Opvoeding en opvoedingsondersteuning
|
|
|
- Gerrit van de Velde
- 9 jaren geleden
- Aantal bezoeken:
Transcriptie
1 Gezinnen van de toekomst Opvoeding en opvoedingsondersteuning 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:18
2 colofon Gezinnen van de toekomst. Opvoeding en opvoedingsondersteuning auteurs Drs. C (Corine) van Egten Dr. E (Elke) Zeijl (SCP) Drs. S (Saskia) de Hoog Drs. C (Cheryl) Nankoe Drs. E (Esther) Petronia eindredactie Annemijn Molenaar (De Redactie) vormgeving VormVijf, Den Haag drukwerk Franssen & Van Iersel BV fotografie omslag Vincent Kraan oplage 500 ISBN Dit rapport is te bestellen bij E-Quality, via of (070) prijs: d 17,50 E-Quality is hét kenniscentrum voor emancipatie, gezin en diversiteit. Op basis van feiten, cijfers, praktijkvoorbeelden en onderzoeksresultaten geeft E-Quality betrouwbare informatie en objectieve adviezen aan overheden, politici en maatschappelijke organisaties. Met als doel het stimuleren van gelijke behandeling, individuele ontplooiing en gelijkwaardige ontwikkeling van álle mensen. E-Quality 2008 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm, elektronisch of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van E-Quality. 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:18
3 Gezinnen van de toekomst Opvoeding en opvoedings ondersteuning Corine van Egten Elke Zeijl Saskia de Hoog Cheryl Nankoe Esther Petronia 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:18
4 Gezinnen van de toekomst voorwoord 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:18
5 Opvoeding en opvoedings ondersteuning E-Quality 5 Voorwoord Voor u ligt het tweede deel van de onderzoeksreeks Gezinnen van de toekomst. In deze reeks geven we een beeld van de huidige situatie van gezinnen in Nederland en schetsen we de verwachtingen voor de toekomst. Het gezinsleven wordt diverser. Steeds minder gezinnen hebben de vorm van twee autochtone ouders een man en een vrouw die getrouwd zijn en samen 2 of 3 kinderen hebben. Eenoudergezinnen, stiefgezinnen, homoseksuele ouderparen, gezinnen met een (deels) buitenlandse achtergrond, de diversiteit neemt toe, zoals in het eerste deel van deze publicatiereeks, genaamd Cijfers en trends, cijfermatig beschreven werd. Het ouderlijk gezin heeft voor steeds meer kinderen niet hun leven lang meer dezelfde samenstelling. Door echtscheiding en vorming van stiefgezinnen maken kinderen opeenvolgend en soms tegelijkertijd deel uit van verschillende gezinnen: het gezin met de twee biologische ouders, het eenoudergezin na de scheiding en wellicht het stiefgezin, als de ouder een nieuwe partner vindt. In deze publicatie gaan we in op de opvoeding in de diverse gezinsvormen en op de behoefte aan ondersteuning bij de opvoeding. De overheid richt zich de laatste jaren sterker op de rol van het gezin in de samenleving en op de opvoeding van onze jeugd. Ouders hebben hierin de primaire verantwoordelijkheid, maar de overheid wil ondersteuning bieden op momenten dat ouders het alleen en ook met hulp van het eigen sociale netwerk niet redden. Welke momenten zijn dat? Wanneer redden ouders het helemaal zelf en wanneer hebben ze behoefte aan hulp? Om welke opvoedvragen gaat het dan en van wie willen ze die hulp krijgen? E-Quality en het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) hebben de krachten gebundeld om een antwoord op deze vragen te geven op basis van bestaand en nieuw onderzoeksmateriaal. Daarbij is vooral gekeken naar de situatie in enkele veel voorkomende gezinstypen: het standaard gezin (kinderen en hun twee biologische ouders), het eenoudergezin (een alleenstaande ouder met kinderen) en het stiefgezin (een ouder met een nieuwe partner en met kinderen uit een vorige relatie). Behalve verschillen tussen deze gezinstypen worden ook verschillen beschreven op grond van kenmerken als etniciteit, opleidingsniveau en arbeidsparticipatie. De beleving van de opvoeding door ouders, of ze hierbij zorgen en problemen hebben en of ze hulp zoeken, werd in het SCP-onderzoek Kinderen in Nederland (Zeijl et al 2005) al beschreven. In deze nieuwe publicatie is deze informatie door het SCP ook uitgesplitst naar de genoemde typen gezinnen. E-Quality heeft vervolgens in het 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:18
6 6 Voorwoord kader van het bredere project Gezinnen van de toekomst een kwalitatief onderzoek verricht over opvoeding en opvoedingsondersteuning. Door ouders te interviewen is verdiepend inzicht verkregen in welke zorgen ouders uit de diverse gezinstypen hebben bij de opvoeding en hoe die zorgen samenhangen met hun specifieke gezinssituaties. Tot slot werpen we op basis van de gesignaleerde ontwikkelingen en de informatie uit deze onderzoeken een blik op de toekomst: wat kunnen we verwachten, als het gaat om de opvoeding in het Nederlandse gezin van de komende decennia? Opvoeding en opvoedingsondersteuning is een gezamenlijk product van E-Quality en het SCP. E-Quality tekent voor de hoofdstukken 2 en 4, het SCP voor hoofdstuk 3. Het eerste hoofdstuk en de slotbeschouwing zijn door auteurs van beide instituten tezamen geschreven. In de epiloog beschrijft E-Quality tot slot enkele aanbevelingen voor het beleid van de overheden en de instellingen die ouders ondersteunen. We willen prof. dr. Kees de Hoog (Universiteit Wageningen), dr. Ed Spruijt (Universiteit van Utrecht), prof. dr. Jo Hermanns (Universiteit van Amsterdam) en drs. Annelies Schutte (VNG) en drs. Miranda Vroom, drs. ing. Ansgar Willenborg en drs. Marieke Koppenaal (programmaministerie voor Jeugd en Gezin) danken voor het becommentariëren van het rapport. Tot slot een woord van dank aan degenen die vanuit de voormalige Nederlandse Gezinsraad dit onderzoek hebben geïnitieerd: dr. Erna Hooghiemstra, dr. Marjolijn Distelbrink en dr. Marina Pool. Drs. Joan Ferrier Directeur E-Quality prof. dr. Paul Schnabel Directeur SCP 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:18
7 Opvoeding en opvoedings ondersteuning E-Quality 7 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:18
8 8 Inhoudsopgave Voorwoord 5 1 Opvoeden en de behoefte aan opvoedings ondersteuning in diverse gezinstypen Inleiding Achtergrond Onderzoek naar de opvoedvragen en -behoeften van ouders Nader onderzoek Vraagstelling, databronnen en afbakeningen Opzet van de publicatie 17 2 Gezinnen nu en in de toekomst, in cijfers Een- en tweeoudergezinnen in Nederland Prognoses Nieuwe ontwikkelingen in gezinnen Arbeidsdeelname van gezinnen Etnische diversiteit Samenvatting 33 3 de beleving van de opvoeding, het voorkomen van opvoedingsproblemen en het zoeken naar hulp: resultaten uit een grootschalig onderzoek Inleiding De beleving van de opvoeding Tevredenheid en verantwoordelijkheid Weten wat te doen Zorgen over de opvoeding Problemen met de opvoeding Hulp vragen Informatie zoeken Samenvatting 50 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:18
9 Opvoeding en opvoedings ondersteuning E-Quality 9 4 Opvoeding, zorgen en hulp: resultaten van interviews met moeders Beleving van de opvoeding Tevredenheid Opvoedvaardigheid en onzekerheid Gezinstypen Vragen of zorgen over het kind en de opvoeding Vragen en zorgen over het kind Vragen en zorgen in relatie tot de gezinssituatie Steun bij opvoeden Informele steun Informatie Formele hulp 99 5 Slotbeschouwing Hoe gaat het met de opvoeding? Zijn ouders bezorgd en onzeker? Welke specifieke opvoedvragen spelen in gezinnen? Voelen ouders zich voldoende gesteund? Wat betekent dit voor de toekomst? 118 Epiloog 123 Bijlage Beschrijving onderzoeksgroep geïnterviewde ouders 131 Literatuur #028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:18
10 Gezinnen van de toekomst Opvoeden en de behoefte aan opvoedings Ondersteuning in diverse gezinstypen 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:18
11 Opvoeding en opvoedings ondersteuning E-Quality 11 1 Opvoeden en de behoefte aan opvoedings Ondersteuning in diverse gezinstypen 1.1 Inleiding Het gezin en de opvoeding van kinderen daarbinnen staan momenteel prominent op de beleidsagenda. Dit in tegenstelling tot de afgelopen decennia, waarin er nauwelijks expliciet gezinsbeleid was (De Hoog, 2003). In de loop van de jaren negentig van de vorige eeuw kwam hier verandering in toen de Notitie Gezin (VWS, 1996) verscheen. In overeenstemming met de heersende tijdgeest lag in deze notitie een belangrijk accent op de combinatie van arbeid en zorg. Het vergroten van de emancipatie en arbeidsparticipatie van vrouwen en het zorgaandeel van mannen en de uitbreiding van kinderopvang, waar toentertijd een nijpend tekort aan was, waren kernkwesties. In diezelfde periode groeide de aandacht voor de opvoeding en ontwikkelingskansen van kinderen en jongeren in gezinnen. Voorzieningen die ouders bij de opvoeding ondersteunen dienden versterkt te worden. De Notitie Gezin focust nog vooral op steun en hulp aan probleemouders en probleemjeugd. In de Nota Gezinsbeleid (VWS, 2006) die tien jaar later verschijnt, is de aandacht voor opvoedingsondersteuning niet alleen vergroot, ook is zij verschoven van probleemgezinnen naar alle gezinnen. Uitgangspunt is onder andere dat opvoedingsondersteuning voor iedere ouder vanzelfsprekend moet worden (VWS, 2006: 2). Het vragen van informatie of advies aan medewerkers van het consultatiebureau of de opvoedwinkel, of het volgen van een opvoedcursus moet geen taboe, maar logisch en natuurlijk zijn. Het nieuwe Kabinet Balkenende IV zet deze lijn voort en koerst op een gezinsvriendelijk beleid door onder meer te investeren in laagdrempelige opvoedingsondersteuning, in de vorm van Centra voor Jeugd en Gezin (Ministerie van Jeugd en Gezin, 2007: 2). Bij het formuleren van een gestructureerd gezins- en jeugdbeleid is het van belang rekening te houden met ontwikkelingen in en verschillen tussen gezinnen. Niet langer kan het standaard gezin (biologische vader en moeder, autochtoon, mannelijke kostwinner, vrouw werkt niet of in deeltijd) de belangrijkste leidraad voor het beleid vormen. Gezinnen zijn in de loop der tijd steeds sterker van elkaar gaan verschillen qua samenstelling, qua verdienertype en/of qua etniciteit (vgl. Distelbrink, Lucassen en Hooghiemstra, 2005). In de nota Alle kansen voor alle kinderen (2007) van de minister voor Jeugd en Gezin staat dan ook dat het beleid inzake jeugd en gezin voor iedereen even effectief (dient te) zijn en daarom professioneel en kwalitatief op de diversiteit in de samenleving toegesneden (moet) zijn (p.2). 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:18
12 12 Opvoeden en de behoefte aan opvoedings ondersteuning in diverse gezinstypen In het project Gezinnen van de toekomst geeft E-Quality, in samenwerking met het CBS en het SCP, inzicht in de ontwikkelingen die plaatsvinden in en tussen gezinnen. In dit themadeel Opvoeding en opvoedingsondersteuning gaan we in op de vraag welke trends en ontwikkelingen te verwachten zijn in de variatie aan gezinsvormen de komende jaren en wat deze ontwikkelingen zouden kunnen betekenen voor de opvoeding en de behoefte aan opvoedingsondersteuning. Steeds wordt daarbij gekeken naar verschillen en overeenkomsten tussen opvoeders uit diverse gezinstypen. Dit themadeel wordt in opdracht van het ministerie van Jeugd en Gezin uitgevoerd door E-Quality en het SCP. Aan de hand van de analyses van E-Quality en het SCP kan de ondersteunende rol van de rijksoverheid worden versterkt. Ook kunnen de bevindingen lokale overheden attenderen op (toekomstige) ontwikkelingen en behoeften in gezinnen. Alvorens een beeld te schetsen van de ervaringen en belevingen van ouders in de volgende hoofdstukken, beschrijven we eerst, in dit hoofdstuk, de ontwikkelingen rond opvoedingsondersteuning (paragraaf 1.2). Daarna gaan we in op bestaand onderzoek naar de belevingen en vragen van ouders op het gebied van de opvoeding en richten we ons op de kwesties die nog open liggen om daarna de vraagstelling van dit onderzoek nader te specificeren (paragraaf 1.3 tot en met 1.5). 1.2 Achtergrond In de afgelopen vijftien jaar is de roep om hulp aan ouders bij de opvoeding ook wel: opvoedingsondersteuning sterker geworden. In tegenstelling tot de jaren zestig en zeventig, waarin ingrijpen in de gezinssituatie vanuit het perspectief van de toenemende individualisering, emancipatie en het ontstaan van verschillende levensstijlen al snel als betuttelend werd ervaren, is de aarzeling om zich te mengen in het gezinsleven vanaf de jaren negentig duidelijk minder groot (Wubs & Bakker 2004). De terughoudendheid van toen heeft plaatsgemaakt voor (hernieuwde) initiatieven en daadkracht nu. Aanleiding was onder meer de groeiende bezorgdheid over het probleemgedrag van jongeren en hun aansluiting bij de samenleving en daarbij de vraag of ouders altijd wel goed in staat zijn om kinderen te begeleiden op de weg naar volwassenheid. De maatschappij en de opvoeding zijn ingewikkelder geworden, ouders meer onervaren en onzekerder, hun verantwoordelijkheden groter en gevarieerder, gezinsrelaties instabieler, gezinsvormen gevarieerder en de steun aan ouders uit de omgeving beperkter, zo vatten deskundigen samen (Colpin 2001; Dieleman et al, 1997; Hermanns en Montfoort, 2005; Raad voor het jeugdbeleid, 1986; Singer, 1991). Tegen deze achtergrond groeide het besef dat het opvoeden van 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:18
13 Opvoeding en opvoedings ondersteuning E-Quality 13 kinderen niet alleen een zaak en taak is van ouders, maar van de maatschappij als geheel (Vergeer en Hermanns, 2002a). Om de ambities omtrent opvoedingsondersteuning voor alle ouders kracht bij te zetten, is in de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO, 2007) vastgelegd dat gemeenten ervoor moeten zorgen dat ouders in de buurt advies en informatie over de opvoeding moeten kunnen inwinnen als zij vragen hebben of problemen ervaren. 1 Om te voorkomen dat ouders verdwaald raken op de weg naar hulp heeft de Operatie Jong (2006) voorgesteld om te komen tot één laagdrempelig loket voor alle jeugd en hun ouders: een Centrum voor Jeugd en Gezin. Zo n centrum is er om vragen van ouders en jongeren te beantwoorden, maar ook om problemen te signaleren en aan te pakken, hetzij door zelf een hulpaanbod te doen, hetzij door doorverwijzing naar Bureau Jeugdzorg, en de gekregen hulp te coördineren. Het nieuwe kabinet heeft aangegeven de totstandkoming van deze Centra voor Jeugd en Gezin met kracht ter hand te willen nemen door te streven naar een landelijk dekkend systeem van Centra voor Jeugd en Gezin in 2011 (Ministerie van Jeugd en Gezin, 2007: 29). Met betrekking tot de vormgeving van het opvoedingsondersteuningsaanbod is het van belang te weten welke vragen en behoeften op het terrein van de opvoeding bij ouders leven. Opvoedingsondersteuning werkt immers het beste als het goed aansluit bij de vragen van ouders. Maar in hoeverre hebben ouders eigenlijk vragen over en problemen met de opvoeding van hun kinderen? In hoeverre hebben ze behoefte aan hulp en bij wie zoeken ze die? Zijn er daarbij verschillen aan te wijzen tussen ouders uit verschillende gezinstypen? En wat valt op basis hiervan te verwachten in de toekomst? 1.3 Onderzoek naar de opvoedvragen en -behoeften van ouders Ondanks dat in het afgelopen decennium veel projecten en initiatieven voor opvoedingsondersteuning zijn opgestart, is het onderzoek opvallend achter gebleven. Dit geldt niet alleen voor onderzoek naar de effectiviteit van aangeboden opvoedingsprogramma s waarin de afgelopen tijd overigens diverse initiatieven ter verbetering zijn genomen (zie o.a. en ZonMW), maar 1 In de Memorie van Toelichting bij deze wet wordt hier verder richting aan gegeven door te stellen dat gemeenten hun beleid op het gebied van opvoeding en de ontwikkeling van jongeren nader invulling dienen te geven aan de hand van een vijftal functies ( 1. informatie verstrekken en advisering aan ouders en jongeren over opvoeden en opgroeien; 2. signaleren van problemen door instellingen als jeugdgezondheidszorg en onderwijs; 3. regelen van de toeleiding naar hulp; 4. er moet licht pedagogische hulp beschikbaar zijn; 5. coördineren van zorg in gezin op lokaal niveau. 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:19
14 14 Opvoeden en de behoefte aan opvoedings ondersteuning in diverse gezinstypen ook voor onderzoek naar de vragen en behoeften van ouders. Regioplan berekende in 2004 bijvoorbeeld dat ongeveer tweederde van de gemeenten in Nederland weinig tot geen zicht had op de vragen en behoeften van ouders (De Weerd en Krooneman, 2004). Het NIZW (2006: 9) constateerde onlangs nog dat er dringend behoefte is aan nieuw representatief onderzoek naar opvoeding en ondersteuning dat als basis kan dienen voor opvoedingsbeleid. De belangwekkende studies naar de opvoedvragen en -behoeften van ouders, die vandaag de dag nog vaak worden aangehaald, zijn al snel acht tot tien jaar oud. Eén van de weinige, recent uitgevoerde, grootschalige onderzoeken dat aan dit onderwerp raakt, is de studie Kinderen in Nederland van het SCP en TNO (Zeijl et al 2005). In dit onderzoek passeert een diversiteit aan thema s de revue en wordt een breed en algemeen beeld geschetst van de leefsituatie van 0-12-jarigen in Nederland. Het gaat onder meer in op de opvoedingsbeleving en -problemen van verschillende groepen ouders en de mate waarin zij steun zoeken en bij wie. Daarbij wordt niet alleen een oordeel aan ouders gevraagd, maar ook aan medewerkers van de jeugdgezondheidszorg (JGZ=consultatiebureaus en GGD en). Het beeld dat uit deze studie naar voren komt over de opvoeding, is gunstig te noemen. De meeste ouders zijn, naar eigen zeggen, tevreden opvoeders die de opvoeding niet bijzonder belastend vinden en doorgaans weten wat ze moeten doen in verschillende opvoedsituaties. Slechts zes procent is ronduit negatief. Deze ouders zijn ontevreden, voelen zich belast en weinig competent. Medewerkers van de JGZ bevestigen in grote lijnen dit positieve beeld. Bij vijftien procent van de ouders namen zij opvoedingsproblemen waar, waarvan vijf procent zware problemen had op het moment van onderzoek. Tegelijkertijd laat Kinderen in Nederland zien dat het hebben van een negatieve beleving van de opvoeding en van opvoedproblemen alles behalve willekeurig verdeeld is over gezinnen. Met name de sociaal-economische status van het gezin en de cultureel-etnische achtergrond van de ouders spelen een belangrijke rol. Dit geldt in het bijzonder als meerdere risicofactoren tegelijkertijd in hetzelfde gezin voorkomen. Of de moeder werkt of niet werkt maakt doorgaans weinig uit, al constateren JGZ-medewerkers wel iets meer opvoedproblemen in kostwinnersgezinnen ten opzichte van gezinnen waar beide ouders werken. Hetzelfde geldt overigens voor ouders met jongens ten opzichte van ouders met meisjes en ouders met één kind ten opzichte van ouders met meerdere kinderen. 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:19
15 Opvoeding en opvoedings ondersteuning E-Quality Nader onderzoek Ondanks dat het algemene beeld dat uit Kinderen in Nederland naar voren komt gunstig te noemen is, wordt tegelijkertijd duidelijk dat er een grote diversiteit aan belevingen en ervaringen achter dit algemene beeld schuilgaat. De sociaaleconomische status, de cultureel-etnische achtergrond, de gezinssamenstelling (één versus twee ouders, de sekse en leeftijd van de kinderen), en het al dan niet werken van (één van) beide ouders zijn allemaal factoren die, in meer of mindere mate, impact kunnen hebben op de opvoedbeleving van ouders, de wijze waarop zij met hun kinderen omgaan en de opvoedproblemen die zij tegenkomen. In het kader van beleidsvorming inzake opvoedingsondersteuning en het ontwikkelen van een aanbod dat aansluit bij vragen en behoeften van ouders in de toekomst lijkt het van belang meer zicht te krijgen op de wereld achter deze diversiteit. Wat betekent tevreden zijn over de opvoeding precies en wat maakt ouders tevreden? Of wat geeft hen een belast gevoel in de opvoeding? Wat zijn aanleidingen voor problemen en in hoeverre doen zich daarbij belangrijke verschillen tussen groepen ouders voor? Daarbij is niet alleen de vraag aan de orde of ouders in verschillende mate zorgen hebben over algemene opvoedproblemen (slecht eten of slapen, verlegen zijn, dwars gedrag enzovoort) waar veel ouders vroeg of laat in meer of mindere mate mee te maken krijgen en die in Kinderen in Nederland beschreven worden. Het is ook van belang na te gaan of ouders uit niet-standaard gezinnen misschien met specifieke kwesties worstelen die voortvloeien uit het feit dat ze tot een alternatieve gezinsvorm behoren. In dit verband is het bovendien zaak zicht te krijgen op de vraag in hoeverre ouders uit nietstandaard gezinnen geconfronteerd worden met vooroordelen in de maatschappij. In hoeverre komt dit voor en hoe gaan ouders daarmee om? En bij wie gaan ze te rade, en hebben ze dan het gevoel onbevooroordeeld tegemoet getreden te worden door hun hulpverleners. Bovendien doet de vraag zich voor of ouders zelf het gevoel hebben beter hun best te moeten doen in de opvoeding dan andere ouders omdat zij afwijken van de norm (vgl. Bos, 2004). Een tweede reden om meer inzicht te willen krijgen in de wereld achter de diversiteit in opvoedingservaringen is dat er in het algemeen twijfels bestaan over de opvoedkwaliteiten van opvoeders vandaag de dag. In de Nota Gezinsbeleid van 2006 komt dit bijvoorbeeld duidelijk naar voren. Gesteld wordt dat het relatief positieve beeld over de opvoeding uit onderzoek niet wegneemt dat de overheid zich zorgen maakt over de groeiende opvoedingsonzekerheid van ouders. Ouders van nu en van de toekomst zijn onzekere opvoeders, aldus de nota, omdat normerende kaders nu minder duidelijk zijn dan vroeger, de buurt als medeopvoeder is weggevallen en de 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:19
16 16 Opvoeden en de behoefte aan opvoedings ondersteuning in diverse gezinstypen informatierevolutie de wereld van ouders en kinderen ingewikkelder heeft gemaakt (2006: 10 en 33). Ouders zouden bovendien, mede door de vele informatie over opvoeden, perfecte opvoeders willen zijn: ze willen het misschien wel te goed doen. Onduidelijk is echter of ouders in het algemeen dit inderdaad zo ervaren en of het dan voor alle ouders in dezelfde mate geldt. Onbekend is bijvoorbeeld of ouders uit alternatieve gezinsvormen onzekerder zijn en/of perfectere opvoeders willen zijn dan ouders uit het standaardgezin en in hoeverre dit met hun uitzonderingspositie te maken heeft, net zoals de vraag of zij misschien in dit verband specifieke behoeften aan hulp hebben. 1.5 Vraagstelling, databronnen en afbakeningen In deze studie willen we meer zicht krijgen op deze kwesties door én het bestaande materiaal uit Kinderen in Nederland nogmaals te bezien én nieuw materiaal te verzamelen daar waar lacunes zijn. De hoofdvraag luidt daarbij: Hoe ervaren ouders uit verschillende gezinsvormen de opvoeding, welke vragen hebben zij met betrekking tot de opvoeding van hun kinderen en welke informele of formele ondersteuning gebruiken of wensen ouders in de opvoeding. Deze hoofdvraag valt uiteen in de volgende deelvragen: In hoeverre hebben ouders uit verschillende gezinsvormen algemene dan wel specifieke opvoedvragen die samenhangen met hun gezinssituatie en hoe belastend zijn die vragen? In hoeverre en op welke wijze wordt er hulp gezocht door ouders uit verschillende gezinstypen en hoe bevalt die hulp? Hoe beleven ouders uit verschillende gezinsvormen de opvoeding en in hoeverre worden ze geconfronteerd met vooroordelen van de buitenwereld? Wat valt er in de toekomst te verwachten met betrekking tot de behoefte van gezinnen aan opvoedingsondersteuning en de vorm en inhoud van die ondersteuning? Met behulp van het databestand van Kinderen in Nederland is de beleving van de opvoeding van ouders uit verschillende gezinsvormen, de zorgen die zij hebben over algemene opvoedkwesties en hun opvoedproblemen nader uitgediept. Bovendien kon een grove schets gemaakt worden van de behoefte van ouders aan opvoedingsondersteuning. In aanvulling hierop zijn ouders uit verschillende gezinsvormen geïnterviewd over hun opvoedingsvragen en -onzekerheid, het streven naar perfectie en de vraag of er misschien specifieke ervaringen of kwesties zijn in 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:19
17 Opvoeding en opvoedings ondersteuning E-Quality 17 de opvoeding die te maken hebben met de gezinsvorm waarin zij leven. Ook werd gevraagd naar hun ervaringen met hulpverlening. Leeftijd van de kinderen Er is voor gekozen om bij de analyses alleen gezinnen met een kind in de basisschool leeftijd (4-12 jaar) te selecteren. Op deze leeftijd worden kinderen steeds meer betrokken bij de buitenwereld en ontwikkelt het normatieve bewustzijn zich verder. In tegenstelling tot de eerste levensjaren en/of de puberteit is dit een relatief rustige ontwikkelingsfase. Wel zetten kinderen rond deze tijd zelfstandig de eerste stappen in de buitenwereld. Op deze leeftijd krijgen kinderen mogelijk ook te maken met opmerkingen uit de buitenwereld. Gezinstypen In dit themadeel concentreren we ons op gezinstypen die in de komende jaren prominent aanwezig zullen zijn of flink in aantal toenemen. Aangezien verschillende gezinsvormen een (al dan niet grote) groei lijken door te maken (Boekhoorn & De Jong, 2008), is het nodig ons toe te spitsen. Twee belangrijke ontwikkelingen die zich de afgelopen decennia tussen en in gezinnen hebben voorgedaan, spelen daarbij een centrale rol. Allereerst, het losser worden van gezinsverbanden, wat onder meer tot uiting komt in een toenemende aantal éénouder- en stiefgezinnen. En, ten tweede, het toenemende aantal werkende moeders. Voor de selectie van de gezinnen betekent dit dat we ons enerzijds zullen richten op verschillen in de gezinssamenstelling, met name het aantal ouders in het gezin en de oorspronkelijkheid van de ouders in het gezin (één ouder, twee biologische ouders en twee ouders waarvan één stief en één biologisch), en anderzijds op verdienerstypen (moeder in het gezin werkt wel of niet). Ook zal bij de analyses rekening worden gehouden met de etniciteit van de ouders/gezinnen, niet in de laatste plaats omdat het aantal ouders uit etnische minderheidsgroepen sterk is toegenomen, en, indien mogelijk, met het opleidingsniveau van de ouders. 1.6 Opzet van de publicatie In hoofdstuk 2 beschrijven we de belangrijkste trends en ontwikkelingen die te verwachten zijn in de variatie aan gezinsvormen de komende jaren. Om vervolgens een goed beeld te krijgen van de opvoedervaringen van ouders en hun behoefte aan hulp worden in hoofdstuk 3 eerst algemene cijfers en feiten gepresenteerd over de mate waarin problemen met de opvoeding zich voordoen en het gebruik van preventieve opvoedingsondersteuning. Door middel van analyses op het 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:19
18 18 Opvoeden en de behoefte aan opvoedings ondersteuning in diverse gezinstypen 0-12-jarigenonderzoek van het SCP, die zijn toegespitst op de bovengenoemde gezinsvormen, bekijken we welke ouders met name problemen ondervinden bij de opvoeding en in hoeverre zij behoefte hebben aan en gebruik maken van opvoedingsondersteuning. In hoofdstuk 4 worden deze gegevens nader uitgediept met behulp van interviews onder moeders. Doel van dit kwalitatieve deel is de overeenkomsten en verschillen tussen ouders uit verschillende gezinsvormen nader te verkennen met betrekking tot het ervaren van specifieke opvoedvragen en de mate van opvoedingsonzekerheid, het ervaren van (voor)oordelen uit de omgeving, het mogelijk streven naar perfectie en de behoefte aan en ervaring met (specifieke) ondersteuning. Tot slot zal gereflecteerd worden op de vraag wat deze bevindingen betekenen voor de toekomstige ontwikkelingen in de vraag naar opvoedingsondersteuning en wat dit zou kunnen betekenen voor de ondersteunende rol van de overheid op dit terrein. 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:19
19 Opvoeding en opvoedings ondersteuning E-Quality 19 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:19
20 Gezinnen van de toekomst Gezinnen nu en in de toekomst, in cijfers 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:19
21 Opvoeding en opvoedings ondersteuning E-Quality 21 2 Gezinnen nu en in de toekomst, in cijfers Om een indruk te geven van de toenemende diversiteit van de gezinnen in Nederland en de belangrijkste gezinsvormen, worden hier enkele cijfers gepresenteerd. De algemene cijfers over gezinnen in Nederland, die hier aan bod komen, staan in Gezinnen van de toekomst deel A uitvoeriger beschreven. In dit hoofdstuk spitsen we, waar mogelijk, de informatie toe op gezinnen met kinderen in de leeftijd van 4 12 jaar en op ontwikkelingen die van invloed zijn op de opvoeding van kinderen in deze leeftijdscategorie. Verder maken we onderscheid tussen de meest voorkomende gezinstypen: tweeoudergezinnen waaronder gezinnen met twee biologische ouders en stiefgezinnen en eenoudergezinnen. Verder kijken we naar de werksituatie van de ouders en de vijf meest voorkomende etniciteiten (autochtoon, Surinaams, Turks, Marokkaans en Antilliaans). Aangezien de onderzoeksvragen zich toespitsen op de meest voorkomende gezinstypen zullen we ons in dit hoofdstuk hierop richten en geen expliciete aandacht besteden aan andere typen gezinnen, zoals gezinnen met ouders van gelijk geslacht, adoptiegezinnen, pleeggezinnen en woongroepen. 2.1 Een- en tweeoudergezinnen in Nederland Begin 2007 telde Nederland 7,2 miljoen huishoudens waaronder 2,53 miljoen gezinnen (35,1%), dat wil zeggen huishoudens met één of twee ouders met thuiswonende kinderen. Het aantal gezinnen steeg de afgelopen tien jaar gemiddeld met ruim twee procent. Het aantal huishoudens stijgt echter sneller, zodat het aandeel gezinnen op het aantal huishoudens licht daalt. Ter vergelijking: in 1995 lag het aantal op 2,47 miljoen (38,2% van het totaal aantal huishoudens). Een meerderheid van de bevolking woont in een huishouden met kinderen, hetzij als ouder, hetzij als kind. In 2006 was dat 56 procent. Dat aandeel zal de komende decennia afnemen tot iets boven de 50 procent in Het grootste deel van de gezinnen, bijna 2,1 miljoen (circa 82%), bestond in 2007 uit (echt)paren met kinderen. Daarnaast waren er bijna 460 duizend eenoudergezinnen. 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:19
22 22 Gezinnen nu en in de toekomst, in cijfers Tabel 2.1 Type gezin in aantallen 2000 en (aantallen x 1.000) Alle gezinnen Gehuwde paren Niet-gehuwde paren Eenoudergezinnen Bron: CBS In onderstaande grafiek zien we een lichte afname van het aandeel gehuwde tweeoudergezinnen en een lichte toename van het aandeel niet-gehuwde tweeoudergezinnen en het aandeel eenoudergezinnen, op het totale aantal gezinnen. Tot de niet-gehuwde paren behoren ook ouders met geregistreerd partnerschap. Figuur 2.1 Aandeel een- en tweeoudergezinnen, (in %) gehuwd niet-gehuwd eenouderhuishouden Bron: CBS Tweeoudergezinnen Van de tweeoudergezinnen was in 2006 in bijna 87 procent van de gevallen sprake van een gehuwd paar, 13 procent wordt gevormd door een ongehuwd paar. Alhoewel het gehuwde paar met kinderen nog steeds het meest voorkomende gezinstype is, is dit in de afgelopen tien jaar licht gedaald, terwijl het aantal niet-gehuwde paren met kinderen verdubbelde (Alders, 2004). Bij de tweeoudergezinnen met het jongste en/ of oudste kind in de leeftijd van 4 12 jaar is per 1 januari procent gehuwd, de overige 14 procent woont ongehuwd samen. Eenoudergezinnen Het aantal alleenstaande ouders van minderjarige kinderen is tussen 2000 en 2007 gestegen van 384 duizend tot 459 duizend. Sinds 2004 is nog sprake van een 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:20
23 Opvoeding en opvoedings ondersteuning E-Quality 23 lichte stijging, van ongeveer 2 procent per jaar. Dit aantal neemt dus niet (meer) drastisch toe, ondanks het feit dat elk jaar circa paren scheiden. Voor veel eenoudergezinnen is deze situatie van tijdelijke aard. Ongeveer de helft van de gescheiden ouders woont namelijk binnen drie jaar na de scheiding weer met een nieuwe partner samen en meer dan tweederde heeft binnen zes jaar weer een relatie (gehad) (Van Hoorn, Van Huis, Keij & De Jong, 2001) In een grote meerderheid (84% in 2006) van de eenoudergezinnen is de alleenstaande ouder een vrouw. Meestal gaat het om een gescheiden vrouw, omdat na de meeste scheidingen de kinderen bij de moeder gaan wonen. Ongeveer de helft van de eenoudergezinnen is ontstaan door echtscheiding, maar van de alleenstaande moeders is ongeveer de helft nooit gehuwd geweest, al dan niet bewust of gewenst. Deze gezinsvorm omvat dus verschillende categorieën: gescheiden ouders (met kinderen uit een huwelijk of kinderen uit een ongehuwde samenwoonrelatie), moeders die sinds (voor) de geboorte van het kind alleenstaand zijn en ouders die met hun kinderen achterblijven wanneer hun partner overlijdt. Co-ouderschap Een relatief nieuwe leefvorm is het co-ouderschap of gedeeld ouderschap na echtscheiding of na ongehuwd samenwonen. Voordien kreeg bij een scheiding uitsluitend de verzorgende ouder, in de meeste gevallen de moeder, automatisch het ouderlijk gezag. De andere ouder werd toeziend voogd. Sinds een wetswijziging in 1998 blijft het gezamenlijke ouderlijk gezag behouden. Veelal wonen de kinderen afwisselend bij hun moeder en vader in huis en worden door beiden opgevoed. In de meeste gevallen hebben zowel de moeder als de vader in een regelmatige afwisseling de zorg voor het kind of de kinderen. Het kind of de kinderen verblijven in deze situatie regelmatig en met een vast patroon bij elk van de ouders. Co-ouderschap blijkt sinds 1998 sterk te zijn toegenomen. Volgens het Onderzoek gezinsvorming 2003 van het CBS was in ongeveer 15 procent van de gescheiden relaties met kinderen sprake van co-ouderschap (De Graaf, 2005). In 1998 gold het co-ouderschap (bij kinderen in alle leeftijdsgroepen) nog maar voor minder dan 5 procent (De Graaf, 2001). Overigens blijkt de definitie van co-ouderschap nog niet geheel eenduidig voor ouders: vaders spreken bijvoorbeeld vaker van co-ouderschap dan moeders (Spruijt, 2007). Door het co-ouderschap zijn er in Nederland meer gezinnen dan uit de cijfers van het CBS blijkt; de cijfers zijn namelijk gebaseerd op het gezin waar het kind officieel ingeschreven staat. De andere ouder wordt hierdoor niet als gezin aangemerkt, 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:20
24 24 Gezinnen nu en in de toekomst, in cijfers tenzij hier wel andere kinderen ingeschreven staan. In co-ouderschapsituaties is de andere ouder wel een belangrijke mede-opvoeder, die ook behoefte kan hebben aan opvoedingsondersteuning. Vaak zijn dit vaders, omdat veel kinderen bij hun moeder staan ingeschreven. Overigens krijgen veel meer kinderen dan de hier genoemde 15 procent na de scheiding van hun ouders te maken met meer dan één gezin of opvoedingsstijl. Kinderen die bij hun moeder of vader wonen, kunnen ook te maken krijgen met een stiefouder. Dit kan in het ouderlijk huis zijn, waar zij feitelijk wonen, maar ook in de weekenden en/of vakanties, wanneer ze bij de andere ouder verblijven. Stiefgezinnen In 2007 heeft het CBS voor het eerst een schatting gemaakt van het aantal stiefgezinnen in Nederland (Steenhof, 2007). Net als bij het gedeeld ouderschap na scheiding is het aantal stiefgezinnen niet exact bekend, vanwege de registratie van kinderen op slechts één adres. Uit de schattingen van het CBS blijkt dat het aantal stiefgezinnen de laatste jaren is toegenomen in Nederland (zie tabel 2.2), van 115 duizend stiefgezinnen in 1998 naar 149 duizend in Het aandeel stiefgezinnen onder tweeoudergezinnen steeg daarmee van 5,5 procent in 1998 naar 7,2 procent in Uit tabel 2.2 is af te leiden dat in ruim 80 procent van de gevormde stiefgezinnen de moeder de biologische ouder is. De meeste kinderen in stiefgezinnen krijgen dus te maken met een stiefvader. Doordat kinderen vaak op het adres van de moeder staan ingeschreven, zijn er relatief weinig vader(stief)gezinnen in de cijfers vertegenwoordigd. Het komt relatief weinig voor dat stiefgezinnen kinderen uit eerdere relaties van beide ouders omvatten. In ongeveer een derde van de stiefgezinnen hebben ouders ook gezamenlijke kinderen. 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:20
25 Opvoeding en opvoedings ondersteuning E-Quality 25 Tabel 2.2 Aantal stiefgezinnen (aantallen x 1.000) Totaal Waarvan kinderen uit eerdere relatie moeder kinderen uit eerdere relatie vader kinderen uit eerdere relaties beide ouders Aandeel stiefgezinnen in % van het totaal aantal tweeoudergezinnen 5,5 5,8 6,2 6,7 7,0 7,2 Bron: CBS 2.2 Prognoses We geven hier enkele verwachtingen omtrent gezinnen voor de komende jaar weer. Vanzelfsprekend gaat het hier om ontwikkelingen die verwacht worden indien de omstandigheden en het beleid gelijk blijven. Is dat vanzelfsprekend? Je hebt toch ook andere ramingsmodellen. Ook de komende jaren zal het aantal gezinnen nog licht toenemen, zo blijkt uit de huishoudensprognose van het CBS. Vanaf 2013 treedt naar verwachting een lichte daling op. Begin 2007 was 35 procent van alle huishoudens een gezin, in 2020 zal dit ongeveer 32 procent zijn. Het aantal paren zonder kinderen en het aantal alleenstaanden groeit en dus zal het aandeel gezinnen in het totale aantal huishoudens in de periode enigszins afnemen. Figuur 2.2 Gezinnen in % van het totaal aantal huishoudens, prognose TweeoudergeZin eenoudergezin Bron: CBS 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:20
26 26 Gezinnen nu en in de toekomst, in cijfers Het aantal eenoudergezinnen maakt in 2007 ruim 6 procent van alle huishoudens uit te weten 460 duizend. Dit aandeel verandert in de toekomst niet veel: de geringe groei zet de komende jaren nog door tot 491 duizend in 2020 en zal daarna naar verwachting stabiliseren (zie figuur 2.3). Van alle gezinnen (huishoudens met kinderen) vormen eenoudergezinnen dan bijna een vijfde deel. Hoewel het aantal eenoudergezinnen niet sterk zal stijgen, zullen meer kinderen (een deel van) hun jeugd doorbrengen in een eenoudergezin. Ook in de toekomst zal een deel van de alleenstaande ouders na verloop van tijd een stiefgezin gaan vormen, hierover zijn echter geen prognoses opgesteld. 2.3 Nieuwe ontwikkelingen in gezinnen Naast de diversiteit aan gezinsvormen, waarvan we hierboven slechts de meest voorkomende vormen hebben beschreven, worden gezinnen meer divers op andere kenmerken, zoals de arbeidsdeelname van de ouders, de verdeling van werk en zorg tussen de partners en de etnische samenstelling van gezinnen Arbeidsdeelname van gezinnen Waren gezinnen in Nederland vroeger veelal kostwinnersgezinnen de vader werkt en de moeder zorgt voor de kinderen tegenwoordig zien we veel verschillende taakverdelingen tussen partners, doordat meer vrouwen gaan werken. Arbeidsdeelname moeders De arbeidsdeelname van moeders met minderjarige kinderen is de laatste jaren aanzienlijk toegenomen (Van der Valk, 2007). In 2005 werkte 61 procent van deze moeders 12 uur of meer buitenshuis, in 1996 was dit nog 42 procent. Het aandeel vrouwen met minderjarige kinderen dat in het geheel niet op de arbeidsmarkt participeert de werkzoekenden en de niet-werkzoekenden is afgenomen. In 1996 was dit 46 procent, in procent. Meer moeders zijn dus gaan of blijven werken, maar dan vooral in deeltijd. In 2005 had minder dan een op de tien vrouwen met minderjarige kinderen een voltijdbaan. De meeste werkende moeders hadden echter een deeltijdbaan. Drie dagen per week werken (20 27 uur) was het meest populair. Bijna 10 procent van de moeders had een kleine baan (minder dan 12 uur per week). De geboorte van het eerste kind heeft de afgelopen jaren een steeds kleiner effect op het werken door de moeder. Zo komt het steeds minder voor dat vrouwen helemaal stoppen met werken als ze moeder worden. In 1997 stopte nog 25 procent van deze 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:20
27 Opvoeding en opvoedings ondersteuning E-Quality 27 moeders met werken na de geboorte, in 2005 is dit aantal verlaagd naar 10 procent van de werkende moeders. Figuur 2.3 Vrouwen naar werksituatie voor en na geboorte 1e kind (geboorteperiode ) (in %) Bron: CBS Arbeidsdeelname tweeoudergezinnen De toenemende arbeidsparticipatie van moeders heeft vanzelfsprekend consequenties voor de taakverdeling binnen gezinnen. In 1996 was nog bij de helft van de gezinnen met minderjarige kinderen sprake van kostwinnersgezin (één fulltime werkende kostwinner (35 uur of meer), de partner werkt niet of hooguit 11 uur). Vervolgens is in de periode tot 2007 het aantal kostwinnersgezinnen afgenomen tot minder dan een derde. Het aantal tweeverdieners (beide partners werken 35 uur of meer) is licht gestegen in de afgelopen tien jaar, maar vormt nog steeds een kleine groep. In 2006 waren in zeven procent van de tweeoudergezinnen beide partners fulltime werkzaam. Het aandeel anderhalfverdienergezinnen met minderjarige kinderen is daarentegen in de afgelopen tien jaar flink gestegen: van 31 procent naar 48 procent. In deze gezinnen werkt de ene partner vaak de vader fulltime en de andere partner vaak de moeder parttime (tussen de 12 en 34 uur per week). Slechts weinig ouders, met of zonder minderjarige kinderen, werken beiden in deeltijd. Ook als we specifiek kijken naar paren met kinderen in de leeftijd van 4 tot en met 12 jaar, de basisschoolleeftijd, zien we dat het anderhalfverdienersmodel de boventoon is gaan voeren. 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:21
28 28 Gezinnen nu en in de toekomst, in cijfers Figuur 2.4 Arbeidsdeelname van paren met minderjarige kinderen, (in %) Bron: CBS Arbeidsdeelname eenoudergezinnen In 2004 behoorde 65 procent van de alleenstaande ouders tot de beroepsbevolking, in 1996 was dat nog 54 procent. Alleenstaande moeders geven relatief vaak aan minder uren te willen werken wanneer de kinderen klein zijn (0-3 jaar). Naarmate de kinderen groter zijn, willen deze moeders juist vaker meer uren werken. Voor alleenstaande moeders geldt dat in veel sterkere mate dan voor moeders met een partner. De arbeidsdeelname van vrouwen met kinderen is lager dan die van alle vrouwen van jaar. De enige uitzondering hierop vormen alleenstaande moeders met kinderen op de middelbare school, die bijna even vaak actief zijn op de arbeidsmarkt. Alleenstaande moeders zijn evenwel relatief vaak werkloos. Bijna 12 procent van de alleenstaande moeders is op zoek naar werk voor twaalf uur of meer per week. Daarmee zijn zij ruim tweemaal zo vaak werkloos als moeders met een partner. Figuur 2.5 Bruto arbeidsparticipatie van ouders, (in %) Bron: CBS 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:21
29 Opvoeding en opvoedings ondersteuning E-Quality 29 Van de moeders met minderjarige kinderen die in voltijd werken, was 20 procent alleenstaand. Dat is aanzienlijk meer dan bij moeders met een deeltijdbaan, van de moeders met werk voor uur was slechts zes procent alleenstaand. De laatste jaren is het aantal alleenstaande ouders dat niet tot de beroepsbevolking hoort, dat dus geen baan heeft van minimaal 12 uur of hier naar op zoek is, flink gedaald Etnische diversiteit Een groeiend deel van de gezinnen wordt gevormd door niet-westers allochtone gezinnen, gezinnen waarvan een of meer van de grootouders in een niet-westers land zijn geboren. 2 Het gaat hier dus deels om ouders die zelf in het buitenland geboren zijn, maar deels ook om ouders die in Nederland geboren zijn, en waarvan een van hun ouders in een niet-westers land geboren is. In dat geval spreken we hier ook van een niet-westerse herkomst. Begin 2006 gold dat van alle gezinnen ruim 13 procent werd gevormd door één of twee niet-westers allochtone ouders met inwonende kinderen. In totaal gaat het om gezinnen, waarbinnen een of beide ouders van niet-westerse herkomst is. Wanneer we naar de gezinnen kijken waarbij beide ouders van niet-westerse herkomst zijn, ligt het aantal gezinnen op ruim Dit is elf procent van het totaal aantal gezinnen. Niet-westers allochtone huishoudens vormen vaker dan gemiddeld een gezin, onder andere doordat de niet-westers allochtone bevolking jonger is dan de autochtone bevolking. Van de Turkse huishoudens is bijvoorbeeld ruim de helft een gezin, van de autochtone huishoudens één op de drie. Tabel 2.3 Aantal en type gezinnen naar klassieke herkomstlanden, 2006 (aantallen x 1.000) Turks Marokkaans Surinaams Antilliaans 3 autochtoon Totaal aantal gezinnen waarvan % eenoudergezin Aantal tweeoudergezinnen waarvan % niet gehuwd Bron: CBS 2 Volgens de definitie van CBS is iemand allochtoon als tenminste één van de ouders in het buitenland geboren is. Niet-westers betekent in dit geval dat tenminste één van de ouders is geboren in Turkije, Afrika, Latijns-Amerika of Azië, met uitzondering van Japan en Indonesië. 3 In de tabellen en grafieken van het rapport worden bij de bespreking van Antillianen personen van Antiliaanse en Arubaanse herkomst bedoeld. 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:21
30 30 Gezinnen nu en in de toekomst, in cijfers Binnen groepen met een Surinaamse en Antilliaanse achtergrond vinden we het hoogste aantal eenoudergezinnen (45 respectievelijk 50%) en ook het grootste percentage ongehuwde ouders in tweeoudergezinnen (beide 30%). Daarnaast zijn Antilliaanse en Surinaamse ouders zowel de eerste als de tweede generatie relatief vaak met een autochtoon getrouwd of samenwonend. Turkse, Marokkaanse en autochtone gezinnen hebben ongeveer gelijke percentages eenoudergezinnen (16 18%). Als het gaat om ongehuwde samenwoning is bij de Turkse en Marokkaanse gezinnen slechts één op de twintig ouderparen ongehuwd. Bij de autochtone gezinnen is bij de tweeoudergezinnen ongeveer één op de acht niet gehuwd. Allochtoon eenouderschap In eenderde van de eenoudergezinnen is de ouder niet-westerse allochtoon. Onder Surinamers is het aantal eenoudergezinnen met 32 duizend het grootst, op afstand gevolgd door Antillianen/Arubanen en Turken met beide circa 13 duizend. Het aantal Marokkaanse en Turkse eenoudergezinnen is nog betrekkelijk klein (9 duizend en 13 duizend), maar vertoont wel een zeer sterke groei. Sinds 2000 zijn de aantallen Marokkaanse en Turkse eenoudergezinnen met 46 en 42 procent toegenomen. Ook onder Antillianen was de toename met 28 procent bovengemiddeld. Lager dan gemiddeld was de groei onder Surinamers en autochtonen. De kans op alleenstaand moederschap is het grootst onder Antilliaanse en Surinaamse vrouwen. Rond 40-jarige leeftijd zijn ruim vier op de tien Antilliaanse vrouwen alleenstaande moeder. Onder Surinaamse vrouwen is dit ongeveer eenderde, en onder Turkse en Marokkaanse vrouwen van deze leeftijd eenzesde. Het laagst is het aandeel alleenstaande moeders onder autochtone vrouwen. Van hen maakt rond 40-jarige leeftijd een op de twaalf deel uit van een eenoudergezin. Van de ruim 3 miljoen kinderen tot 15 jaar die ons land telt, leven er 360 duizend (12%) in een eenoudergezin. Onder jonge kinderen ligt dit aandeel lager, omdat veel eenoudergezinnen vaak ontstaan door echtscheiding. Van de Antilliaanse en Arubaanse kinderen leeft echter al bijna de helft vanaf de geboorte in een gezin met één ouder. Ook onder Surinaamse kinderen is dit aandeel hoog, met 41 procent. Onder autochtone kinderen geldt dit voor 9 procent (Garssen en Harmsen, 2005). Naast echtscheiding en het niet aangaan van een relatie met de vader is het overlijden van een van de ouders een oorzaak van het ontstaan van eenoudergezinnen. Vooral bij allochtone eenoudergezinnen komt het ook voor dat de partner in het buitenland woont, zodat de ouder in Nederland als alleenstaande ouder is geregistreerd, maar wel gehuwd is. 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:21
31 Opvoeding en opvoedings ondersteuning E-Quality 31 Gezinsvorming: eerste generatie migranten Er blijven jonge eerste generatie ouders bijkomen -personen die in het buitenland geboren zijn en op een leeftijd van 7 jaar of ouder immigreerden. In veel opzichten lijken zij niet op de oude eerste generatie, maar in sommige opzichten ook wel. Door de keuze voor een partner uit het herkomstland bij Turkse en Marokkaanse jongeren neemt bijvoorbeeld de stijging in arbeidsdeelname en opleidingsniveau van moeders onder deze groepen minder snel toe dan onder andere etnische groepen. Nieuwkomende Antilliaanse ouders zijn gemiddeld minder hoog opgeleid dan de oude eerste generatie ouders, terwijl de nakomelingen van de oude eerste generatie juist hoge opleidingsniveaus bereiken. Binnen deze groepering zal de diversiteit bij uitstek verder toenemen in de toekomst. Tabel 2.4 Gezinssamenstelling naar herkomst en partner, 2006 (aantallen x 1.000) Turks Marokkaans Surinaams Antilliaans Totaal aantal gezinnen Eenoudergezinnen waarvan (in %) ouder 1 e generatie ouder 2 e generatie Tweeoudergezinnen waarvan (in %) ouders beiden 1 e generatie gemengd 1 e en 2 e generatie e generatie + autochtone partner e generatie + autochtone partner ouders beiden 2 e generatie Bron: CBS Tweede generatie ouders Op dit moment behoort het overgrote deel van de allochtone ouders tot de eerste generatie. Over tien jaar zal een veel groter deel in Nederland zijn geboren en getogen en tot de tweede generatie behoren (personen die in Nederland geboren zijn, met tenminste één eerste generatie ouder èn personen die in het buitenland geboren zijn en in de leeftijd van 0 6 jaar geïmmigreerd zijn). In de leeftijdsgroep van ouders is dan in de vier grote etnische minderheidsgroepen een derde tot de helft in Nederland geboren. 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:22
32 32 Gezinnen nu en in de toekomst, in cijfers Tabel 2.5 Prognose aandeel tweede generatie van jaar naar herkomstgroepering, (in %) Turks Marokkaans Surinaams Antilliaans Bron: CBS De groei van de tweede generatie binnen de niet-westers allochtone groepen heeft belangrijke gevolgen voor het toekomstige gezinsleven. Veel meer kinderen zullen in worden opgevoed door tenminste één ouder die de Nederlandse samenleving beter kent, doordat hij of zij hier is geboren en getogen. Meer moeders zullen werken in deze gezinnen, het opleidingsniveau van met name Turkse en Marokkaanse ouders zal een stuk hoger liggen dan in de gezinnen van nu en de Nederlandse taalbeheersing zal zijn toegenomen. Uit tabel 2.5 bleek al dat nog veel allochtone ouders van dezelfde (vooral eerste) generatie zijn. Onder Turkse gezinnen bestaat een redelijke groep waarvan één ouder eerste generatie (dus immigrant) is en de andere ouder tweede generatie (dus in Nederland geboren) is. Het relatief hoge aantal tweede generatie Turkse en Marokkaanse Nederlanders die een partner uit het land van herkomst halen (Distelbrink en Hooghiemstra, 2006) is in deze cijfers van gezinnen dus alleen in beperkte mate bij de Turkse gezinnen te zien. Blijkbaar heeft een groot deel van deze stellen momenteel nog geen kinderen. Niet-westerse gezinnen beginnen de laatste jaren wat meer op het gemiddelde Nederlandse gezin te lijken. Globaal is de verwachting dat verschillen tussen allochtone gezinnen bínnen de vier grootste niet-westerse groepen in de komende 10 à 15 jaar zullen toenemen, maar gemiddeld nemen verschillen tussen allochtone en autochtone gezinnen af. Dit is het gevolg van ontwikkelingen in het aantal kinderen per moeder, waardenoriëntaties en gedragingen die in grote lijnen zijn te schetsen in termen van convergentie naar het gemiddelde Nederlandse beeld. Vooral gezinnen van ouders van de tweede migratiegeneratie onderscheiden zich in veel opzichten weinig van het gemiddelde Nederlandse gezin. Nu zijn gezinnen van tweede generatie ouders nog een kleine minderheid, maar binnen nu en tien jaar zal een veel groter deel van de gezinnen één of twee ouders tellen die de Nederlandse samenleving van jongs af aan kennen. 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:22
33 Opvoeding en opvoedings ondersteuning E-Quality Samenvatting Het aantal gezinnen in Nederland neemt licht toe, terwijl het aandeel gezinnen van het totaal aantal huishoudens licht afneemt. Begin 2007 waren er 2,53 miljoen gezinnen. De diversiteit van gezinnen neemt toe, qua gezinstypen en qua etniciteit. Van alle huishoudens met een of meer kinderen is 82 procent een tweeoudergezin en 18 procent eenoudergezin. Van de ouders in tweeoudergezinnen is 87 procent gehuwd, de overige ouders zijn ongehuwd. Het aantal gescheiden gezinnen waarin sprake is van co-ouderschap is toegenomen, van minder dan 5 procent in 1998 tot ongeveer 15 procent in Ook blijkt het aantal stiefgezinnen uit schattingen van het CBS te zijn toegenomen van 115 duizend in 1998 naar 149 duizend in Het aantal werkende moeders is toegenomen (42% in 1996 en 61% in 2005). Het aantal kostwinnersgezinnen is dan ook gedaald met 20 procent tussen 1996 en 2006, terwijl het aantal anderhalfverdieners in hetzelfde tijdsbestek met 17 procent is toegenomen. Alleenstaande moeders werken minder vaak dan moeders met een partner, maar ook van hen is een groter deel tot de beroepsbevolking gaan behoren. Een groeiend aantal gezinnen wordt gevormd door een of twee niet-westers allochtone ouders: 13 procent in Opvallende kenmerken zijn dat van Surinaamse en Antilliaanse gezinnen een relatief groot deel, bijna de helft, uit een alleenstaande moeder met kinderen bestaat. Bij Turkse en Marokkaanse gezinnen komen juist relatief veel gehuwde paren voor. De tweede generatie niet-westerse ouders lijkt in veel opzichten meer op de gemiddelde Nederlandse ouder dan de eerste generatie. 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:22
34 Gezinnen van de toekomst De beleving van de opvoeding, het voorkomen van opvoedingsproblemen en het zoeken naar hulp 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:22
35 Opvoeding en opvoedings ondersteuning E-Quality 35 3 de beleving van de opvoeding, het voorkomen van opvoedingsproblemen en het zoeken naar hulp: resultaten uit een grootschalig onderzoek 3.1 Inleiding In het vorige hoofdstuk is beschreven welke ontwikkelingen in gezinsvormen verwacht worden in de toekomst. Een belangrijke vervolgvraag is wat deze ontwikkelingen betekenen voor de opvoeding van kinderen. Zal het aantal ouders met opvoed problemen toenemen en welke gezinnen betreft het dan met name? Om wat voor problemen gaat het dan en in hoeverre zal er bij ouders behoefte zijn aan hulp bij de opvoeding en wat voor soort hulp zouden zij willen? Het is niet eenvoudig deze vragen te beantwoorden. De opvoedpraktijk kent vele idealen, uitgangspunten, adviezen en tegenstrijdigheden, die per gezin, door de tijd heen en gegeven sociale omstandigheden neigen te veranderen. Het opvoedproces in gezinnen is veelvormig en kan, afhankelijk van de situatie, steeds anders zijn (vgl. Du Bois-Reymond, Peeters, & Ravesloot, 1994; Du Bois-Reymond, Poel, & Ravesloot, 1998; Doornenbal, 1997; Van der Pas, 2005, Zeijl et al., 2005). Om toch een zo goed mogelijk zicht te krijgen op de opvoeding in verschillende gezinnen zal in dit hoofdstuk met behulp van het grootschalige onderzoek Kinderen in Nederland van het SCP en TNO een eerste verkenning op dit terrein gemaakt worden. Het onderzoek, dat ouders de mogelijkheid bood binnen de vooropgestelde grenzen van de vragenlijst iets te zeggen over hun opvoedervaringen, geeft een schetsmatig beeld van hun belevingen van de opvoeding en de problemen daaromtrent. Een momentopname in een complex en veranderlijk proces. Zijn ouders gemiddeld genomen tevreden met hoe het er thuis aan toegaat? Hebben ze meestal het gevoel verschillende opvoedsituatie aan te kunnen? En doen zich daarbij verschillen voor tussen ouders? Deze informatie, die wordt besproken in de paragrafen tot en met 3.2.3, is van belang, omdat onderzoek heeft laten zien dat de opvoedbelevingen van ouders voorspellers kunnen zijn van hun opvoedgedrag, van de mate waarin zij met belastende vragen zitten en van mogelijke opvoedproblemen (Bertrand, Hermanns & Leseman, 1998; overzicht Rispens, Hermanns & Meeus, 1996). Om meer zicht te krijgen op de vraag hoe vaak opvoedproblemen voorkomen, richtten we ons niet alleen op ouders, maar ook op andere partners in de opvoeding. In Kinderen in Nederland zijn dat medewerkers van de jeugdgezondheidszorg (jgz = consultatiebureaus en ggd en) die ouders vanaf het eerste begin proberen te ondersteunen bij de opvoeding van hun kinderen en daarbij te maken krijgen met een diversiteit aan opvoedstijlen en gezinsvormen. In de paragrafen en #028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:22
36 36 De beleving van de opvoeding komen zij aan het woord. Vinden deze professionals dat het doorgaans goed gaat met de opvoeding? Wat gaat er volgens hen fout als er iets fout gaat? En wordt er dan ook hulp gezocht? Ook wordt bekeken in hoeverre ouders informatie zoeken over de opvoeding (par ). Tot slot worden de belangrijkste bevindingen samengevat in paragraaf Zoals beschreven in hoofdstuk 1 spitsen we ons toe op ouders met kinderen in de basisschoolleeftijd uit gezinstypen die in de komende jaren prominent aanwezig zullen zijn of flink in aantal toenemen. Het accent ligt hierbij op de gezinssamenstelling dus of er één of twee ouders in het gezin zijn en of er in de laatste groep vervolgens sprake is van biologische of stiefouders, het verdienertype in het bijzonder de vraag of de moeder in het gezin werkt of niet, het opleidingsniveau van de moeder en de etniciteit van de ouders. 3.2 De beleving van de opvoeding Tevredenheid en verantwoordelijkheid Om zicht te krijgen op de opvoeding van nu en de toekomst is het allereerst van belang te weten hoe ouders van nu in het algemeen vinden dat het met de opvoeding gaat. Gaat het opvoeden hen gemakkelijk af en zijn ze tevreden over hoe het gaat of ervaren ze het doorgaans als zwaar? Figuur 3.1 Percentage ouders dat het (zeer) eens is met de stellingen over tevredenheid met de opvoeding en ondervonden belasting (totale n=2.450) Bron: SCP / TNO-Kwaliteit van Leven (PJG 2002/2003) In Kinderen in Nederland zijn vier stellingen opgenomen die gaan over de tevredenheid van ouders met het ouderschap en de ondervonden belasting. Uit figuur 3.1 komt naar voren dat een grote meerderheid van de ouders hier gunstig op scoort. De meeste ouders geven aan tevreden te zijn over de opvoeding van hun kinderen (88%). Ook vinden de meesten dat het ouderschap voldoening geeft (90%). Een kleine groep van tussen de 7 en 11 procent is van mening dat het ouderschap doorgaans erg vermoeiend is of de verantwoordelijkheid van de opvoeding zwaar. 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:22
37 Opvoeding en opvoedings ondersteuning E-Quality 37 Het mag duidelijk zijn dat deze gegevens geen zicht bieden op de vraag waarover deze ouders zich precies tevreden voelen of wat het ouderschap voor hen zo vermoeiend maakt. Wel kan gekeken worden welke groepen ouders eerder een positieve beleving hebben en welke eerder negatief gestemd zijn. Door te kijken naar verschillen tussen groepen ouders hier kijken we naar gezinnen met één of twee (stief dan wel biologische) ouders, naar gezinnen met werkende en niet werkende moeders en naar het opleidingsniveau en de etniciteit van de ouders (zie hoofdstuk 1) wordt meer zicht verkregen op de achtergrond van deze antwoorden. Omdat de stellingen over tevredenheid en voldoening samenhangen, net zoals de stellingen over vermoeidheid en verantwoordelijkheid, zijn ze omgevormd tot twee schalen die in verdere analyses zijn gebruikt. In de gepresenteerde figuren wordt steeds het percentage ouders dat negatief gestemd is, in vergelijking met het percentage ouders dat positief gestemd is, genoemd en wordt op basis van nauwgezette analyses een ordening in belangrijkheid van de onderzochte achtergrondkenmerken van de ouders/gezinnen gemaakt. 4 Met betrekking tot de tevredenheid en voldoening van ouders zien we dat bijna 18 procent van de ouders negatief antwoord op één of op beide stellingen hierover. 82 procent antwoordt op beide stellingen positief. Verder blijkt dat het opleidingsniveau van de moeder in het gezin daarbij het belangrijkste (significante) onderscheidende kenmerk is (figuur 2.2). Het percentage ouders uit gezinnen met laagopgeleide moeders dat niet tevreden is over de opvoeding, is groter dan het percentage ouders uit gezinnen met moeders met een hogere opleiding: respectievelijk 19 versus 11 procent is niet tevreden (resp. 81 en 89 procent van de ouders uit deze groepen is wel tevreden). Binnen de groep gezinnen met moeders met een lagere of middelbare opleiding is verder de gezinssamenstelling van belang. Ouders met een lage of middelbare opleiding uit eenoudergezinnen in dit onderzoek zijn dit overigens bijna allemaal moeders of stiefgezinnen geven vaker aan niet erg tevreden te zijn met het verloop van de opvoeding en/of niet altijd zoveel voldoening te halen uit het ouderschap dan ouders met een middelbare of lage opleiding uit tweeoudergezinnen met beide biologische ouders. Het gaat hier om een verhouding van meer dan één kwart van de ouders uit éénouder- en stiefgezinnen tegenover ongeveer één op de zes ouders uit tweeoudergezinnen die niet tevreden is (figuur 3.2). 4 We maken daarbij gebruik van CHAID-answer trees statistische zoekprocedures die er op gericht zijn optimaal onderscheid te maken tussen groepen respondenten op een bepaald kenmerk, bijvoorbeeld op hoe tevreden zij zijn over de opvoeding. 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:22
38 38 De beleving van de opvoeding Figuur 3.2 Mate van tevredenheid ouderschap en voldoening opvoeding 5 Bron: SCP / TNO-Kwaliteit van Leven (PJG 2002/2003) Bij de ervaren belasting en verantwoordelijkheid is de etniciteit van de ouders het belangrijkste onderscheidende kenmerk. Het aandeel Marokkaanse ouders die de opvoeding vermoeiend en/of de verantwoordelijkheid zwaar vindt is het grootst, gevolgd door het aandeel Turkse ouders (figuur 3.3). Meer dan één op de drie Marokkaanse ouders en ongeveer één op de vier Turkse ouders stemt in met één of beide stellingen over de belasting van de opvoeding. Nederlandse en Surinaams/ Antilliaanse ouders scoren beduidend lager: ongeveer één op de acht geeft aan de opvoeding vermoeiend en/of zwaar te vinden. Naar het zich laat aanzien heeft deze bevinding ook te maken met het feit dat in deze allochtone gezinnen vaker sociaaleconomische factoren cumuleren waarvan bekend is dat zij de opvoeding van kinderen kunnen verzwaren (vgl. Bertrand et al., 1998). Zo is de werkloosheid onder Turkse en Marokkaanse ouders beduidend hoger dan onder Nederlandse ouders, is de armoede groter en de woonsituatie minder gunstig, terwijl er doorgaans meer kinderen in deze gezinnen aanwezig zijn. In de groep Nederlandse en Surinaams/Antilliaanse gezinnen wordt verder een significant verschil gevonden tussen éénouder- en tweeoudergezinnen, waarbij de eerste groep vaker aangeeft de opvoeding zwaar en/of verantwoordelijk te vinden dan de tweede groep. Ongeveer 20 procent van de groep eenoudergezinnen vindt dit (80 procent dus niet), terwijl het in de groep tweeoudergezinnen 11 procent betreft (89 procent van deze groep vindt dit dus niet). Het maakt daarbij niet uit of het betreffende tweeoudergezin bestaat uit biologische of stiefouders. Anders gezegd, de ervaren belasting in deze groep vertoont vooral samenhang met het aantal ouders in het gezin, wat onder meer te maken heeft met het gemak waarmee taken kunnen worden verdeeld en zaken kunnen worden overlegd, alsook met de beschikbaarheid van (o.a. financiële) hulpbronnen (vgl. Bosman, 1995b). De ontstaansgeschiedenis 5 Exhaustive chaid; opdeling bij p (likelihood ratio chi2) < 0,05; tot.n= #028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:23
39 Opvoeding en opvoedings ondersteuning E-Quality 39 van het gezin, en dan in het bijzonder of stief- of biologische ouders in het gezin aanwezig zijn, lijkt minder van belang. Analyses op de vraag of ouders het gevoel hebben er alleen voor te staan in de opvoeding bevestigen dit beeld (CHAID-analyse niet uitgewerkt in een figuur). Met name moeders uit eenoudergezinnen zijn het (zeer) eens met deze stelling, gevolgd door tweeouder-stiefgezinnen en tweeouderbiologische gezinnen (resp. 58%, 13% en 7%). Het zijn overigens met name de nietwerkende moeders uit de eerste groep die het gevoel hebben er alleen voor staan, zo blijkt (resp. 66% versus 51%). Interessant detail is overigens dat niet-werkende Nederlandse moeders uit tweeoudergezinnen met biologische ouders vaker het gevoel hebben er alleen voor te staan in de opvoeding dan Nederlandse moeders uit tweeoudergezinnen met biologische ouders die wel werken. Figuur 3.3 Stellingen over de zwaarte en verantwoordelijkheid van de opvoeding 6 Bron: SCP / TNO-Kwaliteit van Leven (PJG 2002/2003) Weten wat te doen Om een zo volledig mogelijk beeld te krijgen van de beleving van de opvoeding is het eveneens van belang zicht te krijgen op de vraag hoe ouders aankijken tegen hun eigen opvoedvaardigheid. Weten ze doorgaans hoe ze zaken moeten aanpakken of staan ze in het algemeen vaak met de handen in het haar? Uit figuur 3.4 is af te leiden dat veel ouders hier positief over zijn. De meesten geven aan dat, als zij iets verbieden, zij weten waarom ze dit doen (96%) en dat zij niet vaak in een situatie zitten waarvan zij niet weten hoe zij moeten reageren (92%). Wel zegt bijna een kwart van de ouders niet altijd een oplossing te vinden als er problemen zijn. 6 Exhaustive chaid; opdeling bij p (likelihood ratio chi2) < 0,05; tot.n= #028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:23
40 40 De beleving van de opvoeding Figuur 3.4 Percentage ouders dat het (zeer) eens is met de stellingen over eigen opvoedvaardigheid (totale n=2.450) Bron: SCP / TNO-Kwaliteit van Leven (PJG 2002/2003) Bij deze stellingen is het opleidingsniveau van de moeder de belangrijkste onderscheidende factor. De verschillen zijn daarbij aanzienlijk. Ongeveer 37 procent van de gezinnen met moeders met een lagere opleiding scoort niet (zo) positief op één of meerdere stellingen over de eigen opvoedvaardigheid, gevolg door 28 procent van de gezinnen met moeders met een middelbare opleiding en, tot slot, 19 procent van de gezinnen met moeders met een hogere opleiding (figuur 3.5). Hoogopgeleide moeders blijken vooral vaker aan te geven altijd wel een oplossing te vinden voor problemen en minder vaak te zeggen in situaties te verkeren waarin ze niet weten hoe ze moeten reageren. Geen duidelijke verschillen zijn er in de antwoorden op de stelling over weten waarom iets wordt verboden. Binnen de groep gezinnen met laagopgeleide ouders speelt verder de etniciteit van de ouders een belangrijk rol. Marokkaanse en Turkse laagopgeleide ouders zijn beduidend vaker niet (zo) positief over hun opvoedvaardigheid dan Nederlandse en Surinaamse/Antilliaanse laagopgeleide ouders; het gaat om bijna de helft versus ongeveer eenderde. Hier worden de grootste verschillen gevonden op de stellingen over weten waarom iets verboden wordt en over niet weten hoe te reageren in verschillende situaties. 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:23
41 Opvoeding en opvoedings ondersteuning E-Quality 41 Figuur 3.5 Stellingen over eigen opvoedvaardigheid 7 Bron: SCP / TNO-Kwaliteit van Leven (PJG 2002/2003) Zorgen over de opvoeding Dat ouders door de bank genomen tevreden zijn over de opvoeding, er voldoening uit halen en weten wat ze moeten doen in verschillende opvoedsituaties sluit niet uit dat ze zich zorgen kunnen maken over hun kind. Zorgen maken over de opvoeding, het gedrag of de ontwikkeling van kinderen is inherent aan de opvoeding. Iedere ouder twijfelt bij tijd en wijle of maakt zich zorgen. Dit hoeft geen probleem te zijn. Ouders zelf, zo heeft onderzoek laten zien, interpreteren twijfels en onzekerheden rond de opvoeding en ontwikkeling van hun kinderen ook als teken van goed ouderschap. Onzekerheden nodigen uit tot reflectie en communicatie met de partner en anderen (Doornenbal, 1997: 289). Het daagt ouders uit kritisch te kijken naar en te discussiëren over de opvoeding en ontwikkeling van hun kinderen en de rol die een ieder daarin speelt (vgl. Hermanns, 2001a). Als zorgen echter (te) groot worden en een langdurig karakter krijgen en er weinig of geen gehoor gevonden wordt bij anderen dan kunnen opvoedproblemen ontstaan en kan (betere) hulp en ondersteuning gewenst zijn. In Kinderen in Nederland is aan ouders gevraagd in hoeverre zij zich de afgelopen jaar zorgen hebben gemaakt over de ontwikkeling van hun kind (gedragsmatig, emotioneel en fysiek), over de opvoeding in het algemeen en over het contact van hun kind met andere kinderen. Vragen en zorgen over het gedrag van kinderen op school en in de vrije tijd zijn niet aan de orde gekomen, wat onder meer te maken heeft met het feit dat dit onderzoek oorspronkelijk betrekking heeft op 0-12-jarigen die niet allemaal leerplichtig zijn en vanzelfsprekend grote verschillen in vrijetijdsinteresses en -patronen hebben. Deze onderwerpen komen wel aan de orde in de interviews met ouder die beschreven staan in het volgende hoofdstuk. 7 Exhaustive chaid; opdeling bij p (likelihood ratio chi2) < 0,05; tot.n= #028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:24
42 42 De beleving van de opvoeding Uit tabel 3.1 komt naar voren dat een kleine groep ouders veel zorgen heeft gehad over deze zaken in het afgelopen jaar: tussen de één en drie procent. Als we de antwoorden van de ouders op alle zorgvragen optellen dan blijkt dat in totaal 43 procent van de ouders het afgelopen jaar over één of meerdere onderwerpen een beetje tot en met veel zorgen heeft gehad, waarvan 35 procent een beetje en 9 procent veel zorgen. 57 procent heeft geen zorgen gekend. Deze bevinding onderschrijft het beeld dat vragen, zorgen, twijfels en onzekerheden op zich bij de opvoeding horen. Tabel 3.1 laat verder zien dat de meeste zorgen zich concentreerden op gedragsproblemen van het kind, de opvoeding in het algemeen en emotionele problemen van het kind (tabel 3.1). Deze zorgen hangen overigens samen (correlaties tussen de 0,33 en 0,44; niet in tabel). Tabel 3.1 Zorgen over kind of opvoeding in het afgelopen jaar in %; (totale n=2.450) Zorgen over: Veel zorgen Beetje zorgen Geen zorgen Gedragsproblemen kind 2,6 15,4 82,0 De opvoeding in het algemeen 2,4 16,5 81,1 Emotionele problemen kind 2,3 13,2 84,4 Achterstand/vertraging in ontwikkeling kind 1,8 9,8 88,4 Gevolgen van ziekte bij het kind 1,6 7,1 91,3 Contacten met andere kinderen 1,5 9,3 89,2 Iets anders 0,7 1,9 97,3 % ouders zonder zorgen in het afgelopen jaar 57,0 Bron: SCP / TNO-Kwaliteit van Leven (PJG 2002/2003) De gezinsvorm is het belangrijkste onderscheidende kenmerk als het gaat om de mate waarin ouders zich zorgen maken (figuur 3.6). Het percentage ouders uit éénouder- en stiefgezinnen dat zich zorgen maakt is significant groter dan het percentage ouders uit tweeoudergezinnen met beide biologische ouders (52 versus 42%). Het gaat hier zowel om kleine (38 versus 34%) als om grote zorgen (14 versus 8%; niet in figuur). De grootste verschillen doen zich daarbij voor bij zorgen over de opvoeding in het algemeen en over gedrags- en emotionele problemen van het kind. Deze zorgen hebben vooral ouders uit éénouder- en stiefgezinnen vaker. Hoe dit komt, is op basis van het onderzoek niet precies te zeggen. Belangrijk in dit verband is dat de meeste éénouder- en stiefgezinnen in het onderzoek al wat langer bestonden de meeste echtscheidingen vonden meer dan 1 jaar geleden plaats wat betekent dat de meeste van deze gezinnen gedurende het onderzoek niet midden in 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:24
43 Opvoeding en opvoedings ondersteuning E-Quality 43 een overgangsfase op dit terrein zaten. Misschien worden ouders uit deze gezinnen in het algemeen vaker geconfronteerd met tegendraads en/of depressief gedrag van hun kinderen (vgl. Bosman 1995; Spruijt, 2007). Misschien lopen zij daardoor of door negatieve beeldvorming vaker aan tegen twijfels, schuldgevoelens en onzekerheden in de opvoeding. Of misschien hebben ze vaker het gevoel het goed te moeten doen in de opvoeding, waardoor zij zich misschien vaker zorgen maken over de opvoeding en ontwikkeling van hun kinderen dan andere ouders. We komen hier in de interviews met ouders in het volgende hoofdstuk op terug. Uit analyse blijkt verder dat er binnen de groep ouders uit éénouder- en stiefgezinnen verschillen zijn naar etniciteit (figuur 3.6). Nederlandse en Marokkaanse ouders, die zich in een éénouder- of stiefoudersituatie bevinden, maken zich beduidend vaker zorgen over de ontwikkeling, het gedrag en de opvoeding van hun kind dan Turkse en Surinaams/Antilliaanse ouders in zo n situatie. Figuur 3.6 Mate waarin ouders zorgen hebben gehad in het afgelopen jaar 8 Bron: SCP / TNO-Kwaliteit van Leven (PJG 2002/2003) Problemen met de opvoeding In het voorgaande richtten wij ons op beleving van ouders. Maar in hoeverre hebben ouders nu ook echt problemen met de opvoeding? Om als buitenstaander afdoende zicht te krijgen op het vóórkomen en de aard van opvoedingsproblemen zijn observaties in gezinnen noodzakelijk. Dergelijk onderzoek is echter kostbaar en tijdrovend, zeker als het om observaties in een groot aantal gezinnen gaat, en mede daardoor niet voorhanden. Om toch een zo goed mogelijk beeld te krijgen van de problemen van ouders met de opvoeding is in Kinderen in Nederland ten tijde van het Periodiek Geneeskundig Onderzoek (pgo) van de jgz (=consultatiebureaus en ggd en) een oordeel gevraagd aan artsen en verpleegkundigen die bekend waren met de gezinnen die meededen aan het onderzoek. Aan deze jgz-medewerkers is 8 Exhaustive chaid; opdeling bij p (likelihood ratio chi2) < 0,05; subgroepsgrootte minimaal n=20; tot.n= #028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:24
44 44 De beleving van de opvoeding gevraagd in hoeverre zij opvoedproblemen waarnamen bij de betreffende gezinnen, hoe ernstig deze waren en welke oorzaken naar hun mening aan deze problemen ten grondslag lagen. Figuur 3.7 Problemen met de opvoeding volgens jgz-medewerkers 9 Bron: SCP / TNO-Kwaliteit van Leven (PJG 2002/2003) De jgz-medewerkers signaleerden bij de meerderheid van de gezinnen geen problemen met de opvoeding (83,7%; figuur 3.7). Bij 16 procent was dit wel het geval. Van deze groep ouders had het merendeel volgens de inschatting van jgzartsen en -verpleegkundigen lichte opvoedproblemen die vaak tijdelijk van aard zijn (70%; niet in figuur). In 4 procent van de gezinnen was sprake van een zware opvoedproblematiek. Hierbij speelt de gezinsvorm een centrale rol. Ouders uit eenoudergezinnen en stiefgezinnen hebben beduidend vaker problemen met de opvoeding van hun kinderen dan ouders uit tweeoudergezinnen met beide biologische ouders: ongeveer één op de drie ouders uit éénouder- en stiefgezinnen tegenover ongeveer één op de zeven ouders uit tweeoudergezinnen. Het gaat hier om meer lichte (19 versus 11%), maar vooral om meer matige tot en met zware opvoedproblemen (13 versus 4%). Binnen de groep tweeoudergezinnen met beide biologische ouders is het opleidingniveau van de moeder verder van belang; dit in tegenstelling tot de éénouder- en stiefgezinnen waarbij op dit punt geen significant verschil is gevonden. Ouders uit tweeoudergezinnen waarvan de moeder een lage of middelbare opleiding heeft, hebben vaker problemen met de opvoeding dan ouders uit tweeoudergezinnen met hoogopgeleide moeders, aldus de waarnemingen van de jgz-medewerkers. Binnen de groep gezinnen met middelbare en laagopgeleide 9 Exhaustive chaid; opdeling bij p (likelihood ratio chi2) < 0,05; tot.n= #028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:25
45 Opvoeding en opvoedings ondersteuning E-Quality 45 moeders wordt verder nog een onderscheid gevonden tussen gezinnen met werkende moeders en thuismoeders, waarbij de laatste groep vaker problemen met de opvoeding heeft dan de eerste (19 versus 13%). Volgens jgz-medewerkers uiten opvoedproblemen zich vooral in gedragsproblemen van het kind (43%), beperkte opvoedvaardigheden van ouders (38%) en emotionele problemen van het kind (32%). Achterstanden in de ontwikkeling van het kind of ziektes van het kind spelen daarbij doorgaans geen belangrijke rol (resp. 11 en 6%; niet in tabel). Aan de jgz-medewerkers is niet gevraagd in te schatten welke rol andere factoren zoals bijvoorbeeld gebrekkige woonruimte en werkloosheid van ouders spelen bij het ontstaan van opvoedingsproblemen. Uit eerdere analyses is evenwel bekend dat het vóórkomen van opvoedingsproblemen duidelijk verband kan houden met deze zaken (Zeijl et al., 2005). De beleving van de opvoeding door ouders enerzijds en de inschattingen van jgz-medewerkers omtrent het hebben van opvoedproblemen anderzijds blijken samenhang in dezelfde richting te vertonen. Vooral het hebben van zorgen is indicatief, zo blijkt. Bezorgde ouders hebben significant vaker opvoedproblemen dan ouders die geen zorgen hebben. De mate van tevredenheid, de ervaren belasting en inschatting van de eigen opvoedvaardigheid maken in dit verband ook uit, zij het in mindere mate. Tegelijkertijd maakt tabel 3.2 ook duidelijk dat niet iedere bezorgde ouder ook opvoedproblemen heeft volgens jgz-medewerkers (38% van deze ouders heeft geen problemen). Wat er precies bij deze gezinnen aan de hand is, is op basis van de gegevens van Kinderen in Nederland niet te zeggen. Misschien waren de zorgen van deze ouders niet echt groot en problematisch (zie volgende paragraaf). Misschien zijn sommige van deze ouders wat sneller bezorgd dan andere ouders of misschien hebben ze te hooggespannen verwachtingen. Ook is het mogelijk dat de jgz-medewerkers op het moment van onderzoek (nog) niet goed konden aangegeven of er opvoedproblemen waren en zijn ze van het gunstigste geval uitgegaan. Het omgekeerde geldt overigens ook. Niet elke onbezorgde ouder is probleemvrij volgens jgz-medewerkers (33% van deze ouders heeft wel problemen). Ook hier is niet te zeggen hoe deze verschillen zijn ontstaan. Misschien nemen deze ouders de problemen niet serieus genoeg. Misschien willen ze er niet te zwaar aan tillen of er teveel over tobben. Misschien hebben ze het gevoel de opvoeding prima aan te kunnen, ondanks de problemen. Misschien schatten jgz-medewerkers de problemen te zwaar in of veronderstellen ze problemen die er eigenlijk niet zijn. 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:25
46 46 De beleving van de opvoeding Tabel 3.2 Samenhang tussen de inschatting van de jgz-medewerker omtrent opvoedproblemen en de beleving van de opvoeding door ouders (tot.n=2.450) Zorgen volgens ouders Opvoedproblemen volgens jgz Nee, geen opvoedproblemen Ja, (lichte tot en met zware) opvoedproblemen Nee, geen zorgen 61,6 33,0 Ja, (een beetje tot en met veel) zorgen 38,4 67,0 Bron: SCP / TNO-Kwaliteit van Leven (PJG 2002/2003) Hulp vragen Van de ouders die (een beetje tot en met veel) zorgen hebben gehad het afgelopen jaar heeft de helft met anderen (dan hun eventuele partner) gepraat over hun zorgen. De andere helft heeft dit niet gedaan, meestal met de reden dat de problemen en zorgen niet zo erg waren of vanzelf over gingen (niet in tabel). Een luisterend oor of hulp wordt doorgaans in de nabije omgeving gezocht. Met name de huisarts, de school en familie en vrienden worden geraadpleegd als ouders zich zorgen maken (resp. door 33, 32, 26 en 24%; tabel 3.3). Tweedelijnsvoorzieningen, zoals Bureau Jeugdzorg, het Riagg/GGZ en zelfstandig gevestigde psychologen en pedagogen, worden beduidend minder vaak geconsulteerd. In deze groep worden medisch specialisten nog het meest geraadpleegd (15%). De meeste ouders die hulp hebben gevraagd aan anderen, zeggen dat zij hulp gekregen hebben, ook al betekende dit soms dat zij door de betreffende persoon zijn doorverwezen naar anderen. Onduidelijk blijft echter of de behoeften van ouders aan ondersteuning afdoende bevredigd zijn of dat zij eigenlijk meer hulp zouden willen. We komen hier in het volgende hoofdstuk op terug. 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:25
47 Opvoeding en opvoedings ondersteuning E-Quality 47 Tabel 3.3 Advies gevraagd aan familie, vrienden en hulpverleners door bezorgde ouders in %; meerdere antwoorden mogelijk; (n=562) Advies gevraagd aan: Huisarts 32,6 School / bso 32,4 Familie 25,5 Vrienden 23,5 Medisch specialist 14,8 Psycholoog / pedagoog 7,8 Schoolarts 6,8 Bureau jeugdzorg 5,5 RIAGG / GGZ 5,0 Maatschappelijk werk 4,1 Anders 15,2 Bron: SCP / TNO-Kwaliteit van Leven (PJG 2002/2003) Figuur 3.8 Bezorgde ouders die geen hulp hebben gezocht 10 Zorg over opvoeding, Maar geen hulp gezocht (50,0 ) Marokkaans, Turks, surinaams antilliaans (71,2 ) nederlands (45,7 ) Moeder werkt niet (77,3 ) Moeder werkt (62,1 ) opleiding Moeder hoog (37,0 ) opleiding Moeder MiddelBaar (44,5 ) opleiding Moede laag (52,8 ) bron: SCP / TNO-Kwaliteit van Leven (PJG 2002/2003) Opvallend is dat Nederlandse ouders die zich kleinere dan wel grote zorgen maken over de opvoeding of de ontwikkeling van hun kinderen dit veel vaker lijken te bespreken met anderen (dan de partner) dan Turkse, Marokkaanse en Surinaams/ Antilliaanse ouders. Van de Nederlandse ouders die het afgelopen jaar bezorgd waren, heeft 46 procent geen en 54 procent wel contact gezocht met anderen. Het zijn binnen deze groep vooral laagopgeleide moeders die geen hulp en advies 10 Exhaustive chaid; opdeling bij p (likelihood ratio chi2) < 0,05; tot.n = #028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:25
48 48 De beleving van de opvoeding aan anderen vragen: 37 procent van de bezorgde hoogopgeleide Nederlandse moeders ten opzichte van 45 procent van de middelbaar opgeleide en 53 procent van de laagopgeleide Nederlandse moeders heeft geen hulp/steun gezocht. Bij Turkse, Marokkaanse en Surinaams/Antilliaanse ouders ligt het percentage dat zorgen niet bespreekt met anderen vele malen hoger: gemiddeld 71 procent. Opvallend in dit verband, al is voorzichtigheid bij de interpretatie van deze gegevens geboden gezien de kleine aantallen, is dat deze groepen ouders in vergelijking met Nederlandse ouders met name minder steun en advies lijken te zoeken in de nabije omgeving (familie, vrienden, school, huis- en schoolarts). Geen duidelijke verschillen worden gevonden met betrekking tot het gebruik van tweedelijnsvoorzieningen, waarbij opgemerkt moet worden dat het aantal gebruikers in Kinderen in Nederland niet hoog is, wat verdiepende analyses uitsluit. Mogelijk zitten er (grotere) lacunes in het sociale netwerk van deze ouders qua omvang, diversiteit en kwaliteit (vgl. Bertrand et al., 1998). Belangrijk in dit verband is de bevinding dat de gezinnen met werkende moeders uit deze etnische groepen vaker hulp en ondersteuning zoeken als zij zorgen hebben dan de gezinnen met niet-werkende moeders: 38 ten opzichte van 23 procent. Dit kan te maken hebben met een grotere variatie aan personen in het sociale netwerk van deze ouders, al dan niet in combinatie met een grotere bekendheid met en/of vertrouwen in basisvoorzieningen in de nabije omgeving Informatie zoeken Dat veel ouders geen (al te grote) problemen hebben met de opvoeding betekent niet dat zij geen vragen kunnen hebben over de opvoeding van hun kinderen of niet geïnteresseerd zijn in de visies van anderen. Sterker nog, het feit dat gedragscodes en omgangsvormen nu en in de toekomst minder vast (zullen) liggen en ouders hun eigen manier van opvoeden moeten uitdenken, zou het zoeken naar informatie in zekere zin kunnen bevorderen (vgl. Du Bois-Reymond et al., 1994). Daarbij komt dat het aanbod aan televisieprogramma s over opvoeden de afgelopen jaren sterk is toegenomen, dat er momenteel diverse tijdschriften over opvoeden op de markt zijn en op internet vele sites te raadplegen zijn met allerhande informatie over de ontwikkeling en tips over de opvoeding van kinderen. Vraag is in hoeverre ouders naar dit soort programma s kijken en informatie op internet of in tijdschriften zoeken. 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:25
49 Opvoeding en opvoedings ondersteuning E-Quality 49 Tabel 3.4 Frequentie waarmee ouders informatie zoeken over opvoeden in %; (totale n=2.450) Nooit (Minder dan) 1 keer per maand Meer dan 1 keer per maand Tijdschrift lezen 36,7 49,0 14,2 Tv programma s kijken 40,0 47,0 13,0 Brochures lezen 45,9 44,4 9,7 Radioprogramma s luisteren 86,5 11,0 2,5 Internetten 83,2 14,7 2,1 % ouders dat nooit via deze media 18,9 informatie zoekt Meegedaan aan cursus, thema avond, gespreksgroep over opvoeden 83,4 bron: SCP / TNO-Kwaliteit van Leven (PJG 2002/2003) Uit tabel 3.4 komt naar voren dat tussen de 10 en 14 procent van de ouders met enige regelmaat (meer dan één keer per maand) iets leest over de opvoeding van kinderen in een tijdschrift of brochure of kijkt naar een opvoedkundig televisieprogramma. Tussen de 44 en 49 procent van de ouders doet dit zo af en toe (minder dan of één keer per maand). Bijna één op de vijf ouders (19%) zoekt naar eigen zeggen eigenlijk nooit naar informatie via deze media. Gezinnen met laagopgeleide moeders zijn in deze groep oververtegenwoordigd: 23 procent van deze moeders behoort tot de groep die nooit informatie via deze media zoekt ten opzichte van 16 procent van de moeders met een middelbare of hoge opleiding (uitkomst niet in tabel). Meer actieve vormen van informatie en kennis verzamelen over opvoeden door middel van het bezoeken van een cursus of thema-avond komt minder vaak voor dan het raadplegen van tijdschriften en brochures en het kijken naar televisieprogramma s: 83 procent van de ondervraagde ouders heeft nog nooit meegedaan aan zoiets. 17 procent dus wel. De etniciteit van de ouders is hierbij de belangrijkste onderscheidende factor (figuur 3.9). De groep Nederlandse en Surinaams/Antilliaanse ouders die wel eens een cursus, gespreksgroep of themaavond hebben bezocht is het kleinst (14%). Marokkaanse en Turkse ouders hebben dit beduidend vaker wel eens gedaan (32%). Deze verschillen hebben mogelijk (ook) te maken met het bestaande aanbod aan gezinsgerichte programma s die specifiek voor niet-westerse groepen ouders zijn opgezet. Binnen de groep Nederlandse en Surinaamse/Antilliaanse ouders zijn het overigens vooral de hoogopgeleide moeders die wel eens een cursus of thema of gespreksavond over opvoeden hebben 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:25
50 50 De beleving van de opvoeding gevolgd. Iets minder dan één op de vier hoogopgeleide Nederlandse of Surinaamse/ Antilliaanse moeders heeft wel eens aan zoiets meegedaan ten opzichte van ongeveer één op de elf laagopgeleide moeders uit deze groep. Figuur 3.9 Volgen van cursus, thema-avond of gesprekgroep over opvoeden 11 bron: SCP / TNO-Kwaliteit van Leven (PJG 2002/2003) Samenvatting Het gaat in het algemeen goed met de opvoeding Als we dit geheel van bevindingen overzien lijkt het in het algemeen goed te gaan met de opvoeding van basisschoolkinderen. De meeste ouders zijn tevreden over het verloop van de opvoeding, vinden de verantwoordelijkheid niet bijzonder zwaar, halen voldoening uit het ouderschap en vinden de opvoeding doorgaans niet erg vermoeiend. Bovendien zeggen de meeste ouders te weten hoe om te gaan met verschillende opvoedsituaties, ook al vindt ongeveer een kwart niet altijd een oplossing als er problemen zijn met de kinderen. Verder heeft de helft zorgen gehad over de ontwikkeling, het gedrag of de opvoeding van hun kind, waarbij het meestal om lichte zorgen ging die vaak tijdelijk van aard zijn. Maar er zijn ook duidelijke verschillen tussen groepen ouders. Tegelijkertijd moet geconstateerd worden dat er duidelijke verschillen zijn tussen groepen ouders. In dit hoofdstuk zijn ouders uit tweeoudergezinnen met biologische en stiefouders, en eenoudergezinnen, ouders uit gezinnen met werkende en thuismoeders en autochtone en niet-westers allochtone ouders met elkaar vergeleken. Uit deze analyses komt naar voren dat met name de gezinsvorm, de etniciteit van de ouders en het opleidingsniveau van de moeder cruciale factoren 11 Exhaustive chaid; opdeling bij p (likelihood ratio chi2) < 0,05; tot.n= #028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:26
51 Opvoeding en opvoedings ondersteuning E-Quality 51 zijn als het gaat om de beleving van de opvoeding en de mate waarin ouders zorgen hebben over de kinderen. Zo zijn ouders uit gezinnen met hoogopgeleide moeders niet alleen meer tevreden over de opvoeding en het ouder schap dan laagopgeleide moeders, ze hebben vaker het idee dat ze weten wat ze moeten doen. Ouders uit éénouder- en stiefgezinnen hebben in het algemeen vaker zorgen over de opvoeding, ontwikkeling en het gedrag van hun kind dan ouders uit tweeoudergezinnen met beide biologische ouders. Bovendien zijn ouders uit éénouder- of stiefgezinnen met een lage of middelbare opleiding doorgaans minder tevreden over de opvoeding. Voor Nederlandse en Surinaams/Antilliaanse ouders uit eenoudergezinnen komt daar nog bij dat zij de opvoeding vaker als vermoeiend en als een zware verantwoordelijkheid ervaren. Met betrekking tot etniciteit wordt verder nog gevonden dat vooral Marokkaanse en Turkse ouders de opvoeding als vermoeiend en verantwoordelijk ervaren. Ook geldt voor deze ouders, zeker als er sprake is van een lage opleiding, dat zij hun eigen opvoedvaardigheid minder positief inschatten dan Nederlandse en Surinaamse/Antilliaanse ouders. Signalering van opvoedproblemen door de jgz In dit hoofdstuk zijn niet alleen de ouders aan het woord geweest. Ook aan mede werkers van de jeugdgezondheidzorg (jgz) is een oordeel gevraagd over de opvoeding in de onderzochte gezinnen. Volgens deze professionals heeft de meerderheid van de ouders geen problemen met de opvoeding van hun basisschool kinderen. Voor 16 procent was dit wel het geval, waarbij het meestal om lichte, tijdelijke opvoedingsproblemen ging. Ook hier zijn belangrijke verschillen tussen groepen ouders gevonden. In het algemeen doen dergelijke problemen zich vaker voor in éénouder- en stiefgezinnen dan in tweeoudergezinnen met beide biologische ouders. Binnen die laatste groep maakt het opleidingsniveau van de moeder ook uit. Hoe lager de opleiding van de moeders des te vaker jgzmedewerkers opvoedingsproblemen constateren in tweeoudergezinnen met beide biologische ouders. Binnen de groep laag- en middelbaaropgeleide ouders uit tweeoudergezinnen neemt de kans op problemen met de opvoeding bovendien toe als de moeder in het gezin niet werkt. Van kwantitatief naar kwalitatief Het cijfermatige overzicht dat in dit hoofdstuk wordt gegeven van de opvoedingbelevingen van ouders met kinderen in de basisschoolleeftijd en het oordeel van jgz-medewerkers laat ook vragen open. Zo blijft onduidelijk wat ouders tevreden maakt over de opvoeding of wat voor hen het ouderschap juist zo vermoeiend maakt en hen het gevoel geeft het niet goed in de hand te hebben. Belangrijk in dit verband 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:26
52 52 De beleving van de opvoeding is na te gaan welke verschillen in ervaringen daar achter zitten en op welke manier de gezinsvorm hier een rol in speelt. Wat voor kwesties spelen er in de verschillende gezinnen en wat voor impact heeft dat? In dit verband is ook het interessant zicht te krijgen op reacties van de buitenwereld op het gezin en wat dat met ouders doet, en na te gaan of ouders het gevoel hebben het erg goed te moeten doen in de opvoeding (vgl. hoofdstuk 1). Iets vergelijkbaars geldt voor de mate waarin ouders zich zorgen maken over hun kinderen en de mate waarin zij problemen met ze ervaren. Kinderen in Nederland richt zich op algemene zorgen die bij sommige gezinnen vaker voorkomen dan bij andere. Wat er precies in deze gezinnen aan de hand is, is onduidelijk. Ook is niet bekend of er misschien gezinsspecifieke problemen spelen die leiden tot zorg in de opvoeding. Tot slot laat Kinderen in Nederland zien dat bepaalde groepen ouders de zorgen en problemen die zij ervaren nauwelijks bespreken met anderen. Wat zit hier precies achter? Zouden ze eventueel wel hulp willen? En, voor zover deze ouders ooit met hulpverleners hebben gesproken, hoe is hun ervaring daarmee en was de hulp die zij kregen afdoende? 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:26
53 Opvoeding en opvoedings ondersteuning E-Quality 53 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:26
54 Gezinnen van de toekomst Opvoeding, zorgen en hulp: resultaten van interviews met moeders 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:26
55 Opvoeding en opvoedings ondersteuning E-Quality 55 4 Opvoeding, zorgen en hulp: resultaten van interviews met moeders De uitkomsten van het onderzoek Kinderen in Nederland geven een algemeen beeld van hoe een grote groep ouders het opvoeden van hun kinderen ervaart. We zien dat ouders over het algemeen tevreden zijn, maar wat houdt die tevredenheid precies in? Welke rol spelen opvoedingsonzekerheid en het oordeel van de buitenwereld? Tevens bleek dat stiefgezinnen en alleenstaande ouders zich vaker zorgen maken dan andere typen gezinnen, maar hoe komt dat en waar maken ze zich precies zorgen over? En hoe vinden ouders hier oplossingen voor? Om verdiepende informatie te krijgen die een antwoord geeft op deze vragen, zijn interviews gehouden met ouders uit verschillende gezinstypen. In deze rapportage zijn de resultaten uit de interviews met moeders verwerkt. Uit diverse bronnen blijkt immers dat er verschillen zijn in de opvoedende rol van vaders en moeders (Distelbrink, Geense, Pels,2005; Gerrits, Dekovic, Groenendaal & Noom, 1996; Vergeer & Hermanns, 1996; Bosman, 1995b). En omdat moeders gemiddeld meer tijd besteden aan de zorg voor en de opvoeding van de kinderen (Portegijs, Hermans en Lalta, 2006) hebben we er in deze studie voor gekozen om hun rol en perspectief te belichten. Dat wil niet zeggen dat de rol van vaders in de opvoeding minder interessant zou zijn. Op dit punt komen we in het laatste hoofdstuk nog terug. De onderzoeksgroep bestaat uit 24 moeders uit biologische tweeoudergezinnen (waaronder 12 kostwinners- en 12 anderhalf/tweeverdienergezinnen), 11 moeders uit stiefgezinnen en 12 moeders die alleen met hun kinderen wonen (eenoudergezinnen). Alle respondenten hebben een of meer kinderen in de leeftijd 4 tot en met 12 jaar. Het merendeel van de moeders heeft momenteel een betaalde baan (bijna driekwart). Daarnaast heeft driekwart van de respondenten de Nederlandse etniciteit. De overige 13 personen zijn afkomstig uit andere landen en vallen onder de nietwesterse en westerse allochtonen. Voor een meer uitgebreide beschrijving van de onderzoeksgroep verwijzen we naar de bijlage. Bij de analyse zijn, waar mogelijk relevant, kenmerken van de gezinnen betrokken zoals de arbeidsparticipatie van de ouders en de etniciteit. In de interviews is gebruik gemaakt van drie methoden, bestaande uit vier gedeeltes. Een vragenlijst bevat enkele algemene vragen aan de ouder over hun gezin. De tweede vragenlijst is door de ouder zelf ingevuld, en hierin zijn vragen gesteld over de gezinsituatie, de beoordeling van de opvoeding, vragen en zorgen die men ervaart en de steun, 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:26
56 56 Opvoeding, zorgen en hulp: resultaten van interviews met moeders informatie en hulp die men krijgt. Vervolgens is een sorteertaak uitgevoerd: de ouder heeft uit 34 kaartjes met daarop verschillende onderwerpen die zij als moeilijk kan ervaren in de opvoeding van het kind, een aantal kaartjes gekozen die het meest aan de orde zijn in hun situatie. Tot slot is met de ouder een diepte-interview gehouden, waarbij verder is ingegaan op de eerder genoemde onderwerpen en de manier waarop de opvoeding door de ouder ervaren wordt. In dit hoofdstuk worden de resultaten van die interviews (inclusief vragenlijsten en sorteertaak) weergegeven. We gaan allereerst, in paragraaf 4.1, in op de manier waarop moeders de opvoeding beleven (de derde onderzoeksvraag uit paragraaf 1.5). Vervolgens beschouwen we in paragraaf 4.2 de vragen en zorgen die moeders (kunnen) hebben (de eerste onderzoeksvraag) en tot slot beschrijven we in paragraaf 4.3 welke steun, informatie en hulp men krijgt bij de opvoeding en wat men hier nog in mist (de tweede onderzoeksvraag). 4.1 Beleving van de opvoeding Ouders beleven de opvoeding van hun kinderen op verschillende manieren, zo bleek al in het vorige hoofdstuk. Enkele ouders ervaren het als een zware opgave of zijn onzeker over hun rol als opvoeder, maar veel ouders zijn redelijk tevreden. Bijna alle ouders hebben af en toe wel vragen of maken zich soms zorgen. Deze aspecten bepalen grotendeels de manier waarop ouders het opvoeden beleven (Deković, Groenendaal & Gerrits, 1996). Om verdiepend zicht te krijgen op de beleving die de moeders in dit onderzoek van de opvoeding hebben, is hen een aantal stellingen voorgelegd over hun tevredenheid, de eigen opvoedvaardigheid en gevoelens die zij kunnen hebben over de opvoeding naar de buitenwereld toe Tevredenheid Uit de antwoorden op die stellingen blijkt dat ook van de 47 geïnterviewde ouders het merendeel tevreden is over de opvoeding. Maar waar zijn deze ouders nu precies tevreden over? Anders gezegd: wat verstaan ouders onder tevredenheid? Allereerst vindt het overgrote deel (driekwart) van de geïnterviewde ouders het leuk om kinderen op te voeden: (moeder, 2 kinderen) Opvoeden is sowieso leuk, dus ik denk dat het goed gaat. 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:26
57 Opvoeding en opvoedings ondersteuning E-Quality 57 (moeder, 2 kinderen) Het is gewoon leuk om te zien hoe ze zich ontwikkelen. En hoe zich dat verhoudt naar je eigen ontwikkeling en die van je partner. En ook hoe je ziet dat ze verantwoordelijkheid nemen. En normen en waarden ontwikkelen. Daarnaast ervaren weinig moeders echte problemen in de opvoeding. De afwezigheid van problemen is voor veel ouders een reden om tevreden te zijn over de opvoeding en tevens de opvoeding als leuk te ervaren, zoals een moeder vertelt: (moeder, 4 kinderen) Leuk, het is een heel open jongetje, open en meestal wel vrolijk. Onze situatie gaat goed, we hebben weinig problemen met hem. Ook geven de meeste moeders aan dat ze de opvoeding van hun kind(eren) goed aan kunnen. Bijna de helft van de geïnterviewde ouders vindt dat de opvoeding hen gemakkelijk afgaat. Regelmatig geven ze als reden hiervoor dat ze een heel makkelijk kind hebben of het kind een makkelijk karakter heeft. Maar ook de afwezigheid van problemen draagt bij aan het gevoel de opvoeding makkelijk aan te kunnen, zoals onderstaand citaat illustreert: (moeder, 5 kinderen) Ja gewoon, het gaat eigenlijk vanzelf, ik heb geen moeilijk dingen eigenlijk. [ ] Het gaat allemaal perfect en het gaat vanzelf. [ ] Alles gaat goed, het buiten spelen, de omgang met andere kinderen gaat goed, op school gaat het goed, ja het gaat gewoon verder goed Opvoedvaardigheid en onzekerheid Maar niet alle moeders uit dit onderzoek zijn even tevreden of hebben het gevoel de opvoeding goed aan te kunnen. Niet elke ouder voelt zich bijvoorbeeld even zeker over de opvoeding. Nagenoeg de helft van de geinterviewde ouders geeft aan zich soms onzeker te voelen over de opvoeding. Sommige ouders denken dat deze onzekerheid wordt versterkt door de huidige tijdgeest, zoals onderstaand citaat illustreert: (moeder, 3 kinderen) Ja ik vind dat dat de laatste jaren zo ontwikkeld is, omdat er ontzettend veel druk op opvoeden ligt en dat komt natuurlijk door bepaalde ontwikkelingen in de maatschappij, politiek en door bepaalde bevolkingsgroepen [ ]. Er ligt dus heel veel druk op opvoeden en dat maakt ouders denk ik heel onzeker. Daardoor probeer je het juist nog beter te doen dan je eigenlijk misschien in een normale situatie zou willen doen. 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:26
58 58 Opvoeding, zorgen en hulp: resultaten van interviews met moeders Een ander punt dat door moeders genoemd wordt waar ze onzeker van worden, is het moeten combineren van allerlei richtlijnen met, zoals iemand zegt, het oermoederlijk gevoel : (moeder, 1 kind) [ ] en dat je dat ook niet hoeft te zien als falen, want dat gebeurt nog al eens. En dat vind ik gewoon jammer. Ik bedoel er is nou eenmaal geen echte handleiding hoe je een kind op moet voeden. Dat moet je op je gevoel doen. Maar tegenwoordig moet het allemaal volgens zoveel richtlijnen, ja waar blijft dan het oermoederlijk gevoel? Ook kan de vraag of men genoeg aandacht aan het kind besteedt een bijdrage leveren aan de onzekerheid van de ouders. Dit geldt met name voor werkende ouders. Hier zullen we later in dit hoofdstuk op terugkomen. De reacties van anderen op de manier van opvoeden of de gezinssituatie van de ouders lijken nauwelijks een rol te spelen bij de (on)zekerheid van opvoeders. Hoewel meerdere moeders (al dan niet positieve) reacties van anderen zeggen te krijgen, geven slechts drie ouders aan zich hier ook druk om te maken. Toch blijkt uit de interviews dat ook andere ouders dergelijke reacties wel degelijk onthouden en er desgevraagd vaak uitgebreid over vertellen. Ouders die onzeker zijn over de opvoeding, hebben vaker het gevoel de opvoeding minder goed aan te kunnen, vinden de opvoeding zwaarder en zijn banger om fouten te maken in de opvoeding. Een kanttekening die in het vorige hoofdstuk al naar voren kwam, is dat elke ouder zich bij tijd en wijle wel eens onzeker voelt over de opvoeding. Maar niet elke onzekerheid houdt vervolgens in dat de ouder ook het gevoel heeft de opvoeding minder goed aan te kunnen. Ook vindt een groot deel van de moeders (32 van de 47) de opvoeding soms zwaar, maar net als bij onzekerheid is dit bij de meeste ouders niet een permanente situatie. Slechts 7 van de geïnterviewde moeders vindt de opvoeding vaak zwaar (waarvan 6 van de 7 personen zich daarnaast onzeker voelt over de opvoeding van hun kind). Opvallend is dat 39 van de 47 ouders het (helemaal) eens zijn met de stelling dat ze als opvoeder hoge eisen aan zichzelf stellen. Een bijna even groot aantal ouders (en voor een groot deel dezelfde ouders) zegt tevens dat ze het heel erg goed willen doen in de opvoeding. (moeder, 2 kinderen) Je wilt het graag goed doen. En je doet je best, maar je weet nooit zeker of je het goed doet of dat je dingen toch misschien anders had moeten aanpakken. Je blijft er wel altijd over nadenken en mee bezig en ik denk dat dat ook menselijk is. Je kunt het nooit voor 100% goed doen, dat moet je je ook realiseren. 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:26
59 Opvoeding en opvoedings ondersteuning E-Quality 59 Er zijn altijd dingen waarvan je denkt: hoe het bij mij vroeger ging, dat wil ik ook zo doen, of sommige dingen juist niet. Blijkbaar leggen de moeders in dit onderzoek over het algemeen de lat hoog wat betreft de opvoeding van hun kinderen, afgezien of ze tevreden zijn over de opvoeding of ze het gevoel hebben de opvoeding goed aan te kunnen. Ouders doen dus erg hun best, als het om de opvoeding van hun kinderen gaat. En dit gaat af en toe gepaard met twijfels en onzekerheden. Immers, ook voor ouders is opvoeden een leerproces: (moeder, 2 kinderen) Daarom proberen we daar zelf ook uit te leren, want we blijven leren wat ik al eerder zei, ook van de fouten die wij als ouders maken. [ ] En of wij de juiste keuze maken, dat zal alleen maar achteraf blijken. Dat kan je nooit vooraf weten, je doet je best als ouders. We hebben hiermee de tevredenheid van moeders en de beleving van de opvoeding in het algemeen beschreven, maar zijn er ook specifieke verschillen tussen de gezinstypen? Is het ene type gezin bijvoorbeeld minder tevreden dan een ander? Of meer onzeker? Gezinstypen Zoals in de inleiding al is beschreven, maken we in dit onderzoek onderscheid tussen drie gezinsvormen. We beschrijven biologische tweeoudergezinnen gezinnen waar beide ouders de biologische ouders zijn van de kinderen-, eenoudergezinnen gezinnen waar een ouder aanwezig is-, en stiefgezinnen nieuw samengestelde gezinnen, met kinderen uit een vorige relatie van (één van de) partners. Vervolgens bekijken we enkele factoren die van invloed kunnen zijn op de opvoeding en op vragen en zorgen van ouders: arbeidsparticipatie en etniciteit van de ouders. Biologische tweeoudergezinnen De moeders in de biologische tweeoudergezinnen zijn over het algemeen tevreden over de opvoeding. De meeste geinterviewde opvoeders uit deze groep stellen weliswaar ook hoge eisen aan zichzelf als opvoeder en willen het net als de andere ouders graag goed doen, maar ze krijgen minder reacties vanuit hun omgeving en ze zijn minder onzeker dan de alleenstaande ouders en de ouders uit stiefgezinnen. 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:26
60 60 Opvoeding, zorgen en hulp: resultaten van interviews met moeders Opvoeding binnen een standaardgezin lijkt voor de ouders dus iets soepeler te verlopen. Maar deze gezinsvorm komt steeds minder voor, zo blijkt uit hoofdstuk 2 en uit de volgende uitspraak: (moeder, 5 kinderen, tweeoudergezin) Verbazen ze zich dat ik vijf kinderen heb, waarvan één pleegkind en vier van mijn partner en mij samen. Dan krijg je opmerkingen als: ah dat hoor je niet vaak meer. Meestal zijn mensen niet zolang bij elkaar, helemaal niet op zo n leeftijd. En als ik dat in vergelijking trek met onze vriendenkring, zijn de meesten allemaal één of twee keer uit elkaar gegaan en hebben weer een nieuw gezin. Met allebei eigen kinderen, allemaal samengestelde gezinnen. Eenoudergezinnen De geïnterviewde moeders uit eenoudergezinnen geven aan redelijk tot zeer tevreden te zijn over de opvoeding van hun kind, zij het in iets mindere mate dan gezinnen met twee ouders (uit het vorige hoofdstuk bleek dat dit verschil vooral groot is onder laag en middelbaar opgeleiden). Hoewel ouders uit eenoudergezinnen geen (inwonende) partner hebben waar ze op terug kunnen vallen bij de opvoeding en er in die zin alleen voor staan, heeft dit blijkbaar nauwelijks effect op de mate van tevredenheid over de opvoeding. Opvallend is dat voor sommige van de alleenstaande moeders de huidige situatie juist zorgt voor meer tevredenheid in vergelijking met de situatie daarvoor, namelijk als gezin met twee ouders. Het opvoeden van kinderen is soms makkelijker als alleenstaande moeder, dan samen met een partner wanneer er in de relatie veel spanningen en woordenwisselingen zijn. Een moeder geeft aan dat er nu, na de scheiding, meer rust in het huis is en dat de situatie duidelijker is voor de kinderen. Hoewel het er financieel gezien wel wat zwaarder op is geworden, is ze tevreden met de situatie van het moment en tevens met de opvoeding van haar kinderen. Ook een andere alleenstaande ouder ziet voordelen in alleenstaand ouderschap: (alleenstaande moeder, 2 kinderen) Ik vind het heel prettig om zelf te bepalen wat ik goed vind in de opvoeding van [kind] en dat ook te kunnen doen. Ik hoef geen [ ] water bij de wijn te doen omdat mijn partner iets anders wil, zeg maar. Hoewel ouders uit eenoudergezinnen dus relatief tevreden zijn met de opvoeding, blijken deze ouders wel de meest onzekere ouders te zijn: driekwart (9 van de 12) voelt zich af en toe onzeker. Een voorbeeld van een ouder: (alleenstaande moeder, 2 kinderen) Ik ben heel onzeker. Je wilt toch het beste voor je kind. Als je iets ziet wat niet zo goed is gelukt of je had een 10 verwacht en er komt een 8, dan denk je van: oh zie je, ik heb meer aandacht moeten besteden aan hun huiswerk. Ja, daarin ben ik best wel onzeker. 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:27
61 Opvoeding en opvoedings ondersteuning E-Quality 61 Bij veel ouders in deze gezinnen brengt het feit dat ze hun kinderen alleen opvoeden extra onzekerheid met zich mee. Ouders die er alleen voor staan in de opvoeding moeten immers zelf alle beslissingen nemen in de opvoeding en hebben geen partner om die verantwoordelijkheid mee te delen of met wie ze even kunnen overleggen op het moment dat er iets speelt. Daarbij zijn ze vaak fulltime opvoeder, al dan niet naast een betaalde baan. Een alleenstaande moeder met twee kinderen licht dit als volgt toe: Soms is opvoeden in je eentje moeilijker: je kunt nooit het stokje even overdragen. Als je moe bent en het even niet aankan, kun je niet zeggen tegen je partner: neem jij het even over. Uiteindelijk ben je altijd alleen verantwoordelijk. Een andere alleenstaande moeder ervaart de opvoeding van haar twee kinderen als best wel heftig en zwaar, omdat ze niet onder een gewone gezinssituatie valt. Naar haar eigen zeggen is zij de hele dag bezig met zorgen voor de kinderen. (alleenstaande moeder, 2 kinderen) Toch wel lastig, natuurlijk. Je wijkt af van het huisje, boompje, beestje, zal ik maar zeggen. Daar wordt toch wel naar gekeken, en er wordt op je gelet. Normaal heb je toch natuurlijk een vader en een moeder die werken. Je bent gescheiden, je hebt geen werk, je hebt twee kinderen die ook nog wel de nodige aandacht vragen en dan zijn er ook nog gezondheidsproblemen bij de kinderen. Dan sta je vaak met je rug tegen de muur. In vergelijking hebben ouders uit tweeoudergezinnen het duidelijk minder zwaar, volgens deze moeder: (moeder, 3 kinderen, tweeoudergezin) Ik heb wel een vriendin die haar kinderen alleen opvoedt. Dat is dan toch wel iets moeilijker dan met z n tweeën. Het scheelt voor ons heel wat dat we met zijn tweeën zijn. We doen toch alles met z n tweeën. Al doen we niks met de kinderen, ook in huis scheelt het heel veel. Ik bedoel, een paar jaar geleden toen ik zwanger was van de jongste, was mijn man drie weken naar zijn moeder [in Marokko] gegaan. Ik dacht, nou dat trek ik wel in mijn eentje. Nou dacht het even niet! Dan merk je echt hoe zwaar het is. Dan is het echt zoiets van: petje af voor die moeder! Ja, dat is echt pittig. Een bijkomend punt is dat alleenstaande ouders zich weliswaar alleen gesteld zien voor de opvoeding van hun kinderen, maar dat er in een deel van de gevallen wel een ex-partner is die ook een rol speelt in de opvoeding van de kinderen. Sommige moeders ervaren deze ex-partner als steun (hier gaan we in paragraaf 4.3 verder op in), maar soms is dit juist een bijkomende lastige factor. Zo geeft een moeder aan dat 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:27
62 62 Opvoeding, zorgen en hulp: resultaten van interviews met moeders haar kinderen bij haar ex-partner een andere opvoeding krijgen, waar ze echter niet veel aan kan veranderen, gezien de minder goede band met de ex-partner. In het vorige hoofdstuk hebben we al kunnen lezen dat alleenstaande ouders de opvoeding vaker zwaar en/of verantwoordelijk vinden dan ouders uit tweeoudergezinnen. Het gevoel dat ze er alleen voor staan speelt hierbij een belangrijke rol. In de volgende paragraaf zullen we dieper ingaan op dit specifieke gevoel en de vragen en/of zorgen die dit met zich meebrengt in de opvoeding. De onzekerheid van sommige alleenstaande ouders blijkt ook uit het feit dat zij in vergelijking met tweeoudergezinnen veel vaker aangeven bang te zijn om fouten te maken in de opvoeding. (alleenstaande moeder, 1 kind) Ik wil gewoon niet mislukken, ik wil geen fouten maken. En ze hebben vaker het gevoel te moeten bewijzen dat het goed gaat met hun kind. Hierbij spelen reacties van anderen over de gezinssituatie een rol. Ouders in eenoudergezinnen hebben, samen met stiefgezinnen, het meeste te maken met vragen of opmerkingen over hun situatie. In sommige gevallen gaat het om negatieve reacties van anderen, zoals een werkende, alleenstaande moeder van 4 kinderen vertelt: Negatief, [...] over het feit dat je kinderen volgens hen te vaak gedumpt worden bij anderen. Hier reageer ik altijd nogal fel op. Soms zijn het echter vragen die meer uit interesse of verwondering gesteld worden: (alleenstaande moeder, 2 kinderen) Nou soms op school wel eens van: oh zijn jullie gescheiden, oh hoe doe je dat dan, hoe ziet dat er praktisch dan uit, maar dat is meer een opmerking dan dat het negatief gesteld is. Het is meer dat mensen er verwonderd over zijn of het niet weten. Maar ook krijgen ouders wel eens positieve reacties zoals complimenten over hoe ze het in hun eentje klaarspelen : (alleenstaande moeder, 1 kind) Ja, over het algemeen vinden ze het erg knap hoe ik het voor elkaar krijg al een paar jaar lang. Stiefgezinnen Wanneer we tot slot onze focus naar de stiefgezinnen verplaatsen dan zien we enkele overeenkomsten met de ouders uit eenoudergezinnen. Op één ouder na zijn ouders 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:27
63 Opvoeding en opvoedings ondersteuning E-Quality 63 uit dit gezinstype redelijk tot zeer tevreden over de opvoeding van hun kinderen. De ouder die minder tevreden is, geeft aan dat zij de gezinssituatie waarin zij zich bevindt behoorlijk lastig vindt. Dit heeft vooral te maken met de gecompliceerde relatie tussen haar en haar ex-partner. Op dit punt komen we later terug, als we specifiek ingaan op echtscheidingen. Ook relatief veel andere ouders uit deze groep ervaren de opvoeding als zwaar. Een belangrijke factor hierin zijn de moeilijkheden van een samengesteld gezin. Een moeder van een stiefgezin licht dit toe: (moeder, 2 biologische kinderen, 2 stiefkinderen) Dat je kinderen in je huis hebt die de jouwe niet zijn [ ] en ook dat je je eigen kinderen dat aan doet. Dat ze zomaar ineens met wildvreemde kinderen en een vreemde man geconfronteerd worden, waar ze gewoon een intiem deel van het leven mee moeten delen. Voor sommige ouders is deel uitmaken van een stiefgezin zelfs zwaarder dan het zijn van een alleenstaande ouder. Zo zegt een moeder: (moeder, 2 biologische kinderen, 2 stiefkinderen) Waar ik me wel heel erg van bewust ben, een samengesteld gezin gaan vormen is tien keer zo moeilijk dan samen beginnen en dan kinderen krijgen. Ik heb natuurlijk vergelijkingsmateriaal, ik ben getrouwd geweest en daarna kwamen er kinderen en dan groei je daar samen in, maar nu kreeg ik eigenlijk van de ene op de andere dag twee peuters in huis, terwijl ik dat niet gewend was. Misschien zeggen mensen die alleenstaande ouder zijn dat dat het moeilijkste is, die ervaring. Ik ben wel drie jaar alleenstaande ouder geweest, maar dat vond ik lang niet zo moeilijk. Dat had ik nooit gedacht hoor. Wel verwachtte ik dat dit zwaar zou worden. Ten eerste omdat je gezin veel groter wordt en ten tweede omdat er ook wel problemen speelden met de moeder van de kinderen. Je ligt vaak genoeg wakker. Maar het is me zwaarder gevallen dan ik eigenlijk had voorzien. Maar ik heb er nooit spijt van gehad. In stiefgezinnen zijn meerdere (biologische en stief-) ouders bij de opvoeding betrokken en de relatie tussen de opvoeders (ex-partners) is niet altijd makkelijk. Daarnaast wordt genoemd dat de vorming van een stiefgezin betekent dat twee levensstijlen bij elkaar komen, waar een juiste lijn in gevonden moet worden. In de volgende paragraaf zullen we verder ingaan op de vragen en zorgen die hierbij spelen, allereerst beschouwen we nader hoe ouders in stiefgezinnen de opvoeding ervaren. Hoewel minder dan alleenstaande moeders, voelt ook een redelijk deel van de moeders uit stiefgezinnen zich soms onzeker over de opvoeding van hun kind (de helft van de ouders tegenover driekwart van de ouders uit eenoudergezinnen). 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:27
64 64 Opvoeding, zorgen en hulp: resultaten van interviews met moeders Zo geeft een moeder aan dat zij het prettig vindt om wel eens wat tijd met haar nieuwe partner alleen door te brengen, maar dat dit schuldgevoelens bij zowel haarzelf als haar partner opwekt. Hierdoor zitten zij constant met vragen als wat kan wel en wat niet, wat mag wel en wat niet? Dit vergroot haar gevoel van onzekerheid over de opvoeding. Moeders van stiefgezinnen zijn echter, in tegenstelling tot alleenstaande moeders, niet banger om fouten te maken in de opvoeding dan moeders uit biologische tweeoudergezinnen Zo vertelt een moeder: (moeder, 1 biologisch kind, 3 stiefkinderen) Ik hoef ook niet alles perfect te doen, ik mag de lat ook wat lager leggen. Het is heel goed om je eigen ingeving toch bovenaan te blijven plaatsen. Opvoeders uit stiefgezinnen hebben wel, net als eenoudergezinnen, vaker het gevoel zich te moeten bewijzen dan ouders van biologische tweeoudergezinnen, Zoals een moeder van een stiefgezin uitlegt: (moeder, 3 stiefkinderen) Stiefmoeders die voelen zich vaker ja, net als of je het beter met je stiefkinderen moet doen dan met je eigen kinderen. Je moet meer bewijzen, want de stiefmoeder is een bitch, zoiets. Stiefgezinnen hebben dan ook vaker te maken met vragen en/of opmerkingen van anderen over hun gezinssituatie, zowel positief als negatief: (moeder, 1 biologisch kind, stiefgezin) Vaak zijn mensen in eerste instantie sceptisch, omdat het natuurlijk raar is. Maar in tweede instantie krijgen we eigenlijk erg veel lof voor hoe we het doen. Ouders in stiefgezinnen die met negatieve opmerkingen te maken hebben, stuiten vooral op onbegrip bij familieleden als hun eigen ouders of schoonouders. Die vinden vaak dat zij te hard van stapel zijn gelopen. Zo geeft een moeder aan dat haar familie niet blij was toen ze met haar kind naar een andere stad verhuisde om met een man met drie kinderen te trouwen. Ook andere mensen uit de omgeving lijken soms moeite te hebben met de situatie waar een stiefgezin zich in bevindt. Vaak hebben ze moeite om zich voor te stellen hoe het is om met een vervelende ex-partner te maken te hebben en wat voor impact dat op het gezin heeft. Ouders vertellen dat hun belangrijkste vrienden zelf ook in een soortgelijke situatie zitten. Die mensen blijven over, zoals een moeder aangeeft. Zij vertelt dat de overige vrienden vaak zelf afstand nemen en niet meer bereikbaar zijn, waardoor de ouders zichzelf ook meer afsluiten en niet meer zoveel over hun specifieke gezinssituatie zeggen. Het zijn dus zowel de vrienden zelf die uit beeld verdwijnen omdat ze de situatie niet begrijpen of goedkeuren, als dat stiefouders hun vrienden meer op hun begrip selecteren. 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:27
65 Opvoeding en opvoedings ondersteuning E-Quality 65 Maar niet alle reacties die gescheiden ouders van anderen krijgen over hun gezinssituatie zijn negatief. Ook deze ouders krijgen meer met vragen te maken die uit interesse of onbekendheid met de situatie worden gesteld, zoals de ouder uit onderstaand citaat vertelt: (moeder, 2 biologische kinderen, 1 stiefkind) Soms ook wel ingewikkeld, mensen die je vragen stellen. Hoe zit dat nou precies? Vooral ook omdat zijn kind ook op mij lijkt En (dochter) lijkt juist niet op mij. En mensen snappen het dan niet helemaal en gaan vragen stellen. Hoe zit dat? Oh wat leuk, wel druk, wel gezellig. Ja, van mij mogen ze dat weten. Ik heb niks te verbergen. En ook ouders uit deze gezinnen krijgen naast negatieve reacties en vragen wel positieve reacties over hun gezinssituatie: (moeder, 2 biologische kinderen, 2 stiefkinderen) Nou eigenlijk alleen maar positief. Dat mensen vooral zoiets hebben van: wat knap dat jullie dat zo doen. Ja wat goed dat jullie eigenlijk op die manier bezig zijn met die kinderen, heel bewust. Maar ook wel: ik zou niet graag in jouw schoenen staan. Arbeidsparticipatie Afgezien van het aantal ouders in een gezin en de biologische relaties of stiefrelaties, kan de arbeidsparticipatie van de ouders een rol spelen in de beleving van de opvoeding. Van de twee-oudergezinnen in het onderzoek werkt een deel van de moeders. Kostwinnersgezinnen De meeste moeders uit kostwinnersgezinnen (tweeoudergezinnen waarbij een van de partners, in deze gevallen steeds de man, werkt) vinden het prettig en leuk om thuis te zijn voor hun kind. Niet-werkende ouders blijken de opvoeding daarnaast ook iets makkelijker en wat minder zwaar te vinden dan werkende ouders. Gezinnen waarbij een van de ouders niet werkt, hebben vanzelfsprekend niet of aanzienlijk minder de zorgen van het combineren van werk en opvoeding. Wanneer ouders uit kostwinnersgezinnen wordt gevraagd waarom ze de opvoeding makkelijk en niet zo zwaar vinden, vergelijken ze hun situatie dan ook vaak met gezinnen waar beide partners werken. Zo geeft een niet-werkende moeder aan dat ze denkt dat ze het wel iets makkelijker heeft ten opzichte van andere gezinnen waar beide ouders werken. Naar haar idee geeft haar situatie meer rust in het gezin en er is bovendien meer tijd om dingen met de kinderen te ondernemen. Een andere moeder noemt het niet hoeven regelen van kinderopvang als een punt dat haar situatie vergemakkelijkt. Weer een andere moeder 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:27
66 66 Opvoeding, zorgen en hulp: resultaten van interviews met moeders ziet haar situatie als luxe en ideaal. Ze vindt het eigenlijk onnatuurlijk dat beide ouders moeten werken. Hoewel moeders uit kostwinnersgezinnen dus geen problemen ervaren rondom het combineren van arbeid en zorg, en dit ook vaak als voordeel van hun situatie noemen, geven enkele van deze moeders wel aan dat ze in de toekomst (weer) graag willen gaan werken. Zo heeft een moeder het idee dat ze nu wel wat mist waarbij ze met name doelt op het ontbreken van intellectuele input. Een andere moeder mist meer het sociale aspect van werken. Daarnaast blijken 3 van de 12 moeders negatieve reacties te krijgen vanwege het feit dat ze niet werken. Zo krijgen ze wel eens opmerkingen in de trant van: goh werk jij niet. Ook denken mensen dat de moeder een heel lui leven heeft en de hele dag niets doet. Bovendien geeft een niet-werkende moeder lachend aan: (niet-werkende moeder, 4 kinderen) Nou als je op een of andere manier niet werkt, dan ben je dom. Sommige mensen denken dat ik niks kan. Hoewel deze moeder om dergelijke opmerkingen kan lachen, vindt ze het toch ook jammer dat mensen haar soms het gevoel geven dat ze niet meetelt, omdat ze niet werkt. Behalve deze negatieve geluiden, krijgen ouders uit kostwinnersgezinnen soms ook juist positieve reacties over hun gezinssituatie. Zoals een moeder die ondanks negatieve reacties ook wel eens van anderen te horen krijgt dat ze het juist goed vinden dat ze altijd thuis is. In het vorige hoofdstuk bleek dat juist de niet-werkende moeders meer zorgen en problemen hebben. Deze zorgen hebben duidelijk niet van doen met het combineren van betaald werk en de opvoeding van de kinderen. Welke zorgen dit dan wel zijn, bespreken we in de volgende paragraaf. Tweeoudergezinnen waarin beide partners werken In tegenstelling tot de niet-werkende ouders zijn veel werkende moeders juist tevreden met de combinatie van werken en het opvoeden van hun kinderen in plaats van dat ze de hele dag thuis zijn bij de kinderen. Hoewel werkende moeders de opvoeding als iets minder makkelijk en wat zwaarder ervaren in vergelijking met niet-werkende moeders, speelt het hebben van een baan een belangrijke rol in hun leven. Zo vertelt een moeder dat ze het prettig vindt om een baan te hebben, omdat ze hierdoor ook met heel andere dingen bezig is dan alleen de opvoeding van haar kinderen. Een andere moeder beaamt dit en vindt het daarbij moeilijk zich voor te stellen dat ze niet zou werken, zoals onderstaand citaat illustreert: 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:27
67 Opvoeding en opvoedings ondersteuning E-Quality 67 (fulltime werkende moeder, 1 kind) Dat ik werk is niet alleen een kwestie van economische noodzaak en van dat ik het leuk vind om te doen, maar het zit ook wel heel erg in mijn systeem dat je gewoon werkt. Ook als je vader of moeder bent, dan kun je misschien iets minder gaan werken. Maar om nou huisvrouw te worden of thuisblijfmoeder zoals het tegenwoordig heet, dat is een hele andere wereld voor mij. Het combineren van werk en het opvoeden van kinderen levert, zoals in voorgaande al werd aangegeven, soms wel zorgen op. In het volgende hoofdstuk zullen we deze zorgen over het combineren verder uitdiepen. Hoewel werkende moeders uit tweeoudergezinnen over het algemeen zelf tevreden zijn met hun situatie, hebben ze net als de niet-werkende moeders, soms te maken met negatieve opmerkingen over hun werksituatie. Waar niet-werkende ouders opmerkingen krijgen over het feit dat ze niet werken, krijgen gezinnen waar beide ouders werken juist aanmerkingen, omdat beide partners in het gezin werken. De volgende citaten geven enkele reacties weer waar werkende ouders mee te maken krijgen: (parttime werkende moeder, 2 kinderen) Onze omgeving, nou familie [ ] vragen dan of het niet wat veel is om allebei te werken. Die suggestie wordt wel eens gewekt. [ ]Dat soort dingen, ja daar moet je wel tegen kunnen. (fulltime werkende moeder, 3 kinderen) Ja, in de zin van: ja hoe kan dat nou? Allebei werken, en 40 uur? Zeker in het begin, toen de oudste net geboren was. Toen hadden ze op mijn werk, toen ik nog docent was, wel verwacht dat ik zou stoppen met werken. Daar kreeg ik toen heel veel commentaar op. Dat ik niet stopte met werken. En dat is zielig voor je kind. (parttime werkende moeder, 2 kinderen) Want anderen zeggen dan van: als je een goede moeder bent, dan werk je niet 4 dagen. Ik vind ook dat we in de maatschappij elkaar naar beneden praten. En ik vind ook dat er weinig vrouwen echt werken, ik bedoel, dat zie ik in m n omgeving ook. Als je 4 dagen of meer werkt, dan ben je eerder de slechte moeder dan de goede moeder. Dat is ook in de klas van (kind). Ik ben de uitzondering. En dan ben jij degene die uit moet leggen van terwijl ik zou willen dat alle vrouwen 3 of 4 dagen werken. Dat is economisch zelfstandig zijn, dat is mijn mening. Maar daar ga ik niet over discussiëren. Maar ik word er wel op aangesproken dat ik zoveel werk en mijn man niet. Door de omgeving. Maar ook wat je op tv ziet, en in discussies hoort. 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:27
68 68 Opvoeding, zorgen en hulp: resultaten van interviews met moeders (parttime werkende moeder, 1 kind) Er zijn wel eens mensen die roepen van: de moeder moet voor de kinderen zorgen. En wat dat betreft krijg ik er nog meer kritiek boven op, omdat ik 4 dagen per week, 32 uur, werk. Dat is ook allemaal slecht. De negatieve opmerkingen die deze moeder krijgt, doen haar echter niet zoveel en zij neemt deze dan ook niet serieus: Het zou mij misschien raken als het met mijn dochter niet goed zou gaan. Maar ze is geliefd op school, ze doet het goed, ze zit lekker in haar vel, het is gewoon een hartstikke leuke meid en ja, dan kan iemand wel zeggen dat ik het niet goed doe, maar dat slaat dan eigenlijk per definitie al nergens op. Maar ook deze vrouwen krijgen naast enkele negatieve reacties, wel positieve opmerkingen van anderen over hun gezinssituatie, zoals reacties van andere ouders die het bewonderenswaardig vinden hoe deze ouders werk en de opvoeding van hun kinderen combineren. Alleenstaande, werkende moeders Hoewel alleenstaande, werkende moeders op de meeste bovenstaande punten overeenkomen met tweeoudergezinnen waarin beide partners werken, zijn er ook wel enkele verschillen tussen deze gezinstypen. In vergelijking met tweeoudergezinnen waarin beide partners werken, spreken de alleenstaande, werkende ouders in dit onderzoek bijvoorbeeld minder vaak over de prettige kanten van het werken. Vaker gaat het juist over de minder positieve of moeilijke kanten die het werk met zich meebrengt zoals de noodzaak om te werken (in financieel opzicht) en de belasting van het combineren van werk en zorg, zowel praktisch gezien (regelen van opvang) als gevoelsmatig. Voor sommige moeders is het bijvoorbeeld moeilijk om, voor hun gevoel, voldoende aandacht aan de kinderen te besteden, zoals onderstaand citaat illustreert: (fulltime werkende moeder, 2 kinderen) Ik vind het moeilijker, omdat ik toch alleenstaand ben en werk. En dan moet je echt je tijd goed plannen om toch een stukje aandacht te kunnen geven aan je kinderen. Ook kan het gebrek aan tijd en aandacht tot schuldgevoelens bij ouders leiden. Twee alleenstaande moeders spreken hierover in de interviews. Zo vraagt een fulltime werkende moeder zich af of het niet beter is voor haar kind als ze wat vaker thuis is. Ze heeft het gevoel dat haar kind hier behoefte aan heeft. De andere moeder geeft aan dat ze zich met name in de eerste periode na de scheiding erg schuldig voelde: 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:27
69 Opvoeding en opvoedings ondersteuning E-Quality 69 (fulltime werkende moeder, 2 kinderen) Maar naarmate ze ouder worden gaan ze eisen stellen, ze willen veel meer thuis zijn, ze willen veel meer met je doen en ja, dat kan niet altijd. Dus ik kan niet aan de eisen voldoen die de kinderen eigenlijk aan je stellen. En soms, in het begin, toen dit pas begon te spelen voelde ik me daar heel erg schuldig over. Hoewel de meeste alleenstaande, werkende moeders in het onderzoek hun sitatie als pittig omschrijven, geven de interviews wel de indruk dat de omgeving hen op dit punt meer steunt en waardeert dan gezinnen met twee werkende ouders. Ouders uit eenoudergezinnen lijken over het algemeen meer begrip van hun omgeving te krijgen wat betreft het combineren van werk en zorg. Een voorbeeld uit de interviews: (fulltime werkende moeder, 4 kinderen) Positieve opmerkingen vaak genoeg: knap van je dat je het in je eentje redt. Heel veel begrip ook en regelmatig ook hulp bij opvang en dergelijke. Etniciteit Bij enkele gezinnen lijkt hun etnische achtergrond van invloed te zijn op de beleving van de opvoeding. Zo is het opmerkelijk dat, naast een deel van de autochtone ouders, alle geïnterviewde Marokkaanse, Turkse, Surinaamse en Antilliaanse moeders (9 ouders in totaal) aangeven dat zij het heel erg goed willen doen in de opvoeding. Zo vertelt een moeder: (Antilliaanse, alleenstaande moeder, 1 kind) Ik ben bang dat het mislukt met mijn opvoeding. Ik ben echt bang daarvoor. Ik wil het goed doen, ik wil iedereen bewijzen. Vooral over de combinatie van werken en het opvoeden van kinderen krijgen sommige moeders reacties, opvallend genoeg uit diverse hoeken: (Turkse, parttime werkende moeder, 2 kinderen, anderhalfverdienergezin) Zowel die Nederlandse als Turkse vrouwen hoor! Aan de Turkse omgeving moet ik vaak uitleggen dat het echt niet zielig is dat ze drie dagen op de opvang zitten en dat het echt niet duur is en echt niet belachelijk! Maar ook aan de Nederlandse vrouwen [ ] Als de kinderen thuis zijn dan moeten we met een kopje thee klaar staan. Ja, ik vind dat echt heel mutserig in Nederland. Hij [partner] vond het helemaal vanzelfsprekend dat hij ouderschapsverlof opnam. Ook speelt het opvoeden tussen twee culturen een rol in de beleving van de opvoeding. Tevens kan dit voor ouders de nodige vragen of zorgen over het kind en 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:27
70 70 Opvoeding, zorgen en hulp: resultaten van interviews met moeders de opvoeding met zich meebrengen. In de volgende paragraaf zullen we hier naast andere vragen en zorgen op ingaan. 4.2 Vragen of zorgen over het kind en de opvoeding De meeste ouders zijn dus tevreden over de opvoeding, hoewel sommige situaties onzekerheden of negatieve reacties van anderen met zich meebrengen. Op de vraag of ouders zich de afgelopen tijd zorgen hebben gemaakt of vragen hebben gehad over de opvoeding hebben de meeste ouders in eerste instantie de neiging ontkennend te antwoorden. 12 Als we vervolgens hierop doorvragen, blijkt dat bijna alle moeders toch wel vragen hebben gehad of zich zorgen hebben gemaakt over de opvoeding van hun kind. Veelal zijn dit vragen die veel voorkomen bij ouders van kinderen in de basisschoolleeftijd, zoals bezorgdheid om schoolprestaties of ongehoorzaamheid. Hier gaan we in deze paragraaf eerst op in. Daarna komen de kwesties aan de orde die specifiek met bepaalde gezinstypen, met de arbeidsparticipatie van de ouders of hun etniciteit te maken hebben Vragen en zorgen over het kind In de volgende figuur laten we allereerst zien welke zorgen de ouders uit dit onderzoek het afgelopen jaar hebben gehad over hun kind. 12 In hoofdstuk 3 bleek bijvoorbeeld ook dat 57% van de ouders in het onderzoek Kinderen in Nederland aangaf het laatste jaar geen zorgen over de opvoeding te hebben gehad. 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:27
71 Opvoeding en opvoedings ondersteuning E-Quality 71 Figuur 4.1 Zorgen van ouders over hun kind, in het afgelopen jaar (N = 47) Emotionele problemen In hoofdstuk 3 kwam al naar voren dat emotionele problemen van het kind een belangrijke bron van zorgen zijn voor ouders. Ook de geïnterviewde ouders noemen dit vaak. Het gaat dan bijvoorbeeld om kinderen die angstig, ongelukkig of snel overstuur zijn en/of weinig zelfvertrouwen hebben.. De meeste vragen en/of zorgen van ouders gaan over het gebrek aan zelfvertrouwen van hun kind en de vraag hoe ze hun kind kunnen helpen om weerbaarder te worden of meer voor zichzelf op te leren komen. Ook onzekerheid of faalangst wordt daarbij als zorg genoemd. Twee voorbeelden van ouders: (moeder, kind 9 jaar) Nou hij heeft gewoon heel weinig zelfvertrouwen en is best wel aanhankelijk aan mij en daar zijn wij nu stapsgewijs mee bezig om dat een beetje ja los te gaan maken. Hij gaat nu ook fijn spelen. Dat wilde hij eerst niet, nu wel. (moeder, kind 6 jaar) Specifiek voor [kind] is dat hij niet zo weerbaar is. Ja, daar zijn we mee bezig, om meer complimentjes te geven. En hij neigt een beetje naar faalangst en daar zijn ze op school ook mee bezig. Ook geven twee ouders aan dat hun kind gepest wordt op school en hierdoor over weinig zelfvertrouwen beschikt. Een andere moeder vertelt dat haar kind erg angstig is en bijvoorbeeld bang is dat er zal worden ingebroken. Tot slot concludeert een ouder dat haar kind verlatingsangst heeft ontwikkeld als gevolg van de echtscheiding. 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:28
72 72 Opvoeding, zorgen en hulp: resultaten van interviews met moeders Gedragsproblemen Een ander vaak genoemde zorg van ouders, zo bleek in hoofdstuk 3, heeft betrekking op gedragsproblemen. In de interviews is dit thema verder uitgesplitst, in ongehoorzaamheid/liegen, agressief/druk gedrag en grensoverschrijdend gedrag. Ongehoorzaamheid/ liegen Met betrekking tot ongehoorzaamheid en/of liegen geeft ook iets meer dan eenderde van de ouders aan zich hier druk om te hebben gemaakt. Zo zegt een aantal moeders dat hun kinderen nu ze wat ouder worden, ook slimmer worden in bepaalde dingen. Ze merken op dat hun kind eerder liegt en het kind vaker iets achter de rug van de ouder om doet: (moeder, kind 6 jaar) Als ze zegt dat ze iets niet heeft gedaan, terwijl ik gewoon zeker weet dat ze het wel heeft gedaan, hoe kan ik dat dan uit haar krijgen? Dat vind ik gewoon heel lastig, van: hoe ga je daar dan mee om? Agressief en/of druk gedrag Ongeveer een kwart van de 47 ouders maakt zich zorgen over agressief en/ of druk gedrag van hun kind. In een enkel geval gaat het om een vastgestelde gedragsstoornis. Zo vertelt een moeder dat er bij haar kind ADHD is vastgesteld. Een andere moeder vertelt dat haar kind een agressieve gedragsstoornis heeft. Maar ook zonder dat het om een daadwerkelijke gedragsstoornis gaat, maken sommige ouders zich zorgen om het agressieve gedrag van hun kind. Een moeder vertelt hier het volgende over: (moeder, kind 6 jaar) Dat vind ik dus wel heel erg moeilijk, inderdaad, dat hij uit het niets ineens gaat slaan. Of eerst een boze bui en dan inderdaad gaat slaan. Dan denk ik van.. ik vind dat best wel agressief. Dat ik denk van: hallo en zo n klein manneke. Er zit behoorlijk wat kracht in en hij kan ook behoorlijk slaan. Ik vind het ook wel heel erg moeilijk dat hij altijd de eerste wil zijn. Hij wil altijd voorop. Er zit gewoon echt een heel sterk willetje in dat mannetje. En dat is gewoon best wel moeilijk. Hij kan moeilijk delen met anderen, ook niet met zijn zus of andere kindjes. Ook een andere moeder maakt zich zorgen over het agressieve gedrag van haar oudere zoon. Wel geeft ze hierbij aan dat het naar haar mening gedrag is dat bij een bepaalde leeftijd hoort en vanzelf weer over zal gaan: (moeder, kind 10 jaar) Ja dat uitdagen, ja en dan een grotere mond. Dat is ook uitdagen natuurlijk, een onderdeel. Maar ook stoer doen, dus ook naar zijn zusje toe en afreageren, doet hij ook heel graag. Zijn zenuwstelseltje afreageren. 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:28
73 Opvoeding en opvoedings ondersteuning E-Quality 73 Een andere moeder maakt zich meer zorgen om de agressiviteit die op televisie te zien is. Ze noemt de tekenfilms van tegenwoordig erg agressief en ze is bezorgd over het effect hiervan op haar kinderen. Het televisiekijken heeft ze als gevolg hiervan dan ook aan banden gelegd. Omgang met anderen In hoofdstuk 3 kwam de omgang met andere kinderen niet als een belangrijke zorg van ouders naar voren. In de interviews werd echter door meer dan de helft van de 47 ouders genoemd dat zij vragen hebben gehad of zich zorgen hebben gemaakt over de omgang van hun kind met andere kinderen of volwassenen. Deze ouders relateren het onderwerp vaak aan het gedrag en/of de emotionele situatie van het kind, zoals het vertonen van teruggetrokken gedrag of verlegen zijn of juist pesten en weinig rekening houden met anderen. Dat dergelijke thema s vaak genoemd worden is niet verwonderlijk, omdat juist kinderen in de basisschoolleeftijd aan het leren zijn hoe ze met andere kinderen moeten samenwerken en spelen. Zo vertelt een moeder over de verlegenheid van haar zoon in sociale situaties: (moeder, kind 4 jaar) Hij is eigenlijk heel verlegen. Hij kan heel stil zijn en heel erg de kat uit de boom kijken maar via humor kun je hem makkelijk bereiken. Andere mensen hebben dat niet allemaal in de vingers, maar dat is altijd wel een goede ingang bij hem. Thuis is hij volkomen anders, hij is altijd een heel uitbundig jongetje dat de hele dag doorkletst. Dus dat zijn eigenlijk een beetje twee kanten. Dat is dan ook waar ik me soms wel eens zorgen over maak, hoe je dan kan zorgen dat hij in andere situaties ook gewoon lekker zichzelf kan zijn en gewoon zo... Ook twee andere moeders maken zich vooral zorgen over de contacten van hun kind met andere kinderen op school. Zij geven aan dat hun kinderen erg stil en teruggetrokken zijn en zij vragen zich af wat er nu precies aan de hand is. Zo vraagt een moeder zich af of haar dochtertje niet zo graag ergens gaat spelen, omdat ze geen vriendjes heeft of omdat ze gewoon liever thuis is. De ouders vinden het ook lastig hoe ze met dit probleem moeten omgaan, omdat zij zelf eigenlijk niet het gevoel hebben dat ze er grip op hebben: (moeder, kind 7 jaar) Dat soort vragen kunnen we gewoon heel slecht beantwoorden. Als je vraagt: waarom ga je niet spelen?, dan krijg je zo n antwoord van: ja, had ik geen zin in. Waarom heb je daar geen zin in? Ja, dat kunnen ze dan niet zo goed benoemen. En om daar dan je vinger achter weten te krijgen van: ja, is het nou een gelukkig kind of niet? Dat vind ik het lastige op het moment. 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:28
74 74 Opvoeding, zorgen en hulp: resultaten van interviews met moeders Een andere ouder geeft ook aan dat zij zich zorgen maakt over een heel ander aspect van de omgang van haar kind met anderen, namelijk het spelen met oudere kinderen: (moeder, kind 6 jaar) Zijn contact met anderen is heel erg goed, maar je merkt wel dat het een jongetje is dat vaak met oudere kinderen in de buurt speelt. Ik heb dat niet graag. Ze worden vaak een beetje voor het karretje gespannen, bijvoorbeeld bij kattenkwaad uithalen. De moeder legt uit dat haar zoon redelijk makkelijk te beïnvloeden is en graag mee wil doen met de oudere kinderen, waardoor zij hem meer in de gaten houdt. Ze vertelt dat de oudere kinderen vaak risico s nemen die voor haar jongere zoon groot zijn. De moeder probeert hiermee om te gaan door haar zoon in principe te verbieden met deze kinderen mee te gaan in de voor haar kind risicovolle dingen die zij doen (zoals naar de skatebaan gaan). Opvoeding En het derde veel genoemde thema (zie figuur 3.1) is de opvoeding. Ook dit thema is in de interviews uitgesplitst in enkele subthema s: het stellen van regels en grenzen, de aanpak van de opvoeding in het algemeen en de band met het kind/ weten wat er in het kind omgaat. Vooral het stellen van regels en grenzen houdt ouders erg bezig. Stellen van regels/grenzen Een redelijk groot deel van de geïnterviewde ouders (iets minder dan de helft) zegt zich in het laatste jaar zorgen te hebben gemaakt over het stellen van regels en grenzen en het houden van toezicht daarop. Zo geven sommige ouders aan dat hun kind steeds de grenzen opzoekt en probeert hoe ver hij of zij kan gaan. Wanneer ouders wordt gevraagd wat ze precies lastig vinden bij het stellen van regels en grenzen dan noemen de meeste ouders het een moeilijke opgave om consequent te blijven. Zo geeft een ouder aan dat ze het moeilijk vindt om haar grenzen te bewaken op het moment dat ze moe is of niet lekker in haar vel zit. Ze is dan geneigd om toe te geven aan haar kind. Ook andere ouders vinden dit een lastig punt, zoals uit onderstaande voorbeelden blijkt: (moeder, kind 9 jaar) Ja het is nog al een pittige tante. Probeert alles uit. Grenzen stellen, dat is nog wel oké, maar het dan blijven doen: ik ben niet altijd even sterk dus dat weet ze, dat is erg lastig. 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:28
75 Opvoeding en opvoedings ondersteuning E-Quality 75 (moeder, kind 7 jaar) Ja, dan vooral bij haar ja, bij die jongste, dan is het van: alsjeblieft mama. Ja, dan gaat ze je echt zo heel lief aankijken. Dan denk ik [ ]: oké vooruit dan. [ ] Ja, dan vind ik het toch af en toe wel moeilijk om nee te zeggen, ook bij de [ ] jongens. (moeder, kind 6 jaar) Dat is dat ja ja nee nee verhaal een beetje. Dat als je een grens stelt, dat die daar ook blijft en niet later van: nou ja vooruit dan maar. Dat is eigenlijk wat we er mee bedoelen. [ ] Vooral als ik moe ben is dat moeilijk ja, dan heb je snel de neiging van: nou ja, vooruit dan maar. Maar juist dan moet je heel erg alert zijn van: nee, papa heeft nee gezegd dus dan is het nee. Tot slot vinden enkele ouders het lastig om grenzen te stellen aan het televisie- en/of internetgebruik van hun kinderen. Zo noemt een moeder haar kind televisieverslaafd en kost het haar veel moeite om regels en grenzen te stellen in het gebruik hiervan. Schoolprestaties In het onderzoek Kinderen in Nederland is niet gevraagd naar zorgen van ouders over de schoolprestaties en de vrijetijdsbesteding van het kind. In de interviews voor Gezinnen van de toekomst is hier wel op ingegaan. Hoewel schoolprestaties niet bovenaan staan in het rijtje van zorgpunten, geeft iets meer dan eenderde van de 47 ouders aan dat zij hier wel vragen of zorgen over heeft gehad. Ouders geven bijvoorbeeld aan dat de spelling van hun kind onder de maat is, of dat er sprake is van reken- en/of leesproblemen. Hierdoor heeft het kind moeite heeft om zich te concentreren in de klas. Dit heeft zijn weerslag op de schoolprestaties. Een moeder vertelt hierover: (moeder, kind 9 jaar) Hij vindt school niet leuk, al vanaf groep nul niet. Al die werkjes die hij moet doen. Hij is gewoon echt een buitenkind, speelkind, en hij kan zich ook heel, heel moeilijk concentreren. Ook geven enkele ouders aan dat andere problemen, zoals emotionele problemen of gezondheidsproblemen, gevolgen hebben voor de schoolprestaties van hun kind. Zo vertelt een moeder dat haar kind gepest wordt op school en de schoolprestaties van haar kind hieronder lijden. Een andere ouder geeft aan dat haar kind sinds haar echtscheiding minder goed presteert op school en erg afwezig is in de klas. 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:28
76 76 Opvoeding, zorgen en hulp: resultaten van interviews met moeders Gezondheid Bijna een kwart van de 47 ouders is bezorgd om de gezondheid van hun kind (zoals ziektes, eetproblemen, seksuele ontwikkeling). Zo zegt een moeder dat zij zich altijd wel zorgen maakt om dingen die haar kind kan overkomen, zoals nare ziektes. Een andere moeder maakt zich zorgen om daadwerkelijke gezondheidsproblemen van haar kind: Het was gewoon een zware bevalling, een zware zwangerschap. [Kind] was in zijn eerste jaar erg ziek en hij heeft vaak in het ziekenhuis gelegen. Daardoor kreeg hij een achterstand in zijn motoriek, dus als moeder maak je je altijd zorgen. Een andere moeder vertelt dat ze zich zorgen maakt om de gezondheid van haar kind vanwege een chronische aandoening. Deze aandoening levert de ouder daarnaast veel vragen op, omdat er nog weinig bekend is over deze aandoening en medici er tot op heden niet in zijn geslaagd om het probleem op te lossen. Eetgedrag Tot slot werd door drie ouders genoemd, ondanks dat dit niet een antwoord mogelijkheid in de enquête was, dat ze zich zorgen om het eetgedrag van hun kind. Zo vindt de ene ouder het nog lastig hoe ze haar kind fatsoenlijk laat eten en ze vertelt dat haar andere dochter daarnaast alles vies vindt. Een andere ouder waar het eetgedrag van haar kind ook nog de nodige zorgen oproept, zegt hier het volgende over: (moeder, kind 8 jaar) Ja ja, ik vind het lastig met eten. Eten is bij ons het grote probleem. Hij wil s morgens niet ontbijten. En het is geen kind dat liever van de groenteboer eet dan van de snackbar. Tenslotte geven de ouders aan dat het niet echt een groot probleem is, maar dat het wel lastig kan zijn. Zij proberen hier mee om te gaan door bijvoorbeeld het kind nog een paar happen te laten nemen of het gedrag te negeren. Wel geven zij aan dat het moeilijk is om hier een goede oplossing voor te vinden en dat die er eigenlijk misschien niet is Vragen en zorgen in relatie tot de gezinssituatie Zoals we in het vorige hoofdstuk al constateerden, maken sommige ouders zich meer zorgen over hun kind en/of de opvoeding dan anderen. Voor een deel houdt dit verband met het gezinstype: van de groepen alleenstaande ouders en ouders in stiefgezinnen maakt een groter deel zich wel eens zorgen. In deze paragraaf bezien we of er in bepaalde gezinstypen meer of minder zorgen zijn over zowel het kind als 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:28
77 Opvoeding en opvoedings ondersteuning E-Quality 77 situaties binnen het gezin. Ook komen andere specifieke kenmerken van de gezinnen aan bod, zoals echtscheiding, arbeidsparticipatie en de etniciteit van de ouders. In figuur 3 staan de meest voorkomende zorgen waar ouders van verschillende typen gezinnen in het afgelopen jaar mee te maken hebben gehad. Hierbij worden zowel de algemene vragen die ouders over hun kind hebben als de specifieke vragen die met hun gezinssituatie te maken hebben, weergegeven. Figuur 4.2 Veel voorkomende zorgen in het afgelopen jaar, per gezinstype Gezinstype Biologische tweeoudergezinnen Eenoudergezinnen Stiefgezinnen Veel voorkomende zorgen Algemeen Omgang met anderen Emotionele problemen Schoolprestaties Specifiek Combineren van werk met opvoeding Er alleen voor staan in de opvoeding Algemeen Emotionele problemen Omgang met anderen Stellen van regels/grenzen en toezicht daarop Specifiek Er alleen voor staan in de opvoeding Combineren van werk met opvoeding Algemeen Emotionele problemen Stellen van regels/grenzen en toezicht daarop Omgang met anderen Specifiek Het ontstaan van een nieuwe gezinssituatie Combineren van werk met opvoeding Moeilijke contacten met stiefkind(eren) 15 van de 24 ouders 12 van de van de 24 4 van de 24 2 van de 24 8 van de 12 ouders 7 van de 12 6 van de 12 8 van de 12 8 van de 12 7 van de 11 ouders 6 van de 11 5 van de 11 7 van de 11 4 van de 11 3 van de 11 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:28
78 78 Opvoeding, zorgen en hulp: resultaten van interviews met moeders Biologische tweeoudergezinnen Uit de tabel valt af te lezen dat gezinnen waarin beide ouders de biologische ouders van het kind zijn, het afgelopen jaar de meeste zorgen hebben gehad over de omgang van hun kind met andere kinderen of volwassenen, emotionele problemen van hun kind en de schoolprestaties van hun kind. Over het algemeen kunnen we stellen dat dit geen zorgen zijn waar andere ouders niet tegenaan lopen in de opvoeding. Uit het vorige hoofdstuk en uit de vorige paragraaf bleek al dat emotionele problemen en de omgang met anderen, naast de opvoeding in het algemeen, sowieso de meest genoemde zorgen van ouders zijn. Kortom: de meest voorkomende zorgen van ouders uit biologische tweeoudergezinnen zijn daarmee niet specifiek te herleiden tot het gezinstype. De interviews geven hier in ieder geval geen aanwijzingen voor. Wat wel opvalt bij deze groep is dat 2 van de 24 ouders uit de biologische tweeoudergezinnen het gevoel hebben er alleen voor te staan en zich hier zorgen over maken. Dit blijkt echter een bekend gegeven te zijn (Bosman, 1995a). Hoewel deze ouders wel een partner hebben, is deze partner vanwege een drukke baan in beide gevallen zeer weinig thuis. Op een bepaalde manier staan deze twee moeders dus ook alleen voor de opvoeding. Zo geeft een moeder aan dat haar echtgenoot soms een heel weekend weg is voor zijn werk en dat zij dan de kinderen zoet moet houden. Een andere moeder geeft aan dat haar echtgenoot naast een drukke baan ook nog een studie volgt. Daarbij kregen ze onverwachts een tweeling wat nog eens extra drukte gaf. Ook deze moeder heeft wel eens het gevoel er alleen voor te staan: (niet-werkende moeder, 4 kinderen, biologisch tweeoudergezin) Daarnaast sta je er wel een beetje alleen voor, dus dat is wel lastig soms. Als ik dan alleen ben en ik moet op dat moment bedenken hoe ik er mee om ga. Het er alleen voor staan betekent voor deze ouders het ontbreken van steun van een partner op de momenten dat ouders daar behoefte aan hebben. Dit kan zowel gaan om het delen van zorgen en/of vragen over de opvoeding, als het stellen en hanteren van regels en grenzen. Maar het gaat ook om het gevoel gesteund te worden. Ouders uit biologische tweeoudergezinnen hebben in verhouding tot eenouderen stiefgezinnen relatief weinig zorgen die specifiek zijn voor de gezinssituatie. Wel noemen zij het aspect van het combineren van werk met zorg. Echter, hier blijken alle gezinstypen mee te kampen. 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:28
79 Opvoeding en opvoedings ondersteuning E-Quality 79 Bijna een kwart van alle geïnterviewde ouders zegt te maken te hebben met spanningen tussen gezinsleden. Hoewel dit het meeste blijkt voor te komen bij de stiefgezinnen en eenoudergezinnen (respectievelijk eenderde en een kwart van deze ouders geeft dit aan), speelt dit ook bij de biologische tweeoudergezinnen. De spanningen kunnen zowel tussen de kinderen in een gezin plaatsvinden als tussen beide ouders of tussen ouder en kind. Spanningen tussen verschillende kinderen komen bijvoorbeeld vaak voor wanneer een van de kinderen de puberteit bereikt en zich bijvoorbeeld gaat afreageren, zoals een moeder het noemt, op het jongere broertje of zusje. Of zoals een moeder haar zoon omschrijft: (moeder, kind 10 jaar, kostwinnersgezin) Hij is heel erg, heb ik het idee, ook in de leeftijd van... vriendinnetjes en stoer doen en spiegel kijken enzo. Spanningen tussen de ouders kunnen zich voordoen wanneer zij bijvoorbeeld niet (helemaal) op één lijn zitten betreft de opvoeding. Ook geeft een ouder aan dat haar partner zich eigenlijk niet echt met de opvoeding bemoeit waardoor hij weinig zicht heeft op wat er speelt. Hoewel de ouders wel met elkaar proberen te overleggen, lijkt dit vaak wat moeizaam te verlopen. Eenoudergezinnen Bij eenoudergezinnen staan ook emotionele problemen en de omgang met anderen in de top drie van meest voorkomende zorgen in de opvoeding van het afgelopen jaar. Hoewel dit dus, zoals hiervoor reeds besproken, zorgen zijn die de meeste ouders in dit onderzoek wel eens hebben, is hier wel een nuanceverschil aan te brengen, met name als het gaat om zorgen over emotionele problemen. De gezinssituatie blijkt hierbij wel van belang: zorgen om emotionele problemen hebben in eenoudergezinnen volgens de ouders namelijk vaak te maken met de gebeurtenissen rondom echtscheiding en de soms moeizame band met de ex-partner, dus de andere ouder van het kind. In de volgende paragraaf zal verder in worden gegaan op de invloed van echtscheiding op de zorgen die ouders over hun kind hebben. Daarnaast noemen alleenstaande ouders zorgen over het stellen van regels/ grenzen en het toezicht houden daarop. Zoals in de vorige paragraaf al naar voren is gekomen, vinden ouders het vooral moeilijk om consequent te blijven in de naleving van hun gestelde regels en grenzen. Voor alleenstaande ouders blijkt dit nog een extra lastige opgave te zijn, omdat ze er in principe alleen voor staan in de opvoeding. Deze ouders hebben immers geen (inwonende) partner om op terug te vallen op momenten dat ze de opvoeding misschien even minder goed aankunnen. Zoals is gebleken, vinden alleenstaande ouders het aan de ene kant wel prettig dat ze alles 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:28
80 80 Opvoeding, zorgen en hulp: resultaten van interviews met moeders zelf kunnen bepalen in de opvoeding, maar juist in lastige of moeilijke situaties missen veel alleenstaande moeders iemand die hen op dat moment terzijde kan staan of de opvoeding even van hen overneemt: (alleenstaande moeder, 2 kinderen) Dat gebeurt natuurlijk op een bepaald moment, dan sta ik er altijd alleen voor. Dan is er niet even iemand hier ook in huis waarvan ik zeg: nou goed doe jij het even of wat moeten we nu dan. Die die acute hulp zo van, ja, dat ik me daar ook rot onder voel van: verdorie, wat nu, dat vind ik wel eens lastig. Het feit dat alleenstaande ouders de hele opvoeding zelf doen, lijkt soms positieve consequenties te hebben voor de band tussen ouder en kind. De alleenstaande ouders uit dit onderzoek hebben namelijk, meer dan zowel de biologische tweeoudergezinnen als de stiefgezinnen, het gevoel dat ze weten wat er in hun kind omgaat. Volgens Spruijt (ref) is het geen ongewoon verschijnsel dat de band tussen ouder en kind na een scheiding hechter wordt (helaas geldt dit niet altijd voor de uitwonende ouder). Daarnaast is uit het voorgaande al gebleken dat sommige alleenstaande ouders vinden dat de situatie alleen maar beter is geworden na de echtscheiding in vergelijking met de situatie voor de echtscheiding (zoals meer rust en duidelijkheid voor de kinderen). Stiefgezinnen Opvallend is dat ouders uit stiefgezinnen dezelfde meest voorkomende zorgen noemen als eenoudergezinnen, namelijk emotionele problemen, omgang met anderen en het stellen van regels/ grenzen en toezicht houden daarop. Inhoudelijk blijken deze zorgen bovendien redelijk overeen te komen: ook hier speelt volgens de ouders de scheiding een rol. Echter, in deze gezinnen speelt nog een ander element mee, namelijk de overgang naar een nieuw, samengesteld gezin. Zoals eerder al aan de orde kwam, zijn in deze gezinnen meerdere ouders bij de opvoeding betrokken, zowel de biologische ouders als de stiefouder(s). Bij het stellen van regels en grenzen levert dit soms extra moeilijkheden op. Zo vertelt een moeder dat ze het lastiger vindt om haar stiefdochter op haar gedrag aan te spreken, dan haar eigen kinderen. Bij haar eigen kinderen kan zij het gedrag makkelijker herleiden en hen erop aanspreken. Echter, ondanks dat meerdere ouders aangeven vragen of zorgen te hebben over het ontstaan van een nieuwe gezinssituatie, geven slechts enkele ouders aan dat het contact met hun (stief)kind ook moeilijk verloopt. Zo vertelt de hierboven genoemde moeder dat zij het als stiefmoeder ook lastiger vindt om haar stiefdochter grenzen te stellen, omdat de biologische moeder van haar stiefdochter een andere kijk op de 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:28
81 Opvoeding en opvoedings ondersteuning E-Quality 81 opvoeding en bepaalde regels heeft. Mede door dit soort situaties verloopt de band tussen kinderen en stiefouders niet altijd even soepel. In 7 van de 11 stiefgezinnen doen zich af en toe spanningen tussen gezinsleden voor. Deze komen ook voornamelijk voort uit het feit dat het een nieuw samengesteld gezin betreft waar zowel stiefouders en kinderen als biologische ouders en kinderen met elkaar te maken hebben. Zo vertelt een moeder dat het ene kind soms het gevoel heeft dat de ander wordt voorgetrokken, waardoor er wat spanningen onderling kunnen ontstaan. De dochter van de respondent woont fulltime bij hen in huis en de stiefdochter woont zowel bij haar biologische moeder als bij hen in huis. De moeder beschrijft het volgende: (moeder, 1 biologisch kind, 2 stiefkinderen) In principe is de afspraak dat haar moeder voor kleding zorgt. Dus ja, hier koop ik wel eens wat voor haar, maar niet in die mate dat ze hier ja ze heeft een garderobe waar ze een week mee doorkomt, maar niet zo extreem als ik bij mijn eigen dochter doe zeg maar. Ja mijn dochter is hier volledig en die heeft hier dan ook extra dingen nodig. Ik vind zelf dat ik daar best wel eerlijk mee omga, maar ik kan mij voorstellen dat het voor met name de dochter van mijn man niet eerlijk voelt. Want dan heb ik kleding gekocht voor ze en dan kom ik voor de een met een wat grotere tas thuis dan voor de ander. Daarbij kan een moeizame band tussen kind(eren) en de niet meer thuiswonende ouder ook tot spanningen binnen het nieuwe gezin (het stiefgezin) leiden. Zoals een moeder die vertelt dat zij haar ex-partner graag in het leven van hun dochter wil betrekken. Dit blijkt echter een zeer lastige opgave te zijn. De moeder vindt dat de vader zich niet voldoende inzet voor de relatie met zijn kind. Dit heeft veel spanningen opgeleverd. Daarnaast verloopt de relatie tussen de huidige partner van de moeder met zijn ex-partner ook niet helemaal soepel wat tot spanningen in het gezin leidt. Bovendien zijn er ook nog wat onenigheden met de school waar de kinderen op zitten. Al met al concludeert de moeder dat de opvoeding van hun kinderen niet zomaar plaatsvindt: Wij knokken ons daar helemaal suf voor. De relatie tussen stiefkind en stiefouder blijft voor drie van de twaalf ouders een bron van zorgen. Zo vertelt een moeder het volgende over een band opbouwen met haar stiefkinderen: (moeder, 3 stiefkinderen) Ja, dat is gewoon heel moeilijk. Het duurt namelijk heel lang. Ik geloof dat er iets van 7 jaar voor staat voordat je als samengesteld gezin zeg maar een beetje iets met elkaar hebt. Het is gewoon niet je eigen, en ja, toch ben je tot elkaar veroordeeld. Maar ja, daar zijn geen boekjes voor, daar is geen handleiding 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:29
82 82 Opvoeding, zorgen en hulp: resultaten van interviews met moeders voor, want elk kind en elk gezin is anders. Wat er ook moeilijk in is, is de rol van je partner. Die is heel groot. Die staat overal weer tussenin. Toch geven de meeste ouders uit de stiefgezinnen aan een (redelijk) goede band te hebben met hun stiefkinderen. Volgens deze ouders is het voornamelijk een kwestie van tijd en groeiend wederzijds vertrouwen dat gepaard gaat met het opbouwen van een goede band. Een moeder vertelt hierover: (moeder, 2 biologische kinderen, 1 stiefkind) Daar zijn ze nu ook mee bezig. Met het woordje stief. Wat dat kan betekenen. Ze kennen het alleen maar in de negatieve zin en dan is het van: mama jij bent de stiefmoeder van (kind van partner). Ik zeg: ja, maar jij hebt ook een stiefmoeder. Heb ik een stiefmoeder?. Mij zien ze natuurlijk lachen maar ook boos worden op [stiefkind] en ze relateren het toch aan die boze stiefmoeders uit sprookjes. Assepoester en Sneeuwwitje, die heeft ook zo n boze. En we zeggen het zelf ook wel eens: ik ben de boze stiefmoeder. Ja ik zeg ook heel vaak als ze vragen wat voor kinderen ik heb : nou ik heb er twee van mezelf en eentje in de lease. Dat klinkt een stukje aardiger. Stiefkind, ik heb d r niks mee met dat woord. Naast algemene vragen en zorgen over het kind en de opvoeding zijn er andere aspecten van het gezinsleven of de specifieke gezinssituatie, zoals bijvoorbeeld arbeidsparticipatie van de ouders of een echtscheiding, die vragen of zorgen oproepen bij ouders. Echtscheiding Een onderwerp dat niet in de betreffende enquêtevraag genoemd werd, maar wel in veel interviews naar voren kwam, is echtscheiding. Zoals eerder in deze paragraaf is besproken, blijken in sommige situaties de zorgen over emotionele problemen bij het kind en het stellen van regels en grenzen gepaard te gaan met deze gezinssituatie. Zowel ouders uit eenouder- en stiefgezinnen hebben vaak te maken met de gebeurtenissen rondom echtscheiding en de soms moeizame band met de ex-partner, dus de andere ouder van het kind. Dit kan zijn weerslag hebben op het kind. Een gescheiden moeder vertelt hierover: (alleenstaande moeder, 2 kinderen) In zo n mannetje, daar moet wel verdriet zitten. Dat denk ik dan. Als jouw vader je iedere keer teleurstelt. [ ] Zijn vader heeft geen oprechte aandacht, stelt ze heel vaak teleur. Hij zegt dat hij komt en dan komt hij niet. Als er wat is dan zegt hij: ik kom eventjes. Dan komt hij vijf minuten binnenvallen als [kind] bijvoorbeeld moet optreden dan gaat hij weer weg terwijl hij dan de helft niet ziet, weet je wel. 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:29
83 Opvoeding en opvoedings ondersteuning E-Quality 83 Een andere ouder geeft aan dat haar kind sinds haar echtscheiding minder goed presteert op school en erg afwezig is in de klas. De meeste gescheiden ouders geven aan dat de echtscheiding een moeizaam proces is voor kinderen en ze weer moeten wennen aan een nieuwe situatie. Sommige ouders merken dat hun kind na de echtscheiding stiller is geworden, zich meer terugtrekt, verdrietiger lijkt en minder zelfvertrouwen heeft dan voorheen. Soms kan een echtscheiding (zoals een ouder al aangaf) ook zijn effecten hebben op de schoolprestaties van het kind. Dit is ook bekend uit eerder onderzoek (Spruijt, 2002, 2007), waarbij het kind erg afwezig lijkt te zijn in de klas en minder goed presteert dan voorheen. Ook noemt een moeder dat haar kind na de echtscheiding last heeft van verlatingsangst (zoals ook al eerder werd aangestipt). Naast het kind levert het soms ook moeilijke, emotionele situaties voor de ouders zelf op. Zo spelen schuldgevoelens soms een rol. Een moeder uit een stiefgezin vraagt zich af wat je de kinderen eigenlijk aan doet door te scheiden en vervolgens een nieuw gezin te vormen. Een andere moeder vertelt het volgende: (moeder, 2 biologische kinderen, 2 stiefkinderen) Ze mocht zaterdag naar huis en vroeg: ik wil zo graag dat papa weer komt. Ik kreeg het haar niet uitgelegd! Zonder dat ik ook maar iets lelijks over hem zei. We hebben enkel gezegd: ja, dat moet je aan papa vragen. Maar dan voel je je zo machteloos. En zij voelde zich zo in de steek gelaten. Hoe moet ik mijn kind dan duidelijk maken dat dit niet haar schuld is? Naast de alledaagse zorgen die ouders kunnen hebben over emotionele problemen bij hun kinderen, speelt bij alleenstaande ouders en stiefgezinnen dus nog een extra zorg die hier mee te maken heeft, namelijk problemen als gevolg van een echtscheiding. De ouders uit het huidige onderzoek geven aan dat het stellen van regels en grenzen soms bemoeilijkt wordt door het gedeeld ouderschap sinds de echtscheiding. Zo mag het kind bij de ene ouder bepaalde dingen niet, maar staat de andere ouder dit gedrag wel toe. Hierdoor wordt het stellen van regels en grenzen natuurlijk lastiger, evenals het toezicht houden hierop. Een moeder vertelt bijvoorbeeld het volgende over de verschillen in opvoeding tussen haar en haar ex-partner: (alleenstaande moeder, 2 kinderen) Ze mogen bij mijn ex onbeperkt achter de computer, maar dat vind ik niet goed en ik vind dat ze niet altijd even gezond eten. Hij heeft daar gewoon andere ideeën over. Ik vind het belangrijk dat de kinderen goed en gezond eten en dat ze lekker veel buiten spelen en ja, dat ziet hij anders. Dat vind ik moeilijk. 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:29
84 84 Opvoeding, zorgen en hulp: resultaten van interviews met moeders Combineren van betaald werk en de opvoeding Van alle geïnterviewde werkende ouders, maakt bijna de helft zich zorgen over het combineren van werk met de opvoeding. Hierbij blijkt dat bij werkende ouders uit eenoudergezinnen deze zorg groter is dan bij de tweeoudergezinnen. In de gezinnen met twee ouders waarin beiden een betaalde baan hebben, is vaak afwisselend één van de ouders thuis aanwezig om op de kinderen te passen. Als dit niet mogelijk is, hebben veel ouders wel een oplossing gevonden zoals een oma die oppast of een oppas in huis. Toch hebben enkele ouders nog wel moeite om geschikte opvang te vinden. Daarnaast vinden ouders het soms lastig hoe ze hun tijd en aandacht moeten verdelen tussen hun werk en kind(eren), zoals onderstaand citaat illustreert: (fulltime werkende moeder, 1 biologisch kind, 3 stiefkinderen) Hoe verdeel ik nou mijn tijd en aandacht? [ ] s Avonds is mijn man door zijn werk veel weg. Dus ik ben thuis, althans ik probeer dat zoveel mogelijk te zijn. En ik zit dan wel vaak nog thuis te werken, maar dat doe ik pas als de kinderen weer naar bed zijn. Maar op zo n moment ben ik degene die thuis is en dat zijn de heftigste, drukste momenten in zo n gezin. Voor alleenstaande ouders blijkt het evenwel veel lastiger te zijn om het werk met de opvoeding van hun kind te combineren. Van de 12 alleenstaande moeders hebben er 10 een betaalde baan (waarvan vier een fulltime baan en de overigen 10 tot 32 uur per week). Dit is overigens een hoog aantal. Uit hoofdstuk 2 bleek dat, ondanks een arbeidsparticipatie van 61 procent van alle moeders, landelijk gezien minder dan één op de tien vrouwen met minderjarige kinderen een voltijdbaan heeft. Aangezien deze ouders vaak in hun eentje de kar moeten trekken, zijn ze aan de ene kant (hoofd)verantwoordelijk om zowel zichzelf als hun kind(eren) financieel te onderhouden, maar aan de andere kant ook (hoofd)verantwoordelijk voor de opvoeding van hun kind. Dat deze combinatie door veel van deze ouders als zwaar wordt omschreven is dan ook niet verwonderlijk. Zo omschrijft een alleenstaande moeder haar situatie als pittig en heel erg druk over het algemeen. Deze moeder heeft twee banen verdeeld over vijf dagen per week. Ze zegt dat ze wel zoveel moet werken, omdat ze anders niet rond komt. Doordat de meeste van deze alleenstaande moeders wel moeten (blijven) werken om rond te kunnen komen, komen zij vaak in een lastige situatie terecht waarbij zij het gevoel hebben niet voldoende tijd en aandacht voor hun kind te hebben. Ook geven de kinderen soms zelf aan dat zij graag willen dat hun moeder meer tijd voor hen heeft. 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:29
85 Opvoeding en opvoedings ondersteuning E-Quality 85 Dit kan twijfels bij de ouder opwekken over de hoeveelheid van het werk: (alleenstaande, fulltime werkende moeder, 2 kinderen) En ik merk ook dat ie er behoefte aan heeft. Hij vroeg vanochtend ook weer: moet ik weer overblijven? Nee, ik wil dat jij me ophaalt. Dus ik, ja soms denk ik wel dat het goed zou zijn als ik wat meer thuis zou zijn. Een moeder vertelt daarnaast dat het in het begin, toen zij pas gescheiden was, wat makkelijker was om werk en zorg te combineren, omdat de kinderen toen een stuk jonger waren en minder aandacht leken te vragen. Wanneer de moeder een vroege of late dienst had, bracht zij haar kinderen naar hun opa en oma. Nu de kinderen ouder zijn, willen ze meer thuis zijn en meer dingen met hun moeder doen. Dit is echter niet altijd mogelijk, doordat zij wel fulltime moet werken om haar kinderen te kunnen onderhouden. Dit vond zij vooral in het begin toen de kinderen meer eisen gingen stellen, lastig: (alleenstaande, fulltime werkende moeder, twee kinderen) En soms, heel in het begin, toen dit pas begon te spelen, voelde ik me daar heel erg schuldig over, omdat ja, ze konden niet de dingen krijgen die anderen konden krijgen. Ik kon niet de dingen doen die andere in een gezin wel doen. En ja, daar had ik best wel problemen mee. Hoewel een andere moeder er soms van droomt om niet te hoeven werken en een huismoeder te kunnen worden, vindt ze haar werk aan de andere kant wel heel leuk en is ze er trots op dat ze financieel onafhankelijk is. Tenslotte geeft een alleenstaande, parttime werkende moeder met twee kinderen aan dat ze na de scheiding eerst een tijdje in de bijstand heeft gezeten. Ze vond dit in die zin prettig dat ze er toen voor de kinderen kon zijn. Nu werkt ze weer en vindt ze dat alles goed loopt en dat het gaat zoals het gaat. We zouden kunnen denken dat ouders die niet werken meer tijd aan hun kinderen en de opvoeding kunnen besteden en hierdoor wellicht dichter bij hun kinderen staan. Dit blijkt enerzijds niet te kloppen met de constatering van veel van de geïnterviewde werkende alleenstaande moeders, die juist aangeven dat ze goed weten wat er in hun kind omgaat. Anderzijds lijkt het in enkele gevallen wel op te gaan, maar niet altijd in positieve zin. Sommige niet-werkende ouders geven juist aan te betrokken te zijn bij de opvoeding van hun kind. Verondersteld kan worden dat deze ouders problemen in de opvoeding eerder zullen signaleren, maar zich wellicht ook sneller zorgen maken over bepaalde problemen. De vragen in de enquête en de interviews gaan per slot van rekening om de zorgen die ouders hebben en niet over de vraag 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:29
86 86 Opvoeding, zorgen en hulp: resultaten van interviews met moeders in hoeverre deze zorgen objectief gezien terecht zijn. Mogelijk verklaart de grotere afwezigheid van moeders uit anderhalf-/tweeverdieners ten opzichte van moeders uit kostwinnersgezinnen ook de meer voorkomende zorgen over ongehoorzaamheid of liegen. Doordat de ouders hun kinderen minder in de gaten kunnen houden vanwege hun baan, kan dit tevens de zorgen van ouders over ongehoorzaamheid of liegen versterken. Opvoeden tussen twee culturen Naast alle zorgen die besproken zijn, is er nog een andere categorie zorgen waar sommige ouders mee te maken hebben, namelijk het opvoeden tussen twee culturen. Een Turkse moeder vertelt bijvoorbeeld dat haar zoon moeite heeft om twee talen te leren; zowel het Nederlands als het Turks. Daarnaast spelen er problemen die te maken hebben met het geloof. Haar zoon weigert bijvoorbeeld om naar de moskee te gaan, terwijl de moeder dit wel belangrijk vindt. Daarbij geeft de moeder aan dat ze het moeilijk vindt wat ze haar zoon wel en niet moet meegeven van haar geloof. Tevens spelen cultuurverschillen soms een rol, zoals het vieren van kerstmis: (Turkse moeder, 2 kinderen) Dus in december had ik echt zo n piepklein kerstboompje gekocht. Gewoon voor de sier, maar hij vroeg telkens: maar mama wat betekent het nou? Ik zeg: ja, Nederlanders doen dat voor de gezelligheid, voor de rest weet ik natuurlijk ook niet wat het is, maar in onze cultuur komt dat natuurlijk niet voor, een kerstboom. Maar ik heb het toch gedaan, het is toch een stukje gezelligheid in huis. Maar mijn man was daar weer op tegen, die zei: ja nou ja, wij zijn Turkse mensen en wij doen zulk soort dingen niet. En omdat [kind] ook op een zwarte school zit, dus met allemaal buitenlanders, Marokkanen en Turken, doet niemand het op school. En als hij dan op school zegt: nou ja, wij hebben ook een kerstboom, een kleine, dan gaan ze natuurlijk lachen. Dan zeggen ze bijvoorbeeld: jij bent een Nederlander. Hoewel een andere Turkse moeder wat betreft het spreken van twee talen aangeeft dat ze er binnen hun gezin bewust voor gekozen hebben om veel Nederlands te spreken, heeft ze gemerkt dat ze te weinig Turks spreken. Zij wil namelijk wel dat haar kind zich bewust is van zijn achtergrond, zodat hij daar later geen problemen mee krijgt. Wat moeder daarmee probeert te zeggen is, dat zij hoopt dat het niet pijnlijk zal zijn, als haar zoontje er later mee geconfronteerd wordt dat hij andere etnische achtergrond heeft. Moeder beschrijft een situatie waarin haar zoon met zijn vader naar de moskee ging. 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:29
87 Opvoeding en opvoedings ondersteuning E-Quality 87 (Turkse moeder, 2 kinderen) Hij zegt: oh dat wil ik wel papa, ik wil mee! Dat bidden hebben ze thuis geoefend en toen waren ze in de moskee en toen had ie gezegd: wat zijn er veel Turken hier! Zijn wij de enige Nederlanders? Een Marokkaanse moeder vertelt dat zij het best moeilijk vindt om grenzen te stellen. Bepaalde dingen die in autochtone gezinnen gebruikelijk zijn, worden in de Marokkaanse cultuur niet geaccepteerd, zoals logeren bij vriendinnetjes. Wanneer zeg je nee en hoe leg dat uit aan een kind van 7 jaar? Aan de ene kant keurt moeder het niet goed als haar dochter bij iemand wil logeren, maar aan de kant denkt ze: waarom ook niet? Een Surinaamse moeder krijgt vaker opmerkingen van andere Surinaamse moeders dat zij net als een Nederlander is. Als voorbeeld vertelt zij dat je bij veel Surinamers ten alle tijden bij elkaar naar binnen moet kunnen lopen, maar dat zij dat niet op prijs stelt. Dat vinden de andere ouders dan vreemd. Moeder vindt dat het niet betekent dat zij een Nederlander is geworden, maar dat je wel meedraait in de maatschappij en dat dit een bepaalde levenswijze met zich meebrengt, waar je je wel of niet aan kunt houden. Zoals we in paragraaf al constateerden, geven alle geïnterviewde Marokkaanse, Turkse, Surinaamse en Antilliaanse ouders aan dat zij het heel erg goed willen doen in de opvoeding. Waar dit streven precies vandaan komt is moeilijk te zeggen. Het blijkt echter niet samen te hangen met reacties uit de omgeving. Deze ouders geven aan dat ze nauwelijks negatieve of positieve opmerkingen krijgen over de opvoeding in relatie tot hun gezinssituatie of etnische achtergrond. 4.3 Steun bij opvoeden Uit de voorgaande paragraaf is gebleken dat ouders zowel algemene vragen over de opvoeding van hun kind hebben als vragen die specifiek zijn voor hun gezinssituatie. Doorgaans blijkt dat meer dan de helft van de ouders de opvoeding wel eens met anderen bespreekt. Uit hoofdstuk 3 kwam naar voren dat ouders vaak een luisterend oor zoeken bij familie en vrienden. De vraag in hoeverre ouders steun bij de opvoeding binnen hun directe omgeving hebben en ervaren, zal in deze paragraaf besproken worden. Ongeacht of ouders wel of niet (voldoende) steun binnen hun directe omgeving ontvangen, blijft de vraag of zij zelf op zoek gaan naar informatie. En zo ja, waar halen zij deze informatie dan vandaan? En wanneer wordt er professionele hulp ingeschakeld? Deze vragen komen hier aan bod. Hierbij komt 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:29
88 88 Opvoeding, zorgen en hulp: resultaten van interviews met moeders tevens aan de orde in hoeverre deze vormen van ondersteuning aanwezig zijn en de mate waarin de ouders hier steun in ervaren Informele steun Figuur 4 laat zien met wie ouders binnen de eigen directe omgeving over de opvoeding spreken. Hieruit blijkt een voorkeur voor de partner en voor vrienden en kennissen. Figuur 4.3 Informele bronnen van steun bij de opvoeding (N= 47) Partner Alle ouders die een partner hebben, bespreken de opvoeding ook met deze partner. Vrijwel iedereen geeft aan dat dit vanzelfsprekend is en de meeste ouders vinden het ook zeer prettig om met hun partner over de opvoeding te praten. Dit kan variëren van simpele dingen, zoals tafelmanieren, tot meer serieuze zaken. Ouders vinden steun bij elkaar en vinden het ook fijn om met de partner te praten, ook al is het maar als een soort uitlaatklep. (moeder, 3 kinderen, tweeoudergezin) Als hij thuis komt en er veel is gebeurd, moet ik even mijn verhaal doen. Dat ouders met hun partner over de opvoeding spreken, betekent echter niet in alle gevallen dat ze hier ook voldoende steun aan hebben. Soms hebben ouders bijvoorbeeld een verschillend idee over de stijl van opvoeden waardoor zij hierbij niet op een lijn zitten. Zo is de één wat milder en soepel, terwijl de ander strenger is. Vaak komen zij er uiteindelijk wel uit, maar soms ook niet. Hierdoor kunnen de ouders minder steun vinden bij elkaar. Zoals in eerdere paragrafen naar voren is gekomen, hebben sommige ouders ook het gevoel er alleen voor te staan in de opvoeding. Met name eenoudergezinnen noemen dit, maar zoals uit 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:29
89 Opvoeding en opvoedings ondersteuning E-Quality 89 de vorige paragraaf is gebleken, hebben in dit onderzoek ook twee moeders uit kostwinnersgezinnen dit gevoel. Ouders missen in de opvoeding met name de steun van een partner in lastige of moeilijke situaties waarin ze behoefte hebben aan iemand die hen terzijde kan staan of de opvoeding even van hen overneemt. Hoewel verderop in dit hoofdstuk zal blijken dat ouders uit deze gezinnen wel vaak met anderen over de opvoeding praten, geven de ouders aan dat ze desalniettemin een persoon missen die hen kan bijstaan in situaties van acute hulp zoals een moeder in de vorige paragraaf beschreef. Vijf vrouwen uit eenoudergezinnen zeggen de opvoeding ook met hun partner te bespreken. In enkele gevallen is dit hun nieuwe (niet-inwonende) partner. De ene ouder bespreekt alles met haar nieuwe partner, de ander spreekt er zo af en toe over, en geeft aan: het is nog niet zo dat hij zich daar heel intens mee bemoeit. Daarnaast spreken twee alleenstaande moeders met hun ex-partner over de opvoeding en geven beiden aan dat dit over het algemeen geen problemen oplevert. Zo zegt een moeder dat dit samen bespreken goed gaat, omdat er geen sprake is van onenigheid en alles bespreekbaar is. Echter, het overgrote deel van de gescheiden, alleenstaande ouders geeft aan dat er weinig contact is met de ex-partner en dat het contact niet altijd zo soepel verloopt: (alleenstaande moeder, 2 kinderen) Als je goed overleg hebt met je ex, dan kun je het daar over hebben, maar onze situatie is zo licht ontvlambaar dat ik daar niet eens over durf te beginnen. Vaak blijft het contact met de ex-partner beperkt tot , brieven en telefoon. Hierdoor is het ook niet altijd even gemakkelijk om de zaken goed met elkaar te kunnen bespreken. In sommige gevallen is de ex-partner wat betreft de opvoeding in het geheel niet in beeld, zoals een ouder het noemt. In een enkel geval toont de ex-partner geen betrokkenheid bij de opvoeding. Zo proberen enkele ouders wel met de ex-partner over hun kind te praten, maar lijkt deze hier niet voor open te staan: ach hij [het kind] lijkt op mij, klaar punt. En zoals eerder in dit hoofdstuk al bleek, kan betrokkenheid van de ex-partner bij de opvoeding ook een extra last in plaats van steun betekenen, wanneer de ouders verschillende manieren van opvoeden hebben, en bijvoorbeeld de regels bij de ene ouder afwijken van de regels bij de andere ouder. Binnen de stiefgezinnen wordt er redelijk veel met zowel de huidige partner als de expartner gesproken. Zo zegt de ene ouder dat zij goed met haar huidige partner over de opvoeding kan praten en dat ze op één lijn zitten, terwijl de ander aangeeft dat het niet altijd zo makkelijk is, omdat de huidige partner hier bijvoorbeeld nog niet zoveel 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:30
90 90 Opvoeding, zorgen en hulp: resultaten van interviews met moeders ervaring mee heeft. Ook is het soms wat lastig, omdat het zijn kind niet is, of juist omdat ik haar moeder niet ben. De rol van de ex-partner wordt in sommige gevallen als redelijk positief beschreven. In die gevallen proberen de ouders de problemen die tussen hen hebben voorgedaan, als volwassenen opzij te zetten en er zo goed mogelijk mee om te gaan. Op deze manier kunnen de ex-partners de kinderen samen opvangen, hen voorop stellen en veel beslissingen samen nemen. Zoals eerder al aangegeven, is het echter niet altijd gemakkelijk om de opvoeding met de ex-partner te delen: (moeder, 2 biologische kinderen, stiefgezin) Nu je niet in één huis zit, kan het soms zijn dat de één meer toegeeft dan de ander. Als je ziet dat het verkeerd gaat dan roep je elkaar gewoon op het matje van: zo kan het niet. Want voor een kind is het anders dubbel. Wat bij mij niet mag en bij de vader wel mag of andersom. Dan is het voor een kind heel moeilijk om balans tussen de twee woonhuizen en twee gezinnen te vinden. Ook bij deze ouders wordt er gecommuniceerd per brief, telefoon en dergelijke. Soms wordt er simpelweg helemaal niet gecommuniceerd. Zo vertelt een moeder het volgende: (moeder, 1 biologisch kind, 3 stiefkinderen) Omdat wij niet communiceren is dit voor haar dus heel lastig. Ik weet dus ook niet wat zich daar afspeelt. Ineens vertelt ze me dan dat ze een broertje heeft. Nou dat is dan iets wat ik niet eens weet, dus als ze daar vandaan komt, heb ik niet eens kunnen vragen van: joh hoe is het met je broertje? Hoewel er in sommige eenouder- en stiefgezinnen dus helemaal geen contact tussen de twee biologische ouders is, ervaren zij wel steun bij anderen, zoals familie of vrienden. Hier wordt in het volgende deel dieper op in gegaan. Vrienden, kennissen en familie Naast het bespreken van de opvoeding met de huidige en/of ex-partner, wordt er vaak met vrienden of kennissen, (schoon)ouders, broers en/ of zussen gepraat. In hoofdstuk 3 bleek al dat ruim 25 procent van de ouders advies vraagt aan familieleden als ze vragen hebben over de opvoeding. Ruim 23 procent gaat met dergelijke vragen naar vrienden. Het gaat dus om personen die zich in de naaste omgeving van de ouder bevinden en deze al van jongs af aan of voor een langere periode kennen. Ouders vinden het prettig om met deze personen te praten, omdat ze vaak in dezelfde situaties verkeren of hebben verkeerd. Dit levert aan de ene kant herkenning en vergelijkingsmateriaal op voor ouders. Ook helpt dit ouders te relativeren, waarbij 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:30
91 Opvoeding en opvoedings ondersteuning E-Quality 91 zij concluderen dat hun problemen, zoals zij het zelf noemen, eigenlijk normaal zijn. Daarnaast geven deze gesprekken ouders steun doordat er vaak begrip wordt getoond voor hun situatie. Zo geven meerdere moeders aan dat zij met vragen en problemen naar vriendinnen stappen, omdat zij ook vaak kinderen in dezelfde leeftijd hebben en kunnen begrijpen wat er speelt en wat er in de kinderen op die leeftijd omgaat. Het wordt door velen prettig gevonden om te horen hoe het er bij een ander gezin aan toe gaat omdat je je bijvoorbeeld helemaal niet hoeft te schamen om een keer streng te zijn. Een ouder zegt hierover: (moeder, 3 kinderen, tweeoudergezin) Heel veel kinderen maken gewoon dezelfde dingen mee of heel veel ouders botsen tegen dezelfde dingen aan en dat is gewoon wel prettig als je dat hebt. Dus dat je er ook gewoon een beetje om kan lachen. Tot slot leveren deze gesprekken vaak nuttige tips en adviezen op, bijvoorbeeld oplossingen die anderen hebben gevonden voor een bepaald probleem, zoals het stellen van grenzen of het moeilijke eetgedrag van hun kind. De ouders geven op hun beurt vaak ook advies aan anderen. Zo vertelt een moeder dat haar vrienden kinderen hebben die net iets jonger zijn, aan wie zij adviezen kan geven. De mate waarin ouders vragen over de opvoeding delen met hun informele circuit verschilt. Hoewel de meeste ouders aangeven het prettig te vinden om met (schoon)ouders en/of broers en zussen over hun kind te praten, bespreken anderen hun problemen en vragen daarentegen niet graag met iedereen. De nabijheid en bekendheid van de eigen familie kan namelijk juist als nadeel ervaren worden. Zij hebben het hier bijvoorbeeld naast hun partner, alleen met een goede vriendin over. Een enkeling zegt het liever helemaal niet met familieleden over de opvoeding te hebben: (moeder, 3 kinderen, tweeoudergezin) Met familie praat ik bewust niet over opvoeding. Familie is familie dus dat betekent dat je in bepaalde roddelsituaties kunt belanden. Je krijgt ook heel snel het stempel van: zie je wel ze kan het niet aan. Terwijl het een heel luchtig gesprekje moet zijn. Gesprekken met familie zijn altijd beladen en het heeft altijd consequenties, dat ze de volgende keer vragen van: hoe gaat het, gaat het een beetje, lukt het allemaal? Of denk ik van: jeetje nee zo is het niet bedoeld. Het bespreken van de opvoeding met familieleden komt opvallend minder voor bij de stiefgezinnen. Eenderde van de stiefgezinnen bespreekt hun vragen en zorgen met broers en zussen; bij de andere groepen gaat het om de helft tot driekwart van de respondenten. Ook zegt bijna de helft van de respondenten uit stiefgezinnen het 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:30
92 92 Opvoeding, zorgen en hulp: resultaten van interviews met moeders niet met hun (schoon)ouders over de opvoeding te hebben. Hoewel de respondenten uit de andere groepen ook aangeven niet altijd met hun ouders over de opvoeding te praten, zijn de redenen verschillend. Zoals reeds besproken in paragraaf wordt er door een aantal stiefgezinnen verteld dat zij de opvoeding bewust niet met hun (schoon)ouders bespreken, omdat zij vaak negatieve reacties van hen ontvangen, die te maken hebben met het feit dat zij een samengesteld gezin vormen. Daarom praten veel stiefgezinnen liever met vrienden of kennissen die in dezelfde situatie verkeren als zijzelf. Soms vinden zij dit ook prettig, omdat sommige onderwerpen niet makkelijk met de huidige partner te bespreken zijn: (moeder, 2 biologische kinderen, 2 stiefkinderen) Ik heb twee vriendinnen die ook allebei in een stiefsituatie zitten. Dus dat is heel erg prettig hoor! En één keer per week hang ik ook wel met zo n vriendin aan de lijn. Dan hebben we het toch wel heel vaak over dit soort dingen. De invloed van de ex op je gezinssituatie. En ook dat je het niet kunt vatten. Dat je gewoon niet weet. Hoe je met zo n kind moet omgaan. Met je eigen kind kun je lezen en schrijven, natuurlijk heb je daar ook wel eens wat mee. Maar ja, dat los je toch wel vrij snel op. Maar met zo n stiefkind is het gewoon hartstikke moeilijk. Daar hebben we het dan over. Ik moet gewoon een uitlaatklep hebben hè. Andere ouders Naast het praten met bovengenoemde personen, vinden ouders het ook fijn om met andere ouders over hun ervaringen met de opvoeding te praten. Net als bij het bespreken van vragen over de opvoeding met personen uit de naaste omgeving, speelt ook hier weer herkenning en erkenning een rol. Vooral bij andere ouders met kinderen in dezelfde leeftijd kunnen ouders begrip vinden. Ook reiken andere ouders vaak tips of oplossingen aan voor bepaalde problemen. Een ouder vertelt dat ze het zeer fijn vindt om met andere ouders over de opvoeding te praten, omdat zij niet direct betrokken zijn bij de opvoeding en dus met een frisse blik naar bepaalde problemen kunnen kijken in vergelijking met personen die dichter bij de opvoeding van hun kinderen staan, zoals grootouders of andere familie. Echter, niet alle ouders denken er zo over. Het zijn voornamelijk de hoogopgeleide ouders die de opvoeding met andere ouders bespreken, meer dan de helft van deze ouders praat met andere ouders over zaken rondom de opvoeding. Wanneer er gekeken wordt naar de verschillende typen gezinnen, dan blijkt dat met name ouders uit eenoudergezinnen wat huiverig tegenover het delen van hun vragen en problemen met andere ouders staan. Van de twaalf eenoudergezinnen zeggen slechts twee ouders het er met andere ouders over te hebben. Bij de overige groepen zegt ongeveer de helft van de ouders dit wel te doen. Zo geeft een moeder uit een eenoudergezin aan dat ze heel selectief 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:30
93 Opvoeding en opvoedings ondersteuning E-Quality 93 is in het bespreken van bepaalde problemen met anderen. Met name problemen in de persoonlijke sfeer bespreekt ze eerder met haar eigen ouders of hele goede vrienden dan met moeders op het schoolplein tijdens de koffie. Vragen of problemen die minder gevoelig liggen, bespreekt ze daarentegen wel graag met andere moeders. Ook een andere alleenstaande moeder maakt een duidelijk onderscheid tussen vragen die te maken hebben met haar gezinssituatie en meer algemene vragen over de opvoeding. De eerstgenoemde vragen bespreekt ze niet gemakkelijk met andere ouders, maar voor meer opvoedkundige vragen zoekt ze hier wel steun. Ouders uit stiefgezinnen zijn ook meer selectief in met wie ze de opvoeding bespreken. Dit gebeurt voornamelijk met mensen die in een soortgelijke situatie zitten, omdat zij de zorgen en problemen die zij ervaren, beter lijken te begrijpen. Een heel specifieke, nieuwe manier waarop ouders met andere ouders spreken, is via het internet. Relatief veel ouders maken gebruik van internet om met andere ouders te praten over de opvoeding. Dit gebeurt tijdens speciale forumdiscussies op sites gericht op ouders, zoals Ouders Online, Grootgezin en stiefgezinnen.nl. Hierbij moet opgemerkt worden dat forums niet hetzelfde moeten worden gezien als het algemeen gebruik van internet waarbij informatiesites worden bezocht. Veel websites bieden beide vormen, dus zowel objectieve informatie, als de mogelijkheid om ervaringen uit te wisselen met andere ouders. De eerste vorm behandelen we in de volgende paragraaf. Sommige ouders maken veelvuldig gebruik van dergelijke fora en plaatsen zelfs dagelijks hun vragen. Volgens deze ouders is het praten met andere ouders via internet de belangrijkste bron van steun en hulp in de opvoeding en de beste manier om aan informatie te komen. Voor andere ouders is het meer een plek waar ze terecht kunnen met kleine vragen in de opvoeding en meer praktische vragen zoals hoe ouders het ervaren als hun kind buisjes in de oren krijgt en of zij daar nog tips over hebben. Ook kan het een manier zijn om frustraties te uiten. Het hoeft dus niet altijd om heel diepgaande zaken te gaan. Vaak vinden ouders deze manier van praten over de opvoeding prettig, omdat het anoniem is. Ouders uit stiefgezinnen vertellen dat zij websites bezoeken die speciaal gericht zijn op ouders met een samengesteld gezin, waar zij op de betreffende forums informatie kunnen uitwisselen, tips krijgen en vooral ook hun ei kwijt kunnen en steun krijgen: (moeder, 3 biologische, niet in huis wonende kinderen, 3 stiefkinderen) Waar ik heel veel hulp aan heb is het forum waar ik op zit voor stiefmoeders, waar je heel veel feedback van krijgt, die je een spiegel voor houden, die je een hart onder de riem steken, waar je stoom af kunt blazen, wat heel belangrijk is. Dat echt, daar kun je gewoon echt even neerzetten van dat je ze echt wil de deur uit zou willen schoppen, 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:30
94 94 Opvoeding, zorgen en hulp: resultaten van interviews met moeders omdat het iets is wat niet van je eigen is. En dat zeg je niet hardop. En dat kan ik niet tegen mijn partner zeggen. Maar zij snappen precies hoe ik dat bedoel. Niet dat je ze letterlijk d r uit wil hebben, maar je kan ze gewoon op dat moment even niet meer hebben. Dan heb je zoiets van: oh jongens, even ruimte. Andere ouders zetten niet actief hun eigen vragen op een forum, maar lezen wel met anderen mee en halen hier op die manier nuttige tips of adviezen vandaan. Over het algemeen lijken ouders voldoende steun te ervaren van dergelijke forums en zijn de meeste ouders er zeer over te spreken. Toch is nog niet elke ouder tevreden. Een enkele ouder geeft bijvoorbeeld aan dat er te weinig websites en forums zijn voor samengestelde gezinnen, niet alleen om problemen te bespreken, maar ook om informatie uit te wisselen over praktische zaken zoals op vakantie gaan met een groot gezin. Zoals uit dit laatste voorbeeld blijkt, zoeken ouders naast steun op het internet ook naar meer praktische informatie en oplossingen voor de vragen en zorgen waar ze mee zitten. In de volgende paragraaf zal dan ook verder worden ingegaan op het zoeken van informatie middels internet, boeken, tijdschriften of andere media Informatie In de vorige subparagraaf is besproken hoe ouders met vragen en zorgen over de opvoeding omgaan: met wie wordt er binnen de directe omgeving over de opvoeding van hun kind gesproken en in welke mate ervaren de ouders hier steun in? In deze paragraaf zal verder worden ingegaan op ondersteuning bij de opvoeding, in de vorm van (objectieve, deskundige) informatie via verschillende informatiebronnen. In welke mate de ouders uit dit onderzoek gebruik maken van deze bronnen, is te zien in figuur 4.5. Internet De meest gebruikte informatiebron (naast televisie en/of radio) voor de geïnterviewde ouders is het internet. Dit aantal is erg groot vergeleken met de uitkomsten van het onderzoek Kinderen in Nederland (zie hoofdstuk 3) waar bleek dat ouders maar beperkt gebruik maken van internet bij vragen in de opvoeding (circa 16% van de ouders). Een verklaring voor het hoge gebruik onder de ouders uit het onderzoek Gezinnen van de toekomst is dat de werving van de ouders voor dit onderzoek deels via internet heeft plaatsgevonden. Een deel van de geïnterviewde ouders is dus al meer bekend met en gewend aan het gebruik van internet dan de gemiddelde ouder. Bij de interpretatie van de gegevens moet hier dan ook rekening mee worden 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:30
95 Opvoeding en opvoedings ondersteuning E-Quality 95 gehouden. De tweede belangrijke verklaring is echter dat hoofdstuk 3 gebaseerd is op onderzoeksgegevens uit 2002/2003, en het internetgebruik de laatste jaren aanzienlijk is toegenomen (Duimel, de Haan, 2007). Het is dus interessant om te bezien in welke mate ouders via dit medium ondersteuning vinden in de opvoeding, aangezien het gebruik van internet steeds gebruikelijker wordt in deze wereld. Een ouder geeft ook als advies aan de overheid om ouders meer te ondersteunen in het leren gebruiken van internet zodat ouders het internetgedrag van hun kinderen beter in de gaten kunnen houden en hen daarnaast kunnen begeleiden bij het maken van bijvoorbeeld huiswerk op de computer. Deze ouder geeft aan dat veel moeders in haar omgeving niet goed weten hoe ze met internet moeten omgaan, maar hier wel behoefte aan hebben. Op welke manier kan internet ouders daarnaast ondersteunen bij de opvoeding? Uit het onderzoek blijkt dat ouders die gebruik maken van internet bij vragen over de opvoeding bijvoorbeeld zoeken naar handige tips of informatie over een bepaald opvoedkundig probleem. Zo heeft een moeder samen met haar partner op internet informatie gezocht over computerspelverslaving. Een andere moeder zoekt bijvoorbeeld actief naar informatie op internet omtrent de gezondheidsklachten van haar dochter. Verder wordt er door veel ouders gegoogeld wanneer er een opvoedingsvraag speelt zoals bijvoorbeeld het moeilijke eetgedrag van een kind. Ook zoeken ouders naar informatie die gaat over hun specifieke gezinssituatie (zoals alleenstaande moeders en stiefgezinnen). De mate waarin ouders gebruik maken van het internet bij vragen over de opvoeding is echter verschillend. Waar de ene ouder alleen af en toe gebruik maakt van internet (wanneer hij of zij bijvoorbeeld echt ergens mee zit ) en/of alleen naar specifieke oudersites gaat voor informatie (naast de forums waar in de vorige paragraaf over werd gesproken), noemt een andere ouder het een gigantisch goed medium en wordt internet geraadpleegd voor elke vraag waar deze ouder tegenaan loopt in de opvoeding: (moeder, 5 kinderen, tweeoudergezin) Ik zoek heel veel dingen op internet. Op het moment dat er iets is, waarvan ik niet veel weet, dan zoek ik op internet of ik daar wat over kan vinden. En ik zoek ook naar ervaringen van anderen, via grootgezin, daar staan natuurlijk ook heel veel dingen op, en als ik iets wil weten ja, dan doe ik eigenlijk het meeste via internet. Niet elke ouder vindt echter dat er voldoende informatie te vinden is op internet. Vooral ouders van stiefgezinnen missen nog informatie op internet. Zo vertelt een moeder uit een stiefgezin dat zij wel wat aan internet heeft, maar dat ze typische (afwijkende) gezinssituaties niet vaak tegenkomt. Zij vindt dat er eigenlijk te weinig informatie op het internet te vinden is over stiefgezinnen en hoe je bijvoorbeeld 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:30
96 96 Opvoeding, zorgen en hulp: resultaten van interviews met moeders omgaat met de nieuwe situatie waar je als ouder in terecht komt. Bijna de helft van de stiefgezinnen geeft dan ook aan dat ze meer informatie via internet willen. Televisie en radio Televisie is een andere veel gebruikte informatiebron voor ouders, 60 procent van de ouders kijkt wel eens naar een tv-programma over opvoeden, zo zagen we in hoofdstuk 3. De radio werd door weinig ouders genoemd (ruim 13% van de ouders luistert wel eens naar radioprogramma s over dit onderwerp). De meest bekeken televisieprogramma s zijn The Nanny en de Nederlandstalige variant Schatjes. Sommige ouders geven aan dat ze handige tips uit dergelijke televisieprogramma s halen. Zo vertelt een moeder dat ze net als supernanny een strafstoeltje heeft ingesteld: dan doe ik het ook zoals supernanny doet, hoe oud ze zijn zoveel minuten moeten ze dan. Ook andere ouders nemen tips over van opvoedprogramma s zoals bijvoorbeeld het gebruik van een wekker om makkelijker grenzen te kunnen stellen in de opvoeding of het zwaarder gaan praten tegen een kind als je boos bent. Hoewel bijna elke ouder wel eens naar zulke programma s kijkt en sommige ouders dus aangeven dingen te leren van opvoedprogramma s, vindt niet iedere ouder deze programma s even nuttig. De ouders die dergelijke programma s niet zo leerzaam noemen, vinden wat in de programma s naar voren komt vaak te extreem, opgeklopt of te commercieel. Vaak herkennen deze ouders zich niet in de getoonde situaties: (moeder, 3 kinderen, tweeoudergezin) Het zijn echt hele extreme gezinssituaties die ze laten zien. Ik vind het niet meer herkenbaar voor een normaal gezin. En absoluut niet iets waarvan je kunt zeggen dat het afspiegeling van de maatschappij is, zo n gezin. Wat heb je daar aan? Het is gewoon inkijken in andermans privé situatie. Deze ouders geven dan ook aan dat zij opvoedprogramma s meer voor de lol bekijken en blij zijn om te merken dat ze het zo slecht nog niet doen dan dat het hun echt ondersteuning biedt in de opvoeding. Sommige ouders zouden graag een andere invulling van dergelijke opvoedprogramma s willen zien. Daarbij doelen deze ouders op meer educatieve opvoedprogramma s, waarin dagelijkse vragen en problemen in de opvoeding aan de orde komen en tevens worden besproken. Volgens deze ouders moet er inzake ondersteuning via de televisie meer aandacht komen voor praktische tips in de opvoeding dan voor extreme situaties (die voor veel ouders minder herkenbaar zijn). 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:30
97 Opvoeding en opvoedings ondersteuning E-Quality 97 Tijdschriften en boeken Verder worden tijdschriften en boeken ook door veel ouders geraadpleegd. Vooral tijdschriften zijn populair, zo bleek uit hoofdstuk 3: bijna 65 procent van de ouders leest deze wel eens. In de interviews bleek dat sommige ouders schriftelijke informatie zoeken die betrekking heeft op hun specifieke gezinssituatie, zoals boeken die gaan over gescheiden ouders of verhalen over alleenstaande moeders. Zo geeft een alleenstaande moeder aan dat ze alles heeft wat op haar situatie van toepassing is. Enkele moeders uit stiefgezinnen geven ook aan dat zij veel boeken over hun specifieke gezinssituatie lezen, zoals de moeder in dit citaat: (moeder, 2 biologische kinderen, 2 stiefkinderen) Ik heb zo n heel ritsje met allerlei stiefliteratuur staan, dat heb ik ook gelijk gekocht. Dat vind ik ook heel prettig qua herkenning aan een verhaal van anderen. Dat zoek ik echt op, via internet heb ik ook allerlei titels gevonden. En ik heb een abonnementje op de J/M. Daar staan ook wel eens van dat soort dingen in. Hoewel er dus de nodige literatuur bestaat voor ouders die zich in een specifieke gezinssituatie bevinden, zoals samengestelde gezinnen, hebben sommige ouders behoefte aan meer informatie over onderwerpen die hiermee te maken hebben. Bijna de helft van de stiefgezinnen en eenderde van de alleenstaande ouders geeft aan meer informatie te willen via boeken of tijdschriften. In beide gevallen willen ouders meer informatie die betrekking heeft op de vragen en problemen die in deze gezinstypen voor kunnen komen. Een moeder uit een eenoudergezin geeft aan dat er al redelijk wat literatuur beschikbaar is over alleenstaande ouders, maar dat veel tips en adviezen in tijdschriften/ boeken alleen betrekking hebben op een standaard gezin met een moeder en een vader. Daarbij geven enkele ouders ook aan dat ze meer hadden willen lezen over het proces rondom de echtscheiding en wat daar bij komt kijken. Ouders denken hierbij ook aan meer informatie via folders en brochures. Hier zullen we in het volgende verder op ingaan. Kranten, folders en brochures Brochures over opvoeden worden door meer dan de helft van de ouders gelezen (zie figuur 3.2). Uit de interviews met de 47 moeders valt op dat geen van de ouders met een niet-nederlandse etniciteit, gebruik maakt van de krant als informatiebron. Ook zijn de meeste ouders die de krant lezen hoogopgeleid. Opgemerkt dient te worden dat ouders uit deze groep de krant dagelijks lezen en niet specifiek op zoek gaan naar informatie die over opvoeding gaat. Vaak komen ze toevallig een artikel tegen dat met opvoeding te maken heeft. Niet alle ouders hebben dus behoefte aan informatie via dergelijke bronnen, maar voor sommige ouders is het wel een veel 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:30
98 98 Opvoeding, zorgen en hulp: resultaten van interviews met moeders gebruikt medium. Opnieuw zijn het vooral de ouders uit eenouder- en stiefgezinnen die dit aangeven. Naast meer informatie via bovengenoemde informatiebronnen, zouden deze ouders ook graag meer informatie willen ontvangen middels folders en brochures. Zo geeft een ouder uit een stiefgezin aan dat ze het prettig zou vinden wanneer er een folder zou liggen bij de gemeente die gaat over samengestelde gezinnen: hoe je dat dan samen oppakt en hoe je dan toch bij elkaar komt. Zoals in het voorgaande al naar voren is gekomen, hebben sommige ouders ook bepaalde informatie gemist tijdens de echtscheiding. Zo vertelt een alleenstaande moeder dat ze in die tijd graag een praktische folder of brochure had gehad met allerlei telefoonnummers en adressen van verschillende instanties die er zijn op het gebied van echtscheiding en opvoeding. Als voorbeeld voor wat er in de folder/brochure zou kunnen staan, noemt ze het volgende: (alleenstaande moeder, 2 kinderen) Dat je een kort stukje krijgt van: heb je last met het omgaan met je ex? Kijk s daar op die site of lees s dat boek [ ] Dat zou ik handig hebben gevonden. Cursus opvoeden Tot slot noemen we de mogelijkheid om actief informatie te vergaren via een cursus opvoeden. Iets meer dan 16 procent van de ouders heeft wel eens deel genomen aan een cursus, thema-avond of gespreksgroep, zo zien we in hoofdstuk 3. Van de 47 geïnterviewde ouders hebben er acht wel eens meegedaan met een cursus over opvoeden. Het gaat hierbij voornamelijk om alleenstaande ouders en ouders van stiefgezinnen. De cursus(sen) die deze ouders hebben gevolgd zijn divers: van een peutercursus, een assertiviteitscursus tot een cursus specifiek gericht op het omgaan met autisme. Deze cursussen zijn niet specifiek gericht op ouders uit een bepaald gezinstype. Een ouder merkt op dat wanneer er een mogelijkheid bestaat om mee te doen met een cursus speciaal voor stiefouders, ze hier graag aan zou willen deelnemen. Ze vertelt hier het volgende over: (moeder, 2 biologische kinderen, 2 stiefkinderen) Nou dat lijkt me wel wat. Dat zou me echt aanspreken. Tuurlijk ben ik dan nog niet de perfecte stiefmoeder, maar het lijkt me wel ideaal als je daar gelijk hoort van: hier en daar loop je dan allemaal tegen aan en dit kun je verwachten en dat zijn de fases. Dit heb ik nu zelf dan allemaal uit allerlei boeken gehaald. [ ] Het hoeft dan niet verplicht te zijn, want dat werkt volgens mij alleen maar averechts, maar ik zou het wel heel prettig vinden als de overheid een soort pakketje had. Een moeder van een stiefgezin vindt daarnaast dat gescheiden ouders een cursus aangeboden moeten krijgen waarin ze leren hoe ze na de scheiding op een goede 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:30
99 Opvoeding en opvoedings ondersteuning E-Quality 99 manier met elkaar kunnen omgaan omwille van de kinderen. Ze vindt dat kinderen nu vaak de dupe worden van een scheiding, doordat ouders na een scheiding vaak boos zijn, elkaar verwijten maken of de andere ouder proberen zwart te maken. Hoewel sommige ouders dus nog meer informatie zouden willen bij vragen en zorgen over de opvoeding, biedt de geraadpleegde informatie vaak wel oplossingen of mogelijkheden om met vragen en zorgen om te gaan. Een andere manier om aan informatie en oplossingen voor vragen en zorgen te komen, is door het vragen van hulp aan instanties of deskundigen. In de volgende paragraaf zullen we hier verder op ingaan Formele hulp In de vorige twee subparagrafen is naar voren gekomen in welke mate ouders met hun vragen en zorgen steun vinden bij anderen in de nabije omgeving en in hoeverre de gezochte informatie aansluit bij de behoefte van ouders. Een derde manier waarop ouders steun kunnen vinden in de opvoeding is door hulp te vragen aan anderen buiten familie of kennissenkring, namelijk aan deskundigen op een bepaald opvoedthema of andere professionals. In deze paragraaf zullen we ingaan op de vraag met wie ouders nog meer spreken over de opvoeding van hun kinderen en in hoeverre deze meer formele vorm van hulp aansluit. Uit figuur 6 valt allereerst op dat veel ouders met de school, bijvoorbeeld de leerkracht van hun kind en leidsters van de buitenschoolse opvang, over de opvoeding spreken. Figuur 4.4 Laagdrempelige formele bronnen van hulp of advies bij de opvoeding (N = 47) 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:31
100 100 Opvoeding, zorgen en hulp: resultaten van interviews met moeders School (leerkracht) Buiten de familie en kennissenkring wordt er door ouders veel over de opvoeding van hun kind gesproken met personen die professioneel veel met het kind te maken hebben, zoals medewerkers van school (zoals leerkrachten), de oppas of de leid(st) er van de buitenschoolse opvang van hun kind. In tabel 3.2 zagen we dat meer dan 32 procent van de bezorgde ouders wel eens advies vraagt op school of bij de buitenschoolse opvang. In de interviews zijn deze twee hulpbronnen uitgesplitst en dan blijkt dat van de 47 moeders meer dan de helft wel eens de school (de leerkracht) raadpleegt (zie figuur 4.4). Wanneer er problemen spelen rondom het kind, zowel problemen met de gezondheid of vertragingen/ achterstand in de ontwikkeling van het kind als emotionele of gedragsproblemen, brengen ouders in de meeste gevallen de school hiervan op de hoogte. Regelmatig betrekken ouders de school ook actief bij het vinden van oplossingen voor het probleem. Zo vertelt een moeder dat ze met school het gebrek aan zelfvertrouwen van haar dochter heeft besproken en dat de school verschillende mogelijke oplossingen heeft aangedragen. Uiteindelijk heeft ze samen met school besloten om verdere professionele hulp te zoeken middels een assertiviteitstraining. Een andere ouder vertelt dat zij goed is geholpen, toen bleek dat haar kind op school gepest werd: (moeder, 2 kinderen, tweeoudergezin) Ja, de juffrouw waar ik dat toen mee besprak, nam dat heel goed op. Die is daar heel goed op ingegaan, dat vond ik wel. Die heeft het serieus opgepakt. Ook vragen veel ouders hulp aan school in de vorm van tips of advies over uiteenlopende kleinere problemen rondom de opvoeding, zoals een moeder die als praktische tip van een lerares kreeg om met een beloonsysteem in de vorm van stickers te werken. Een andere moeder vindt het ook prettig om vragen over de opvoeding met leerkrachten te bespreken, ze licht dit in onderstaand citaat toe: (moeder, 2 kinderen, tweeoudergezin) Met leerkrachten heb je dat ook wel eens, dat je wel eens vraagt van: joh hoe gaat het nou, hoe zie je dit of dat en daar zoek je ook een stukje bevestiging in van: is het goed of niet en zo niet, hoe kan ik dat dan veranderen? Tevredenheid over hulp van school Over het algemeen biedt de school ouders dus goede steun bij de opvoeding. De meeste ouders zijn dan ook te spreken over de hulp die ze op de school van hun kind krijgen of hebben gekregen. Toch hebben enkele ouders ook minder positieve ervaringen met de school, in die zin dat ze niet altijd gehoord worden. 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:31
101 Opvoeding en opvoedings ondersteuning E-Quality 101 Zo vermoedde een moeder dat er bij haar zoon sprake was van dyslexie, maar wilde de school dit niet erkennen. Uiteindelijk heeft ze een particuliere instelling ingeschakeld om te bewijzen dat haar kind inderdaad dyslexie had en verdere stappen konden worden ondernomen. Een andere ouder geeft ook aan dat je wel wat moeite moet doen, wil je op school wat voor elkaar krijgen: (moeder, 2 kinderen, tweeoudergezin) Op school gaat het wel goed. Haar spelling vond ik wat onder de maat, dus we hebben de juffrouw er op aangesproken dat ze ook meer met spelling moet gaan oefenen. Ik vind wel dat de school daar serieus werk van moet maken, ze had al 2 keer een E met de spellingstoets. Dat is dan de slechtste score. Op school hadden ze gezegd dat ze van de remedial teacher dus extra ondersteuning zou krijgen, maar daar heb ik tot nog toe weinig van gehoord, dus ik heb zoiets van: nou, ik moet aan de bel trekken bij school. Je moet wel aandringen, je moet wel voet bij stuk houden. Tot slot geeft een moeder aan dat de school zich ook weer niet teveel moet bemoeien met de opvoeding. Ze vindt het aan de ene kant wel prettig om met school ervaringen uit te wisselen over haar kind, maar ze wil niet dat de school daarmee denkt te weten hoe een kind is. Haar ervaring is dat de school niet goed naar haar luistert wanneer ze met een probleem naar hen toe komt, maar te snel een eigen oordeel klaar heeft. (moeder, 3 kinderen, stiefgezin) Over school: Ja, maar ik heb niet het idee hij heeft een heel jong juffie. Ik zou eens willen dat hij een andere leraar had of lerares die daar al iets over weet. Dus daar kan ik eigenlijk nietveel mee, nee Andere laagdrempelige formele hulp Andere deskundigen of instanties waar ouders zelf gemakkelijk naartoe kunnen gaan om vragen te stellen of informatie te verkrijgen, zijn bijvoorbeeld de oppas of de leidster van de buitenschoolse opvang, de huisarts, schoolarts, maatschappelijk werkers, of een opvoedwinkel. In sommige gevallen worden ouders ook door de school doorverwezen naar een huisarts of maatschappelijk werker. De laatstgenoemde categorie van professionele hulp (al dan niet via school) komt in dit onderzoek enkel voor bij de stiefgezinnen en eenoudergezinnen. Zij ontvangen zowel hulp voor zichzelf als voor hun kind(eren). In het eerste geval geven ouders bijvoorbeeld aan dat zij zelf of hun partner door de hele situatie rondom de echtscheiding met hun ex-partner overspannen zijn geraakt waardoor zij de hulp van een maatschappelijk werker hebben ingeschakeld. Een andere moeder verteld dat zij haar woonplaats had verlaten en in een hele nieuwe situatie terecht kwam waarbij zij eigenlijk geen sociaal netwerk meer had. Vervolgens heeft ze zelf een maatschappelijk 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:31
102 102 Opvoeding, zorgen en hulp: resultaten van interviews met moeders werker opgezocht om haar in de nieuwe situatie te ondersteunen. In het geval van hulp voor de kinderen gaat het om schoolmaatschappelijk werkers. Enkele ouders geven aan dat zij ook wel eens met collega s over de opvoeding praten die verstand hebben van bepaalde zaken, zoals homeopaten en pedagogen. Zij kunnen gemakkelijk voor hun vragen bij hen terecht en ontvangen zo tevens professionele hulp. Tevredenheid over laagdrempelige formele hulp De tevredenheid van de ouders over de zojuist genoemde verschillende vormen van laagdrempelige hulpvoorziening verschilt nogal. Zo vertelt een moeder goed door haar huisarts geholpen te zijn bij de computerverslaving van haar kind. De arts stelde voor om een grens te stellen aan het computergebruik en dat heeft goed gewerkt. Een andere moeder uit een stiefgezin is vanwege de hectische situatie binnen het gezin, in verband met een rechtzaak met de ex-partner van haar huidige partner, naar haar huisarts gestapt. Deze heeft haar doorverwezen naar een psycholoog, waar zij wel tevreden over is. Over de schoolarts zegt een andere moeder daarentegen het volgende: (moeder, 2 kinderen, tweeoudergezin) Zelfs met de schoolarts, daar doen we gewoon niet meer aan mee. Want het is heel oppervlakkig. Ze zoeken naar dingen. In groep twee was onze dochter heel licht [van gewicht]. Maar er waren wel meer meisjes en die kregen allemaal dezelfde opmerking. Nou, ze at goed. Maar wat moet je daar nou mee? Ze volgt wel de curve. Dan is het ook wel goed. En dan denk ik: nou ja, waarom zeur je er nou eerst over dat ze zo licht is? Ik bedoel, moeten wij ons daar zorgen over maken? Nee, dat niet. Maar dan wel eerst tienduizend vragen stellen. Dan denk ik van: ben je nou aan het zoeken of? Een andere ouder geeft aan dat de schoolarts vaak zegt dat alles prima gaat, terwijl zij zelf het gevoel heeft dat er wel wat meer aan de hand is. Daar heeft ze, zoals ze zelf zegt, dan ook niet zoveel aan. Hoewel ouders niet (meer) naar het consultatiebureau gaan voor de kinderen die in dit onderzoek tot de doelgroep behoren (vier tot en met twaalfjarigen), maken sommige ouders hier nog wel gebruik van voor hun jongere kinderen (deze instelling is voor ouders met kinderen tot vier jaar). Ook hier zijn de meningen over verdeeld. Sommige ouders zeggen erg goede ervaringen met het consultatiebureau te hebben of hebben gehad en vinden dat ze goed zijn geholpen bij hun problemen of vragen over de opvoeding. Andere ouders zijn minder te spreken over deze instelling. Zo geeft een moeder aan ze zich niet serieus genomen voelde, omdat alles maar normaal was met haar 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:31
103 Opvoeding en opvoedings ondersteuning E-Quality 103 kinderen terwijl er wel degelijk dingen speelden. Volgens een andere ouder is de hulp van het consultatiebureau te algemeen en niet toegespitst op een bepaald kind: (moeder, 1 kind, tweeoudergezin) Van zo n consultatiebureau krijg je zo n folder mee over het algemene kind, maar zo n kind bestaat niet. Je kunt best wel een folder krijgen van: uw kind moet dit en dit en dit eten op een dag, maar als dat kind het niet doet? Ja wat moet je daar dan mee? Je hebt daar verder niet zo heel veel aan. Van de ouders die hulp ontvangen via een maatschappelijk werker, zeggen sommigen hier tevreden over te zijn. Zij vinden dat zij goed geholpen zijn en voldoende steun en tips gekregen hebben. (moeder, 3 stiefkinderen) Ja zij huilt best wel s avonds en we hebben met de schoolmaatschappelijk werkster afgesproken dat we haar sowieso proberen te troosten en zo nu en dan even aan te sporen: nou huil maar eens even lekker uit. Dat werkt van tijd tot tijd. Andere ouders zijn niet tevreden over het maatschappelijk werk. Een ouder vertelt dat er een maatschappelijk werker bij hen langs zou komen, maar dat dit nooit meer gebeurd is. Een andere moeder zegt het volgende: (alleenstaande moeder, 2 kinderen) Eerst hebben we vanuit het ziekenhuis maatschappelijk werk gehad. Dat vond ik echt minimaal. Zij vond dat ie naar het speciaal onderwijs moest en ik had zoiets van: ja, het is een gewoon kind met alleen een voedselbeperking. Dus daarin voelde ik me vanuit het ziekenhuis helemaal niet gesteund. Hoewel ouders door (huis)artsen doorverwezen kunnen worden naar andere hulpinstanties, hebben ouders vaak het gevoel dat ze van het kastje naar de muur worden gestuurd en alles zelf moeten uitzoeken als er daadwerkelijk een probleem speelt. Een ouder geeft aan dat ze zelf actief is in het vinden van hulp, maar dat ze denkt dat als je dit niet doet je ook niet aan de juiste informatie komt en ook geen hulp krijgt. Naar haar idee moet je als ouder dus echt om hulp vragen om het te krijgen. Maar ook als ouders wel duidelijk om hulp vragen, duurt het soms lang voordat ze geholpen worden of worden ze, zoals de moeder in onderstaand citaat laat weten, niet geholpen en gaan ze noodgedwongen zelf op zoek naar oplossingen: (alleenstaande moeder, 1 kind) [ ] Ja nou, er wordt wel gezegd: als je hulp nodig hebt, kom en vraag! Maar als puntje bij paaltje komt is het: even geen tijd of te druk of dit of dat en dan heb ik al zoiets van: na vijf keer vragen sluit bij mij de deur en dan probeer ik het zelf wel op te lossen. 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:31
104 104 Opvoeding, zorgen en hulp: resultaten van interviews met moeders Het kost ouders dus vaak veel tijd en energie om de juiste informatie en passende hulp te vinden. Een moeder vraagt zich af of elke ouder wel de puf heeft om alsmaar verder te zoeken, te graven en te bellen. Tenslotte geven veel ouders aan dat zij vinden dat echte laagdrempelige hulpvoorzieningen eigenlijk ontbreken. Zo geven zij aan dat je een echt probleem moet hebben, wil je hulp van professionelen ontvangen. Zo zegt een moeder dat zij nooit professionele hulp heeft ingeschakeld: (moeder, 3 kinderen, tweeoudergezin) Je moet echt een probleem hebben. Ik ga bijvoorbeeld niet naar een hulpverlener om te zeggen: mijn kinderen hadden ruzie over de kleur van een Danoontje. Een ouder vertelt dat je ook in de media ziet dat de aandacht naar de extreme situaties gaat: (moeder, 4 kinderen, stiefgezin) De kinderen waar het echt extreem is en die uit huis geplaatst moeten worden of kinderen die echt het huis terroriseren, ja dat is niet aan de orde. Helemaal niet. Verder gaat het gewoon allemaal goed, met zijn ups en downs maar nee. Het is meer van: hoe ga je daar dan mee om en met die loyaliteit, ook van de kinderen. Hoe begeleid je ze? Meerdere ouders geven aan behoefte te hebben aan een laagdrempelige voorziening, waarbij men hulp (zoals tips en dergelijke) kan krijgen over alledaagse, maar veelvoorkomende problemen waar ouders tegen aan kunnen lopen, maar niet altijd oplossingen voor weten te vinden: (moeder, 3 kinderen, tweeoudergezin) Ik zou het fantastisch vinden als je één keer in het half jaar of één keer in het jaar een half uurtje met een deskundige kan praten van: hoe pak je bepaalde dingen aan? Zonder dat het gelijk een heftig probleem is. Ook geeft zij de volgende suggestie voor een betere, laagdrempelige ondersteuning bij de opvoeding: Ik vind eigenlijk dat het consultatiebureau al een rol zou kunnen spelen, tips geven, hulpverlening bieden of gewoon aandacht geven van: hoe ga je met bepaalde situaties om. Dus eigenlijk een soort van professionele uitbreiding van de tips, die je al krijgt uit je vriendenkring. (moeder, 4 kinderen, stiefgezin) Ja dan is dat toch iets waar nu ook al aan gewerkt wordt, weet ik dan vanuit mijn werk wel, een centrum voor jeugd en gezin. Dat je toch veel makkelijker ergens binnen kunt stappen en zonder dat je gelijk een hele zware 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:31
105 Opvoeding en opvoedings ondersteuning E-Quality 105 indicatie aan je broek hebt hangen, even van gedachten kunt wisselen, zie ik het nou goed of niet. En dan wel met iemand die daarin gespecialiseerd is.[ ] Goed opgeleide mensen, pedagogen, orthopedagogen, maatschappelijk werkers die goed weten van wat speelt er binnen zo n gezinssituatie en wat betekent dat voor kinderen, wat betekent dat voor ouders. Maar waar je wel makkelijk binnen kunt stappen. Dus dat ik niet langs een heel indicatieorgaantraject hoef. En eigenlijk gewoon binnen een week. Hulpverlening In deze laatste subparagraaf zullen we ingaan op de zogenoemde tweedelijnshulpverlening waar ouders naar kunnen worden doorverwezen door bijvoorbeeld de huisarts. Wanneer ouders geen oplossing kunnen vinden voor hun vragen of problemen in de opvoeding (zelf of met hulp van anderen) kunnen ze bijvoorbeeld terecht komen bij Bureau Jeugdzorg, een pedagoog, een gezinscoach of een psycholoog. In het algemeen valt op te merken dat de meeste gezinnen uit dit onderzoek niet met dergelijke hulpverlening te maken hebben gehad. Vijf van de 47 gezinnen geven aan te hebben gesproken over de opvoeding met Bureau Jeugdzorg en/of een psycholoog/pedagoog. Opvallend is dat op één ouder na de gezinnen die met Bureau Jeugdzorg te maken hebben gehad, ouders uit eenouderof stiefgezinnen zijn. Dit is minder verwonderlijk als we terugkijken naar wat in de vorige paragrafen naar voren is gekomen. Ouders uit deze gezinnen hebben over het algemeen meer te maken met zorgen en moeilijkheden die met hun gezinssituatie te maken hebben dan ouders uit andere gezinstypen. Zoals eerder besproken, zorgt een echtscheiding soms voor lastige situaties in het gezin en ook de nieuwe gezinssituatie kan leiden tot verschillende zorgen in de opvoeding. Zo vertelt een ouder dat ze een mediator heeft ingeschakeld om het scheidingsproces te vergemakkelijken. Een ouder uit een stiefgezin geeft aan dat ze hulp heeft gezocht bij een psycholoog om over haar rol als stiefmoeder te praten. Weer een andere ouder heeft voor haar stiefkind de hulp ingeroepen van een psycholoog. Een andere moeder uit een stiefgezin geeft aan dat haar gezin door de huisarts is doorverwezen naar Bureau Jeugdzorg voor gezinsgesprekken na de scheiding. De moeder heeft hier veel steun aan gehad: (moeder, 3 niet in huis wonende, biologische kinderen, 3 stiefkinderen) En dat is dus dan ook gebeurd, met gezinsgesprekken en die hebben ook allerlei tips gegeven, die we dus ook in de praktijk hebben opgevolgd van dat voelde gewoon wel heel fijn. Ja, dat werd goed serieus, gewoon goed serieus opgepakt en ook vrij vlot allemaal, duurde eigenlijk helemaal niet zo heel erg lang, terwijl we het idee hadden: nou iedereen heeft wachtlijsten. Maar dat viel reuze mee. 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:31
106 106 Opvoeding, zorgen en hulp: resultaten van interviews met moeders Tevredenheid over hulpverlening De mate waarin ouders zich gesteund voelen door de hulpverlening verschilt echter sterk. Waar de ene ouder zeer te spreken is over de geboden hulp (zoals de moeder uit bovenstaand citaat), voelt de ander zich niet begrepen of serieus genomen of laat de hulp naar hun idee te lang op zich wachten. Ten aanzien van het laatste punt is een vaak gehoorde opmerking dat er te lange wachtlijsten zijn voor hulp. Hierdoor verergeren de problemen vaak, zoals een ouder vertelt: Als een ouder om hulp vraagt, dan heb ik zoiets: ja help ze dan gelijk, want anders stapelen de problemen zich op. Hoewel het niet voor elke ouder geldt, geven veel ouders die met hulpverlening te maken hebben (gehad) aan dat het vaak een lange weg is voordat ze de hulp hebben gekregen die ze nodig hebben. Daarnaast zijn dus niet alle ouders te spreken over de geboden hulp. De ouder in onderstaand citaat zegt hier het volgende over: (moeder, 2 biologische kinderen, 2 stiefkinderen) Je hebt met zoveel verschillende dingen te maken. Dus vandaar onze ervaring met hulpverleners, we hebben er aardig wat gezien de afgelopen 5 jaar. Ja, dus vind ik wel dat ik daar een mening over mag hebben. Want daarin schiet het echt tekort. [ ] De hulpverlening in het algemeen, ik vind het een puinhoop! Daarbij is het voor sommige ouders moeilijk om de hulp te krijgen die ook past bij hun gezinssituatie. Zo vertelt een moeder uit een stiefgezin dat het heel lang heeft geduurd voordat ze een psycholoog had gevonden die wist hoe je een samengesteld gezin moet helpen. Volgens deze ouder is de hulpverlening nog onvoldoende ingesteld op samengestelde gezinnen. Ze vertelt hierover: Want alle standaardregels die in de psychologie gelden, gaan negen van de tien keer niet op in een samengesteld gezin en dat maakt het heel lastig om een samengesteld gezin te helpen. Daarnaast zijn de ervaringen die ouders met Bureau Jeugdzorg hebben uiteenlopend. Waar de ene ouder zich goed gesteund voelt, vindt een andere ouder de benadering van het bureau niet goed. Zo geeft een moeder aan dat de gesprekken die haar zoon momenteel met iemand van Jeugdzorg voert, goed werken. Terwijl een andere moeder vindt dat Bureau Jeugdzorg toch wel heel erg op de problemen waren gericht en er een groter probleem van maakten dan het in de ogen van de moeder was. Een alleenstaande moeder is verder niet te spreken over de omgangsregeling die Bureau Jeugdzorg met haar ex-partner had geregeld. 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:31
107 Opvoeding en opvoedings ondersteuning E-Quality 107 Ze zegt hierover: (alleenstaande moeder, 2 kinderen) Jeugdzorg heeft een omgangsbegeleiding naar [naam ex-partner] gedaan, gingen ze één keer in de veertien dagen vier uur naar [naam ex-partner] toe. Dat vond ik heel negatief. Het werkte voor geen meter, en daarnaast ervoer ik hier de boze buien en de slapeloze nachten van de kinderen. Tot slot hebben ook twee ouders die met hulpverlening te maken hebben, behoefte aan een anoniem punt waar ze terecht kunnen met vragen. Een ouder vertelt waarom ze dit prettig zou vinden: (moeder, 4 kinderen, tweeoudergezin) Als er iets is moet je naar jeugdzorg, maar dat heeft ook een heel negatief effect, want als je bij jeugdzorg komt dan heb je een dossier en dat is niet altijd gunstig. Meer in het algemeen geven enkele ouders nog over de hulpverlening aan: (moeder, 3 kinderen, tweeoudergezinnen) Het keerpunt vind ik wel dat er heel vaak een probleem van gemaakt wordt, terwijl soms dingen geen probleem zijn. Sommige dingen horen gewoon bij de ontwikkeling van een kind. Het enige wat je daarbij nodig hebt zijn tips en adviezen om het kind daarin zo goed mogelijk te begeleiden. Geef ouders tips en adviezen om dat kind daarin te begeleiden en doe niet meteen alsof het de schuld van de ouder is dat een kind bepaald gedrag vertoont. Dat heb ik wel als storend ondervonden en ik maak ook bijna geen gebruik meer van hulpverlening om het zo te zeggen. (moeder, 2 kinderen, tweeoudergezin) Ik denk dat hulpverleners denken dat ze beter weten wat goed is voor een kind dan een ouder. Dat ze die definitie beter weten. En dan denken zij dus ook beter te weten wat het belang van het kind is. Ze kunnen wel heel veel van kinderen in het algemeen weten. Maar er is er toch maar één die het meest van het kind weet. Twee. (lacht) Allebei de ouders. Samengevat blijkt dat de meeste ouders in eerste instantie steun bij het opvoeden krijgen van hun partner. Wanneer een partner ontbreekt, of niet de oplossing voor een vraag kan bieden, zoeken ouders in hun directe sociale netwerk advies of hulp. Voor veel ouders zijn dit hun vrienden en kennissen en in iets mindere mate de eigen ouders of andere familieleden. Vooral vrienden en kennissen die kinderen in dezelfde leeftijd hebben, worden vaak geraadpleegd. Vooral als men vragen of twijfels heeft met betrekking tot de specifieke gezinssituatie (bijvoorbeeld eenoudergezin of stiefgezin), scheelt het als deze personen zich in eenzelfde situatie bevinden, dus bijvoorbeeld ook een echtscheiding hebben meegemaakt, of ook stiefkinderen 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:31
108 108 Opvoeding, zorgen en hulp: resultaten van interviews met moeders hebben. Vooral herkenning en bevestiging blijken voor ouders van belang, als ze steun zoeken. Buiten de eigen kring vinden veel ouders dergelijke steun (ook) op internet, bijvoorbeeld via discussiefora met andere ouders. Daarnaast zijn internet, tv en boeken/tijdschriften redelijk veel gebruikte informatiebronnen, zowel voor specifieke vragen over de gezinssituatie als voor algemene opvoedvragen, dus vragen met betrekking tot het kind. Bij dit laatste type lijkt het voor ouders minder van belang dat de adviseur in eenzelfde situatie zit. Vaak wordt hierover de school geraadpleegd: de leerkracht kent het kind, vanuit professioneel oogpunt. De meeste vormen van formele hulp blijken niet in alle gevallen aan de wensen van ouders te voldoen. De belangrijkste problemen waar ouders tegenaan lopen als ze hulp zoeken, zijn enerzijds dat ze niet gehoord worden door de professionals en anderzijds dat deskundigen te veel uitgaan van het gemiddelde kind, in het gemiddelde gezin. Meerdere ouders in dit onderzoek hebben de ervaring dat ze een probleem bij hun kind signaleerden en dat dit volgens hen door professionals (bijvoorbeeld de leerkracht) te weinig serieus genomen werd. Soms moeten ouders via andere professionele hulp eerst aantonen dat er echt iets aan de hand is voordat school in actie komt. Anderzijds vinden sommige ouders dat deskundigen te veel nadruk leggen op punten waar het kind wellicht afwijkt van het gemiddelde, terwijl de ouder dit zelf niet als probleem ervaart. Ook vinden sommige ouders in specifieke gezinssituaties, zoals eenoudergezinnen of stiefgezinnen dat de beschikbare hulp te weinig toegespitst is op en rekening houdt met die situatie. Blijkbaar komt het regelmatig voor dat de ouder en de deskundige niet op een lijn zitten, qua probleemanalyse of qua oplossingsstrategie. Toch vinden de meeste ouders uiteindelijk de juiste ondersteuning, hoewel de moeite en tijd die dit kost niet altijd in verhouding staat. Veel vragen of twijfels van ouders zijn namelijk van lichte en/ of tijdelijke aard. Een deel van de geïnterviewde ouders (8 van de 47 ouders) had ten tijde van de interviews behoefte aan extra steun, dit zijn voornamelijk stiefgezinnen en eenoudergezinnen. Daarbij heeft men de voorkeur voor laagdrempelig en deskundig advies. 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:31
109 Opvoeding en opvoedings ondersteuning E-Quality #028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:31
110 Gezinnen van de toekomst Slotbeschouwing 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:32
111 Opvoeding en opvoedings ondersteuning E-Quality Slotbeschouwing In dit hoofdstuk worden de resultaten uit de drie voorgaande hoofdstukken gecombineerd om een beeld te schetsen van de huidige opvoedsituatie binnen verschillende typen gezinnen. Vervolgens zal gereflecteerd worden op de vraag wat er in de toekomst te verwachten valt met betrekking tot het beroep dat ouders zullen doen op opvoedingsondersteuning, wat de achtergronden daarvan zijn en welke opvoedkwesties aan de orde zullen zijn. 5.1 Hoe gaat het met de opvoeding? De meeste ouders zijn tevreden over de opvoeding en zeggen deze goed aan te kunnen. Ze willen hun kinderen graag goed opvoeden en stellen in dat opzicht hoge eisen aan zichzelf. Uit het grootschalige SCP-onderzoek Kinderen in Nederland (zie hoofdstuk 3) komt naar voren dat de meeste ouders tevreden zijn over het verloop van de opvoeding. Ouders hebben het gevoel de opvoeding goed aan te kunnen en voelen zich doorgaans niet bijzonder zwaar belast. Opvoeden is leuk, zo zeggen de meeste ouders in de interviews. Het is leuk om te zien hoe je kinderen zich ontwikkelen. De afwezigheid van (al te grote) problemen en het gevoel hebben de opvoeding goed aan te kunnen dragen eveneens bij aan gevoelens van tevredenheid. Het opleidingsniveau van de ouders speelt een belangrijke rol als het gaat om de opvoedbeleving, zo laat Kinderen in Nederland zien. Hoogopgeleide moeders zijn doorgaans meer tevreden over de opvoeding en hebben vaker het idee dat ze weten wat ze moeten doen dan laagopgeleide moeders. Daarnaast is de gezinsvorm van belang: ouders uit éénoudergezinnen zijn minder vaak tevreden over de opvoeding en ervaren deze vaker als belastend dan ouders uit tweeoudergezinnen. Ook de etniciteit van de ouders maakt uit, als we kijken naar de opvoedbeleving van ouders. Laagopgeleide Marokkaanse en Turkse ouders zijn minder positief over hun eigen opvoedvaardigheid en ervaren de opvoeding vaker als zwaar en vermoeiend dan andere ouders. 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:32
112 112 5 Slotbeschouwing 5.2 Zijn ouders bezorgd en onzeker? Veel ouders zijn wel eens bezorgd over de opvoeding of ontwikkeling van hun kind. Zelden gaat het om langdurige twijfels of om een combinatie van veel verschillende zorgen. Volgens de Gezinsnota 2006 is er sprake van een groeiende opvoedingsonzekerheid bij ouders. Uit voorliggende studie blijkt dat ouders niet constant en over alles onzeker zijn. Wel hebben veel ouders vragen of zorgen. Uit Kinderen in Nederland blijkt dat bijna de helft van de ouders in het jaar van het onderzoek vragen of zorgen heeft gehad over de opvoeding. Het gaat meestal om lichte, tijdelijke zorgen. Slechts 1 tot 3 procent van de ouders heeft veel zorgen rond het gedrag van hun kind, de opvoeding in het algemeen en/of emotionele problemen van hun kind. Uit de verdiepende interviews die in het kader van deze publicatie zijn uitgevoerd komt naar voren dat de emotionele problemen waar ouders van basisschoolkinderen zich zorgen over maken, vaak te maken hebben met gebrek aan zelfvertrouwen en weerbaarheid. Problemen met de omgang van andere kinderen (en volwassenen) worden in dit verband ook veelvuldig genoemd door ouders. Zorgen over gedragsproblemen hebben vaak betrekking op ongehoorzaamheid, liegen, en druk of agressief gedrag. Met betrekking tot de opvoeding in het algemeen brengt het stellen van regels en grenzen en het toezicht houden hierop dikwijls vragen met zich mee. Uit de interviews komt verder naar voren dat ongeveer de helft van de ouders zich wel eens onzeker over de opvoeding heeft gevoeld. Onzekere, bezorgde ouders zijn niet per definitie ook ouders met opvoedproblemen, al bestaat er wel een verband tussen deze zaken. Onzekerheid en bezorgdheid kunnen de aandacht van ouders voor bepaalde kwesties verhogen en leiden tot het zoeken naar informatie en communicatie met andere ouders of deskundigen. Zo zeggen bijvoorbeeld een aantal gescheiden ouders in de interviews dat zij heel bewust het welzijn van hun kind monitoren en goed in de gaten houden hoe het gaat. Vooral de alleenstaande ouders hebben ook vaker dan andere geïnterviewde ouders het gevoel dat ze weten wat er in hun kind omgaat.ook de geïnterviewde ouders uit stiefgezinnen zijn vaak heel bewust bezig met de verhouding tussen en het welzijn van alle gezinsleden. Enkele geïnterviewde ouders zijn overigens van mening dat onzekerheden omtrent de opvoeding worden versterkt door de druk die momenteel op de opvoeding ligt in de maatschappij en door de vele (soms tegenstrijdige) adviezen en richtlijnen die je als ouder soms krijgt. Uit de interviews blijkt verder dat ouders in het algemeen hoge eisen aan zichzelf zeggen te stellen voor wat de opvoeding van hun kinderen betreft en dat zij het erg graag goed willen doen en geen fouten willen maken. De lat wordt 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:32
113 Opvoeding en opvoedings ondersteuning E-Quality 113 door veel geïnterviewde ouders hoog gelegd, wat ook tot een gevoel van druk op de opvoeding kan leiden. Ouders uit eenouder- en stiefgezinnen hebben deze zorgen overigens vaker dan ouders uit tweeoudergezinnen met beide biologische ouders. Onzekerheden kunnen worden versterkt door reacties van de buitenwereld. Eigenlijk hebben alle ouders wel eens te maken gehad met opmerkingen over hun gezinsituatie en/of hun manier van opvoeding door de buitenwereld, zo komt uit de interviews naar voren. Het gaat zowel om positieve als negatieve opmerkingen. Opmerkingen kunnen betrekking hebben op de gezinssamenstelling. Zo hebben bijna alle ouders uit eenouder- en stiefgezinnen wel eens opmerkingen of vragen gehad over hun gezin. Daarnaast krijgen zowel werkende moeders als moeders zonder betaalde baan wel eens opmerkingen uit hun omgeving over hun keuze op dit terrein. De meeste ouders geven in de interviews aan zich niet veel aan te trekken van de reacties uit de omgeving. Toch zou dit onbewust van invloed kunnen zijn op de eisen die ouders aan zichzelf stellen. De meeste van deze ouders geven namelijk wel aan dat ze willen bewijzen dat het goed gaat met hun kinderen. De buurt als mede-opvoeder mag dan verdwenen zijn, volgens de Gezinsnota 2006, er blijkt rond de meeste gezinnen wel degelijk een zekere mate van sociale controle te bestaan. In het onderzoek Kinderen in Nederland is niet alleen aan ouders, maar ook aan professionals uit de jeugdgezondheidszorg hun mening te geven over hoe het gaat met de opvoeding van kinderen? In grote lijnen komen beide perspectieven overeen in de zin dat de jeugdgezondheidszorg (jgz)-professionals bij de meerderheid van de onderzochte ouders geen problemen met de opvoeding constateert, al is ook duidelijk dat niet elke onbezorgde ouder probleemvrij is volgens jgz-medewerkers en andersom. Bij de ouders die wel problemen hadden, ging het meestal om lichte, tijdelijke opvoedingsproblemen. In vijf procent van de probleemgevallen was er sprake van een zware opvoedproblematiek. Volgens jgz-medewerkers hebben ouders uit eenouder- en stiefgezinnen vaker problemen met de opvoeding dan andere ouders. Binnen de groep tweeoudergezinnen zijn het vooral de laagopgeleide ouders die tegen problemen aanlopen. Dit geldt in het bijzonder voor de niet-werkende moeders in deze groep. 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:32
114 114 5 Slotbeschouwing 5.3 Welke specifieke opvoedvragen spelen in gezinnen? Uit de interviews komt naar voren dat sommige opvoedvragen samenhangen met de gezinssituatie waarin opgevoed wordt. Het gaat hier met name om vragen rond echtscheiding, het er alleen voorstaan in de opvoeding en het combineren van arbeid en zorg. In sommige allochtone gezinnen spelen vragen rond het opvoeden tussen culturen. Opvoedzorgen rond echtscheiding De éénouder- en stiefgezinnen in ons onderzoek maakten allen een scheiding mee. De gebeurtenissen rondom die scheiding, zo blijkt uit de interviews, zijn vaak een bron van zorg. Zo zijn veel gescheiden ouders erg gespitst op en bezorgd over de invloed van de scheiding op het welzijn van hun kinderen. Zowel vragen over emotionele problemen van kinderen als over het stellen van regels en grenzen in de opvoeding worden door hen genoemd. Verder hebben een aantal van deze ouders te kampen met een moeizame omgang met hun ex-partner. Uit de interviews blijkt dat dit enerzijds te maken kan hebben met vertroebelde relaties tussen de ex-partners, waardoor het soms lastig is om goede afspraken te maken over de opvoeding. Uit onderzoek van Spruijt (2007) blijkt bijvoorbeeld dat co-ouderschap, waarbij expartners samen hun kinderen opvoeden, tot problemen kan leiden. Hij signaleert zelfs een toename van conflicten sinds de invoering van het co-ouderschap in Anderzijds kan ook de relatie tussen de uitwonende ouder en het kind moeilijk zijn. Voor ouders uit éénoudergezinnen geldt logischerwijs dat zij naar verhouding vaak het gevoel hebben er alleen voor te staan in de opvoeding. Het stellen van regels en grenzen voor de kinderen en het handhaven daarvan is daarbij vaak een punt van zorg. Steeds belangrijke beslissingen zelf moeten nemen zonder directe afstemming met een partner kan belastend zijn en een gevoel van er alleen voor staan geven. Aan de andere kant geven sommige ouders uit deze groep aan het soms juist fijn te vinden dat ze zelf de beslissingen kunnen nemen, zonder overleg, en zonder conflicten, met een partner.. Daarnaast kan het steeds weer moeten regelen van allerlei opvang en oppas door de afwezigheid van een partner die even in kan springen bijdragen aan het gevoel er alleen voor te staan. Om met een moeder uit een éénoudergezin te spreken: je kunt nooit het stokje even overdragen. Bij stiefgezinnen hangen zorgen vooral samen met de overgang naar een nieuw, samengesteld gezin waar meerdere ouders (biologische en stief) bij de opvoeding zijn betrokken. In de interviews gaven ouders aan dat binnen het stiefgezin de opvoedregels doorgaans wel door de biologische ouder en de stiefouder samen worden besproken, maar dat het meestal de biologische ouder is die de kinderen 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:32
115 Opvoeding en opvoedings ondersteuning E-Quality 115 ergens op aanspreekt wanneer dit nodig is. En ook bij stiefgezinnen speelt soms de andere biologische ouder een rol in de opvoeding, wat tot spanningen binnen het gezin kan leiden, zeker als de afspraken niet goed nagekomen worden. De vragen en zorgen van ouders in een transitie zoals echtscheiding of het vormen van een stiefgezin, worden in het onderzoek Nieuwe gezinnen (van E-Quality en CBS, te verschijnen april 2008) verder uitgewerkt. Opvoedzorgen rond het combineren van arbeid en zorg Andere specifieke vragen en zorgen van ouders, die samenhangen met de gezinssituatie, gaan over het combineren van betaald werk en de opvoeding. Hierbij gaat het zowel om praktische vragen, zoals het regelen van kinderopvang, als om zorgen om het verdelen van aandacht en tijd, in het bijzonder de vraag: komt mijn kind geen aandacht te kort? Wanneer we onderscheid maken naar de verschillende gezinsvormen dan zien we dat deze zorgen vooral groot zijn bij werkende ouders uit éénoudergezinnen waar het combineren van betaald werk met de opvoeding vaker belastend is. Dit is niet verwonderlijk, aangezien werkende alleenstaande moeders relatief veel uren per week werken, meer dan werkende moeders met een partner (vgl. Portegijs, 2006) en zij daarnaast grotendeels of geheel verantwoordelijk zijn voor de verzorging en opvoeding van de kinderen. Wanneer werkende ouders zich afvragen of zij wel voldoende aandacht aan hun kind besteden, kan dit soms tot schuldgevoelens leiden. Voor de één is stoppen met werken gewoonweg onmogelijk en deze ouders zien het gebruik van kinderopvang als een noodzaak. Voor andere ouders spelen twijfels of ze wel of niet moeten werken, omdat zij er aan de ene kant (meer) voor hun kind willen zijn, maar aan de andere kant niet alleen werken uit economische noodzaak, maar ook uit het oogpunt van hun eigen ontplooiing en ontwikkeling. Opvoedzorgen rond het opvoeden tussen culturen Tot slot zijn er verschillen tussen ouders van verschillende etniciteiten, in de mate van ervaren belasting en specifieke opvoedvragen. Marokkaanse en Turkse ouders vinden de opvoeding in het algemeen beduidend zwaarder en meer belastend dan Surinaamse, Antilliaanse en autochtone ouders. Ze zijn ook het minst positief over hun eigen opvoedvaardigheid. Voor een deel zal dit te maken hebben met de sociaaleconomische positie van deze ouders (Zeijl, 2005). Daarnaast zijn er verschillen in de gehanteerde opvoedingsstijl. De stijl die veel autochtoon Nederlandse ouders tegenwoordig hanteren is autoritatief. Hierbij wordt er veel met de kinderen zelf gepraat, regels uitgelegd en gezamenlijk oplossingen gezocht Dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld oudere generaties Marokkaanse (Pels, 1998), Turkse (Nijsten, 1998) 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:32
116 116 5 Slotbeschouwing en Surinaams-Creoolse (Distelbrink, 2000) ouders in Nederland. Wanneer ouders uit deze groepen de (autoritaire) opvoedingsstijl van hun eigen ouders overnemen, sluit deze minder goed aan bij de algemeen gangbare aanpak van bijvoorbeeld de school of andere instanties. En wanneer ouders een meer autoritatieve stijl willen hanteren, kan dit botsen met de waarden binnen hun etnische groep en tot onbegrip leiden (vgl. Pels, 1998, 2005; Distelbrink, Geense en Pels, 2005, Bertrand, Hermanns en Leseman, 1998). Uit de interviews blijkt dat het opvoeden tussen meerdere culturen een lastige opgave is. Vooral het combineren van de eigen wensen met de verwachtingen van de eigen etnische groep en de verwachtingen van de maatschappij maakt het opvoeden soms tot een zware last. Daarbij komt dat de geïnterviewde allochtone ouders sterker dan autochtone ouders het gevoel hebben dat ze erg goede opvoeders moeten zijn. 5.4 Voelen ouders zich voldoende gesteund? Van de ouders die zorgen hebben gehad heeft ongeveer de helft hierover gepraat met anderen buiten het gezinsverband. Praten over opvoedzorgen is niet altijd vanzelfsprekend. Bevestiging, bijvoorbeeld van andere ouders, is een belangrijke bron van steun voor ouders. Uit Kinderen in Nederland komt naar voren dat de helft van de ouders met zorgen over de opvoeding dit heeft besproken met anderen buiten het gezinsverband. Praten over opvoedzorgen is, met andere woorden, niet altijd vanzelfsprekend. In de interviews geven veel ouders in eerste instantie aan dat ze geen behoefte hebben aan meer informatie of steun rond de opvoeding. Bij verdere navraag blijkt echter dat ouders vaak wel iets zien in meer laagdrempelige, deskundige hulp. Uit Kinderen in Nederland komt naar voren dat ouders niet met anderen praten wanneer de zorgen niet groot zijn, of omdat men verwacht dat het een tijdelijk probleem is. Toch kunnen ook zaken als niet weten waar hulp te zoeken en het moeilijk vinden hulp te vragen een rol spelen. Als een luisterend oor werd gezocht dan werd dat doorgaans in de nabije omgeving gedaan. Het zijn overigens met name Nederlandse ouders, en binnen die groep vooral de hoogopgeleide moeders, die met anderen praten over hun opvoedzorgen. Turkse, Marokkaanse en Surinaams/Antilliaanse ouders doen dit aanzienlijk minder. Dit geldt vooral voor de niet-werkende moeders uit deze groepen. Werkende Turkse, Marokkaanse en Surinaams/Antilliaanse moeders zijn namelijk eerder geneigd advies in te winnen en hulp te zoeken bij anderen dan de niet-werkende moeders uit deze groepen. Uit hoofdstuk 3 wordt duidelijk dat er geen significante verschillen zijn in de mate waarin bezorgde ouders uit eenouder, 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:32
117 Opvoeding en opvoedings ondersteuning E-Quality 117 stief- en tweeoudergezinnen hulp en informatie zoeken bij problemen. Dat doen ze even vaak. Uit de verdiepende interviews blijkt dat ouders uit stiefgezinnen wel minder vaak dan andere ouders te rade gaan bij hun directe familie. Dit heeft veelal te maken met negatieve reacties van familieleden of een ervaren gebrek aan steun bij de keuze om een stiefgezin te gaan vormen. Ze zoeken liever hulp bij ouders die in een soortgelijke situatie verkeren. Dit laatste geldt ook voor alleenstaande ouders. Deze ouders zoeken wel vaker steun bij andere gezinsvormen als het gaat om algemene opvoedvragen, dus vragen die niet gerelateerd zijn aan hun specifieke situatie als alleenstaande ouder. Patronen in het zoeken naar hulp De antwoorden van de ouders uit de interviews wijzen uit dat het zoeken naar hulp vaak verloopt volgens een bepaald patroon. De eigen partner is voor de meeste ouders de belangrijkste steunpilaar. De meeste geïnterviewde ouders zijn tevreden over de steun van de partner. Vooral ouders uit éénoudergezinnen, en daarvan weer vooral de niet-werkende moeders, hebben vrij vaak het gevoel er alleen voor te staan in de opvoeding. Opvallend is dat ook enkele (niet-werkende) moeders uit kostwinnersgezinnen aangeven dat ze te weinig steun in de opvoeding ontvangen van hun partner. Als men geen partner heeft, als de partner zich minder met de opvoeding bemoeit, als de partners samen geen oplossing kunnen vinden, maar ook gewoon ter bevestiging, worden (vervolgens) vaak vrienden, familie of andere mensen (andere ouders, collega s) uit de directe omgeving geraadpleegd. Herkenning en erkenning van vragen of zorgen speelt hierbij een belangrijke rol. Uit onderzoek van Rispens et al (1996) komt naar voren dat de uitwisseling met andere ouders een belangrijke vorm van steun is in de opvoeding. Dit blijkt ook uit de interviews: veel hulp of informatie die ouders zoeken heeft als doel hen te bevestigen in hun opvoedstrategieën en keuzes. Ook helpt het ouders te relativeren en doet het hen inzien dat veel vragen en zorgen eigenlijk normaal en veelvoorkomend zijn. Opvoedingsondersteuning kan ook gevonden worden in de media zoals tvprogramma s, boeken/tijdschriften, internet etc. Uit deze studie blijkt dat internet sommige ouders veel steun biedt in de opvoeding, zowel qua informatieverstrekking als voor het uitwisselen van ervaringen op zogenoemde internetfora. Daarnaast kunnen televisie en tijdschriften/boeken ouders steun bieden. Sommige geïnterviewde ouders vinden echter dat deze media te weinig aansluiten bij hun gezinssituatie: zij missen nog informatie en advies die betrekking heeft op de specifieke gezinssituatie, zoals bijvoorbeeld hulp bij vragen of zorgen die in een stiefgezin kunnen spelen. Het volgen van een cursus of thema-avond is door een 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:32
118 118 5 Slotbeschouwing beperkt deel van de ouders gedaan. Uit Kinderen in Nederland blijkt dat hoger opgeleide autochtone ouders en Marokkaanse en Turkse ouders hier nog het meeste gebruik van maken. Een verklaring voor de deelname van die laatste twee groepen ligt in het aanbod aan opvoedcursussen en dergelijke dat specifiek op deze doelgroepen gericht is. Wanneer hulp en steun uit de nabije omgeving niet tot de gewenste oplossingen leidt, wordt buiten de eigen familie en vriendenkring gekeken. Ouders vragen vooral bij de school en daarna bij de huisarts en de oppas en/of leidster van de buitenschoolse opvang advies. Hulp bij Bureau Jeugdzorg of bij gespecialiseerde psychologen/pedagogen wordt betrekkelijk weinig gezocht. De ervaringen met zowel de laagdrempelige formele hulp als de tweedelijns hulpverleners zijn wisselend en erg afhankelijk van wie ouders voor zich hadden. Sommige ouders gaven aan dat het lastig was om de problemen die zij hadden met hun kind onder de aandacht te krijgen en hierin voldoende serieus genomen te worden. In die gevallen kon het voor ouders prettig zijn als het probleem een (medische) benaming krijgt, zodat zij zelf gerichter naar informatie en hulp kunnen zoeken en eerder serieus genomen worden. Aan de andere kant hadden sommige ouders juist moeite met de probleemanalyse van de door hen gevraagde hulpverleners, zeker als deze een afwijkend kenmerk van het kind of de opvoeding benoemde dat door de ouder niet als probleem werd ervaren. Andere ouders zijn ronduit positief over de formele hulp en steun die zij kregen. Zij voelen zich serieus genomen en goed gehoord. 5.5 Wat betekent dit voor de toekomst? In hoofdstuk 2 zijn enkele toekomstige ontwikkelingen beschreven met betrekking tot de vorm van gezinnen, de etniciteit van ouders en de rol van werk en opleiding die van belang lijken te zijn voor de beleving van de opvoeding, het vóórkomen van opvoedingsproblemen en het beroep dat ouders mogelijk zullen doen op opvoedingsondersteuning in de toekomst. Het ligt in de lijn der verwachting dat in 2020 ten opzichte van nu: Meer ouders en kinderen een deel van hun leven in een eenoudergezin zullen doorbrengen, na een (echt)scheiding, Meer ouders te maken krijgen met de situatie dat zij de opvoeding delen met een ex-partner en dus meer kinderen worden opgevoed in meer dan één gezin tegelijk Het aandeel stiefgezinnen zal zijn toegenomen als gevolg van (echt)scheidingen Het aandeel westerse allochtone gezinnen, onder andere uit Oost-Europa, zal zijn toegenomen, door migratie en gezinsvorming. 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:32
119 Opvoeding en opvoedings ondersteuning E-Quality 119 Het aandeel niet-westers allochtone gezinnen zal zijn toegenomen mede door gezinsvorming en het feit dat de allochtone bevolking in Nederland naar verhouding jong is. Het aandeel tweede generatie allochtone ouders en het aandeel derde generatie allochtone kinderen zal zijn toegenomen En, tot slot, het aantal werkende moeders zal zijn toegenomen, zowel in twee- als eenoudergezinnen. Voor een uitgebreidere beschrijving van deze ontwikkelingen en andere aspecten van de diversiteit in gezinnen, zoals homoseksuele ouderparen, bewust ongehuwd moederschap en adoptie- en pleeggezinnen verwijzen we naar de E-Quality publicatie Gezinnen van de toekomst, Cijfers en trends (Boekhoorn & De Jong, 2008). Wat zouden deze ontwikkelingen kunnen betekenen voor de behoefte aan en het gebruik van opvoedingsondersteuning van gezinnen? En voor de inhoud van het aanbod aan opvoedingsondersteuning? Eenouder- en stiefgezinnen In het voorgaande bespraken we dat ouders uit eenouder- en stiefgezinnen, die zijn ontstaan na echtscheiding, minder vaak tevreden zijn over de opvoeding, zich vaker belast voelen en zorgen en problemen met de opvoeding hebben dan ouders uit tweeoudergezinnen met beide biologische ouders. Het lijkt dan ook aannemelijk dat een ontwikkeling richting meer eenouder- en stiefgezinnen in de toekomst een toename kan betekenen van het vóórkomen van problemen met de opvoeding. Dit kan vervolgens weer leiden tot een toenemend gebruik van voorzieningen voor opvoedingsondersteuning. Etniciteit, werk en opleidingsniveau Moeilijker is het een uitspraak te doen over de betekenis van het groeiend aantal ouders van niet-westerse afkomst in relatie tot het vóórkomen van opvoedproblemen en het gebruik van voorzieningen op dit terrein. Niet alleen omdat het in de toekomst voor een belangrijk deel om tweede generatie allochtone ouders zal gaan, terwijl Kinderen in Nederland en de interviews vrijwel uitsluitend eerste generatie allochtone ouders bevatten; de nu nog grootste groep allochtone ouders in Nederland. Ook omdat er meer sprake zal zijn van gemengde huwelijken, tussen partners van verschillende etniciteiten en/of verschillende migratiegeneraties. En omdat in de toekomst de groep niet-westers allochtone ouders steeds meer zal bestaan uit nieuwe allochtone groepen, die nu niet zijn onderzocht. De focus in deze studie ligt 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:32
120 120 5 Slotbeschouwing op de vier getalsmatig grootste groepen allochtone ouders Marokkaanse, Turkse, Surinaamse en Antilliaanse ouders die vaak al langer in Nederland wonen. Duidelijk is dat verschillen naar etniciteit worden gevonden in de beleving van de opvoeding, maar vooral ook in de mate waarin ouders anderen raadplegen als zij zorgen hebben. Zo blijken Marokkaanse, Turkse en Surinaamse/Antilliaanse ouders beduidend minder vaak advies te vragen aan anderen (dan hun eventuele partner) en hulp te zoeken als ze bezorgd zijn dan Nederlandse ouders. Dit terwijl met name de eerste twee groepen ouders de opvoeding beduidend zwaarder en meer belastend vinden dan de laatste groep, wat niet los gezien kan worden van de vaak moeilijkere sociaaleconomische positie waar zij mee te maken hebben. Het maakt in dit verband overigens wel uit of de moeder in het gezin werkt of niet. In niet-westerse gezinnen waar de moeder werkt wordt vaker hulp en advies gezocht bij zorgen omtrent de opvoeding dan in niet-westerse gezinnen waarvan de moeder niet werkt. Naar alle waarschijnlijkheid hangt dit onder meer samen met de grootte en gevarieerdheid van het sociale netwerk van deze ouders en mogelijk ook de grotere bekendheid met en het vertrouwen in het bestaande aanbod aan voorzieningen op het terrein van opvoedingsondersteuning. Het feit dat niet-westerse allochtone gezinnen met werkende moeders vaker hulp en advies zoeken als zij zorgen hebben over de opvoeding doet vermoeden dat een toename van het aantal werkende moeders in deze groep in de toekomst van invloed zou kunnen zijn op het gebruik van opvoedingsondersteuning, in de zin van een toename. In Nederlandse gezinnen maakt het al dan niet werken van moeders weinig verschil als het gaat om het gebruik van hulp en steun bij de opvoeding. Hier doet het opleidingsniveau van moeders er vooral toe, wat ook te maken heeft met het feit dat de variatie in opleidingsniveaus onder Nederlandse moeders momenteel groter is dan onder niet-westerse allochtone moeders, waarvan het merendeel laagopgeleid is. Mogelijk zal in de toekomst, als de variatie in opleidingsniveau onder allochtone vrouwen toeneemt en meer moeders uit deze groep gaan werken, in deze groep het opleidingniveau een belangrijkere voorspeller van zoeken van advies en hulp worden dan het al dan niet werken van moeders en wellicht ook de etnische achtergrond van de moeders. Met betrekking tot het vóórkomen van opvoedproblemen geldt voor Nederlandse laagopgeleide gezinnen wel dat het uitmaakt of de moeder in het gezin werkt of niet. In Nederlandse gezinnen met laagopgeleide moeders die werken doen zich minder opvoedproblemen voor dan in laagopgeleide gezinnen waar de moeder niet werkt. Het is niet uit te sluiten dat een toenemende arbeidsparticipatie van deze groep vrouwen in de toekomst ook van invloed kan zijn op het vóórkomen van opvoedproblemen (daling) en wellicht op termijn ook het voorzieningengebruik (stijging). 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:32
121 Opvoeding en opvoedings ondersteuning E-Quality 121 Opvoedvragen Wat voor vragen ouders in de toekomst zullen hebben omtrent de opvoeding is ongewis. Ouders zullen altijd vragen houden als het gaat om de algemene ontwikkeling en opvoeding van hun kind, dus rond zaken zoals omgaan met dwars gedrag, niet willen luisteren, verlegen zijn, angstig zijn. Kijken we naar de ontwikkelingen in gezinsvormen en samenstellingen dan zullen er naar verwachting meer ouders zijn met vragen rond specifieke kwesties, waaronder echtscheiding, het opvoeden binnen een stiefgezin en co-ouderschap. Zeker wanneer aanpassingen in het Rijksbeleid aan de orde komen, bijvoorbeeld in de vorm van een verplicht ouderschapsplan, moeten we rekening houden met een toename aan informatieen hulpvragen. Aangezien invoering van het co-ouderschap blijkt te hebben geleid tot meer conflicten tussen ex-partners en dergelijke conflicten schadelijk kunnen zijn voor het kind (Spruijt, 2007), zal een zeer zorgvuldige aanpak en ondersteuning nodig zijn, bij het invoeren van een dergelijke regeling. Daarnaast wordt op dit moment door veel ouders gewezen op de combinatie van arbeid en zorg. Het goed regelen van de zorg voor kinderen in combinatie met arbeid maar ook het omgaan met eventuele schuldgevoelens daaromtrent, zeker door ouders uit éénoudergezinnen, kunnen thema s zijn. Met de groeiende groepen ouders uit etnische minderheden en het vermoeden van een groeiend gebruik van professionele opvoedhulp door deze ouders ligt het eveneens in de lijn der verwachting dat thema s rond het opvoeden tussen culturen belangrijker zal gaan worden. 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:32
122 Gezinnen van de toekomst Epiloog 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:32
123 Opvoeding en opvoedings ondersteuning E-Quality 123 Epiloog In het project Gezinnen van de toekomst wordt inzicht gegeven in de ontwikkelingen die plaatsvinden in en tussen gezinnen. In dit themadeel zijn we ingegaan op de manier waarop ouders in diverse gezinstypen de opvoeding ervaren, welke trends en ontwikkelingen te verwachten zijn in de variatie aan gezinsvormen de komende jaren en vooral wat deze ontwikkelingen zouden kunnen betekenen voor de opvoeding en de behoefte aan en het gebruik van opvoedingsondersteuning. Uit de conclusies in het vorige hoofdstuk en diverse suggesties van de geïnterviewde ouders destilleren we enkele aanbevelingen voor het overheidsbeleid. Positieve communicatie Uit deze studie onder ouders van kinderen in de basisschoolleeftijd blijkt dat bijna elke ouder bij tijd en wijle twijfelt of zich zorgen maakt over (de opvoeding van) de kinderen: dit lijkt inherent aan het onderwerp. Het gaat vooral om vragen die wel vaker vóórkomen bij ouders van kinderen in deze leeftijd. Meestal zijn het lichte zorgen van tijdelijke aard. Er bestaat echter een negatief beeld van de opvoedingsvaardigheden van ouders, in de media, bij andere ouders en in sommige plannen en communicatie van de overheid. In de nota Gezinsbeleid uit 2006 wordt gesproken over een groeiende opvoedingsonzekerheid van ouders, zo zagen we in hoofdstuk 1 van dit rapport. Het programma Jeugd en Gezin (Ministerie van J&G, 2007) is weliswaar al positiever van toon, maar ook hier ligt de nadruk op de constatering dat ouders hulp nodig hebben bij het opvoeden. Kees de Hoog stelt bij zijn afscheid van Wageningen Universiteit het volgende: De overheid lijkt een negatief beeld te hebben van ouders en hun opvoedvaardigheid, hun probleemoplossend vermogen en de mate van actief hulp zoeken. In het algemeen kan worden gesteld dat het ouderschap wordt geproblematiseerd: de opvoedsituatie in Nederland anno 2007 wordt te negatief voorgesteld. Uit voorliggende studie blijkt dat ouders de kritiek uit hun omgeving weliswaar proberen te negeren, maar dat dit toch effect lijkt te hebben op de mate waarin ze zich willen bewijzen naar hun omgeving. Ook algemene berichten, de beeldvorming over opvoeders en richtlijnen over opvoeden worden soms als een extra druk ervaren. De landelijke en lokale overheden zouden in eerste instantie uit moeten gaan van de opvoedvaardigheid, de gemotiveerdheid en het eigen initiatief van ouders. De meeste ouders proberen erg goede opvoeders te zijn, zijn hier bewust mee bezig en vinden zelf de informatie of steun die ze nodig hebben. Als ouders meer ondersteuning willen krijgen, is dit in de vorm van laagdrempelig en deskundig advies. 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:33
124 124 Epiloog We pleiten dan ook voor een positieve toon in de communicatie door de overheid, een toon die aangeeft dat het ook voor goede opvoeders normaal is om af en toe vragen te hebben, dat ouders serieus worden genomen in hun rol als opvoeder en dat ze ondersteuning kunnen krijgen als ze die nodig hebben. Dit zal een prettiger opvoedklimaat scheppen, zodat ouders naast de hoge eisen die zij zichzelf al stellen, niet ook nog zware druk ervaren vanuit de maatschappij. Behoefte aan opvoedingsondersteuning in de toekomst Op basis van het onderzoek kunnen we aannemen dat ouders ook in de toekomst behoefte zullen hebben aan laagdrempelige ondersteuning bij de opvoeding. Maar het is vanzelfsprekend moeilijk te voorspellen hoeveel ouders in de toekomst gebruik zullen maken van opvoedingsondersteuning en welke vragen ze zullen hebben. Wel kunnen we enkele factoren benoemen die hier op van invloed zullen zijn. In hoofdstuk 2 bleek al dat het aantal gezinnen (in de definitie van situaties waarin kinderen opgevoed worden) groter is dan uit de beschikbare cijfers blijkt. De cijfers gaan immers uit van het adres waar het kind is ingeschreven. Ouders waarvan de kinderen officieel bij de ex-partner staan ingeschreven, spelen vaak wel degelijk een rol in de opvoeding, door co-ouderschap of een beperktere omgangsregeling ( weekend-ouderschap of parttime-ouderschap ). Deze ouders zonder officieel inwonende kinderen kunnen ook wel degelijk behoefte hebben aan en gebruik maken van opvoedingsondersteuning. Wanneer op lokaal niveau de kwantitatieve behoefte aan opvoedingsondersteuning in kaart gebracht wordt, voldoet het dus niet om het aantal geregistreerde gezinnen in de gemeentelijke basisadministratie (GBA) als basis te nemen. Het aanbod aan opvoedingsondersteuning moet voldoende omvangrijk, maar ook uitnodigend zijn om ook co-ouders en weekendouders, die niet als gezin geregistreerd staan, maar wel een rol spelen in de opvoeding, te kunnen bedienen. Een onderwerp dat ook in de toekomst veel ouders bezig zal houden, is het opvoeden in meerdere culturen, zij het met andere accenten dan nu. In dit onderzoek hebben we vooral gekeken naar de eerste generatie migranten uit Suriname, de Antillen en Aruba, Turkije en Marokko. In de toekomst zal de groep niet-westers allochtone ouders echter steeds meer bestaan uit nieuwe allochtone groepen, die nu niet zijn onderzocht, maar waarvan verwacht kan worden dat zij ook vragen hebben over het opvoeden tussen meerdere culturen (Pels, 2005; Nieuwhof, 2004). En over enkele jaren zal een deel van de allochtone kinderen de derde generatie vormen: hun 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:33
125 Opvoeding en opvoedings ondersteuning E-Quality 125 ouders zijn hier geboren. Deze kinderen worden niet als allochtoon geregistreerd, maar kunnen nog wel tegen specifieke problemen aanlopen, zoals bijvoorbeeld blijkt uit het opleidingsniveau van de derde generatie Molukse jongeren (Straver, 2005). Dergelijke vragen zullen zich ook voordoen in gezinnen met meerdere etniciteiten -gemengde huwelijken- en mogelijk binnen autochtone gezinnen, die immers ook te maken krijgen met andere etnische groepen in de samenleving. Het opvoeden in meerdere culturen zal voor veel ouders een bron van vragen zijn. Opvoedingsondersteuning zal hier op in moeten spelen, waarbij aandacht besteed wordt aan verschillen tussen migratiegeneraties en tussen (oude en nieuwe) etnische minderheidsgroepen. Gewenste vormen van ondersteuning bij de opvoeding In de interviews hebben ouders aan kunnen geven welke ondersteuning ze zouden willen krijgen, bij het opvoeden van hun kinderen. De vormen die bij ouders het meest lijken aan te spreken zijn laagdrempelige vormen, zoals internet, andere ouders en fysieke informatiepunten. In deze studie, vooral in de interviews, kwam het gebruik van internet naar voren als informatiebron en mogelijkheid om ervaringen uit te wisselen. Uit onderzoek van het SCP (Duimel, 2007) blijkt dat steeds meer ouders internet gebruiken. steeds meer ouders hun weg vinden op internet en hier informatie over opvoeden en uitwisseling van ervaringen met andere ouders zoeken. Virtuele informatiepunten zijn zeker voor werkende ouders een uitkomst. We moeten er echter niet van uit gaan dat alle ouders van deze vorm gebruik willen en kunnen maken, in de toekomst. Ouders blijken het prettig te vinden om ervaringen uit te wisselen met andere ouders. Behalve via internetfora kan deze ondersteuning in de vorm van praatgroepen op diverse plaatsen aangeboden worden. Bij voorkeur op locaties waar ouders makkelijk binnen stappen, zoals een school, buurthuis of bibliotheek. Centra voor Jeugd en Gezin zouden hier een ondersteunende rol in kunnen spelen. Ook noemen ouders de behoefte aan een centraal punt waar zij met elke vraag over de opvoeding naar binnen kunnen stappen, dus ook met specifieke opvoedvragen die samenhangen met de gezinssituatie. Gescheiden ouders geven bijvoorbeeld aan dat ze ten tijde van de scheiding behoefte hadden aan algemene en soms emotionele ondersteuning. Te denken valt aan overzichtelijke, praktische informatie zoals adressen en telefoonnummers van instanties en een centraal punt waar ouders met 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:33
126 126 Epiloog alle vragen omtrent de scheiding terecht kunnen. Ook in het algemeen geven ouders vaak aan dat zij in principe niet echt ergens terecht kunnen voor vragen over hun kind in de basisschoolleeftijd. Ze komen dan al gauw bij de huisarts of de school terecht of stellen hun vraag op het consultatiebureau wanneer zij daar voor hun jongere kind langskomen. Centra voor jeugd en gezin zullen deze functie kunnen vervullen. Vormen van opvoedingsondersteuning die goed aansluiten bij de wensen van ouders zijn: Informatiesites en uitwisseling via fora op internet Het uitwisselen van ervaringen met andere ouders, bijvoorbeeld via praat groepen in de buurt Laagdrempelige informatiepunten Deze centra zullen vooral aan de behoefte van ouders kunnen voldoen wanneer de hulp laagdrempelig is. Ouders willen niet teveel bemoeienis vanuit de overheid wat betreft de opvoeding, zo blijkt uit de interviews. Maar ze willen wel makkelijker ergens naar toe kunnen stappen als ze zelf behoefte hebben aan meer informatie of steun in de opvoeding, vooral voor dagelijkse, kleine problemen in de opvoeding. Van belang is dat ouders tijdelijk advies krijgen. Registratie van hun vragen of problemen zou er toe kunnen leiden dat ze op een later moment ongewenst worden geconfronteerd met vragen die in het verleden speelden. Goede voorlichting aan ouders over deze registraties en het gebruik ervan is een manier om te voorkomen dat dit voor ouders een drempel vormt om informatie te zoeken. Zo zou bijvoorbeeld bij elk contact het dossier ter inzage gegeven kunnen worden. Om aan de behoefte aan laagdrempelige ondersteuning tegemoet te komen, zullen de centra voor jeugd en gezin informatie moeten bieden bij de dagelijkse, tijdelijke vragen en zorgen van ouders. Daarnaast is het voor ouders belangrijk dat ze serieus genomen worden in hun rol van opvoeder en in hun observaties. Enkele ouders in het onderzoek geven aan dat ze het niet met de deskundigen eens waren over de diagnose van de bij hun kind gesignaleerde problemen. Het probleem dat ze signaleerden werd gebagatelliseerd of de professional signaleerde een probleem dat de ouders niet als zodanig erkenden. Dit zou een extra obstakel kunnen vormen bij het zoeken van hulp, zeker wanneer de diagnose waar ze het niet mee eens zijn wel geregistreerd wordt. Vanuit het perspectief van de ouders luisterden deze deskundigen onvoldoende goed naar hen. In dit onderzoek is het perspectief van de betreffende deskundigen 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:33
127 Opvoeding en opvoedings ondersteuning E-Quality 127 niet belicht, we kunnen dus constateren dat er in de communicatie verbetering mogelijk is, maar we kunnen niet beoordelen aan welke zijde die verbetering nodig is. Verdere studie naar communicatieprocessen tussen ouders en professionals verdient dan ook aanbeveling. Als hier uit blijkt dat professionals van hun kant deze communicatie kunnen verbeteren, is het nuttig om in opleidingen en nascholingen van professionals aandacht te besteden aan de communicatie met ouders. De communicatie tussen professionals en ouders, over de gesignaleerde problemen, de gestelde diagnoses en de eventueel geregistreerde gegevens dient voortdurend aandacht te krijgen. Gerichte hulp voor kleine groep met specifieke problemen Naast laagdrempelige, incidentele hulp en informatie voor alle ouders, is er specifieke hulp nodig voor een kleine groep ouders die er niet zelf uitkomt, passiever is in het zoeken naar hulp en/of teveel andere problemen heeft waardoor de opvoeding minder aandacht krijgt en wellicht negatief uitpakt voor de kinderen. Deze ouders zijn bijvoorbeeld door financiële of psychische omstandigheden, opvoedingsonmacht of andere factoren tijdelijk of langdurig niet in staat tot een constructieve aanpak van de opvoeding. Zij dienen actief de benodigde hulp en ondersteuning aangeboden te krijgen. Belangrijk hierbij is opnieuw dat hulp toegankelijk is, toegespitst op de specifieke gezinssituatie en dat ook deze ouders serieus genomen worden in hun rol als opvoeder. Tot slot blijkt uit de praktijk dat sommige ouders niet coöperatief zijn als het gaat om hulpverlening aan het gezin en/of het kind. Voor deze zorgmijders is vanzelfsprekend een heel specifieke, corrigerende aanpak nodig. Meer aandacht voor diversiteit in gezinnen In dit onderzoek is van de drie meest voorkomende gezinstypen beschreven hoe zij de opvoeding ervaren en aanpakken en hebben we dus een globaal beeld gekregen van hoe ouders in verschillende gezinstypen en met verschillende etnische achtergronden de opvoeding beleven en waardoor die beleving beïnvloed wordt. Een specifiek punt waar het onderzoek zich niet direct op richtte, maar dat in de resultaten wel naar voren kwam, is het verschil in opvoedstijlen en rollen tussen vaders en moeders, tussen biologische en stiefouders en tussen ouders uit verschillende etnische groepen. In dit onderzoek is vanuit de onderzoeksvragen niet het accent gelegd op deze verschillen - het accent lag immers op de diverse gezinstypen - maar deze punten komen regelmatig naar voren. Wanneer de vader voorheen de regels en grenzen stelde, kan een echtscheiding betekenen dat de 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:33
128 128 Epiloog moeder deze rol van de vader op zich moet nemen. Vooral voor alleenstaande moeders blijkt het stellen van regels en grenzen een lastig punt te zijn. In meerdere, vooral kwalitatieve en oudere kwantitatieve onderzoeken komen verschillen tussen vaders en moeders naar voren, als het gaat om de opvoeding van kinderen. (bijvoorbeeld Pels, 1998, Nijsten,1998; Distelbrink, 2000; Gerrits, Dekovic, Groenendaal en Noom, 1996; Dekovic, Groenendaal en Gerris, 1996) En in enkele studies wordt specifiek ingegaan op de rol van de vader (Duyndam, 1997; Distelbrink, Geense en Pels, 2005). Tevens zijn er wel verschillen geconstateerd tussen de opvoeding van jongens en meisjes en de beleving van de opvoeding door ouders (bijvoorbeeld in Zeijl et al, 2005). Er is echter geen recente kwantitatieve informatie voorhanden over het aspect van gender als invloed op de opvoeding. Ditzelfde geldt voor de invloed van de stiefrelatie. Door stiefgezinnen in dit onderzoek wordt bijvoorbeeld aangegeven dat de stiefouder niet de volledige rol van opvoeder op zich neemt. De biologische ouder is vaker degene is die de regels in grote lijnen bepaalt. De regels worden wel door de ouders samen besproken, maar het is meestal de biologische ouder die de kinderen ergens op aanspreekt wanneer dit nodig is. Behalve dat we weten dat moeders vaker een ondersteunende en autoritatieve rol vervullen en vaders vaker een autoritair- controlerende rol (Gerrits, Dekovic, Groenendaal & Noom, 1996; Bosman, 1995b), is er echter te weinig zicht op de verschillende opvoedrollen van vaders, moeders en stiefouders voor en na een echtscheiding. Etniciteit is een ander aspect dat van invloed kan zijn op de opvoedingsstijl en de rollen van ouders, zoals we in het vorige hoofdstuk al benoemden. Inzicht in deze aspecten kan het aanbod aan opvoedingsondersteuning inhoudelijk versterken en beter laten aansluiten bij de behoeften van ouders. Behalve de opvoedstijl hebben we een ander verschil geconstateerd tussen vaders en moeders en tussen ouders met diverse etniciteiten, namelijk in de mate waarin men gebruik maakt van opvoedingsondersteuning. Als vooral hoogopgeleide, autochtone moeders uit zichzelf ondersteuning zoeken, is een actieve aanpak nodig om ook andere ouders evenredig te bereiken. Daarbij zou een intersectionele aanpak wenselijk zijn, zodat niet alleen gekeken wordt naar de wensen van bijvoorbeeld Marokkaanse ouders, maar specifiek naar Marokkaanse moeders èn Marokkaanse vaders. Niet alleen naar de wensen van Antilliaanse ouders, maar naar Antilliaanse moeders èn Antilliaanse vaders. Door inzicht te krijgen in de verschillen en overeenkomsten tussen etnische groepen en daarbinnen tussen vaders en moeders, kan beter worden aangesloten bij specifieke wensen van groepen ouders. Op deze manier wordt enerzijds een bijdrage geleverd aan de opvoeding binnen 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:33
129 Opvoeding en opvoedings ondersteuning E-Quality 129 deze gezinnen, maar ook voor andere gezinnen kan hiermee het opvoeden in een multiculturele samenleving ondersteund worden. Meer inzicht is nodig in de invloed van gender en etniciteit op de opvoeding, vooral in de combinatie van deze factoren. E-Quality pleit voor een intersectionele aanpak van het onderzoek naar en de uitvoering van ondersteuning bij de opvoeding. 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:33
130 Gezinnen van de toekomst bijlage 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:33
131 Opvoeding en opvoedings ondersteuning E-Quality 131 Bijlage Beschrijving onderzoeksgroep geïnterviewde ouders In deze studie wordt onderscheid gemaakt naar drie gezinstypen. De interviews zijn tevens gericht op de onderstaande drie gezinstypen, te weten: biologisch tweeoudergezin stiefgezin eenoudergezin In elk gezin heeft één van de ouders, meestal de moeder, de vragenlijst ingevuld en is vervolgens geïnterviewd. Daarbij is steeds één kind uit het gezin geselecteerd als onderwerp van gesprek: het zogenoemde doelkind. De uiteindelijke onderzoeksgroep bestaat uit 47 respondenten: 24 ouders uit biologische tweeoudergezinnen, 11 uit stiefgezinnen en 12 uit eenoudergezinnen. Alle respondenten zijn vrouw. De gemiddelde leeftijd van de respondenten is 38 jaar met een minimum van 24 en een maximum van 47 jaar. Van de respondenten met een partner, is de leeftijd van de partner tussen de 32 en 56 jaar. De gemiddelde leeftijd van de 47 doelkinderen is 8 jaar (minimum: 4,maximum 12 jaar). Deze groep bestaat uit 24 jongens en 23 meisjes. Gezinnen met twee kinderen komen het meeste voor, gevolgd door gezinnen met één kind. Gezinssituatie Van de 47 respondenten hebben 38 ondervraagden een partner. Van de 12 respondenten die in dit onderzoek tot een eenoudergezin behoren, hebben drie alleenstaande moeders een nieuwe partner. Deze huidige partner woont echter niet bij de moeder en kind(eren) in huis. De meest voorkomende manier waarop de alleenstaande ouders een eenoudergezin geworden zijn, is door echtscheiding. Twee ouders zijn bewust alleenstaand. 12 van de 36 ouders met een inwonende partner hebben ook kinderen uit een eerdere relatie: alle ouders uit de stiefgezinnen hebben zelf een kind van een eerdere partner. Zeven respondenten uit deze groep hebben ook stiefkinderen. De overige ouder met kinderen uit een eerdere relatie, is een ouder uit een kostwinnersgezin. Deze kinderen wonen echter niet meer in huis. Alle respondenten uit de eenouder- en stiefgezinnen leven tenminste twee jaar in deze gezinssituatie. Een moeder uit een kostwinnersgezin heeft ook kinderen uit een eerdere relatie, maar deze kinderen wonen niet meer thuis. De meeste moeders hebben nog wel contact met de biologische ouder van hun kind, maar over daadwerkelijk delen van 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:33
132 132 Bijlage de opvoeding is minder sprake. Tot slot is er een gezin met een pleegkind, naast enkele biologische kinderen. Opleidingsniveau Het opleidingsniveau van de respondenten varieert van lagere school tot universitaire opleiding. In tabel 1. is het opleidingsniveau van de respondenten uitgesplitst naar gezinstype. Van de partners is het overgrote deel (meer dan de helft) hoogopgeleid. De rest heeft een lage of middelbare opleiding. Tabel 1 Opleidingsniveau van de respondenten per gezinstype (N= 47) Gezinstype Opleidingsniveau Laag Middelbaar Hoog Biologische tweeoudergezin Stiefgezin Eenoudergezin Totaal Noot: laag= lagere school, LBO, Mavo; middelbaar= Havo, Atheneum, Gymnasium, MBO; hoog= HBO, universiteit. Werksituatie Het merendeel van de onderzochte groep heeft momenteel een betaalde baan (bijna driekwart), variërend van 4 tot 40 uur, met een gemiddelde van 23 uur per week. Het grootste gedeelte van de werkende respondenten werkt 4 dagen in de week. Alle partners hebben momenteel een betaalde baan, met een werkweek variërend van 24 tot 60 uur. Bijna tweevijfde van alle respondenten doet op dit moment vrijwilligerswerk. Dit geldt voor zowel de respondenten met als zonder een betaalde baan. Het gemiddelde netto gezinsinkomen ligt rond 2050 euro per maand (minimum: , maximum: >3200). Etniciteit Bijna driekwart van de respondenten heeft een Nederlandse etniciteit. De overige 13 respondenten zijn afkomstig uit andere landen en vallen onder de niet-westers en westers allochtonen (zie tabel 2.). De etniciteit van de partners komt grotendeels overeen met die van de respondenten. Zo hebben respondenten met een Nederlandse etniciteit een Nederlandse (en soms westers allochtone) partner en hebben Turkse en Marokkaanse respondenten eveneens een partner met dezelfde etniciteit als zijzelf. 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:33
133 Opvoeding en opvoedings ondersteuning E-Quality 133 Tabel 2 Etniciteit van de respondenten per gezinstype (N= 47) Gezinstype Etniciteit Nederlands Niet-Westers Westers Biologisch tweeoudergezin Stiefgezin Eenoudergezin Totaal Noot: niet-westers = Turks, Marokkaans, Surinaams of Antilliaans, westers= Duits, Indonesisch of Zwitsers 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:33
134 Gezinnen van de toekomst Literatuur 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:33
135 Opvoeding en opvoedings ondersteuning E-Quality 135 Literatuur Alders, M. (2004). Demografie van gezinnen. Bevolkingstrends, 4e kwartaal 2004 vol ( ), CBS. Bertrand, R.M., Hermanns, J. & Leseman, P.P.M. (1998). Behoefte aan opvoedingsondersteuning in Nederlandse, Marokkaanse en Turkse gezinnen met kinderen van 0-6 jaar. Nederlandse Tijdschrift voor opvoeding, vorming en onderwijs, 14 (1), Boekhoorn, P. & De Jong, T. (2008). Gezinnen van de toekomst: Cijfers en trends. Den Haag: E-Quality. Bosman, R. (1995a). Opvoeding en opvoedingsproblemen in moedergezinnen. Nederlandse Tijdschrift voor opvoeding, vorming en onderwijs, 11 (5), Bosman, R. (1995b). Opvoeden, dat dóe je niet alleen. In: J. Doornenbal en E. Singer, Beste Ouders: over het opvoeden van schoolkinderen in deze tijd (pp ). Utrecht: Kosmos. Coalitieakkoord CDA. PvdA en ChristenUnie (2007). Samen werken, samen leven. Colpin, H. (2001). Opvoedingsondersteuning voor ouders (deel 1). Deković, M., Groenendaal, J.H.A., Noom, M.J. & Gerrits, L.A.W. (1996). Theoretisch kader en opzet van het onderzoek. In J. Rispens, J.M.A. Hermanns & W.H.J. Meeus (red.), Opvoeden in Nederland (pp ). Assen: Van Gorcum. Deković, M., Groenendaal, J.H.A. & Gerrits, L.A.W. (1996). Opvoederkenmerken. In J. Rispens, J.M.A. Hermanns & W.H.J. Meeus (red.), Opvoeden in Nederland (pp ). Assen: Van Gorcum. Dieleman, A. J. & Van der lans, J. (1997). Heft in eigen handen. Zelfsturing en sociale betrokkenheid bij jongeren. Assen: Van Gorcum. Distelbrink, M. (1998). Opvoeding in Surinaams-Creoolse gezinnen in Nederland: een eigen koers. Assen: Van Gorcum. Distelbrink, M., Lucassen, N. & Hooghiemstra, E. (2005). Gezin Anno Nu. Werkdocument 9. Den Haag: NGR/RMO. Distelbrink, M., & Hooghiemstra, E. (2006). Demografie. In: S. Keuzekamp en A. Merens, Sociale atlas van vrouwen uit etnische minderheden. Den Haag: SCP. Doornenbal, J. (1997). De ervaren opvoedingsonzekerheid van moeders en vaders. Comenius, 17, Du Bois-Reymond, M. (1997). Een theoretisch-empirische beschouwing. In: Grotenhuis, S. J. van de Zwaard (1997) Kiezen voor kinderen. Utrecht: Elsevier/ De Tijdstroom/ NGR Duimel, M., J. de Haan (2007). Nieuwe links in het gezin. Den Haag: SCP. Garssen, J. & Harmsen, C. (2005). Tienermoeders vaak langdurig alleenstaand. CBS-webmagazine, september CBS, Voorburg/ Heerlen. 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:33
136 136 Literatuur Gerrits, L.A.W., Deković, M., Groenendaal, J.H.A., & Noom, M.J. (1996). Opvoedingsgedrag. In J. Rispens, J.M.A. Hermanns & W.H.J. Meeus (red.), Opvoeden in Nederland (pp ). Assen: Van Gorcum. Graaf, A. de (2001). Hoe kinderen het gezin ervaren. In: J. Garssen, J. de Beer, P. Cuyvers en A. de Jong (red). Samenleven. Nieuwe feiten over relaties en gezinnen. p Voorburg/Heerlen: CBS. Graaf, A. de, (2005). Scheiden: motieven, verhuisgedrag en aard van de contacten. In: Bevolkingstrends 53 (4). Voorburg; CBS. Haaf, P.J.G. ten, (1993). Opvoedingsdimensies: convergente en discriminante validiteit. Nijmegen: Academisch proefschrift Universiteit Nijmegen. Hermanns, J. (1998). Family risks and family support: An analysis of concepts. In: J. Hermanns & H.R. Leu (1998a). Family risks and family support: Theory, research, and practice in Germany and the Netherlands (pp. 9-37). Delft: Eburon. Hermanns, J. (2001a). Alle opvoeders in therapie? In Hermanns, J. (2001b). Kijken naar opvoeding. Opstellen over jeugd, jeugdbeleid en jeugdzorg. Amsterdam: SWP. Hermanns, J.M.A., & Vergeer, M.M. (1996). Opvoeding en opvoedingsondersteuning. In J. Rispens, J.M.A. Hermanns & W.H.J. Meeus (red.), Opvoeden in Nederland (pp ).Assen: Van Gorcum. Heyting, F. (1997). Het vanzelfsprekende en het discutabele. Amsterdam: SWP. Van Hoorn, W., Van Huis, M., Keij, I., & de Jong, A. ( 2001), Nog steeds liever samen. In: J.Garssen, J. de Beer, P.Cuyvers en A. de Jong, Samenleven. Nieuwe feiten over relaties en gezinnen. Voorburg/Heerlen: CBS. Hoog, C. de (2003). Opgaan, blinken, verzinken en uit de as herrijzen. Gezinnen, gezinssociologie en gezinsbeleid , oratie, Universiteit Wageningen. Hoog, C. de (2007), Is het gezin op weg naar het einde? Afscheidsrede uitgesproken op 18 oktober 2007 uitgesproken in de Aula van de Wageningen Universiteit. Jeugd en Gezin (2007). Alle kansen voor alle kinderen. Programma voor Jeugd en Gezin Den Haag: VWS. Nijsten, C. (1998). Opvoeding in Turkse gezinnen. Assen: Van Gorcum. Pas, A. van der, (2005). Eert uw vaders en uw moeders: opvoedproblemen nader verklaard. Handboek methodische ouderbegeleiding 3. Amsterdam: SWP. Pels, T. (1998). Opvoeding in Marokkaanse gezinnen: de creatie van een nieuw bestaan. Assen: Van Gorcum. Portegijs, W., B. Hermans, V. Lalta (2006). Emancipatiemonitor Den Haag: SCP. Raad voor het Jeugdbeleid. (1986). Opvoeding ondersteund. Beleidsadvies over de maatschappelijke medeverantwoordelijkheid voor jonge kinderen. Rijswijk: Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur. Rispens, J., Hermanns, J. & Meeus, W. (1996). Opvoeden in Nederland. Assen: Van Gorcum. 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:33
137 Opvoeding en opvoedings ondersteuning E-Quality 137 Spruijt, E., Kormos, H., Burggraaf, C., & Steenweg, A. (2002). Het verdeelde kind: literatuuronderzoek omgang na scheiding. Utrecht: Raad voor de Kinderbescherming. Spruijt, E. (2007). Scheidingskinderen: overzicht van recent sociaal-wetenschappelijk onderzoek naar de gevolgen van ouderlijke scheiding voor kinderen en jongeren. Amsterdam: SWP. Singer, E. (1991). Opvoedingsonzekerheid en opvoedingswetenschap. In. J.R.M. Gerris (Ed). Ouderschap en ouderlijk functioneren. p Amsterdam/Lisse: Swets & Zeitlinger. Steenhof, L. (2007). Schatting van het aantal stiefgezinnen. In: Bevolkingstrends, 4e kwartaal Voorburg: CBS. Straver, H. (2005), Oog voor Molukse leerlingen: pleidooi voor verbetering van de onderwijspositie van Molukkers. Utrecht: LSEM. Verenigde Naties (1989) Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK). New York. Hermanns, J.M.A. & Vergeer, M.M. (2002). Opvoedingsondersteuning en ontwikkelingsstimulering in de Nederlandse gemeenten. Stand van zaken Amsterdam: SCO Kohnstamm Instituut. NIZW/NJI.(2006). Ouders en hun behoeften aan opvoedingsondersteuning. Factsheet. Utrecht: NIZW Jeugd. Valk, J. van der (2007). Moeders werken niet vaak in voltijd. CBS Webmagazine 15 januari VWS (1996). Notitie Gezin. De maatschappelijke positie van het gezin. Rijswijk: VWS. VWS (2006). Nota Gezinsbeleid. Den Haag: VWS. Weerd, M. de & Krooneman, P. (2004). Opvoed-, opgroei- en gezinsondersteuning in gemeenten. Amsterdam: Regioplan. Wubs. J. & Bakker, N. (2004). Democratisering van het ouderschap? De goede opvoeding in tijden van pedagogisering en individualisering. Vernieuwing, 63(1), 6-8. IJzendoorn, R. van, De nationale prevalentiestudie mishandeling van kinderen en jeugdigen (NMP-2005) Leiden: Cashmir publishers, Universiteit Leiden, Fac. Sociale wetenschappen, Algemene en Gezinspedagogiek Datatheorie, WODC Zeijl, E., Crone, M., Wiefferink, K., Keuzenkamp, S. & Reijneveld, M. (2005). Kinderen in Nederland. Den Haag: SCP. 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:34
138 138 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:34
139 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:34 139
140 140 08#028 EQ Gezinnen vd Toekomst B_5.indd :23:34
Sterke toename alleenstaande moeders onder allochtonen
Carel Harmsen en Joop Garssen Terwijl het aantal huishoudens met kinderen in de afgelopen vijf jaar vrijwel constant bleef, is het aantal eenouderhuishoudens sterk toegenomen. Vooral onder Turken en Marokkanen
Artikelen. Een terugblik op het ouderlijk gezin. Arie de Graaf
Artikelen Een terugblik op het ouderlijk gezin Arie de Graaf Driekwart van de kinderen die in de jaren zeventig zijn geboren, is opgegroeid bij twee ouders. Een op de zeven heeft een scheiding van de ouders
Huishoudensprognose : belangrijkste uitkomsten
Huishoudensprognose 26 2: belangrijkste uitkomsten Elma van Agtmaal-Wobma en Coen van Duin Het aantal huishoudens blijft de komende decennia toenemen, van 7,2 miljoen in 26 tot 8,1 miljoen in 23. Daarna
Artikelen. Huishoudensprognose : belangrijkste uitkomsten. Maarten Alders en Han Nicolaas
Artikelen Huishoudensprognose 2 25: belangrijkste uitkomsten Maarten Alders en Han Nicolaas Het aantal huishoudens neemt de komende jaren toe, van 7,1 miljoen in 25 tot 8,1 miljoen in 25. Dit blijkt uit
Uit huis gaan van jongeren
Arie de Graaf en Suzanne Loozen Jaarlijks verlaten bijna een kwart miljoen jongeren het ouderlijk huis. Een klein deel van hen is al vóór de achttiende verjaardag uit huis gegaan. De meeste jongeren gaan
8. Werken en werkloos zijn
8. Werken en werkloos zijn In 22 is de arbeidsdeelname van allochtonen niet meer verder gestegen. Onder autochtonen is het aantal personen met werk nog wel licht toegenomen. De arbeidsdeelname onder Surinamers,
Arbeidsdeelname van paren
Arbeidsdeelname van paren Johan van der Valk De combinatie van een voltijdbaan met een is het meest populair bij paren, met name bij paren boven de dertig. Ruim 4 procent van de paren combineerde in 24
Alleenstaande moeders op de arbeidsmarkt
s op de arbeidsmarkt Moniek Coumans De arbeidsdeelname van alleenstaande moeders is lager dan die van moeders met een partner. Dit verschil hangt voor een belangrijk deel samen met een oververtegenwoordiging
Nog steeds liever samen
Nog steeds liever samen Steeds meer alleenstaanden 20 procent van de bevolking van 15 jaar of ouder alleenstaand Momenteel zijn er 486 duizend eenoudergezinnen 16 Trouwen niet uit de gratie Ongeveer drie
Veranderingen in arbeidsparticipatie van gescheiden moeders
Veranderingen in arbeidsparticipatie van gescheiden moeders Suzanne Peek Gescheiden moeders stoppen twee keer zo vaak met werken dan niet gescheiden moeders. Ook beginnen ze vaker met werken. Wanneer er
Niet-westerse allochtonen behoren minder vaak tot de werkzame beroepsbevolking 1) Arbeidsdeelname niet-westerse allochtonen gedaald
7. Vaker werkloos In is de arbeidsdeelname van niet-westerse allochtonen gedaald. De arbeidsdeelname onder rs is relatief hoog, zes van de tien hebben een baan. Daarentegen werkten in slechts vier van
Allochtonen op de arbeidsmarkt 2009-2010
FORUM Maart Monitor Allochtonen op de arbeidsmarkt 9-8e monitor: effecten van de economische crisis In steeg de totale werkloosheid in Nederland met % naar 26 duizend personen. Het werkloosheidspercentage
Vrouwen op de arbeidsmarkt
op de arbeidsmarkt Johan van der Valk Annemarie Boelens De arbeidsdeelname van vrouwen lag in 23 op 55 procent. De arbeidsdeelname van vrouwen stijgt al jaren. Deze toename komt de laatste jaren bijna
Factsheet Behoefte aan opvoedingsondersteuning
Factsheet Behoefte aan opvoedingsondersteuning AANLEIDING Op dit moment wordt overal in het land hard gewerkt aan de Centra voor Jeugd en Gezin. Volgens planning moeten er in 2009 zo n 80 gemeenten starten
Levensfasen van kinderen en het arbeidspatroon van ouders
Levensfasen van kinderen en het arbeidspatroon van ouders Martine Mol De geboorte van een heeft grote invloed op het arbeidspatroon van de vrouw. Veel vrouwen gaan na de geboorte van het minder werken.
Cohortvruchtbaarheid van niet-westers allochtone vrouwen
Cohortvruchtbaarheid van niet-westers allochtone vrouwen Mila van Huis De vruchtbaarheid van vrouwen van niet-westerse herkomst blijft convergeren naar het niveau van autochtone vrouwen. Het kindertal
Gebruik van kinderopvang
Gebruik van kinderopvang Saskia te Riele In zes van de tien gezinnen met kinderen onder de twaalf jaar hebben de ouders hun werk en de zorg voor hun kinderen zodanig georganiseerd dat er geen gebruik hoeft
Ouders op de arbeidsmarkt
Ouders op de arbeidsmarkt Ingrid Beckers en Johan van der Valk De bruto arbeidsparticipatie van alleenstaande s is sinds 1996 sterk toegenomen. Wel is de arbeidsparticipatie van paren nog steeds een stuk
fluchskrift Vergrijzing in Fryslân neemt toe Aantal senioren sterk gestegen Aantal 65-plussers in Fryslân, /2012
Vergrijzing in Fryslân fluchskrift Vergrijzing in Fryslân neemt toe In Fryslân wonen op 1 januari 2011 647.282 inwoners. De Friese bevolking groeit nog jaarlijks. Sinds 2000 is het aantal inwoners toegenomen
FORUM Monitor Allochtonen op de arbeidsmarkt: effecten van de economische crisis 2 e kwartaal 2009
FORUM Monitor Allochtonen op de arbeidsmarkt: effecten van de economische crisis 2 e kwartaal 29 Groei van werkloosheid onder zet door! In het 2 e kwartaal van 29 groeide de werkloosheid onder (niet-westers)
Ontwikkelingen van gezinsdiversiteit in Nederland. KNAW-seminar Wie is de familie doorsnee? 10 september Ruben van Gaalen
Ontwikkelingen van gezinsdiversiteit in Nederland KNAW-seminar Wie is de familie doorsnee? 10 september 2015 Ruben van Gaalen Vooraf (1) Wat is een gezin? Definitie Rijksoverheid (1996) Elk leefverband
Demografische levensloop van jongeren na het uit huis gaan
Carel Harmsen en Liesbeth Steenhof In dit artikel wordt de levensloop gevolgd van jongeren die in 1995 het ouderlijk huis hebben verlaten. Hierbij wordt ook aandacht besteed aan de verschillen tussen herkomstgroeperingen.
Artikelen. Arbeidsparticipatie van vrouwen: een vergelijking naar opleidingsniveau, leeftijd en herkomst
Artikelen Arbeidsparticipatie van vrouwen: een vergelijking naar opleidingsniveau, leeftijd en herkomst Martijn Souren en Jannes de Vries Onder laagopgeleide vrouwen is de bruto arbeidsparticipatie aanzienlijk
Centraal Bureau voor de Statistiek. Persbericht. Werkloosheid niet-westerse allochtonen nauwelijks toegenomen in 2005
Centraal Bureau voor de Statistiek Persbericht PB06-015 13 februari 2006 9.30 uur Werkloosheid niet-westerse allochtonen nauwelijks toegenomen in 2005 In 2005 is de werkloosheid onder niet-westerse allochtonen
Steeds meer niet-westerse allochtonen in het voltijd hoger onderwijs
Steeds meer niet-westerse allochtonen in het voltijd hoger onderwijs Esther van Kralingen Tussen studiejaar 1995/ 96 en 21/ 2 is het aandeel van de niet-westerse allochtonen dat in het hoger onderwijs
7. Deelname en slagen in het hoger onderwijs
7. Deelname en slagen in het hoger onderwijs Vergeleken met autochtonen is de participatie in het hoger onderwijs van niet-westerse allochtonen ruim twee keer zo laag. Tussen studiejaar 1995/ 96 en 21/
Wonen zonder partner. Arie de Graaf en Suzanne Loozen
Arie de Graaf en Suzanne Loozen In 25 telde Nederland 4,2 miljoen personen van 18 jaar of ouder die zonder partner woonden. Eén op de drie volwassenen woont dus niet samen met een partner. Tussen 1995
Kinderen in Nederland - Bijlage B Respons, representativiteit en weging
Kinderen in Nederland - Bijlage B Respons, representativiteit en weging Respons thuiszorgorganisaties en GGD en In deden er tien thuiszorgorganisaties mee aan het, verspreid over heel Nederland. Uit de
Mannen en vrouwen in Nederland
en vrouwen in Nederland Elma Wobma Ondanks de voortdurend veranderende samenstelling van de Nederlandse bevolking en huishoudens zijn vrouwen in de hoogste leeftijdsgroepen nog steeds fors oververtegenwoordigd.
2. De niet-westerse derde generatie
2. De niet-westerse derde generatie Op 1 januari 23 woonden in Nederland tussen de 34 duizend en 36 duizend personen met ten minste één grootouder die in een niet-westers land is geboren. Dit is ruim eenderde
4. Kans op echtscheiding
4. Kans op echtscheiding Niet-westerse allochtonen hebben een grotere kans op echtscheiding dan autochtonen. Tussen de verschillende groepen niet-westerse allochtonen bestaan in dit opzicht echter grote
2. Groei allochtone bevolking fors minder
2. Groei allochtone bevolking fors minder In 23 is het aantal niet-westerse allochtonen met 46 duizend personen toegenomen, 19 duizend minder dan een jaar eerder. De verminderde groei vond vooral plaats
Langdurige werkloosheid in Nederland
Langdurige werkloosheid in Nederland Robert de Vries In 25 waren er 483 duizend werklozen. Hiervan waren er 23 duizend 42 procent langdurig werkloos. Langdurige werkloosheid komt vooral voor bij ouderen.
1 Inleiding: de metamorfose van de arbeidsmarkt
1 Inleiding: de metamorfose van de arbeidsmarkt 1.1 De beroepsbevolking in 1975 en 2003 11 1.2 De werkgelegenheid in 1975 en 2003 14 Halverwege de jaren zeventig van de vorige eeuw trok de gemiddelde Nederlandse
Gemengd Amsterdam * in cijfers*
Gemengd Amsterdam * in cijfers* Tekst: Leen Sterckx voor LovingDay.NL Gegevens: O + S Amsterdam, bewerking Annika Smits Voor de viering van Loving Day 2014 op 12 juni a.s. in de Balie in Amsterdam, dat
Artikelen. Huishoudensprognose : uitkomsten. Coen van Duin en Suzanne Loozen
Artikelen Huishoudensprognose 28 2: uitkomsten Coen van Duin en Suzanne Loozen Het aantal huishoudens blijft de komende decennia toenemen, van 7,2 miljoen in 28 tot 8,3 miljoen in 239. Daarna zal het aantal
Afhankelijk van een uitkering in Nederland
Afhankelijk van een uitkering in Nederland Harry Bierings en Wim Bos In waren 1,6 miljoen huishoudens voor hun inkomen afhankelijk van een uitkering. Dit is ruim een vijfde van alle huishoudens in Nederland.
Gezin Anno Nu. Marjolijn Distelbrink, Nicole Lucassen en Erna Hooghiemstra
Gezin Anno Nu Marjolijn Distelbrink, Nicole Lucassen en Erna Hooghiemstra Nederlandse Gezinsraad in opdracht van de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling Werkdocument 9 Den Haag, september 2005 1 De
Personen met een uitkering naar huishoudsituatie
Personen met een uitkering naar huishoudsituatie Ton Ferber Ruim 1 miljoen personen van 15 tot 65 jaar ontvingen eind 29 een werkloosheids-, bijstands- of arbeidsongeschiktheidsuitkering. Gehuwden zonder
Kinderen en de gezinsvorm waarin ze opgroeien: een schets van de veranderingen tussen 1990 en 2008
2/14 Kinderen en de gezinsvorm waarin ze opgroeien: een schets van de veranderingen tussen 199 en 28 Edith Lodewijckx D/2/3241/326 Vraagstelling Maatschappelijke en culturele ontwikkelingen hebben ingrijpende
10. Veel ouderen in de bijstand
10. Veel ouderen in de bijstand Niet-westerse allochtonen ontvangen 2,5 keer zo vaak een uitkering als autochtonen. Ze hebben het vaakst een bijstandsuitkering. Verder was eind 2002 bijna de helft van
Artikelen. Overwerken in Nederland. Ingrid Beckers en Clemens Siermann
Overwerken in Nederland Ingrid Beckers en Clemens Siermann In 4 werkte 37 procent de werknemers in Nederland regelmatig over. Bijna een derde het overwerk is onbetaald. Overwerk komt het meeste voor onder
Jeugdwerkloosheid Amsterdam
Jeugdwerkloosheid Amsterdam 201-201 Factsheet maart 201 De afgelopen jaren heeft de gemeente Amsterdam fors ingezet op het terugdringen van de jeugdwerkloosheid. Nu de aanpak jeugdwerkloosheid is afgelopen
De demografische levensloop van jonge Turken en Marokkanen
Marjolijn Distelbrink 1) en Arie de Graaf 2) Maar weinig Turkse en Marokkaanse jongeren hebben concrete emigratieplannen. Driekwart van de jonge, en twee derde van de jonge, is niet van plan om voorgoed
Kwetsbaar alleen. De toename van het aantal kwetsbare alleenwonende ouderen tot 2030
Kwetsbaar alleen De toename van het aantal kwetsbare alleenwonende ouderen tot 2030 Kwetsbaar alleen De toename van het aantal kwetsbare alleenwonende ouderen tot 2030 Cretien van Campen m.m.v. Maaike
Jonge Turken en Marokkanen over gezin en taakverdeling
Marjolijn Distelbrink 1) en Suzanne Loozen 2) Jonge Turkse en Marokkaanse vrouwen blijken moderne opvattingen te hebben over de combinatie van werk en de zorg voor jonge, niet schoolgaande, kinderen. Zij
Factsheet. Monitor jeugdwerkloosheid Amsterdam 2014. Werkloosheid stijgt naar 24% Definities. Nummer 6 juni 2014
Nummer 6 juni 2014 Monitor jeugdwerkloosheid Amsterdam 2014 Factsheet Ondanks eerste tekenen dat de economie weer aantrekt blijft de werkloosheid. Negen procent van de Amsterdamse beroepsbevolking is werkloos
Meer of minder uren werken
Meer of minder uren werken Jannes de Vries Een op de zes mensen die minstens twaalf uur per week werken (de werkzame beroeps bevolking) wil meer of juist minder uur werken. Van hen heeft minder dan de
CBS-berichten: Veranderingen in de arbeidsparticipatie in Nederland sinds 1970
CBS-berichten: Veranderingen in de arbeidsparticipatie in Nederland sinds 1970 Lian Kösters, Paul den Boer en Bob Lodder* Inleiding In dit artikel wordt de arbeidsparticipatie in Nederland tussen 1970
12. Vaak een uitkering
12. Vaak een uitkering Eind 2001 hadden niet-westerse allochtonen naar verhouding 2,5 maal zo vaak een uitkering als autochtonen. De toename van de WW-uitkeringen in 2002 was bij niet-westerse allochtonen
Inkomsten uit arbeid van vrouwen en hun partners
Inkomsten uit arbeid van vrouwen en hun s Karin Hagoort en Maaike Hersevoort In 24 verdienden samenwonende of gehuwde vrouwen van 25 tot 55 jaar ongeveer de helft van wat hun s verdienden. Naarmate het
Familiecomplexiteit Over nieuwe gezinsstructuren en veranderde relaties
NVD/CBS Seminar Familiecomplexiteit Over nieuwe gezinsstructuren en veranderde relaties 17 oktober 2018 CBS, Den Haag 10-17 uur In Westerse samenlevingen lijkt familiecomplexiteit steeds normaler te worden.
K I N D E R E N O N D E R Z O E K : J A A R
THUISSITUATIE, KINDEROPVANG EN OPVOEDING K I N D E R E N O N D E R Z O E K : 0-1 1 J A A R Jeugd 2010 2 Kinderenonderzoek 2010 Om inzicht te krijgen in de gezondheid van de inwoners in haar werkgebied,
Samenwoonrelaties stabieler
Anouschka van der Meulen en Arie de Graaf Op 1 januari 25 telde Nederland bijna 75 duizend paren die niet-gehuwd samenwonen. Ten opzichte van 1995 is dit aantal met bijna 45 procent toegenomen. Van de
Monitor Jeugdwerkloosheid Amsterdam over 2016
1 Monitor Jeugdwerkloosheid Amsterdam over 20 Fact sheet april 20 De totale werkloosheid onder Amsterdamse jongeren is het afgelopen jaar vrijwel gelijk gebleven aan 2015. Van de 14.000 Amsterdamse jongeren
In wat voor gezin worden kinderen geboren?
Bevolkingstrends 214 In wat voor gezin worden kinderen geboren? Suzanne Loozen Marina Pool Carel Harmsen juni 214 CBS Bevolkingstrends juni 214 1 Tot eind jaren zeventig werden vrijwel alle kinderen binnen
Jeugdmonitor Zeeland: OPGROEIEN EN OPVOEDEN IN HET GEZIN
1 Jeugdmonitor Zeeland: OPGROEIEN EN OPVOEDEN IN HET GEZIN Ouders van jonge kinderen Maart 2018 2 2 Colofon Ruben De Cuyper Jolanda van Overbeeke Esther Spuesens Deze factsheet is samengesteld door ZB
Factsheet Demografische ontwikkelingen
Factsheet Demografische ontwikkelingen 1. Inleiding In deze factsheet van ACB Kenniscentrum aandacht voor de demografische ontwikkelingen in Nederland en in het bijzonder in de provincie Noord-Holland.
Fact sheet. Concentraties van allochtone ouderen en jongeren,
Fact sheet nummer 1 maart 2004 Concentraties van allochtone ouderen en jongeren, 1994-2003 Waar in Amsterdam wonen allochtone jongeren en ouderen? Allochtonen wonen vaker dan autochtonen in gezinsverband
Ontwikkelingen in de werkloosheid in Amsterdam per stadsdeel tussen 1 januari 2001 en oktober 2003 (%)
Werkloosheid Amsterdam sterk gestegen Volgens de nieuwste cijfers van het CBS steeg de werkloosheid in Amsterdam van bijna 5% in 2002 naar 8,4% in 2003. Daarmee is de werkloosheid in Amsterdam sneller
Fact sheet. Monitor jeugdwerkloosheid Amsterdam 2013
Fact sheet nummer 9 juli 2013 Monitor jeugdwerkloosheid Amsterdam 2013 Er zijn in Amsterdam bijna 135.000 jongeren in de leeftijd van 15 tot 27 jaar (januari 2013). Veel jongeren volgen een opleiding of
Fact sheet. Dienst Wonen, Zorg en Samenleven. Eigen woningbezit 1e en 2e generatie allochtonen. Aandeel stijgt, maar afstand blijft
Dienst Wonen, Zorg en Samenleven Fact sheet nummer 1 januari 211 Eigen woningbezit 1e en Aandeel stijgt, maar afstand blijft Het eigen woningbezit in Amsterdam is de laatste jaren sterk toegenomen. De
Praktische opdracht Aardrijkskunde Criminaliteit in Nederland
Praktische opdracht Aardrijkskunde Criminaliteit in Nederland Praktische-opdracht door een scholier 1950 woorden 16 april 2002 6,3 166 keer beoordeeld Vak Aardrijkskunde Inleiding: Nederland is de afgelopen
Jongeren op de arbeidsmarkt
Jongeren op de arbeidsmarkt Tanja Traag In 23 was 11 procent van alle jongeren werkloos. Jongeren die geen onderwijs meer volgen, hebben een andere positie op de arbeidsmarkt dan jongeren die wel een opleiding
Demografische gegevens ouderen
In dit hoofdstuk worden de demografische gegevens van de doelgroep ouderen beschreven. We spreken hier van ouderen indien personen 55 jaar of ouder zijn. Dit omdat gezondheidsproblemen met name vanaf die
Herintreders op de arbeidsmarkt
Herintreders op de arbeidsmarkt Sabine Lucassen Voor veel herintreders is het lang dat ze voor het laatst gewerkt hebben. Herintreders zijn vaak vrouwen in de leeftijd van 35 44 jaar en laag of middelbaar
Monitor Jeugdwerkloosheid Amsterdam over 2015
1 Monitor Jeugdwerkloosheid Amsterdam over 2015 Fact sheet juni 20 De werkloosheid onder Amsterdamse jongeren is het afgelopen jaar sterk gedaald. Van de 3.00 Amsterdamse jongeren in de leeftijd van 15
Mantelzorgers op de arbeidsmarkt
ers op de arbeidsmarkt Jannes de Vries en Francis van der Mooren Een op de tien 25- tot 65-jarigen verleent zorg aan hun partner, een kind of een ouder. Vrouwen en 45- tot 55-jarigen zorgen vaker voor
De verdeling van arbeid en zorg tussen vaders en moeders
De verdeling van arbeid en zorg tussen vaders en moeders Marjolein Korvorst en Tanja Traag Het krijgen van kinderen dwingt ouders keuzes te maken over de combinatie van arbeid en zorg. In de meeste gezinnen
Tabak, cannabis en harddrugs
JONGERENPEILING 0 ZUID-HOLLAND NOORD De jongerenpeiling heeft als doel om periodiek op systematische wijze ontwikkelingen in gezondheid en gewoonten van jongeren in kaart te brengen. Dit is het eerste
Persbericht. Niet-westerse allochtonen tweemaal zo vaak een uitkering. Centraal Bureau voor de Statistiek
Centraal Bureau voor de Statistiek Persbericht PB01-187 24 augustus 2001 9.30 uur Niet-westerse tweemaal zo vaak een uitkering Eind 1999 ontvingen anderhalf miljoen mensen in Nederland een bijstands-,
Dit hoofdstuk gaat over de arbeidsparticipatie van Leidenaren, over uitkeringen en over huishoudinkomens.
Hoofdstuk 7 Werk en inkomen 7.1 Inleiding Dit hoofdstuk gaat over de arbeidsparticipatie van Leidenaren, over uitkeringen en over huishoudinkomens. Achtereenvolgens komen aan de orde: 7.2 Aanbodkant arbeidsmarkt
Sociaal-economische schets van Leiden Zuidwest 2011
Sociaal-economische schets van Zuidwest 2011 Zuidwest is onderdeel van het en bestaat uit de buurten Haagwegnoord en -zuid, Boshuizen, Fortuinwijk-noord en -zuid en de Gasthuiswijk. Zuidwest heeft een
Zijn autochtonen en allochtonen tevreden met hun buurtbewoners?
Zijn autochtonen en allochtonen tevreden met hun? Martijn Souren en Harry Bierings Autochtonen voelen zich veel meer thuis bij de mensen in een autochtone buurt dan in een buurt met 5 procent of meer niet-westerse
Bevolkingsprognose Deventer 2015
Bevolkingsprognose Deventer 2015 Aantallen en samenstelling van bevolking en huishoudens Augustus 2015 augustus 2015 Uitgave : team Kennis en Verkenning Naam : John Stam Telefoonnummer : 0570 693298 Mail
