Monitoring van korstmossen in Drenthe,
|
|
|
- Gabriël Dijkstra
- 9 jaren geleden
- Aantal bezoeken:
Transcriptie
1 adviesbureau voor korstmosonderzoek Monitoring van korstmossen in Drenthe, C.M. van Herk 2011 in opdracht van Provincie Drenthe
2
3 Monitoring van korstmossen in Drenthe, Lichenologisch Onderzoekbureau Nederland () in opdracht van Provincie Drenthe, Afdeling DO/ Team Bodembeleid C.M. van Herk 2011
4
5 VOORWOORD De provincie Drenthe voert al sinds 1978 onderzoek uit aan korstmossen op bomen. In 1989/91 kreeg het huidige meetnet gestalte en is gestart met de monitoring. Op vele honderden punten zijn toen de korstmossen op groepjes bomen geïnventariseerd. Herhalingsonderzoek heeft in 1996/98 en 2004 plaatsgevonden. Dit rapport behandelt de resultaten van de derde integrale herhalingsronde in 2009/10. Korstmossen staan al jaren bekend als goede milieu-indicatoren. Of het nu gaat om verzuring, vermesting of klimaatsverandering, steeds hebben zij weer bewezen dat de effecten van menselijk ingrijpen er goed mee zichtbaar gemaakt kunnen worden. Het meetnet moet gezien worden als een effectindicator bij het milieubeleid, en heeft vooral tot doel om de ammoniakproblematiek met een biologische graadmeter te volgen. Bepaalde stikstofminnende korstmossen gaan harder groeien bij hoge concentraties ammoniak; andere soorten zijn daar juist gevoelig voor en nemen erdoor af. Verder wordt in dit rapport aandacht besteed aan de effecten van klimaatsverandering. Het is gebleken dat korstmossen daar sterk op reageren. Ook wordt aandacht besteed aan de natuurwaarde van korstmossen. De resultaten van de huidige ronde en alle verandering sinds 1991, 1998 en 2004 worden in dit rapport statistisch geanalyseerd en besproken. Namens de provincie Drenthe werd het project begeleid door Anton Dries, Thea Harmelink, Bert Oving en Arnout Venekamp. Ik bedank iedereen van harte voor zijn of haar inbreng, Kok van Herk Lichenologisch Onderzoekbureau Nederland () Goudvink WK Soest tel
6 4
7 INHOUDSOPGAVE VOORWOORD 1 INLEIDING Wat zijn korstmossen? Eerder epifytenonderzoek in Drenthe Het huidige provinciale korstmossenmeetnet Ander korstmossenonderzoek in Drenthe Het Drentse milieu 12 2 METHODE Veldwerk Uitwerking 19 3 RESULTATEN Soortensamenstelling Rode Lijst Verandering van de soortenrijkdom Verkeer Ammoniak: patronen en trends Klimaatsverandering 45 4 DISCUSSIE 48 5 SAMENVATTING 52 6 CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN 56 7 VERKLARENDE WOORDENLIJST 58 8 LITERATUUR 59 kaarten kaart 1 soortenrijkdom per punt in kaart 2 soortenrijkdom per punt in kaart 3 verandering van de soortenrijkdom per punt kaart 4 aantal soorten met een zeer zuidelijk areaal per punt in kaart 5 aantal Rode Lijst-soorten per punt in kaart 6 aantal Rode Lijst-soorten per punt in kaart 7 Nitrofiele Indicatie Waarde (NIW) per monsterpunt in kaart 8 Nitrofiele Indicatie Waarde (NIW) per monsterpunt in 1998 met correctie voor verkeer 66 kaart 9 Nitrofiele Indicatie Waarde (NIW) per monsterpunt in 2004 met correctie voor verkeer 67 kaart 10 Nitrofiele Indicatie Waarde (NIW) per monsterpunt in 2010 met correctie voor verkeer 67 5
8 kaart 11 Nitrofiele Indicatie Waarde (NIW) per monsterpunt in kaart 12 Nitrofiele Indicatie Waarde (NIW) per monsterpunt in kaart 13 verandering NIW per punt, , met correctie voor verkeer 69 kaart 14 verandering NIW per punt, kaart 15 verandering NIW per blok van 5x5 km 2, kaart 16 verandering NIW per blok van 5x5 km 2, , met correctie voor verkeer 70 kaart 17 verandering NIW per punt, , met correctie voor verkeer 71 kaart 18 verandering NIW per blok van 5x5 km 2, , met correctie voor verkeer 71 kaart 19 Acidofiele Indicatie Waarde (AIW) in kaart 20 Acidofiele Indicatie Waarde (AIW) in kaart 21 verandering AIW per punt, kaart 22 verandering AIW per blok van 5x5 km 2, kaart 23 Heksenvingermos (Physcia tenella) in kaart 24 Kapjesvingermos (Physcia adscendens) in kaart 25 Rond schaduwmos (Phaeophyscia orbicularis) in kaart 26 Groot dooiermos (Xanthoria parietina) in kaart 27 Klein dooiermos (Xanthoria polycarpa) in kaart 28 Poedergeelkorst (Candelariella reflexa) in kaart 29 Eikenmos (Evernia prunastri) in kaart 30 Purper geweimos (Pseudevernia furfuracea) in kaart 31 Gewoon schorsmos (Hypogymnia physodes) in kaart 32 Bruin boerenkoolmos (Tuckermannopsis chlorophylla) in kaart 33 Groene schotelkorst (Lecanora conizaeoides) in kaart 34 Groot boerenkoolmos (Platismatia glauca) in kaart 35 Vals dooiermos (Candelaria concolor) in kaart 36 Dun schaduwmos (Hyperphyscia adglutinata) in kaart 37 Groen boomschildmos (Flavoparmelia soredians) in kaart 38 Gewoon purperschaaltje (Lecidella elaeochroma) in kaart 39 Verzonken schriftmos (Opegrapha rufescens) in bijlagen bijlage 1 Lijst met korstmossen in 2004 en 2010, met percentage monsterpunten bijlage 2 Trends van de korstmossen over de periode bijlage 3 Verandering in monsterpunten met een sterke ammoniakreductie bijlage 4 Veranderingen in monsterpunten in bossen bijlage 5 Nitrofiele Indicatie Waarde 2010 met isolijnen bijlage 6 Acidofiele Indicatie Waarde 2010 met isolijnen bijlage 7 verandering NIW tussen 2004 en 2010 per 5 x 5 km 2 bijlage 8 verandering AIW tussen 2004 en 2010 per 5 x 5 km 2 6
9 1 INLEIDING 1.1 Wat zijn korstmossen? Korstmossen worden vaak in één adem met mossen genoemd, maar horen daar niet bij. De term 'korstmossen' is daarom wat misleidend, en de wetenschappelijke benaming 'lichenen' verdient eigenlijk de voorkeur. Korstmossen bestaan uit twee componenten die met elkaar samenwerken: een schimmel en een alg. De alg zorgt voor de aanmaak van suiker, de schimmel biedt de samenleving bescherming tegen o.a. vraat. Met het blote oog zijn de twee componenten niet apart herkenbaar. De groeivorm van de korstmosplant kan sterk uiteen lopen. De meest ontwikkelde vorm is de baardvorm; hierbij bestaat het plantje uit sterk vertakte dunne, rolronde draadjes, zoals bij Baardmos (Usnea spec., zie pag. 28. De struikvorm heeft behalve een ruimtelijke structuur ook afgeplatte delen, zoals bij Groot boerenkoolmos (Platismatia glauca, zie pag. 85). De bladvorm bestaat uit een rozet van blaadjes (bijv. Groen boomschildmos (Flavoparmelia soredians, zie pag. 88). De bekervorm heeft de vorm van een bokaal. De korstvorm, tenslotte, groeit plat en nauw tegen de ondergrond (bijv. Purperschaaltje (Lecidella elaeochroma, zie pag. 89). Korstmossen groeien vooral op extreme standplaatsen, zoals op kaal zand in heide en stuifzand, op steen van bijv. daken, bestratingen en hunebedden, en op schors van bomen. Het voorkomen op de stam van bomen is het hoofdonderwerp van deze studie. We spreken dan van epifytische korstmossen, ofwel kortweg epifyten. In Drenthe zijn de korstmossen op vrijstaande bomen langs wegen goed ontwikkeld, en bij uitstek geschikt voor monitoring. 1.2 Eerder epifytenonderzoek in Drenthe Drenthe is in 1973 voor de eerste keer in zijn geheel onderzocht op epifytische korstmossen (De Wit, 1976). Dit was in het kader van een landelijke kartering op initiatief van het toenmalige Rijksinstituut voor Natuurbeheer (RIN). Dit heeft geresulteerd in onder meer een kaart van de epifytenrijkdom. De verschillen zowel landelijk als ook binnen Drenthe werden toen in sterke mate door de uitstoot van zwaveldioxide (SO 2 ) bepaald. Ook bleek toen dat Drenthe tot de rijke provincies behoorde; de diversiteit aan korstmossen was in Drenthe nog zeer groot. Onderzoek door de provincie Drenthe zelf (Masselink-Beltman, 1978) bevestigde dit. Om de effecten van zwaveldioxide te monitoren werd in Drenthe vanaf 1980 een meetnet geïnstalleerd met behulp van foto's, waaraan de groei van indicatorsoorten werd afgemeten (Dijkstra, 1990). De inmiddels dalende SO 2 - concentraties leidden in de periode tot een licht herstel van de 7
10 meeste indicatorsoorten. Bij bepaalde soorten was dit echter niet het geval. Zo bleek dat Purper geweimos (Pseudevernia furfuracea) op veel plaatsen afstervingsverschijnselen vertoonde. Dit was het eerste signaal dat ammoniak (NH 3 ) in Drenthe een negatief effect op korstmossen had. Onderzoek van het RIN in dezelfde periode richtte zich op monitoring met behulp van 'macrostations' en transekten (De Bakker, 1989, Van Dobben, 1991). De 'macrostations' waren genoemd naar de acht meetstations van het toenmalige Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit (LML), waarvan er één in Drenthe gelegen was, nl. 'Witteveen'. Door het RIN werden hier in 1987, 1988 en 1989 op 147 monsterpunten de korstmossen geïnventariseerd. Verder werden langs twee transekten tussen 1978 en 1990 jaarlijks een aantal boomgroepen onderzocht. Uit dit onderzoek bleek eveneens dat de effecten van SO 2 in die periode verminderden, en dat het effect van ammoniak steeds duidelijker werd (Van Dobben, 1993). 1.3 Het huidige provinciale korstmossenmeetnet Het onderhavige meetnet is gestart in 1989 toen bij wijze van proef delen van noord en zuidwest Drenthe gekarteerd werden om de ruimtelijke effecten van ammoniak in kaart te brengen. Door de veelal locale effecten van ammoniak was er behoefte ontstaan aan een fijnmazig meetnet met veel meetpunten. De opzet was dat op groepjes eiken alle aanwezige korstmossen (per boom) werden genoteerd, met vijf à zes meetpunten (= boomgroepen) per atlasblok van 5x5 km 2. Dit project werd in samenwerking met de provincies Overijssel en Gelderland uitgevoerd (van Herk, 1990). Ook heeft toen een onderzoek plaatsgevonden waarbij het verband tussen korstmossen, schorseigenschappen en luchtkwaliteit nader geanalyseerd is. Hierover is in The Lichenologist gepubliceerd (van Herk, 1999, 2001). In 1991 is het Drentse meetnet uitgebreid tot de huidige omvang, d.w.z. de gehele provincie, met in totaal ruim 560 meetpunten. Het veldwerk en de rapportage over dat jaar is uitgevoerd samen met aangrenzend Friesland (van Herk, 1993). Daarna is er nog twee keer een integrale herhalingsronde geweest. Een deel van de eerste herhaling vond in 1996 plaats in het kader van een vergelijkingsonderzoek met het provinciaal meetnet verzuring (Van Herk, 1996). In 1997 en 1998 zijn de resterende meetpunten herhaald, waarna over het hele meetnet rapportage is gedaan (van Herk 1998a). De tweede herhaling was in 2004 (van Herk, 2005). Voor de overzichtelijkheid zullen deze drie rondes in 1991, 1998 en 2004 worden gedateerd. In diverse provincies in oost en zuid Nederland heeft er de laatste jaren vergelijkbaar onderzoek plaatsgevonden, steeds met het hoofddoel de ammoniakproblematiek in kaart te brengen en te monitoren (zie bijv. Van 8
11 Herk, 2002, 2004, 2006, 2007, Sparrius, 2003). Het totale meetnet omvat enige duizenden meetpunten, waarbij veel meetpunten inmiddels vier keer zijn onderzocht. In omvang is het Nederlandse provinciale korstmossenmeetnet de grootste in zijn soort. De kartering en monitoring van ammoniak met korstmossen berust op het gegeven dat sommige soorten positief reageren op ammoniak, en andere soorten negatief. Een derde categorie soorten reageert slechts beperkt op ammoniak, maar veel daarvan zijn weer wel te gebruiken om het effect van zwaveldioxide te volgen. De soorten met een positieve reactie op ammoniak worden hierna nitrofyten ('ammoniakminnaars') genoemd. Zij reageren behalve op de verhoogde beschikbaarheid van gereduceerd stiksof, ook op het ph-verhogende effect dat ervan uitgaat op de bast. De soorten met een gevoeligheid voor ammoniak, de acidofyten (de 'ammoniakmijders'), zijn steeds zuurminnende soorten die gevoelig zijn voor een ontzuring van de schors (ammoniak is een base), en bovendien een verhoogde stikstofbeschikbaarheid slecht verdragen. Ongeveer twintig soorten epifyten zijn ammoniakminnend en bruikbaar om het effect van NH 3 in kaart te brengen; hun voorkomen wordt tot uitdrukking gebracht in de Nitrofiele Indicatie Waarde (NIW). Op een zelfde manier wordt het voorkomen van ongeveer twintig ammoniakmijders tot uitdrukking gebracht in de Acidofiele Indicatie Waarde (AIW). Het ruimtelijke patroon van de NIW in Nederland is gepubliceerd in The Lichenologist (van Herk, 1999). Om de methode nader te valideren heeft in 1998 een vergelijkingsonderzoek tussen de korstmossamenstelling en de door TNO gemeten ammoniak (NH 3 ) luchtconcentraties plaatsgevonden (van Herk, 1998b). Centraal stond de vraag in hoeverre de NIW en AIW bruikbaar zijn als indicator voor NH 3. Hierbij is gebruik gemaakt van NH 3 -metingen die toen door TNO uitgevoerd werden in de Friese Wouden, de Gelderse Vallei en de Brabantse Peel (Duyzer et al., 1998). Voor het meten van de NH 3 gebruikte TNO een groot aantal punten waar eerder korstmosonderzoek had plaatsgevonden (Duyzer & Westrate, 1996). De NH 3 -meetbuizen werden bij dit onderzoek in de gemonitorde bomen opgehangen. Uit het vergelijkingsonderzoek (Van Herk, 1998b) blijkt dat de jaargemiddelde NH 3 -concentratie ruim 59% van de variantie (= statistische maat) van de NIW kan verklaren (figuur 1.1), wat aangeeft dat de overeenkomst tussen beide zeer groot is. Indien de NIW en de NH 3 - concentratie als gemiddelde per atlasblok (5x5 km 2 ) genomen worden, is het verband nog veel sterker: de variantie is op dit niveau 90%. De NIW (en met name de atlasblokgemiddelde NIW) kan daarmee gezien worden als een betrouwbare schatting van het effect van NH 3 op korstmossen. De AIW laat een duidelijk negatief verband met NH 3 zien, en kan als omgekeerde graadmeter voor NH 3 gebruikt kan worden. De resultaten van dit onderzoek zijn gepubliceerd in The Lichenologist (van Herk, 2001). 9
12 14 12 Nitrofiele Indicatie Waarde Brabant Geld. Vallei Friesland ammoniakconcentratie (jaargemiddelde) Figuur 1.1 Lineaire regressie van de jaargemiddelde ammoniakconcentratie (1996) tegen de Nitrofiele Indicatie Waarde (1997) volgens metingen in de Brabantse Peel (bovenste regressielijn), de Gelderse Vallei (middelste lijn), en de Friese Wouden (onderste lijn). Figuur ontleend aan Van Herk, 1998 Een betrouwbare en consistente monitoring stelt een aantal specifieke eisen aan de werkwijze: 1. de bemonsterde bomen mogen niet te dicht op een boerderij staan, 2. er moet bij voorkeur een vrije aanstroom van lucht naar de stam mogelijk zijn, 3. slechts een beperkt aantal boomsoorten is bruikbaar, 4. elke boomsoort heeft zijn eigen dosis-respons relatie, 5. de hoeveelheid per soort wordt bij voorkeur met een gedetailleerde schaal opgenomen. In het Drentse meetnet is invulling aan deze eisen gegeven door alleen eiken te bemonsteren, en vrijwel alleen gebruik te maken van rijtjes vrijstaande eiken langs wegen, of groepjes eiken in dorpen. Omdat vrijstaande eiken in vrijwel de hele provincie in ruime mate voorhanden zijn, was hoge mate van uniformiteit in aanpak mogelijk. Alleen in grote boscomplexen zijn dergelijke bomen moeilijker te vinden, met name de vrije aanstoom is dan lastiger te realiseren. Sinds de introductie van de katalysator, ongeveer 15 jaar geleden, stoten ook auto s ammoniak uit. Dit wordt veroorzaakt door een reductieproces waarbij stikstofoxiden (NO x ) in stikstofgas (N 2 ) wordt omgezet. Deze omzetting gaat deels te ver door met als bijproduct NH 3. Het zou niet om grote hoeveelheden gaan, totaal ongeveer 2,6 kiloton NH 3 over 2004 voor geheel Nederland (meded. Hans van Jaarsveld, RIVM/PBL). De emissie door dieren bedraagt 134 kiloton over het zelfde jaar, dus ruim 50 maal zo veel. Niettemin kan de bijdrage van het wegverkeer lokaal substantieel zijn. Bij een onderzoek met permanente monsternemers langs de A1 en de A50 bleek dat de NH 3 -concentratie in de berm (vangrail) ongeveer 2µg/m 3 hoger was dan de achtergrondbelasting (MNP/RIVM, 2007). 10
13 In het verleden is bij provinciale karteringen herhaaldelijk onderzocht of er een invloed van het verkeer op de korstmossen (in het bijzonder de NIW) viel vast te stellen, meestal als routinematige check om ook mogelijke effecten van NO x op te sporen. Dit heeft nooit significante correlaties opgeleverd bij karteringen of herhalingen uitgevoerd tussen 1989 en Bij een herhaling van Gelderland in 2002 bleek voor het eerst dat er iets aan de hand was (van Herk, 2004, tabel 3.4). Verhoogde NIW-waarden werden toen vooral in stedelijke agglomeraties gevonden. Omdat daar ook andere factoren zoals uitwerpselen van huisdieren een mogelijke verstorende rol spelen, was een rol van NH 3 uit katalysatoren op dat moment nog niet in het vizier. De kans dat stikstofoxiden de oorzaak zijn van de verhoogde NIW is klein omdat de verschijnselen dan ook al in de jaren 90 van de vorige eeuw zichtbaar hadden moeten zijn. Het is zeker dat deze verschijnselen pas na 2001 zijn ontstaan. Bij een herhaling in Zeeland kwam het effect van NH 3 uit auto's op korstmossen voor het eerst vast te staan (van Herk, 2007). Langs drukke wegen bleken tussen 2000 en 2006 aanzienlijk meer ammoniakminnende korstmossen voor te zijn gaan komen dan langs rustige wegen. De relatieve toename in NIW langs drukke provinciale wegen correspondeerde met een toename in NH 3 concentratie van gemiddeld 2,3 µg/m 3 (Van Herk, 2009; afgeleid uit figuur 1.1). Dit komt dicht bij de net genoemde meetresultaten van het MNP. De constatering dat NH 3 uit auto's invloed uit is gaan oefenen op korstmossen langs wegen heeft ook voor het onderhavige onderzoek belangrijke gevolgen. Monsterpunten langs drukke wegen zijn daarmee zonder correctie niet meer representatief als meetpunt voor de achtergrondbelasting NH 3. Verder bevat de NIW-trend vanaf 2000 zonder correctie een overschatting van het effect van ammoniak. In dit rapport wordt een oplossing voor dit probleem aangedragen. In het buitenland vooral in Duitsland was men zich al eerder bewust van de tot nu toe onderbelichte kant van katalysatoren; de universiteit van Bonn luidde wat jaren terug de noodklok (Frahm, 2006). Uit een studie in München bleek dat de NH 3 -concentratie in de stad aanzienlijk hoger was dan in het omringende platteland (Kirchner, 2000). Naast de ammoniakproblematiek vormt ook het monitoren van de effecten van de klimaatsverandering een ander belangrijk doel van dit onderzoek. Uit een analyse van de data van het epifytenmeetnet van Utrecht in 2001 bleek voor het eerst dat korstmossen sterk daarop reageren (van Herk, 2002). De publicatie daarover in The Lichenologist (van Herk et al., 2002) was de eerste waarbij met een grote dataset statistisch werd aangetoond dat zuidelijke, warmteminnende soorten waren toegenomen, en dat noordelijke, koelteminnende soorten waren afgenomen. In een review in Nature, kort daarna (Parmesan & Yohe, 2003), werd het als de belangrijkste publicatie tot dan toe 11
14 genoemd met overtuigende de effecten van global warming op de natuur. Bij het onderzoek in Drenthe in 2004 bleek een gelijksoortige verschuiving in soortensamenstelling als gevolg van klimaatsverandering te zijn opgetreden als in Utrecht (van Herk, 2005). In dit rapport wordt nagegaan of deze trend zich verder heeft voortgezet. 1.4 Ander korstmossenonderzoek in Drenthe Korstmossen groeien niet alleen op bomen. Zij zijn ook op andere substraten te vinden, zoals op de grond in heidevelden, of op steen van bijvoorbeeld hunebedden. Dit type onderzoek wordt uitgevoerd door de Bryologische en Lichenologische Werkgroep (BLWG) in opdacht van het ministerie van LNV en het CBS (zie o.a. Sparrius et al., 2006). De BLWG heeft proefvlakken in o.a. het Kamperzand (bij Havelte), de Gasterense Duinen, het Orvelterzand, het Drouwenerzand en het Odoornerzand. Hoofddoel hiervan is het monitoren Rode Lijst-soorten. In de Drentse heideterreinen vindt verder geen specifiek op korstmossen gerichte monitoring plaats. Wel zijn alle 54 hunebedden opgenomen in het monitoringprogramma van de BLWG. Op de hunebedden groeien meer dan 150 soorten korstmossen, waarvan er bijna 30 op de Rode Lijst staan. Hieronder zijn er enkele uniek voor Nederland en haar buurlanden. 1.5 Het Drentse milieu ammoniak en andere stikstofverbindingen Ammoniak (NH 3 ) is een gas dat in hoofdzaak vrijkomt bij de ontleding van dierlijke mest. In de atmosfeer wordt ammoniak door chemische processen deels omgezet in ammonium (NH 4 + ). De som van NH 3 en NH 4 + wordt aangeduid met NH x. Het ruimtelijke patroon van NH x -luchtconcentratie en -depositie wordt in Nederland door het RIVM en PBL berekend met het zogenoemde OPSmodel. Dit model gaat uit van de veedichtheid per gemeente, en houdt o.m. rekening met emissiefactoren per diersoort, het atmosferisch gedrag van NH 3 en NH 4, de weersgesteldheid, en de 'ruwheid' van het landschap. De berekening van de van de concentratie- en depositietrend komt tot stand door resultaten van de modellen te valideren met concentratiemetingen. In figuur 1.3 is de berekende NH x -depositie in Drenthe in 2009 zichtbaar. De belangrijkste deposities vinden momenteel plaats in zuid en oost Drenthe. Landelijk gezien zijn de deposities in Drenthe relatief laag, bijna nergens 12
15 Figuur 1.2 De depositie van gereduceerd stikstof (NHx) in Nederland in 2009 (bron: Planbureau voor de Leefomgeving, 2010) Figuur 1.3 De depositie van gereduceerd stikstof (NHx) in Drenthe in 2009 (bron: Planbureau voor de Leefomgeving, 2010) 13
16 Figuur 1.4 De depositie van totaal stikstof (voornamelijk NHx + NOy) in Drenthe in 2009 (bron: Planbureau voor de Leefomgeving, 2010) Figuur 1.5 De depositie van totaal potentieel zuur in Drenthe in 2009 (bron: Planbureau voor de Leefomgeving, 2010) 14
17 wordt de 2000 mol/ha/jr overschreden, hetgeen in oost Brabant, noord Limburg en de Gelderse Vallei juist veelvuldig het geval is (figuur 1.2). Binnen Drenthe lijkt er recentelijk een relatieve verschuiving van de depositie te hebben plaatsgevonden. Nog in 2003 waren de deposities in zuidwest en oost Drenthe ongeveer even hoog. Momenteel lijkt de problematiek zich juist meer in het oosten van de provincie te concentreren. NH x vormt in Drenthe de belangrijkste component van de totale stikstofdepositie (het totaal van NH x en NO x (= stikstofoxiden)). Het ruimtelijke patroon daarvan is nauwelijks anders dan dat van NH x alleen (figuur 1.4); de depositiewaarden van totaal N liggen ca 500 mol/ha/jr hoger dan die van alleen NH x. Ook de depositie van potentieel zuur (= NH x + NO x + SO x ) wordt gedomineerd door NH x (figuur 1.5). Hiervan zijn de depositiewaarden wederom ongeveer 500 mol hoger dan die van N totaal. Berekeningen laten zien dat in Nederland tussen 1995 en 2002 een belangrijke daling is opgetreden in de NH 3 -uitstoot. Na 2002 lijkt de daling enigszins te stagneren (PBL, 2010). In 2008 bedroeg de Nederlandse NH 3 -emissie nog 130 kiloton. Het EU-doel van 126 kiloton voor 2010 wordt vermoedelijk net niet gehaald (PBL, 2010). Door het PBL/RIVM worden sinds 2005 in en rond natuurgebieden metingen aan de ammoniakluchtconcentratie uitgevoerd, het Meetnet Ammoniak in Natuurgebieden (MAN). Dit gebeurt met permanente monsternemers. In Drenthe vindt dit plaats in het Drentse Aa-gebied, het Dwingelderveld, het Fochteloërveen en het Bargerveen. Onlangs zijn de trends over de eerste vijf meetjaren bekend geworden (PBL/RIVM, 2010). Landelijk gezien is er over alle meetlocaties tussen 2005 en 2009 weinig veranderd. Wel is er een lichte daling bij meetpunten in sterk belaste gebieden (o.a. De Peel en de Gelderse Vallei) en bij locaties dicht bij bronnen. Over de Drentse metingen is nog niet zo veel te zeggen (meded. Erik Noordijk, PBL). In het Bargerveen en het Fochteloërveen zijn de meetreeksen nog te kort (later gestart). In het Drentse Aa-gebied was er in 2008 en 2009 veel uitval waardoor de metingen onzeker zijn; de beschikbare data duiden hier vooralsnog op weinig verandering. In het Dwingelderveld is de situatie stabiel of op enkele punten een licht stijgende trend. In beide laatste terreinen liggen de gemiddelde waarden per meetpunt tussen de 2,7 en 3,5 µg NH 3 /m 3, in het Fochteloërveen tussen de 2,6 en 4,0, en in het Bargerveen tussen de 4,1 en 4,4. Door Alterra is onderzoek gedaan naar de effectiviteit van ammoniakmaatregelen in en rondom de Drentse Natura 2000-gebieden (Gies et al., 2009). Al eerder was er een vergelijkbaar onderzoek uitgevoerd naar de effectiviteit van het integrale stikstofbeleid in Drenthe (Kros et al, 2007). De provincie Drenthe zelf heeft sinds de negentiger jaren meetnetten operationeel om de kwaliteit van bodem- en grondwater te volgen, het provinciaal meetnet bodemkwaliteit en het meetnet grondwaterkwaliteit. 15
18 Figuur 1.6 De kaart Wet ammoniak en veehouderij (Wav) Weergegeven zijn de zeer kwetsbare gebieden (groen), een zonering van 250 meter daar omheen (paars), en de resterende 'witte gebieden'. De Natura 2000-gebieden zijn bruin gearceerd. Bron: Provinciale Staten van Drenthe,
19 zwaveldioxide Al eerder is vermeld dat korstmossen ook gevoelig zijn voor zwaveldioxide (SO 2 ). In Drenthe was er traditioneel een gradiënt van relatief lage deposities in het zuidwesten tot relatief hoge deposities in het oosten. Deze gradiënt kwam ook duidelijk in de epifytenrijkdom tot uitdrukking. De emissie van SO 2 is de laatste decennia sterk teruggedrongen; de uitstoot nam in ons land af van ongeveer 190 kiloton in 1990 naar 51 kiloton in 2008 (PBL, 2010). Daarmee is niet alleen de depositie binnen Drenthe flink teruggebracht, ook de traditionele vervuilingsgradiënt is grotendeels genivelleerd. effecten van stikstof De meeste bossen en natuurterreinen in Drenthe zijn stikstofbeperkt, dat wil zeggen dat depositie van stikstof in eerste instantie zal leiden tot een hogere plantaardige productie. Chronische blootstelling van bossen aan een onnatuurlijk hoge stikstofdepositie kan leiden tot een complex van effecten, zoals stikstofverzadiging van de bodem, veranderde bodemvruchtbaarheid, versterkt vrijkomen van broeikasgassen uit de bodem, versnelde veroudering van naalden van bomen, een grotere gevoeligheid van bomen voor ziektes en vorstschade, een verminderde droogtetolerantie, en een vermindering van een gezond schimmelleven in de bodem. In heidevelden, vennen, veengebieden en bloemrijke schrale graslanden leidt een versterkte stikstofdepositie tot een hardere groei van een beperkt aantal krachtige soorten, veelal grassen, die de bestaande vegetatie gaan overheersen, en per saldo leiden tot een vermindering van de biodiversiteit (zowel flora als fauna). In het onderhavige onderzoek staat de bescherming en het behoud van een gezond ecosysteem centraal. De korstmossen worden daarbij primair gebruikt als indicator; de intrinsieke waarde van de korstmossen is secundair. Wet ammoniak en veehouderij De Wet ammoniak en veehouderij (Wav) is ingesteld om kwetsbare natuurgebieden te beschermen tegen de schadelijke invloed van ammoniak. Het is de taak van de provincies om kwetsbare gebieden aan te wijzen. De werking van de Wav beperkt zich tot voor verzuring gevoelige gebieden binnen de ecologische hoofdstructuur (EHS). In een bufferzone van 250 meter rond de aangewezen Wav-gebieden is nieuwvestiging van veehouderijen in beginsel niet toegestaan en worden uitbreidingen beperkt. De thans van kracht zijnde begrenzing van de Wav is in december 2004 door GS van Drenthe vastgesteld. In 2007 heeft het Rijk een nieuwe Wet 17
20 ammoniak en veehouderij in werking laten treden. De nieuwe wet heeft tot doel om alleen de zeer kwetsbare natuur te beschermen; hierdoor worden minder gebieden aangewezen en uiteindelijk minder veehouderijen beperkt in hun bedrijfsvoering. Op grond hiervan is een nieuwe kaart Wav voorbereid en op 10 november 2010 door PS vastgesteld (figuur 1.6). Na de wettelijk bepaalde ministeriële goedkeuring en publicatieprocedure zal de nieuwe kaart Wav daadwerkelijk in werking treden. Bij het onderhavige onderzoek wordt, net als in de vorige rapportage (van Herk, 2005), nagegaan welke trends te onderkennen zijn binnen de Wavgebieden, in de omringende 250 meter bufferzone, en in de resterende 'witte' gebieden. De kaart Wav 2010 is hierbij als maatgevend genomen, om zodoende ook in de toekomst over goed vergelijkingsmateriaal te kunnen beschikken. 18
21 2 METHODE 2.1 Veldwerk De gehanteerde methode is geheel gelijk aan de drie voorgaande rondes, en wordt in de betreffende rapporten (van Herk, 1993, 1998a, 2005) al uitgebreid behandeld. Hier wordt met de hoofdlijnen volstaan. In 2010 zijn in totaal 579 monsterpunten onderzocht (figuur 2.1). Hiervan zijn 576 punten in 2004 eerder onderzocht. Er zijn 3 punten t.o.v nieuw uitgezet, terwijl 4 punten niet konden worden herhaald. Het aantal punten dat vanaf 1998 herhaald kon worden bedraagt 565; het aantal herhalingen vanaf 1991 is 534. Het veldwerk is uitgevoerd tussen augustus 2009 en april Een monsterpunt bestaat altijd uit een groepje zomereiken (Quercus robur), meestal tien stuks. De ligging van de monsterpunten is vastgelegd met topografische kaartcoördinaten. Alle punten zijn met de GPS ingemeten (centrum van de boomgroep). De standplaats van de afzonderlijke bomen (inclusief de nummering van de bomen) is in situatiekaartjes op formulieren vastgelegd. Per onderzochte boom zijn alle aanwezige korstmossoorten genoteerd tot op 2 meter hoogte. Bij ieder monsterpunt is dus bepaald op hoeveel bomen en op welke bomen de soorten aanwezig zijn. De wetenschappelijke en Nederlandse naamgeving van de korstmossen (zie bijlage 1) is volgens Van Herk & Aptroot (2004). Per monsterpunt is de hoeveelheid per soort genoteerd volgens een 6-delige schaal (zie De Bakker, 1989: 1= één exemplaar, 2= meer exemplaren op één boom, 3= op minder dan de helft van de bomen in kleine hoeveelheden; 4= op minder dan de helft van de bomen, maar wel in grote hoeveelheden (>1 dm 2 per boom), 5= op de meerderheid van de bomen in kleine hoeveelheden, 6= veel op de meerderheid van de bomen). Ook zijn diverse standplaatskenmerken vastgelegd, zoals terreineigenschappen, afstand tot boerderijen en maïsakkers, de dikte van de bomen, en het type weg bij monsterpunten langs wegen. De volgende categorieën zijn daarbij onderscheiden: W1= doodlopende of onverharde weg, W2= smalle landweg, steeds zonder belijning, W3= doorgaande weg, steeds met belijning (vroeger met middenstreep, tegenwoordig met belijning voor fietsers), W4= doorgaande weg met gescheiden fietspad(en), W5= provinciale weg, WK= weg in de bebouwde kom, WB= weg in of langs bos. Bij punten langs wegen is ook de afstand van de bomen tot het wegdek genoteerd (driedelige schaal). 2.2 Uitwerking De Nitrofiele Indicatie Waarde (NIW) en de Acidofiele Indicatie Waarde (AIW) worden gebruikt als graadmeters voor ammoniak. In deze twee graadmeters worden per monsterpunt de totale hoeveelheden ammoniakminnende respec- 19
22 Figuur 2.1 Ligging van de onderzochte monsterpunten en de status ervan op de kaart Wet ammoniak en veehouderij (Wav). Groene blokjes = in zeer kwetsbaar gebied; paarse rondjes = in de 250 m. zonering; stippen: in de 'witte gebieden'. 20
23 tievelijk ammoniakmijdende korstmossen tot uitdrukking gebracht. De NIW heeft vooral betekenis in agrarische brongebieden, waar soorten met een positieve reactie op ammoniak gewoonlijk de meest bruikbare indicatoren zijn. Hier worden bij voorkeur vrijstaande eiken gemonitord om dit te registreren. De berekening van de Nitrofiele Indicatie Waarde vindt plaats door het voorkomen van een 20-tal ammoniakminnende korstmossen (nitrofyten) in een monsterpunt bij elkaar op te tellen (o.g.v. aan-/afwezigheid per boom). Het gaat hierbij om o.a. Vingermossen (Physcia spp.), Dooiermossen (Xanthoria spp.) en Geelkorsten (Candelariella spp.). De soorten worden genoemd in bijlage 1. De berekeningswijze van de Acidofiele Indicatie Waarde is gelijk aan die van de NIW. Tot de ammoniakmijdende soorten (acidofyten) zijn o.a. gerekend Eikenmos (Evernia prunastri), Gewoon schorsmos (Hypogymnia physodes), Purper geweimos (Pseudevernia furfuracea) en Bruin boerenkoolmos (Tuckermannopsis chlorophylla), zie tevens bijlage 1. Gaande het onderzoek bleek dat plaatselijke effecten in de bewoonde omgeving in toenemende mate hebben geleid tot ongewenste bijeffecten. Het gaat hierbij vooral om urinerende honden. Besloten is om monsterpunten waar dit een duidelijke invloed heeft op de resultaten uit te sluiten van bewerkingen met NIW en AIW. Van een 'duidelijke invloed' is sprake als er op meer dan twee bomen Verborgen schotelkorst (Lecanora dispersa) op de boomvoet aanwezig is zonder dat deze soort hogerop ook groeit. De soort is een urineer-indicator bij uitstek. In totaal 50 monsterpunten vallen hierdoor af bij bewerkingen met NIW en AIW. In één kaartvierkant (die van het Bargerveen) resteren doordoor geen bruikbare meetpunten voor NIW en AIW. Bij de meeste soortgerelateerde bewerkingen tellen deze punten wel mee. Het verkregen ruimtelijke patroon van NIW en AIW is in kaart uitgezet (resp. kaart 10 en 20). De verandering van de gemiddelde NIW- en AIW-waarden is per 5 x 5 km 2 gegeven in kaart 16 en 23. Van zowel NIW als AIW is de trend sinds 1991 uitgerekend (figuur 3.12 en 3.13). De veranderingen zijn uitgesplitst over punten die gelegen zijn binnen de Wav-gebieden (figuur 1.6), in de 250m zone eromheen, en de resterende gebieden ('witte gebieden'). De trends zijn ook uitgerekend voor drie aparte regio's (noordwest Drenthe (x<240, y>540), zuidwest Drenthe (x<240, y<540) en oost Drenthe (x>240)). Alle jaar-op-jaar veranderingen zijn gebaseerd op datasets met dezelfde punten. Van zoveel mogelijk monsterpunten is getracht gegevens te verkrijgen van de verkeersintensiteit. Alle Drentse gemeenten zijn benaderd met het verzoek om resultaten van verkeerstellingen die binnen haar grenzen plaats vinden ter beschikking te stellen. Van de gemeenten Borger/Odoorn, Emmen, Meppel, Midden Drenthe en Noordenveld zijn gegevens ontvangen die op een uniforme wijze aan de meetpunten konden worden gekoppeld. Ook zijn de tellingen langs provinciale wegen gebruikt. Van in totaal 116 monsterpunten is een 21
24 betrouwbare schatting van de verkeersintensiteit verkregen. De relatie tussen verkeersintensiteit en NIW is geanalyseerd (figuur 3.3 en 3.4). Het zelfde is gedaan met het type weg (zie par. 2.1, figuur 3.5 tot 3.8). De resultaten hiervan zijn gebruikt om correctiefactoren te berekenen voor verkeersgerelateerde effecten op de NIW. Voor 1998, 2004 en 2010 heeft een herberekening van de NIW plaatsgevonden waarbij de locale effecten van het verkeer zoveel mogelijk zijn weggenomen. De eerder genoemde ruimtelijke patronen van de NIW en de veranderingen daarin zijn opnieuw in kaart uitgezet, maar dan gecorrigeerd voor het verkeer. Het zelfde is gedaan met alle Wav-gerelateerde trends. Verder zijn kaarten NIW en AIW gemaakt waarin isolijnen aangebracht zijn (bijlage 5 en 6). Bij de NIW (bijlage 5) is gebruik gemaakt van de voor verkeer gecorrigeerde waarden. De op soortniveau opgetreden veranderingen tussen 2004 en 2010 zijn uitgerekend aan de hand van alle paren herhalingsopnamen en de bijbehorende 'nulopnamen', totaal 576 opnameparen. De veranderingen zijn gebaseerd op het percentage monsterpunten waarin de soorten aan- of afwezig zijn (bijlage 1). Verder is per soort de trend vanaf 1991 uitgerekend (bijlage 2). Ook hierbij zijn de verschillen tussen de jaren zijn steeds gebaseerd op de veranderingen in alle beschikbare paren opnamen. Er zijn verspreidingskaartjes gemaakt van korstmossoorten die relatief sterk voor- of achteruit gegaan zijn (kaart 23 tot 39). De soorten zijn daarbij ingedeeld in nitrofyten, acidofyten, en thermofyten (warmteminnende soorten). De verspreiding van deze soorten is gegeven voor 1991, 1998, 2004 en In de kaartjes is de hoeveelheid (6-delige schaal) per monsterpunt uitgezet. De in bijlage 2 gegeven trends per soort zijn gebruikt voor een analyse van de oorzaken van de veranderingen. Hiertoe zijn de indicatorgetallen van Wirth (1991) gebruikt. Met correlatieberekeningen is nagegaan welke factoren (temperatuur, vocht, stikstof, etc) de geconstateerde toe- of afname van de soorten het beste konden verklaren. In december 2010 worden nieuwe, bijgewerkte indicatorgetallen gepubliceerd (Wirth, 2010); deze konden helaas niet meer in de berekeningen verwerkt worden. 22
25 3 RESULTATEN 3.1 Soortensamenstelling Deze ronde zijn 167 soorten korstmossen aangetroffen op de onderzochte bomen (bijlage 1). In 2004 waren 163 soorten gevonden, per saldo zijn er dus vier soorten bijgekomen. De diversiteit van de korstmossen per monsterpunt is ook groter geworden (tabel 3.3, kaart 3). De toename bedraagt gemiddeld 2 soorten per punt (van 26,1 naar 28,1). Vier korstmossoorten zijn ten opzichte van 2004 van de gemonitorde bomen verdwenen (bijlage 1). Geen van deze vier is zeldzaam of bijzonder; het gaat alleen om soorten waarvoor de Zomereik geen optimaal substaat vormt, o.a. soorten die gewoonlijk op dood hout zitten. Acht korstmossoorten zijn nieuw. Hiervan staan er vijf op de Rode Lijst, te weten Zwart boomspijkertje (Calicium glaucellum), Dennenmos (Imshaugia aleurites), Netschildmos (Parmotrema reticulatum), Gemarmerd vingermos (Physcia aipolia) en Sierlijk takmos (Ramalina pollinaria). In par. 3.2 hierover meer. Tussen 2004 en 2010 zijn duidelijk meer korstmossoorten toegenomen dan afgenomen (bijlage 1). Bij 60% van de soorten (103 soorten) was het aantal vondsten in 2010 groter dan in Bij 12% (20 soorten) bleef het aantal waarnemingen gelijk, terwijl bij 28% (48 soorten) een afname werd geconstateerd. Over de periode waren deze getallen ongeveer het zelfde (resp. 59%, 9% en 32%). Het sterkst afgenomen (in absolute zin) zijn Heksenvingermos (Physcia tenella, -55 wrn. = -11%, zie kaart 23a-d), Gewoon schorsmos (Hypogymnia physodes, -50 wrn. = -22%, zie kaart 31a-d), Eikenmos (Evernia prunastri, -49 wrn. = -11%, zie kaart 29a-d), Bruine veenkorst (Placynthiella icmalea, -38 wrn. = -58%), Stoeprandvingermos (Physcia caesia, -34 wrn. = -14%) en Verstop-schildmos (Melanelia subaurifera, -31 wrn. = -6%). Opvallend is de mengeling van acidofyten en nitrofyten in dit rijtje. De top van toegenomen soorten wordt aangevoerd door Verzonken schriftmos (Opegrapha rufescens, +173 wrn. = +376%, zie kaart 39a-d), Fijne geelkorst (Candelariella xanthostigma, +118 wrn. = +83%), Poedergeelkorst (Candelariella reflexa, +93 wrn. = +31%, zie kaart 28a-d), Ammoniakschotelkorst (Lecanora barkmaniana, +85 wrn. = +137%), Dun schaduwmos (Hyperphyscia adglutinata, +78 wrn. = +144%, zie kaart 36a-d) en Vals dooiermos (Candelaria concolor, +67 wrn. = +89%, zie kaart 35a-d). In dit lijstje valt vooral het warmteminnende aspect van de soorten op. Hoewel de soortenrijkdom per saldo toegenomen is, is het aspect van de korstmosvegetatie er over het algemeen niet op vooruit gegaan. Het zijn vooral opvallende struik- en bladvormige soorten die afgenomen zijn, en korstvormige soorten die toegenomen zijn. De trend richting korsten blijkt duidelijk uit de totalen: Van de toegenomen soorten is 68% korstvormig, 26% 23
26 bladvormig, en slechts 6% struikvormig. Bij de afgenomen soorten is 46% korstvormig, 35% bladvormig, en 19% struikvormig. Zo is Eikenmos hét korstmos dat de bomen een mooi begroeid uiterlijk geeft op meer dan 10% van de plekken verdwenen (kaart 29a-d). Verzonken schriftmos, de soort die het sterkst is toegenomen (+376%, kaart 39a-d), bestaat alleen maar uit minuscule zwarte stipjes. Dit zijn nog maar de veranderingen over de laatste zes jaar. Over de hele onderzoeksperiode (vanaf 1991, zie bijlage 2) is deze trend nog veel duidelijker. De afname van Eikenmos is dan bijna 23%. Dit zijn alleen nog maar de punten waar hij helemaal verdwenen is. De afname is een veelvoud als het om het percentage exemplaren gaat. Bij Gewoon schorsmos (Hypogymnia physodes, bladvormig) is de afname nog extremer (kaart 31a-d). Destijds was het een erg gewone soort (de Nederlandse naam zegt het al), maar sinds 1991 is hij al van 55% van de groeiplaatsen verdwenen. Bomen waarop vroeger veel Eikenmos en Gewoon schorsmos groeide worden tegenwoordig veelal gedomineerd door twee korsten: Gewoon purperschaaltje (Lecidella elaeochroma, zie kaart 38a-d) en Witte schotelkorst (Lecanora chlarotera). De eerste soort nam toe van 32% in 1991 naar 88% van de punten nu; de tweede van 59% naar 90% nu. Het milieu van de Eikenmos-begroeiing (Evernion) zoals we die begin jaren '1990 nog alom in Drenthe aantroffen laat zich het beste omschrijven als een gemeenschap van zure, voedselarme, ietwat stoffige omstandigheden onder koel-temperate klimaatsomstandigheden. De Purperschaaltjesgemeenschap (Lecidellion) komt optimaal voor op neutrale (ontzuurde), droge schors onder bij voorkeur warm-temperate klimaatsomstandigheden. Deze twee omschrijvingen geven beknopt aan welke verandering de epifytenbegroeiing op vrijstaande bomen in Drenthe de laatste decennia op veel plaatsen heeft doorgemaakt. Bijlage 3 laat zien dat deze verandering onderdeel uitmaakt van een onomkeerbaar proces. De gedachte dat bij een terugkeer naar een lage ammoniakbelasting de oorspronkelijke begroeiing terugkeert blijkt niet juist te zijn. In bijlage 3 zijn de veranderingen zichtbaar die optreden in monsterpunten waar de laatste 5 tot 10 een sterke ammoniakreductie plaatsgevonden heeft. Uit het opnamemateriaal blijkt duidelijk dat het Lecidellion geleidelijk tot ontwikkeling komt als zich in het Evernion nitrofyten vestigen. Als vervolgens bij een sterke ammoniakreductie nitrofyten weer verdwijnen (en de NIW sterk daalt), gaan bijna alle soorten achteruit; de typerende Lecidellion-gemeenschap komt echter pas dan goed tot ontwikkeling. Wat overblijft is een tamelijk soortenarme gemeenschap met vooral warmteminnende korsten. Behalve Purperschaaltje en Witte schotelkorst, gaan slechts drie andere korsten, te weten Verzonken schriftmos, Dun schaduwmos en Grove mosterdkorst (Pyrrhospora quernea), er tevens op vooruit. Alle acidofyten gaan nog verder achteruit, juist Eikenmos verdraagt de ammoniakreductie erg slecht (bijlage 3). 24
27 Een sterke en plotselinge afname van de ammoniakbelasting is dus nog geen zegen voor epifytische korstmossen. In feite toont bijlage 3 het proces dat een toename van de ammoniakbelasting in eerste instantie leidt tot ontzuring van de schors, maar dat een daarop volgende daling van de ammoniakbelasting er niet toe leidt dat de schors opnieuw zuur wordt. Daar doorheen loopt het proces dat warmteminnende korsten toenemen. De toename van warmteminnaars lijkt vooral op te treden in situaties dat het milieu aan sterke veranderingen onderhevig is; vrijkomende niches worden dan met deze soorten 'opgevuld'. Onder stabiele(re) milieuomstandigheden lijkt daar veel minder sprake van te zijn. In bijlage 4 laat zien welke veranderingen in bossen opgetreden zijn over de laatste twintig jaar. Net als in bijlage 3 zijn tien representatieve monsterpunten geselecteerd. Hoewel de soortenrijkdom in bossen continu een stijgende lijn vertoont, zijn de ontwikkelingen niet gunstig. Vrijwel alle voor eikenbossen typerende epifyten zijn sterk achteruit gegaan. Bij Groot boerenkoolmos (Platismatia glauca, kaart 34a-d) en Avocadomos (Parmeliopsis ambigua) moet gevreesd worden voor het verdwijnen uit Drenthe. De soortensamenstelling in bossen is in de loop der jaren steeds meer op die van bomen in het landelijke gebied gaan lijken. De verandering van de gehele soortensamenstelling tussen 2004 en 2010, (zoals gekwantificeerd in bijlage 2) is gebruikt voor de berekening die in tabel 3.1 wordt gepresenteerd. Het principe hiervan is dat het totaal van de veranderingen gezien kan worden als een afspiegeling van de gewijzigde milieuomstandigheden. De ecologische indicatorgetallen van Wirth (1991) zijn hierbij maatgevend. Tabel 3.1 Correlaties tussen de verandering in voorkomen van de soorten tussen 2004 en 2010 (zie bijlage 1) enerzijds, en zeven ecologische graadmeters (licht, temperatuur, continentaliteit, vocht, ph, stikstof en toxitolerantie (Wirth, 1991)) anderzijds. Met deze berekening wordt nagegaan welke graadmeters de opgetreden veranderingen verklaren. 'r'= correlatiecoëfficiënt, 'p'= overschrijdingskans, 'n'= aantal soorten waarvan de indicatiewaarde voor de graadmeter beschikbaar is. Significante correlaties zijn van sterretjes voorzien (*), n.s.= niet significant). factor r p n licht -0,14 0,1305 n.s. 111 temperatuur +0,23 0,0300 * 91 continentaliteit -0,11 0,2688 n.s. 100 vocht -0,04 0,7183 n.s. 94 ph +0,20 0,0352 * 111 stikstof +0,09 0,3408 n.s. 110 toxitolerantie -0,13 0,2122 n.s
28 De berekening laat zien dat over als geheel geen toegenomen effect van ammoniak meer zichtbaar is (stikstof: r= +0,09, niet significant), maar uit de soortensamenstelling blijkt wel een hoger geworden ph (r= +0,20). Het effect van klimaatsverandering (temperatuur) is per saldo het duidelijkst in de soortensamenstelling herkenbaar (r= +0,23). Van geen van de andere factoren in tabel 3.1 kon verder een significant effect worden aangetoond. 3.2 Rode Lijst In 2010 werden 38 soorten korstmossen aangetroffen die op de Rode Lijst staan (Aptroot et al. 1998), zie tabel 3.2. Hiervan behoren er zeven tot de categorie 'gevoelig', elf soorten zijn 'kwetsbaar', elf zijn 'bedreigd', zes 'ernstig bedreigd', en drie werden op het moment van opstellen van de Rode Lijst nog beschouwd als 'verdwenen uit Nederland'. Zowel het aantal Rode Lijst soorten als het aantal Rode Lijst vondsten nam sinds 2004 toe, resp. met 5 soorten (+15%) en 51 vondsten (+27%). De verspreiding van de Rode Lijst-soorten in Drenthe is zichtbaar in kaart 6. Grote vindplaatsen met vier of meer Rode Lijst-soorten bij elkaar zijn nog steeds geconcentreerd in de westelijke helft van de provincie. In de oostelijke helft gaat het voornamelijk om groeiplaatsen met slechts één soort tegelijk, vaak losse exemplaren. Het verspreidingspatroon wordt nog steeds in belangrijke mate door het historische patroon van zwaveldioxide vervuiling bepaald. In west Drenthe waren de concentraties SO 2 in de jaren 1970 veel lager dan in het oosten. Het zijn vooral Rode Lijst soorten die slechts traag uit dit dal omhoog krabbelen. Wimpermos (Anaptychia ciliaris) is een extreem voorbeeld; deze soort is nog steeds beperkt tot een tiental oude bomen waarop hij al vele decennia lang groeit. Hij vertoont nog steeds geen enkel initiatief tot uitbreiding. In de omgeving van Nijeveen, Havelte, Dwingeloo, Beilen, Norg, Donderen en Eelde bevinden zich de meeste Rode Lijst soorten; hier zijn vindplaatsen van o.a Knopjesschildmos (Parmelina pastillifera), Rood boomzonnetje (Caloplaca ferruginea) en Wimpermos, soorten die in ons land alleen of nagenoeg alleen nog in Drenthe voorkomen. Vijf Rode Lijst soorten zijn nieuw; deze zijn aan het begin van dit hoofdstuk al genoemd. Er zijn geen Rode Lijst soorten uit de opnamen verdwenen. Tussen 1998 en 2004 was dit nog wel het geval. Toen verdwenen Bruin paardenhaarmos (Bryoria fuscescens) en Kopspijkertje (Cyphelium inquinans); beide soorten zijn nu vermoedelijk in heel Nederland uitgestorven. Het sterkst afgenomen zijn Bruin boerenkoolmos (Tuckermannopsis chlorophylla, van 16 naar 10 vondsten, kaart 32a-d) en Groot takmos (Ramalina fraxinea, van 14 naar 11). De eerste nam over al af van 28 naar 26
29 Tabel 3.2 De Rode Lijst korstmossen in Drenthe in 2004 en 2010 (naar Aptroot et al. 1998). RL= Rode Lijst-categorie (GE= gevoelig, KW= kwetsbaar, BE= bedreigd, EB= ernstig bedreigd, VN= verdwenen uit Nederland (maar alle gevallen al eerder teruggevonden). 2004: aantal vondsten in de 580 opnamen van 2004; 2010: aantal vondsten in de 579 opnamen van 2010; += nieuw in opname; -= verdwenen uit opname; o= gehandhaafd. RL: soort: 2004: 2010: vindplaatsen: EB Anaptychia ciliaris Wimpermos 5 5 Paterswolde o, Borger o, Klatering o, Sleen o, Dwingeloo o BE Arthonia pruinata Aspirinekorst 2 2 Oosterhesselen o, Dwingeloo o EB Calicium glaucellum Zwart boomspijkertje 0 1 Oosterhesselen + KW Calicium viride Groen boomspijkertje vooral noord Drenthe EB Caloplaca ferruginea Rood boomzonnetje 1 2 Norg o, Havelte + GE Caloplaca herbidella Koraalcitroenkorst 2 2 Klatering -, Havelte o, Ruinen + EB Catillaria nigroclavata Boomrookkorst 3 13 heel Drenthe GE Chaenotheca chlorella Klein schorssteeltje 1 1 Oosterhesselen o KW Chaenotheca furfuracea Lichtend schorssteeltje 2 5 Schipborg o, Dwingeloo o/+, Asserbos +, Benneveld + BE Chrysothrix candelaris Gele poederkorst 2 2 Anloo o, Dwingeloo o KW Cladonia digitata Vertakt bekermos 2 3 Asserbos o, Spier +, Diever o BE Cladonia polydactyla Sterheidestaartje 1 1 Norgerholt o KW Enterographa crassa Grauwe runenkorst 1 1 Norgerholt o VN Fellhanera bouteillei Twijgdruppelkorst 9 17 verspreid over Drenthe GE Fellhanera subtilis Schaduwdruppelkorst 4 2 Exloo -, Odoorn -, Gees -, Wittelte -, Schipborg +, Gasselte + GE Flavopunctelia flaventior Oosters schildmos 1 1 Coevorden o GE Imshaugia aleurites Dennenmos 0 1 Norg + GE Lecanactis abietina Maleboskorst 2 2 Norgerholt o, Asserbos o KW Lecanora aitema Dennenschotelkorst 4 2 Diever -, Geeuwenbrug +, Geesbrug -, Valthe -, Exloo o BE Lecanora argentata Bosschotelkorst west Drenthe GE Lecanora subcarpinea Berijpte schotelkorst 8 17 verspreid over Drenthe BE Lecanora varia Hardhout-schotelkorst 2 1 Wezup o, Zwinderen - BE Ochrolechia subviridis Wrattige tandpastakorst 5 8 verspreid over Drenthe KW Ochrolechia turneri Valse kringkorst verspreid over Drenthe BE Opegrapha varia Kort schriftmos 1 2 Norg o, Lheebroek + KW Opegrapha vermicellifera Gestippeld schriftmos 1 2 Dwingeloo o, Taarlo + VN Parmelina pastillifera Knopjesschildmos 1 1 Donderen o KW Parmelina tiliacea Lindeschildmos vooral zuid Drenthe VN Parmotrema reticulatum Netschildmos 0 1 Elp + EB Pertusaria hemisphaerica Boskringkorst 1 2 Norgerholt o, Nijeveen + BE Physcia aipolia Gemarmerd vingermos 0 1 Nieuw-Balinge + EB Physcia clementei Isidieus vingermos 3 2 Klatering -, Schoonoord o, Hoogeveen -, Holsloot + KW Physconia distorta Fors rijpmos 3 3 Yde o, Dwingeloo o, Havelte o BE Ramalina fraxinea Groot takmos vooral zuidwest Drenthe BE Ramalina lacera Waaiertakmos 2 3 Yde o, Nijeveen o/+ KW Ramalina pollinaria Sierlijk takmos 0 2 Beilen +, Exloo + BE Tuckermannopsis chlorophylla Bruin boerenkoolmos vooral oost Drenthe KW Usnea spec. Baardmos noord en oost Drenthe aantal Rode Lijst vondsten aantal Rode Lijst soorten
30 Enkele Rode Lijst-korstmossen in Drenthe Oosters schildmos (Flavopunctelia flaventior, linksboven) groeit al jaren op maar één eik in Coevorden; deze boom is nu ziek en voor het verdwijnen van dit korstmos moet worden gevreesd. Van Wimpermos (Anaptychia ciliaris, rechtsboven) zijn alleen relictpopulaties bekend die vermoedelijk al meer dan 100 jaar oud zijn. Vrijwel alle exemplaren, zoals deze in Dwingeloo, hebben een slechte vitaliteit. Baardmossen (Usnea spec., linksonder) zijn vanouds niet zeldzaam in Drenthe, maar bijna alle groeiplaatsen zijn sterk in omvang geslonken. Wel duiken regelmatig jonge exemplaren op nieuwe groeiplaatsen op, zoals deze in Klazienaveen. Knopjesschildmos (Parmelina pastillifera, rechtsonder) is alleen bekend in één eik in Donderen. 28
31 16 vondsten; hij is zeer gevoelig voor ammoniak, en tegelijk vermoedelijk gevoelig voor klimaatsverandering. Sterk toegenomen Rode Lijst soorten zijn Groen boomspijkertje (Calicium viride, van 27 naar 39 vondsten), Boomrookkorst (Catillaria nigroclavata, van 3 naar 13) en Berijpte schotelkorst (Lecanora subcarpinea, van 8 naar 17). De laatste twee horen feitelijk niet meer op de Rode Lijst. Er zijn ook soorten die nu eigenlijk wel op de Rode Lijst thuishoren, maar er niet op staan zoals Groot boerenkoolmos (kaart 34a-d). Doordat de geldende Rode Lijst inmiddels verouderd is, geeft de positieve trend (+51 vondsten) een wat vertekend beeld. 3.3 Verandering van de soortenrijkdom We zagen al eerder dat de soortenrijkdom per monsterpunt tussen 2004 en 2010 toegenomen is (tabel 3.3, kaart 3). De stijging van gemiddeld twee soorten per punt is significant (p< 0,0001). In de jaren 1970 en 80 was zuidoost Drenthe veel armer dan de rest. Door de sterke afname van de zwaveldioxidebelasting en de toename van de ammoniakbelasting is de soortenrijkdom overal sterk toegenomen. De verschillen tussen zuidoost Drenthe en de rest zijn daarmee steeds kleiner geworden. In kaart 1 is nog net te zien dat de punten ten oosten van Emmen in 2004 wat minder soortenrijk waren; in kaart 2 van 2010 valt dit al nauwelijks meer waar te nemen. In par. 3.1 is al beschreven dat een sterke reductie van de ammoniakbelasting tot een duidelijke vermindering van de soortenrijkdom kan leiden. In figuur 3.2 is zichtbaar welke invloed een daling van de NIW precies heeft. Bij vrijwel alle punten waar de NIW tussen 2004 en 2010 gedaald is, en waar de NIW in 2004 lager was dan 3, is er een meer of minder grote daling van de soortenrijkdom. De daling is kleiner naarmate er een geringere daling van de NIW was, of naarmate de NIW in 2004 hoger was. In 2004 werd ook al gevonden dat de soortenrijkdom sterk afneemt als de NIW daalt (van Herk, 2005, figuur 3.18). Per saldo is dit effect niet overheersend; de soortenrijkdom neemt immers gemiddeld toe. Een toename van de ammoniakbelasting geeft niet alleen aanleiding tot meer nitrofyten, ook andere soorten zoals Schildmossen (Parmelia spp., Punctelia spp, Melanelia spp.) profiteren er tot op zekere hoogte van. Een afname van acidofyten blijkt dit niet te compenseren. Figuur 3.1 laat zien dat het positieve verband tussen NIW en soortenrijkdom alleen bestaat bij NIW's kleiner dan 6. Bij NIW's boven de 7 neemt de soortenrijkdom weer af, o.a. doordat Schildmossen dan weer afnemen. Welk effect de klimaatsverandering precies heeft op de soortenrijkdom is erg moeilijk te becijferen. Dit komt doordat diverse factoren steeds tegelijk invloed hebben en met elkaar interfereren. Monsterpunten waarvan de NIW niet of 29
32 60 50 aantal soorten in NIW in 2010 Figuur 3.1 Relatie tussen de NIW in 2010 en de soortenrijkdom in De regressielijn laat zien dat bij NIW waarden van 6 of lager de soortenrijkdom afneemt. Dit is ook het geval bij NIW waarden van 7 of hoger. De NIW is niet gecorrigeerd voor de invloed van wegen. 4 2 verandering NIW NIW in Figuur 3.2 De NIW in 2004 (x-as) tegen de verandering van de NIW tussen 2004 en 2010 (y-as). De belgrootte geeft de verandering in het aantal soorten per punt (hoe groter de bel, hoe groter de verandering). Bij witte bellen is de soortenrijkdom toegenomen, bij blauwe bellen is de soortenrijkdom afgenomen. 30
33 nauwelijks veranderd is tussen 2004 en 2010 gaan er gemiddeld één soort op vooruit. Dit zou kunnen betekenen dat de helft van de toename in soortenrijkdom klimaatgerelateerd is. 3.4 Verkeer In de inleiding (par. 1.3) is aangegeven waarom eerst aandacht besteed wordt aan de effecten van het wegverkeer alvorens de trends van de indicatoren voor ammoniak (NIW en AIW) te behandelen: Het is gebleken dat ook katalysatoren van auto's ammoniak uitstoten. Omdat een deel van de monsterpunten langs vrij drukke wegen gelegen is, is de kans groot dat deze punten zonder correctie niet meer representatief zijn voor de achtergrondbelasting NH NIW y = 4E-05x + 3,2863 R 2 = 0,001 Figuur 3.3 De NIW in 2004 als functie van verkeersintensiteit op de wegen waarlangs de monsterpunten gelegen zijn verkeersintensiteit Figuur 3.4 NIW y = 1E-04x + 3,5241 R 2 = 0,0071 De NIW in 2010 als functie van verkeersintensiteit op de wegen waarlangs de monsterpunten gelegen zijn verkeersintensiteit 31
34 In figuur 3.3 en 3.4 is de Nitrofiele indicatie Waarde (NIW) van 2004 en 2010 uitgezet tegen de verkeersintensiteit. De meetpunten waar tellingen van verkregen werden (116 stuks) laten een goede spreiding zien van verkeersluwe (130 voertuigen per dag) tot zeer drukke (9400 voertuigen per dag) wegen. Er blijkt geen verband tussen verkeer en NIW aantoonbaar: over 2004 bedraagt de correlatie (r) slechts +0,03 (p = 0,73); over 2010 bedraagt deze (r) +0,09 (p= 0,36) in geen van beide gevallen significant. De correlatie verbetert iets indien ook de afstand van de bomen tot het wegdek erbij betrokken wordt (resp. r= +0,12; p= 0,21 en r= +0,14; p= 0,15), maar blijft ook dan niet significant. Als tweede optie is het verband tussen het type weg en NIW onderzocht (figuur 3.5 tot 3.8). De vijf categorieën op de x-as (doodlopende of onverharde weg tot provinciale weg) vormen goede een relatieve maat voor de drukte van de wegen. Voordeel van deze maat is dat nu veel meer monsterpunten (387) aan de berekening meedoen dan bij de verkeerstellingen, wat ook sneller significante correlaties oplevert. Het blijkt dat over de periode er aanvankelijk geen verband is, maar dat er bij de latere rondes correlaties zijn ontstaan. Over 1991 is deze nog slechts (r) -0,03 (p= 0,64), over 1998 (r) +0,07 (p= 0,17), over 2004 (r) +0,17 (p= 0,0006) en over 2010 (r) +0,23 (p< 0,0001). In zowel 2004 als 2010 is er een sterk significant verband. Samen met het toenemen van de correlatie, neemt ook de hellingshoek van de regressielijn toe (figuur 3.5 tot 3.8). Dit geeft duidelijk aan dat de invloed die van de grootte van de wegen uitgaat, eerst afwezig is, daarna ontstaat, en over de jaren toeneemt. Het blijkt dat de afstand van de bomen tot het wegdek (driedelige schaal) het verband nog iets duidelijker maakt. In een multipele regressie is het effect van zowel wegtype als afstand van de bomen tot de weg in 2010 significant (resp. t= +3,78, p= 0,0002 en t= -2,34, p= 0,0200). In 2004 is de afstand van de bomen tot de weg net niet significant. De fit van 2010 verbetert nog iets indien de interactie tussen de afstand en het wegtype ingebracht wordt (t= +4,47, p< 0,0001 voor wegtype, en t= -2,77, p= 0,0059 voor de interactiefactor). Dit laatste is begrijpelijk omdat de afstand van de bomen tot de weg bij stille wegen niet ter zake doet. De verklaarde variantie (R 2 ) bedraagt dan 0,0584. Dit is slechts fractioneel meer dan bij een regressie met alleen wegtype (R 2 = 0,0547, zie figuur 3.8). Deze getallen zijn evenwel niet bijzonder hoog. Het betekent dat het leeuwendeel van de variatie in NIW nog steeds door andere factoren bepaald wordt, wat ook duidelijk in figuur 3.8 zichtbaar is. De hellingshoek van de regressielijn in de figuren 3.5 tot 3.8 kan gezien worden als een maat voor het effect van het wegtype. In 2010 blijkt de NIW van monsterpunten langs provinciale wegen (W5) gemiddeld 1,6 eenheden hoger te zijn dan die van kleine wegen (W1) (zie regressieformule in figuur 3.8: 4x 0,3997). Een verschil van 1,6 NIW eenheden correspondeert met een verschil van 6,6 µg ammoniak m 3 (zie figuur 1.1). Dit is aanzienlijk meer dan 32
35 y = -0,0325x + 2,5285 R 2 = 0,0006 Figuur 3.5 NIW De NIW in 1991 als functie van het type weg waarlangs de monsterpunten gelegen zijn wegtype y = 0,1033x + 3,2359 R 2 = 0,005 Figuur 3.6 NIW De NIW in 1998 als functie van het type weg waarlangs de monsterpunten gelegen zijn wegtype 6 12 NIW y = 0,2911x + 2,2613 R 2 = 0,0301 Figuur 3.7 De NIW in 2004 als functie van het type weg waarlangs de monsterpunten gelegen zijn wegtype 6 33
36 y = 0,3997x + 2,0887 R 2 = 0,0547 Figuur 3.8 NIW De NIW in 2010 als functie van het type weg waarlangs de monsterpunten gelegen zijn wegtype uit een eerdere berekening bleek met data van Zeeland (2,3 µg NH 3 /m 3, zie van Herk, 2009). Ook is dit veel meer dan bij de metingen van het MNP in 2007 langs snelwegen; daarbij werden ook waarden van rond de 2 µg NH 3 /m 3 vastgesteld. Het gaat hier uiteraard om de onverdunde ammoniakwolk. Hoe dichter bij de voertuigen gemeten wordt, des te hoger de concentratie zal zijn. Veel bemonsterde bomen staan in Drenthe slechts een enkele meter van het wegdek. Op grond van het voorgaande is besloten om de NIW-waarden van punten langs wegen, afhankelijk van het wegtype en het jaar van opname, te herberekenen. Van wegtype 1 is aangenomen dat daar de verkeersgerelateerde effecten verwaarloosbaar zijn; deze monsterpunten benaderen naar verwachting de situatie van de achtergrondbelasting. Bij de overige wegtypen wordt de correctie door de helling van de regressielijn (figuur ) bepaald (bijv. 0,4 bij W2 in 2010, etc.). Een correctie is uitgevoerd op de data van de jaren 1998, 2004 en In de komende paragraaf worden zo de ruimtelijke patronen van ammoniak en de trends daarin ontdaan van locale effecten naar verwachting beter in beeld gebracht. Ter vergelijking is meestal ook het ongecorrigeerde resultaat gegeven. Hoewel niet voor 100% zeker gebleken is dat het verkeer de oorzaak is (er kon immers geen correlatie met verkeerstellingen vastgesteld worden) lijkt er haast geen andere conclusie mogelijk. Vanaf de volgende paragraaf zal daarom steeds gesproken worden over o.a. 'correctie voor verkeer'. 3.5 Ammoniak: patronen en trends Nitrofiele Indicatie Waarde De Nitrofiele Indicatie Waarde (NIW) wordt gebruikt als de belangrijkste graadmeter voor de effecten van ammoniak. Hoge waarden geven aan waar hoge luchtconcentraties NH 3 optreden (vergelijk figuur 1.1). Dit zijn gewoonlijk brongebieden waar een weinig verdunde ammoniakpluim laag over de grond 34
37 scheert. Lagere NIW-waarden zijn te vinden in gebieden met een minder grote emissiedichtheid of in gebieden op grotere afstand van bronnen waar door verdunning van de ammoniakpluim de NH 3 -concentraties lager zijn. De NIW-waarden zijn op monsterpuntniveau geplot in een aantal kaarten: In kaart 7 tot 10 voor 1991 tot 2010 mét correctie (waar nodig) voor verkeer; in kaart 11 en 12 voor 2004 en 2010 zonder correctie voor verkeer. In bijlage 5 staat het ruimtelijke patroon van 2010 (met correctie) waarin ook isolijnen zijn aangebracht. Uit een vergelijking blijkt dat het ruimtelijke beeld niet noemenswaardig verschillend is mét en zonder correctie. De eerdere constatering dat het leeuwendeel van de variatie in NIW nog steeds door andere factoren bepaald wordt blijkt dus ook uit deze kaartbeelden. Het is wel zichtbaar dat de gecorrigeerde NIW-waarden van 2010 wat lager zijn dan de ongecorrigeerde; dit geldt in mindere mate ook voor de NIW's van Hoewel de NIW over 1991 tot 2010 in grote lijnen een zelfde patroon vertoont zijn er gaandeweg toch belangrijke verschuivingen in het ruimtelijke beeld opgetreden. In 1991 lagen de gebieden met veel ammoniakminnaars nog in de zuidwestelijke helft van de provincie (kaart 7). Geleidelijk is het accent steeds meer naar het zuidoosten van de provincie verschoven (kaart 8 en 9) en momenteel heeft de oostelijke helft van de provincie juist de hoogste NIW's (kaart 10, bijlage 5). Gebieden met hoge NIW's (>7), duidend op een zware ammoniakbelasting, zijn deze ronde dus vooral vastgesteld in zuidoost en oost Drenthe. Het meest vervuild is een regio tussen Coevorden en Emmen. Maar ook elders in oost Drenthe, zoals in de Veenkoloniën bij Nieuw-Weerdinge, en noordelijker in het grensgebied met de provincie Groningen, doen zich bijna vergelijkbare situaties voor. In het zuidwesten van de provincie is alleen bij Hollandscheveld en Ruinerwold nog sprake van relatief hoge NIW's. Het esdorpenlandschap van west, midden en noord Drenthe is sinds de vorige ronde kwalitatief goed; hier bereikt de NIW nog maar plaatselijk hoge (NIW >5) waarden. In deze gebieden varieert de NIW nu grotendeels tussen de 0,5 in de natuurterreinen en 4,5 in de landbouwgebieden. De belangrijkste uitzonderingen vormt een landbouwenclave ten westen van Borger, waar een cluster NIW-waaarden hoger dan 5 nog steeds aanwezig is. De verandering van de NIW per monsterpunt is weergegeven in kaart 14 ( , zonder correctie voor verkeer), kaart 13 ( , met correctie voor verkeer) en kaart 17 ( , met correctie voor verkeer). De gemiddelde verandering per 5 x 5 km 2 staat in kaart 15, 16 en 18, en bijlage 7. Opnieuw is er nauwelijks een effect van de correctie voor verkeer merkbaar, er is geen verschil in de ruimtelijke patronen van de verandering. Wel is zichtbaar dat er bij een correctie voor verkeer een wat grotere afname van de NIW is. Er zijn binnen Drenthe vrij grote verschillen in de verandering van de NIW sinds 2004 (kaart 13). In een gebied van Coevorden en Zuidwolde in het 35
38 zuiden tot Nieuweroord en Nieuw-Balinge in het noorden is er een duidelijk gunstige ontwikkeling: hier is er een sterke afname van de NIW. Tussen Beilen en Assen is een tweede gebied met een aanzienlijke afname van de NIW. In zuidwest Drenthe is er na de grote afname tussen 1998 en 2004 nu weer een stijging van de NIW; een deel van de winst die in dit gebied is sinds 1998 gerealiseerd is, is daarmee weer verloren gegaan. In noord en oost Drenthe is het beeld wisselend, gemiddeld genomen is de NIW daar toegenomen. Sinds 1998 is de trend veel gunstiger (kaart 17). In het grootste deel van Drenthe is de NIW vrij sterk tot zeer sterk afgenomen. Vooral in midden Drenthe ruwweg tussen Assen, Hoogeveen, Dwingeloo en Westerbork is de behaalde milieuwinst erg groot. Ook langs de gehele zuidgrens van de provincie is de NIW flink gedaald, en is er een grote verbetering. Alleen op de Hondsrug en in de Veenkoloniën daar ten oosten van is de balans gemiddeld niet gunstig. Zo is rond Valthe de NIW sinds 1998 nog steeds duidelijk toegenomen. Acidofiele Indicatie Waarde De contra-indicatie met behulp van de Acidofiele Indicatie Waarde (AIW) is zichtbaar in kaart 19 (2004) en 20 (2010), en bijlage 6. Hoge waarden geven gebieden aan die al lange tijd gevrijwaard gebleven zijn van substantiële ammoniakbelastingen. Zoals in par. 3.1 vermeld is, is het nu wel duidelijk dat een terugkeer van acidofyten bij een daling van de NH 3 -belasting niet optreedt. De eigenschappen van de boomschors zijn na blootstelling aan NH 3 door onomkeerbare processen voorgoed veranderd, waardoor het oorspronkelijke milieu voor deze soorten niet terugkeert. De AIW is daardoor niet bruikbaar om een daling van de ammoniakbelasting te registreren. Dit blijkt ook uit de verandering tussen 2004 en 2010 (kaart 22): praktisch nergens is sprake van een stijging van de AIW. De ruimtelijke verdeling in 2010 correspondeert sterk met de situatie in De AIW bereikt vooral hoge waarden in en rond bosgebieden op de Hondsrug (omgeving Odoorn en Borger), in noord Drenthe bij Veenhuizen, Norg en Assen, en in west Drenthe bij Diever en Uffelte. Dit zijn de gebieden die al een reeks van jaren een lage tot zeer lage achtergrondbelasting ammoniak ondervinden. Een vergelijking van het kaartbeeld NIW en AIW liet tot aan de vorige ronde een vrij duidelijke ruimtelijke scheiding zien tussen de NH 3 - emissiegebieden (hoge NIW) en gebieden met veel NH 3 -gevoelige soorten (hoge AIW). De gebieden met een hoge NIW lagen tot dusver zelden binnen de 10 km van de regio's met een hoge AIW. Nu in oost Drenthe (vooral rond Valthe) de NIW opnieuw hoger geworden is, is het de vraag of een hoge AIW op de Hondsrug in de toekomst nog wel tot de mogelijkheden blijft behoren. De Hondsrug is kwalitatief altijd één van de beste gebieden van Drenthe 36
39 12 10 NIW NIW 2004 Figuur 3.9 De Nitrofiele Indicatie Waarde (NIW) van 2004 tegen die van Bij de monsterpunten boven de diagonale lijn is de NIW toegenomen. Groen = in Wav-gebied, paars = in 250 m. zone; wit = in 'wit gebied'. De NIW is gecorrigeerd voor de invloed van wegen AIW AIW 2004 Figuur 3.10 De Acidofiele Indicatie Waarde (AIW) van 2004 tegen die van Bij de monsterpunten boven de diagonale lijn is de AIW toegenomen. Groen = in Wav-gebied, paars = in 250 m. zone; wit = in 'wit gebied' aantal soorten aantal soorten 2004 Figuur 3.11 De het aantal soorten korstmossen per monsterpunt in 2004 tegen dat in Bij de monsterpunten boven de diagonale lijn is de soortenrijkdom toegenomen. Groen = in Wav-gebied, paars = in 250 m. zone; wit = in 'wit gebied'. 37
40 geweest, maar een verplaatsing van de ammoniakproblematiek naar de Veenkoloniën maakt dat deze koppositie nauwelijks te behouden is. In kaart 22 staat de verandering van de AIW per monsterpunt. De gemiddelde verandering per 5 x 5 km 2 staat in kaart 23 en bijlage 8. Het is duidelijk te zien dat de AIW praktisch overal afneemt. Er zijn hier en daar wel wat losse monsterpunten waar sprake is van een kleine toename, maar op het geheel is dit verwaarloosbaar. Dit bevestigt dat een terugkeer van acidofyten bij een lager geworden ammoniakbelasting niet optreedt. Rond Orvelte, Westerbork en Mantinge is de afname van de AIW het grootst. De afname wordt hier niet veroorzaakt door een recente toename van de ammoniakbelasting. Hier treedt sterk het in par. 3.1 beschreven verschijnsel op dat een sterke ammoniakreductie kan leiden tot het massaal afsterven van soorten, ook acidofyten. Juist Eikenmos (Evernia prunastri) blijkt dit slecht te verdragen (zie bijlage 3). Afsterven van soorten treedt vooral op in punten met een van oorsprong hoge AIW. Als daar een sterke ammoniakreductie volgt op een toename van de ammoniakbelasting, enige jaren daarvoor, dan is de daaruit voortvloeiende stress kennelijk zo groot dat weinig soorten dit overleven. Alle ecologische groepen nitrofyten, acidofyten, overige soorten nemen af, alleen een aantal warmteminnende korsten vult deze lege niche op (zie par. 3.1). Een vergelijking tussen kaart 20 (AIW 2010) en kaart 22 (verandering AIW) laat zien dat een afname van de AIW vooral opgetreden is in de periferie van de gebieden die nog goed zijn. Wet ammoniak en veehouderij In tabel 3.3 en figuur 3.12 en 3.13 staan de veranderingen van NIW en AIW uitgespitst over Wav-gebied, 250 m. zone en 'witte gebieden'. In figuur 3.14 is dit verder uitgesplist over noordwest Drenthe, zuidwest Drente en oost Drenthe. De NIW is steeds weergegeven mét en zonder correctie voor verkeer. Het effect van alleen verkeer is zichtbaar als halftint. Uit figuur 3.12 blijkt dat de invloed van het wegverkeer op de vastgestelde NIW trends aanzienlijk is. Voor Drenthe als totaal, en in de witte gebieden zou de NIW bijna weer terug zijn op het niveau van 1998 zonder deze verdiscontering. Mét de verdiscontering is er sinds 1998 juist een sterke afname van de NIW. Dit toont aan dat de invloed van het verkeer op de trends heel groot is. De gecorrigeerde NIW wordt hierna gehanteerd als maatgevend omdat die representatief is voor de achtergrondbelasting (zie Discussie). De Nitrofiele Indicatie Waarde (NIW) nam gemiddeld over heel Drenthe tussen 2004 en 2010 licht toe, van 2,28 naar 2,34 (tabel 3.3), de verandering (+0,06) is significant (p=0,016). Dit betekent dat er gemiddeld een heel klein toegenomen effect van ammoniak op de korstmossen merkbaar is ten opzichte van Ten opzichte van 1998 is er een zeer duidelijke afname, 38
41 Tabel 3.3 De verandering van de Nitrofiele Indicatie Waarde (NIW, met en zonder correctie voor verkeer), de Acidofiele Indicatie Waarde (AIW), en de soortenrijkdom tussen 2004 en 2010 van de monsterpunten in Drenthe als totaal, en uitgesplistst over Wav-gebieden, de 250 meter zone, en de 'witte gebieden'. De significantie van de verandering is uitgerekend volgens de Wilcoxen Matched Pairs test. De Z-waarde is een maat voor de significantie; 'p' is de overschrijdingskans (* = significant (p<0,05); **= zeer significant (p< 0.001)). Het aantal onderzochte opnamenparen staat in de kolom 'n'. n: 2004: 2010: verschil: Z-waarde: p: NIW (ongecorrigeerd): Wav-gebieden 49 0,61 0,89 +0,28 4,31 <0,0001 ** 250 m. zone 77 2,01 1,90-0,11 1,05 0,293 witte gebieden 400 3,21 3,53 +0,32 6,73 <0,0001 ** geheel Drenthe 526 2,79 3,04 +0,25 6,85 <0,0001 ** NIW (gecorrigeerd voor verkeer): Wav-gebieden 49 0,57 0,82 +0,25 4,10 <0,0001 ** 250 m. zone 77 1,56 1,31-0,25 2,08 0,037 * witte gebieden 400 2,63 2,73 +0,10 2,64 0,0082 * geheel Drenthe 526 2,28 2,34 +0,06 2,42 0,0155 * AIW: Wav-gebieden 49 4,11 3,74-0,37 3,97 0,0001 ** 250 m. zone 77 3,45 2,95-0,50 5,35 <0,0001 ** witte gebieden 400 2,34 2,14-0,20 7,94 <0,0001 ** geheel Drenthe 526 2,67 2,40-0,27 10,28 <0,0001 ** soortenrijkdom: Wav-gebieden 49 18,67 20,45 +1,78 2,68 0,0074 * 250 m. zone 82 24,30 25,17 +0,87 1,55 0,1201 witte gebieden ,19 29,46 +2,27 10,23 <0,0001 ** geheel Drenthe ,06 28,08 +2,02 10,40 <0,0001 ** van 3,00 naar 2,34 (figuur 3.12). De sinds 1998 ingezette daling van de NIW is dus bijna geheel bestendigd, maar na 2004 heeft de afname zich niet meer verder voortgezet. In figuur 3.9 is zichtbaar dat er bij de verandering tussen 2004 en 2010 nogal wat spreiding is: op veel punten nam de NIW af, maar op ongeveer evenveel andere punten was er een toename. De veranderingen zijn bij hoge en lage NIW's ongeveer gelijk, er is geen afwijkende ontwikkeling in een bepaald segment. 39
42 4 3,5 Nitrofiele Indicatie Waarde. 3 2,5 2 1,5 1 NIW 1991 NIW 1998 NIW 2004 NIW ,5 0 Wav-gebieden 250 meter zone witte gebieden totaal Figuur 3.12 De gemiddelde Nitrofiele Indicatie Waarde (NIW) in de Wav-gebieden, in een zone van 250 meter daaromheen, in de 'witte gebieden', en in Drenthe als totaal over de periode , met en zonder de invloed van verkeer. Exclusief de invloed van verkeer is weergegeven als volkleur, de bijdrage van verkeer is weergegeven als tint. (NB: De grootte van de bijdrage van verkeer is uiteraard niet representatief voor de bijdrage aan de achtergrondbelasting, het gaat slechts om het zeer locale effect zoals dat in de wegberm wordt vastgesteld.) Zoals verwacht is de NIW het laagst in de Wav-gebieden (0,82), hoger in de 250 m. zone (1,31), en het hoogst in de 'witte gebieden' (2,73, zie tabel 3.3 en figuur 3.12). Alleen in de 250 m. zone is sinds 2004 een afname van de NIW opgetreden. De afname (-0,25) is significant (p=0,037). Dit toont aan dat er een effectieve werking van de tot nu toe geldende Wav is uitgegaan (de begrenzing daarvan komt in grote lijnen overeen met de Wav-kaart die voor de huidige analyse maatgevend is). Ten opzicht van 1998 is de afname van de NIW nog veel groter (-1,08), wat aantoont dat het ammoniakbeleid in deze zone over de jaren heel effectief was. In de 'witte gebieden' is er een beperkte toename van de NIW. De toename (+0,10) is significant (p=0,008). Ten opzicht van 1998 is er juist sprake van een zeer sterke afname (-0,70, figuur 3.12); slechts een klein deel van het sinds 1998 bereikte resultaat is nu dus weer teniet gedaan, het grootste deel van de afname is bestendigd. In het Wav-gebied zelf is de NIW sinds 2004 ook toegenomen, en wel +0,25 NIW-punt. Ook deze verandering is significant (p< 0,0001). Deze toename is een voortzetting van de zich al jaren aftekenende ongunstige trend (figuur 40
43 7 6 Acidofiele Indicatie Waarde AIW 1991 AIW 1998 AIW 2004 AIW Wav-gebieden 250 meter zone witte gebieden totaal Figuur 3.13 De gemiddelde Acidofiele Indicatie Waarde (AIW) in de Wav-gebieden, in een zone van 250 meter daaromheen, in de 'witte gebieden', en in Drenthe als totaal over de periode ). Alleen tussen 1998 en 2004, toen zowel in de 250 m. zone als in de witte gebieden de NIW fors afnam, bleef de NIW in de Wav-gebieden bijna gelijk. Sinds 1998 is er per saldo een toename van +0,30 van de NIW in het Wav-gebied. Een al eerder geopperde mogelijke verklaring (van Herk, 2005) voor de toename van de NIW in deze gebieden is een veranderd depositiepatroon waarbij de NH 3 op steeds grotere afstand van bronnen gedeponeerd is als gevolg van een verzadigingseffect dicht bij de bron. Dit veronderstelde verzadigingseffect treedt op doordat dicht bij bronnen schors en takken al op grote schaal ontzuurd zijn, maar in natuurgebieden op grotere afstand heeft zich dit nog niet voltrokken. De veel zuurdere substraten fungeren daar dan als spons die de (basische) ammoniak relatief sterk bindt. De regionale trends (figuur 3.14) laten zien dat de ontwikkelingen in alle drie de Drentse regio's min of meer gelijksoortig zijn. De NIW is in de 250 m. zone overal afgenomen, het meest in zuidwest en oost Drenthe. In de witte gebieden is de NIW licht toegenomen in noordwest en zuidwest Drenthe; in oost Drenthe bleef deze gemiddeld genomen gelijk. Dit wordt veroorzaakt door een zeer gunstige ontwikkeling in de regio Coevorden; de ongunstige ontwikkeling in de Veenkoloniën wordt daardoor gemaskeerd. In de Wav- 41
44 4, ,5 Nitrofiele Indicatie Waarde. 3 2,5 2 1,5 Acidofiele Indicatie Waarde , Wav-gebieden 250 meter zone witte gebieden Noordwest Drenthe Wav-gebieden 250 meter zone witte gebieden Noordwest Drenthe 4, ,5 Nitrofiele Indicatie Waarde. 3 2,5 2 1,5 Acidofiele Indicatie Waarde , Wav-gebieden 250 meter zone witte gebieden Zuidwest Drenthe Wav-gebieden 250 meter zone witte gebieden Zuidwest Drenthe 4, ,5 Nitrofiele Indicatie Waarde. 3 2,5 2 1,5 Acidofiele Indicatie Waarde , Wav-gebieden 250 meter zone witte gebieden Oost Drenthe Wav-gebieden 250 meter zone witte gebieden Oost Drenthe NIW 2004 NIW 2010 AIW 2004 AIW 2010 Figuur 3.14 De gemiddelde Nitrofiele Indicatie Waarde (NIW, links) en Acidofiele Indicatie Waarde (AIW, rechts) in drie regio's van Drenthe (noordwest Drenthe, boven; zuidwest Drenthe, midden; oost Drenthe, onder) in de Wav-gebieden, in een zone van 250 meter daaromheen, en in de 'witte gebieden' in 2004 en De NIW is weergegeven met en zonder invloed van verkeer (volkleur: exclusief verkeer; tint: de bijdrage van het verkeer). 42
45 3,5 3,0 Nitrofiele Indicatie Waarde. 2,5 2,0 1,5 1,0 NIW 1991 NIW 1998 NIW 2004 NIW ,5 0,0 Natura 2000 Overig Drenthe Figuur 3.15 De gemiddelde Nitrofiele Indicatie Waarde (NIW) in de Natura-2000 gebieden en in overig Drenthe over de periode , met en zonder de invloed van verkeer (exclusief de invloed van verkeer is weergegeven als volkleur, de bijdrage van verkeer is weergegeven als tint). gebieden is de toename van de NIW het grootst in zuidwest en oost Drenthe. Noord Drenthe lijkt vrijwel helemaal aan deze verslechtering te ontsnappen. De Acidofiele Indicatie Waarde (AIW) nam tussen 2004 en 2010 af van 2,67 naar 2,40, een daling van 0,27 (tabel 3.3), deze verandering is significant (p< 0,0001). Figuur 3.10 laat zien dat de daling vooral optrad in monsterpunten met gemiddeld hoge AIW's. In 2004 werd nog gevonden dat de achteruitgang in absolute zin groter was naarmate de uitgangssituatie beter was. Daaraan is nu een einde gekomen. Het patroon van achteruitgang van AIW lijkt zich daarmee verlegd te hebben van een negatief effect door toegenomen ammoniak in voorgaande rondes, naar de eerder beschreven stress als gevolg van een sterke afname van ammoniak deze ronde. Dit wordt bevestigd door figuur In de 250 m. zone is de afname van de AIW is het grootst (-0,50, p< 0,0001). Heel duidelijk zijn deze stresseffecten bijvoorbeeld zichtbaar in de monsterpunten langs het Oranjekanaal bij Orvelte die in deze zone liggen. In de witte gebieden heeft de AIW veel minder verloren (-0,20, p< 0,0001). Op zich is dit niet vreemd omdat de AIW daar ook minder te verliezen heeft. Ook in de Wav-gebieden is de vermindering van de AIW iets beperkter: -0,37 (p<0,0001). 43
46 7,0 6,0 Acidofiele Indicatie Waarde. 5,0 4,0 3,0 2,0 AIW 1991 AIW 1998 AIW 2004 AIW ,0 0,0 Natura 2000 Overig Drenthe Figuur 3.16 De gemiddelde Acidofiele Indicatie Waarde (AIW) in de Natura-2000 gebieden en in overig Drenthe over de periode De opsplitsing van de AIW trends over noordwest, zuidwest en oost Drenthe laat zien dat er overal sprake is van een achteruitgang, of het nu gaat om Wav-gebieden, de 250 m. zone, of de witte gebieden. Dit bevestigt dat de AIW als zodanig niet bruikbaar is om een vermindering van de ammoniakbelasting te registreren. De AIW geeft alleen aan waar de belasting langdurig laag gebleven is. In oost Drenthe is de AIW in het Wav-gebied en in de 250m. zone even hoog. Dit heeft te maken met de aard van dit gebied. Illustratief is de situatie tussen Odoorn en Exloo, waar akkerbouwgebied (geen Wav-gebied) zonder enige veehouderij gelegen is temidden van grote bossen (wel Wav-gebied). Hier worden hoge AIW's buiten het Wav-gebied bereikt met soorten die normaliter niet buiten het bos groeien. Er is ook nagegaan hoe de trends zijn binnen en buiten de Natura-2000 gebieden. Het blijkt dat de trend van de NIW hier sterk vergelijkbaar is met die in de Wav-gebieden (vergelijk figuur 3.15 met 3.12). De waarden van de NIW liggen in het Natura-2000 gebied echter bijna 2 maal zo hoog. Bij de AIW is er weinig verschil (figuur 3.16 en 3.13). 44
47 3.6 Klimaatsverandering Het effect van de klimaatsverandering op de korstmossen in Drenthe is te zien in de figuren 3.17 tot Net als in de vorige rapportage (van Herk, 2005) wordt de verandering op twee manieren beoordeeld: met behulp van het areaal (de verspreiding op aarde) en met de temperatuurvoorkeur volgens de "Ellenberg-getallen" (Wirth, 1991). Dit is op twee manieren gevisualiseerd: het (absolute) aantal soorten met een bepaalde voorkeur per monsterpunt (figuur 3.17 en 3.18), en het relatieve aandeel van de diverse voorkeuren uitgedrukt als percentage (figuur 3.19 en 3.20). De soortensamenstelling op basis van temperatuurvoorkeur (koel tot zeer warm) is deze ronde opnieuw verder verschoven richting soorten van warme tot zeer warme omstandigheden. Soorten van koele omstandigheden namen echter niet verder af; soorten van tamelijk koele omstandigheden namen wel af, alle overige categorieën namen toe, zowel absoluut als relatief. Ook de samenstelling op grond van het areaal (tropisch tot boreo-montaan) schoof verder op richting zuidelijke soorten: warm-temperate en tropische soorten namen sterk toe, vooral absoluut, maar ook relatief. Boreo-montane soorten namen af, vooral relatief, slechts beperkt absoluut. Koel-temperate soorten name in absolute zin licht toe (figuur 3.17), relatief was er een kleine afname (figuur 3.19). Er is sinds 2004 slechts een enkele warmteminnende, zuidelijke soort die nieuw is voor het meetnet: Netschildmos (Parmotrema reticulatum, één vondst). Er zijn wel diverse zeer zeldzame warmteminnende soorten toegenomen: Witkopvingermos (Physcia tribacioides) ging van één naar drie vondsten en Breed takmos (Ramalina canariensis) ging ook van één naar drie vondsten. De bulk van de toename is evenwel toe te schrijven aan een aantal steeds algemener wordende warmteminnaars zoals Witstippelschildmos (Punctelia borreri, 18 naar 25 vondsten), Groen boomschildmos (Flavoparmelia soredians, zie kaart 37a-d, van 47 naar 68 vondsten) en Dun schaduwmos (Hyperphyscia adglutinata, zie kaart 36a-d, van 54 naar 132 vondsten). Een noordelijke soort die sterk afgenomen is Bruin boerenkoolmos (Tuckermannopsis chlorophylla, zie kaart 32a-d, van 16 naar 10 vondsten). Andere soorten met dit gedrag zijn Dennenschotelkorst (Lecanora aitema, van 4 naar 2 vondsten) en Hardhout-schotelkorst (Lecanora varia, van 2 vondsten naar 1). Er zijn echter ook noordelijke soorten toegenomen of zelfs nieuw: Zwart boomspijkertje (Calicium glaucellum, 1 x nieuw), Dennenmos (Imshaugia aleurites, 1 x nieuw) en Lichtend schorssteeltje (Chaenotheca furfuracea, van 2 naar 5 vondsten). Binnen de noordelijke soorten is het beeld dus veel genuanceerder. Per saldo reageerden zeker meer soorten positief dan negatief op de opwarming. Er lijkt een zeker verband te zijn tussen de verandering van de soor- 45
48 30 aantal soorten jaar boreo-montaan koel-temperaat warm-temperaat tropisch Figuur 3.17 De verandering van de korstmossamenstelling tussen 1991 en 2010 als functie van het areaal (de verspreiding op aarde). Uitgezet is het gemiddelde aantal soorten met een boreo-montane (noordelijke) tot tropische areaalvoorkeur per monsterpunt. aantal soorten jaar ongedefinieerd zeer warm warm tamelijk warm gemiddeld tamelijk koel koel Figuur 3.18 De verandering van de korstmossamenstelling tussen 1991 en 2010 als functie van de temperatuurvoorkeur. Uitgezet is het gemiddelde aantal soorten met een voorkeur voor koele tot zeer warme, en onduidelijke (ongedefinieerde) omstandigheden per monsterpunt. percentage boreo-montaan % koel-temperaat % warm-temperaat % tropisch % Figuur 3.19 De verandering van de korstmossamenstelling tussen 1991 en 2010 als functie van het areaal (de verspreiding op aarde). Uitgezet is het gemiddelde aandeel soorten met een boreo-montane (noordelijke) tot tropische areaalvoorkeur per monsterpunt jaar 100 percentage zeer warm % warm % tamelijk warm % gemiddeld % tamelijk koel % koel % Figuur 3.20 De verandering van de korstmossamenstelling tussen 1991 en 2010 als functie van de temperatuurvoorkeur. Uitgezet is het aandeel soorten met een voorkeur voor koele tot zeer warme omstandigheden per monsterpunt jaar 46
49 tenrijkdom en de aard van de verschuiving: in periodes dat er een grote toename van de soortenrijkdom was, werd dit vooral "opgevuld" met warmteminnende soorten; koelteminnende soorten gingen dan nauwelijks achteruit (figuur 3.18). In de periode dat de soortenrijkdom weinig veranderde (tussen 1998 en 2004), ging een beperkte toename van warmteminnaars vooral ten koste van de koelteminnaars. Twee grote zeldzaamheden verdwenen toen uit het meetnet: Bruin paardenhaarmos (Bryoria fuscescens) en Kopspijkertje (Cyphelium inquinans). In kaart 4 is de gecombineerde verspreiding van acht zeer zuidelijke soorten (met een overwegend tropisch areaal) uitgezet. In vooral zuidoost Drenthe komen deze soorten veel voor. Dit kaartbeeld is vermoedelijk geen afspiegeling van delen van Drenthe die extra opgewarmd zijn maar veel meer een afspiegeling van de delen van Drenthe waar zich goede mogelijkheden voor kolonisatie van deze soorten hebben voorgedaan. Een vergelijking met de NIW in 2010 (kaart 10) laat duidelijke ruimtelijke overeenkomsten in zien. Dit wijst erop dat de kolonisatie van warmteminnende soorten vermoedelijk bevorderd wordt door de ammoniakvervuiling. De indicatorgetallen van Wirth laten een correlatie zien tussen temperatuur en stikstof (r= +0,41). De correlatie tussen temperatuur en ph is nog iets hoger (r= +0,47). Dit zijn correlaties op basis van de in Drenthe voorkomende soorten. Relatief veel warmteminnende soorten hebben dus een voorkeur hebben voor een hoge ph en/of stikstofvervuilde omstandigheden. Het is daarom begrijpelijk dat de kolonisatie vooral heeft plaatsgevonden in gebieden met een hoge NIW. Toch moet opgemerkt worden het verspreidingspatroon van klimaatgerelateerde effecten zeker niet tot één type teruggebracht kan worden. Een tweede verspreidingstype dat zich aftekent vertoont een relatie met kustgerelateerde effecten. Het zijn vooral soorten met Trentepohlia-algen zoals Verzonken schriftmos (Opegrapha rufescens), zie kaart 39a-d) en Inktspatkorst (Arthonia spadicea) die dit gedrag vertonen (Aptroot & van Herk, 2007). Dun schaduwmos (Hyperphyscia adglutinata) vormt een schakel tussen de twee genoemde verspreidingspatronen. Het gaat hierbij om Atlantische soorten die steeds verder het binnenland in trekken, mogelijk speelt bij deze soorten de toegenomen hoeveelheid neerslag een rol. De soorten van dit 'Atlantische' type zijn vooral toegenomen op bomen waar een sterke ammoniakreductie heeft plaatsgevonden (zie bijlage 3). De kolonisatie van warmteminnende soorten is dus zeker niet beperkt tot situaties waarbij de stikstofvervuiling toeneemt. Het lijkt er eerder op dat milieuverandering (instabiliteit) ruimte geeft aan nieuwe niches. Deze nieuwe niches, of het nu gaat om situaties waarbij de ammoniakbelasting toe- of afneemt, bieden ruimte aan nieuwe, vooral warmteminnende soorten. In stabiele(re) omstandigheden ontstaan deze niches niet, en heeft de korstmosvegetatie meer interne weerstand tegen invasie van warmteminnaars. 47
50 4 DISCUSSIE Deze ronde is duidelijk geworden dat het onderzoeken van het verband tussen korstmossamenstelling en milieu steeds gecompliceerder wordt. De korstmossen staan bloot aan een ingewikkeld stelsel van milieufactoren dat interfereert en de korstmossen zeer complex beïnvloedt. Dit is niet altijd zo geweest. Tot in de jaren 1980 was zwaveldioxide de dominante factor. De variatie was toen sterk ééndimensionaal en het verhaal was vrij simpel: hoe meer vervuiling, des te minder korstmossen. Sinds de opkomst van het ammoniakprobleem gaat dit echter niet meer op. We hebben nu te maken met een multidimensionale factorenruimte. Bij iedere soort is zijn voorkomen een resultaat van een combinatie van factoren. Het lijkt voor de hand liggend om dan een multivariate analyse (PCA, DCA) erop toe te passen. Dit is in het verleden ook wel gedaan (van Herk, 1993), maar de conclusies die daaruit getrokken konden worden zijn vaak slechts beperkt. Bovendien moet dit rapport ook voor de leek leesbaar blijven en niet verzanden in wetenschappelijke analyses. Toch ligt hier een spanningsveld: er worden ook hoge eisen gesteld aan de betrouwbaarheid van de conclusies, een constatering dat 'de luchtvervuiling' toegenomen is of niet volstond vroeger, maar is tegenwoordig niet meer toereikend. De aanpak die daarbij vereist is vraagt soms veel van de lezer, vooral als die alleen in de "uitslag" geïnteresseerd is. klimaat De interferentie tussen de effecten van klimaatsverandering en de ammoniak gerelateerde effecten blijft één van de lastigst ontwarbare problemen. Het is duidelijk gebleken dat de kolonisatie van zuidelijke soorten vooral plaats heeft gevonden in gebieden die relatief sterk met ammoniak vervuild zijn (kaart 4 en 10). Dit duidt erop dat de opmars van warmteminnende soorten vrijwel zeker veel kleiner geweest zou zijn als er geen ammoniakprobleem was geweest. Bij een op de dataset van Utrecht uitgevoerde multipele regressie was het effect van zowel temperatuur (klimaat) als ook ammoniak beide significant (van Herk et al, 2002). Dit betekent dat zij elk afzonderlijk effect hebben op de soortensamenstelling, ook als de andere factor niet van invloed is. Welk effect de klimaatsverandering heeft op nitrofyten is ook moeilijk goed te beoordelen. Probleem is dat deze relatie niet met een klassieke dosis respons benadering statistisch te analyseren valt. Klimaatsverandering is immers moeilijk per monsterpunt kwantificeerbaar. Ook werkt het niet om per monsterpunt het gemiddelde temperatuurgetal (volgens Wirth) te berekenen, en dit vervolgens te correleren met het voorkomen van nitrofyten: de warmteminnaars hebben zich immers vooral in punten met een hoge NIW gevestigd. Ook de indicatorgetallen van Wirth (1991, 2010) zelf zijn niet behulpzaam: Bij bijna alle nitrofyten (alle relevante Lecanora's, Physcia's en Xanthoria's) 48
51 ontbreken de getallen voor temperatuur. Alleen Poedergeelkorst (Candelariella reflexa), Fijne geelkorst (C. xanthostigma) en Grove geelkorst (C. vitellina) zijn door Wirth van een temperatuurgetal voorzien, resp. 6, 7 en 8 (op de schaal van 1 tot 9). Bijlage 2 laat zien dat de nitrofyten zich steeds minder als een eenheid gedragen. Er zijn soorten bij die sinds 1998 afgenomen zijn (Physcia tenella: 15,0%, Xanthoria candelaria: 13,5%, Xanthoria polycarpa: 8,4%, Physcia dubia: 6,0%, Lecanora hageni: 3,3%, Physcia caesia: 2,5%) en soorten die sterk toegenomen zijn (Physcia adscendens: +3,9%, Lecanora dispersa: +8,8%, Phaeophyscia orbicularis: +6,7%, Candelariella vitellina: +14,1%, Xanthoria parietina: +15,1%, Candelariella xanthostigma: +37,0% en Candelariella reflexa: +41,3%. Ongetwijfeld is een deel van deze variatie een soortspecifieke respons op klimaatsverandering. De drie Candelariella's zijn vermoedelijk de duidelijkste warmteminnaars, ook gezien de temperatuurgetallen van Wirth. Het is daarbij echter opvallend dat C. reflexa het sterkst van de drie is toegenomen, maar tevens het laagste temperatuurgetal heeft. Omgekeerd komen C. vitellina en C. xanthostigma noordelijk tot op Spitsbergen voor; de kans lijkt daarmee al veel kleiner dat zij duidelijk warmteminnend zijn. Ook P. tenella, P. caesia, P. dubia en X. candelaria komen tot op Spitsbergen voor. De belangrijkste vraag is welk netto effect van klimaatsverandering op de NIW te verwachten is. Alles afwegende lijkt de NIW als geheel redelijk goed in balans met zowel noordelijke als zuidelijke soorten. Ook op theoretische gronden valt niet te verwachten dat een toename van de temperatuur aanleiding geeft tot een groter aantal beschikbare niches voor nitrofyten. De kans is wel groot dat een hogere temperatuur ervoor zorgt dat beschikbare niches met andere soorten wordt opgevuld. Dit is ook wat we feitelijk zien gebeuren met de soortensamenstelling als geheel: een hogere ammoniakbelasting geeft milieuverandering, er komen nieuwe niches beschikbaar, die dan preferent met warmteminnaars worden opgevuld (par. 3.6). Een zelfde proces zien we in iets mindere mate als de ammoniakbelasting afneemt: ook dan nemen warmteminnaars toe. In stabielere omstandigheden heeft de korstmosvegetatie meer interne weerstand. verkeer Het is om meerdere redenen niet juist om de NIW-trend inclusief verkeer als maatgevend te hanteren voor de opgetreden veranderingen: 1. Er treedt een overschatting van de effecten van NH 3 op omdat veel monsterpunten zich erg dicht op substantiële bronnen bevinden. 2. Er treedt een beïnvloeding van de trend op doordat het probleem de uitstoot door auto's nieuw ontstaan is. 3. De bijdrage die het verkeer toevoegt aan de achtergrondbelasting zit al 'verdisconteerd' in de NIW van punten langs rustige wegen. Dit heeft ook gevolgen voor de manier waarop de figuren 3.12, 3.14 en 3.15 gelezen dienen te worden. De bijdrage die het verkeer in deze figuren toe- 49
52 voegt aan de vastgestelde NIW's is geen aan het verkeer toe te schrijven bijdrage aan de achtergrondbelasting NH 3. Het gaat hier alleen om een inschatting van de zeer lokaal optredende effecten met het doel om die effecten uit de trend en de gemiddelden weg te kunnen nemen. De vraag of het verkeer wel of geen invloed op de NIW heeft, bleek met dit onderzoek helaas niet eenduidig te beantwoorden. De resultaten van de berekening met de verkeerstellingen zijn onbevredigend. Het is niet duidelijk waarom dat geen correlatie oplevert. Daar staat tegenover dat de correlatie met 'wegtype' moeilijk voor een andere uitleg vatbaar is, temeer omdat vergelijkbare correlaties ook in Zeeland gevonden zijn. Ook is bekend dat drieweg katalysatoren NH 3 uitstoten; metingen langs wegen tonen dit ook aan. Tenslotte is een correlatie tussen NIW en wegtype pas na 1998 ontstaan; dit correspondeert goed met het moment dat katalysatoren geïntroduceerd zijn (halverwege de jaren '90) en de geschatte responstijd van nitrofyten (ca. 5 jaar). Alles afwegende is daarom besloten er vanuit te gaan dat er wel een invloed is, en om een correctie toe te passen. Verder is besloten om de resultaten zonder correctie ook te presenteren, maar los van de impact van verkeer daar geen conclusies aan te verbinden. De rapportage over 2004 (van Herk, 2005) is nog gebaseerd op ongecorrigeerde NIW's. Dit betekent dat de behaalde milieuwinst over wat groter was dan toen becijferd, met name in de witte gebieden en in de 250 m. zone (zie fig. 3.12). De toen getrokken conclusies blijven echter nog geheel geldig. Één aspect van verkeer verdient wel opheldering: Over 2010 is gevonden dat langs drukke wegen de NIW wel 1,6 NIW eenheden hoger is dan elders (figuur 3.8). Dit correspondeert met een verschil van 6,6 µg NH 3 m 3 (figuur 1.1) wat veel meer is dan bij de metingen van het MNP (nu PBL). Op de vangrail van snelwegen werd een verhoging van ca. 2 µg NH 3 m 3 gemeten. Een goede verklaring voor dit verschil is er niet. De bomen staan in sommige gevallen weliswaar zeer dicht op het wegdek én de onverdunde uitlaatgassen, maar het is de vraag of dit het verschil kan verklaren. Het kronendak van de bomen speelt wellicht ook een rol; dit zou als een deken kunnen fungeren waaruit de NH 3 moeilijk kan ontsnappen. Het is hoe dan ook nuttig dat er meer fysieke NH 3 metingen langs wegen plaats gaan vinden om betere inschatting van locale effecten te verkrijgen. ammoniak De trend van de ammoniakminnende korstmossen (NIW gecorrigeerde voor verkeer) laat duidelijk zien dat de ammoniakbelasting in Drenthe in de jaren 1990 is toegenomen en de laatste 12 jaar op de meeste plekken weer is afgenomen. Ook is goed zichtbaar dat tussen 1998 en 2004 de belangrijkste winst is behaald; daarna is deze winst bestendigd, maar er is sindsdien geen extra winst behaald (figuur 3.12). Dit komt overeen met de trend die door het PBL/RIVM becijferd is. Ook de verschuiving van het ammoniakprobleem 50
53 binnen Drenthe van het zuidwesten in de jaren '90 naar het zuidoosten nu (figuur 1.3) wordt door de NIW goed ondersteund (kaart 7 tot 10). Zowel in ruimte als in tijd zijn de patronen van de NIW dus consistent met de modellen. Minder goed verklaarbaar is dat de NIW in de Wav-gebieden opnieuw is gestegen (figuur 3.12). Dit duidt op een nog steeds toenemende ammoniakbelasting. Deze bevinding staat niet op zichzelf: onlangs heeft herhalingsonderzoek plaatsgevonden aan de korstmossen op alle hunebedden (die grotendeels in Wav-gebied gelegen zijn) met een zelfde resultaat (BLWG, 2010, nog niet gepubliceerd). Het zijn speciaal de hunebedden die 'in de drup' van oude bomen staan waar dit bij optreedt. In de rapportage van 2004 en in par. 3.5 is al een verklaring geopperd: In de veeteeltgebieden zijn schors en takken van bomen door de ammoniak sterk ontzuurd (ammoniak is een base, pas in de bodem wordt het door bacteriën in zuur omgezet). In natuurgebieden heeft deze ontzuring zich slechts beperkt voltrokken. De veel zuurdere substraten fungeren daar als spons die het (basische) ammoniak relatief sterk bindt (met relatief hoge NIW's als resultaat). Een dergelijk effect is met modellen uiteraard niet vast te stellen. Van de AIW zijn de ruimtelijke patronen alleen consistent voor zover het plekken betreft die nooit een hoge ammoniakbelasting hebben gekend. Maar het temporele aspect van deze parameter kent onzekerheden. Het uitblijven van een herstel van de AIW bij afname van de NH 3 belasting maakt deze parameter niet geschikt als indicator voor NH 3 -reductie. Wel geeft de AIW aan dat sommige ontwikkelingen irreversibel zijn, eenmaal aangerichte schade is niet meer terug te draaien. Deze parameter indiceert daarmee persistente effecten. Uitval Dat Drenthe zuinig is op zijn bomen bleek wel: bijna alle punten konden probleemloos worden herhaald. Opvallend genoeg was er vooral in bossen uitval. Niet zelden was juist daar een deel van de bomen door dunningen verdwenen, ook in lanen in bossen wordt nogal eens gekapt. Waar mogelijk is dit gecompenseerd met gelijkwaardige bomen. 51
54 5 SAMENVATTING In Drenthe heeft in voor de vierde keer een kartering plaatsgevonden van de op bomen groeiende korstmossen. Eerdere onderzoeksrondes waren er in 1991, 1998 en Het onderzoek heeft als hoofddoel de effecten van de ammoniakproblematiek te volgen. Het is daarmee een effectindicator bij het milieubeleid. Nevendoel is het volgen van de effecten van klimaatsverandering. Ook de natuurwaarde van de korstmossen is onderzocht. Korstmossen zijn erg gevoelig voor ammoniak (NH 3 ), zij lenen zich dus goed als milieu-indicator. Er zijn niet alleen korstmossen die verdwijnen door NH 3, sommige korstmossen gaan er ook harder door groeien. Vooral de tweede categorie is bruikbaar om de effecten van NH 3 te karteren en monitoren. Deze soorten worden verenigd in de NIW (Nitrofiele Indicatie Waarde). Hoge NIW s duiden dus op een sterke vervuiling. Gevoelige soorten worden verenigd in de AIW (Acidofiele Indicatie Waarde). Hier duiden hoge waarden op een geringe vervuiling. De veehouderij is de belangrijkste bron van NH 3 in Nederland. Sinds de introductie van de katalysator stoten ook auto s NH 3 uit (ca. 2,6 kiloton p.j. versus ca. 134 kiloton p.j. in de veehouderij). Van 579 groepen met elk ca. 10 eiken zijn alle aanwezige soorten korstmossen per boom genoteerd; 576 boomgroepen konden sinds 2004 worden herhaald, 3 boomgroepen zijn nieuw. Het meetnet beslaat geheel Drenthe, en omvat vooral rijtjes bomen langs wegen. Er zijn 167 soorten korstmossen op de onderzochte bomen aangetroffen (bijlage 1). Vier korstmossen zijn t.o.v verdwenen, acht soorten zijn nieuw. De soortenrijkdom per punt steeg van 26,1 naar 28,1. Bij 60% van de soorten was het aantal vondsten in 2010 groter dan in 2004, terwijl bij 28% een afname werd gevonden. Veel aangetroffen korstmossen staan op de Rode Lijst, in 2010 zijn in totaal 38 RLsoorten op de onderzochte bomen gevonden (tabel 3.2). Vijf RL-soorten zijn nieuw, te weten Zwart boomspijkertje, Netschildmos, Dennenmos, Sierlijk takmos en Gemarmerd vingermos. Er zijn geen RL-soorten uit het meetnet verdwenen. Net als bij voorgaande rondes is de grootste concentratie RLvindplaatsen is in de westelijke helft van de provincie (kaart 6). Hoewel de soortenrijkdom per saldo toegenomen is, is het aspect van de korstmosvegetatie er over het algemeen niet beter op geworden. Opvallende struikvormige soorten, zoals Eikenmos zijn sterk achteruit gegaan, en onooglijke korstjes zijn vooruit gegaan. Waar de ammoniakbelasting sterk is verminderd keert de oorspronkelijke Eikenmos-gemeenschap niet terug; in plaats daarvan gaat Eikenmos nog verder achteruit, en Purperschaaltje een korst van ontzuurde droge schors gaat samen met een paar andere korsten domineren. De gedachte dat bij een terugkeer naar een lage ammoniakbelasting de oorspronkelijke begroeiing terugkeert blijkt dus niet juist te zijn. 52
55 De nieuwe soortensamenstelling geeft aan dat de schors van eiken niet opnieuw zuur wordt. Het Eikenmos-milieu is daarmee onomkeerbaar verloren gegaan. Ook de soortenrijkdom kan bij een sterke ammoniakreductie behoorlijk achteruit gaan (figuur 3.2). Het zijn vooral warmteminnende soorten die het nieuwe milieu opvullen. Doordat de schors niet opnieuw zuur wordt, blijven de oorspronkelijke ammoniakmijdende soorten weg, en gaat de AIW niet meer terug omhoog. Het uitblijven van een herstel van de AIW bij afname van de NH 3 belasting maakt deze parameter niet geschikt als indicator voor NH 3 -reductie. De AIW geeft momenteel alleen nog aan op welke plekken de ammoniakbelasting langdurig laag gebleven is. Ammoniakminnende soorten verdwijnen wel als de ammoniakbelasting daalt, de NIW volgt het temporele patroon van NH 3 dus wel goed. Ruimtelijke patronen van zowel NIW als AIW worden gepresenteerd voor heel Drenthe, evenals de trends vanaf 1991 voor de NIW (kaart 7 tot 10) en vanaf 2004 voor de AIW (kaart 19 tot 20). Verder is de verandering per monsterpunt in beeld gebracht (NIW: kaart 13 en 17, AIW: kaart 21). Ook worden de trends gegeven voor 1: de gebieden die op de kaart Wet ammoniak en veehouderij 2010 aangegeven staan als zeer kwetsbaar (figuur 1.6), 2: een bufferzone van 250 m. daaromheen waar beperkingen gelden, en 3: de witte gebieden waar alleen het generieke beleid geldt (figuur 3.12 en 3.13). Het effect van het wegverkeer op de NIW is ook onderzocht. In Zeeland kon al eerder een effect van het wegverkeer (NH 3 uit katalysatoren) op de NIW worden vastgesteld. In Drenthe blijkt er tevens een duidelijk verband tussen het wegtype en de NIW. Bij punten langs provinciale wegen was de NIW in 2010 gemiddeld 1,6 punt hoger dan bij rustige wegen met weinig verkeer. Het verschil correspondeert met een ongeveer 6,6 µg ammoniak m 3 (zie figuur 1.1). Het effect is over de vier meetrondes geleidelijk ontstaan. In 1991 was er nog geen verschil. In 2004 was het verschil voor het eerst significant (figuur 3.5 tot 3.8). Dit geeft aan dat NH 3 de oorzaak is, niet een ander uitlaatgas zoals NO x. Katalysatoren zijn halverwege de jaren 90 geleidelijk in gebruik genomen. Gemeentelijke en provinciale verkeerstellingen zijn ook gebruikt voor berekeningen, maar daarmee kon geen correlatie vastgesteld worden. Het is niet duidelijk waardoor die gegevens niet correleren. Er is besloten de NIW s van punten langs wegen te corrigeren voor het effect van het verkeer, anders zou een overschatting van de effecten van NH 3 optreden. De correctie heeft plaatsgevonden op de data van 1998, 2004 en Het ruimtelijke patroon van de NIW verandert nauwelijks als gevolg van de correctie; de trends worden er wel sterk door beïnvloed (figuur 3.12, 3.13). Opgemerkt moet worden dat de bijdrage van verkeer aan de NIW's in deze figuren alleen een inschatting van de zeer lokaal optredende effecten is, geen relatieve bijdrage aan de totale NH 3 -belasting. Over geheel Drenthe is de NIW tussen 2004 en 2010 niet noemenswaardig veranderd, er was een stijging van 0,06 punt van gemiddeld 2,28 naar 2,34; 53
56 dit is net significant. Dit betekent dat er gemiddeld genomen een heel licht toegenomen effect van ammoniak op de korstmossen merkbaar is sinds Ten opzichte van 1998 is de NIW wel sterk afgenomen ( 0,66, figuur 3.12). De sinds 1998 ingezette daling van de NIW is dus bijna geheel bestendigd, maar na 2004 heeft de afname zich niet verder voortgezet. Er zijn binnen Drenthe vrij grote verschillen in de verandering van de NIW sinds In een gebied van Coevorden en Zuidwolde in het zuiden tot Nieuweroord en Nieuw-Balinge in het noorden is er een duidelijk gunstige ontwikkeling: hier is er een sterke afname van de NIW. Tussen Beilen en Assen is een tweede gebied met een aanzienlijke afname van de NIW. In zuidwest Drenthe is er na de grote afname tussen 1998 en 2004 nu weer een stijging van de NIW. In noordoost Drenthe is de NIW gemiddeld wat toegenomen. Over de gehele onderzoeksperiode wijst de NIW op een verschuiving van het ammoniakprobleem binnen Drenthe van het zuidwesten in de jaren '90 naar het zuidoosten nu (kaart 7 tot 10). Dit komt overeen met de modellen van het PBL (figuur 1.3). Zoals verwacht is de NIW het laagst in de Wav-gebieden (0,82), hoger in de 250 m. zone (1,31), en het hoogst in de 'witte gebieden' (2,73). Alleen in de 250 m. zone is sinds 2004 een afname van de NIW opgetreden. De afname ( 0,25) is significant. Ten opzicht van 1998 is de afname van de NIW nog veel groter ( 1,08), wat aantoont dat het ammoniakbeleid in deze zone over de jaren heel effectief was. In de 'witte gebieden' is er een beperkte toename van de NIW. De toename (+0,10) is significant. Ten opzicht van 1998 is er juist sprake van een zeer sterke afname ( 0,70); slechts een klein deel van het sinds 1998 bereikte resultaat is nu dus weer teniet gedaan, het grootste deel van de afname is bestendigd. In het Wav-gebied zelf is de NIW sinds 2004 ook toegenomen, en wel +0,25 NIW-punt. Ook deze verandering is significant. Deze toename is een voortzetting van de zich al jaren aftekenende ongunstige trend. Een mogelijke verklaring voor de toename van de NIW in deze gebieden is een veranderd depositiepatroon van NH 3 als gevolg van een verzadigingseffect dicht bij bronnen. Daar zijn schors en takken ontzuurd (ammoniak is een base), maar in natuurgebieden op grotere afstand heeft zich dit nog niet voltrokken. De veel zuurdere substraten fungeren daar dan naar verwachting als spons die de ammoniak relatief sterk bindt. De negatieve trend in Wav-gebied blijkt ook uit de afname van typische bossoorten met een grote gevoeligheid voor NH 3 : Groot boerenkoolmos en Avocadomos zijn praktisch uit Drenthe verdwenen. De trend bij de korstmossen wordt niet door modellen ondersteund; deze voorspellen veelal een afnemende NH 3 -belasting in natuurgebieden. De meetreeksen van het Meetnet Ammoniak in Natuurgebieden (van het PBL) in Drenthe zijn nog te kort, of laat geen verandering zien. Regionale trends (figuur 3.14) laten zien dat de ontwikkelingen in drie regio's, noordwest, zuidwest en oost Drenthe, min of meer gelijksoortig zijn. In alle regio's is de ontwikkeling in de 250 m. zone het gunstigst. Er is ook nagegaan 54
57 hoe de trends zijn binnen en buiten de Natura-2000 gebieden. Het blijkt dat de trend van de NIW hier sterk vergelijkbaar is met die in de Wav-gebieden. De waarden van de NIW zijn in het Natura-2000 gebied echter bijna 2 maal zo hoog. De graadmeter voor soorten met een gevoeligheid voor ammoniak, de AIW, nam significant af van 2,67 naar 2,40. De AIW nam bijna overal af; in slechts een klein aantal punten was er een toename (kaart 21). Dit bevestigt dat een terugkeer van acidofyten bij een lager geworden ammoniakbelasting niet optreedt. Rond Orvelte, Westerbork en Mantinge was de afname van de AIW het grootst. De afname wordt hier niet veroorzaakt door een toename van de ammoniakbelasting, maar juist door een sterke ammoniakreductie. Eikenmos blijkt dit slecht te verdragen (zie bijlage 3). Als in punten met een van oorsprong hoge AIW een sterke ammoniakreductie volgt op een toename van de ammoniakbelasting, enige jaren daarvoor, dan is de daaruit voortvloeiende stress zo groot dat veel soorten dit niet overleven. De verandering van de soortensamenstelling tussen 2004 en 2010 is ook statistisch doorgerekend op andere milieufactoren die de veranderingen kunnen verklaren. Het blijkt dat de factor 'temperatuur' het duidelijkst in het totaal van de veranderingen herkenbaar is: er heeft een verdergaande verschuiving in soortensamenstelling plaatsgevonden richting warmteminnende soorten. De soortensamenstelling op basis van temperatuurvoorkeur (koel tot zeer warm) is deze ronde opnieuw verder verschoven richting soorten van warme tot zeer warme omstandigheden. Vooral warmteminnende soorten namen toe. Soorten van koele en tamelijk koele omstandigheden namen slechts beperkt af. Ook de samenstelling op grond van het areaal (tropisch tot boreomontaan) schoof verder op richting zuidelijke soorten. Per saldo reageerden deze periode veel meer soorten positief dan negatief op de opwarming. In de periode dat de soortenrijkdom weinig veranderde (tussen 1998 en 2004), ging een beperkte toename van warmteminnaars vooral ten koste van de koelteminnaars. Warmteminnende soorten hebben zich vooral zuidoost Drenthe gevestigd. Dit is geen deel van Drenthe dat extra opgewarmd is, maar veel meer een gebied waar zich goede mogelijkheden voor kolonisatie van deze soorten hebben voorgedaan. De kolonisatie van warmteminnende soorten wordt vermoedelijk bevorderd wordt door de ammoniakvervuiling. Het is niet de vervuiling zelf, maar de met milieuverandering gepaard gaande instabiliteit die ervoor zorgt dat deze soorten zich kunnen vestigen. Ook bij een sterke afname van de NH 3 -belasting nemen warmteminnaars toe, dan vooral Atlantische soorten. In stabielere omstandigheden heeft de korstmosvegetatie meer interne weerstand. 55
58 6 CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN Uit de resultaten van de monitoring kan worden opgemaakt dat tussen 2004 en 2010 de invloed van ammoniak in Drenthe gemiddeld nauwelijks meer gewijzigd is. Tussen 1998 en 2004 wees de korstmossamenstelling nog op een sterke afname van de ammoniakbelasting, maar dat is nu niet meer het geval. De tussen 1998 en 2004 behaalde milieuwinst is daarmee wel bestendigd. Regionaal zijn er wel duidelijke verschillen. In de driehoek Coevorden Zuidwolde Nieuw-Balinge was de gunstigste ontwikkeling: hier was een sterke afname van de ammoniak-indicatie (kaart 13). Bijna het zelfde geldt voor een regio tussen Beilen en Assen. In zuidwest Drenthe is er na een zeer sterke verbetering tussen 1998 en 2004 nu weer een zekere toename van de ammoniak-indicatie. De toename geldt in iets mindere mate ook voor oost Drenthe. Over de gehele onderzoeksperiode (1991 tot 2010) is het ammoniakprobleem in Drenthe geleidelijk naar het oosten opgeschoven. In 1991 lagen de gebieden met veel ammoniakminnaars nog in de zuidwestelijke helft van de provincie. Momenteel heeft de oostelijke helft van de provincie juist de hoogste ammoniak-indicatie. Het grootste deel van het esdorpenlandschap heeft sinds 1998 een zeer gunstige ontwikkeling doorgemaakt (kaart 17). In de 250 m. zone rondom de voor verzuring gevoelige onderdelen van de EHS (kaart Wet ammoniak en veehouderij 2010) is een duidelijk effect merkbaar van de daar geldende emissiebeperkende maatregelen. In alle regio's (noordwest, zuidwest en oost Drenthe) nam in deze zone het effect van ammoniak af. In de Wav-gebieden zelf was er juist een stijging van het effect van ammoniak merkbaar. Een verklaring voor de toename in deze gebieden is wellicht een veranderd depositiepatroon van NH 3 waarbij als gevolg van ontzuring (ammoniak is een base) dicht bij de bron meer ammoniak in natuurgebieden terecht komt waar deze ontzuring niet of slechts beperkt heeft plaatsgevonden. Deze trend bij de korstmossen wordt niet door de ammoniakmodellen ondersteund, maar in de modellen wordt daar ook geen rekening mee gehouden. In de 'witte gebieden' (de nietverzuringsgevoelige gebieden) werd gemiddeld een lichte stijging van de ammoniakinvloed vastgesteld. De contra-indicatie met ammoniakgevoelige soorten geeft aan waar gebieden liggen die decennia lang weinig ammoniakdepositie hebben ontvangen. Deze soorten zijn niet bruikbaar om een vermindering van de ammoniakbelasting te registreren. De beste gebieden liggen op de Hondsrug. 56
59 Samenvattend is het beleid om de ammoniakdepositie in Drenthe terug te brengen succesvol; vooral sinds 1998 is er een flinke afname van de ammoniak-indicatie. In de 250 m. zone rondom zeer kwetsbaar gebied is duidelijk het meest bereikt; in de zeer kwetsbare gebieden zelf zijn de doelen nog niet bereikt. Ammoniak uit katalysatoren van auto's heeft een substantiële invloed gekregen op korstmossen langs wegen. Dit effect is sinds 1998 geleidelijk ontstaan. Om de korstmossen als indicator voor ammoniak te kunnen blijven gebruiken is een correctie voor dit effect noodzakelijk. Als dit niet gedaan wordt treedt een overschatting van de effecten van ammoniak op. Langs drukke wegen kan de concentratieverhoging afgeleid uit de korstmossen wel oplopen tot ca. 7µg/m 3. Aanbevolen wordt om meer onderzoek te doen naar de schadelijke invloed van deze uitstoot. Tot dusver is daar erg weinig aandacht voor geweest. Een analyse van de verandering van de totale korstmossamenstelling laat zien dat er sinds 2004 opnieuw een verschuiving heeft plaatsgevonden in de richting van meer zuidelijke, warmteminnende soorten. Dit is een voortzetting van de al eerder vastgestelde trends. Klimaatsverandering is sterker van invloed op de korstmossamenstelling naarmate het effect van ammoniak daarop groter is. Warmteminnende soorten vestigen zich vooral als de ammoniakbelasting toe- of afneemt. In stabiele omstandigheden heeft de vegetatie meer interne weerstand. De milieuverandering is vooral ten koste gegaan van de voor Drenthe typerende begroeiing met Eikenmos. Dit korstmos is sterk afgenomen, waardoor het aspect van mooi begroeide bomen sterk verminderd is. Informatie betreffende de vindplaatsen van korstmossen op de Rode Lijst (tabel 3.2) kan gebruikt worden bij het beschermingsbeleid. Het aantal Rode Lijst-soorten is deze ronde duidelijk toegenomen. Bijzondere korstmossen zitten dikwijls gewoon op oude bomen op dorpsbrinken en bij particulieren in tuinen. Voor de korstmossen is het van belang dat de bomen met regelmaat opgekroond worden, en van opslag (bramen, struikgewas) rond de boom worden ontdaan. Aanbevolen wordt om over ongeveer 6 jaar opnieuw een herhalingsonderzoek uit te voeren. Korstmossenonderzoek is vanuit meerdere invalshoeken nuttig. Korstmossen zijn niet alleen indicatoren voor een schone lucht, ze leveren ook een bijdrage aan de biodiversiteit, en informatie over klimaatsverandering en de invloed van verkeer. 57
60 7 VERKLARENDE WOORDENLIJST AIW Acidofiele Indicatie Waarde: indicator die aangeeft hoeveel ammoniakmijdende soorten op een bepaald punt aanwezig zijn ammoniak een uit stikstof (N) en waterstof (H) bestaand gas (NH 3 ) dat vooral vrijkomt bij de ontleding van dierlijke mest correlatie het gelijksoortig variëren van twee elkaar mogelijk beïnvloedende factoren, een correlatie kan variëren tussen 1 en +1, bij van 0 is er geen verband. depositie het proces waarbij stoffen uit de atmosfeer neerslaan op de bodem en de vegetatie EHS ecologische hoofdstructuur: netwerk van beschermde natuurgebieden en onderlinge verbindingszones epifyt letterlijk: een plant die op een andere plant groeit; bij de korstmossen gaat het gewoonlijk om soorten die op bomen groeien Evernion Eikenmosgemeenschap: een op de stam van bomen voorkomende gemeenschap met vooral struikvormige korstmossen, o.a. het Eikenmos (Evernia prunastri) indicator een soort of groep soorten die een aanwijzing geeft over de kwaliteit of de toestand van het milieu of een milieueigenschap Lecidellion Purperschaaltjesgemeenschap: een op de stam van bomen voorkomende gemeenschap met veel soorten korstvormige korstmossen, o.a. het Purperschaaltje (Lecidella elaeochroma) korstmos een uit twee componenten (een schimmel en een alg) bestaand organisme lichenen een meer wetenschappelijke benaming voor korstmossen meetnet stelsel van monsterpunten waaraan met tussenposen waarnemingen verricht worden met het doel om de toestand en de veranderingen van bepaalde eigenschappen of kenmerken te registreren monitoring het volgen van veranderingen in de tijd ph een maat voor de zuurgraad van een stof (bijv. de schors waar de korstmossen op groeien). Een hoge ph correspondeert met een lage zuurgraad en vice versa NIW Nitrofiele Indicatie Waarde: indicator die aangeeft hoeveel ammoniakminnende soorten op een bepaald punt aanwezig zijn significant een dermate sterke correlatie dat de kans klein is dat dit op louter toeval berust. De grens van de significantie wordt gewoonlijk op 0,05 (=5%) gesteld. stikstof een chemisch element (N). Stikstof kan voorkomen in diverse verbindingen: ammoniak (NH 3 ), ammonium (NH 4 + ), stikstofoxide (NO x ) en stikstofgas (N 2 ). De eerste drie verbindingen hebben in de bodem een bemestend effect en dragen bij aan de verzuring. Dit geldt niet voor stikstofgas, dat van nature veel in de lucht zit. variantie een statistische maat die aangeeft in welke mate twee of meer factoren in hun gedrag onderling overeenkomen; de verklaarde variantie kan variëren tussen 0 (er is geen enkele overeenkomst) en 1 (gedrag is identiek) Wav Wet ammoniak en veehouderij: wet die beoogt kwetsbare natuurgebieden te beschermen tegen de schadelijke invloed van ammoniak zwaveldioxide een uit zwavel (S) en zuurstof (O) bestaand gas (SO 2 ) dat vrijkomt bij de verbranding van fossiele brandstoffen 58
61 8 LITERATUUR Aptroot, A., H.F. van Dobben, C.M. van Herk & G. van Ommering, Bedreigde en kwetsbare korstmossen in Nederland, toelichting op de Rode Lijst. Rapport IKC- Natuurbeheer nr. 29, Wageningen. Aptroot, A. & C.M. van Herk, Further evidence of the effects of global warming on lichens, particularly those with Trentepohlia phycobionts. Environmental Pollution 146: Bakker, A.J. de, Monitoring van epifytische korstmossen in Rijksinstituut voor Natuurbeheer, RIN-rapport 89/14, Leersum. Broeck, D. van den, M. Herremans, G. Verbeylen, I Jacobs & P. van Dorsselaer, Korstmossen als bio-indicator voor ammoniakconcentraties. Eindrapport. Natuurpunt Studie in opdracht van Vlaamse Milieumaatschappij, Mechelen. Dobben, H.F. van, Monitoring van epifytische korstmossen in Rijksinstituut voor Natuurbeheer, RIN-rapport 91/8, Leersum. Dobben, H.F. van, Vegetation as a monitor for deposition of nitrogen and acidity. Proefschrift RUU, Utrecht. Duyzer, J.H. & J.H. Weststrate, Selectie van meetlocaties in de Gelderse Vallei ten behoeve van het project: Karakterisering van de regionale concentratievelden van ammoniak: 2e fase, TNO Milieu, Energie en Procesinnovatie, Delft. Duyzer, J., H. Weststrate, J.W. Erisman, A. Bleeker & H. van Jaarsveld, Karakterisering van regionale concentratievelden ammoniak 2 e fase: overzicht. TNO Milieu, Energie en Procesinnovatie, Apeldoorn. Dijkstra, A.C.J., Monitoring van epifytische korstmossen in Drenthe Provincie Drenthe, Dienst Ruimte en Groen, Assen. Frahm, J.P., Nach dem Sauren Regen droht die Überdüngung. Auch Autos mit Katalisator gefährden die Pflanzenwelt: Sie produzieren unerwartet grosse Mengen Ammoniak. Presseinfo Universität Bonn. Gies, T.J.A, J. Kros, H.F. van Dobben, J.C. Voogd, B.J.R. van Rooij & R.A. Smidt, Effectiviteit ammoniakmaatregelen in en rondom de Natura 2000-gebieden in de provincie Drenthe. Alterra, Wageningen. Herk, C.M. van, Epifytische korstmossen in de provincies Drenthe, Overijssel en Gelderland. Provincie Overijssel, hoofdgroep ROI, Zwolle. Herk, C.M. van, Korstmossen en zure depositie in Drenthe en Friesland. Hoofdrapport. Provincie Drenthe, dienst WM en dienst RG, provincie Friesland, afd. Onderzoek, afd. LG en afd. B&A. Herk, C.M. van, Monitoring van korstmossen in relatie tot bodemkwaliteit, bosvitaliteit en luchtverontreiniging in de provincie Drenthe. in opdracht van provincie Drenthe, dienst Water en Milieuhygiëne. 59
62 Herk, C.M. van, 1998a. Monitoring van ammoniak met korstmossen in Drenthe. in opdracht van provincie Drenthe, Productgroepen Bodem en Landelijk Gebied. Herk, C.M. van, 1998b. Onderzoek naar de relatie tussen de ammoniakconcentratie en epifytische korstmossen. in opdracht van Stichting Vernieuwing Gelderse Vallei, provincie Friesland en provincie Noord-Brabant. Herk, C.M. van, Mapping of ammonia pollution with epiphytic lichens in the Netherlands. Lichenologist 31(1): Herk, C.M. van, Bark ph and susceptibility to toxic air pollutants as independent causes of changes in epiphytic lichen composition in space and time. Lichenologist 33(5): Herk, C.M. van, Monitoring van epifytische korstmossen in de provincie Utrecht, in opdracht van provincie Utrecht. Herk, C.M. van, Korstmossen in Gelderland: milieuindicatie, natuurwaarde, veranderingen in opdracht van provincie Gelderland. Herk, C.M. van, Korstmossen in Drenthe: milieuindicatie, natuurwaarde, veranderingen in opdracht van provincie Drenthe. Herk, C.M. van, Korstmossen in Overijssel: milieuindicatie, natuurwaarde, veranderingen in opdracht van provincie Overijssel. Herk, C.M. van, Korstmossen in Zeeland: milieuindicatie, natuurwaarde, veranderingen in opdracht van provincie Zeeland, directie Ruimte, Milieu en Water. Herk, C.M. van, Climate change and ammonia from cars as notable recent factors influencing epiphytic lichens in Zeeland, Netherlands. Bibliotheca Lichenologica 99: Herk, C.M. van, A. Aptroot & H.F. van Dobben, Long-term monitoring in the Netherlands suggests that lichens respond to global warming. Lichenologist 34(2): Herk, K. van & A. Aptroot, Veldgids korstmossen. KNNV Uitgeverij, Utrecht. Kirchner, M., Ammoniakimmissionen aus dem Verkehrsbereich, Gefahrstoffe. Reinhaltung der Luft 60 (10): Kros, J., T.J.A. Gies, W. de Vries & J.C. Voogd, Effectiviteit integraal stikstofbeleid in de provincie Drenthe. Alterra, Wageningen. Masselink-Beltman, H.A., Korstmossen in Drenthe. Provinciale Waterstaat van Drenthe, Assen. Milieu en Natuurplanbureau & RIVM, Meetnet Ammoniak in Natuurgebieden, Nieuwsbrief 2, Bilthoven. Parmesan, C. & G. Yohe, A globally coherent fingerprint of climate change impacts across natural systems. Nature 421:
63 Planbureau voor de Leefomgeving, Balans van de Leefomgeving Den Haag/ Bilthoven. Planbureau voor de Leefomgeving & RIVM, Meetnet Ammoniak in Natuurgebieden, Nieuwsbrief 6, Bilthoven. Sparrius, L.B., Monitoring van ammoniak met korstmossen in Friesland BIO-DIV in opdracht van provincie Fryslân en ROM project zuidoost Friesland. Sparrius, L.B., A. Aptroot, C.M. van Herk & L.L. Soldaat, Landelijk Meetnet Korstmossen. Inhoudelijke rapportage Bryologische en Lichenologische Werkgroep in opdracht van Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, en Centraal Bureau voor de Statistiek. BLWG-rapport 5. Wirth, V., Zeigerwerte von Flechten. In: Zeigerwerte von Pflanzen in Mitteleuropa (H. Ellenberg, H.E. Weber, R. Düll, V. Wirth, W. Wermer & D. Paulissen). Scripta Geobotanica 18: Wirth, V., Ökologische Zeigerwerte von Flechten, erweiterte und aktualisierte Fassung. Herzogia 23 (2), in druk. Wit, T. de, Epiphitic Lichens and Air Pollution in The Netherlands. Rijksinstituut voor Natuurbeheer, Verhandeling 8, Leersum. 61
64 Kaarten 62
65 Kaart 1 Het aantal soorten korstmossen per monsterpunt in 2004 (alleen punten die in 2010 herhaald zijn) Kaart 2 Het aantal soorten korstmossen per monsterpunt in 2010 (alleen punten die in 2004 ook onderzocht zijn). 63
66 Kaart 3 De verandering van het aantal soorten korstmossen per monsterpunt tussen 2004 en Kaart 4 Het aantal soorten met een zeer zuidelijk, overwegend tropisch areaal per monsterpunt in
67 Kaart 5 Het aantal soorten korstmossen dat op de Rode Lijst staat per monsterpunt in Kaart 6 Het aantal soorten korstmossen dat op de Rode Lijst staat per monsterpunt in
68 0,5 1,5 3,0 5,0 7,0 10,0 Kaart 7 De Nitrofiele Indicatie Waarde (NIW) per monsterpunt in 1991 (m.u.v. 40 punten die pas in 1998 of 2004 gestart zijn). Er is niet gecorrigeerd voor de invloed van verkeer. 0,5 1,5 3,0 5,0 7,0 10,0 Kaart 8 De Nitrofiele Indicatie Waarde (NIW) per monsterpunt in 1998 (m.u.v. 10 punten die pas in 2004 gestart zijn). Er is gecorrigeerd voor de invloed van verkeer. 66
69 0,5 1,5 3,0 5,0 7,0 10,0 Kaart 9 De Nitrofiele Indicatie Waarde (NIW) per monsterpunt in 2004 (alleen punten die in 2010 herhaald zijn). Er is gecorrigeerd voor de invloed van verkeer. 0,5 1,5 3,0 5,0 7,0 10,0 Kaart 10 De Nitrofiele Indicatie Waarde (NIW) per monsterpunt in 2010 (punten die in 2004 ook onderzocht zijn). Er is gecorrigeerd voor de invloed van verkeer. 67
70 0,5 1,5 3,0 5,0 7,0 10,0 Kaart 11 De Nitrofiele Indicatie Waarde (NIW) per monsterpunt in 2004 (alleen punten die in 2010 herhaald zijn). Er is niet gecorrigeerd voor de invloed van verkeer. 0,5 1,5 3,0 5,0 7,0 10,0 Kaart 12 De Nitrofiele Indicatie Waarde (NIW) per monsterpunt in 2010 (punten die in 2004 ook onderzocht zijn). Er is niet gecorrigeerd voor de invloed van verkeer. 68
71 3,0 1,5 0,5 +0,5 +1,5 +3,0 Kaart 13 De verandering van de Nitrofiele Indicatie Waarde (NIW) per monsterpunt tussen 2004 en De verandering is gecorrigeerd voor de invloed van verkeer. 3,0 1,5 0,5 +0,5 +1,5 +3,0 Kaart 14 De verandering van de Nitrofiele Indicatie Waarde (NIW) per monsterpunt tussen 2004 en De verandering is niet gecorrigeerd voor de invloed van verkeer. 69
72 1,5 1,0 0,5 +0,5 +1,0 +1,5 Kaart 15 De verandering van de Nitrofiele Indicatie Waarde (NIW) per 5 x 5 km blok tussen 2004 en De verandering is niet gecorrigeerd voor de invloed van verkeer. 1,5 1,0 0,5 +0,5 +1,0 +1,5 Kaart 16 De verandering van de Nitrofiele Indicatie Waarde (NIW) per 5 x 5 km blok tussen 2004 en De verandering is gecorrigeerd voor de invloed van verkeer. 70
73 3,0 1,5 0,5 +0,5 +1,5 +3,0 Kaart 17 De verandering van de Nitrofiele Indicatie Waarde (NIW) per monsterpunt tussen 1998 en De verandering is gecorrigeerd voor de invloed van verkeer. 1,5 1,0 0,5 +0,5 +1,0 +1,5 Kaart 18 De verandering van de Nitrofiele Indicatie Waarde (NIW) per 5 x 5 km blok tussen 1998 en De verandering is gecorrigeerd voor de invloed van verkeer. 71
74 0,5 1,5 3,0 5,0 7,0 10,0 Kaart 19 De Acidofiele Indicatie Waarde (AIW) per monsterpunt in 2004 (alleen punten die in 2010 herhaald zijn). Er is niet gecorrigeerd voor de invloed van verkeer. 0,5 1,5 3,0 5,0 7,0 10,0 Kaart 20 De Acidofiele Indicatie Waarde (AIW) per monsterpunt in 2010 (punten die in 2004 ook onderzocht zijn). Er is niet gecorrigeerd voor de invloed van verkeer. 72
75 3,0 1,5 0,5 +0,5 +1,5 +3,0 Kaart 21 De verandering van de Acidofiele Indicatie Waarde (AIW) per monsterpunt tussen 2004 en De verandering is niet gecorrigeerd voor de invloed van verkeer. 1,5 1,0 0,5 +0,5 +1,0 +1,5 Kaart 22 De verandering van de Acidofiele Indicatie Waarde (AIW) per 5 x 5 km blok tussen 2004 en De verandering is niet gecorrigeerd. 73
76 Kaart 23a-d Heksenvingermos (Physcia tenella) Heksenvingermos is een zeer algemeen stikstofminnend korstmos. Op eiken verschijnt hij al bij een lage ammoniakbelasting. De verspreiding in Drenthe lijkt tussen 1991 en 2010 op het eerste gezicht niet veranderd. Toch heeft er een duidelijke verschuiving plaatsgevonden. In noordoost Drenthe is hij sinds 1991 toegenomen terwijl hij in zuidwest Drenthe sindsdien juist afgenomen is. Rond 1998 was hij in heel Drenthe het talrijkst, daarna nam hij af. 74
77 Kaart 24a-d Kapjesvingermos (Physcia adscendens) Kapjesvingermos lijkt op Heksenvingermos (kaart 23), maar is op eiken minder algemeen dan deze. Behalve stikstofminnender dan de tweede, is hij ook ietwat droogte- en warmteminnender. In zuid en zuidoost Drenthe is hij het talrijkst, naar het noorden komt hij minder voor. In de open landbouwgebieden rond Hoogeveen en Emmen waar ook de ammoniakbelasting relatief hoog is komt hij het meeste voor. 75
78 Kaart 25a-d Rond schaduwmos (Phaeophyscia orbicularis) Rond schaduwmos is een sterk stikstofminnende soort die op eiken goed aangeeft waar het milieu verontreinigd is. Het zwaartepunt van zijn voorkomen ligt in het zuiden van de provincie rond Hoogeveen, Meppel en Coevorden. Bij Wijster is de soort na aanvankelijke toename weer afgenomen, o.a. doordat bij de VAM op een overdekte compostering is overgeschakeld. Over het geheel van de provincie is er een zekere toenemende trend. 76
79 Kaart 26a-d Groot dooiermos (Xanthoria parietina) Groot dooiermos is vanwege zijn grootte en gele kleur een opvallend en gemakkelijk herkenbaar korstmos. De soort is op eiken vooral tussen 1991 en 2004 enorm toegenomen. In noordoost Drenthe was hij aanvankelijk nog schaars aanwezig, maar nu zit hij overal in de provincie veel op de bomen. Op dit moment zijn er nauwelijks regionale verschillen meer, alleen in de grote bosgebieden is hij nog minder talrijk. 77
80 Kaart 27a-d Klein dooiermos (Xanthoria polycarpa) Klein dooiermos vormt kleine thalli; deze zijn vaak maar ter grootte van een speldenknop. Op eiken verschijnt hij net als Heksenvingermos al bij lage ammoniakbelastingen. De soort is daardoor algemeen in de hele provincie. Over de onderzoeksperiode is hij na een aanvankelijke toename, na 1998 weer afgenomen. Vooral in zuidwest Drenthe is de afname duidelijk aan het kaartbeeld af te lezen. 78
81 Kaart 28a-d Poedergeelkorst (Candelariella reflexa) Poedergeelkorst is één van de drie soorten geelkorst die frequent op eiken aanwezig is. De soort bestaat geheel en alleen uit melig fijne korreltjes. Behalve stikstofminnend is de soort ook warmteminnend. In 1990 was hij nog slechts zeldzaam aanwezig in zuid en midden Drenthe; nu is hij bijna overal talrijk. Het zwaartepunt van zijn voorkomen ligt nu oost Drenthe. Ook in bossen is hij nu algemeen. 79
82 Kaart 29a-d Eikenmos (Evernia prunastri) Eikenmos is een opvallend en veel voorkomend korstmos. In Drenthe is de stam van wegbomen er vaak helemaal mee begroeid. De afgelopen decennia is hij op veel plekken sterk afgenomen, vooral in zuidwest Drenthe. Eikenmos is gevoelig voor ammoniak. Hij heeft tot dusver niet kunnen profiteren van de ammoniakbeperkende maatregelen. Waar een sterke ammoniakreductie is gerealiseerd, is hij alleen nog maar verder afgenomen. 80
83 Kaart 30a-d Purper geweimos (Pseudevernia furfuracea) Drenthe heeft traditioneel de rijkste groeiplaatsen van Purper geweimos in Nederland. De soort kan net als Eikenmos de hele stam van bomen bedekken, maar dit blijft in ons land beperkt tot de gebieden met een zeer lage ammoniakbelasting. Ooit kwam deze soort in vrijwel ieder Drents atlasblok voor maar dat is al lang niet meer het geval. Er is al jaren een gestage achteruitgang. Er zijn nu nog maar een paar grote groeiplaatsen over. In zuidwest Drenthe is hij praktisch verdwenen. 81
84 Kaart 31a-d Gewoon schorsmos (Hypogymnia physodes) Gewoon schorsmos is vanouds zeer algemeen in ons land, zoals ook uit zijn Nederlandse naam blijkt. De sterk zuurminnende soort was vaak de dominante soort in bossen, zowel op de stam van bomen als op takken en twijgen. Ook op vrijstaande wegbomen was hij talrijk. Dit beeld is de laatste decennia drastisch gewijzigd. Vooral in bossen is de afname zeer sterk. De huidige verspreiding laat goed zien welke gebieden nog relatief weinig door ammoniak beïnvloed zijn. 82
85 Kaart 32a-d Bruin boerenkoolmos (Tuckermannopsis chlorophylla) Drenthe is voor Bruin boerenkoolmos de belangrijkste provincie van ons land, ongeveer 80% van de exemplaren van deze Rode Lijst soort komt hier voor. De grootste groeiplaatsen bevinden zich op oude vrijstaande bomen bij Borger en Odoorn. Bruin boerenkoolmos is de laatste jaren sterk afgenomen. Ook tussen 2004 en 2010 is de afname onverminderd doorgegaan (zie tabel 3.2). De grote gevoeligheid voor ammoniak is de hoofdoorzaak; alleen in de schoonste gebieden kan hij overleven. 83
86 Kaart 33a-d Groene schotelkorst (Lecanora conizaeoides) De Groene schotelkorst was in de jaren 1970 toonbeeld van een soort die positief reageert op zwaveldioxide vervuiling. Dit leverde hem ook wel de naam 'Zwavelvreter' op. Op veel plekken was de hele stam ermee bedekt, vooral in steden en bij kolengestookte elektriciteitscentrales. Even snel als dat deze soort opgekomen is, is hij ook weer verdwenen. Opvallend genoeg heeft de soort zich nu teruggetrokken tot de schoonste gebieden met de laagste ammoniakbelasting. 84
87 Kaart 34a-d Groot boerenkoolmos (Platismatia glauca) Groot boerenkoolmos is in zijn voorkomen beperkt tot bossen. Daar groeit hij bij voorkeur op kromme stammen en takken van oude eiken in strubbenbossen en houtsingels. Tot in de jaren 1980 groeide de soort bij Dwingeloo ook op de grond in het bos. De soort is in Drenthe zeer sterk afgenomen. Zo sterk zelfs, dat voor zijn verdwijnen moet worden gevreesd. De vermossing van bosbomen met Klauwtjesmos is een belangrijke oorzaak van zijn achteruitgang. 85
88 Kaart 35a-d Vals dooiermos (Candelaria concolor) Vals dooiermos hoort niet bij de dooiermossen, vandaar de Nederlandse naam. De soort is zowel stikstofminnend als warmteminnend. In Drenthe komt hij vanouds voor in een speciale niche bij boerderijen, waar hij dikwijls in grote hoeveelheden zit. Sinds 1998 is hij niet alleen sterk toegenomen, ook is hij nu in allerlei nieuwe milieus te vinden van wegbomen tot bossen waar hij eerst ontbrak. De oude populaties zijn nog steeds het grootst. 86
89 Kaart 36a-d Dun schaduwmos (Hyperphyscia adglutinata) Dun schaduwmos is een onopvallend korstmos dat vooral op harde, droge schors groeit. Tot 1990 was hij in ons land alleen in de kustregio aanwezig; sindsdien is hij begonnen aan een gestage opmars naar het binnenland. Klimaatsverandering wordt gezien als de belangrijkste oorzaak van de toename van deze warmteminnende tevens ietwat stikstofminnende soort. In Drenthe is hij vooral in de landbouwgebieden in het zuiden algemeen geworden. 87
90 Kaart 37a-d Groen boomschildmos (Flavoparmelia soredians) Groen boomschildmos bereikte tot 1990 zijn noordgrens in Frankrijk, sindsdien heeft deze warmteminnende soort ons land veroverd. De eerste vondst was in De Biesbosch; snel daarna verscheen hij door het hele land, meestal als losse exemplaren. In Drenthe ligt het zwaartepunt van zijn verspreiding in het oosten van de provincie, net als bij veel andere soorten met een zuidelijk areaal (kaart 4). 88
91 Kaart 38a-d Purperschaaltje (Lecidella elaeochroma) Purperschaaltje is een korstvormige soort die optimaal voorkomt op niet te zure, gladde, harde schors. Op eiken is de soort sinds 1990 sterk toegenomen. De toename is vooral het gevolg van de op grote schaal opgetreden ontzuring van de boomschors. Daarnaast heeft de soort geprofiteerd van de klimaatsverandering. Tussen 1991 en 2004 was de soort in het westen van Drenthe het talrijkst, nu zijn de verschillen nagenoeg verdwenen. 89
92 Kaart 39a-d Verzonken schriftmos (Opegrapha rufescens) Verzonken schriftmos is een zeer onopvallende korstvormige soort die recentelijk bijzonder sterk toegenomen is op uitgeharde droge schors. Tot voor kort was het in hoofdzaak een kustsoort, maar 10 jaar terug is hij begonnen aan een opmars naar het binnenland. De soort bevat de Trentepohlia-alg; veel korstmossen met deze rode alg blijken op klimaatsverandering te reageren. 90
93 Bijlagen 91
94 Bijlage 1 Lijst met waargenomen korstmossoorten in 2004 en/of 2010 met resp. hun wetenschappelijke en Nederlandse naam, het aantal (n) en het percentage monsterpunten (%) waarin de zij deze twee rondes aanwezig zijn, en de verandering in n ( ). Het totale aantal punten waarover de verandering berekend is bedraagt 576. Ammoniakminnende soorten (nitrofyten, tellen mee bij NIW) zijn gemarkeerd met 'n'; ammoniakmijdende soorten (acidofyten, bij AIW) met 'a'. Wetenschappelijke naam Nederlandse naam (n) (%) (n) (%) Amandinea punctata Vliegenstrontjesmos ,8% ,8% 0 Anaptychia ciliaris Wimpermos 5 0,9% 5 0,9% 0 Arthonia pruinata Aspirinekorst 2 0,3% 2 0,3% 0 Arthonia radiata Amoebekorst 18 3,1% 19 3,3% +1 Arthonia spadicea Inktspatkorst 24 4,2% 59 10,2% +35 Bacidia adastra Fijne knoopjeskorst ,7% ,4% -25 Bacidia arnoldiana Boomvoetknoopjeskorst 6 1,0% 19 3,3% +13 Bacidia chloroticula Gladde knoopjeskorst 1 0,2% 2 0,3% +1 Bacidia delicata Soredieuze knoopjeskorst 1 0,2% 0 0,0% -1 Bacidia neosquamulosa Nieuwe knoopjeskorst 42 7,3% 24 4,2% -18 Buellia griseovirens Grijsgroene stofkorst ,5% ,1% +15 Buellia schaereri Klein strontjesmos 0 0,0% 1 0,2% +1 Calicium glaucellum Zwart boomspijkertje 0 0,0% 1 0,2% +1 Calicium viride Groen boomspijkertje 26 4,5% 39 6,8% +13 n Caloplaca citrina Gewone citroenkorst 2 0,3% 5 0,9% +3 Caloplaca ferruginea Rood boomzonnetje 1 0,2% 2 0,3% +1 Caloplaca flavocitrina Valse citroenkorst 2 0,3% 7 1,2% +5 Caloplaca herbidella Koraalcitroenkorst 2 0,3% 2 0,3% 0 n Caloplaca holocarpa Muurzonnetje 2 0,3% 8 1,4% +6 Caloplaca obscurella Gewone kraterkorst 7 1,2% 13 2,3% +6 Candelaria concolor Vals dooiermos 75 13,0% ,7% +67 n Candelariella aurella Kleine geelkorst 1 0,2% 4 0,7% +3 n Candelariella reflexa Poedergeelkorst ,4% ,5% +93 n Candelariella vitellina Grove geelkorst ,4% ,4% +29 n Candelariella xanthostigma Fijne geelkorst ,7% ,1% +118 Catillaria nigroclavata Boomrookkorst 3 0,5% 13 2,3% +10 Chaenotheca chlorella Klein schorssteeltje 1 0,2% 1 0,2% 0 Chaenotheca chrysocephala Geel schorssteeltje 2 0,3% 5 0,9% +3 a Chaenotheca ferruginea Roestbruin schorssteeltje 30 5,2% 25 4,3% -5 Chaenotheca furfuracea Lichtend schorssteeltje 2 0,3% 5 0,9% +3 Chaenotheca trichialis Grijs schorssteeltje 11 1,9% 13 2,3% +2 Chrysothrix candelaris Gele poederkorst 2 0,3% 2 0,3% 0 a Cladonia caespiticia Greppelblaadje 2 0,3% 2 0,3% 0 a Cladonia chlorophaea Fijn bekermos 48 8,3% 49 8,5% +1 a Cladonia coniocraea Smal bekermos 12 2,1% 7 1,2% -5 a Cladonia digitata Vertakt bekermos 2 0,3% 3 0,5% +1 a Cladonia fimbriata Kopjes-bekermos ,8% ,6% +22 a Cladonia floerkeana Rode heidelucifer 1 0,2% 0 0,0% -1 a Cladonia glauca Bruin heidestaartje 4 0,7% 1 0,2% -3 a Cladonia humilis Patatzak-bekermos 2 0,3% 1 0,2% -1 a Cladonia macilenta Dove heidelucifer 20 3,5% 26 4,5% +6 a Cladonia polydactyla Sterheidestaartje 1 0,2% 1 0,2% 0 92
95 Wetenschappelijke naam Nederlandse naam (n) (%) (n) (%) a Cladonia ramulosa Rafelig bekermos 0 0,0% 1 0,2% +1 Cliostomum griffithii Gespikkelde witkorst 82 14,2% 98 17,0% +16 Dimerella pineti Valse knoopjeskorst 59 10,2% 75 13,0% +16 Diploicia canescens Kauwgommos 28 4,9% 48 8,3% +20 Enterographa crassa Grauwe runenkorst 1 0,2% 1 0,2% 0 a Evernia prunastri Eikenmos ,8% ,3% -49 Fellhanera bouteillei Twijgdruppelkorst 9 1,6% 17 3,0% +8 Fellhanera subtilis Schaduwdruppelkorst 4 0,7% 2 0,3% -2 Fellhanera viridisorediata Gewone druppelkorst 20 3,5% 47 8,2% +27 Flavoparmelia caperata Bosschildmos 77 13,4% 99 17,2% +22 Flavoparmelia soredians Groen boomschildmos 47 8,2% 68 11,8% +21 Flavopunctelia flaventior Oosters schildmos 1 0,2% 1 0,2% 0 Gyalideopsis anastomosans Aspergekorst 40 6,9% 32 5,6% -8 Haematomma ochroleucum Witgerande stofkorst ,9% ,3% +8 Halecania viridescens Porceleinkorst 30 5,2% 66 11,5% +36 Hyperphyscia adglutinata Dun schaduwmos 54 9,4% ,9% +78 a Hypocenomyce scalaris Gewoon schubjesmos 76 13,2% 69 12,0% -7 a Hypogymnia physodes Gewoon schorsmos ,8% ,1% -50 a Hypogymnia tubulosa Witkopschorsmos 69 12,0% 54 9,4% -15 Hypotrachyna revoluta s.l. Gebogen schildmos ,8% ,6% -7 Imshaugia aleurites Dennenmos 0 0,0% 1 0,2% +1 Lecanactis abietina Maleboskorst 2 0,3% 2 0,3% 0 Lecania rabenhorstii Steenglimschoteltje 2 0,3% 4 0,7% +2 Lecania subfuscula Miskend glimschoteltje 1 0,2% 0 0,0% -1 a Lecanora aitema Dennenschotelkorst 4 0,7% 2 0,3% -2 Lecanora argentata Bosschotelkorst 31 5,4% 34 5,9% +3 Lecanora barkmaniana Ammoniakschotelkorst 62 10,8% ,5% +85 Lecanora carpinea Melige schotelkorst ,6% ,1% +49 Lecanora chlarotera Witte schotelkorst ,9% ,9% +23 a Lecanora conizaeoides Groene schotelkorst 20 3,5% 19 3,3% -1 Lecanora compallens Miskende schotelkorst ,4% ,2% +50 n Lecanora dispersa Verborgen schotelkorst ,1% ,3% +36 Lecanora expallens Bleekgroene schotelkorst ,5% ,0% +3 n Lecanora hageni Kleine schotelkorst 75 13,0% 81 14,1% +6 Lecanora horiza Donkere schotelkorst 1 0,2% 4 0,7% +3 n Lecanora muralis Muurschotelkorst 9 1,6% 13 2,3% +4 a Lecanora pulicaris Eikenschotelkorst ,2% ,5% -27 Lecanora saligna Houtschotelkorst 17 3,0% 14 2,4% -3 Lecanora sinuosa Bochtige schotelkorst 40 6,9% 60 10,4% +20 Lecanora subcarpinea Berijpte schotelkorst 8 1,4% 17 3,0% +9 Lecanora symmicta Bolle schotelkorst ,4% ,7% -27 Lecanora varia Hardhout-schotelkorst 2 0,3% 1 0,2% -1 Lecidella elaeochroma Gewoon purperschaaltje ,2% ,7% +49 Lecidella flavosorediata Fijne mosterdkorst ,5% ,5% +46 Lecidella scabra Grijsgroene steenkorst 72 12,5% 92 16,0% +20 Lecidella stigmatea Steenpurperschaaltje 5 0,9% 10 1,7% +5 a Lepraria incana Gewone poederkorst ,6% ,6% +6 Lepraria lobificans Gelobde poederkorst 17 3,0% 27 4,7% +10 Lepraria umbricola Boomvoetpoederkorst 2 0,3% 1 0,2% -1 Leproloma vouauxii Bleke poederkorst 1 0,2% 1 0,2% 0 Melanelia elegantula Sierlijk schildmos 89 15,5% 87 15,1% -2 93
96 Wetenschappelijke naam Nederlandse naam (n) (%) (n) (%) Melanelia exasperatula Lepelschildmos ,6% ,0% +2 Melanelia fuliginosa Glanzend schildmos 56 9,7% ,5% +45 Melanelia laciniatula Lobjesschildmos 71 12,3% 64 11,1% -7 Melanelia subaurifera Verstop-schildmos ,1% ,7% -31 Micarea denigrata Vulkaanoogje 12 2,1% 22 3,8% +10 Micarea micrococca Bosoogje 45 7,8% 45 7,8% 0 Micarea nitschkeana Takkenoogje 4 0,7% 0 0,0% -4 Micarea prasina Houtoogje 9 1,6% 11 1,9% +2 Micarea viridileprosa Groenoogje 0 0,0% 1 0,2% +1 Mycoblastus fucatus Trilzwamkorst 4 0,7% 6 1,0% +2 Ochrolechia androgyna Gewone tandpastakorst ,5% ,1% -14 a Ochrolechia microstictoides Bostandpastakorst 5 0,9% 3 0,5% -2 Ochrolechia subviridis Wrattige tandpastakorst 5 0,9% 8 1,4% +3 Ochrolechia turneri Valse kringkorst 12 2,1% 17 3,0% +5 Opegrapha atra Zwart schriftmos 7 1,2% 6 1,0% -1 Opegrapha niveoatra Klein schriftmos 34 5,9% 47 8,2% +13 Opegrapha ochrocheila Geel schriftmos 1 0,2% 1 0,2% 0 Opegrapha rufescens Verzonken schriftmos 46 8,0% ,0% +173 Opegrapha varia Kort schriftmos 1 0,2% 2 0,3% +1 Opegrapha vermicellifera Gestippeld schriftmos 1 0,2% 2 0,3% +1 Opegrapha vulgata Wit schriftmos 2 0,3% 2 0,3% 0 a Parmelia saxatilis s.l. Blauwgrijs steenschildmos ,1% ,6% +9 Parmelia sulcata Gewoon schildmos ,2% ,7% -9 Parmelina pastillifera Knopjesschildmos 1 0,2% 1 0,2% 0 Parmelina tiliacea Lindeschildmos 11 1,9% 12 2,1% +1 a Parmeliopsis ambigua Avocadomos 9 1,6% 8 1,4% -1 Parmotrema chinense Groot schildmos 39 6,8% 66 11,5% +27 Parmotrema pseudoreticulatum Gewimperd schildmos 2 0,3% 2 0,3% 0 Parmotrema reticulatum Netschildmos 0 0,0% 1 0,2% +1 Pertusaria albescens Witte kringkorst 53 9,2% 61 10,6% +8 Pertusaria amara Ananaskorst 64 11,1% 72 12,5% +8 Pertusaria coccodes Bleek speldenkussentje ,7% ,1% +2 Pertusaria hemisphaerica Boskringkorst 1 0,2% 2 0,3% +1 Pertusaria pertusa Gewoon speldenkussentje 60 10,4% 59 10,2% -1 n Phaeophyscia nigricans Klein schaduwmos 4 0,7% 6 1,0% +2 n Phaeophyscia orbicularis Rond schaduwmos ,8% ,0% +7 Phlyctis argena Lichtvlekje ,3% ,8% +9 n Physcia adscendens Kapjesvingermos ,3% ,8% +43 Physcia aipolia Gemarmerd vingermos 0 0,0% 1 0,2% +1 n Physcia caesia Stoeprandvingermos ,4% ,5% -34 Physcia clementei Isidieus vingermos 3 0,5% 2 0,3% -1 n Physcia dubia Bleek vingermos 76 13,2% 91 15,8% +15 n Physcia stellaris Groot vingermos 1 0,2% 2 0,3% +1 n Physcia tenella Heksenvingermos ,5% ,0% -55 Physcia tribacioides Witkopvingermos 1 0,2% 3 0,5% +2 Physconia distorta Fors rijpmos 3 0,5% 3 0,5% 0 Physconia enteroxantha Donker rijpmos 25 4,3% 27 4,7% +2 Physconia grisea Grauw rijpmos 59 10,2% 94 16,3% +35 Placynthiella dasaea Okerbruine veenkorst 3 0,5% 8 1,4% +5 a Placynthiella icmalea Bruine veenkorst 65 11,3% 27 4,7% -38 a Platismatia glauca Groot boerenkoolmos 4 0,7% 3 0,5% -1 94
97 Wetenschappelijke naam Nederlandse naam (n) (%) (n) (%) Pleurosticta acetabulum Olijf-schildmos ,9% ,4% -3 Protoparmelia hypotremella Grijze spijkerdrager 34 5,9% 34 5,9% 0 Protoparmelia oleagina Bruine spijkerdrager 74 12,8% 75 13,0% +1 a Pseudevernia furfuracea Purper geweimos 63 10,9% 54 9,4% -9 Psilolechia lucida UV-mos 7 1,2% 8 1,4% +1 Punctelia borreri Witstippelschildmos 18 3,1% 25 4,3% +7 Punctelia subrudecta Gestippeld schildmos ,0% ,0% +35 Punctelia ulophylla Rijpschildmos ,4% ,0% -2 Pyrrhospora quernea Grove mosterdkorst ,3% ,7% +25 Ramalina canariensis Breed takmos 1 0,2% 3 0,5% +2 Ramalina farinacea Melig takmos ,8% ,6% -7 Ramalina fastigiata Trompettakmos ,7% ,0% -27 Ramalina fraxinea Groot takmos 14 2,4% 11 1,9% -3 Ramalina lacera Waaiertakmos 2 0,3% 3 0,5% +1 Ramalina pollinaria Sierlijk takmos 0 0,0% 2 0,3% +2 n Rinodina gennarii Donkerbruine schotelkorst 1 0,2% 5 0,9% +4 n Rinodina pityrea Blauwe mosterdkorst 1 0,2% 2 0,3% +1 Schismatomma decolorans Purperkring 74 12,8% 79 13,7% +5 Strangospora pinicola Muggenstrontjesmos 34 5,9% 17 3,0% -17 a Trapeliopsis granulosa Lichte veenkorst 71 12,3% 59 10,2% -12 a Tuckermannopsis chlorophylla Bruin boerenkoolmos 16 2,8% 10 1,7% -6 a Usnea spec. Baardmos 11 1,9% 12 2,1% +1 n Xanthoria calcicola Oranje dooiermos 11 1,9% 22 3,8% +11 n Xanthoria candelaria Kroezig dooiermos ,5% ,3% -24 n Xanthoria parietina Groot dooiermos ,7% ,8% +35 n Xanthoria polycarpa Klein dooiermos ,1% ,0% +5 Xanthoria ulophyllodes Ulevellenmos 1 0,2% 1 0,2% 0 95
98 Bijlage 2 Trends van de korstmossen over de periode De trends zijn uitgedrukt als percentages monsterpunten waarin de soort aanwezig is. De verschillen tussen de jaren zijn gebaseerd op de veranderingen in uitsluitend herhalingsopnamen. Het totale aantal opnameparen bedraagt 547 (over ), 569 ( ) en 576 ( ). Percentages kunnen licht afwijken van die in de vorige bijlage doordat de steekproefsamenstelling gaande de monitoring iets verloopt. wetenschappelijke naam Nederlandse naam Amandinea punctata Vliegenstrontjesmos 92,3 95,6 94,7 94,7 Anaptychia ciliaris Wimpermos 0,9 0,9 0,9 0,9 Arthonia pruinata Aspirinekorst 0,0 0,2 0,4 0,4 Arthonia radiata Amoebekorst 0,6 2,6 3,0 3,2 Arthonia spadicea Inktspatkorst 0,0 1,1 4,2 10,3 Bacidia adastra + B. arnoldiana Knoopjeskorst 2,9 48,3 55,0 53,0 Bacidia chloroticula Gladde knoopjeskorst 0,0 0,0 0,2 0,3 Bacidia delicata Soredieuze knoopjeskorst 0,0 0,0 0,2 0,0 Bacidia neosquamulosa Nieuwe knoopjeskorst 0,0 0,5 7,4 4,2 Bryoria fuscescens Bruin paardenhaarmos 0,0 0,2 0,0 0,0 Buellia griseovirens Grijsgroene stofkorst 71,8 79,4 78,6 81,2 Buellia schaereri Klein strontjesmos 0,0 0,0 0,0 0,2 Calicium glaucellum Zwart boomspijkertje 0,0 0,0 0,0 0,2 Calicium viride Groen boomspijkertje 0,2 3,2 4,7 7,1 Caloplaca citrina Gewone citroenkorst 0,0 0,2 0,5 1,0 Caloplaca ferruginea Rood boomzonnetje 0,0 0,0 0,2 0,3 Caloplaca flavocitrina Valse citroenkorst 0,0 0,2 0,5 1,4 Caloplaca herbidella Koraalcitroenkorst 0,0 0,5 0,4 0,4 Caloplaca holocarpa Muurzonnetje 0,0 0,4 0,5 2,0 Caloplaca obscurella Gewone kraterkorst 0,0 0,2 1,2 2,2 Candelaria concolor Vals dooiermos 6,5 8,4 12,7 24,0 Candelariella aurella Kleine geelkorst 0,0 0,4 0,4 0,9 Candelariella reflexa Poedergeelkorst 5,3 25,5 50,8 66,8 Candelariella vitellina Grove geelkorst 25,6 35,1 43,6 49,2 Candelariella xanthostigma Fijne geelkorst 7,6 8,1 24,7 45,1 Catillaria nigroclavata Boomrookkorst 0,0 0,0 0,5 2,3 Chaenotheca chlorella Klein schorssteeltje 0,0 0,2 0,2 0,2 Chaenotheca chrysocephala Geel schorssteeltje 0,2 0,5 0,4 0,9 Chaenotheca ferruginea Roestbruin schorssteeltje 4,5 5,4 5,3 4,4 Chaenotheca furfuracea Lichtend schorssteeltje 0,2 0,2 0,4 0,9 Chaenotheca trichialis Grijs schorssteeltje 0,0 1,4 1,9 2,3 Chrysothrix candelaris Gele poederkorst 0,2 0,5 0,4 0,4 Cladonia caespiticia Greppelblaadje 0,0 0,0 0,4 0,4 Cladonia chlorophaea Fijn bekermos 8,6 10,5 8,1 8,3 Cladonia coniocraea Smal bekermos 3,2 3,5 2,1 1,2 Cladonia digitata Vertakt bekermos 0,2 0,2 0,4 0,5 Cladonia fimbriata Kopjes-bekermos 19,2 28,5 36,2 40,1 Cladonia floerkeana Rode heidelucifer 0,0 0,0 0,2 0,0 Cladonia glauca Bruin heidestaartje? 0,7 0,7 0,2 Cladonia humilis Patatzak-bekermos 0,0 0,0 0,4 0,2 Cladonia macilenta Dove heidelucifer? 1,4 3,5 4,5 Cladonia polydactyla Sterheidestaartje 0,2 0,2 0,2 0,2 Cladonia ramulosa Rafelig bekermos 0,0 0,0 0,0 0,2 Cliostomum griffithii Gespikkelde witkorst 7,4 12,7 14,4 17,2 Cyphelium inquinans Kopspijkertje 0,0 0,2 0,0 0,0 Dimerella pineti Valse knoopjeskorst 4,1 9,0 10,4 13,2 96
99 wetenschappelijke naam Nederlandse naam Diploicia canescens Kauwgommos 2,4 3,0 4,9 8,4 Enterographa crassa Grauwe runenkorst 0,2 0,2 0,2 0,2 Evernia prunastri Eikenmos 85,9 83,0 75,0 66,5 Fellhanera bouteillei Twijgdruppelkorst 0,0 1,1 1,6 3,0 Fellhanera subtilis Schaduwdruppelkorst 0,0 0,3 0,7 0,3 Fellhanera viridisorediata Gewone druppelkorst 0,0 0,7 3,5 8,2 Flavoparmelia caperata Bosschildmos 7,0 10,2 13,0 16,7 Flavoparmelia soredians Groen boomschildmos 0,0 2,5 7,9 11,4 Flavopunctelia flaventior Oosters schildmos 0,2 0,2 0,2 0,2 Gyalideopsis anastomosans Aspergekorst 0,7 2,6 6,9 5,5 Haematomma ochroleucum Witgerande stofkorst 25,1 28,1 30,4 31,8 Halecania viridescens Porceleinkorst 0,0 0,5 4,7 10,3 Hyperphyscia adglutinata Dun schaduwmos 0,0 1,1 9,5 23,0 Hypocenomyce scalaris Gewoon schubjesmos 22,0 17,2 13,4 12,2 Hypogymnia physodes Gewoon schorsmos 69,3 55,7 39,7 31,0 Hypogymnia tubulosa Witkopschorsmos 17,5 20,7 12,1 9,5 Hypotrachyna revoluta s.l. Gebogen schildmos 16,2 21,1 23,7 22,5 Imshaugia aleurites Dennenmos 0,0 0,0 0,0 0,2 Lecanactis abietina Maleboskorst 0,4 0,4 0,4 0,4 Lecania rabenhorstii Steenglimschoteltje 0,0 0,2 0,4 0,7 Lecania subfuscula Miskend glimschoteltje 0,0 0,0 0,2 0,0 Lecanora aitema Dennenschotelkorst 2,8 2,6 0,7 0,3 Lecanora argentata Bosschotelkorst 1,4 5,6 5,6 6,1 Lecanora barkmaniana Ammoniakschotelkorst 0,6 3,9 9,7 23,0 Lecanora carpinea Melige schotelkorst 27,6 39,5 44,3 52,7 Lecanora chlarotera Witte schotelkorst 59,1 75,6 85,6 89,6 Lecanora conizaeoides Groene schotelkorst 51,7 30,1 3,5 3,3 Lecanora dispersa Verborgen schotelkorst 12,8 15,5 18,1 24,3 Lecanora expallens s.l. Bleekgroene schotelkorst 99,1 99,8 99,6 100,0 Lecanora hageni Kleine schotelkorst 2,7 17,9 13,5 14,6 Lecanora horiza Donkere schotelkorst 0,0 0,2 0,2 0,7 Lecanora muralis Muurschotelkorst 1,4 1,4 1,8 2,6 Lecanora pulicaris Eikenschotelkorst 41,0 48,2 43,6 38,9 Lecanora saligna Houtschotelkorst 1,7 6,3 3,0 2,5 Lecanora subcarpinea Berijpte schotelkorst 0,0 0,5 1,1 2,3 Lecanora symmicta Bolle schotelkorst 31,2 29,9 22,1 17,5 Lecanora varia Hardhout-schotelkorst 0,2 0,0 0,4 0,2 Lecidella elaeochroma Gewoon purperschaaltje 32,0 57,5 79,8 88,3 Lecidella flavosorediata Fijne mosterdkorst 3,6 22,7 25,0 32,8 Lecidella scabra Grijsgroene steenkorst 0,2 4,2 12,7 16,2 Lecidella stigmatea Steenpurperschaaltje 0,0 0,0 0,9 1,7 Lepraria incana Gewone poederkorst 87,3 90,2 94,0 95,0 Lepraria lobificans Gelobde poederkorst 0,0 1,6 3,0 4,7 Lepraria umbricola Boomvoetpoederkorst 0,0 0,0 0,4 0,2 Leproloma vouauxii Bleke poederkorst 0,0 0,0 0,2 0,2 Melanelia elegantula Sierlijk schildmos 7,4 15,3 15,8 15,4 Melanelia exasperatula Lepelschildmos 16,6 29,5 28,5 28,8 Melanelia fuliginosa Glanzend schildmos 5,0 6,9 10,0 18,0 Melanelia laciniatula Lobjesschildmos 11,1 13,2 12,7 11,4 Melanelia subaurifera Verstop-schildmos 78,6 84,7 86,1 80,7 Micarea denigrata Vulkaanoogje 0,0 2,1 2,1 3,8 Micarea micrococca Bosoogje 0,2 1,8 8,1 8,1 Micarea nitschkeana Takkenoogje 3,3 7,7 0,7 0,0 Micarea prasina Houtoogje 0,0 0,2 1,4 1,7 Mycoblastus fucatus Trilzwamkorst 0,5 0,7 0,7 1,0 97
100 wetenschappelijke naam Nederlandse naam Ochrolechia androgyna Gewone tandpastakorst 17,4 21,1 21,8 19,3 Ochrolechia microstictoides Bostandpastakorst 1,1 1,1 0,9 0,5 Ochrolechia subviridis Wrattige tandpastakorst 0,3 0,7 0,9 1,4 Ochrolechia turneri Valse kringkorst 0,4 1,6 2,1 3,0 Opegrapha atra Zwart schriftmos 0,2 0,9 1,2 1,0 Opegrapha niveoatra Klein schriftmos 0,2 1,2 5,9 8,2 Opegrapha ochrocheila Geel schriftmos 0,0 0,0 0,2 0,2 Opegrapha rufescens Verzonken schriftmos 0,0 0,0 8,0 38,0 Opegrapha varia Kort schriftmos 0,0 0,0 0,2 0,3 Opegrapha vermicellifera Gestippeld schriftmos 0,0 0,0 0,2 0,3 Opegrapha vulgata Wit schriftmos 0,0 0,4 0,4 0,4 Parmelia saxatilis s.l. Blauwgrijs steenschildmos 15,6 19,0 18,3 19,8 Parmelia sulcata Gewoon schildmos 95,4 96,3 93,1 91,6 Parmelina pastillifera Knopjesschildmos 0,0 0,2 0,2 0,2 Parmelina tiliacea Lindeschildmos 1,6 1,8 1,9 2,1 Parmeliopsis ambigua Avocadomos 3,2 3,2 1,6 1,4 Parmotrema chinense Groot schildmos 0,0 2,3 6,9 11,6 Parmotrema pseudoreticulatum Gewimperd schildmos 0,0 0,0 0,3 0,3 Parmotrema reticulatum Netschildmos 0,0 0,0 0,0 0,2 Pertusaria albescens Witte kringkorst 9,3 9,7 9,1 10,5 Pertusaria amara Ananaskorst 13,2 14,1 11,6 13,0 Pertusaria coccodes Bleek speldenkussentje 15,0 17,6 18,1 18,5 Pertusaria hemisphaerica Boskringkorst 0,2 0,2 0,2 0,3 Pertusaria pertusa Gewoon speldenkussentje 9,3 10,5 10,7 10,5 Phaeophyscia nigricans Klein schaduwmos 0,2 2,1 0,7 1,0 Phaeophyscia orbicularis Rond schaduwmos 10,1 18,1 23,6 24,8 Phlyctis argena Lichtvlekje 26,9 31,1 32,2 33,8 Physcia adscendens Kapjesvingermos 31,9 53,4 49,9 57,3 Physcia aipolia Gemarmerd vingermos 0,2 0,0 0,0 0,2 Physcia caesia Stoeprandvingermos 27,2 39,4 42,7 36,9 Physcia clementei Isidieus vingermos 0,0 0,2 0,5 0,3 Physcia dubia Bleek vingermos 11,3 22,0 13,4 16,0 Physcia stellaris Groot vingermos 0,2 0,0 0,2 0,3 Physcia tenella Heksenvingermos 86,4 93,7 88,2 78,7 Physcia tribacioides Witkopvingermos 0,0 0,0 0,2 0,5 Physconia distorta Fors rijpmos 0,2 0,4 0,5 0,5 Physconia enteroxantha Donker rijpmos 4,2 4,2 4,7 5,1 Physconia grisea Grauw rijpmos 2,9 7,4 10,2 16,3 Placynthiella dasaea Okerbruine veenkorst 0,2 0,2 0,4 1,3 Placynthiella icmalea Bruine veenkorst 7,4 6,7 11,6 4,8 Platismatia glauca Groot boerenkoolmos 3,2 2,1 0,7 0,5 Pleurosticta acetabulum Olijf-schildmos 38,1 38,1 32,3 31,8 Protoparmelia hypotremella Grijze spijkerdrager 4,2 7,0 5,6 5,6 Protoparmelia oleagina Bruine spijkerdrager 6,2 14,2 13,2 13,4 Pseudevernia furfuracea Purper geweimos 24,3 20,2 11,2 9,6 Psilolechia lucida UV-mos 0,9 1,6 1,2 1,4 Punctelia borreri Witstippelschildmos 0,0 1,1 3,0 4,2 Punctelia subrudecta + P. ulophylla Gestippeld / Rijpschildmos 44,4 53,8 61,7 64,6 Pyrrhospora quernea Grove mosterdkorst 19,4 28,8 33,4 37,7 Ramalina canariensis Breed takmos 0,0 0,0 0,2 0,5 Ramalina farinacea Melig takmos 68,8 76,3 77,9 76,7 Ramalina fastigiata Trompettakmos 48,8 50,6 49,9 45,2 Ramalina fraxinea Groot takmos 1,8 2,6 2,3 1,8 Ramalina lacera Waaiertakmos 0,0 0,4 0,4 0,5 Ramalina pollinaria Sierlijk takmos 0,0 0,0 0,0 0,3 98
101 wetenschappelijke naam Nederlandse naam Rinodina gennarii Donkerbruine schotelkorst 0,0 0,0 0,5 1,2 Rinodina pityrea Blauwe mosterdkorst 0,0 0,0 0,2 0,3 Schismatomma decolorans Purperkring 9,5 11,4 13,0 13,8 Strangospora pinicola Muggenstrontjesmos 1,1 9,5 5,8 2,9 Thelotrema lepadinum Beukenwrat 0,2 0,2 0,0 0,0 Trapeliopsis flexuosa Blauwe veenkorst 0,0 0,9 0,0 0,0 Trapeliopsis granulosa Lichte veenkorst 6,2 14,2 12,5 10,3 Tuckermannopsis chlorophylla Bruin boerenkoolmos 5,3 4,9 2,8 1,7 Usnea spec. Baardmos 4,5 3,5 1,9 2,1 Xanthoria calcicola Oranje dooiermos 0,4 0,9 1,9 3,8 Xanthoria candelaria Kroezig dooiermos 64,0 66,8 57,5 53,3 Xanthoria parietina Groot dooiermos 50,5 77,9 87,0 93,0 Xanthoria polycarpa Klein dooiermos 90,5 95,1 85,8 86,7 Xanthoria ulophyllodes Ulevellenmos 0,0 0,0 0,2 0,2 99
102 Bijlage 3 Trends bij monsterpunten waar de laatste 5 tot 10 jaar een sterke afname in ammoniakbelasting heeft plaatsgevonden. Er zijn tien monsterpunten geselecteerd die de effecten op de korstmossen goed illustreren. Gegeven zijn de gemiddelden van NIW, AIW, soortenrijkdom, en kwantiteit per soort over de jaren 1991, 1998, 2004 en De soorten zijn ingedeeld in nitrofyten (meetellend bij NIW), acidofyten (meetellend bij AIW) en overige soorten. Weinig voorkomende overige soorten (kwantiteit < 1,0 in alle vier rondes) zijn achterwege gelaten. variabele Nitrofiele Indicatie Waarde (NIW) 2,69 3,93 3,38 1,41 Acidofiele Indicatie Waarde (AIW) 5,15 3,46 2,20 1,14 soortenrijkdom per monsterpunt 22,9 26,6 26,3 20,3 wetenschappelijke naam Nederlandse naam nitrofyten Xanthoria polycarpa Klein dooiermos 5,0 5,0 4,3 2,9 Physcia tenella Heksenvingermos 4,7 5,3 3,9 0,4 Xanthoria candelaria Kroezig dooiermos 3,2 3,8 2,3 1,0 Xanthoria parietina Groot dooiermos 1,7 3,6 4,7 4,5 Physcia adscendens Kapjesvingermos 0,9 2,1 1,7 1,7 Candelariella vitellina Grove geelkorst 0,8 0,6 0,7 0,4 Physcia caesia Stoeprandvingermos 0,6 1,0 1,5 0,1 Phaeophyscia orbicularis Rond schaduwmos 0,3 0,8 1,0 0,3 Physcia dubia Bleek vingermos 0,3 0,8 0,5 0,0 Lecanora hageni Kleine schotelkorst 0,0 0,5 0,0 0,0 Candelariella reflexa Poedergeelkorst 0,0 0,4 1,2 0,5 Candelariella xanthostigma Fijne geelkorst 0,0 0,0 0,9 0,8 acidofyten Evernia prunastri Eikenmos 5,3 5,0 4,2 1,5 Lepraria incana Gewone poederkorst 4,3 4,5 4,4 4,3 Hypogymnia physodes Gewoon schorsmos 3,6 1,9 1,0 0,0 Lecanora pulicaris Eikenschotelkorst 2,6 2,1 1,1 0,5 Pseudevernia furfuracea Purper geweimos 2,3 1,2 0,2 0,0 Hypogymnia tubulosa Witkopschorsmos 1,2 0,6 0,0 0,0 Lecanora conizaeoides Groene schotelkorst 1,2 0,0 0,0 0,0 Parmelia saxatilis s.l. Blauwgrijs steenschildmos 1,1 0,9 0,8 0,5 Cladonia fimbriata Kopjes-bekermos 0,6 0,9 1,1 0,7 Tuckermannopsis chlorophylla Bruin boerenkoolmos 0,4 0,0 0,0 0,0 Hypocenomyce scalaris Gewoon schubjesmos 0,4 0,0 0,0 0,0 Trapeliopsis granulosa Lichte veenkorst 0,2 0,2 0,0 0,0 Placynthiella icmalea Bruine veenkorst 0,2 0,0 0,0 0,0 Usnea spec. Baardmos 0,1 0,1 0,0 0,0 overige soorten Lecanora expallens s.l. Bleekgroene schotelkorst 5,9 5,9 5,5 4,6 Amandinea punctata Vliegenstrontjesmos 5,3 5,8 5,6 4,4 Parmelia sulcata Gewoon schildmos 5,1 5,3 4,8 4,1 Melanelia subaurifera Verstop-schildmos 4,2 3,8 2,9 2,0 Buellia griseovirens Grijsgroene stofkorst 4,5 4,8 5,1 4,1 Ramalina farinacea Melig takmos 3,7 4,2 4,3 2,4 100
103 Ramalina fastigiata Trompettakmos 2,5 2,6 1,8 1,0 Lecanora chlarotera Witte schotelkorst 2,1 3,7 3,7 4,9 Punctelia subrudecta Gestippeld schildmos 1,6 1,8 1,6 1,0 Lecidella elaeochroma Gewoon purperschaaltje 1,6 2,0 3,8 4,9 Lecanora carpinea Melige schotelkorst 1,4 1,6 2,2 1,1 Pleurosticta acetabulum Olijf-schildmos 1,1 1,2 0,9 0,1 Lecanora symmicta Bolle schotelkorst 1,1 1,2 0,2 0,1 Melanelia laciniatula Lobjesschildmos 1,0 0,8 0,0 0,0 Pyrrhospora quernea Grove mosterdkorst 0,9 1,2 1,5 1,6 Melanelia exasperatula Lepelschildmos 0,9 1,8 1,3 0,2 Protoparmelia oleagina Bruine spijkerdrager 0,6 1,7 0,4 0,3 Bacidia adastra Fijne knoopjeskorst 0,3 1,3 1,3 0,4 Opegrapha rufescens Verzonken schriftmos 0,0 0,0 0,0 2,0 Hyperphyscia adglutinata Dun schaduwmos 0,0 0,0 0,0 1,2 101
104 Bijlage 4 Trends bij monsterpunten in bossen. Er zijn tien monsterpunten geselecteerd die de veranderingen bij de korstmossen goed illustreren. Gegeven zijn de gemiddelden van NIW, AIW, soortenrijkdom, en kwantiteit per soort over de jaren 1991, 1998, 2004 en De soorten zijn ingedeeld in nitrofyten (meetellend bij NIW), acidofyten (meetellend bij AIW) en overige soorten. Weinig voorkomende overige soorten (kwantiteit < 1,0 in alle vier rondes) zijn achterwege gelaten. variabele Nitrofiele Indicatie Waarde (NIW) 0,15 0,26 0,45 0,74 Acidofiele Indicatie Waarde (AIW) 6,94 5,50 4,01 3,59 soortenrijkdom per monsterpunt 13,1 16,0 16,3 16,6 wetenschappelijke naam Nederlandse naam nitrofyten Xanthoria polycarpa Klein dooiermos 0,9 0,4 0,3 0,5 Physcia tenella Heksenvingermos 0,3 1,8 2,0 1,9 Candelariella reflexa Poedergeelkorst 0,0 0,4 0,6 1,4 Xanthoria parietina Groot dooiermos 0,0 0,0 0,5 1,1 acidofyten Lepraria incana Gewone poederkorst 5,9 6,0 6,0 6,0 Hypogymnia physodes Gewoon schorsmos 5,1 4,0 2,2 1,2 Lecanora conizaeoides Groene schotelkorst 4,9 2,1 0,2 0,2 Evernia prunastri Eikenmos 4,5 3,4 2,4 1,4 Cladonia chlorophaea Fijn bekermos 3,3 3,7 3,7 3,5 Platismatia glauca Groot boerenkoolmos 2,1 1,4 0,6 0,2 Cladonia coniocraea Smal bekermos 1,7 1,6 0,4 0,0 Parmeliopsis ambigua Avocadomos 1,6 1,1 0,5 0,3 Hypocenomyce scalaris Gewoon schubjesmos 1,0 0,6 0,7 0,7 Chaenotheca ferruginea Roestbruin schorssteeltje 0,9 0,7 1,0 0,6 Lecanora pulicaris Eikenschotelkorst 0,9 0,4 0,6 0,6 Parmelia saxatilis s.l. Blauwgrijs steenschildmos 0,9 0,3 0,2 0,3 Pseudevernia furfuracea Purper geweimos 0,8 0,1 0,0 0,0 Trapeliopsis granulosa Lichte veenkorst 0,7 0,6 0,6 0,4 Cladonia fimbriata Kopjes-bekermos 0,5 0,9 1,3 2,9 Hypogymnia tubulosa Witkopschorsmos 0,2 0,1 0,0 0,0 Placynthiella icmalea Bruine veenkorst 0,1 0,8 0,5 0,3 Cladonia glauca Bruin heidestaartje 0,1 0,3 0,2 0,0 Trapeliopsis flexuosa Blauwe veenkorst 0,0 0,3 0,0 0,0 Lecanora aitema Dennenschotelkorst 0,0 0,1 0,1 0,0 Cladonia digitata Vertakt bekermos 0,0 0,0 0,4 0,4 Cladonia caespiticia Greppelblaadje 0,0 0,0 0,3 0,2 Cladonia macilenta Dove heidelucifer 0,0 0,0 0,2 0,8 overige soorten Lecanora expallens s.l. Bleekgroene schotelkorst 4,8 5,1 4,6 4,2 Parmelia sulcata Gewoon schildmos 4,3 4,4 2,3 2,4 Hypotrachyna revoluta s.l. Gebogen schildmos 1,4 1,7 2,1 1,9 Dimerella pineti Valse knoopjeskorst 1,3 4,0 4,7 5,0 Melanelia subaurifera Verstop-schildmos 0,9 1,0 0,7 1,4 Bacidia adastra Fijne knoopjeskorst 0,5 1,8 0,6 0,0 102
105 Micarea micrococca Bosoogje 0,2 0,5 3,0 3,0 Amandinea punctata Vliegenstrontjesmos 0,0 1,1 0,7 0,6 Gyalideopsis anastomosans Aspergekorst 0,0 0,8 1,1 1,0 Lepraria lobificans Gelobde poederkorst 0,0 0,4 1,8 2,6 Arthonia spadicea Inktspatkorst 0,0 0,0 0,7 2,0 103
106 Bijlage 5
107 Bijlage 6
108 Bijlage 7
109 Bijlage 8
110
111
Inventarisatie Epifytische Macrolichenen in Wageningen. Handleiding
Inventarisatie Epifytische Macrolichenen in Wageningen Handleiding Korstmossenwerkgroep KNNV Wageningen e.o. H. van der Kolk Oktober - November 2015 Inventarisatie Epifytische Macrolichen in Wageningen
LON. Monitoring van korstmossen in de provincie Drenthe, C.M. van Herk. adviesbureau voor korstmosonderzoek
adviesbureau voor korstmosonderzoek Monitoring van korstmossen in de provincie Drenthe, 1991 2016 C.M. van Herk 2017 Monitoring van korstmossen in de provincie Drenthe, 1991 2016 Lichenologisch Onderzoekbureau
LON. Korstmossen in Zeeland: milieuindicatie, natuurwaarde, veranderingen
adviesbureau voor korstmosonderzoek in opdracht van Provincie Zeeland, Directie Ruimte, Milieu en Water Korstmossen in Zeeland: milieuindicatie, natuurwaarde, veranderingen 1997-2006 C.M. van Herk 2007
LON. Korstmossen in Overijssel: milieuindicatie, natuurwaarde, veranderingen in opdracht van Provincie Overijssel
LON adviesbureau voor korstmosonderzoek in opdracht van Provincie Overijssel Korstmossen in Overijssel: milieuindicatie, natuurwaarde, veranderingen 1989- C.M. van Herk 6 : milieuindicatie, natuurwaarde,
Korstmossen en ammoniak C. van Herk. kartering. bijvoorbeeld de Zomereik (ph ca. 4,5) pas voor als er
43 Korstmossen en ammoniak C. van Herk The pollution of the air with ammonia is in the Netherlands a big problem. Since 1989 lichens on oaktrees are used to map and monitor the effects of the pollution.
Monitoring van ammoniak met korstmossen in Friesland in 2003
Monitoring van ammoniak met korstmossen in Friesland in 2003 adviesbureau voor biodiversiteitsonderzoek In opdracht van de Provincie Fryslân en het ROM-project zuidoost Friesland Monitoring van ammoniak
Interessante korstmosvondsten, waaronder Usnea cornuta (ingesnoerd baardmos) en Usnea filipendula (visgraatbaardmos),
Interessante korstmosvondsten, waaronder Usnea cornuta (ingesnoerd baardmos) en Usnea filipendula (visgraatbaardmos), in de Soester Duinen Arie van den Bremer en Leo Spier Inleiding Na de vorming van de
SLOBKOUSNIEUWS 7 jrg9
SLOBKOUSNIEUWS 7 jrg9 Net terug thuis van een deugddoende vakantie en wandelweek aan de Zeeuwse kust heb ik de voorrang gegeven aan de nieuwsbrief over de wandeling van de voorbije week. Op die van 12
Overschrijding kritische stikstofdepositie op natuur, 2009
Indicator 8 april 2010 U bekijkt op dit moment een archiefversie van deze indicator. De actuele indicatorversie met recentere gegevens kunt u via deze link [1] bekijken. Circa 60 procent van het areaal
Meetresultaten verzuring en vermesting
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Meetresultaten verzuring en vermesting ////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////
Professionele Bachelor Agro- en Biotechnologie Groenmanagement
Professionele Bachelor Agro- en Biotechnologie Groenmanagement EPIFYTISCHE LICHENEN ALS BIO-INDICATOR VOOR AMMONIAK EN ZWAVELDIOXIDE IN MIDDEN-LIMBURG Specialisatie: natuur- en bosbeheer Interne promotor
Rapportage van de luchtkwaliteit gemeten in De Peel van 2008 tot en met 2015.
Provincie Noord-Brabant Rapportage van de luchtkwaliteit gemeten in De Peel van 2008 tot en met 2015. Rapport no. 4257342, 8 maart 2016 Projectverantwoordelijke: J. van Loon Provincie Noord-Brabant Cluster
De Wilde appel is bedreigd
Vlaams Driemaandelijks tijdschrift over natuurstudie & -beheer december 2008 jaargang 7 nummer 4 Verschijnt in MAART, JUNI, SEPTEMBER EN DECEMBER Natuur.focusToelating gesloten verpakking Afgiftekantoor
Samenvatting eindrapport Ammoniakmetingen in Noord-Brabant
Samenvatting eindrapport Ammoniakmetingen in Noord-Brabant 2007-2013 ECN-O--14-044 augustus 2014 Auteur: Bleeker, A. ECN Environment & Energy Engineering Postbus 1 1755 ZG Petten T: +31 88 515 4130 [email protected]
1. Inleiding. Rapportage Luchtkwaliteit 2012, gemeente Doetinchem 4
Rapport Luchtkwaliteit 2012 Doetinchem Oktober 2013 INHOUD 1. Inleiding... 4 2. Algemeen... 5 2.1 Wet luchtkwaliteit... 5 2.2 Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit... 5 2.3 Bronnen van luchtverontreiniging...
SLOBKOUSNIEUWS 9 jrg9
SLOBKOUSNIEUWS 9 jrg9 Het was een vermoeiende tocht! Niet minder dan 840m afgelegd! Eens te meer mag de lijst van waarnemingen gezien worden. Intussen draaien onze fotografen overuren zodat het zo goed
Monitoring van epifytische mossen en korstmossen in 2000 in het Noord-Hollands Duinreservaat
Monitoring van epifytische mossen en korstmossen in 000 in het Noord-Hollands Duinreservaat L.B. Sparrius & A. Aptroot, Adviesbureau voor Bryologie en Lichenologie Analyses, tabellen en figuren: H.A. Kivit.,
Eerste kaart roetconcentraties Nederland Roet aanvullende maat voor gezondheidseffecten luchtvervuiling
Eerste kaart roetconcentraties Nederland Roet aanvullende maat voor gezondheidseffecten luchtvervuiling RIVM/DCMR, december 2013 Roet is een aanvullende maat om de gezondheidseffecten weer te geven van
Luchtvervuiling in Nederland in kaart gebracht
Luchtvervuiling in Nederland in kaart Luchtvervuiling in Nederland in kaart gebracht Hoofdpunten uit de GCN/GDN-rapportage 2013 Luchtvervuiling in Nederland in kaart gebracht Hoofdpunten uit de GCN/GDN-rapportage
LON. Korstmossen op bestratingen in Sas van Gent. in opdracht van Provincie Zeeland. C.M. van Herk. adviesbureau voor korstmosonderzoek
LON adviesbureau voor korstmosonderzoek Korstmossen op bestratingen in Sas van Gent in opdracht van Provincie Zeeland C.M. van Herk 2009 Korstmossen op bestratingen in Sas van Gent Lichenologisch Onderzoekbureau
Opvallend in deze figuur is het grote aantal bedrijven met een vergunning voor exact 340 stuks melkvee (200 melkkoeien en 140 stuks jongvee).
Ontwikkeling melkveebedrijven in Utrecht, Gelderland en Brabant Analyse van mogelijke groei van melkveebedrijven op basis van gegevens van CBS en provincies Het CBS inventariseert jaarlijks de feitelijk
Meetresultaten verzuring 1 HET MEETNET VERZURING
////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Meetresultaten verzuring //////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////
Provinciale weg N231; Verkeersintensiteit, geluid en luchtkwaliteit 1
Provinciale weg N231 Verkeersintensiteit, geluid en luchtkwaliteit Afdeling Openbare Werken/VROM drs. M.P. Woerden ir. H.M. van de Wiel Januari 2006 Provinciale weg N231; Verkeersintensiteit, geluid en
Luchtkwaliteit en lozingen in de lucht in het Vlaamse Gewest Koen Toté
Luchtkwaliteit en lozingen in de lucht in het Vlaamse Gewest Koen Toté Overzicht presentatie Waarom luchtmetingen in Vlaanderen? Evolutie van de laatste decennia Toetsen van de luchtkwaliteit aan de heersende
MEMO. Onderwerp/Subject: Analyse rapport RIVM Luchtkwaliteit 2012
MEMO Aan/To: Van/From: Datum/Date: RAI Vereniging Chris van Dijk 18 september Onderwerp/Subject: Analyse rapport RIVM Luchtkwaliteit 2012 Ieder jaar publiceert het RIVM een jaaroverzicht van de meetresultaten
Ontwikkelingen op de agrarische grondmarkt tot 1 juli 2003.
Ontwikkelingen op de agrarische grondmarkt tot 1 juli 2003. In deze notitie wordt een beeld geschetst van de ontwikkelingen op de agrarische grondmarkt. De notitie is als volgt ingedeeld: 1. Samenvatting.
Meten en modelleren: vaststellingen en toekomstperspectief. Bo Van den Bril en David Roet
Meten en modelleren: vaststellingen en toekomstperspectief Bo Van den Bril en David Roet Overschrijding kritische last 2/05/2016 2 Afname vermestende deposities 50 45 Vermestende depostie (kg N/(ha.jaar)
Ontwikkeling werkdruk in het onderwijs 1999-2003
Ontwikkeling werkdruk in het onderwijs 1999-2003 Eindrapport Een onderzoek in opdracht van het Vervangingsfonds Frank Schoenmakers Rob Hoffius B3060 Leiden, 21 juni 2005 Inhoudsopgave 1 Inleiding 4 2 Verantwoording:
Emmer Erfscheidenveen Meetnet 2015
Emmer Erfscheidenveen Meetnet 2015 Landschapsbeheer Drenthe Nijend 18a, 9465 TR, Anderen Inhoudsopgave Inventarisatiegebied Emmer-Erfscheidenveen... 3 Overzicht alle waarnemingen... 3 Type elementen...
Maatregelen voor bosherstel
Veldwerkplaats Voedselkwaliteit en biodiversiteit in bossen Maatregelen voor bosherstel Gert-Jan van Duinen Arnold van den Burg Conclusie OBN-onderzoek bossen Te hoge atmosferische stikstofdepositie Antropogene
Vlinders van de Habitatrichtlijn,
Indicator 20 september 2018 U bekijkt op dit moment een archiefversie van deze indicator. De actuele indicatorversie met recentere gegevens kunt u via deze link [1] bekijken. Van de vijf Habitatrichtlijnsoorten
Ontwikkelingen op de agrarische grondmarkt tot 1 juli 2004.
Ontwikkelingen op de agrarische grondmarkt tot 1 juli 2004. 1 In deze notitie wordt een beeld geschetst van de ontwikkelingen op de agrarische grondmarkt over de periode vanaf 1 januari tot 1 juli 2004.
Ontwikkelingen op de agrarische grondmarkt tot 1 januari 2004.
Ontwikkelingen op de agrarische grondmarkt tot 1 januari 2004. In deze notitie wordt een beeld geschetst van de ontwikkelingen op de agrarische grondmarkt over de jaren 2002 en 2003. De notitie is als
Bureauonderzoek natuurwaarden wijzigingsplan Boekenrode
Bureauonderzoek natuurwaarden wijzigingsplan Boekenrode Natuurwaardenkaart Voor het inventariseren van de natuurwaarden van Heemstede zijn in het rapport Natuurwaardenkaart van Heemstede Waardering van
Brabantse bijen behoeven betere bescherming (beknopte beschouwing betreffende beheer & beleid) Tim Faasen
Brabantse bijen behoeven betere bescherming (beknopte beschouwing betreffende beheer & beleid) Tim Faasen 1 Wilde bijen in Noord-Brabant 283 wilde soorten (81% van NL) 89 soorten dalend (31%); 64 soorten
De invloed van een verbeterde methode voor het berekenen van de depositiesnelheid op de N-depositie en de NO x -concentratie
De invloed van een verbeterde methode voor het berekenen van de depositiesnelheid op de N-depositie en de NO x -concentratie Wilco de Vries, Jan Aben 26-05-204 Inleiding Voor het berekenen van de depositiesnelheid
Zware metalen in grondwater
Zware metalen in grondwater Janneke Klein 1204148-003 Deltares, 2011 Inhoud 1 Inleiding 1 1.1 Probleemstelling 1 1.2 Doelstelling 1 2 Methode 2 2.1 Voorgaand onderzoek 2 2.2 Gebruikte dataset 2 2.3 Dataverwerking
Stoppen als huisarts: trends in aantallen en percentages
Dit rapport is een uitgave van het NIVEL. De gegevens mogen worden gebruikt met bronvermelding. Stoppen als huisarts: trends in aantallen en percentages Een analyse van de huisartsenregistratie over de
Flora van naaldbossen,
Indicator 7 september 2012 U bekijkt op dit moment een archiefversie van deze indicator. De actuele indicatorversie met recentere gegevens kunt u via deze link [1] bekijken. In de naaldbossen in Nederland
Ontwikkeling leerlingaantallen
Ontwikkeling leerlingaantallen Elk jaar wordt op 1 oktober het leerlingaantal van elke basisschool geregistreerd door de Dienst Uitvoering Onderwijs (). Op basis van deze leerlingtelling wordt de bekostiging
NO, NO2 en NOx in de buitenlucht. Michiel Roemer
NO, NO2 en NOx in de buitenlucht Michiel Roemer Inhoudsopgave Wat zijn NO, NO2 en NOx? Waar komt het vandaan? Welke bronnen dragen bij? Wat zijn de concentraties in de buitenlucht? Maatregelen Wat is NO2?
Gemeente Ridderkerk. Rapportage. Berekenen en meten: de Luchtkwaliteit in Ridderkerk 2009
Gemeente Ridderkerk Rapportage Berekenen en meten: de Luchtkwaliteit in Ridderkerk 2009 Inhoudsopgave 1 Inleiding 3 1.1 Monitoring 3 1.2 Berekenen versus meten 3 1.3 NO 2 en PM 10 3 1.4 Tot slot 3 2 Berekende
Bermenplan Assen. Definitief
Definitief Opdrachtgever: Opdrachtgever: Gemeente Assen Gemeente Mevrouw Assen ing. M. van Lommel Mevrouw M. Postbus van Lommel 30018 Noordersingel 940033 RA Assen 9401 JW T Assen 0592-366911 F 0592-366595
CO2-monitor 2013 s-hertogenbosch
CO2-monitor 2013 s-hertogenbosch Afdeling Onderzoek & Statistiek Maart 2013 2 Samenvatting In deze monitor staat de CO2-uitstoot beschreven in de gemeente s-hertogenbosch. Een gebruikelijke manier om de
Luchtkwaliteit in Zeist
Luchtkwaliteit in Zeist Inleiding In een eerder artikel is gesproken over Samen het milieu in Zeist verbeteren en de vier pijlers onder het uitvoeringsplan, zie het artikel op deze website van 7 juni en
Joost Meijer, Amsterdam, 2015
Deelrapport Kohnstamm Instituut over doorstroom vmbo-mbo t.b.v. NRO-project 405-14-580-002 Joost Meijer, Amsterdam, 2015 Inleiding De doorstroom van vmbo naar mbo in de groene sector is lager dan de doorstroom
TB Verdubbeling N33 Stikstofdepositieonderzoek
TB Verdubbeling N33 Stikstofdepositieonderzoek Stikstofdepositie Rijkswaterstaat directie Noord-Nederland april 2012 Definitief TB Verdubbeling N33 Stikstofdepositieonderzoek Stikstofdepositie dossier
Fijn stof in Nederland: stand van zaken en beleidsimplicaties na het tweede BOP. onderzoeksprogramma
Fijn stof in Nederland: stand van zaken en beleidsimplicaties na het tweede BOP onderzoeksprogramma Fijn stof in Nederland: stand van zaken en beleidsimplicaties na het tweede BOP onderzoeksprogramma
WOZ-waarde Hoge inkomens Lage inkomens Bijstandsuitkeringen Beroepsbevolking naar onderwijsniveau. Aa en Hunze 41% Drenthe 41% Nederland 36%
Aa & Hunze 6 5 4 3 Gemiddelde WOZ-waarde woningen per wijk, 4.... Inwoners met hoog inkomen per wijk (%), 3% % % % Inwoners met laag inkomen
Gemeente Ridderkerk. Rapportage. Berekenen en meten: de Luchtkwaliteit in Ridderkerk 2010
Gemeente Ridderkerk Rapportage Berekenen en meten: de Luchtkwaliteit in Ridderkerk 2010 Inhoudsopgave 1 Inleiding 3 1.1 Monitoring 3 1.2 Berekenen versus meten 3 1.3 NO 2 en PM 10 3 1.4 Tot slot 3 2 Berekende
Figuur 1: Ontwikkeling aantal leerlingen Figuur 2: Prognose aantal leerlingen (index: 2011 = 100) (index: 2016 = 100)
Het aantal leerlingen in het basisonderwijs is tussen 2011 en 2015 gedaald. In de provincie Limburg nam het aantal leerlingen in deze periode het sterkst af. In het voortgezet onderwijs is het aantal leerlingen
Op wegen en paden De openstelling van natuur in Nederland
Op wegen en paden De openstelling van natuur in Nederland Wegen_paden.indd 1 04-05-2006 17:22:48 Wandelen, genieten en verwonderen Wandelen, hardlopen en fietsen. Of gewoon tot rust komen en vol verwondering
Emissies door de zeescheepvaart,
Indicator 26 maart 2019 U bekijkt op dit moment een archiefversie van deze indicator. De actuele indicatorversie met recentere gegevens kunt u via deze link [1] bekijken. Het betreft hier de feitelijke
Luchtkwaliteit in Nederland: cijfers en feiten. Joost Wesseling
Luchtkwaliteit in Nederland: cijfers en feiten Joost Wesseling Inhoud: Doorsneden door de luchtkwaliteit Concentraties: de laatste decennia; EU normen; Nederland in de EU. Luchtkwaliteit en gezondheid.
