Oefenvragen Mens tot Cel
|
|
|
- Emma ten Wolde
- 9 jaren geleden
- Aantal bezoeken:
Transcriptie
1 Oefenvragen Mens tot Cel 1. In de familie van Tineke komt sma type 1 voor. Sma type 1 staat voor spinale spier atrofie type 1. De oom van Tineke heeft sma type 1 (zie de stamboom hieronder). Hoe groot is de kans dat Tineke een kind krijgt met sma type 1? (de dragerschapsfrequentie van sma type 1 is 1:50). A: 1/800 B: 1/600 C: 1/400 D: 1/ Welke drie onderdelen van de onderstaande onderdelen/organen behoren tot de perifere lymfoide organen? A: Beenmerg B: Lymfeklieren C: Lymfo-epitheliale organen D: Milt E: Thymus 3. Intermediaire filamenten bestaan uit verschillende componenten. Welke van de onderstaande componenten zijn onderdeel van de intermediaire filamenten? A: Actine B: Keratine C: Tubuline D: Vimentine 4. Spermatozoa bevatten zweepharen. Deze zweepharen worden ook wel flagella genoemd. Waaruit zijn deze zweepharen (flagella) opgebouwd? A: Microtubuli B: Actine 5. De celcortex bestaat onder andere uit actinefilamenten van het celmembraan. Deze actinefilamenten die onderdeel zijn van de celcortex bevinden zich aan de A: buitenzijde van het celmembraan B: binnenzijde van het celmembraan
2 6. Waarbij speelt de celcortex een belangrijke rol? A: Bij de stevigheid van het celmembraan B: Bij de signaaloverdracht van een actiepotentiaal 7. Desmosomen hebben belangrijke functies, wat is onder andere een belangrijke functie van een desmosoom? A: Het vorm kanalen tussen 2 aaneengesloten cellen. B: Het sluit de intercellulaire ruimte tussen twee cellen volledig af. C: Het speelt een belangrijke rol bij de overdracht van signalen D: Het zorgt ervoor dat cellen stevig aan elkaar gekoppeld zijn. 8. De eiwitsynthese bestaat uit verschillende fases. Wat is de juiste fase van de eiwitsynthese? Begin bij de fase die als eerste begint. A: Replicatie-transcriptie-translatie B: Replicatie-translatie-transcriptie C: Translatie-transcriptie-replicatie D: Transcriptie-translatie-replicatie 9. Taaislijmziekte, of ook wel Cystic fibrosis, is een erfelijke aandoening. Deze aandoening resulteer in. A: een verstoord membraantransport B: een verstoorde glycolcalyx C: een verstoorde kwaliteitscontrole in het ER D: een verstoring van de celcortex. 10. Het Lac-operon regelt de inductie van β-galactosidase dat lactose splitst in glucose en galactose. Bij een hoge lactoseconcentratie wordt de productie van β- galactosidase gestimuleerd en bij een lage concentratie wordt de productie geremd. Welke van de onderstaande beweringen is juist als er veel lactose aanwezig is: A: transcriptie van het β-galactosidase-gen wordt gestimuleerd B: translatie van het eiwit β-galactosidase wordt gestimuleerd C: de DNA synthese van β-galactosidase wordt gestimuleerd. D: het enzym β-galactosidase wordt geactiveerd 11. Cellen moeten zich kunnen aanpassen aan de omgeving en daarom wordt ook de genexpressie gereguleerd. Sommige genen in de cel kunnen aan- en uitgeschakeld worden. Welke eiwitten zorgen voor de regulatie van genexpressie? A: RNA polymerase B: nucleotiden C: DNA polymerase D: DNA bindende eiwitten.
3 12. Wanneer er in het Ras eiwit mutaties ontstaan, kan dit leiden tot A: cystic fibrosis B: atherosclerose C: kanker D: AIDS. 13. Lamellapodia vallen onder de klasse A: Actine B: Microtubuli C: Intermediaire filamenten D: Kinesines 14. Welke, uit de onderstaande stellingen, is een ONJUISTE stelling? A: hydrofobe zijketens van de aminozuren hebben de neiging zich naar de binnenkant van een eiwitstructuur te richten B:een gedenatureerd eiwit is een ongevouwen eiwit C: vele niet-covalente interacties zijn nodig om twee delen van een eiwitketen bij elkaar te houden D: individuele niet-covalente interacties zijn veel sterker dan covalente interacties 15. Fenylalanine, leuctine, valine en tryptofaan zijn vier aminozuren. Wat voor soort aminozuren zijn zij? A: polaire aminozuren B: hydrofobe aminozuren C: negatieve aminozuren D: positieve aminozuren. 16. Welke stelling is waar: A: apoptose en necrose zijn beide altijd het gevolg van celschade B: necrose is altijd het gevolg van celschade, apoptose niet perse C: apoptose is altijd het gevolg van celschade, necrose niet perse D: apoptose en necrose zijn niet altijd het gevolg van celschade.
4 17. Een SNP, single nucleotide polymorphism, is een plaats in het genoom waar de genetische informatie op één nucleotide varieert tussen individuen. Vele miljoenen SNPs hebben geen effect op de celfuncties, maar sommige SNPs kunnen daarentegen een groot effect hebben op de celfuncties. De sequentie GACGC in de promotor van het presenilin 1 (PS-1) gen is geassocieerd met de vroege ontwikkeling van Alzheimer, terwijl GATGC dat niet is. De sequentie GACGC wordt eveneens herkend door het restrictie-enzym HgaI. Welke stappen moet je achtereenvolgens uitvoeren om te bekijken of een patiënt drager is van dit SNP? A: fragment van de PS-1 promotor amplificeren met behulp van PCR, genomisch DNA isoleren, digestie met HgaI, restrictiepatroon op agarosegel beoordelen B: genomisch DNA isoleren, fragment van de PS-1 promotor amplificeren met behulp van PCR, restrictiepatroon op agarosegel beoordelen C: genomisch DNA isoleren, fragment van de PS-1 promotor amplificeren met behulp van PCR, digestie met HgaI, restrictiepatroon op agarosegel beoordelen D: fragment van de PS-1 promotor amplificeren met behulp van PCR, digestie met HgaI, restrictiepatroon op agarosegel beoordelen. 18. In een bepaalde fase van de mitose valt het cytoplasma in twee delen met een eigen kern. In welke fase gebeurd dit? A: prometafase B: anafase C: cytokinese D: telofase. 19. De mitose bestaat uit verschillende fasen, wat is de eerste fase van de mitose? A: profase B: metafase C: anafase D: telofase. 20. Tijdens de mitose bewegen chromosomen zich langs de spoeldraden. Deze spoeldraden bestaan uit een cytoskeletstructuur. Deze structuur bevat voornamelijk: A: actine B: microtubuli C: intermediaire filamenten D: myosine. 21. Een bepaald gen heeft bij een mutagenese-experiment een mutatie opgelopen. Welk van de volgende veranderingen heeft in alle gevallen consequenties voor de functie van het gen en/of de productie van het genproduct? A: insertie van 3 aaneenliggende nucleotiden in het coderend gebied B: insertie van 3 aaneenliggende nucleotiden in het 3 onvertaald gebied C: insertie van 1 nucleotide in het begin van het coderend gebied
5 D: insertie van 1 nucleotide in het 3 onvertaald gebied. 22. Patiënten met de ziekte Xeroderma pigmentosum hebben een defect in hun DNA repair systeem. Dit defect heeft gevolgen voor A: het repareren van gedeamineerde cytosinen B: het herstellen van thymidine dimeren C: het herstel van depurinatie D: al deze drie typen afwijkingen. 23. Wat is de juiste volgorde, wanneer je de structuren rangschikt op omvang/grote? Begin bij het kleinste element. A: eiwit-ribosoom-rer B: ribosoom-rer-eiwit C: eiwit-rer-ribosoom D: ribosoom-eiwit-rer. 24. De DNA, RNA en eiwitsynthese vindt plaats doormiddel van een aantal stappen, wat is de juiste volgorde waarin deze synthese plaatsvindt (begin bij het proces wat als eerste begint). A: replicatie - translatie - transcriptie B: replicatie - transcriptie - translatie C: translatie - transcriptie - replicatie D: transcriptie - translatie replicatie 25. De May Grünwald Giemsa (MGG) kleuring is een veel gebruikte histologische kleuring. Welke van de onderstaande stellingen, met betrekking tot de MGG kleuring, is juist? A: toont de kern in de cel aan B: onderscheidt DNA en RNA in de cel C: discrimineert tussen de zure en basische componenten in de cel D: kleurt specifiek de celmembraan aan. 26. Wat is een functie/kenmerk van een desmosoom? Een desmosoom A: heeft een functie in de overdracht van signalen tussen cellen B: vormt kanalen tussen 2 aaneengesloten cellen C: zorgt ervoor dat cellen aan elkaar gekoppeld zijn D: sluit de intercellulaire ruimte tussen twee cellen volledig af. 27. Het Ehlers-Danlos syndroom kan zowel dominant als recessief overerven. Wat is hier een verklaring voor? A: dominante dan wel recessieve overerving is afhankelijk van de ernst van de mutatie van het Ehlers-Danlos-gen B: dominante dan wel recessieve overerving is afhankelijk van het feit, of slechts één of beide allelen van het Ehlers-Danlos-gen gemuteerd zijn
6 C: verschillende vormen van het syndroom zijn het gevolg van defecten van verschillende genen D: dominante of recessieve overerving hangt af van leefomstandigheden, zoals voeding en lichamelijke activiteiten (sporten). 28. Wat bedoelt men met het mechanisme van receptor-gemedieerde endocytose? A: het transport van blaasjes van het Golgi apparaat naar het lysosoom B: de glycosylering van eiwitten in het Golgi apparaat C: de opname van bepaalde moleculen door cellen van buiten de cel in een hoge concentratie D: de afgifte van bepaalde moleculen door cellen in een hoge concentratie naar buiten. 29. Welke stof bindt aan de receptor in het lac operon, zodat de eiwitsynthese van het enzym beta-galactosidase wordt geactiveerd? A: lactose B: promotor C: mrna D: beta-galactosidase. 30. Wat gebeurd er tijdens de cytokinese? A: het DNA wordt gerepliceerd B: het gerepliceerde DNA wordt naar de polen van beide dochter cellen getransporteerd C: de celkern wordt gedeeld D: het cytoplasma valt van de gedeelde celkern uiteen in 2 delen met een eigen kern.
7 Antwoorden 1: B 2: B, C, D 3: B, D 4: A 5: B 6: A 7: D 8: A 9: A 10: A 11: D 12: C 12: A 13: A 14: D 15: B 16: B 17: C 18: C 19: A 20: D 21: C 22: B 23: A 24: B 25: C 26: C 27: C 28: C 29: A 30: D
Van mens tot Cel oefenvragen 1. De celdeling bestaat uit verschillende fasen. Hoe heten de G1, S en de G2 fase samen?
Van mens tot Cel oefenvragen 1. De celdeling bestaat uit verschillende fasen. Hoe heten de G1, S en de G2 fase samen? A: interfase B: profase C: anafase D: cytokinese 2. Een SNP (single nucleotide polymorphism)
VUmc-compas. toetsing. Toets. CAT 1.1.1 / Cursusafhankelijke toets. Cursus. Cursus B1.1.1 0607 Huid en afweer. Cursuscoördinator
VUmc-compas toetsing Toets T 1.1.1 / ursusafhankelijke toets ursus ursus 1.1.1 0607 Huid en afweer ursuscoördinator prof. dr. R.H.J. eelen / mw. dr. M. Wintzen Toetscode T111T/25-09-2006 Studiejaar/ fase
CAT 1.1.1 / Cursusafhankelijke toets. Cursus B1.1.1 0607 Huid en afweer prof. dr. R.H.J. Beelen / mw. dr. M. Wintzen
VUmc-compas toetsing Toets T 1.1.1 / ursusafhankelijke toets ursus ursuscoördinator Toetscode Studiejaar/ fase Gelegenheid ursus 1.1.1 0607 Huid en afweer prof. dr. R.H.J. eelen / mw. dr. M. Wintzen T111T/25-09-2006
Diagnostische toets Van HIV tot AIDS?
Diagnostische toets Van HIV tot AIDS? Moleculen 1. Basenparing In het DNA vindt basenparing plaats. Welke verbinding brengt een basenpaar tot stand? A. Peptidebinding B. Covalente binding C. Zwavelbrug
Oefententamen CAT ( )
Oefententamen CAT 1.1.1 (2005-2006) Nr Tekst Alternatief week Onderwijs 01 In het lichaam worden wat betreft de temperatuur van de weefsels een kern en een schil onderscheiden. a. tot de schil behoren
Toelatingsexamen arts geel Biologie Vraag 1
Biologie Vraag 1 De genen A en B liggen 14 centimorgan (cm) van elkaar. Een persoon die heterozygoot is voor deze twee genen, heeft ouders met Aabb en aabb als genotype. De verwachte frequenties van de
Toelatingsexamen arts blauw Biologie Vraag 1
Biologie Vraag 1 De genen A en B liggen 14 centimorgan (cm) van elkaar. Een persoon die heterozygoot is voor deze twee genen, heeft ouders met Aabb en aabb als genotype. De verwachte frequenties van de
Tentamen Genetica 22-10-2004 Studentnr:
CONTROLEER OF DIT TENTAMEN 11 PAGINA S BEVAT. Veel succes! Je mag de achterkant van het papier ook zo nodig gebruiken, maar beantwoord vragen 1-6 niet op blaadjes van vraag 7 en de daarop volgende. 1.
<A> Thymine is een pyrimidinebase en vormt 3 waterstofbruggen met adenine. <B> Adenine is een purinebase en vormt 2 waterstofbruggen met thymine.
Biologie Vraag 1 Welke uitspraak is correct? Thymine is een pyrimidinebase en vormt 3 waterstofbruggen met adenine. Adenine is een purinebase en vormt 2 waterstofbruggen met thymine. Cytosine
<A> Adenine is een purinebase en vormt 2 waterstofbruggen met thymine. <B> Guanine is een pyrimidinebase en vormt 2 waterstofbruggen met cytosine.
Biologie Vraag 1 Welke uitspraak is correct? Adenine is een purinebase en vormt 2 waterstofbruggen met thymine. Guanine is een pyrimidinebase en vormt 2 waterstofbruggen met cytosine. Thymine
BIOLOGIE MOLECULAIRE GENETICA EIWITSYNTHESE VWO KLASSE 6
BIOLOGIE MOLECULAIRE GENETICA EIWITSYNTHESE VWO KLASSE 6 Henry N. Hassankhan Scholengemeenschap Lelydorp [HHS-SGL] ARTHUR A. HOOGENDOORN ATHENEUM - VRIJE ATHENEUM - AAHA Docent: A. Sewsahai DOELSTELLINGEN:
Welke van de onderstaande beweringen is correct met betrekking tot het zenuwstelstel?
Biologie Vraag 1 Welke van de onderstaande beweringen is correct met betrekking tot het zenuwstelstel? Myeline is een hoofdzakelijk eiwitrijke stof die aangemaakt wordt door Schwann cellen. Myeline
Welke van de onderstaande beweringen is correct met betrekking tot het zenuwstelstel?
Biologie Vraag 1 Welke van de onderstaande beweringen is correct met betrekking tot het zenuwstelstel? Myeline is een hoofdzakelijk vetachtige stof die aangemaakt wordt door Schwann cellen. Myeline
HERKANSINGSTENTAMEN Moleculaire Biologie deel 2, 5 Jan 2007
HERKANSINGSTENTAMEN Moleculaire Biologie deel 2, 5 Jan 2007 NAAM: STUDENTNUMMER: CONTROLEER OF DIT TENTAMEN 14 PAGINA S BEVAT. Veel succes! o Je mag de achterkant van het papier ook zo nodig gebruiken,
6,4. Samenvatting door E woorden 6 december keer beoordeeld. Biologie voor jou
Samenvatting door E. 1393 woorden 6 december 2016 6,4 18 keer beoordeeld Vak Methode Biologie Biologie voor jou Thema 4: Erfelijkheid 5-HTTPLR gen heeft invloed op de hoeveelheid geluk die je ervaart.
Welke van de onderstaande structuren maakt spiercontractie mogelijk?
Biologie Vraag 1 Welke van de onderstaande structuren maakt spiercontractie mogelijk? Microtubuli Microfilamenten Intermediaire filamenten Microvilli Biologie: vraag 1 Biologie Vraag 2
Welke van de onderstaande structuren maakt spiercontractie mogelijk?
Biologie Vraag 1 Welke van de onderstaande structuren maakt spiercontractie mogelijk? Microvilli Microtubuli Microfilamenten Intermediaire filamenten Biologie: vraag 1 Biologie Vraag 2
Periode 9 - deel 1 MOLECULAIRE GENETICA
Periode 9 - deel 1 MOLECULAIRE GENETICA Lesstof PW9 Toets 9.1 Boek: Biologie voor het MLO (zesde druk) Hoofdstuk 5 Biomoleculen blz. 89 t/m 106 Hoofdstuk 11 Klassieke genetica blz. 224 t/m 227 Hoofdstuk
Welke van de bovenstaande celorganellen of levensprocessen kunnen zowel in prokaryote, als in eukaryote cellen voorkomen?
Biologie Vraag 1 Celorganellen en levensprocessen bij levende cellen zijn: 1. Ribosomen 2. ATP synthese 5. DNA polymerase 3. Celmembranen 6. Fotosynthese 4. Kernmembraan 7. Mitochondria Welke van de bovenstaande
Door recombinatie ontstaat een grote vescheidenheid in genotypen binnen een soort. (genetische
Chromosomen bestaan voor een groot deel uit DNA DNA bevat de erfelijke informatie van een organisme. Een gen(ook wel erffactor) is een stukje DNA dat de informatie bevat voor een erfelijke eigenschap(bvb
DNA knip techniek (CRISPR/Cas9) bij cystinose
Technologie & Innovatie DNA knip techniek (CRISPR/Cas9) bij cystinose Dr. Manoe Janssen Onderzoeker bij de afdeling Farmaceutische wetenschappen, Universiteit Utrecht David de Wied building Opbouw presentatie
Tentamen Van Mens tot Cel
Tentamen Van Mens tot Cel 1. Hans en Tineke willen graag een kindje. Zowel de ouders van Hans als de ouders van Tineke zijn beide drager van een autosomaal recessieve ziekte. Wat is de kans dat Hans en
Juli blauw Biologie Vraag 1
Biologie Vraag 1 Bij bijen komt parthenogenese voor. Dit is de ontwikkeling van een individu uit een onbevruchte eicel. Bij bijen ontstaan de darren (mannelijke bijen) parthenogenetisch. De koningin en
Juli geel Biologie Vraag 1
Biologie Vraag 1 Bij bijen komt parthenogenese voor. Dit is de ontwikkeling van een individu uit een onbevruchte eicel. Bij bijen ontstaan de darren (mannelijke bijen) parthenogenetisch. De koningin en
GENETICA EN EVOLUTIE. Pearson Basisboek biologie VWO Hoofdstuk 3 Linda Grotenbreg (MSc.)
GENETICA EN EVOLUTIE Pearson Basisboek biologie VWO Hoofdstuk 3 Linda Grotenbreg (MSc.) VAN DNA NAAR EIWIT GENETICA EN EVOLUTIE DNA Alle erfelijke informatie ligt opgeslagen in DNA in de vorm van genen.
Welke combinatie van twee celorganellen en hun respectievelijke functies is correct?
Biologie Vraag 1 Welke combinatie van twee celorganellen en hun respectievelijke functies is correct? ribosoom en synthese van eiwitten kern en fotosynthese mitochondrion en fotosynthese ribosoom
Hetzelfde DNA in elke cel
EIWITSYNTHESE (H18) Hetzelfde DNA in elke cel 2 Structuur en functie van DNA (1) Genen bestaan uit DNA Genen worden gedragen door chromosomen Chromosomen bestaan uit DNAmoleculen samengepakt met eiwitten
We wensen je veel succes met studeren en het halen van jouw tentamens!
Voorwoord Beste geneeskundestudent, Voor je ligt de samenvatting van Blok 1.1.1 Deel 2 voor de studie geneeskunde. SlimStuderen.nl heeft de belangrijkste informatie uit alle verplichte literatuur voor
8,6. Samenvatting door Jasmijn 2032 woorden 9 januari keer beoordeeld. Biologie voor jou. Biologie samenvatting hoofdstuk 4 Genetica
Samenvatting door Jasmijn 2032 woorden 9 januari 2018 8,6 5 keer beoordeeld Vak Methode Biologie Biologie voor jou Biologie samenvatting hoofdstuk 4 Genetica 2 Fenotype, genotype en epigenetica Erfelijke
Naam: Student nummer:
Vraag 1. a. Vergelijk de elektronen transportketen van de ademhaling met de elektronentransport keten van de licht reactie (eventueel met tekening). Geef aan waar ze plaats vinden, wie de elektronen donors
Nederlandse Samenvatting
149 150 Nederlandse Samenvatting Het immuunsysteem beschermt ons lichaam tegen de invasie van lichaamsvreemde eiwiten en schadelijke indringers, zoals bijvoorbeeld bacteriën. Celen die de bacteriën opruimen
Membranen, membraantransport en cytoskelet Versie 2015
Membranen, membraantransport en cytoskelet Versie 2015 Vragen bij COO over hoofdstuk 11, 12 en 17 van Alberts Essential Cell Biology, 4e druk Membranen 1. Je wordt gevraagd een kunstmatige membraan te
Welke van de bovenstaande celorganellen of levensprocessen kunnen zowel in prokaryote, als in eukaryote cellen voorkomen?
Biologie Vraag 1 Celorganellen en levensprocessen bij levende cellen zijn: 1. Ribosomen 2. ATP synthese 5. DNA polymerase 3. Celmembranen 6. Fotosynthese 4. Kernmembraan 7. Mitochondria Welke van de bovenstaande
Voorbereiding toelatingsexamen arts/tandarts. Biologie: Erfelijke informatie in de cel 6/29/2013. dr. Brenda Casteleyn
Voorbereiding toelatingsexamen arts/tandarts Biologie: Erfelijke informatie in de cel 6/29/2013 dr. Brenda Casteleyn Met dank aan: Leen Goyens (http://users.telenet.be/toelating) en studenten van forum
ERFELIJKE INFORMATIE IN DE CEL
DE CEL 1. INLEIDING... 3 2. ONDERDELEN VAN DE CEL...4 2.1. CYTOPLASMA... 4 2.2. CELMEMBRAAN... 4 2.2.1. Functies van het celmembraan...5 2.2.2. Bouw van het celmembraan (eenheidsmembraan)...5 2.2.3. Transportmogelijkheden
Een bijzondere band tussen grootvader en kleinkind
Een bijzondere band tussen grootvader en kleinkind Duizenden grootvaders liepen rond met onbegrepen neurologische klachten totdat de Amerikaanse kinderarts Randi Hagerman een verband legde tussen de klachten
Vragen bij paragraaf 5.1 en 5.2
Vragen bij paragraaf 5.1 en 5.2 1. Geef van onderstaande begrippen een omschrijving. celdifferentiatie overgang van stamcellen in specifieke cellen (specialisatie) katalysator een stof die een bepaalde
Nederlandse samenvatting
Nederlandse samenvatting 111 Dit proefschrift behandelt de diagnose van epidermolysis bullosa simplex (EBS) op DNA niveau en een eerste aanzet tot het ontwikkelen van gentherapie voor deze ziekte. Een
genen vachtkleur genotype fenotype BB, Bb, of Bb l zwarte vacht gen voor een donkere bb of bb l bruine vacht kleur (autosomaal) b l b l
X-chromosomale inactivatie Elke vrouw is een mozaïek, zegt Anton Grootegoed, hoogleraar aan het Erasmus MC te Rotterdam. Ze heeft groepjes cellen waarin het X-chromosoom dat van haar vader komt is uitgeschakeld,
DNA & eiwitsynthese Oefen- en zelftoetsmodule behorende bij hoofdstuk 16 en 17 van Campbell, 7 e druk December 2008
DNA & eiwitsynthese Oefen- en zelftoetsmodule behorende bij hoofdstuk 16 en 17 van Campbell, 7 e druk December 2008 DNA 1. Hieronder zie je de schematische weergave van een dubbelstrengs DNA-keten. Een
Welke van de onderstaande structuren maakt spiercontractie mogelijk?
Biologie Vraag 1 Welke van de onderstaande structuren maakt spiercontractie mogelijk? Microtubuli Microfilamenten Intermediaire filamenten Microvilli Biologie: vraag 1 Biologie Vraag 2
94 Transcriptie en vorming van mrna bij prokaryoten en eukaryoten
94 Transcriptie en vorming van mrna bij prokaryoten en eukaryoten Transcriptie bij prokaryoten: Prokaryoten hebben geen celkern, waardoor het DNA los in het cytoplasma ligt. Hier vindt de transcriptie
vwo eiwitsynthese 2010
vwo eiwitsynthese 2010 Aan- en uitzetten van genen Escherichia coli leeft in de dikke darm van onder andere de mens. Deze bacterie heeft vijf structurele genen die coderen voor enzymen die betrokken zijn
Rondleiding door de cel
Rondleiding door de cel Interactieve opgaven bij de hoofdstukken 5 t/m 8 van Biology, Campbell Deze module behandelt de volgende delen van hoofdstukken van Campbell s Biology : Hoofdstuk 5.4, pagina 77-86:
Samenvatting Biologie B2
Samenvatting Biologie B2 Samenvatting door Jacco 2000 woorden 22 mei 2018 10 1 keer beoordeeld Vak Methode Biologie Biologie voor jou 1. Wat kun je doen met DNA DNA bevat eigenschappen over een organisme.
Cytoskelet Onderstaande 13 vragen verschijnen at random, dat betekent dat ze niet altijd in dezelfde volgorde komen.
Cytoskelet, celverbindingen, membranen en membraantransport (COO 3) Vragen bij de oefen- en zelftoets-module behorende bij hoofdstuk 7 en 8 van Unit 1 van Biology, Campbell, 10 e druk Versie 2014-2015
1 (~20 minuten; 20 punten)
TENTAMEN Moleculaire Cel Biologie (8A840) Prof. Dr. Ir. L. Brunsveld & Dr. M. Merkx 27-01-2012 14:00 17:00 (totaal 100 punten) 6 opgaven in totaal + 1 bonusvraag! (aangegeven tijd is indicatie) Gebruik
Welke van de onderstaande structuren maakt spiercontractie mogelijk?
Biologie Vraag 1 Welke van de onderstaande structuren maakt spiercontractie mogelijk? Microvilli Microtubuli Microfilamenten Intermediaire filamenten Biologie: vraag 1 Biologie Vraag 2
28 Testkruising testkruising = een kruising om te achterhalen of een organisme homozygoot of heterozygoot is. Voorbeeld van een testkruising om te bepalen of een organisme homozygoot of heterozygoot is
GENEXPRESSIE VOORBEREIDENDE LES
GENEXPRESSIE VOORBEREIDENDE LES Alle organismen op aarde zijn opgebouwd uit cellen. Ook jouw eigen lichaam bestaat uit cellen. Die cellen zien er niet allemaal hetzelfde uit. Zo is een huidcel heel compact,
ENERGIEOMZETTINGEN IN DE CEL
BOUW VAN DE CEL 1. INLEIDING... 3 2. ONDERDELEN VAN DE CEL...4 2.1. CYTOPLASMA... 4 2.2. CELMEMBRAAN... 5 2.2.1. Functies van het celmembraan...5 2.2.2. Bouw van het celmembraan...5 2.2.3. Transportmogelijkheden
Examen Voorbereiding Cellen
Examen Voorbereiding Cellen Teylingen College Leeuwenhorst 2015/2016 Thema 2 Cellen Begrippenlijst: Begrip Organellen Plastiden Stamcellen Embryonale stamcellen Adulte stamcellen Endoplasmatisch reticulum
www. Biologie 2001 Vraag 1 Dit zijn een aantal gegevens over een nucleïnezuur. 1. Het is een enkelvoudige keten. 2. Het bevat als basen: G - A - C - T. 3. Het varieert naargelang de soort cel binnen één
Examen Voorbereiding DNA. Teylingen College Leeuwenhorst 2015/2016. 2016 JasperOut.nl. Thema 2 DNA
Examen Voorbereiding DNA Teylingen College Leeuwenhorst 2015/2016 Thema 2 DNA Begrippenlijst: Begrip mtdna kerndna Plasmiden Genoom DNA-replicatie DNA-polymerase Eiwitsynthese RNA-molecuul Codon Genregulatie
Begrippenlijst DNA adenine Eén van de nucelotidebasen die in DNA en RNA voorkomen. Adenine (A) vormt een basenpaar met thymine (T) in het DNA en met
Begrippenlijst DNA adenine Eén van de nucelotidebasen die in DNA en RNA voorkomen. Adenine (A) vormt een basenpaar met thymine (T) in het DNA en met uracil (U) in RNA. Adenine komt ook voor in AMP, ADP,
Voortplanting en celdeling
Voortplanting en celdeling Inleiding Kenmerkend voor de levende natuur is het streven om de soort in stand te houden. Voor de groene plant als groep komt daar nog bij het vastleggen en beschikbaar maken
BOUWSTENEN VAN HET LEVEN
BOUWSTENEN VAN HET LEVEN Pearson Basisboek Biologie 10voorBiologie VWO Hoofdstuk 1 L. Grotenbreg (MSc.) Bouwstenen van het leven Organische moleculen, groot of klein, bevatten chemische energie en zijn
Het menselijk lichaam is opgebouwd uit zeer veel cellen. Deze cellen bestaan uit verschillende kamertjes (organellen), die in het celvocht (cytoplasma
Het menselijk lichaam is opgebouwd uit zeer veel cellen. Deze cellen bestaan uit verschillende kamertjes (organellen), die in het celvocht (cytoplasma) liggen dat omgeven wordt door een muur (de celmembraan).
4,4. Praktische-opdracht door een scholier 2016 woorden 4 november keer beoordeeld
Praktische-opdracht door een scholier 2016 woorden 4 november 2005 4,4 5 keer beoordeeld Vak ANW Voorwoord Het leven, wat heeft er allemaal met het leven te maken. Het leven is erg ingewikkeld, een goede
Samenvatting Biologie Hoofdstuk 3 + 4
Samenvatting Biologie Hoofdstuk 3 + 4 Samenvatting door een scholier 1472 woorden 23 oktober 2007 6,5 24 keer beoordeeld Vak Methode Biologie Biologie voor jou Hoofdstuk 3 - Genetica Homologe chromosomen
Intermezzo, De expressie van een eiwit.
Samenvatting Bacteriën leven in een omgeving die voortdurend en snel verandert. Om adequaat te kunnen reageren op deze veranderingen beschikken bacteriën over tal van sensor systemen die de omgeving in
Nederlandse samenvatting
Wanneer in een gesprek het onderwerp gentherapie wordt aangesneden, wordt vrijwel onmiddelijk stier Herman van stal gehaald. Dit gebeurt ten onrechte. Stier Herman is een kloon en kloneren is niet hetzelfde
Welke van de bovenstaande celorganellen of levensprocessen kunnen zowel in prokaryote, als in eukaryote cellen voorkomen?
Biologie Vraag 1 Celorganellen en levensprocessen bij levende cellen zijn: 1. Ribosomen 2. ATP synthese 5. DNA polymerase 3. Celmembranen 6. Fotosynthese 4. Kernmembraan 7. Mitochondria Welke van de bovenstaande
Biologie 2000 Vraag 1 De plaats waar de chromatiden van een chromosoom tijdens de eerste fasen van een cel/kerndeling aan mekaar vastzitten noemt men: A. Centriool B. Centromeer C. Centrosoom D. Chromomeer
DNA & eiwitsynthese Vragen bij COO-programma bij hoofdstuk 11 en 12 Life
DNA & eiwitsynthese Vragen bij COO-programma bij hoofdstuk 11 en 12 Life De vragen die voorkomen in het COO-programma DNA & eiwitsynthese zijn op dit formulier weergegeven. Het is de bedoeling dat je,
Afsluitende les. Leerlingenhandleiding. Wat voor eiwit ben jij? (Basis)
Afsluitende les Leerlingenhandleiding Wat voor eiwit ben jij? (Basis) Deel 1 In het DNA ligt het erfelijk materiaal van een organisme in code opgeslagen. Deze code is opgebouwd uit vier nucleotiden: adenosine
2. Erfelijkheid en de ziekte van Huntington
2. Erfelijkheid en de ziekte van Huntington Erfelijkheid Erfelijk materiaal in de 46 chromosomen De mens heeft in de kern van elke lichaamscel 46 chromosomen: het gaat om 22 paar lichaamsbepalende chromosomen
Biotechnologie deel I
Biotechnologie deel I Hand-out bij de eerste oefen- en zelftoetsmodule van Biotechnologie & maatschappij behorende bij hoofdstuk 2,3, 4 en 5 van Introduction to Biotechnology, Thieman & Palladino, 3 e
Begrippen Hoofdstuk 3
Begrippen Hoofdstuk 3 aminozuur organische stoffen met carboxyl- en aminogroepen. Ongeveer 20 aminozuren spelen een rol als grondstof voor de synthese van eiwitten amyloplasten basenparing biotechnologie
2,4. Samenvatting door R woorden 5 maart keer beoordeeld. Biologie voor jou. Stofwisseling Biologie. Atomen en Moleculen
Samenvatting door R. 1478 woorden 5 maart 2014 2,4 30 keer beoordeeld Vak Methode Biologie Biologie voor jou Stofwisseling Biologie Atomen en Moleculen -Stof à moleculen à atomen (in kleine hoeveelheden
Rondleiding door de cel
Rondleiding door de cel Vragen bij deoefen- en zelftoets-module behorende bij hoofdstuk 5, 6 en 7 van Biology, Campbell, 7 e druk juli 2007 Introductie Deze module behandelt de volgende delen van hoofdstukken
Biologie 1997 Augustus
www. Biologie 1997 Augustus Vraag 1 In de onderstaande tekening is de elektronenmicroscopische afbeelding van een cel van een traanklier van een mens weergegeven. Het afgescheiden traanvocht bevat een
Biologie (jaartal onbekend)
Biologie (jaartal onbekend) 1) Bijgevoegde fotografische afbeelding geeft de elektronenmicroscopische opname van een organel (P) van een cel. Wat is de belangrijkste functie van dit organel? A. Het transporteren
Voorbeeld EXAMEN 2005 CELBIOLOGIE 1 CBI 10306
Voorbeeld EXAMEN 2005 CELBIOLOGIE 1 CBI 10306 Naam :...... Registratienr.:... Studierichting:... Let op!!! Slechts 1 antwoord is goed 1. In groeiende plantencellen ziet men altijd endocytose optreden.
3.Mitose. 2.Mitose. Hoeveel chromatiden bevat een menselijke cel maximaal tijdens te mitose?
In welke cellen vindt mitose plaats? Hoeveel chromatiden bevat een menselijke cel maximaal tijdens te mitose? Hoeveel centromeren bevat een menselijke cel maximaal tijdens de mitose? Een cel ondergaat
Nederlandse Samenvatting
Nederlandse Samenvatting Nederlandse samenvatting Hematopoiesis Een volwassen mens heeft ongeveer vijf liter bloed waarin zich miljarden cellen bevinden. Deze cellen zijn onder te verdelen op basis van
ZONDER EIWITINTERACTIES KOM JE NERGENS
DE GEMENE DELER ZONDER EIWITINTERACTIES KOM JE NERGENS Naam: Klas: Datum: ZONDER EIWITINTERACTIES KOM JE NERGENS VWO Zonder eiwitten is het leven niet mogelijk. Interacties tussen eiwitten zijn cruciaal
TENTAMEN BIOCHEMIE (8S135) Prof. Dr. Ir. L. Brunsveld :00 17:00 (totaal 100 punten) 6 opgaven in totaal (aangegeven tijd is indicatie)
TENTAMEN BIOCHEMIE (8S135) Prof. Dr. Ir. L. Brunsveld 25-01-2010 14:00 17:00 (totaal 100 punten) 6 opgaven in totaal (aangegeven tijd is indicatie) 1 (~30 minuten; 20 punten) Onderstaand is een stukje
van de cel Bioinformatica het probleem Inleiding Medisch Technische Wetenschappen Bioinformatica Deel 1 Celbiologie Elementaire celbiologie
Bioinformatica het probleem Inleiding Medisch Technische Wetenschappen Bioinformatica Deel 1 Michael Egmont-Petersen Watisdebetekenis [in brede zin] van het menselijk genome? Welke structuur hebben de
Biotechnologie deel II
Biotechnologie deel II Hand-out bij de tweede oefen- en zelftoetsmodule van Biotechnologie & maatschappij behorende bij hoofdstuk 6, 7, 8 en 11 van Introduction to Biotechnology, Thieman & Palladino, 3
Genetica & Evolutie Deeltentamen 1
Vraag 1. Iemands genotype is AaBb voor twee genen die gekoppeld op een chromosoom liggen. Als de beide dominante allelen op één chromosoom liggen, en de beide recessieve allelen op het andere homologe
Moleculaire mechanismen. De connectie tussen interacties van eiwitten en activiteiten van cellen
Moleculaire mechanismen De connectie tussen interacties van eiwitten en activiteiten van cellen The Hallmarks of Cancer Hanahan and Weinberg, Cell 2000 Niet afhankelijk van groei signalen Apoptose ontwijken
VIII Samenvatting voor alle anderen
VIII Samenvatting voor alle anderen Voor het bestuderen van biologische processen, zoals die plaatsvinden in alle levende cellen van zowel flora als fauna, wordt vaak gebruik gemaakt van bacteriën. Bacteriën
biologie vwo 2017-I Gespierder door gendoping
Gespierder door gendoping Het overdragen van genetisch materiaal naar menselijke cellen voor de behandeling van ziektes bevindt zich nog in een experimenteel stadium. Deze techniek zou ook gebruikt kunnen
1 (~20 minuten; 15 punten)
HERTENTAMEN Moleculaire Cel Biologie (8A840) Prof. Dr. Ir. L. Brunsveld & Dr. M. Merkx 20-04-2012 14:00 17:00 (totaal 100 punten) 6 opgaven in totaal + 1 bonusvraag! (aangegeven tijd is indicatie) Gebruik
Werkstuk ANW Gentherapie
Werkstuk ANW Gentherapie Werkstuk door een scholier 2605 woorden 27 april 2003 5,8 40 keer beoordeeld Vak ANW Inleiding Het onderwerp dat wij hebben gekozen is: genezen met gentherapie. Wij hebben voor
VUmc_CAT_HA_B15_ _inzage Friday, September 08, :46
pagina 1 van 22 VUmc_CAT_HA_B15_2017-09-29_inzage Friday, September 08, 2017 10:46 Block 1, 52 question(s), maximum score 52 CAT HA B15 29-09-2017 INZAGE 1 of 52 Bron: J. van Horssen, eigen werk, 2016
Een rondleiding door de cel (COO 2)
Een rondleiding door de cel (COO 2) Vragen bij de oefen- en zelftoets-module behorende bij hoofdstuk 7 en 8 van Biology, Campbell, 9 e druk Versie 2012-2013 De vragen die voorkomen in het COO-programma
2. mitochondriën leveren de benodigde energie. Eiwit-flagellen zogen voor de beweging van staart
Vwo-5 ANTWOORDEN DE CEL OPDRACHTEN Een alvleeskliercel 1 De juiste volgorde is: 8 5 7 3 6 4 2 1 2 Voorbeeld van een juist ingetekende lijn: De lijn begint in de celkern, aangegeven met een m, loopt via
de cel A&F_MBO_H01.indd :21
1 de cel De cel 1 Elk levend wezen is opgebouwd uit cellen. Het eerste deel van dit hoofdstuk gaat over de verschillende componenten van een cel. Het celmembraan, het cytoplasma en de belangrijkste organellen
ANTWOORDEN HOOFDSTUK 6 VAN GEN TOT EIWIT
ANTWOORDEN HOOFDSTUK 6 VAN GEN TOT EIWIT ANTWOORDEN 6.5 /TM 6.8 Codering 1.een juiste aanvulling van het schema : nucleotiden in mrna juist nucleotiden in DNA juist 3 kant en 5 kant bij mrna en DNA juist
Nederlandse samenvatting
Dikkedarmkanker is na longkanker de meest voorkomende doodsoorzaak ten gevolge van kanker in de westerse wereld. Dikkedarmkanker manifesteert zich na een accumulatie van verscheidene genetische veranderingen.
