Rapport. Datum: 15 december 2008 Rapportnummer: 2008/297
|
|
|
- Mirthe de clercq
- 9 jaren geleden
- Aantal bezoeken:
Transcriptie
1 Rapport Datum: 15 december 2008 Rapportnummer: 2008/297
2 2 Klacht Verzoeker is op 8 november 2006 door de politie aangehouden wegens stalking van zijn ex-echtgenote. In dit verband klaagt verzoeker erover dat het Openbaar Ministerie te Assen hem als verdachte van stalking heeft aangemerkt. Tevens klaagt verzoeker erover dat hij door de politie is aangehouden en niet op het politiebureau is uitgenodigd voor verhoor. Beoordeling Algemeen Verzoeker is op 28 januari 2006 gescheiden van zijn vrouw. Hij stelt dat zijn ex-echtgenote hem te weinig alimentatie betaalt. Verzoeker wilde aantonen dat zij inmiddels met iemand anders was gaan samenwonen en filmde frequent rondom de woning van zijn ex-echtgenote. Verzoekers ex-echtgenote deed op 7 augustus 2006 aangifte bij de politie tegen verzoeker. Verzoeker zou zich in de periode van 1 april 2006 tot 7 augustus 2006 schuldig hebben gemaakt aan stalking. Op 8 november 2006 hield de politie verzoeker buiten heterdaad in zijn woning aan. Tijdens zijn verhoor verklaarde verzoeker dat hij had geconstateerd dat zijn ex-echtgenote niet alleen in haar woning woont en dat wanneer hij kon aantonen dat zij opnieuw samenwoont, hij recht zou hebben op meer alimentatie. Om die reden maakte hij foto's en video-opnames bij de woning van zijn ex-echtgenote. Nadat verzoeker op het politiebureau was verhoord, werd hij dezelfde dag weer in vrijheid gesteld. De politie maakte op 10 november 2006 proces-verbaal op tegen verzoeker, dat werd ingestuurd naar het Openbaar Ministerie te Assen. Omdat verzoekers ex-echtgenote na november 2006 geen nieuwe meldingen had gedaan, besloot de officier van justitie de zaak voorwaardelijk te seponeren op grond van gewijzigde omstandigheden. Bij brief van 5 februari 2007 liet de officier van justitie verzoeker weten dat de zaak voorwaardelijk was geseponeerd. Als voorwaarde voor het sepot gold dat verzoeker zich gedurende een jaar niet aan enig strafbaar feit zou schuldig maken dan wel zich op andere wijze zou misdragen. I. Ten aanzien van de verdenking
3 3 Bevindingen 1. Verzoeker klaagt erover dat het Openbaar Ministerie hem als verdachte van stalking heeft aangemerkt. 2. Bij brief van 21 juli 2008 aan de Nationale ombudsman deelde de minister van Justitie onder meer mee dat verzoekers ex-echtgenote op 7 augustus 2006 aangifte van stalking had gedaan bij de politie. Zij had aangegeven dat verzoeker haar in de periode van 1 april tot 7 augustus 2006 schriftelijk ongewenst had benaderd, stelselmatig had gepost voor haar woning, haar woning had gefilmd en haar naar haar werk had gevolgd. Op 28 augustus 2006 heeft een getuige tegenover de politie verklaard verzoeker meerdere malen te hebben gezien in de omgeving van verzoeksters woning, aldus de minister. Op 31 oktober 2006 heeft verzoekers ex-echtgenote tegenover de politie verklaard dat zij nog steeds door verzoeker werd lastig gevallen. Dit blijkt volgens de minister ook uit een andere getuigenverklaring die in deze zaak is afgelegd. De minister van Justitie heeft gesteld dat er op basis van de aangifte, de onderbouwing van de aangifte en de ondersteuning van de aangifte door twee getuigen voldoende aanleiding bestond om verzoeker als verdachte van stalking aan te merken. De minister acht de klacht ongegrond. 3. In reactie op het standpunt van de minister van Justitie liet verzoeker de Nationale ombudsman bij brief van 17 augustus 2008 onder meer weten dat hij bij de woning van zijn ex-echtgenote had gefilmd om criminele activiteiten vast te leggen. Nadat verzoeker aangifte had gedaan van openlijke geweldpleging (hij stelt door een vriend van zijn ex-echtgenote te zijn aangevallen toen hij aan het filmen was) is de politie in juni dan wel juli 2006 bij hem op bezoek geweest en hebben zij over de hele kwestie gesproken. Volgens verzoeker is hem toen meegedeeld dat hij niets verkeerd deed maar dat hij wel moest oppassen. Verzoeker heeft gesteld dat het onderzoek van justitie op leugens is gebaseerd en niet op feiten. Volgens verzoeker had justitie oogkleppen op tijdens het onderzoek, omdat er niets is gedaan met zijn aangifte van openlijke geweldpleging en met de criminele activiteiten die er naar zijn zeggen rondom de woning van zijn ex-echtgenote plaatsvonden. 4. In een proces-verbaal staat opgetekend dat verzoekers ex-echtgenote op 7 augustus 2006 aangifte tegen verzoeker heeft gedaan van stalking. Bij deze aangifte heeft zij een aantal brieven gevoegd, die verzoeker aan haar had gericht. De inhoud van deze brieven varieert van een liefdesverklaring tot een analyse van hun relatie en de (financiële) afwikkeling van de scheiding.
4 4 Voorts blijkt uit het proces-verbaal dat een getuige op 28 augustus 2006 heeft verklaard dat hij verzoeker regelmatig rondom de woning van diens ex-echtgenote had zien filmen. Deze getuige heeft verklaard dat hij verzoeker soms wel vijf maal per dag langs zag komen. Gemiddeld zou verzoeker zo'n twee tot drie keer per week langs de woning rijden, aldus deze getuige. Een tweede getuige heeft op 3 november 2006 verklaard dat verzoeker zijn ex-echtgenote lastig valt sinds het moment dat zij uit elkaar zijn gegaan. Volgens deze getuige ging verzoeker vanaf het moment dat diens ex-echtgenote een huis liet bouwen, continu rondom de woning filmen. Beoordeling 5. Het redelijkheidsvereiste houdt in dat bestuursorganen de in het geding zijnde belangen tegen elkaar afwegen en dat de uitkomst hiervan niet onredelijk is. Dit betekent onder meer dat iemand slechts als verdachte kan worden aangemerkt indien er sprake is van een redelijk vermoeden van schuld. Het vermoeden van schuld dient te steunen op specifieke feiten of omstandigheden van het geval en dit dient bovendien naar objectieve maatstaven gezien redelijk te zijn (zie Achtergrond, onder 1.1.). Wanneer er sprake is van een redelijk vermoeden van schuld, rechtvaardigt dit het instellen van een strafrechtelijk onderzoek naar de verdachte. Daarvoor is niet vereist dat tegen een verdachte zodanig belastend bewijsmateriaal is verzameld dat een veroordeling mogelijk of aannemelijk lijkt. 6. Er is sprake van stalking wanneer iemand stelselmatig en opzettelijk inbreuk maakt op iemand anders zijn persoonlijke levenssfeer met de bedoeling die ander te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden dan wel vrees aan te jagen (zie Achtergrond, onder 2.). Uit de reactie van de minister van Justitie blijkt dat het Openbaar Ministerie verzoeker als verdachte van stalking heeft aangemerkt op basis van de aangifte van verzoekers ex-echtgenote, ondersteund door een aantal brieven en twee getuigenverklaringen. Deze drie personen hebben allen verklaard dat verzoeker zijn ex-echtgenote regelmatig heeft lastig gevallen door rondom haar woning te filmen. De Nationale ombudsman oordeelt dat met het filmen rondom de woning een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van verzoekers ex-echtgenote kan worden gemaakt. De Nationale ombudsman oordeelt voorts dat deze drie verklaringen samen objectief gezien het redelijke vermoeden opleverden dat verzoeker zich schuldig maakte aan stalking. Het Openbaar Ministerie mocht verzoeker dan ook als verdachte van stalking aanmerken en heeft niet in strijd met het redelijkheidsvereiste gehandeld. Dat het Openbaar Ministerie niets zou hebben gedaan met verzoekers aangifte wegens openlijke geweldpleging, dan wel de beweerde criminele activiteiten van zijn ex-echtgenote, doet hieraan niet af.
5 5 De onderzochte gedraging is op dit punt behoorlijk. II. Ten aanzien van de aanhouding Bevindingen 1. Verzoeker klaagt erover dat hij door de politie in zijn woning is aangehouden en niet op het politiebureau is uitgenodigd voor verhoor. 2. De minister van Justitie heeft de Nationale ombudsman in zijn brief van 21 juli 2008 laten weten dat het dwangmiddel aanhouding buiten heterdaad kan worden ingezet als er sprake is van een gegronde verdenking ten aanzien van een strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegestaan. Aangezien hiervan ten tijde van de verdenking sprake was, heeft de officier van justitie op grond van artikel 55, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering (Sv) (zie Achtergrond, onder 1.2.) terecht geoordeeld dat verzoeker kon worden aangehouden in zijn woning. Nu niet is gebleken dat de verdenking ten onrechte heeft bestaan, is verzoekers aanhouding ook achteraf bezien niet onrechtmatig, aldus de minister. Ten aanzien van verzoekers stelling dat de politie hem eerst voor verhoor had moeten uitnodigen op het politiebureau, heeft de minister gewezen op de Aanwijzing huiselijk geweld (zie Achtergrond, onder 3.). De noodzaak om snel tot aanhouding over te gaan is er volgens de minister in gelegen dat bij huiselijk geweld vaak sprake is van een langere periode waarin meermalen gedrag wordt vertoond dat bijdraagt aan het strafbare feit als geheel en het gevaar voor herhaling groot is. Bovendien is er sprake van een aanzienlijke inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van een slachtoffer. De minister heeft gesteld dat hoewel die aanwijzing de mogelijkheid om een verdachte eerst uit te nodigen op het politiebureau niet uitsluit, hier gelet op de ernst en aard van het strafbare feit en de persoon van de verdachte niet voor is gekozen. De minister acht de klacht ongegrond. 3. In reactie op het standpunt van de minister heeft verzoeker gesteld dat hij wil weten waarom hij niet ontboden kon worden en hij als vluchtgevaarlijk werd gezien. Beoordeling 4. Het evenredigheidsvereiste houdt in dat bestuursorganen voor het bereiken van een doel een middel aanwenden dat voor de betrokkenen niet onnodig bezwarend is en dat in evenredige verhouding staat tot dat doel. Dit beginsel brengt mee dat politie en justitie bij het verrichten van het opsporingsonderzoek in beginsel dienen te kiezen voor een werkwijze die voor een verdachte het minst bezwarend is. De aanwending van
6 6 strafvorderlijke bevoegdheden, zoals aanhouding buiten heterdaad, moet in overeenstemming zijn met de eisen van gematigdheid en evenredigheid. Daarbij dienen politie en justitie er steeds alert op te zijn dat de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van een burger door de toepassing van strafvorderlijke bevoegdheden zo gering mogelijk is Voor de beoordeling van de vraag of de officier van justitie in redelijkheid kon beslissen het bevel tot aanhouding van verzoeker te geven, is allereerst van belang of verzoeker kon worden aangemerkt als verdachte van stalking. Gelet op hetgeen de Nationale ombudsman onder I. heeft geoordeeld, wordt van de juistheid van de beslissing tot aanhouding uitgegaan De officier van justitie maakte gebruik van haar bevoegdheid de aanhouding van verzoeker te bevelen, zonder hieraan de bijzondere voorwaarde te verbinden dat verzoeker eerst voor verhoor op het politiebureau moest worden uitgenodigd. De minister van Justitie heeft gesteld dat hier niet voor is gekozen vanwege de ernst en aard van het strafbare feit en de persoon van de verdachte. De Nationale ombudsman oordeelt dat er weliswaar sprake was van verdenking van een feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegestaan (zie Achtergrond, onder 1.3.), maar dat dit op zich nog geen reden is voor een dergelijke aanhouding buiten heterdaad. De situatie was niet zo ernstig dan wel spoedeisend dat verzoeker niet de gelegenheid kon worden geboden zichzelf op het politiebureau te melden. Bovendien heeft de minister van Justitie onvoldoende gemotiveerd waarom de persoon van verzoeker aanleiding heeft gegeven hem in zijn woning aan te houden in plaats van hem uit te nodigen voor verhoor. De Nationale ombudsman is van oordeel dat de door de minister van Justitie aangevoerde omstandigheden onvoldoende reden zijn om een ongeclausuleerd bevel tot aanhouding buiten heterdaad in de woning van verzoeker te bevelen, en acht de wijze van aanhouding in strijd met het evenredigheidsvereiste. De onderzochte gedraging is op dit punt niet behoorlijk. Conclusie De klacht over de onderzochte gedraging van het Openbaar Ministerie te Assen is niet gegrond ten aanzien van: de verdenking wegens stalking. gegrond ten aanzien van: de wijze van aanhouding, wegens schending van het evenredigheidsvereiste. Onderzoek
7 7 Op 10 april 2008 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van de heer B. te Assen, met een klacht over een gedraging van het Openbaar Ministerie te Assen. Naar deze gedraging, die wordt aangemerkt als een gedraging van de minister van Justitie, werd een onderzoek ingesteld. In het kader van het onderzoek werd de minister van Justitie verzocht op de klacht te reageren en een afschrift toe te sturen van de stukken die op de klacht betrekking hebben. Daarnaast werd de betrokken officier van justitie de gelegenheid geboden om commentaar op de klacht te geven. Zij maakte van deze gelegenheid geen gebruik. Vervolgens werd verzoeker in de gelegenheid gesteld op de verstrekte inlichtingen te reageren. Het resultaat van het onderzoek werd als verslag van bevindingen gestuurd aan betrokkenen. De minister van Justitie en de betrokken officier van justitie deelden mee zich met de inhoud van het verslag te kunnen verenigen. De reactie van verzoeker gaf geen aanleiding het verslag te wijzigen. Informatieoverzicht De bevindingen van het onderzoek zijn gebaseerd op de volgende informatie: Verzoekschrift van 10 april Standpunt van de minister van Justitie van 21 juli Vertrouwelijk verstrekt proces-verbaal van 10 november Reactie van verzoeker van 17 augustus Bevindingen Zie onder Beoordeling. Achtergrond Wetboek van Strafvordering 1.1. Artikel 27 "Als verdachte wordt vóórdat de vervolging is aangevangen, aangemerkt degene te wiens aanzien uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld aan eenig
8 8 strafbaar feit voortvloeit." Dit artikel stelt aan de mate van verdenking niet de eis van een 'ernstig' vermoeden, maar eist wel dat het vermoeden van schuld (het 'gedaan hebben') moet steunen op feiten of omstandigheden en dat dit vermoeden bovendien naar objectieve maatstaven gemeten 'redelijk' dient te zijn, dat wil zeggen "niet enkel in de oogen van den opsporingsambtenaar doch redelijk op zichzelf" (Memorie van Toelichting). Een redelijk vermoeden alleen op basis van subjectief inzicht is niet voldoende Artikel 55 "1. In geval van ontdekking op heeter daad van een misdrijf kan ieder, ter aanhouding van den verdachte, elke plaats betreden, met uitzondering van een woning zonder toestemming van de bewoner en van de plaatsen, genoemd in artikel 12 van de Algemene wet op het binnentreden (Stb. 1994, 572). 2. Zoowel in geval van ontdekking op heeter daad als buiten dat geval kan iedere opsporingsambtenaar, ter aanhouding van den verdachte, elke plaats betreden." 1.3. Artikel 67 "1. Een bevel tot voorlopige hechtenis kan worden gegeven in geval van verdenking van: ( ) b. een der misdrijven omschreven in de artikelen ( ) 285b ( ) van het Wetboek van Strafrecht. ( )" 2. Wetboek van Strafrecht Artikel 285b, eerste lid "Hij, die wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk maakt op eens anders persoonlijke levenssfeer met het oogmerk die ander te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden dan wel vrees aan te jagen wordt, als schuldig aan belaging, gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of een geldboete van de vierde categorie." 3. Aanwijzing huiselijk geweld, d.d. 11 maart 2003, Staatscourant 2003, 61 "Achtergrond 1. Begripsomschrijving
9 9 Huiselijk geweld is geweld dat door iemand uit de huiselijke kring van het slachtoffer wordt gepleegd. Hieronder vallen lichamelijke en seksuele geweldpleging, belaging en bedreiging (al dan niet door middel van, of gepaard gaand met, beschadiging van goederen in en om het huis). Zie bijlage 1 voor een overzicht van toepasbare strafbepalingen. Als verdachten van huiselijk geweld kunnen worden aangemerkt: (ex-)partners, gezins- en familieleden en huisvrienden. Verdachten en slachtoffers kunnen mannen en vrouwen zijn, en kunnen kind of volwassene (waaronder ouderen) zijn. ( ) Opsporing 1. Aanhouding [9] ( ) In geval van constatering buiten heterdaad wordt de verdachte, indien sprake is van een feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegestaan en toestemming is gekregen van de officier van justitie, zo spoedig mogelijk aangehouden. Wanneer voor het (de) geconstateerde feit(en) geen voorlopige hechtenis is toegestaan, wordt de verdachte ontboden op het politiebureau."
Rapport. Datum: 18 mei 2004 Rapportnummer: 2004/180
Rapport Datum: 18 mei 2004 Rapportnummer: 2004/180 2 Klacht Verzoeker klaagt erover dat het regionale politiekorps Haaglanden geen nader onderzoek heeft ingesteld naar aanleiding van zijn aangiften van
Rapport. Rapport over een klacht over het Openbaar Ministerie te Den Haag. Datum: Rapportnummer: 2013/044
Rapport Rapport over een klacht over het Openbaar Ministerie te Den Haag. Datum: Rapportnummer: 2013/044 2 Klacht Verzoeker klaagt erover dat de officier van justitie van het arrondissementsparket te Den
Beoordeling. h2>klacht
Rapport 2 h2>klacht Verzoekster klaagt erover dat een ambtenaar van het regionale politiekorps Limburg-Noord op 14 juli 2008 heeft geweigerd de aangifte van diefstal van haar kat op te nemen. Beoordeling
Voorts klaagt verzoeker erover dat deze politieambtenaren hem ongepaste vragen hebben gesteld.
Rapport 2 h2>klacht Verzoeker klaagt erover dat hij zonder gegronde reden in de nacht van 1 op 2 april 2009 is staande gehouden door ambtenaren van het regionale politiekorps Kennemerland. Voorts klaagt
Rapport. Datum: 29 november 2001 Rapportnummer: 2001/374
Rapport Datum: 29 november 2001 Rapportnummer: 2001/374 2 Klacht Verzoeker klaagt erover dat het regionale politiekorps Limburg-Noord onvoldoende onderzoek heeft verricht naar aanleiding van zijn aangifte
Een onderzoek naar de toekenning van een sepotcode door het Openbaar Ministerie.
Rapport Een onderzoek naar de toekenning van een sepotcode door het Openbaar Ministerie. Oordeel Op basis van het onderzoek vindt de klacht over het Openbaar Ministerie te Midden-Nederland, welke gedraging
Rapport. Datum: 30 september 2005 Rapportnummer: 2005/302
Rapport Datum: 30 september 2005 Rapportnummer: 2005/302 2 Klacht Verzoeker klaagt erover dat de korpschef van het regionale politiekorps Haaglanden in zijn brief van 31 januari 2005 niet inhoudelijk is
Rapport. Rapport over een klacht over het regionale politiekorps Amsterdam-Amstelland. Datum: 19 juli 2012. Rapportnummer: 2012/117
Rapport Rapport over een klacht over het regionale politiekorps Amsterdam-Amstelland. Datum: 19 juli 2012 Rapportnummer: 2012/117 2 Klacht Verzoeker klaagt erover dat politieambtenaren van het regionale
Rapport. Datum: 8 augustus 2007 Rapportnummer: 2007/162
Rapport Datum: 8 augustus 2007 Rapportnummer: 2007/162 2 Klacht Verzoeker klaagt over de wijze waarop ambtenaren van het regionale politiekorps Utrecht op 6 mei 2006 hebben gereageerd op zijn verzoek om
Beoordeling Bevindingen
Rapport 2 h2>klacht Verzoeker klaagt erover dat het regionale politiekorps Brabant-Noord hem niet financieel tegemoet heeft willen komen toen hij kort na een huiszoeking een geldbedrag van 1.020 miste.
Rapport. Rapport betreffende een klacht over de politiechef van de regionale eenheid Noord- Nederland. Datum: 11 februari 2015 Rapportnummer: 2015/030
Rapport Rapport betreffende een klacht over de politiechef van de regionale eenheid Noord- Nederland. Datum: 11 februari 2015 Rapportnummer: 2015/030 2 Klacht Verzoeker klaagt erover dat een politieambtenaar
Rapport. Datum: 16 november 2006 Rapportnummer: 2006/368
Rapport Datum: 16 november 2006 Rapportnummer: 2006/368 2 Klacht Verzoeker klaagt over de wijze waarop een ambtenaar van het regionale politiekorps Gelderland-Zuid hem na zijn aanhouding op 20 mei 2005
Rapport. Rapport naar aanleiding van een klacht over de regionale politie eenheid Amsterdam en het Openbaar Ministerie te Amsterdam
Rapport Rapport naar aanleiding van een klacht over de regionale politie eenheid Amsterdam en het Openbaar Ministerie te Amsterdam Datum: 30 december 2013 Rapportnummer: 2013/213 2 Feiten Verzoeker is
Rapport. Datum: 8 juni 2006 Rapportnummer: 2006/197
Rapport Datum: 8 juni 2006 Rapportnummer: 2006/197 2 Klacht Verzoeker klaagt erover dat het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (verder: het CBR): bij het ten uitvoer brengen van de Educatieve Maatregel
Rapport. Rapport over een klacht over het regionale politiekorps Zaanstreek-Waterland, thans regionale politie-eenheid Noord-Holland.
Rapport Rapport over een klacht over het regionale politiekorps Zaanstreek-Waterland, thans regionale politie-eenheid Noord-Holland. Datum: 25 februari 2014 Rapportnummer: 2014/009 2 Klacht Verzoekster
Rapport. Datum: 30 september 2005 Rapportnummer: 2005/312
Rapport Datum: 30 september 2005 Rapportnummer: 2005/312 2 Klacht Verzoekster klaagt erover dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) incorrecte informatie heeft verschaft in de brochure en op de
Rapport. Datum: 13 oktober 1998 Rapportnummer: 1998/446
Rapport Datum: 13 oktober 1998 Rapportnummer: 1998/446 2 Klacht Op 11 februari 1998 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van de heer X te Y, ingediend door de heer mr. G. Meijers, advocaat
Zie onder bevindingen of volledige tekst voor de volledige tekst van het rapport.
Rapport 2 h2>klacht Beoordeling Onderzoek Bevindingen Klacht Verzoeker klaagt erover dat het college van burgemeester en wethouders zijn klacht niet gegrond acht en geen reden ziet om zijn oprit alsnog
Rapport. Rapport over een klacht over de beheerder van het regionale politiekorps Midden en West Brabant (de burgemeester van Tilburg).
Rapport Rapport over een klacht over de beheerder van het regionale politiekorps Midden en West Brabant (de burgemeester van Tilburg). Datum: 18 mei 2011 Rapportnummer: 2011/149 2 Klacht Verzoeker klaagt
Rapport. Rapport over een klacht over de Belastingdienst/Toeslagen te Utrecht. Datum: 6 mei 2013. Rapportnummer: 2013/047
Rapport Rapport over een klacht over de Belastingdienst/Toeslagen te Utrecht Datum: 6 mei 2013 Rapportnummer: 2013/047 2 Klacht Verzoeksters klagen over de beslissing van de Belastingdienst/Toeslagen van
Rapport. Rapport over een klacht over het College van procureurs-generaal te Den Haag. Datum: 25 februari 2014. Rapportnummer: 2014/010
Rapport Rapport over een klacht over het College van procureurs-generaal te Den Haag. Datum: 25 februari 2014 Rapportnummer: 2014/010 2 Klacht Verzoeker klaagt erover dat het College van procureurs-generaal
Rapport. Rapport over een klacht over de politiechef van de regionale eenheid Limburg. Datum: 16 oktober 2013. Rapportnummer: 2013/147
Rapport Rapport over een klacht over de politiechef van de regionale eenheid Limburg. Datum: 16 oktober 2013 Rapportnummer: 2013/147 2 Aanleiding Op 7 april 2013 om 16.52 uur komt er bij de regionale eenheid
Rapport. Rapport betreffende een klacht over de directeur Belastingdienst/Zuidwest uit Roosendaal. Datum: 1 juni Rapportnummer: 2011/163
Rapport Rapport betreffende een klacht over de directeur Belastingdienst/Zuidwest uit Roosendaal. Datum: 1 juni 2011 Rapportnummer: 2011/163 2 Klacht Verzoekster klaagt over de wijze waarop de directeur
Rapport. Datum: 7 juli 2005 Rapportnummer: 2005/190
Rapport Datum: 7 juli 2005 Rapportnummer: 2005/190 2 Klacht Verzoekers klagen erover dat het regionale politiekorps Utrecht hun verzoek om vergoeding van de schade als gevolg van een politieonderzoek in
Rapport. Datum: 13 juli 2006 Rapportnummer: 2006/245
Rapport Datum: 13 juli 2006 Rapportnummer: 2006/245 2 Klacht Verzoeker, die op 22 september 2004 te Leeuwarden werd bekeurd wegens een verkeersovertreding, klaagt over de wijze waarop een ambtenaar van
Rapport. Datum: 27 december 2005 Rapportnummer: 2005/401
Rapport Datum: 27 december 2005 Rapportnummer: 2005/401 2 Klacht Verzoeker klaagt erover dat de Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) zijn verzoek om verwijdering van de stukken betreffende
Rapport. Rapport over een klacht over Openbaar Ministerie te Haarlem. Datum: Rapportnummer: 2012/119
Rapport Rapport over een klacht over Openbaar Ministerie te Haarlem. Datum: Rapportnummer: 2012/119 2 Klacht Verzoekster klaagt erover dat de hoofdofficier van justitie te Haarlem op 10 september 2010
Rapport. Datum: 12 oktober 1998 Rapportnummer: 1998/445
Rapport Datum: 12 oktober 1998 Rapportnummer: 1998/445 2 Klacht Op 5 december 1997 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van de heer H. te Arnhem, ingediend door de heer F. te Doorwerth, met
Beoordeling. h2>klacht
Rapport 2 h2>klacht Verzoeker klaagt erover dat de Belastingdienst/Toeslagen zijn bezwaarschrift tegen de voorschotbeschikking zorgtoeslag niet als zodanig heeft aangemerkt, maar als mutatie in behandeling
Als aan één van de voertuigverplichtingen niet wordt voldaan, is dat strafbaar (zie Achtergrond, onder 1. en 2.).
Rapport 2 h2>klacht Verzoeker klaagt erover dat de Dienst Wegverkeer (verder ook: RDW) hem na een periode van meer dan zeven jaar heeft aangesproken op het feit dat hij niet over een geldige APK voor zijn
Rapport. Rapport naar aanleiding van een klacht over het Openbaar Ministerie te Den Haag. Datum: 7 juli 2015 Rapportnummer: 2015/109
Rapport Rapport naar aanleiding van een klacht over het Openbaar Ministerie te Den Haag. Datum: 7 juli 2015 Rapportnummer: 2015/109 2 Aanleiding Verzoekster is advocaat en haar cliënt stelt dat hij op
Rapport. Datum: 3 maart 1999 Rapportnummer: 1999/087
Rapport Datum: 3 maart 1999 Rapportnummer: 1999/087 2 Klacht Op 15 september 1998 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van mevrouw W. te Putten, met een klacht over een gedraging van Gak Nederland
Rapport. Datum: 21 december 2006 Rapportnummer: 2006/384
Rapport Datum: 21 december 2006 Rapportnummer: 2006/384 2 Klacht Verzoeker klaagt erover dat het Centraal Justitieel Incasso Bureau bij de te late terugbetaling van een bekeuring niet standaard wettelijke
Het Centraal Justitieel Incasso Bureau (CJIB) zond verzoeker hiervoor op 4 november 2006 een beschikking met een sanctiebedrag van 40.
Rapport 2 h2>klacht Verzoeker klaagt er over dat de officier van justitie bij de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie (CVOM) op geen enkele wijze heeft gereageerd op zijn herhaalde schriftelijke verzoek
Rapport. Datum: 29 maart 2005 Rapportnummer: 2005/091
Rapport Datum: 29 maart 2005 Rapportnummer: 2005/091 2 Klacht Verzoeker klaagt erover dat de Directeur van de Voedsel en Waren Autoriteit van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit hem
Rapport. Datum: 10 maart 2006 Rapportnummer: 2006/085
Rapport Datum: 10 maart 2006 Rapportnummer: 2006/085 2 Klacht Verzoeker klaagt erover dat een ambtenaar van het regionale politiekorps Gelderland-Midden hem na zijn aanhouding op 24 december 2003 in verband
Rapport. Datum: 29 maart 2005 Rapportnummer: 2005/093
Rapport Datum: 29 maart 2005 Rapportnummer: 2005/093 2 Klacht Verzoeker klaagt erover dat de Algemeen Directeur van de Dienst Wegverkeer zijn verzoek van 16 juni 2003 om vergoeding van de kosten die hij
Rapport. Datum: 15 augustus 2001 Rapportnummer: 2001/247
Rapport Datum: 15 augustus 2001 Rapportnummer: 2001/247 2 Klacht Verzoeker klaagt erover dat het regionale politiekorps Rotterdam-Rijnmond heeft geweigerd zijn schriftelijke aangifte van 17 oktober 2000
Rapport. Datum: 3 december 2010 Rapportnummer: 2010/344
Rapport Datum: 3 december 2010 Rapportnummer: 2010/344 2 Klacht Verzoeker klaagt erover dat het regionale politiekorps Limburg-Zuid zijn meldingen van geluidsoverlast vanaf 22 oktober 2009 tot heden, welke
hem niet heeft gehoord, ondanks zijn uitdrukkelijke verzoek daartoe;
Rapport 2 h2>klacht Verzoeker klaagt over de wijze waarop de Raad voor Rechtsbijstand te Amsterdam zijn klacht van 29 juli 2008 heeft behandeld. Met name klaagt verzoeker erover dat de Raad voor Rechtsbijstand:
