Agenda (REO/ )

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "Agenda (REO/ )"

Transcriptie

1 M. van Tyghem inlichtingen bijlage(n) REO/ briefnummer G.1.33 zaaknummer 6 mei 2013 verzenddatum Verslag van de vergadering van de werkgroep Reorganisaties van 11 april 2013 (van tot uur in de Baljuwzaal van het Centrum voor Arbeidsverhoudingen CAOP - Lange Voorhout 13 te Den Haag). Aanwezig: van de zijde van Defensie: E.H. Dekker (voorzitter), E. Aarts (HDP), mevrouw J.C. Bouwman, (CDC), J.P. Tack (CLAS), mevrouw M. D. Mol (ROND); bij agendapunt 3: B.J. Vos, F.J.A. van Meeteren; bij agendapunt 4: mevrouw R. Beckers, A. Nijkamp; bij agendapunt 5: C. van Veldhuisen, T. Plijner; bij agendapunt 6: mevrouw G.F.M van Kempen, J. Snoeks; bij agendapunt 7: C.A.J. ten Anscher, J. Faassen; vanaf agendapunt 8: R.E. Hulselmans (DMO); bij agendapunt 9: mevrouw J.G.M.T. Laval, F.R.H. van de Hoef. van de zijde van de centrales: L.C. van der Hulst, B. Schnoor (CCOOP), M.C.G. Klaassen, S.H. Springer (ACOP), L.H. Schipper, J.A.F. Stassen, J.J.H. van Hulsen (AC), J.G.J. Veldhuis, R.E.W. Pieters (CMHF). van het secretariaat: M. van Tyghem. Agenda (REO/ ) 1. Opening en mededelingen. 2. Verslagen en actiepuntenlijsten van de vergaderingen van 29 november 2012 (REO/ ), 12 december 2012 (REO/ ) en 7 maart 2013 (REO/ ). 3. VRP Role 1 GNK eenheden CLAS (REO/ ). 4. VRP Samenvoegen KMS en OCIO (REO/ ). 5. VRP reorganisatie internationale ondersteuning CZMCARIB (REO/ ). 6. VRP NLDA (REO/ ). 7. VRP Stroomlijnen bedrijfsvoering DBBO (REO/ ). 8. Brief AC betreffende sleutelfuncties (REO/ ). 9. Brief AC betreffende ontbreken reorganisatietraject herinrichting museaal bestel Defensie (REO/ ) plus Overgang defensiepersoneel naar stichting Defensiemusea presentatie). 10. Rondvraag en sluiting.

2 Agendapunt 1: Opening en mededelingen De voorzitter opent de vergadering. De heer Pieters stelt de heer Veldhuis voor. De heer Veldhuis is op 1 april 2013 aangetreden als beleidsmedewerker reorganisaties bij de CMHF en zal voortaan aanwezig zijn bij de vergaderingen van de werkgroep REO. De voorzitter heet de heer Veldhuis van harte welkom. De heer Stassen merkt op dat de brief genoemd bij punt 8 van de agenda geen brief is van het AC, maar van de SCO. Agendapunt 2: Verslagen en actiepuntenlijsten van de vergaderingen van 29 november 2012 (REO/ ), 12 december 2012 (REO/ ) en 7 maart 2013 (REO/ ) Verslag d.d. 29 november 2012 (REO/ ) Tekstueel Blz. 2 - Agendapunt 11 1 ste alinea, 2 de zin wijzigen in: Na eerdere behandeling in het IO REO CLAS zijn deze VRP n ter kennisname aangeboden aan de werkgroep REO (i.p.v. ter behandeling). 2 de alinea, in de 2 de zin 23 november 2012 vervangen door 30 november Blz. 3 - Naar aanleiding van 2 de regel wijzigen in: ( ) in het IO REO CLAS de vraag beantwoorden of het CLAS BBO-steun gebruikt in het voortraject ten behoeve van moeilijke gevallen. De heer Tack geeft aan dat daar toen in het IO REO CLAS positief op is geantwoord. Dit geschiedt. Met deze wijzigingen wordt het verslag vastgesteld. Actiepuntenlijst bij het verslag van 29 november 2012 De voorzitter constateert dat de actiepunten 1 t/m 3 zijn afgedaan. 4. Herinrichting Museaal Bestel: komt aan de orde in deze vergadering. 5. Voortgang van de synchronisatie staven: actiepunt handhaven. Verslag d.d. 12 december 2012 (REO/ ) Tekstueel Het verslag wordt ongewijzigd vastgesteld. Actiepuntenlijst bij het verslag van 12 december Herinrichting Museaal Bestel: komt aan de orde in deze vergadering. 7. Voortgang van de synchronisatie staven: actiepunt handhaven. De overige actiepunten zijn uitgevoerd. Verslag d.d. 7 maart 2013 (REO/ ) Tekstueel Blz. 9, in de 4 de alinea BRIOP vervangen door Semi-Statische Archiefdiensten (SSA). Met deze wijziging wordt het verslag vastgesteld. De voorzitter zegt dat naar de Semi-Statische Archiefdiensten (voorheen BRIOP) verwezen zal worden in de vraag- en antwoordenlijst bij de nota Kaders en uitleg uitvoering reorganisaties. 2/26

3 Actiepuntenlijst bij het verslag van 7 maart Synchronisatie Staven. - De centrales hebben een aangepaste synchronisatieplanning ontvangen. Deze planning wordt als bijlage gevoegd bij de aangepaste nota Kaders en uitleg uitvoering reorganisaties. Actiepunt afvoeren. - De stand van zaken synchronisatie wordt als vast agendapunt geagendeerd. Actiepunt handhaven. 2. Toewijzing functie bij CLAS Naar aanleiding van de opmerking van de heer Van der Hulst legt de heer Tack uit dat het CLAS selecteert op basis van de criteria: beschikbaarheid, bekwaamheid, geschiktheid, loopbaanbelang en organisatiebelang. Dat is ook in de functiebeschrijvingen van bepaalde arbeidsplaatsen vastgelegd. Het wapen- en dienstvak (kleur patje) zegt wel iets over iemands kennis en ervaring, maar dat neemt niet weg dat ook anderen kunnen beschikken over de juiste kwalificaties. Selectie op grond van het kleur patje is dus niet in lijn met het beleid van het CLAS. Het CLAS betreurt het als dit in incidentele gevallen als afwijzingsgrond wordt aangegeven. Om hier tegen op te kunnen treden, stelt het CLAS het op prijs als incidenten worden gemeld, bij voorkeur bij de C-PLC. De heer Van der Hulst vindt deze toelichting voldoende, mits daar in de praktijk ook uitvoering aan wordt gegeven. De voorzitter zegt dat op de uitvoering zal worden gelet. De heer Veldhuis merkt op dat dit niet alleen bij de OPCO s speelt, maar ook bij de DMO en het CDC. Ook daar ziet men wel functiepublicaties waarin bijvoorbeeld iemand van logistiek wordt gezocht. Dat kan niet-logistieke medewerkers ervan weerhouden te solliciteren. Is er een manier om dit in functiepublicaties te voorkomen? De voorzitter zegt na te zullen gaan of dit een probleem is dat ook elders binnen Defensie speelt. Functiepublicaties moeten gaan om de functie-eisen. Het is niet de bedoeling dat medewerkers worden uitgesloten omdat ze tot een bepaalde categorie behoren. 3. Nota Kaders en uitleg uitvoering reorganisaties De voorzitter meldt dat de nota is aangepast op basis van de afspraken die in de vorige vergadering zijn gemaakt. De aangepaste versie is aan de defensieonderdelen voorgelegd. Het commentaar van de defensieonderdelen wordt momenteel verwerkt. Spreker verwacht de aangepaste nota begin volgende week aan de centrales toe te zenden. De heer Van der Hulst vraagt waarom de nota eerst nog aan de defensieonderdelen is voorgelegd. Partijen hebben in de laatste vergadering een aantal wijzigingen afgesproken. Die wijzigingen zouden in de nota worden verwerkt. Om verwarring te voorkomen zou Defensie zo snel mogelijk daarna de nieuwe nota in de organisatie verspreiden. Dat is volgens hem de afspraak die is gemaakt. De voorzitter wijst erop dat de afspraken die partijen maken door de defensieonderdelen moeten worden uitgevoerd. Dit moet op een eenduidige manier gebeuren. Daarom is het gebruikelijk om de gemaakte afspraken ook even te delen met de defensieonderdelen, zodat eventuele onduidelijkheden in de tekst nog kunnen worden aangepast. De centrales krijgen de uiteindelijke tekst te zien. Die zal overeenkomen met de afspraken die partijen in de vergadering van 7 maart 2013 hebben gemaakt. Aan een groot deel van de gemaakte afspraken wordt overigens al uitvoering gegeven. 3/26

4 De heer Schipper is het met de heer Van der Hulst eens dat het goed is om de aangepaste nota zo snel mogelijk uit te brengen. Het komt anders heel gauw tot interpretatieverschillen. Dat bleek ook al uit het BCO-overleg van vorige week. De voorzitter zegt op korte termijn met een nieuwe versie van de nota te komen. Daarin zullen de wijzigingen ten opzichte van de eerdere versie gemarkeerd zijn. Spreker zal de centrales vooraf per reeds de gewijzigde passages doen toekomen. (Noot secr.: dit is inmiddels gebeurd. De gewijzigde passages zijn per aan de centrales aangeboden op 16 april 2013 en besproken in de extra vergadering van 18 april De definitieve versie van de nota is op 2 mei 2013 ter kennisname aan de werkgroep REO aangeboden zie REO/ ). 4. Overzicht plannen De heer Aarts noemt twee plannen die na 21 december 2012 ter kennisname aan de werkgroep REO zijn aangeboden en inmiddels als DRP zijn vastgesteld. Dit zijn: bij het CLSK het reorganisatieplan Koninklijke Luchtmachtkapel (REO/ ) en bij de BS het reorganisatieplan oprichting DCC VeVa (REO/ ). Voor een overzicht van alle Landmacht Reorganisatieplannen verwijst spreker naar een nota van het CLAS. Afgesproken wordt dat het overzicht van het CLAS nogmaals aan de werkgroep REO zal worden aangeboden, aangevuld met de twee bovengenoemde plannen. (Noor secr.: zie d.d. 16 april 2013). 5. Procedures URD Actiepunt handhaven. Naar aanleiding van de brief van de ACOP aan de HDP over artikel 116 BARD (REO/ ) deelt de voorzitter mee dat aan een voorstel voor een beleidsaanpassing wordt gewerkt. Dit voorstel zal aan de werkgroep AP worden voorgelegd. Ondertussen gelden de bestaande afspraken. Agendapunt 3: VRP Role 1 GNK eenheden CLAS (REO/ ) De heer Van der Hulst legt uit dat de inhoud van dit plan voor de centrales niet ter discussie staat. Dat is niet de reden waarom de centrales dit plan hebben laten agenderen. De reden om het plan op de agenda te laten zetten, is dat de centrales afspraken willen maken over een bepaalde mate van synchronisatie van dit plan met andere reorganisaties in het geneeskundig veld, de oprichting van het Eerstelijns Gezondheidsbedrijf (EGB) en de Defensie Tandheelkundige Dienst (DTD). Alleen zo kunnen de centrales zien of het voorzieningenniveau op peil blijft. Daarnaast willen de centrales hetzelfde afspreken als voor het personeelsdomein en dat is dat de reorganisaties pas aan het eind van het traject worden doorgevoerd. Dan pas is duidelijk welke bewegingen zijn gemaakt. De voorzitter begrijpt dat de centrales dit plan koppelen aan het tempo en het verloop van de reorganisatieplannen EGB en DTD. Hij wijst erop dat deze plannen nog in bespreking zijn met de medezeggenschap. Volgens de heer Van der Hulst maakt het niet uit in welke fase deze plannen zitten. Waar het om gaat is dat er een zekere mate van synchronisatie moet zijn tussen de plannen in het geneeskundig veld. Deze plannen hangen immers met elkaar samen. Dat staat ook in het VRP. Spreker verwijst naar wat op bladzijde 6 staat onder het kopje Context, punt 2.3.1: Dit reorganisatieplan heeft 4/26

5 functionele relaties met de defensiebrede herinrichting van de militaire gezondheidszorg. Dat is ook hoe de centrales het zien. Daarom willen ze deze plannen ook als één geheel beoordelen. Dan krijgen alle medewerkers in dit veld gelijke kansen. De voorzitter wijst erop dat de voortgang van die andere trajecten waar de centrales dit VRP aan koppelen voor een deel ook beïnvloed wordt door de discussie die in de werkgroep AP wordt gevoerd over het borgen van de kwaliteit en de toegankelijkheid van de geneeskundige zorg. De heer Van der Hulst beaamt dit. De discussie over het voorzieningenniveau wordt inderdaad gevoerd in de werkgroep AP. De centrales kunnen nu echter niet beoordelen of de oprichting van het ECB en de DTD het voorzieningenniveau raakt. Daarvoor moeten ze deze reorganisatieplannen eerst kennen. De heer Tack zegt dat het CLAS niet gelukkig is met de koppeling die de centrales wensen. Er is volgens het CLAS niet zo n nauw verband tussen deze reorganisatie Role 1 en de andere plannen in het geneeskundig werkveld. De projectleider van de reorganisatie Role 1, de heer Vos, geeft een toelichting. Hij legt uit dat het aanvankelijk de bedoeling was om de militaire gezondheidszorg als één geheel te reorganiseren en als één systeem in de organisatie weg te zetten. Daarmee zou dan zowel het voorzieningenniveau in de reguliere setting als operationeel worden afgedekt. Gaandeweg is de CDS echter tot de conclusie gekomen dat, om de geneeskundige ondersteuning bij inzet te borgen, het beter is het operationele deel bij de OPCO s te laten en mee te laten gaan met de reorganisatie van operationele elementen. Daarnaast heeft de Defensie Gezondheidszorgorganisatie (DGO) opdracht gekregen de vredeszorg, de tweedelijnszorg, te verbeteren door bij de DGO gezondheidszorgbedrijven in te richten. Dat zijn in totaal zeven bedrijven. Het operationele domein heeft met al deze zeven bedrijven een relatie. Het personeel valt echter in twee categorieën uiteen. Het personeel dat bij de gezondheidscentra werkt is een ander type personeel dan het operationeel geneeskundig personeel. In de legerplannen is ook nauwelijks overlap. De categorie huisarts bijvoorbeeld komt wél voor in het EGB, maar niet in het operationele domein. De Algemeen Militaire Verpleegkundige (AMV) daarentegen komt wél voor bij de operationele eenheden, maar niet meer in het EGB. Er is dus sprake van twee types systemen. Dat is waarom het CLAS de reorganisatie van de Rol 1 nu wil doorzetten. Dan kan de geneeskundige ondersteuning bij inzet vanaf 2014 worden geborgd. Doet men dit niet en laat men deze reorganisatie wachten op de andere reorganisaties in het geneeskundig veld, dan dreigt een ander scenario. Dan loopt het ene systeem leeg doordat medewerkers aan het einde van hun functie komen, maar dan kunnen deze medewerkers niet terecht in het EGB. Dat is het belangrijkste argument om niet aan de koppeling met andere reorganisaties vast te houden. Dat laatste argument is volgens de heer Pieters in tegenspraak met wat de projectleider eerder stelde, namelijk dat het personeel in het ene systeem niets te zoeken had in het andere systeem. Verder wijst spreker erop dat er ook een verband is met Role 2. Ook met dit plan willen de centrales het plan Role 1 synchroniseren. De heer Van der Hulst dankt de projectleider voor zijn toelichting. Die heeft het beeld van de centrales dat er een verband is met het EGB alleen maar versterkt. De centrales kennen het plan voor het EGB nog niet. Daarom willen ze het voorliggende reorganisatieplan nog even aanhouden totdat ze ook het reorganisatieplan EGB hebben gezien. Dan kunnen ze zelf oordelen of er al dan niet raakvlakken zijn en of het personeel dat bij het EGB werkt inderdaad een heel ander type personeel is dan het operationeel geneeskundig personeel. 5/26

6 De voorzitter merkt op dat synchronisatie vooral bedoeld is om personeel dat vergelijkbaar werk doet of in een vergelijkbaar functiegebied werkt gelijke kansen te bieden. De vraag is of de kans daarop voor het personeel dat betrokken is bij deze reorganisatie Role 1 voldoende is geborgd als deze reorganisatie volgens planning zou doorgaan. Daar wil spreker graag een toelichting op. De heer Van der Hulst zegt daar geen behoefte aan te hebben. Hij kan nu toch niet beoordelen of er raakvlakken zijn met het EGB en of er sprake is van verschillende types personeel. Daarvoor moet hij eerst het reorganisatieplan EGB kennen. Een verpleger is voor hem een verpleger, of dat nu bij de Role 1 is of bij het EGB. De heer Van Meeteren zegt begrip te hebben voor de opmerking van de centrales. Het klopt dat het reorganisatieplan EGB nog niet beschikbaar is. Daar kan hij niets aan veranderen. Wat hij wel kan, als stafarts van het CLAS en medeverantwoordelijke voor de kwaliteit van het personeel in de zorg, is verklaren dat er een groot verschil is tussen het personeel dat nodig is voor het voorliggende plan en het personeel dat straks nodig zal zijn voor het EGB. Daar worden verschillende kwaliteitseisen aan gesteld. Voor een buitenstaander lijkt medisch personeel medisch personeel. Inhoudelijk treedt er echter steeds meer persoonlijke differentiatie op, zeker in de eerstelijns geneeskundige zorg. Volgens de nieuwe regelgeving wordt iedere functionaris een zelfstandig gecertificeerde persoon met een eigen taak. Er is dus wel degelijk een scheidslijn tussen wat civiel aan kwaliteit van zorg aangeboden gaat worden door het EGB en wat operationeel zal worden aangeboden. Er is ook nauwelijks overlap. De enige categorie personeel die in beide systemen terugkomt is de algemeen militaire arts (AMA), maar dat is nu juist de categorie waar spreker zich weinig zorgen over maakt. Er is voor dit type personeel altijd sprake geweest van maatwerk in het kader van loopbaanbeleid. Bovendien ziet men bij deze categorie alleen maar tekorten ontstaan. De heer Pieters stelt vast dat men zich nu weer richt op het EGB. Wat hem vooral interesseert is het verband tussen Role 1 en Role 2. Daar zit volgens hem een flinke overlap in. Waar hij zich zorgen om maakt is of medewerkers die door de reorganisatie bij Role 2 geen functie kunnen vinden mee kunnen opteren naar functies binnen Role 1. De heer Vos meldt dat het plan Role 2 op 10 april 2013 door de C-LAS in de Programmaraad is geaccordeerd. Binnenkort zal het beleidsvoornemen worden uitgegeven. Dat betekent dat de eenheid Role 2 in het eerste kwartaal van 2014 zal worden opgericht. Er is dan dus een periode van maximaal vijf maanden waarin de Datum Begin Geldigheid Eenheid Role 1 en Role 2 achter elkaar aan komen. Op de vraag van de heer Pieters naar de overlap in functies, antwoordt de heer Van Meeteren dat de enige categorie functies waar overlap in is, de Algemeen Militair Verpleegkundige (AMV) is. Zoals het er nu naar uitziet zijn er in Role 1 net voldoende AMV ers om Role 1 te vullen. Tegen de tijd dat Role 2 aan de orde is, zullen er vacatures zijn waar de medewerkers die tegen de Datum Einde Functie aanlopen voor kunnen opteren. Er is dus een volgtijdelijkheid. Volgens de heer Van der Hulst zijn er nog niet zo lang geleden maatregelen genomen om het aantal AMV ers terug te dringen. Nu zouden er binnenkort weer vacatures zijn. Dat verbaast hem. Hij herinnert zich dat er jaren geleden ook al een tekort was aan AMV ers. Vervolgens waren er weer te veel AMV ers en moesten er maatregelen worden genomen om het bestand terug te dringen en nu voorziet men dus weer een tekort. Dat is onbegrijpelijk. 6/26

7 De heer Van Meeteren zegt zich voor te kunnen stellen dat dit voor verwarring zorgt. Op basis van het bestaande functiebestand is altijd keurig gepland wat de organisatie aan AMV ers nodig heeft. De AMV ers zijn altijd een schaarse categorie personeel geweest. Er waren altijd tekorten. Het is ook een kostbare categorie, omdat de opleiding enige jaren in beslag neemt. Waar de organisatie nu mee geconfronteerd wordt, is met een toevloed aan AVM ers in opleiding in combinatie met een krimpend functiebestand van AMV ers als gevolg van de reorganisaties. Om te voorkomen dat er na deze tijdelijke toevloed aan AVM ers weer een tekort gaat ontstaan, is een pakket maatregelen genomen. Dat moet ervoor zorgen dat de instroom van leerling-avm ers zo min mogelijk gevolgen heeft voor het zittend personeel en dat deze kostbare en schaarse categorie personeel voor de organisatie behouden blijft. Deze maatregelen hebben in die zin effect gehad dat er voor de nabije toekomst geen grote overtolligheid meer wordt voorzien. Voor de verdere toekomst moet men zich zelfs weer zorgen gaan maken over mogelijke ondervullingen. Waar de geneeskundige dienst bij de planning van het personeelsbestand ook altijd mee te maken heeft, is met schommelingen op de arbeidsmarkt. Die zorgen ervoor dat medewerkers in bepaalde periodes meer genegen zijn om bij de organisatie te blijven dan in andere periodes. Op dit moment wordt voorzien dat er op middellange termijn weer geworven zal moeten worden om de tekorten aan te vullen. Dat is het mechanisme dat nu speelt. Op verzoek van de voorzitter wordt de vergadering geschorst. De voorzitter heropent de vergadering. Hij heeft begrepen dat de centrales het inhoudelijk eens zijn met het voorliggende VRP, maar dat ze dit plan nog naast de plannen voor het EGB, de DTD en de Role 2 willen leggen. Als alles meezit, zouden deze plannen in het IO REO DEF van 23 mei 2013 kunnen worden behandeld. Daar kan dan de gewenste samenhang worden beoordeeld. Omdat de centrales verder geen bezwaar hebben tegen dit VRP, stelt Defensie voor om het personeel wel te informeren over hun uitgangspositie, maar om de volgende stap in het BCO-traject (BCO-1) aan te houden tot 23 mei 2013, als de centrales inzicht hebben in de andere plannen en er duidelijkheid is over de samenhang. De heer Pieters wijst erop dat mogelijk niet alle plannen gereed zijn voor bespreking in de vergadering van 23 mei Het beleidsvoornemen voor Role 2 is nog niet eens ondertekend. Anderhalve maand is een korte periode om een c-vrp gereed te hebben, inclusief de instemming van de medezeggenschap. De heer Tack is het met de vorige spreker eens. Op 23 mei ligt er zeker voor Role 2 nog geen plan klaar. Het beleidsvoornemen voor Role 2 wordt pas binnen twee weken verwacht en daarna volgt nog het hele c-vrp traject. Het VRP komt vast pas in het derde of het vierde kwartaal van dit jaar in de werkgroep REO. De koppeling aan Role 2 lijkt spreker echter niet voor de hand te liggen. Dat is een andere categorie personeel. Het lijkt hem ook niet verstandig. Het personeel bij Role 1 blijft niet wachten. Als partijen alles aan alles blijven koppelen, dan zal dat personeel tenslotte naar elders vertrekken en dan kan Defensie ook geen kwalitatief goede geneeskundige voorziening meer garanderen. Spreker heeft er begrip voor dat de centrales een koppeling willen leggen met het EGB. Daar is wellicht een overlap in twee functies: de AMV er en de AMA. Als men Role 1 echter ook nog gaat koppelen aan Role 2, dan voorziet spreker zware tijden op geneeskundig gebied, met name op operationeel geneeskundig gebied. 7/26

8 De voorzitter merkt op dat het voorstel van Defensie is geënt op het initiële commentaar van de centrales dat ze de plannen voor het EGB en de DTD niet kenden. Het zijn met name deze twee plannen waar Defensie de centrales op 23 mei 2013 nader over hoopt te kunnen informeren. Daar heeft het voorstel van Defensie betrekking op. De heer Van der Hulst bevestigt dat de centrales inhoudelijk geen commentaar hebben op het voorliggende reorganisatieplan. Dit plan kan, wat hem betreft, als DRP worden vastgesteld, met de aantekening dat de implementatie van dit plan gesynchroniseerd zal worden, in elk geval met de reorganisatie EGB. Dan is alvast een eerste stap gezet. Als het c-vrp EGB dan geagendeerd staat voor het IO REO DEF van 23 mei 2013, dan kunnen partijen alsnog besluiten tot verdere uitstel of tot implementatie. Als het goed is, hebben de centrales op 23 mei 2013 ook al kennis kunnen nemen van het beleidsvoornemen voor Role 2. De voorzitter heropent de vergadering. Op verzoek van de centrales wordt de vergadering geschorst. De heer Van der Hulst deelt mee dat de centrales het voorliggende plan inhoudelijk goedkeuren, maar dat de implementatie van het plan gesynchroniseerd dient te worden met andere plannen in het geneeskundig veld. Over die samenhang met de andere plannen zullen de centrales opnieuw een oordeel vellen op 23 mei Intussen kan het voorliggende plan als DRP worden vastgesteld. Dat heeft als voordeel dat de medewerkers geïnformeerd kunnen worden over hun uitgangspositie en dat diegenen met een functie code 2 minder en code 4 alvast kunnen gaan bewegen, waardoor de overtolligheid kan worden beperkt. De voorzitter concludeert dat Defensie met deze afspraak het traject voorlopig kan vervolgen. Partijen komen op 23 mei 2013 op dit onderwerp terug. Defensie zal het personeel over deze stand van zaken informeren. De heer Springer wil graag weten hoe medewerkers van een eenheid die in het ene plan als black box is aangemerkt, in de andere eenheid worden ontvangen. Gaan deze medewerkers compleet met rechtspositie lock, stock and barrel over? De heer Tack antwoordt dat het de bedoeling is dat medewerkers van een black box lock, stock and barrel overgaan. Als dat misgaat, dan wordt dat gerepareerd. Agendapunt 4: VRP Samenvoegen KMS en OCIO (REO/ ) De heer Van der Hulst merkt op dat, toen het plan is besproken in het IO REO CLAS, er nog een aantal onduidelijkheden waren. De eerste reden waarom de centrales vonden dat het plan ter behandeling aan de werkgroep REO moest worden aangeboden, had te maken met de discussie over de aanpassing van de URD en de inrichting van de BBO. Die discussie is inmiddels gevoerd. Daarna was er nog onduidelijkheid rondom het Remedial Peleton en de wijze waarop Defensie omging met een aantal beleidsafspraken, waaronder de reïntegratienota. Ook dat punt is inmiddels van tafel. Spreker heeft verder geen vragen meer over dit plan. Het enige wat nog aan de orde is, is de verhuizing van Weert naar Ermelo. Daar verwacht spreker nog een apart VRP over. De heer Stassen heeft enkele inhoudelijke vragen. 8/26

9 Blz. 8 - punt Daar staat dat de nieuwe KMS bestaat uit maximaal 550 VTE n. Elders is sprake van 546 VTE n. Wat is het juiste aantal? De heer Nijkamp legt uit dat het initieel vastgestelde functieplafond van 550 VTE n is verlaagd met 4 VTE n. 3 VTE n zijn overgeheveld naar de brigadestaven; deze VTE n zijn ten laste gebracht van de KMS. 1 VTE gaat naar het Defensie Takencentrum. Daarmee komt het vastgestelde functieplafond uit op 546 VTE n. Blz. 7 bovenaan Blz. 18 Algemene personele aspecten en personele gevolgen Verhuisconsequenties Desgevraagd door de heer Stassen bevestigt de heer Nijkamp dat het SBK 2012 van toepassing is op het personeel dat in het kader van dit legerplan naar Ermelo zou moeten verhuizen. Medewerkers die aangeven dat ze niet mee willen verhuizen kunnen gebruik maken van alle instrumenten van het SBK De vraag of men mee wil verhuizen of niet zal worden meegenomen bij de belangstellingsregistratie van dit plan. Blz Sterkte Op de vraag van de heer Stassen hoe de transitiecapaciteit bovenformatief (BF) voor 2014/2015 zal worden vastgesteld, antwoordt de heer Nijkamp dat de C-LAS conform het SBK budget heeft gekregen om een aantal medewerkers in transitiecapaciteit toe te bedelen aan eenheden voor het extra werk dat er ligt. Daar is een plan voor opgesteld tot De C-LAS bekijkt per jaar wat hij aan transitiecapaciteit kan toedelen. Spreker heeft nu extra capaciteit gekregen tot eind dit jaar en een plan ingeleverd voor 2014 en Rond de zomer maakt de C-LAS bekend hoeveel VTE n hij mag inplannen voor Hij heeft deze extra capaciteit nu al nodig om het tekort aan soldaten en onderofficieren aan te vullen. Deze bovenformatieve capaciteit is in het huidige plan opgenomen met een Datum Tot en Met. Daar komt in 2014 geen nieuw VRP voor. Op de vraag van de heer Pieters of er voor deze bovenformatieve capaciteit SBK-gelden worden gebruikt, antwoordt de heer Nijkamp dat dit niet het geval is. Dit heeft niets met het SBK te maken. Bijlage A Functievergelijkingstabel (FVT) Het valt de heer Stassen op dat veel functies code 2 hebben gekregen, maar zonder de toevoeging minder of meer. Hij neemt aan dat dit een omissie is. De heer Tack merkt op dat er in de URD vier transitiecodes worden onderscheiden: code1, code 2, code 3 en code 4. De codes 2 minder en 2 meer komen in de nieuwe URD niet voor. Dat neemt niet weg, aldus de heer Schipper, dat in andere plannen bij de code 2 altijd een plus of een min staat. Zoals het in dit plan is aangegeven, gaat het in feite om codes 1. De heer Nijkamp legt uit dat voor code 2 is gekozen uit zorgvuldigheidsoverwegingen, omdat het nog geen DRP is en omdat er nog geen BCO is geweest. Nu het personeelsvullingsplan dichterbij komt, ziet men een aantal functies ook verschuiven van code 2 minder naar code 2 meer. Dat komt doordat mensen nog steeds aan het solliciteren zijn buiten de nieuwe organisatie. De heer Tack wijst erop dat code 2 betekent dat de functie terugkomt in gewijzigde aantallen. Dat kan meer of minder zijn. Zo staat het in de URD en zo hanteert het CLAS het. Als de centrales bij de codes 2 voortaan een plus of een min willen zien, dan kan dat, maar dat is dan wel een afwijking van de afspraak die partijen hebben gemaakt over de URD. 9/26

10 De heer Van der Hulst pleit voor een pragmatische aanpak. Dat er in de URD alleen sprake is van code 2 is waar, maar de toevoeging plus of min helpt de centrales om het personeelsvullingsplan te beoordelen. De heer Schipper merkt op dat het hier gaat om de bespreking van een plan aan de O-kant. Daarbij moeten de centrales wel een beeld hebben of het om een min- of een plussituatie gaat, want dat is de basis voor de P-kant. Bijlage M Repliek op advies TRMC Blz. 4/72 De heer Stassen verwijst naar de passage over de werkdruk instructeurs. Daar is sprake van een probleem met de oefentoelage, dat zich vooral voordoet bij het IB en de PvB. Hij begrijpt dat er afspraken zijn gemaakt om dit probleem op te lossen. Hij wil graag weten welke afspraken dat zijn. De heer Nijkamp antwoordt dat het probleem nog niet is opgelost. Het gaat over het loopbaanlint. Omdat kinderen niet op oefening mogen zijn, is daar gesteld dat instructeurs dat ook niet mogen, terwijl instructeurs s nachts wel aanwezig moeten zijn bij introductiebivaks en andere activiteiten. Om dit probleem te adresseren is voorgesteld om de HDP opnieuw naar een oefentoelage voor instructeurs te laten kijken. Dat is goedkoper dan hoe het nu is geregeld, via het uitbetalen van ATW. Dat was vóór het uitbrengen van dit VRP nog niet mogelijk maar, omdat de TRMC bezwaar maakte tegen een compensatie in tijd, is daar nu toestemming voor gegeven. Datum Begin Geldigheid Eenheid Desgevraagd door de heer Stassen geeft de heer Nijkamp aan dat nu als Datum Begin Geldigheid Eenheid 1 oktober 2013 is voorgesteld. Blz Infra-Huisvesting Desgevraagd door de heer Pieters legt de heer Nijkamp uit dat de verhuizing van de in Weert gevestigde organisatiedelen van de oude KMS naar de legerplaats Ermelo pas plaats zal vinden in Daarom maakt deze verhuizing ook geen deel uit van dit plan. Op verzoek van de TRMC is deze verhuizing in dit VRP wel al aangekondigd. De voorzitter zegt toe om aan deze paragraaf een zin toe te voegen die duidelijk maakt dat de verhuizing geen deel uitmaakt van dit plan. Conclusie De voorzitter stelt vast dat het VRP Samenvoegen KMS en OCIO als DRP, met inachtneming van het hierboven gestelde, kan worden vastgesteld en dat de implementatie kan aanvangen. Agendapunt 5: VRP Reorganisatie Internationale Ondersteuning (RIO) CZMCARIB (REO/ ) De heer Stassen merkt op dat het DCIOD al enige tijd draait. Deze organisatie wordt momenteel geëvalueerd. Daar komt nu deze RIO CZMCARIB doorheen. Deze reorganisatie zal over een jaar ook worden geëvalueerd. Spreker kan zich voorstellen dat deze reorganisaties straks door elkaar gaan lopen. Hoe gaat men daarmee om? Wat is het verband tussen deze evaluaties en hoe zorgt men ervoor dat nog helder is wat er precies wordt geëvalueerd? 10/26

11 De heer Plijner geeft aan dat de huidige evaluatie van het DCIOD nagenoeg is afgerond. Dit leidt tot een nieuwe reorganisatie. Daar wordt deze internationale ondersteuning van CZMCARIB niet in meegenomen. Dit wordt nu opgericht zoals beschreven en blijft zo staan in de situatie die op basis van de evaluatie van het DCIOD opnieuw wordt ingericht. Na een jaar zal worden bezien of dit functioneert zoals verwacht of dat er aanpassingen nodig zijn. De evaluaties lopen dus naast elkaar. Blz de alinea De heer Stassen leest dat men van plan is de capaciteit van de NSE s te verminderen omdat er steeds meer gebruik wordt gemaakt van self-services. Naar aanleiding daarvan wijst hij erop dat het gebruik van self-services in het buitenland geheel anders is dan in Nederland. De situatie is anders, de regelgeving is anders en er zijn meer en andere formulieren nodig. Het is dus nog maar de vraag of de capaciteit van de NSE s op de Antillen moet worden verminderd. Er is daar nu ook nog een aantal medewerkers dat inzicht heeft bijvoorbeeld in het NSK, maar het voornemen is om dat af te schaffen en toe te werken naar een systeem met één lokaal loket. Spreker maakt zich daar zorgen over. Hij vreest dat het voorzieningenniveau, zoals dat al jaren bestaat in de CARIB, met dit plan te snel onder druk komt te staan en dat het personeel daar de dupe van wordt. De heer Plijner wijst erop dat het NSK geen systeem is van het DCIOD, maar van het DCHR. Het voorzieningenniveau loopt volgens hem niet terug. Twee NSK inkijkfuncties blijven ter plekke. Met de TRMC is afgesproken dat de G-module (Gemeentehuismodule) op de CARIB zal worden geïmplementeerd en na zes maanden op zijn nut beoordeeld. Bij de NSE s komen meer PC s te staan om de communicatie met het servicecentrum in Utrecht te verbeteren. Er wordt een luitenant/assistent-clustermanager aangesteld en zijn er NSE-medewerkers die in dezelfde tijdzone alle vragen kunnen behandelen en eventueel doorzetten naar het servicecentrum in Utrecht. Spreker weet zeker dat het voorzieningenniveau daardoor hetzelfde blijft. De heer Stassen heeft hierover ernstige twijfels. Hij heeft onlangs de CARIB bezocht en vastgesteld dat men daar heel blij is met de medewerkers die er nu nog zitten, want deze vangen veel vragen op. Er is weliswaar een regeling getroffen met een terugbelgarantie, maar daar blijkt veel onvrede over te zijn. Het tijdsverschil is een bepalende factor. Daardoor kunnen medewerkers vaak niet terecht voor geld en andere essentiële zaken. Spreker heeft er moeite mee dat, op basis van de Nederlandse inzichten, VTE n in het buitenland worden geschrapt. De voorzitter begrijpt dat dit een punt van zorg is, maar stelt voor om dit onderwerp te behandelen in een andere werkgroep, bijvoorbeeld de AP-DO. Hij wil zich in dit overleg concentreren op de personele aspecten die betrekking hebben op het personeel dat onder deze reorganisatie valt. Wat de centrales naar voren brengen betreft de effecten van de reorganisatie op het overig personeel dat in de CARIB werkt. De heer Van Hulsen vindt dat de voorzitter daarmee de taken van de werkgroep REO verengt. Partijen kijken in de werkgroep REO naar de algemene personele aspecten en dat betreft niet uitsluitend het personeel dat onder de reorganisatie valt. Dat betreft ook het uitstralingseffect van de reorganisatie. De voorzitter zegt begrip te hebben voor dit standpunt. Dat neemt niet weg dat de effecten van deze beleidswijziging ook op andere overlegtafels aan de orde komen. De heer Van der Hulst merkt op dat bij dit VRP een aanbiedingsbrief ontbreekt waarin wordt aangegeven waarom het plan ter behandeling aan de werkgroep REO wordt aangeboden en welke 11/26

12 punten daar nog besproken dienen te worden. Het verzoek is om voortaan bij ieder VRP dat ter behandeling wordt aangeboden zo n aanbiedingsbrief toe te voegen. Wat het voorliggende plan betreft, verwijst spreker naar de bespreking van de conceptversie in het IO REO DEF (noot secr.: IO REO DEF d.d ). Daar zijn toen twee aspecten aan de orde geweest. Het ene aspect was het voorzieningenniveau. De centrales hebben aangegeven dat een aantal zaken op dat gebied nog niet goed was geregeld. Spreker noemt als voorbeeld de behoefte aan scanapparatuur. Heel veel formulieren moeten eerst worden gescand en vervolgens g d, naar het DCIOD of naar het DCHR; dat is niet altijd duidelijk. In het buitenland worden zaken vaak heel anders aangepakt dan in Nederland. Dat wordt niet altijd goed begrepen. Het klopt dat partijen hebben afgesproken om in een andere werkgroep een hele sessie te wijden aan de problemen rond het voorzieningenniveau in het buitenland. Het gaat nu echter om het VRP RIO CZMCARIB. Eén van de randvoorwaarden om dit plan te implementeren, is dat de automatisering goed is geregeld. Er moet voldoende apparatuur zijn, de systemen moeten probleemloos functioneren en voor de gebruikers toegankelijk zijn. Dat heeft de projectleider in het IO REO DEF zelf gezegd. De vraag is nu of aan deze voorwaarde is voldaan. Een andere voorwaarde die de centrales in het IO REO DEF stelden was dat men rekening zou houden met de vooruitzichten die medewerkers met een code 3-functie hadden bij plaatsing in het buitenland. Aan die voorwaarde is voldaan. Dat blijkt uit de laatste zin van hoofdstuk 7 ( In voorkomende gevallen zal in de BCO naar maatwerkoplossingen worden gezocht ). Er blijft dus nog één punt over en dat is de noodzakelijke invulling van de randvoorwaarden op het gebied van het voorzieningenniveau. De heer Plijner stelt dat bij de omklap volledig aan deze randvoorwaarden zal zijn voldaan. Er zal voldoende goede apparatuur aanwezig zijn. Systemen als NSK en de G-module zullen beschikbaar zijn en er zullen locaties en mensen zijn voor NSE-achtige werkzaamheden. De heer Van der Hulst merkt op dat de discussie over het voorzieningenniveau nog moet worden gevoerd. Hij stelt toch vast dat de dienstverlening voor medewerkers in het buitenland achteruitgaat. Hij noemt als voorbeeld de mogelijkheid om via CZMCARIB geld naar Nederland over te maken. Die functionaliteit wordt geschrapt. Verder hoort hij dat de HDFC van plan is om medewerkers in het buitenland voortaan alleen nog in euro s uit te betalen in plaats van in lokale valuta. Ook daar zullen de medewerkers in het buitenland niet blij mee zijn. De heer Schipper merkt op dat aan de O-kant alles is geregeld. Op papier is dit een mooi plan. De centrales hebben echter geconstateerd dat er in de West nog een aantal onzekerheden is. Daarom zijn ze van mening dat men pas zou moeten overgaan tot implementatie van het plan, als uit de evaluatie blijkt dat het ook werkt. Dat is beter dan eerst functies wegschrijven en vervolgens, als blijkt dat het niet werkt, weer te repareren. Dat zou voor de West onverantwoord zijn, aldus spreker. De voorzitter vraagt wat dat betekent voor het vervolg van het traject. Er is één randvoorwaarde en die betreft het voorzieningenniveau. Er wordt nu alles aan gedaan om die randvoorwaarde vóór de omklap volledig in te vullen. Parallel daaraan zullen partijen in de werkgroep AFR de problematiek van het voorzieningenniveau in het buitenland in zijn geheel bespreken. Wat is dan de belemmering om over te gaan tot de volgende stap? De heer Van Hulsen merkt op dat de conclusie in de werkgroep AFR ook zou kunnen zijn dat het voorzieningenniveau in het buitenland te ver is ingezakt. Wat gaat Defensie dan doen? 12/26

13 De heer Plijner ontkent dat er functies zouden zijn weggeschreven. Er komen in de nieuwe situatie 9 VTE n: 2 x 4 plus een assistent clustermanager in dezelfde tijdzone. Deze laatste functionaris is er nu niet. Het is qua functies dus zeker geen verarming. De omklapdatum is voorzien op 1 juni 2013, maar er wordt nu al op een NSE-achtige manier gewerkt. In de nieuwe situaties zijn er wel twee vacatures. In de BCO zal naar de bezetting moeten worden gekeken. De voorzitter constateert dat de centrales in het IO REO DEF twee punten aan de orde hadden gesteld. Het ene punt was dat er rekening dient te worden gehouden met de verwachtingen van medewerkers ten aanzien van hun plaatsingsduur. Dat punt is geadresseerd in hoofdstuk 7 van dit VRP. Het andere punt ging over het regelen van de bedrijfsvoering met het oog op het garanderen van het voorzieningenniveau. Defensie doet er alles aan om dat vóór de omklapdatum helemaal op orde te hebben. Daarmee zijn volgens spreker de randvoorwaarden vervuld en kan het VRP worden omgezet in een DRP en de implementatie ter hand worden genomen. De heer Schipper vindt dat niet de juiste volgorde. Defensie kan beter even pas op de plaats maken totdat partijen de discussie over het voorzieningenniveau in het buitenland hebben gevoerd. Anders loopt men het risico iets te implementeren dat over enige tijd toch weer anders moet. Dat staat nog los van de zaken die de centrales in de West hebben geconstateerd. Op verzoek van de voorzitter wordt de vergadering geschorst Na heropening van de vergadering stelt de voorzitter voor om de implementatie van dit VRP aan te houden totdat partijen, hopelijk op korte termijn, in een speciale vergadering van de werkgroep AFR de problematiek van het voorzieningenniveau aan de orde hebben gehad. Dan kan worden bezien of alle randvoorwaarden goed zijn ingevuld. Met inachtneming van deze afspraak zou Defensie dit plan als DRP willen vaststellen en overgaan tot het informeren van het personeel. Verder zullen geen vervolgstappen worden genomen. Het verzoek is alleen om twee code 3 functies alvast te mogen vullen omdat deze functies van groot belang zijn voor het op peil houden van het voorzieningenniveau ter plekke. Aangezien dit een afwijking is van de URD zal dit eerst met de medezeggenschap moeten worden besproken. De heer Plijner licht toe dat het gaat om de functies: Locatiemanager NSE Carib, SMJR LDA, op Aruba; dit is een administratieve functie en de Assistent Clustermanager Carib, LTZ2; dit is het aanspreekpunt voor de gebruiker. Op verzoek van de centrales wordt de vergadering geschorst Nadat de voorzitter de vergadering heeft heropend, laat de heer Schipper weten dat de centrales het voorstel van de voorzitter om het VRP om te zetten in een DRP, niet goed vinden. Wat de centrales voorstellen is om, met instemming van de medezeggenschap, over te gaan op een werkorganisatie. Dan kunnen er functies worden gevuld. Er is dan nog geen DRP, maar Defensie heeft de ruimte om, mocht het noodzakelijk zijn, de organisatie weer aan te passen. Dat laatste mag echter niet leiden tot een nadelige rechtspositie voor de medewerkers die in de werkorganisatie zijn geplaatst. De voorzitter begrijpt dat dit voorstel bezien moet worden in combinatie met de bespreking van de problematiek van het voorzieningenniveau in de werkgroep AFR. Wat de centrales voorstellen is om, voor de periode tot aan die bespreking, een werkorganisatie in te stellen en ervoor te zorgen dat het personeel ter plekke daar zo min mogelijk negatieve gevolgen van ondervindt. De heer Schipper beaamt dat dit het voorstel is. 13/26

14 De heer Van Veldhuisen merkt op dat een werkorganisatie wordt ingesteld voor een periode van maximaal 6 maanden. Ten aanzien van het personeel dat in een werkorganisatie wordt geplaatst mogen geen onomkeerbare (rechtspositionele) beslissingen worden genomen. Hoe moet dat dan met personeel dat vanuit Nederland vertrekt naar de West voor een nieuwe functie? De heer Schipper wijst erop dat die 6 maanden slechts een streven is. De centrales zijn eigenlijk voorstander van een kortere periode. Over de duur van de werkorganisatie kunnen afspraken worden gemaakt met de medezeggenschap. De heer Van der Hulst zegt ervan uit te gaan dat partijen binnen de zes maanden de discussie over het voorzieningenniveau buitenland zullen hebben afgerond. Daarna kan het voorliggende plan wellicht worden vastgesteld als DRP en volgt een BCO. In hoofdstuk 7 staat dat in de BCO naar maatwerkoplossingen zal worden gezocht. De voorzitter stelt dat, met deze toelichting, het voorstel van de centrales zal worden uitgevoerd. Agendapunt 6: VRP NLDA (REO/ ) Mevrouw Bouwman geeft aan dat, na het overleg in het IO REO CDC van 6 december 2012, nog twee wijzigingen in het VRP zijn aangebracht. Dat was reden het VRP alsnog ter behandeling aan de werkgroep REO aan te bieden in plaats van ter kennisname, zoals eerder was afgesproken in het IO REO CDC. Over beide wijzigingen is instemming met de medezeggenschap. De opmerkingen en wijzigingen die besproken zijn in het IO REO CDC zijn in het VRP verwerkt. De heer Snoeks deelt mee dat het VRP uitgebreid en in goede sfeer is besproken met de GMC. De GMC adviseerde positief over het VRP. Naar aanleiding van het overleg met de GMC zijn de volgende twee wijzigingen doorgevoerd: 1) van 4 VTE n is de functie ongewijzigd gebleven maar werd het aantal uren gereduceerd. Dat leidde in de functievergelijkingstabel (FVT) tot toekenning van code 4 in de IST-situatie en code 3 in de nieuwe situatie. 2) de GMC was bezorgd over de taak/middelen-discussie. In overleg met het CDC is gekeken naar eventuele ruimte voor extra functies en dat leidde bij 2 functies tot het voornemen code 4 te wijzigen in code 1. Dit geeft extra ruimte aan de NLDA de taken uit te voeren. De heer Van der Hulst is bij punt 2 verheugd met de omzetting naar code 1. Wat punt 1 betreft, merkt de heer Van der Hulst op dat de FVT geen zaak is voor de centrales is, tenzij de centrales constateren dat er een fout is gemaakt. Bij de FVT is de inhoud van de functie bepalend. Indien de functie uit de oude organisatie vrijwel ongewijzigd terugkomt in de nieuwe organisatie, dan leidt dat tot code 1, code 2 plus of code 2 min. Wat ook de uitkomsten zijn van het overleg met de medezeggenschap, de toekenning van code 3 of 4 op basis van een vermindering van het aantal uren is onacceptabel. Indien de FVT op dit punt wordt gehandhaafd, dan zullen de centrales dit in de BCO repareren, want dit heeft gevolgen voor de rechtspositie van de medewerkers. Zoals gezegd gaat het om de inhoud van de functie. Als alleen het aantal uren van een functie minder wordt, dan volgt de betrokken medewerker zijn functie en dan wordt voor het restant van de uren een oplossing gezocht. 14/26

15 De voorzitter refereert aan de reorganisatie Paresto. Daar werd van sommige functies ook het aantal uren substantieel teruggebracht. Zo'n vermindering heeft onmiskenbaar invloed op de inhoud van de functie en daarmee op de transitiecode. De huidige URD geeft een norm voor de wijziging van een functie (80%), maar ziet niet op een substantiële verandering van een functie als gevolg van een vermindering van het aantal uren. Volgens de heer Van der Hulst is het aantal uren niet relevant. Er moet een vergelijking worden gemaakt tussen de oude functiebeschrijving en de nieuwe functiebeschrijving. Indien de afwijking daartussen minder dan 20% is, dan krijgt de functie code 1 of code 2. De heer Van Hulsen beaamt dat de discussie over functies met een verminderd aantal uren eerder heeft plaatsgevonden bij de reorganisatie Paresto; toen was het SBK 2004 nog van toepassing. Daar is toen een oplossing voor gevonden. Partijen spraken toen af om voor de toekomst (SBK 2012) deze discussie ten principale te voeren. Spreker stelt vast dat dit niet is gebeurd. Hij acht het denkbaar om nu voor deze situatie te komen tot een pragmatische oplossing. Dan is er tijd om de discussie over urenvermindering alsnog te voeren. De voorzitter antwoordt dat een defensiebrede lijn nog in de werkgroep AP vastgesteld moet worden en nu dus ontbreekt. Hij kan ermee instemmen om in de BCO voor de desbetreffende functies tot maatwerkafspraken te komen. De heer Van der Hulst merkt op dat het gaat om de rechtspositie van medewerkers. Indien de centrales constateren dat er foutieve codes aan functies zijn toegekend, dan is dat reden voor de centrales om het VRP af te wijzen. Hoe dit ook wordt gerepareerd, de medewerkers moeten wel de juiste uitgangspositie hebben. De heer Schipper geeft aan dat de werkgever dit aan de O-kant goed moet regelen conform de URD; aan de P-kant moet dit geregeld worden in de BCO. Op verzoek van de voorzitter wordt de vergadering geschorst De voorzitter heropent de vergadering. Hij stelt vast dat er discussie is over de transitiecode van vier functies. Defensie zal de coderingen van deze functies omzetten naar code 1 of code 2, afhankelijk van de situatie. In de BCO zullen over deze functies maatwerkafspraken worden gemaakt. De vraag blijft echter of functies waarvan het aantal uren vermindert moeten worden beschouwd als ongewijzigde of als nieuwe functies. Een actiepunt voor de werkgroep AP is om centraal beleid te maken ten aanzien van deze kwestie. De centrales stemmen met dit voorstel van de voorzitter in. Op een vraag van de heer Stassen naar de omklapdatum, antwoordt de heer Snoeks dat het tijdsplan [4.1 Bijlage 2 - Deel 3 bij Wijz.blad Reorg NLDA, versie 1 d.d. 28 feb. 2013] een inmiddels onhaalbare omklapdatum bevat. Met de GMC wordt gesproken over één omklapdatum zodat de projectfuncties die na de eerste omklap zouden worden aangehouden tot 1 januari 2014, worden gesynchroniseerd. De omklapdatum komt zo dicht mogelijk te liggen bij de datum 1 januari De heer Stassen wijst op hoofdstuk 7 Algemene personele aspecten en personele gevolgen "Voor de functies met een datum einde functie na 1 augustus 2013 is het SBK 2012 pro actief van toepassing." Geldt dit nog steeds of wordt ook deze datum naar achteren verschoven als gevolg van het nieuwe tijdsplan? 15/26

16 De heer Schipper stelt voor om het gehele VRP na te zien en waar nodig aan te passen aan het laatste tijdsplan. De voorzitter zegt dit toe. De heer Schipper herinnert aan de afspraak om zowel het Expertisecentrum Leiderschap Defensie (ECLD) als het Talencentrum Defensie (TCD) als black box op te nemen in de FVT. Hij kan het ECLD niet in de FVT terugvinden. De heer Snoeks antwoordt dat zowel het ECLD als het TCD worden gezien als black box. Alleen zijn er vanuit de oude NLDA geen medewerkers overgegaan naar het ECLD, terwijl er vanuit de bestaande organisatie wel medewerkers overgaan naar het nieuwe TCD. Deze nieuwe situatie is beschreven als black box. De heer Schipper merkt op dat voor het ECLD al een VRP is vastgesteld en de personele vulling is afgehandeld. Hij begrijpt dat het ECLD een aparte entiteit vormt binnen de NLDA. Dat wordt door de Snoeks bevestigd. Voor het TCD volgt nog een VRP. De heer Springer merkt in het kader van de taak/middelen-discussie op dat de werving in 2012 tegenviel. Indien de werving in 2013 wordt vergroot, heeft dat dan gevolgen voor het personeel? De heer Snoeks antwoordt dat grote meerjarige fluctuaties zouden nopen tot een aanpassing van de organisatie. De huidige relatief kleine wisselingen in de instroom hebben geen gevolgen voor de organisatiegrootte. Op een vraag van de heer Schipper, antwoordt de heer Snoeks dat het VRP dat de HDP bij brief van 27 maart 2013 aanbood (REO/ ) de laatste versie is. In deze versie zijn de wijzigingen die daarna hebben plaatsgevonden en in deze vergadering zijn meegedeeld nog niet verwerkt; de GMC heeft met deze wijzigingen wel expliciet en schriftelijk ingestemd. De heer Schipper kan ermee instemmen dat een bijgewerkte versie van het VRP als DRP verschijnt. Een volledig actueel DRP is noodzakelijk voor de besprekingen in de BCO. De voorzitter zegt een DRP toe waarin alle voorstellen en wijzigingen van de GMC zijn verwerkt, alsook de afspraken die in deze vergadering zijn gemaakt. De voorzitter constateert dat het VRP NLDA, met inachtneming van het hierboven gestelde, als DRP kan worden vastgesteld en dat begonnen kan worden met de implementatie. Agendapunt 7: VRP Stroomlijnen bedrijfsvoering DBBO (REO/ ). Mevrouw Bouwman geeft een toelichting. Naar aanleiding van de bespreking in het IO REO CDC is dit VRP op verzoek van de centrales aan de werkgroep REO ter behandeling toegezonden om de volgende redenen: 1) het ontbreken van levensfasebewust P&O-beleid; 2) de centrales willen de A alert-status van de DBBO aan de orde stellen; 3) de centrales verzoeken bij een reorganisatie bij de Lgen Bestkazerne (voorheen de Peel) het SBK 2004 toe te passen. Aangezien dit een CLSK-reorganisatie is, valt een besluit hierover buiten de bevoegdheid van het CDC. Levensfasebewust P&O-beleid De heer Schipper stelt vast dat 122 arbeidsplaatsen zijn gecreëerd voor personeel van 55 jaar en ouder dat volgens het BARD niet in nachtdienst mag werken (24/7) maar alleen in dag- en avonddiensten (16/7). Dat is in het IO REO CDC besproken en de centrales hebben daar mee 16/26

17 ingestemd. Dat kan voor de komende jaren een deel van het probleem oplossen. De centrales hebben er echter ook op gewezen dat, om tot een structurele oplossing voor de vergrijzing bij de DBBO te komen, een defensiebreed levensfasebewust P&O-beleid noodzakelijk is. De voorzitter geeft aan dat Defensie de zorgen van de centrales onderschrijft en goede nota neemt van de oproep om tot een defensiebreed levensfasebewust P&O-beleid te komen. De problematiek van de 55-plussers en nachtarbeid is binnen Defensie inderdaad nog onvoldoende geadresseerd en vooral een organisatie als de DBBO heeft daar last van. De maatregel die daar nu is afgesproken is geen structurele oplossing maar moet worden gezien als een noodmaatregel. Over levensfasebewust P&O-beleid is al gesproken in het SOD. De Commissie De Veer stelt in haar rapport voor te komen tot strategisch personeelsbeleid. Een belangrijk aspect daarvan is het levensfasebewust P&O-beleid. Binnenkort wordt informeel overleg gevoerd over de prioritering van onderwerpen; daarbij zal levensfasebewust P&O-beleid een hoge prioriteit krijgen. De heer Schipper concludeert dat er op dat punt nog heel wat moeten gebeuren. De centrales zullen de DBBO op dat punt kritisch zullen blijven volgen. Beveiliging Lgen Bestkazerne (voorheen 'De Peel') De heer Schipper stelt vast dat in het VRP ook aandacht is besteed aan de positie van de beveiligers van deze kazerne (VRP, blz. 24, 7.1.2). Alhoewel deze medewerkers buiten de formatie van de DBBO vallen, worden ze operationeel door de DBBO aangestuurd. Daarom zien de centrales deze beveiligingstaak ook als onderdeel van de DBBO en vinden ze dat deze medewerkers onder het SBK 2004 zouden moeten vallen. Spreker merkt op dat in het VRP sprake is van 33 VTE n, maar dat dit niet puur beveiligingsfuncties zijn. De mensen die op deze functies zitten, vervullen ook andere taken. De voorzitter merkt op dat voor de beveiliging van het Lgen Bestkazerne een beleidsvoornemen wordt opgesteld. Hij begrijpt dat de centrales voorstellen om, als daar overtolligheid ontstaat, het SBK 2004 van toepassing te laten zijn. Gezien de datum van dit beleidsvoornemen zou volgens de huidige regels het SBK 2012 van toepassing moeten zijn. Spreker stelt echter voor om, via het overgangsbeleid, voor de medewerkers die overtollig worden in dit traject het SBK 2004 te laten gelden. De centrales gaan daarmee akkoord. De heer Klaassen zegt uit recente informatie te hebben begrepen dat de 33 VTE n voor een deel toch voltijds beveiligingsfuncties zijn. De heer Ten Anscher licht toe dat er 8 VTE n dedicated bewakers en beveiligers zijn. Dat zijn: 6 wachtcommandanten, 1 planner en 1 coördinator bewaken en beveiligen. Daarnaast is er een structuur waarbij luchtmachtmedewerkers die zich als hoofdtaak bezighouden met de Patriots, in vredestijd de neventaak bewaking en beveiliging hebben, in een verhouding van circa 55%-45%. Indien het CLAS aan de DBBO verzoekt de beveiliging over te nemen, dan omvat dat onder meer het aanbod van 8 VTE n dedicated voor bewaken en beveiligen. Voor de bewaking en beveiliging zijn in de toekomst 33 VTE n nodig. Er is geen relatie tussen de huidige en de toekomstige situatie. De toezegging dat het SBK 2004 zal worden toegepast heeft betrekking op de bezetting van de 8 VTE n die zijn aangewezen voor bewaken en beveiligen. De heer Schipper herinnert eraan dat in het IO REO CDC is gesproken over de reeds uitgevoerde belangstellingsregistratie en over het streven burger- en militaire functies zoveel mogelijk gelijk te 17/26

18 behandelen. Spreker ontvangt van medewerkers informatie dat er verschil wordt gemaakt tussen de burgerfuncties beveiliger (code 1) en militaire functies beveiliger (rangsniveau korporaal, code 2-). Burgers geven aan nu onder de korporaals te staan. Het komt spreker voor dat de FVT wel correct is. De heer Ten Anscher licht toe dat de DBBO wordt gestroomlijnd. Een van de uitgangspunten daarbij is dat de soldaten- en korporaalsfuncties van het CLSK ongewijzigd blijven. Op het moment dat het contract van de militair die op zo'n functie zit expireert, wordt deze functie omgezet in een burgerfunctie en krijgt de medewerker die op deze functie zit, als er geen aanstellingsbeletselen zijn, een burgeraanstelling op de eigen arbeidsplaats aangeboden. Dat is de afspraak die bij de oprichting van de DBBO is gemaakt. Wat is er nu gebeurd? Bij de vergelijking van functies is de functie korporaal beveiliger gematcht met de functie commandant interventieteam. Dat betekent dat een korporaal commandant interventieteam kan zijn net zoals een schaal 4 terwijl, tot dat moment, een militair die van functie ging, werd aangesteld in schaal 3. Er zijn medewerkers in schaal 3 die ervan uitgingen dat alle functies commandant interventieteam voor burgers zouden zijn en die nu constateren dat daarop militairen zijn geplaatst waaronder zij moeten dienen. Daar zit een deel van de pijn. Een ander deel heeft te maken met de locaties. Doordat de hele bewakingsplattegrond is gaan schuiven, zijn korporaalfuncties terechtgekomen op locaties waar andere medewerkers dachten commandant interventieteam te worden. DBBO-breed is er echter niets veranderd. Het aantal functies en de inhoud van de functies zijn ongewijzigd gebleven. Er zijn voldoende functies commandant interventieteam, waar medewerkers naar kunnen solliciteren. De DBBO houdt zich ook aan de afspraak betreffende burger- en militaire functies. Militairen worden geplaatst op militaire functies commandant interventieteam en burgers op burgerfuncties commandant interventieteam. De bewapende beveiligers zijn wegens de overgangssituatie nu nog militairen. De centrales vinden deze toelichting voldoende. De voorzitter constateert dat het VRP DBBO kan worden vastgesteld als DRP en dat met de implementatie kan worden begonnen. Agendapunt 8: Brief AC betreffende sleutelfuncties (REO/ ). De heer Van der Hulst herinnert in het algemeen aan de afspraak terughoudend te zijn in het aanmerken van sleutelfuncties. Bij het JIVC zijn 24 sleutelfuncties aangemerkt en verwerkt in het DRP. Tijdens de opschorting van het SOD zijn alle implementatieplannen stilgelegd, waaronder de BCO DMO. Op enig moment vernamen de centrales dat bij het JIVC 33 extra sleutelfuncties (de 2 e tranche) waren aangemerkt, gepubliceerd in de vacaturebank en kennelijk ook gevuld. De SCO stuurde op 18 februari 2013 een brief hierover [REO/ ], waarin zij de voorzitter indringend opriepen om op zeer korte termijn de vacaturepublicatie van de 33 extra sleutelfuncties in te trekken en het eventueel in gang gezette functietoewijzingsproces te stoppen. Deze brief is gecorrigeerd bij SCO-brief van 19 februari 2013 [REO/ ]. Later constateren de SCO dat daar geen gevolg aan is gegeven en dat de vacaturepublicatie en het selectieproces toch zijn voortgezet. Of de functies ook zijn vervuld, is onduidelijk. De medewerkers hebben nog geen plaatsingsbeschikking gekregen, maar verrichten wel al de werkzaamheden. 18/26

19 De SCO vernamen uit s in de P-lijn dat de DMO ook niet van plan was tegemoet te komen aan de oproep van de bonden en dit proces zou doorzetten. De SCO voelen zich geschoffeerd door deze handelwijze van de DMO. Dit is tegen de afspraken. Voordat er een gesynchroniseerde BCO voor het JIVC en JIVC OPS kan plaatsvinden, willen ze eerst helderheid over deze zaak De heer Hulselmans legt uit wat er feitelijk is gebeurd. In november 2012 werd de behoefte aan extra sleutelfuncties onderkend. Aanvankelijk betrof dit meer dan 33 functies. Deze behoefte is voorgelegd aan de medezeggenschap en die stemde daar eind januari 2013 mee in. Vervolgens werden deze functies gepubliceerd. Dat gebeurde heel openlijk. De DMO had niet het idee iets te doen wat niet mocht. De publicatie was ook geen poging om het opschorten van het SOD te omzeilen. De brief van de SCO kwam binnen toen de functies al waren gepubliceerd. Er hadden toen reeds 120 medewerkers op de betreffende functies gesolliciteerd. De brief van de centrales was duidelijk, maar plaatste de DMO voor een dilemma, want er was in de organisatie duidelijk behoefte aan die extra sleutelfuncties. Daarom is het traject toch voortgezet. Daarbij is echter nadrukkelijk gesteld dat de vulling van functies moest uitblijven en dat is ook niet gebeurd. De voorzitter benadrukt dat er geen sprake is geweest van kwaad opzet. Hij wijst erop dat het JIVC een cruciaal onderdeel is voor de bedrijfsvoering van Defensie. Ook tijdens een reorganisatie moet de dienstverlening op ICT-gebied worden gegarandeerd. Dat legt een extra druk op de manager van het JIVC om het reorganisatietraject zo snel mogelijk af te ronden. Door de opschorting van het overleg en de daarmee gepaard gaande vertraging ontstond een spanning tussen de wens van het JIVC om de bedrijfsvoering te continueren en de afspraken met de centrales over sleutelfuncties. Als gevolg daarvan is een proces ingezet, waarvan achteraf gesteld kan worden dat dat anders had gemoeten. Dit past niet bij een zorgvuldig URD-traject en een zorgvuldige behandeling van het personeel. Defensie trekt hier lering uit voor de toekomst. De heer Van der Hulst merkt op dat, als de behoefte aan extra sleutelfunctionarissen in november 2012 al bekend was, dit op geen enkel wijze met de centrales is gedeeld. Op dat moment was het overleg nog niet opgeschort. Het VRP JIVC is behandeld in de vergadering van de werkgroep REO van 29 november Als de behoefte aan extra sleutelfunctionarissen toen met de centrales was besproken, dan hadden de centrales hierover mee kunnen denken en dan waren ze hier misschien ook mee akkoord gegaan. De procedure is echter anders gelopen. In vergadering van de werkgroep REO van 29 november 2012 is besloten dat het VRP JIVC als DRP kon worden vastgesteld en pas later hoorden de centrales dat met de medezeggenschap overeenstemming was bereikt over 33 extra sleutelfuncties. Dat kan niet. Als een plan als DRP is vastgesteld, dan heeft de medezeggenschap geen rol meer en al zeker niet bij het aanmerken van sleutelfuncties Waar de centrales ook verbolgen over zijn is dat de DMO, ondanks hun brief, doorging met deze extra sleutelfuncties. De functies zijn weliswaar nog niet vervuld, maar er vond wel al een selectie plaats en er zijn mensen tijdelijk op deze functies tewerk gesteld, terwijl in de BCO nog de personele vulling aan de orde moet komen. Hoe dan omgegaan moet worden met de mensen die inmiddels deze extra sleutelfuncties bezetten, is spreker onduidelijk. Voortschrijdend inzicht en het opschuiven van de implementatiedatum als gevolg van de opschorting, leidden ertoe dat op diverse plekken binnen Defensie en ook bij JIVC, het aanwijzen van sleutelfuncties werd gezien als oplossing om alvast te gaan vullen, aldus de voorzitter. Naar aanleiding van brieven van de centrales heeft de HDP de organisatie bericht dat dit moest stoppen. 19/26

20 Daaraan is goeddeels gevolg gegeven, maar bij het JIVC is men toch doorgegaan op deze weg. Zoals gezegd was dat onjuist. De heer Schipper sluit zich aan bij het betoog van de heer Van der Hulst. Hij wijst erop dat het weliswaar de centrales waren die het SOD opschortten, maar dat de oorzaak bij de minister van Defensie ligt. Die heeft door haar opstelling de centrales tot deze opschorting gedwongen. De voorzitter merkt op dat het conflict dat tot de opschorting leidde van een geheel andere orde is. Het is geenszins de bedoeling de centrales daarvan de schuld te geven. Wat de bedrijfsvoering betreft, verwijst de heer Schipper naar een aantal BCO s die hebben plaatsgevonden. Daar hebben de centrales laten zien dat, indien een onderdeel door de opschorting in de problemen is gekomen, zij bereid zijn positief te reageren op verzoeken om deze problemen op te lossen, mits deze oplossingen ondersteund worden door de medezeggenschap. Defensie moet echter wel de juiste volgorde hanteren. Overeenstemming hebben met de medezeggenschap is niet voldoende. Als men in de fase van een DRP nog wat aan een plan wil veranderen, dan moet daar in eerste instantie overleg over worden gevoerd met de centrales. Aan de wijze waarop dit proces is gelopen, valt nu niets meer te veranderen. Spreker hoopt wel dat Defensie hier lering uit trekt. De procedures voor de uitvoering van reorganisaties staan beschreven in de URD. Daar dient men zich aan te houden. De voorzitter erkent dat het proces in dit geval niet goed is verlopen en dat men zich onvoldoende aan de afspraken heeft gehouden. Defensie houdt nu nauwlettend in de gaten dat de procedures bij andere trajecten wél op de juiste wijze worden doorlopen. Dat gaat ook steeds beter, alhoewel er nog steeds defensieonderdelen zijn die uit de pas lopen. De heer Schipper benadrukt nogmaals dat de centrales begrip hebben voor het feit dat zich bij onderdelen problemen kunnen voordoen en bereid zijn mee naar oplossingen te zoeken. Daar moet dan wel bijtijds met de centrales over worden gecommuniceerd. Dat is in dit geval niet gebeurd. Integendeel, men is gewoon zijn eigen gang blijven gaan, ook na diverse signalen van de centrales. De voorzitter beaamt dat dit niet de goede manier is. Als zich problemen voordoen, dan dient men die zo snel mogelijk met de centrales te bespreken. De heer Springer merkt op dat de centrales in hun brief van 18 februari 2013 verzochten de vacaturepublicatie van de extra sleutelfuncties stop te zetten. De HDP heeft daarna aan de projectofficier bericht dat de vacaturepublicaties niet worden ingetrokken, maar dat de betrokkenen nog niet op functie mogen worden geplaatst. Vervolgens zijn er sollicitatie- en selectiegesprekken gevoerd. Dat betekent, aldus spreker, dat Defensie doorging met het proces en de brief van de SCO links liet liggen. De heer Pieters stelt vast dat niet alleen het JIVC maar ook op het niveau van de Bestuursstaf is besloten door te gaan met vacaturepublicatie. Het ontstemt hem dat degenen met wie de centrales afspraken maken, hiertoe besloten ondanks het nadrukkelijke verzoek van de centrales ermee op te houden. De schuld voor deze situatie ligt dus niet alleen bij de projectofficier van het JIVC, maar ook bij de HDP. De voorzitter antwoordt dat de HDP dit meteen na ontvangst van de brieven en signalen van de centrales heeft besproken met de directeuren Personeel en heeft aangegeven dat de URD onverkort moet worden toegepast, ook als het gaat om sleutelfuncties. Dat was ook de basis voor de nota 20/26

21 Vertraging reorganisaties. De signalen van de centrales zijn dus heel serieus genomen en er is over gecommuniceerd in de organisatie. Helaas is de uitvoering hier en daar onjuist geweest. De heer Springer stelt dat bij de definitieve functietoewijzing de HDP de schade moet vergoeden van de medewerkers die van een functie worden afgehaald. De voorzitter antwoordt dat eerst nog toestemming moet worden verkregen voor de implementatie van de plannen. Vervolgens zal men moeten bekijken hoe de uitvoering verloopt. De heer Van Hulsen stelt vast dat de HDP op de signalen van de centrales heeft gereageerd en geprobeerd heeft de zaak te redresseren. Hij hoort van die zijde ook een mea culpa. Die hoort hij niet van het onderdeel dat de problemen heeft veroorzaakt. Dat is jammer. Spreker wil graag weten hoe men bij dit onderdeel nu tegen deze kwestie aankijkt en of men er iets van heeft geleerd. Eerder was sprake van onbekendheid met de regelgeving. Is men nu wél bekend met de regelgeving op dit punt en zal men daar in de toekomst ook naar handelen? De heer Hulselmans biedt vanuit de DMO zijn verontschuldigingen aan voor de gang van zaken. De organisatie heeft hier zeker van geleerd. Begin 2013 zijn de functiepublicaties ook gestopt. Het is de organisatie nu duidelijk hoe de regelgeving in elkaar zit en waar men zich aan dient te houden. De heer Van der Hulst beschouwt deze zaak als "eens maar nooit weer". Omdat de medewerkers van het JIVC en het IVC OPS snel duidelijkheid moeten hebben, stelt hij voor om het proces naar de BCO 1 in gang te zetten. De heer Stassen wil, voorafgaand aan de BCO, nog weten of DMO-medewerkers in schaal 12 die behoren tot een knelpuntcategorie waarvan de sluitingsdatum al bekend was gesteld, maar waar nog overleg over plaatshad met de centrales, worden meegenomen in het proces. Voorts wijst spreker op 'Spoor 1.b'. Dat is een reorganisatie van circa 8 VTE waarvan de DMO in het overleg aangaf dat deze niet zou doorgaan. De centrales ontvangen signalen uit het veld dat dit reorganisatietraject toch op enig moment zal worden ingezet. Spreker wil hier, voorafgaand aan de BCO, duidelijkheid over. Als deze reorganisatie doorgaat, dan houden de centrales hier rekening mee in het PVP. Als deze reorganisatie eerst niet doorgaat en daarna toch weer wel, dan willen de centrales dat Defensie dat achteraf repareert. De heer Hulselmans antwoordt dat 'Spoor 1.b, zoals eerder gesteld, niet doorgaat. De vraag die de centrales hierover hebben gesteld in het informeel overleg is duidelijk. Daar komt, voorafgaand aan de BCO, een antwoord op met een toelichting. Wat de knelpuntcategorie schaal 12 betreft geeft spreker aan dat hij binnen de DMO nog een nieuwsbrief zal uitsturen waarin hij duidelijk aangeeft dat deze knelpuntcategorie nog niet is gesloten. De heer Stassen vernam dat een aantal medewerkers van IVENT op termijn over zullen gaan naar het ministerie van Algemene Zaken op basis van een soort outsourcingsconstructie Hij wil daar op termijn graag meer duidelijkheid over. De heer Hulselmans zegt dit toe. De voorzitter stelt vast dat er nadere afspraken kunnen worden gemaakt voor een BCO JIVC en een BCO JIVC OPS. 21/26

22 Agendapunt 9: Brief AC betreffende ontbreken reorganisatietraject herinrichting museaal bestel Defensie (REO/ ) plus Overgang defensiepersoneel naar stichting Defensiemusea (presentatie) De voorzitter memoreert dat eerder in de werkgroep REO informatie is gegeven over het reorganisatieproces, de organisatorische ophanging en de tijdsplanning. Een belangrijk onderdeel van iedere reorganisatie is de positie van het personeel. De standaard personeelsparagraaf uit de URD is voor deze overgang ongeschikt. Daarom is Defensie druk bezig met het opstellen van een aparte personeelsparagraaf. In deze personeelsparagraaf wordt aandacht besteed aan het proces van de overgang en aan de arbeidsvoorwaardelijke voorzieningen bij de overgang van het defensiepersoneel. Deze personeelsparagraaf zal worden besproken in de werkgroep AP, waar overeenstemming moet worden bereikt over dit traject. Het gaat om een vrij complexe overgang. Daarom wil Defensie hier ook in deze vergadering over van gedachten wisselen met de centrales. De heer Schipper wijst erop dat een personeelsparagraaf onderdeel is van een reorganisatieplan. De heer Van de Hoef geeft aan in de presentatie in te zullen gaan op de stand van zaken van het reorganisatieplan. De heer Stassen merkt op dat het AC de brief heeft geschreven omdat de centrale zich grote zorgen maakt. Over dit traject wordt al heel lang gesproken, maar het betrokken personeel weet nog steeds niet wat er met ze gaat gebeuren. Intussen sluiten bestaande musea al hun deuren sluiten en is de nieuwbouw aangevat. Het AC verwacht dat Defensie op korte termijn dit reorganisatietraject inricht conform de URD. De voorzitter zegt dat de strekking van de brief van het AC duidelijk is. Defensie neemt de zorgen van de centrale serieus. Er is de afgelopen weken hard gewerkt om het reorganisatieproces vorm te geven. Dat zal ook blijken uit de presentatie. Presentatie Herinrichting Museaal Bestel Defensie, Proces van overgang defensiepersoneel De heer Van de Hoef houdt de presentatie. Noot secr.: de presentatie is als bijlage bij het verslag gevoegd. Blz. 2 Besluit Herinrichting Museaal Bestel Defensie 2 e De juiste datum is 1 april e Naar aanleiding van een opmerking van de heer Schipper geeft de heer Van de Hoef aan dat in één document informatie zal worden verstrekt over zowel de overgang naar de stichting als de overgang naar het consortium. Blz. 3 Uitgangspunten bij overgang defensiepersoneel 1 e Naar aanleiding van een opmerking van de heer Klaassen merkt de heer Van de Hoef op dat de verplichte overname 'aangeleverde' medewerkers geldt voor zowel de SDM als het consortium. Die verplichte overname betreft dus ook cateringmedewerkers van Paresto. 22/26

23 3 e Punt 3 De heer Springer gaat ervan uit dat een militair wiens functie vervalt en die als burger wil gaan werken op een functie bij SDM, gebruik kan maken van alle faciliteiten die het SBK 2004 biedt om van werk naar te gaan. De heer Van de Hoef beaamt dat dit een mogelijkheid is. Hij wijst erop dat voor de medewerkers die verplicht overgaan, een arbeidsvoorwaardenvergelijking wordt gemaakt. Voor militairen kan blijken dat het traject via het SBK ongunstiger is. Blz. 4 Ist en Soll Vooral bij het Legermuseum en het MLM loopt het aantal functies terug. Het consortium kent ook nieuwe functies. Blz. 7 Tijdsplanning De heer Van de Hoef benadrukt dat ook Defensie vaart wil maken met deze reorganisatie. Na afloop van de presentatie wijst de heer Klaassen op de noodzaak een sociaal plan overeen te komen waarin alle zaken worden geregeld die niet in het SBK 2004 voorkomen. De heer Van de Hoef licht toe dat het SBK alleen van toepassing is op degenen die geen functie meer hebben. Er moet hoe dan ook een document komen waarin de voorzieningen bij de overgang duidelijk zijn verwoord. Dat kan een sociaal plan zijn of een personeelsparagraaf in het VRP. Naar aanleiding van een opmerking van de heer Klaassen, geeft de heer Van de Hoef aan dat de functiebeschrijvingen van de Ist en de Soll met elkaar vergeleken zullen worden. Sommige functiebenamingen zullen veranderen zonder dat de inhoud van de functie veel verandert. Er zullen ook nieuwe functies ontstaan. De heer Klaassen informeert of medewerkers ook een functie aangeboden kunnen krijgen op grote afstand van waar ze nu werken, bijvoorbeeld vanuit Den Helder naar Soesterberg. De heer Van de Hoef antwoordt dat dit niet op voorhand is uit te sluiten, maar hij verwacht niet dat dit op grote schaal zal gebeuren. De voorzitter wijst in dit kader op de te houden personeelsinventarisatie. Daarin komen zaken als standplaats en behoud van werk aan de orde. Er kan verdringing ontstaan tussen de medewerkers die vanuit de huidige stichting overgaan naar de SDM en het consortium en het defensiepersoneel dat bij de musea werkt. Via de personeelsinventarisatie en vrijwillig vertrek (vacaturemanagement) zal men proberen de overtolligheid zo veel mogelijk te beperken. Met het oog op een spoedige reorganisatie is het volgens de heer Schipper nodig om zo snel mogelijk te komen tot een pakketvergelijking tussen de arbeidsvoorwaarden bij de oude werkgever en bij de SDM en het consortium. De heer Van de Hoef beaamt dat. De voorzitter deelt mee dat de personeelsparagraaf nagenoeg klaar is. De reguliere weg is dat deze paragraaf ter behandeling wordt aangeboden aan de werkgroep AP. Spreker verwacht echter niet dat deze paragraaf daar op zeer korte termijn behandeld kan worden. Daarom stelt hij voor om, zodra de personeelsparagraaf klaar is, deze informeel te bespreken in een technisch werkverband en daar 23/26

24 ook inzicht te geven in de arbeidsvoorwaardenvergelijking. Het document zou dan met een pieptermijn aan de werkgroep AP kunnen worden aangeboden. Dit bespoedigt de gang van zaken. De heer Stassen wijst erop dat de voorlichting aan het personeel wel correct moet zijn. Er staat een informatiebijeenkomst gepland voor mei. Dan moet er meer zijn dan de uitkomst van een informeel overleg. De heer Klaassen benadrukt nogmaals dat de centrales willen overleggen over een sociaal plan. Zo'n plan is breder dan de voorzieningen genoemd in de presentatie. De voorzitter legt uit dat het de bedoeling is om in het technisch werkverband zoveel mogelijk overeenstemming te bereiken over zowel de overgang als de arbeidsvoorwaardelijke voorzieningen. Punten waar partijen in het technisch werkverband geen overeenstemming over bereiken worden geadresseerd in het formele overleg. Daar vindt ook de uiteindelijke besluitvorming plaats. Desgevraagd door de heer Schipper zegt de voorzitter toe dat afstemming met de centrales zal plaatsvinden over het moment van de informatiebijeenkomst en de informatie die daar zal worden verstrekt. De heer Stassen constateert dat het cvrp/drp gepland staat voor mei. Is dit wel haalbaar? De heer Van de Hoef zegt op dat punt geen problemen te voorzien. Het cvrp is grotendeels klaar. De voorzitter zegt dat ook het c-vrp zal worden meegestuurd naar het technisch werkverband. Mevrouw Laval merkt desgevraagd op dat volgens een inventarisatie circa tien personen moeite hebben met de verhuizing van het Legermuseum van Delft naar Soesterberg. De betrokkenen zijn in Delft nog doende met het klaarmaken van de laatste delen van de collectie voor de verhuizing. Het Legermuseum zelf is inmiddels gesloten voor bezoekers. Het kantoor is op 1 april 2013 verhuisd naar Soesterberg. Daar wordt in juni het hoogste punt van de nieuwbouw bereikt. De leden van de werkgroep REO worden uitgenodigd daarbij aanwezig te zijn. De voorzitter zegt dat het cvrp, de personeelsparagraaf en de arbeidsvoorwaardenvergelijking begin week 16 zal worden toegezonden aan de centrales met een datumvoorstel voor een technisch werkverband. Desgevraagd door de heer Klaassen geeft mevrouw Laval aan dat er met de TRMC al overleg is gevoerd over het c-vrp, maar nog niet over de personeelsparagraaf. De heer Stassen kondigt aan dat de centrales nog in overleg zullen treden met de TRMC, onder meer over de personeelsparagraaf. Agendapunt 10: Rondvraag en sluiting Rondvraag Synchronisatie staven De voorzitter meldt dat de brieven worden verzonden. Hij stelt voor de BCO 2-bijeenkomsten te houden op donderdag 2 mei 2013 bij het CAOP. Voor deze bijeenkomsten hebben de centrales een lijst nodig van de heroverwegingen. Deze zullen worden aangeleverd conform het format dat eerder bij FABK werd toegepast. Mevrouw Mol verzoekt om enige coulance wegens de krappe termijnen. Het is de bedoeling om 6 mei over te gaan tot vacaturepublicatie. Zij zal de voorzitters van de BCO s verzoeken om vooraf contact op te nemen met de coördinatoren. 24/26

25 Werkgroep REO Besloten wordt om een extra vergadering te houden op 18 april 2013 vanaf uur. Noot secr.: agenda zie REO/ Sluiting De voorzitter sluit de vergadering. 25/26

26 Actiepuntenlijst bij het verslag van het overleg d.d. 11 april 2013 Nr. Onderwerp Korte omschrijving actie Vindplaats Actienemer 1. Synchronisatie Staven stand van zaken agenderen (vast agendapunt) blz.3 agpt. 2 HDP 2. Functiepublicaties nagaan of er geselecteerd wordt op categorie personeel (bv. logistiek) 3. Procedures URD signaal in lijn doen uitgaan dat men zich aan procedures URD dient te houden 4. JIVC / JIVC OPS vragen centrales betreffende Spoor 1.b en overgang medewerkers IVENT naar Min. AZ beantwoorden blz. 3 agpt. 2 blz. 4 agpt. 2 blz. 21 agpt. 8 HDP HDP DMO 5. Herinrichting museaal bestel c-vrp, personeelsparagraaf en arbeidsvoorwaardenvergelijking naar centrales met voorstel datum technisch werkverband (in week 16) blz. 24 agpt. 9 HDP 26/26

Agenda (REO/13.00449)

Agenda (REO/13.00449) M. van Tyghem inlichtingen [email protected] 070-3765764 - bijlage(n) REO/13.00488 briefnummer G.1.33 zaaknummer 17 september 2013 verzenddatum Verslag van de vergadering van de werkgroep Reorganisaties

Nadere informatie

Georganiseerd Overleg Sector Defensie Werkgroep Reorganisaties Overleg d.d. 10 juli 2014

Georganiseerd Overleg Sector Defensie Werkgroep Reorganisaties Overleg d.d. 10 juli 2014 M. van Tyghem inlichtingen [email protected] Montérie 070-3765764 - bijlage(n) REO/14.00434 briefnummer G.1.33 zaaknummer 18 juli 2014 verzenddatum Verslag van de vergadering van de werkgroep Reorganisaties

Nadere informatie

Georganiseerd overleg Defensie

Georganiseerd overleg Defensie Georganiseerd overleg Defensie Werkgroep Reorganisaties G.A. van Herpen-Bartlema inlichtingen [email protected] 070-3765779 bijlage(n) REO/15.00235 briefnummer 15 april 2015 verzenddatum Verslag van

Nadere informatie

Georganiseerd overleg Defensie

Georganiseerd overleg Defensie Georganiseerd overleg Defensie Werkgroep Reorganisaties G.A. van Herpen-Bartlema inlichtingen [email protected] 070-3765779 bijlage(n) REO/15.00088 briefnummer G.1.33 zaaknummer 3 februari 2015 verzenddatum

Nadere informatie

Georganiseerd overleg Defensie

Georganiseerd overleg Defensie Georganiseerd overleg Defensie Werkgroep Reorganisaties G.A. van Herpen-Bartlema inlichtingen [email protected] 070-3765779 Presentatie DBBS bijlage(n) REO/15.00054 briefnummer G.1.33 zaaknummer 26 januari

Nadere informatie

Georganiseerd Overleg Sector Defensie Werkgroep Reorganisaties Overleg d.d. 15 mei 2014

Georganiseerd Overleg Sector Defensie Werkgroep Reorganisaties Overleg d.d. 15 mei 2014 M. van Tyghem inlichtingen [email protected] Montérie 070-3765764 - bijlage(n) REO/14.00333 briefnummer G.1.33 zaaknummer 6 juni 2014 verzenddatum Verslag van de vergadering van de werkgroep Reorganisaties

Nadere informatie

Georganiseerd overleg Defensie

Georganiseerd overleg Defensie Georganiseerd overleg Defensie Werkgroep Reorganisaties G.A. van Herpen-Bartlema inlichtingen [email protected] 070-3765779 bijlage(n) REO/14.00681 briefnummer G.1.33 zaaknummer 18 november 2014 verzenddatum

Nadere informatie

Oprichting Defensie Gezondheidszorg Organisatie

Oprichting Defensie Gezondheidszorg Organisatie Oprichting Defensie Gezondheidszorg Organisatie Voortgang reorganisatie Januari 2013, nr.6 Met de oprichting van de Defensie Gezondheidszorg Organisatie (DGO) ontstaan een staf DGO en drie reguliere zorgelementen,

Nadere informatie

Georganiseerd Overleg Sector Defensie Technische Werkgroep Arbo & Veiligheid (TWAV) d.d. 14 mei 2012

Georganiseerd Overleg Sector Defensie Technische Werkgroep Arbo & Veiligheid (TWAV) d.d. 14 mei 2012 Technische Werkgroep Arbo & Veiligheid (TWAV) d.d. 14 mei 2012 J. Tholenaar inlichtingen [email protected] 070-3765705 bijlagen TWAV/12.00337 nummer ZD.931.2 zaaknummer mei 2012 Verzenddatum email Verslag

Nadere informatie

Georganiseerd Overleg Sector Defensie Werkgroep Reorganisaties Overleg d.d. 12 juni 2014

Georganiseerd Overleg Sector Defensie Werkgroep Reorganisaties Overleg d.d. 12 juni 2014 M. van Tyghem inlichtingen [email protected] Montérie 070-3765764 2 bijlage(n) REO/14.00415 briefnummer G.1.33 zaaknummer 8 juli 2014 verzenddatum Verslag van de vergadering van de werkgroep Reorganisaties

Nadere informatie

Georganiseerd overleg Defensie

Georganiseerd overleg Defensie Georganiseerd overleg Defensie Werkgroep Reorganisaties G.A. van Herpen-Bartlema inlichtingen [email protected] 070-3765779 bijlage(n) REO/15.00024 briefnummer G.1.33 zaaknummer 15 januari 2015 verzenddatum

Nadere informatie

Georganiseerd overleg Defensie

Georganiseerd overleg Defensie Georganiseerd overleg. Drs. C.L.D. (Carina) van Agten Inlichtingen 0627595670 telefoon [email protected] e-mail bijlage SOD/15.00740 briefnummer G.1.01 zaaknummer 28 december 2015 datum Verslag van de

Nadere informatie

Georganiseerd overleg Defensie

Georganiseerd overleg Defensie Georganiseerd overleg Defensie Werkgroep Algemene en Financiele Rechtstoestand (AFR) G.A. van Herpen-Bartlema inlichtingen 070-376 57 79 telefoon [email protected] e-mail 0 bijlage(n) AFR/14.00762 briefnummer

Nadere informatie

Georganiseerd Overleg Sector Defensie Werkgroep Postactieven

Georganiseerd Overleg Sector Defensie Werkgroep Postactieven Georganiseerd Overleg Sector Leden van de werkgroep Postactieven van het Sectoroverleg Verslag van de vergadering van de werkgroep Postactieven op dinsdag 5 juni 2012 in de Sophiezaal van het CAOP, Lange

Nadere informatie

Georganiseerd overleg Defensie

Georganiseerd overleg Defensie Georganiseerd overleg Defensie Werkgroep Algemene en Financiele Rechtstoestand (AFR) G.A. van Herpen-Bartlema inlichtingen 070-376 57 79 telefoon [email protected] e-mail 0 bijlage(n) AFR/15.00044 briefnummer

Nadere informatie

Agenda (REO/13.00159)

Agenda (REO/13.00159) M. van Tyghem inlichtingen [email protected] 070-3765764 - bijlage(n) REO/13.00241 briefnummer G.1.33 zaaknummer 22 mei 2013 verzenddatum Verslag van de extra vergadering van de werkgroep Reorganisaties

Nadere informatie

Georganiseerd overleg sector Defensie Werkgroep Algemeen Personeelsbeleid

Georganiseerd overleg sector Defensie Werkgroep Algemeen Personeelsbeleid Georganiseerd overleg sector Defensie Werkgroep Algemeen Personeelsbeleid G.A. van Herpen-Bartlema Inlichtingen 070-376 57 79 telefoon [email protected] e-mail bijlage AP/15.00010 briefnummer G.1.03

Nadere informatie

Georganiseerd overleg sector Defensie Werkgroep Algemeen Personeelsbeleid

Georganiseerd overleg sector Defensie Werkgroep Algemeen Personeelsbeleid Georganiseerd overleg sector Defensie Werkgroep Algemeen Personeelsbeleid G.A. van Herpen-Bartlema Inlichtingen 070-376 57 79 telefoon [email protected] e-mail 1 bijlage AP/15.00095 briefnummer G.1.03

Nadere informatie

Georganiseerd Overleg Sector Defensie Technische Werkgroep Arbo & Veiligheid (TWAV) d.d. 13 februari 2012

Georganiseerd Overleg Sector Defensie Technische Werkgroep Arbo & Veiligheid (TWAV) d.d. 13 februari 2012 Technische Werkgroep Arbo & Veiligheid (TWAV) J. Tholenaar inlichtingen [email protected] 070-3765705 bijlagen TWAV/12.00069 nummer ZD.931.2 zaaknummer februari 2012 Verzenddatum email Verslag van het

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2014 2015 33 763 Toekomst van de krijgsmacht Nr. 55 LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN Vastgesteld 23 september 2014 De vaste commissie voor Defensie heeft een

Nadere informatie

Georganiseerd overleg sector Defensie Werkgroep Algemeen Personeelsbeleid

Georganiseerd overleg sector Defensie Werkgroep Algemeen Personeelsbeleid Georganiseerd overleg sector Defensie Werkgroep Algemeen Personeelsbeleid G.A. van Herpen-Bartlema Inlichtingen 070-376 57 79 telefoon [email protected] e-mail bijlage AP/15.00126 briefnummer G.1.03

Nadere informatie

Van de zijde van Defensie: R. Kreeftmeijer (vz.), E.H. Dekker, R. Dirkzwager, F.R. van de Hoef, E.H. Huisman, C. de Rijke, I.M.M.

Van de zijde van Defensie: R. Kreeftmeijer (vz.), E.H. Dekker, R. Dirkzwager, F.R. van de Hoef, E.H. Huisman, C. de Rijke, I.M.M. Georganiseerd overleg sector Defensie Werkgroep Algemeen Personeelsbeleid G.A. van Herpen-Bartlema Inlichtingen 070-376 57 79 telefoon [email protected] e-mail 0 bijlage AP/15.00 540 briefnummer G.1.03

Nadere informatie

De Defensieonderdeel Medezeggenschapscommissie DMO (hierna: de DMC)

De Defensieonderdeel Medezeggenschapscommissie DMO (hierna: de DMC) ADVIES Advies van het College voor geschillen medezeggenschap defensie aan de Secretaris-generaal naar aanleiding van een verzoek om advies inzake een tussen: Directeur Defensie Materieel Organisatie (DMO)

Nadere informatie

Van de zijde van de Centrales: J.J.H. van Hulsen (AC), M.C.G. Klaassen, R.W Schilperoort(ACOP), L.C. van der Hulst, J.A.

Van de zijde van de Centrales: J.J.H. van Hulsen (AC), M.C.G. Klaassen, R.W Schilperoort(ACOP), L.C. van der Hulst, J.A. Georganiseerd overleg sector Defensie Werkgroep Algemeen Personeelsbeleid G.A. van Herpen-Bartlema Inlichtingen 070-376 57 79 telefoon [email protected] e-mail 0 bijlage AP/15.00589 briefnummer G.1.03

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2007 2008 30 800 X Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Defensie (X) voor het jaar 2007 Nr. 121 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN

Nadere informatie

Agenda (REO/11.00160)

Agenda (REO/11.00160) M. van Tyghem inlichtingen [email protected] 070-3765764 Bijlage(n) REO/12.00260 briefnummer G.1.33 zaaknummer 3 mei 2012 verzenddatum Verslag van de vergadering van de werkgroep Reorganisaties van 5

Nadere informatie

Verslag van de vergadering van het SOD van 2 juni 2015 bij het CAOP, Baljuwzaal, Lange Voorhout 13 te Den Haag

Verslag van de vergadering van het SOD van 2 juni 2015 bij het CAOP, Baljuwzaal, Lange Voorhout 13 te Den Haag Georganiseerd overleg Defensie Werkgroep Arbeidsvoorwaarden.. Drs C. (carina) L.D. van Agten Inlichtingen 0627595670 telefoon [email protected] e-mail bijlage SOD/15.00401 briefnummer G.1.01 zaaknummer

Nadere informatie

CONVENANT. tussen: DE STAATSSECRETARIS VAN DEFENSIE DE CENTRALES VAN OVERHEIDSPERSONEEL, SECTOR DEFENSIE. Inzake LEVENSFASEBELEID

CONVENANT. tussen: DE STAATSSECRETARIS VAN DEFENSIE DE CENTRALES VAN OVERHEIDSPERSONEEL, SECTOR DEFENSIE. Inzake LEVENSFASEBELEID Georganiseerd overleg sector Defensie (SOD) email 18-12-2007 briefnummer AP/07.01077 zaaknummer ZD.200.1 status x Behandel Informatie Pieptermijn CONVENANT tussen: DE STAATSSECRETARIS VAN ENSIE en DE CENTRALES

Nadere informatie

Reorganisatie Militaire Gezondheidszorg 15 december 2011, nr. 1

Reorganisatie Militaire Gezondheidszorg 15 december 2011, nr. 1 Reorganisatie Militaire Gezondheidszorg 15 december 2011, nr. 1 Voorwoord door de Kwartiermaker Militaire Gezondheidszorg Defensie staat aan de vooravond van wederom een grote reorganisatie. Deze keer

Nadere informatie

Opheffing Transitie Management Organisatie (TMO)

Opheffing Transitie Management Organisatie (TMO) Ministerie van Defensie ~.~~1 BELEIDSVOORNEMEN Opheffing Transitie Management Organisatie (TMO) Datum Versie Status 09-04-2014 1.0 Definitief (~(4, Georganiseerd overleg sector Defensie (SOD) verzonden

Nadere informatie

de Medezeggenschapscommissie Transitie Management Organisatie (hierna: MC)

de Medezeggenschapscommissie Transitie Management Organisatie (hierna: MC) 1 ADVIES Dossiernummer: ABB/2015/113982 Advies van de wnd. voorzitter van het College voor Geschillen Medezeggenschap Defensie aan de Directeur van de Diensteenheid Defensie Materieel van het Ministerie

Nadere informatie

Verslag van de vergadering van de werkgroep Postactieven op 7 juni 2016 in de Sophiezaal van het CAOP te Den Haag.

Verslag van de vergadering van de werkgroep Postactieven op 7 juni 2016 in de Sophiezaal van het CAOP te Den Haag. Leden van de werkgroep Postactieven van het Sectoroverleg Defensie Carina van Agten inlichtingen [email protected] e-mail 0627595670 telefoonnummer PA/16.00367 nummer G.1.02 zaaknummer 10 juni 2016 verzenddatum

Nadere informatie

Georganiseerd Overleg Sector Defensie Technische Werkgroep Arbo & Veiligheid (TWAV) d.d. 17 september 2012

Georganiseerd Overleg Sector Defensie Technische Werkgroep Arbo & Veiligheid (TWAV) d.d. 17 september 2012 Technische Werkgroep Arbo & Veiligheid (TWAV) J. Tholenaar inlichtingen [email protected] 070-3765705 bijlagen TWAV/12.00740 nummer ZD.931.2 zaaknummer 9 oktober 2012 Verzenddatum email Verslag van het

Nadere informatie

Vergadering van De commissie Onderzoek van de Rekening. 15 april 2009 COR2008-11. Status verslag Concept. de heer Romijn

Vergadering van De commissie Onderzoek van de Rekening. 15 april 2009 COR2008-11. Status verslag Concept. de heer Romijn Verslag Vergadering van De commissie Onderzoek van de Rekening Vergaderdatum Kenmerk 15 april 2009 COR2008-11 Status verslag Concept Verslaglegging door Telefoonnummer W.L. Walkate (Notuleerservice Nederland)

Nadere informatie

Synchronisatie Reorganisaties

Synchronisatie Reorganisaties Synchronisatie Reorganisaties Inleiding: De GOV MHB heeft het standpunt ingenomen dat de reorganisaties bij Defensie zo veel als mogelijk gelijktijdig dienen te worden doorgevoerd. Dit om iedereen bij

Nadere informatie

College voor geschillen medezeggenschap defensie

College voor geschillen medezeggenschap defensie ADVIES Dossiernr: Advies van het College voor geschillen medezeggenschap defensie aan de Bevelhebber der Zeestrijdkrachten naar aanleiding van een verzoek om advies inzake een tussen: de Commandant Maritieme

Nadere informatie

de Defensieonderdeel Medezeggenschapscommissie van het Commando Landstrijdkrachten (hierna: de DMC)

de Defensieonderdeel Medezeggenschapscommissie van het Commando Landstrijdkrachten (hierna: de DMC) College voor geschillen medezeggenschap Defensie ADVIES Advies van het College voor geschillen medezeggenschap Defensie aan de Secretaris-Generaal van het Ministerie van Defensie naar aanleiding van een

Nadere informatie

Georganiseerd Overleg Sector Defensie Werkgroep Algemene en Financiële Rechtstoestand Ingelast Overleg d.d. 6 maart 2012

Georganiseerd Overleg Sector Defensie Werkgroep Algemene en Financiële Rechtstoestand Ingelast Overleg d.d. 6 maart 2012 Ingelast Overleg d.d. 6 maart 2012 H.Montérie inlichtingen [email protected] 070-3765784 AFR/12.00132 nummer G.1.04 zaaknummer 13 maart 2012 verzenddatum Verslag van de vergadering van de werkgroep Algemene

Nadere informatie

Georganiseerd overleg Sector Defensie Werkgroep Algemeen Personeelsbeleid

Georganiseerd overleg Sector Defensie Werkgroep Algemeen Personeelsbeleid Georganiseerd overleg Sector Defensie Werkgroep Algemeen Personeelsbeleid G.A. van Herpen-Bartlema inlichtingen 070-376 57 79 telefoon [email protected] e-mail 0 bijlage(n) AP/12.00819 briefnummer G.1.03

Nadere informatie

Personeelsplan. Samenwerking Leiden - Leiderdorp

Personeelsplan. Samenwerking Leiden - Leiderdorp Bijlage behorend bij de Gemeenschappelijke Regeling sociale diensten gemeenten Leiden en Leiderdorp, 2006 Personeelsplan Samenwerking Leiden - Leiderdorp 1 van 5 01. Inleiding. Het besluit van de gemeente

Nadere informatie

Reservistenbeleid. Van beleid naar activiteit. PD-DAOG Bgenmarns Frank van Sprang

Reservistenbeleid. Van beleid naar activiteit. PD-DAOG Bgenmarns Frank van Sprang Van beleid naar activiteit PD-DAOG Bgenmarns Frank van Sprang PRESENTATIE Aanleiding Wat is de reservist Stand van zaken Korte en lange termijn visie 2 Aanleiding Financieel duurzame Krijgsmacht Toekomstige

Nadere informatie

01. Opening / Welkom Chantal opent de vergadering en heet iedereen welkom.

01. Opening / Welkom Chantal opent de vergadering en heet iedereen welkom. Actie en besluitenlijst GMR-vergadering Datum: 25 juni 2018 Aanwezig: Afwezig: Notulen: Chantal Pijls (voorzitter), Melanie Verbeek, Richard de Wilde, Angèle Gubbels, Marc van der Meulen en Stephan Gerards

Nadere informatie

Agenda: 1. Opening, mededelingen en vaststelling agenda. 2. Presentatie Externe herplaatsing SBK 2012.

Agenda: 1. Opening, mededelingen en vaststelling agenda. 2. Presentatie Externe herplaatsing SBK 2012. Georganiseerd overleg Sector Defensie Werkgroep Algemeen Personeelsbeleid G.A. van Herpen-Bartlema inlichtingen 070-376 57 79 telefoon [email protected] e-mail 0 bijlage(n) AP/12.00373 briefnummer G.1.03

Nadere informatie

Ministerie van Defensie

Ministerie van Defensie Ministerie van Defensie > Retouradres Postbus 20703 2500 ES Den Haag De voorzitter en de leden van de Advies- en Arbitragecommissie Hoofddirectie Personeel Directie Personeelsbeleid Afdeling Personeelsbeleid

Nadere informatie