild voor de Franse smaak, en hoewel Bernini zijn ontwerp aanpaste, werd gekozen voor de gevel van de anatoom/architect Claude Perrault, die o.a. Vitruvius in het Frans vertaald had. Het werd een classicistische gevel, typisch voor de Franse barok, die rond 1615 zijn intrede had gedaan met het Palais de Luxembourg, ontworpen door Salomon de Brosse voor koningin Maria de Medici, die de architect liet werken naar tekeningen van het Pitti paleis in Florence, waar ze was opgegroeid. Het Luxembourg werd een voorbeeld voor barokke kasteelen paleisarchitectuur in Frankrijk, zoals het kasteel Vaux le Vicomte, tussen 1658 en 1678 gebouwd voor minister van financieën Nicolas Fouquet. De ovalen tuinzaal is een typisch barok element, dat in Frankrijk verder geen navolging vond. Fouquet had drie kunstenaars ingehuurd: Louis le Vau ( ) voor het gebouw, Charles Lebrun ( ) voor het interieur en André le Nôtre ( ) voor de tuinen. Op 17 Augustus 1661 verscheen koning Lodewijk XIV op het bal ter gelegenheid van de opening. De 46

47 koning voelde zich geschoffeerd en liet Fouquet de volgende dag in de gevangenis gooien. De drie ontwerpers van Vaux le Vicomte werden aan het werk gezet in Versailles. Rondom dit jachtslot van Lodewijk XIII werd tussen 1664 en 1710 een enorme uitbreiding gerealiseerd (de enveloppe) in een zware, classicistische stijl. In het midden van Versailles lag vanaf 1701 de slaapkamer van Lodewijk. Dit maakte duidelijk dat de koning het centrum was waar alles om draaide: de barokke expressie van het absolutisme. Versailles werd daarom het prototype van alle grote vorstelijke residenties in Europa, zoals het Residenz-slot van de prins-bisschoppen van Würzburg, door Balthasar Neumann ontworpen en gebouwd tussen , of het keizerlijke zomerverblijf Schönbrunn bij Wenen, ontworpen door Fischer von Erlach, dat Versailles had moeten overtreffen, maar door geldgebrek slechts deels gebouwd werd. Ook in Engeland sloeg de barok toe, o.a. in Blenheim Palace, tussen gebouwd voor John Churchill, first Duke of Marlborough, die het kreeg aangeboden door het Engelse parlement als dank voor zijn militaire overwinningen op Lodewijk XIV. De architect was John Vanbrugh, die samenwerkte met John Hawksmoor, met wie hij eerder Castle Howard bouwde. Blenheim liep uit op een drama: Churchill werd verbannen en het paleis werd bekritiseerd als extravagant. Vanbrugh en Hawksmoor hadden eerder samengewerkt met de wiskundige Christopher Wren, die zich rond richtte op architectuur. Voor zijn beroemdste gebouw, St. Paul s Cathedral in Londen, maakte hij in 1661 ontwerpen voor een koepel ter vervanging van de kruisingstoren. In 1663 reisde hij naar Parijs om de nieuwste ontwikkelingen in de architectuur te bestuderen. Na de grote brand van Londen in 1666 kreeg Wren opdracht om ca. 50 nieuwe kerken te ontwerpen, waaronder St. Paul s. De kerk behield de langgerekte gotische vorm van z n voorganger, maar werd toch barok, vooral in het interieur, waar de koepelgewelven de bezoeker in de richting van de hoofdkoepel (gebaseerd op de St. Pieter) stuwen, waarna de blik naar het altaar geleid wordt. De westgevel doet Palladiaans aan, maar de torens zijn weer barok. Wren ontwierp ook twee Koninklijke hospitalen. Het bekendst is Greenwich, voor zeelieden, gebouwd rond Inigo Jones Queen s House en een voorbeeld van een barokke paleis -aanleg. Het Royal Hospital in Chelsea werd vanaf 1681 gebouwd voor koning Charles II (Stuart) voor diens gepensioneerde soldaten. Het doet Hollands aan, mede door het torentje met overhoekse zuilen dat lijkt op Hendrik De Keysers toren van de Zuiderkerk, die Wren misschien kende uit de Architectura Moderna. Er waren veel contacten tussen de republiek en Engeland en de late komst van de Engelse barok zou verklaard kunnen worden de door invloed van het Hollands classicisme. Dit was begonnen met het werk van Jacob van Campen. Opgeleid tot schilder, zette hij rond 1625 zijn eerste schreden op het pad van de architectuur. Zijn ontmoeting met Constantijn Huygens ( ) was hierbij van grote betekenis. Huygens was o.a. in Engeland, Frankrijk en Italië geweest, waar hij de architectuur van Palladio en Scamozzi had bestudeerd. Van Campen was in Engeland geweest, waar hij het Banqueting House gezien had. Samen met Huygens stortte hij zich op de studie van Vitruvius, wat resulteerde in twee huizen aan het Plein in Den Haag. Hiervan staat alleen van Campens Mauritshuis nog, tussen gebouwd voor graaf Maurits van Nassau Siegen, gouverneur in Brazilië: de eerste vrijstaande Palladiaanse villa in Nederland. Het in 1875 afgebroken huis van Huygens had naar Frans model twee zijvleugels, verbonden door een muur met toegangspoort. Het pediment was bekroond met 3 beelden: firmitas (stevigheid), utilitas (nuttigheid) en venustas (schoonheid), die de principes van de Vitruviaanse architectuur symboliseerden. Beide huizen markeren de geboorte van het 17de-eeuwse Hollands classicisme. De vraag is of het barok genoemd kan worden. Twee voorwaarden ontbraken hiervoor in de republiek: de contrareformatie en een absolutisch vorst. Het hof van de Oranjes was bescheiden. Toen stadhouder Willem III in 1689 koning van Engeland werd, liet hij het jachtslot het Loo bij Apeldoorn door Jacob Roman uitbreiden tot een vorstelijke residentie. De bakstenen gebouwen werden echter uitgevoerd in een sobere, classicistische stijl. In de katholieke Zuidelijke Nederlanden arriveerde de barok vroeg, bijvoorbeeld in de overdadig versierde Jezuïetenkerk Carolus Borromeus in Antwerpen ( ), ontworpen door Pieter 47

48 Huyssens, met bijdragen van Rubens. In de republiek wordt het schema van de Gesù (verhoogd middendeel met pediment en voluten) toegepast in seculiere architectuur, als halsgevel, voor het eerst door Philips Vingboons (1638). Het Hollands classicisme wordt gezien als protestantse tegenhanger van de katholieke barok, en de stijl vond ook zijn weg naar het lutherse Zweden, waar Justus Vingboons het riddarhuset in Stockholm voltooide. Zijn broer Philips werd de meest gevraagde architect van Amsterdam, maar Justus ontwierp het monumentale Trippenhuis ( ), voor de wapenhandelaars Trip, die belangen in Zweden hadden. Toch zijn er barokke tendensen te bespeuren in de architectuur van de republiek, bijvoorbeeld in Huis Ten Bosch dat Pieter Post ontwierp voor Amalia van Solms, de vrouw van Frederik Hendrik. De centrale koepelzaal werd na de dood van de stadhouder in 1647 onder leiding van Van Campen door een team schilders gedecoreerd met een verheerlijking van Frederik Hendrik, een barok ensemble dat zijn weerga niet kende in Nederland. Barokke vormen als het ovaal verschijnen pas laat, bijvoorbeeld in het huis de Voorst (1695), ontworpen door Jacob Roman en de Fransman Daniël Marot, die de Frans/Italiaanse barok in Den Haag introduceerde, zoals in het paleisje Kneuterdijk ( ) voor de graaf van Wassenaar Obdam. Al eerder vinden we Italiaanse trekjes in de Nieuwe Kerk in Den Haag, van Pieter Noorwits en Bartholomeus van Bassen, die een centraliserende plattegrond heeft die gebruikelijk werd voor protestante kerken. De Leidse bouwmeester Arent van s Gravesande ontwierp drie koepelkerken, waaronder de Marekerk in Leiden en de Oostkerk in Middelburg. Jacob van Campen, Burgerzaal Stadhuis, Amsterdam, Barok is misschien ook van toepassing op het monumentale stadhuis van Amsterdam, dat tussen 1648 en ca verrees aan de Dam ter vervanging van het bouwvallige middeleeuwse gebouw. Amsterdam was in de 17de eeuw de belangrijkste handelsstad van de Westerse wereld geworden en men wilde een stadhuis waarin dit tot uitdrukking zou komen. De vrede van Münster in 1648 was een goede aanleiding. Er werden verschillende ontwerpen ingediend, o.a. door Philips Vingboons, maar het grootste en duurste van Jacob van Campen werd gekozen. In 1651 werd het nog onvoltooide stadhuis in gebruik genomen. Van Campen putte voor zijn ontwerp uiteraard uit Vitruvius en het stadhuis is dan ook een voorbeeld van Hollands classicisme, maar sommige aspecten zijn barok, bijvoorbeeld het overweldigende effect dat de Burgerzaal op de bezoeker heeft als die via de donkere trap binnenkomt. Barok is ook de iconografie van de decoraties, die Amsterdam als middelpunt van de kosmos voorstellen, zoals in Versailles alles naar Lodewijk XIV wees. De stad heeft hier de plaats van de vorst ingenomen. Ook verwijst het stadhuis naar de tempel van Salomo, in het midden van de vierschaar afgebeeld door Artus Quellinus. Hiermee was het stadhuis ook de opvolger van het Escorial van Philips II, de aanstichter van de 80-jarige oorlog, die in de ogen van de Amsterdammers eindelijk gewonnen was. In Spanje arriveerde de Italiaanse barok o.a. met Filippo Juvarra, die het nieuwe koninklijke paleis in Madrid ontwierp ( ). Maar er ontstond ook een extravagante barokke reactie op de strenge stijl van het Escorial: het Churrigueresk, genoemd naar een familie van steenhouwers werkzaam in Madrid en Salamanca. Een hoogtepunt van deze stijl is de gevel van de kathedraal van Santiago de Compostela, ontworpen door Fernando Casas Y Novoa ( ). Het Churrigueresk kenmerkt zich door horror vacui (angst voor leegte) en instabiel ogende onderdelen als de estipite: een zuil die bestaat uit een stapeling van onderdelen. Door Spaanse missionarissen werd het naar de nieuwe wereld gebracht, waarmee de barok een wereldomspannende architectuurstijl 48

49 werd. Dit vond plaats in de 18de eeuw, waarin ook het lichtzinnige rococo opkwam. De reactie liet niet lang op zich wachten: midden 18de eeuw ontstond het neoclassicisme en raakte de barok in diskrediet. Hoofdstuk 8: rococo en neoclassicisme De 18de eeuw was een tijdperk van verlichting, waarin de wetenschappelijke revolutie leidde tot een nieuw, rationeel wereldbeeld. Anderzijds kwam ook het gevoelsleven naar voren, dat zich ontplooide in de intimiteit van salons en uitmondde in de romantiek. Voor beide aspecten zouden equivalenten gevonden kunnen worden in de architectuur: neoclassicisme en rococo, maar de grenzen kunnen niet zo strak getrokken worden: stijlen ontwikkelden zich soms gelijktijdig, of vloeiden in elkaar over. De 18de eeuw was ook een tijdperk van Westerse expansie, die leidde tot grote vraag naar exotische producten. Ook dit liet sporen na in de architectuur. Het rococo ontstond in Frankrijk, waar men na het tijdperk Louis XIV kwam tot een nieuwe stijl die samenhing met de komst van de salons, waar men bij elkaar kwam voor spitsvondige conversatie. Het verschijnsel kwam uit Italië, waar salons al in de 16de eeuw ontstonden. De bloeitijd lag in de 18de eeuw. Salons stonden onder leiding van vrouwen en de nadruk lag op elegantie, virtuositeit en intimiteit, hetgeen ook in het rococo tot uitdrukking kwam. De term zou zijn afgeleid van rocaille (rots) en/of coquille (schelp). De stijl kenmerkt zich door speels ornament, lichte kleuren, een hang naar luxe en een fascinatie voor exotische motieven, vooral uit China: de Chinoiserie, die voortkwam uit de populariteit van blauw-wit Chinees porselein. In de 16de eeuw brachten de Portugezen de eerste stukken naar Europa, maar later kwam de porseleinhandel grotendeels in handen van de VOC. In de tweede helft van de 17de eeuw stokte de import door een burgeroorlog in China en sprongen Delftse majolicabakkers in het gat in de markt met Delfts blauw. Daarna kwam de aanvoer weer op gang en lieten vorstelijke verzamelaars voor hun uitdijende collecties soms aparte gebouwtjes neerzetten. Het vroegste voorbeeld is het Trianon de Porcelaine bij Versailles (1670), van Lodewijk XIV, naar ontwerp van Louis le Veau en François d Orbay. Het werd, bij gebrek aan echt porselein, o.a. bekleed met Delfts blauw. Het idee was ontleend aan de porseleinen pagode in Nanjing, die door Westerse reizigers was beschreven en afgebeeld, wat leidde tot navolgingen als de pagode in Kew Gardens bij Londen (1761), ontworpen door de Schotse architect William Chambers, die in China was geweest en een handboek over Chinese architectuur publiceerde, met gedetailleerde illustraties. Johann Gottfried Büring, Chinese huis, Sanssouci in Potsdam, De chinoiserie verspreidde zich snel, zoals bij het Drottningholm-paleis in Stockholm, waar in 1763 een Chinees paviljoen verrees, ontworpen door hofarchitect Carl Fredrik Adelcrantz. Een ander exemplaar staat bij Sanssouci van de verlichte koning Frederik de Grote van Pruisen, in Potsdam. Het is in 1755 ontworpen door diens tuinarchitect Johann Gottfried Büring en was gebaseerd op de trèfle (klaverblad), een folie bij het kasteel van Lunéville in Nancy. Het tentdak is van koper, de beelden zijn verguld en de wanden waren bekleed met zijde. 49

50 Johann Lucas von Hildebrandt, Oberes Belvédere, Wenen, Tentdaken werden eerder toegepast in het Belvedere in Wenen, tussen 1718 en 1723 gebouwd voor prins Eugène van Savoye, die in 1717 de Turken versloeg in de slag bij Belgrado. Het paleis is ontworpen door Johann Lucas von Hildebrandt en de koperen daken kregen de vorm van Turkse legertenten. Er werd geen onderscheid gemaakt tussen Turks, Chinees of Japans, als het maar exotisch was. Het Belvedere bestaat uit een beneden- en een bovenslot, door een tuin met elkaar verbonden. In de sala terrena van het bovenslot ondersteunen giganten de etage erboven. Het Belvedere was het voorbeeld voor het Pillnitz-paleis bij Dresden, aan de Elbe, ontworpen voor August de Sterke door diens hofarchitect Matthäus Daniel Pöppelmann. Het paleis is grotendeels in chinoiseriestijl gebouwd, met tentdaken en Chinese schilderingen aan de gevel. August de Sterke was een van de grootste porseleinverzamelaars van zijn tijd en Pöppelmann (ver)bouwde ook het Japanisches Palais in Dresden, bedoeld als onderkomen voor zijn porseleinverzameling. Zijn beroemdste gebouw is echter de Zwinger, het rococo lustslot bij de oude keurvorstelijke residentie in Dresden. August de Sterke had in Frankrijk Versailles bezocht en toen hij koning van Polen werd (1697), wilde hij iets soortgelijks in Dresden. De Zwinger werd vanaf 1710 gebouwd op een oud bolwerk (waar de naam vandaan komt). Na de dood van de koning stagneerde de bouw, en het paleis is tussen 1847 en 1855 gedicht met een museumvleugel van Gottfried Semper. In de Zwinger lijken sculptuur, architectuur en natuur in elkaar over te vloeien. Dit is ook het geval in Frederik de Grote s Sanssouci. Het paleis ligt op een reeks terrassen in een uitgestrekt park. De architect Georg Wenzeslaus von Knobelsdorff werd gestuurd door de koning, die zelf schetsen had gemaakt. Het leidde tot conflicten en von Knobelsdorff werd vervangen door de Nederlander Jan Bouman. Sanssouci ontstond vanuit het ideaal van harmonie tussen mens en natuur, typisch voor een verlicht vorst als Frederik de Grote. De gebeeldhouwde nimfen en saters lijken zich aan het gebouw te willen ontworstelen. Dit vervagen van grenzen begint in de barok, en het rococo was hier een virtuoze verheviging van. Een grens werd bereikt in de Beierse Wieskirche, ontworpen en uitgevoerd door de gebroeders Zimmermann, architecten/ stucwerkers van de Wessobrunner school. Stucwerkers waren vanuit Italië in de 17de eeuw over heel Europa uitgewaaierd, ook naar Nederland, waar leden van de Luraghi-familie onder andere het stucwerk maakten in het huis Rapenburg 65 in Leiden. Italiaanse vaklieden werkten ook in Rusland, dat zich onder Tsaar Peter de Grote richtte op het Westen. De geschiedenis van het Winterpaleis in St. Petersburg gaat terug tot het begin van de 18de eeuw toen de Zwitsers-Italiaanse architect Domenico Trezzini voor Peter de Grote een winterverblijf bouwde aan de Neva, dat onder zijn opvolgster Catharina I werd uitgebreid. Het huidige Winterpaleis is gebouwd voor Tsaritsa Anna, die de opdracht gaf aan de Italiaanse architect Francesco Bartolomeo Rastrelli. Onder haar opvolgster Elizabeth kreeg het paleis het huidige rococo-uiterlijk, ook ontworpen door Rastrelli, waar gigantische sommen geld in gepompt werden. Nog extravaganter was het Catherina-paleis, genoemd naar Catharina I, dat zijn huidige vorm dankt aan Elizabeth, die Rastrelli het gebouw liet ontwerpen in rococo-stijl. Beeldhouwwerk en daken waren verguld, en het opulente interieur bevatte o.a. de beroemde barnsteenkamer, die door Frederik Wilhelm van Pruisen aan Peter de Grote was geschonken. In WO II werd de kamer geroofd door de Nazi s en nooit meer teruggevonden. Tussen 1999 en

51 is de kamer gereconstrueerd. Tegen dit soort absolutistische excessen kwam het volk eind 18de eeuw in opstand, maar in de kunst deed een reactie zich al eerder voor: het neoclassicisme. De Duitse archeoloog Johann Joachim Winckelmann was hier de aanstichter van. Als een van de eersten die Griekse originelen kon onderscheiden van Romeinse kopieën, was hij o.a. betrokken bij de opgravingen van Pompeii. Hij legde zijn bevindingen vast in invloedrijke boeken als Geschichte der Kunst des Altertums (1864) en vond dat de kunst van zijn tijd moest streven naar nobele eenvoud en kalme grandeur (edle Einfalt, stille Größe), naar het voorbeeld van de universele kunst van de oudheid. Dit viel bij verlichte intellectuelen in goede aarde, omdat ook zij zochten naar zuiverheid en speculeerden over de natuurlijke staat van de mens, die redelijk was, net als de werkelijkheid zelf, waarin universele wetten golden. Jacques Germain Soufflot, Ste. Geneviève/Panthéon, , Parijs Jean Ange Gabriel was een van de eerste architecten in Frankijk die terugkeerden naar het classicisme. Zijn meesterwerk, het Petit Trianon in Versailles ( ), was een geschenk van Lodewijk XV aan zijn maîtresse Madame de Pompadour, die vóór de voltooiing overleed, waarna haar opvolgster Madame du Barry het betrok. Lodewijk XVI gaf het aan zijn vrouw, Marie Antoinette, wier favoriete verblijf het werd. Het Petit Trianon is een Palladiaanse villa met elegante details en drie verschillende gevels (voor- en achterkant en zijgevels). Dit verfijnde Franse classicisme wordt Louis Seize genoemd. In dezelfde periode verrees in Parijs de Ste. Geneviève, ontworpen door Jacques Germain Soufflot, die in Italië Palladio bestudeerd had. De bouw begon in 1760 en werd in 1790 voltooid. In het neoclassicistische gebouw paste Soufflot ongebruikelijke technieken toe: gotische luchtbogen en Byzantijnse koepelgewelven. De koepel is afgeleid van Bramante s tempietto en de porticus verwijst naar het Pantheon, terwijl de plattegrond doet denken aan de villa Rotonda van Palladio. In 1791, tijdens de Franse revolutie, werd de kerk Panthéon des Grandes Hommes. Boullée, ontwerp cenotaaf voor Newton, aanzicht, 1784, Bibl. Nat., Parijs Palladio en het Pantheon waren ook voorbeelden voor Etienne Louis Boullée. Hij studeerde aan de Académie Royale d Architecture, waar het onderwijs gebaseerd was op de Cours d Architecture van de eerste directeur François Blondel, de tegenstander van Claude Perrault (oostgevel Louvre) in de Querelle des Anciens et des Modernes (1690), die ging over de vraag of de ouden in de moderne tijd overtroffen konden worden. Blondel stond aan de kant van de ouden en in het Franse architectuuronderwijs was de autoriteit van de antieke bouwkunst onaantastbaar. In de ontwerpen van Boullée werd die bouwkunst opgeblazen tot gigantische proporties. Als docent aan École Nationale des Ponts et Chaussées, de eerste ingenieursopleiding in Frankrijk, had Boullée grote invloed op de volgende generatie architecten. Hij propageerde een architectuur waarin de functie van een gebouw tot uitdrukking zou komen in de vorm: architecture parlante (sprekende architectuur). Zijn 51

52 beroemdste ontwerp is de bolvormige cenotaaf voor Newton (1784) die 150 m in doorsnee had moeten worden maar, net als Boullée s andere ontwerpen, niet gebouwd is. Van Claude Nicolas Ledoux is wél veel gebouwd. Ook hij was opgeleid aan de Academie Royale d Architecture en begon rond 1862 als architect met opdrachten voor buitenhuizen en bruggen. Voor de Ferme Général, die belasting inde op alle goederen, ontwierp hij de zgn. barrières: een cirkel van 50 douanekantoren rond Parijs. De meeste hiervan zijn afgebroken, maar die van La Villette staat nog, een door Palladio s villa Rotonda geïnspireerd gebouw. Net als in het werk van Boullée is ornament afwezig en zijn de onderdelen gereduceerd tot hun Griekse basisvormen. Ledoux belangrijkste werk is echter de Koninklijke Zoutfabriek in Arc-et-Senans. Claude Nicolas Ledoux, La Saline Royale d Arc-et- Senans, Representatief gebouw: La saline royale d Arc-et-Senans Ook dit complex was van de Ferme Général: zout leverde veel belasting op. Ledoux was in 1771 benoemd tot inspecteur van de zoutwerken in Oost-Frankrijk en ontwierp een nieuwe fabriek bij de bossen van Chaux, tussen de dorpen Arc en Senans. Het eerste ontwerp werd te grootschalig bevonden en Ledoux paste het aan: van vierkant naar halfcirkelvormig, met de directeurswoning in het midden, geflankeerd door fabrieksgebouwen, en met arbeidersverblijven aan de rand. In 1789 brak de Franse revolutie uit en werd Ledoux berecht. Hij wist aan de guillotine te ontkomen en wijdde de rest van zijn leven aan zijn theoretische werk, dat in 1806 werd uitgegeven. Hierin was een utopische stad Chaux opgenomen, gebaseerd op de zoutfabriek, nu geheel cirkelvormig en aangevuld met o.a. een woning van de watercontroleur, gebouwd rond de waterstroom, en een ondergrondse begraafplaats met in het midden een lege, bolvormige ruimte, die half boven het maaiveld uitstak. Het denken over ideale steden begon in de Italiaanse renaissance met de re aedificatoria van Alberti. De architect Filarete ontwierp in de 15de eeuw de stervormige stad Sforzinda voor Ludovico Sforza van Milaan. In 1593 liet de Venetiaanse senaat zo n stad bouwen in de Friuli, Palma Nova, tegen aanvallen van de Turken, maar het werd geen succes: de senaat had moeite mensen te vinden die er wilden gaan wonen. Architectuur als sociaal experiment was aantrekkelijk voor verlichte architecten als Ledoux, die geloofden in een maakbare, hiërarchisch geordende maatschappij, zoals ook naar voren komt in de directeurswoning in Arc-et-Senans, die hoger is en als enige voorzien van geblokte zuilen. Hoewel Ledoux en Boullée geassocieerd werden met het ancien régime vond hun werk weerklank in de Franse revolutie. Jean Nicolas Durand systematiseerde hun neoclassicistische architectuur tot een universeel systeem van modules, naar behoefte uit te breiden en toe te passen. 52

53 De invloed van Palladio kwam in Engeland begin 18de eeuw opnieuw sterk naar voren. Het eerste neo-palladiaanse huis is Chiswick House, bij Londen, ontworpen door William Kent en zijn opdrachtgever Lord Burlington, die in Europa een passie had opgevat voor de architectuur van Palladio. Hoewel het huis gebaseerd is op de villa Rotonda, werd het geen slaafse navolging. De centrale zaal bijvoorbeeld is achthoekig en de koepel is direct gebaseerd op die van het Pantheon. Toch kan het huis gezien worden als het beginpunt van het Engelse Palladianisme. Hierbij speelde de Grand Tour een grote rol: jonge leden van de bovenklasse reisden naar Europa om de resten van de antieke beschaving te aanschouwen. De reis had tot doel de smaak te ontwikkelen en Engelse kunstenaars en architecten wisten hier op in te springen, zoals de broers James en Robert Adam, die zelf de Grand Tour ondernomen hadden. Voor hun rijke opdrachtgevers bouwden ze neoclassicistische stads- en landhuizen, vaak inclusief de inrichting, met subtiele details en zachte kleuren. De broers ondernamen ook grote bouwprojecten, zoals de Adelphi, een rij pakhuizen aan de Thames die werden verbouwd tot luxe woningen met het uiterlijk van antieke bouwwerken. Hun invloed was groot: Londen was het middelpunt geworden van een wereldrijk, dus er was genoeg geld en er werden fraaie pleinen en halfronde crescents aangelegd, zoals de Park Crescent (1812) van de streng neoclassicistische architect John Nash, die ook verantwoordelijk was voor het extravagante, antiklassieke Royal Pavillion in Brighton, dat naar zijn ontwerp tussen 1815 en 1822 verbouwd werd in Indiaas-Islamitische stijl, met Chinese interieurs. Het Royal Pavillion kan beschouwd worden als een folie, in het 18de-eeuwse Engeland mede dankzij de Grand Tour in de mode gekomen. De 17de-eeuwse Franse schilder Claude Lorrain specialiseerde zich in Italiaanse landschappen gestoffeerd met antieke ruïnes, die dankzij de Grand Tour populair werden in Engeland. Dit leidde tot de ontwikkeling van de Engelse landschapstuin, gestoffeerd met follies. Een beroemd voorbeeld is Stowe House, in Buckinghamshire, dat in de 18de eeuw verbouwd werd in neoclassicistische stijl, o.a. naar ontwerpen van Robert Adam. Aan de inrichting van het park werkte ondermeer Lancelot Capability Brown ( ), een van de uitvinders van de Engelse landschapstijl. De meeste follies zijn neoclassicistisch, maar sommige vertonen andere stijlen, zoals de Gothic Temple van James Gibbs ( ) of het Chinese House van Francesco Sleter (1738). Deze schilderachtige landschapstuinen lopen vooruit op de romantiek, die samenhangt met de zoektocht naar de oorsprong, die ook naar voren kwam in het werk van de romantische filosoof Jean-Jacques Rousseau. In de architectuur speelde de ontdekking van echte Griekse tempels in Paestum en Sicilië een soortgelijke rol. De Griekse bevrijding van de Turken in 1831 maakte ook monumenten als de Akropolis toegankelijk. De architect James Stuart, die in Griekenland geweest was, ontwierp een van de eerste neo- Griekse gebouwen in Engeland, een Dorische tempel bij Shugborough Hall (1760), gebaseerd op de tempel van Hephastaios in Athene. De Greek revival kreeg een impuls van de Elgin Marbles, die werden gehuisvest in het nieuwe British Museum, uitgevoerd in Griekse stijl en ontworpen door de architect Robert Smirke, die Griekenland bezocht had. Hij was in de leer geweest bij John Soane, een architect die het neo-grieks omvormde tot een eigen stijl. Soane werd in 1788 architect van de grotendeels afgebroken Bank of England. Zijn eigen woonhuis in Londen bleef bewaard: een folie waarin de hele geschiedenis van de architectuur gedocumenteerd is. Het neo-grieks emigreerde ook naar Noord Amerika, met de Britse architect Benjamin Latrobe, die als jongeman rondgereisd had in Europa. In Amerika ontwierp hij een neo-grieks gebouwtje in Philadelphia, voor de Bank of Pennsylvania, dat in 1870 is afgebroken. Indrukwekkender is de Second Bank of the United States, een sobere kopie van het Parthenon ontworpen door Latrobe s leerling William Strickland. Ook het Palladianisme bereikte de VS, bijvoorbeeld in Monticello, het buitenhuis van president Thomas Jefferson in Charlottesville, Virginia. Als diplomaat in Frankrijk had Jefferson de Europese architectuur bestudeerd, en toen hij terugkwam liet hij zijn tussen zijn huis verbouwen tot een Palladiaanse villa. Greek revival en neo-palladian versmolten in 53

54 de VS tot een neoclassicistische stijl die populair werd voor overheidsgebouwen, zoals het Capitool in Washington, ontworpen door William Thornton, Benjamin Henry Latrobe en Charles Bulfinch. Het neo-grieks werd ook in Duitsland populair: een van de eerste neo-griekse architecten was Friedrich Gilly, die stamde uit een familie van gevluchte Franse hugenoten. Zijn ontwerp voor een monument voor Frederik de Grote uit 1796, geïnspireerd door het Parthenon, maakte grote indruk in Duitsland. Gilly s leerling, Karl Friedrich Schinkel, ontwierp o.a. de neo-griekse Neue Wache en het Altes Museum in Berlijn. Gilly s andere leerling Leo von Klenze, was actief in München en omgeving, waar hij voor koning Ludwig I o.a. het Walhalla aan de Doanau bij Regensburg ontwierp, een kopie van het Parthenon als tempel voor de bustes van beroemde en belangrijke Duitsers, die vanaf 1808 voor Ludwig gemaakt werden. Het werd een romantische architectuurfantasie met een nationalistische ondertoon. Von Klenze bouwde ook in Sint Petersburg, waar hij op uitnodiging van tsaar Nicolaas I het nieuwe Hermitage-museum ontwierp. Hans Jacob Otten Husly, Felix Meritis (gelukkig door verdiensten), , Amsterdam In Nederland was de Franse invloed belangrijk bij de komst van het neoclassicisme. De bizarre Franse architecte parlante Jean-Jacques Lequeu ontwierp in 1785 een pantheon voor Nederlandse helden en geleerden. Toch was al in het Hollands classicisme in de tweede helft van de 17de eeuw een versobering waar te nemen, bijvoorbeeld in het werk van Adriaan Dortsman, die in zijn gevels pilasters en timpanen wegliet. Dit wordt strakke stijl genoemd, halverwege de 18de eeuw gevolgd door het rococo, dat echter kort duurt. Hans Jacob Otten Husly geldt als een van de eerste neoclassicistische architecten in Nederland, in wiens werk de Louis Seize-stijl zich mengt met het Hollands classicisme. Zijn bekendste gebouw is Felix Meritis in Amsterdam, gebouwd voor een verlicht genootschap ter bevordering van kunsten en wetenschappen. In 1789 werd het geopend en kon het publiek o.a. de ovalen concertzaal en de grote tekenzaal bewonderen. Het gebouw is afgeleid van het Pantheon: een (hier ovalen) centraalbouw met een zuilenhal ervoor, bij Felix Meritis in de voorgevel verwerkt als vier Korinthische halfzuilen met een pediment. In en rond Haarlem is veel neoclassicistische architectuur te vinden, zoals de ovalen zaal van het Teylers museum van Leendert Viervant ( ) en het paviljoen Welgelegen, een buitenverblijf gebouwd voor de bankier Henry Hope ontworpen door de Amsterdamse architect Abraham van der Hart. Het gebouw werd in 1808 gekocht door Lodewijk Napoleon, door zijn broer Napoleon aangesteld als koning van Nederland. Van der Hart ontwierp in 1814 ook een monument ter ere van de keizer, dat niet toevallig de vorm van een piramide heeft. Napoleon s Egyptische veldtocht ( ) had in Europa grote interesse voor Egypte gewekt, wat zijn weerslag had in de kunst. Het neoclassicisme werd verrijkt met Egyptische motieven en de nieuwe stijl werd empire genoemd. Maar de piramide van Van der Hart heeft van binnen een gotische arcade, tekenend voor de architectonische verwarring die in de loop van de 19de eeuw ontstond. Ondertussen was 54

55 in Engeland de industrialisatie op gang gekomen, die leidde tot de toepassing van nieuwe bouwtechnieken en -materialen, zoals gietijzer, dat een grote toekomst had. Georges Eugène Haussmann, Place de l Etoile, Parijs Hoofdstuk 9: De 19de eeuw: van neostijlen tot art nouveau In de 19de eeuw deden zich grote omwentelingen voor, waarvan de industriële revolutie misschien het belangrijkst is, omdat die de voorwaarden schiep voor de opkomst van een massa die zich de industrieel vervaardigde producten kon veroorloven. De industriële revolutie had ook gevolgen voor de architectuur: dankzij gietijzer, staal en glas konden gebouwen verrijzen die zowel tegemoetkwamen aan de eisen van nieuwe technologieën als spoorwegen en stoommachines, als aan de wensen van een groeiend, kooplustig publiek. Begin 19de eeuw werd de Franse architectuur nog gedomineerd door het neoclassicisme, zoals naar voren komt in de tussen 1806 en 1842 gebouwde kerk de Madeleine in Parijs, ontworpen door Pierre Alexandre Vignon, die zich baseerde zich op het Romeinse Maison Carrée in Nîmes. In dezelfde periode transformeerde Parijs zich moeizaam tot een moderne stad: vanaf 1819 kwam er stadsverlichting en in 1837 de eerste spoorlijn, maar in de tweede helft van de 19de eeuw bloeide de Franse economie op. Keizer Napoleon III besloot Parijs ingrijpend te vernieuwen, een plan dat werd uitgevoerd onder leiding van prefect George Eugène Haussmann. Die liet zich leiden door een aantal principes: 1) aanleg van nieuwe straten, 2) verbetering van voorzieningen als riolering en verlichting, 3) openbaar groen en 4) beter openbaar vervoer. Oude wijken werden afgebroken, en de kosten waren astronomisch, maar Haussmanns plan, met brede boulevards en appartementenblokken in elegante neo-louis Seize-stijl, werd bepalend voor het gezicht van het nieuwe Parijs, de hoofdstad van de 19de eeuw. De boulevards ontwikkelden zich tot uitgaansgebieden, waar cabarets, cafés, restaurants en grands magasins (warenhuizen) verschenen. De grands magasins kwamen voort uit de passages, overdekte winkelstraten, die eind 18de eeuw in Parijs ontstonden. De eerste was de Passage Des Panoramas, uit 1799, met een overkapping van ijzer, hout en glas. Passages waren een groot succes en volgden snel in andere Europese steden als Londen, Milaan, Wenen en Brussel. De volgende stap was om winkels te integreren in één gebouw: het warenhuis: Au Bon Marché (1838), Grands Magasins du Louvre (1855), Le Printemps (1865) en La Samaritaine (1869). Het waren spectaculaire gebouwen 55

56 Henri Labrouste, leeszaal Bibliothèque St. Genévieve, Parijs, met glazen koepels, grote trappenhuizen, liften, elektrisch licht en een voortdurend veranderend assortiment. Tot de andere nieuwe gebouwen die in Parijs verschenen hoorden de markthallen van Victor Baltard en de bibliotheek van de voormalige abdij Ste. Genévieve, tussen 1843 en 1851 gebouwd naar ontwerp van Henri Labrouste. De leeszaal van het nieuwe gebouw bood plaats aan zoveel mogelijk lezers en had, om de ruimte open te houden, ranke gietijzeren zuilen en spanten die twee tongewelven droegen. Ook treinstations waren nieuw, zoals het Gare du Nord, dat in 1846 opende en tussen 1861 en 1865 vervangen werd door het huidige gebouw, ontworpen door de in Keulen geboren architect Jacques Ignace Hittorff. Beide gebouwen, bibliotheek en station, kregen streng neoclassicistische gevels, maar de overkapping van het Gare du Nord had gietijzeren zuilen en spanten, die gemaakt waren in Schotland, omdat de Franse gieterijen niet voldoende capaciteit hadden. Hittorff ontwierp ook een palais de l industrie voor de wereldtentoonstelling van 1855, maar dit werd door Napoleon III afgewezen omdat het te gedurfd was. Representatief gebouw: Joseph Paxton s Crystal Palace in Londen Joseph Paxton, Crystal Palace, 1851, Londen Het prototype was het beroemde Crystal Palace, gebouwd voor de eerste wereldtentoonstelling van 1851 in Londen op initiatief van Prince Albert (echtgenoot koningin Victoria). Bij de Great Exhibition lag het accent op industrie en handel en deelname stond open voor alle landen, al was het doel vooral het tonen van de Britse superioriteit. Het Crystal Palace was hier een voorbeeld van: 563 bij 139 bij 41 m, met m2 oppervlakte, geheel van gietijzer en glas. Het gebouw was ontworpen door Joseph Paxton ( ), die zijn sporen verdiend had als kassenbouwer voor de hertog van Devonshire. In diens great stove (broeikas) had hij een zgn. ridge & furrow (zaagtand) dak toegepast dat ook het Crystal Palace dekte. Alle gietijzeren onderdelen werden vooraf gemaakt en op de bouwplaats geassembleerd. De glasplaten werden vanaf trolleys gelegd, 108 platen per dag de man, en het Crystal Palace werd in 8 maanden voltooid. Gietijzer was in Engeland eind 18de eeuw voor het eerst als bouwmateriaal gebruikt in de Coalbrookdale-brug over de rivier de Severn, ontworpen door Abraham Darby III, telg uit een smedengeslacht dat kolen als brandstof voor de productie van gietijzer had geïntroduceerd, waardoor het goedkoper kon worden. De brug bewees dat gietijzer ook gebruikt kon worden in de bouw en ingenieurs werden steeds belangrijker in de architectuur. Paxton trof dan ook de kritiek dat hij misschien een goede kassenbouwer was, maar geen architect. 56

57 De wereldtentoonstelling was met ruim 6 miljoen bezoekers een groot succes. Met de winst werden o.a. het Victoria en Albert en Natural History museum gesticht. Het Crystal Palace werd afgebroken en in gewijzigde vorm herbouwd in Zuid-Londen, waar het een kwijnend bestaan leidde tot het in 1936 afbrandde. Overal waar nieuwe wereldtentoonstellingen plaatsvonden verrezen echter kopieën van het gebouw, zoals in New York in 1853 en München in Het Crystal Palace wees ook de weg naar een ander hoogtepunt van ingenieursbouwkunst: de Eiffeltoren, voor de Wereldtentoonstelling van 1889 gebouwd van geprefabriceerde onderdelen van smeedijzer en met 324 m meer dan 40 jaar lang het hoogste gebouw ter wereld. Deze ingenieursbouwkunst bleef echter beperkt tot utilitaire bouwwerken, in representatieve gebouwen domineerde nog altijd het neoclassicisme. Tegen het midden van de 19de eeuw ontstond hier in Engeland verzet tegen: de Gothic revival. Al in de 18de eeuw had de excentrieke politicus en schrijver Horace Walpole een neogotisch landhuis laten bouwen: Strawberry Hill, door hemzelf little play-thing house genoemd. Het huis had een schilderachtige, asymmetrische plattegrond en de interieurs en tuinen vormden een passend decor voor Walpole s Gothic Novel The Castle of Otranto (1765). Deze stucwerkgotiek vond in de 19de eeuw navolging in het werk van Augustus Welby Pugin ( ), een architectuurtekenaar van Franse afkomst die gefascineerd was door de middeleeuwen. In 1835 werd hij katholiek en het jaar daarop publiceerde hij Contrasts waarin hij het heidense neoclassicisme aanviel en de gotiek propageerde als enige waarachtige stijl voor zijn eigen tijd. Dankzij illustraties waarin schilderachtige middeleeuwse gebouwen gecontrasteerd werden met hun troosteloze neoclassicistische tegenhangers, maakte Contrasts indruk op het Engelse publiek en kreeg Pugin de kans zijn ideeën in praktijk te brengen als assistent van Sir Charles Barry, de neoclassicistische architect van the Houses of Parliament. Dit enorme gebouw verrees tussen 1836 en 1860 op de plaats van het door brand verwoeste middeleeuwse Palace of Westminster. De commissie belast met de herbouw had na lang debatteren besloten dat het gebouw een Elizabethan of gotische stijl moest krijgen, om aan te sluiten bij de bewaard gebleven 12de eeuwse Westminster Hall. Pugin kreeg de opdracht om Barry s ontwerp in gotische stijl uit te werken, maar was weinig gelukkig met het resultaat: All Grecian, Tudor details on a classic body. In zijn pleidooi voor de gotiek had hij echter een medestander gekregen: de kunstcriticus John Ruskin ( ), die tussen 1851 en 53 The Stones of Venice had gepubliceerd, een rijk geïllustreerd verslag van zijn zoektocht naar gotisch Venetië. Pugin en Ruskins pleidooi voor de gotiek had een morele dimensie: de industriële revolutie bedreigde de arbeidsvreugde en de kunst, en ze meenden dat alleen een terugkeer naar de ambachtelijke traditie van de middeleeuwen dit tij kon keren. Hun invloed was groot en steeds meer gebouwen werden in neogotische stijl uitgevoerd, zoals het Natural History Museum in Oxford, van de Ierse architecten Deane en Woodward, of het St. Pancras Station in Londen ( ) door George Gilbert Scott in Venetiaans gotische stijl ontworpen, met een overkapping van ingenieur William Barlow in de vorm van een afgevlakte spitsboog. De voorman van de Arts & Crafts beweging, William Morris, stichtte in 1861, geïnspireerd door Ruskin, een werkplaats waar op middeleeuwse wijze kunstnijverheid vervaardigd werd. Een van zijn eerste projecten was zijn eigen Red House, dat hij samen met de architect Philip Webb ontwierp. Het werd een vrijwel ornamentloos huis dat grote invloed zou hebben. Behalve ontwerpen voor allerlei vormen van kunstnijverheid, produceerde Morris talloze geschriften, die op het continent gretig werden gelezen. Hier was in Duitsland begin 19de eeuw ook belangstelling ontstaan voor de gotiek. De neo-griekse architect/schilder Schninkel bekeerde zich ertoe en ontwierp o.a. de Friedrichwerdersche Kirche in Berlijn, die tussen 1824 en 1831 gebouwd werd. De neogotische kerk is gebaseerd op Engelse voorbeelden, maar de uitvoering in baksteen verwees naar de Duitse traditie. Dit hing samen met het opkomend nationalisme, waarin de gotiek als Duitse stijl omhelsd werd. Het leidde o.a. tot een nationale inzamelingsactie voor de voltooiing van 57

58 de Keulse Dom, waarvan de oorspronkelijke bouwtekeningen waren teruggevonden. De bouw startte in 1842, waarbij men gebruik maakte van moderne materialen als smeedijzer, o.a. voor de dakconstructie. In 1880 kon de Dom als symbool van het in 1871 verenigde Duitsland door keizer Wilhelm I worden ingewijd. Het leidde in Europa tot talloze andere voltooiingsprojecten, zoals de St. Vituskathedraal in Praag (vanaf 1870) en de façade van de kathedraal van Florence (voltooid 1887). Ook in Frankrijk werden middeleeuwse gebouwen gerestaureerd, met name door de architect Eugène Viollet le Duc, waaronder het middeleeuwse vestingstadje Carcassonne in Zuid Frankrijk en de St. Denis bij Parijs. Viollet le Duc veroorloofde zich hierbij grote vrijheden en de gebouwen waren bij voltooiing middeleeuwser dan voorheen. In het kader van zijn restauratiewerk maakte Viollet le Duc een studie van de middeleeuwse architectuur van Frankrijk, die tussen 1854 en 1888 werd gepubliceerd. Meer invloed had zijn handboek Entretiens sur l architecture ( ) waarin hij de neostijlen bekritiseerde en moderne ontwerpen toonde, zonder historiserend ornament en met een proto-functionalistische toepassing van ijzer. Tot deze neostijlen hoorde de beaux-arts-stijl van de Opéra in Parijs, tussen 1861 en 74 gebouwd naar ontwerp van Charles Garnier. Dit overdadig gedecoreerde gebouw werd het prototype voor soortgelijke theaters in de hele wereld, zoals het Teatro Municipal in Rio de Janeiro, tussen 1905 en 1909 gebouwd met hulp van de Franse architect Albert Guilbert. In Duitsland besefte men inmiddels dat de gotiek een Franse stijl was, en richtte men zich op het echt Duitse Ottoonse romaans, Rundbogenstil genoemd, dat onder andere populair werd voor stationsgebouwen. Alle Europese neostijlen vonden hun weg naar de VS: de beaux-arts-stijl vooral voor mansions van miljardairs zoals dat van de staalmagnaat Andrew Carnegie, in 1903 gebouwd door de firma Babb, Cook & Willard. Neoromaans werd o.a. populair voor kerkgebouwen als de Trinity Church in Boston ( ) van Henry Hobson Richardson, die in Parijs architectuur gestudeerd had, maar terug in de VS ging werken in een eigen neoromaanse stijl: Richardsonian Romanesque. Hij paste de stijl o.a. ook toe op bibliotheken, overheidsgebouwen, stations en warenhuizen als de Marshall Field Wholesale Store in Chicago ( ). Deze groothandel besloeg een heel blok en was geconstrueerd van ijzer, steen en hout, met hoge ramen over meer etages. Dit gebouwtype werd in Amerikaanse steden steeds meer nagevolgd. Bijvoorbeeld het Auditorium Building in Chicago, met 4300 plaatsen de grootste concertzaal van de VS, ontworpen door de firma Adler en Sullivan die, omdat de grond te slap was, een nieuw funderingsysteem toepaste: een mat van spoorstaven met stalen rails erover, ingebed in beton. Het auditorium trok veel aandacht en leverde Adler en Sullivan de opdracht op voor een kantoorgebouw in St. Louis, het Wainwright Building, dat 10 verdiepingen hoog werd, met gevels die de structuur van het gebouw toonden, volgens het principe form (ever) follows function zoals Louis Sullivan het in 1896 verwoordde. Het werd het prototype van de wolkenkrabber, die zich dankzij de uitvinding van staal en van de safety elevator door Elisha Otis eind 19de eeuw in de VS ontwikkelde. Meestal werden wolkenkrabbers echter uitgevoerd in een neostijl, zoals het neoclassisistische Home Insurance Building van William le Baron Jenney of het 22 verdiepingen hoge Flatiron Building in New York, dat een beaux-arts-gevel kreeg. Ook de Nederlandse architectuur was midden 19de eeuw nog in de greep van het neoclassicisme, getuige de neo-griekse Nederlandse bank in Amsterdam ( ), ontworpen door Willem Froger. De Episcopal Church aan de Groenburgwal in Amsterdam uit 1827 wordt gezien als de eerste neogotische kerk in Nederland. Een ander vroeg voorbeeld is de gotische zaal uit ca bij het paleis Kneuterdijk van Koning Willem II, die in Oxford had gestudeerd had en daar in aanraking was gekomen met de Gothic Revival. Neogotisch waren ook de stoomgemalen voor de Haarlemmermeerpolder, waarvan de Cruquius als enige bewaard bleef. De neogotiek kwam in Nederland echter tot bloei in het werk van de Roermondse architect Pierre Cuypers ( ). Tijdens zijn studie in Antwerpen was hij in aanraking gekomen met de Belgische neogotiek, 58

59 die in het kielzog van de restauratie van de kathedraal van Antwerpen was opgekomen. In 1850 restaureerde Cuypers de romaanse Munsterkerk in Roermond, waarvoor hij o.a. advies vroeg aan Viollet le Duc. Zijn ontmoeting in 1854 met de katholieke voorman Joseph Albert Alberdingk Thijm leidde tot een neogotische revolutie in de Nederlandse architectuur, die in Amsterdam o.a. resulteerde in de Posthoornkerk ( ), Dominicuskerk ( ) en Vondelkerk (1870- Pierre Cuypers, Rijksmuseum Amsterdam, ), een centraalbouw die Cuypers zelf beschouwde als zijn meesterwerk. Dankzij Alberdingk Thijm en de katholieke politicus Victor de Stuers kreeg Cuypers ook de opdracht voor het Rijksmuseum, de nieuwe behuizing van de nationale kunstcollectie, sinds 1812 ondergebracht in het weinig adequate Trippenhuis. Cuypers had in 1862 deelgenomen aan de prijsvraag met een ontwerp dat in neorenaissance of neogotische stijl kon worden uitgevoerd. Het plan verdween echter in de ijskast, tot begin jaren 1870 de gemeente grond beschikbaar stelde. Cuypers nieuwe, grotere en ambitieuzere ontwerp werd tussen 1876 en 1885 uitgevoerd, echter niet in nationale neorenaissance-stijl, maar in een soort gotische variant hiervan, die hem op veel kritiek kwam te staan. In dezelfde periode verrees in Amsterdam het Centraal Station op een kunstmatig eiland dat het havenfront aan het IJ afsloot. De overkapping werd ontworpen werd door spoorwegingenieur J.L. Eijmer en Cuypers was (met A.L. van Gendt) verantwoordelijk voor het gebouw, dat ook werd uitgevoerd in een mengstijl van neogotiek en neorenaissance. Cuypers invloed op de volgende generatie was groot, maar zijn werk was nog geworteld in het verleden. Eind 19de eeuw snakte men naar een nieuwe stijl voor de nieuwe eeuw die op punt van aanbreken stond: een art nouveau. Art nouveau was de naam van de verbouwde galerie die kunsthandelaar Siegfried Bing in 1895 opende in Parijs. De verbouwing was ontworpen door Louis Bonnier, maar een eerder ontwerp was gemaakt door de Brusselse architect Victor Horta ( ) die Bing in 1894 in Brussel ontmoet had. Horta was o.a. opgeleid in Parijs, waar hij kennis had gemaakt met het werk van Viollet le Duc. In 1881 kwam hij in de leer bij Alphonse Balat, die o.a. de koninklijke kassen in Laken had ontworpen ( ). Hierna ontwierp hij woonhuizen voor de ontwikkelde Brusselse burgerij, onder wie de excentrieke wis- en natuurkundige Emile Tassel. Zijn huis uit staat te boek als het eerste voorbeeld van art nouveau-architectuur. Plattegrond en indeling weken af van wat gebruikelijk was in Brussel, maar het meest opvallend was Horta s gebruik van ijzer, aan de gevel 59

60 zowel als in het interieur, dat hij niet camoufleerde, maar juist benadrukte, o.a. door het een vloeiende vorm te geven. Het Tassel-huis had succes en Horta bouwde een aantal vergelijkbare huizen, waaronder zijn eigen huis en het Hôtel van Eetvelde ( ), met een interieur dat zich letterlijk plooit rondom een octagonale ruimte, opgetrokken uit ijzer en bekroond met een glazen lichtkoepel. De gevel van het huis bestaat uit een ijzeren erker, die voor de eigenlijke gevel hangt, een motief dat eerder voorkomt in het palau Güell ( ) van de Catalaanse architect Antoni Gaudí ( ) dat deze bouwde voor zijn mecenas de ondernemer Eusebio Güell. Net als het van Eetvelde-huis, heeft de erker binnen een dubbele boogstelling. Gaudí was een van de architecten van het Modernismo, dat opkwam in het kielzog van de economische opbloei van Barcelona in de 2de helft van de 19de eeuw, en ook hier waren de opdrachtgevers verlichte ondernemers. Deze bloei vertaalde zich in een enorm, gridvormig uitbreidingsplan, de Eixample, van de ingenieur en stedenbouwkundige Ildefons Cerdà, dat was gebaseerd op antieke Griekse en Romeinse voorbeelden zoals Miletus. In de Eixample zijn de hoeken van de blokken afgeschuind, zodat de zichtlijnen zo vrij mogelijk zijn. Dwars door het grid lopen diagonale boulevards, minder dan Cerdà oorspronkelijk had voorzien. De Eixample schiep grote vraag naar architecten en hiervoor werd in 1875 een school opgericht, waar o.a. Gaudí zijn opleiding ontving. In het Modernismo speelde het Catalaanse nationalisme een grote rol, hetgeen tot uiting kwam in de stijl, waarin de invloed van de Catalaanse gotiek domineert. René Binet, toegangspoort wereldtentoonstelling 1900, Parijs Horta s meest revolutionaire gebouw was wellicht het in 1895 voor de arbeiderspartij gebouwde Maison du Peuple (Volkshuis). Het was grotendeels opgetrokken uit ijzer ( kilo!), maar is ondanks protesten van architecten uit de hele wereld in 1964 afgebroken. In 1895 was de jonge Parijse architect Hector Guimard in Brussel, waar hij kennismaakte met Horta s werk. Guimard had tijdens zijn opleiding het werk van Viollet le Duc bestudeerd en zijn École du Sacré Coeur uit 1895 was met zijn schuin geplaatste ijzeren pijlers een hommage aan zijn leermeester. Horta s invloed komt naar voren in het Castel Béranger ( ), een appartementencomplex in Auteuil (bij Parijs). Het gebouw won in 1899 een van hoofdprijzen van een wedstrijd voor de beste façade, uitgeschreven door het Parijse gemeentebestuur. Het jaar daarop werd de komst van 1900 in Parijs groots gevierd met een wereldtentoonstelling, die een record aantal van ruim 50 miljoen bezoekers trok. De art nouveau was alomtegenwoordig, o.a. in de toegangspoort van René Binet en het paviljoen van Siegfried Bing. De nieuwe tijd was aangebroken. Hoofdstuk 10: De twintigste eeuw In de twintigste eeuw brak het nieuwe bouwen door, dat zich na de Eerste Wereldoorlog in Europa ontwikkelde en een wereldomspannende architectuurstijl werd. De wortels ervan lagen in de 19de eeuw, en de ontwikkeling verliep weinig rechtlijnig. Pas na de Tweede Wereldoorlog, bij de wederopbouw, kon het nieuwe bouwen de moderne architectuur gaan bepalen, waarna de stromingen elkaar snel opvolgden. Vanaf de jaren 80 werd, dankzij o.a. globalisering en de komst van de computer, de reikwijdte van de moderne architectuur nog groter. Hier hebben we de 60

61 Joseph Olbrich ( ), Secessions gebouw, Wenen, 1898 starchitects aan te danken, wier iconische gebouwen eind 20ste eeuw overal ter wereld verrezen. De Art Nouveau-architectuur genereerde in heel Europa lokale varianten, zoals naar voren kwam op de Parijse wereldtentoonstelling van 1900 waar in het Duitse paviljoen de Münchener kunstenaarsgroep Kunst im Handwerk haar producten toonde. Tot de groep hoorden August Endell ( ), die de spraakmakende gevel had ontworpen van het Münchener foto-atelier Elvira, en de schilder/ontwerper Peter Behrens ( ). In 1899 werd Behrens uitgenodigd om naar de kunstenaarskolonie Mathildenhöhe in Darmstadt te komen, waar hij zijn eigen woonhuis ontwierp. De andere huizen, zoals het Ernst-Ludwig-Haus (1900) dat diende als collectieve werkplaats, werden ontworpen door de Oostenrijkse architect Joseph Olbrich. Ze waren opvallend strak en ornamentloos, net als Olbrichs eerdere Weense gebouwen, dankzij de invloed van de Schotse architect/ ontwerper Charles Rennie Mackintosh ( ). Mackintosh had in 1897 de Glasgow School of Arts ontworpen, die tussen 1897 en 1909 in twee fasen gebouwd werd. In dit sobere gebouw verwerkte hij allerlei invloeden, waaronder die van Japanse kunst, een van de inspiratiebronnen van de art nouveau. Mackintoshs werk was in 1898 en 1899 in München te zien geweest en dit leidde tot de uitnodiging deel te nemen aan de achtste tentoonstelling van de Wiener Secession in hun door Olbrich ontworpen gebouw in Wenen. De Secession was in 1897 afgescheiden van het Genossenschaft der bildenden Künstler. Het strakke, spaarzaam gedecoreerde Secessionsgebouw was een Gesamtkunstwerk, waar behalve Olbrich ook andere kunstenaars aan bijdroegen, zoals Gustav Klimt en Koloman Moser. Ook Olbrichs leermeester, de classicistische architect Otto Wagner ( ) sloot zich in 1899 aan bij de Secession. Hij was eind 19de eeuw al tot een soberder stijl gekomen, zoals in zijn Majolica-Haus aan de Linke Wienzeile uit 1898, dat een vlakke gevel kreeg, bekleed met tegelwerk. Nog soberder is Wagners tussen 1904 en 1906 gebouwde Postsparkasse. De met marmer beklede gevel werd gedecoreerd met aluminium bouten en tot de gebruikte bouwmaterialen hoorden beton en roestvrij staal, dat o.a. werd toegepast in de met glas overdekte kasruimte. De versobering van de Secessionsstil kwam ook naar voren in het Palais Stoclet in Brussel ( ), een Gesamtkunstwerk met o.a. mozaïeken van Gustav Klimt, en ontworpen door Josef Hoffmann ( ). De rechthoekige volumes van het huis en de vlakke, met marmer en brons beklede gevels liepen vooruit op het modernisme. Het meest radicaal was echter de architect Adolf Loos ( ), die in de VS geweest was en na terugkomst in 1908 het essay Ornament und Verbrechen (ornament en misdaad) publiceerde, waarin hij stelde dat er in moderne architectuur geen plaats meer was voor ornament. Hij bracht dit zelf in praktijk in het winkelpand voor de herenmodezaak Goldman & Salatsch in het centrum van Wenen (1910), dat door Weense pers bespot werd. Een andere oplossing was om gebouw en ornament te laten samenvallen, zoals in het Casa Mila ( ) van Antoni Gaudí in Barcelona, waar de gevel organisch om de staalconstructie heen zit. Ook de Nederlandse architect Hendrik Pieter Berlage ( ) vond een oplossing voor het probleem in zijn beursgebouw in Amsterdam ( ), waar alle decoraties in het vlak van de gevel kwamen te liggen. In de traditie van de Art Nouveau werd de beurs een Gesamtkunstwerk, met bijdragen van o.a. Jan Toorop en Lambertus Zijl. Het gebouw luidde het rationalisme in, dat begin twintigste eeuw de Nederlandse architectuur domineerde. Berlage reisde in 1911 naar de VS, waar hij kennismaakte met het werk van Frank Lloyd Wright ( ), die assistent was 61

62 geweest van Adler & Sullivan voordat hij in 1893 voor zichzelf begon. Hij ontwierp aanvankelijk woonhuizen beïnvloed door de Arts & Crafts beweging en de Japanse architectuur, die hij gezien had op de World Colombian Exhibition van 1893 in Chicago. Geleidelijk ontwikkelde hij zijn eigen Prairie style, waarvan het Robie House ( ) in Chicago misschien het bekendste voorbeeld is. Een ander belangrijk gebouw van Wright was het Larkin building ( ), met een lichthal, de voorloper van het moderne atrium. Wright s werk was al in 1910 in Europa bekend geworden door een publicatie van uitgever Ernst Wasmuth, die o.a. ook Das Englische Haus (1904) van de invloedrijke architect/theoreticus Hermann Muthesius had uitgegeven. Muthesius was in 1907 een van de oprichters van de Deutsche Werkbund, met als doel kunst, ambacht en industrie samen te brengen. Tot de leden hoorde Peter Behrens, die in hetzelfde jaar ontwerper werd bij de AEG electrische apparatenfabriek, waarvoor hij een nieuw gebouw ontwierp (Turbinenfabrik ) met een stalen constructie die aan de buitenkant zichtbaar was. Behrens assistenten Walter Gropius ( ) en Adolf Meyer ( ) begonnen in 1910 een eigen bureau en ontwierpen de Fagus schoenleestenfabriek (1911), een soort antithese van Behrens AEG fabriek: met een plat dak en glaswanden die om de hoeken heen gevouwen zijn. Behrens en Gropius namen in 1914 deel aan de Werkbundtentoonstelling in Keulen, waar het Glaspavillon van Bruno Taut ( ) tot de opvallendste bouwwerken hoorde. Muthesius pleitte hier voor standaardisering van architectuur en kunstnijverheid, waartegen de Belgische architect Henry van de Velde zich verzette omdat hij vreesde dat dit ten koste zou gaan van de inbreng van de kunstenaar. Van de Velde was in 1905 directeur geworden van de Großherzogliche Kunstschule in Weimar en toonde op de tentoonstelling een theater van gewapend beton, waarmee hij ervaring had opgedaan toen hij in 1913 in Parijs aan het Théâtre des Champs- Elyseés had gewerkt met de architect Auguste Perret ( ), die gewapend beton als eerste zichtbaar had toegepast in een appartementengebouw aan de Rue Franklin ( ) in Parijs. Een andere Franse betonpionier was Tony Garnier ( ), die vanaf 1901 werkte aan zijn Cité Industrielle, een utopische stad van gewapend beton waarin functies als wonen, recreatie en werken van elkaar gescheiden zijn. Walter Gropius ( ), Bauhaus, Dessau, Al deze ontwikkelingen kwamen tot stilstand door de Eerste Wereldoorlog ( ). Van de Velde moest Weimar verlaten en werd na de oorlog in 1919 opgevolgd als directeur van de Großherzogliche Kunstschule door Walter Gropius, onder wie de school als Staatliches Bauhaus in Weimar verder ging. Het onderwijs was aanvankelijk gebaseerd op de ideeën van de Arts & Crafts-beweging, maar mede door de aanwezigheid van kunstenaars als de Nederlander Theo van Doesburg ( ), die in 1917 De Stijl had opgericht, en de Rus El Lissitzky ( ), een van de initiatoren van het Russische constructivisme, ontwikkelde het Bauhaus zich in modernistisch-functionalistische richting. Ondertussen keerde de politiek in Weimar zich tegen de school en in 1925 verhuisde het Bauhaus naar Dessau, waar het een functionalistisch gebouw betrok dat door Gropius ontworpen was. Omdat de school geen zelfstandige bouwkunde-afdeling had, bleef de architectuurproductie van het Bauhaus beperkt. Dit veranderde toen de architect Ludwig Mies van de Rohe ( ) directeur werd. Van de Rohe had in 1927 de leiding van de Weissenhofsiedlung bij Stuttgart, een moderne architectuurtentoonstelling, georganiseerd door de Deutsche Werkbund. Tot de deelnemende 62

63 architecten hoorden de Nederlanders J.J.P Oud ( ) en Mart Stam ( ). Oud was betrokken bij de Stijl en had met zijn sociale woningbouwprojecten voor de gemeente Rotterdam internationaal de aandacht getrokken. Mart Stam had o.a. samengewerkt met Lissitzky en was tussen 1925 en 1928 een van de architecten van de Van Nelle-fabriek in Rotterdam. Een andere architect die deelnam aan de Weissenhofsiedlung was Le Corbusier (Charles-Édouard Jeanneret, ), die afkomstig was uit Zwitserland en o.a. gewerkt had bij Peter Behrens, waar hij Gropius en van der Rohe ontmoette. In 1922 begon Le Corbusier samen met zijn neef Pierre Jeanneret een eigen bureau en in 1926 publiceerde hij in de Almanach d Architecture Moderne zijn cinq points d une architecture moderne (vijf punten /principes van de moderne architectuur): 1. pilotis, de massa van het gebouw rust op kolommen ipv. op muren. 2. le toit jardin: de daktuin (in feite: het platte dak) 3. plan libre (vrije plattegrond) 4. fenêtre en longueur (het doorlopende venster, ipv. een rij openingen in een muur) 5. façade libre (vrije, niet dragende, gevel) Le Corbusier (Charles Édouard Jeanneret, ) Villa Savoye, Poissy, Representatief gebouw: de villa Savoye van le Corbusier De beroemdste illustratie van de cinq points is de Villa Savoye bij Poissy, tussen 1928 en 1931 gebouwd als weekendhuis voor de rijke verzekeraar Pierre Savoye die een (vrijwel) onbeperkt budget ter beschikking stelde. De witte villa staat vrij op een dragend skelet van stalen kolommen en heeft een hellingbaan die de begane grond verbindt met de woonverdieping en het dakterras daarboven. De villa Savoye werd een icoon van het nieuwe bouwen en tot op de huidige dag een belangrijk referentiepunt voor architecten. In 1928 nam Le Corbusier het initiatief tot de oprichting van de CIAM (Congrès Internationaux d Architecture Moderne) een organisatie van architecten van het nieuwe bouwen. Tot de deelnemers hoorden o.a. Berlage, Mart Stam, Rietveld en Hannes Meyer, en de stedenbouw werd op het eerste congres in La Sarraz (Zwitserland) tot voornaamste taak van de architectuur verklaard. Le Corbusier had al in 1922 een plan tentoongesteld voor een stad van drie miljoen inwoners: de Ville Contemporaine, waar functies als wonen, werken, recreëren en vervoer van elkaar gescheiden waren, net als in Tony Garniers Cité Industrielle. Le Corbusiers stedenbouwkundige opvattingen en de witte gevels van de Weissenhofsiedlung werden maatgevend voor moderne archi-tectuur, ten koste van een andere tendens: het expressionisme, dat samenviel met de art deco. De naam art deco is afgeleid van de Exposition des Arts Decoratifs in Parijs in 1925, waar allerlei nieuwe invloeden en materialen naar voren kwamen - kubisme,afrikaansekunst, de stroomlijn, roestvrij staal, bakeliet etc. - in een stijl die even exuburant als weel-derig was. Het Nederlandse paviljoen was ontworpen door J. F. Staal en H. Wijdeveld, architecten van de Amsterdamse school die zich in reactie op het rationalisme van Berlage in 1916 voor het eerst manifesteerde in het exotische Scheepvaarthuis van Johan Melchior van de Mey ( ), Michel de Klerk ( ) en Pieter Lodewijk Kramer ( ). Hierna kreeg de Amsterdamse school de kans in de stadsuitbreidingen die vanaf 1918 in Amsterdam tot stand kwamen, waaronder het plan Zuid van Berlage en de Spaarndammerbuurt. Hier bouwde Michel de Klerk zijn woningbouwcomplex het Schip, waarin de decoratieve rijkdom van het Scheepvaarthuis zich vertaalde in expressieve 63

64 Michel de Klerk ( ), Het Schip, Spaarndammerbuurt, Amsterdam, vormen, een tendens die zich ook voordeed in Duitse architectuur, zoals in de Einsteinturm van Erich Mendelsohn ( ) in Potsdam, die tussen 1917 en 23 gebouwd werd voor een experiment van Einstein. Dankzij films als Fritz Langs Metropolis (1927) verspreidde de expressionistische art deco zich tijdens de roaring twenties niet alleen naar de VS, waar het Chrysler Building in New York geldt als de iconische art deco wolkenkrabber, maar o.a. ook naar India en China. In Duitsland keerde het politieke klimaat zich met de opkomst van de nationaal-socialisten tegen de moderne architectuur, en in 1931 verhuisde het Joodse Bauhaus van Dessau naar Berlijn, waar de school in 1933 door de Nazi s gesloten werd. Hierna volgde tussen 1940 en 1945 de Tweede Wereldoorlog. De verwoesting die hier het gevolg van was, leidde na de oorlog tot de wederopbouw, waarbij het nieuwe bouwen op grote schaal kon doorbreken. Vanaf 1946 bouwde Le Corbusier in Marseille zijn Unité d Habitation, bedoeld voor mensen die in de oorlog hun woning verloren hadden. Het gebouwtype was afkomstig uit zijn Ville Contemporaine (1922), waar de bewoners gehuisvest zouden worden in zelfvoorzienende appartementengebouwen. De bouw duurde 5 jaar en de Unité werd opgetrokken van ruw beton, of beton brut, dat in de moderne architectuur hierna op grote schaal werd toegepast. In Nederland had Rotterdam het meest geleden van de oorlog en hier kregen de architecten Jan van de Broek ( ) en Jaap Bakema ( ) de kans om de principes van het nieuwe bouwen toe te passen in de wederopbouw van de stad, o.a. in de Lijnbaan (geopend 1953), het eerste stedelijke winkelhart annex voetgangsgebied. De opvattingen van het nieuwe bouwen waren in Nederland al eerder naar voren gekomen in het algemeen uitbreidingsplan voor Amsterdam (1931), van Cornelis van Eesteren ( ), dat na de oorlog gerealiseerd werd. De meest Corbusiaanse nieuwe stad werd echter de Bijlmermeer ( ) van Siegfried Nassuth ( ): met in het groen gelegen flatgebouwen en enorme verkeersaders. Hier ontstonden in de jaren 80 grote problemen, en inmiddels is de Bijlmer gerenoveerd, waarbij veel flatgebouwen zijn afgebroken. De modernistische stedenbouw deed zich ook gelden in de VS, waar onder het bewind van Robert Moses ( ) oude New Yorkse buurten plaats maakten voor parken met torenflats, tunnels, bruggen en op viaducten gelegde verkeersaders. Met de komst van Mies van der Rohe naar de VS (1937) werd ook de wolkenkrabber modernistisch, met als beroemdste voorbeeld het Seagram Building in New York. Beton brut duikt in de Amerikaanse architectuur op in het werk van Louis Kahn ( ), die o.a. het Salk Institute for Biological Studies in la Jolla, California ( ) ontwierp, met gevels van beton gemengd met vulkanische as, die hierdoor een rozige glans kregen. Een complete Corbusiaanse stad van beton brut ontworpen door Oscar Niemeyer ( ) en Lucio Costa ( ) verrees eind jaren vijftig in Brazilië: Brasilia, dat de vorm kreeg van een vogel, met in het centrum het enorme, groene plein van de drie machten, waar o.a. het congresgebouw en gerechtshof verrezen. In dezelfde periode kwam er echter een reactie tegen de modernistische stedenbouw, het eerst binnen de CIAM. Op het 10de congres in Dubrovnik in 1956 wees Team X, het organiserend comité met architecten als Peter en Allison Smithson en Aldo van Eyk ( ), de functionele stad af en pleitte voor een habitat waarin ontmoeting en structuur centraal stonden, zoals in Van Eyck s burgerweeshuis in Amsterdam ( ), dat bestond uit kleine units gekoppeld aan grotere units die functioneerden als ontmoetingsplaatsen. Van Eyk s structuralisme vond in Nederland o.a. navolging in het werk van zijn leerlingen Theo Bosch ( ) en Piet Blom ( ), die in Rotterdam de kubuswoningen bouwde. In Japan waren de ideeën van Team X van invloed op de Metabolisten, die een architectuur propageerden van flexibele structuren voor de steden van 64

65 de toekomst. Het bekendste voorbeeld van hun werk is de Nagakin Capsule Tower ( ) van Kisho Kurokawa ( ), die bestaat uit wooncapsules die aan de structuur van het gebouw bevestigd kunnen worden. Le Corbusiers invloed bereikte Japan in het werk van Kenzo Tange ( ) die het Hiroshima Peace Memorial Museum ontwierp ( ). Een andere reactie op het modernisme was het postmodernisme, dat begon met de publicatie van Complexity and Contradiction in Architecture in 1966 van de Amerikaanse architect Robert Venturi, die hierin pleitte voor gebouwen die weer zouden verwijzen naar het traditie, volgens het adagium less is a bore (variant van Mies van de Rohe s uitspraak less is more). In zijn eigen werk introduceerde Venturi begin jaren 60 het klassieke motief van het timpaan, dat door andere postmoderne architecten als Philip Johson en Michael Graves werd nagevolgd. Centre Pompidou, Parijs, In dezelfde periode ontwikkelde zich in Engeland de high tech-architectuur met het werk van Richard Rogers ( ) en Norman Foster ( ). Rogers werkte samen met de Italiaanse architect Renzo Piano ( ) in het Parijse Centre Pompidou ( ), waarin alle leidingen, roltrappen, liften en luchtkokers aan de buitenkant zitten en aangeduid worden met eigen kleuren. Rogers voormalige partner Norman Foster ( ), ontwierp het hoofdkantoor voor de HSBC bank in Hong Kong, dat samen met het Centre Pompidou leidde tot de wereldwijde doorbraak van de high techarchitectuur. Dit soort complexe gebouwen werden mogelijk dankzij de komst van de computer, die in de architectuur onmisbaar is geworden en ook gebruikt werd bij het ontwerpen van het extravagante Guggenheim museum in Bilbao ( ) van Frank Gehry ( ). Dit gebouw wordt gezien als een hoogtepunt van het deconstructivisme : een andere verzetsbeweging tegen het modernisme, waar ook de Nederlandse architect Rem Koolhaas toe gerekend wordt ( ), die internationaal doorbrak met het boek: Delirious New York (1978), een soort blauwdruk voor de hedendaagse stad op basis van de georganiseerde chaos van Manhattan. In Koolhaas Kunsthal in Rotterdam worden de modernistische regels overtreden: golfplaat is gecombineerd met travertijn, de schuin aflopende vloer van de gehoorzaal vormt het plafond van het café eronder etc. Met zijn Met zijn rebelse architectuur en zijn activiteiten als theoreticus werd Koolhaas een van de starchitects, samen met Santiago Calatrava, Jean Nouvel, Zaha Hadid etc., van wie eind twintigste eeuw over de hele wereld iconische gebouwen verrezen. 65

66 Bijlagen Literatuurlijst Hoofdstuk I: Grieken Beard, Mary The Parthenon, Profile Books, 2002 Carratelli, Giovanni Pugliese (ed.) The Greek World. Art and Civilization in Magna Greacia and Sicily, Rizzoli, New York, 1996 Coulton, J.J. Ancient Greek architects at work, Cornell University Press, 1977 Pausanias (vert. Peter Burgersdijk) Beschrijving van Griekenland. Gids van toen voor de toerist van nu., Atheneum-Polak & van Gennep, 2011 Hoofdstuk 2: Romeinen Adam, Jean-Pierre Roman Building: Materials and Techniques, Indiana University Press, 1994 Jones, Mark Wilson Principles of Roman Architecture, Yale Univ. Press, New Haven & London, 2000 MacDonald, William L. The Pantheon, Harvard Univ. Press, Cambridge Mass, 1976 Vitruvius (vert. Morris Hicky Morgan) The Ten Books on Architecture, Dover, NY, 1960 Rowland, Ingrid D. Howe, Thomas Noble, Vitruvius: Ten Books on Architecture, Cambridge University Press, 1999 Hoofdstuk 3: Vroeg-christelijke en Karolingische architectuur Conant, Kenneth John Carolingian and Romanesque Architecture, 800 to 1200, Penguin Books, Hammondsworth, 1973 Dodds, Jerrilynn D., (ed.) Al Andalus. The Art of Islamic Spain, Harry Abrams, New York, 1992 Fontaine, Jacques l Art Préroman Hispanique 1, Zodiaque, La Pierre qui Vire, 1973 Fontaine, Jacques l Art Mozarabe, (l Art Préroman Hispanique 2), Zodiaque, La Pierre qui Vire, 1995 Krautheimer, Richard Early Christian and Byzantine Architecture, Yale Univ. Press, New Haven & London, 1986 (4th. ed.) Mainstone, Rowland L. Hagia Sophia. Architecture, Structure and Liturgy of Justinian s Great Church, Thames & Hudson, NY, 1988 Thierry, Jean-Michel L Arménie en Moyen-Age, Zodiaque, Paris, 2000 Untermann, Matthias Der Zentralbau im Mittelalter. Form, Funktion, Verbreitung, Wissenschaftlichte Buchgesellschaft, Darmstadt, 1989 Hoofdstuk 4: De middeleeuwen I: het romaans Conant, Kenneth J. Carolingian and Romanesque architecture, 800 to 1200, Harmondsworth: Penguin, (1959), 4de ed (Yale) Bandmann, G. Mittelalterliche Architektur als Bedeutungsträger. Berlin: Gebr. Mann, Kubach, Hans Erich Romanesque Architecture. New York, Abrams, 1975 La Nuit des Temps Editions Zodiaque, , 88 delen over het Romaans, hiernaast 16 delen Introduction Timmers, J.J.M. Atlas van het Romaans, Amsterdam en Brussel 1965 Timmers, J.J.M. De kunst van het Maasland. De Romaanse periode, Van Gorcum, Assen 1971 Toman, Rolf Romanesque, Könemann, (1997) 66

67 Hoofdstuk 5: De middeleeuwen II: gotiek Erlande-Brandenbourg, A The Cathedral: the Social and Architectural Dynamics of Construction. Cambridge and New York: Cambridge University Press, Kimpel, D. & R. Suckale Die gotische Architektur in Frankreich Munich: Hirmer, Mâle, Emile The Gothic Image: Religious Art in France of the Thirteenth Century. Trans. D. Nussey. New York : Harper, Panofsky, Erwin, ed. and trans. Abbot Suger On the Abbey Church of St. -Denis and Its Art Treasures. 2nd ed. by Gerda Panofsky-Soergel. Princeton: Princeton UP, Pearsall, Derek Gothic Europe, London and New York: Longman, Simson, Otto von The Gothic Cathedral, Origins of Gothic Architecture and the Medieval Concept of Order. 3rd ed. Princeton: Princeton University Press, Hoofdstuk 6: De renaissance Alberti,Leon Battista On the Art of Building in Ten Books. Trans. Leach, N., Rykwert, J., & Tavenor, R. Cambridge: The MIT Press, 1988 Giovanni Fanelli Brunelleschi, 1980, Becocci editore Firenze Howard Saalman Filippo Brunelleschi: The Buildings, London: Zwemmer, 1993 Manfred Wundram, Thomas Pape, Paolo Marton Andrea Palladio, Taschen Harald Busch, Bernd Lohse, Hans Weigert Baukunst der Renaissance in Europa. Von Spätgotik bis zum Manierismus, Frankfurt af Main, 1960 Marion Kaminski Art and Architecture of Venice, 1999, Könemann Hoofdstuk 7: De barok Blunt, Anthony Borromini, Harvard University Press 1979 Bosel R., C.L. Frommel (eds.) Borromini e l universo barocco, Milano, Electa, 2000 (ook in het Duits vertaald). Lemerle Frederique & Yves Pauwels Baroque Architecture: , Flammarion 2008 Portoghesi, Paolo Francesco Borromini, Art Books Intl Ltd, 1998 Snodin, Michael & Nigel Llewellyn, Baroque Style in the Age of Magnificence , V & A Publishing 2009 Wittkower, R. Art and Architecture in Italy, , 3 vols., Yale University Press, Hoofdstuk 8: Rococo & neoclassicisme Jean-Claude Lemagny Visionary Architects: Boullée, Ledoux, Lequeu, Hennessey & Ingalls, 2002 Honour, Hugh 1968 Neo-classicism. Style and Civilisation 1968 Honour, Hugh Chinoiserie; the vision of Cathay, Londen, J. Murray, 1961 David Irwin Neoclassicism (in series Art and Ideas) (Phaidon, paperback 1997) Rykwert, Joseph On Adam s House in Paradise: The Idea of the Primitive Hut in Architectural History (Museum of Modern Art, first edition, 1972) Arno Schönberger and Halldor Soehner, 1960 The Age of Rococo Published in the US as The Rococo Age: Art and Civilization of the 18th Century (Originally published in German, 1959) 67

68 Hoofdstuk 9: De 19de eeuw: van neostijlen tot art nouveau Lemoine, Bertrand L architecture du fer: France, XIXe siecle. Presses universitaires de France, Geist, J.F. Le Passage: Un type architectural du XIXe siècle [1969, 1982]. Translated from German by Marianne Brausch. Liege (Belgium): Pierre Mardaga, 1987 Russell, Frank (ed.) Art nouveau architecture, London, Academy 1979 Delevoy, Robert-Léon Giovanni Wieser et Maurice Culot, Bruxelles 1900, capitale d art nouveau, Bruxelles, École d architecture et des arts visuels 1971 Dierkens-Aubry, Françoise Jos Vandenbreeden et al., Horta, Van art nouveau tot modernisme, Gent, Ludion 1996 Greenhalgh, Paul Art Nouveau, , London: V&A Publications 2000 van Leeuwen, A.J.C. Pierre Cuypers architect ( ), Zwolle-Amersfoort-Zeist, 2007 McKean, John Crystal Palace: Joseph Paxton & Charles Fox, Phaidon Press, London, 1994 Hoofdstuk 10: De twintigste eeuw Fanelli, Giovanni Moderne architectuur in Nederland , s-gravenhage : Staatsuitgeverij 1981 Pevsner, Nikolaus Pioneers of modern design: from William Morris to Walter Gropius, New Haven, CT, Yale University Press 2005 (4th [rev. and expanded] ed.) Frampton, Kenneth Modern Architecture: A Critical History, Thames & Hudson, London, 4th edition (2007) Banham, P. Reyner Theory and Design in the First Machine Age Cees Boekraad; Ruth Koenig; Tom Haartsen Het Nieuwe Bouwen: De Nieuwe Beelding in de architectuur, Delft, Delft University Press 1983 (4 vols.) Feierabend, Peter & Jeannine Fiedler et.al Bauhaus Keulen: Kohnemann, 2000 Whitford, Frank Bauhaus, Londen: Thames and Hudson, 1984 Cohen, Jean-louis Le Corbusier, Tashen 2005 Polano, Sergio Hendrik Petrus Berlage: het complete werk, Alphen aan den Rijn, Atrium 1988 Singelenberg, Pieter, Manfred Bock, Kees Broos Berlage, , Amsterdam: Van Gennep 1979 Casciato, Maristella De Amsterdamse School, Rotterdam: Uitgeverij Bock,Manfred, Sigrid Johannisse, Vladimir Stissi et. al. Michel de Klerk: bouwmeester en tekenaar van de Amsterdamse School, , Rotterdam: NAi Uitgevers 1997 Fanelli, Giovanni Stijl-Architektur: der niederländische Beitrag zur frühen Moderne, Stuttgart, Deutsche Verlags-Anstalt 1985 Hoek, Els; Marleen Blokhuis; Meta Knol; Roman Koot Theo van Doesburg: oeuvre catalogus, Utrecht: Centraal Museum, Otterlo: Kröller-Müller Museum 2000 Küper, Marijke; Ida van Zijl Gerrit Th. Rietveld : het volledige werk, Utrecht: Centraal Museum 1992 Rem Koolhaas Delirious New York: A Retroactive Manifesto of Manhattan (1978) 68

69 AANTEKENINGEN 69

70

ART HISTORY Klassieke Oudheid. H 4 - profiel Grieken 500 v. Chr - 100

ART HISTORY Klassieke Oudheid. H 4 - profiel Grieken 500 v. Chr - 100 ART HISTORY Klassieke Oudheid H 4 - profiel Grieken 500 v. Chr - 100 De Griekse stadstaten Kreta is de bakermat van de Griekse beschaving. Door de ligging en handel met andere oudere culturen was hier

Nadere informatie

Romeinen. Bouwkunst. Beeldhouwkunst. Schilderkunst

Romeinen. Bouwkunst. Beeldhouwkunst. Schilderkunst Romeinen Romeinen Bouwkunst Beeldhouwkunst Schilderkunst Tijdlijn 750 0 500 Het Romeinse rijk De Romeinen hadden hun opkomst, bloei en ondergang tussen de jaren 750 v. Chr. en 500 n. Chr. Het Romeinse

Nadere informatie

Romeinen. Bouwkunst. Beeldhouwkunst. Schilderkunst

Romeinen. Bouwkunst. Beeldhouwkunst. Schilderkunst Romeinen Romeinen Bouwkunst Beeldhouwkunst Schilderkunst Tijdlijn 750 0 500 Het Romeinse rijk De Romeinen hadden hun opkomst, bloei en ondergang tussen de jaren 750 v. Chr. en 500 n. Chr. Het Romeinse

Nadere informatie

De Griekse Bouwkunst

De Griekse Bouwkunst De Oude Grieken De Oude Grieken Het land Griekenland ligt in het zuidoosten van Europa. Het bestaat uit een groot stuk vastland en een heleboel kleine eilandjes. Griekenland bestond uit allerlei staatjes.

Nadere informatie

Inhoud: Geschiedenis Bouw Toerisme Arco di Constantino Weetjes

Inhoud: Geschiedenis Bouw Toerisme Arco di Constantino Weetjes Inhoud: Geschiedenis Bouw Toerisme Arco di Constantino Weetjes geschiedenis Vespasianus' amfitheater was het beroemdste in de Romeinse wereld. Het werd bekend als Amphitheatrum Flavium - afgeleid van Flavius,

Nadere informatie

Les 1. Periode 2 Kunstgeschiedenis

Les 1. Periode 2 Kunstgeschiedenis Les 1 Periode 2 Kunstgeschiedenis 1 Overzicht Periode 2 * 3 Pedegrees + opdrachten Les * Perioden/stromingen: -Romeinen Deze Les -Vroegchristelijk -Romaans -Gotiek -Vroeg-Renaissance Pedegrees uitgeprint

Nadere informatie

Naam: De Romeinen. Vraag 1. De Romeinen hebben veel gebouwd. Noem vijf verschillende toepassingen. pagina 1 van 6

Naam: De Romeinen. Vraag 1. De Romeinen hebben veel gebouwd. Noem vijf verschillende toepassingen. pagina 1 van 6 Naam: De Romeinen De Romeinse bouwkunst. De Romeinen behoren tot de beste bouwers uit de geschiedenis. Ze bouwden tempels, riolen, waterleidingen, wegen, kanalen, huizen, aquaducten, havens, bruggen en

Nadere informatie

een zee Sparta Sparta is een stad in Griekenland. Rond 600 voor Christus waren de steden in

een zee Sparta Sparta is een stad in Griekenland. Rond 600 voor Christus waren de steden in Werkblad 9 Ω Grieken en Romeinen Ω Les : Grieken: goden en mensen Sparta Sparta is een stad in Griekenland. Rond 600 voor Christus waren de steden in Griekenland heel belangrijk. Ze werden stadstaten genoemd.

Nadere informatie

Samenvatting KCV Griekse kunst Forum

Samenvatting KCV Griekse kunst Forum Samenvatting KCV Griekse kunst Forum Samenvatting door een scholier 770 woorden 20 juli 2018 0 keer beoordeeld Vak Methode KCV Forum - K L A S S I E K E C U L T U U R - Griekse kunst Beeldhouwkunst De

Nadere informatie

Pantheon. Door Thom Zagwijn (8365) V4B 2017/2018. Pantheon PO Thom Zagwijn V4B Pagina 1

Pantheon. Door Thom Zagwijn (8365) V4B 2017/2018. Pantheon PO Thom Zagwijn V4B Pagina 1 Pantheon Door Thom Zagwijn (8365) V4B 2017/2018 Pantheon PO Thom Zagwijn V4B Pagina 1 Voorwoord In dit werkstuk vertel ik over het Pantheon, een monument uit de Romeinse oudheid. Naast een stukje geschiedenis

Nadere informatie

De Eerste Ingenieur. Image not found or type unknown. Image not found or type unknown

De Eerste Ingenieur. Image not found or type unknown. Image not found or type unknown De Eerste Ingenieur. Vanaf de 9e eeuw verschenen er in Europa plotseling grote kathedralen. Deze grote godshuizen of basilieken werden in eerste instantie in de romaanse bouwstijl opgetrokken en pas naderhand

Nadere informatie

In het oude Rome De stad Rome

In het oude Rome De stad Rome In het oude Rome De stad Rome In het oude Rome De stad Rome is héél oud. De stad bestaat al meer dan tweeduizend jaar. Rome was de hoofdstad van het grote Romeinse rijk. De mensen die naar Rome kwamen,

Nadere informatie

In Egypte zijn houten panelen met realistische portretten gevonden, omdat de droge lucht het hout bewaard heeft.

In Egypte zijn houten panelen met realistische portretten gevonden, omdat de droge lucht het hout bewaard heeft. Romeinse bouwkunst. Etrusken: De Romeinse bouwkunst werd sterk beïnvloed door de Etrusken. De Etrusken stonden bekend om hun dodensteden, waar een dode een soort huisje had. De dode werd op een aanlig

Nadere informatie

Bouwkunst. A. Bespreek de kenmerken de oude GRIEKSE TEMPEL Onderdelen - het grondplan van een Griekse tempel

Bouwkunst. A. Bespreek de kenmerken de oude GRIEKSE TEMPEL Onderdelen - het grondplan van een Griekse tempel Bouwkunst A. Bespreek de kenmerken de oude GRIEKSE TEMPEL Onderdelen - het grondplan van een Griekse tempel * rechthoek * wiskundig in evenwicht * vaste verhoudingen * vrij eenvoudig * veel kleuren ( fresco

Nadere informatie

3.1Griekse beeldhouwkunst

3.1Griekse beeldhouwkunst Samenvatting door een scholier 1497 woorden 13 december 2004 7 34 keer beoordeeld Vak Methode KCV Forum 3 Griekse kunst 3.1Griekse beeldhouwkunst de Griekse beeldhouwkunst bestaat uit drie perioden: de

Nadere informatie

Romeinen. Romeinen. Germanen

Romeinen. Romeinen. Germanen Romeinen Romeinen Grieken en Romeinen lijken op elkaar qua levensstijl. Het Romeinse rijk is ontstaan in Rome (753 v. Chr.). De Romeinen kwamen 50 v. Chr. naar Nederland. De Romeinen hebben het Latijns

Nadere informatie

Reisverslag Berlijn 2012 Deel 2 [1]

Reisverslag Berlijn 2012 Deel 2 [1] Gepubliceerd op Willem-Jan van der Zanden (http://www.wjvanderzanden.nl) Home > Reisverslag Berlijn 2012 Deel 2 Reisverslag Berlijn 2012 Deel 2 [1] Door wjvanderzanden [2] op za, 10/20/2012-22:50 Tags:

Nadere informatie

Werkstuk Grieks Akropolis

Werkstuk Grieks Akropolis Werkstuk Grieks Akropolis Werkstuk door een scholier 2240 woorden 15 mei 2002 5,6 168 keer beoordeeld Vak Grieks Geschiedenis van De Akropolis In 480 voor Christus vielen de Perzen onder leiding van koning

Nadere informatie

Verslag Geschiedenis Tijdvakkendossier tijdvak 2: tijd van Grieken en Romeinen

Verslag Geschiedenis Tijdvakkendossier tijdvak 2: tijd van Grieken en Romeinen Verslag Geschiedenis Tijdvakkendossier tijdvak 2: tijd van Grieken en Romeinen Verslag door Lotte 1570 woorden 19 juni 2017 3 4 keer beoordeeld Vak Methode Geschiedenis Feniks Tijdvak: Tijd van Grieken

Nadere informatie

De Oude Grieken GEOMETRISCHE ARCHAÏSCHE KLASSIEKE HELLENISTISCHE ORIENTALISEERDE - ZWARTFIGURIG - ROODFIGUURIG

De Oude Grieken GEOMETRISCHE ARCHAÏSCHE KLASSIEKE HELLENISTISCHE ORIENTALISEERDE - ZWARTFIGURIG - ROODFIGUURIG De Oude Grieken GEOMETRISCHE ARCHAÏSCHE KLASSIEKE HELLENISTISCHE 1050 720 480 323 140 0 1100 700 600 530 GEOMETRISCHE ORIENTALISEERDE - ZWARTFIGURIG - ROODFIGUURIG De Oude Grieken Het land Griekenland

Nadere informatie

Hera 1 / basilica dorisch 6 e v.c., Paestum Archaïsche fase ( v.c.) Hera 2 / tempel poseidon dorisch 5 e v.c., Paestum

Hera 1 / basilica dorisch 6 e v.c., Paestum Archaïsche fase ( v.c.) Hera 2 / tempel poseidon dorisch 5 e v.c., Paestum Hera 1 / basilica dorisch 6 e v.c., Paestum Archaïsche fase (600480 v.c.) Hera 2 / tempel poseidon dorisch 5 e v.c., Paestum Archaïsche fase (600480 v.c.) 1 Hera tempel (dorisch) 6 e v.c., Olympia Archaïsche

Nadere informatie

Tijd van Grieken en Romeinen. 2.4 De late oudheid. Romeinen. Romeinen. 1. Invallen door Germaanse stammen

Tijd van Grieken en Romeinen. 2.4 De late oudheid. Romeinen. Romeinen. 1. Invallen door Germaanse stammen De ontwikkeling van het jodendom en het christendom als de eerste monotheïstische godsdiensten Pax Romana = Romeinse vrede, in 3 e eeuw n. Chr. onder druk door: 1. Invallen door Germaanse stammen 2. Conflicten

Nadere informatie

De 7 wereldwonderen. De piramiden van Gizeh: Tijd

De 7 wereldwonderen. De piramiden van Gizeh: Tijd Opzoekfiche van Fien uit klas Wim 26/11/09 Blz. 1 van 8 De 7 wereldwonderen zijn 7 bijzondere bouwwerken. De zeven wereldwonderen zijn: 1. De piramiden van Gizeh 2. De hangende tuinen van Babylon 3. De

Nadere informatie

Tijd van Grieken en Romeinen. Romeinen. Romeinen. 1. Invallen door Germaanse stammen

Tijd van Grieken en Romeinen. Romeinen. Romeinen. 1. Invallen door Germaanse stammen Pax Romana = Romeinse vrede, in 3 e eeuw n. Chr. onder druk door: 1. Invallen door Germaanse stammen 2. Conflicten om de macht (235 284 meer dan 50 soldatenkeizers ) 3. Waardevermindering van het geld

Nadere informatie

Tijd van Grieken en Romeinen. Romeinen. Romeinen. 1. Invallen door Germaanse stammen

Tijd van Grieken en Romeinen. Romeinen. Romeinen. 1. Invallen door Germaanse stammen Pax Romana = Romeinse vrede, in 3 e eeuw n. Chr. onder druk door: 1. Invallen door Germaanse stammen 2. Conflicten om de macht (235 284 meer dan 50 soldatenkeizers ) 3. Waardevermindering van het geld

Nadere informatie

Rome. Rome. Via Appia Antica

Rome. Rome. Via Appia Antica Via Appia Antica De Via Appia Antica was een van de meest belangrijke wegen ter wereld en een van de bekendste van alle wegen die vanuit naar zowat alle uiteinden van het inse Rijk uitzwermden. Langs de

Nadere informatie

Bouwstijlen van kerken in Nederland. De volgende bouwstijlen worden kort toegelicht met tekst en beeldmateriaal:

Bouwstijlen van kerken in Nederland. De volgende bouwstijlen worden kort toegelicht met tekst en beeldmateriaal: Bouwstijlen Bouwstijlen van kerken in Nederland De volgende bouwstijlen worden kort toegelicht met tekst en beeldmateriaal: Oudste stenen gebouw Romaans Gotiek Neogotiek Renaissance Neorenaissance Classicisme

Nadere informatie

Hoofdstuk 1. Geschiedenis van de Bouwkunst zie Wikipedia, LOI, Pinterest, Esthetica e.a voor Christus tot 1000 na Christus

Hoofdstuk 1. Geschiedenis van de Bouwkunst zie Wikipedia, LOI, Pinterest, Esthetica e.a voor Christus tot 1000 na Christus 2000 voor Christus tot 1000 na Christus Hoofdstuk 1 1 De Griekse en Romeinse cultuur liggen aan de basis van de huidige westerse cultuur. Op het gebied van architectuur is de invloed van deze basis door

Nadere informatie

Rome <> Tablet versie 1. Rome. Forum Romanum

Rome <> Tablet versie 1. Rome. Forum Romanum Rome Forum Romanum Het Forum Romanum was het centrum van het publieke leven in het Romeinse keizerrijk wat blijkt uit de vele overblijfselen van triomfbogen, tempels en basilicas. Ondanks dat er van de

Nadere informatie

2. Het Forum Romanum 2. DE ROMEINSE KUNST

2. Het Forum Romanum 2. DE ROMEINSE KUNST Pl a t t e g r o nde nui the tte ks t bo e ke noe f e nbo e k o mt epr i nt e n 2. DE ROMEINSE KUNST 2. Het Forum Romanum Rome groeide van een klein, onbetekenend dorpje uit tot een wereldstad, het centrum

Nadere informatie

Praktische opdracht Grieks De akropolis met het parthenon

Praktische opdracht Grieks De akropolis met het parthenon Praktische opdracht Grieks De akropolis met het parthenon Praktische-opdracht door een scholier 2180 woorden 16 november 2002 5,6 159 keer beoordeeld Vak Grieks Inleiding Het onderwerp van dit werkstuk

Nadere informatie

Samenvatting Geschiedenis Tijd van Grieken en Romeinen: kern, perspectief en kenmerkende aspecten

Samenvatting Geschiedenis Tijd van Grieken en Romeinen: kern, perspectief en kenmerkende aspecten Samenvatting Geschiedenis Tijd van Grieken en Romeinen: kern, perspectief en kenmerkende aspecten Samenvatting door Lotte 2036 woorden 19 juni 2017 5,4 4 keer beoordeeld Vak Methode Geschiedenis Feniks

Nadere informatie

VORMTEKENEN VIJFDE KLAS ZUILEN

VORMTEKENEN VIJFDE KLAS ZUILEN VORMTEKENEN VIJFDE KLAS ZUILEN Luc Cielen EGYPTE : PALM Palmzuil Edfu Egypte Zo staat de tekening op het bord. Zonder de tekst 1-LC-vormtekenen-zuilen-5e klas-1 Eerste symmetrie-afwerking Tweede symmetrie-afwerking.

Nadere informatie

Samenvatting Geschiedenis Hoofdstuk 5 De Romeinen

Samenvatting Geschiedenis Hoofdstuk 5 De Romeinen Samenvatting Geschiedenis Hoofdstuk 5 De Ro Samenvatting door S. 1180 woorden 29 maart 2016 6,4 11 keer beoordeeld Vak Methode Geschiedenis Sprekend verleden Hoofdstuk 5 De Ro Paragraaf 1 t/m 7 1 Van dorp

Nadere informatie

Geschiedenis Tijdvak CC Naamsvermelding 3.0 Nederland licentie. https://maken.wikiwijs.nl/101047

Geschiedenis Tijdvak CC Naamsvermelding 3.0 Nederland licentie. https://maken.wikiwijs.nl/101047 Geschiedenis Tijdvak 02 01 Auteur VO-content Laatst gewijzigd Licentie Webadres 10 mei 2017 CC Naamsvermelding 3.0 Nederland licentie https://maken.wikiwijs.nl/101047 Dit lesmateriaal is gemaakt met Wikiwijs

Nadere informatie

Hoofdstuk 14: De romaanse en gotische kunst

Hoofdstuk 14: De romaanse en gotische kunst Hoofdstuk 14: De romaanse en gotische kunst Inleiding Inleidende oefening: bespreek met je buur de chronologische volgorde van deze zes gebouwen en noteer de corresponderende letters in die volgorde A

Nadere informatie

5,7. Gladiatoren. Werkstuk door een scholier 1425 woorden 2 april keer beoordeeld. Inleiding

5,7. Gladiatoren. Werkstuk door een scholier 1425 woorden 2 april keer beoordeeld. Inleiding Werkstuk door een scholier 1425 woorden 2 april 2002 5,7 223 keer beoordeeld Vak KCV Inleiding De opdracht was om een werkstuk te maken over iets wat te maken had met de klassieke oudheid. De opdracht

Nadere informatie

Project Prehistorie, Grieken en Romeinen ABC

Project Prehistorie, Grieken en Romeinen ABC Project Prehistorie, Grieken en Romeinen ABC Week 1ABC: Algemeen Info: Prehistorie De geschiedenis in Nederland begint al heel lang geleden. Lang voordat de Romeinen in Nederland kwamen, waren er al mensen.

Nadere informatie

Samenvatting Geschiedenis Hoofdstuk 2 tijd van grieken en romeinen, paragraaf 3 Imperium Romanum

Samenvatting Geschiedenis Hoofdstuk 2 tijd van grieken en romeinen, paragraaf 3 Imperium Romanum Samenvatting Geschiedenis Hoofdstuk 2 tijd van grieken en romeinen, paragraaf 3 Imperium Romanum Samenvatting door Anisha 1170 woorden 23 januari 2018 0 keer beoordeeld Vak Methode Geschiedenis Feniks

Nadere informatie

GRIEKEN EN ROMEINEN KENNISVRAGEN VWO-4

GRIEKEN EN ROMEINEN KENNISVRAGEN VWO-4 GRIEKEN EN ROMEINEN KENNISVRAGEN VWO-4 1. Leg uit wat een sofist was. score: 2. Welke rol speelden de sofisten in de Atheense democratie? 3. Waarom is het niet juist te spreken van Griekenland in de tijd

Nadere informatie

Over land en over zee. Veroveraars

Over land en over zee. Veroveraars De Romeinen hadden een heel groot rijk van Azië, Noord- Afrika en ook nog Europa. Ze hadden sterke legers en hele slimme generaals met stevige wegen en snelle boten. Over land en over zee In Nederland

Nadere informatie

Romeinse architectuur De Romeinse architectuur komt in eerste instantie voort uit die van de Grieken, die immers behoorlijk ver ontwikkeld was voor de

Romeinse architectuur De Romeinse architectuur komt in eerste instantie voort uit die van de Grieken, die immers behoorlijk ver ontwikkeld was voor de Oude Egyptische architectuur Egyptische bouwkunst had als doel om zo ordelijk en constant mogelijk te zijn. Het beste voorbeeld hiervan is de Egyptische piramide, die symmetrisch is en door praktisch de

Nadere informatie

De gebouwen en stijlen in chronologische volgorde

De gebouwen en stijlen in chronologische volgorde De gebouwen en stijlen in chronologische volgorde STIJL GEBOUW LOCATIE Romaans Oude Kerk (toren) Naaldwijk Gotisch Oude Kerk (kerkgebouw) Naaldwijk Renaissance Oude Raadhuis Naaldwijk Classicisme Nederhof

Nadere informatie

Architectuur. Hoe beleven we architectuur? Hoe gaan we onze voorkeuren ontdekken? Hoe gaan we kijken? 7 thema s: Vandaag: Machtsvertoon

Architectuur. Hoe beleven we architectuur? Hoe gaan we onze voorkeuren ontdekken? Hoe gaan we kijken? 7 thema s: Vandaag: Machtsvertoon Architectuur Architectuur Hoe beleven we architectuur? Hoe gaan we onze voorkeuren ontdekken? Hoe gaan we kijken? 7 thema s: Vandaag: Machtsvertoon Egypte Periode: rond 3000-30 vchr. Opdrachtgever: De

Nadere informatie

GRIEKEN EN ROMEINEN ORIENTATIEKENNISVRAGEN...

GRIEKEN EN ROMEINEN ORIENTATIEKENNISVRAGEN... GRIEKEN EN ROMEINEN ORIENTATIEKENNISVRAGEN... score: 1. a Waarom konden er in Griekenland zoveel verschillende staatsvormen naast elkaar bestaan? Gebruik in je antwoord het begrip poleis. b Sparta en Athene

Nadere informatie

Geschiedenis hoofdstuk 3

Geschiedenis hoofdstuk 3 Geschiedenis hoofdstuk 3 Romeinse rijk 500 v Christus 500 na Christus Rome de eeuwige stad : deze stad bestaat al eeuwenlang. De tijdlijn Het Romeinse rijk begint 500v Chr. En eindigt 500 na Christus.

Nadere informatie

Griekenland 336 v. Chr (bij de dood van Philippos van Macedonië ) Alexander de Grote opvolger Philippos van Macedonië.

Griekenland 336 v. Chr (bij de dood van Philippos van Macedonië ) Alexander de Grote opvolger Philippos van Macedonië. Kenmerkende aspecten: De ontwikkeling van wetenschappelijk denken en het denken over burgerschap en politiek in de Griekse stadstaat De klassieke vormentaal van de Grieks Romeinse cultuur De ontwikkeling

Nadere informatie

5,8. Samenvatting door een scholier 933 woorden 28 november keer beoordeeld. Geschiedenis. Begrippen:

5,8. Samenvatting door een scholier 933 woorden 28 november keer beoordeeld. Geschiedenis. Begrippen: Samenvatting door een scholier 933 woorden 28 november 2012 5,8 118 keer beoordeeld Vak Methode Geschiedenis Memo Begrippen: Atheense democratie: een vorm waarbij het bestuur het volk (demos) via stemming

Nadere informatie

De klassieke oudheid

De klassieke oudheid De klassieke oudheid De klassieke oudheid is een benaming voor De Griekse en Romeinse beschaving. Grieken: 1000 - ca.200 v Chr. De Grieken waren idealisten en filosofen. Rond 550 vc werd rond Athene de

Nadere informatie

Romeinen 1/6. Ze vroegen overal belasting en werden zo ook steeds rijker.

Romeinen 1/6. Ze vroegen overal belasting en werden zo ook steeds rijker. Romeinen Rome was één van de vele volken in Italië. Op een gegeven moment wisten ze de baas te worden over hun buurlandje. Ze voegden de soldaten bij hun eigen leger en waren dus weer sterker! Ze trainden

Nadere informatie

Tijd van Grieken en Romeinen (3000 v.c. 500 na C.) / Oudheid * ontwikkeling van wetenschappelijk denken en denken over burgerschap en politiek in de

Tijd van Grieken en Romeinen (3000 v.c. 500 na C.) / Oudheid * ontwikkeling van wetenschappelijk denken en denken over burgerschap en politiek in de Tijdvakken Tijd van Grieken en Romeinen (3000 v.c. 500 na C.) / Oudheid K.A. * ontwikkeling van wetenschappelijk denken en denken over burgerschap en politiek in de Griekse stadstaat * klassieke vormentaal

Nadere informatie

De Romeinen. Wie waren de Romeinen?

De Romeinen. Wie waren de Romeinen? De Romeinen Wie waren de Romeinen? Lang voor de Romeinen naar ons land kwamen, woonden ze in een kleine staat rond de stad Rome. Vanaf 500 voor Christus begonnen de Romeinen met gebiedsuitbreiding. Als

Nadere informatie

Maak hier de gaatjes voor in je multomap. Leerlingenboekje WELKOM BIJ DE ROMEINEN. Dit boekje is van

Maak hier de gaatjes voor in je multomap. Leerlingenboekje WELKOM BIJ DE ROMEINEN. Dit boekje is van Maak hier de gaatjes voor in je multomap Leerlingenboekje WELKOM BIJ DE ROMEINEN _ Dit boekje is van Welkom bij de Romeinen! In Welkom bij de Romeinen maak je kennis met het Romeinse leven. Je zult merken

Nadere informatie

Week 1. Voorbeelde van Profane gebouwen uit de tijd van de grieken zijn de Stoa, Prytaneion en bijvoorbeeld theaters.

Week 1. Voorbeelde van Profane gebouwen uit de tijd van de grieken zijn de Stoa, Prytaneion en bijvoorbeeld theaters. Week 1 De eerste Griekse tempels werden uit houten elementen opgebouwd. Omdat hout niet duurzaam genoeg was en de tempels relatief snel in verval raakte werd er al snel gezocht naar een nieuw en duurzaam

Nadere informatie

inhoud blz. Inleiding 3 1. De farao 4 2. De dood van de farao 5 3. Bewaard als mummie 6 4. Het graf 7 5. Groter en groter 8 6. De vorm 9 7.

inhoud blz. Inleiding 3 1. De farao 4 2. De dood van de farao 5 3. Bewaard als mummie 6 4. Het graf 7 5. Groter en groter 8 6. De vorm 9 7. Piramides inhoud blz. Inleiding 3 1. De farao 4 2. De dood van de farao 5 3. Bewaard als mummie 6 4. Het graf 7 5. Groter en groter 8 6. De vorm 9 7. De bouw van de piramide 10 8. Beroemde piramides 13

Nadere informatie

Inleiding geschiedenis Griekenland

Inleiding geschiedenis Griekenland Europa rond de Middellandse Zee rond 500 v. Chr. Sint-Janslyceum s-hertogenbosch, Theo Manders Inleiding geschiedenis Griekenland Rond 2000 v. Chr. Stedelijke centra: Op Kreta, Minoische cultuur Op Griekse

Nadere informatie

ART HISTORY Barok en Classicisme

ART HISTORY Barok en Classicisme ART HISTORY Barok en Classicisme H4-profiel Barok 17e eeuw Classicisme 18de eeuw ART HISTORY Barok en Rococo H4-profiel 17e eeuw Barok De barok is een Europese stijlperiode die aan het begin van de 17e

Nadere informatie

Samenvatting Geschiedenis Tijdvak 2

Samenvatting Geschiedenis Tijdvak 2 Samenvatting Geschiedenis Tijdvak 2 Samenvatting door een scholier 1189 woorden 13 oktober 2014 6,6 30 keer beoordeeld Vak Geschiedenis 2.1 Wetenschap en politiek in de Griekse stadstaat De ontwikkeling

Nadere informatie

Ik heb dit onderwerp gekozen, omdat ik het wel een interessant onderwerp vind. Er was ook veel informatie over te vinden.

Ik heb dit onderwerp gekozen, omdat ik het wel een interessant onderwerp vind. Er was ook veel informatie over te vinden. Boekverslag door A. 1250 woorden 23 mei 2004 5.4 665 keer beoordeeld Vak Geschiedenis DE GRIEKEN Ik heb dit onderwerp gekozen, omdat ik het wel een interessant onderwerp vind. Er was ook veel informatie

Nadere informatie

Werkstuk Geschiedenis Oude Grieken. Politiek 4,4. Werkstuk door een scholier 2360 woorden 26 oktober keer beoordeeld.

Werkstuk Geschiedenis Oude Grieken. Politiek 4,4. Werkstuk door een scholier 2360 woorden 26 oktober keer beoordeeld. Werkstuk Geschiedenis Oude Grieken Werkstuk door een scholier 2360 woorden 26 oktober 2017 4,4 17 keer beoordeeld Vak Geschiedenis Politiek De eerste bestuursvorm in Athene was de monarchie. Dat betekent

Nadere informatie

Van niets tot wereldmacht.

Van niets tot wereldmacht. Van niets tot wereldmacht. Latijn heeft Europa voor de eerste maal verenigd. Het ligt voor de hand dat wij Latijn nog steeds bestuderen: de Romeinen hebben als eersten in West-Europa een groot rijk hebben

Nadere informatie

De renaissance!! Waarschijnlijk heb je al eens van deze term gehoord bij het bezoeken van museums of tijdens lessen geschiedenis.!

De renaissance!! Waarschijnlijk heb je al eens van deze term gehoord bij het bezoeken van museums of tijdens lessen geschiedenis.! De renaissance Waarschijnlijk heb je al eens van deze term gehoord bij het bezoeken van museums of tijdens lessen geschiedenis. Deze term betekent letterlijk de wedergeboorte, en is een kunststroming uit

Nadere informatie

Romeinse Beschaving De romeinen waren heel goed in dingen over te nemen van andere bevolkingen en deze te verbeteren.

Romeinse Beschaving De romeinen waren heel goed in dingen over te nemen van andere bevolkingen en deze te verbeteren. Romeinse Beschaving De romeinen waren heel goed in dingen over te nemen van andere bevolkingen en deze te verbeteren. Klassiek is eeuwig duurende schoonheid, een maatstaaf van het ideaal, verwijst naar

Nadere informatie

Inleiding geschiedenis Griekenland

Inleiding geschiedenis Griekenland Europa rond de Middellandse Zee rond 500 v. Chr. Sint-Janslyceum s-hertogenbosch, Theo Manders Inleiding geschiedenis Griekenland Rond 2000 v. Chr. Stedelijke centra: Op Kreta, Minoische cultuur Op Griekse

Nadere informatie

Deel 5: Romeinse Rijk Project: Bij de Gallo- Romeinen in de vicus Tienen. HB pg 138-141

Deel 5: Romeinse Rijk Project: Bij de Gallo- Romeinen in de vicus Tienen. HB pg 138-141 Deel 5: Romeinse Rijk Project: Bij de Gallo- Romeinen in de vicus Tienen. HB pg 138-141 I. Inleiding Schrijf bij elke afbeelding welke functie/doel het zou hebben gehad in de Gallo- Romeinse periode. Functie:

Nadere informatie

Beschrijving schaal van Oegstgeest. Figure 1: Bovenaanzicht van de schaal. Foto: Restaura, Haelen.

Beschrijving schaal van Oegstgeest. Figure 1: Bovenaanzicht van de schaal. Foto: Restaura, Haelen. Beschrijving schaal van Oegstgeest Figure 1: Bovenaanzicht van de schaal. Foto: Restaura, Haelen. Figure 2: Onderaanzicht van de schaal. Foto: Restaura, Haelen. De schaal heeft een diameter van 21 centimeter

Nadere informatie

Werkstuk KCV Grieken en Romeinen

Werkstuk KCV Grieken en Romeinen Werkstuk KCV Grieken en Romeinen Werkstuk door een scholier 1308 woorden 21 oktober 2005 5,4 154 keer beoordeeld Vak KCV Wie waren de Romeinen? De Romeinen waren ongeveer 2000 jaar geleden de bewoners

Nadere informatie

Als je in een Griekse stad woonde en een jongen van achttien was, kreeg je militaire training voor het Griekse leger.

Als je in een Griekse stad woonde en een jongen van achttien was, kreeg je militaire training voor het Griekse leger. Werkstuk door Timon 2189 woorden 19 maart 2014 6 129 keer beoordeeld Vak Geschiedenis Hoofdstuk 1: GESCHIEDENIS VAN DE GRIEKEN De Minoïsche, Myceense en Archaïsche beschaving De eerste Griekse cultuur,

Nadere informatie

De Ostia. PO over de havenstad van Rome. Door: Timme van Bergeijk (8569) Timme van Bergeijk (8569), PO Ostia 1

De Ostia. PO over de havenstad van Rome. Door: Timme van Bergeijk (8569) Timme van Bergeijk (8569), PO Ostia 1 De Ostia PO over de havenstad van Rome Door: Timme van Bergeijk (8569) Timme van Bergeijk (8569), PO Ostia 1 Inleiding Deze PO voor GLC gaat over Ostia, de antieke havenstad van het oude Rome. De reden

Nadere informatie

BERLIJN. Vlak daarbij is er het Europa-Center waarvan de bouw in 1963 begon en veel winkels en restaurants bevat.

BERLIJN. Vlak daarbij is er het Europa-Center waarvan de bouw in 1963 begon en veel winkels en restaurants bevat. BERLIJN Toen ik student was ben ik in 1963 voor het eerst in Berlijn geweest. Er was nog geen muur maar om naar Oost-Berlijn te gaan moest je langs de Vopo s die het geweer op de mensen hielden. Geen prettig

Nadere informatie

Klassieke vormentaal van de Grieks Romeinse cultuur.

Klassieke vormentaal van de Grieks Romeinse cultuur. Onderzoeksvraag: Hoe beïnvloedde de uitbreiding van het Romeinse Rijk de cultuur van de volken in West Europa? De (beeldhouw)kunst en architectuur uit de Grieks Romeinse tijd werd in de eeuwen daarna als

Nadere informatie

Ontstaan van Rome: 1 * Aeneas en de Trojaanse oorlog sticht Alba Longa * Mars x Sylvia Rheia = Romulus + Remus * moeder is dochter van Numitor koning

Ontstaan van Rome: 1 * Aeneas en de Trojaanse oorlog sticht Alba Longa * Mars x Sylvia Rheia = Romulus + Remus * moeder is dochter van Numitor koning DE ROMEINEN Ontstaan van Rome: 1 * Aeneas en de Trojaanse oorlog sticht Alba Longa * Mars x Sylvia Rheia = Romulus + Remus * moeder is dochter van Numitor koning van Alba Longa * Numitor afgezet door zijn

Nadere informatie

Samenvatting Geschiedenis De Romeinen

Samenvatting Geschiedenis De Romeinen Samenvatting Geschiedenis De Romeinen Samenvatting door Esmee 1641 woorden 18 februari 217 6,5 68 keer beoordeeld Vak Methode Geschiedenis Memo Geschiedenis samenvatting hoofdstuk 3 2 De verovering van

Nadere informatie

Verslag Geschiedenis De Grieken

Verslag Geschiedenis De Grieken Verslag Geschiedenis De Grieken Verslag door een scholier 902 woorden 3 januari 2018 0 keer beoordeeld Vak Geschiedenis De Grieken Annabel van der Geer H1B Voorwoord Ik ga vertellen over de cultuur, politiek

Nadere informatie

DE ROMEINEN. Professor Kleinbrein. intelligent konijn

DE ROMEINEN. Professor Kleinbrein. intelligent konijn DE ROMEINEN Professor Kleinbrein intelligent konijn PROFESSOR KLEINBREIN legionair geen doetjes borstplaat gladius Wonderlijke weetjes en fascinerende feiten over de ROMEINEN SARAH DEVOS met illustraties

Nadere informatie

4,9. Samenvatting door Rubien 1966 woorden 6 februari keer beoordeeld. Geschiedenis. Geschiedenis 3.1 Van stad tot wereldrijk

4,9. Samenvatting door Rubien 1966 woorden 6 februari keer beoordeeld. Geschiedenis. Geschiedenis 3.1 Van stad tot wereldrijk Samenvatting door Rubien 1966 woorden 6 februari 2017 4,9 44 keer beoordeeld Vak Methode Geschiedenis Werkplaats Geschiedenis 3.1 Van stad tot wereldrijk - Rome eerste stad met koning - Ze jagen de koning

Nadere informatie

Nu'ge bouwwerken Realis5sche beeldhouwkunst Schilderkunst met perspec5ef Veel mozaïek Vereren van de keizer Afname geloof in goden Toename geloof in

Nu'ge bouwwerken Realis5sche beeldhouwkunst Schilderkunst met perspec5ef Veel mozaïek Vereren van de keizer Afname geloof in goden Toename geloof in 750 0 500 Nu'ge bouwwerken Realis5sche beeldhouwkunst Schilderkunst met perspec5ef Veel mozaïek Vereren van de keizer Afname geloof in goden Toename geloof in God 4 de 10 de eeuw 10 de 13 de eeuw 13 de

Nadere informatie

Les 2. Periode 2 Kunstgeschiedenis

Les 2. Periode 2 Kunstgeschiedenis Les 2 Periode 2 Kunstgeschiedenis 1 Opdracht Deze Les 2 Wat? 1. Ontwerp je eigen Monogram. Een ontwerp voor je eigen geloof. Zoek uit wat een Monogram is en maak je eigen monogram/symbool. Maak daar een

Nadere informatie

3000 v. Chr v. Chr v. Chr v. Chr.

3000 v. Chr v. Chr v. Chr v. Chr. 6 prehistorie oudheid 3000 v. Chr. 2500 v. Chr. 2000 v. Chr. 1500 v. Chr. Jagers en Boeren De oudste bewoners Jos en Mirthe fietsen in de zomervakantie op de Elspeetse heide. Ze maken met hun ouders een

Nadere informatie

Europa - mythologie - prinses

Europa - mythologie - prinses Europa - mythologie - prinses Europa (mythologie) In de Griekse mythologie was Europa (Grieks: Ευρώπη, Európê) een Fenicische prinses op wie oppergod Zeus het wellustig oog liet vallen. Zij was de dochter

Nadere informatie

Griekenland 336 v. Chr (bij de dood van Philippos van Macedonië ) Alexander de Grote opvolger Philippos van Macedonië. Tijd van Grieken en Romeinen

Griekenland 336 v. Chr (bij de dood van Philippos van Macedonië ) Alexander de Grote opvolger Philippos van Macedonië. Tijd van Grieken en Romeinen Griekenland 336 v. Chr (bij de dood van Philippos van Macedonië ) Sint-Janslyceum s-hertogenbosch, Theo Manders Alexander de Grote opvolger Philippos van Macedonië. Alexander de Grote opvolger Philippos

Nadere informatie

Samenvatting Geschiedenis Hoofdstuk 5

Samenvatting Geschiedenis Hoofdstuk 5 Samenvatting Geschiedenis Hoofdstuk 5 Samenvatting door Sophie 1766 woorden 27 februari 2013 6,2 24 keer beoordeeld Vak Methode Geschiedenis Sprekend verleden Romeinse Koninkrijk 753-509 (500) voor Chr.

Nadere informatie

Romeinen. Door Daan, Karol, Kayleigh en Wies

Romeinen. Door Daan, Karol, Kayleigh en Wies Romeinen Door Daan, Karol, Kayleigh en Wies Les 1 Over land en over zee De tijd van de Romeinen was tussen 3000 voor Christus en 500 na Chr. De Romeinen hadden een groot rijk: van Azië en Noord-Afrika

Nadere informatie

3000 v. Chr v. Chr v. Chr v. Chr.

3000 v. Chr v. Chr v. Chr v. Chr. 18 prehistorie oudheid 3000 v. Chr. 2500 v. Chr. 2000 v. Chr. 1500 v. Chr. Romeinen Het Romeinse rijk Jos en Mirthe staan voor opa s boekenkast. Opa, vraagt Mirthe, heeft u ook boeken over de Romeinen?

Nadere informatie

Het Christendom in Rome

Het Christendom in Rome Het Christendom in Rome Paragraaf 1: De weg van het Christendom naar Rome Het Christendom is ontstaan doordat men ging geloven dat jezus uit de dood opstond en de zoons van god was. De laatste woorden

Nadere informatie

Vraag 1: Waar en wanneer begon en eindigde de Griekse beschaving?

Vraag 1: Waar en wanneer begon en eindigde de Griekse beschaving? Vraag 1: Waar en wanneer begon en eindigde de Griekse beschaving? In Griekenland bestond de eerste grote beschaving van Europa. Vul het juiste antwoord in. Plaats waar de Griekse beschaving begon: Tijdstip

Nadere informatie

Dit werkstuk werd online gezet door. Dit is mijn werkstuk over Griekenland en ik ga het hebben over:

Dit werkstuk werd online gezet door. Dit is mijn werkstuk over Griekenland en ik ga het hebben over: Dit werkstuk werd online gezet door Griekenland. Dit is mijn werkstuk over Griekenland en ik ga het hebben over: De inleiding Het bestuur. Middelen van bestaan. De kranten De eilanden De geschiedenis Het

Nadere informatie

5,8. Werkstuk door een scholier 1578 woorden 18 maart keer beoordeeld. Geschiedenis. De Griekse mythologie

5,8. Werkstuk door een scholier 1578 woorden 18 maart keer beoordeeld. Geschiedenis. De Griekse mythologie Werkstuk door een scholier 1578 woorden 18 maart 2002 5,8 506 keer beoordeeld Vak Geschiedenis De Griekse mythologie Lang geleden vertelden de Grieken elkaar verhalen over Goden, Godinnen, Halfgoden en

Nadere informatie

5.3. Samenvatting door een scholier 947 woorden 4 april keer beoordeeld. Kunstgeschiedenis. Vroeg christelijke kunst. Voor de middeleeuwen

5.3. Samenvatting door een scholier 947 woorden 4 april keer beoordeeld. Kunstgeschiedenis. Vroeg christelijke kunst. Voor de middeleeuwen Samenvatting door een scholier 947 woorden 4 april 2016 5.3 12 keer beoordeeld Vak Kunstgeschiedenis Vroeg christelijke kunst. Voor de middeleeuwen Na de dood van Jezus, verspreidde de christelijke kunst

Nadere informatie

Barcelona. Barcelona. Montjuïc

Barcelona. Barcelona. Montjuïc Montjuïc De Montjuïc is een heuvel gelegen in de buurt van het centrum van. De heuvel, waarop zowel een wereldtentoonstelling als de Olympische Spelen gehouden werden, heeft een heel aantal bezienswaardigheden

Nadere informatie

Samenvatting CKV Kunsthistorisch overzicht 1 - Klassieke oudheid tot de 19e eeuw

Samenvatting CKV Kunsthistorisch overzicht 1 - Klassieke oudheid tot de 19e eeuw Samenvatting CKV Kunsthistorisch overzicht 1 - Klassieke oudheid tot de 19e eeuw Samenvatting door S. 721 woorden 4 juni 2004 4 24 keer beoordeeld Vak CKV Beknopte samenvatting van het schoolboek Kunsthistorisch

Nadere informatie

taal reliëf > stadstaten (polis / poleis) machtstrijd poleis (Athene <> Sparta) zelfde vijand Homerus

taal reliëf > stadstaten (polis / poleis) machtstrijd poleis (Athene <> Sparta) zelfde vijand Homerus H2 GRIEKENLAND 1. Eenheid en verdeeldheid > Waarom? taal reliëf > stadstaten (polis / poleis) religie machtstrijd poleis (Athene Sparta) zelfde vijand Homerus Polis: - Acropolis - bestuur, rechtspraak,

Nadere informatie

4. In de les krijg je een oefentoets die je op weg helpt met het leren en toepassen van de begrippen.

4. In de les krijg je een oefentoets die je op weg helpt met het leren en toepassen van de begrippen. BEGRIPPENLIJST KLAS 3, PERIODE 2: Hoe moet je leren??? 1. De begrippen uit de tekst moet je weten en in eigen bewoordingen kunnen omschrijven en toepassen. De begrippen zijn in periode twee gekoppeld aan

Nadere informatie

Samenvatting Geschiedenis Hoofdstuk Romeinen par 1,2,3,4,5,6,7 + begrippen

Samenvatting Geschiedenis Hoofdstuk Romeinen par 1,2,3,4,5,6,7 + begrippen Samenvatting Geschiedenis Hoofdstuk Romeinen par 1,2,3,4,5,6,7 + begrippen Samenvatting door een scholier 2171 woorden 14 juni 2016 7,9 4 keer beoordeeld Vak Methode Geschiedenis Sprekend verleden 1 Tussen

Nadere informatie

Samenvatting door O woorden 29 juni keer beoordeeld. Geschiedenis. De Romeinen

Samenvatting door O woorden 29 juni keer beoordeeld. Geschiedenis. De Romeinen Samenvatting door O. 1213 woorden 29 juni 2016 0 keer beoordeeld Vak Geschiedenis De Romeinen Haroon Inhoud Inleiding Het ontstaan van Rome Het Romeinse Rijk Het Romeinse Leven Wapens & Kleding Religie

Nadere informatie