INHOUDSOPGAVE 1 INLEIDING...

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "INHOUDSOPGAVE 1 INLEIDING..."

Transcriptie

1

2

3 SAMENVATTING Het Waterschap Rivierenland heeft in haar meetprogramma 2010 de doelstelling KRW waterlichamen te inventariseren op vis. Hiervoor heeft zij ATKB gevraagd om een visstand bemonstering uit te voeren en de resultaten van deze bemonstering te toetsen aan de KRW-deelmaatlatten voor vis. Om te voldoen aan de eisen van de KRW en te komen tot een representatief beeld van de visstand dient het onderzoek antwoord te geven op de volgende vragen: - Wat is de soortensamenstelling van de visstand? - Wat is de omvang (abundantie) van de visstand, zowel in aantallen als in biomassa? - Wat is de lengtesamenstelling (leeftijdsopbouw) van de visstand? - Wat is de score van de visstand op de KRW-maatlatten? Naar aanleiding van de toetsing kunnen, waar nodig, op basis van expert judgement richtinggevende maatregelen worden geformuleerd ter verbetering van de visstand In het gehele beheersgebied zijn 32 vissoorten aangetroffen, dit is exclusief de aangetroffen hybride vissoorten. Er zijn 13 eurytope vissoorten aangetroffen, 7 limnofiele soorten, 5 rheofiele vissoorten en 7 exoten. Per waterlichaam worden 15 tot 27 vissoorten aangetroffen, per watergang zijn er 4 tot 24 vissoorten gevangen. In het beheersgebied zijn er 9 vissoorten aangetroffen met een speciale bescherming. Hiervan staan er drie vermeld in tabel 3 van de Flora en Faunawet, twee vissoorten zijn in tabel 3 van de FF-wet opgenomen. Tevens zijn vijf van deze vissoorten als kwetsbaar opgenomen in de Rode Lijst en één staat als gevoelig op de Rode Lijst genoemd. In het onderzoek zijn zeven vissoorten van het exotengilde aangetroffen. De biomassa van het visbestand in de waterlichamen varieert tussen de 20 en 340 kg/ha, het gemiddelde bestand van de waterlichamen wordt op 155 kg/ha geraamd. Het bestand in de watergangen varieert nog sterker van 1,3 kg/ha tot 640 kg/ha. Ook hier wordt het gemiddelde bestand op 159 kg/ha geraamd. Het aantalsbestand van de waterlichamen varieert van tot stuks per hectare, het gemiddelde aantal vissen in de waterlichamen wordt geraamd op stuks per hectare. In de watergangen is de onderlinge spreiding tussen de bestanden groter, deze worden geraamd op 88 tot stuks per hectare, gemiddeld wordt het aantal vissen berekend op stuks/ha. De populatie van de meest voorkomende vissoorten baars, blankvoorn en brasem is niet in alle watergangen evenwichtig opgebouwd. Bij baars en blankvoorn ontbreken vaak de grotere (>25 cm) exemplaren, wat wel weer typerend is voor de relatief kleinere lijnvormige watergangen. Bij de brasem is in de meeste waterlichamen een hiaat in de grafieken te ontdekken bij de lengteklassen cm. Bij de waterlichamen voldoen 13 van de 15 onderzochte waterlichamen aan het KRW-streefbeeld. De overige 2 waterlichamen worden als matig beoordeeld. Bij de watergangen voldoen 38 van de 53 (70%) onderzochte watergangen aan het streefbeeld. Tien watergangen worden met matig beoordeeld. Vijf watergangen hebben als beoordeling ontoereikend en één watergang wordt met slecht beoordeeld. Vaak is de bepalende parameter een te hoog brasembestand in combinatie met een laag aandeel plantminnende vissen. In de watergangen wordt in deze gevallen dan vrijwel altijd een lage water- en oeverplantenbedekking en verminderd doorzicht waargenomen. Naar onze mening is in veel gevallen is een hoge nutriëntbelasting of nalevering van nutriënten uit het slib een van de factoren die deze ongewenste situatie in stand houden. Indien dit het geval is zou het baggeren van de sliblaag al een gedeelte van het probleem kunnen oplossen, hierbij moet er wel voor gezorgd worden dat de nutriëntbelasting in het oppervlaktewater al teruggebracht is. In de factsheets zijn een aantal maatregelen genoemd die ten dele al worden uitgevoerd, gezien de huidige situatie met betrekking tot de visstand lijken deze succesvol. Wij stellen dan ook voor de huidige tijdsplanning aan te houden en waar mogelijk een aantal maatregelen versneld in te voeren.

4

5 INHOUDSOPGAVE 1 INLEIDING Aanleiding Doel Leeswijzer MATERIAAL EN METHODE Onderzoeksgebied Bemonsteringsperiode Wijze van bemonsteren en vangtuigen Wijze van bemonsteren Gebruikte vangtuigen Verwerking van veldgegevens Berekening omvang visbestand Presentatie gegevens Beoordeling met maatlatten RESULTATEN NL09_05 GIESSEN Beschrijving Bestandschatting Lengtesamenstelling Beoordeling maatlatten Beschermde soorten en exoten RESULTATEN NL09_08 KANALEN BOMMELERWAARD-OOST Beschrijving Bestandschatting Lengtesamenstelling Beoordeling maatlatten Beschermde soorten en exoten RESULTATEN NL09_10 KANALEN LAND VAN HEUSDEN EN ALTENA Beschrijving Bestandschatting Lengtesamenstelling Beoordeling maatlatten Beschermde soorten en exoten RESULTATEN NL09_11 KANALEN LEK EN LINGE Beschrijving Bestandschatting Lengtesamenstelling Beoordeling maatlatten Beschermde soorten en exoten RESULTATEN NL09_12 KANALEN QUARLES VAN UFFORD Beschrijving Bestandschatting Lengtesamenstelling Beoordeling maatlatten Beschermde soorten en exoten... 39

6 8 RESULTATEN NL09_14 KANALEN VIJFHEERENLANDEN Beschrijving Bestandschatting Lengtesamenstelling Beoordeling maatlatten Beschermde soorten en exoten RESULTATEN NL09_17 LINGE EN KANALEN NEDERBETUWE Beschrijving Bestandschatting Lengtesamenstelling Beoordeling maatlatten Beschermde soorten en exoten RESULTATEN NL09_18 LINGE EN KANALEN OVERBETUWE Beschrijving Bestandschatting Lengtesamenstelling Beoordeling maatlatten Beschermde soorten en exoten RESULTATEN NL09_20 OUDE RIJN Beschrijving Bestandschatting Lengtesamenstelling Beoordeling maatlatten Beschermde soorten en exoten RESULTATEN NL09_21 SLOOT BLOEMERS Beschrijving Bestandschatting Lengtesamenstelling Beoordeling maatlatten Beschermde soorten en exoten RESULTATEN NL09_23 SLOTEN CITTERS Beschrijving Bestandschatting Lengtesamenstelling Beoordeling maatlatten Beschermde soorten en exoten RESULTATEN NL09_24 SLOTEN LEK EN LINGE Beschrijving Bestandschatting Lengtesamenstelling Beoordeling maatlatten Beschermde soorten en exoten RESULTATEN NL09_25 SLOTEN NEDERBETUWE Beschrijving Bestandschatting Lengtesamenstelling Beoordeling maatlatten Beschermde soorten en exoten... 74

7 16 RESULTATEN NL09_29 VEENVAARTEN OVERWAARD Beschrijving Bestandschatting Lengtesamenstelling Beoordeling maatlatten Beschermde soorten en exoten RESULTATEN NL09_31 ZOUWEBOEZEM Beschrijving Bestandschatting Lengtesamenstelling Beoordeling maatlatten Beschermde soorten en exoten BESPREKING Maatlatbeoordelingen Vergelijking verschillende delen Linge Vergelijking voorgaande jaren CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN Conclusies Aanbevelingen LITERATUUR BIJLAGENRAPPORT Bijlage 1: Bijlage 2: Bijlage 3: Bijlage 4: Bijlage 5: Bijlage 6: Bijlage 7 t/m 21: Bijlage 22: Inleiding Kaart ligging van de waterlichamen Kaart ligging van de bemonsterde locaties per waterlichaam Grenzen KRW maatlatten Fame indeling vissoorten. Beschermingsstatus LF per waterlichaam Bestandschatting en toetsing waterlichaam, watergang Overzicht maatlatscores

8

9 1 INLEIDING 1.1 Aanleiding Het Waterschap Rivierenland heeft in haar meetprogramma 2010 de doelstelling KRW waterlichamen te inventariseren op vis. Het visonderzoek maakt hierbij deel uit van de vereiste monitoringsinspanning vanuit de Europese Kaderrichtlijn Water. Het Waterschap heeft ATKB gevraagd om de visstand bemonstering uit te voeren en de resultaten van de bemonstering te toetsen aan de KRW-maatlatten voor vis. De resultaten en de toetsing dienen als uitgangspunt voor een beknopte analyse van de belangrijkste knelpunten met betrekking tot de visstand. Voor de mogelijke knelpunten wordt op basis van expert judgement enkele richtinggevende maatregelen ter verbetering van de visstand beschreven. De resultaten van deze bemonstering en toetsing worden in het voorliggende rapport gepresenteerd. 1.2 Doel Basis voor het in beeld brengen van de visstand vormt de werkwijze, zoals is omschreven in het STOWA-Handboek Visstandbemonstering (ref.3), het Handboek Hydrobiologie (ref 4) en de Richtlijnen Monitoring Oppervlaktewater Europese Kaderrichtlijn Water (ref. 8), waarbij rekening gehouden dient te worden met het in 2009 aangepaste protocol Toetsen en Beoordelen. Wanneer deze werkwijze gevolgd wordt zal de bemonstering leiden tot een representatief beeld van de visstand in de verschillende waterlichamen. Aan de hand van dit representatieve beeld kunnen een aantal maatregelen ter verbetering worden geformuleerd. Voor de KRW moeten drie indicatoren van de visstand worden vastgesteld; de soortensamenstelling, abundantie en leeftijdsopbouw. De leeftijdsopbouw is in de meeste maatlatten weggelaten, omdat deze parameter in veel wateren niet gezien wordt als een indicator voor menselijke beïnvloeding. Het is voor de KRW niet nodig om de groei of conditie van de vis te bepalen. Om te voldoen aan de eisen van de KRW en te komen tot een representatief beeld van de visstand dient het onderzoek antwoord te geven op de volgende vragen: - Wat is de soortensamenstelling van de visstand? - Wat is de omvang (abundantie) van de visstand, zowel in aantallen als in biomassa? - Wat is de lengtesamenstelling (leeftijdsopbouw) van de visstand? - Wat is de score van de visstand op de KRW-maatlatten? 1.3 Leeswijzer Na deze inleiding volgt een beschrijving van materiaal en methodes in hoofdstuk 2, daarna volgen in hoofdstuk 3 tot en met 17 de resultaten van de bemonsteringen en de toetsing gepresenteerd per watergang en waterlichaam. Vervolgens worden de meest opmerkelijke resultaten van de bemonsteringen kort besproken en vergeleken met voorgaande bemonsteringen in hoofdstuk 18. Tenslotte volgen in hoofdstuk 19 de conclusies en aanbevelingen. Kenmerk: /001, definitief,juni 2011 Blz. 9 van 92

10 2 MATERIAAL EN METHODE 2.1 Onderzoeksgebied Het onderzoeksgebied bestaat uit 15 KRW waterlichamen gelegen in het beheergebied van waterschap Rivierenland. In Tabel 2.1 worden de bemonsterde waterlichamen weergegeven met bijbehorende karakteristieken. De gegevens zijn gebaseerd op aangeleverde gegevens van het waterschap aangevuld met veldmetingen. In bijlage 1 wordt een overzichtskaart met de ligging van de waterlichamen gepresenteerd. De ligging van de bemonsterde locaties worden op de detailkaarten van de waterlichamen in bijlage 2 weergegeven Tabel 2.1. Onderzochte waterlichamen Rivierenland, met onderverdeling in watergangen KRW-code waterlichaam Waterlichaam KRW-type waterlichaam watergang NL09_05 Giessen M10 geen afzonderlijke watergangen NL09_08 Kanalen Bommelerwaard Oost M3 Hoofdwetering Sloten Hedel/Ammerzoden Drielsche wetering/sloten Kerkdriel Weteringen zuid Zaltbommel NL09_10 Kanalen Land van Heusden & Altena M3 Peerenboomsche Gat Noorder Afwateringskanaal/Oude Maasje Sloten Dussen Weteringen Meeuwen/Babyloniënbroek Weteringen Eethen NL09_11 Kanalen Lek & Linge M3 Culemborgse Vliet Het Wiel Prijsche wetering/nieuwe wetering Nieuwe Graaf/Bisschopsgraaf Sloten De Regulieren/Molenkampen NL09_12 Kanalen Quarles van Ufford M3 Grote wetering/rijksche wetering/broeksche Leigraaf Reefwetering Sloten zuid Beneden-Leeuwen Blauwe wetering Sloten zuid Druten Deetsche Leigraaf/Hoekgraaf NL09_14 Kanalen Vijfheerenlanden M3 Weteringen oost Arkel Middelwetering/Achterwetering/Kortenhoevensche wetering Nederboeicopper wetering NL09_17 Linge en kanalen Nederbetuwe M6a Linge Ooijsche wetering Sloten zuid Ommeren Sloten zuid Lienden NL09_18 Linge en kanalen Overbetuwe M6a Linge Sloot Kampse straat Stadswater Arnhem/Zuidelijke Laarsche Pijp Bemmelsche Zeeg Sloten A15/Rietgraaf NL09_20 Oude Rijn M3 geen afzonderlijke watergangen NL09_21 Sloot Bloemers M2 geen afzonderlijke watergangen NL09_23 Sloten Citters M2 Wijchense Meer Niftriksche wetering Weteringen oost van Wijchense meer Balgoysche wetering/zeedijksche Leijgraaf NL09_24 Sloten Lek & Linge M1a Korne Hooglandsche wetering NL09_25 Sloten Nederbetuwe M1a Sloten Tiel Sloten Geldermalsen Mauriksche wetering/leewetering Sloten Rijswijksche Veld NL09_29 Veenvaarten Overwaard M10 Groote- of Achterwaterschap Ammersche Boezem/Kromme elleboog/peursumsche Vliet Dwarsgang Smoutjes vliet Schelluinse vliet Groote Vliet Sloten oost Streefkerk NL09_31 Zouweboezem M10 geen afzonderlijke watergangen Blz. 10 van 92 Kenmerk: /001, definitief, juni 2011

11 2.2 Bemonsteringsperiode De bemonsteringen zijn uitgevoerd tussen week 33 en week 40. Hiermee is voldaan aan de bemonsteringsperiode zoals die gesteld wordt in het Handboek Hydrobiologie en de MIR richtlijnen(half juli t/m half oktober). Alle bemonsteringen zijn overdag uitgevoerd. Voor een optimaal resultaat van een (wonder)kuilbemonstering, zoals deze is uitgevoerd in de Zouweboezem is een voorkeur voor de nachtelijke uren aangegeven. Gezien de aanwezige hoeveelheid submerse, drijvende waterplanten en takken was het echter niet mogelijk om hier s nachts te vissen. 2.3 Wijze van bemonsteren en vangtuigen Hieronder volgt een korte beschrijving van de vangtuigen die tijdens de bemonstering zijn gebruikt. De zegen en het elektrovisapparaat staan vermeld als standaardvangtuigen in het Handboek Hydrobiologie. In de onderstaande figuur worden de gebruikte vangtuigen afgebeeld. De gebruikte wonderkuil staat in het handboek niet vermeld als een standaard bemonsteringsvangtuig. In het STOWA handboek staat dit vangtuig wel vermeld met de vangstrendementen. Deze kuil wordt slechts in uitzonderlijke gevallen ingezet als vangtuig, indien de zegen of een standaard stortkuil niet ingezet kunnen worden Wijze van bemonsteren De uitvoering van de visstandbemonstering is gebaseerd op de Bevist-Oppervlak-Methode (BOM) uit het STOWA-handboek en het Handboek Hydrobiologie (ref. 3, 4). Met deze methode wordt een bepaald oppervlak op standaardwijze bevist met een vangtuig waarvan het vangstrendement bekend is. Uit de vangsten en de beviste oppervlaktes wordt met behulp van de rendementen een schatting van de omvang en samenstelling van de visstand berekend. De wijze van bemonsteren en de gehanteerde vangtuigen verschillen voor de diverse waterlichamen in het beheergebied van waterschap Rivierenland. Globaal is de aanpak voor de onderzochte waterlichamen als volgt samen te vatten: - Voor lijnvormige wateren tot circa 4 m breed is aan het begin van het traject een keernet overdwars geplaatst, vervolgens is een stuk van 300 m uitgemeten (GPS) en al wadend met een draagbaar elektrovisapparaat afgevist. Eventueel vluchtende vis wordt door het keernet tegengehouden. - Voor lijnvormige wateren tot circa 8 m breed is aan het begin van het traject een keernet overdwars geplaatst, vervolgens is een stuk van 300 m uitgemeten (GPS) en met het elektrovisapparaat vanuit een boot afgevist. Eventueel vluchtende vis wordt door het keernet tegengehouden. - In lijnvormige wateren met een breedte van ongeveer 8 tot 20 m is een traject van 300 m aan weerszijden met keernetten afgezet. Het traject is eerst met een zegen afgevist door het net over de gehele lengte van het traject door het water te slepen. Vervolgens is de visstand in de oeverzone bemonsterd met het elektrovisapparaat. - In het geval het niet mogelijk was het traject over de volledige breedte met de zegen te bevissen is de zegen rondgevist Bij dit rondvissen is de zegen in een cirkelvorm uitgevaren waarna deze op de oever werd binnengehaald. Ook bij deze bevissing wordt de oever met een elektrovisapparaat bemonsterd. Kenmerk: /001, definitief,juni 2011 Blz. 11 van 92

12 2.3.2 Gebruikte vangtuigen Elektrovisapparaat De oeverzones, en smalle gedeeltes van de lijnvormige wateren, van de waterlichamen zijn bemonsterd met een 5 kw elektrovisapparaat. De trajecten zijn vanuit een boot met één of twee anodes (positief geladen schepnetten) afgevist. Het rendement van dit vangtuig is voor oeverzones vastgesteld op 30% voor snoek en 20% voor de overige vissoorten Bij een bevissing over de volledige breedte van een smalle watergang is een rendement van 60% voor alle vissoorten en lengteklassen vastgesteld (ref. 3). Zegen Het (ondiepe) gedeelte van het open water is bemonsterd met een zegen. Voor dit onderzoek is een standaard zegen van 40 tot 75 meter gebruikt die door middel van losse vleugels (zijkant van het net) verlengd kan worden tot maximaal 175 meter. De gebruikte zegen heeft een vissende hoogte van circa 3 m. De maaswijdte van de zegen is in de vleugels 40 mm hele maas, afnemend tot 12 mm in de zak. Bij de Giessen is een afwijkende zegen gebruikt. De maaswijdtes in de vleugels en zak zijn gelijk aan de bovengenoemde zegen, de vissende hoogte van deze diepe zegen is echter 6 meter. Deze zegen wordt ingezet bij wateren met een waterdiepte groter dan 3 meter. Het rendement van beide zegens is vastgesteld op 80% voor alle vissoorten en lengteklassen (ref.3). Wonderkuil Deze kuil is gesleept met twee kleine boten met een snelheid van ongeveer 3-4 km/uur. De gebruikte kuil heeft een vissende breedte en hoogte van 7 x 1 meter. De maaswijdte in de zak is 12 mm gestrekte maas. Het rendement waarmee de wonderkuil vis vangt is mede afhankelijk van de lengte van de vis en is door de STOWA gestandaardiseerd (ref 3, 4). Het rendement waarmee dit net de aanwezige vis vangt is gesteld op 90% voor visbroed, 80% voor meerzomerige vis tot en met 25 cm, 60% voor vis van cm en 30% voor vis >40 cm Figuur 2.1. Gebruikte vangtuigen elektrovisapparaat zegen (Wonder)kuil Blz. 12 van 92 Kenmerk: /001, definitief, juni 2011

13 2.4 Verwerking van veldgegevens De gevangen vissen zijn op soort gesorteerd, gemeten (in cm totaallengte) en geteld. Bij grote vangsten is eerst gesorteerd in functionele lengtegroepen, waarna op gewichtsbasis monsters zijn genomen. De vissen in de monsters zijn vervolgens gesorteerd, gemeten en geteld. De vangstgegevens zijn per traject/trek ingevoerd in het databeheerprogramma Piscaria. Dit programma is in opdracht van de STOWA ontwikkeld voor het beheer en opslag van gegevens van visstandbemonsteringen. Piscaria bevat standaard lengte-gewicht relaties van alle vissoorten voor het omrekenen van aantallen vissen naar biomassa. Met deze relaties is voor elke soort het aantal vissen per cm-klasse omgerekend naar biomassa Berekening omvang visbestand Met behulp van Piscaria zijn de vangsten omgerekend naar bestandschattingen per waterlichaam. De bestanden zijn conform de beschrijving in het STOWA-handboek en het Handboek Hydrobiologie (ref. 3, 4) op de volgende wijze berekend: 1. Per onderscheiden deel van een water is de vangst van de afzonderlijke trajecten/trekken per vangtuig gesommeerd. 2. De som per vangtuig is gedeeld door het beviste oppervlak van het betreffende waterdeel. 3. De resultaten verkregen onder stap 2 zijn gedeeld door de rendementen van de betreffende vangtuigen, wat resulteert in een schatting per waterdeel. 4. Het totale bestand per water is berekend door het naar oppervlak gewogen gemiddelde te nemen van de schattingen per waterdeel. 5. Als een waterlichaam bestaat uit verschillende wateren, is het bestand per waterlichaam berekend als het naar oppervlak gewogen gemiddelde van de schattingen van de wateren. Voor een met keernetten afgezet traject dat over de volledige lengte eerst met zegen en daarna met elektrovisapparaat is bevist, wordt voor de zegen met een rendement van 100% gerekend. Aangenomen wordt dat de vis die niet wordt gevangen met de zegen in de oever vlucht en met het elektrovisapparaat wordt bemonsterd. Het rendement voor het elektrovisapparaat blijft in dit geval 30% voor snoek en 20% voor overige vis (ref. 3,4). Naast bestandschattingen zijn met Piscaria tevens lengte-frequentieverdelingen (LF s) van de gevangen vissen gegenereerd. Het bijlagenrapport presenteert de LF s van de gevangen soorten per waterlichaam Presentatie gegevens In het hoofdrapport worden de belangrijkste resultaten van het onderzoek gepresenteerd. De ondersteunende gegevens: kaarten, volledige bestandschattingen, uitgebreide maatlatbeoordelingen etc. worden in het bijlagenrapport weergegeven. Voor het presenteren van de bestandschattingen zijn de gevangen vissoorten ingedeeld in ecologische groepen en gilden. De indeling in ecologische groepen wordt beschreven in het STOWA-handboek. De ecologische groepen zijn voornamelijk gebaseerd op voedselvoorkeur en hangen samen met de lengte van de vissoorten. Over het algemeen wordt vis met een lengte tot 15 cm verondersteld planktivoor te zijn (zich voedend met zoöplankton). Roofvissen zoals baars en snoekbaars worden vanaf 15 cm verondersteld piscivoor (visetend) te zijn. Verondersteld wordt dat andere algemene vissen zoals blankvoorn en brasem vanaf deze lengte benthivoor zijn (zich voedend met op of in de bodem levende macrofauna). Voor snoek wijkt de indeling af van de overige vissoorten, omdat deze vooral uitgaat van de voorkeur van deze soort voor bepaalde habitats. Snoek tot een lengte van 44 cm heeft een sterke voorkeur voor een schuilplaats tussen (oever)vegetatie. Vanaf een lengte van 55 cm kiest de snoek voor het ruimere, open water. Kenmerk: /001, definitief,juni 2011 Blz. 13 van 92

14 Naast ecologische groepen zijn de vissoorten ingedeeld in de stromingsgilden volgens FAME (bijlage 5). Deze indeling wordt voor de KRW-maatlatten gehanteerd. De indeling in stromingsgilden is gebaseerd op de voorkeur van soorten voor stromend dan wel stilstaand water. Er worden drie stromingsgilden onderscheiden: - Eurytopen: soorten die geen specifieke voorkeur hebben voor stromend of stilstaand water; - Limnofielen: soorten met een voorkeur voor stilstaand water; - Rheofielen: soorten met een voorkeur voor stromend water Beoordeling met maatlatten De visstand is getoetst aan de afgeleide maatlatten die gebaseerd zijn op de default-mep/gep s (ref 2). Voor KRW-type M2 is geen maatlat voor vis opgesteld. De visstand in deze wateren wordt beoordeeld met de meest gelijkende maatlat in dit geval M1a. De score op de maatlat is een waarde tussen de 0 en 1, die weergeeft in hoeverre de gevonden visstand afwijkt van het streefbeeld, dit wordt gepresenteerd als de referentie(maatlat). Bij 0 komt de visstand niet overeen met het streefbeeld en bij 1 is de gevonden visstand volledig in overeenstemming met het streefbeeld. De maatlat voor vis is opgebouwd uit verschillende deelmaatlatten, per deelmaatlat kan een bepaalde maximale score worden behaald. In de resultaten worden deze scores per deelmaatlat in tabelvorm en grafisch weergegeven, hierbij wordt ter vergelijking ook de maximale score op de referentiemaatlat weergegeven. In het tekstkader staan de deelmaatlatten van de verschillende KRW typen weergegeven. In bijlage 4 worden per deelmaatlat de grenzen voor de berekening van de scores weergegeven. Figuur 2.2 geeft een overzicht van de klassen die op de natuurlijke en afgeleide maatlatten worden onderscheiden. Figuur 2.2. De klassen van de natuurlijke en afgeleide maatlat met bijbehorende kleurcodering (voor de afgeleide maatlat is het MEP gelijk aan de bovengrens van het GEP; 1) 1 0,8 Zeer Goede Ecologische Toestand Goede Ecologische Toestand (GET) 1 0,8 Goed Ecologisch Potentieel (GEP) 0,6 0,6 Matig Matig 0,4 0,4 Ontoereikend Ontoereikend 0,2 0,2 Slecht Slecht 0 0 Natuurlijke maatlat Afgeleide maatlat Bij de Giessen is de grens van GEP op de afgeleide maatlat voor vis door het waterschap gesteld op 0,55 (ref. 7). Bij de overige deelmaatlatten is de grens van 0,6 voor GEP bij de visstand beoordeling gehandhaafd. In de resultaten worden de maatlatscores in tabelvorm en grafisch weergegeven. Hierbij wordt zowel in de tabel als in de grafiek de maximale scores (per deelmaatlat) op de maatlat als referentie weergegeven, dit is afhankelijk van het aantal deelmaatlatten in de maatlat. Daarnaast worden de afzonderlijke scores van de getoetste watergangen en het waterlichaam weergegeven. Blz. 14 van 92 Kenmerk: /001, definitief, juni 2011

15 Het onderstaande tekstkader behandelt de opbouw van de maatlatten voor de onderzochte watertypen. Het toetsingstype voor de waterlichamen wordt in tabel 2.1 weergegeven. Opbouw maatlatten voor sloten en kanalen Voor een uitgebreide beschrijving van de maatlatten en een indeling van gilden voor de vissoorten wordt verwezen naar ref. 1 en 2. De klassengrenzen voor de berekening van de score staan vermeld in bijlage 4. M1a (Gebufferde sloten op minerale bodem), M3 (Gebufferde regionale- kanalen), M6a (Grote ondiepe kanalen), M10 (Laagveen vaarten en kanalen) Voor het beoordelen van de visstand in sloten van het type M1 worden onderstaande deelmaatlatten gebruikt: - Aandeel brasem en karper (%) - Aandeel plantminnende vis (%) - Aantal soorten plantminnende en migrerende vissen M11 Kleine ondiepe gebufferde plassen Voor het beoordelen van de visstand in natuurlijke wateren van het type M11 worden onderstaande deelmaatlatten gebruikt: - Aantal soorten. - Brasem; het biomassa-aandeel (%) brasem. - Baars + Blankvoorn; het biomassa-aandeel (%) van baars en blankvoorn ten opzichte van alle eurytopen. - Plantminnende vis; het biomassa-aandeel (%) van plantminnende soorten. Zuurstoftolerante vis (vissen die bestand zijn tegen sterke schommelingen in het zuurstofgehalte); het biomassa-aandeel (%) van zuurstoftolerante soorten. Het waterschap heeft aangegeven dat een tweeledige toetsing gewenst is. Ten eerste de toetsing van het gemiddelde visbestand van het waterlichaam op basis van het meest voorkomende, door het waterschap aangeleverde KRW type. Daarnaast een toetsing van de visstand in de onderzochte watergangen op basis van de eigen KRW-typering. Hierbij moet opgemerkt worden dat de maatlatten in eerste instantie zijn ontwikkeld voor toetsingen op waterlichaam-niveau, voor knelpuntenanalyse in watergangen of losse punten zijn ze minder geschikt. In de onderstaande tabel wordt per KRW-type de watergangen weergegeven. Voor de toetsing aan de natuurlijke maatlatten is gebruik gemaakt van het programma QBWat (ref. 6) Tabel 2.2. Toetsingstype watergangen toetsingstype KRW_type deelgebied KRW-code waterlichaam watergang M1a NL09_08 Sloten Hedel/Ammerzoden, Drielsche wetering/sloten Kerkdriel, Weteringen zuid Zaltbommel Gebufferde sloten op minerale bodem NL09_10 Peerenboomsche Gat, Sloten Dussen NL09_11 Prijsche wetering/nieuwe wetering, Sloten De Regulieren/Molenkampen NL09_12 Sloten zuid Beneden-Leeuwen, Blauwe wetering, Sloten zuid Druten, Deetsche Leigraaf/Hoekgraaf NL09_17 Ooijsche wetering, Sloten zuid Ommeren, Sloten zuid Lienden NL09_18 Sloot Kampse straat, Stadswater Arnhem/Zuidelijke Laarsche Pijp, Bemmelsche Zeeg, Sloten A15/Rietgraaf NL09_24 Hooglandsche wetering NL09_25 Sloten Tiel, Sloten Geldermalsen NL09_25 Sloten Geldermalsen NL09_29 Schelluinse vliet NL09_21 Sloten Bloemers NL09_23 Niftriksche wetering, Weteringen oost van Wijchense meer, Balgoysche wetering/zeedijksche Leijgraaf M3 NL09_08 Hoofdwetering Gebufferde regionale- kanalen NL09_10 Noorder Afwateringskanaal/Oude Maasje, Weteringen Meeuwen/Babyloniënbroek, Weteringen Eethen NL09_11 Nieuwe Graaf/Bisschopsgraaf NL09_12 Grote wetering/rijksche wetering/broeksche Leigraaf, Reefwetering NL09_14 Weteringen oost Arkel, Middelwetering/Achterwetering/Kortenhoevensche wetering, Nederboeicopper weterin NL09_20 Oude Rijn NL09_24 Korne NL09_25 Mauriksche wetering/leewetering, Sloten Rijswijksche Veld NL09_29 Dwarsgang, Smoutjes vliet, Groote Vliet, Sloten oost Streefkerk NL09_11 Culemborgse Vliet M6a NL09_17 Linge Grote ondiepe kanalen NL09_18 Linge NL09_29 Groote- of Achterwaterschap, Ammersche Boezem/Kromme elleboog/peursumsche Vliet M10 NL09_05 Giessen * Laagveen vaarten en kanalen NL09_31 Zouweboezem M11 NL09_11 Het Wiel Kleine ondiepe gebufferde plassen NL09_23 Wijchense Meer * Giessen aangepaste grens GEP (0,55), overige watergangen grens GEP 0,6. Kenmerk: /001, definitief,juni 2011 Blz. 15 van 92

16 3 RESULTATEN NL09_05 GIESSEN 3.1 Beschrijving Het waterlichaam bestaat alleen uit de watergang de Giessen. Het toetsingstype voor dit waterlichaam is M10. Het onderzochte gedeelte van de Giessen stroomt tussen Noordeloos en Giessendam en is circa 18,5 km lang met een gemiddelde breedte van circa 28 meter (de breedtes van de bovenstroomse en benedenstroomse trajecten ligt tussen de 8 en 45 meter). De gemiddelde diepte in het open water is 3 tot 3.5 meter. Bij de brede (<15 meter) trajecten. Bij het smallere traject (circa 8 m.) is een diepte van 1,5 meter gemeten. Het KRW-watertype is M10, voor de afgeleide maatlat is de GEP verlaagd naar 0,55 MEP. De zegenvisserij in de Giessen is met een diepe zegen uitgevoerd. De oevers zijn hierbij vanuit een boot met en elektrovisaggregaat bevist. Het meest bovenstrooms gelegen smalle traject is alleen met een elektrovisaggregaat bevist. In het waterlichaam zijn in totaal 6 trajecten bevist. In de onderstaande figuur 3.1 wordt een impressie van het waterlichaam gegeven. Figuur 3.1. Impressie Giessen Locatie 1 Locatie 4 Locatie 5 Locatie Bestandschatting In de tabellen 3.1 en 3.2 worden de bestandschattingen van de visstand in kilogram en aantal per hectare in de Giessen weergegeven. Na de tabellen worden de bijzonderheden korte besproken. Voor de KRW toetsing is er geen onderscheid in deelgebieden gemaakt. Blz. 16 van 92 Kenmerk: /001, definitief, juni 2011

17 Tabel 3.1. Bestandschatting in kg/ha in de Giessen in Gilde Vissoort Totaal 0+ > >40 Eurytoop Aal/Paling 5, ,7 Baars 10,8 2,8 5,5 0,7 1,8 - Blankvoorn 13,7 0,2 7,2 6,4 - - Brasem 131,4 3,5 8,0 44,0 33,4 42,5 Driedoornige stekelbaars 0,0 0, Hybride 1,1-1,0 0,1 - - Kleine modderkruiper 0,1-0, Kolblei 3,7 0,0 2,4 1,4 - - Pos 0,1-0, Snoekbaars 3,9 0,1-0,2-3,6 Limnofiel Bittervoorn 0,0-0, Rietvoorn/Ruisvoorn 1,9 0,0 1,0 0,8 - - Vetje 0,0 0,0 0, Zeelt 18,7-0,0-4,8 13,8 Rheofiel Riviergrondel 0,0-0, Winde 0,1 0,0 0,1 0,0 - - Exoot Roofblei 6,6 0,0 0,0 0,0 0,4 6,2 Subtotaal 197,8 6,6 25,4 53,6 40,4 71,8 ecologische indeling voor snoek Totaal >54 Eurytoop Snoek 35,7-0,2 2,1 8,4 24,9 Totaal 233,5 0,0 = <0,05 kg/ha; - = niet aangetroffen Tabel 3.2. Bestandschatting in aantal/ha in de Giessen in Gilde Vissoort Totaal 0+ > >40 Eurytoop Aal/Paling Baars Blankvoorn Brasem Driedoornige stekelbaars Hybride Kleine modderkruiper Kolblei Pos Snoekbaars Limnofiel Bittervoorn Rietvoorn/Ruisvoorn Vetje Zeelt Rheofiel Riviergrondel Winde Exoot Roofblei Subtotaal ecologische indeling voor snoek Totaal >54 Eurytoop Snoek Totaal = <0,5 stuks/ha; - = niet aangetroffen Het visbestand in de Giessen wordt geraamd op 233,5 kg/ha en stuks per hectare. In de Giessen komen 17 vissoorten voor (excl. brasem x blankvoorn hybride). De biomassa wordt gedomineerd door de eurytope soorten (88%). De limnofiele soorten bepalen 9% van de biomassa. De roofblei (exoot) bepaald 3% van de biomassa. Kenmerk: /001, definitief,juni 2011 Blz. 17 van 92

18 De brasem is de meest dominante vissoort met 56% van de totale visbiomassa. Naast de brasem is de snoek met 15% van de biomassa de meest voorkomende vissoort. In aantallen zijn de eurytope vissoorten dominant met 98% van de aantallen. De overige 2% van de vissoorten worden bijna volledig bepaald door limnofiele soorten, het rheofiel en exotengilde bepalen samen <0.5% van de aantallen//hectare. Ook in de aantallen is de brasem de meest dominante vissoort met 53% van de totale aantallen vis. De baars is na de brasem de meest voorkomende vissoort met 29% van het totale aantal vissen. 3.3 Lengtesamenstelling In 7.1 van het bijlagenrapport worden de LF grafieken van gevangen vissen in de Giessen weergegeven. In de grafieken van de meest voorkomende vissoorten (baars, blankvoorn, brasem en ruisvoorn) zijn meerdere jaarklassen te onderscheiden. Bij de blankvoorn is met name de lengteklasse 9-12 cm (1-jarige vis) zeer sterk vertegenwoordigd t.o.v. de andere lengteklassen. Bij de kleine modderkruiper en kolblei is er niet of nauwelijks broed aangetroffen. Bij de snoekbaars en zeelt lijken er exemplaren te ontbreken, bij de snoekbaars de lengteklassen 25 tot 75 cm, bij de zeelt de lengteklassen tussen de 10 en 35 cm. Wel moet hierbij opgemerkt worden dat er van deze soorten in totaliteit weinig exemplaren zijn aangetroffen. Bij de kleinere vissoorten (bv. bittervoorn, pos etc.) groeien de lengte-/jaarklassen sterk in elkaar, dit is een beeld dat vaker bij deze soorten wordt waargenomen. 3.4 Beoordeling maatlatten In 7.2 van het bijlagenrapport wordt de gehele QBWat beoordeling van de visstand in de Giessen weergegeven. In de onderstaande tabel en grafiek worden de scores gecorrigeerd met de wegingsfactor op de verschillende deelmaatlatten voor vis en de eindbeoordeling ten opzichte van de referentiewaarde van dit watertype weergegeven. Na tabel 3.3 worden de knelpunten voor het visbestand kort beschreven. Tabel 3.3. Maatlatscores Giessen 1,00 SS plantminnend en migrerend AB brasem+karper AB plantminnend REFERENTIE MEP/GEP M10 Giessen Deelmaatlat M10 SS plantminnend en migrerend 0,33 0,33 AB brasem+karper 0,33 0,12 AB plantminnend 0,33 0,13 Totaal score 1,00 0,58 SS = aantal soorten; AB = abundantie score 0,80 0,60 0,40 0,20 0,00 Referentie MEP/GEP M10 Giessen De visstand in de Giessen voldoet niet aan de standaard MEP/GEP voor watertype M10. Voor de Giessen is echter een afgeleide maatlat opgesteld waarbij, voor de visstand, de grens voor GEP word gesteld op 0,55. Hieraan voldoet de visstand met een score van 0,58 wel. De laagst scorende parameters in de deelmaatlat is het hoge aandeel brasem en karper en het lage aandeel plantminnende soorten. De visstand, maar ook de aanwezige vegetatie wijzen erop dat dit een (zeer) voedselrijk water is, waarin enkele vis (of planten-) soorten die weinig specifieke eisen stellen aan de omgeving al snel gaan domineren. Blz. 18 van 92 Kenmerk: /001, definitief, juni 2011

19 3.5 Beschermde soorten en exoten In de Giessen worden twee soorten uit de Flora- en Fauna wet aangetroffen: bittervoorn en kleine modderkruiper. De bittervoorn staat tevens vermeld als kwetsbaar in de Rode Lijst. Daarnaast worden nog vetje (kwetsbaar) en winde (gevoelig) als Rode Lijst- soort aangetroffen. Naast deze beschermde soorten is de roofblei (exoot) aangetroffen. Kenmerk: /001, definitief,juni 2011 Blz. 19 van 92

20 4 RESULTATEN NL09_08 KANALEN BOMMELERWAARD-OOST 4.1 Beschrijving In dit waterlichaam met als toetsingstype M3 zijn de volgende watergangen onderzocht; Hoofdwetering (M3) en sloten Hedel/Ammerzoden, Drielsche wetering/sloten Kerkdriel, Weteringen zuid Zaltbommel (allen M1a). De begrenzing van het gebied ligt tussen de plaatsen Zaltbommel, Ammerzoden en Kerkdiel. De totale lengte van de watergangen is circa 29 kilometer. De breedte van de watergangen varieert van 3 tot 18 meter, de totale oppervlakte wordt berekend op circa 22 hectare. De gemiddelde diepte van de watergangen is 1 meter en varieert van 0,4 m in de kleiner sloten tot ruim 1,5 meter in de Hoofdwetering. In het gehele waterlichaam zijn 10 trajecten bevist, waarvan 2 trajecten met een combinatie van zegen en elektrovisapparaat en 8 trajecten met alleen een elektrovisapparaat. In figuur 4.1 wordt een impressie van de bemonsterde locaties gegeven. Figuur 4.1. Impressie kanalen Bommelerwaard-oost Locatie 2 Locatie 4 Locatie 6 Locatie Bestandschatting In de tabellen 4.1 en 4.2 worden de bestandschattingen in kilogram en aantallen per hectare per vissoort weergegeven. In de tabellen worden de schattingen per watergang en een schatting van het waterlichaam gegeven. Voor de uitgewerkte bestandschattingen van het waterlichaam en de verschillende watergangen wordt verwezen naar 8.2 in het bijlagenrapport. Blz. 20 van 92 Kenmerk: /001, definitief, juni 2011

21 Tabel 4.1. Bestandschatting (watergang en gemiddeld) in kg/ha in het waterlichaam kanalen Bommelerwaard-oost In Hoofdwetering Sloten Hedel- Ammerzoden Drielsche weteringsloten Kerkdriel Weteringen zuid Zaltbommel Gew. gem. kanalen Bommelerwaard oost Gilde Vissoort Eurytoop Aal/Paling - - 3,3 6,6 2,3 Alver - 2, ,3 Baars 2,6 3,5 6,4 4,3 4,1 Blankvoorn 26,9 52,1 14,6 55,8 33,5 Brasem 217,5 53,1 0,1 416,9 185,0 Driedoornige stekelbaars 0,1 0,1 0,1 0,0 0,1 Hybride - 0, ,1 Karper 66,5 86,9-139,1 68,5 Kleine modderkruiper 0,1 0,3 0,3 0,2 0,2 Kolblei 0,1 2, ,4 Pos 0,4-0,1-0,2 Snoek 8,4 84,9 6,7-16,4 Snoekbaars 2,7 0, ,1 Limnofiel Bittervoorn 0,5 0,0 0,0-0,2 Rietvoorn/Ruisvoorn 2,9 2,3 1,0-1,7 Vetje - 0, ,0 Zeelt 3,1 4,6 8,1 15,4 7,2 Rheofiel Winde 0,6 64,1 0,3 2,6 9,4 Exoot Roofblei 5, ,2 Totaal 337,9 357,3 41,0 640,9 332,9 0,0 = <0,05 kg/ha; - = niet aangetroffen De gemiddelde biomassa in het waterlichaam wordt berekend op 333 kg/ha. De visbiomassa van vrijwel alle individuele watergangen is ook hoog (>300 kg/ha). Uitzondering hierbij is de visbiomassa in de kleinere watergangen bij Kerkdriel waar het visbestand op circa 41 kg/ha wordt geraamd. In de watergangen domineren de eurytope soorten de visbiomassa. Het bestand aan eurytope soorten varieert van 77% in de Drielsche weteringen/sloten Kerkdriel tot 97% in de weteringen ten zuiden van Zaltbommel. De limnofiele vissoorten bepalen circa 3% van de biomassa in het gehele waterlichaam. Het hoogste limnofiele bestand wordt aangetroffen in de Drielsche wetering/sloten Kerkdriel (22%) de overige watergangen hebben een limnofiel bestand van circa 2%. Het aangetroffen rheofiele visbestand bestaat volledig uit winde, in de watergang bij Hedel (en in mindere mate Ammerzoden) zijn van deze vissoort een groot aantal exemplaren gevangen waarmee in deze watergang het bestand op circa 18% van de totale biomassa berekend wordt. Dominante vissoort in het waterlichaam is de brasem, met 56 % van de biomassa. In de afzonderlijke watergangen Hoofdwetering en weteringen Zaltbommel bestaat het bestand voor ruim 60% uit brasem. In de watergangen bij Hedel en Ammerzoden zijn de dominante soorten karper en snoek (beide 24% van de totale biomassa) in de watergangen Drielsche wetering/sloten Kerkdriel is de meest voorkomende vissoort blankvoorn (36% van de biomassa) Kenmerk: /001, definitief,juni 2011 Blz. 21 van 92

22 Tabel 4.2. Bestandschatting (watergang en gemiddeld) in aantal/ha in het waterlichaam kanalen Bommelerwaard-oost in Hoofdwetering Sloten Hedel- Ammerzoden Drielsche weteringsloten Kerkdriel Weteringen zuid Zaltbommel Gew. gem. kanalen Bommelerwaard oost Gilde Vissoort Eurytoop Aal/Paling Alver Baars Blankvoorn Brasem Driedoornige stekelbaars Hybride Karper Kleine modderkruiper Kolblei Pos Snoek Snoekbaars Limnofiel Bittervoorn Rietvoorn/Ruisvoorn Vetje Zeelt Rheofiel Winde Exoot Roofblei Totaal Aantal soorten = <0,5 stuks/ha; - = niet aangetroffen Het visbestand (in aantallen/hectare) in het gehele waterlichaam wordt geraamd op 5283 stuks per hectare. De bestanden per watergang variëren van ruim (sloten Hedel Ammerzoden) tot bijna stuks per hectare (Hoofdwetering). Het aantal gevangen vissoorten in het waterlichaam is 19 (excl. hybride). In de afzonderlijke watergangen worden 12 tot 19 vissoorten gevangen. De soortenrijkdom in het waterlichaam is daarmee ook relatief hoog. In het gehele waterlichaam en in alle watergangen domineren de eurytope soorten het visbestand (75% tot 84%) van de gevangen vissen behoren tot dit gilde. De limnofiele soorten bepalen 18% van het visbestand in het waterlichaam. In de afzonderlijke watergangen wordt dit bestand aan limnofiele soorten geraamd tussen 0 en 25% van het totale visbestand. De winde (rheofiel) en roofblei (exoot) bepalen tussen de 0 en 2% van de visbestanden in de watergangen, in het waterlichaam bepalen deze twee soorten samen < 1% van het totale aantalsbestand. In het aantalsbestand is de blankvoorn (53%)in het waterlichaam en 3 watergangen de meest voorkomende soort (49-55%). Alleen in de watergang Drielsche wetering/sloten Kerkdriel is de baars met 31% de meest voorkomende soort. Blz. 22 van 92 Kenmerk: /001, definitief, juni 2011

23 4.3 Lengtesamenstelling In 8.1 wordt de lengtesamenstelling van de aangetroffen vissoorten per waterlichaam weergegeven. Hieronder worden kort enkele LF grafieken besproken. De LF grafieken van baars, blankvoorn, ruisvoorn en zeelt vertonen een evenwichtige populatieopbouw. Al zijn er bij de baars nauwelijks grote exemplaren (>20 cm) aangetroffen. Bij de brasem, ontbreken de lengteklassen cm. Dit kan door verschillende oorzaken komen, te denken valt aan gunstige vs. ongunstige paai- en/of recrutering omstandigheden, selectieve predatie. Ook bij de karper, kolblei, roofblei snoekbaars en winde lijken er één of meerdere lengte-/jaarklassen te ontbreken. Echter hier zijn slechts enkele individuen gevangen/aangetroffen waardoor de vangkans voor de gehele lengterange laag is. 4.4 Beoordeling maatlatten In de onderstaande tabel en grafiek wordt de maatlatscore van de afzonderlijke watergangen en het waterlichaam ten opzichte van de referentiewaarde weergeven. Hierbij moet opgemerkt worden dat de klassegrenzen in de deelmaatlatten voor vis bij KRW-type M3 en M6a hetzelfde zijn. De wateren die met M1a worden beoordeeld stellen andere/scherpere eisen ten opzichte van de aanwezig van brasem en karper en plantminnende soorten. In bijlage 4 worden de klassegrenzen van deze maatlatten weergegeven In 8.3 van het bijlagenrapport wordt de QBWat-analyse gepresenteerd. Na de tabel wordt de beoordeling kort besproken. Tabel 4.3. Maatlatscores kanalen Bommelerwaard- oost Referentie MEP/GEP M1a, M3 en M6a Hoofdwetering Sloten Hedel- Ammerzoden Drielsche weteringsloten Kerkdriel Weteringen zuid Zaltbommel Gew. gem. kanalen Bommelerwaard oost Deelmaatlat M6a M1a M1a M1a M3 SS plantminnend en migrerend 0,33 0,20 0,33 0,33 0,13 0,33 AB brasem+karper 0,33 0,07 0,16 0,33 0,04 0,10 AB plantminnend 0,33 0,06 0,14 0,17 0,02 0,08 Totaal score 1,00 0,33 0,63 0,84 0,19 0,51 SS = aantal soorten; AB = abundantie Kenmerk: /001, definitief,juni 2011 Blz. 23 van 92

24 Het waterlichaam wordt met een score van 0,51 als matig beoordeeld op de deelmaatlat voor vis bij watertype M3. Bij de afzonderlijke watergangen voldoen de sloten Hedel/Ammerzoden en de Drielsche wetering/sloten Kerkdriel wel aan het GEP voor watertype M1a, de scores zijn respectievelijk 0,63 en 0,84. De scores van de Hoofdwetering (0,33) en weteringen Zuid Zaltbommel (0,19) geven een beoordeling van ontoereikend tot slecht. Vooral de sterke dominantie van brasem (en in mindere mate karper) in beide watergangen is hier debet aan. 4.5 Beschermde soorten en exoten In het waterlichaam worden kleine modderkruiper, bittervoorn, vetje en winde aangetroffen als soorten met een specifieke status. De kleine modderkruiper (tabel 2) en bittervoorn (tabel3) staan in de Floraen Fauna wet vermeld. Het vetje en de winde zijn in de Rode lijst als respectievelijk kwetsbaar en gevoelig opgenomen. De kleine modderkruiper en winde komen in het gehele gebied voor. De bittervoorn komt in vrijwel het gehele gebied voor (uitgezonderd weteringen zuid- Zaltbommel). Het vetje is alleen in de watergangen bij Hedel en Ammerzoden aangetroffen. Naast de soorten met een specifieke beschermingsstatus wordt er ook roofblei (exoot)aangetroffen. De verspreiding van deze soort is beperkt tot de Hoofdwetering. Blz. 24 van 92 Kenmerk: /001, definitief, juni 2011

25 5 RESULTATEN NL09_10 KANALEN LAND VAN HEUSDEN EN ALTENA 5.1 Beschrijving In dit waterlichaam is vanwege zijn grote lengte conform het Handboek Hydrobiologie (ref. 4) opgedeeld in een kerngebied van 50% van de totale lengte. Voor dit onderzoek is het zuidelijke gedeelte van het waterlichaam bemonsterd. Het onderzoeksgebied wordt aan de westzijde begrensd door de A27, aan de zuidzijde door de Bergsche Maas, aan de oostzijde is de N267. De grens van het gebied en aan de noordzijde de denkbeeldige lijn Genderen- Babyloniënbroek. Het onderzoeksgebied heeft een lengte van circa 37 kilometer. De gemiddelde breedte van de watergangen is circa 12,5 meter, de breedtes variëren per watergang van 4 tot 34 meter. De totale oppervlakte van het onderzoeksgebied wordt berekend op circa 51 hectare. Het meest voorkomende KRW watertype is M3 In het gebied zijn drie watergangen met KRW-type M3 bevist: Noorder Afwateringskanaal, weteringen Meeuwen/ Babeloniënbroek, weteringen Eethen (allen M3) en twee de watergangen met KRW-type M1a het Peerenboomse Gat en sloten Dussen. In het gebied zijn in totaal 13 locaties bevist, waarvan 7 met een combinatie van zegen en elektrovisapparaat en 6 met alleen een (draagbaar) elektrovisapparaat. In de onderstaande figuur wordt een impressie van de watergangen in het gebied gegeven. Figuur 5.1. Impressie watergangen kanalen Heusden en Altena Locatie 6 Locatie 9 Locatie 10 Locatie 12 Kenmerk: /001, definitief,juni 2011 Blz. 25 van 92

26 5.2 Bestandschatting In de onderstaande tabellen 5.1 en 5.2 worden de geraamde totaalbestanden in biomassa en aantallen per hectare in de verschillende watergangen en het waterlichaam weergegeven. De volledige bestandschattingen worden in 9.2 van het bijlagenrapport weergegeven. Na de tabellen worden de ramingen kort besproken. Tabel 5.1. Bestandschatting in kg/ha in watergangen kanalen Heusden en Altena in Noorder Afwateringskanaal- Oude Maasje Peerenboomsche Gat Sloten Dussen Weteringen Meeuwen- Babyloniënbroek Weteringen Eethen Gew. gem. kanalen Land van Heusden&Altena Gilde Vissoort Eurytoop Aal/Paling 6, ,0 5,0 Alver ,1-0,0 Baars 4,8 3,8 5,7 7,7 7,6 5,9 Blankvoorn 7,7 4,3 2,1 87,0 86,9 39,1 Brasem 34, ,6 85,7 62,6 Driedoornige stekelbaars 0,0-0,0 0,1 0,0 0,0 Hybride 0, ,8 1,8 0,6 Karper ,5 3,5 Kleine modderkruiper 0,2 0,2 0,2 0,5 0,0 0,2 Kolblei 0, ,9 2,5 2,3 Pos 4, ,0 1,3 2,9 Snoek 19,8 9,3 52,7 41,2 3,1 18,8 Snoekbaars 0, ,2 1,2 0,5 Limnofiel Bittervoorn 1,0-0,0 7,7 0,4 1,6 Rietvoorn/Ruisvoorn 8,2 0,1 8,5 1,9 1,3 5,0 Tiendoornige stekelbaars 0,0-0,0-0,0 0,0 Vetje 9,7-0,1 0,2 0,2 4,8 Zeelt 5,7 1,0 10,8 9,7 1,1 4,8 Rheofiel Riviergrondel 0,1-0,2 0,2 0,5 0,2 Winde 11,1 0, ,0 5,7 Exoot Roofblei 0, ,0-0,0 Totaal 114,8 18,8 80,3 346,8 213,1 163,5 0,0 = <0,05 kg/ha; - = niet aangetroffen De visbiomassa in het waterlichaam wordt geraamd op 163,5 kg/ha. In de afzonderlijke watergangen wordt het visbestand geraamd tussen de 18,8 kg/ha (Peerenboomse gat) en kg/ha (weteringen Meeuwen en Babyloniënbroek). De visbestanden in de smallere watergangen zijn veel lager dan de watergangen in de bredere gedeeltes van het waterlichaam. Dit is echter een normaal verschijnsel. Het visbestand in het Noorder Afwateringskanaal/Oude Maasje (NAK) wordt berekend op bijna 115 kg/ha, dit is nauwelijks hoger dan de sloten bij Dussen, in de discussie wordt deze watergang kort besproken. De eurytope vissoorten komen het meest voor in het waterlichaam (86%) en watergangen (69-98%). In het waterlichaam wordt 10% van de biomassa bepaald door de limnofiele soorten, in de afzonderlijke watergangen is dit 1% tot 24%, waarbij in de smalste watergang (sloten Dussen) het hoogste limnofiele bestand aangetroffen wordt. De rheofiele vissoorten bepalen samen circa 4% van de visbiomassa. Het hoogste rheofiel bestand wordt aangetroffen in de Noorder Afwateringskanaal waar in totaal circa 40 windes zijn aangetroffen. Blz. 26 van 92 Kenmerk: /001, definitief, juni 2011

27 In het waterlichaam en twee watergangen is brasem de meest voorkomende soort, in de twee smalste watergangen is snoek de dominante soort. Bij Eethen is blankvoorn de dominante soort, direct gevolgd door brasem. Bestandschatting in aantal/ha in watergangen kanalen Heusden en Altena in 2010 Gilde Vissoort Noorder Afwateringskanaal- Oude Maasje Peerenboomsche Gat Sloten Dussen Weteringen Meeuwen- Babyloniënbroek Weteringen Eethen Gew. gem. kanalen Land van Heusden&Altena Eurytoop Aal/Paling Alver Baars Blankvoorn Brasem Driedoornige stekelbaars Hybride Karper Kleine modderkruiper Kolblei Pos Snoek Snoekbaars Limnofiel Bittervoorn Rietvoorn/Ruisvoorn Tiendoornige stekelbaars Vetje Zeelt Rheofiel Riviergrondel Winde Exoot Roofblei Totaal Aantal soorten = <0,5 stuks/ha; - = niet aangetroffen Het aantal vissen in het waterlichaam wordt geraamd op bijna stuks per hectare. In de afzonderlijke watergangen lopen de ramingen uiteen van 950 (Peerenboomse Gat) tot stuks per hectare ((weteringen Meeuwen/ Babyloniënbroek). Het aantal aangetroffen vissoorten in het waterlichaam is 21. In het Peerenboomse gat is de diversiteit met slechts 7 vissoorten laag. In het Noorder afwateringskanaal en de weteringen Eethen is de soortenrijkdom met 18 vissoorten (excl. hybride) redelijk hoog. De visstand (aantal/ha) in het waterlichaam wordt in sterke mate bepaald door de eurytope soorten (65%). De afzonderlijke watergangen hebben een eurytoop bestand van 24% tot 96%. De limnofiele soorten bepalen 34% van het aantalsbestand, in de watergangen varieert het aandeel limnofiele soorten tussen de 2% en 71% van het totale aantal aangetroffen vissoorten. In het waterlichaam is het aantalsbestand aan rheofiele vissoorten circa 1%. In de afzonderlijke watergangen ligt het percentage tussen de 0% en 5%. Bij de exoten (roofblei) wordt er in zowel de afzonderlijke watergangen als in het waterlichaam een aantalsbestand van <0,5% berekend. Kenmerk: /001, definitief,juni 2011 Blz. 27 van 92

28 In het waterlichaam en twee watergangen is de brasem dominant (40-52%). In het Peerenboomse gat is de blankvoorn dominant (51%) in de sloten bij Dussen is de rietvoorn de meest voorkomende vissoort (48%) en in de weteringen Babyloniënbroek is de bittervoorn (34%) dominant aanwezig in het aantalsbestand. 5.3 Lengtesamenstelling De lengtefrequentieverdelingen van de aangetroffen vissoorten in het waterlichaam Land van Heusden en Altena worden gegeven in bijlage 9.1. Hieronder worden enkele opmerkelijke LFgrafieken kort besproken. Bij de baars, blankvoorn, riviergrondel, ruisvoorn, vetje en zeelt geven de gevangen vissen een goede evenwichtige populatieopbouw weer. Alle lengteklassen zijn in het waterlichaam aanwezig en staan in een goede verhouding tot elkaar. Bij de brasem is er veel broed aanwezig, zeker in verhouding tot de andere lengteklassen. Bij de kleinere vissoorten bittervoorn, drie- en tiendoornige stekelbaars en kleine modderkruiper groeien de lengteklassen sterk in elkaar. Bij de pos worden er veel exemplaren tot circa 6 cm aangetroffen (broed), de daarop volgende lengteklassen zijn nauwelijks gevangen. 5.4 Beoordeling maatlatten In bijlage 9.3 worden de volledige toetsingen van de wateren en het waterlichaam weergegeven. In de onderstaande tabel en grafiek worden in het kort de scores en de maatlatbeoordeling ten opzichte van de referentie weergegeven. (In bijlage 4 worden de klassegrenzen van de deelmaatlatten weergegeven) Na de tabel worden de beoordelingen kort besproken. Tabel 5.2. Maatlatscores kanalen Land van Heusden en Altena MEP/GEP M1a en M3 Noorder Afwateringskanaal- Oude Maasje Peerenboomsche Gat Sloten Dussen Weteringen Meeuwen- Babyloniënbroek Deelmaatlat M3 M1a M1a M3 M3 M3 SS plantminnend en migrerend 0,33 0,33 0,13 0,33 0,33 0,33 0,33 AB brasem+karper 0,33 0,33 0,33 0,33 0,18 0,20 0,24 AB plantminnend 0,33 0,28 0,23 0,33 0,15 0,04 0,16 Totaal score 1,00 0,95 0,70 1,00 0,66 0,57 0,74 SS = aantal soorten; AB = abundantie Weteringen Eethen Gew. gem. kanalen Land van Heusden&Altena Blz. 28 van 92 Kenmerk: /001, definitief, juni 2011

29 De visstand van het waterlichaam wordt met een score van 0.74 als GEP beoordeeld. De M1a watergangen worden met scores tussen de 0.70 en 1.00 ook als GEP beoordeeld, het gebied sloten Dussen behaald zelfs de maximale score. In de M3-type watergangen liggen de beoordelingen tussen 0.57 en De enige watergang die niet het GEP haalt is de watergang bij Eethen, Het (zeer) lage aandeel plantminnende soorten in de totale biomassa is de laagst scorende parameter. 5.5 Beschermde soorten en exoten In het waterlichaam worden vier vissoorten met een speciale status aangetroffen. De kleine modderkruiper en de bittervoorn worden vermeld in de Flora- en Fauna wet (tabel 2), het vetje (kwetsbaar) en de winde (gevoelig) staan vermeld op de Rode Lijst. De kleine modderkruiper wordt in het gehele gebied aangetroffen. De bittervoorn en het vetje worden in 80% van de onderzochte watergangen aangetroffen. De winde wordt in 60% van de onderzochte watergangen aangetroffen. In twee watergangen (NAK en wateringen Meeuwen/Bab.) is de roofblei gevangen. Dit is een exoot die de laatste jaren steeds meer verspreid over Nederland wordt aangetroffen. Kenmerk: /001, definitief,juni 2011 Blz. 29 van 92

30 6 RESULTATEN NL09_11 KANALEN LEK EN LINGE 6.1 Beschrijving De watergangen van dit waterlichaam liggen in het gebied dat begrensd wordt door de driehoek Leerdam- Culemborg- Geldermalsen. De watergangen in het gebied hebben een lengte van circa 34 kilometer en een totaaloppervlakte van 41 hectare. De gemiddelde breedte van de watergangen is 23 meter, de breedtes variëren per watergang tussen de 6 en 70 meter. De diepte in de watergangen is gemiddeld 1,1 meter. De dieptes in de smallere watergangen is circa 0,6 meter, de grootse waterdiepte (1,7 meter) werd gemeten in het Wiel. Het hoofdtype van dit waterlichaam is M3. In het waterlichaam zijn vijf watergangen bemonsterd. Twee watergangen met type M1a, namelijk de Prijsche/Nieuwe wetering en sloten Regulieren/Molenkampen. Eén watergang met M3 typering: Nieuwe graaf/bisschopsgraaf. De Culemborgse vliet heeft een M6a typering en het wiel heeft een M11 typering. In totaal zijn er in dit waterlichaam 11 locaties bevist, waarvan 4 met een alleen een elektrovisapparaat en 7 met de combinatie van zegen en elektrovisapparaat. In figuur 6.1 worden een impressie van het waterlichaam gegeven. Figuur 6.1. Impressie wateren Kanalen Lek en Linge Locatie 1 Locatie 3 Locatie 5 Locatie 10 Blz. 30 van 92 Kenmerk: /001, definitief, juni 2011

31 6.2 Bestandschatting In de onderstaande tabellen worden de ramingen van het totale visbestand per vissoort in de watergangen en het waterlichaam weergegeven. De volledige bestandschattingen worden in 10.2 gepresenteerd. Tabel 6.1. Bestandschatting in kg/ha in watergangen kanalen Lek en Linge in Culemborgse Vliet Het Wiel Prijsche- Nieuwe wetering Nieuwe- Bisschopsgraaf Sloten Regulieren- Molenkampen Gew. gem. kanalen Lek&Linge Gilde Vissoort Eurytoop Aal/Paling - 6,4 1, ,0 Alver ,3-0,2 Baars 2,4 5,2 8,3 12,0 4,8 8,3 Blankvoorn 18,6 6,6 50,5 45,7 55,7 36,8 Brasem 155,0 101,9 233,7 104,6 155,0 128,3 Driedoornige stekelbaars - - 0,1 0,0 0,1 0,0 Giebel - 3,4-2,4-1,7 Hybride - 0,8 0,2 1,6 0,8 1,0 Karper - 35,1 0,2 61,5 52,5 41,2 Kleine modderkruiper 0,9 0,3 0,6 0,6 0,2 0,6 Kolblei - 0,5 0,8 5,5 8,2 3,8 Pos 1,4 4,3 0,8 10,1 0,1 6,0 Snoek 1,2 17,4 18,0 29,8 9,1 20,0 Snoekbaars - 0,8 0,3 2,7 1,1 1,6 Limnofiel Bittervoorn 0,2 0,2 0,1 0,2 0,0 0,2 Rietvoorn/Ruisvoorn 0,7 2,3 2,8 4,2 3,3 3,1 Vetje 0,3 0,1 0,0 0,1 0,4 0,1 Zeelt 33,2 44,3 10,8 11,0 9,4 19,4 Rheofiel Bermpje ,0-0,0 Riviergrondel 1,7-1,6 0,1-0,5 Winde - - 3,2 0,2 0,7 0,4 Exoot Graskarper 88,8 230,8 66,3 18,9-62,8 Marmergrondel ,0-0,0 Roofblei 0,5 4,2 0,2 1,2-1,3 Totaal 304,9 464,6 399,8 312,7 301,4 338,3 Het gemiddelde visbestand in het waterlichaam wordt geraamd op 338,3 kg/ha. Ook de berekende bestanden in de afzonderlijke watergangen zijn met 300 tot ruim 460 kg/ha hoog. De biomassa van het visbestand wordt in het waterlichaam gedomineerd door de eurytope soorten (74%). In de afzonderlijke watergangen varieert het eurytope bestand van 39 tot 95 % van de visbiomassa. De limnofiele soorten bepalen circa 7% van de biomassa in het waterlichaam. In de watergangen ligt het aangetroffen aandeel tussen 3% en 11% van de totale biomassa. De rheofiele soorten hebben een geraamd visbestand van <0.5% in het gehele waterlichaam, in de afzonderlijke watergangen wordt het bestand tussen de 0 en 1% geraamd. Opvallend in dit waterlichaam is de vangst van de graskarper (exoot). Met vangst van enkele grote exemplaren van deze vissoort is ook direct het visbestand aan exotische vissoorten 19% in het waterlichaam en 0 tot 51% in de afzonderlijke watergangen. In het waterlichaam is de meest voorkomende vissoort brasem (38%) Kenmerk: /001, definitief,juni 2011 Blz. 31 van 92

32 Ook in vier van de vijf watergangen is dit de meest voorkomende vissoort (33% tot 58%). In het wiel is de berekende biomassa het hoogst bij de graskarper, deze exoot heeft een aandeel van 50% in de biomassa van het visbestand. Tabel 6.2. Bestandschatting in aantal/ha in watergangen Lek en Linge in 2010 Culemborgse Vliet Het Wiel Prijsche- Nieuwe wetering Nieuwe- Bisschopsgraaf Sloten Regulieren- Molenkampen Gew. gem. kanalen Lek&Linge Gilde Vissoort Eurytoop Aal/Paling Alver Baars Blankvoorn Brasem Driedoornige stekelbaars Giebel Hybride Karper Kleine modderkruiper Kolblei Pos Snoek Snoekbaars Limnofiel Bittervoorn Rietvoorn/Ruisvoorn Vetje Zeelt Rheofiel Bermpje Riviergrondel Winde Exoot Graskarper Marmergrondel Roofblei Totaal Aantal soorten = <0,5 stuks/ha; - = niet aangetroffen Het gemiddelde aantalsbestand in het waterlichaam wordt geraamd op bijna stuks/ha. In de afzonderlijke watergangen varieert het bestand tussen en stuks/hectare. In het waterlichaam zijn 23 vissoorten (excl. hybride) aangetroffen, wat aangemerkt kan worden als een soortenrijk visbestand. In de afzonderlijke watergangen worden er 12 tot 22 (excl. hybride) vissoorten aangetroffen, dit geeft een gemiddelde tot hoge soortenrijkdom in de afzonderlijke watergangen aan. Het aantalsbestand van het waterlichaam wordt net als de biomassa gedomineerd door de eurytope soorten (87%). Ook in de afzonderlijke watergangen is dit het dominante gilde met een aandeel van 54% tot 91% van het totale aantal vissoorten. Het limnofiele aandeel in het waterlichaam is circa 11% van het totale aantal gevangen vissen. De aandelen variëren per watergang van 8 tot 46% van het totale bestand. Het rheofiele en exotenbestand bevatten samen circa 2% van het visbestand in het waterlichaam. De meest voorkomende soort op basis van aantallen in het waterlichaam is brasem met een aandeel van 29%. In twee watergangen is de brasem ook het meest aanwezig (Culemborgse vliet en het Wiel met resp. 57% en 55%). In de Prijsche/Nieuw wetering is de blankvoorn (36%) het meest vertegenwoordigd. Blz. 32 van 92 Kenmerk: /001, definitief, juni 2011

33 In de Nieuwe-/Bisschopswetering is het aandeel baars (24%) het hoogst van de aangetroffen vissoorten. In de sloten Regulieren/Molenkampen is het aandeel vetje met 33% van de aantallen de meest gevangen vissoort. 6.3 Lengtesamenstelling In bijlage 10.1 worden de lengtefrequentieverdelingen (LF) van de gevangen vissoorten in het waterlichaam kanalen Lek en Linge weergegeven. In de onderstaande alinea s worden kort enkele bijzonderheden uit de LF-grafieken besproken. Bij de meest voorkomende vissoorten, zoals baars, blankvoorn, brasem, ruisvoorn etc. kan een duidelijk onderscheidt gemaakt worden tussen broed en meerjarige vis. Bij blankvoorn, kolblei, ruisvoorn en zeelt is er ook nog een goede recrutering van de één- en tweejarige vis in de grafieken te zien (lengtes tot 15 cm). De populatie lijkt hier evenwichtig te zijn opgebouwd. Ook bij de snoek worden vissen in allerlei lengteklassen aangetroffen. Bij de baars zijn geen grotere exemplaren (>20 cm) aangetroffen. Ook bij de kleinere vissoorten bittervoorn, pos, en riviergrondel en marmergrondel is een duidelijk onderscheid tussen de lengte-/of jaarklassen te maken. Ook hier lijkt een goede en evenwichtige populatie aanwezig te zijn. Bij de kleinere vissoorten drie-, tiendoornige stekelbaars en vetje is er een sterke overlap tussen de jaarklassen, dit wordt vaker in het onderzoeksgebied waargenomen. Bij de soorten karper, roofblei, snoekbaars en graskarper lijken er veel lengteklassen te ontbreken, bij de graskarper is dit te verklaren doordat deze zich hier niet voortplant. Bij de andere vissoorten kan hiervoor door de lage gevangen aantallen niet een eenduidige conclusie aan worden verbonden. Van de overige soorten zijn gevangen aantallen laag waardoor er geen uitspraak over te doen is. 6.4 Beoordeling maatlatten In 6.3 worden de scores en beoordeling op de deelmaatlatten vis weergegeven ten opzichte van de referenties. In 10.3 van het bijlagenrapport worden de volledige QBWat-analyses weergegeven. In bijlage 4 worden de klassegrenzen van de deelmaatlatten weergegeven. Na de tabel wordt de beoordeling kort besproken. Kenmerk: /001, definitief,juni 2011 Blz. 33 van 92

34 Tabel 6.3. Maatlatscores kanalen Lek en Linge MEP/GEP M1a, M3 en M6a MEP/GEP M11 Culemborgse Vliet Het Wiel Prijsche- Nieuwe wetering Nieuwe- Bisschopsgraaf Sloten Regulieren- Molenkampen Gew. gem. kanalen Lek&Linge Deelmaatlat M6a M11 M1a M3 M1a M3 SS plantminnend en migrerend 0,33 0,20 0,33 0,33 0,33 0,33 AB brasem+karper 0,33 0,18 0,11 0,17 0,08 0,18 AB plantminnend 0,33 0,11 0,05 0,14 0,05 0,12 SS totaal 0,20 0,20 AB brasem 0,20 0,09 AB baars+blankvoorn 0,20 0,03 AB plantminnend 0,20 0,06 AB zuurstoftolerant 0,20 0,12 Totaal score 1,00 1,00 0,49 0,49 0,50 0,64 0,47 0,64 SS = aantal soorten; AB = abundantie Het waterlichaam als geheel heeft een score van 0.64 en voldoet daarmee aan een GEP. De afzonderlijke lijnvormige watergangen worden getoetst aan de types M1a, M3 en M6a. Slechts één watergang (Nieuwe- Bisschopsgraaf) haalt hierbij een score van 0.64 en voldoet hiermee aan het GEP. De overige lijnvormige watergangen worden als matig beoordeeld ( ). Vooral het lage biomassa-aandeel plantminnende soorten, meestal in combinatie met een hoog aandeel brasem, is de laagst scorende parameter Het Wiel wordt getoetst aan maatlat M11, de visstand wordt met een score van 0.49 als matig op deze maatlat beoordeeld. Vooral het lage aandeel blankvoorn en baars en het lage aandeel plantminnende vissen, in combinatie met een hoog aandeel graskarper en brasem, zijn bepalend voor deze score. 6.5 Beschermde soorten en exoten In het waterlichaam komen de kleine modderkruiper en de bittervoorn (FF-wet, tabel 2 en 3) verspreid over alle watergangen voor. Het bermpje (FF-wet, tab2) komt in de Nieuwe-/Bisschopsgraaf voor. Ook het vetje (RL, kwetsbaar) komt in alle watergangen van het waterlichaam voor. De Winde (RL, gevoelig) komt in 60% van de watergangen voor. Naast de bovengenoemde soorten komen er ook nog drie exoten voor: de marmergrondel, graskarper en roofblei. De graskarper en roofblei komen met uitzondering van de sloten Regulieren/Molenkampen in het hele gebied voor. De verspreiding van de marmergrondel blijft vooralsnog beperkt tot de Nieuwe-/ Bisschopsgraaf. Blz. 34 van 92 Kenmerk: /001, definitief, juni 2011

35 7 RESULTATEN NL09_12 KANALEN QUARLES VAN UFFORD 7.1 Beschrijving Het waterlichaam wordt aan de west- noord- en zuidzijde begrensd door de grote rivieren de Waal en de Maas. Aan de oostzijde is de denkbeeldige lijn Winssen- Bergharen- Appeltern de begrenzing van het gebied. De totale lengte van de watergangen in het gebied is circa 40 kilometer, de totale oppervlakte van de watergangen is circa 40 hectare. De gemiddelde breedte van de watergangen is circa 9 meter (variërend 5 tot 20 meter), de diepte is gemiddeld 1 meter (variërend van 0,4 2,5 meter). Het waterlichaam heeft een KRW-typering van M3. In het gebied zijn zes watergangen onderscheiden: Twee watergangen met een M3 typering: Reefwetering en Grote wetering/rijksewetering/broeksche Leigraaf. Daarnaast zijn er vier watergangen met een M1a typering bevist: sloten (zuid) Beneden Leeuwen, sloten (zuid) Druten, Blauwe wetering. Deetse Leigraaf/Hoekgraaf. In het waterlichaam zijn 13 locaties bevist, 5 met een combinatie van zegen en elektrovisserij en 8 met alleen een elektrovisapparaat. In de onderstaande figuur wordt een impressie van het gebied in foto s weergegeven. Figuur 7.1. Impressie waterlichaam kanalen Quarles van Ufford Locatie 3 Locatie 4 Locatie 5 Locatie Bestandschatting In de tabellen7.1 en 7.2 worden de ramingen van het totale visbestand per vissoort in de watergangen en het waterlichaam weergegeven. De volledige bestandschattingen worden in bijlage 11.2 gepresenteerd. Kenmerk: /001, definitief,juni 2011 Blz. 35 van 92

36 Tabel 7.1. Bestandschatting in kg/ha in watergangen kanalen Quarles van Ufford in Grote-, Rijksche wetering Reefwetering Sloten zuid Beneden Leeuwen Blauwe wetering Sloten zuid Druten Broeksche Leijgraaf Deetsche Leigraaf- Hoekgraaf Gew. gem. kanalen Quarles van Ufford Gilde Vissoort Eurytoop Aal/Paling 2, , ,6 Alver 0,8 1,6 1, ,7 Baars 4,0 3,2 13,2 3,9 6,5 2,1 3,1 4,1 Blankvoorn 38,4 83,1 68,1 0,6 16,1 58,1 0,2 42,3 Brasem 50,9 55,1 0, ,9-35,8 Driedoornige stekelbaars 0,0 0,0 0,1 0,1-0,0 0,0 0,0 Hybride 0,1 0,8 1, ,2 Kleine modderkruiper 0,3 0,1 0,6 0,1 0,1 0,0-0,2 Kolblei 1,5-8, ,1-1,2 Pos 2,0-0, ,3-1,2 Snoek 18,8 16,2 64,6 6,2 48,9 2,9 6,4 18,0 Snoekbaars 2, ,6 Limnofiel Bittervoorn - - 0, ,0 Kroeskarper - 0, ,0 Rietvoorn/Ruisvoorn 2,2-0,3 5,5 0,2 0,0-1,8 Tiendoornige stekelbaars 0,0 0, ,0 Vetje ,0-0,0 Zeelt 1,8 7,4 18,2 4,2 19,5 0,4 8,5 3,9 Rheofiel Bermpje 0,2 0,6 0,3 0,0 0,1 0,0 0,0 0,2 Riviergrondel 0,1 0,0 0, ,6-0,2 Winde 0,0 19,0 0,9-1,2 2,1 0,2 2,6 Exoot Marmergrondel 0,0 0,0 0,0-0,0 0,0 0,0 0,0 Roofblei 0,3 0, ,2 Totaal 127,0 187,4 179,1 20,6 93,8 67,5 18,4 115,8 0,0 = <0,05 kg/ha; - = niet aangetroffen De gemiddelde biomassa van het visbestand in het waterlichaam wordt berekend op 115,8 kg/ha. In de afzonderlijke watergangen varieert het geraamde bestand van 18,4( Deetse Leigraaf-Hoekgraaf) tot 187,4 kg/ha (Reefwetering). Het gemiddelde visbestand in het waterlichaam wordt voor het grootste deel bepaald door de eurytope soorten (92%). In de afzonderlijke watergangen is het biomassa-aandeel van de eurytope soorten 53 tot 96% van de totale visbiomassa. Het limnofiele bestand heeft een aandeel van circa 5%, het rheofiele aandeel wordt op circa 3% geraamd en het aandeel exoten wordt geraamd op <0.5% van de biomassa. In de afzonderlijke watergangen varieert het limnofiel aandeel in de visbiomassa tussen de 1 en 47%. Het hoogste aandeel limnofiele soorten wordt aangetroffen in de Deetse Leigraaf en de Blauwe wetering. In de afzonderlijke watergangen wordt het bestand aan exoten ook niet boven 0,5% van de totale biomassa geraamd. Het biomassa-aandeel van de rheofiele soorten varieert van 0% in de Blauwe wetering tot 10% in de Reefwetering. De meest voorkomende vissoort (in biomassa) in het waterlichaam is blankvoorn Deze soort is ook in drie watergangen dominant. De snoek heeft in twee wateren het hoogste biomassa-aandeel. Brasem en zeelt hebben beide in één watergang het hoogste aandeel in de biomassa. Blz. 36 van 92 Kenmerk: /001, definitief, juni 2011

37 Tabel 7.2. Bestandschatting in aantal/ha in watergangen kanalen Quarles van Ufford in 2010 Grote-, Rijksche wetering Reefwetering Sloten zuid Beneden Leeuwen Blauwe wetering Sloten zuid Druten Broeksche Leijgraaf Deetsche Leigraaf- Hoekgraaf Gew. gem. kanalen Quarles van Ufford Gilde Vissoort Eurytoop Aal/Paling Alver Baars Blankvoorn Brasem Driedoornige stekelbaars Hybride Kleine modderkruiper Kolblei Pos Snoek Snoekbaars Limnofiel Bittervoorn Kroeskarper Rietvoorn/Ruisvoorn Tiendoornige stekelbaars Vetje Zeelt Rheofiel Bermpje Riviergrondel Winde Exoot Marmergrondel Roofblei Totaal Aantal soorten = <0,5 stuks/ha; - = niet aangetroffen Het aantal vissen in het waterlichaam wordt geraamd op stuks per hectare. De geraamde aantallen in de afzonderlijke watergangen loopt uiteen van 822 stuks/ha in de Blauwe wetering tot stuks/ha in de sloten ten zuiden van Beneden Leeuwen. In het gehele waterlichaam zijn 22 vissoorten (excl. hybride) gevangen. De vangst in de afzonderlijke watergangen ligt tussen de 8 en 19 vissoorten, het gebied als geheel heeft een soortenrijke visstand 7.3 Lengtesamenstelling In 11.1 van het bijlagenrapport zijn de LF- grafieken van de aangetroffen soorten in het waterlichaam weergegeven. Hieronder worden enkele grafieken kort besproken. Opvallend bij de brasem is de grote lengterange van het brasembroed (4-10cm), zeer waarschijnlijk is er een tweede paai geweest. De lengteklassen tussen 25 en 45 cm zijn niet aangetroffen Bij de veel voorkomende vissoorten (alver, baars, blankvoorn, brasem, kolblei, ruisvoorn en zeelt is er een duidelijk onderscheid tussen het broed en de meerjarige vissen te maken. Bij de blankvoorn groeien de meerjarige lengteklassen in elkaar. Bij de kroeskarper is het opvallend dat er wel broed wordt aangetroffen, maar geen grotere exemplaren. Bij de kleinere vissoorten; driedoornige stekelbaars, marmergrondel en pos worden meerdere jaarklassen gevangen. Waar precies de grens ligt tussen de jaarklassen is bij deze vissoorten niet goed in te schatten. Kenmerk: /001, definitief,juni 2011 Blz. 37 van 92

38 Bij de snoek zijn er tot 30 cm waarschijnlijk meerdere jaarklassen te onderscheiden, hoe de grenzen tussen de jaarklassen exact getrokken moet worden is niet eenduidig, allereerst is er een grens tussen de planktivore en piscivore 0+ vissen, daarnaast moet onderscheid gemaakt worden tussen 0+ en éénjarige exemplaren. Bij de snoekbaars zijn exemplaren tussen 20 en 80 cm niet aangetroffen. Bij de zeelt zijn de één/tweejarige vissen (8-15 cm) goed vertegenwoordigd, ook in de opvolgende lengteklassen tot 30 cm worden een redelijk aantal exemplaren aangetroffen. Duidelijk mag zijn dat de vispopulatie niet overal evenwichtig is opgebouwd, dit komt wel vaker voor in kleinere kanalen en watergangen. 7.4 Beoordeling maatlatten In bijlage 11.3 worden de QBWat- beoordelingen van het waterlichaam en de watergangen weergegeven. De klassegrenzen van de deelmaatlatten worden weergegeven in bijlage 4. In de onderstaande tabel worden de deelmaatlatscores van de referentie en bemonsterde watergangen gepresenteerd. Na de tabel worden de scores kort beschreven. Tabel 7.3. Maatlatscores kanalen Quarles van Ufford MEP/GEP M1a en M3 Grote-, Rijksche wetering Deelmaatlat M3 M3 M1a M1a M1a M1a M1a M3 SS plantminnend en migrerend 0,33 0,33 0,20 0,20 0,17 0,17 0,20 0,10 0,33 AB brasem+karper 0,33 0,24 0,33 0,33 0,33 0,33 0,33 0,33 0,32 AB plantminnend 0,33 0,15 0,12 0,19 0,32 0,30 0,03 0,33 0,16 Totaal score 1,00 0,72 0,65 0,73 0,82 0,80 0,57 0,77 0,82 SS = aantal soorten; AB = abundantie Reefwetering Sloten zuid Beneden Leeuwen Blauwe wetering Sloten zuid Druten Broeksche Leijgraaf Deetsche Leigraaf- Hoekgraaf Gew. gem. kanalen Quarles van Ufford 1,00 SS plantminnend en migrerend AB brasem+karper AB plantminnend 0,80 0,60 score 0,40 0,20 0,00 MEP/GEP M1a en M3 Grote-, Rijksche wetering M3 Reefwetering M3 Sloten zuid Beneden Leeuwen M1a Blauwe wetering M1a Sloten zuid Druten M1a Broeksche Leijgraaf M1a Deetsche Leigraaf- Hoekgraaf M1a Gew. gem. kanalen Quarles van Ufford M3 De visstand in het waterlichaam behaald een score van 0.82 op de M3 maatlat en voldoet daarmee ruimschoots aan GEP. Ook de twee grootste watergangen (Reefwetering en Grote- Rijkswetering) voldoen aan GEP voor watertype M3 (scores 0.65 en 0.72). De kleinere watergangen in het gebied zijn getoetst aan watertype M1a. Hierbij voldoen drie van de 4 watergangen ruimschoots aan het GEP (scores ). Alleen de Broeksche Leigraaf voldoet (net) niet aan het streefbeeld. Het lage aantal plantminnende soorten in de watergang is hier de laagst scorende parameter. Blz. 38 van 92 Kenmerk: /001, definitief, juni 2011

39 7.5 Beschermde soorten en exoten In totaal zijn er 6 soorten met een specifieke bescherming opgenomen. In het waterlichaam worden 3 soorten uit de Flora- en Faunawet aangetroffen. De kleine modderkruiper en bermpje staan vermeld in tabel 2, de bittervoorn staat vermeld in tabel 3. Daarnaast staat de bittervoorn ook vermeld op de Rode Lijst, als kwetsbaar. Ook de kroeskarper en vetje staan op de rode Lijst vermeld als kwetsbaar, de winde is als gevoelig in de Rode lijst opgenomen. De marmergrondel en roofblei zijn de aangetroffen exoten. Kenmerk: /001, definitief,juni 2011 Blz. 39 van 92

40 8 RESULTATEN NL09_14 KANALEN VIJFHEERENLANDEN 8.1 Beschrijving Het waterlichaam ligt in het gebied van de gemeente Zederik en wordt begrensd door de denkbeeldige driehoek Meerkerk Lexmond Schoonrewoerd. De onderzochte watergangen in het gebied hebben een totaallengte van circa 16 km en een oppervlakte van circa 20 hectare. De gemiddelde breedte van het waterlichaam is 12,5 meter, de diepte is gemiddeld 1,4 meter. In het gebied zijn 4 watergangen onderscheiden die, net als het waterlichaam, de KRW-typering M3 krijgen, deze watergangen zijn: weteringen oost-arkel, Kortenhoevensche wetering, Middel- /Achterwetering, Nederboeicopper wetering. In het gebied zijn vijf trajecten met een combinatie van zegen en elektro visserij bemonsterd, daarnaast is één traject met alleen een elektrovisapparaat bevist. In de onderstaande figuur 8.1 wordt een impressie van de watergangen in het gebied gegeven. Figuur 8.1. Impressie watergangen kanalen Vijfheerenlanden Locatie 1 Locatie 2 Locatie 4 Locatie Bestandschatting In de tabellen 8.1 en 8.2 staan de bestandschattingen per watergang en een gemiddelde van het waterlichaam gegeven. De gehele bestandschattingen per lengteklasse en per watergang staan in 12.2 van het bijlagenrapport. Blz. 40 van 92 Kenmerk: /001, definitief, juni 2011

41 Tabel 8.1. Bestandschatting in kg/ha in watergangen kanalen Vijfherenlanden in Weteringen oost Arkel Middel-, Achter-, Kortenhoevensche wetering Nederboeicopperwetering Gew. gem. kanalen Vijfheerenlanden Gilde Vissoort Eurytoop Baars 7,5 7,0 7,2 7,2 Blankvoorn 23,1 11,4 53,6 28,7 Brasem 6,5 59,6 47,0 43,9 Driedoornige stekelbaars 0,0 0,3 0,0 0,1 Hybride 0,2 0,1 0,1 Karper 0,1 0,0 Kleine modderkruiper 4,7 1,0 0,9 1,7 Kolblei 0,5 0,8 0,1 0,5 Pos 1,2 0,1 0,9 0,6 Snoek 19,1 45,1 23,9 32,2 Snoekbaars 0,1 0,1 0,1 Limnofiel Bittervoorn 1,7 1,4 3,8 2,3 Rietvoorn/Ruisvoorn 2,8 2,8 15,2 7,2 Tiendoornige stekelbaars 0,0 0,0 0,0 0,0 Vetje 0,0 0,1 1,9 0,7 Zeelt 11,2 67,6 20,6 39,2 Totaal 78,5 197,4 175,3 164,5 0,0 = <0,05 kg/ha; - = niet aangetroffen Het gemiddelde bestand in het waterlichaam wordt berekend op 164,5 kg/ha. De bestanden variëren per watergang van 78.5 kg/ha weteringen Oost-Arkel tot bijna 200 kg/ha in de middel-/achter- /Kortenhoevensche wetering. In het waterlichaam worden slechts twee gilden aangetroffen het eurytope gilde ( 70%) en limnofiele gilde (30%). In de weteringen oost Arkel ligt de verhouding op circa 80% eurytoop en 20% limnofiel, in de middel-/achter-/kortenhoevensche wetering is de verhouding 64% eurytoop en 36% limnofiel en in de Nederboeicopper wetering ligt de verhouding op 76% eurytoop en 24% limnofiel. De meest voorkomende vissoort in het waterlichaam is brasem met 24%, gevolgd door zeelt (24%). Kenmerk: /001, definitief,juni 2011 Blz. 41 van 92

42 Tabel 8.2. Bestandschatting in aantal/ha in watergangen kanalen Vijfherenlanden in 2010 Weteringen oost Arkel Middel-, Achter-, Kortenhoevensche wetering Nederboeicopperwetering Gew. gem. kanalen Vijfheerenlanden Gilde Vissoort Eurytoop Baars Blankvoorn Brasem Driedoornige stekelbaars Hybride Karper 7 3 Kleine modderkruiper Kolblei Pos Snoek Snoekbaars Limnofiel Bittervoorn Rietvoorn/Ruisvoorn Tiendoornige stekelbaars Vetje Zeelt Totaal Aantal soorten = <0,5 stuks/ha; - = niet aangetroffen Het gemiddelde bestand in het waterlichaam wordt geraamd op ruim stuks per hectare. De bestanden variëren per watergang van 5920 stuks/ha tot stuks/ha. Het aantal aangetroffen vissoorten is 15 (excl. hybride).tien soorten (excl. hybride) behoren tot het eurytope gilde en vijf soorten behoren tot het limnofiele gilde. Vrijwel alle vissoorten worden in alle watergangen aangetroffen, uitzondering hierbij zijn de karper die op één locatie wordt aangetroffen en de hybride en de snoekbaars die op twee van de drie locaties wordt aangetroffen. Per watergang worden er 14 tot 15 vissoorten aangetroffen(excl. hybride). De verdeling over de twee gilden in het waterlichaam is iets verschoven t.o.v. de biomassa; het eurytope gilde bepaalt hier 40% van het totaalaantal en de limnofiele soorten bepalen 60% van het totale aantal vissen. In de afzonderlijke watergangen is de onderlinge verhouding vrijwel hetzelfde. De meest voorkomende soort in aantallen /ha in het waterlichaam is de bittervoorn (26%). In de afzonderlijke watergangen is het vetje in de Nederboeicopperwetering het meest aanwezig (34%). In de overige twee watergangen is de bittervoorn het meest aanwezig( 23% in de weteringen oost-arkel en 29% in de middel-/achter-/ Kortenhoevensche wetering). 8.3 Lengtesamenstelling In 12.1 van het bijlagenrapport zijn de LF-grafieken van het waterlichaam weergegeven. Hieronder worden de opvallende zaken kort besproken. Bij de baars, brasem, blankvoorn, ruisvoorn en zeelt is het broed goed van de meerjarige vis te onderscheiden. Wel opvallend is dat bij de brasem nauwelijks exemplaren van 25 tot 40 cm zijn aangetroffen, de grotere exemplaren zijn wel weer gevangen. Bij de baars, blankvoorn en ruisvoorn is er wel een onderscheid in de opvolgende jaarklassen te zien, maar de grotere exemplaren van deze soorten ontbreken. Ook bij de overige soorten, snoek en zeelt uitgezonderd zijn er geen exemplaren >25 cm aangetroffen. Blz. 42 van 92 Kenmerk: /001, definitief, juni 2011

43 Bij de kleinere vissoorten groeien de jaarklassen sterk in elkaar, een onderscheid tussen broed en meerjarige vis is dan ook moeilijk te maken. Bij de zeelt is er wel een duidelijk onderscheid in de opvolgende jaarklassen te zien, deze populatie is dan ook evenwichtig opgebouwd 8.4 Beoordeling maatlatten In de onderstaande tabel 8.3 worden de scores van de maatlatbeoordeling weergegeven. In 12.3 van het bijlagenrapport worden de QBWat-beoordelingen gegeven. In bijlage 4 worden de klassegrenzen van de verschillende deelmaatlatten weergegeven. Na de tabel en grafiek worden de beoordelingen kort besproken. Tabel 8.3. Maatlatbeoordeling kanalen Vijfheerenlanden MEP/GEP M3 Weteringen oost Arkel Middel-, Achter-, Kortenhoevensche wetering Nederboeicopperwetering Gew. gem. kanalen Vijfheerenlanden Deelmaatlat M3 M3 M3 M3 SS plantminnend en migrerend 0,33 0,33 0,33 0,33 0,33 AB brasem+karper 0,33 0,33 0,33 0,33 0,33 AB plantminnend 0,33 0,33 0,33 0,27 0,33 Totaal score 1,00 1,00 1,00 0,94 1,00 SS = aantal soorten; AB = abundantie 1,00 0,80 0,60 score 0,40 SS plantminnend en migrerend AB brasem+karper AB plantminnend 0,20 0,00 MEP/GEP M3 Weteringen oost Arkel M3 Middel-, Achter-, Kortenhoevensche wetering M3 Nederboeicopperwetering M3 Gew. gem. kanalen Vijfheerenlanden M3 Het waterlichaam kanalen Vijfheerenlanden scoort maximaal op de maatlat voor KRW-watertype M3. Ook de afzonderlijke watergangen scoren allen (bijna) MEP) ( ). In de watergangen is dus, ook met deze hoge visbestanden, op basis van de KRW- beoordeling geen knelpunt m.b.t. de visstand aan te wijzen. 8.5 Beschermde soorten en exoten In het waterlichaam zijn drie soorten met een specifieke status aangetroffen. De kleine modderkruiper, bittervoorn en vetje. De kleien modderkruiper en bittervoorn staan in de FF-wet vermeld in resp. tabel 2 en 3. De bittervoorn en het vetje staan beide ook als kwetsbaar in de Rode Lijst vermeld. Kenmerk: /001, definitief,juni 2011 Blz. 43 van 92

44 9 RESULTATEN NL09_17 LINGE EN KANALEN NEDERBETUWE 9.1 Beschrijving Het waterlichaam bestaat uit de Linge tussen Tiel (Amsterdam Rijn Kanaal) en Ophesen (Lingekanaal) en drie direct hieraan verbonden watergangen. Het meest voorkomende KRW watertype is M6a. De totale lengte van de watergangen is circa 27 kilometer, de gemiddelde breedte van het waterlichaam is circa 13,5 meter en de gemiddelde diepte is 1,8 meter. De typering van de afzonderlijke watergangen is M6a voor de Linge en M1a voor de aansluitende watergangen (Ooijen wetering, sloten Linden en sloten Omkeren). De Linge heeft een breedte variërend van circa 17 meter en een gemiddelde diepte van ruim 2 meter. De overige onderzochte watergangen hebben een breedte van 4 tot 7 meter en een diepte van circa 1 meter. In de Linge zijn zes trajecten met de zegen en elektrovisapparaat bevist. In de aanliggende watergangen is per watergang één traject met het elektrovisapparaat bevist. In totaal zijn er dus negen trajecten in dit waterlichaam bevist. In figuur 9.1 wordt een foto-impressie van het waterlichaam gegeven. Figuur 9.1. Impressie waterlichaam Linge en kanalen Neder Betuwe Locatie 2 Locatie 5 Locatie 6 Locatie Bestandschatting In bijlage 13.2 staan de volledige bestandschattingen per watergang en een gemiddeld bestand van het waterlichaam gepresenteerd. In de onderstaande tabellen worden de bestandschattingen in kilogrammen en aantallen per hectare per vissoort in de watergangen en het waterlichaam weergegeven. Blz. 44 van 92 Kenmerk: /001, definitief, juni 2011

45 Tabel 9.1. Bestandschatting in kg/ha in watergangen Linge en kanalen Neder Betuwe in Linge Ooijsche wetering Sloten zuid Ommeren Sloten zuid Lienden Gew. gem. Linge&kanale n Nederbetuwe Gilde Vissoort Eurytoop Aal/Paling 1,0 0,9 Alver 1,0 8,3 1,2 1,3 Baars 3,5 3,0 0,3 2,2 3,2 Blankvoorn 22,3 15,8 32,1 23,6 22,7 Brasem 41,9 89,6 1,2 40,3 Driedoornige stekelbaars 0,0 0,0 0,1 0,0 0,0 Hybride 0,0 0,0 Karper 8,0 6,9 Kleine modderkruiper 0,8 0,2 0,1 0,1 0,7 Kolblei 1,3 3,4 0,1 7,4 1,5 Pos 0,2 0,4 0,2 Snoek 5,0 12,4 28,3 14,8 7,2 Snoekbaars 0,2 0,2 Limnofiel Bittervoorn 2,8 0,0 2,5 1,1 2,6 Rietvoorn/Ruisvoorn 2,1 2,4 1,0 0,0 2,0 Tiendoornige stekelbaars 0,0 0,0 Vetje 0,0 0,6 0,0 Zeelt 1,7 1,7 2,2 1,7 Rheofiel Bermpje 0,1 0,1 0,1 Rivierdonderpad 0,0 0,0 Riviergrondel 0,1 0,1 0,1 0,8 0,2 Winde 4,1 6,7 5,0 3,8 4,3 Exoot Marmergrondel 0,0 0,0 0,0 0,0 Roofblei 1,8 2,6 2,2 1,7 Totaal 97,9 146,6 73,6 57,3 97,7 De visstand in dit waterlichaam wordt geraamd op 97,7 kg/ha. Het visbestand wordt bijna volledig bepaald door het visbestand in dit gedeelte van de Linge. (97,9 kg/ha). Bij de overige watergangen wordt het visbestand berekend tussen 57 en 147 kg/ha. Het visbestand in het waterlichaam bestaat voor 87% uit eurytope soorten, in de watergangen varieert het eurytope bestand tussen de 85% en 91%. Het limnofiele bestand omvat 6% van het visbestand in het waterlichaam, in de afzonderlijke watergangen is dit 2 tot 9%. In het waterlichaam wordt het rheofiele bestand geraamd op 5%, in de afzonderlijke watergangen varieert het bestand tussen de 4 en 8%. De exoten bepalen 2% van de visbiomassa in het waterlichaam, per watergang is dit 0 tot 4%. De meest voorkomende vissoort op basis van biomassa in het gehele waterlichaam is brasem (41%), In de Linge en de Ooijsche wetering tevens de brasem de meest voorkomende soort met (resp. 43% en 61%). In de sloten van Ommeren en Lienden is de blankvoorn het meest aanwezig (resp. 44 en 41%). Kenmerk: /001, definitief,juni 2011 Blz. 45 van 92

46 Tabel 9.2. Bestandschatting in aantal/ha in Linge en kanalen Nederbetuwe in 2010 Linge Ooijsche wetering Sloten zuid Ommeren Sloten zuid Lienden Gew. gem. Linge&kanale n Nederbetuwe Gilde Vissoort Eurytoop Aal/Paling 2 2 Alver Baars Blankvoorn Brasem Driedoornige stekelbaars Hybride 1 1 Karper 9 7 Kleine modderkruiper Kolblei Pos Snoek Snoekbaars 9 8 Limnofiel Bittervoorn Rietvoorn/Ruisvoorn Tiendoornige stekelbaars 10 9 Vetje Zeelt Rheofiel Bermpje Rivierdonderpad 3 3 Riviergrondel Winde Exoot Marmergrondel Roofblei Totaal Aantal soorten In het waterlichaam wordt het aantal vissen geraamd op stuks/ha. In de afzonderlijke watergangen wordt het vissenaantal berekend op tot stuks/hectare. Het aantal aangetroffen vissoorten in het waterlichaam is 24 (excl. hybride), dit is ook het aantal soorten in dit gedeelte van de Linge. In de kleinere watergangen ligt het aantal gevangen vissoorten met 13 tot 16 beduidend lager. Van het gevangen aantal soorten behoren er 12 tot het eurytope gilde (excl. hybride), vijf zijn limnofiele soorten, vier rheofiele vissoorten en twee exoten. Het aantalsaandeel van de vissen in het waterlichaam bestaat voor het grootste gedeelte (64%) uit limnofiele soorten In de afzonderlijke watergangen loopt dit aandeel uiteen van 6% in de Ooijsche wetering tot 70% in de sloten bij Ommeren. Het aandeel vissen van het eurytope gilde wordt berekend op 29% in het waterlichaam, in de watergangen varieert het aandeel van 27% in de Linge tot 84% in de Ooijsche wetering. Het rheofiele gilde omvat circa 4% van het visbestand in het waterlichaam, 1 tot 8% in de afzonderlijke watergangen. Het aandeel aan exoten in het waterlichaam wordt eveneens berekend op 4% in de afzonderlijke watergangen, 0% tot 4% in de afzonderlijke watergangen. De meest voorkomende vissoort (in aantallen) in het waterlichaam is de bittervoorn (60%), deze soort wordt ook in drie van de vier watergangen het talrijkst aangetroffen (40 tot 63%). In de Ooijsche wetering komt de alver het meeste voor (39%) Paling, hybride, karper, en tiendoornige stekelbaars worden alleen in de Linge aangetroffen. Tien vissoorten worden in alle watergangen aangetroffen. Blz. 46 van 92 Kenmerk: /001, definitief, juni 2011

47 9.3 Lengtesamenstelling In 13.1 van het bijlagenrapport staan de lengtefrequentiegrafieken van de gevangen vissoorten in dit waterlichaam gegeven. Hieronder worden enkele opvallende zaken uit de grafieken kort besproken Bij de meeste grotere vissoorten is er een duidelijk onderscheid tussen het broed en de meerjarige vissen te maken. Bij de alver, baars blankvoorn, brasem, kolblei, riviergrondel, ruisvoorn en zeelt zijn ook meerdere lengte-/ jaarklassen te onderscheiden. Bij de brasem en roofblei ontbreken tussenliggende lengteklassen, bij de snoekbaars worden er geen grote exemplaren aangetroffen Ook de kleinere vissoorten zoals bittervoorn en bermpje is er nog een onderscheid te maken tussen broed en meerjarige vissen, echter de lengtes van de oudere jaarklassen gaan elkaar overlappen. 9.4 Beoordeling maatlatten In 13.3 van het bijlagenrapport zijn de QBWat-beoordelingen van het waterlichaam en de afzonderlijke watergangen weergegeven. In de onderstaand e tabel 9.3 worden de scores op de deelmaatlatten gepresenteerd. In bijlage 4 staan de klassegrenzen van de deelmaatlatten weergegeven. Na de tabellen wordt de beoordeling kort besproken. Tabel 9.3. Maatlatbeoordeling Linge en kanalen Nederbetuwe MEP/GEP M1a en M6a Linge Ooijsche wetering Sloten zuid Ommeren Sloten zuid Lienden Gew. gem. Linge&kanalen Nederbetuwe Deelmaatlat M6a M1a M1a M1a M6a SS plantminnend en migrerend 0,33 0,33 0,20 0,33 0,17 0,33 AB brasem+karper 0,33 0,18 0,10 0,33 0,33 0,19 AB plantminnend 0,33 0,12 0,07 0,19 0,14 0,13 Totaal score 1,00 0,63 0,38 0,86 0,64 0,65 SS = aantal soorten; AB = abundantie 1,00 SS plantminnend en migrerend AB brasem+karper AB plantminnend 0,80 0,60 score 0,40 0,20 0,00 MEP/GEP M1a Linge Ooijsche Sloten zuid Sloten zuid Gew. gem. en M6a M6a wetering Ommeren Lienden Linge&kanalen M1a M1a M1a Nederbetuwe M6a Het visbestand in het waterlichaam wordt op basis van KRW-watertype M6a beoordeeld als GEP (score 0.65). Ook de Linge de hoofdwatergang in het gebied wordt met een score van 0.63 als GEP op de maatlat M6a beoordeeld. De aanliggende watergangen zijn met watertype M1a beoordeeld. De Ooijsche wetering wordt als ontoereikend beoordeeld. De sloten bij Ommeren en Lienden voldoen aan GEP. De laagst scorende parameter in de Ooijsche wetering is het lage aandeel plantminnende soorten in de watergang. In dit geval is dit mede afhankelijk van het hoge aandeel aan brasem in de watergang. Kenmerk: /001, definitief,juni 2011 Blz. 47 van 92

48 9.5 Beschermde soorten en exoten In het waterlichaam worden zes vissoorten met een speciale status aangetroffen. De kleine modderkruiper en het bermpje (tabel 2), bittervoorn en rivierdonderpad (tabel 3) staan vermeld in de Flora en Faunawet. De bittervoorn, het vetje (kwetsbaar) en de winde (gevoelig) staan vermeld op de Rode Lijst. In de watergangen zijn ook nog twee exoten aangetroffen, dit zijn de marmergrondel en de roofblei. Blz. 48 van 92 Kenmerk: /001, definitief, juni 2011

49 10 RESULTATEN NL09_18 LINGE EN KANALEN OVERBETUWE 10.1 Beschrijving Het waterlichaam is, net als waterlichaam NL09-10, opgedeeld in een kerngebied dat circa 50% van het waterlichaam omvat. De watergangen liggen in de gemeente Overbetuwe en Arnhem. De totale lengte van de watergangen in het kerngebied is ruim 47 kilometer lang. De gemiddelde breedte van de onderzochte wateren is circa 10 meter en de gemiddelde diepte is 1,2 meter. Het meest voorkomende watertype is M6a. In het waterlichaam zijn zeven deelgebieden/watergangen onderscheiden. Als eerste de Linge (M6a), daarnaast de watergangen Bemmelsche zeeg, sloot Kampse straat, sloten A15/ Rietgraaf, Stadswater Arnhem (2 deelgebieden) en zuidelijke Laarse pijp (allen KRW-type M1a). De Linge heeft een gemiddelde breedte van circa 16 meter en een diepte van ruim 2 meter. In dit gedeelte van de Linge zijn 4 trajecten met zegen en elektrovisserij bemonsterd. De overige watergangen hebben een gemiddelde breedte van 7 meter en diepte van circa 0,7 meter. In deze watergangen zijn twee locaties met een zegen en elektrovisapparaat bemonsterd en zeven trajecten met het elektrovisapparaat. In de onderstaande figuur 10.1 wordt door middel van een aantal foto s van de locaties een impressie van het waterlichaam gegeven. Figuur Impressie watergangen Linge en kanalen Overbetuwe Locatie 3 Locatie 5 Locatie 9 Locatie 10 Kenmerk: /001, definitief,juni 2011 Blz. 49 van 92

50 10.2 Bestandschatting In de onderstaande tabellen 10.1 en 10.2 staan de bestandschattingen van de vissoorten per watergang en het gemiddelde van het waterlichaam gepresenteerd. In 14.2 van het bijlagenrapport zijn de volledige bestandschattingen per watergang gepresenteerd. Tabel Bestandschatting (kg/ha) watergangen van Linge en kanalen Overbetuwe in Linge Sloot Kampse straat Stadswater Elden- Zuid Laarsche Pijp Bemmelsche Zeeg Sloten A15- Rietgraaf Gew. gem. Linge&kanalen Overbetuwe Gilde Vissoort Eurytoop Alver 0,3 0,1 Baars 2,1 0,0 7,2 1,4 0,2 3,3 Blankvoorn 18,2 65,6 26,2 4,8 31,3 Brasem 43,0 43,1 28,0 36,8 Driedoornige stekelbaars 0,1 0,0 0,0 0,1 0,0 0,1 Giebel 0,3 0,0 Hybride 2,1 3,9 2,2 Karper 2,1 2,5 0,3 0,3 1,2 Kleine modderkruiper 1,5 0,8 0,3 0,7 0,6 1,0 Kolblei 2,6 0,0 0,3 0,7 0,0 1,5 Pos 0,4 0,1 0,2 Snoek 7,9 16,7 4,5 10,7 10,4 Snoekbaars 0,6 0,3 Limnofiel Bittervoorn 5,0 0,4 1,8 1,8 3,2 3,5 Grote modderkruiper 0,5 0,0 Rietvoorn/Ruisvoorn 1,3 0,0 1,1 0,3 0,0 1,0 Tiendoornige stekelbaars 0,0 0,0 0,0 Vetje 0,0 4,4 0,0 1,3 Zeelt 2,9 0,7 13,3 0,3 11,1 6,6 Rheofiel Bermpje 0,1 0,5 0,1 0,1 Kopvoorn 1,8 0,9 Riviergrondel 0,4 0,0 1,7 0,1 0,3 Winde 12,4 1,7 4,6 6,7 7,8 Exoot Blauwband 0,0 0,2 0,0 Marmergrondel 0,0 0,0 6,9 0,0 0,0 0,0 Roofblei 9,7 0,0 7,0 Kesslersgrondel 0,3 0,1 Pontische stroomgrondel 0,0 0,0 Totaal 114,8 5,7 166,4 70,8 37,8 117,0 0,0 = <0,05 kg/ha; - = niet aangetroffen De visbiomassa in het waterlichaam wordt geraamd op 117 kg/ha en wordt grotendeels bepaald door de visbiomassa van de Linge (115 kg/ha). In de overige watergangen wordt het bestand berekend tussen 6 kg/ha (sloot Kampse straat) en 166 kg/ha (stadswateren Arnhem/zuid Laarse pijp). Het grootste gedeelte van de biomassa in het waterlichaam bestaat uit eurytope soorten 76%, dit varieert in de afzonderlijke watergangen tussen de 44% (a15/rietgraaf) en 87%(Bemmelsche zeeg) Het limnofiele bestand omvat 11% van de totale biomassa in het waterlichaam, in de watergangen is deze 3% (Bemm. zeeg) tot 38% (A15/Rietgraaf). Daarnaast bestaat het visbestand in het waterlichaam voor 8% uit rheofiele soorten en 6% uit exoten. Blz. 50 van 92 Kenmerk: /001, definitief, juni 2011

51 In de watergangen is de biomassa van het rheofiele bestand in de rietgraaf het hoogste (18%). De biomassa van de exoten is met 9% het hoogst in de Linge. De meest voorkomende soort op basis van de biomassa in het waterlichaam, de Linge en de Bemmelsche zeeg is brasem (resp. 31,37 en 40%). In de stadswateren van Arnhem komt de blankvoorn (39%) het meeste voor en in de sloten A15/Rietgraaf is zeelt (29%) de meest voorkomende soort. Tabel Bestandschatting (aantal/ha) watergangen van Linge en kanalen Overbetuwe in 2010 Linge Sloot Kampse straat Stadswater Elden- Zuid Laarsche Pijp Bemmelsche Zeeg Sloten A15- Rietgraaf Gew. gem. Linge&kanalen Overbetuwe Gilde Vissoort Eurytoop Alver Baars Blankvoorn Brasem Driedoornige stekelbaars Giebel 33 1 Hybride Karper Kleine modderkruiper Kolblei Pos Snoek Snoekbaars Limnofiel Bittervoorn Grote modderkruiper 22 0 Rietvoorn/Ruisvoorn Tiendoornige stekelbaars Vetje Zeelt Rheofiel Bermpje Kopvoorn 5 3 Riviergrondel Winde Exoot Blauwband Marmergrondel Roofblei Kesslersgrondel Pontische stroomgrondel Totaal Aantal soorten = <0,5 stuks/ha; - = niet aangetroffen Het gemiddelde visbestand in het waterlichaam wordt berekend op stuks/ha. Het bestand in de afzonderlijke watergangen varieert van tot stuks per hectare. In het gebied worden 28 vissoorten (exc. hybride) gevangen. Hiervan zijn 12 (uitgezonderd hybride) vissoorten eurytoop, 6 limnofiele soorten, 4 rheofiele en 5 exotische vissoorten. Kenmerk: /001, definitief,juni 2011 Blz. 51 van 92

52 In het waterlichaam en de meeste watergangen is het limnofiele gilde dominant in de aantalsbestanden. Dit gilde bepaald circa 63% van het aantalsbestand in het waterlichaam en 45% tot 89% van het aandeel in de watergangen. Het eurytope gilde is alleen in stadswateren/zuid Laarse pijp dominant(55%) In het gehele waterlichaam is dit aandeel 33%, in de overige watergangen bepaalt het eurytope bestand tussen 7% en 27% van het gehele visbestand. Het rheofiele en exoten visbestand wordt berekend op respectievelijk 1 en 3% van het totale visbestand in het waterlichaam in de watergangen wordt het rheofiele bestand geraamd tussen de 0% en 8% van de vissen en de exotische soorten bepalen 0% tot 5% van het totale aandeel aan vissen. De meest voorkomende soort in het bestandsaandeel is de bittervoorn(52%) van het totale aantal vissen Deze vissoort is ook in vier van de vijf watergangen dominant (aandeel per watergang varieert van 53% tot 86%). In de stadswateren Elden/ zuid Laarse pijp is de blankvoorn dominant (38%). Acht vissoorten komen in alle watergangen voor. De alver daarentegen komt alleen in de Linge voor, de giebel en grote modderkruiper komen alleen in de sloot Kampse straat voor 10.3 Lengtesamenstelling In 14.1 worden de lengtefrequentiegrafieken (LF-grafieken) van de aangetroffen vissoorten in het waterlichaam weergegeven. Hieronder worden enkele grafieken kort besproken. Bij de alver, baars, blankvoorn, brasem, ruisvoorn, kolblei, winde en zeelt zijn meerdere lengte-/ jaarklassen te onderscheiden. Wel ontbreken er bij brasem de middelgrote exemplaren. Ook bij de kleinere vissoorten, zoals bermpje, pontische stroomgrondel, pos, riviergrondel en vetje zijn 2 en soms 3 jaarklassen te onderscheiden. Bij de snoek en snoekbaars worden relatief veel exemplaren tot circa 35 cm gevangen, de grotere exemplaren zijn nauwelijks of niet aangetroffen. Bij de overige soorten zijn te weinig exemplaren gevangen om een eenduidige uitspraak over de lengteklasse te doen Beoordeling maatlatten In de onderstaande tabel en grafiek worden de maatlatscores van het waterlichaam en de afzonderlijke watergangen in het gebied weergegeven. De volledige QBWat-beoordeling is in 14.3 van het bijlagenrapport opgenomen. De klassegrenzen van de afzonderlijke deelmaatlatten staan vermeld in bijlage 4. Blz. 52 van 92 Kenmerk: /001, definitief, juni 2011

53 Tabel Maatlatbeoordeling Linge en kanalen Overbetuwe MEP/GEP M1a en M6a Linge Sloot Kampse straat Stadswater Elden- Zuid Laarsche Pijp Bemmelsche Zeeg Sloten A15- Rietgraaf Gew. gem. Linge&kanalen Overbetuwe Deelmaatlat M6a M1a M1a M1a M1a M6a SS plantminnend en migrerend 0,33 0,33 0,33 0,33 0,33 0,33 0,33 AB brasem+karper 0,33 0,24 0,15 0,19 0,16 0,33 0,31 AB plantminnend 0,33 0,14 0,19 0,13 0,07 0,28 0,16 Totaal score 1,00 0,72 0,68 0,66 0,56 0,95 0,80 SS = aantal soorten; AB = abundantie 1,00 SS plantminnend en migrerend AB brasem+karper AB plantminnend 0,80 0,60 score 0,40 0,20 0,00 MEP/GEP M1a Linge Sloot Stadswater Elden- Bemmelsche Sloten A15- Gew. gem. en M6a M6a Kampse straat Zuid Laarsche Pijp Zeeg Rietgraaf Linge&kanalen M1a M1a M1a M1a Overbetuwe M6a Het waterlichaam voldoet met een score van 0.80 ruimschoots aan het GEP voor KRW-type M6a. Ook de hoofdwatergang de Linge behaald met een score van 0.72 ruimschoots het GEP voor watertype M6a. De overige watergangen in het gebied zijn getoetst aan watertype M1a, met uitzondering van de Bemmelsche Zeeg voldoen ze allen aan het GEP (scores ). De Bemmelsche Zeeg scoort met 0.56 (beoordeling matig) het laagst in het waterlichaam. Vooral het lage aandeel plantminnende vissen in de watergang is beperkend voor een goede score Beschermde soorten en exoten In het gebied komen zeven soorten voor met een specifieke beschermingsstatus en vijf exoten. De bittervoorn en de grote modderkruiper staan beide vermeld in de Flora en Fauna wet (FF-wet, tabel 3) en op de Rode Lijst ( kwetsbaar). De kleine modderkruiper en het bermpje staan beide in tabel 2 van de FF-wet. Het vetje, de kopvoorn (beide kwetsbaar) en de winde (gevoelig) zijn opgenomen in de Rode Lijst. Naast deze soorten zijn de blauwband, marmergrondel, roofblei, kesslersgrondel en pontische stroomgrondel in één of meerdere watergangen in het gebied aangetroffen. Kenmerk: /001, definitief,juni 2011 Blz. 53 van 92

54 11 RESULTATEN NL09_20 OUDE RIJN 11.1 Beschrijving De Oude Rijn stroomt tussen Lienden en Kesteren. Het waterlichaam is circa 6 kilometer lang en bevat zowel een lijnvormig als een meervormig gedeelte. De hoofdtypering van het waterlichaam is M3. Het lijnvormige gedeelte heeft een breedte van 5 tot 8 meter en een diepte van ruim 1 meter. In het gebied is ook een meervormig gedeelte (Nieuwe Waaij) bemonsterd. Deze plas heeft een oppervlakte van ruim 2 hectare en een diepte van 3,5 meter. Het lijnvormige gedeelte is met een elektrovisapparaat over de gehele breedte vanuit een boot bevist. De nieuwe Waaij is met een combinatie van zegen en elektrovisserij bevist. In de onderstaande figuur worden de twee bemonsterde locaties weergegeven. Figuur Locaties Oude Rijn Locatie 1 Locatie Bestandschatting In de onderstaande tabellen 11.1 en 11.2 worden de bestandschattingen in biomassa en aantallen van het waterlichaam gepresenteerd. Na de tabel volgt een korte beschrijving van de bestanden. Tabel 11.1.Bestandschatting in kg/ha in de Oude Rijn in Gilde Vissoort Totaal 0+ > >40 Eurytoop Alver 0,1 0,0 0, Baars 3,9 2,2 1,0 0,7 - - Blankvoorn 7,8 1,9 1,6 2,7 1,6 - Brasem 31,5 0,1 0,7 0,1-30,6 Driedoornige stekelbaars 0,1 0,0 0, Kleine modderkruiper 3,2 0,0 3, Kolblei 0,1 0, Pos 0,1 0,1 0, Limnofiel Bittervoorn 4,3 0,6 3, Tiendoornige stekelbaars 0,0 0,0 0, Vetje 0,0 0, Zeelt 40,6-0, ,4 Rheofiel Bermpje 0,0-0, Winde 2,1 0,1 0,1 1,9 - - Exoot Marmergrondel 0,0 0,0 0, Roofblei 20,9 0,1-0,1 1,0 19,7 Pontische stroomgrondel 0,0 0, Subtotaal 114,7 5,2 10,6 5,5 2,6 90,7 ecologische indeling voor snoek Totaal >54 Eurytoop Snoek 10,7-7,4-3,3 - Totaal 125,4 0,0 = <0,05 kg/ha; - = niet aangetroffen Blz. 54 van 92 Kenmerk: /001, definitief, juni 2011

55 Het visbestand in de Oude Rijn wordt geraamd op 125,4 kg/ ha. De biomassa wordt in grote mate bepaald door enkele grote exemplaren van brasem, zeelt en roofblei. De eurytope soorten komen het meeste voor op basis van biomassa (46%), gevolgd door de limnofiele soorten (36%). De exoten bepalen 19% van de biomassa, dit komt voornamelijk door de vangst van grote roofblei. Het rheofiele bestand bepaald 2% van de totale biomassa. De meest voorkomende soort in de biomassa is zeelt (32%) gevolgd door brasem met een aandeel van 25% van de totale biomassa. Tabel Bestandschatting in aantal/ha inde Oude Rijn in 2010 Gilde Vissoort Totaal 0+ > >40 Eurytoop Alver Baars Blankvoorn Brasem Driedoornige stekelbaars Kleine modderkruiper Kolblei Pos Limnofiel Bittervoorn Tiendoornige stekelbaars Vetje Zeelt Rheofiel Bermpje Winde Exoot Marmergrondel Roofblei Pontische stroomgrondel Subtotaal ecologische indeling voor snoek Totaal >54 Eurytoop Snoek Totaal = <0,5 stuks/ha; - = niet aangetroffen Het aantalsbestand in de Oude Rijn wordt berekend op stuks/ha. In het waterlichaam worden 18 vissoorten aangetroffen. Hiervan behoren er 9 tot het eurytope gilde en 4 vissoorten behoren tot het limnofiele gilde. Daarnaast zijn er 2 rheofiele en 3 exotische vissoorten gevangen. Het bestand wordt voor 53% bepaald door de eurytope soorten en 44% van het bestand zijn limnofiele vissen. De rheofiele en exoten bepalen beide circa 2% van het aantalsbestand. De bittervoorn (43%) is de soort die in aantallen het meeste wordt aangetroffen Lengtesamenstelling In 15.1 van het bijlagenrapport worden de LF-grafieken van de aangetroffen vissoorten weergegeven. Hieronder worden enkele bijzonderheden kort aangegeven. Bij de alver, baars, blankvoorn en winde is er een duidelijk onderscheid tussen broed en meerjarige vissen, bij de blankvoorn zijn er ook enkele grote exemplaren (>20 cm) aangetroffen Bij de brasem is het broed slechts beperk tot één lengte, daarnaast vertoont de grafiek een hiaat in de lengtes tussen 16 en 45 cm. Bij de kleinere vissoorten, bittervoorn, kleine modderkruiper en marmergrondel is het broed van de meerzomerige vis te onderscheiden. De meerjarige jaarklassen zijn niet meer te onderscheiden. Bij de roofblei zijn er wel meerdere lengteklassen aangetroffen, echter door de lage aantallen gevangen vissen is er geen onderscheid in jaarklassen te maken. Bij de zeelt zijn er enkel 0+/1+(<15cm) en grote (>40cm) exemplaren aangetroffen Bij de overige soorten zijn er te weinig individuen gevangen om een conclusie op te baseren Kenmerk: /001, definitief,juni 2011 Blz. 55 van 92

56 11.4 Beoordeling maatlatten In bijlage 15.3 is de volledige QBWat-beoordelingen van het waterlichaam gepresenteerd. De klassegrenzen staan vermeld in bijlage 4. Hieronder is in tabel 11.3 de beknopte weergaven van de scores en de referentie gepresenteerd. Na de tabel wordt de beoordeling beknopt besproken. Tabel Maatlatbeoordeling Oude Rijn 1,00 MEP/GEP M3 Oude Rijn Deelmaatlat M6a SS plantminnend en migrerend 0,33 0,33 AB brasem+karper 0,33 0,33 AB plantminnend 0,33 0,33 Totaal score 1,00 1,00 SS = aantal soorten; AB = abundantie score 0,80 0,60 0,40 0,20 SS plantminnend en migrerend AB brasem+karper AB plantminnend 0,00 MEP/GEP M3 Oude Rijn De visstand in de Oude Rijn komt volledig overeen met de streefwaarde voor dit watertype. De beoordeling voldoet dan ook aan hat MEP. Aan de hand van deze maatlat zijn er geen knelpunten in de visstand van deze watergang aan te wijzen Beschermde soorten en exoten In de Oude Rijn worden vijf vissoorten met een speciale status en drie exoten aangetroffen. De bittervoorn staat vermeld in tabel3 van de FF-wet en op de Rode Lijst (kwetsbaar). De kleine modderkruiper en het bermpje staan in tabel 2 van de Flora en Faunawet genoemd. Het vetje en de winde staan als respectievelijk kwetsbaar en gevoelig op de Rode Lijst vermeld. Naast de bovengenoemde soorten zijn er drie exoten in de Oude Rijn aangetroffen. Dit zijn de marmergrondel, roofblei en pontische stroomgrondel. Blz. 56 van 92 Kenmerk: /001, definitief, juni 2011

57 12 RESULTATEN NL09_21 SLOOT BLOEMERS 12.1 Beschrijving De watergang stroomt aan de westkant van Hernen (gemeente Wijchen) en is circa 2,5 kilometer lang. De breedte is circa 5,5 meter breedte en heeft een diepte van circa 0,6 meter. De KRW typering van de watergang is M2, aangezien er in watertype geen vissenmaatlat is opgenomen is voor de toetsing het meest gelijkende watertype M1a geselecteerd. In figuur 12.1 zijn de bemonsterde locatie weergegeven. Beide locaties zijn vanuit een boot over de gehele breedte met een elektrovisapparaat bevist. Figuur Locaties sloot Bloemers Locatie 1 Locatie Bestandschatting In de tabellen 12.1 en 12.2 staan de bestandschattingen van de sloot Bloemers weergegeven. Na de tabellen worden de biomassa en aantalschattingen kort besproken. Tabel Bestandschatting in kg/ha in sloot Bloemers in Gilde Vissoort Totaal 0+ > >40 Eurytoop Baars 0,9 0, Blankvoorn 9,3 3,2 4,2 2,0 - - Brasem 0,0 0, Driedoornige stekelbaars 0,1 0,1 0, Hybride 0,1-0, Kleine modderkruiper 0,6 0,0 0, Kolblei 0,0 0, Pos 0,0 0, Limnofiel Rietvoorn/Ruisvoorn 0,9-0, Tiendoornige stekelbaars 0,0 0, Vetje 0,0 0,0 0, Zeelt 3,6 0,0 0,6 3,0 - - Rheofiel Bermpje 0,2 0,0 0, Riviergrondel 0,1 0,0 0, Winde 0, ,4 - - Subtotaal 16,2 4,2 6,6 5,4 - - ecologische indeling voor snoek Totaal >54 Eurytoop Snoek 4,2-4, Totaal 20,4 0,0 = <0,05 kg/ha; - = niet aangetroffen Kenmerk: /001, definitief,juni 2011 Blz. 57 van 92

58 De biomassa van het visbestand in de sloot Bloemers wordt berekend op 20,4 kg/ha. Opvallend is dat in het waterlichaam geen grote (>30 cm) vissen zijn gevangen Het merendeel van de biomassa (75%) wordt bepaald door de eurytope soorten, de limnofiele soorten hebben een aandeel van 22% in de biomassa. De rheofiele soorten bepalen 2% van de biomassa in het waterlichaam. De meest voorkomende soort in de biomassaschatting is blankvoorn met 46%. Daarnaast bepaald snoek 21% van de biomassa. Tabel Bestandschatting in aantal/ha in sloot Bloemers in 2010 Gilde Vissoort Totaal 0+ > >40 Eurytoop Baars Blankvoorn Brasem Driedoornige stekelbaars Hybride Kleine modderkruiper Kolblei Pos Limnofiel Rietvoorn/Ruisvoorn Tiendoornige stekelbaars Vetje Zeelt Rheofiel Bermpje Riviergrondel Winde Subtotaal ecologische indeling voor snoek Totaal >54 Eurytoop Snoek Totaal = <0,5 stuks/ha; - = niet aangetroffen Het aantal vissen in het waterlichaam wordt geraamd op stuks/hectare. Het aantal aangetroffen vissoorten is 15 (excl. hybride). Hiervan zijn 8 vissoorten eurytoop, 4 vissoorten zijn limnofiel en 3 soorten zijn rheofiel. In de sloot zijn geen exoten aangetroffen. Het eurytope gilde heeft een aandeel van 90% in het totaal aantal gevangen vissen. Bij de limnofiele vissoorten is deze 7% en de overige 3% zijn rheofiele soorten. De meest voorkomende soort op basis van aantallen is de blankvoorn (70%), Er is geen andere vissoort met een aandeel >7% in het waterlichaam aanwezig Lengtesamenstelling In het bijlagenrapport 16.1 worden de LF-grafieken van de gevangen vissen in de sloot Bloemers gegeven. Hieronder worden een aantal opvallende grafieken kort besproken. Ten eerste is het opvallend dat er in het waterlichaam geen vissen >30cm zijn aangetroffen. De watergang is weliswaar niet breed, maar met het huidige condities zou er normaal gesproken toch een grote snoek, brasem of zeelt aanwezig kunnen zijn. Daarnaast lijkt het erop dat bij de meeste vissoorten het broedbestand dominant aanwezig is. Bij de vissoorten brasem, en kolblei is er zelfs geen meerjarige vis aangetroffen. Bij de ruisvoorn is alleen éénjarige vis gevangen. Bij de kleinere vissoorten bermpje en kleine modderkruiper zijn in ieder geval twee lengteklassen te onderscheiden. Bij de zeelt zijn meerdere lengteklassen aangetroffen, een duidelijk onderscheid in jaarklassen is gezien de lage gevangen aantallen niet te maken. Blz. 58 van 92 Kenmerk: /001, definitief, juni 2011

59 12.4 Beoordeling maatlatten In bijlage 16.3 staat de QBWat-beoordeling van de sloot Bloemers op KRW-type M1a (het meest gelijkende watertype) weergegeven. In de onderstaande tabel worden de scores van het waterlichaam en de referentie gepresenteerd. Tabel Maatlatbeoordeling sloot Bloemers 1,00 Deelmaatlat M1a 0,40 SS plantminnend en migrerend 0,33 0,33 AB brasem+karper 0,33 0,33 AB plantminnend 0,33 0,19 0,20 Totaal score 1,00 0,86 SS = aantal soorten; AB = abundantie 0,00 MEP/GEP M1a Sloot Bloemers score 0,80 0,60 MEP/GEP M1a Sloot Bloemers SS plantminnend en migrerend AB brasem+karper AB plantminnend De visstand in de sloot Bloemers voldoet met een score van 0.86 ruimschoots aan het GEP voor KRW-type M1a. De laagst scorende parameter is het aandeel plantminnende vissen. Wel moet opgemerkt worden dat de officiële maatlat M2 is, hierin is vis niet als kwaliteitselement opgenomen Beschermde soorten en exoten In de sloot Bloemers zijn vier vissoorten met een specifieke status aangetroffen. Het bermpje en de kleine modderkruiper staan vermeld in tabel 2 van de Flora en Faunawet. Het vetje en de winde staan op de Rode Lijst vermeld als respectievelijk kwetsbaar en gevoelig. Kenmerk: /001, definitief,juni 2011 Blz. 59 van 92

60 13 RESULTATEN NL09_23 SLOTEN CITTERS 13.1 Beschrijving De watergangen van de Sloten Citters liggen aan de zuidkant van Wijchen in het Land van Maas en Waal. Het waterlichaam bestaat uit één meervormig gedeelte Wijchense meer -WM- en 3 lijnvormige watergangen (Niftriksche wetering -NW-, weteringen oost-wijchensche meer-wowm-, Balgoysche wetering/zeedijksche Leigraaf -BW/ZL-). De lijnvormige gedeeltes van de watergangen hebben een totaallengte van 20 kilometer en een gemiddelde breedte van 3,5 meter. De gemiddelde diepte in deze watergangen is 0,6 meter. Het Wijchensche meer heeft een oppervlakte van circa 15 hectare en een diepte van circa 2,5 meter. Het hoofdwatertype is M2, hierin is geen vissenmaatlat opgenomen. Voor de toetsing in dit rapport worden zowel het waterlichaam als de afzonderlijke lijnvormige watergangen aan het meest gelijkende watertype (M1a) getoetst. Het visbestand van het Wijchensche meer wordt aan watertype M11 getoetst. In het meer zijn 2 rondgooien met een 175 meter zegen bevist en twee trajecten met elektro in de oeverzone bemonsterd. In de lijnvormige watergangen zijn zeven trajecten met een elektrovisapparaat bevist. In de onderstaande figuur 13.1 wordt een impressie van de wateren in het gebied gegeven. Figuur Impressie sloten Citters Locatie 2 Locatie 3 Locatie 5 Locatie 8 Blz. 60 van 92 Kenmerk: /001, definitief, juni 2011

61 13.2 Bestandschatting In 17.2 van het bijlagenrapport staan de uitgebreide bestandschattingen per watergang en een gemiddeld bestand van het waterlichaam weergegeven. In de tabellen 13.1 en 13.2 staan de bestandschattingen per waterlichaam en watergang per vissoort gepresenteerd. Na de tabellen wordt een korte beschrijving van het visbestand gegeven. Tabel Bestandschatting in kg/ha in sloten Citters in Wijchense Meer Niftriksche wetering Weteringen oost Wijchense Meer Balgoijsche wetering- Zeedijksche Leijgraaf Gew. gem. Sloten Citters Gilde Vissoort Eurytoop Aal/Paling 18,2 12,5 Baars 7,4 1,4 0,0 0,8 5,3 Blankvoorn 5,9 0,1 5,4 5,0 Brasem 7,2 11,4 29,7 11,5 Driedoornige stekelbaars 0,0 0,1 0,0 Giebel 4,0 2,7 Hybride 0,1 0,1 Karper 16,6 86,8 20,9 Kleine modderkruiper 0,1 0,0 Pos 0,5 0,3 Snoek 5,4 15,2 0,7 1,1 5,6 Limnofiel Rietvoorn/Ruisvoorn 0,1 0,0 0,1 Tiendoornige stekelbaars 0,0 0,3 0,1 Vetje 0,0 0,0 Zeelt 32,2 0,6 22,1 Rheofiel Bermpje 0,0 0,0 Riviergrondel 0,0 0,0 Winde 0,1 0,0 Totaal 97,6 115,0 1,3 37,5 86,2 0,0 = <0,05 kg/ha; - = niet aangetroffen Wijchense meer: (WM); Niftriksche Wetering (NW); Weteringen oost Wijchense Meer (WOWM); Balgoysche wetering Zeedijksche Leigraaf (BW/ZL) De gemiddelde biomassa van het visbestand in het waterlichaam wordt berekend op 86,2 kg/ha. In de afzonderlijke watergangen varieert het bestand tussen de 1,3 kg/ha (smalle watergangen ten oosten van het Wijchense meer) tot 115 kg/ha in de Niftriksche wetering. De eurytope vissoorten bepalen met 74% het grootste gedeelte van het visbestand Per watergang varieert het eurytope bestand tussen de 54% en 100% van de totale visbiomassa. De limnofiele soorten bepalen circa 26 % van het visbestand in het waterlichaam, in de watergangen loopt dit uiteen van 0 tot 46%. Het rheofiele bestand telt niet significant mee voor de biomassa. De vissoort met gemiddeld de meeste biomassa in het gebied is zeelt (26% waterlichaam). In de afzonderlijke wateren is de zeelt (33%) dominant in het Wijchense meer, in de Niftriksche wetering is karper de meest voorkomende soort (75% biomassa). In de WOWM is snoek dominant (54%) en in de BW/ZL is brasem dominant met een aandeel van 79% van de biomassa. Kenmerk: /001, definitief,juni 2011 Blz. 61 van 92

62 Tabel Bestandschatting in aantal/ha in sloten Citters in 2010 Wijchense Meer Niftriksche wetering Weteringen oost Wijchense Meer Balgoijsche wetering- Zeedijksche Leijgraaf Gew. gem. Sloten Citters Gilde Vissoort Eurytoop Aal/Paling Baars Blankvoorn Brasem Driedoornige stekelbaars Giebel 6 4 Hybride 9 6 Karper Kleine modderkruiper 24 3 Pos Snoek Limnofiel Rietvoorn/Ruisvoorn Tiendoornige stekelbaars Vetje 3 2 Zeelt Rheofiel Bermpje 17 3 Riviergrondel 26 5 Winde 17 3 Totaal Aantal soorten = <0,5 stuks/ha; - = niet aangetroffen Wijchense meer: (WM); Niftriksche Wetering (NW); Weteringen oost Wijchense Meer (WOWM); Balgoysche wetering Zeedijksche Leigraaf (BW/ZL) Het gemiddelde aantal vissen in het waterlichaam wordt geraamd op stuks/ha. De bestanden in de afzonderlijke wateren wordt berekend op 88 stuks/ha (WOWM) tot stuks per hectare in (BW/ZL). In de watergang worden 17 vissoorten aangetroffen (excl. hybride), hiervan zijn 10 soorten (ex hybride) eurytoop, 4 vissoorten limnofiel en 3 rheofiele soorten. De eurytope vissoorten zijn het meest aanwezig in de aantalschattingen 81% van het totale aantal vissen is eurytoop. In de afzonderlijke wateren is 50 tot 100% van de aangetroffen vissoorten eurytoop. De limnofiele soorten bepalen gemiddeld 18% van het visbestand in het waterlichaam, in de afzonderlijke wateren is deze 5% tot 50% van het totale aantalsbestand. De rheofiele soorten bepalen 1% van het totale aantal vissen in het waterlichaam, deze soorten worden alleen in de BW/ZL aangetroffen. De meest voorkomen de soort in het waterlichaam op aantalsbasis is baars(43%). In de watergangen is baars ook in drie van de vier wateren dominant (25 tot 58%), alleen in de Balgoysche wetering/zeedijksche Leigraaf is de tiendoornige stekelbaars de meest voorkomende vissoort met een aandeel van 46%. De baars en snoek worden in alle wateren aangetroffen. Aal, giebel, hybride, pos, vetje (WM) en de rheofiele vissoorten worden in slechts één watergang (BW/ZL)aangetroffen. Blz. 62 van 92 Kenmerk: /001, definitief, juni 2011

63 13.3 Lengtesamenstelling In 17.1 van het bijlagenrapport staan de lengtefrequentiegrafieken van de sloten Citters gegeven. Hieronder worden de grafieken kort besproken. In het algemeen valt het op dat er weinig vissen in zijn gevangen; alleen bij baars, blankvoorn, brasem drie- en tiendoornige stekelbaars en pos zijn voldoende aantallen vissen gevangen om een uitspraak over de verdeling te kunnen doen. Bij baars is voornamelijk visbroed aangetroffen, van meerjarige vissen zijn er slechts enkele exemplaren gevangen Bij de blankvoorn en brasem valt het op dat de lengteklasse van circa 10 tot 15 cm ruim vertegenwoordigd is t.o.v. het vissenbroed. Bij de kleinere vissoorten groeien de lengteklassen sterk in elkaar om een uitspraak te kunnen doen over de lengte- jaarklassenopbouw Van de zeelt en in mindere mate snoek, zijn er in totaal weinig exemplaren gevangen. De aangetroffen exemplaren van de zeelt zijn wel over de gehele lengterange verspreid. Bij de overige vissoorten zijn te lage aantallen vissen aangetroffen om een uitspraak te kunnen doen 13.4 Beoordeling maatlatten In de onderstaande tabel staan de scores van de maatlatbeoordeling in het waterlichaam en de afzonderlijke wateren van de sloten Citters weergegeven. In het bijlagenrapport 17.2 zijn de volledige QBWat-beoordelingen opgenomen. In bijlage 4 staan de klassegrenzen vermeld. Na de tabel worden de beoordelingen beknopt besproken. Tabel Maatlatbeoordeling Sloten Citters MEP/GEP M1a MEP/GEP M11 Wijchense Meer Niftriksche wetering Weteringen oost Wijchense Meer Balgoijsche wetering- Zeedijksche Leijgraaf Gew. gem. Sloten Citters Deelmaatlat M11 M1a M1a M1a M1a SS plantminnend en migrerend 0,33 0,10 0,10 0,13 0,33 AB brasem+karper 0,33 0,04 0,33 0,06 0,17 AB plantminnend 0,33 0,08 0,33 0,02 0,16 SS totaal 0,20 0,16 AB brasem 0,20 0,12 AB baars+blankvoorn 0,20 0,08 AB plantminnend 0,20 0,12 AB zuurstoftolerant 0,20 0,20 Totaal score 1,00 1,00 0,69 0,22 0,77 0,21 0,66 SS = aantal soorten; AB = abundantie 1,00 0,80 SS plantminnend en migrerend AB brasem+karper AB plantminnend SS totaal AB brasem AB baars+blankvoorn AB plantminnend AB zuurstoftolerant 0,60 score 0,40 0,20 0,00 MEP/GEP M1a, MEP/GEP M11 Wijchense Meer Niftriksche Weteringen oost Balgoijsche wetering- Gew. gem. M3 en M6a M11 wetering Wijchense Meer Zeedijksche Leijgraaf Sloten Citters M1a M1a M1a M1a Het waterlichaam als geheel voldoet met een score van 0.66 aan het GEP voor watertype M1a. Bij de afzonderlijke wateren scoren echter de Niftriksche wetering en de Balgoysche wetering/zeedijksche Leigraaf ontoereikend (0.22 en 0.21). Kenmerk: /001, definitief,juni 2011 Blz. 63 van 92

64 Bij de Niftriksche wetering is vooral de dominantie van karper op het visbestand de belangrijkste oorzaak voor de lage score. In de Balgoysche wetering/zeedijksche Leigraaf is vooral het verhoudingsgewijze hoge aandeel brasem in de watergang beperkend. Het Wijchense meer is beoordeeld aan type M11, hierbij voldoet de visstand aan het GEP. Het aandeel blankvoorn en baars in verhouding tot de overige eurytope soorten was de laagst scorende parameter Beschermde soorten en exoten In het waterlichaam worden 4 vissoorten met een specifieke status aangetroffen. De kleine modderkruiper en het bermpje staan in tabel 2 van de Flora en Faunawet vermeld. Het vetje en de winde staan op de Rode Lijst vermeld als resp. kwetsbaar en gevoelig. Blz. 64 van 92 Kenmerk: /001, definitief, juni 2011

65 14 RESULTATEN NL09_24 SLOTEN LEK EN LINGE 14.1 Beschrijving Het waterlichaam is circa 11 kilometer lang en heeft als hoofdwatertype M1a. Het bestaat uit de watergangen Hooglandsche wetering en Korne in de gemeente Buren. De gemiddelde breedte van de Hooglandsche wetering is circa 6 meter met een diepte van 0,6 meter. De Korne heeft een gemiddelde breedte van circa 14 meter en een diepte van circa 2 meter. De Hooglandsche wetering wordt getoetst aan KRW-type M1a en de Korne wordt aan watertype M3 getoetst. In beide wateren zijn twee locaties bevist. In de Korne is met een combinatie van zegen en elektrovisserij gevist, in de Hooglandsche wetering is met een alleen een elektrovisapparaat vanuit een boot gevist. In figuur 14.1 worden twee bemonsterde locaties in het waterlichaam weergegeven. Figuur Locaties sloten Lek en Linge Locatie 2 Locatie Bestandschatting In de tabellen 14.1 en 14.2 staan de bestandschattingen in biomassa en aantallen per hectare weergegeven. In 18.2 van het bijlagenrapport staan de bestandschattingen per lengteklasse van het waterlichaam en de afzonderlijke watergangen gepresenteerd. Na de tabellen worden de bestandschattingen kort besproken. Kenmerk: /001, definitief,juni 2011 Blz. 65 van 92

66 Tabel Bestandschatting in kg/ha in sloten Lek en Linge in Korne Hooglandsche wetering Gew. gem. sloten Lek&Linge Gilde Vissoort Eurytoop Alver 0,3 0,1 Baars 9,9 8,7 9,3 Blankvoorn 33,7 32,3 33,0 Brasem 54,2 23,9 38,4 Driedoornige stekelbaars 0,0 0,0 Hybride 0,1 0,0 Kleine modderkruiper 0,0 0,3 0,2 Kolblei 3,6 1,5 2,5 Pos 1,8 0,9 Snoek 7,1 29,0 18,6 Snoekbaars 13,1 0,3 6,4 Limnofiel Bittervoorn 0,3 0,4 0,4 Rietvoorn/Ruisvoorn 1,0 14,8 8,2 Vetje 0,0 0,2 0,1 Zeelt 2,6 21,5 12,5 Rheofiel Bermpje 0,0 0,0 Riviergrondel 0,2 0,1 Winde 9,1 0,6 4,6 Exoot Marmergrondel 0,0 0,0 0,0 Roofblei 16,6 7,9 Subtotaal 153,6 133,5 143,2 0,0 = <0,05 kg/ha; - = niet aangetroffen De gemiddelde biomassa in het waterlichaam wordt berekend op 143,2 kg/ha. De schattingen in beide watergangen wijken met 133,5 kg/ha in de Hooglandsche wetering en 153,6 kg/ha in de Korne hier niet sterk van af. Het visbestand in het waterlichaam bestaat voornamelijk uit eurytope soorten (76%), in de afzonderlijke watergangen loopt het aandeel uiteen van 72% in de Hooglandsche wetering tot 81% in de Korne. Het gemiddelde bestand aan limnofiele soorten wordt geschat op 15%. In de afzonderlijke watergangen wordt hier wel duidelijk een verschil geconstateerd tussen de Hooglandsche wetering (28%) en de Korne (3%). Ook in de rheofiele soorten (3%, in het gemiddelde bestand van het waterlichaam) is een verschil te constateren tussen beide watergangen. In de Hooglandsche wetering wordt het rheofiele bestand op <0,5% van het totaal geraamd. In de Korne wordt dit bestand op 6% berekend. Bij de exoten wordt het bestand in het waterlichaam geraamd op 6%. In de watergangen loopt dit uiteen van 0,0% in de Hooglandsche wetering tot 11% in de Korne. In het waterlichaam de Korne is brasem de meest aangetroffen vissoort, het aandeel brasem in de biomassa word geschat respectievelijk 27% en 35% van de totale biomassa. In de Hooglandsche wetering is blankvoorn de meest gevangen soort. Het bestand hiervan wordt geschat op 24% van de biomassa. Blz. 66 van 92 Kenmerk: /001, definitief, juni 2011

67 Tabel Bestandschatting in aantal/ha in sloten Lek en Linge in 2010 Korne Hooglandsche wetering Gew. gem. sloten Lek&Linge Gilde Vissoort Eurytoop Alver 19 9 Baars Blankvoorn Brasem Driedoornige stekelbaars Hybride 5 2 Kleine modderkruiper Kolblei Pos Snoek Snoekbaars Limnofiel Bittervoorn Rietvoorn/Ruisvoorn Vetje Zeelt Rheofiel Bermpje 5 3 Riviergrondel Winde Exoot Marmergrondel Roofblei Totaal Aantal soorten = <0,5 stuks/ha; - = niet aangetroffen Het aantal vissen in het waterlichaam wordt geraamd op stuks per hectare. Ook de afzonderlijke watergangen komen met ramingen van stuks/ha en stuks per hectare hier dicht in de buurt. In het waterlichaam worden 20 vissoorten (excl. hybride) aangetroffen. In de Korne zijn 17 vissoorten (excl. hybride) gevangen en in de Hooglandsche wetering 15. Van de aangetroffen vissoorten zijn er 10 eurytoop, 4 limnofiel, 3 rheofiel en 2 behoren tot het gilde der exoten. Het aandeel van het eurytope gilde in het totale aantalsbestand is66%, per watergang is deze 47% in de Hooglandsche wetering en 84% in de Korne. Het limnofiele gilde bepaald 31% van het totale aandeel vissen, in de watergangen loopt dit uiteen van 11% in de Korne tot 52% in de Hooglandsche wetering. De rheofiele vissoorten bepalen 2% van de vissen in het waterlichaam, in de watergangen is deze <0,5% voor de Hooglandsche wetering en 4% in de Korne. In het waterlichaam en de Hooglandsche wetering is er geen noemenswaardig exotenbestand aanwezig (<0,5%). In de Korne is het bestand 1% van het geschatte aantal bestand. De meest voorkomende soort op basis van aantallen is in het waterlichaam (27%) en de Hooglandsche wetering (25%) blankvoorn Kenmerk: /001, definitief,juni 2011 Blz. 67 van 92

68 14.3 Lengtesamenstelling In bijlage 18.1 worden de lengtefrequentieverdelingen van de gevangen vissoorten in het waterlichaam gepresenteerd. In deze paragraaf wordt de LF grafieken kort besproken. Bij de baars, blankvoorn, brasem, ruisvoorn en zeelt is aan de hand van de LF-grafieken een onderscheid te maken in de verschillende jaarklassen. Ook blijkt uit deze grafieken dat niet alle jaarklassen even sterk aanwezig zijn. De verhouding tussen broed en éénjarig bestand bij brasem is een voorbeeld van een normale successie. In de LF-grafieken van blankvoorn en ruisvoorn is bijvoorbeeld een sterke éénjarige jaarklasse te ontdekken ( bij blankvoorn lengteklasse 9-13 cm, bij ruisvoorn lengteklasse 7-10 cm). Bij de brasem worden in het gehele waterlichaam nu wel de gehele lenterange aangetroffen. In andere wateren in het beheersgebied zijn af en toe hiaten in de lengteklassen van de aangetroffen vissen zichtbaar. Bij de kleinere vissoorten is vaak niet duidelijk waar de grens tussen de jaarklassen ligt, uitzondering hierbij zijn bittervoorn (5cm) en pos (7cm) Bij de overige soorten zijn te weinig individuen gevangen om enige trends te signaleren Beoordeling maatlatten In bijlagenrapport 18.3 worden de volledige QBWat boordelingen weergegeven. In bijlage 4 worden de klassegrenzen weergegeven. In de onderstaande tabel zijn de scores per parameter gepresenteerd. Na de tabel worden deze scores kort besproken. Tabel Maatlatbeoordeling sloten Lek en Linge MEP/GEP M1a en M3 Korne Hooglandsche wetering Gew. gem. sloten Lek&Linge Deelmaatlat M3 M1a M1a SS plantminnend en migrerend 0,33 0,20 0,33 0,33 AB brasem+karper 0,33 0,29 0,26 0,20 AB plantminnend 0,33 0,08 0,20 0,14 Totaal score 1,00 0,57 0,80 0,67 SS = aantal soorten; AB = abundantie 1,00 SS plantminnend en migrerend AB brasem+karper AB plantminnend 0,80 0,60 score 0,40 0,20 0,00 MEP/GEP M1a en M3 Korne M3 Hooglandsche wetering M1a Gew. gem. sloten Lek&Linge M3 Het waterlichaam voldoet met een score van 0.67 aan het GEP voor watertype M1a. De laagst scorende parameter is het aandeel plantminnende vissen. De afzonderlijke watergangen zijn aan type M1a en M3 getoetst. Hierbij voldoet de Hooglandsche wetering ruimschoots aan het GEP (0.80). Voor de Korne was de beoordeling matig (score 0.57, net geen GEP). Vooral het aandeel plantminnende vissen is de beperkende parameter in de beoordeling. Blz. 68 van 92 Kenmerk: /001, definitief, juni 2011

69 14.5 Beschermde soorten en exoten In het waterlichaam zijn vijf soorten met een speciale status aangetroffen. De kleine modderkruiper en het bermpje staan vermeld in tabel 2 van de Flora en Faunawet, de bittervoorn staat vermeld in tabel 3 van deze wet. Het vetje, winde en de bittervoorn zijn in de Rode Lijst opgenomen, vetje en bittervoorn als kwetsbaar en winde als gevoelig. Daarnaast zijn er nog twee exoten in de watergangen aangetroffen, de marmergrondel is in beide watergangen aangetroffen en de roofblei in de Korne. Kenmerk: /001, definitief,juni 2011 Blz. 69 van 92

70 15 RESULTATEN NL09_25 SLOTEN NEDERBETUWE 15.1 Beschrijving Het waterlichaam is circa 25 kilometer lang en bevat 4 watergangen: Mauriksche/ Leewetering, sloten Tiel, sloten Geldermalsen, sloten Rijswijksche veld. Het meest voorkomende KRW-type in het waterlichaam is M1a. De Mauriksche/ Leewetering wordt getoetst aan KRW type M3. De overige watergangen worden getoetst aan type M1a. De Mauriksche wetering heeft een gemiddelde breedte van 13 meter (3-29 meter) en een diepte van circa 1,2 meter. De overige watergangen hebben een gemiddelde breedte van 5 meter en een diepte van 0.6 meter. In de Mauriksche /Leewetering zijn 4 trajecten met zegen/elektro bevist en 1 traject met alleen elektro. In de M1a sloten is per sloot één traject met het elektrovisapparaat bevist. In totaal zijn er 8 locaties in het waterlichaam bemonsterd. In de onderstaande figuur 15.1 wordt een impressie van de bemonsterde locaties gegeven. Figuur Impressie sloten Nederbetuwe Locatie 1 Locatie 4 Locatie 7 Locatie Bestandschatting In 19.2 van het bijlagenrapport worden de uitgebreide bestandschattingen van het waterlichaam en de afzonderlijke watergangen gepresenteerd. In de tabellen 15.1 en 15.2 worden de beknopte weergaven van de bestandschattingen gepresenteerd. Na de tabellen worden de schattingen kort besproken. Blz. 70 van 92 Kenmerk: /001, definitief, juni 2011

71 Tabel Bestandschatting in kg/ha in de sloten Nederbetuwe in Sloten Tiel Sloten Geldermalsen Mauriksche-, Leewetering Sloten Rijswijksche Veld Gew. Gem. Sloten Nederbetuwe Gilde Vissoort Eurytoop Alver 0,6 0,9 0,8 Baars 1,9 0,1 4,2 2,0 3,8 Blankvoorn 33,5 9,6 18,1 17,1 18,2 Brasem 29,5 0,4 113,3 99,9 Driedoornige stekelbaars 0,0 0,0 0,1 0,1 0,1 Hybride 0,2 0,0 Kleine modderkruiper 0,6 0,3 1,8 1,2 1,7 Kolblei 6,5 3,8 0,3 0,6 Pos 0,4 0,8 0,7 Snoek 53,4 6,6 14,8 30,2 16,6 Snoekbaars 0,3 0,2 0,1 Limnofiel Bittervoorn 0,1 1,2 7,0 8,9 6,7 Rietvoorn/Ruisvoorn 0,7 10,7 4,3 4,2 Tiendoornige stekelbaars 0,0 0,0 Vetje 0,0 0,1 0,0 Zeelt 0,0 21,7 7,5 3,2 7,5 Rheofiel Bermpje 0,1 0,2 0,1 Riviergrondel 0,5 0,2 0,5 0,4 Winde 1,4 12,9 3,6 11,6 Exoot Blauwband 0,0 0,0 Marmergrondel 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 Roofblei 2,3 2,0 Totaal 129,6 54,7 189,0 66,4 175,0 Het visbestand in het waterlichaam wordt geraamd op 175 kg/ha. De bestandschattingen in de watergangen variëren van 55 kg/ha in de sloot bij Geldermalsen tot bijna 190 kg/ha in de Mauriksche/ Leewetering. De biomassa in het waterlichaam wordt gedomineerd door eurytope soorten (81%). In de afzonderlijke watergangen worden de biomassa-aandelen geraamd tussen de 38% (sloten Geldermalsen) en 98%(sloten Tiel). Het limnofiele bestand in het waterlichaam wordt geschat op 11% van het totale bestand, de aandelen variëren hierin van 1% (sloten Tiel) tot 61% (sloten Geldermalsen). Het bestand aan rheofiele soorten in het waterlichaam wordt geraamd op 7% van de biomassa, in de afzonderlijke watergangen wordt dit geschat tussen 1% en 7%. In het waterlichaam is ook nog een restbestand van 1% aanwezig aan exoten. In de watergangen ligt dit tussen de 0,00% en 1%. Brasem (57%) is de meest voorkomende vissoort op basis van biomassa in het waterlichaam. Ook in de Mauriksche/Leewetering is dit met 60% de meest voorkomende vissoort. In twee waterlichamen is de snoek de meest voorkomende vissoort (41% sloten Tiel, 45% sloten Rijswijksche veld). In de sloten bij Geldermalsen is zeelt (40%) de meest voorkomende soort. Kenmerk: /001, definitief,juni 2011 Blz. 71 van 92

72 Tabel Bestandschatting in aantal/ha in de sloten Nederbetuwe in 2010 Sloten Tiel Sloten Geldermalsen Mauriksche-, Leewetering Sloten Rijswijksche Veld Gew. Gem. Sloten Nederbetuwe Gilde Vissoort Eurytoop Alver Baars Blankvoorn Brasem Driedoornige stekelbaars Hybride 22 1 Kleine modderkruiper Kolblei Pos Snoek Snoekbaars Limnofiel Bittervoorn Rietvoorn/Ruisvoorn Tiendoornige stekelbaars Vetje Zeelt Rheofiel Bermpje Riviergrondel Winde Exoot Blauwband 9 8 Marmergrondel Roofblei 10 8 Totaal Aantal soorten = <0,5 stuks/ha; - = niet aangetroffen Het visbestand van het waterlichaam wordt geraamd op stuks per hectare. In de afzonderlijke watergangen wordt het bestand geraamd tussen en stuks per hectare. In het waterlichaam worden 21 vissoorten aangetroffen (excl. hybride). Per watergang worden 10 tot 20 vissoorten aangetroffen. Van deze soorten zijn 10 vissoorten eurytoop, 5 limnofiel soorten, 3 rheofiele en 3 exotische vissoorten. In het waterlichaam wordt het eurytope bestand op 19% van het visbestand geraamd, in de watergangen varieert dit tussen 16% en 86%. Het aandeel van de limnofiele soorten in het waterlichaam wordt berekend op 78% van het totale aantal, in de watergangen liggen de bestanden tussen de 8% en de 81%. Het aandeel rheofiele soorten in het waterlichaam wordt geraamd op 2%, in de watergangen varieert dit van 1% tot 3%. Naast de bovengenoemde soorten is er nog 1% aan exoten aangetroffen, in de watergangen varieert dit bestand tussen 0 en 3%. In het waterlichaam en in twee watergangen is de bittervoorn de meest dominante soort in aantallen. In de het waterlichaam is het aandeel bittervoorn. Blz. 72 van 92 Kenmerk: /001, definitief, juni 2011

73 15.3 Lengtesamenstelling In 19.1 van het bijlagenrapport staan de lengtefrequentiegrafieken van de gevangen vissen in het waterlichaam sloten Nederbetuwe weergegeven. Hieronder worden de grafieken kort besproken. Bij de alver is vooral de lengteklasse 10-14cm duidelijk aanwezig. Het is aan de hand van deze gegevens niet duidelijk of dit om één- of tweejarige vis gaat, opvallend is wel dat er nauwelijks broed is aangetroffen. Bij de baars is voornamelijk broed aangetroffen, van de meerjarige vissen worden slechts enkele exemplaren aangetroffen. Bij het bermpje zijn er tenminste 2 jaarklassen te onderscheiden. Bij de bittervoorn is er na de 4 cm een sterke daling in de gevonden aantallen waar te nemen. Het lijkt erop dat de grens tussen broed en meerjarige vis rond deze lengteklasse getrokken kan worden. Bij de blankvoorn en ruisvoorn is er een duidelijk onderscheid tussen broed en meerjarige vis te maken, ook de éénjarige klasse (tot circa 12 cm) zijn goed ontwikkeld. Daarna worden de mogelijkheden voor een goede groei bij de blankvoorn beperkt. Bij de brasem is hier weer een duidelijke 0+ en 1+/2+ populatie aanwezig met daarna een hiaat in de vangsten tot de lengteklassen van circa 40 cm. Dit is in veel wateren in dit onderzoek waargenomen. Bij de kolblei is er slechts een klein broedbestand aanwezig. De opvolgende lengteklassen zijn wel goed vertegenwoordigd in de vangsten. Grote exemplaren worden echter nauwelijks aangetroffen. Ook de riviergondel heeft een duidelijk grens in 0+ en meerjarige vissen. Bij de snoek en snoekbaars is er een goede 0+jaarklasse aanwezig. De opvolgende jaarklassen bij snoek zijn sporadisch aanwezig, bij snoekbaars zijn deze niet aangetroffen. Voor de winde en voor de zeelt geld dat er vissen in alle lengteklassen wordt aangetroffen. Bij de overige soorten zijn er te weinig vissen gevangen of groeien de lengtekassen te sterk in elkaar (kleinere vissoorten) zodat er moeilijk trends te onderscheiden zijn Beoordeling maatlatten In 19.3 van het bijlagenrapport zijn de QBWat-beoordelingen opgenomen. In de onderstaande tabel en grafiek worden de scores van het waterlichaam en de afzonderlijke watergangen kort weergegeven. In bijlage 4 worden de klassegrenzen van de verschillende KRW-watertypen gegeven. Na de tabel worden de beperkende parameters kort beschreven. Tabel Maatlatbeoordeling sloten Nederbetuwe MEP/GEP M1a en M3 Sloten Tiel Sloten Geldermalsen Mauriksche-, Leewetering Sloten Rijswijksche Veld Gew. Gem. Sloten Nederbetuwe Deelmaatlat M1a M1a M3 M1a M1a SS plantminnend en migrerend 0,33 0,33 0,20 0,33 0,20 0,33 AB brasem+karper 0,33 0,22 0,33 0,15 0,33 0,11 AB plantminnend 0,33 0,18 0,31 0,15 0,27 0,12 Totaal score 1,00 0,73 0,84 0,63 0,80 0,56 SS = aantal soorten; AB = abundantie 1,00 SS plantminnend en migrerend AB brasem+karper AB plantminnend 0,80 0,60 score 0,40 0,20 0,00 MEP/GEP M1a en M3 Sloten Tiel M1a Sloten Geldermalsen M1a Mauriksche-, Leewetering M3 Sloten Rijswijksche Veld M1a Gew. Gem. Sloten Nederbetuwe M1a Kenmerk: /001, definitief,juni 2011 Blz. 73 van 92

74 De visstand in het waterlichaam voldoet met een score van 0.56 matig aan het streefbeeld voor watertype M1a. Zeer opvallend is dat de afzonderlijke watergangen wel voldoen aan het GEP van de eigen watertypering. Dit is te verklaren doordat de watergang met de meeste invloed op het visbestand (de Mauriksche wetering/ Leewetering) een afwijkende watertypering (M3) en daarmee afwijkende klassegrenzen heeft. Bij de toetsing voldoet deze watergang aan het GEP voor watertype M3 met minder stringente klassegrenzen. De kleinere watergangen in het gebied voldoen allen aan het GEP voor watertype M1a ( ) Beschermde soorten en exoten In de wateren zij vijf vissoorten met een speciale status aangetroffen. De kleine modderkruiper en het bermpje komen beide in tabel2 van de Flora en Faunawet(FF-wet) voor. De bittervoorn komt in tabel 3 van de FF-wet voor. De bittervoorn (kwetsbaar), vetje (kwetsbaar) en winde (gevoelig) staan vermeld op de Rode Lijst. Naast de bovenstaande soorten komen er ook nog drie exoten in de watergangen voor. Dit zijn de blauwband, marmergrondel en roofblei. Blz. 74 van 92 Kenmerk: /001, definitief, juni 2011

75 16 RESULTATEN NL09_29 VEENVAARTEN OVERWAARD 16.1 Beschrijving Het Waterlichaam is circa 50 kilometer lang en heeft een gemiddelde breedte van ruim 20 meter. Zowel het waterlichaam als de watergangen worden aan KRW-type M10 getoetst. In het waterlichaam worden zeven watergangen onderscheiden: Groote- Achterwaterschap, Ammersche boezem/kromme Elleboog/Peursumsche vliet, Dwarsgang, Smoutjes vliet, Schelluinse vliet, Groote Vliet, sloten Oost Streefkerk. De breedtes van de watergangen varieert van 8 meter in de Schelluinse vliet tot circa 50 meter in de Groote- of Achterwaterschap. De dieptes in de watergangen variëren van 0,4 meter in de sloten bij Streefkerk tot circa 3 meter in de Dwarsgang. In het gehele gebied zijn 16 locaties bevist, waarvan er 12 met een combinatie van zegen en elektro zijn bevist. Vier locaties konden vanwege overmatige plantengroei, takken en obstakels alleen elektrisch worden bevist. In figuur 16.1 wordt een impressie van het waterlichaam weergegeven. Figuur Impressie veenvaarten Overwaard Locatie 1 Locatie 10 Locatie 11 Locatie Bestandschatting In 20.2 van het bijlagenrapport staan de volledige bestandschattingen in kilogrammen en aantallen per hectare gepresenteerd. In de tabellen 16.1 en 16.2 staan de bestandschattingen per watergang en een gemiddeld bestand in het waterlichaam verkort weergegeven. Na de tabellen worden de bestanden kort besproken. Kenmerk: /001, definitief,juni 2011 Blz. 75 van 92

76 Tabel Bestandschatting in kg/ha in de veenvaarten Overwaard in Groote- of Achterwaterschap Ammersche Boezem e.a. Dwarsgang Smoutjesvliet Schelluinse Vliet Groote Vliet Sloten oost Streefkerk Gew. gem. Veenvaarten Overwaard Gilde Vissoort Eurytoop Aal/Paling 1,7 3,1 3,5 3, ,0 Baars 16,6 15,1 6,1 17,3 3,1 10,8 0,7 13,5 Blankvoorn 7,0 5,5 2,2 11,2 28,2 34,5 2,3 8,4 Brasem 12,7 36,4 15,9 43,2 65,2 30,1 138,7 28,2 Driedoornige stekelbaars - 0, ,0 Giebel ,2 0,0 Hybride 0,1 0,0 0,0 0,5 0,5 2,5-0,2 Karper ,5 143,2 6,5 Kleine modderkruiper 0,1 0,2-0,3 0,3 0,0 0,1 0,1 Kolblei 0,1 0,1-0,1 9,7 13,5-0,9 Pos 0,5 0,1 0,1 0,1-2,4 0,1 0,4 Snoek 21,5 19,9 76,3 9,2 18,6 104,6 23,3 27,3 Snoekbaars 0,4 9,3 0, ,9-2,9 Limnofiel Bittervoorn 0,0 0,0 0,0 1,3 0,3 0,4 0,6 0,1 Kroeskarper ,1 0,1-0,0 Rietvoorn/Ruisvoorn 0,9 4,8 3,8 2,9 17,1 2,3 0,3 2,7 Vetje 0,0 0,1 0,1 2,1 0,0 0,5 0,1 0,1 Zeelt 2,1 29,4 37,1 0,0 12,4 22,3 0,0 11,1 Rheofiel Riviergrondel ,6 0,1 Winde 0,0 0,0-4, ,2 0,2 Exoot Roofblei - 3, ,6 1,0 Zwartbekgrondel 0, ,0 Totaal 63,7 127,4 145,1 96,5 155,5 287,3 326,0 105,7 0,0 = <0,05 kg/ha; - = niet aangetroffen Groote- of Achterwaterschap: GAW; Ammersche Boezem e.a.: AB; Dwarsgang: DG; Smoutjesvliet: Sm; Schelluinsevliet: Sc; Groote Vliet: GV; sloten oost-streefkerk: sos Het gemiddelde visbestand in het waterlichaam wordt geraamd op 105,7 kg/ha. In de watergangen varieert het bestand tussen 64 kg/ha (GAW) en 326 kg/ha (sos). Het eurytope gilde bepaald 86% van de totale biomassa in het waterlichaam, in de watergangen ligt het tussen de 70% (AB) en 95% (GAW, sos) van de totale biomassa. Het limnofiele bestand bepaald 13% van de totale biomassa in het waterlichaam, dit varieert van 0,3% in de sos tot 28% in de DG. Bijna 1% van het bestand in het waterlichaam wordt bepaald door de exotische vissoorten, dit is 0 tot 3% in de afzonderlijke watergangen. Een heel klein restbestand (0,3%) van de biomassa zijn de rheofiele soorten, in de watergangen wordt dit bestand geraamd tussen 0 en 5% van de biomassa. De vissoort die in het waterlichaam en drie watergangen (AB, Sm en sos) op basis van biomassa is brasem (27%). De snoek is eveneens in drie watergangen (GAW, DG en GV) de meest voorkomende vissoort (34,36 en 53% van de biomassa). In de sloten oost Streefkerk is de karper de meest voorkomende soort (44% biomassa). Er zijn acht vissoorten die in alle watergangen van het waterlichaam voorkomen (baars, blankvoorn, brasem, snoek, bittervoorn, rietvoorn, vetje en zeelt). Driedoornige stekelbaars, giebel, riviergrondel en zwartbekgrondel zijn in slechts één watergang gevangen. Blz. 76 van 92 Kenmerk: /001, definitief, juni 2011

77 Tabel Bestandschatting in aantal/ha in de veenvaarten Overwaard in 2010 Groote- of Achterwaterschap Ammersche Boezem e.a. Dwarsgang Smoutjesvliet Schelluinse Vliet Groote Vliet Sloten oost Streefkerk Gew. gem. Veenvaarten Overwaard Gilde Vissoort Eurytoop Aal/Paling Baars Blankvoorn Brasem Driedoornige stekelbaars Giebel Hybride Karper Kleine modderkruiper Kolblei Pos Snoek Snoekbaars Limnofiel Bittervoorn Kroeskarper Rietvoorn/Ruisvoorn Vetje Zeelt Rheofiel Riviergrondel Winde Exoot Roofblei Zwartbekgrondel Totaal Aantal soorten = <0,5 stuks/ha; - = niet aangetroffen Groote- of Achterwaterschap: GAW; Ammersche Boezem e.a.: AB; Dwarsgang: DG; Smoutjesvliet: Sm; Schelluinsevliet: Sc; Groote Vliet: GV; sloten oost-streefkerk: sos Het gemiddelde aantalsbestand in het waterlichaam wordt berekend op stuks/ha. In de afzonderlijke watergangen wordt het bestand geraamd tussen stuks per hectare in sos tot stuks/ha in GV. In het waterlichaam worden 21 vissoorten aangetroffen (excl. hybride), in de watergangen worden 12 tot 17 vissoorten (excl. hybride) aangetroffen. Van deze vissoorten zijn er 12 (ex hybride) eurytoop, 5 limnofiel, 2 rheofiel en 2 exoten. In het waterlichaam wordt het aandeel eurytope soorten geraamd op 94% van het totale aantal vissen. In de watergangen ligt dit aandeel tussen de 35% en 98%. Het aandeel limnofiele soorten wordt geraamd op 6%. In de afzonderlijke watergangen loopt dit sterk uiteen van 6% (AB) tot 51% (sos). De rheofiele vissoorten en exoten bepalen samen nog geen 0,5% van het aantal vissen. Het aandeel exoten is in alle watergangen <0,5%. Het aandeel rheofiele vissoorten wordt tussen 0% en 13% (sos) geraamd. De vissoort die in het waterlichaam het meeste voorkomt in de aantalsschatting is baars (64%), dit is ook in vier watergangen de meest voorkomende soort. In de Schelluinse Vliet is blankvoorn de meest voorkomende soort (34%), in de Groote Vliet komt brasem (64%) het meeste voor in de aantalsschatting. Opvallend is dat in de sloten oost Streefkerk vetje (26%) en bittervoorn (23%), beide limnofiel, het meeste in de aantalschatting voorkomen, de biomassa van de limnofiele soorten was hier nm. <0,5%. Kenmerk: /001, definitief,juni 2011 Blz. 77 van 92

78 16.3 Lengtesamenstelling In 20.1 worden de LF-grafieken van de gevangen vissoorten gepresenteerd. Hieronder staan deze lengte-frequentieverdelingen kort beschreven. Bij de baars, blankvoorn, brasem, pos, ruisvoorn, snoekbaars, winde en zeelt is een duidelijk onderscheid te maken tussen het broed en meerjarige vis. Ook bij snoek is dit onderscheid te maken, de 0+ lengterange is echter zeer groot door de sterke groei van piscivore 0+vissen. Bij de bittervoorn, kleine modderkruiper, riviergrondel, vetje groeien de 0+ en meerjarige lengteklassen sterk in elkaar, er is wel een piek in de gevangen aantallen op de grens tussen 0+ en 1+ vis waar te nemen. Bij de brasem en in mindere mate blankvoorn is het broedbestand en het éénjarige visbestand duidelijk te onderscheiden, bij beide soorten komen echter maar weinig tot geen grote exemplaren voor. Bij de snoek en zeelt worden niet heel veel exemplaren gevangen, de gevangen vissen zijn wel verspreid over de gehele lengterange aangetroffen. Bij de overige soorten zijn te weinig vissen aangetroffen om een trend te ontdekken Beoordeling maatlatten In de onderstaande tabel worden de scores van de maatlatbeoordeling en de grafische weergave hiervan gepresenteerd. De klassegrenzen staan vermeld in bijlage 4. De volledige QBWatbeoordelingen zijn in het bijlagenrapport 20.3 opgenomen. Na de tabel worden de beoordeling kort besproken. Tabel Maatlatbeoordeling veenvaarten Overwaard MEP/GEP M10 Groote- of Achterwaterschap Ammersche Boezem e.a. Dwarsgang Smoutjesvliet Schelluinse Vliet Groote Vliet Sloten oost Streefkerk Gew. gem. Veenvaarten Overwaard Deelmaatlat M10 M10 M10 M10 M10 M10 M10 M10 M10 SS plantminnend en migrerend 0,33 0,20 0,33 0,17 0,20 0,20 0,20 0,20 0,33 AB brasem+karper 0,33 0,24 0,19 0,32 0,15 0,15 0,21 0,04 0,18 AB plantminnend 0,33 0,17 0,18 0,33 0,10 0,15 0,19 0,05 0,17 Totaal score 1,00 0,61 0,70 0,82 0,44 0,50 0,60 0,29 0,68 SS = aantal soorten; AB = abundantie 1,00 SS plantminnend en migrerend AB brasem+karper AB plantminnend 0,80 0,60 score 0,40 0,20 0,00 MEP/GEP M10 Groote- of Ammersche Dwarsgang Smoutjes- Schelluinse Groote Sloten oost Gew. gem. Achter- Boezem e.a. vliet Vliet Vliet Streefkerk Veenvaarten waterschap Overwaard Het visbestand in het waterlichaam voldoet aan het GEP voor watertype M10. Bij de afzonderlijke watergangen voldoet 3 watergangen niet aan het streefbeeld (scores 0.29 tot 0.50). De overige 4 watergangen hebben een score van 0.60 tot 0.82 en voldoen hiermee aan het GEP. Blz. 78 van 92 Kenmerk: /001, definitief, juni 2011

79 Het hoge aandeel brasem en karper is in de sloten bij Streefkerk de bepalende factor in de score. Het lage aandeel plantminnende vissen, in combinatie met een relatief hoog aandeel brasem, bepaald de score in de Smoutjes- en Schelluinse Vliet Beschermde soorten en exoten In het waterlichaam worden vijf vissoorten met een speciale bescherming aangetroffen. De kleine modderkruiper (tabel 2) en bittervoorn (tabel 3) worden in de flora en Faunawet vermeld. Bittervoorn, kroeskarper en vetje zijn als kwetsbaar opgenomen in de Rode Lijst, de winde is hierin opgenomen als gevoelig. Naast deze soorten zijn de exoten roofblei en zwartbekgrondel in het waterlichaam aangetroffen. Kenmerk: /001, definitief,juni 2011 Blz. 79 van 92

80 17 RESULTATEN NL09_31 ZOUWEBOEZEM 17.1 Beschrijving Het waterlichaam van de Zouweboezem is circa 6 kilometer lang en heeft een gemiddelde breedte van circa 35 meter. Het waterlichaam bestaat uit één watergang en heeft als KRW-type M10. De watergang is bemonsterd met een combinatie van wonderkuil en elektrovisapparaat. De watergang is door overmatige plantengroei niet geschikt om met een zegen te bevissen en de breedte van de watergang is te beperkt voor een standaard stortkuil. De wonderkuil wordt in dergelijke relatief dichtbegroeide watergangen dan als alternatief vangtuig voor het open water ingezet. In de watergang zijn 3 trekken met de wonderkuil in het open water en 3 trajecten met het elektrovisapparaat in de oeverzone bevist. In figuur 17.1 is een foto van de watergang weergegeven. Figuur Zouweboezem 17.2 Bestandschatting In de onderstaande tabellen 17.1 en 17.2 staan de volledige bestandschattingen van de Zouweboezem in kg en aantallen per hectare weergegeven. Na de tabellen worden de bestanden kort besproken. Blz. 80 van 92 Kenmerk: /001, definitief, juni 2011

81 Tabel Bestandschatting in kg/ha in de Zouweboezem in Gilde Vissoort Totaal 0+ > >40 Eurytoop Aal/Paling 7, ,5 Baars 9,6 6,8 1,7 0,8 0,3 - Blankvoorn 7,5 1,0 4,5 2,0 - - Brasem 21,5 0,2 3,4 2,6 0,6 14,6 Driedoornige stekelbaars 0,0 0, Hybride 0,1-0,0 0,0 - - Kleine modderkruiper 0,0-0, Kolblei 0,1 0,0 0, Pos 0,3 0,2 0, Snoekbaars 0,0 0, Limnofiel Rietvoorn/Ruisvoorn 1,7 0,1 0,9 0,7 - - Vetje 0,0-0, Zeelt 33,7 0,0 0,2 0,7 7,0 25,7 Rheofiel Winde 0, ,2 - - Exoot Roofblei 0, ,2 - - Subtotaal 82,4 8,3 10,9 7,2 7,9 47,8 ecologische indeling voor snoek Totaal >54 Eurytoop Snoek 35,6-2,0 3,7 2,4 27,4 Totaal 118,0 0,0 = <0,05 kg/ha; - = niet aangetroffen Het visbestand in de Zouweboezem wordt geraamd op 118 kg/ha. Het bestand bestaat voornamelijk uit eurytope soorten (70%). Het limnofiele bestand omvat 30% van de visbiomassa. Het rheofiele en exotenbestand samen bepalen <0,5% van de totale visbiomassa. De visbiomassa wordt voornamelijk bepaald (66%) door de vis >40 cm. De meest voorkomende vissoort op basis van biomassa is snoek (30%), gevolgd door zeelt (29%) Tabel Bestandschatting in aantal/ha inde Zouweboezem in 2010 Gilde Vissoort Totaal 0+ > >40 Eurytoop Aal/Paling Baars Blankvoorn Brasem Driedoornige stekelbaars Hybride Kleine modderkruiper Kolblei Pos Snoekbaars Limnofiel Rietvoorn/Ruisvoorn Vetje Zeelt Rheofiel Winde Exoot Roofblei Subtotaal ecologische indeling voor snoek Totaal >54 Eurytoop Snoek Totaal = <0,5 stuks/ha; - = niet aangetroffen Kenmerk: /001, definitief,juni 2011 Blz. 81 van 92

82 Het aantalsbestand van het waterlichaam wordt geraamd op stuks per hectare. Er zijn 15 vissoorten (excl. hybride) in de Zouweboezem aangetroffen, hiervan zijn 10 vissoorten eurytoop, 3 limnofiel, 1 rheofiel en 1 exoot. Het aandeel eurytope vissoorten wordt geraamd op 94%, Het aandeel limnofiele wordt geraamd op 6%. Het aandeel rheofiele en exoten samen wordt berekend op 0,1%. Het grootse aandeel (76%) in de aantallen word bepaald door broed (7% van de biomassa), de grote vissen bepalen slechts 2% van het totaal aantal vissen (66% van de biomassa). De vissoort met het hoogste aandeel in de aantalschatting is baars (58%), dit zijn voornamelijk 0+ vissen Lengtesamenstelling In 21.1 van het bijlagenrapport worden de lengtefrequentiegrafieken van de gevangen vissoorten in de Zouweboezem gepresenteerd. Hieronder worden deze grafieken kort besproken. Bij de baars is voornamelijk broed aangetroffen (tot 9 cm), ook is in de grafiek nog een klein aantal éénjarige vissen te onderscheiden (10-14 cm), grotere vis is vrijwel niet gevangen. Bij de brasem en de blankvoorn zijn 0+ en 1+ vissen goed vertegenwoordigd in de grafieken, bij de brasem is de éénjarige vis zelfs sterker aanwezig in verhouding tot 0+ vissen. Bij de blankvoorn zijn daarnaast nog een klein aantal vissen tot 23 cm aangetroffen. Bij de brasem zijn er in de grotere lengteklassen wel vissen aangetroffen, maar hun aandeel is erg laag. Bij de pos zijn er duidelijk twee lengteklassen te onderscheiden, tot 7 cm is het broedbestand, daarna is het meerjarig. Bij de ruisvoorn is voornamelijk broed en eenjarige vis aangetroffen van de grotere exemplaren is er slechts een enkele vis gevangen. Bij snoek en zeelt zijn geen grote aantallen zijn gevangen. De aangetroffen vissen zijn verdeeld over de gehele lengterange van de vissoorten. Bij de overige soorten zijn te weinig vissen gevangen om een trend waar te nemen Beoordeling maatlatten In het bijlagenrapport 21.3 staat de QBWat-beoordelingen van de Zouweboezem weergegeven. In de onderstaande tabel en grafiek worden de scores gepresenteerd. Na de tabel wordt de beoordeling beknopt besproken. Tabel Maatlatbeoordeling Zouweboezem MEP/GEP M10 Zouweboezem Deelmaatlat M10 SS plantminnend en migrerend 0,33 0,20 AB brasem+karper 0,33 0,26 AB plantminnend 0,33 0,25 Totaal score 1,00 0,71 SS = aantal soorten; AB = abundantie score 1,00 0,80 0,60 0,40 0,20 SS plantminnend en migrerend AB brasem+karper AB plantminnend 0,00 MEP/GEP M10 Zouweboezem Het visbestand in de Zouweboezem voldoet met een score van 0.71 aan het GEP voor watertype M10. De laagst scorende parameter is het aantal plantminnende en migrerende soorten. De overige twee parameters scoren relatief hoog op de maatlat. Er zijn in de visstand van de Zouweboezem op deze wijze dan ook geen duidelijke knelpunten op KRW-type M10 op te merken. Blz. 82 van 92 Kenmerk: /001, definitief, juni 2011

83 17.5 Beschermde soorten en exoten In de Zouweboezem zijn 3 vissoorten met een specifieke bescherming aangetroffen. De kleine modderkruiper staat vermeld in tabel 2 van de Flora- en Faunawet. Het vetje en de winde staan op de Rode Lijst vermeld als respectievelijk kwetsbaar en gevoelig. In het waterlichaam is één exoot (roofblei) aangetroffen. Kenmerk: /001, definitief,juni 2011 Blz. 83 van 92

84 18 BESPREKING 18.1 Maatlatbeoordelingen In tabel 18.1 is een overzicht van de maatlatscores en beoordeling gepresenteerd. Een korte bespreking van deze resultaten volgt na de tabel. Een meer uitgebreide versie van deze tabel wordt weergegeven in bijlage 22 Tabel Maatlatscore en beoordeling van de waterlichamen en watergangen Waterlichaam Watergang maatlat score toestand Giessen Giessen M10 0,58 GEP Kanalen Bommelerwaard Oost M3 0,51 Matig Kanalen Bommelerwaard Oost Hoofdwetering M6a 0,33 Ontoereikend Kanalen Bommelerwaard Oost Sloten Hedel/Ammerzoden M1a 0,63 GEP Kanalen Bommelerwaard Oost Drielsche wetering/sloten Kerkdriel M1a 0,84 GEP Kanalen Bommelerwaard Oost Weteringen zuid Zaltbommel M1a 0,19 Slecht Kanalen Land van Heusden & Altena M3 0,74 GEP Kanalen Land van Heusden & Altena Peerenboomsche Gat M1a 0,70 GEP Kanalen Land van Heusden & Altena Noorder Afwateringskanaal/Oude Maasje M3 0,95 GEP Kanalen Land van Heusden & Altena Sloten Dussen M1a 1,00 MEP Kanalen Land van Heusden & Altena Weteringen Meeuwen/Babyloniënbroek M3 0,66 GEP Kanalen Land van Heusden & Altena Weteringen Eethen M3 0,57 Matig Kanalen Lek & Linge M3 0,64 GEP Kanalen Lek & Linge Culemborgse Vliet M6a 0,49 Matig Kanalen Lek & Linge Het Wiel M11 0,49 Matig Kanalen Lek & Linge Prijsche wetering/nieuwe wetering M1a 0,50 Matig Kanalen Lek & Linge Nieuwe Graaf/Bisschopsgraaf M3 0,64 GEP Kanalen Lek & Linge Sloten De Regulieren/Molenkampen M1a 0,47 Matig Kanalen Quarles van Ufford M3 0,82 GEP Kanalen Quarles van Ufford Grote wetering/rijksche wetering M3 0,72 GEP Kanalen Quarles van Ufford Reefwetering M3 0,65 GEP Kanalen Quarles van Ufford Sloten zuid Beneden-Leeuwen M1a 0,73 GEP Kanalen Quarles van Ufford Blauwe wetering M1a 0,82 GEP Kanalen Quarles van Ufford Sloten zuid Druten M1a 0,80 GEP Kanalen Quarles van Ufford Broeksche Leigraaf M1a 0,57 Matig Kanalen Quarles van Ufford Deetsche Leigraaf/Hoekgraaf M1a 0,77 GEP Kanalen Vijfheerenlanden M3 1,00 MEP Kanalen Vijfheerenlanden Weteringen oost Arkel M3 1,00 MEP Kanalen Vijfheerenlanden Middelwetering/Achterwetering/Kortenhoevensche wetering M3 1,00 MEP Kanalen Vijfheerenlanden Nederboeicopper wetering M3 0,94 GEP Linge en kanalen Nederbetuwe M6a 0,65 GEP Linge en kanalen Nederbetuwe Linge M6a 0,63 GEP Linge en kanalen Nederbetuwe Ooijsche wetering M1a 0,38 Ontoereikend Linge en kanalen Nederbetuwe Sloten zuid Ommeren M1a 0,86 GEP Linge en kanalen Nederbetuwe Sloten zuid Lienden M1a 0,64 GEP Linge en kanalen Overbetuwe M6a 0,80 GEP Linge en kanalen Overbetuwe Linge M6a 0,72 GEP Linge en kanalen Overbetuwe Sloot Kampse straat M1a 0,68 GEP Linge en kanalen Overbetuwe Stadswater Arnhem/Zuidelijke Laarsche Pijp M1a 0,66 GEP Linge en kanalen Overbetuwe Bemmelsche Zeeg M1a 0,56 Matig Linge en kanalen Overbetuwe Sloten A15/Rietgraaf M1a 0,95 GEP Oude Rijn Oude Rijn M3 1,00 MEP Sloot Bloemers sloot Bloemers M1a 0,86 GEP Sloten Citters M1a 0,66 GEP Sloten Citters Wijchense Meer M11 0,69 GEP Sloten Citters Niftriksche wetering M1a 0,22 Ontoereikend Sloten Citters Weteringen oost van Wijchense meer M1a 0,77 GEP Sloten Citters Balgoysche wetering/zeedijksche Leijgraaf M1a 0,21 Ontoereikend Sloten Lek & Linge M1a 0,67 GEP Sloten Lek & Linge Korne M3 0,57 Matig Sloten Lek & Linge Hooglandsche wetering M1a 0,80 GEP Sloten Nederbetuwe M1a 0,56 Matig Sloten Nederbetuwe Sloten Tiel M1a 0,73 GEP Sloten Nederbetuwe Sloten Geldermalsen M1a 0,84 GEP Sloten Nederbetuwe Mauriksche wetering/leewetering M3 0,63 GEP Sloten Nederbetuwe Sloten Rijswijksche Veld M3 0,80 GEP Veenvaarten Overwaard M10 0,68 GEP Veenvaarten Overwaard Groote- of Achterwaterschap M10 0,61 GEP Veenvaarten Overwaard Ammersche Boezem/Kromme elleboog/peursumsche Vliet M10 0,70 GEP Veenvaarten Overwaard Dwarsgang M10 0,82 GEP Veenvaarten Overwaard Smoutjes vliet M10 0,44 Matig Veenvaarten Overwaard Schelluinse vliet M10 0,50 Matig Veenvaarten Overwaard Groote Vliet M10 0,60 GEP Veenvaarten Overwaard Sloten oost Streefkerk M10 0,29 Ontoereikend Zouweboezem Zouweboezem M10 0,71 GEP Blz. 84 van 92 Kenmerk: /001, definitief, juni 2011

85 Als eerste komt uit de beoordelingen naar voren dat het merendeel (87%) van de waterlichamen en (70%) van de watergangen voldoet aan GEP. Vier watergangen behaalden zelfs de MEP. Waterlichamen Van de 15 waterlichamen worden 13 waterlichamen met GEP of MEP beoordeeld. Slechts 2 watergangen scoren matig. Dit zijn de kanalen Bommelerwaard- oost (NL 09_08) en de sloten Nederbetuwe (NL09_25). In de Bommelerwaard oost zijn twee watergangen met een hoog brasembestand bepalend voor de lage score van het waterlichaam. In deze voedselrijke watergangen wordt dan ook nauwelijks oever en of submerse vegetatie aangetroffen wat de geringe abundantie van plantenminnende vissen verklaard. In de factsheets (ref. 7) van deze watergang blijkt dat ook de EKR van de waterflora, fytoplankton en doorzicht als matig beoordeeld wordt op de maatlat M3. In het waterlichaam sloten Nederbetuwe is het opmerkelijke dat de afzonderlijke watergangen wel aan de maatlat van de eigen typering (M1a/M3) voldoen maar op waterlichaam-niveau (M1a) wordt niet voldaan aan de maatlat, doordat de klassengrenzen voor KRW-type M1a anders liggen. Uit de factsheets is op te maken dat de macrofauna en de overige waterflora in het waterlichaam gebied ook met matig en ontoereikend beoordeeld wordt. In dergelijke uitzonderlijke gevallen moet kritisch gekeken worden of de type indeling van het waterlichaam correct is. Daarnaast kan gekeken worden of de default maatlat wel voldoet of dat hiervoor een gebiedsspecifieke maatlat moet worden opgesteld. Verder blijkt dat het merendeel van de watergangen in het gebied Kanalen Lek en Linge maar matig voldoet aan het streefbeeld voor het eigen watertype. Ook uit de factsheets is af te lezen dat de EKR van de macrofauna, overige waterflora en doorzicht in het gebied ontoereikend is en dat fytoplankton met matig wordt beoordeeld. De reden voor het toch voldoen aan het streefbeeld voor vis is de grote invloed van de Linge (M3) in het gebied die voor een grote soortenrijkdom zorgt.. Watergangen Ook de bemonsterde watergangen zijn getoetst aan de maatlatten. Hierbij moet worden opgemerkt dat de maatlatten in eerste instantie zijn ontwikkeld voor toetsing van de waterlichamen, niet voor losse punten of watergangen. Toetsing aan afzonderlijke punten of watergangen valt vaak te laag uit als gevolg van verminderde trefkans (door geringe vangstinspanning) op aantal soorten. Bij de watergangen worden desondanks 38 van de 53 onderzochte watergangen met GEP of MEP beoordeeld. Eén watergang (weteringen zuid Zaltbommel) wordt met slecht beoordeeld, het brasem en karperbestand wordt hier ook op ruim 550 kg/ha (86% van totaalbestand) geraamd. Vijf watergangen worden als ontoereikend beoordeeld. Grootste knelpunt bij deze watergangen is in eerste instantie het hoge brasembestand vaak in combinatie met een laag aandeel plantminnende vissen. Tien watergangen worden als matig beoordeeld. Ook hier is een combinatie van het hoge aandeel brasem+ karper in het totaalbestand en daarmee samenhangend het lage aandeel plantminnende vissen de oorzaak. Bij een ontoereikende en matige beoordeling is door de combinatie van laagscorende parameters niet direct een oorzaak/gevolg maar wel een duidelijk knelpunt aan te wijzen. Door het hoge brasembestand wordt het aandeelspercentage plantminnende vissen in het totaalbestand automatisch lager. Het hoge brasembestand kan ontstaan door een eenvormige opbouw van het waterlichaam en te weinig water- en oeverplanten, maar het hoge brasembestand zorgt er ook voor dat deze situatie in stand gehouden wordt. Vaak is een hoge nutriëntbelasting en/of een zeer voedselrijke waterbodem in de watergang mede bepalend voor het in stand houden van deze situatie. Wanneer die waterbodem uit klei bestaat, wat niet ondenkbaar is in het rivierengebied, is het bijna onontkoombaar dat er een hoog visbestand aan benthivore vis aanwezig is met een dominante invloed op het ecosysteem. Maatlatten Bij de huidige beoordeling is gebruikt gemaakt van de maatlatten van vijf KRW-watertypen. Van deze maatlatten is alleen het KRW-type M11 een natuurlijke maatlat, de overige maatlatten zijn opgesteld voor kunstmatige wateren en zijn feitelijk afgeleide maatlatten waarbij reeds doelverlaging toegepast is voor onomkeerbare veranderingen ten opzichte van de natuurlijke situatie. Bij de toepassing van de maatlatten is als belangrijke voorwaarde opgenomen dat de bemonsteringsvangtuigen en de bemonsteringsinspanning conform de standaard richtlijnen zijn. Op deze wijze kunnen vergelijkbare watertypen wateren onderling en in de tijd goed met elkaar vergeleken worden. Kenmerk: /001, definitief,juni 2011 Blz. 85 van 92

86 In de maatlatten is bij het berekenen van de vangstinspanning per vangtuig, rekening gehouden met het al dan niet missen van een enkele vis of vissoort. Het is dus niet nodig alle aanwezige vissoorten in de vangst te krijgen. Ook is bij het opstellen van de klassegrenzen een marge aangehouden waarin de visstand kan en mag variëren. Deze marge is ook nodig want het visbestand is dynamisch en kan door de jaren heen een variatie vertonen. Dit geeft de maatlatten een zekere robuustheid mee waardoor deze jaarlijkse variatie niet direct resulteert in een sterke variatie in de maatlatscore en beoordeling. Pas als op meerdere opvolgende bemonsteringsjaren een positieve (of negatieve) trend is waar te nemen kan men spreken van een toe of afname van de kwaliteit van het visbestand. Lengtesamenstelling De lengtesamenstelling, zoals deze gegeven wordt in de LF grafieken in het bijlagerapport zijn niet opgenomen in de gebruikte maatlatten. In het algemeen wordt de lengteopbouw niet direct beschouwd als maat voor menselijke beïnvloeding en daar zijn de maatlatten wel voor ontwikkeld. Voor een enkele maatlat voor grotere meren is wel de lengteverdeling van consumptieve vissoorten, zoals snoekbaars en aal, opgenomen omdat in die gebieden (denk aan IJsselmeer en grote rivieren) intensieve beroepsmatige benutting van visstanden plaatsvinden. In de watertypen binnen het beheergebied van Waterschap Rivierenland is dit niet van toepassing. De lengteverdeling kan wel echter inzicht geven in de autoecologie van de visstanden. Hieronder wordt kort de lengtesamenstelling van de meest voorkomende soorten in het algemeen besproken. Baars Bij de baars worden er hoofdzakelijk exemplaren van cm aangetroffen. In het hele gebied zijn slechts 8 exemplaren gevangen die groter zijn dan 25 cm. Dit verschijnsel komen we vaker tegen tijdens de bemonsteringen. Het gaat dan om wateren met niet optimale omstandigheden voor de baars (ondiep en troebel water, hoge watertemperatuur). Onder dergelijke omstandigheden vertoont de baars vaak dwerggroei en zal zich al bij een geringe lengte van cm gaan voortplanten. Deze situatie kan zeer lang tot permanent in stand blijven als de omstandigheden niet veranderen. De baarspopulatie zal zich dan wel handhaven, maar zal zoals hier het geval is, uit kleinere exemplaren bestaan. In grote en diepe wateren zoals zandwinplassen worden vaak wel grote baarzen gevangen. Blankvoorn De aangetroffen blankvoorns bestaan hoofdzakelijk uit exemplaren tot circa 25 cm. Wel zijner verspreid over het gebied 36 exemplaren tussen de 25 en 31 cm gevangen. In het algemeen geldt dat blankvoorn in de kleinere wateren een minder sterke groei vertoont dan de blankvoorn op de grotere meren (bv Friese meren of het IJsselmeer) en de grote rivieren. De achterliggende oorzaak is de aanwezigheid van mosselen (driehoeksmosselen, erwtenmosselen) in deze wateren welke essentieel zijn als voedsel voor de grotere voorns. Ook predatie door aalscholvers kan een rol spelen (zie brasem). De aanwezige blankvoornpopulatie in de meeste onderzochte wateren vertoont dan ook een populatieopbouw die kenmerkend is voor kleinere watergangen. Wel kan uit de LF grafieken worden opgemaakt dat de jaarklassen boven een lengte van 10 cm in elkaar gaan groeien. Dit komt doordat de groeisnelheid van de blankvoorn in deze watergangen gering is en sterk kan verschillen tussen de individuen. Brasem Bij de meeste watergangen en waterlichamen is een dip te zien in de LF van de brasem. De lengteklassen tussen de 25 en 40 cm zijn niet, of nauwelijks, aangetroffen. Dit is een trend die we overal in Nederland waarnemen. Er zijn meerder mogelijke oorzaken hiervoor aan te geven: Ten eerste predatie, deze categorie vissen vormen een gewilde prooivis voor predatoren zoals reigers en aalschovers. Een andere oorzaak kan zijn dat de plaatselijk omstandigheden voor dit slag brasem net wat minder gunstig zijn dan voor brasembroed of grotere (oudere) brasems. Een derde oorzaak is het mislukken van recrutering gedurende enkele jaren. Van brasem is bekend dat een vroege paai gevolgd door een koude periode leidt tot een verminderd paaisucces. Het is het afgelopen decennium meerdere keren voorgekomen dat een paar zeer warme dagen in april de brasem aanzette tot een zeer vroege paai. Deze warme dagen werden gevolgd door ene koude periode. Uit de grafieken en bestandschattingen blijkt dat het restbestand aan grote brasem voldoende hoog is om het broedbestand op peil te houden Een directe daling van het brasembestand is dan ook niet te verwachten. Blz. 86 van 92 Kenmerk: /001, definitief, juni 2011

87 Flora en Faunawet en Rode Lijst soorten In het onderzochte gebied komen 9 vissoorten voor met een speciale beschermingsstatus (Flora en Faunawet tabel 2 of 3, Rode Lijst). De meest voorkomende soorten zijn kleine modderkruiper, bittervoorn, bermpje, vetje en winde. Overigens is bermpje sinds 1 juli 2010 niet langer beschermd onder de Ff-wet. Deze soorten komen in het merendeel van de watergangen (>20) voor. Tevens worden deze soorten in meer dan 9 waterlichamen aangetroffen. De grote modderkruiper, kroeskarper, kopvoorn en rivierdonderpad worden slechts sporadisch in het gebied aangetroffen en de verspreiding van deze soorten beperkt zich dan ook vaak tot 1-3 watergangen verspreid over 1 of 2 waterlichamen. In het merendeel van de waterlichamen komen meer dan 4 soorten met een beschermde status voor. In de onderzochte waterlichamen worden de meeste soorten met beschermde status (6 vissoorten) aangetroffen in de Linge in het waterlichaam Linge en kanalen Over- en Nederbetuwe. Exoten In het gebied worden 7 vissoorten aangetroffen met de status van Exoot, dit zijn blauwband, graskarper, kesslersgrondel, marmergrondel, pontische stroomgrondel, roofblei en zwartbekgrondel. Dat wil zeggen dat deze soort van oorsprong niet in de Nederlandse wateren voorkomt. De soort wordt sinds 2002 in Nederland aangetroffen. De marmergrondel is een van de exoten die zich snel verspreid in dit gebied. Deze soort wordt al in 40% van de onderzochte watergangen aangetroffen, de soort komt daarmee in 6 van de 15 waterlichamen voor. Het verspreidingsgebied beperkt zich voornamelijk tot de Betuwe, waarschijnlijk zijn de Waal, de Linge en de Oude Rijn de belangrijkste bronnen van deze soort en komen met het inlaten van water mee het gebied in. Het lijkt het erop de marmergrondel zijn verspreidingsgebied langzaam aan het uitbreiden is, want bij de bemonsteringen van 2007 is de marmergrondel alleen aangetroffen in de Linge en nog niet in de aansluitende wateren hiervan. De Roofblei wordt in 38 % van de watergangen aangetroffen, tevens wordt de soort in 12 van de 15 waterlichamen aangetroffen. De soort wordt niet aangetroffen in de waterlichamen sloten Citters, sloot Bloemers en kanalen Vijfherenlanden. De overige exoten komen in 1 tot 4 watergangen verspreid over het gebied voor. Voor de meeste soorten blijft de verspreiding beperkt tot 1 of 2 waterlichamen. De meeste exoten komen voor op de Linge en in het waterlichaam Linge en kanalen Overbetuwe Vergelijking verschillende delen Linge In de bemonstering is de Linge in twee deelgebieden Nederbetuwe en Overbetuwe bemonsterd. Tijdens de bemonstering van 2007 is de benedenloop van de Linge (ref. 6) bemonsterd. In de onderstaande tabel worden de verschillende delen van de Linge met elkaar vergeleken. Tabel Vergelijking Linge L-Ob L-Nb Ben. Linge Visstand M6a M6a M6a biomassa (kg/ha) 114,8 97,9 126,3 Aantal (stuks/ha) Aantal soorten KRW-type M6a M6a M6a ss plantminnend en migrerend 0,33 0,33 0,33 ab brasem en karper 0,24 0,18 0,33 ab plantminnend 0,14 0,12 0,32 score 0,72 0,63 0,99 beoordeling GEP GEP GEP Ss: soortsamenstelling; ab: abundantie; Ob: Overbetuwe; Nb: Nederbetuwe Kenmerk: /001, definitief,juni 2011 Blz. 87 van 92

88 De biomassaramingen van de verschillende delen van de Linge liggen in alle bemonsteringen in dezelfde orde van grote, op circa kg/ha. De aantalschattingen lopen echter sterk uiteen van stuks/ha in de benedenloop tot stuks/ha in het meest bovenstroomse gedeelte van de Linge (Overbetuwe). Dit geeft aan dat in het bovenstroomse gedeelte meer kleinere vis(soorten) worden aangetroffen. De Linge heeft met ruim 20 vissoorten een hoge diversiteit in vissoorten, dit uit zich in de maximale score op de maatlat voor soortsamenstelling. De gehele maatlatbeoordeling voldoet in alle gedeeltes van de Linge dan ook aan het GEP. Wel is het opvallend dat juist in het middengedeelte van de Linge de laagste score op de maatlat M6a behaald wordt, vooral het hogere aandeel brasem/karper en een minder hoge biomassa aan plantminnende soorten zijn hierin bepalend Vergelijking voorgaande jaren Een aantal locaties zijn eerder bemonsterd. In de onderstaande tabel staan de belangrijkste kenmerken van de visbestanden van de huidige bemonstering en de bemonstering van 2007 (ref. 6) vermeld. Na de tabel worden de gegevens kort besproken Tabel Vergelijking voorgaande bemonsteringen Giessen NG/BG Hoofdwetering Zouweboezem visbestand biomassa ,5 434,4 312,7 248,3 337,9 102,8 118 aantal N soorten KRW type M10 M10 M3 M3 M6a M6a M10 M10 score 0,37 0,58 0,75 0,64 0,54 0,33 0,57 0,71 beoordeling Ontoereikend GEP * GEP GEP matig ontoereikend matig GEP GEP is verlaagd naar 0.55 NG/BG: Nieuwe Graaf of Bisschopsgraaf Giessen De visstand in de Giessen is in vergelijking tot de bemonstering van 2007 meer in overeenstemming met het streefbeeld voor KRW-type M10. Op alle deelmaatlatten is een betere score gerealiseerd. Met name het aantal en aandeel plantminnende soorten is nu hoger dan in In het aantal plantminnende en migrerende vissoorten is nu één soort meer gevangen (8 i.p.v. 7, de giebel is in 2007 wel aangetroffen, nu is in plaats daarvan driedoornige stekelbaars en vetje aangetroffen), daarmee wordt deze parameter een klasse hoger beoordeeld. Het aandeel plantminnende soorten wordt in grote mate bepaald door het aandeel snoek en zeelt, van beide soorten is een hogere biomassa aangetroffen. Het aandeel brasem en karper is verhoudingsgewijs lager, daarmee scoorde ook deze parameter hoger. Bij elkaar zorgen deze kleine verschillen in het visbestand voor een score die wat hoger uitvalt. Mede door de verlaagde afgeleide maatlat valt de beoordeling hiermee 2 klassen hoger uit. In 2007 zijn er in de Giessen 2 soorten met een Beschermde status aangetroffen(bittervoorn en kleine modderkruiper, in 2010 werden naast de bovengenoemde soorten nog winde en vetje ( twee Rode lijstsoorten) gevangen. Als exoot werd in beide jaren de roofblei aangetroffen. Nieuwe graaf/bisschopsgraaf Met de resultaten van de huidige bemonstering wordt de visstand vrijwel gelijk beoordeeld als in de De beoordeling komt in beide gevallen uit op GEP. Hoewel de bemonstering van 2007 geen KRW-beoordeling tot doel had, maar een zogenaamd reguliere bemonstering, zijn ze toch goed te vergelijken. Ook is het opvallend dat ondanks het hogere visbestand toch de GEP wordt gehaald, dit geeft aan dat de maatlat robuust genoeg is gebouwd om kleine verschillen tussen de jaren op te vangen. In de Nieuwe graaf/bisschopsgraaf werden in vissoorten met een bijzondere status aangetroffen, dit waren bittervoorn, kleine- en grote modderkruiper, vetje en winde. In 2010 zijn er ook vijf soorten met bijzondere status aangetroffen, alleen is nu het meer algemeen voorkomende bermpje i.p.v. de grote modderkruiper gevangen. In deze watergang is als exoot in 2007 alleen de graskarper aangetroffen, tijdens de huidige bemonsteringenzijn naast de graskarper ook roofblei en marmergrondel aangetroffen. Blz. 88 van 92 Kenmerk: /001, definitief, juni 2011

89 Hoofdwetering De Hoofdwetering is in 2009 in het kader van een mogelijk afvissingsproject bemonsterd (project is niet doorgegaan). Beide bemonsteringen zijn met dezelfde vangtuigen uitgevoerd. Bij de huidige bemonstering wordt een visbestand aangetroffen dat bijna 1,5x zo hoog wordt geraamd dan de vergelijkbare bemonstering in Hierbij moet in acht worden genomen dat de bemonstering in 2009 wat later in het seizoen, maar wel intensiever is uitgevoerd. Wel is in 2009 aangegeven dat hinder ondervonden werd van de stroming doordat het gemaal draaide, dit kan van invloed zijn geweest op de vangst van de grotere en snellere vissoorten. Het verschil zit ten eerste in het hogere brasembestand dat nu wordt aangetroffen en ten tweede in het hogere aandeel plantminnende vis in de bemonstering van Daarnaast wordt er één extra plantminnende soort (vetje) aangetroffen in de bemonstering van 2009, hierdoor wordt op deze parameter de maximale score gehaald. Beide bemonsteringen tonen in ieder geval aan dat het visbestand onvoldoende met de streefwaarde overeenkomt. Tijdens de bemonsteringen in 2009 zijn vier vissoorten met een bijzondere status in de Hoofdwetering aangetroffen, dit waren bittervoorn, kleine modderkruiper, vetje en winde. In de huidige bemonstering is het vetje niet gevangen. Bij beide bemonsteringen is slechts één exoot aangetroffen, dit was de roofblei. Zouweboezem De visstand in de Zouweboezem wordt in de huidige bemonstering met GEP beoordeeld, waar deze in 2007 nog matig was. Deze hogere score is wordt grotendeels veroorzaakt door een iets hoger aandeel snoek en zeelt in de totale biomassaraming. Let wel, het gaat hierbij slechts om één of een beperkt aantal gevangen exemplaren. Ook werden tijdens de bemonstering van 2007 vijf plantminnende /migrerende soorten aangetroffen en in de huidige bemonstering zeven. De bovengenoemde redenen bepalen dat de score een klasse hoger uitvalt. Tijdens de bemonstering van 2007 is in de Zouweboezem slechts één vissoort met een bijzondere status aangetroffen (bittervoorn), deze soort is tijdens de huidige bemonstering niet aangetroffen, wel werden de winde en kleine modderkruiper als bijzondere soorten aangetroffen. In 2007 zijn in de Zouweboezem twee vissoorten uit het exotengilde aangetroffen (roofblei en zonnebaars), bij de huidige bemonstering is alleen de roofblei aangetroffen. Noorder Afwateringskanaal/Oude Maasje Deze watergang is niet in tabel 18.1 opgenomen, omdat van deze watergang van de bemonstering uit 2008 geen exacte data bekend zijn. Dergelijke bemonsteringen zijn doorgaans ook niet kwantitatief van aard Uit mededelingen van de federatie Alm en Biesbosch blijkt dat het visbestand in NAK/OM in de periode fors afgenomen is. In de winter van 2007/2008 is er om die reden een visserijkundig onderzoek door Sportvisserij Nederland uitgevoerd. Ons is bekend dat hierbij 14 vissoorten zijn aangetroffen. Hoe hoog het aangetroffen visbestand bij die bemonstering was is ons niet bekend. Sinds 2008 is de federatie begonnen met het herstel van de visstand, door middel van maatregelen ter bescherming van het aanwezige bestand en uitzettingen van gewenste vissoorten. In welke mate de maatregelen tot herstel hebben geleid is niet in te schatten, wel zijn er bij de huidige bemonstering 19 vissoorten aangetroffen en wordt het visbestand geraamd op 114 kg/ha. Ter vergelijking; de gevonden bestanden in de andere bredere watergangen in het gebied worden nu geraamd tussen de 200 en 350 kg/ha wat beduidend hoger is. Kenmerk: /001, definitief,juni 2011 Blz. 89 van 92

90 19 CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN 19.1 Conclusies In het gehele beheersgebied zijn 32 vissoorten aangetroffen, dit is exclusief de aangetroffen hybride vissoorten. Er zijn 13 eurytope vissoorten aangetroffen, 7 limnofiele soorten, 5 rheofiele vissoorten en 7 exoten. Per waterlichaam worden 15 tot 27 vissoorten aangetroffen, per watergang zijn er 4 tot 24 vissoorten gevangen. In het beheersgebied zijn er 9 vissoorten aangetroffen met een speciale bescherming. Hiervan staan er drie vermeld in tabel 3 van de Flora en Faunawet, twee vissoorten zijn in tabel 3 van de FF-wet opgenomen. Tevens zijn vijf van deze vissoorten als kwetsbaar opgenomen in de Rode Lijst en één staat als gevoelig op de Rode Lijst genoemd. In het onderzoek zijn zeven vissoorten van het exotengilde aangetroffen. De biomassa van het visbestand in de waterlichamen varieert tussen de 20 en 340 kg/ha, het gemiddelde bestand van de waterlichamen wordt op 155 kg/ha geraamd. Het bestand in de watergangen varieert nog sterker van 1,3 kg/ha tot 640 kg/ha. Ook hier wordt het gemiddelde bestand op 159 kg/ha geraamd. Het aantalsbestand van de waterlichamen varieert van tot stuks per hectare, het gemiddelde aantal vissen in de waterlichamen wordt geraamd op stuks per hectare. In de watergangen is de onderlinge spreiding tussen de bestanden groter, deze worden geraamd op 88 tot stuks per hectare, gemiddeld wordt het aantal vissen berekend op stuks/ha. De populatie van baars, blankvoorn is niet overal normaal opgebouwd. Bij baars en blankvoorn ontbreken vaak de grotere (>25 cm) exemplaren, wat te wijten is aan de plaatselijke leefomstandigheden, waardoor er dwerggroei of een sterk variabele groei in de lengteklassen ontstaat. Dit is echter wel vaker waar te nemen in de relatief kleinere wateren Bij de brasem is in de meeste waterlichamen een dip te zien in de grafieken bij de lengteklassen cm. Bij de waterlichamen voldoen 13 van de 15 onderzochte waterlichamen aan het KRWstreefbeeld. De overige 2 waterlichamen worden als matig beoordeeld. Bij de watergangen voldoen 38 van de 53 (70%) onderzochte watergangen aan het streefbeeld. Tien watergangen worden met matig beoordeeld. Vijf watergangen hebben als beoordeling ontoereikend en één watergang wordt met slecht beoordeeld. Vaak is de bepalende parameter een te hoog brasembestand in combinatie met een laag aandeel plantminnende vissen. In de watergangen wordt in deze gevallen dan vrijwel altijd een lage water- en oeverplantenbedekking en verminderd doorzicht waargenomen. De oorzaak of gevolgrelaties kunnen met het huidige onderzoek niet duidelijk onderscheiden worden. Vaak is een hoge nutriëntbelasting of nalevering van nutriënten uit de waterbodem wel een van de factoren die de situatie in stand houden. Wel moet hierbij in acht worden genomen dat de geselecteerde watergangen relatief breed zijn. Juist deze watergangen zijn het voorkeurshabitat voor de brasem. Zouden de smallere zijwatergangen bij het onderzoek betrokken worden dan zou naar alle waarschijnlijkheid het aandeel aan plantenminnende soorten hoger zijn. De bemonsteringen zijn goed te vergelijken met de bemonsteringen uit het verleden. Er zijn in de meeste gevallen vergelijkbare visbestanden aangetroffen, of anders kunnen de verschillen verklaard worden door de veranderde omstandigheden. Het verschijnen of verdwijnen van enkele soorten is terug te voeren op de vangst van enkele exemplaren bij de bemonsteringen. Blz. 90 van 92 Kenmerk: /001, definitief, juni 2011

91 19.2 Aanbevelingen In veel waterlichamen (watergangen) wordt een groot visbestand en een relatief hoog brasembestand aangetroffen. Hoewel de visstand in de wateren in de meeste gevallen aan het streefbeeld voor de KRW-maatlat voldoet, geldt dat dit niet voor alle KRW- deelmaatlatten (ref 7). Het verdient de aanbeveling om in ieder geval de waterlichamen die niet voldoen aan de KRW streefbeelden te blijven monitoren op meerdere parameters. Bepalend voor de hoge brasem- en visbestanden is voornamelijk de hoge nutriëntbelasting in het oppervlaktewater. Dat kan veroorzaakt worden door een externe belasting (bijvoorbeeld waterafvoer uit een agrarische gebied) maar ook door interne belasting door nalevering ui de waterbodem. Vooral bij kleibodems die in het rivierengebied algemeen zijn worden vaak zeer hoge bestanden van brasem en karper aangetroffen. Dit hoeft niet altijd, zoals blijkt uit de huidige beoordeling, tot lage KRWbeoordelingen te leiden. De huidige visstandbemonstering wijst erop dat in de meeste gevallen de visstand beter overeenkomt met het streefbeeld dan een aantal jaren geleden. Of de huidige visstand stabiel is valt echter nog af te wachten. Het is daarom aan te raden om de om de visstand in een (beperkt) aantal waterlichamen te blijven monitoren tot een stabiele situatie is opgetreden. Uit het onderzoek blijkt dat de meeste waterlichamen voldoen aan de maatlat van het meest voorkomende watertype. In het waterlichaam sloten Nederbetuwe (M1a) blijkt echter duidelijk dat een specifieke watergang met een ander watertype (Mauriksche wetering M3) veel meer invloed heeft op het visbestand in het waterlichaam dan de omliggende sloten. Het is aan te raden om de beoordelingskaders (KRW-typen) van een aantal waterlichamen nader te beschouwen en indien nodig verdere gebiedsspecifieke maatlatten af te leiden. Uit de factsheets en de waarnemingen in het veld valt af te leiden dat het waterschap inmiddels is gestart met het nemen van maatregelen zoals ecologisch maaibeheer, aanleg natuurvriendelijke oevers baggeren etc. om de KRW doelstellingen in de toekomst te halen. Bij de huidige beoordelingen wordt er bij de meeste waterlichamen de doelstelling voor vis al behaald. Wij stellen voor om huidige aanpak voort te zetten en waar mogelijk versneld in te laten gaan om de doelstellingen op de overige parameters ook binnen de termijn te kunnen behalen. In de meeste gevallen is naast het hoge brasembestand ook een laag aandeel plantminnende vissen oorzaak van een lage EKR-score. Maatregelen die de ontwikkeling van water en oeverplanten bevorderen zullen dan ook een positief effect op deze vissoorten (en op de EKR-score) hebben. In dat licht gezien is er een positief effect van de voorgenomen aanleg van veel natuurvriendelijke oevers en ecologisch maaibeheer te verwachten. Uit de vergelijking met de bemonsteringen van 2007 blijkt dat de exoten, met name marmergrondel en roofblei zich langzamerhand verder verspreid over het gebied. Ook de zwartbekgrondel hebben wij al op een enkele locatie in de Veenvaarten overwaard waargenomen Dit is waarschijnlijke een onbedoeld gevolg van de verbeterde optrekbaarheid van de watergangen binnen het gebied en het inlaten van water uit de grote rivieren. Voor het beschermen van zeer kwetsbare gebieden en de bijbehorende visbestanden is het aan te bevelen deze gebieden niet direct te koppelen aan de grotere watergangen waar deze soorten voorkomen maar per gebied een afweging te maken wat de gevolgen hiervan zijn. Kenmerk: /001, definitief,juni 2011 Blz. 91 van 92

92 20 LITERATUUR 1. Molen, D.T. van der & Pot, R., (red.), Referenties en maatlatten voor natuurlijke watertypen voor de kaderrichtlijn water, aanvullingen, STOWA, Utrecht. 2. Evers, C.H.M., Van den Broek, A.J.M., Buskens, R., Van Leerdam, A., Omschrijving MEP en conceptmaatlatten voor sloten en kanalen voor de Kaderrichtlijn Water. Deelstroomgebieden Rijn-West, Rijn-Midden, Rijn-Oost, Eems en Maas, STOWA en CSN. 3. Klinge, M., G. Hensens, A. Brenninkmeijer en L. Nagelkerke, Handboek Visstandbemonstering. Voorbereiding, bemonstering, beoordeling. STOWA, Utrecht 4. Handboek hydrobiologie. Biologisch onderzoek voor de beoordeling van Nederlandse zoete en brakke oppervlaktewateren. STOWA, Utrecht M.C. Beers & Koole M, Visstandbemonstering in twee deelgebieden van Waterschap Rivierenland in 2007, AquaTerra-KuiperBurger, Geldermalsen 7. Factsheets KRW per oppervlaktewaterlichaam, 2009, Waterschap Rivierenland, Tiel 8. Splunder, I. van, A. Bak, Pelsma, T., Richtlijnen monitoring oppervlaktewater Europese Kaderrichtlijn Water. Rapport versie 1.3 Blz. 92 van 92 Kenmerk: /001, definitief, juni 2011

De visstand in vaarten en kanalen

De visstand in vaarten en kanalen De visstand in vaarten en kanalen Jochem Hop Bijeenkomst Vissennetwerk 6 juni 2013, Bilthoven Inhoudsopgave Inleiding Materiaal en Methode Analyse Trends Inleiding KRW-watertypen M3, M10, M6 en M7 M3 gebufferde

Nadere informatie

Visstandonderzoek in vier waterlichamen in het beheergebied van waterschap Zuiderzeeland 2013

Visstandonderzoek in vier waterlichamen in het beheergebied van waterschap Zuiderzeeland 2013 Visstandonderzoek in vier waterlichamen in het beheergebied van waterschap Zuiderzeeland 2013 Rapportnummer: 20130405/rap01 Status rapport: Definitief Datum rapport: 6-3-2014 Auteur: Projectleider: Kwaliteitscontrole:

Nadere informatie

KRW visstandonderzoek in dertig waterlichamen in het beheergebied van Waterschap Rivierenland in 2018

KRW visstandonderzoek in dertig waterlichamen in het beheergebied van Waterschap Rivierenland in 2018 KRW visstandonderzoek in dertig waterlichamen in het beheergebied van Waterschap Rivierenland in 2018 Rapport 2: Toetsing en beoordeling van de visstand voor de KRW In opdracht van: Waterschap Rivierenland

Nadere informatie

KRW visstandbemonstering Waterschap Rivierenland 2014

KRW visstandbemonstering Waterschap Rivierenland 2014 KRW visstandbemonstering Waterschap Rivierenland 2014 21 waterlichamen J.H. Bergsma P.B. Broeckx D.M. Soes Ecologie & landschap KRW visstandbemonstering Waterschap Rivierenland 2014 21 waterlichamen ir

Nadere informatie

Rapportnummer: /rap02 Status rapport: Definitief Datum rapport:

Rapportnummer: /rap02 Status rapport: Definitief Datum rapport: Onderzoek naar het visbestand in de stilstaande en kleine wateren Scheldemeander Meerseput, Scheldemeander Het Anker, Leiemeander te Oeselgem, Oude Durme te Hamme en de Rupelmondse Kreek, 22 Provincie

Nadere informatie

RWS Waterdienst. Monitoring van de visstand in 4 afgeschermde en 4 open kribvakken in de Lek bij Everdingen in Projectnummer:

RWS Waterdienst. Monitoring van de visstand in 4 afgeschermde en 4 open kribvakken in de Lek bij Everdingen in Projectnummer: RWS Waterdienst Monitoring van de visstand in 4 afgeschermde en 4 open kribvakken in de Lek bij Everdingen in 28 Projectnummer: 28219 Status Definitief Kenmerk 28219/rap1 Datum 19 november 28 Opgesteld

Nadere informatie

Onderzoek naar het visbestand in de kleine en stilstaande wateren Schoendalebocht, Oude Leiearm te St-Baafsvijve en het Waggelwater, 2012

Onderzoek naar het visbestand in de kleine en stilstaande wateren Schoendalebocht, Oude Leiearm te St-Baafsvijve en het Waggelwater, 2012 Onderzoek naar het visbestand in de kleine en stilstaande wateren Schoendalebocht, Oude Leiearm te St-Baafsvijve en het Waggelwater, 22 Provincie West Vlaanderen Rapportnummer: 22369/rap4 Status rapport:

Nadere informatie

Onderzoek naar het visbestand in oude kanaaldelen, Oud Kanaal Bocholt, Oud Kanaal Bree-beek, Oud Kanaal Lanklaar en Oud Kanaal Dilsen 2018.

Onderzoek naar het visbestand in oude kanaaldelen, Oud Kanaal Bocholt, Oud Kanaal Bree-beek, Oud Kanaal Lanklaar en Oud Kanaal Dilsen 2018. Onderzoek naar het visbestand in oude kanaaldelen, Oud Kanaal Bocholt, Oud Kanaal Bree-beek, Oud Kanaal Lanklaar en Oud Kanaal Dilsen 208. Provincie Limburg Rapportnummer: 2080379/rap02 Status rapport:

Nadere informatie

Onderzoek naar het visbestand in enkele stilstaande viswateren in het Vlaamse Gewest. Leiemeanders Oost-Vlaanderen

Onderzoek naar het visbestand in enkele stilstaande viswateren in het Vlaamse Gewest. Leiemeanders Oost-Vlaanderen Onderzoek naar het visbestand in enkele stilstaande viswateren in het Vlaamse Gewest Leiemeanders Oost-Vlaanderen Rapportnummer: 265/4 Status rapport: Definitief Datum rapport: 5 maart 22 Auteur: Gecontroleerd:

Nadere informatie

Onderzoek naar het visbestand in stilstaande viswateren, Scheldemeander Nederename, Eine de Ster-Noord & Zuid, Heurne den Heuvel en Spettekraai 2018.

Onderzoek naar het visbestand in stilstaande viswateren, Scheldemeander Nederename, Eine de Ster-Noord & Zuid, Heurne den Heuvel en Spettekraai 2018. Onderzoek naar het visbestand in stilstaande viswateren, Scheldemeander Nederename, Eine de Ster-Noord & Zuid, Heurne den Heuvel en Spettekraai 218. Provincie Oost-Vlaanderen Rapportnummer: 218379/rap1_OVL

Nadere informatie

Onderzoek naar het visbestand in enkele stilstaande viswateren in het Vlaamse Gewest. Openbare Scheldemeanders West-Vlaanderen

Onderzoek naar het visbestand in enkele stilstaande viswateren in het Vlaamse Gewest. Openbare Scheldemeanders West-Vlaanderen Onderzoek naar het visbestand in enkele stilstaande viswateren in het Vlaamse Gewest Openbare Scheldemeanders West-Vlaanderen Rapportnummer: 26/ Status rapport: Definitief Datum rapport: maart 22 Auteur:

Nadere informatie

Onderzoek naar het visbestand in de kleine en stilstaande wateren Hazewinkel, De Bocht en Den Aerd, 2012

Onderzoek naar het visbestand in de kleine en stilstaande wateren Hazewinkel, De Bocht en Den Aerd, 2012 Onderzoek naar het visbestand in de kleine en stilstaande wateren Hazewinkel, De Bocht en Den Aerd, 22 Provincie Antwerpen Rapportnummer: 22369/rap Status rapport: Definitief Datum rapport: 2-2-23 Auteur:

Nadere informatie

Onderzoek naar het visbestand in de kleine en stilstaande wateren Meer van Rotselaar, Demermeander Schoonhoven en de Vallei van de drie beken, 2014

Onderzoek naar het visbestand in de kleine en stilstaande wateren Meer van Rotselaar, Demermeander Schoonhoven en de Vallei van de drie beken, 2014 Onderzoek naar het visbestand in de kleine en stilstaande wateren Meer van Rotselaar, Demermeander Schoonhoven en de Vallei van de drie beken, 214 Provincie Vlaams Brabant Rapportnummer: 21439_VLB/rap1

Nadere informatie

Waterschap Hunze en Aa's

Waterschap Hunze en Aa's Waterschap Hunze en Aa's Projectnummer: 20071132 Status Definitief Datum 13 februari 2008 Opgesteld door Tom Bruinsma & Marco Beers Gecontroleerd door Matthijs Koole AquaTerra-KuiperBurger ATKB Geldermalsen

Nadere informatie

RWS Waterdienst. Visstandonderzoek Volkerak-Zoomeer november-december Projectnummer:

RWS Waterdienst. Visstandonderzoek Volkerak-Zoomeer november-december Projectnummer: RWS Waterdienst Visstandonderzoek Volkerak-Zoomeer november-december 28 Projectnummer: 281446 Status Definitief Datum januari 29 Opgesteld door J. Kampen, M. Koole Gecontroleerd P. Rutjes AquaTerra KuiperBurger

Nadere informatie

RWS Waterdienst. Visstandbemonstering Volkerak-Zoommeer. Projectnummer:

RWS Waterdienst. Visstandbemonstering Volkerak-Zoommeer. Projectnummer: RWS Waterdienst Visstandbemonstering Volkerak-Zoommeer Projectnummer: 851 Status Definitief Kenmerk 851/rap1 Datum oktober Opgesteld door Jouke Kampen Gecontroleerd Johan van Giels AquaTerra - KuiperBurger

Nadere informatie

KRW-visstandmonitoring Noord-Willemskanaal 2013

KRW-visstandmonitoring Noord-Willemskanaal 2013 KRW-visstandmonitoring Noord-Willemskanaal 2013 Rapport 2013-091 W. Patberg G. Wolters KRW-visstandmonitoring Noord-Willemskanaal 2013 Rapport 2013-091 W. Patberg G. Wolters bezoekadres oosterweg 127

Nadere informatie

Visserij Service Nederland sterk in viswerk Visinventarisatie 2014

Visserij Service Nederland sterk in viswerk Visinventarisatie 2014 Visserij Service Nederland sterk in viswerk Visinventarisatie 2014 KRW-visbemonstering Tochten lage afdeling NOP en Vaarten NOP Rapport VSN 2014.05 In opdracht van Waterschap Zuiderzeeland 4 december 2014

Nadere informatie

Onderzoek naar het visbestand in enkele stilstaande viswateren in het Vlaamse Gewest

Onderzoek naar het visbestand in enkele stilstaande viswateren in het Vlaamse Gewest Onderzoek naar het visbestand in enkele stilstaande viswateren in het Vlaamse Gewest Vijvers Vlaams-Brabant Rapportnummer: 265/3 Status rapport: Definitief Datum rapport: 5 maart 22 Auteur: Gecontroleerd:

Nadere informatie

KRW visstandmonitoring Woldmeer 2016

KRW visstandmonitoring Woldmeer 2016 KRW visstandmonitoring Woldmeer 2016 Rapport 2016-112 J.H. van der Heide W. Patberg G. Wolters KRW visstandmonitoring Woldmeer 2016 Rapport 2016-112 J.H. van der Heide W. Patberg G. Wolters bezoekadres

Nadere informatie

Onderzoek naar het visbestand in enkele stilstaande viswateren in het Vlaamse Gewest. Rivierenhof en Blaasveld Broek

Onderzoek naar het visbestand in enkele stilstaande viswateren in het Vlaamse Gewest. Rivierenhof en Blaasveld Broek Onderzoek naar het visbestand in enkele stilstaande viswateren in het Vlaamse Gewest Rivierenhof en Blaasveld Broek Rapportnummer: 200605/002 Status rapport: Definitief Datum rapport: 3 april 202 Auteur:

Nadere informatie

Onderzoek naar het visbestand in de stilstaande wateren De Volharding en Mellevijver 2014

Onderzoek naar het visbestand in de stilstaande wateren De Volharding en Mellevijver 2014 Onderzoek naar het visbestand in de stilstaande wateren De Volharding en Mellevijver 2014 Provincie Antwerpen Rapportnummer: 20140778_Antw/rap01 Status rapport: Definitief Datum rapport: 22 april 2015

Nadere informatie

Visstandbemonstering Randmeren- Oost In opdracht van Rijkswaterstaat Directie IJsselmeergebied

Visstandbemonstering Randmeren- Oost In opdracht van Rijkswaterstaat Directie IJsselmeergebied Visstandbemonstering Randmeren- Oost 21 In opdracht van Rijkswaterstaat Directie IJsselmeergebied 23 december 21 Verantwoording Titel Visstand bemonstering Randmeren- Oost 21 Opdrachtgever Dienst IJsselmeergebied

Nadere informatie

Onderzoek naar het visbestand in de kleine en stilstaande wateren Paalse Plas, Meynekomplas en Heerenlaak, 2014

Onderzoek naar het visbestand in de kleine en stilstaande wateren Paalse Plas, Meynekomplas en Heerenlaak, 2014 Onderzoek naar het visbestand in de kleine en stilstaande wateren Paalse Plas, Meynekomplas en Heerenlaak, Provincie Limburg Rapportnummer: 9_LI/rap Status rapport: Definitief Datum rapport: 9 maart Auteur:

Nadere informatie

Visstandonderzoek Oostvaardersplassen Rapportnummer: /01 Status rapport: Concept Datum rapport: Januari 2011

Visstandonderzoek Oostvaardersplassen Rapportnummer: /01 Status rapport: Concept Datum rapport: Januari 2011 Visstandonderzoek Oostvaardersplassen 1 Rapportnummer: 1888/1 Status rapport: Concept Datum rapport: Januari 11 Auteur: J. Hop paraaf: Gecontroleerd: J. Kampen paraaf: Opdrachtgever: Waterschap Zuiderzeeland

Nadere informatie

Provincie Vlaams Brabant. Rapportnummer: /VBR_rap02 Status rapport: Definitief Datum rapport: Diestsepoort 6 bus Leuven

Provincie Vlaams Brabant. Rapportnummer: /VBR_rap02 Status rapport: Definitief Datum rapport: Diestsepoort 6 bus Leuven Onderzoek naar het visbestand in stilstaande viswateren en waterloopsystemen, Kleine vijver Horst, Webbekomsbroek, Meer van Weerde en Vallei van de Drie Beken 2018. Provincie Vlaams Brabant Rapportnummer:

Nadere informatie

Waterschap Hunze en Aa's

Waterschap Hunze en Aa's Waterschap Hunze en Aa's KRW visstandbemonstering kerngebieden kanalen Westerwolde 28 Projectnummer: 28631 Status Definitief Datum januari 29 Opgesteld door Matthijs Koole Gecontroleerd Jouke Kampen AquaTerra

Nadere informatie

Visstandbemonstering Vollenhover- en Kadoelermeer Rapportnummer: /rapp001 Status rapport: Definitief Datum rapport: juli 2010

Visstandbemonstering Vollenhover- en Kadoelermeer Rapportnummer: /rapp001 Status rapport: Definitief Datum rapport: juli 2010 Visstandbemonstering Vollenhover- en Kadoelermeer 21 Waterschap Zuiderzeeland Rapportnummer: 291265/rapp1 Status rapport: Definitief Datum rapport: juli 21 Auteur: J. Hop paraaf: Gecontroleerd: J. Kampen

Nadere informatie

Onderzoek naar het visbestand in de prioritaire viswateren Kanaal Brussel-Charleroi, Kanaal Roeselare-Leie en Kanaal Moervaart Durme, 2017

Onderzoek naar het visbestand in de prioritaire viswateren Kanaal Brussel-Charleroi, Kanaal Roeselare-Leie en Kanaal Moervaart Durme, 2017 Onderzoek naar het visbestand in de prioritaire viswateren Kanaal Brussel-Charleroi, Kanaal Roeselare-Leie en Kanaal Moervaart Durme, 217 Provincies West-Vlaanderen, Oost-Vlaanderen en Vlaams-Brabant Rapportnummer:

Nadere informatie

Vertroebeling en (verarming van) de visstand in het Julianakanaal. Jasper Arntz 6 juni 2013

Vertroebeling en (verarming van) de visstand in het Julianakanaal. Jasper Arntz 6 juni 2013 Vertroebeling en (verarming van) de visstand in het Julianakanaal Jasper Arntz 6 juni 2013 Inhoud Karakteristieken Julianakanaal Grensmaasproject Effecten van vertroebeling Abiotische monitoring Biotische

Nadere informatie

KRW visstandbemonstering Waterschap Rivierenland 2012

KRW visstandbemonstering Waterschap Rivierenland 2012 KRW visstandbemonstering Waterschap Rivierenland 212 D.M. Soes J.H. Bergsma W. Lengkeek B. van den Boogaard P.B. Broeckx J.L. Spier D. Beuker KRW visstandbemonstering Waterschap Rivierenland 212 D.M.

Nadere informatie

Langlopend onderzoek naar het visbestand in de Boven-Schelde

Langlopend onderzoek naar het visbestand in de Boven-Schelde Langlopend onderzoek naar het visbestand in de Boven-Schelde Najaarsonderzoek 2015 Rapportnummer: 20130096_3/rap01 Status rapport: Definitief Datum rapport: 2 december 2015 Auteur: Projectleider: Kwaliteitscontrole:

Nadere informatie

Onderzoek naar het visbestand in de grote prioritaire viswateren Kanaal naar Beverlo, Schelde- Rijnkanaal en Leopoldkanaal, 2014

Onderzoek naar het visbestand in de grote prioritaire viswateren Kanaal naar Beverlo, Schelde- Rijnkanaal en Leopoldkanaal, 2014 Onderzoek naar het visbestand in de grote prioritaire viswateren Kanaal naar Beverlo, Schelde- Rijnkanaal en Leopoldkanaal, 214 Provincies Limburg, Antwerpen, Oost-Vlaanderen en West-Vlaanderen Rapportnummer:

Nadere informatie

KRW-visstandmonitoring Eemskanaal / Winschoterdiep 2014

KRW-visstandmonitoring Eemskanaal / Winschoterdiep 2014 KRW-visstandmonitoring Eemskanaal / Winschoterdiep 2014 Rapport 2014-097 G. Wolters W. Patberg KRW-visstandmonitoring Eemskanaal / Winschoterdiep 2014 Rapport 2014-097 G. Wolters W. Patberg bezoekadres

Nadere informatie

Onderzoek naar het visbestand in de kleine en stilstaande wateren E3-Put Oostakker en Oude Leie Astene, 2014

Onderzoek naar het visbestand in de kleine en stilstaande wateren E3-Put Oostakker en Oude Leie Astene, 2014 Onderzoek naar het visbestand in de kleine en stilstaande wateren E3-Put Oostakker en Oude Leie Astene, 214 Provincie Oost Vlaanderen Rapportnummer: 214539_O-VL/rap1 Status rapport: Definitief Datum rapport:

Nadere informatie

KRW visstandmonitoring Kanalen Oldambt 2016

KRW visstandmonitoring Kanalen Oldambt 2016 KRW visstandmonitoring Kanalen Oldambt 2016 Rapport 2016-110 W. Patberg G. Wolters KRW Visstandmonitoring Kanalen Oldambt 2016 Rapport 2016-110 W. Patberg G. Wolters bezoekadres oosterweg 127 Haren postadres

Nadere informatie

Waterschap Hunze en Aa's

Waterschap Hunze en Aa's Waterschap Hunze en Aa's KRW visstandbemonstering kerngebieden kanalen Hunze-Veenkoloniën 28 Projectnummer: 28631 Status Definitief Datum januari 29 Opgesteld door Matthijs Koole Gecontroleerd Jouke Kampen

Nadere informatie

KRW visstandmonitoring Oldambtmeer 2016

KRW visstandmonitoring Oldambtmeer 2016 KRW visstandmonitoring Oldambtmeer 2016 Rapport 2016-111 J.H. van der Heide W. Patberg G. Wolters KRW visstandmonitoring Oldambtmeer 2016 Rapport 2016-111 J.H. van der Heide W. Patberg G. Wolters bezoekadres

Nadere informatie

Onderzoek naar het visbestand in de Leiemeanders Wevelgem, Bavikhove en de oude Leiearm Ooigem- Desselgem, najaar 2013.

Onderzoek naar het visbestand in de Leiemeanders Wevelgem, Bavikhove en de oude Leiearm Ooigem- Desselgem, najaar 2013. Onderzoek naar het visbestand in de Leiemeanders Wevelgem, Bavikhove en de oude Leiearm Ooigem- Desselgem, najaar 2013. Project: VA2013_04 Opgesteld in opdracht van: Agentschap voor Natuur en Bos April

Nadere informatie

Inventarisatie vissen in de Harderhoek en de Stille Kern, Flevoland

Inventarisatie vissen in de Harderhoek en de Stille Kern, Flevoland Inventarisatie vissen in de Harderhoek en de Stille Kern, Flevoland Een rapportage van RAVON in opdracht Waterschap Zuiderzeeland (mede namens Natuurmonumenten en de provincie Flevoland) J. Kranenbarg

Nadere informatie

Visstandmonitoring Zuidlaardermeer (KRW) en Foxholstermeer 2009

Visstandmonitoring Zuidlaardermeer (KRW) en Foxholstermeer 2009 Visstandmonitoring Zuidlaardermeer (KRW) en Foxholstermeer 29 Rapport 21-21 G.H. Bonhof G. Wolters Visstandmonitoring Zuidlaardermeer (KRW) en Foxholstermeer 29 Rapport 21-21 G.H. Bonhof G. Wolters bezoekadres

Nadere informatie

KRW visstandmonitoring Drentsche Aa 2016

KRW visstandmonitoring Drentsche Aa 2016 KRW visstandmonitoring Drentsche Aa 2016 Rapport 2016-109 W. Patberg KRW Visstandmonitoring Drentsche Aa 2016 Rapport 2016-109 W. Patberg bezoekadres oosterweg 127 Haren postadres postbus 111 9750 AC

Nadere informatie

Visstandbemonsteringen in het beheergebied van Waterschap Regge en Dinkel

Visstandbemonsteringen in het beheergebied van Waterschap Regge en Dinkel Visstandbemonsteringen in het beheergebied van Waterschap Regge en Dinkel veldwerkverslag 2008 Rapport 2009-023 J.H. Wanink Visstandbemonsteringen in het beheergebied van Waterschap Regge en Dinkel veldwerkverslag

Nadere informatie

Onderzoek naar het visbestand in de Scheldemeanders Kriephoek, Nedername en de Mesureput, najaar 2013.

Onderzoek naar het visbestand in de Scheldemeanders Kriephoek, Nedername en de Mesureput, najaar 2013. Onderzoek naar het visbestand in de Scheldemeanders Kriephoek, Nedername en de Mesureput, najaar 2013. Project: VA2013_04 Opgesteld in opdracht van: Agentschap voor Natuur en Bos April 2014 door: Vis,

Nadere informatie

Waterschap Rijn & IJssel

Waterschap Rijn & IJssel Waterschap Rijn & IJssel KRW-bemonstering 19 beken Waterschap Rijn en IJssel Projectnummer: 20070629 Status Definitief Paraaf Datum februari 2008 Opgesteld door Patrick Rutjes Renata Fortuin Gecontroleerd

Nadere informatie

Visstandonderzoek in enkele prioritaire viswateren in het Vlaams Gewest, 2015.

Visstandonderzoek in enkele prioritaire viswateren in het Vlaams Gewest, 2015. Visstandonderzoek in enkele prioritaire viswateren in het Vlaams Gewest,. Statuspagina Statuspagina Titel: Samenstelling: Auteur(s): Visstandonderzoek in enkele prioritaire viswateren in het Vlaams Gewest,.

Nadere informatie

Onderzoek naar het visbestand in de prioritaire viswateren Kanaal Dessel-Turnhout-Schoten, Kanaal Bossuit-Kortrijk en Kanaal Leuven-Dijle, 2017

Onderzoek naar het visbestand in de prioritaire viswateren Kanaal Dessel-Turnhout-Schoten, Kanaal Bossuit-Kortrijk en Kanaal Leuven-Dijle, 2017 Onderzoek naar het visbestand in de prioritaire viswateren Kanaal Dessel-Turnhout-Schoten, Kanaal Bossuit-Kortrijk en Kanaal Leuven-Dijle, 2017 Provincies Antwerpen, West-Vlaanderen en Vlaams- Brabant

Nadere informatie

AquaTerra Water en Bodem B.V

AquaTerra Water en Bodem B.V AquaTerra Water en Bodem B.V Visstandonderzoek in het beheersgebied van Waterschap Veluwe in Projectnummer: AT3..7 Datum: April 6 Status: Definitief Opgesteld: P. Rutjes Gecontroleerd: M. Beers, J.Kampen

Nadere informatie

NVO's en vis. Wat is het effect van NVO s op de visstand? 32 tigste bijeenkomst Vissennetwerk: KRW, Vis & Maatregelen

NVO's en vis. Wat is het effect van NVO s op de visstand? 32 tigste bijeenkomst Vissennetwerk: KRW, Vis & Maatregelen NVO's en vis Wat is het effect van NVO s op de visstand? 32 tigste bijeenkomst Vissennetwerk: KRW, Vis & Maatregelen Amersfoort, 24 november 2011 Carlo Rutjes & Michelle de la Haye Scoren met natuurvriendelijke

Nadere informatie

Soortenlijst zoete wateren en FAME-indeling voor gilden

Soortenlijst zoete wateren en FAME-indeling voor gilden BIJLAGE Soortenlijst zoete wateren en FAME-indeling voor gilden Nederlandse naam Wetenschappelijke naam Stromingsgilde Aal Anguilla anguilla EURY Alver Alburnus alburnus EURY Baars Perca fluviatilis EURY

Nadere informatie

Onderzoek naar het visbestand in enkele stilstaande viswateren in het Vlaamse Gewest

Onderzoek naar het visbestand in enkele stilstaande viswateren in het Vlaamse Gewest Onderzoek naar het visbestand in enkele stilstaande viswateren in het Vlaamse Gewest Rapportnummer: 200605/00 Status rapport: Definitief Datum rapport: 3 april 202 Auteur: Gecontroleerd: J. Hop J. Kampen

Nadere informatie

KRW-visstandmonitoring Schildmeer 2009

KRW-visstandmonitoring Schildmeer 2009 KRW-visstandmonitoring Schildmeer 2009 Rapport 2010-20 G.H. Bonhof G. Wolters KRW-visstandmonitoring Schildmeer 2009 Rapport 2010-020 G.H. Bonhof G. Wolters bezoekadres oosterweg 127 Haren postadres postbus

Nadere informatie

Onderzoek naar de visdichtheid in de Twentekanalen m.b.v. sonar

Onderzoek naar de visdichtheid in de Twentekanalen m.b.v. sonar Onderzoek naar de visdichtheid in de Twentekanalen m.b.v. sonar december 2006 Versie 1 door: Kemper Jan H. Statuspagina Titel Onderzoek naar de visdichtheid in de Twentekanalen m.b.v. sonar Samenstelling:

Nadere informatie

KRW-visstandmonitoring Oldambtmeer 2010

KRW-visstandmonitoring Oldambtmeer 2010 KRW-visstandmonitoring Oldambtmeer 2010 Rapport 2010-103 G.H. Bonhof G. Wolters koeman en bijkerk bv ecologisch onderzoek en advies KRW-visstandmonitoring Oldambtmeer 2010 Rapport 2010-103 G.H. Bonhof

Nadere informatie

KRW visstandbemonstering Waterschap Aa en Maas D.M. Soes P.B. Broeckx J.L. Spier B. van den Boogaard J.H. Bergsma

KRW visstandbemonstering Waterschap Aa en Maas D.M. Soes P.B. Broeckx J.L. Spier B. van den Boogaard J.H. Bergsma KRW visstandbemonstering Waterschap Aa en Maas 212 D.M. Soes P.B. Broeckx J.L. Spier B. van den Boogaard J.H. Bergsma KRW visstandbemonstering Waterschap Aa en Maas 212 D.M. Soes P.B. Broeckx J.L. Spier

Nadere informatie

Onderzoek naar het visbestand in de prioritaire viswateren Kanaal Dessel-Turnhout-Schoten, Kanaal Bossuit-Kortrijk en Kanaal Leuven-Dijle, 2014

Onderzoek naar het visbestand in de prioritaire viswateren Kanaal Dessel-Turnhout-Schoten, Kanaal Bossuit-Kortrijk en Kanaal Leuven-Dijle, 2014 Onderzoek naar het visbestand in de prioritaire viswateren Kanaal Dessel-Turnhout-Schoten, Kanaal Bossuit-Kortrijk en Kanaal Leuven-Dijle, 2014 Provincies Antwerpen, West-Vlaanderen en Vlaams- Brabant

Nadere informatie

Onderwerp: Voorlopige resultaten doortrekmetingen vislift H&Z polder Datum: 24-6-2013 Kenmerk: 20121066/not02 Status: Definitief Opsteller: J.

Onderwerp: Voorlopige resultaten doortrekmetingen vislift H&Z polder Datum: 24-6-2013 Kenmerk: 20121066/not02 Status: Definitief Opsteller: J. Aan: P.C. Jol Onderwerp: Voorlopige resultaten doortrekmetingen vislift H&Z polder Datum: 24-6-2013 Kenmerk: 20121066/not02 Status: Definitief Opsteller: J. Hop Inleiding Omstreeks begin mei 2013 is de

Nadere informatie

Onderzoek naar het visbestand in de prioritaire viswateren Dender, Kanaal Bocholt-Herentals en de Zuid-Willemsvaart, 2015

Onderzoek naar het visbestand in de prioritaire viswateren Dender, Kanaal Bocholt-Herentals en de Zuid-Willemsvaart, 2015 Onderzoek naar het visbestand in de prioritaire viswateren Dender, Kanaal Bocholt-Herentals en de Zuid-Willemsvaart, 215 Provincies Oost-Vlaanderen, Antwerpen en Limburg Rapportnummer: 214779_2_rap1 Status

Nadere informatie

Onderzoek naar het visbestand in het Donkmeer en enkele viswateren in het Berlarebroek, najaar 2013.

Onderzoek naar het visbestand in het Donkmeer en enkele viswateren in het Berlarebroek, najaar 2013. Onderzoek naar het visbestand in het Donkmeer en enkele viswateren in het Berlarebroek, najaar 2013. Project: VA2013_04 Opgesteld in opdracht van: Agentschap voor Natuur en Bos April 2014 door: Q.A.A.

Nadere informatie

Werkprotocol visbemonsteringen KRW

Werkprotocol visbemonsteringen KRW Visserij Service Nederland sterk in viswerk Werkprotocol visbemonsteringen KRW Bemonstering, verwerking gegevens, rapportage Opgesteld: Januari 2012 Update februari 2014 Visserij Service Nederland, Groot-Ammers

Nadere informatie

Vismonitoring Hollandse IJssel 2003

Vismonitoring Hollandse IJssel 2003 Ministerie van Verkeer en Waterstaat Vismonitoring Hollandse IJssel 3 8 juni 4 Ministerie van Verkeer en Waterstaat Vismonitoring Hollandse IJssel 3 8 juni 4 3 Vismonitoring Hollandse IJssel . Inleiding

Nadere informatie

KRW visstandmonitoring Lauwersmeer 2014

KRW visstandmonitoring Lauwersmeer 2014 KRW visstandmonitoring Lauwersmeer 2014 Rapport 2014-094 W. Patberg KRW visstandmonitoring Lauwersmeer 2014 Rapport 2014-094 W. Patberg bezoekadres oosterweg 127 Haren postadres postbus 111 9750 AC Haren

Nadere informatie

Onderzoek naar het visbestand in enkele meervormige viswateren in provincie Vlaams- Brabant, najaar 2013.

Onderzoek naar het visbestand in enkele meervormige viswateren in provincie Vlaams- Brabant, najaar 2013. Onderzoek naar het visbestand in enkele meervormige viswateren in provincie Vlaams- Brabant, najaar 2013. Project: VA2013_04 Opgesteld in opdracht van: Agentschap voor Natuur en Bos Februari 2014 door:

Nadere informatie

Onderzoek naar het visbestand in de viswateren Kanaal Brussel-Schelde, Gent-Oostende en Nieuwpoort-Plassendale, 2016

Onderzoek naar het visbestand in de viswateren Kanaal Brussel-Schelde, Gent-Oostende en Nieuwpoort-Plassendale, 2016 Onderzoek naar het visbestand in de viswateren Kanaal Brussel-Schelde, Gent-Oostende en Nieuwpoort-Plassendale, 216 Provincies Vlaams-Brabant, Antwerpen, West- en Oost-Vlaanderen Rapportnummer: 214779_3_rap1

Nadere informatie

Gemeente Lelystad. Bemonstering van de visstand in het Bovenwater te Lelystad. Projectnummer: AT Datum: Mei 2003

Gemeente Lelystad. Bemonstering van de visstand in het Bovenwater te Lelystad. Projectnummer: AT Datum: Mei 2003 Gemeente Lelystad Bemonstering van de visstand in het Bovenwater te Lelystad Projectnummer: AT 30.2003.095 Datum: Mei 2003 Status: Concept Opgesteld: J. Kampen Gecontroleerd: P. Rutjes Watertoren 20, Postbus

Nadere informatie

Waterleidingbedrijf Amsterdam

Waterleidingbedrijf Amsterdam Waterleidingbedrijf Amsterdam De uitdunning van de visstand in de plas Loenderveen Oost / Projectnummer: AT..796 Datum: Oktober Status: Definitief Opgesteld: S. Vernooij Gecontroleerd: J. Kampen AquaTerra

Nadere informatie

VISSTANDSONDERZOEK OP DE LEIEMEANDER TE WEVELGEM, 2003. West-Vlaanderen Burg 2B B-8000 Brugge. Duboislaan 14 B-1560 Hoeilaart-Groenendaal

VISSTANDSONDERZOEK OP DE LEIEMEANDER TE WEVELGEM, 2003. West-Vlaanderen Burg 2B B-8000 Brugge. Duboislaan 14 B-1560 Hoeilaart-Groenendaal VISSTANDSONDERZOEK OP DE LEIEMEANDER TE WEVELGEM, 2003 Sven Vrielynck (1) en Gerlinde Van Thuyne (2) (1) Provinciale Visserijcommissie West-Vlaanderen Burg 2B B-8000 Brugge (2) Instituut voor Bosbouw en

Nadere informatie

Onderzoek naar het visbestand in enkele meervormige viswateren in de Provincie Limburg, najaar 2015.

Onderzoek naar het visbestand in enkele meervormige viswateren in de Provincie Limburg, najaar 2015. Onderzoek naar het visbestand in enkele meervormige viswateren in de Provincie Limburg, najaar 15. Statuspagina Statuspagina Titel: Samenstelling: Auteur(s): Onderzoek naar het visbestand in enkele meervormige

Nadere informatie

edna vismonitoring van grote modderkruiper naar soortsamenstelling (KRW)

edna vismonitoring van grote modderkruiper naar soortsamenstelling (KRW) edna vismonitoring van grote modderkruiper naar soortsamenstelling (KRW) Jelger Herder Utrecht, 9 april 2015 Sommige soorten zijn lastig te monitoren Grote modderkruiper (Misgurnus fossilis) Vrijwilligers

Nadere informatie

Onderzoek naar het visbestand in de Grote en Kleine Keignaert, 2014

Onderzoek naar het visbestand in de Grote en Kleine Keignaert, 2014 Onderzoek naar het visbestand in de Grote en Kleine Keignaert, 2014 Provincie West-Vlaanderen Rapportnummer: 20140539_W-VL/rap01 Status rapport: Definitief Datum rapport: 23 maart 2015 Auteur: Projectleider:

Nadere informatie

Inventarisatie vissen in de Harderbroek en de Stille Kern, Flevoland

Inventarisatie vissen in de Harderbroek en de Stille Kern, Flevoland Inventarisatie vissen in de Harderbroek en de Stille Kern, Flevoland REPTIELEN AMFIBIEËN VISSEN ONDERZOEK NEDERLAND Inventarisatie vissen in de Harderhoek en de Stille Kern, Flevoland Een rapportage van

Nadere informatie

Wetenschappelijk onderzoek naar het visbestand en de vismigratie in de Grensmaasregio in het Vlaamse Gewest

Wetenschappelijk onderzoek naar het visbestand en de vismigratie in de Grensmaasregio in het Vlaamse Gewest Wetenschappelijk onderzoek naar het visbestand en de vismigratie in de Grensmaasregio in het Vlaamse Gewest Rapportnummer: 3/rap Status rapport: Definitief Datum rapport: februari Auteur: J. Hop paraaf:

Nadere informatie

1.2. Doel 2. MATERIAAL EN METHODE Onderzoeksgebied

1.2. Doel 2. MATERIAAL EN METHODE Onderzoeksgebied 1.2. Doel Het doel van de visstandbemonstering is om een representatief beeld van het totale benutbare schubvisbestand in het VBC-gebied Benedenrivieren en Haringvliet te krijgen. Hierbij zijn de volgende

Nadere informatie

Onderzoek naar de visstand in Tochten H en J

Onderzoek naar de visstand in Tochten H en J KRW VISSTANDONDERZOEK ZUIDERZEELAND 2013 Onderzoek naar de visstand in Tochten H en J N. van Kessel B. Niemeijer In opdracht van: Waterschap Zuiderzeeland 23 januari 2014 N A T U U R B A L A N S L I M

Nadere informatie

Bijlagenrapport 3 Vijzels; faunapomp

Bijlagenrapport 3 Vijzels; faunapomp Bijlagenrapport Vijzels; faunapomp Rapport: VA9_ Bijlagenrapport bij het hoofdrapport: Gemalen of vermalen worden (fase ). Onderzoek naar de visvriendelijkheid van 6 opvoerwerktuigen. (Kemper et al.,)

Nadere informatie

Kader Richtlijn Water

Kader Richtlijn Water Kader Richtlijn Water Visstandbemonsteringen waterlichamen Delfland Rapport VA2006_44 Opgesteld in opdracht van: Hoogheemraadschap van Delfland 5 februari 2007 Definitieve versie door: M.J. Kroes & F.T.

Nadere informatie

Uitwerking maatlatten voor vissen. Marcel Klinge

Uitwerking maatlatten voor vissen. Marcel Klinge Uitwerking maatlatten voor vissen Marcel Klinge Opbouw Wat is er gedaan tot nu? Hoe zien de maatlatten er globaal uit? Natuurlijke watertypen Sterk Veranderde watertypen Kunstmatige watertypen (kanalen)

Nadere informatie

Vissen met een potje water edna metabarcoding

Vissen met een potje water edna metabarcoding Vissen met een potje water edna metabarcoding Jelger Herder, Mark Scheepens en Marco Beers Den Bosch, 3 November 2016 Environmental DNA (edna) Hoe werkt het? Alle soorten in het water laten DNA sporen

Nadere informatie

Vismonitoring Hollandse IJssel 2004

Vismonitoring Hollandse IJssel 2004 Ministerie van Verkeer en Waterstaat Vismonitoring Hollandse IJssel 4 4 juni 5 Ministerie van Verkeer en Waterstaat Vismonitoring Hollandse IJssel 4 4 juni 5 3 Vismonitoring Hollandse IJssel . Inleiding

Nadere informatie

BIJLAGENRAPPORT 3. GEmALEN Of vermalen worden fase 3 VIJZELS & FAUNAPOMP. w03 RAPPORT

BIJLAGENRAPPORT 3. GEmALEN Of vermalen worden fase 3 VIJZELS & FAUNAPOMP. w03 RAPPORT BIJLAGENRAPPORT 3 GEmALEN Of vermalen worden fase 3 VIJZELS & FAUNAPOMP RAPPORT w3 BIJLAGENRAPPORT 3 Gemalen of vermalen worden fase 3 VIJZELS & FAUNAPOMP RAPPORT w3 Bijlagenrapport 3 bij het hoofdrapport

Nadere informatie

Inventarisatie beschermde vissoorten Vreeland

Inventarisatie beschermde vissoorten Vreeland Inventarisatie beschermde vissoorten Vreeland Rapport: VA2008_11 Opgesteld in opdracht van: Tijhuis Ingenieurs BV Maart, 2008 door: R. Caldenhoven Statuspagina Statuspagina Titel: Inventarisatie beschermde

Nadere informatie