Handreiking milieueffectrapportage van plannen (planmer)

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "Handreiking milieueffectrapportage van plannen (planmer)"

Transcriptie

1 Handreiking milieueffectrapportage van plannen (planmer) Europese richtlijn milieubeoordeling van plannen Implementatie in Wet milieubeheer & Besluit m.e.r. 1994

2

3 Handreiking milieueffectrapportage van plannen (planmer) Europese richtlijn milieubeoordeling van plannen Implementatie in Wet milieubeheer & Besluit m.e.r. 1994

4 Inhoud Leeswijzer 03 1 De Wet Van Europese richtlijn tot Nederlandse Wetgeving Wanneer is planmer verplicht? De hoofdlijn Wettelijk of bestuursrechtelijk verplicht (artikel 7.2) Kader vormen voor (artikel 7.2, tweede lid) Projectmer-(beoordelings)plichtige besluiten: Besluit m.e.r. (art. 7.2) Passende beoordeling (artikel 7.2a) Planmer is een procedure Het milieueffectrapport (planmer) 13 2 Praktische informatie Hoe bepaal ik of mijn plan planmer-plichtig is? Stroomschema Een kader vormen voor Hoe doorloop ik de procedure? Koppeling met de planprocedure Bevoegd gezag De openbare kennisgeving: wanneer de planmer-procedure starten? Het raadplegen van bestuursorganen over reikwijdte en detailniveau Onafhankelijke toetsing: Commissie voor de milieueffectrapportage Kwaliteitsborging Koppeling met de projectmer-procedure koppeling met de projectmer-beoordelingsprocedure Koppeling met de watertoets Koppeling met het Verdag van Valetta: archeologie Aandachtspunten bij het opstellen van het planmer Het hele plan is planmer-plichtig Redelijke alternatieven Bepalen nadelige milieugevolgen Planmer en passende beoordeling 33 3 Bijlagen Hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer (planmer en projectmer) Onderdeel C en D van de bijlage van het Besluit m.e.r. 49 Meer informatie 103

5 0 Leeswijzer Deze handreiking Milieueffectrapportage van plannen is bedoeld voor degenen die te maken krijgen met milieueffectrapportage van plannen, kortweg planmer. Planmer is uitsluitend van toepassing op plannen die worden opgesteld door de overheid. De handreiking bestaat uit drie delen: Deel 1: De Wet. In dit deel worden de wettelijke verplichtingen toegelicht als gevolg van implementatie van planmer in de Wet milieubeheer en het hier aan gekoppelde Besluit m.e.r. in september Achtereenvolgens komen de plicht, de procedure en het milieueffectrapport aan bod. Op de website van VROM ( kunt u de implementatiewetgeving met bijbehorende memorie van toelichting vinden. Deel 2: Praktische informatie. In dit deel worden op basis van de eerste ervaringen met planmer en eerdere ervaringen met projectmer een aantal praktische tips gegeven voor de toepassing van planmer. Deel 3 Bijlagen: naslag. In dit deel zijn verwijzingen naar de tekst van de Europese richtlijn en onderdeel C en D van de bijlagen bij het Besluit m.e.r. opgenomen. Zoals de titel al aangeeft is deze rapportage bedoeld als een eerste handreiking voor de toepassing van planmer in de praktijk. Gezien de complexiteit van het onderwerp en het belang van een zorgvuldige en verantwoorde wijze van omschrijven is deze handreiking niet vrij van vakjargon. Voor een eerste indruk van het instrument wordt verwezen naar het informatieblad Milieueffectrapportage van plannen op de website van VROM ( Zonder verdere kennis en ervaring met de instrumenten planmer en projectmer biedt deze handreiking onvoldoende basis om alle aspecten van planmer te overzien en in de praktijk toe te passen. In deel 2 van de handreiking wordt daarom waar mogelijk en zinvol gericht doorverwezen naar relevante instanties of documenten. Met vragen rond planmer kunt u terecht bij InfoMil ( Terminologie Op 27 juni 2001 is de Europese richtlijn betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma s vastgesteld (nr. 2001/42/EG). In Nederland is deze verplichting bekend geworden als Strategische Milieubeoordeling of kortweg SMB. De Europese richtlijn betreffende de milieubeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten van 27 juni 1985 (85/337/EEG; 97/11/EG), in Nederland bekend als milieueffectrapportage of kortweg m.e.r., blijft daarnaast onverkort van kracht. Bij de omzetting van de Europese SMB-richtlijn in Nederlandse wetgeving wordt gesproken over een milieueffectrapportage van plannen (als vertaling van de Europese SMB-richtlijn) en over een milieueffectrapportage van besluiten (het oorspronkelijke Nederlandse m.e.r.). De term besluiten is verwarrend, aangezien ook in relatie tot plannen in de praktijk wordt gesproken over besluiten; de term projecten uit de Europese m.e.r.-richtlijn is eenduidiger. In deze handreiking wordt de volgende terminologie gebruikt: Milieubeoordeling Milieubeoordeling plannen projecten Plicht planmer-plicht projectmer-plicht Procedure planmer- projectmerprocedure procedure Milieueffectrapport planmer projectmer

6 0

7 0 1. De wet 1.1 Van europese richtlijn tot nederlandse wetgeving Europese richtlijn Op 27 juni 2001 is de Europese richtlijn betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma s vastgesteld (nr. 2001/42/EG). De tekst van deze richtlijn is opgenomen in deel 3 van deze handreiking. In Nederland is deze verplichting bekend geworden als Strategische Milieubeoordeling of kortweg SMB. Doel Doel van SMB is om bij de besluitvorming over plannen en programma s het milieu een volwaardige plaats te geven met het oog op de bevordering van een duurzame ontwikkeling. SMB is gekoppeld aan plannen die (uiteindelijk) kunnen leiden tot concrete projecten of activiteiten met mogelijk belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Aanleiding Aanleiding voor SMB vormen de praktijkervaringen met de Europese richtlijn betreffende de milieubeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten van 27 juni 1985 (85/337/EEG; 97/11/EG), in Nederland bekend als milieueffectrapportage of kortweg m.e.r.. Bij m.e.r. voor projecten is gebleken dat voor het milieu belangrijke keuzes soms al in een eerder stadium gemaakt Juist in voorafgaande plannen waarin de betreffende projecten mogelijk worden gemaakt kan de speelruimte om milieuwinst te boeken groot uit de Europese m.e.r.-richtlijn is eenduidiger. In analogie met bovenstaande wordt in deze handreiking de terminologie gebruikt uit de tabel zoals opgenomen onder Terminologie op pagina 3. Planmer-plicht heeft consequenties voor de Projectmer-plicht Omzetting van de planmer-plicht in de Nederlandse wetgeving heeft ook consequenties voor de projectmer-plicht. Vaak zal sprake zijn van een tweetrapsraket: de planmer voor het kaderstellende plan gaat vooraf aan de projectmer voor projecten. Praktijkervaring door rechtstreekse werking Omzetting van de SMB-richtlijn in de nationale wetgeving van alle lidstaten moest uiterlijk 21 juli 2004 zijn afgerond. Nederland is daar niet in geslaagd. In de periode van 21 juli 2004 tot september 2006 was daarom sprake van rechtstreekse werking van de richtlijn. Praktijkervaringen met de rechtstreekse toepassing van de Europese richtlijn in deze periode zijn waar mogelijk gebruikt bij het opstellen van het praktische deel van deze handreiking (deel 2). SMB én M.E.R. De Europese m.e.r.-richtlijn blijft onverkort van kracht, dus in de praktijk is sprake van zowel SMB-plicht voor plannen als een m.e.r.-plicht voor projecten. Implementatie in Nederland Omzetting van de SMB-richtlijn in de Nederlandse wetgeving heeft in september 2006 plaatsgevonden door wijziging van de Wet milieubeheer (Wm) en het hier aan gekoppelde Besluit m.e.r (verder Besluit m.e.r. genoemd). Hierbij wordt gesproken over een milieueffectrapportage van plannen (als vertaling van de Europese SMB-richtlijn) en over een milieueffectrapportage van besluiten (het oorspronkelijke Nederlandse m.e.r.). De term besluiten is verwarrend, aangezien ook in relatie tot plannen in de praktijk wordt gesproken over besluiten; de term projecten

8 0 De ontwikkelingen op een rij Projectmer 1985: Europese richtlijn milieubeoordeling van projecten 1987: Implementatie milieueffectrapportage in Nederland 1994: Besluit milieueffectrapportage : Herziene Europese richtlijn milieubeoordeling van projecten 1999: Herzien Besluit milieueffectrapportage 1994 Planmer 2001: Europese richtlijn milieubeoordeling van plannen 2004: Rechtstreekse werking vanaf 21 juli 2006: Implementatie planmer door wijziging Wet milieubeheer + Wijziging Besluit milieueffectrapportage toekomstige projectmer-(beoordelings)plichtige besluiten; 4. passende beoordeling. Navolgend worden deze vier elementen van de planmer-plicht nader uitgewerkt en toegelicht. In paragraaf 2.1 is een stroomschema opgenomen waarmee u stapsgewijs kunt bepalen of uw plan planmer-plichtig is. Overgangsregeling Ten aanzien van de planmer-plicht is een overgangsregeling van kracht. De planmer-verplichting is niet van toepassing indien de eerste formele stap in de betreffende planprocedure is gezet voor 21 juli 2004 en het besluit voor 21 juli 2006 is genomen Wettelijk of bestuursrechtelijk verplicht (artikel 7.2) Alleen wettelijk of bestuursrechtelijk verplichte plannen kunnen planmer-plichtig Wettelijk verplicht Onder wettelijk verplicht vallen plannen waarvan de noodzaak tot opstellen is vastgelegd in formele wetten, algemene maatregelen van bestuur, ministeriële regelingen en verordeningen. 1.2 Wanneer is planmer verplicht? De hoofdlijn Planmer-plicht Het is verplicht om voorafgaand aan besluiten door een overheid over bepaalde plannen een planmer uit te voeren. Het gaat daarbij om plannen die (uiteindelijk) kunnen leiden tot concrete projecten of activiteiten met mogelijk belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Meer concreet geldt de planmer-plicht in geval van wettelijk of bestuursrechtelijk verplichte plannen: die het kader vormen voor toekomstige projectmer- (beoordelings)plichtige besluiten of waarvoor een passende beoordeling nodig is op grond van de Europese Habitatrichtlijn. Vier elementen Binnen de planmer-plicht kunnen dus vier belangrijke elementen worden onderscheiden: 1. wettelijk of bestuursrechtelijk verplicht; 2. kader vormen voor; Bestuursrechtelijk verplicht Onder bestuursrechtelijk verplicht vallen plannen die voortvloeien uit bestuursrechtelijke bepalingen, bijvoorbeeld van een hoger bestuursorgaan met binding voor een lager bestuursorgaan. Dit geldt onder andere voor plannen op grond van de wet op de ruimtelijke ordening. Zo komt het veel voor dat in planologische kernbeslissingen de verplichting staat voor provinciebesturen om bepaalde onderdelen daarvan uit te werken in het streekplan. Besluit m.e.r.: Plannen vooralsnog limitatief In het Besluit m.e.r. (Artikel 7.2 Van de wet milieubeheer) zijn de bestuursrechtelijk en wettelijk verplichte plannen vooralsnog limitatief opgenomen. Tabel 1.1 geeft een overzicht Kader vormen voor (artikel 7.2, Tweede lid) De toon zetten voor Wettelijk of bestuursrechtelijk verplichte plannen die het kader vormen voor toekomstige besluiten waarvoor een projectmer moet worden doorlopen of waarvoor eerst moet worden beoordeeld of een projectmer noodzakelijk is (beoordelingsplicht) zijn planmer-plichtig. Het kader vormen voor is in de wet uitgelegd

9 0 Tabel 1.1: Wettelijk of bestuursrechtelijk verplichte plannen conform het Besluit m.e.r. Op grond van: Plan: Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO): artikel 2a Planologische kernbeslissing (PKB) * artikel 4a Streekplan ** artikel 7 Gemeentelijk structuurplan artikel 10 Bestemmingsplan *** artikel 11 Uitwerkingsplan van het bestemmingsplan artikel 36c Regionaal structuurplan Wet op de waterhuishouding (WHH) artikel 3 artikel 5 artikel 7 artikel 9 Waterleidingwet artikel 47 Wet milieubeheer artikel 10 Planwet verkeer en vervoer artikel 5 artikel 8 artikel 9 Reconstructiewet concentratiegebieden artikel 11 artikel 18 Natuurbeschermingswet 1998 artikel 4 Nota waterhuishouding Beheersplan rijkswateren Provinciaal waterhuishoudingsplan Beheersplan van waterschappen Nota drink- en industriewatervoorziening Landelijk afvalbeheersplan Nationaal verkeers- en vervoersplan Provinciaal verkeers- en vervoersplan Gemeentelijk verkeers- en vervoersplan Reconstructieplan Uitwerking van het reconstructieplan Natuurbeleidsplan * Zowel het opstellen als de herziening. ** Zowel het opstellen als een uitwerking of afwijking. *** Hieronder vallen ook een vrijstelling als bedoeld in artikelen 17, 19 en 40 en een aanwijzing als bedoeld in artikel 37 van de Wro.

10 0 als de toon zetten voor. Wat een kader is, is verder niet gedefinieerd in de wet. Er bestaat ook geen (juridisch-technisch) eenduidig equivalent voor. Uit de Europese richtlijn SMB blijkt dat er iets concreets over een projectmer-(beoordelings)plichtige activiteit moet worden gezegd in het plan. In de wet is aangegeven dat in ieder geval locatie- of tracékeuzes en -vergelijkingen hieronder vallen. Maar het kan ook gaan om een niet-locatiegebonden kader, zoals de peilhoogte voor een oppervlaktewater of de capaciteit van een afvalverwerkingsinstallatie. De uitspraak in het plan moet echter wel concreet genoeg zijn om een kader te kunnen vormen voor een later projectmer-(beoordelings)plichtig besluit. Zo kan de aanduiding agrarische functie niet tot planmer-plicht leiden; het aanwijzen van een zoekgebied voor een glastuinbouwlocatie wel. In paragraaf Een kader vormen voor wordt nader toegelicht in welke gevallen sprake kan zijn van een kader Projectmer-(beoordelings)plichtige besluiten: besluit M.E.R. (artikel. 7.2) Besluit m.e.r.: Onderdeel c en d In onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is vastgelegd voor welke besluiten meteen een projectmer moet worden doorlopen. In onderdeel D is vastgelegd voor welke besluiten eerst moet worden beoordeeld of een projectmer noodzakelijk is (beoordelingsplicht). Dan wordt beoordeeld of door de omstandigheden waaronder de betreffende activiteiten worden ondernomen sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen. Zo ja, dan moet voor dit besluit eveneens een projectmer worden doorlopen. Onderdelen C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. zijn in deel 3 van deze handreiking opgenomen. Het gebruik van het Besluit m.e.r. wordt in deze paragraaf kort toegelicht. In paragraaf 2.1 Hoe bepaal ik of mijn plan planmer-plichtig is? is een praktische toelichting opgenomen. Vier kolommen Onderdeel C en D bestaan elk uit vier kolommen: 1. een omschrijving van de activiteiten; 2. een aanduiding van de gevallen met eventuele drempelwaarden; 3. de kaderstellende wettelijk en bestuursrechtelijk verplichte plannen; 4. de projectmer-plichtige respectievelijk projectmer-beoordelingsplichtige besluiten. Indien voldaan wordt aan de omschrijving in de kolommen 1, 2 en 3 en niet aan de omschrijving in kolom 4 is sprake van een planmer-plichtig plan. Indien voldaan wordt aan de omschrijving in de kolommen 1, 2 en 4 is sprake van een projectmer-plichtig of projectmer-beoordelingsplichtig besluit. Hieronder worden de vier kolommen nader toegelicht. Kolom 1. Omschrijving van de activiteiten In deze kolom zijn de activiteiten die kunnen leiden tot een projectmer-plicht of een projectmer-beoordelingsplicht vastgelegd. Voorbeelden zijn: auto(snel)wegen, spoorwegen, vaarwegen, trambanen, busbanen, havens, luchthavens, transportleidingen, landinrichting, recreatieve voorzieningen, woningbouw, bedrijfsterrein, dijken, pluimvee, varkenshouderij, drinkwaterwinning, delfstofwinning, afvalverwijdering, industrie, elektriciteitsproductie en hoogspanningsleidingen. Kolom 2. De gevallen met eventuele drempelwaarden In deze kolom zijn per activiteit de specifieke situaties waarbij sprake kan zijn van een projectmer-plicht of een projectmer-beoordelingsplicht nader omschreven met eventuele drempelwaarden. Wanneer de omvang van de activiteit gelijk is aan deze drempelwaarde of deze overschrijdt kan sprake zijn van een projectmerplichtig of projectmer-beoordelingsplichtig besluit. Kolom 3. De kaderstellende wettelijk en bestuursrechtelijk verplichte plannen In deze kolom zijn per activiteit de kaderstellende wettelijk en bestuursrechtelijk verplichte plannen vooralsnog limitatief opgenomen (zie tabel 1.1 in paragraaf voor een overzicht hiervan). Per activiteit kunnen dat meerdere plannen Kolom 4. De projectmer-plichtige en projectmer-beoordelingsplichtige besluiten In deze kolom zijn de projectmer-plichtige en projectmer-beoordelingsplichtige besluiten limitatief opgenomen. Per activiteit betreft dat steeds één besluit. Het besluit heeft in veel gevallen betrekking op de vergunningverlening. Indien voor een activiteit geen milieuvergunning is aan te wijzen waarmee toestemming wordt gegeven voor deze activiteit, is het ruimtelijke ordeningsplan aangewezen dat het laagst in de hiërarchie en het meest concreet is. Dit is het uitwerkingsplan van het bestemmingsplan (artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening) en bij het ontbreken daarvan het bestemmingsplan zelf (artikel 10).

11 0 Op de navolgende pagina is een voorbeeld opgenomen uit het Besluit m.e.r. (zie bijlage 3.2, C19.2/ C19.2, bijlage 3.3 D19.1, 19.2) Aangezien de betreffende activiteit is opgenomen in zowel onderdeel C als in onderdeel D, zijn de lagere drempelwaarden in kolom 2 van onderdeel D bepalend voor de projectmer-plicht. Vaak tweetrapsraket, maar niet altijd Voor projectmer-plichtige activiteiten zal in veel gevallen sprake zijn van een tweetrapsraket: eerst een planmer gekoppeld aan de besluitvorming over een kaderstellend plan en vervolgens een projectmer gekoppeld aan de besluitvorming over de vergunningverlening of, indien dit niet mogelijk is, het (uitwerkingsplan van het) bestemmingsplan. Er zijn echter meer mogelijkheden: meerdere opeenvolgende planmer-plichtige plannen (meertrapsraket); meerdereparallelle planmer-plichtige plannen; gelijktijdigplanmer en projectmer; geenplanmer, wel projectmer; welplanmer, geen projectmer. Historie: wijziging projectmer-plicht door implementatie planmer (herverkaveling) Voordat planmer werd ingevoerd, was in sommige gevallen een plan projectmer-(beoordelings)plichtig. Met de vertaling van de Europese SMB-richtlijn naar de Nederlandse situatie zou voor deze plannen een dubbele plicht zijn ontstaan: zowel een planmer-plicht als een projectmer (-beoordelings)plicht. Om dit te voorkomen is het Besluit m.e.r. op dit punt aangepast, een zogenaamde herverkaveling. Na herverkaveling is de projectmer-(beoordelings)plicht gekoppeld aan de besluitvorming over de vergunningverlening (of indien dit niet mogelijk is aan het bestemmingsplan of als dat er is een uitwerkingsplan hiervan) en de planmer-plicht aan de besluitvorming over kaderstellende plannen die hier aan voorafgaan. Daarmee komt de in Nederland gehanteerde onderverdeling overeen met de Europese richtlijnen SMB en m.e.r.. Navolgend worden deze mogelijkheden nader toegelicht. De wet kent geen vrijstelling of ontheffingsmogelijkheid van de planmerplicht. Meerdere opeenvolgende planmer-plichtige plannen Er kunnen meerdere plannen zijn op verschillende bestuursniveaus die na elkaar worden opgesteld die allemaal een kader vormen voor dezelfde projectmer-plichtige activiteit(en) en dus onder de planmer-plicht vallen. Bijvoorbeeld achtereenvolgens de planologische kernbeslissing, het streekplan, het structuurplan en het bestemmingsplan. In een dergelijk geval zal vier keer de volledige planmer-procedure moeten worden doorlopen, uitgaande van de situatie dat het besluit waar de projectmerprocedure aan moet worden gekoppeld een milieuvergunning is. De planmer-procedure is beschreven in paragraaf 1.3. Voor de consequenties van meerdere opeenvolgende planmer en voor de inhoud van het milieueffectrapport (planmer) wordt verwezen naar paragraaf 1.4. Meerdere parallelle planmer-plichtige plannen Er kunnen meerdere plannen zijn die parallel worden opgesteld en die elk een kader vormen voor dezelfde projectmer-plichtige activiteiten en dus onder de planmer-plicht vallen. Bijvoorbeeld het parallel vastleggen van een kader voor de projectmerplichtige aanleg van een weg in een gemeentelijk verkeers- en vervoersplan en in het bestemmingsplan. Of bijvoorbeeld het parallel vastleggen van een kader voor de projectmer-plichtige wijziging van een rivierdijk in een planologische kernbeslissing (PKB) en in de Nota waterhuishouding. De wijze waarop een kader wordt gevormd kan echter verschillend zijn en is specifiek voor het betreffende plan (zie paragraaf Een kader vormen voor voor een nadere uitwerking). In deze gevallen zal voor beide parallelle plannen de volledige planmer-procedure moeten worden doorlopen. De procedure is beschreven in paragraaf 1.3. Gelijktijdig planmer en projectmer Het is denkbaar dat een planmer-plichtig plan en een projectmer-plichtig besluit tegelijkertijd worden voorbereid en dat dus de planmer- en de projectmer-procedure voor bepaalde activiteiten tegelijkertijd worden doorlopen. Bijvoorbeeld wanneer de vergunningverlening parallel loopt met inpassing van de locatie in het ruimtelijk plan. Vaak zal dit het bestemmingsplan of een uitwerkingsplan hiervan Maar niet uitgesloten is dat het zich ook op andere niveaus voordoet, bijvoorbeeld bij het streekplan.

12 10 In paragraaf Koppeling met de projectmer-procedure zijn de procedurele consequenties toegelicht van gelijktijdige voorbereiding van het planmer-plichtig plan en een projectmer-plichtig besluit. Geen planmer, wel projectmer In enkele gevallen is in het Besluit m.e.r. geen wettelijk of bestuursrechtelijk verplicht plan aangewezen dat een kader vormt voor een projectmer-plichtig besluit. In dat geval kan een projectmer worden doorlopen zonder een voorafgaande planmer. Het betreft: de aanleg, wijziging militair oefenterrein (onderdeel C-en D-activiteit 7); de uitvoering van werken als bedoeld in de Deltawet (onderdeel C activiteit 12.3 en onderdeel D activiteit 12.2 ). Ook kan het voorkomen dat direct een projectmer-plichtig besluit wordt genomen zonder dat hiervoor eerst een kader is vastgesteld in één van de voorafgaande ruimtelijk plannen die bij deze activiteit in het Besluit m.e.r. zijn aangewezen. Planmer ná projectmer komt niet voor. Indien al een projectmer- of projectmer-beoordelingsprocedure is doorlopen en het projectmer of projectmer-beoordelingsplichtige besluit al is genomen, bijvoorbeeld in het kader van een vrijstelling op grond van artikel 19 Wet op de Ruimtelijke Ordening, is de latere inpassing van dit besluit in bijvoorbeeld het bestemmingsplan of streekplan niet planmerplichtig meer. Deze plannen vormen dan immers niet meer het kader voor dit projectmer-plichtige besluit, omdat deze al is genomen. Voorwaarde is dan wel dat sprake moet zijn van één op één inpassing. Wel planmer, geen projectmer Indien een plan conform het Besluit m.e.r. een kader vormt voor een projectmer-(beoordelings)plichtig besluit, dan is dit plan planmer-plichtig. Ook als vooraf nog geen duidelijkheid bestaat over de precieze omvang van de activiteit en daardoor ook nog niet duidelijk is of daadwerkelijk sprake zal zijn van een projectmer- (beoordelings)plicht, is het kaderstellende plan planmer-plichtig. Uiteindelijk kan blijken dat de activiteit de drempelwaarde voor de projectmer-(beoordelingsplicht) toch niet overschrijdt. Dan volgt er dus geen projectmer of projectmer-beoordeling. Ook kan het zijn dat wel de drempelwaarde voor de projectmer-beoordelingsplicht wordt overschreden, maar dat na het onderzoek voor de projectmer-beoordeling blijkt dat er geen projectmer behoeft te worden uitgevoerd. Belangrijke nadelige milieueffecten De gevallen met drempelwaarden in onderdelen C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. zijn de Nederlandse vertaling uit de Europese m.e.r.-richtlijn van mogelijk belangrijke nadelige effecten voor het milieu. Uit jurisprudentie is inmiddels gebleken dat hiermee een projectmer-plicht voor activiteiten die onder deze drempelwaarden blijven niet volledig kan worden uitgesloten. Indien sprake is van belangrijke milieueffecten bij een activiteit die onder de drempelwaarde blijft kan de rechter het Nederlandse Besluit m.e.r passeren en terugvallen op de Europese richtlijn. Beoordeel dus in de gevallen waarbij de drempelwaarde niet wordt overschreden of toch sprake is van mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen op basis van de omstandigheden waaronder de activiteiten worden ondernomen. Voor de wijze waarop deze beoordeling kan worden uitgevoerd wordt verwezen naar paragraaf 2.1 Hoe bepaal ik of mijn plan planmer-plichtig is? Provinciale milieuverordening In een provinciale milieuverordening kunnen aanvullend op het landelijke Besluit m.e.r. extra activiteiten en besluiten worden aangewezen waarvoor een projectmer moet worden uitgevoerd en kunnen extra kaderstellende planmer-plichtige plannen worden aangewezen (Wet milieubeheer, artikel 7.6, eerste en tweede lid). Sinds het van kracht worden van het Besluit m.e.r. in 1994 tot aan het opstellen van deze handreiking in 2005 heeft alleen voor de Waddenzee een uitbreiding van de projectmer-plicht op basis van een provinciale milieuverordening plaats gevonden Passende beoordeling (artikel 7.2A) Passende beoordeling Wettelijk of bestuursrechtelijk verplichte plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is op grond van de Europese Habitatrichtlijn zijn planmer-plichtig. De Europese Habitatrichtlijn legt vervolgens weer een verbinding met de Europese Vogelrichtlijn. In het Besluit m.e.r. zijn de wettelijk of bestuursrechtelijk verplichte plannen vooralsnog limitatief opgenomen; zie tabel 1.1 in paragraaf Wettelijk en bestuursrechtelijk verplicht voor een overzicht. Een passende beoordeling is aan de orde indien één of meerdere activiteiten die in een plan worden voorzien significante gevolgen

13 11 kunnen hebben op een speciale beschermingszone die is aangewezen in het kader van de Vogel- en Habitatrichtlijn. Hoe beoordeelt u of er sprake is van significante gevolgen? En wat is een passende beoordeling op planniveau? Paragraaf 2.4 Planmer en passende beoordeling geeft aan waar u deze informatie kunt vinden. 1.3 Planmer is een procedure Koppeling aan planprocedure Planmer staat niet op zich zelf, maar is een hulpmiddel bij de besluitvorming van de overheid over het betreffende plan. De planmer-procedure is daarom steeds gekoppeld aan de planvoorbereiding en de procedure die daarvoor moet worden doorlopen. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar paragraaf Koppeling met de planprocedure. Zeven stappen De planmer-procedure bestaat uit zeven stappen (betreffende artikel Wet milieubeheer): 1. Openbare kennisgeving (artikel 7.11c). 2. Raadplegen bestuursorganen die met de uitvoering van het plan te maken kunnen krijgen over reikwijdte en detailniveau van het op te stellen milieueffectrapport (planmer, artikel 7.11b). 3. Opstellen milieueffectrapport (planmer; artikel 7.11a). 4. PlanMER en ontwerpplan: a. Terinzagelegging (artikel 7.26a); b. Inspraak (artikel 7.26a); c. Eventueel: raadplegen andere lidstaten (artikel 7.38); d. Eventueel: toetsing Commissie m.e.r. (artikel 7.26b). 5. Motiveren van de gevolgen van de planmer en de inspraak in het definitieve ontwerpplan (artikel 7.26d). 6. Bekendmaking en mededeling van het plan (artikel 7.26e). 7. Evaluatie van de effecten na realisatie (artikel 7.39). Navolgend worden de stappen toegelicht. Stap 1: Openbare kennisgeving. Het voornemen om een plan te gaan opstellen en hiervoor een planmer-procedure te doorlopen moet op een geschikte wijze openbaar worden aangekondigd. Hierbij dient te worden aangegeven hoe met de verdere planvoorbereiding wordt omgegaan: Welke stukken waar en wanneer ter inzage worden gelegd. Wie op welke wijze en binnen welke termijn de gelegenheid wordt geboden om zienswijzen naar voren te brengen. Of de Commissie m.e.r. of een andere (onafhankelijke) instantie in de gelegenheid wordt gesteld advies uit te brengen. Hierbij dient expliciet te worden aangegeven of de redenen voor een verplichte inzet van de Commissie m.e.r. van toepassing zijn (zie onder stap 4d: Eventueel: toetsing Commissie m.e.r. (artikel 7.26d). Doel van de openbare kennisgeving is uniformiteit in de toepassing van planmer en het bevorderen van een systematische aanpak door een georganiseerde start. Hoewel verdere, aanvullende stappen naast de in deze paragraaf beschreven stappen niet wettelijk verplicht zijn, zijn ze soms wel wenselijk. Het is dan ook vooral bedoeld als impuls om expliciet na te gaan of het nodig is om een meer open planvoorbereiding te initiëren. Paragraaf gaat nader in op het moment waarop de kennisgeving wordt uitgebracht en de planmer-procedure wordt gestart in relatie tot de planvoorbereidingsprocedure. Stap 2: Raadplegen bestuursorganen Na de bekendmaking dient eerst de reikwijdte en het detailniveau van het planmer te worden bepaald. Bestuursorganen die met de uitvoering van het plan te maken kunnen krijgen moeten hierover worden geraadpleegd. In paragraaf wordt toegelicht op welke wijze raadpleging kan plaats vinden. Paragraaf 2.3 gaat nader in op de reikwijdte en het detailniveau van het planmer. Deze tweede stap in de procedure mag volgens de wet overigens ook worden gecombineerd met de eerste stap, de openbare kennisgeving. Stap 3: Opstellen milieueffectrapport (planmer) Het planmer wordt opgesteld conform de bepaalde reikwijdte en het bepaalde detailniveau. Dit resulteert in een afzonderlijk rapport of volgens de Wet bij voorkeur in een herkenbaar onderdeel in de toelichting bij het betreffende ontwerpplan. Achtergrond van de voorkeur om het planmer op te nemen in het plan is het bereiken van een verdere versterking van de integratie van milieuoverwegingen in de planvoorbereiding. Aan het planmer zijn inhoudelijke voorwaarden verbonden. In paragraaf 1.4 wordt hier nader op ingegaan.

14 12 Stap 4a tot en met d: PlanMER en ontwerpplan a/b Het planmer en het ontwerpplan dienen gezamenlijk ter inzage te worden gelegd ten behoeve van inspraak. c Buurlanden dienen te worden geraadpleegd in het geval van grensoverschrijdende effecten. Het planmer en het ontwerpplan worden naar de betreffende autoriteiten opgestuurd voor het verkrijgen van zienswijzen. Het is raadzaam om bij de start van de procedure ook de kennisgeving te versturen en de betreffende autoriteiten ook te raadplegen over de reikwijdte en het detailniveau van het planmer, maar dat is wettelijk niet verplicht. d Onafhankelijke toetsing van het planmer door Commissie voor de milieueffectrapportage (Commissie m.e.r.) is alleen verplicht voor de natuuraspecten van het planmer indien: het plan een kader schept voor projectmer- (beoordelings)plichtige activiteiten in de ecologische hoofdstructuur (EHS) en/of voor het plan een passende beoordeling nodig is. Doel van de inzet van de Commissie m.e.r. is advisering over een juiste toepassing van de strenge beschermingsregimes die in deze gevallen van toepassing zijn en de volledigheid van de informatie die hiervoor is benodigd. Door de advisering van de Commissie m.e.r. te laten samenvallen met de ter inzage legging is geen extra proceduretijd benodigd. Indien gewenst kan er vrijwillig voor worden gekozen de Commissie m.e.r. ook al op een eerder moment in de planmer-procedure om advies te vragen. Paragraaf gaat nader in op de toetsing door de Commissie m.e.r.. Stap 5: Motiveren in het definitief ontwerpplan De betreffende overheidsinstantie is verplicht om in het uiteindelijke plan te motiveren hoe met de resultaten van het planmer, de inspraak en eventueel de zienswijzen van één of meerdere buurlanden en het advies van de Commissie m.e.r. is omgegaan. Stap 6: Bekendmaking en mededeling van het plan Conform de betreffende planprocedure wordt het plan bekend gemaakt. De planmer-procedure voegt hier niks aan toe. Stap 7: Evaluatie van de effecten na realisatie Het is verplicht om de daadwerkelijk optredende milieugevolgen van de uitvoering van het plan in kaart te brengen (monitoren) en te evalueren. In de Wet is deze verplichting niet opgenomen als procedurestap, maar omdat deze verplichting altijd volgt (ruim) na de bekendmaking van het plan kan dit als laatste stap van de planmer-procedure worden gezien. In het planmer moet al worden aangegeven welke aspecten van het plan voor evaluatie in aanmerking komen. De evaluatie kan worden gezien als de spiegel van het planmer. Daar waar in het planmer voorspellingen worden gedaan over de mogelijke milieugevolgen, worden deze bij de evaluatie empirisch gemeten. Het kan ertoe leiden dat de planuitvoering bijstelling behoeft, nadat de werkelijke effecten in beeld zijn gebracht. De verantwoordelijkheid voor evaluatie ligt bij de overheidsinstantie die het betreffende plan heeft vastgesteld. Indien het eventueel op het plan volgende projectmer-plichtige besluit door een andere overheidsinstantie wordt genomen, gaat de planmerevaluatieverplichting echter over op deze overheidsinstantie en wordt gecombineerd met de evaluatieplicht die is gekoppeld aan de vergunningverlening. Overgangsregeling In de Nederlandse wet zijn twee extra waarborgen opgenomen ten opzichte van de Europese richtlijn SMB: de openbare kennisgeving (stap 1) en de eventuele toetsing door de Commissie m.e.r. (stap 4d). De overgangsregeling (artikel VIII, vierde lid) geeft aan dat deze extra waarborgen niet alsnog uitgevoerd hoeven te worden als de procedure op het moment van implementatie van planmer in de Wet milieubeheer in september 2006 al verder gevorderd is. Is men al bezig met stap 2, 3 of 4 van de procedure kan de openbare kennisgeving achterwege blijven en is men al bezig met stap 6 of 7 kan ook de eventuele toetsing door de Commissie m.e.r. achterwege blijven. Planmer en passende beoordeling koppelen Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is, zijn tevens planmer-plichtig. Met het oog op stroomlijning van beide procedures en het voorkomen van dubbelingen is het streven om, indien de aard van het plan dit toelaat, de planmer en de passende beoordeling gelijktijdig uit te voeren. Voorwaarde is wel dat zowel aan de vereisten van een planmer als van een passende beoordeling wordt voldaan. In paragraaf 2.4 Planmer en passende beoordeling is aangegeven waar u nadere informatie kunt vinden over de passende beoordeling.

15 13 Gecombineerde planmer- en projectmer-procedure Indien het planmer-plichtige plan en het projectmer-plichtige besluit tegelijk worden voorbereid, bijvoorbeeld vergunningverlening parallel met de inpassing van de locatie in het streekplan, mag één gecombineerde procedure worden doorlopen. Deze gecombineerde procedure moet dan wel voldoen aan de eisen van zowel de planmer-procedure als de projectmer-procedure. De planmer-procedure kent minder procedurele voorschriften dan de projectmer-procedure. Voor een nadere uitwerking wordt verwezen naar paragraaf Koppeling met de projectmer-procedure van deze handreiking. 1.4 Het milieueffectrapport (planmer) Inhoudelijke vereisten De inhoudelijke vereisten van het planmer zijn (artikel 7.10): Inhoud en doelstellingen van het plan en de mogelijke relatie met andere plannen. Bestaande toestaand van het milieu en de te verwachten ontwikkelingen als het plan niet zou worden uitgevoerd. Relevante beleidsdoelstellingen en de wijze waarop hiermee in het plan rekening is gehouden. Beschrijving van de mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen van zowel het plan als van redelijke alternatieven voor het plan, inclusief een motivering van de wijze waarop deze gevolgen bepaald Beschrijving van mogelijke gevolgen van het plan op gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese vogel- en/of habitatrichtlijn. Een beschrijving van maatregelen die redelijkerwijs kunnen worden genomen om mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te voorkomen, dan wel te beperken of ongedaan te maken. Een overzicht van de leemten als het gevolg van het ontbreken van kennis of informatie. De voorgenomen monitoringsmaatregelen. Een voor een algemeen publiek op begrijpelijke wijze geformuleerde samenvatting. Nadelige milieugevolgen Met nadelige milieugevolgen worden mogelijke aanzienlijke milieueffecten bedoeld voor met name biodiversiteit, bevolking, gezondheid van de mens, fauna, flora, bodem, water, lucht, klimaatfactoren, materiële goederen, cultureel erfgoed met inbegrip van architectonisch en archeologisch erfgoed, landschap en de wisselwerking tussen deze elementen. Hierbij vallen onder milieueffecten secundaire, cumulatieve, synergetische, blijvende en tijdelijke, positieve en negatieve effecten, alsmede effecten op korte, middellange en lange termijn. In paragraaf Bepalen nadelige milieugevolgen is onder meer een overzicht gegeven van enkele veelgebruikte methoden en tools om deze nadelige milieugevolgen te bepalen. Detailniveau Het detailniveau waarop de effecten en alternatieven kunnen worden beschreven kan sterk verschillen en is afhankelijk van de abstractie van het plan. Is bijvoorbeeld sprake van een keuze uit meerdere locaties of van een keuze uit meerde inrichtingsopties voor één concrete locatie? Voor een nadere uitwerking wordt verwezen naar paragraaf Redelijke alternatieven en paragraaf Bepalen nadelige milieugevolgen. Geen mma In het planmer hoeft geen meest milieuvriendelijk alternatief (MMA) te worden ontwikkeld. Dit in tegenstelling tot het project- MER. Verwijzing naar eerder of later plan Zoals al toegelicht in paragraaf 1.2 kunnen meerdere opeenvolgende plannen een kader vormen voor dezelfde projectmer-plichtige activiteiten en dus onder de planmer-plicht vallen. De wijze waarop een kader wordt gevormd is specifiek voor het betreffende plan en zal doorgaans steeds concreter worden (zie paragraaf Een kader vormen voor ). Daarbij zal de milieubeoordeling voor deze activiteiten doorgaans ook steeds concreter worden waarbij passende informatie wordt verzameld. Omdat het planmer de informatie dient te bevatten die redelijkerwijs mag worden vereist gelet op het detailniveau van het plan, mag het planmer gedeeltelijk verwijzen naar een eerder rapport dan wel een nog op te stellen rapport waar deze milieu-informatie meer op zijn plaats is. Voorwaarde is wel dat in het betreffende plan hierover geen (nieuwe) keuzes worden gemaakt en hieraan geen wezenlijk nieuwe aspecten worden toegevoegd. Bij verwijzing naar een eerder plan moet wel worden gecheckt of de hierin gepresenteerde milieuinformatie nog actueel is, met andere woorden: of er in de tussentijd geen wijzigingen hebben voorgedaan die relevant zijn voor het te nemen besluit.

16 14

17 15 2. Praktische informatie 2.1 Hoe bepaal ik of mijn plan planmer-plichtig is? Stroomschema Is mijn plan planmer-plichtig? In figuur 2.1 is een stroomschema opgenomen waarmee u stapsgewijs kunt bepalen of uw plan planmer-plichtig is. De planmerplicht kent een gesloten en een open deel. Navolgend worden achtereenvolgens de stappen uit het gesloten deel en het open deel van de planmer-plicht behandeld. Het schema is zo opgezet dat bij een eventuele planmer-plicht ook de reden(en) hiervoor worden aangegeven. Dit kan namelijk bepalend zijn voor de procedure die moet worden gevolgd. Om het schema inzichtelijk te houden zijn niet alle uitzonderingen en nuanceringen hierin opgenomen. Hiervoor wordt verwezen naar de aandachtspunten aan het eind van deze paragraaf. Kader voor projectmer- (beoordelings)plicht Het gesloten deel van de planmer-plicht Het gesloten deel van de planmer-plicht heeft betrekking op wettelijk en bestuursrechtelijk verplichte plannen die het kader vormen voor latere projectmer-plichtige of projectmer-beoordelingsplichtige besluiten. De basisvraag: worden kaderstellende keuzen gemaakt? De basisvraag die u moet beantwoorden is: welke keuzen worden met de vaststelling van het plan gemaakt en voor welke activiteiten wordt hierdoor een kader gevormd oftewel de toon gezet? Deze keuzen hoeven: Niet specifiek te Algemene uitspraken kunnen soms maar op één manier worden uitgelegd waardoor toch sprake is van een kader voor één of meer activiteiten. Zo worden in de Planologische Kernbeslissing (PKB), bv Nota Ruimte, Ruimte voor de Rivier algemene uitspraken gedaan over de te nemen maatregelen en de grond die hierbij vrij komt. Dit impliceert echter de realisatie van depots voor de berging van verontreinigde baggerspecie, een projectmer-plichtige activiteit. Niet nieuw te Dit kan ook het verlengen van een bestaand plan zijn waarmee al eerder gemaakte keuzen opnieuw worden vastgesteld. Zo kan de integrale herziening van het Streekplan een kader vormen voor veel activiteiten doordat al eerder gemaakte keuzen opnieuw worden bekrachtigd. Dat voor het oorspronkelijke plan vanwege deze activiteit(en) al een planmer en/of projectmer is doorlopen is daarbij niet van belang. Er is immers opnieuw sprake van een kader. Bedenk steeds goed of de keuzen ook daadwerkelijk in het betreffende plan worden gemaakt of dat deze keuzen al gemaakt zijn in een eerder plan of gemaakt worden in een ander (later) plan. De navolgende paragraaf (2.1.2) gaat nader in op de vraag wanneer sprake is van een kader. Check het besluit m.e.r. Met de activiteit(en) waarvoor een kader wordt gevormd checkt u vervolgens zowel bijlage C als bijlage D bij het Besluit m.e.r.. Deze bijlagen zijn opgenomen in deel 3 van deze handreiking. In paragraaf van deze handreiking is al toegelicht dat deze bijlagen bestaan uit vier kolommen. In kolom 1 checkt u of de door u benoemde activiteit(en) zijn aangewezen. In kolom 2 checkt u of de betreffende activiteit valt binnen de specifiek omschreven gevallen en of de eventuele drempelwaarde wordt overschreden. Het gaat daarbij om de laagste drempelwaarde. Deze is in principe opgenomen in bijlage D voor de projectmer-beoordelingsplichtige activiteiten. Diverse activiteiten zijn echter niet opgenomen in bijlage D, maar alleen in bijlage C voor de projectmer-plichtige activiteiten. In dat geval is de laagste drempelwaarde opgenomen in bijlage C. In kolom 3 checkt u of uw plan is aangewezen voor de betreffende activiteit. In kolom 3 zijn alleen wettelijk en bestuursrechtelijk verplichte plannen opgenomen. Deze check hoeft u dus niet zelf meer te doen. In tabel 1.1 in deel 1 van deze handreiking is een overzicht opgenomen van de in totaal 18 plannen die zijn opgenomen in kolom 3. In kolom 4 checkt u of uw plan projectmer-plichtig (C) of projectmer-beoordelingsplichtig (D) is. Is het antwoord bij kolommen 1, 2 en 3 ja en bij kolom 4 nee dan is uw plan planmer-plichtig. Is het antwoord bij de vierde kolom echter ook ja, dan is uw plan voor deze activiteit projectmer-plichtig en niet planmer-plichtig. De projectmer-plicht is gekoppeld aan het vergunningplichtige besluit. In kolom 4 zijn dan ook veelal milieuvergunningen opgenomen als projectmerplichtig. Als echter geen milieuvergunningen konden worden aangewezen waarmee toestemming wordt gegeven voor de betreffende activiteit is in kolom 4 het ruimtelijke ordeningsplan aangewezen dat het laagst in de hiërarchie en het meest concreet is. Dit is het uitwerkingsplan van het bestemmingsplan (artikel 11 van de wet op de ruimtelijke ordening) en bij het ontbreken daarvan het bestemmingsplan zelf (artikel 10). Het

18 16 Figuur 2.1. Stroomschema: is mijn plan planmer-plichtig? Gesloten deel Open deel Zijn er activiteiten waarvoor het plan het kader vormt oftewel de toon zet Nee Is voor het plan een passende beoordeling noodzakelijk? Ja Nee Ja Staan één of meerdere activiteiten op de C/D-lijst van het Besluit m.e.r. (kolom 1)? Nee Staat het plan in kolom 3 van het Besluit m.e.r. (zie tabel 1.1 van deze handreiking)? Ja Nee Ja Worden voor deze activiteit(en) één of meerdere drempels overschreden (kolom 2) Nee Geen planmer-plicht Planmerplicht: passende beoordeling Ja Is het plan voor deze activiteit(en) aangewezen als projectmerplichtig besluit (kolom)? Ja Nee Is het plan voor deze activiteit(en) aangewezen als mogelijk kaderstellend (kolom 3)? Is voor het plan een passende beoordeling noodzakelijk? Nee Planmerplicht: kader voor projectmer-plicht Ja Planmerplicht: passende beoordeling Toelichting: De reden voor planmer-plicht is vermeld omdat dit van invloed kan zijn op de procedure. Voor uitzonderingen wordt verwezen naar de aandachtspunten in de tekst.

19 17 bestemmingsplan is in deze gevallen opgenomen in zowel kolom 3 als kolom 4. Als er één of meerdere uitwerkingsplannen zijn is het bestemmingsplan planmer-plichtig. Zijn die er niet, dan is het bestemmingsplan projectmer-plichtig. In dit laatste geval is het antwoord bij kolom 3 en kolom 4 ja, maar geeft kolom 4 de doorslag. Plannen waarvoor passende beoordeling nodig is Het open deel van de planmer-plicht Het open deel van de planmer-plicht heeft betrekking op wettelijk en bestuursrechtelijk verplichte plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is op grond van de Europese Habitatrichtlijn. De achterliggende gedachte voor deze koppeling tussen passende beoordeling en planmer is dat een activiteit waarvoor die passende beoordeling noodzakelijk is per definitie ook belangrijke milieugevolgen heeft. Onder milieugevolgen worden immers ook de gevolgen voor flora en fauna en biodiversiteit verstaan. Een passende beoordeling is aan de orde indien één of meerdere activiteiten die in een plan worden voorzien significante gevolgen kunnen hebben voor een speciale beschermingszone die is aangewezen in het kader van de Vogel- en Habitatrichtlijn. Geen drempelwaarden De plannen die planmer-plichtig kunnen zijn, zijn vooralsnog afgebakend in het Besluit m.e.r.: 18 wettelijk of bestuursrechtelijk verplichte plannen (zie tabel 1.1 in deel 1 van deze handreiking voor een overzicht). De activiteiten en gevallen die kunnen leiden tot een passende beoordeling en dus een planmer-plicht zijn echter in tegenstelling tot de projectmer-plichtige activiteiten niet afgebakend in het Besluit m.e.r.. Er zijn dus geen drempelwaarden waar u aan kunt toetsen. Daarom is dit het open deel van de planmer-plicht. Het kan gaan om relatief kleinschalige activiteiten. Hoe beoordeelt u of er sprake is van significante gevolgen? En wat is een passende beoordeling op planniveau? Paragraaf 2.4 geeft aan waar u hierover nadere informatie kunt verkrijgen. Belangrijke nadelige milieueffecten Aandachtspunten bij het bepalen van de planmer-plicht Bij het gesloten deel van de planmer-plicht vormt het Besluit m.e.r. de leidraad bij het bepalen of sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen. Echter, als een activiteit net onder de drempelwaarde blijft (kolom 2) en effecten op gevoelige gebieden waarschijnlijk zijn, pas dan op. Bijvoorbeeld de bouw van woningen (de drempel voor projectmer-beoordeling is woningen) met ruimtebeslag op een kerngebeid uit de ecologische hoofdstructuur. Uit jurisprudentie is namelijk gebleken dat in dergelijke gevallen toch sprake kan zijn van projectmer- (beoordelings)plicht. Beoordeel dus in dergelijke gevallen of toch sprake is van mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen op basis van de specifieke omstandigheden waaronder de activiteiten worden ondernomen. Ter vergelijking: bij het doorlopen van een projectmer-beoordelingsprocedure worden deze omstandigheden aangeduid als bijzondere omstandigheden (zie ook artikel 7.8b uit de Wet milieubeheer, de nota van toelichting van het Besluit m.e.r en bijlage 3 van de Europese m.e.r.-richtlijn). De bijzondere omstandigheden kunnen betrekking hebben op: de kenmerken van de activiteit; de plaats waar de activiteit plaatsvindt (bijvoorbeeld: gevoelige gebieden); de kenmerken van belangrijke nadelige milieugevolgen die de activiteit kan hebben; de samenhang met andere activiteiten (cumulatie van effecten). Voor een verdere uitwerking van de wijze waarop hieraan getoetst kan worden wordt verwezen naar InfoMil ( Provinciale milieuverordening In een provinciale milieuverordening kunnen aanvullend op het landelijke Besluit m.e.r. extra activiteiten en besluiten worden aangewezen waarvoor een projectmer moet worden uitgevoerd en extra plannen die planmer-plichtig Sinds het van kracht worden van het Besluit m.e.r. in 1994 tot aan het opstellen van deze handreiking in 2005 heeft alleen voor de Waddenzee een dergelijke uitbreiding van de projectmer-plicht plaats gevonden. Advies is om bij het opstellen van plannen die op zichzelf niet zijn aangewezen als planmer-plichtig in een provinciale milieuverordening of in het Besluit m.e.r., maar die wel een kader vormen voor extra activiteiten en besluiten die als projectmer-plichtig zijn aangewezen in een provinciale milieuverordening, wel de planmer-procedure te doorlopen.

20 18 Reden van planmer-plicht mogelijk van invloed op de procedure In het stroomschema in figuur 2.1 is expliciet aangegeven of de planmer-plicht voortkomt uit een kader voor de projectmerplicht en/of de noodzaak van een passende beoordeling. De reden hiervoor is dat dit consequenties kan hebben voor de te doorlopen planmer-procedure. Zoals al beschreven in paragraaf 1.3 is voor planmer-plichtige plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is, is onafhankelijke toetsing door de Commissie m.e.r. verplicht. Het hele plan is planmer-plichtig Het hele plan is planmer-plichtig. Een plan kan een kader vormen voor veel activiteiten, bijvoorbeeld in het geval van een integrale streekplanherziening. Mogelijk leiden slechts één of enkele van deze activiteiten tot een planmer-plicht. In een dergelijk geval mag de planmer dus niet geheel worden beperkt tot die delen van het plan waarin een kader wordt gevormd voor projectmer-plichtige activiteiten en/of activiteiten waarvoor een passende beoordeling nodig is. In paragraaf wordt toegelicht hoe hiermee in het planmer kan worden omgegaan. Zelfde plan zowel planmer-plichtig als projectmer-plichtig Eén en hetzelfde plan kan zowel planmer-plichtig als projectmer-plichtig Bijvoorbeeld het bestemmingsplan of het uitwerkingsplan van het bestemmingsplan zijn in het Besluit m.e.r. bij diverse activiteiten opgenomen in kolom 3 en bij weer andere activiteiten in kolom 4 (zoals hiervoor beschreven bij de check van het Besluit m.e.r. kan het bestemmingsplan zelfs opgenomen zijn in beide kolommen). Dus kunnen deze plannen ook tegelijkertijd voor de ene activiteit planmer-plichtig zijn en voor de andere activiteit projectmer-(beoordelings)plichtig. Daarnaast kunnen activiteiten planmer-plichtig zijn doordat hiervoor een passende beoordeling nodig is. Een gecombineerde planmer- en projectmer-(beoordelings)plicht voor dezelfde activiteit is alleen mogelijk als tegelijkertijd aan de volgende drie voorwaarden wordt voldaan: het plan vanwege deze activiteit projectmer- (beoordelings)plichtig is; voor de betreffende activiteit een passende beoordeling nodig is; het plan wettelijk of bestuursrechtelijk is voorgeschreven (zie tabel 1.1 in deel 1 van deze handreiking voor een overzicht van deze plannen uit het Besluit m.e.r.). Deze situatie zal zich het meest waarschijnlijk op het gemeentelijk niveau voordoen. Bijvoorbeeld het vastleggen van een projectmer-plichtige woningbouwlocatie in het uitwerkingsplan van het bestemmingsplan, waarbij deze locatie grenst aan een gebied dat is aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn. Zonder dat een passende beoordeling aan de orde is kan voor dezelfde activiteit nooit sprake zijn van een dubbele plicht. Dan zou het plan namelijk tegelijk zowel een kader vormen voor het vergunningplichtige besluit als het vergunningplichtige besluit zelf betreffen. In de Nederlandse praktijk komt zoiets niet voor. De wet kent geen vrijstelling of ontheffingsmogelijkheid van de planmer-plicht. In het geval van een gecombineerde plicht is in de wet opgenomen dat hiervoor een gecombineerde procedure mag worden doorlopen. Deze gecombineerde procedure moet dan wel voldoen aan de eisen van zowel de planmer-procedure als de projectmer-procedure. De planmer-procedure kent minder procedurele voorschriften dan de projectmer-procedure. Voor een nadere uitwerking van de gecombineerde procedure wordt verwezen naar paragraaf van deze handreiking. Voorzorgsprincipe In de praktijk zal niet altijd duidelijk zijn of sprake is van planmer-plicht. Is bijvoorbeeld sprake van een voldoende kader voor een later projectmer-plichtig besluit? Wordt de drempelwaarde uit het Besluit m.e.r. bij latere uitwerking van het project wel overschreden? In dit geval treedt het voorzorgsprincipe in werking en voert u voor het betreffende plan een planmer uit. Wees expliciet Aanbeveling is om in alle plannen met mogelijke ruimtelijke consequenties en daardoor mogelijke aanzienlijke milieugevolgen expliciet te onderbouwen hoe is omgegaan met de planmerplicht. Dus ook in de gevallen dat geen planmer-procedure is doorlopen. Zo wordt de planmer-plicht niet over het hoofd gezien en zijn de redenen om wel of geen planmer uit te voeren reproduceerbaar en transparant. Het opstellen van een plan is soms een langdurig proces waarbij sprake kan zijn van inhoudelijke wijzigingen die ook van invloed kunnen zijn op de planmer-plicht. Wees hier op bedacht!

21 Een kader vormen voor Het kader vormen voor is in de wet uitgelegd als de toon zetten voor. Om de toon te kunnen zetten voor een later projectmer-(beoordelings)plichtig besluit moet echter wel sprake zijn van enige concreetheid. Maar wanneer is dat het geval? Om dit inzichtelijk te maken worden in deze handreiking vier typen plannen onderscheiden, waarin één of meer: 1. doelen worden vastgelegd, zonder concrete activiteiten, locaties en inrichtingen; 2. activiteiten worden vastgelegd, zonder concrete locatie(s) en inrichting(en); 3. locaties worden vastgelegd, zonder concrete inrichtingen; 4. inrichtingen worden vastgelegd. Dit is een theoretische indeling; in de praktijk kunnen ook meerdere typen in één plan worden verenigd. In deze paragraaf wordt per type aan de hand van enkele voorbeelden toegelicht op welke wijze de toon wordt gezet. In paragraaf 2.3 Aandachtspunten bij het opstellen van het planmer wordt dit doorvertaald naar de verschillende inhoudelijke onderdelen van een planmer: hoe redelijke alternatieven er uit kunnen zien en hoe de nadelige milieugevolgen kunnen worden bepaald. 1. Doelen Bij sommige plannen kan een concrete ruimtelijke context volledig ontbreken: vast te stellen doelen die niet worden doorvertaald naar concrete activiteiten, locaties en inrichtingen, maar waar bij de vergunningverlening wel rekening mee moet worden gehouden. Voorbeelden van dergelijke doelen kunnen zijn een groter percentage hergebruik van afval of het gebruik van normen bij onder meer dijk- of waterpeilaanpassingen. Dergelijke doelen kunnen in een later stadium leiden tot één of meer projectmer- (beoordelings)plichtige projecten, bijvoorbeeld de vergunningverlening voor een afvalverwerkinginstallatie of de (ruimtelijke) inpassing in het dijkversterkingsplan. De plannen waarin dergelijke doelen (normen) worden vastgelegd kunnen dan ook planmer-plichtig 2. Activiteiten Dit betreft met name plannen waarin abstracte doelen (normen) worden doorvertaald naar concrete activiteiten, maar nog niet naar locaties en inrichtingen. Een voorbeeld is de vertaling van het abstracte doel aangaande meer duurzame energie naar het realiseren van voldoende windmolenparken voor het op wekken van een vastgestelde hoeveelheid stroom zonder hiervoor concrete locaties aan te wijzen. Het zal vaak een rijks- of provinciaal plan zijn dat dergelijke uitspraken zal doen. Dergelijke activiteiten kunnen in een later stadium leiden tot één of meer projectmer-(beoordelings)plichtige projecten, bijvoorbeeld de ruimtelijke inpassing van een windmolenpark in een bestemmingsplan. De plannen waarin dergelijke activiteiten worden vastgelegd kunnen dan ook planmer-plichtig 3. Locaties Dit zijn overheidsplannen waarin één of meerdere locaties worden gekozen voor de realisatie van activiteiten, waarbij de inrichting nog niet wordt vastgelegd. Voorbeelden zijn de locatiekeuze van een baggerspeciestortplaats en de locatiekeuze van een wegomlegging rond een woonkern. Dergelijke activiteiten kunnen in een later stadium leiden tot één of meer projectmer- (beoordelings)plichtige projecten, bijvoorbeeld de vergunningverlening voor een baggerspeciestortplaats en de ruimtelijke inpassing van een wegomlegging in een bestemmingsplan. De plannen waarin dergelijke locaties worden vastgelegd kunnen dan ook planmer-plichtig Hierbij moet echter wel sprake zijn van enige concreetheid. Zo kan de aanduiding agrarische functie niet tot planmer-plicht leiden; het aanwijzen van een zoekgebied voor een glastuinbouwlocatie wel. Een zoekgebied is een voorbeeld van een positieve selectie van een locatie. Ook een negatieve selectie door bepaalde gebieden uit te sluiten kan een kader vormen, mits de overblijvende gebieden hiermee voor de hand liggende locaties worden voor een bepaalde projectmer-plichtige activiteit. Bijvoorbeeld door bepaalde gebieden rond een stad expliciet of impliciet uit te sluiten van verstedelijking betekent dit automatisch dat de overblijvende gebieden wel in aanmerking komen voor verstedelijking. Een impliciete uitsluiting kan bijvoorbeeld plaats vinden door het toekennen van een bepaalde natuurfunctie die in de praktijk niet kan worden gecombineerd met verstedelijking. 4. Inrichtingen Dit betreft plannen van een overheid waarin een inrichting wordt gekozen voor de realisatie van een activiteit op een bepaalde locatie. In de praktijk zal de inrichting veelal worden vastgelegd in het projectmer-plichtige besluit en in dat geval is er geen sprake meer van planmer-plicht. Immers, planmer is gekoppeld aan een plan dat kaderstellend is voor het projectmer-plichtige besluit. De inrichting kan echter ook al worden vastgelegd in

22 20 een kaderstellend plan. Bijvoorbeeld bij de ontwikkeling van een grote woningbouwlocatie wordt de inrichting op hoofdlijnen vastgelegd in het planmer-plichtige bestemmingsplan. Vervolgens wordt de inrichting tot in detail vastgelegd in de projectmerplichtige uitwerkingsplannen van dit bestemmingsplan. 2.2 Hoe doorloop ik de procedure? Koppeling met de planprocedure Geen blauwdruk voor procedure en communicatie Planmer staat niet op zich zelf, maar is een hulpmiddel bij de besluitvorming van de overheid over het betreffende plan. De planmer-procedure is daarom steeds gekoppeld aan de vaststelling van een plan en de procedure die daarvoor moet worden doorlopen. De aard van de planmer-plichtige plannen en de bijbehorende planprocedures lopen sterk uiteen. Er kan dan ook geen blauwdruk gegeven worden over de wijze waarop de planprocedure en de planmer-procedure het beste kunnen worden gekoppeld en de wijze waarop communicatie daarbij vorm kan krijgen. Daarom wordt in deze handreiking voor enkele stappen uit de planmer-procedure zoals omschreven in paragraaf 1.3 het speelveld weergegeven, mede op basis van praktijkvoorbeelden. De accenten die u uiteindelijk in planvoorbereiding kiest worden onder meer bepaald door: het doel van het op te stellen plan; de beleidsfase waarin dit plan verkeert; de betrokken doelgroepen; de maatschappelijke context; de geografische omvang van het initiatief; de mate van gevoeligheid van het plan op bestuurlijk en ambtelijk niveau en in de omgeving. Leeswijzer In de navolgende paragrafen komen de volgende onderwerpen aan bod: Het bevoegd gezag (paragraaf 2.2.2). De openbare kennisgeving: wanneer de planmer-procedure starten? (paragraaf 2.2.3). Het raadplegen van bestuursorganen over reikwijdte en detailniveau (paragraaf 2.2.4). Onafhankelijke toetsing: commissie voor de milieueffectrapportage (paragraaf 2.2.5). Kwaliteitsborging (paragraaf 2.2.6). Koppeling met de projectmer-procedure (paragraaf 2.2.7). Koppeling met de projectmer-beoordelingsprocedure (paragraaf 2.2.8). Koppeling met de watertoets (paragraaf 2.2.9). Koppeling met het Verdrag van Valetta: archeologie (paragraaf ). De aandachtspunten bij het opstellen van het milieueffectrapport zelf worden behandeld in paragraaf 2.3. Het PlanMER is stap 3 van de procedure zoals beschreven in paragraaf Bevoegd gezag Het bevoegd gezag is eindverantwoordelijk Het bevoegd gezag is de overheidsinstantie die eindverantwoordelijk is voor zowel het opstellen en vaststellen van het betreffende planmer-plichtige plan als het correct doorlopen van de planmer-procedure. In de meeste gevallen zal het bevoegd gezag worden gevormd door een instantie, maar het kunnen er ook meerdere Bijvoorbeeld de gemeenteraden van meerdere gemeenten bij het opstellen van een regionaal structuurplan. Binnen een instantie kunnen de verantwoordelijkheden gescheiden Zo kan B&W van een gemeente verantwoordelijk zijn voor het opstellen van een plan met bijbehorend planmer en de Gemeenteraad voor de vaststelling ervan. Uit oogpunt van kwaliteitsborging is het scheiden van deze verantwoordelijkheden binnen één organisatie sterk gewenst. Rol baathebbers Het bevoegd gezag kan de uiteindelijke baathebber(s) van het plan (bijvoorbeeld een lagere overheid of een private partij) eventueel verzoeken de inhoudelijke uitvoering van één of enkele onderdelen van de procedure op zich te nemen, bijvoorbeeld het opstellen van (delen van) het planmer. Het bevoegd gezag zal dan de producten die zijn opgesteld moeten beoordelen op aanvaarbaarheid. Hiervoor zijn in de wetgeving geen spelregels opgenomen. Het bevoegd gezag kan per geval zelf beoordelen welke rol de baathebber krijgt en hoe het bevoegd gezag dit toetst De openbare kennisgeving: wanneer de planmer-procedure starten? De planmer-procedure start met een openbare kennisgeving. De inhoudelijke vereisten van de openbare kennisgeving zijn beschreven in paragraaf 1.3.

23 21 Op welk moment? Op welk moment tijdens de planvoorbereiding kan de planmerprocedure het beste worden gestart? Een vroege en een late start hebben allebei zo hun voor en nadelen. De kunst is een goed optimum te vinden. De voors en tegens van een vroege start Het voordeel van een zo vroeg mogelijke start is dat de planmer-procedure (deels) gelijk op kan lopen met de planprocedure zodat wisselwerking mogelijk is. De milieu-informatie kan zo daadwerkelijk een rol spelen bij de alternatiefontwikkeling en bij de (tussentijdse) keuzes. Het planmer krijgt hiermee de beoogde functie als planvormingsdocument. Nadeel van een vroege start kan zijn dat het plan nog onvoldoende is uitgekristalliseerd waardoor een eenduidige bepaling van de reikwijdte en het detailniveau van het planmer, van de milieugevolgen en zelfs van de planmer-plichtigheid lastig kan Aanpassingen en aanvullingen in het planproces leiden dan snel tot fundamentele herzieningen in het planmer. Overigens is het wettelijk niet verplicht om in gevallen waarbij wordt afgeweken van de oorspronkelijke kennisgeving opnieuw een openbare kennisgeving te doen. De voors en tegens van een late start Voordeel van een late start is dat de planontwikkeling verder is gevorderd waardoor mogelijk meer duidelijkheid bestaat over de planmer-plichtigheid en de onderwerpen waarop het planmer zich kan richten en met welke diepgang. Nadeel is echter dat mogelijk voor het milieu belangrijke keuzes al in een eerder stadium van de planontwikkeling zijn gemaakt. Het planmer krijgt in dat geval meer een functie als verantwoordingsdocument: op welke wijze is milieu meegenomen in de eerdere keuzes? Het raadplegen van bestuursorganen over reikwijdte en detailniveau Raadpleging: drie methoden De bestuursorganen die met de uitvoering van het plan te maken kunnen krijgen moeten worden geraadpleegd over de reikwijdte en het detailniveau van het planmer. Dit gebeurt na of uiterlijk gelijktijdig met de openbare kennisgeving. Voordeel van het gelijktijdig doorlopen van beide procedurele stappen is dat de mogelijkheid bestaat om bij de bekendmaking ook de bevindingen ten aanzien van de reikwijdte en het detailniveau openbaar te maken. Het raadplegen van bestuursorganen gebeurt in de praktijk op meerdere manieren, bijvoorbeeld (van eenvoudig tot uitgebreid, combinaties zijn ook mogelijk): Vertegenwoordigers van de betreffende bestuursorganen worden uitgenodigd voor een bijeenkomst waarop ze een toelichting krijgen over het plan en over de beoogde reikwijdte en het beoogde detailniveau van het planmer. Tijdens het overleg bestaat de mogelijkheid om hierop te reageren. De bevindingen tijdens de bijeenkomst worden vastgelegd door middel van en verslag of een bandopname. De beoogde reikwijdte en het beoogde detailniveau van het plan- MER worden kort en bondig verwoord in een notitie of brief. Deze notitie of brief wordt voorgelegd aan de betreffende bestuursorganen waarbij de bestuursorganen de mogelijkheid krijgen om hierop te reageren. De beoogde reikwijdte en het beoogde detailniveau van het planmer worden verwoord in een uitgebreider document, bijvoorbeeld conform de startnotitie in het kader van de projectmerprocedure. Dit document kan vrijwillig ter inzage worden gelegd waarbij openbare inspraak mogelijk is. Raadpleging: welke bestuursorganen? Welke bestuursorganen krijgen met de uitvoering van het plan te maken? Dit kunnen in principe de bestuursorganen van alle overheidsinstanties zijn: rijksoverheid, provincies, stadsregio s, waterschappen en (deel)gemeenten. Denkt u daarbij aan: De overheidsinstanties die direct verantwoordelijk zijn voor verdere uitwerking en/of implementatie van de doelen/normen, activiteiten, locaties en inrichtingen die in uw plan worden vastgelegd (zie ook paragraaf Een kader vormen voor ). Bijvoorbeeld alle gemeenten in het geval van een provinciaal plan. Andereoverheidsinstanties die een rol hebben in het besluitvormingsproces voor het betreffende plan, bijvoorbeeld de Provinciale Planologische Commissie (PPC) en de Inspectie VROM. Dekoppeling met andere te doorlopen procedures, bijvoorbeeld het bestuur van het waterschap in relatie tot de watertoets (zie paragraaf 2.2.9), de Rijksdienst voor de Monumentenzorg (RDMZ) en de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB) in relatie tot archeologische waarden (zie paragraaf ) en de regiodirectie van het ministerie van LNV in het kader van de passende beoordeling (zie paragraaf 2.4). Derelaties met andere relevante plannen en de overheidsinstanties die daarbij zijn betrokken.

24 22 Reikwijdte en detailniveau Hoe bepaal ik de reikwijdte en het detailniveau voor het planmer? Hiervoor wordt verwezen naar paragraaf 2.3 Aandachtspunten bij het opstellen van het planmer. Voor de inhoudelijke keuzes ten aanzien van reikwijdte en detailniveau kan er al in deze fase voor worden gekozen om vrijwillig onafhankelijk advies in te winnen, bijvoorbeeld van de Commissie m.e.r.. Zeker voor plannen waarbij advisering door de Commissie m.e.r. na afronding van het planmer verplicht is (passende beoordeling, EHS), kan het wenselijk zijn al vooraf advies in te winnen over de keuzes ten aanzien van reikwijdte en detailniveau. De navolgende paragraaf (2.2.5) gaat nader in op de inzet van de Commissie m.e.r.. Afwijkingen in het planmer Als tijdens het opstellen van het planmer fundamenteel wordt afgeweken van de beoogde reikwijdte en het beoogde detailniveau, bijvoorbeeld door voortschrijdend inzicht binnen het planproces, wordt geadviseerd ook deze wijzigingen voor te leggen aan de bestuursorganen die met de uitvoering van het plan te maken kunnen krijgen. Mogelijk komen door de wijzigingen zelfs andere bestuursorganen in beeld Onafhankelijke toetsing: commissie voor de milieueffectrapportage In welke gevallen is toetsing verplicht? Zoals al beschreven in deel 1 van deze handreiking is onafhankelijke toetsing door Commissie voor de milieueffectrapportage (Commissie m.e.r.) wettelijk verplicht als: het plan een kader schept voor projectmer- (beoordelings)plichtige activiteiten in de ecologische hoofdstructuur (EHS) en/of voor het plan een passende beoordeling in het kader van de Europese Habitatrichtlijn nodig is. Bij het bepalen van de planmer-plicht is al onderzocht of het plan een kader vormt voor toekomstige projectmer- (beoordelings)plichtige activiteiten en of voor het plan een passende beoordeling nodig is (zie paragraaf 2.1). In het geval van projectmer-(beoordelings)plichtige activiteiten toetst u of één of meerdere van deze activiteiten voor een deel of geheel in de EHS plaats vinden. Het gaat dus niet om activiteiten die fysiek buiten de EHS plaatsvinden maar wel van invloed zijn op de EHS (bijvoorbeeld door uitstralingseffecten of externe werking). Wat wordt verstaan onder de EHS? Het gaat hierbij om EHS die in provinciaal en gemeentelijk beleid is begrensd en dus niet om de onbegrensde EHS op Rijksniveau. Voor een overzicht van de begrensde EHS vormen de internetsites van de provincies over het algemeen een goede ingang. Op welk moment is toetsing verplicht? De verplichte toetsing door de Commissie m.e.r. dient plaats te vinden tijdens of na de ter visielegging van het planmer en het ontwerpplan, voordat het definitieve ontwerpplan wordt opgesteld (stap 4d van de procedure; zie paragraaf 1.3 in deel 1). Waar richt de toetsing zich op? De verplichte toetsing door de Commissie m.e.r. heeft alleen betrekking op het aspect natuur in het planmer. Doel van de verplichte inzet van de Commissie m.e.r. is namelijk advisering over een juiste toepassing van de strenge beschermingsregimes die in deze gevallen van toepassing zijn en de volledigheid van de informatie die hiervoor is benodigd. Vrijwillige toetsing De navolgende paragraaf Kwaliteitsborging gaat nader in op mogelijke extra waarborgen die kunnen worden ingezet, bijvoorbeeld als het plan controversieel is of als de milieugevolgen complex en onoverzichtelijk Naast verplichte toetsing door de Commissie m.e.r. kan daartoe onder andere gekozen worden voor extra vrijwillige toetsing: Op meer momenten tijdens de procedure dan op het verplichte moment tijdens of na de inspraak. Een logisch moment hiervoor is de bepaling van de reikwijdte en het detailniveau van het planmer. Een bredere toetsing dan alleen de verplichte toetsing van het aspect natuur. De Commissie m.e.r. beschikt over specialisten voor alle aspecten die in een milieueffectrapport aan de orde kunnen Voor planmer-procedures waarbij de inzet van de Commissie m.e.r. niet verplicht is. In dat geval kunt u zelf bepalen welke momenten tijdens de procedure u hiervoor kiest en welke aspecten u laat toetsen.

25 23 Indien u inzet van de Commissie m.e.r. overweegt is het raadzaam om al voorafgaand aan de start van de procedure met de Commissie m.e.r. te overleggen welke momenten in uw specifieke situatie het meest geschikt zijn om advies in te winnen. Inzet van de Commissie m.e.r. is kosteloos. Openbare kennisgeving In de openbare kennisgeving (stap 1 van de planmer-procedure) geeft u aan of u de Commissie m.e.r. inschakelt en zo ja op welke wijze en of deze inzet vrijwillig of verplicht is. Definitieve plan In het definitieve plan dient u te onderbouwen hoe u bent omgegaan met het eventuele advies van de Commissie m.e.r.. Meer informatie Indien u meer wil weten over de Commissie m.e.r. of contact wil opnemen verwijzen wij u naar de internetsite van de Commissie: Kwaliteitsborging Belang van kwaliteit De kwaliteit van de doorlopen procedure is van groot belang voor legitimiteit en draagvlak. U doet er verstandig aan hier bewust en zorgvuldig mee om te gaan. De kwaliteit laat zich vertalen in de volledigheid en juistheid van het eindproduct: het planmer. Staat alles erin wat er in moet staan en wordt alles op een goede manier bekeken en onderzocht? Het bevoegd gezag is verantwoordelijk De verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van de planmer-procedure en de volledigheid en juistheid van het planmer ligt bij het bevoegd gezag. De planmer-procedure kent een aantal verplichte waarborgen. Daarnaast kan het bevoegd gezag aanvullend extra waarborgen inbouwen. Verplichte waarborgen De planmer-procedure kent een aantal verplichte kwaliteitsbevorderende waarborgen: Twee keer terugkoppeling naar bestuursorganen die met de uitvoering van het plan te maken kunnen krijgen: over reikwijdte en detailniveau (zie paragraaf 2.2.4) en tijdens de ter inzagelegging. Eén keer inspraak op het ontwerpplan inclusief planmer voor het brede publiek tijdens de ter inzagelegging. In bepaalde gevallen verplichte toetsing door de Commissie m.e.r. gericht op de natuuraspecten (zie voorgaande paragraaf 2.2.5). Motivering hoe u bent omgegaan met de bevindingen in het planmer, de inspraakreacties en eventueel de toetsing door de Commissie m.e.r.. Dit is van belang voor draagvlak voor het plan: dit laat zien dat serieus met opmerkingen en zienswijzen wordt omgegaan en dat dit waar nodig resulteert in wijzigingen in het planmer of in het plan zelf. De kennisgeving als eerste stap van de planmer-procedure is er voor bedoeld om het proces dat uiteindelijk leidt tot het planmer transparant te maken. Dit kan ook als kwaliteitsborging worden gezien omdat: van tevoren goed moet worden nagedacht over de totstandkoming van het planmer; dit aan belanghebbenden en betrokkenen laat zien dat zorgvuldig met aspecten als kwaliteit en draagvlak wordt omgegaan; de eventuele (publieke) discussie naar aanleiding van de kennisgeving een indicatie kan geven van de gevoeligheden; het proces kan hierop eventueel worden afgestemd. Extra waarborgen Het draagvlak voor het plan en de kwaliteit van het planmer kunnen worden versterkt door extra waarborgen in te bouwen. Reden hiervoor kan bijvoorbeeld zijn dat het plan controversieel is en dat hiertegen veel weerstand bestaat. Of dat de milieugevolgen complex en onoverzichtelijk Voorbeelden van extra waarborgen zijn: Een extra inspraakronde of op een andere wijze met de betrokkenen en/of belanghebbenden van gedachten te wisselen. Een logisch moment hiervoor is de bepaling van de reikwijdte en het detailniveau van het planmer. Extra (onafhankelijke) toetsing. Bijvoorbeeld door de Commissie m.e.r.. Maar er kan ook een andere instelling worden benaderd om de voorspelde milieugevolgen nog eens te laten checken, zoals het RIVM. De openbare kennisgeving (stap 1 van de planmer-procedure) is een ideaal moment om over het inzetten van extra waarborgen na te denken en hiermee naar buiten te gaan.

26 24 Scheiden van verantwoordelijkheden Planmer dient ter ondersteuning van de besluitvorming over het plan. Uit oogpunt van legitimiteit en draagvlak is het verstandig om organisatorisch de uitvoering van de planmer-procedure en het opstellen van bijbehorende producten te scheiden van de beoordeling en besluitvorming. Veelal zal deze scheiding moeten worden aangebracht binnen één overheidsinstantie. Eventuele tips op dit punt kunt u vinden in de handleiding m.e.r. op www. infomil.nl Koppeling met de projectmer-procedure Wanneer is een gecombineerde procedure aan de orde? Zoals aangegeven in deel 1 (paragraaf 1.3) mag volgens de wet een gecombineerde planmer- en projectmer-procedure worden doorlopen. Dit kan zich in twee gevallen voordoen: Het planmer-plichtige plan en het projectmer-plichtige besluit worden tegelijk voorbereid, bijvoorbeeld vergunningverlening parallel met de inpassing van de locatie in het streekplan of bestemmingsplan. Het plan is zowel planmer-plichtig als projectmer-plichtig. Zoals beschreven in paragraaf 2.1 Hoe bepaal ik of mijn plan planmer-plichtig is kan deze situatie zich voordoen bij bestemmingsplannen en uitwerkingsplannen van het bestemmingsplan waarin projectmer-plichtige activiteiten worden voorzien. Planmer-plicht kan voor deze plannen ook ontstaan als een passende beoordeling nodig is. Koppeling met de moederprocedures Bij gelijktijdige voorbereiding van het planmer-plichtige plan en het projectmer-plichtige besluit is de planmer-procedure gekoppeld aan de vaststelling van een plan terwijl de projectmer-procedure is gekoppeld aan een besluit. Dus bij de afweging of in een dergelijk geval een gecombineerde planmer/projectmer-procedure kan worden doorlopen ook bezien of deze procedure op een goede manier kan worden gekoppeld aan zowel de planprocedure als aan de procedure om te komen tot het besluit. Deze procedures kunnen immers van elkaar verschillen waardoor koppeling in bepaalde gevallen mogelijk niet haalbaar of wenselijk is. Tabel 2.1: De verplichtingen van de planmer-procedure en de projectmer-procedure Stappen & kenmerken Planmer-procedure Projectmer-procedure 1. Start procedure Openbare kennisgeving Startnotitie 2. Inzage/inspraak: begin Nee Inspraak op de startnotitie 3. (Onafhankelijk) advies: begin Raadpleging bestuursorganen over Advies Wettelijke Adviseurs reikwijdte en detailniveau van het planmer Advies Commissie m.e.r. Richtlijnen bevoegd gezag 4. Het rapport PlanMER ProjectMER Redelijke alternatieven? Ja. Meest milieuvriendelijk Ja. Meest milieuvriendelijk alternatief niet verplicht. alternatief verplicht. 5. Inzage/inspraak: eind Inspraak op planmer en ontwerpplan Inspraak op projectmer en ontwerpbesluit 6. (Onafhankelijk) advies: eind Advies van Commissie m.e.r., Advies van Wettelijk adviseurs alleen voor natuur Advies van Commissie m.e.r. 7. Motivering in besluit Ja Ja 8. Evaluatie Ja Ja

27 25 Voldoen aan de eisen van beide procedures De gecombineerde planmer/projectmer-procedure moet voldoen aan de eisen van zowel de planmer-procedure als de projectmer-procedure. De planmer-procedure is beschreven in paragraaf 1.3. De projectmer-procedure wordt in deze paragraaf kort toegelicht. Voor een meer gedetailleerde uitwerking van de projectmer-procedure wordt verwezen naar de herziene handleiding milieueffectrapportage op In tabel 2.1 is een overzicht gegeven van de verplichtingen van beide procedures. De projectmer-procedure is maatgevend Zoals blijkt uit tabel 2.1 lijken beide procedures sterk op elkaar. De projectmer-procedure kent echter meer procedurele stappen en voorschriften dan de planmer-procedure: Het opstellen, publiceren en ter inzage leggen van een startnotitie inclusief inspraak in plaats van de openbare kennisgeving. Vaststellen van richtlijnen op basis van de inspraakreacties en advies van de Wettelijke Adviseurs en de Commissie m.e.r. in plaats van raadpleging van bestuursorganen over reikwijdte en detailniveau van het planmer. Verplichting tot het opstellen van een meest milieuvriendelijk alternatief. In alle gevallen twee maal integraal verplicht advies van de Wettelijke Adviseurs en de Commissie m.e.r. in plaats van één maal advies van Commissie m.e.r. in bepaalde gevallen over de natuuraspecten. Voor deze punten is de planmer-procedure een minder uitgebreide variant van de projectmer-procedure. Door het doorlopen van de projectmer-procedure wordt voor deze punten automatisch ruim voldaan aan de verplichtingen van de planmer-procedure. De gecombineerde procedure is voor deze punten dus gelijk aan de projectmer-procedure. Met andere woorden: de projectmer-procedure is maatgevend. Extra vereisten planmer-procedure Met het doorlopen van de projectmer-procedure wordt op enkele punten niet geheel voldaan aan de vereisten van de planmerprocedure: Bij de planmer-procedure moeten in het planmer de gevolgen voor andere plannen in beeld worden gebracht. Bij de projectmer-procedure zijn dat de gevolgen voor andere besluiten. Bij de planmer-procedure worden bij de te beschouwen gevolgen biodiversiteit en de gezondheid voor de mens expliciet genoemd en bij de projectmer-procedure niet. Bij de gecombineerde procedure moet dus aanvullend op de projectmer-procedure aan deze punten worden voldaan. Verschil in detailniveau De planmer-procedure is gekoppeld aan de vaststelling van een kaderstellend plan en de projectmer-procedure aan de besluitvorming over het vergunningplichtige besluit. Het detailniveau van het milieueffectrapport zal dus in veel gevallen verschillend Planmer zal veelal gekoppeld zijn aan de keuzen van doelen, activiteiten en locaties. Projectmer veelal zal zijn gekoppeld aan inrichtingskeuzen (voor een andere toelichting wordt verwezen naar paragraaf Een kader vormen voor ). Als de gecombineerde procedure wordt doorlopen omdat het planmer-plichtige plan en het projectmer-plichtige besluit tegelijk worden voorbereid, zullen in het MER voor dezelfde activiteit(en) beide abstractieniveaus aan de orde Bijvoorbeeld het beschouwen van meerdere locaties ten behoeve van de inpassing in het streekplan of bestemmingsplan en het beschouwen van meerdere inrichtingen ten behoeve van de vergunningverlening. Als de gecombineerde procedure wordt doorlopen omdat het plan zowel planmer-plichtig als projectmer-plichtig is, zal het detailniveau waarop de planmer-plichtige activiteiten zijn uitgewerkt waarschijnlijk afwijken van het detailniveau waarop de projectmer-plichtige activiteiten zijn uitgewerkt Koppeling met de projectmer-beoordelingsprocedure Wanneer is koppeling aan de orde? In analogie met de voorgaande paragraaf Koppeling met de projectmer-procedure kan een koppeling van de planmer-procedure met de projectmer-beoordelingsprocedure in twee gevallen aan de orde zijn: Het planmer-plichtige plan en het projectmer-beoordelingsplichtige besluit worden tegelijk voorbereid, bijvoorbeeld vergunningverlening parallel met de inpassing van de locatie in het streekplan of bestemmingsplan. Het plan is zowel planmer-plichtig als projectmer-beoordelingsplichtig. Deze situatie kan zich voordoen bij bijvoorbeeld

28 26 bestemmingsplannen en uitwerkingsplannen waarin zowel planmer-plichtige als projectmer-beoordelingsplichtige activiteiten worden voorzien. Planmer-plicht kan voor deze plannen ook ontstaan als een passende beoordeling nodig is. Mogelijkheden voor koppeling De koppeling van de planmer-procedure met de projectmerbeoordelingsprocedure is niet formeel wettelijk geregeld. Drie mogelijke opties zijn: Als tijd een beperkende factor is en op voorhand niet kan worden uitgesloten dat de projectmer-beoordelingsprocedure leidt tot een projectmer-plicht, kan meteen een gecombineerde planmer/projectmer-procedure worden doorlopen zoals beschreven in de vorige paragraaf. De planmer-procedure is immers een minder uitgebreide variant van de projectmerprocedure. Een projectmer-beoordeling is dan niet meer nodig. Feitelijk wordt er impliciet op voorhand vanuit gegaan dat de uitkomst van de projectmer-beoordeling is dat een projectmer-procedure noodzakelijk is. Als tijd geen beperkende factor is kunnen de procedures na elkaar worden doorlopen. De uitkomst van de projectmerbeoordelingsprocedure vormt dan geen risico. Eerst wordt de projectmer-beoordeling uitgevoerd. Als de uitkomst is dat geen projectmer-procedure is benodigd, wordt vervolgens voor het plan de planmer-procedure doorlopen. Als de uitkomst is dat wel een projectmer-procedure moet worden doorlopen, wordt de gecombineerde planmer/projectmer-procedure doorlopen zoals beschreven in de vorige paragraaf. Als tijd een beperkende factor is en op voorhand al duidelijk is dat de projectmer-beoordeling niet zal leiden tot een projectmer-plicht kunnen de planmer-procedure en de projectmerbeoordelingsprocedure tegelijk worden doorlopen. Het planmer en de aanmeldingsnotitie in het kader van de projectmer-beoordelingsprocedure kunnen dan worden gecombineerd. De gecombineerde planmer/beoordelingsnotitie wordt vervolgens gezamenlijk met het ontwerpplan en de beslissing van het bevoegd gezag om wel of geen projectmer-procedure te doorlopen ter inzage gelegd. Nadeel van deze werkwijze is dat het risico dat alsnog de projectmer-procedure moet worden doorlopen in veel gevallen niet voor de volle 100% kan worden uitgesloten. Verder moet bij deze optie rekening worden gehouden met de verschillende procedurele termijnen van beide procedures. Of de vaststelling van het planmer-plichtig plan en het nemen van het projectmer-beoordelingsplichtige besluit door dezelfde of verschillende overheidsinstanties plaats vindt kan mede bepalend zijn voor de wijze waarop met mogelijke koppeling wordt omgegaan. Meer informatie Voor een nadere omschrijving van de projectmer-beoordelingsprocedure en de inhoudelijke vereisten van de aanmeldingsnotitie wordt verwezen naar InfoMil ( Koppeling met de watertoets Dubbele plicht: planmer en watertoets Alle planvormen binnen Ordening (WRO) kunnen planmer-plichtig zijn (zie paragraaf 1.2 en 2.1). Volgens het Besluit op de ruimtelijke ordening is voor de meeste van deze plannen tevens de watertoets verplicht: streekplannen en streekplanuitwerkingen, regionale structuurplannen, gemeentelijke structuurplannen en bestemmingsplannen. Bij de overige ruimtelijke plannen is de watertoets wettelijk niet verplicht, maar wordt de toets veelal om beleidsmatige en bestuurlijke redenen toegepast. Integratie: waarom? De watertoets is het hele proces van vroegtijdig infomeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. In het geval van dubbele plicht (planmer en watertoets) kan het bevoegd gezag er vrijwillig voor kiezen om beide procedures te integreren. Dit kan efficiëntievoordelen bieden omdat in beide procedures de wateraspecten in het kader van het plan moeten worden onderzocht. In de praktijk komt het echter ook voor dat in het planmer voor wat betreft de watertoets wordt volstaan met een verwijzing naar het plan. Integratie: hoe? Indien gekozen wordt voor integratie zal met de waterbeheerders moeten worden afgesproken hoe het proces van de watertoets aan de planmer-procedure wordt gekoppeld en op welke momenten afstemming plaatsvindt. Zo kunnen bijvoorbeeld: de waterbeheerders worden geraadpleegd bij het bepalen van de reikwijdte en het detailniveau van het planmer; de waterbeheerders worden betrokken bij het verkrijgen van de benodigde informatie;

29 27 de waterbeheerders worden geïnformeerd over het te hanteren beoordelingskader voor de wateraspecten in het planmer; de resultaten van de milieubeoordeling worden teruggekoppeld met de waterbeheerders, waarna de waterbeheerders hun wateradvies kunnen opstellen. Meer informatie Voor meer informatie over de watertoets en planmer wordt verwezen naar de Handreiking watertoets ( Koppeling met het Verdrag van Valetta: archeologie Europees verdrag In 1992 ondertekenden twintig Europese staten, waaronder Nederland, het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed, beter bekend als het Verdrag van Valetta of het Verdrag van Malta. Het verdrag kent drie belangrijke uitgangspunten: Vroeg in de ruimtelijke ordening al rekening houden met archeologie. Archeologische waarden zoveel mogelijk in de bodem bewaren. Bodemverstoorders laten betalen voor archeologisch vooronderzoek en mogelijke opgravingen. Nieuwe nederlandse wet Het Europese Verdrag wordt in Nederland ondermeer geïmplementeerd door de nieuwe Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz). De nieuwe Wet legt een link tussen projectmer en archeologisch onderzoek. Het ministerie van Onderwijs Cultuur en wetenschappen (OC&W) is vanaf de inwerkingtreding van de Wamz. wettelijk adviseur bij projectmer. De Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten (RACM), voorheen de Rijksdienst voor de Monumentenzorg (RDMZ) en de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB), dragen zorg voor de uitvoering van deze nieuwe rol. Planmer is een geschikt instrument om archeologie in de planvorming mee te nemen Door het Europese Verdrag en de nieuwe Nederlandse Wet over de bescherming van archeologische waarden zal bij het opstellen en vaststellen van ruimtelijke plannen, met name op gemeentelijk en provinciaal niveau, meer aandacht zijn voor archeologie. Alle planvormen binnen Ordening (WRO) kunnen ook planmer-plichtig zijn (zie paragraaf 1.2 en 2.1). Planmer is een geschikt instrument om archeologie in de planvorming mee te nemen. Binnen planmer is het immers ook verplicht om te kijken naar mogelijke nadelige gevolgen voor archeologische waarden en cultureel erfgoed. Planmer brengt verschillende aspecten met elkaar in verband en verplicht tot het betrekken van bestuursorganen die met de uitvoering van het plan te maken kunnen krijgen en tot inspraak. Zo ontstaat ook voor archeologie een getrapte aanpak waarbij het op planmerniveau veelal gaat om de keuzen van doelen, activiteiten en locaties en op projectmer-niveau veelal om inrichtingskeuzen. Meer informatie Voor meer informatie over het Verdrag van Valetta en de nieuwe Wet op de archeologische monumentenzorg wordt verwezen naar Rijksdienst voor de Monumentenzorg ( en de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (www. archis.nl). 2.3 Aandachtspunten bij het opstellen van het planmer Het hele plan is planmer-plichtig Het hele plan is planmer-plichtig. Een plan kan een kader vormen voor veel activiteiten, bijvoorbeeld in het geval van een integrale streekplanherziening. Mogelijk leiden slechts één of enkele van deze activiteiten tot een planmer-plicht. In een dergelijk geval mag het planmer dus niet geheel worden beperkt tot die delen van het plan waarin een kader wordt gevormd voor projectmer-(beoordelings)plichtige activiteiten en/of activiteiten waarvoor een passende beoordeling nodig is. Om dit te bereiken kunnen grofweg twee wegen worden bewandeld (dit blijkt ook uit de praktijk): 1. Het planmer richt zich primair op het integrale plan en secundair op losse (planmer-plichtige) activiteiten. 2. Het planmer richt zich primair op de planmer-plichtige activiteiten en secundair op de eventuele samenhang en relaties hiertussen en het integrale plan. Navolgend worden beide opties toegelicht. Voor de duidelijkheid is hier gekozen voor een zwart-wit benadering, maar in de praktijk zijn tussenvormen en combinaties van beide werkwijzen ook mogelijk.

30 28 1. Het planmer richt zich primair op het integrale plan Deze werkwijze is met name aan de orde bij plannen waarin alle activiteiten worden ontwikkeld vanuit dezelfde visie of hetzelfde doel. De besluitvorming en de alternatiefontwikkeling richten zich bij deze plannen primair op het totale plan en in mindere mate op de losse activiteiten. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan regionale en gemeentelijke structuurplannen en de vertaling van concrete locaties en inrichtingen in (uitwerkingsplannen van) streekplannen en bestemmingsplannen. In dergelijke gevallen kunnen in het planmer de milieugevolgen voor een bepaald gebied of een bepaalde regio van alle in het plan voorziene activiteiten integraal in beeld worden gebracht. Daarbij kunnen de hogere-orde-effecten zich mogelijk voordoen in het hele gebied, zoals effecten op verkeer en de hiervan afgeleide effecten. De lagere-orde-effecten zullen zich meer lokaal voordoen, zoals de vernietiging van waardevolle objecten door ruimtebeslag. 2. Het planmer richt zich primair op de planmer-plichtige activiteiten Deze werkwijze is met name aan de orde bij plannen waarin een kader wordt gevormd voor veel activiteiten die vaak (deels) op zichzelf staan. De besluitvorming en de alternatiefontwikkeling richten zich bij deze plannen primair op deze opzichzelfstaande activiteiten. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan een integrale herziening van het provinciale streekplan en rijksplannen zoals de Nota waterhuishouding. In dergelijke gevallen is het integraal in beeld brengen van de milieugevolgen van alle activiteiten veelal ondoenlijk (complex, onoverzichtelijk) en heeft dat ook geen meerwaarde aangezien de besluitvorming zich primair richt op de bouwstenen en niet het totale plan. Doel van planmer is immers het ondersteunen van de besluitvorming. In dergelijke gevallen kan het planmer zich primair richten op de planmer-plichtige activiteiten. Dit zijn immers de activiteiten waarvan wordt verondersteld dat ze mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen veroorzaken, anders waren ze niet planmer-plichtig geweest. Op basis van deze beoordeling per losse activiteit wordt vervolgens de samenhang onderzocht. In welke mate versterken of verzwakken de milieugevolgen van deze activiteiten elkaar (cumulatie van milieugevolgen)? Dit kan bijvoorbeeld doordat activiteiten op korte afstand van elkaar plaatsvinden of doordat zich hogere-orde-effecten voordoen die een groter gebied beslaan, zoals effecten op verkeer en de hiervan afgeleide effecten. Mogelijk is dit van invloed op de afweging van de alternatieven of komen zelfs nieuwe reële alternatieven Praktijkvoorbeeld: Planmer Ruimtelijk plan regio Rotterdam 2020 In een samenwerkingsverband tussen de provincie Zuid- Holland en de Stadsregio Rotterdam is een nieuw gecombineerd streekplan en regionaal structuurplan opgesteld. Dit plan zet de lijnen uit voor talrijke ruimtelijke ontwikkelingen in de regio Rotterdam, zoals woningbouw, nieuwe bedrijventerreinen en nieuwe infrastructuur. De hoofddoelstellingen van het plan, onder andere met betrekking tot leefbaarheid en milieu, zijn geformuleerd voor de regio als geheel. Daarom is bij de uitvoering van de planmer één beoordelingskader ontwikkeld waarop het totaal aan ruimtelijke ontwikkelingen is getoetst. Zo is het ruimtebeslag uitgedrukt in de mate van verstedelijking van de gehele regio (percentage) en zijn de verkeerseffecten in beeld gebracht door de toename van het aantal autoritten in de gehele regio te bepalen. Voor meer informatie wordt verwezen naar het Ingenieursbureau van Gemeentewerken Rotterdam ( in beeld. Bij deze analyse dienen nadrukkelijk eventuele niet planmer-plichtige activiteiten uit het plan te worden betrokken omdat deze immers ook kunnen bijdragen aan de cumulatie van milieugevolgen. De losse planelementen kunnen ieder voor zich milieuverantwoord zijn, maar de vraag is of het totaal aan milieugevolgen voor een gebied ook nog acceptabel is als alle activiteiten uit het plan doorgang vinden. De kunst hierbij is om de grens of het omslagpunt te bepalen Redelijke alternatieven De Wet schrijft voor dat redelijke alternatieven voor het plan moeten worden onderzocht. Maar wat zijn redelijke alternatieven en hoe ontwikkel je die? Wat zijn redelijke alternatieven? Wat redelijke alternatieven zijn is afhankelijk van het abstractieniveau van het plan. Zoals al beschreven in paragraaf Een kader vormen voor worden om dit inzichtelijk te maken in deze handreiking vier typen plannen onderscheiden. Dit betreft plannen waarin één of meer: 1. doelen worden vastgelegd, zonder concrete activiteiten, locaties en inrichtingen;

31 29 2. activiteiten worden vastgelegd, zonder concrete locatie(s) en inrichting(en); 3. locaties worden vastgelegd, zonder concrete inrichtingen; 4. inrichtingen worden vastgelegd. Dit is een theoretische indeling; in de praktijk kunnen ook meerdere typen in één plan worden verenigd. In deze paragraaf wordt per type aan de hand van enkele voorbeelden toegelicht hoe redelijke alternatieven er uit kunnen zien. 1. Doelen Bij sommige plannen kan een concrete ruimtelijke context volledig ontbreken: vast te stellen doelen die nog niet worden doorvertaald naar concrete activiteiten, locaties en inrichtingen. Redelijke alternatieven zullen betrekking hebben op variaties in het doel (doelalternatieven). Dit is bijvoorbeeld een afwijkend percentage hergebruik van afval (of een andere vorm van hergebruik) of een afwijkende norm voor dijken of waterpeil. In veel gevallen zal sprake zijn van communicerende vaten: minder van het een, betekent meer van het ander. Zo kan gewerkt worden met alternatieve scenario s zoals een wisselende verdeling van het afvalaanbod over hergebruik, storten en verbranding. 2. Activiteiten Dit betreft met name plannen waarin abstracte doelen (normen) worden doorvertaald naar concrete activiteiten, maar nog niet naar locaties en inrichtingen. Redelijke alternatieven zullen betrekking hebben op variaties in de activiteiten waarmee voldaan kan worden aan het abstracte doel (activiteitalternatieven). Bij het realiseren van voldoende windmolenparken om een vastgestelde hoeveelheid duurzame energie te kunnen opwekken kan bijvoorbeeld het opwekken van (een deel) van de duurzame energie door middel van zonnecollectoren een reëel alternatief 3. Locaties Dit zijn overheidsplannen waarin één of meerdere locaties worden gekozen voor de realisatie van activiteiten, waarbij de inrichting nog niet wordt vastgelegd. Redelijke alternatieven zullen betrekking hebben op variaties in de te verkiezen locatie(s) om de voorgenomen activiteit te realiseren (locatiealternatieven). Bij een locatiekeuze voor een baggerspeciestortplaats kan dat bijvoorbeeld in potentie de hele Provincie zijn en bij een wegomlegging bijvoorbeeld een krap en een ruim tracé aan de oostzijde en een krap en een ruim tracé aan de westzijde van de woonkern. 4. Inrichtingen Dit betreft plannen van een overheid waarin een inrichting wordt gekozen voor de realisatie van een activiteit op een bepaalde locatie. Redelijke alternatieven zullen betrekking hebben op variaties in de te verkiezen inrichting (inrichtingsalternatieven). Scoping Hoe ontwikkel je redelijke alternatieven? Bij het ontwikkelen van redelijke alternatieven gaat het er niet zo zeer om dat alle denkbare alternatieven worden onderzocht, maar dat de te onderzoeken alternatieven zo worden gekozen dat de besluitvorming zo optimaal mogelijk wordt ondersteund met milieu-informatie en dat de beschikbare speelruimte zo volledig mogelijk wordt belicht (dit wordt ook wel scoping genoemd). Als de besluitvorming zich primair richt op het integrale plan, richt de alternatiefontwikkeling zich ook primair op het integrale plan. Als de besluitvorming zich echter primair richt op meer of minder op zichzelfstaande planmer-plichtige activiteiten, richt de alternatiefontwikkeling zich ook primair op deze activiteiten (zie ook voorgaande paragraaf: Het hele plan is planmer-plichtig ). De speelruimte wordt bepaald door enerzijds het type en de status van het plan (waarover mag het plan bindende uitspraken doen?) en anderzijds eerdere besluiten. Redelijke alternatieven kunnen dus beperkt blijven tot het gebied waarover het plan uitspraken mag doen (het plangebied). Bij het streekplan is dit bijvoorbeeld de betreffende provincie. Tip is om de speelruimte aan het begin zo groot mogelijk te houden, zodat eventuele kansrijke oplossingen niet op voorhand afvallen. Welke besluiten of andere plannen zijn werkelijk kaderstellend en waar mag nog van worden afgeweken? Eerdere keuzen kunnen immers worden herzien. Richtinggevende principes In sommige gevallen is de speelruimte voor de ontwikkeling van redelijke alternatieven klein waardoor snel duidelijk is welke alternatieven nog kansrijk zijn of mogelijk zijn er zelfs geen reële alternatieven. In andere gevallen is de speelruimte groot of onduidelijk. De Commissie m.e.r. constateert in de huidige projectmer- en planmer-praktijk een vijftal richtinggevende principes voor de ontwikkeling van redelijke alternatieven. Hierbij kan vanuit een principe worden gewerkt, maar een combinatie is ook mogelijk: Breng de beslissingen in beeld die genomen moeten worden. Breng de speelruimte in beeld: welke keuzen zou je in principe kunnen maken. Ontwikkel alternatieven op de extremen

32 30 van deze keuzen. Identificeer in de maatschappelijke discussie welke ideeën over alternatieven heersen bij maatschappelijke sectoren, zoals bedrijfsleven en lagere overheden. Ontwikkel alternatieven rondom deze ideeën. Stel visies op: wat zou je willen, waar zou je naar toe willen. Visies kunnen deelonderwerpen zijn: wat je voor mensen zou willen, wat je voor natuur zou willen, wat je economisch zou willen en ontwikkel rond iedere deelvisie een alternatief. Probeer niet alle beslissingen die je moet nemen in een model te gieten, maar kijk bij welke beslissingen dilemma s bestaan. Ontwikkel modellen rond deze dilemma s, dat wil zeggen bij ieder dilemma een model voor de ene kant en een model voor de andere kant. Stel scenario s op voor de te verwachten ontwikkeling van de regio en het land in de komende periode (bijvoorbeeld demografisch, economisch of klimatologisch). Ontwikkel dan voor ieder scenario een alternatief dat zo goed mogelijk aansluit bij dat scenario. Iteratief proces Alternatiefontwikkeling en scoping vinden vaak niet in één stap plaats, maar dit is een continue en iteratief proces. Dit geldt zeker voor complexe en/of controversiële plannen. De mogelijke alternatieven worden bepaald en beoordeeld. Op basis van de milieugevolgen worden de alternatieven geoptimaliseerd, vallen alternatieven af of komen zelfs nieuwe alternatieven in beeld. Vervolgens worden de milieugevolgen van deze geoptimaliseerde en nieuwe alternatieven bepaald enzovoorts Bepalen nadelige milieugevolgen De wet Zoals aangegeven in deel 1 schrijft de wet voor dat de mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen van zowel het plan als van redelijke alternatieven voor het plan worden beschreven, inclusief een motivering van de wijze waarop deze gevolgen bepaald Met nadelige milieugevolgen worden mogelijke aanzienlijke milieueffecten bedoeld voor bijvoorbeeld biodiversiteit, bevolking, gezondheid van de mens, fauna, flora, bodem, water, lucht, klimaatfactoren, materiële goederen, cultureel erfgoed met inbegrip van architectonisch en archeologisch erfgoed, landschap en de wisselwerking tussen deze elementen. De referentie De wet schrijft ook voor dat de bestaande toestaand van het milieu en de te verwachten ontwikkelingen als het plan niet zou worden uitgevoerd moeten worden beschreven. Dit is het referentiekader voor het bepalen van de belangrijke nadelige milieugevolgen van zowel het plan als van redelijke alternatieven voor het plan. Methoden en tools Voor het bepalen en beschrijven van de milieugevolgen zijn vele methoden en tools beschikbaar, onder andere uit de projectmer-praktijk. In relatie tot planmer worden hier enkele van de meest relevante methoden en tools beschreven (deze methoden en tools sluiten elkaar niet uit; combinaties zijn mogelijk): 1. Expert-judgement: Bij deze methode wordt door een, liefst meerdere, specialisten voor een bepaald aspect op basis van kennis en ervaring een inschatting gegeven van de omvang en de ernst van een bepaald effect. 2. Rekenmodellen: Rekenmodellen zijn onder andere geschikt om hogere-orde-effecten te bepalen die een groter gebied beslaan. Bijvoorbeeld een verkeersmodel in combinatie met geluid- en luchtmodellen om de effecten op verkeer en de hiervan afgeleide geluid- en luchteffecten te bepalen. Rekenmodellen zijn ook geschikt (en soms zelfs noodzakelijk) om effecten in complexe systemen over een lange periode te bepalen. Bijvoorbeeld morfologische modellen om de morfologische ontwikkelingen in rivieren, in estuaria of langs de kust en in zee te bepalen. De morfologische ontwikkeling kan vervolgens weer input zijn voor de modelmatige bepaling van veiligheid tegen overstromingen en voor natuureffecten (bijvoorbeeld de toe- of afname van het areaal ondiep water). 3. Geografische informatiesystemen (GIS): Deze systemen werken met digitale kaarten waarop allerhande informatie is opgeslagen. Door verschillende kaarten digitaal over elkaar heen te projecteren kunnen bijvoorbeeld het ruimtebeslag op waardevolle gebieden en het aantal gevoelige en waardevolle objecten worden berekend en gevisualiseerd. 4. De lagenbenadering: Dit is een concept dat veel wordt toegepast bij de ontwikkeling van provinciale en regionale plannen (zoals streekplannen en regionale structuurplannen). In laag 1 ondergrond zitten de primaire milieuaspecten zoals bodem en water, natuur, landschap, cultuurhistorie en archeologie. In laag 2 netwerken staat de infrastructuur centraal (wegen, spoorlijnen, rivieren, kanalen, leidingen) en in laag 3 occupatie-

33 31 patronen de ligging en kwaliteit van woongebieden, bedrijventerreinen en recreatiegebieden. Essentie van de lagenbenadering is de ruimtelijke structurerende en sturende werking die tijdens de planvorming uitgaat van de onderste lagen naar de bovenste lagen. Door bij de milieubeoordeling aan te sluiten bij de lagenbenadering kan de milieu-informatie effectief worden gebruikt bij de planontwikkeling. Voor een uitwerking van de lagenbenadering wordt verwezen naar Milieugevolgen: onzekerheid & gevoeligheid Het is van groot belang om bij de resultaten van de milieubeoordeling de onzekerheidsmarge en de gevoeligheid aan te geven, met name bij een kwantitatieve beoordeling. Dit bepaald immers welke waarde aan de resultaten mag worden toegekend bij de vergelijking van alternatieven en bij de keuzen. De basisvraag De basisvraag bij alle milieu-informatie die wordt verzameld is: wat is de relevantie voor de uiteindelijke keuze in het plan? Belangrijk hierbij is het opstellen van een gedegen beoordelingskader aan de hand van de doelstellingen van het plan zelf, de vigerende relevante regelgeving en beleidsdoelstellingen en eventuele gevoeligheden bij belanghebbenden en betrokkenen. De kunst is om voldoende informatie te verzamelen voor een goed onderbouwde keuze, maar ook niet meer. Te veel informatie komt de overzichtelijkheid niet ten goede en heeft het gevaar in zich dat de ruimte voor toekomstige planvorming en besluiten te veel wordt beperkt. Bovendien is het van belang dat de milieubeoordeling van alle alternatieven op een vergelijkbare wijze en op een vergelijkbaar detailniveau is uitgewerkt zodat een evenwichtig en eerlijk beeld ontstaat. Dit is een theoretische indeling; in de praktijk kunnen ook meerdere typen in één plan worden verenigd. Navolgend wordt per type aan de hand van enkele voorbeelden kort toegelicht hoe de milieugevolgen kunnen worden bepaald. 1 Doelen Bij sommige plannen kan een concrete ruimtelijke context volledig ontbreken: vast te stellen doelen die nog niet worden doorvertaald naar concrete activiteiten, locaties en inrichtingen. De nadelige milieugevolgen zullen, vanwege het ontbreken van een concrete ruimtelijke context, uitsluitend globaal kunnen worden geschat op basis van beschikbare ervaringscijfers en kentallen. Bij het beschouwen van verschillende percentages hergebruik van afval (of een andere vorm van hergebruik) is dat bijvoorbeeld de gemiddelde uitstoot van broeikasgassen per verwijderde eenheid afval. Effecten kunnen kwalitatief of kwantitatief worden uitgedrukt, afhankelijk van de beschikbare informatie en de informatie die nodig is voor de uiteindelijke keuze in het plan. Hoewel in het plan nog geen concrete activiteiten worden vastgelegd, is het wel zinvol om te bezien of eventuele activiteiten om de doelen te kunnen realiseren al kunnen worden benoemd. Door de Het abstractieniveau Het abstractieniveau van het plan is bepalend voor het abstractieniveau waarop de alternatieven en de nadelige milieugevolgen moeten worden uitgewerkt. Zoals al beschreven in paragraaf Een kader vormen voor worden om dit inzichtelijk te maken in deze handreiking vier typen plannen onderscheiden. Dit betreft plannen waarin één of meer: 1. doelen worden vastgelegd, zonder concrete activiteiten, locaties en inrichtingen; 2. activiteiten worden vastgelegd, zonder concrete locatie(s) en inrichting(en); 3. locaties worden vastgelegd, zonder concrete inrichtingen; 4. inrichtingen worden vastgelegd.

34 32 milieu-informatie uitsluitend direct te koppelen aan de beleidsdoelen blijft mogelijk belangrijke milieu-informatie die wel degelijk van belang kan zijn voor het te nemen besluit achterwege. Zo kan bijvoorbeeld bij hergebruik van afval de verspreiding van verontreinigingen uit het afval naar bodem, water en lucht beperkter zijn dan bij verbranding, maar zijn bij hergebruik wel installaties nodig die meer energie verbruiken. Door ook de effecten van de activiteit installaties te bepalen, kan een eerlijkere en volledigere vergelijking van de doelen in het plan plaats vinden. 2. Activiteiten Dit betreft met name plannen waarin abstracte doelen (normen) worden doorvertaald naar concrete activiteiten, maar nog niet naar locaties en inrichtingen. De nadelige milieugevolgen zullen, vanwege het ontbreken van een concrete ruimtelijke context, uitsluitend globaal kunnen worden geschat op basis van beschikbare ervaringscijfers en kentallen. Bij het realiseren van voldoende windmolenparken om een vastgestelde hoeveelheid duurzame energie te kunnen opwekken kan bijvoorbeeld een beeld worden verkregen van: De benodigde ruimte voor aanleg (totaal benodigde oppervlakte windmolenpark): kentallen van de dichtheid van molens in relatie tot de capaciteit. Van belang voor de inschatting van de ernst van dit effect is of ook andere functies binnen deze benodigde ruimte nog mogelijk zijn, zoals natuur. Onderhoudsinspanning en afval: kentallen voor de levensduur. Milieugebruiksruimte: kentallen voor geluidsproductie en eventuele andere uitstralingseffecten. Hiervoor zijn wel aannamen nodig met betrekking tot de grootte en het aantal windmolenparken. Effecten kunnen kwalitatief of kwantitatief worden uitgedrukt, afhankelijk van de beschikbare informatie en de informatie die nodig is voor de uiteindelijke keuze in het plan. Hoewel geen besluit wordt genomen over de locatie(s) van de activiteit, zijn mogelijk toch al zeer voor de hand liggende locaties denkbaar. In het voorbeeld van de windmolens bijvoorbeeld de uitbreiding van een grote bestaande locatie waarvoor in het verleden al een ruimtelijke reservering is vastgelegd. Indien dit relevant is voor de te maken keuze kunnen de effecten van deze locatie worden meegenomen in het planmer. 3. Locaties Dit zijn overheidsplannen waarin één of meerdere locaties worden gekozen voor de realisatie van activiteiten, waarbij de inrichting nog niet wordt vastgelegd. Omdat de daadwerkelijke inrichting nog niet bekend is, kunnen de effecten op de omgeving van de locaties niet exact worden bepaald. Het gaat om de gevoeligheid van de omgeving voor het type te realiseren inrichting. De effecten kunnen globaal in twee stappen worden bepaald. Eerst worden alle relevante typen van te verwachten effecten als gevolg van de voorgenomen activiteit benoemd. Vervolgens wordt de gevoeligheid van de locatie(s) en directe omgeving voor deze effecten beoordeeld. Hierbij kan onderscheid worden gemaakt in het gebied waar daadwerkelijk ruimtebeslag plaats vindt en het gebied dat mogelijk wordt beïnvloedt door uitstralingseffecten als gevolg van gebruik. Bijvoorbeeld bij een tracé-alternatief voor een wegomlegging het aantal woningen binnen 500 meter van de weg in verband met geluidshinder. Veelal zal sprake zijn van een stapsgewijze inperking van het aantal beschikbare locaties door op basis van de te verwachten effecten randvoorwaarden te formuleren. Zo kunnen bij de keuze van een locatie voor een baggerspeciestortplaats bijvoorbeeld alle gebieden met aaneengesloten bebouwing en hoge natuurwaarden binnen de Provincie afvallen, maar bijvoorbeeld ook gebieden met een hoge stroomsnelheid van het grondwater en zonder slecht doorlatende laag in de bodem. Bij een dergelijk selectieproces en bij de beschrijving van de gevoeligheid van meerdere verspreid liggende locaties kan mede gebruik worden gemaakt van de beleidsmatige waardering van gebieden en elementen in het provinciale en gemeentelijke beleid. Deze beleidsmatige waarderingen zijn veelal vastgelegd op (digitaal) kaartmateriaal en kunnen onder meer betrekking hebben op landschappelijke, cultuurhistorische, archeologische en ecologische beleidsmatig vastgelegde waarden. Hoewel geen besluit wordt genomen over de concrete inrichting van de locatie(s), is enig inzicht in de uiteindelijke inrichting wel van belang om de benodigde grootte van de locatie(s) en de relevante typen van te verwachten effecten te kunnen schatten. Een mogelijkheid is om één of enkele standaardinrichtingen te ontwikkelen, bijvoorbeeld een gemiddelde inrichting of een maximum en een minimum inrichting, die vervolgens wordt geprojecteerd op de diverse locaties. Aandachtspunt is om hierbij niet verder te gaan dan nodig om de milieugevolgen die relevant zijn voor het locatiebesluit in beeld te brengen. Dit voorkomt onnodige inspanning en

35 33 komt de inzichtelijkheid en overzichtelijkheid van het planmer ten goede. Daarnaast kan met het oog op toekomstige besluitvorming van belang zijn om voldoende inrichtingsvrijheden te bewaren. Bijvoorbeeld bij baggerspeciestortplaatsen kunnen uiteindelijk een aantal geschikte locaties worden aangewezen die door private partijen kunnen worden ontwikkeld. Voor deze partijen is het van belang dat een kostenefficiënte inrichting nog mogelijk is. 4. Inrichtingen Dit betreft plannen van een overheid waarin een inrichting wordt gekozen voor de realisatie van een activiteit op een bepaalde locatie. De nadelige milieugevolgen van de verschillende inrichtingsalternatieven kunnen concreet voor de betreffende locatie worden beschreven. Hierbij kan onderscheid worden gemaakt in effecten als gevolg van daadwerkelijk ruimtebeslag en uitstralingseffecten als gevolg van gebruik. Het verdient aanbeveling bij de beoordeling van deze effecten zoveel mogelijk gebruik te maken van waarderingen zoals deze zijn opgenomen in bijvoorbeeld het Streekplan, het Bestemmingsplan en andere voor de betreffende locatie relevante beleidsstukken en plannen. 2.4 Planmer en passende beoordeling Passende beoordeling en planmer-plicht Voor alle wettelijke of bestuursrechtelijk verplichte plannen waarvoor een passende beoordeling is vereist op grond van de Europese Habitatrichtlijn, moet een planmer-procedure worden doorlopen. De Europese Habitatrichtlijn legt vervolgens weer een verbinding met de Europese Vogelrichtlijn. In paragraaf 2.1 Hoe bepaal ik of mijn plan planmer-plichtig is zijn de wettelijk of bestuursrechtelijk verplichte plannen uit het Besluit m.e.r. weergegeven (zie tabel 1.1 van deel 1 van deze handreiking voor een overzicht). Een passende beoordeling is aan de orde indien één of meerdere activiteiten die in een plan worden voorzien significante gevolgen kunnen hebben op een speciale beschermingszone die is aangewezen in het kader van de Vogel- en/of Habitatrichtlijn. Passende beoordeling: informatie en advies De gebiedsbescherming en de passende beoordeling zijn geïmplementeerd in de Natuurbeschermingswet In artikel 19f staat aangegeven waarop een passende beoordeling betrekking heeft. In de Natuurbeschermingswet is een apart artikel opgenomen over plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is (artikel 19j). Voor een toelichting op de Natuurbeschermingswet wordt verwezen naar een handleiding die is opgesteld onder verantwoordelijkheid van het ministerie van LNV ( nl/natuurwetgeving). Hierin wordt onder meer aangegeven wat significante gevolgen zijn, waar een passende beoordeling aan moet voldoen en welke procedure moet worden doorlopen. Ook kan advies worden ingewonnen bij de regionale directies van LNV. Zoals beschreven in paragraaf dient in het geval van een passende beoordeling een verplichte onafhankelijke toetsing van het planmer door de Commissie m.e.r. plaats te vinden. Doel is advisering over de volledigheid van de informatie die ten behoeve van de passende beoordeling is verzameld. De Commissie kan ook vrijwillig in een eerder stadium tijdens de planmer-procedure worden geraadpleegd, bijvoorbeeld tijdens het bepalen van de reikwijdte en detailniveau van het planmer. Veel van de benodigde natuurinformatie is in beheer bij de provincies en bij particuliere instanties (zie onder andere Voor de volledigheid wordt vermeld dat de soortsbescherming is geregeld in de Flora- en faunawet (onder andere soorten van bijlage IV van de Habitatrichtlijn). De soortsbescherming staat los van de passende beoordeling en de planmer-plicht. Deze paragraaf gaat hier niet nader op in. Integratie planmer en passende beoordeling? Voor plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is moet dus ook de planmer-procedure worden doorlopen. De Wet milieubeheer geeft aan dat met het oog op stroomlijning van beide procedures en het voorkomen van dubbelingen het streven is om, indien de aard van het plan dit toelaat, de planmer en de passende beoordeling gelijktijdig uit te voeren. Dit is efficiënt omdat in de planmer-procedure effecten op flora, fauna en biodiversiteit in het kader van het plan moeten worden onderzocht. Onderdeel hiervan zijn mogelijke effecten op Vogel- en Habitatrichtlijngebieden die ook centraal staan in het kader van de passende beoordeling. Voor beiden is dus deels dezelfde informatie nodig. De resultaten van de passende beoordeling kunnen worden opgenomen in het planmer. Dit is echter niet verplicht. De planmer en de passende beoordeling hebben elk hun vereisten en doelstellingen. In de praktijk moet er voor gewaakt worden dat steeds aan de vereisten van beide richtlijnen en beide wettelijke kaders wordt voldaan. De kenmerken van hogere plannen en de hier aan gekoppelde planmer kunnen in algemene zin worden gekarakteriseerd als

36 34 globaal, breed en adviserend. De passende beoordeling kan in algemene zin worden gekarakteriseerd als gedetailleerd, specifiek en dwingend. Planmer richt zich op het totaal aan milieueffecten van het plan. De passende beoordeling richt zich uitsluitend op significante effecten op Vogel- en Habitatrichtlijngebieden. De inhoudelijke vereisten voor een passende beoordeling zijn streng en vragen om een wetenschappelijke aanpak en een hoge mate van zekerheid (dus geen aanduiding van mogelijke significante effecten). Het is van belang om bij de hogere planniveaus voor een aanpak te kiezen waarbij risico s later in de planvorming zoveel mogelijk worden afgevangen. Feitelijk is dan sprake van een gefaseerde uitvoering van de passende beoordeling waarbij gedurende de planontwikkeling de mate van concreetheid toeneemt. Op elk planniveau moet daarbij vanuit de passende beoordeling worden gekeken naar de significantie van de gevolgen, naar mitigatiemogelijkheden en naar mogelijke alternatieven op het abstractieniveau van dit plan. Hiermee wordt voorkomen dat alternatieven die vanuit het afwegingskader van de passende beoordeling kansrijk zijn afvallen of uit beeld blijven. Bij de passende beoordeling is de alternatievenkeuze dwingend en minder vrij dan bij planmer. Goedkeuring van het plan in het kader van de natuurbeschermingswet wordt alleen verleend wanneer de natuurlijke kenmerken van het gebied niet worden aangetast; hiervan mag alleen worden afgeweken wanneer alternatieve oplossingen voor het project ontbreken en om dwingende redenen van groot openbaar belang.

37 35 3. Bijlagen 3.1 Hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer (planmer en projectmer) 7.1 Algemeen Artikel In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - Onze Ministers: Onze Minister en Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; - de commissie: de Commissie voor de milieu-effectrapportage. 2. Tenzij anders is bepaald, wordt vanaf paragraaf 7.4 in dit hoofdstuk verstaan onder: a. activiteit: 1. activiteit die is aangewezen krachtens artikel 7.2, eerste lid, onder a, krachtens artikel 7.2, eerste lid, onder b, en waarop artikel 7.8c van toepassing is, of krachtens artikel 7.6, eerste lid; 2. activiteit als bedoeld in artikel 7.2a, eerste lid; b. plan: plan bij de voorbereiding waarvan krachtens de artikelen 7.2, tweede lid, 7.2a, eerste lid, of 7.6, tweede lid, een milieu-effectrapport moet worden gemaakt; c. besluit: besluit bij de voorbereiding waarvan een milieueffectrapport moet worden gemaakt krachtens artikel 7.2, derde lid, krachtens artikel 7.2, vierde lid, in samenhang met artikel 7.8c, of krachtens artikel 7.6, derde lid; d. ecologische hoofdstructuur: het samenstel van de gebieden en de verbindingen tussen die gebieden, dat krachtens Ordening door het provinciaal bestuur als zodanig is aangewezen en begrensd, alsmede de grote wateren en de Noordzee, overeenkomstig kaart 5 van de Nota Ruimte, deel 3A (Kamerstukken II 2004/05, , nr. 154), voorzover die niet behoren tot een gebied als bedoeld in artikel 7.2a, eerste lid. 3. Het tweede lid, onder a, onder 2, geldt niet indien een bepaling uitsluitend betrekking heeft op een besluit als bedoeld in dat lid, onder c. 4. In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt, voorzover het plannen betreft, onder bevoegd gezag mede verstaan het bestuursorgaan dat bevoegd is tot het voorbereiden dan wel vaststellen van een plan. 5. In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen worden, voor zover zij niet reeds op grond van andere wettelijke bepalingen als zodanig dienen te worden aangemerkt, tevens als adviseurs aangemerkt: a. indien het bevoegd gezag een orgaan van de centrale overheid is: een door Onze Minister aangewezen bestuursorgaan en een door Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit aangewezen bestuursorgaan; b. indien het bevoegd gezag een ander bestuursorgaan is: 1º. een door Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit aangewezen bestuursorgaan, en 2º. de inspecteur, voor zover het betreft het oprichten, wijzigen of uitbreiden van een inrichting die behoort tot een krachtens artikel 8.7, eerste lid, onder a, aangewezen categorie. 6. Bij algemene maatregel van bestuur kan met betrekking tot een daarbij aangewezen activiteit of plan, dan wel besluit worden bepaald wie, onderscheidenlijk welk orgaan voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt aangemerkt als degene die de activiteit onderneemt, onderscheidenlijk als bevoegd gezag. Daarbij kunnen voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillende personen of organen worden aangewezen. Artikel 7.1a Dit hoofdstuk is mede van toepassing op: a. activiteiten als bedoeld in artikel 7.2 die plaatsvinden in de exclusieve economische zone; b. de ter zake van de onder a bedoelde activiteiten krachtens artikel 7.2 aangewezen plannen of besluiten; c. plannen als bedoeld in artikel 7.2a, voor zover een daarin voorgenomen activiteit plaats zal vinden in de exclusieve economische zone; d. activiteiten als bedoeld in artikel 7.4 die plaatsvinden in de exclusieve economische zone Plannen en besluiten ten aanzien waarvan het maken van een milieu-effectrapport verplicht is Artikel Bij algemene maatregel van bestuur worden de activiteiten aangewezen: a. die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu; b. ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen

38 36 of zij vanwege de bijzondere omstandigheden waaronder zij worden ondernomen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. 2. Terzake van de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, worden bij de maatregel de categorieën van plannen aangewezen bij de voorbereiding waarvan een milieu-effectrapport moet worden gemaakt. Een plan wordt slechts aangewezen indien het plan het kader vormt voor een besluit als bedoeld in het derde of vierde lid. Een plan vormt in elk geval het kader voor een zodanig besluit indien in dat plan: a. een locatie of een tracé wordt aangewezen voor die activiteiten, of b. een of meerdere locaties of tracés voor die activiteiten worden overwogen. 3. Terzake van de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onder a, worden de categorieën van besluiten aangewezen bij de voorbereiding waarvan een milieu-effectrapport moet worden gemaakt. 4. Terzake van de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onder b, worden de categorieën van besluiten aangewezen in het kader waarvan het bevoegd gezag krachtens de artikelen 7.8b of 7.8d moet beoordelen of die activiteiten de in dat onderdeel bedoelde gevolgen hebben, en indien dat het geval is, bij de voorbereiding waarvan een milieu-effectrapport moet worden gemaakt. 5. Bij de maatregel kan een plan worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in het derde of vierde lid, mits dat plan voor de desbetreffende activiteit niet is aangewezen op grond van het tweede lid. 6. Tot de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, kunnen mede activiteiten behoren, die in samenhang met andere activiteiten belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu. 7. Bij de maatregel kan worden bepaald dat de aanwijzing van een activiteit, dan wel van een plan of besluit slechts geldt in daarbij aangewezen categorieën van gevallen. 8. Bij of krachtens de maatregel wordt het tijdstip bepaald met ingang waarvan met betrekking tot een aangewezen categorie van plannen of besluiten de in het tweede, derde, en vierde lid bedoelde verplichtingen ingaan. met een daarin opgenomen activiteit, een passende beoordeling moet worden gemaakt op grond van artikel 19f, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet In een geval als bedoeld in het eerste lid wordt de passende beoordeling opgenomen in het milieu-effectrapport. Die beoordeling wordt als zodanig herkenbaar weergegeven in dat rapport. Artikel Bij de maatregel, bedoeld in artikel 7.2, worden geen plannen aangewezen die: a. uitsluitend betrekking hebben op de landsverdediging of op een noodsituatie als bedoeld in de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden; b. betrekking hebben op de begroting of financiën van het Rijk, de provincie, de gemeente of een waterschap; c. gedurende de programmeringsperiode, bedoeld in artikel 3, negende lid, van richtlijn nr. 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma s (PbEG L_197), worden medegefinancierd in het kader van: 1. verordening (EG) nr. 1260/1999 van de Raad van de Europese Unie van 21 juni 1999 houdende algemene bepalingen inzake Structuurfondsen (PbEG L 161), of 2. verordening (EG) nr. 1257/1999 van de Raad van de Europese Unie van 17 mei 1999 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL) en tot wijziging en instelling van een aantal verordeningen (PbEG L 160). 2. Artikel 7.2a is niet van toepassing met betrekking tot plannen als bedoeld in het eerste lid. Artikel 7.2a 1. Een milieu-effectrapport wordt gemaakt bij de voorbereiding van een op grond van een wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling verplicht vast te stellen plan waarvoor, in verband

39 37 Artikel Indien Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit of een van Onze andere Ministers voornemens is een activiteit te ondernemen, die niet is opgenomen in een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 7.2 en die belangrijke nadelige gevolgen kan hebben voor het milieu, deelt hij dat voornemen onverwijld mede aan Onze Minister. 2. Jaarlijks doen Onze Ministers en Onze andere Ministers in de memorie van toelichting op het desbetreffende hoofdstuk van de Rijksbegroting ieder voor hun ministerie verslag van de toepassing van het eerste lid. Artikel Onze Ministers te zamen kunnen ontheffing verlenen van de verplichting tot het maken van een milieu-effectrapport bij de voorbereiding van een krachtens artikel 7.2, derde lid, aangewezen besluit in gevallen waarin: a. degene die de activiteit waarop die besluiten betrekking hebben, onderneemt, daarmee een activiteit ten aanzien waarvan reeds eerder een milieu-effectrapport is gemaakt, herhaalt of voortzet, indien het milieu-effectrapport redelijkerwijs geen nieuwe gegevens betreffende mogelijke nadelige gevolgen van de te ondernemen activiteit voor het milieu kan bevatten en de activiteit geen belangrijke nadelige gevolgen kan hebben voor het milieu in een ander land; b. met betrekking tot dezelfde activiteit reeds eerder een milieu-effectrapport overeenkomstig het bij of krachtens de paragrafen 7.4, 7.5, en 7.6 bepaalde is gemaakt, indien het milieu-effectrapport redelijkerwijs geen nieuwe gegevens betreffende mogelijke nadelige gevolgen van die activiteit voor het milieu kan bevatten en de activiteit geen belangrijke nadelige gevolgen kan hebben voor het milieu in een ander land; c. het algemeen belang het onverwijld ondernemen van de activiteit waarop die besluiten betrekking hebben, noodzakelijk maakt. 2. Een ontheffing krachtens het eerste lid kan worden verleend op verzoek van degene die de activiteit onderneemt, of van het bevoegd gezag. 3. Onze Ministers tekenen de datum van ontvangst van het verzoek aan op het geschrift waarbij het is ingediend, en zenden de verzoeker een bericht van ontvangst, waarin die datum is vermeld. 4. Behoudens in een geval als bedoeld in het eerste lid, onder c, stellen Onze Ministers, voordat zij op het verzoek beslissen, het bevoegd gezag, indien het verzoek daarvan niet afkomstig is, in de gelegenheid hun omtrent het verzoek advies uit te brengen. In een geval als bedoeld in het eerste lid, onder a of b, stellen zij tegelijkertijd ook de commissie daartoe in de gelegenheid. Indien van de gelegenheid advies uit te brengen gebruik wordt gemaakt, wordt het advies binnen vijf weken na de datum waarop daarom is verzocht, aan Onze Ministers gezonden. 5. De beslissing op het verzoek wordt genomen uiterlijk negen weken na de datum van ontvangst. Tegelijkertijd met de bekendmaking wordt van de beslissing mededeling gedaan aan de commissie en het bevoegd gezag. 6. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regelen worden gesteld omtrent: a. de wijze waarop het verzoek om een ontheffing moet worden gedaan en de gegevens die van de verzoeker kunnen worden verlangd; b. de terinzagelegging van het verzoek en de daarbij overgelegde gegevens en de kennisgeving van die terinzagelegging; c. de wijze waarop en de termijn waarbinnen een ieder bedenkingen tegen verlening van de ontheffing bij Onze Ministers kan inbrengen. Artikel Provinciale staten kunnen met het oog op de bescherming van het milieu in binnen hun provincie gelegen gebieden, niet zijnde gebieden als bedoeld in artikel 7.2a, eerste lid, die van bijzondere betekenis zijn of waarin het milieu reeds in ernstige mate is verontreinigd of aangetast in de provinciale milieuverordening activiteiten aanwijzen, die niet zijn opgenomen in een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 7.2, eerste lid, onder a, en die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu in die gebieden. Artikel 7.2, zesde en zevende lid, is van overeenkomstige toepassing. 2. Terzake van die activiteiten kunnen zij de categorieën van plannen aanwijzen bij de voorbereiding waarvan een milieueffectrapport moet worden gemaakt indien die activiteiten binnen hun provincie worden uitgevoerd. De artikelen 7.2, tweede lid, tweede en derde volzin, vijfde, zevende en achtste lid, en 7.3, eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing. 3. Terzake van die activiteiten wijzen zij de categorieën van besluiten aan bij de voorbereiding waarvan een milieu-effect-

40 38 rapport moet worden gemaakt indien die activiteiten binnen hun provincie worden uitgevoerd. Artikel 7.2, achtste lid, is van overeenkomstige toepassing. 4. Op de voorbereiding van een besluit, houdende een aanwijzing krachtens het eerste tot en met derde lid, is afdeling 3.4 van de van toepassing; zienswijzen kunnen naar voren worden gebracht door een ieder. Gedeputeerde staten plegen over het ontwerp overleg met burgemeester en wethouders van de gemeenten en de besturen van de waterschappen in hun provincie. Zij stellen de in artikel 7.1, vijfde lid, onder b, 1, bedoelde instantie, alsmede Onze Minister in de gelegenheid omtrent het ontwerp advies uit te brengen. 5. Gedeputeerde staten leggen met het ontwerp van het besluit aan provinciale staten een verslag over van het gevoerde overleg, de uitgebrachte adviezen en de naar voren gebrachte zienswijzen, waarbij zij onder opgave van redenen aangeven in hoeverre daarmee rekening is gehouden. 6. Tegelijkertijd met de bekendmaking van het besluit, houdende een aanwijzing als bedoeld in het eerste tot en met derde lid, wordt daarvan mededeling gedaan door toezending van een exemplaar aan ieder van Onze Ministers en, voorzover het de aanwijzing betreft van categorieën van besluiten als bedoeld in het derde lid, aan de commissie. Artikel 7.7 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over een aanwijzing als bedoeld in artikel 7.6, eerste tot en met derde lid. Artikel Gedeputeerde staten kunnen van de krachtens een aanwijzing als bedoeld in artikel 7.6 geldende verplichting tot het maken van een milieu-effectrapport ontheffing verlenen in gevallen als bedoeld in artikel 7.5, eerste en tweede lid. Artikel 7.5, derde, vierde en vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing. 2. Behoudens in een geval als bedoeld in artikel 7.5, eerste lid, onder c, stellen gedeputeerde staten, voordat zij een ontheffing verlenen, het bevoegd gezag, indien het verzoek daarvan niet afkomstig is, en de in artikel 7.1, vijfde lid, bedoelde instanties met uitzondering van de inspecteur in de gelegenheid advies uit te brengen. Artikel 7.5, zevende lid, is van overeenkomstige toepassing. 3. Bij een besluit, houdende een aanwijzing als bedoeld in artikel 7.6, worden regelen gesteld omtrent de in artikel 7.5, achtste lid, genoemde onderwerpen Procedurevoorschriften met betrekking tot besluiten die zijn aangewezen krachtens artikel 7.2, vierde lid Artikel 7.8a 1. Indien degene die een activiteit wil ondernemen, aangewezen krachtens artikel 7.2, eerste lid, onder b, voornemens is een verzoek in te dienen tot het nemen van een besluit als bedoeld in het vierde lid van dat artikel, deelt hij dat voornemen schriftelijk mee aan het bevoegd gezag. 2. Bij de mededeling, bedoeld in het eerste lid, wordt in elk geval aandacht besteed aan de in artikel 7.8b, eerste lid, bedoelde bijzondere omstandigheden waaronder de activiteit wordt ondernomen. 3. Bij een mededeling als bedoeld in het eerste lid kan degene die de activiteit wil ondernemen, verklaren dat hij bij de voorbereiding van het besluit een milieu-effectrapport maakt. Artikel 7.8b 1. Behoudens in het geval dat toepassing is gegeven aan artikel 7.8a, derde lid, neemt het bevoegd gezag uiterlijk zes weken na de datum van ontvangst een beslissing omtrent de vraag of bij de voorbereiding van het betrokken besluit voor de activiteit, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die zij voor het milieu kan hebben, een milieu-effectrapport moet worden gemaakt. 2. Indien wenselijk, vindt, alvorens het bevoegd gezag een beslissing neemt, overleg plaats met degene die de mededeling heeft gedaan. 3. Indien met betrekking tot de activiteit meer dan één besluit is aangewezen, nemen de bevoegde bestuursorganen de in het eerste lid bedoelde beslissing gezamenlijk. 4. Het bevoegd gezag houdt bij zijn beslissing rekening met de in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling aangegeven omstandigheden. 5. Het bevoegd gezag doet mededeling van zijn beslissing door: a. kennisgeving in een of meer dag-, nieuws- of huis-aanhuis-bladen, en indien is beslist dat voor de activiteit geen milieu-effectrapport moet worden gemaakt, kennisgeving in de Staatscourant; b. terinzagelegging;

41 39 c. kennisgeving in een publicatie in een ander land indien er sprake is van mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu in dat andere land. 6. In kennisgevingen als bedoeld in het vijfde lid vermeldt het bevoegd gezag ten minste: a. het tijdstip waarop een exemplaar van de beslissing ter inzage wordt gelegd, alsmede de uren waarop en de plaats waar het ter inzage ligt; b. de strekking van de beslissing. Artikel 7.8c Degene die een activiteit, aangewezen krachtens artikel 7.2, eerste lid, onder b, wil ondernemen, is verplicht een milieu-effectrapport te maken indien: a. het bevoegd gezag heeft beslist dat bij de voorbereiding van het betrokken besluit een milieu-effectrapport moet worden gemaakt; b. hij een verklaring heeft gedaan als bedoeld in artikel 7.8a, derde lid. Artikel 7.8d 1. Indien het bevoegd gezag degene is die een activiteit, aangewezen krachtens artikel 7.2, eerste lid, onder b, wil ondernemen, neemt het in een zo vroeg mogelijk stadium voor de voorbereiding van het besluit dat krachtens het vierde lid van dat artikel is aangewezen een beslissing omtrent de vraag of vanwege de bijzondere omstandigheden waaronder de activiteit wordt ondernomen, een milieu-effectrapport moet worden gemaakt. Artikel 7.8b, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing. 2. Onder een zo vroeg mogelijk stadium wordt het volgende verstaan: a. indien het een besluit betreft waarvan krachtens wettelijk voorschrift het voorontwerp van het besluit ter inzage wordt gelegd, het stadium voorafgaand aan de terinzagelegging van dat voorontwerp, of b. indien deze verplichting niet geldt, het stadium voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerp-besluit. 3. Het bevoegd gezag neemt de beslissing na overleg met de instanties die bij of krachtens een wet moeten worden betrokken bij de voorbereiding van het betrokken besluit. 4. Het bevoegd gezag doet van de beslissing mededeling door: a. terinzagelegging; b. kennisgeving in een publicatie in een ander land indien er sprake is van mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu in dat andere land; c. kennisgeving in de Staatscourant indien is beslist dat voor de activiteit geen milieu-effectrapport wordt gemaakt. 5. Bij de bekendmaking en mededeling van de beslissing vermeldt het bevoegd gezag ten minste: a. het tijdstip waarop een exemplaar van de beslissing ter inzage wordt gelegd, alsmede de uren waarop en de plaats waar het ter inzage ligt; b. de strekking van de beslissing. Artikel 7.8e De artikelen 7.8a tot en met 7.8d vinden geen toepassing ten aanzien van een activiteit, aangewezen in een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 7.2, eerste lid, onder b, voor zover die activiteit bij een provinciale verordening krachtens artikel 7.6, eerste lid, overeenkomstig de omschrijving in die algemene maatregel van bestuur is aangewezen en het een besluit betreft dat ter zake van die activiteit bij die verordening overeenkomstig die maatregel is aangewezen. 7.4 Het milieu-effectrapport Artikel In gevallen waarin een besluit wordt genomen op verzoek van degene die de betrokken activiteit onderneemt, maakt deze het milieu-effectrapport. 2. In andere dan de in het eerste lid bedoelde gevallen maakt het bevoegd gezag het milieu-effectrapport. Artikel Een milieu-effectrapport bevat ten minste: a. een beschrijving van hetgeen met de voorgenomen activiteit wordt beoogd; b. indien het milieu-effectrapport betrekking heeft op: 1. een plan: een beschrijving van de voorgenomen activiteit, alsmede van de alternatieven daarvoor, die redelijkerwijs in beschouwing dienen te worden genomen, en de motivering van de keuze voor de in beschouwing genomen alternatieven; 2. een besluit: een beschrijving van de voorgenomen activiteit en van de wijze waarop zij zal worden uitgevoerd, alsmede van de alternatieven daarvoor, die redelijkerwijs

42 40 in beschouwing dienen te worden genomen, en de motivering van de keuze voor de in beschouwing genomen alternatieven; c. indien het milieu-effectrapport betrekking heeft op: 1. een plan: een overzicht van eerder vastgestelde plannen die betrekking hebben op de voorgenomen activiteit en de beschreven alternatieven; 2. een besluit: een aanduiding van het besluit of de besluiten bij de voorbereiding waarvan het milieueffectrapport wordt gemaakt, en een overzicht van de eerder genomen beslissingen van bestuursorganen, die betrekking hebben op de voorgenomen activiteit en de beschreven alternatieven. d. een beschrijving van de bestaande toestand van het milieu, voor zover de voorgenomen activiteit of de beschreven alternatieven daarvoor gevolgen kunnen hebben, alsmede van de te verwachten ontwikkeling van dat milieu, indien die activiteit noch de alternatieven worden ondernomen; e. een beschrijving van de gevolgen voor het milieu, die de voorgenomen activiteit, onderscheidenlijk de beschreven alternatieven kunnen hebben, alsmede een motivering van de wijze waarop deze gevolgen zijn bepaald en beschreven; f. een vergelijking van de ingevolge onderdeel d beschreven te verwachten ontwikkeling van het milieu met de beschreven gevolgen voor het milieu van de voorgenomen activiteit, alsmede met de beschreven gevolgen voor het milieu van elk der in beschouwing genomen alternatieven; g. een overzicht van de leemten in de onder d en e bedoelde beschrijvingen ten gevolge van het ontbreken van de benodigde gegevens; h. een samenvatting die aan een algemeen publiek voldoende inzicht geeft voor de beoordeling van het milieu-effectrapport en van de daarin beschreven gevolgen voor het milieu van de voorgenomen activiteit en van de beschreven alternatieven. 2. Het milieu-effectrapport is gesteld in de Nederlandse taal. Indien het rapport betrekking heeft op een besluit kan het bevoegd gezag aan degene die de activiteit onderneemt, bij het geven van de in artikel 7.15 bedoelde richtlijnen toestemming verlenen het rapport in een daarbij aan te wijzen andere taal te stellen. De in het eerste lid, onder h, bedoelde samenvatting is steeds in de Nederlandse taal gesteld. Indien een activiteit belangrijke nadelige gevolgen kan hebben voor het milieu in een ander land, zendt degene die de activiteit onderneemt, op verzoek van het bevoegd gezag binnen een bij dat verzoek te bepalen termijn een vertaling van de samenvatting in de landstaal van het gebied in het andere land waar de activiteit belangrijke nadelige gevolgen kan hebben. 3. Indien het milieu-effectrapport betrekking heeft op een besluit behoort tot de ingevolge het eerste lid, onder b, te beschrijven alternatieven in ieder geval het alternatief waarbij de nadelige gevolgen voor het milieu worden voorkomen, dan wel, voor zover dat niet mogelijk is, deze met gebruikmaking van de beste bestaande mogelijkheden ter bescherming van het milieu, zoveel mogelijk worden beperkt. 4. Indien het milieu-effectrapport betrekking heeft op een besluit kan het bevoegd gezag bepalen dat, indien niet alle nadelige gevolgen voor het milieu kunnen worden beperkt, bij de ingevolge het eerste lid, onder b, te beschrijven alternatieven tevens de mogelijkheden worden beschreven om door het treffen van voorzieningen of maatregelen elders de resterende nadelige gevolgen te compenseren. 5. Indien het milieu-effectrapport betrekking heeft op een plan: a. stemt het bevoegd gezag het rapport, waaronder het detailniveau daarvan, af op de mate van gedetailleerdheid van het plan en op de fase van het besluitvormingsproces waarin het plan zich bevindt, alsmede, indien het plan deel uitmaakt van een hiërarchie van plannen, in het bijzonder op de plaats die het plan inneemt in die hiërarchie; b. mag gebruik worden gemaakt van andere milieu-effectrapporten die voldoen aan het bepaalde bij of krachtens dit hoofdstuk. 6. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regelen worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop de in het eerste lid bedoelde gegevens worden bepaald en beschreven. Artikel Bij algemene maatregel van bestuur kunnen, indien het milieueffectrapport betrekking heeft op een besluit, gegevens worden aangewezen, die een milieu-effectrapport in het belang van een goede besluitvorming, naast de in artikel 7.10 bedoelde, moet bevatten. Daarbij kunnen regelen worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop die gegevens worden bepaald en beschreven. 2. Bij een maatregel krachtens het eerste lid kan worden bepaald dat een aanwijzing of regel slechts geldt in daarbij aangewezen categorieën van gevallen. 3. Onze Ministers kunnen te zamen regelen stellen met betrekking tot de vorm van een milieu-effectrapport.

43 41 7.4a. De voorbereiding van een milieu-effectrapport dat betrekking heeft op een plan Artikel 7.11a 1. Een milieu-effectrapport dat betrekking heeft op een plan is gereed op het moment dat het ontwerp van het plan ter inzage wordt gelegd. 2. Het milieu-effectrapport kan worden opgenomen bij of in het plan, mits het daarin als zodanig herkenbaar is weergegeven. Artikel 7.11b Alvorens het milieu-effectrapport op te stellen, raadpleegt het bevoegd gezag de bestuursorganen die ingevolge het wettelijk voorschrift waarop het plan berust bij de voorbereiding van het plan moeten worden betrokken over de reikwijdte en het detailniveau van de informatie die gericht is op wat relevant is voor het plan en die op grond van artikel 7.10 in het milieueffectrapport moet worden opgenomen. Artikel 7.11c 1. Zo spoedig mogelijk nadat een bestuursorgaan het voornemen heeft opgevat tot het voorbereiden van een plan, maar uiterlijk op het moment dat het toepassing geeft aan artikel 7.11b, geeft het kennis van dat voornemen, met overeenkomstige toepassing van artikel 3:12, eerste en tweede lid, van de. 2. In de kennisgeving wordt vermeld of: a. stukken betreffende het voornemen ter inzage zullen worden gelegd, en waar en wanneer, b. er gelegenheid wordt geboden zienswijzen over het voornemen naar voren te brengen, aan wie, op welke wijze en binnen welke termijn, c. de commissie of een andere onafhankelijke instantie in de gelegenheid wordt gesteld advies uit te brengen over het voornemen of het ontwerp van het plan, en d. met betrekking tot het ontwerp van het plan toepassing moet worden gegeven aan artikel 7.26a. 3. In de kennisgeving wordt voorts vermeld: a. indien het milieu-effectrapport betrekking heeft op een krachtens artikel 7.2, tweede lid, aangewezen plan, en de daarin voorgenomen, krachtens het eerste lid van dat artikel aangewezen, activiteit plaatsvindt in een gebied dat onderdeel uitmaakt van de ecologische hoofdstructuur: dat de in het plan voorgenomen activiteit plaatsvindt in de ecologische hoofdstructuur; b. indien het milieu-effectrapport betrekking heeft op een plan als bedoeld in artikel 7.2a, eerste lid: dat in het milieueffectrapport tevens een passende beoordeling als bedoeld in dat artikel wordt opgenomen De voorbereiding van een milieu-effectrapport dat betrekking heeft op een besluit Artikel Indien degene die een activiteit wil ondernemen, aangewezen krachtens de artikelen 7.2, eerste lid, onder a, of 7.6, eerste lid, voornemens is een verzoek in te dienen tot het nemen van een besluit, aangewezen krachtens het derde lid van die artikelen, deelt hij dat voornemen schriftelijk mee aan het bevoegd gezag. 2. Het bevoegd gezag tekent de datum van ontvangst van de mededeling aan op het geschrift waarbij zij is gedaan, en zendt degene die haar heeft gedaan, onverwijld een bewijs van ontvangst, waarin die datum is vermeld. 3. Het zendt tegelijkertijd een exemplaar van de mededeling aan de commissie en aan de adviseurs. Het vermeldt daarbij de datum van ontvangst. 4. Het geeft voorts tegelijkertijd kennis van de ontvangst van de mededeling met overeenkomstige toepassing van artikel 3:12 van de. Kennisgeving geschiedt in een publicatie in een ander land ingeval er sprake is van mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu in dat andere land. 5. Indien overeenkomstig artikel 14.6, eerste lid, een verzoek is gedaan tot toepassing van artikel 14.5, vindt toepassing van het derde en vierde lid eerst plaats nadat op dat verzoek is beslist. 6. Onze Ministers stellen regelen omtrent de inhoud van een mededeling als bedoeld in het eerste lid. 7. Indien een activiteit als bedoeld in het eerste lid belangrijke nadelige gevolgen kan hebben voor het milieu in een ander land, zendt degene die de activiteit onderneemt, op verzoek van het bevoegd gezag binnen een bij dat verzoek te bepalen termijn een vertaling van de mededeling in de landstaal van het gebied in het andere land waar de activiteit belangrijke nadelige gevolgen kan hebben.

44 42 Artikel Indien het bevoegd gezag degene is die het milieu-effectrapport moet maken dat betrekking heeft op een besluit, deelt het aan de commissie en de adviseurs mee in het kader van welk door hem voorgenomen besluit het dat rapport zal maken. 2. Het geeft tegelijkertijd kennis van het door hem voorgenomen besluit met overeenkomstige toepassing van artikel 3:12, eerste en tweede lid, van de en artikel 7.12, vierde lid, tweede volzin. 3. Artikel 7.12, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing. Artikel Het bevoegd gezag stelt de commissie en de adviseurs in de gelegenheid advies uit te brengen over het geven van richtlijnen inzake de inhoud van een milieu-effectrapport dat betrekking heeft op een besluit. 2. De commissie brengt haar advies uit binnen negen weken na de openbare kennisgeving van de in artikel 7.12, eerste lid, bedoelde mededeling, onderscheidenlijk van het in artikel 7.13, eerste lid, bedoelde voornemen. Indien er sprake is van mogelijke belangrijke nadelige grensoverschrijdende gevolgen voor het milieu, gaat de commissie in haar advies daarop in. 3. Indien het bevoegd gezag het milieu-effectrapport niet zelf maakt, pleegt het voorts overleg over het geven van richtlijnen inzake de inhoud ervan met degene die de activiteit onderneemt. 4. Het bevoegd gezag stelt een ieder in de gelegenheid naar keuze schriftelijk of mondeling hun zienswijze naar voren te brengen over het geven van richtlijnen inzake de inhoud van het milieu-effectrapport. Artikel Het bevoegd gezag geeft uiterlijk dertien weken na de openbare kennisgeving van een mededeling als bedoeld in artikel 7.12, eerste lid, of van een voornemen als bedoeld in artikel 7.13, eerste lid, richtlijnen inzake de inhoud van het milieueffectrapport. In gevallen als bedoeld in artikel 7.13, eerste lid, kan het bevoegd gezag de termijn, bedoeld in de eerste volzin, eenmaal met ten hoogste acht weken verlengen. 2. De in het eerste lid bedoelde richtlijnen kunnen: a. betrekking hebben op de wijze waarop aan het bij of krachtens de artikelen 7.10 of 7.11 bepaalde moet worden voldaan; b. gegevens als bedoeld in artikel 7.10 of 7.11 aanwijzen die het milieu-effectrapport in elk geval moet inhouden, zo nodig nadat daarnaar onderzoek is verricht. 3. De gegevens bedoeld in het tweede lid, onder b, omvatten de gegevens die zijn aangegeven in bijlage IV bij de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling, voor zover het bevoegd gezag dat noodzakelijk acht ter uitvoering van artikel 5, eerste lid, van die richtlijn. 4. Ingeval de richtlijnen een milieu-effectrapport betreffen, dat moet worden gemaakt bij de voorbereiding van een besluit waarop van toepassing is, kan geen onderzoek als bedoeld in het tweede lid, onder b, worden verlangd ter verkrijging van gegevens als bedoeld in artikel 7.10, eerste lid, onder d. 5. De richtlijnen worden bekendgemaakt aan degene die de activiteit onderneemt en meegedeeld aan de commissie, de adviseurs en degenen die bij het bevoegd gezag overeenkomstig artikel 7.14, vierde lid, zienswijzen naar voren hebben gebracht. Artikel 3:44, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing. Artikel 7.16 De artikelen 7.12 tot en met 7.15 vinden geen toepassing indien degene die het milieu-effectrapport zou moeten maken, reeds beschikt over een milieu-effectrapport, opgesteld overeenkomstig het bij of krachtens dit hoofdstuk bepaalde, en in dat milieueffectrapport als alternatief de activiteit is beschreven, waarop het besluit betrekking heeft, bij de voorbereiding waarvan het milieu-effectrapport moet worden gemaakt De beoordeling van een milieu-effectrapport dat betrekking heeft op een besluit Artikel Een milieu-effectrapport dat betrekking heeft op een besluit en dat niet door het bevoegd gezag is gemaakt, wordt aan het bevoegd gezag overgelegd. 2. Het bevoegd gezag tekent de datum van ontvangst van het rapport daarop aan. Het zendt degene die het heeft overgelegd, een bewijs van ontvangst, waarin die datum is vermeld.

45 43 Artikel Indien het bevoegd gezag van oordeel is, dat een aan hem overgelegd milieu-effectrapport, mede gelet op de daarvoor overeenkomstig artikel 7.15 gegeven richtlijnen, niet voldoet aan de bij of krachtens de artikelen 7.10 en 7.11 gestelde regels, dan wel dat het onjuistheden bevat, deelt het dat onder opgave van redenen uiterlijk zes weken na de in artikel 7.17, tweede lid, bedoelde datum mede aan degene die het rapport heeft gemaakt. 2. Indien het bevoegd gezag van oordeel is dat het milieu-effectrapport slechts te kort schiet op ondergeschikte punten, kan het de mededeling, bedoeld in het eerste lid, achterwege laten. 3. Ten aanzien van een milieu-effectrapport met betrekking waartoe het eerste lid toepassing heeft gevonden, blijven de overige artikelen van deze paragraaf buiten toepassing. Artikel 7.19 Het bevoegd gezag kan een orgaan aanwijzen, dat voor de toepassing van artikel 7.20 voor hem in de plaats treedt. Artikel Het bevoegd gezag zendt van een milieu-effectrapport onverwijld een exemplaar aan de commissie en aan de adviseurs. Het vermeldt daarbij de in artikel 7.17, tweede lid, bedoelde datum. 2. Het geeft kennis van het milieu-effectrapport met overeenkomstige toepassing van artikel 3:12 van de Algemene wet bestuursrecht. Kennisgeving geschiedt in een publicatie in een ander land ingeval er sprake is van mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu in dat andere land. Van een milieu-effectrapport dat niet door het bevoegd gezag is gemaakt, wordt uiterlijk acht weken na de in artikel 7.17, tweede lid, bedoelde datum openbaar kennisgegeven. 3. De artikelen 3:11, 3:14, 3:15, eerste lid, 3:16 en 3:17 van de zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in plaats van «het ontwerp van het te nemen besluit» en «het ontwerp» wordt gelezen: het milieu-effectrapport. Zienswijzen kunnen naar voren worden gebracht door een ieder. 4. De zienswijzen kunnen slechts betrekking hebben op het, mede gelet op de overeenkomstig artikel 7.15 gegeven richtlijnen inzake de inhoud van het milieu-effectrapport, niet voldoen van het rapport aan de bij of krachtens de artikelen 7.10 en 7.11 gestelde regels dan wel op onjuistheden die het rapport bevat. Artikel 7.21 [Vervallen per ] Artikel 7.22 [Vervallen per ] Artikel 7.23 [Vervallen per ] Artikel 7.24 [Vervallen per ] Artikel 7.25 [Vervallen per ] Artikel De commissie wordt tot uiterlijk vijf weken na het einde van de in artikel 3:16, eerste lid, van de bedoelde termijn in de gelegenheid gesteld advies uit te brengen. Artikel 7.20, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing. 2. De commissie betrekt in haar advies de overeenkomstig afdeling 3.3 van de uitgebrachte adviezen en de overeenkomstig artikel 7.20, derde lid, juncto artikel 3:15, eerste lid, van de naar voren gebrachte zienswijzen. 3. Indien er sprake is van mogelijke belangrijke nadelige grensoverschrijdende gevolgen voor het milieu, gaat de commissie in haar advies daarop in. 7.6a. Het plan Artikel 7.26a 1. Indien de procedure van totstandkoming van een plan er niet in voorziet dat het ontwerp van dat plan ter inzage wordt gelegd en een ieder in de gelegenheid wordt gesteld zijn zienswijze over dat ontwerp naar voren te brengen, wordt in afwijking van die procedure: a. met betrekking tot het ontwerp van dat plan toepassing gegeven aan de artikelen 3:11 en 3:12 van de Algemene wet bestuursrecht, en b. een ieder in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze over het ontwerp naar voren te brengen, overeenkomstig de artikelen 3:16 en 3:17, eerste lid, van die wet.

46 44 2. Indien het milieu-effectrapport niet is opgenomen in het ontwerp van het plan: a. wordt bij de terinzagelegging, bedoeld in artikel 3:11, van de, tevens het rapport ter inzage gelegd, b. wordt bij de kennisgeving, bedoeld in artikel 3:12, van die wet, tevens kennisgegeven van het rapport, en c. kan een zienswijze als bedoeld in artikel 3:15 van die wet tevens betrekking hebben op het rapport. 3. Voor de toepassing van het eerste lid, onder a, wordt, indien krachtens wettelijk voorschrift een plan binnen een bepaalde termijn moet worden vastgesteld, die termijn verlengd met ten minste de termijn, bedoeld in artikel 3:16 van de Algemene wet bestuursrecht. Artikel 7.26b 1. Indien het milieu-effectrapport betrekking heeft op een krachtens artikel 7.2, tweede lid, aangewezen plan, en de daarin voorgenomen, krachtens het eerste lid van dat artikel aangewezen, activiteit plaatsvindt in een gebied dat onderdeel uitmaakt van de ecologische hoofdstructuur of indien het milieu-effectrapport betrekking heeft op een plan als bedoeld in artikel 7.2a, eerste lid, wordt de commissie uiterlijk op het moment dat de in artikel 7.26a genoemde stukken ter inzage worden gelegd in de gelegenheid gesteld advies uit te brengen over dat rapport. 2. Artikel 7.26, derde lid, is van toepassing. Artikel 7.26c 1. Het bevoegd gezag stelt een plan niet vast dan nadat het toepassing heeft gegeven aan de paragrafen 7.4 en 7.4a. 2. Het bevoegd gezag stelt een plan evenmin vast indien het plan ten opzichte van het ontwerp van dat plan zodanig is gewijzigd dat de gegevens die in het milieu-effectrapport zijn opgenomen redelijkerwijs niet meer aan het plan ten grondslag kunnen worden gelegd. Artikel 7.26d 1. Bij het plan wordt in ieder geval vermeld: a. de wijze waarop rekening is gehouden met de in het milieueffectrapport beschreven gevolgen voor het milieu van de activiteit waarop het plan betrekking heeft; b. hetgeen is overwogen omtrent de in het milieu-effectrapport beschreven alternatieven; c. hetgeen is overwogen omtrent de bij het ontwerp van het plan terzake van het milieu-effectrapport naar voren gebrachte zienswijzen; d. indien de commissie overeenkomstig artikel 7.26b advies heeft uitgebracht, hetgeen is overwogen omtrent dat advies. 2. Het bevoegd gezag bepaalt bij de vaststelling van het plan de termijn of de termijnen waarop het onderzoek, bedoeld in artikel 7.39, wordt gestart, alsmede de wijze waarop het dat onderzoek zal verrichten. Artikel 7.26e 1. Indien de procedure van totstandkoming van een plan niet voorziet in een openbare kennisgeving van een vastgesteld plan, wordt van dat plan kennisgegeven op de wijze, voorzien in artikel 3:42 van de. 2. Indien het milieu-effectrapport niet is opgenomen in het plan wordt van dat rapport kennisgegeven tegelijk met het plan. 7.7 Het besluit Artikel Het bevoegd gezag neemt een krachtens artikel 7.2, derde lid, of 7.6, derde lid, aangewezen besluit niet dan nadat toepassing is gegeven aan de artikelen 7.12 tot en met Het bevoegd gezag neemt een besluit evenmin, indien de gegevens die in het milieu-effectrapport zijn opgenomen, redelijkerwijs niet meer aan het besluit ten grondslag kunnen worden gelegd in verband met aanmerkelijke wijziging van de omstandigheden waarvan bij het maken van het milieu-effectrapport is uitgegaan. 3. Het bevoegd gezag neemt een beslissing omtrent een krachtens artikel 7.2, eerste lid, onder b, aangewezen activiteit, en ten aanzien waarvan geen provinciale verordening krachtens artikel 7.6, eerste lid, van toepassing is, niet dan nadat toepassing is gegeven aan de artikelen 7.8a tot en met 7.8d. Artikel Het bevoegd gezag laat een aanvraag om een besluit buiten behandeling indien a. bij het indienen van de aanvraag geen milieu-effectrapport is overgelegd; b. ten aanzien van het overgelegde milieu-effectrapport arti-

47 45 kel 7.18, eerste lid, toepassing heeft gevonden; c. in gevallen waarin krachtens artikel 14.5 ter voorbereiding van meer dan een besluit één milieu-effectrapport wordt gemaakt, de van de aanvrager afkomstige aanvragen tot het nemen van de andere betrokken besluiten niet tegelijkertijd worden ingediend. 2. Het bevoegd gezag laat de aanvraag tevens buiten behandeling indien een besluit als bedoeld in artikel 7.8a krachtens wettelijk voorschrift op aanvraag wordt genomen en a. bij het indienen van de aanvraag geen afschrift is gevoegd van de beslissing krachtens artikel 7.8b, eerste lid, inhoudende dat geen milieu-effectrapport behoeft te worden gemaakt, of b. bij het indienen van de aanvraag geen milieu-effectrapport is overgelegd. Artikel 7.29 Indien van een aanvraag als bedoeld in artikel 7.28, openbaar kennis wordt gegeven, wordt van het milieu-effectrapport - zo nodig in afwijking van artikel 7.20, tweede lid, derde volzin - in ieder geval gelijktijdig openbaar kennisgegeven. Artikel Indien krachtens wettelijk voorschrift van het voorontwerp of het ontwerp van een besluit openbaar kennis wordt gegeven, wordt van het milieu-effectrapport gelijktijdig openbaar kennisgegeven, behoudens in gevallen als bedoeld in artikel Indien krachtens wettelijk voorschrift zowel van een voorontwerp als van een ontwerp van het besluit openbaar kennis wordt gegeven, wordt van het milieu-effectrapport gelijktijdig met het voorontwerp kennisgegeven. 2. Van het ontwerp van een besluit wordt, indien van een aanvraag om of een voorontwerp van het besluit openbaar kennis is gegeven, niet openbaar kennisgegeven dan nadat toepassing is gegeven aan de artikelen 7.17 tot en met 7.20 en Artikel 7.31 [Vervallen per ] Artikel 7.32 Indien over een aanvraag als bedoeld in artikel 7.28 dan wel het voorontwerp of het ontwerp van een besluit zienswijzen naar voren kunnen worden gebracht, kunnen zienswijzen over het milieu-effectrapport in ieder geval gelijktijdig naar voren worden gebracht met zienswijzen over die aanvraag dan wel dat voorontwerp of ontwerp. Artikel 7.33 [Vervallen per ] Artikel Indien met betrekking tot handelingen als bedoeld in de artikelen 7.28, eerste lid, 7.29, 7.30 en 7.32 de krachtens deze wet en krachtens andere wettelijke voorschriften geldende termijnen niet even lang zijn, geldt voor de betrokken perioden met betrekking tot de totstandkoming van het besluit de langste van die termijnen. 2. Indien krachtens wettelijk voorschrift een besluit binnen een bepaalde termijn moet worden genomen, wordt die termijn verlengd met vijf weken, alsmede, indien ingevolge het eerste lid langere termijnen in de plaats treden van termijnen die bij de totstandkoming van het besluit zouden gelden, met de som van de verschillen tussen de laatstbedoelde en de ingevolge het eerste lid geldende termijnen. Artikel Bij het nemen van een besluit houdt het bevoegd gezag rekening met alle gevolgen die de activiteit waarop het besluit betrekking heeft, voor het milieu kan hebben. 2. Behoudens voor zover bij of krachtens het derde tot en met zesde lid anders is voorzien, is het eerste lid slechts van toepassing voor zover de wettelijke regeling waarop het besluit berust, zich daartegen niet verzet. 3. Het bevoegd gezag kan, indien ter zake van een activiteit slechts één besluit is aangewezen, ongeacht de beperkingen die ter zake in de wettelijke regeling waarop het besluit berust, zijn gesteld: a. naast de voorwaarden, voorschriften en beperkingen tot het opnemen waarvan het ingevolge die wettelijke regeling bevoegd is, in het besluit tevens alle andere voorwaarden, voorschriften en beperkingen opnemen, die nodig zijn ter bescherming van het milieu; b. een beslissing nemen, ertoe strekkende dat de activiteit niet wordt ondernomen, indien het ondernemen van die activiteit tot ontoelaatbare nadelige gevolgen voor het milieu kan leiden. 4. Op de voorbereiding van een besluit als bedoeld in het derde lid is, ongeacht hetgeen ter zake in de betrokken wettelijke regeling is bepaald, Algemene wet bestuursrecht van toepassing. 5. Indien op de voorbereiding van meer dan een van de ter zake van eenzelfde activiteit aangewezen besluiten afdeling 3.4 van

48 46 de van toepassing is, wordt een van die besluiten aangewezen als het besluit waarop het derde lid van toepassing is. Bij die aanwijzing kan worden bepaald dat zij slechts geldt in daarbij aangegeven gevallen. De aanwijzing geschiedt bij algemene maatregel van bestuur. 6. Met betrekking tot het krachtens het vijfde lid aangewezen besluit is het derde lid van toepassing, met dien verstande dat slechts voorwaarden, voorschriften en beperkingen kunnen worden gesteld met betrekking tot onderwerpen waaromtrent geen voorwaarden, voorschriften en beperkingen kunnen worden gesteld bij de andere in het vijfde lid bedoelde besluiten. 7. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regelen worden gesteld met betrekking tot de toepassing van het derde lid. Artikel 7.36 Een krachtens een andere wettelijke regeling te nemen besluit wordt, ook voor zover daarbij artikel 7.35 wordt toegepast, geacht krachtens die regeling te worden genomen. Artikel De motivering van een besluit vermeldt in ieder geval: a. de wijze waarop rekening is gehouden met de in het milieueffectrapport beschreven gevolgen voor het milieu van de activiteit waarop het besluit betrekking heeft; b. hetgeen is overwogen omtrent de in het milieu-effectrapport beschreven alternatieven; c. hetgeen is overwogen omtrent de terzake van het milieueffectrapport overeenkomstig artikel 7.20, derde lid, juncto artikel 3:15, eerste lid, van de naar voren gebrachte zienswijzen en de overeenkomstig artikel 7.26 uitgebrachte adviezen. 2. Het bevoegd gezag bepaalt bij het besluit de termijn of de termijnen waarop het onderzoek, bedoeld in artikel 7.39, wordt gestart, alsmede de wijze waarop het dat onderzoek zal verrichten. Artikel Van een besluit doet het bevoegd gezag zo spoedig mogelijk mededeling door toezending van een exemplaar aan degenen die overeenkomstig artikel 7.20, derde lid, juncto artikel 3:15, eerste lid, van de zienswijzen naar voren hebben gebracht, en, voorzover van toepassing, aan de commissie en aan de adviseurs. Artikel 3:44, tweede lid, van de is van overeenkomstige toepassing. 2. Het doet van zijn besluit tevens zo spoedig mogelijk mededeling met overeenkomstige toepassing van artikel 3.44, eerste lid, van de. 7.8 Activiteiten met mogelijke grensoverschrijdende milieugevolgen Artikel 7.38a 1. Indien een in een plan voorgenomen activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben in een ander land, wordt aan de regering van dat land of aan een door die regering aan te wijzen autoriteit van dat land verstrekt: a. het ontwerp van het plan, en, indien het milieu-effectrapport niet is opgenomen in dat ontwerp, het milieu-effectrapport, gelijktijdig met de terinzagelegging daarvan in Nederland; b. het vastgestelde plan, en, indien het milieu-effectrapport niet is opgenomen in dat plan, het milieu-effectrapport, gelijktijdig met de bekendmaking daarvan in Nederland. 2. Indien een in een besluit voorgenomen activiteit belangrijke nadelige gevolgen kan hebben voor het milieu in een ander land, worden de in het kader van dit hoofdstuk verzamelde informatie, alsmede de aanvraag, bedoeld in artikel 7.28, onderscheidenlijk het ontwerp van het besluit en het besluit aan de regering of een door die regering aan te wijzen autoriteit in het andere land verstrekt gelijktijdig met de bekendmaking in Nederland. Tevens worden deze informatie en deze bescheiden toegezonden aan de instanties die daartoe door de bevoegde autoriteit van dat andere land zijn aangewezen op grond van hun specifieke verantwoordelijkheid op milieugebied. Artikel 3:16, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en de artikelen 7.14, eerste lid, en 7.20, vierde lid, zijn ten aanzien van die instanties van overeenkomstige toepassing. 3. De ingevolge het eerste, dan wel tweede lid te verstrekken stukken dienen als grondslag voor het overleg met bestuursorganen in het betrokken andere land over de belangrijke nadelige gevolgen die de activiteit voor het milieu in dat andere land kan hebben, en de maatregelen die worden overwogen om die gevolgen te voorkomen of te beperken. 4. Onze Minister is belast met de taken die voortvloeien uit de toepassing van het eerste tot en met derde lid, voorzover het betreft het verschaffen van informatie aan en overleg met de

49 47 regering van het andere land. Overigens is het bevoegd gezag belast met die taken. 5. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het bepaalde in het eerste tot en met derde lid. Artikel 7.38b Behoudens het bepaalde in artikel 7.38a, eerste dan wel tweede lid, informeren Onze Minister onderscheidenlijk het bevoegd gezag zo spoedig mogelijk nadat uit de in het kader van dit hoofdstuk verzamelde informatie duidelijk is geworden dat er sprake is van mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu in een ander land de regering of een door die regering aan te wijzen autoriteit in dat andere land. Artikel 7.38a, derde lid, is van overeenkomstige toepassing. Artikel 7.38c 1. Indien het milieu-effectrapport betrekking heeft op een plan zendt het bevoegd gezag indien er sprake is van mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu in een ander land, aan Onze Minister een exemplaar van: a. het ontwerp van dat plan en, indien het milieu-effectrapport niet is opgenomen in dat ontwerp, het milieu-effectrapport; b. het vastgestelde plan en, indien het milieu-effectrapport niet is opgenomen in dat plan, het milieu-effectrapport. 2. Indien het milieu-effectrapport betrekking heeft op een besluit zendt het bevoegd gezag indien er sprake is van mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu in een ander land, aan Onze Minister: a. een exemplaar van de mededeling, bedoeld in artikel 7.12; b. een exemplaar van de richtlijnen, bedoeld in artikel 7.15; c. een exemplaar van het milieu-effectrapport, bedoeld in artikel 7.20; d. een exemplaar van de aanvraag, bedoeld in artikel 7.28, onderscheidenlijk van het ontwerp van het besluit; e. een exemplaar van het besluit, bedoeld in artikel Bij de toezending verzoekt het bevoegd gezag Onze Minister toepassing te geven aan artikel 7.38a, eerste lid. Artikel 7.38d Indien een ander land belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu meent te kunnen ondervinden van een in een plan, dan wel besluit voorgenomen activiteit in Nederland, geven Onze Minister, onderscheidenlijk het bevoegd gezag op verzoek van dat land toepassing aan artikel 7.38a, eerste tot en met derde lid. Artikel 7.38e Indien een ander land belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan ondervinden van een in een plan, dan wel besluit voorgenomen activiteit in Nederland kan Onze Minister: a. indien het milieu-effectrapport betrekking heeft op een plan, bepalen dat het bevoegd gezag dat plan niet vaststelt dan nadat Onze Minister gedurende dertien weken na het einde van de termijn waarbinnen zienswijzen over het ontwerp van dat plan naar voren kunnen worden gebracht, in de gelegenheid is gesteld de uitkomsten van het overleg, bedoeld in artikel 7.38a, derde lid, aan het bevoegd gezag te doen toekomen; b. indien het milieu-effectrapport betrekking heeft op een besluit, bepalen dat het bevoegd gezag dat besluit niet neemt, dan nadat Onze Minister gedurende dertien weken na het einde van de in artikel 7.26 bedoelde termijn in de gelegenheid is gesteld de uitkomsten van het overleg, bedoeld in artikel 7.38a, derde lid, aan het bevoegd gezag te doen toekomen. Artikel 7.38f De motivering van een besluit vermeldt in ieder geval: a. indien in het milieu-effectrapport of in het advies, bedoeld in artikel 7.26, aandacht wordt geschonken aan mogelijke belangrijke nadelige grensoverschrijdende milieugevolgen, hetgeen daaromtrent is overwogen; b. hetgeen is overwogen omtrent de uitkomsten van het overleg, bedoeld in artikel 7.38a, tweede lid. Artikel 7.38g 1. Indien een voorgenomen activiteit in een ander land belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu in Nederland kan hebben, draagt Onze Minister zorg voor het onderhouden van de contacten met dat land. 2. Onze Minister kan bij uitvoering van het eerste lid de commissie om advies verzoeken. 7.9 Evaluatie Artikel Het bevoegd gezag dat een plan heeft vastgesteld of een besluit heeft genomen, onderzoekt de gevolgen die de uitvoering van dat plan, dan wel van dat besluit heeft voor het

50 48 milieu, wanneer de in het plan, dan wel in het besluit voorgenomen activiteit wordt ondernomen of nadat zij is ondernomen. 2. Indien een in een plan opgenomen activiteit slechts kan worden ondernomen nadat daarvoor een besluit is genomen, berust de verplichting, bedoeld in het eerste lid, bij het gezag dat dat besluit heeft genomen. Artikel 7.43 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het bepaalde in de artikelen 7.39, 7.41 en Artikel 7.40 Degene die de in dat plan, dan wel besluit voorgenomen activiteit onderneemt, is verplicht aan het bevoegd gezag desgevraagd alle medewerking te verlenen en alle inlichtingen te verstrekken, die het redelijkerwijs voor het verrichten van het in artikel 7.39 bedoelde onderzoek behoeft. Artikel Het bevoegd gezag stelt een verslag op van het onderzoek. 2. Indien het milieu-effectrapport betrekking heeft op een plan zendt het bevoegd gezag het verslag aan de bestuursorganen, bedoeld in artikel 7.11b. Indien het milieu-effectrapport betrekking heeft op een plan waarover de commissie overeenkomstig artikel 7.26b advies heeft uitgebracht, zendt het bevoegd gezag het verslag tevens aan de commissie. 3. Indien het milieu-effectrapport betrekking heeft op een besluit zendt het bevoegd gezag het verslag aan degene die de activiteit onderneemt, aan de commissie en aan de adviseurs. Het maakt het verslag gelijktijdig bekend met overeenkomstige toepassing van artikel 3:12, eerste en tweede lid, van de. Artikel Indien uit het in artikel 7.39 bedoelde onderzoek blijkt dat de activiteit in belangrijke mate nadeliger gevolgen voor het milieu heeft dan die welke bij het vaststellen van het plan, dan wel bij het nemen van het besluit werden verwacht, neemt het bevoegd gezag, indien dat naar zijn oordeel nodig is, de hem ter beschikking staande maatregelen ten einde die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. 2. Indien het bevoegd gezag met betrekking tot een besluit tot het oordeel komt dat het moet worden gewijzigd of ingetrokken, zijn op die wijziging of intrekking de artikelen 7.35 en 7.36 van overeenkomstige toepassing.

51 Onderdeel C en D van de bijlage van het Besluit m.e.r. Bijlage behorende bij het Besluit milieu-effectrapportage 1994 Onderdeel A. Begripsbepaling 1. In deze bijlage wordt verstaan onder: - hoofdweg: een weg waarvoor een verbinding is aangegeven op een kaart van indicatieve en limitatieve hoofdwegverbindingen, die behoort tot een van kracht zijnde planologische kernbeslissing; - autoweg: a. een voor autoverkeer bestemde weg die alleen toegankelijk is via knooppunten of door verkeerslichten geregelde kruispunten en waarop het is verboden te stoppen of te parkeren, of b. een weg als bedoeld in artikel 1, onder d, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; landelijke spoorweg: een spoorweg waarvoor een verbinding is aangegeven op een kaart van indicatieve en limitatieve spoorwegverbindingen, die behoort tot een van kracht zijnde planologische kernbeslissing; waterweg: een voor vaarverbindingen bestemd oppervlaktewater; hoofdvaarweg: een waterweg waarvoor een vaarverbinding is aangegeven op een kaart van indicatieve en limitatieve hoofdvaarwegverbindingen, die behoort tot een van kracht zijnde planologische kernbeslissing; plan als bedoeld in artikel 2a van Ordening: een plan als bedoeld in artikel 2a, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening alsmede een herziening als bedoeld in artikel 2b, eerste lid, van die wet. plan als bedoeld in artikel 4a van Ordening: een plan als bedoeld in artikel 4a, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening alsmede een uitwerking of afwijking als bedoeld in artikel 4a, achtste lid, van die wet. plan als bedoeld in artikel 10 van Ordening: een plan als bedoeld in artikel 10, eerste of tweede lid, van Ordening, alsmede: a. voorzover het plan, bedoeld in artikel 10, wordt genoemd in kolom 3 van de onderdelen C onderscheidenlijk onderdeel D: een aanwijzing als bedoeld in artikel 37, tweede of vijfde lid, van die wet; b. voorzover het plan, bedoeld in artikel 10, wordt genoemd in kolom 4 van de onderdelen C onderscheidenlijk onderdeel D: een vrijstelling als bedoeld in artikel 17, eerste lid, 19, eerste, tweede of derde lid, en 40, eerste lid, van die wet. gevoelig gebied: a. een gebied dat krachtens: 1. artikel 10, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet is aangewezen als een beschermd natuurmonument; 2. artikel 10a, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 is aangewezen als een gebied ter uitvoering van richtlijn nr. 79/409/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (PbEG L 103) en richtlijn nr. 92/43/ EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG L 206); 3. de op 2 februari 1971 te Ramsar tot stand gekomen Overeenkomst inzake watergebieden van internationale betekenis, in het bijzonder als verblijfplaats voor watervogels (Trb. 1975, 84), is aangemeld als watergebied van internationale betekenis; b. een kerngebied, begrensd natuurontwikkelingsgebied of begrensde verbindingszone, dat deel uitmaakt van de ecologische hoofdstructuur, zoals die structuur is vastgelegd in een geldend bestemmingsplan of, bij het ontbreken daarvan, in een geldend streekplan, of, bij het ontbreken daarvan, zoals die structuur voorkomt op de kaart Ecologische Hoofdstructuur, behorend bij deel 4 van het Structuurschema Groene Ruimte (LNV-kenmerk GRR ); c. een gebied met behoud en herstel van de bestaande landschapskwaliteit, zoals dat gebied is vastgelegd in een geldend bestemmingsplan of, bij het ontbreken daarvan, in een geldend streekplan, of, bij het ontbreken daarvan, zoals dat gebied voorkomt op de kaart Landschap, behorend bij deel 4 van het Structuurschema Groene Ruimte; d. een krachtens artikel 1.2, tweede lid, onder a, van de wet bij provinciale verordening aangewezen gebied met uitzondering van de zones waar het met het oog op de bescherming van het diepe grondwater is verboden te boren; e. een gebied dat krachtens artikel 3, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 is aangewezen als beschermd monument; f. een Belvedere-gebied als bedoeld in de bijlage «Gebieden» bij de nota «Belvedere, beleidsnota over de relatie tussen

52 50 cultuurhistorie en ruimtelijke inrichting» (Kamerstukken II 1998/99, , nr. 2) voorzover dat is vastgelegd in een geldend streekplan of geldend bestemmingsplan; bufferzone: een zone die voorkomt op een PKB-Bufferzonekaart, behorend bij de Partiële Herziening Planologische Kernbeslissing Nationaal Ruimtelijk Beleid, deel 3, kabinetsstandpunt (kamerstukken II 1997/98, , nrs. 3 4); weidevogelgebied: een weidevogelgebied dat voorkomt op de kaart Belangrijke gebieden voor weidevogels, behorend bij deel 4 van het Structuurschema Groene Ruimte; primaire waterkering: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet op de waterkering; dam: een in een oppervlaktewater gelegen primaire waterkering; stormvloedkering: een in een oppervlaktewater gelegen waterstaatkundig werk, dat bij hoge waterstanden gesloten is of wordt en dan fungeert als een primaire waterkering; zee- of deltadijk: de Afsluitdijk alsmede een primaire waterkering: a. langs of in de Zeeuwse rijkswateren; b. langs de kust van de provincies Zeeland, Zuid-Holland, Noord-Holland, Friesland of Groningen; c. langs of in het Grevelingenmeer, Krammer-Volkerak, Hollandsch Diep of Haringvliet; d. in het benedenrivierengebied, voor zover niet genoemd in onderdeel a van de definitie van een «rivierdijk»; e. langs de Waddeneilanden; 2. In deze bijlage wordt mede verstaan onder: wijziging: een reconstructie of verandering anderszins van aangelegde werken, ingerichte gebieden of bestaande inrichtingen; uitbreiding: het opnieuw in gebruik nemen van aangelegde werken, ingerichte gebieden of bestaande inrichtingen; oprichting van een inrichting: een uitbreiding van een inrichting door de oprichting van een nieuwe installatie; capaciteit: een redelijkerwijs binnen afzienbare tijd voorzienbare uitbreiding van de capaciteit; oppervlakte: een redelijkerwijs binnen afzienbare tijd voorzienbare uitbreiding van de oppervlakte. rivierdijk: a. een primaire waterkering in het benedenrivierengebied langs of in de Hollandsche IJssel, de Lek, de Boven Merwede, de Beneden Merwede, de Nieuwe Merwede, de Biesbosch, het Steurgat, de Bergsche Maas, de Amer, de Noord, de Dordtse Kil, het Wantij, de Oude Maas, de Nieuwe Maas of het Spui; b. een andere dan in onderdeel a genoemde primaire waterkering, met uitzondering van zee- of deltadijken; stroomgebied: het stroomgebied van de Eems, Rijn, Maas of Schelde; oppervlaktedelfstof: een delfstof die voorkomt in de bodem en die kan worden gewonnen zonder ondergrondse mijnbouw; continentaal plat: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, onderdeel c, van de Mijnbouwwet.

53 51 Onderdeel C. Activiteiten, plannen en besluiten, ten aanzien waarvan het maken van een milieu-effectrapportage verplicht is Kolom 1 Kolom 2 Kolom 3 Kolom 4 Activiteiten Gevallen Plannen Besluiten 1.1 De aanleg van een hoofdweg. Het plan, bedoeld in artikel 2a van de Wet op de Ruimtelijke De vaststelling van het tracé op grond van de Tracéwet door de Minister van Verkeer en Waterstaat. 1.2 De aanleg van een autosnelweg of autoweg, niet zijnde een hoofdweg. Het plan, bedoeld in de artikelen 5 en 8 j 9, tweede lid, van de Planwet verkeer en vervoer, het plan, bedoeld in de artikelen 4a, 7, 10, De vaststelling van het tracé door het provinciaal bestuur of het gemeentebestuur dan wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 11, eerste lid, van Ordening dan wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 10 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening wanneer dat het tracé bepaalt. 1.3 De aanleg van een weg bestaande uit vier of meer rijstroken, niet zijnde een hoofdweg, autosnelweg of autoweg. heeft op een weg met een tracélengte van 10 kilometer of meer. Het plan, bedoeld in de artikelen 5 en 8 j 9, tweede lid, van de Planwet verkeer en vervoer, het plan, bedoeld in de artikelen 4a, 7, 10, De vaststelling van het tracé door het provinciaal bestuur of het gemeentebestuur dan wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 11, eerste lid, van Ordening dan wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 10 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening wanneer dat het tracé bepaalt.

54 De wijziging of uitbreiding van een hoofdweg. heeft op: 1. de verbreding van een weg met één of meer rijstroken en het te verbreden weggedeelte twee knooppunten of aansluitingen met elkaar verbindt, of 2. de ombouw van een hoofdweg tot een autosnelweg. Het plan, bedoeld in artikel 2a van de Wet op de Ruimtelijke De vaststelling van het tracé op grond van de Tracéwet door de Minister van Verkeer en Waterstaat. 1.5 De wijziging of uitbreiding van: a. een autosnelweg of autoweg, niet zijnde een hoofdweg, of b. een weg als bedoeld in categorie 1.3 van onderdeel C van deze bijlage. heeft op: 1. een weg met een tracélengte van 10 kilometer of meer, 2. de verbreding van een weg met één of meer rijstroken en het te verbreden weggedeelte twee knooppunten of aansluitingen met elkaar verbindt, of 3. de ombouw van een weg tot een autosnelweg of autoweg. Het plan, bedoeld in de artikelen 5 en 8 j 9, tweede lid, van de Planwet verkeer en vervoer, het plan, bedoeld in de artikelen 4a, 7, 10, De vaststelling van het tracé door het provinciaal bestuur of het gemeentebestuur dan wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 11, eerste lid, van Ordening dan wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 10 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening wanneer dat het tracé bepaalt. 2.1 De aanleg, wijziging of uitbreiding van een landelijke spoorweg. Wat betreft de wijziging of uitbreiding van een spoorweg in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1. de verbreding van een spoorweg met twee of meer sporen, die over een lengte van 5 kilometer of meer is gelegen in een bufferzone of een in een bestemmingsplan of streekplan begrensd gevoelig gebied als bedoeld onder a of b van punt 1 van onderdeel A van deze bijlage, 2. een geheel nieuwe spoorweg, die over een lengte van 500 meter of meer op een afstand van 25 meter of meer is gelegen van de grens van de voor spoorwegdoeleinden aangewezen bestemming, Het plan, bedoeld in artikel 2a van de Wet op de Ruimtelijke De vaststelling van het tracé op grond van de Tracéwet door de Minister van Verkeer en Waterstaat.

55 53 3. de constructie van spoorwegbouwkundige bouwwerken met de daartoe behorende aansluitingen, los van de voor spoorwegdoeleinden aangewezen bestemming, voor zover deze geheel zijn gelegen in een bufferzone of een in een bestemmingsplan of streekplan begrensd gevoelig gebied als bedoeld onder a of b b van punt 1 van onderdeel A van deze bijlage, of 4. het opnieuw in gebruik nemen van een reeds aangelegde spoorweg, die over een lengte van 5 kilometer of meer is gelegen in een bufferzone of een in een bestemmingsplanof streekplan begrensd gevoelig gebied als bedoeld onder a of b van punt 1 van onderdeel A van deze bijlage. 2.2 De aanleg van een boven- of ondergrondse spoorweg, vrijliggende busbaan, zweefspoor of andere bijzondere constructie. heeft op een boven- of ondergrondse spoorweg, vrijliggende busbaan, zweefspoor of andere bijzondere constructie met een tracélengte van 5 kilometer of meer buiten de bebouwde kom in een gevoelig gebied of een bufferzone. De vaststelling van het tracé door de Minister van Verkeer en Waterstaat, het provinciaal bestuur of het gemeentebestuur dan wel van het plan, bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening dan wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 10 van Ordening wanneer dat het tracé bepaalt. 2.3 De wijziging of uitbreiding van een voorziening als bedoeld in categorie 2.2 van onderdeel C van deze bijlage. heeft op: 1. de verbreding van een spoorweg met twee op meer sporen, die over een lengte van 5 kilometer of meer is gelegen in een bufferzone of een in een bestemmingsplan of streekplan begrensd gevoelig gebied als bedoeld onder a of b van punt 1 van onderdeel A van dezebijlage, De vaststelling van het tracé door de Minister van Verkeer en Waterstaat, het provinciaal bestuur of het gemeentebestuur dan wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 11,

56 54 2. een geheel nieuwe spoorweg, die over een lengte van 500 meter of meer op een afstand van 25 meter of meer is gelegen van de grens van de voor spoorwegdoeleinden aangewezen bestemming, of 3. de constructie van spoorwegbouwkundige bouwwerken met de daartoe behorende aansluitingen, los van de voor spoorwegdoeleinden aangewezen bestemming, voor zover deze geheel zijn gelegen in een bufferzone of een in een bestemmingsplan of streekplan begrensd gevoelig gebied als bedoeld onder a of b van punt 1 van onderdeel A van deze bijlage. eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening dan wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 10 van Ordening wanneer dat het tracé bepaalt. 3.1 De aanleg van een waterweg. heeft op een waterweg die kan worden bevaren door schepen met een laadvermogen van ton of meer. artikelen 2a, 4a, 7,10, 11, eerste lid, en 36c van de Wet op de Ruimtelijke De vaststelling van het tracé op grond van de Tracéwet door de Minister van Verkeer en Waterstaat dan wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 11, eerste lid, van Ordening dan wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 10 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, wanneer dat het tracé bepaalt. 3.2 De vergroting of verdieping van een hoofdvaarweg. heeft op: 1. een vergroting van het ruimteoppervlak van een hoofdvaarweg met 20% of meer, of 2. een structurele verdieping van de hoofdvaarweg waarbij meer dan 5 miljoen m3 grond wordt verzet. Het plan, bedoeld in artikel 2a van de Wet op de Ruimtelijke De vaststelling van het tracé op grond van de Tracéwet tot vergroting of verdieping van de hoofdvaarweg door de Minister van Verkeer en Waterstaat.

57 De verlegging van het zomerbed van een waterweg. heeft op: 1. een waterweg die kan worden bevaren door schepen met een laadvermogen van ton of meer, en 2. een oppervlakte van 50 hectare of meer. Het plan, bedoeld in artikel 2a van de Wet op de Ruimtelijke De vaststelling van het tracé op grond van de Tracéwet tot verlegging van het zomerbed van de waterweg door de Minister van Verkeer en Waterstaat. 3.4 De wijziging of uitbreiding van een waterweg In gevallen waarin de wijziging of uitbreiding betrekking heeft op een structurele verdieping van de waterweg waarbij meer dan 5 miljoen m3 grond wordt verzet. artikelen 2a, 4a, 7, 10 en 36c van de Wet op de Ruimtelijke De vaststelling van het plan, bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening dan wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 10 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening dat in de wijziging of uitbreiding voorziet. 4.1 De aanleg van: a. een marinehaven, b. een haven voor civiel gebruik voor de binnenscheepvaart, c. een zeehandelshaven, of d. een met het land verbonden en buiten een haven gelegen pier voor lossen en laden, met uitzondering van pieren voor veerboten. heeft op: 1. een haven die bevaarbaar is voor schepen met een laadvermogen van ton of meer, of 2. een pier die schepen kan ontvangen met een laadvermogen van ton of meer. Ordening, met uitzondering van de plannen die uitsluitend betrekking hebben op de activiteit genoemd onder a. De vaststelling van: 1. het plan van aanleg van een haven als bedoeld onder a door de Minister van Defensie, of 2. het plan, bedoeld in artikel 11, eerste lid, van Ordening dan wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 10 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening dat de plaats bepaalt van een haven als bedoeld onder b of c of een pier als bedoeld onder d.

58 De wijziging of uitbreiding van: a. een marinehaven, b. een haven voor civiel gebruik voor de binnenscheepvaart, c. een zeehandelshaven, of d. een met het land verbonden en buiten een haven gelegen pier voor lossen en laden, met uitzondering van pieren voor veerboten. heeft op een oppervlak van 100 hectare of meer. 11, eerste lid en 36c van Ordening, met uitzondering van de plannen die uitsluitend betrekking hebben op de activiteit genoemd onder a. De vaststelling van: 1. het plan van wijziging haven als bedoeld onder a door de Minister van Defensie, of 2. het besluit tot wijziging of uitbreiding dan wel, bij het ontbreken daarvan, van het plan, bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening dan wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 10 van Ordening dat in de wijziging of uitbreiding voorziet van een haven als bedoeld onder b, c of d. 5.1 De constructie van installaties of bouwwerken in, op, of boven de zeebodem,dan wel in de ondergrond daarvan, met uitzondering van de constructie van installaties of bouwwerken ten behoeve van activiteiten als bedoeld in de onderdelen 17.1, kolom 1, en 17.2, kolom 1, van onderdeel C van deze bijlage. heeft op een oppervlakte van 1 hectare of meer of een hoogte van N.A.P meter of meer dan wel indien het de constructie van installaties of bouwwerken betreft voor het opwekken van elektriciteit door middel van windenergie, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1. een gezamenlijk vermogen van 15 megawatt (electrisch) of meer, of molens of meer. Het plan, bedoeld in artikel 2a van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en het plan, bedoeld in artikel 3 van de Wet op de waterhuishouding. Het besluit, bedoeld in artikel 2 van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, dan wel de besluiten waarop afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht en afdeling 13.2 van

59 Het ophogen van de zeebodem, inclusief het aanleggen van een eiland. heeft op een oppervlakte van 500 hectare of meer. Het plan, bedoeld in artikel 2a van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en het plan, bedoeld in artikel 3 van de Wet op de waterhuishouding. Het besluit, bedoeld in artikel 2 van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken. 5.3 Het gebruik van de zeebodem voor een andere activiteit dan bedoeld in categorie 5.1 of 5.2 van onderdeel C van deze bijlage. heeft op een oppervlakte van één hectare of meer. Het plan, bedoeld in artikel 2a van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en het plan, bedoeld in artikel 3 van de Wet op de waterhuishouding. Het besluit, bedoeld in artikel 2 van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, dan wel de besluiten waarop afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht en afdeling 13.2 van 5.4 Het op enigerlei wijze bevestigen van installaties in de bodem dan wel de ophoging van de bodem van grote wateren niet zijnde de zeebodem, bedoeld in de categorieën 5.1 tot en met 5.3 van onderdeel C van deze bijlage, waardoor de bodem bij hoog water boven de waterspiegel komt te liggen. heeft op een oppervlakte van 200 hectare of meer. Het plan, bedoeld in artikel 2a van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en het plan, bedoeld in artikel 3 van de Wet op de waterhuishouding. Het besluit, bedoeld in artikel 2 van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken dan wel, bij het ontbreken daarvan, het besluit tot concessieverlening, bedoeld in artikel 1 van de Wet van 14 juli 1904 houdende bepalingen omtrent het ondernemen van droogmakerijen en indijkingen (Stb. 147). 6.1 De aanleg, de inrichting of het gebruik van een luchtvaartterrein als bedoeld in artikel 1, onderdeel g, van de Luchtvaartwet, dan wel een luchthavengebied als bedoeld in artikel 8.5, tweede lid, van de Wet luchtvaart. heeft op een luchtvaartterrein dan wel een luchthavengebied dat de beschikking krijgt over een start- of landingsbaan met een lengte van meter of meer. artikelen 2a en 4a van Ordening, met uitzondering van plannen die uitsluitend betrekking hebben op militaire luchtvaartterreinen. De aanwijzing, bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Luchtvaartwet, of het besluit tot wijziging daarvan, bedoeld in artikel 27, eerste lid, van de Luchtvaartwet. Ten aanzien van de luchthaven Schiphol een luchthavenindelingbesluit of

60 58 een luchthavenverkeerbesluit als bedoeld in respectievelijk de artikelen 8.4 en 8.15 van de Wet luchtvaart, of een besluit tot wijziging daarvan. 6.2 De wijziging in de ligging van een start- of landingsbaan, de verlenging of verbreding daarvan, of de intensivering of wijziging van het gebruik van het luchtvaartterrein. Ten aanzien van de luchthaven Schiphol de wijziging in de ligging van een start- of landingsbaan, de verlenging of verbreding daarvan, de intensivering of wijziging van het gebruik van het banenstelsel, dan wel de wijziging van de luchtverkeerwegen. heeft op: 1. een start- of landingsbaan met een lengte van meter of meeren 2. een geluidszone als bedoeld in artikel 25a, een variant geluidszone als bedoeld in artikel 25b, eerste lid, of een tijdelijke geluidszone als bedoeld in artikel 25c, eerste lid, van de Luchtvaartwet wordt vastgesteld of gewijzigd, tenzij de gewijzigde zone geheel valt binnen de oorspronkelijke geluidszone of de zone vervalt. Ten aanzien van de luchthaven Schiphol in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een start- of landingsbaan met een lengte van meter of meer, en een wijziging omvat van: 1. Het beperkingengebied, bedoeld in artikel 8.5, derde lid, van de Wet luchtvaart, voorzover dit is vastgesteld op grond van het externe-veiligheidsrisico of geluidbelasting, of 2. de grenswaarden, bedoeld in artikel 8.17, vijfde lid, onder a tot en met c, van de Wet luchtvaart, tenzij de voorgenomen wijziging leidt tot een beperkingengebied als bedoeld onder 1 dat geheel valt binnen het geldende beperkingengebied en tot grenswaarden die een beter artikelen 2a en 4a van Ordening, met uitzondering van plannen die uitsluitend betrekking hebben op militaire luchtvaartterreinen. Het besluit, bedoeld in artikel 27, eerste lid, van de Luchtvaartwet tot wijziging van de aanwijzing, bedoeld in artikel 18, eerste lid, van die wet. Ten aanzien van de luchthaven Schiphol een besluit tot wijziging van een luchthavenindelingbesluit of een luchthavenverkeerbesluit als bedoeld in respectievelijk de artikelen 8.4 en 8.15 van de Wet luchtvaart. beschermingsniveau bieden dan de geldende grenswaarden. 7 De aanleg van een militair oefenterrein. heeft op een daadwerkelijk in te richten oppervlakte van 100 hectare of meer. De vaststelling van het inrichtingsplan door de Minister van Defensie.

61 59 8 De aanleg, wijziging buisleiding voor het transport van gas, olie of chemicaliën heeft op een buisleiding met een diameter van meer dan 80 centimeter en een lengte van meer dan 40 kilometer. Het besluit, bedoeld in de artikelen 94, eerste lid, en 95 van het Mijnbouwbesluit dan wel het besluit, bedoeld in artikel 2 van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken. 9 De inrichting van het landelijk gebied. heeft op een functiewijziging in de natuur, recreatie of landbouw met een oppervlakte van 250 hectare of meer, met uitzondering van ruilverkaveling met een administratief karakter of van een aanpassingsinrichting. Ordening, het plan, bedoeld in artikel 11 van de Reconstructiewet concentratiegebieden en het plan bedoeld in artikel 18 van de Reconstructiewet concentratiegebieden. De vaststelling van het landinrichtingsplan, bedoeld in artikel 80, eerste lid, van de Landinrichtingswet dan wel een plan bedoeld in artikel 18 van de Reconstructiewet concentratiegebieden dan wel bij het ontbreken daarvan het plan bedoeld in artikel 11 van die wet dan wel het plan, bedoeld in artikel 11, eerste lid, van Ordening dan wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 10 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening dat in de inrichting voorziet De aanleg van één of meer recreatieve of toeristische voorzieningen. heeft op een voorziening of een combinatie van voorzieningen die: bezoekers of meer per jaar aantrekt, 2. een oppervlakte beslaat van 50 hectare of meer, of 3. een oppervlakte beslaat van 20 hectare of meer in een gevoelig gebied. Ordening, het plan, bedoeld in artikel 11 van de Reconstructiewet concentratiegebieden en het plan bedoeld in artikel 18 van de Reconstructiewet concentratiegebieden. De vaststelling van het landinrichtingsplan, bedoeld in artikel 80, eerste lid, van de Landinrichtingswet dan wel bij een plan bedoeld in artikel 18 van de Reconstructiewet concentratiegebieden dan wel bij het ontbreken daarvan

62 60 het plan bedoeld in artikel 11 van die wet dan wel het plan, bedoeld in artikel 11, eerste lid, van Ordening dan wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 10 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening dat in de inrichting voorziet De aanleg van een golfbaan. heeft op een golfbaan die: 1. een oppervlakte beslaat van 50 hectare of meer of 2. een oppervlakte beslaat van 20 hectare of meer in een gevoelig gebied. Ordening,het plan, bedoeld in artikel 11 van de Reconstructiewet concentratiegebieden en het plan bedoeld in artikel 18 van de Reconstructiewet concentratiegebieden. De vaststelling van het landinrichtingsplan, bedoeld in artikel 80, eerste lid, van de Landinrichtingswet dan wel een plan bedoeld in artikel 18 van de Reconstructiewet concentratiegebieden dan wel bij het ontbreken daarvan het plan bedoeld in artikel 11 van die wet dan wel het plan, bedoeld in artikel 11, eerste lid, van Ordening dan wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 10 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening dat in de inrichting voorziet De aanleg van een jachthaven. heeft op een jachthaven met: ligplaatsen of meer, of ligplaatsen of meer in een gevoelig gebied als bedoeld onder a, b of c van punt 1 van onderdeel A van deze bijlage. artikelen 2a, 4a, 7, 10 en 36c van de Wet op de Ruimtelijke Ordening De vaststelling van het plan, bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening dan wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 10 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening dat in de inrichting voorziet.

63 De bouw van woningen. heeft op een aaneengesloten gebied en: of meer woningen omvat buiten de bebouwde kom, of of meer woningen omvat binnen de bebouwde kom. artikelen 2a, 4a, 7, 10 en 36c van de Wet op de Ruimtelijke De vaststelling van het plan, bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening dan wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 10 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening dat in de bouw voorziet De aanleg van een bedrijventerrein. heeft op een bedrijventerrein met een oppervlakte van 150 hectare of meer. artikelen 2a, 4a, 7, 10 en 36c van de Wet op de Ruimtelijke De vaststelling van het plan, bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening dan wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 10 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening dat de plaats bepaalt De aanleg van een glastuinbouwgebied. heeft op een glastuinbouwgebied met een oppervlakte van 100 hectare of meer. artikelen 2a, 4a, 7, 10 en 36c van de Wet op de Ruimtelijke De vaststelling van het plan, bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening dan wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 10 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening dat de plaats bepaalt De aanleg van een bloembollenteeltgebied. heeft op een bloembollenteeltgebied een oppervlakte van 100 hectare of meer. artikelen 2a, 4a, 7, 10 en 36c van de Wet op de Ruimtelijke De vaststelling van het plan, bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening dan wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 10 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening dat de plaats bepaalt.

64 De aanleg van een primaire waterkering. Het plan, bedoeld in artikel 2a, 4a, 7, 10, 11, eerste lid, en 36c van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en het plan, bedoeld in artikel 3 en 7 van de Wet op de waterhuishouding. De goedkeuring door gedeputeerde staten van het plan, bedoeld in artikel 7b, tweede lid, van de Wet op de waterkering De wijziging of uitbreiding van: a. een zee- of deltadijk, of b. een rivierdijk. heeft op: 1. een wijziging zee- of deltadijk van 5 kilometer of meer en een wijziging van het dwarsprofiel van de zee- of deltadijk van 250 m2 of meer, of 2. een wijziging rivierdijk van 5 kilometer of meer. Het plan, bedoeld in artikel 2a, 4a, 7, 10, 11, eerste lid, en 36c van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en het plan, bedoeld in de artikelen 3 en 7 van de Wet op de waterhuishouding. De goedkeuring door gedeputeerde staten van het plan, bedoeld in artikel 7b, tweede lid, van de Wet op de waterkering. 13 Landaanwinning, droogmakerij of indijking. heeft op een oppervlakte van 200 hectare of meer. Ordening en het plan, bedoeld in de artikelen 3 en 7 van de Wet op de waterhuishouding. Het besluit, bedoeld in een waterschapsreglement dan wel, bij het ontbreken daarvan, het besluit tot concessieverlening voor landaanwinning, droogmakerij of indijking, bedoeld in artikel 1 van de Wet van 14 juli 1904 houdende bepalingen omtrent het ondernemen van droogmakerijen en indijkingen (Stb. 147). 14 De oprichting, wijziging inrichting voor het fokken, mesten of houden van pluimvee of varkens. heeft op een inrichting met meer dan: plaatsen voor mesthoenders, plaatsen voor hennen, plaatsen voor mestvarkens, of plaatsen voor zeugen.

65 De infiltratie van water in de bodem of onttrekking van grondwater aan de bodem alsmede de wijziging of uitbreiding van bestaande infiltraties en onttrekkingen, met uitzondering van bronbemalingen bij bouwputten, bodemsaneringen en proefprojecten voor waterwinning. heeft op een hoeveelheid water van 3 miljoen m3 of meer per jaar. Het plan, bedoeld in artikel 47 van de Waterleidingwet, het plan, bedoeld in de artikelen 2a, 4a, 7, 10, 11, eerste lid, en 36c van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en het plan, bedoeld in de artikelen 3 en 7 van de Wet op de waterhuishouding. Het besluit, bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de Grondwaterwet De aanleg van een waterbekken of een stuwdam. heeft op een waterbekken of stuwmeer met een inhoud van 10 miljoen m3 of meer. Het plan, bedoeld in artikel 47 van de Waterleidingwet, het plan, bedoeld in de artikelen 2a, 4a, 7, 10 en 36c van Ordening en het plan, bedoeld in de artikelen 3, en 7 van de Wet op de waterhuishouding. De vaststelling van het plan, bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening dan wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 10 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening dat in de aanleg voorziet De winning dan wel wijziging of uitbreiding van de winning van oppervlaktedelfstoffen, met uitzondering van oppervlaktedelfstoffen als bedoeld in de categorieën 16.2, 16.3 of 16.4 van onderdeel C van deze bijlage. heeft op: 1. een winplaats van 100 hectare of meer, of 2. een aantal winplaatsen, die tezamen 100 hectare of meer omvatten en die in elkaars nabijheid liggen. Het besluit, bedoeld in artikel 3 van de Ontgrondingenwet.

66 De winning dan wel wijziging of uitbreiding van de winning van oppervlaktedelfstoffen op de Noordzee (territoriale zee en continentaal plat), met uitzondering van oppervlaktedelfstoffen als bedoeld in de categorieën 16.3 of 16.4 van onderdeel C van deze bijlage. heeft op: 1. een winplaats van 500 hectare of meer dan wel het winnen van m3 of meer, 2. een aantal winplaatsen, die tezamen 500 hectare of meer omvatten, dan wel m3 of meer betreffen en in elkaars nabijheid liggen. Het plan, bedoeld in artikel 2a van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en het plan, bedoeld in artikel 3 van de Wet op de waterhuishouding. Het besluit, bedoeld in artikel 3 van de Ontgrondingenwet De ontginning dan wel wijziging of uitbreiding van de ontginning van steengroeven of dagbouwmijnen. heeft op een terreinoppervlakte van 25 hectare of meer. artikelen 2a, 4a, 7, 10, 11, eerste lid, en 36c van de Wet op de Ruimtelijke Het besluit, bedoeld in artikel 3 van de Ontgrondingenwet De turfwinning dan wel wijziging of uitbreiding daarvan. heeft op een terreinoppervlakte van 150 hectare of meer. artikelen 2a, 4a, 7, 10, 11, eerste lid, en 36c van de Wet op de Ruimtelijke Het besluit, bedoeld in artikel 3 van de Ontgrondingenwet De opsporing van aardolie en aardgas. In gevallen waarin de activiteit plaatsvindt in een gevoelig gebied als bedoeld onder a, b (tot 3 zeemijl uit de kust) of d, van punt 1 van onderdeel A van deze bijlage. artikelen 2a, 4a, 7, 10, 11, eerste lid, en 36c van de Wet op de Ruimtelijke Het besluit, bedoeld in artikel 40, tweede lid, van de Mijnbouwwet dan wel een ander besluit waarop afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht en afdeling 13.2 van de wet van toepassing is De winning van aardolie en aardgas. heeft op een gewonnen hoeveelheid van: 1. meer dan 500 ton aardolie per dag, of 2. meer dan m3 aardgas per dag. artikelen 2a, 4a, 7, 10, 11, eerste lid, en 36c van de Wet op de Ruimtelijke Het besluit, bedoeld in artikel 40, tweede lid,van de Mijnbouwwet dan wel een ander besluit waarop afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht en afdeling 13.2 van de wet van toepassing is.

67 De vaststelling van het beleid inzake het beheer van afvalstoffen. heeft op: 1. de methode van bewerken, verwerken of vernietigen van afvalstoffen, 2. het op of in de bodem brengen van afvalstoffen om deze daar te laten, of 3. de keuze van de locatie of de te creëren voorzieningen voor het beheer van afvalstoffen. Het plan, bedoeld in artikel 10.3 j 10.7, tweede lid, onder a, van de wet. De vaststelling van het plan, bedoeld in artikel 10.3 j 10.7, tweede lid, onder b, van de wet dan wel bij het ontbreken van een in kolom 2 genoemde activiteit in dit plan, de besluiten waarop afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht en afdeling 13.2 van de wet van toepassing zijn dan wel bij het ontbreken daarvan de vaststelling van het plan, bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening dan wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 10 van Ordening dat in de inrichting voorziet 18.2 De oprichting van een inrichting bestemd voor de verbranding, de chemische behandeling, het storten of het in de diepe ondergrond brengen van gevaarlijke afvalstoffen De oprichting van een inrichting bestemd voor het storten van baggerspecie, voor zover niet omschreven in categorie 18.2 van onderdeel C van deze bijlage. heeft op: 1. baggerspecie van de klasse 3 of 4, en 2. een inrichting waarin m3 of meer baggerspecie wordt gestort of opgeslagen.

68 De oprichting, wijziging inrichting bestemd voor de verbranding of de chemische behandeling van niet-gevaarlijke afvalstoffen. heeft op een inrichting met een capaciteit van 100 ton per dag of meer. artikelen 2a, 4a, 7,10, 11, eerste lid, en 36c van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht en afdeling 13.2 van de wet van toepassing 18.5 De oprichting van een inrichting bestemd voor het storten of het in de diepe ondergrond brengen van niet-gevaarlijke afvalstoffen, niet zijnde baggerspecie. heeft op een inrichting waarin m3 of meer niet-gevaarlijke afvalstoffen wordt gestort of opgeslagen. afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht en afdeling 13.2 van de wet van toepassing 18.6 De oprichting van een inrichting bestemd voor het reinigen van afvalwater. heeft op een inrichting met een capaciteit van inwonerequivalenten of meer. Ordening en het plan, bedoeld in de artikelen 3 en 7 van de Wet op de waterhuishouding. afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht en afdeling 13.2 van de wet van toepassing 19.1 De uitvoering van werken voor de overbrenging van water tussen stroomgebieden die tot doel heeft eventuele waterschaarste te voorkomen. heeft op een hoeveelheid overgebracht water van 100 miljoen m3 per jaar of meer. Het plan, bedoeld in artikel 3 van de Wet op de waterhuishouding. Het besluit van de waterstaatkundig beheerder De uitvoering van werken voor de overbrenging van water tussen stroomgebieden die niet tot doel heeft eventuele waterschaarste te voorkomen. In gevallen waarin: 1. het meerjarig gemiddelde jaardebiet van het bekken waaraan het water wordt onttrokken meer dan miljoen m3 bedraagt, en 2. de hoeveelheid overgebracht water 5% van dit debiet overschrijdt. Het plan, bedoeld in artikel 3 van de Wet op de waterhuishouding. Het besluit van de waterstaatkundig beheerder.

69 De oprichting van een inrichting bestemd voor het vervaardigen van papierpulp uit hout of andere vezelstoffen De oprichting, wijziging inrichting bestemd voor het vervaardigen van papier of karton. heeft op een inrichting met een productiecapaciteit van 200 ton per dag of meer De oprichting van een inrichting bestemd voor de raffinage van aardolie, met uitzondering van inrichtingen die uitsluitend smeermiddelen uit ruwe olie vervaardigen De wijziging of uitbreiding van een inrichting bestemd voor de raffinage van aardolie, met uitzondering van inrichtingen die uitsluitend smeermiddelen uit ruwe olie vervaardigen. heeft op de oprichting van: 1. een installatie voor de vervaardiging van benzinecomponenten door katalytische conversie met een productiecapaciteit van ton per jaar of meer, 2. een thermische of katalytische kraakinstallatie voor fracties met een kookpunt hoger dan 370 C met een verwerkingscapaciteit van 1 miljoen ton per jaar of meer, met uitzondering van installaties voor de verlaging van het viscositeitsgehalte, of 3. een installatie voor de vergassing van residuale oliën met een verwerkingscapaciteit van ton per jaar of meer.

70 De oprichting van een inrichting bestemd voor de productie van ruw ijzer of staal. afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht en afdeling 13.2 van de wet van toepassing 21.4 De oprichting van een inrichting voor de winning van ruwe nonferrometalen uit erts, concentraat of secundaire grondstoffen met metallurgische, chemische of elektrolytische procédés De oprichting, wijziging inrichting bestemd voor de winning, vervaardiging, bewerking of verwerking van asbest of asbesthoudende producten. heeft op een inrichting voor: 1. de vervaardiging, bewerking of verwerking van asbestcement met een capaciteit van ton eindproduct per jaar of meer, 2. de vervaardiging van remvoeringen met een capaciteit van 50 ton eindproduct per jaar of meer, of 3. de vervaardiging, bewerking of verwerking van andere asbesthoudende producten met een verbruik van 200 ton asbest per jaar of meer De oprichting van een geïntegreerde chemische installatie, dat wil zeggen een installatie voor de fabricage op industriële schaal van stoffen door chemische omzetting, waarin verscheidene eenheden naast elkaar bestaan en functioneel met elkaar verbonden zijn,

71 69 bestemd voor de fabricage van: a. organische basischemicaliën, b. anorganische basischemicaliën, c. fosfaat-, stikstof- of kaliumhoudende meststoffen (enkelvoudige of samengestelde meststoffen), d. basisproducten voor gewasbescherming en van biociden, e. farmaceutische basisproducten met een chemisch of biologisch procédé, of f. explosieven De oprichting, wijziging inrichting bestemd voor de productie van electriciteit, stoom of warmte, met uitzondering van kernenergiecentrales. heeft op een inrichting met een vermogen van 300 megawatt (thermisch) of meer De oprichting van een inrichting waarin kernenergie kan worden vrijgemaakt, met inbegrip van de buitengebruikstelling of ontmanteling van dergelijke centrales of reactoren. heeft op een inrichting met een constant vermogen van meer dan 1 kilowatt (thermisch).

72 De oprichting van een inrichting bestemd voor de opwerking van bestraalde splijtstoffen. afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht en afdeling 13.2 van de wet van toepassing 22.4 De oprichting van een inrichting bestemd voor de productie of de verrijking van splijtstoffen. afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht en afdeling 13.2 van de wet van toepassing 23 De oprichting van een inrichting bestemd voor: a. de behandeling van bestraalde splijtstoffen of hoog radioactief afval, b. de definitieve verwijdering van bestraalde splijtstoffen, c. uitsluitend de definitieve verwijdering van radioactief afval, of d. uitsluitend de opslag van bestraalde splijtstoffen of radioactief afval van een andere inrichting. Wat betreft de onder d genoemde activiteit in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op de opslag van afval voor een periode van 10 jaar of langer. 24 De aanleg, wijziging of uitbreiding van het tracé van een bovengrondse hoogspanningsleiding. heeft op een leiding met: 1. een spanning van 220 kilovolt of meer, en 2. een lengte van 15 kilometer of meer. Het besluit tot vaststelling van het tracé door de Minister van Economische Zaken, dan wel, bij het ontbreken daarvan, van het plan, bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening dan wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 10 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening dat het tracé bepaalt.

73 71 25 De oprichting, wijziging inrichting bestemd voor de opslag van aardolie, petrochemische of chemische producten. heeft op een inrichting met een opslagcapaciteit van ton of meer. 26 De oprichting, wijziging inrichting bestemd voor steenkoolvergassing of liquefactie. heeft op een inrichting met een verwerkingscapacteit van 500 ton steenkolen of bitumineuze schisten per dag of meer. afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht en afdeling 13.2 van de wet van toepassing 27.1 De wijziging in de Maatgevende Peil Verwachting voor de sluiting van de Oosterscheldekering. heeft op een wijziging van 16 centimeter of meer. artikelen 3 en 5 van de Wet op de waterhuishouding. Het peilbesluit op grond van artikel 16 van de Wet op de waterhuishouding De wijziging van het (streef-)peil in: a. het Veerse Meer, b. de Grevelingen, c. het Haringvliet, of d. het IJsselmeer, het Markermeer en de randmeren. heeft op wijziging van 16 centimeter of meer. artikelen 3 en 5 van de Wet op de waterhuishouding. Het peilbesluit op grond van artikel 16 van de Wet op de waterhuishouding 27.3 De structurele verlaging van het (streef-)peil van een oppervlaktewater. Voor zover de activiteit niet voortvloeit uit een besluit als bedoeld in artikel 81, eerste lid, van de Landinrichtingswet of artikel 44, eerste lid, van de Reconstructiewet Midden Delfland in gevallen waarin de activiteit: 1. betrekking heeft op een verlaging van 16 centimeter of meer, 2. plaatsvindt in een gevoelig gebied of een weidevogelgebied, en 3. betrekking heeft op een oppervlakte van 200 hectare of meer. artikelen 3, 5, 7 en 9 van de Wet op de waterhuishouding. Het peilbesluit op grond van artikel 16 van de Wet op de waterhuishouding

74 72 28 De activiteit ten behoeve waarvan de aanwijzing van een natuurmonument wordt ingetrokken. heeft op een oppervlakte van 1 hectare of meer. Het plan, bedoeld in artikel 2a van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en het plan, bedoeld in artikel 4 van de Natuurbeschermingswet Het besluit, bedoeld in artikel 10, eerste lid, of het besluit, bedoeld in artikel 10a, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998.

75 73 Onderdeel D. Activiteiten en plannen alsmede besluiten, ten aanzien waarvan de procedure als bedoeld in de artikelen 7.8a tot en met 7.8e van is. Kolom 1 Kolom 2 Kolom 3 Kolom 4 Activiteiten Gevallen Plannen Besluiten 1.1 De aanleg van een weg bestaande uit vier of meer rijstroken, niet zijnde een hoofdweg, autosnelweg of autoweg. heeft op een weg met een tracélengte van 5 kilometer of meer. Het plan, bedoeld in de artikelen 5 en 8 j 9, tweede lid, van de Planwet verkeer en vervoer en het plan, bedoeld in de artikelen 2a, 4a, 7, 10, 11, eerste lid, en 36c van de Wet op de Ruimtelijke De vaststelling van het tracé of plan door het provinciaal bestuur of het gemeentebestuur dan wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 11, eerste lid, van Ordening dan wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 10 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, wanneer dat het tracé bepaalt. 1.2 De wijziging of uitbreiding van: a. een autosnelweg of autoweg, niet zijnde een hoofdweg, of b. een weg als bedoeld in categorie 1.3 van onderdeel C van deze bijlage. heeft op een weg met een tracélengte van 5 kilometer of meer. Het plan, bedoeld in de artikelen 5 en 8 j 9, tweede lid, van de Planwet verkeer en vervoer, het plan, bedoeld in de artikelen 4a, 7, 10, De vaststelling van het tracé of plan door het provinciaal bestuur of het gemeentebestuur dan wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 11, eerste lid, van Ordening dan wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 10 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, wanneer dat het tracé bepaalt.

76 74 2 De aanleg, wijziging of uitbreiding van overladingsstations of faciliteiten voor de overlading tussen vervoerswijzen. heeft op een oppervlakte van 25 hectare of meer. artikelen 2a, 4a, 7, 10 en 36c van de Wet op de Ruimtelijke De vaststelling van het plan, bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening dan wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 10 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening dat in de aanleg, wijziging of uitbreiding voorziet. 3 De aanleg, wijziging waterweg. heeft op een waterweg die kan worden bevaren door schepen met een laadvermogen van 900 ton of meer. artikelen 2a, 4a, 7, 10 en 36c van de Wet op de Ruimtelijke De vaststelling van het plan, bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening dan wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 10 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening dat in de aanleg, wijziging of uitbreiding voorziet. 4.1 De aanleg van: a. een marinehaven, b. een haven voor civiel gebruik voor de binnenscheepvaart, c. een zeehandelshaven, of d. een visserijhaven. heeft op een haven die bevaarbaar is voor schepen met een laadvermogen van 900 ton of meer. Ordening, met uitzondering van de plannen die uitsluitend betrekking hebben op de activiteit genoemd onder a. De vaststelling van: 1. het plan van aanleg van een haven als bedoeld onder a door de Minister van Defensie, of 2. het besluit tot aanleg dan wel, bij het ontbreken daarvan het plan, bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, dan wel bij het ontbreken daarvan het plan, bedoeld in artikel 10 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening dat in de aanleg voorziet van een haven als bedoeld onder b, c of d.

77 De wijziging of uitbreiding van een visserijhaven. heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer. De vaststelling van het besluit tot wijziging of uitbreiding dan wel, bij het ontbreken daarvan, van het plan, bedoeld in artikel 11, eerste lid, van Ordening dan wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 10 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening dat in de wijziging of uitbreiding voorziet. 5.1 De constructie van installaties of bouwwerken in, op of boven de zeebodem of in de ondergrond daarvan, dan wel de wijziging of uitbreiding daarvan, met uitzondering van de constructie van installaties of bouwwerken ten behoeve van: 1. activiteiten als bedoeld in categorie 17.1of 17.2 van onderdeel C van deze bijlage, 2. Het opwekken van elektriciteit door middel van windenergie. heeft op: 1. een oppervlakte van 0,5 hectare of meer of 2. een hoogte van N.A.P. +25 meter of meer. Het plan, bedoeld in artikel 2a van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en het plan, bedoeld in artikel 3 van de Wet op de waterhuishouding. Het besluit, bedoeld in artikel 2 van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, dan wel de besluiten waarop afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht en afdeling 13.2 van 5.2 Het ophogen van de zeebodem, inclusief het aanleggen van een eiland, dan wel de uitbreiding of wijziging daarvan. heeft op een oppervlakte van 250 hectare of meer. Het plan, bedoeld in artikel 2a van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en het plan, bedoeld in artikel 3 van de Wet op de waterhuishouding. Het besluit, bedoeld in artikel 2 van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken.

78 Het gebruik van de zeebodem voor een andere activiteit dan bedoeld in categorie 5.1 of 5.2 van onderdeel D van deze bijlage. heeft op een oppervlakte van 0,5 hectare of meer. Het plan, bedoeld in artikel 2a van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en het plan, bedoeld in artikel 3 van de Wet op de waterhuishouding Het besluit, bedoeld in artikel 2 van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, dan wel de besluiten waarop afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht en afdeling 13.2 van 5.4 Het op enigerlei wijze bevestigen van installaties in de bodem dan wel de ophoging van de bodem van grote wateren, niet zijnde de zeebodem, bedoeld in de categorieën 5.1 tot en met 5.3 van onderdeel D van deze bijlage, waardoor de bodem bij hoog water boven de waterspiegel komt te liggen, dan wel een wijziging of uitbreiding daarvan. heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer Het plan, bedoeld in artikel 2a van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en het plan, bedoeld in artikel 3 van de Wet op de waterhuishouding. Het besluit, bedoeld in artikel 2 van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, dan wel het besluit tot concessieverlening, bedoeld in artikel 1 van de Wet van 14 juli 1904 houdende bepalingen omtrent het ondernemen van droogmakerijen en indijkingen (Stb. 147). 6.1 De aanleg, de inrichting of het gebruik van een luchtvaartterrein als bedoeld in artikel 1, onderdeel g, van de Luchtvaartwet. heeft op een luchtvaartterrein dat de beschikking krijgt over een start- of landingsbaan met een lengte van meter of meer. artikelen 2a en 4a van Ordening, met uitzondering van plannen die uitsluitend betrekking hebben op militaire luchtvaartterreinen. De aanwijzing, bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Luchtvaartwet, of het besluit tot wijziging daarvan, bedoeld in artikel 27, eerste lid, van de Luchtvaartwet.

79 De wijziging in de ligging van een start- of landingsbaan, de verlenging, verbreding of verharding daarvan, of de intensivering of wijziging van het gebruik van het luchtvaartterrein. heeft op: 1. een start- of landingsbaan met een lengte van meter of meer, en 2. een geluidszone als bedoeld in artikel 25a, een variant geluidszone als bedoeld in artikel 25b, eerste lid, of een tijdelijke geluidszone, als bedoeld in artikel 25c, eerste lid, van de Luchtvaartwet wordt vastgesteld of gewijzigd, tenzij de gewijzigde zone geheel valt binnen de oorspronkelijke geluidszone of de zone vervalt. artikelen 2a en 4a van Ordening, met uitzondering van plannen die uitsluitend betrekking hebben op militaire luchtvaartterreinen. Het besluit, bedoeld in artikel 27, eerste lid, van de Luchtvaartwet tot wijziging van de aanwijzing, bedoeld in artikel 18, eerste lid, van die wet. 7 De wijziging of uitbreiding van een militair oefenterrein. heeft op een daadwerkelijk in te richten oppervlakte van 100 hectare of meer. De vaststelling van het inrichtingsplan door de Minister van Defensie. 8.1 De aanleg, wijziging buisleiding voor het transport van gas, olie of chemicaliën, met uitzondering van een buisleiding voor het transport van aardgas. heeft op een buisleiding die over een lengte van 1 kilometer of meer is gelegen of geprojecteerd in een gevoelig gebied als bedoeld onder a, b (tot 3 zeemijl uit de kust) of d, van punt 1 van onderdeel A van deze bijlage. Het besluit, bedoeld in de artikelen 94, eerste lid, en 95, van het Mijnbouwbesluit dan wel het besluit bedoeld in artikel 2, van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken dan wel, bij het ontbreken daarvan, van het plan, bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening dan wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 10 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening waarin de aanleg, wijziging of uitbreiding wordt aangegeven.

80 De aanleg, wijziging buisleiding voor het transport van aardgas. heeft op een buisleiding die over een lengte van 5 kilometer of meer is gelegen of geprojecteerd in een gevoelig gebied als bedoeld onder a, b (tot 3 zeemijl uit de kust) of d, van punt 1 van onderdeel A van deze bijlage Het besluit, bedoeld in de artikel 94, eerste lid, van het Mijnbouwbesluit dan wel het besluit bedoeld in artikel 2, van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken dan wel, bij het ontbreken daarvan, van het plan, bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening dan wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 10 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening waarin de aanleg, wijziging of uitbreiding wordt aangegeven. 8.3 De aanleg, wijziging buisleiding voor het transport van water, afvalwater of stoom. heeft op: 1. een buisleiding met een doorsnede van 1 meter of meer, en 2. een lengte van 10 kilometer of meer. artikelen 2a, 4a, 7, 10 en 36c van de Wet op de Ruimtelijke De vaststelling van het plan, bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening dan wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 10 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening dat in de aanleg, wijziging of uitbreiding voorziet. 9 De inrichting van het landelijk gebied dan wel een wijziging of uitbreiding daarvan. heeft op een functiewijziging in de natuur, recreatie of landbouw met een oppervlakte van 125 hectare of meer, met uitzondering van ruilverkaveling met een administratief karakter of van een aanpassingsinrichting. Ordening, het plan, bedoeld in artikel 11 van de Reconstructiewet concentratiegebieden en het plan bedoeld in artikel 18 van de Reconstructiewet concentratiegebieden. De vaststelling van het landinrichtingsplan, bedoeld in artikel 80, eerste lid, van de Landinrichtingswet dan wel een plan bedoeld in artikel 18 van de Reconstructiewet concentratiegebieden dan wel bij het ontbreken daarvan het plan bedoeld in artikel 11

81 79 van die wet dan wel het plan, bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening dan wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 10 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening dat in de inrichting voorziet De aanleg, wijziging of uitbreiding van één of meer recreatieve of toeristische voorzieningen. heeft op: bezoekers of meer per jaar, 2. een oppervlakte van 25 hectare of meer, of 3. een oppervlakte van 10 hectare of meer in een gevoelig gebied. Het plan, bedoeld in de artikelen 2a, 4a, 7, 10, 11, eerste lid, en 36c van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, het reconstructieplan, bedoeld in artikel 11 van de Reconstructiewet concentratiegebieden en het plan bedoeld in artikel 18 van de Reconstructiewet concentratiegebieden. De vaststelling van het landinrichtingsplan, bedoeld in artikel 80, eerste lid, van de Landinrichtingswet dan wel een plan bedoeld in artikel 18 van de Reconstructiewet concentratiegebieden dan wel bij het ontbreken daarvan het plan bedoeld in artikel 11 van die wet dan wel het plan, bedoeld in artikel 11, eerste lid, van Ordening dan wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 10 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening dat in de inrichting voorziet De aanleg, wijziging golfbaan. heeft op : 1. een oppervlakte van 25 hectare of meer, en 2. een oppervlakte van 10 hectare of meer in een gevoelig gebied. Het plan, bedoeld in de artikelen 2a, 4a, 7, 10, 11, eerste lid, en 36c van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, het reconstructieplan, bedoeld in artikel 11 van de Reconstructiewet concentratiegebieden en het plan bedoeld in artikel 18 De vaststelling van het landinrichtingsplan, bedoeld in artikel 80, eerste lid, van de Landinrichtingswet dan wel een plan bedoeld in artikel 18 van de Reconstructiewet concentratiegebieden dan wel bij het ontbreken daarvan

82 80 van de Reconstructiewet concentratiegebieden. het plan bedoeld in artikel 11 van die wet dan wel het plan, bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening dan wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 10 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening dat in de inrichting voorziet De aanleg, wijziging jachthaven. heeft op 100 ligplaatsen of meer. artikelen 2a, 4a, 7, 10 en 36c van de Wet op de Ruimtelijke De vaststelling van het plan, bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening dan wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 10 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening dat in de aanleg, wijziging of uitbreiding voorziet De bouw van woningen. heeft op een aaneengesloten gebied en of meer woningen omvat binnen de bebouwde kom. artikelen 2a, 4a, 7, 10 en 36c van de Wet op de Ruimtelijke De vaststelling van het plan, bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening dan wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 10 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening dat in de bouw voorziet De uitvoering dan wel de wijziging of uitbreiding van de uitvoering van een stadsproject, met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. heeft op: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer, of 2. een bedrijfsvloeroppervlakte van m2 of meer. en 36c van de Wet op de Ruimtelijke Ordening De vaststelling van het plan, bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening dan wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 10 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening dat in de uitvoering, wijziging of uitbreiding voorziet.

83 De aanleg, wijziging bedrijventerrein. heeft op een oppervlakte van 75 hectare of meer. artikelen 2a, 4a, 7, 10 en 36c van de Wet op de Ruimtelijke Ordening De vaststelling van het plan, bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening dan wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 10 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening dat in de aanleg, wijziging of uitbreiding voorziet De aanleg, wijziging glastuinbouwgebied. heeft op een oppervlakte van 50 hectare of meer. artikelen 2a, 4a, 7, 10 en 36c van de Wet op de Ruimtelijke Ordening De vaststelling van het plan, bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening dan wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 10 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening dat in de aanleg, wijziging of uitbreiding voorziet De aanleg, wijziging bloembollenteeltgebied. heeft op een bloembollenteeltgebied een oppervlakte van 50 hectare of meer. artikelen 2a, 4a, 7, 10 en 36c van de Wet op de Ruimtelijke De vaststelling van het plan, bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening dan wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 10 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening dat in de aanleg, wijziging of uitbreiding voorziet De wijziging of uitbreiding van: a. een zee- of deltadijk, of b. een rivierdijk. Het plan, bedoeld in artikel 2a, 4a, 7, 10, 11 eerste lid, en 36c van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en het plan, bedoeld in de artikelen 3 en 7 van de Wet op de waterhuishouding. De goedkeuring van gedeputeerde staten van het plan, bedoeld in artikel 7b, tweede lid, van de Wet op de waterkering.

84 De aanleg, wijziging of uitbreiding van kustwerken om erosie te bestrijden, van maritieme werken die de kust kunnen wijzigen en van andere kustverdedigingswerken, met uitzondering van het onderhoud of herstel van deze werken. Het plan, bedoeld in artikel 2a, 4a, 7, 10, 11, eerste lid, en 36c van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en het plan, bedoeld in de artikelen 3 en 7 van de Wet op de waterhuishouding. Het besluit van de Minister van Verkeer en Waterstaat, bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Wet op de Waterkering. 13 Landaanwinning, droogmakerij of indijking alsmede een wijziging of uitbreiding daarvan. heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer. Het besluit, bedoeld in een waterschapsreglement, dan wel, bij het ontbreken daarvan, het besluit tot concessieverlening voor landaanwinning, droogmakerij of indijking, bedoeld in artikel 1 van de Wet van 14 juli 1904 houdende bepalingen omtrent het ondernemen van droogmakerijen en indijkingen (Stb. 147). 14 De oprichting, wijziging inrichting bestemd voor het fokken, mesten of houden van pluimvee of varkens. heeft op: of meer plaatsen voor mesthoenders, of meer plaatsen voor hennen, of meer plaatsen voor mestvarkens, of of meer plaatsen voor zeugen.

85 Bronbemalingen bij bouwputten, bodemsaneringen en proefprojecten voor waterwinning dan wel wijziging of uitbreiding daarvan. heeft op een hoeveelheid water van 3 miljoen m3 of meer per jaar. Het plan, bedoeld in artikel 47 van de Waterleidingwet, het plan, bedoeld in de artikelen 2a, 4a, 7, 10, 11, eerste lid, en 36c van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en het plan, bedoeld in de artikelen 3 en 7 van de Wet op de waterhuishouding. Het besluit, bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de Grondwaterwet De infiltratie van water in de bodem of onttrekking van grondwater aan de bodem, alsmede de wijziging of uitbreiding van bestaande infiltraties en onttrekkingen. heeft op een hoeveelheid water van 1,5 miljoen m3 of meer per jaar. Ordening en het plan, bedoeld in de artikelen 3 en 7 van de Wet op de waterhuishouding. Het besluit, bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de Grondwaterwet De aanleg, wijziging waterbekken of stuwdam. heeft op een hoeveelheid water van 5 miljoen m3 of meer. artikelen 2a, 4a, 7, 10 en 36c van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en het plan, bedoeld in de artikelen 3 en 7 van de Wet op de waterhuishouding. De vaststelling van het plan, bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening dan wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 10 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening dat in de aanleg, wijziging of uitbreiding voorziet De ontginning dan wel wijziging of uitbreiding van de ontginning van steengroeven of dagbouwmijnen. heeft op een terreinoppervlakte van 12,5 hectare of meer. Het besluit, bedoeld in artikel 3 van de Ontgrondingenwet De turfwinning dan wel wijziging of uitbreiding daarvan. heeft op een terreinoppervlakte van 75 hectare of meer. Het besluit, bedoeld in artikel 3 van de Ontgrondingenwet.

86 De wijziging of uitbreiding van de winning van aardolie of aardgas. heeft op reeds bestaande installaties, plaatsvindt in een gevoelig gebied als bedoeld onder a, b (tot 3 zeemijl uit de kust) of d, van punt 1 van onderdeel A van deze bijlage en betrekking heeft op: 1. een uitbreiding van de terreinoppervlakte met 5 hectare of meer, of 2. het bijplaatsen of wijzigen van een stikstofscheidingsinstallatie of een ontzwavelingsinstallatie. Het besluit, bedoeld in artikel 40, tweede lid, van de Mijnbouwwet of een ander besluit waarop is Diepboringen dan wel een wijziging of uitbreiding daarvan, met uitzondering van diepboringen in het kader van: a. het onderzoek naar de stabiliteit van de grond, b. archeologisch onderzoek, of c. de opsporing of winning van aardolie, aardgas of zout. Het besluit, bedoeld in artikel 40, tweede lid, van de Mijnbouwwet of een ander besluit waarop is. dan wel, bij het ontbreken daarvan, de vaststelling van het plan, bedoeld in artikel 11, eerste lid, van Ordening dan wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 10 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening dat in de uitvoering van een diepboring dan wel de wijziging of uitbreiding daarvan voorziet De oprichting van een inrichting bestemd voor: a. de verbranding van niet-gevaarlijke afvalstoffen, of b. de chemische behandeling van niet-gevaarlijke afvalstoffen. heeft op een inrichting met een capaciteit van 50 ton per dag of meer. Ordening

87 De oprichting van een inrichting bestemd voor het bewerken, verwerken of vernietigen van dierlijke of overige organische meststoffen, groenafval en GFT, niet zijnde gevaarlijke afvalstoffen. heeft op een inrichting met een capaciteit van 100 ton per dag of meer De wijziging of uitbreiding van een inrichting bestemd voor het beheer van afvalstoffen, bedoeld in de categorieën 18.2, 18.3, 18.4 of 18.5 van onderdeel C van deze bijlage of de categorieën 18.1 of 18.2 van onderdeel D van deze bijlage. heeft op: 1. Het storten of opslaan van baggerspecie van klasse 3 of 4 in een hoeveelheid van m3 of meer, 2. het storten of opslaan van andere afvalstoffen dan bedoeld onder 1, in een hoeveelheid van m3 of meer, 3. het verwijderen van zuiveringsslib in een hoeveelheid van ton droge stof per jaar of meer, 4. het beheer van afvalstoffen anders dan bedoeld onder 1, 2 of 3 in een hoeveelheid van 100 ton per dag of meer De oprichting, wijziging inrichting bestemd voor het reinigen van afvalwater. heeft op een capaciteit van inwonerequivalenten of meer De uitvoering van werken voor de overbrenging van water tussen stroomgebieden die tot doel heeft eventuele waterschaarste te voorkomen. heeft op een hoeveelheid overgebracht water van 75 miljoen m3 per jaar of meer. artikelen 3 en 7 van de Wet op de waterhuishouding. Het besluit van de waterstaatkundig beheerder.

88 De uitvoering van werken voor de overbrenging van water tussen stroomgebieden die niet tot doel heeft eventuele waterschaarste te voorkomen. In gevallen waarin: 1. het meerjarig gemiddelde jaardebiet van het bekken waaraan het water wordt onttrokken meer dan miljoen m3 bedraagt, en 2. de hoeveelheid overgebracht water 3% van dit debiet overschrijdt. artikelen 3 en 7 van de Wet op de waterhuishouding. Het besluit van de waterstaatkundig beheerder De wijziging of uitbreiding van een inrichting bestemd voor het vervaardigen van papierpulp uit hout of andere vezelstoffen. heeft op een productiecapaciteit van 100 ton per dag of meer De oprichting, wijziging inrichting bestemd voor het vervaardigen van papier of karton. heeft op een productiecapaciteit van 100 ton per dag of meer De oprichting, wijziging inrichting bestemd voor het vervaardigen van celstof. heeft op een productiecapaciteit van 100 ton per dag of meer De wijziging of uitbreiding van een inrichting bestemd voor de raffinage van aardolie, met uitzondering van inrichtingen die uitsluitend smeermiddelen uit ruwe olie vervaardigen. heeft op een andere wijziging of uitbreiding dan bedoeld in categorie 21.2 van onderdeel C van deze bijlage en de verwerkingscapaciteit van ruwe olie met 20% of meer dan wel met 2 miljoen ton of meer per jaar toeneemt.

89 De oprichting, wijziging inrichting bestemd voor het roosten, pelletiseren of doen sinteren van ertsen of de productie van cokes uit steenkool De wijziging of uitbreiding van een inrichting bestemd voor de productie van ruw ijzer of staal. heeft op een smeltcapaciteit van ton per jaar of meer. Ordening 21.4 De wijziging of uitbreiding van een inrichting bestemd voor de winning van ruwe nonferrometalen uit erts, concentraat of secundaire grondstoffen met metallurgische, chemische of elektrolytische procédés. heeft op een smeltcapaciteit van ton per jaar of meer. Ordening 21.5 De oprichting, wijziging inrichting bestemd voor de vervaardiging, bewerking of verwerking van asbest of asbesthoudende producten. heeft op: 1. de vervaardiging, bewerking of verwerking van asbestcement met een capaciteit van ton eindproduct per jaar of meer, 2. de vervaardiging van remvoeringen met een capaciteit van 25 ton eindproduct per jaar of meer, of 3. de vervaardiging, bewerking of verwerking van andere asbesthoudende producten met een verbruik van 100 ton asbest per jaar of meer.

90 De wijziging of uitbreiding van een geïntegreerde chemische installatie, dat wil zeggen een installatie voor de fabricage op industriële schaal van stoffen door chemische omzetting, waarin verscheidene eenheden naast elkaar bestaan en functioneel met elkaar verbonden zijn, bestemd voor de fabricage van: a. organische basischemicaliën, b. anorganische basischemicaliën, c. fosfaat-, stikstof- of kaliumhoudende meststoffen (enkelvoudige of samengestelde meststoffen), d. basisproducten voor gewasbescherming en van biociden, e. farmaceutische basisproducten met een chemisch of biologisch procédé, of f. explosieven. In gevallen waarin de verwerkingscapaciteit van de installatie toeneemt met: ton per jaar of meer door de in onderdeel a omschreven activiteit, ton per jaar of meer door de in onderdeel b omschreven activiteit, ton per jaar of meer door de in onderdeel c omschreven activiteit, ton per jaar of meer door de in onderdeel d omschreven activiteit, of ton per jaar of meer door de in onderdeel e omschreven activiteit De oprichting, wijziging inrichting bestemd voor de productie van elektriciteit, stoom en warmte, met uitzondering van kernenergiecentrales. heeft op een elektriciteitscentrale met een vermogen van 200 megawatt (thermisch) of meer en, indien het een wijziging of uitbreiding betreft, 1. het vermogen met 20% of meer toeneemt, of 2. de inzet van een andere brandstof tot doel heeft.

91 De oprichting, wijziging of uitbreiding van één of meer met elkaar samenhangende installaties voor het opwekken van elektriciteit door middel van windenergie. heeft op: 1. een gezamenlijk vermogen van 15 megawatt (elektrisch) of meer, of molens of meer De wijziging of uitbreiding van een inrichting waarin kernenergie kan worden vrijgemaakt, met inbegrip van de buitengebruikstelling of ontmanteling van dergelijke centrales of reactoren. heeft op: 1. een wijziging van de soort, hoeveelheid of verrijkingsgraad van de splijtstof, 2. een vergroting van de lozing van radioactieve stoffen, 3. een vergroting van de opslagcapaciteit van gebruikte splijtstof, 4. het aanbrengen van systemen ter voorkoming of beheersing van ernstige ongevallen, of 5. een wijziging van het tijdstip van de buitengebruikstelling of ontmanteling van meer dan 5 jaar De wijziging of uitbreiding van een inrichting bestemd voor de opwerking van bestraalde splijtstoffen De wijziging of uitbreiding van een inrichting bestemd voor de productie of verrijking van splijtstoffen. heeft op een vergroting van de verrijkingscapaciteit op jaarbasis van 500 tsw per jaar of meer.

92 90 23 De wijziging of uitbreiding van een inrichting bestemd voor: a. de behandeling van bestraalde splijtstoffen of hoog radioactief afval, b. de definitieve verwijdering van bestraalde splijtstoffen, c. uitsluitend de definitieve verwijdering van radioactief afval, of d. uitsluitend de opslag van bestraalde splijtstoffen of radioactief afval van een andere inrichting. heeft op: 1. een vergroting van de behandelingscapaciteit van bestraalde splijtstoffen of hoog radioactief afval met meer dan 50%, of 2. een vergroting van de totale opslagcapaciteit met meer dan 50% of met meer dan m De aanleg, wijziging bovengrondse of ondergrondse hoogspanningsleiding. heeft op een leiding met: 1. een spanning van 150 kilovolt of meer, en 2. een lengte van 5 kilometer of meer in een gevoelig gebied. Het besluit tot vaststelling van het tracé door de Minister van Economische Zaken, dan wel, bij het ontbreken daarvan, het plan, bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening dan wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 10 van de Wet op de Ruimtelijke 24.2 De aanleg, wijziging hoogspanningsleiding in, op of boven de zeebodem, dan wel in de ondergrond daarvan. heeft op een leiding met: 1 een spanning van 150 kilovolt of meer, en 2 een lengte van 5 kilometer of meer in een gevoelig gebied als bedoeld onder a, b (tot 3 zeemijl uit de kust) of d van punt 1 van onderdeel A van deze bijlage. Het plan, bedoeld in artikel 2a van de Wet op de Ruimtelijke De vaststelling van het tracé door de Minister van Economische Zaken, dan wel, bij het ontbreken daarvan, van het plan, bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening dan wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 10 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening of het besluit, bedoeld in artikel 2 van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken.

93 De oprichting, wijziging inrichting bestemd voor de opslag van aardolie, petrochemische of chemische producten. heeft op een opslagcapaciteit van m3 of meer De oprichting, wijziging inrichting bestemd voor de opslag of overslag van aardgas. heeft op een opslagcapaciteit van m3 of meer De aanleg, wijziging ondergrondse opslag van aardgas. In gevallen waarin ten behoeve van de opslag een ruimte wordt gecreëerd van 1 miljoen m3 of meer. Het besluit, bedoeld in artikel 40, tweede lid, van de Mijnbouwwet of een ander besluit waarop is 25.4 De aanleg, wijziging bovengrondse opslag van fossiele brandstoffen. heeft op een oppervlakte van 50 hectare of meer. 26 De wijziging of uitbreiding van een inrichting bestemd voor steenkoolvergassing of liquefactie.

94 92 27 De eerste bebossing of de ontbossing dan wel de wijziging of uitbreiding daarvan met het oog op een ander bodemgebruik. heeft op: 1. gronden met een agrarische bestemming en een oppervlakte van 100 hectare of meer, of 2. gronden met een andere dan een agrarische bestemming en een oppervlakte van 10 hectare of meer. Het besluit, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Boswet, dan wel bij het ontbreken daarvan de vaststelling van het plan, bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening dan wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 10 van Ordening dat in het mogelijke andere bodemgebruik voorziet. 28 De oprichting, wijziging inrichting bestemd voor het kweken van vis. heeft op een productiecapaciteit van ton vis per jaar of meer. afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht en afdeling 13.2 van de wet van toepassing 29.1 De oprichting, wijziging inrichting bestemd voor de ondergrondse mijnbouw met gebruikmaking van schachten. In gevallen waarin de activiteit plaatsvindt in een gevoelig gebied als bedoeld onder a, b of d van punt 1 van onderdeel A van deze bijlage tot 3 zeemijl uit de kust. afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht en afdeling 13.2 van de wet van toepassing 29.2 De oprichting, wijziging of uitbreiding van oppervlakte-installaties van bedrijven voor de winning van steenkool, ertsen of bitumineuze schisten. afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht en afdeling 13.2 van de wet van toepassing 29.3 De oprichting, wijziging inrichting bestemd voor het briketteren van steenkool of bruinkool. afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht en afdeling 13.2 van de wet van toepassing

95 De oprichting, uitbreiding of wijziging van een inrichting voor de winning van zout. In gevallen waarin de activiteit plaatsvindt in een gevoelig gebied als bedoeld onder a, b (tot 3 zeemijl uit de kust) of d, van punt 1, onderdeel A, van deze bijlage. 30 De oprichting, wijziging inrichting bestemd voor het vervaardigen van cement. heeft op een productiecapaciteit van ton per jaar of meer. 31 De oprichting, wijziging inrichting bestemd voor het omzetten van hydrostatische energie in elektrische of thermische energie. heeft op een vermogen van 2,5 megawatt (elektrisch) per jaar of meer De oprichting, wijziging inrichting bestemd voor het smelten, gieten of smeden van ijzer of staal of voor het smelten, gieten of raffineren van non-ferro metalen. heeft op een smeltcapaciteit van ton per jaar of meer De oprichting, wijziging inrichting bestemd voor het walsen of trekken van metalen of voor het vervaardigen van pers-, trek- of stanswerk. heeft op een productiecapaciteit van ton per jaar of meer.

96 De oprichting, wijziging inrichting bestemd voor de oppervlaktebehandeling of bekleding van metalen en plastic materiaal door middel van een elektrolytisch of chemisch procédé. heeft op een productie-oppervlak van m2 of meer op een bedrijfsterrein dan wel m2 of meer op een ander terrein, met dien verstande dat voor een inrichting voor het poedercoaten of verwerken van watergedragen verf een productie-oppervlak geldt van m2 of meer op een bedrijfsterrein dan wel m2 of meer op een ander terrein De oprichting, wijziging inrichting bestemd voor het vervaardigen van ketels of reservoirs. heeft op een productie-oppervlak van m2 of meer in een gesloten gebouw dan wel m2 of meer buiten een gesloten gebouw De oprichting, wijziging inrichting bestemd voor het vervaardigen of assembleren van automobielen of automobielmotoren. heeft op een productiecapaciteit van automobielen of automobielmotoren per jaar of meer De oprichting, wijziging inrichting bestemd voor het bouwen, onderhouden, repareren of behandelen van de oppervlakte van metalen schepen. heeft op een productie-oppervlak van m2 of meer.

97 De oprichting, wijziging inrichting bestemd voor het beproeven van motoren, reactoren of turbines, of voor de bouw of reparatie van vliegtuigen. heeft op: 1. het beproeven buiten een gesloten gebouw van motoren, reactoren of turbines met een stuwkracht van 500 kilonewton of meer dan wel met een vermogen van 10 megawatt of meer, of 2. een productie-oppervlak van m2 of meer van een inrichting bestemd voor de bouw of reparatie van vliegtuigen De oprichting, wijziging inrichting bestemd voor het vervaardigen of repareren van spoorwegmaterieel. heeft op een productie-oppervlak van m2 of meer in een gesloten gebouw dan wel m2 of meer buiten een gesloten gebouw De oprichting, wijziging inrichting bestemd voor het vervormen van metalen door middel van springstoffen. 33 De oprichting, wijziging inrichting bestemd voor het vervaardigen, bewerken of verwerken van glas of glazen voorwerpen, met inbegrip van glasvezels. heeft op een productiecapaciteit van ton per jaar of meer.

98 De oprichting, wijziging inrichting bestemd voor het vervaardigen of formuleren van bestrijdingsmiddelen als bedoeld in artikel 1 van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962, voor zover niet omschreven in onderdeel d van categorie 21.6 van onderdeel D van deze bijlage. heeft op een productiecapaciteit van ton per jaar of meer. afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht en afdeling 13.2 van de wet van toepassing 34.2 De oprichting, wijziging inrichting bestemd voor het vervaardigen van farmaceutische producten, voor zover niet omschreven in onderdeel e van categorie 21.6 van onderdeel D van deze bijlage. heeft op een productiecapaciteit van ton per jaar of meer De oprichting, wijziging inrichting bestemd voor het vervaardigen van gehalogeneerde organische verbindingen of van verven en vernissen, voor zover niet omschreven in categorie 21.6 van onderdeel D van deze bijlage. heeft op een productiecapaciteit van ton per jaar of meer.

99 De oprichting, wijziging inrichting bestemd voor het vervaardigen van kunstmest, voor zover niet omschreven in categorie 21.6 van onderdeel D van deze bijlage. heeft op een productiecapaciteit van ton per jaar of meer De oprichting, wijziging inrichting bestemd voor het vervaardigen, bewerken of verwerken van chemische producten, met inbegrip van elastomeren, peroxiden, alkenen en stikstofverbindingen, voor zover niet omschreven in de categorieën 21.6 of 34.1 tot en met 34.4 van onderdeel D van deze bijlage. heeft op een productiecapaciteit van ton per jaar of meer. 35 De oprichting, wijziging inrichting bestemd voor: a. het vervaardigen, bewerken of verwerken van dierlijke of plantaardige oliën of vetten, b. het vervaardigen van vismeel of traan, of c. het vervaardigen van conserven van dierlijke en plantaardige producten. heeft op: 1. een productiecapaciteit van ton per jaar of meer in een inrichting als bedoeld onder a, of 2. een productiecapaciteit van ton per jaar of meer in een inrichting als bedoeld onder b of c.

100 98 36 De oprichting, wijziging inrichting bestemd voor het vervaardigen van consumptiemelk, consumptiemelkproducten, geëvaporiseerde melk of geëvaporiseerde melkproducten. heeft op een productiecapaciteit van ton per jaar of meer De oprichting, wijziging bierbrouwerij. heeft op een productiecapaciteit van 75 miljoen liter per jaar of meer. Ordening 37.2 De oprichting, wijziging mouterij. heeft op een productiecapaciteit van ton per jaar of meer. Ordening 38.1 De oprichting, wijziging inrichting bestemd voor het vervaardigen van suiker uit suikerbieten. heeft op een productiecapaciteit van ton per dag of meer De oprichting, wijziging inrichting bestemd voor het vervaardigen van limonade. heeft op een productiecapaciteit van 20 miljoen liter per jaar of meer.

101 De oprichting, wijziging inrichting bestemd voor het vervaardigen van suikerwerk. heeft op een productiecapaciteit van ton per jaar of meer De oprichting, wijziging inrichting bestemd voor het slachten van dieren. heeft op een productiecapaciteit van ton vlees per jaar of meer De oprichting, wijziging inrichting bestemd voor de destructie van dieren. 40 De oprichting, wijziging inrichting bestemd voor het vervaardigen van zetmeel. heeft op een productiecapaciteit van kilogram per uur of meer De oprichting, wijziging inrichting bestemd voor de voorbehandeling of het verven van vezels of textiel. heeft op een afvalwaterstroom van inwonerequivalenten per jaar of meer De oprichting, wijziging leerlooierij. heeft op een afvalwaterstroom van inwonerequivalenten per jaar of meer. Ordening afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht en afdeling 13.2 van de wet van toepassing

102 De oprichting, wijziging inrichting bestemd voor het vervaardigen, bewerken, verwerken of behandelen van hout of houten voorwerpen. heeft op een productiecapaciteit van m3 per jaar of meer. Ordening 43 De aanleg, wijziging terrein, niet zijnde een openbare weg, bestemd of ingericht voor het in wedstrijdverband of ter voorbereiding daarvan dan wel voor recreatieve doeleinden rijden met gemotoriseerde voertuigen. heeft op een openstelling van acht uren of meer per week. Ordening zijn dan wel bij het ontbreken daarvan hetplan, bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening dan wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 10 van 44 De oprichting, wijziging inrichting bestemd voor het vervaardigen, verpakken, laden of vullen van patronen met kruit of explosieven. Ordening 45 De oprichting, wijziging inrichting bestemd voor de terugwinning of vernietiging van explosieve stoffen.

103 De oprichting, wijziging inrichting bestemd voor het smelten van minerale stoffen, met inbegrip van installaties voor de fabricage van mineraalvezels. heeft op een productiecapaciteit van 100 ton per dag of meer. Ordening 47 De oprichting, wijziging inrichting bestemd voor het vervaardigen van keramische producten door middel van bakken. heeft op een productiecapaciteit van 100 ton per dag of meer. Ordening 48 De aanleg, wijziging aquaduct. heeft op een lengte van 1 kilometer of meer. en 36c van de Wet op de Ruimtelijke Ordening De vaststelling van het plan, bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening dan wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 10 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening dat in de mogelijke aanleg, wijziging of uitbreiding voorziet.

104 102

105 103 Meer informatie Voor meer informatie over de planmer kunt u kijken op Via deze website kunt u onder meer de uitgebreide Handreiking Milieueffectrapportage van plannen (planmer), Wet milieubeheer (Wm) en EU-richtlijn strategische milieubeoordeling (richtlijn 2001/42/EG) downloaden. In de handreiking vindt u een uitgebreid overzicht van de hele procedure en een gedetailleerde beschrijving van de juridische en technische aspecten. Voor vragen over de planmer of milieu en regelgeving in het algemeen kunt u bellen met de helpdesk van InfoMil ( telefoonnummer (070) (gratis, werkdagen van uur). Met algemene vragen over wonen, ruimte en milieu kunt u terecht bij Postbus 51, telefoon (gratis, werkdagen van 9.00 uur tot uur).

106 104

107

108 Dit is een publicatie van: Ministerie van VROM > Rijnstraat 8 > 2515 XP Den Haag > VROM 6161 / APRIL 2006 Ministerie van VROM > staat voor ruimte, wonen, milieu en rijksgebouwen. Beleid maken, uitvoeren en handhaven. Nederland is klein. Denk groot.

Procedurestappen MER-trajecten

Procedurestappen MER-trajecten Procedurestappen MER-trajecten 1. Procedurestappen besluitmer-traject p.2 2. Procedurestappen planmer-traject p.4 3. Procedurestappen combi plan- en besluitmer p.6 1. Procedurestappen BesluitMER-traject

Nadere informatie

Notitie Reikwijdte en Detailniveau

Notitie Reikwijdte en Detailniveau Notitie Reikwijdte en Detailniveau Opdrachtgever: Gemeente Horst aan de Maas projectnummer: 934.00.00.01.00.00 Datum: 17-04-2015 A a n l e i d i n g n i e u w b e s t e m m i n g s p l a n Voor het buitengebied

Nadere informatie

Voorbeelden toepassen Besluit m.e.r.

Voorbeelden toepassen Besluit m.e.r. Voorbeelden toepassen Besluit m.e.r. Rijkswaterstaat Ministerie van Infrastructuur en Milieu Hier vindt u twee voorbeelden voor het toepassen van de bijlage bij het Besluit m.e.r. (onderdeel C en D): Een

Nadere informatie

Een toetsbestendig Projectplan. vereist een robuuste. m.e.r.-beoordeling of MER

Een toetsbestendig Projectplan. vereist een robuuste. m.e.r.-beoordeling of MER Een toetsbestendig Projectplan vereist een robuuste m.e.r.-beoordeling of MER Peter Oosterling 26 juni 2014 Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier Het programma Wat komt vanmiddag aan de orde? Onderscheid

Nadere informatie

Vormen van milieueffectrapportage in Vlaanderen

Vormen van milieueffectrapportage in Vlaanderen Vormen van milieueffectrapportage in Vlaanderen Pascal Van Ghelue Geograaf - Diensthoofd Dienst Begeleiding Gebiedsgerichte Planprocessen Inhoud 1. Doel milieueffectrapportage 2. Regelgeving 3. Rapportagevormen

Nadere informatie

Droge Voeten 2050, beheergebied waterschap Noorderzijlvest

Droge Voeten 2050, beheergebied waterschap Noorderzijlvest Droge Voeten 2050, beheergebied waterschap Noorderzijlvest Toetsingsadvies over het milieueffectrapport 18 september 2014 / rapportnummer 2820 43 1. Oordeel over het Milieueffectrapport (MER) De provincies

Nadere informatie

Vormen van milieueffectrapportage in Vlaanderen. Pascal Van Ghelue Geograaf Dienst Begeleiding Gebiedsgerichte Planprocessen

Vormen van milieueffectrapportage in Vlaanderen. Pascal Van Ghelue Geograaf Dienst Begeleiding Gebiedsgerichte Planprocessen Vormen van milieueffectrapportage in Vlaanderen Pascal Van Ghelue Geograaf Dienst Begeleiding Gebiedsgerichte Planprocessen Inhoud 1. Doel milieueffectrapportage 2. Regelgeving 3. Rapportagevormen (4)

Nadere informatie

Havenkwartier Zeewolde

Havenkwartier Zeewolde Havenkwartier Zeewolde Toetsingsadvies over het milieueffectrapport 8 september 2011 / rapportnummer 2459 60 Oordeel over het MER Voor de aanleg van de woonwijk Polderwijk te Zeewolde is in 2003 de procedure

Nadere informatie

ADVIES REIKWIJDTE EN DETAILNIVEAU VOOR HET MILIEUEFFECTRAPPORT (MER) BETREFFENDE HET PLUIMVEEBEDRIJF AAN DE BARNEVELDSEWEG 21A EN 21C IN LUNTEREN

ADVIES REIKWIJDTE EN DETAILNIVEAU VOOR HET MILIEUEFFECTRAPPORT (MER) BETREFFENDE HET PLUIMVEEBEDRIJF AAN DE BARNEVELDSEWEG 21A EN 21C IN LUNTEREN ADVIES REIKWIJDTE EN DETAILNIVEAU VOOR HET MILIEUEFFECTRAPPORT (MER) BETREFFENDE HET PLUIMVEEBEDRIJF AAN DE BARNEVELDSEWEG 21A EN 21C IN LUNTEREN Inhoudsopgave 1. Inleiding...3 2. Het advies...4 3. Wet-

Nadere informatie

Verplaatsing varkenshouderij van de Geerstraat naar de Begijnenstraat te Winssen, gemeente Beuningen

Verplaatsing varkenshouderij van de Geerstraat naar de Begijnenstraat te Winssen, gemeente Beuningen Verplaatsing varkenshouderij van de Geerstraat naar de Begijnenstraat te Winssen, gemeente Beuningen Toetsingsadvies over het milieueffectrapport 28 januari 2013 / rapportnummer 2725 31 1. Oordeel over

Nadere informatie

Oprichting van een inrichting voor varkenshouderij Maatschap Jongen te Maria Hoop Toetsingsadvies over het milieueffectrapport

Oprichting van een inrichting voor varkenshouderij Maatschap Jongen te Maria Hoop Toetsingsadvies over het milieueffectrapport Oprichting van een inrichting voor varkenshouderij Maatschap Jongen te Maria Hoop Toetsingsadvies over het milieueffectrapport 7 april 2004 / rapportnummer 1411-21 Toetsingsadvies over het milieueffectrapport

Nadere informatie

Alternatieve locaties baggerberging, provincie Utrecht Toetsingsadvies over het milieueffectrapport

Alternatieve locaties baggerberging, provincie Utrecht Toetsingsadvies over het milieueffectrapport Alternatieve locaties baggerberging, provincie Utrecht Toetsingsadvies over het milieueffectrapport 6 augustus 2008 / rapportnummer 2015-43 1. OORDEEL OVER HET MER De provincie Utrecht is voornemens om

Nadere informatie

Bijlage 2: M.e.r.-plicht en procedure

Bijlage 2: M.e.r.-plicht en procedure Bijlage 2: M.e.r.-plicht en procedure 1. Algemeen Voor bepaalde plannen is het verplicht om een m.e.r. uit te voeren. Het gaat daarbij om wettelijk of bestuursrechtelijk verplichte plannen: 1. waarvoor

Nadere informatie

Gezamenlijke Verklaring Nederland en Duitsland grensoverschrijdende m.e.r.: schematische samenvatting

Gezamenlijke Verklaring Nederland en Duitsland grensoverschrijdende m.e.r.: schematische samenvatting Gezamenlijke Verklaring Nederland en Duitsland grensoverschrijdende m.e.r.: schematische samenvatting Inhoud 1. Aanleiding p. 1 2. Project of plan/programma vindt plaats op Nederlands grondgebied: Nederland

Nadere informatie

Noordelijke Randweg Zevenbergen, gemeente Moerdijk

Noordelijke Randweg Zevenbergen, gemeente Moerdijk Noordelijke Randweg Zevenbergen, gemeente Moerdijk Toetsingsadvies over het milieueffectrapport en de aanvulling daarop 15 mei 2017 / projectnummer: 2732 1. Toetsingsadvies Inleiding De gemeente Moerdijk

Nadere informatie

Bestemmingsplan buitengebied 2016 gemeente Simpelveld

Bestemmingsplan buitengebied 2016 gemeente Simpelveld Bestemmingsplan buitengebied 2016 gemeente Simpelveld Toetsingsadvies over het milieueffectrapport 11 april 2016 / projectnummer: 3109 1. Oordeel over het Milieueffectrapport De gemeente Simpelveld heeft

Nadere informatie

Windturbinepark Hogezandse Polder, gemeente Cromstrijen

Windturbinepark Hogezandse Polder, gemeente Cromstrijen Windturbinepark Hogezandse Polder, gemeente Cromstrijen Toetsingsadvies over het milieueffectrapport 30 oktober 2015/ rapportnummer 3070 1. Oordeel over het milieueffectrapport De gemeente Cromstrijen

Nadere informatie

Waterbeheerplan Aa en Maas

Waterbeheerplan Aa en Maas Waterbeheerplan Aa en Maas Toetsingsadvies over het milieueffectrapport 25 februari 2015 / rapportnummer 2871 26 1. Oordeel over het Milieueffectrapport (MER) Het Waterschap Aa en Maas stelt een nieuw

Nadere informatie

Gezamenlijke Verklaring Nederland en Duitsland grensoverschrijdende m.e.r. Stappenschema

Gezamenlijke Verklaring Nederland en Duitsland grensoverschrijdende m.e.r. Stappenschema Gezamenlijke Verklaring Nederland en Duitsland grensoverschrijdende m.e.r. Stappenschema Gezamenlijke Verklaring op hoofdlijnen: doel en inhoud In 2005 hebben Nederland en Duitsland een Gezamenlijke Verklaring

Nadere informatie

Bestemmingsplan buitengebied Etten-Leur

Bestemmingsplan buitengebied Etten-Leur Bestemmingsplan buitengebied Etten-Leur Toetsingsadvies over het milieueffectrapport 31 mei 2012 / rapportnummer 2529 60 1. Oordeel over het MER De gemeente Etten-Leur wil het bestemmingsplan voor haar

Nadere informatie

Voldoende afstand tot windturbines en belangrijke kabels en leidingen. archeologische vindplaatsen, natuurgebieden, etc.).

Voldoende afstand tot windturbines en belangrijke kabels en leidingen. archeologische vindplaatsen, natuurgebieden, etc.). Hoe vindt de trechtering van groot concept zoekgebied naar voorkeursalternatief plaats? Om tot een voorkeurslocatie voor het station en voorkeurslocatie voor de kabelcircuits te komen worden een aantal

Nadere informatie

Bestemmingsplan buitengebied gemeente Kampen

Bestemmingsplan buitengebied gemeente Kampen Bestemmingsplan buitengebied gemeente Kampen Toetsingsadvies over het milieueffectrapport 29 november 2013 / rapportnummer 2844 24 1. Oordeel over het milieueffectrapport (MER) De gemeente Kampen wil

Nadere informatie

Reactienota zienswijzen Startdocument planm.e.r. bestemmingsplan buitengebied 2014 Someren

Reactienota zienswijzen Startdocument planm.e.r. bestemmingsplan buitengebied 2014 Someren Notitie Contactpersoon Maartje van Ravesteijn Datum 18 februari 2014 Kenmerk N001-1219533RMV-cri-V01-NL Reactienota zienswijzen Startdocument planm.e.r. bestemmingsplan buitengebied 2014 Someren Inleiding

Nadere informatie

M.e.r. is altijd in beweging. Marcel Soppe

M.e.r. is altijd in beweging. Marcel Soppe M.e.r. is altijd in beweging Marcel Soppe Actuele ontwikkelingen milieueffectrapportage Onderwerpen: - Ontwikkelingen in wet- en regelgeving - Ontwikkelingen in jurisprudentie - M.e.r.-gebreken - M.e.r.-

Nadere informatie

Programma van Eisen - Beheerplannen

Programma van Eisen - Beheerplannen Programma van Eisen - Beheerplannen Eisen voor de inhoud Inventarisatie 1. Het beheerplan geeft allereerst een beschrijving van de natuurwaarden in het Natura 2000-gebied (de actuele situatie en trends,

Nadere informatie

Bestemmingsplan Bedrijventerrein Oosterhorn (Industrieterrein Delfzijl)

Bestemmingsplan Bedrijventerrein Oosterhorn (Industrieterrein Delfzijl) Bestemmingsplan Bedrijventerrein Oosterhorn (Industrieterrein Delfzijl) Toetsingsadvies over het milieueffectrapport en de aanvullingen wind en geur 16 mei 2017 / projectnummer: 3041 1. Toetsingsadvies

Nadere informatie

Bestemmingsplan buitengebied Wageningen

Bestemmingsplan buitengebied Wageningen Bestemmingsplan buitengebied Wageningen Toetsingsadvies over het milieueffectrapport 12 augustus 2013 / rapportnummer 2755 40 1. Oordeel over het MER De gemeente Wageningen wil haar bestemmingsplan voor

Nadere informatie

De vormvrije m.e.r.-beoordeling: vereisten

De vormvrije m.e.r.-beoordeling: vereisten Rijkswaterstaat Ministerie van Infrastructuur en Milieu vereisten In gevallen dat een be sluit of plan betrekking heeft op activiteiten die voorkomen op de D-lijst kent de vormvrije m.e.r.-beoordeling

Nadere informatie

b e s l u i t : Pagina 1 van 7 Nr: De raad van de gemeente Barneveld; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders, nr.

b e s l u i t : Pagina 1 van 7 Nr: De raad van de gemeente Barneveld; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders, nr. Nr: 13-13 De raad van de gemeente Barneveld; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders, nr. 13-13; gelet op artikel 3.30 Wet ruimtelijke ordening (Wro); b e s l u i t : vast te stellen de volgende:

Nadere informatie

Vestiging intensieve veehouderij Beemte-Vaassen

Vestiging intensieve veehouderij Beemte-Vaassen Vestiging intensieve veehouderij Beemte-Vaassen Toetsingsadvies over het milieueffectrapport 5 maart 2015 / rapportnummer 2988 22 1. Oordeel over het milieueffectrapport (MER) De provincie Gelderland

Nadere informatie

Vermeerderingsbedrijf Exterkate, Slaghekkeweg 18 te Bentelo

Vermeerderingsbedrijf Exterkate, Slaghekkeweg 18 te Bentelo Vermeerderingsbedrijf Exterkate, Slaghekkeweg 18 te Bentelo Toetsingsadvies over het milieueffectrapport 10 september 2013 / rapportnummer 2819 28 1. Oordeel over het MER Vermeerderingsbedrijf Exterkate

Nadere informatie

Pangea Parc te Epe Toetsingsadvies over het milieueffectrapport

Pangea Parc te Epe Toetsingsadvies over het milieueffectrapport Pangea Parc te Epe Toetsingsadvies over het milieueffectrapport 10 juli 2008 / rapportnummer 1444-70 1. OORDEEL OVER HET MER Zodiac Zoos heeft het voornemen het huidige dierenpark De Wissel binnen de

Nadere informatie

Verlengen stal op het perceel Dorpsstraat 74 te Zuidlaarderveen

Verlengen stal op het perceel Dorpsstraat 74 te Zuidlaarderveen Verlengen stal op het perceel Dorpsstraat 74 te Zuidlaarderveen NL.IMRO.1730.ABdorpsstr74zuidlv-0301 Projectgebied Situatie Dorpsstraat 74 Zuidlaarderveen 2 Inhoudsopgave 1. Inleiding 2. Huidige en beoogde

Nadere informatie

Goedkeuringsverslag milieueffectrapport

Goedkeuringsverslag milieueffectrapport Vlaamse overheid Departement Leefmilieu, Natuur en Energie Afdeling Milieu-, Natuur- en Energiebeleid Koning Albert II-laan 20, bus 8 1000 BRUSSEL tel: 02/553.80.79 fax: 02/553.80.75 Goedkeuringsverslag

Nadere informatie

Bestemmingsplan Maastricht Aachen Airport, Businesspark AviationValley

Bestemmingsplan Maastricht Aachen Airport, Businesspark AviationValley Bestemmingsplan Maastricht Aachen Airport, Businesspark AviationValley Toetsingsadvies over het milieueffectrapport 17 augustus 2016 / projectnummer: 3103 1. Oordeel over het milieueffectrapport (MER)

Nadere informatie

: Coördinatieregeling ruimtelijke besluiten. Beslispunt(en): 1. De coördinatieverordening Wro gemeente Woensdrecht vaststellen

: Coördinatieregeling ruimtelijke besluiten. Beslispunt(en): 1. De coördinatieverordening Wro gemeente Woensdrecht vaststellen Voorstel aan de Raad Onderwerp : Coördinatieregeling ruimtelijke besluiten Raadsvergadering : 26 juni 2013 Agendapunt : Portefeuillehouder : A.Th.S. van der Wijst Datum : 14 mei 2013 Bestuurlijk kader

Nadere informatie

Regionale Energie- en Klimaatstrategieën. Lianne Barnhoorn en Iman Brinkman

Regionale Energie- en Klimaatstrategieën. Lianne Barnhoorn en Iman Brinkman Regionale Energie- en Klimaatstrategieën Lianne Barnhoorn en Iman Brinkman Houtzaagmolenseminar 24 januari 2019 Programma Wat is de RES? Proces van de RES Doorwerken in ruimtelijke instrumenten Juridische

Nadere informatie

Vormvrije m.e.r.-beoordeling Landgoed Hydepark, Doorn, gemeente Utrechtse Heuvelrug

Vormvrije m.e.r.-beoordeling Landgoed Hydepark, Doorn, gemeente Utrechtse Heuvelrug Notitie Contactpersoon Gosewien van Eck Datum 14 november 2013 Kenmerk N001-1220333GGV-evp-V01-NL Vormvrije m.e.r.-beoordeling Landgoed Hydepark, Doorn, gemeente Utrechtse Heuvelrug 1 Inleiding De gemeente

Nadere informatie

Vormvrije m.e.r.-beoordeling bij Structuurvisie Zuidplas 2030

Vormvrije m.e.r.-beoordeling bij Structuurvisie Zuidplas 2030 Vormvrije m.e.r.-beoordeling bij Structuurvisie Zuidplas 2030 Colofon Titel: Vormvrije m.e.r.-beoordeling bij Structuurvisie Zuidplas 2030 Documentnummer: A12.003139 Status: Vastgesteld door de gemeenteraad

Nadere informatie

Herzien of afwijken van het bestemmingsplan Informatieblad

Herzien of afwijken van het bestemmingsplan Informatieblad Als u bouw- of verbouwplannen hebt, krijgt u vaak te maken met het bestemmingsplan. In een bestemmingsplan is geregeld wat wel en niet is toegestaan in een gebied. Functies zoals wonen of bedrijvigheid

Nadere informatie

Omgevingsvergunning. De omgevingsvergunning wordt verleend overeenkomstig de bij dit besluit behorende en als zodanig gewaarmerkte documenten.

Omgevingsvergunning. De omgevingsvergunning wordt verleend overeenkomstig de bij dit besluit behorende en als zodanig gewaarmerkte documenten. Omgevingsvergunning Poststuknummer: DA00079369 Burgemeester en wethouders hebben op 30 juni 2016 een aanvraag omgevingsvergunning ontvangen en in behandeling genomen voor het bouwen van 14 woningen op

Nadere informatie

Wet ruimtelijke ordening

Wet ruimtelijke ordening Gemeenten Wormerland, Oostzaan en Landsmeer Erwin de Bos 5 juni 2008 Inhoud Stand van zaken Kernpunten Wro Structuurvisie Bestemmingsplan Projectbesluit Beheersverordening Grondexploitatie Planschade Overgangsrecht

Nadere informatie

OMGEVINGSVERGUNNING Datum: 6 augustus 2015

OMGEVINGSVERGUNNING Datum: 6 augustus 2015 OMGEVINGSVERGUNNING Datum: 6 augustus 2015 Burgemeester en wethouders hebben op 16-1-2015 een aanvraag voor een omgevingsvergunning ontvangen voor het dempen en realiseren van water. De aanvraag gaat over

Nadere informatie

Pluimveehouderij Duinkerken te Zuidwolde, gemeente De Wolden

Pluimveehouderij Duinkerken te Zuidwolde, gemeente De Wolden Pluimveehouderij Duinkerken te Zuidwolde, gemeente De Wolden Toetsingsadvies over het milieueffectrapport 26 september 2014 / rapportnummer 2971 26 1. Oordeel over het milieueffectrapport (MER) Maatschap

Nadere informatie

Bestemmingsplan Buitengebied, planmer

Bestemmingsplan Buitengebied, planmer Bestemmingsplan Buitengebied, planmer Bestemmingsplan Buitengebied, planmer Inhoud Rapport + bijlagen 28 augustus 2013 Projectnummer 005.00.01.40.06 S a m e n v a t t i n g I n l e i d i n g De gemeente

Nadere informatie

CVDR. Nr. CVDR367404_1. Coördinatieverordening gemeente Maastricht. 14 maart Officiële uitgave van Maastricht.

CVDR. Nr. CVDR367404_1. Coördinatieverordening gemeente Maastricht. 14 maart Officiële uitgave van Maastricht. CVDR Officiële uitgave van Maastricht. Nr. CVDR367404_1 14 maart 2017 Coördinatieverordening gemeente Maastricht Hoofdstuk 1 Artikel 1 Begripsomschrijvingen Deze verordening verstaat onder: d. e. f. g.

Nadere informatie

Uitbreiden van veehouderij Van Deuveren, Beitelweg 5-7 te Putten

Uitbreiden van veehouderij Van Deuveren, Beitelweg 5-7 te Putten Uitbreiden van veehouderij Van Deuveren, Beitelweg 5-7 te Putten Toetsingsadvies over het milieueffectrapport 1 september 2016 / projectnummer: 2736 1. Oordeel over het milieueffectrapport Maatschap van

Nadere informatie

Zoekzones stedelijke functies gemeente Ede Toetsingsadvies over het milieueffectrapport

Zoekzones stedelijke functies gemeente Ede Toetsingsadvies over het milieueffectrapport Zoekzones stedelijke functies gemeente Ede Toetsingsadvies over het milieueffectrapport 20 augustus 2008 / rapportnummer 2079-37 1. OORDEEL OVER HET MER Het College van burgemeester en wethouders van

Nadere informatie

Vleeskuikenhouderij Haambergweg 11 te Beringe, gemeente Peel en Maas

Vleeskuikenhouderij Haambergweg 11 te Beringe, gemeente Peel en Maas Vleeskuikenhouderij Haambergweg 11 te Beringe, gemeente Peel en Maas Toetsingsadvies over het milieueffectrapport 30 juni 2015 / rapportnummer 2999 1. Oordeel over het milieueffectrapport (MER) De firma

Nadere informatie

Bestemmingsplan buitengebied gemeente Bergen (LB)

Bestemmingsplan buitengebied gemeente Bergen (LB) Bestemmingsplan buitengebied gemeente Bergen (LB) Toetsingsadvies over het milieueffectrapport 24 oktober 2013 / rapportnummer 2832 19 1. Oordeel over het milieueffectrapport (MER) De gemeente Bergen

Nadere informatie

Aan de raad AGENDAPUNT 3. Doetinchem, 27 januari 2010 ALDUS BESLOTEN 4 FEBRUARI 2010. Oostelijke randweg; afronding mer-procedure

Aan de raad AGENDAPUNT 3. Doetinchem, 27 januari 2010 ALDUS BESLOTEN 4 FEBRUARI 2010. Oostelijke randweg; afronding mer-procedure Aan de raad AGENDAPUNT 3 ALDUS BESLOTEN 4 FEBRUARI 2010 Oostelijke randweg; afronding mer-procedure Voorstel: 1. Het toetsingsadvies van de Commissie voor de mer over het milieueffectrapport (mer) oostelijke

Nadere informatie

GEMEENTE HALDERBERGE Bestemmingsplan Kom Hoeven Herziening 1

GEMEENTE HALDERBERGE Bestemmingsplan Kom Hoeven Herziening 1 GEMEENTE HALDERBERGE Bestemmingsplan Kom Hoeven Herziening 1 Toelichting NL.IMRO.1655.BP2008-C001 / vastgesteld Projectnr. 015-030 / 4 februari 2016 INHOUD BLZ 1. INLEIDING... 3 1.1. Aanleiding... 3 1.2.

Nadere informatie

Bestemmingsplan buitengebied Roosendaal - Nispen

Bestemmingsplan buitengebied Roosendaal - Nispen Bestemmingsplan buitengebied Roosendaal - Nispen Toetsingsadvies over het milieueffectrapport 4 september 2014 / rapportnummer 2950 25 1. Oordeel over het milieueffectrapport (MER) De gemeente Roosendaal

Nadere informatie

Bestemmingsplan Leeuwarden Buitengebied, planmer

Bestemmingsplan Leeuwarden Buitengebied, planmer Bestemmingsplan Leeuwarden Buitengebied, planmer Bestemmingsplan Leeuwarden Buitengebied, planmer Inhoud Rapport + bijlagen 6 september 2013 Projectnummer 129.00.00.09.01 S a m e n v a t t i n g I n l

Nadere informatie

Beschikking Wet milieubeheer

Beschikking Wet milieubeheer Beschikking Wet milieubeheer Besluit van burgemeester en wethouders van Woensdrecht. Datum beschikking: 16-12-2008 Onderwerp aanvraag Op 3 juli 2008 is een aanvraag om vergunning ingevolge de Wet milieubeheer

Nadere informatie

IIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIII1111

IIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIII1111 IIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIII1111 Onderwerp Nummer voorstel Datum voorstel Contactpersoon Contactpersoon Email Contactpersoon Telefoon Programmanummer en naam : Toepassing gemeentelijke

Nadere informatie

Inhoud. Voorwoord. Leeswijzer 7. 1 Toelichting op het benchmark-convenant 9. 2 Stappenplan bevoegd gezag 11

Inhoud. Voorwoord. Leeswijzer 7. 1 Toelichting op het benchmark-convenant 9. 2 Stappenplan bevoegd gezag 11 Inhoud Voorwoord Leeswijzer 7 1 Toelichting op het benchmark-convenant 9 2 Stappenplan bevoegd gezag 11 3 Vergunningverlening bij convenantbedrijven 17 4 Vergunningverlening bij bedrijven die niet deelnemen

Nadere informatie

Uitbreiding pluimveehouderij Buijs VOF te Emmer-Compascuum

Uitbreiding pluimveehouderij Buijs VOF te Emmer-Compascuum Uitbreiding pluimveehouderij Buijs VOF te Emmer-Compascuum Toetsingsadvies over het milieueffectrapport 9 november 2016 / projectnummer: 3157 1. Oordeel over het milieueffectrapport (MER) Landbouwbedrijf

Nadere informatie

DEFINITIEVE VERGUNNING. EEW Energy from Waste Delfzijl BV

DEFINITIEVE VERGUNNING. EEW Energy from Waste Delfzijl BV DEFINITIEVE VERGUNNING verleend aan EEW Energy from Waste Delfzijl BV ten behoeve van de activiteit het wijzigen van de verwerkingscapaciteit (locatie: Oosterhorn 38, 9936 HD te Farmsum) Groningen, 17

Nadere informatie

Wethouder Peter Bot. Aan de leden van de commissie RWN en de gemeenteraad. Startnotitie De Kegel/Nationaal Tenniscentrum. Geachte raadsleden,

Wethouder Peter Bot. Aan de leden van de commissie RWN en de gemeenteraad. Startnotitie De Kegel/Nationaal Tenniscentrum. Geachte raadsleden, Wethouder Peter Bot [email protected] Aan de leden van de commissie RWN en de gemeenteraad Postbus 4, 1180 BA Amstelveen Vermeld bij reactie ons kenmerk en datum van deze brief Disclaimer: deze brief

Nadere informatie

Uitbreiding opslagcapaciteit Maasvlakte Olie Terminal, Maasvlakte Rotterdam Toetsingsadvies over het milieueffectrapport

Uitbreiding opslagcapaciteit Maasvlakte Olie Terminal, Maasvlakte Rotterdam Toetsingsadvies over het milieueffectrapport Uitbreiding opslagcapaciteit Maasvlakte Olie Terminal, Maasvlakte Rotterdam Toetsingsadvies over het milieueffectrapport 15 juli 2008 / rapportnummer 1995-62 1. OORDEEL OVER HET MER Maasvlakte Olie Terminal

Nadere informatie

Bestemmingsplan Sluiskil Oost, gemeente Terneuzen

Bestemmingsplan Sluiskil Oost, gemeente Terneuzen Bestemmingsplan Sluiskil Oost, gemeente Terneuzen Toetsingsadvies over het milieueffectrapport 5 april 2012 / rapportnummer 2619 35 1. Oordeel over het MER De gemeente Terneuzen heeft het voornemen het

Nadere informatie

Bestemmingsplan buitengebied Doetinchem

Bestemmingsplan buitengebied Doetinchem Bestemmingsplan buitengebied Doetinchem Toetsingsadvies over het milieueffectrapport 10 juni 2013 / rapportnummer 2779 31 1. Oordeel over het milieueffectrapport (MER) De Gemeente Doetinchem wil verschillende

Nadere informatie