Hoofdstuk 4, paragraaf 1
|
|
|
- Jonas Adam
- 6 jaren geleden
- Aantal bezoeken:
Transcriptie
1 Antwoorden door een scholier 4088 woorden 14 januari ,9 47 keer beoordeeld Vak Scheikunde Hoofdstuk 4, paragraaf Paracetamol is een pijnstiller, rennie wordt gebruikt wanneer men last heeft van maagzuur. Spiroflor gebruikt men bij spierpijn, rinileen bij verkoudheid of allergie. Rusta is een slaapmiddel, echinaplant is een middel dat de weerstand verhoogt. 1.2 Voorbeelden: Bayer (aspirine), AKZO Nobel (de pil). 1.3 Voorbeelden: VSM (spiroflor), Or A. Vogel, Bloem, Bional. 1.4 Bij een homeopathisch arts omdat hij/zij meer wil weten. 1.5 Aspirine stilt de pijn en verlaagt de koorts, dus bestriidt pijn en koorts. Daaraan is te zien dat het een regulier geneesmiddel is. 1.6 Thuja occidentalis kan wratten veroorzaken. Daardoor zet thuja occidentalis het lichaam aan om zich hiertegen te verdedigen. Met andere woorden: het versterkt het zelf genezende vermogen van het lichaam. Daaraan kun je zien dat het een homeopathisch geneesmiddel is. 1.7 Bij de reguliere geneeskunde hoort: contraria contrariis. Bij de homeopathie hoort: similia similibus curentur. Contraria contrariis (de tegengestelden tegen de tegengestelden) betekent: ziektes moeten bestreden worden (dus worden geneesmiddelen ingezet die tegengesteld werken, bijvoorbeeld een kalmerend middel bij opgewondenheid). Similia similibus curentur (het gelijkende moet met het gelijkende genezen worden) betekent: het zelf genezende vermogen van het lichaam moet gestimuleerd worden (dus worden geneesmiddelen gebruikt die dit zelfgenezende vermogen stimuleren, bijvoorbeeld een opwekkend middel bij opgewondenheid). 1.8 Met bijwerkingen worden ongewenste effecten van een regulier geneesmiddel bedoeld. 1.9 Bijvoorbeeld aspirine. Dit geneesmiddel heeft verschillende bijwerkingen. Het kan maagklachten geven. Ook kan het bloedverlies in de maag en in de darmen veroorzaken. Verder kan het tot overgevoeligheidsverschijnselen aanleiding geven Een homeopathisch geneesmiddel heeft (in het ideale geval) geen bijwerkingen, omdat het ziektebeeld en het geneesmiddelbeeld met elkaar overeen moeten komen. Dit betekent dat van alle effecten van een geneesmiddel gebruik wordt gemaakt Een regulier geneesmiddel is goed wanneer het een ziekte goed en snel geneest en wanneer het geen of weinig ongewenste bijwerkingen heeft Een homeopathisch geneesmiddel is goed wanneer het geneesmiddelbeeld goed overeenkomt met het ziektebeeld van de patiënt en wanneer het het zelf genezende vermogen van het lichaam goed stimuleert Kwaliteit is ook voor geneesmiddelen een belangrijk begrip. Mensen willen toch het beste geneesmiddel, het middel waar ze het meest baat bij hebben, wanneer ze ziek zijn. Je moet wel bedenken Pagina 1 van 10
2 dat kwaliteit in de reguliere geneeskunde wat anders betekent dan in de homeopathie Met dosis wordt bedoeld de hoeveelheid geneesmiddel die per keer wordt ingenomen. In de reguliere geneeskunde staat een hoge dosis voor veel werkzame stof. Men neemt aan dat het effect evenredig is met de hoeveelheid Ook hier wordt met dosis de hoeveelheid geneesmiddel bedoeld die per keer wordt ingenomen. In de homeopathie neemt men echter aan dat het effect sterker is naarmate het middel meer verdund is. Het effect is omgekeerd evenredig met de hoeveelheid. Hoofdstuk 4, paragraaf Allium cepa wordt gebruikt bij tranen en snotteren, bij niesbuien en prikkelhoest. Het middel werkt vooral bij klachten aan de luchtwegen met een allergische oorzaak, zoals hooikoorts Bestanddelen uit de ui zijn in de alcohol terechtgekomen. Deze kleuren de alcohol paarsrood. 2.4 De extractie treedt op wanneer het mengsel een week staat. Tijdens deze week wordt de alcohol steeds sterker van kleur. Dit duidt er op dat er steeds meer van de gekleurde bestanddelen uit de ui in de alcohol terechtkomen. 2.5 Bij de proef komen er bestanddelen uit de ui in de alcohol terecht en blijven er vaste bestanddelen over. Ui bestaat dus uit bestanddelen die oplossen in alcohol (eerste soort) en bestanddelen die niet oplossen in alcohol (tweede soort). 2.6 Ui kan gescheiden worden in bestanddelen die oplossen in alcohol en bestanddelen die niet oplossen in alcohol. Volgens chemici is (gesnipperde) ui dus geen zuivere stof. 2.7 Alcohol is een ingrediënt bij de bereiding van de oertinctuur. Alcohol wordt toegevoegd aan de ui snippers. Het wordt er niet meer uit verwijderd. Alcohol is ook een hulpstof omdat alcohol het extractiemiddel is en bovendien voor conservering zorgt. 2.8 Bij een extractie worden oplosbare bestanddelen van onoplosbare gescheiden. 2.9 Door het toevoegen van de alcohol aan de uisnippers (geredeneerd vanuit de handelingen die je uitvoert). Door het filter (geredeneerd vanuit de hulpmiddelen die je gebruikt). Doordat sommige bestanddelen in alcohol oplossen en andere niet (geredeneerd vanuit de eigenschappen van de stoffen) Van het verschil in oplosbaarheid van de bestanddelen in alcohol Het filtraat is de oertinctuur, de vloeistof die door het filter loopt. Het residu bestaat uit de resten van de ui, dat wat op het filtreerpapier blijft liggen Bij filtratie treedt er een scheiding op tussen de stoffen die door het filter heen gaan en de stoffen die op het filter blijven liggen Doordat je een mengsel door een filter giet (geredeneerd vanuit de handelingen die je uitvoert). Door het filter (geredeneerd vanuit de hulpmiddelen die je gebruikt). Doordat sommige bestanddelen klein genoeg zijn om door het filter te gaan en andere niet (geredeneerd vanuit de eigenschappen van de stoffen) Van het verschil in oplosbaarheid van de stoffen in het oplosmiddel en van het verschil in (korrel)grootte van de stoffen Het filtraat is thee (de drank), het residu bestaat uit gebruikte theeblaadjes Bij het zetten van koffie is het extractiemiddel (heet) water. Pagina 2 van 10
3 2.17 Voor de chemicus is pure koffie geen zuivere stof, omdat gemalen koffie uit meerdere stoffen bestaat (uit stoffen die oplosbaar zijn in water en stoffen die niet oplossen in water) Je meet 1 deel, bijvoorbeeld 1 ml, oertinctuur af in een maatcilinder. Je vult de oertinctuur aan met alcohol tot 10 ml. Dit giet je over in een reageerbuis, waardoor oertinctuur en alcohol meteen gemengd worden. Dit mengsel schud je. Van het zo verkregen mengsel meet je weer 1 ml af in een maatcilinder. Dit vul je weer aan met alcohol tot 10 ml. Enzovoorts. Het afmeten, aanvullen, mengen en schudden voer je in totaal 6 maal uit. In de homeopathie is het verdunnen van de oertinctuur aan strenge regels gebonden. Hierboven is dan ook een vereenvoudigde uitvoering beschreven, maar deze gaat wel uit van hetzelfde principe. Hoofdstuk 4, paragraaf Met de tijd ondergaan planten veranderingen. Deze veranderingen zijn ook merkbaar aan de stoffen waaruit een plant bestaat. 3.2 Planten verdedigen zich tegen insectenvraat door bepaalde stoffen aan te maken. In de homeopathie wil men dit voorkomen, omdat deze stoffen niet gewenst zijn Weeg een maatcilinder van 10 ml. Doe 10 ml oertinctuur in deze maatcilinder. Weeg maatcilinder met inhoud. Trek het eerste gewicht afvan het tweede. Je weet nu het gewicht van 10 ml oertinctuur. Deel het gewicht door 10. Je weet nu de dichtheid van de oertinctuur. (Je neemt 10 ml in plaats van 1 omdat je op deze manier een nauwkeuriger waarde voor de dichtheid krijgt) Bij een afwijkende dichtheid bevat de oertinctuur waarschijnlijk teveel alcohol. Je hebt dan teveel alcohol op de uisnippers gegoten. 3.7 Het chromatogram vertoont twee (drie) vlekken, er zitten dus minstens twee (drie) stoffen in de oertinctuur (behalve de alcohol). 3.8 Bij chromatografie worden uit één stof (oertinctuur) meerdere stoffen (verschillende kleurstoffen) verkregen. 3.9 Door het maken van het chromatogram (handelingsniveau), door de strook plastic met silica en de loopvloeistof (niveau van de hulpmiddelen), doordat sommige stoffen slecht adsorberen aan de silica en goed oplossen in de loopvloeistof, terwijl andere stoffen dat niet doen (niveau van de stofeigenschappen) Verschil in oplosbaarheid in de loopvloeistof. Verschil in adsorptievermogen aan de silica Hoog, dus ver verwijderd van de oorspronkelijke stip. Wanneer een stof slecht adsorbeert aan de silica en goed oplost in de loopvloeistof, komt de stof snel in de loopvloeistofterecht en zet zich moeilijk weer af op de silica Een chromatogram maken van de viltstiften. Geven beide inkten hetzelfde kleurenspoor te zien, dan mag je aannemen dat het om dezelfde inkt gaat. Hoofdstuk 4, paragraaf BTB is een kleurstof en kan dus met norit uit het mengsel worden verwijderd. Je gaat dus als volgt te werk: je voegt norit toe aan het mengsel, je schudt het mengsel waardoor norit en kleurstof goed met elkaar in contact komen, je filtreert waardoor norit met kleurstof als residu op het filtreerpapier blijft liggen. Pagina 3 van 10
4 4.2 Voorbeeld van een schema (er zijn meerdere mogelijkheden): 4.3 Met een overmaat magnesium wordt bedoeld een teveel aan magnesium, meer dan er kan reageren. 4.4 De oplossing van accuzuur is een zure oplossing omdat BTB de oplossing geel kleurt en de ph dus kleiner is dan De ph gaat omhoog, namelijk van lager dan 7 (BTB is geel) naar hoger dan 7 (BTB wordt blauw). 4.6 Een nadeel is dat je zuiveringsstappen moet uitvoeren om het BTB weer kwijt te raken. 4.7 Een nadeel is dat je wat van het geneesmiddel verliest. 4.8 Er treedt een chemische reactie op wanneer magnesiumpoeder toegevoegd wordt aan de oplossing van accuzuur. 4.9 Vóór het mengen heb je een zilverkleurig poeder en een oplossing. Na het mengen en zuiveren heb je een kleurloos gas en een oplossing. Er is een faseverandering en een kleurverandering opgetreden, dus is er sprake van een chemische reactie Ingrediënten, bestanddelen en hulpstoffen blijven behouden bij een bereiding Dit is niet het geval voor magnesium en voor accuzuur, want deze stoffen reageren tot magnesiumsulfaat en waterstof. Daarom gaat de indeling in ingrediënten, bestanddelen en hulpstoffen niet op voor magnesium en accuzuur. Dit geldt voor elke chemische reactie. Bij chemische reacties kun je niet meer spreken van ingrediënten, bestanddelen en hulpstoffen. Men spreekt van uitgangsstoffen en reactieproducten Water is een hulpstof bij de bereiding van magnesiumsulfaat. In de eerste stap wordt accuzuur verdund met water, later wordt water verwijderd door verdamping Accuzuur is als (bijna) zuivere stof een gevaarlijke stof om mee te werken. Bovendien is water en hulpstof bij de bereiding (zonder water treedt er waarschijnlijk geen reactie op tussen magnesium en accuzuur) Magnesium kan hergebruikt worden bij een nieuwe bereiding van magnesiumsulfaat Sommige vormen van norit zijn te reactiveren, dus weer bruikbaar te maken. Hoofdstuk 4, paragraaf Magnesium werd in overmaat toegevoegd om er zeker van te zijn dat alle accuzuur zou reageren. Het teveel aan magnesium is afval. 5.2 BTB diende om zichtbaar te maken dat accuzuur op raakte bij de reactie. Het mag echter niet in het geneesmiddel voorkomen. Daarom moet norit als adsorptiemiddel toegevoegd worden en moeten beide stoffen door filtratie uit het mengsel verwijderd worden. 5.3 Wanneer je weet hoeveel van de stoffen met elkaar reageren en je kunt deze hoeveelheden afmeten, dan is dit afval te voorkomen. 5.4 Zolang beide stoffen aanwezig zijn, reageren ze met elkaar. Er kan dus maar van één stof een overmaat zijn. 5.5 Door het toevoegen van zoutzuur wordt de oplossing steeds zuurder. De kleur van de oplossing zal dan ook rood zijn na afloop van de reactie. Natriumwaterstofcarbonaat is dan op Natriumwaterstofcarbonaat en waterstofchloride reageren in een vaste verhouding met elkaar. Als de grafiek enigszins klopt, is de verhouding tussen natriumwaterstofcarbonaat en waterstof chloride 2,3 : 1,0, Pagina 4 van 10
5 dus 2,3 mg natriumwaterstofcarbonaat reageert met 1,0 mg waterstof chloride Doordat je weet in welke verhouding de stoffen met elkaar reageren, kun je uitrekenen hoeveel van de stoffen je nodig hebt voor je aan de proef begint Waarschijnlijk wel. De reactie tussen natriumwaterstofcarbonaat en waterstofchloride zal geen uitzondering zijn op alle chemische reacties Dat is op dit moment nog niet te zeggen. Deze theorie wordt in de vierde klas behandeld Hoofdstuk 4, paragraaf Ja. De moleculen van de beginstoffen worden geheel of gedeeltelijk afgebroken tot atomen, uit deze atomen of brokstukken van moleculen ontstaan de moleculen van de reactieproducten. 6.2 Nee. Een chemische reactie is een hergroepering van atomen. Er verdwijnen geen atomen, er komen ook geen atomen bij. 6.3 De atoom- en molecuultheorie van John Dalton zegt niets over de manier waarop atomen bij elkaar blijven in moleculen. 6.4 Door de massa's van de atomen waaruit het molecuul bestaat bij elkaar op te tellen. 6.5 De massa van 1 molecuul waterstofsulfaat is: 2 x 1,0 u + 32,1 u + 4 x 16,0 u = 98,1 u ,3 u magnesium reageert met 98,0 u waterstofsulfaat. 6.7 De stof magnesium bestaat uit atomen magnesium en de stof waterstofsulfaat bestaat uit moleculen waterstofsulfaat. De berekende gewichtsverhouding moet dus ook gelden voor de stoffen magnesium en waterstofsulfaat. Dus 24,3 gram magnesium reageert met 98,0 gram waterstofsulfaat. 6.8 Ja. Omdat 1 atoom magnesium reageert met 1 molecuul waterstofsulfaat (en veelvouden hiervan), moeten de stoffen magnesium en watersofsulfaat in een vaste verhouding met elkaar reageren. 6.9 NaHCO3: 23,0 u + 1,0 u + 12,0 u + 3 x 16,0 u = 84,0 u HCl: 1,0 u + 35,5 u = 36,5 u 6.10 De stoffen natriumwaterstofcarbonaat en waterstof chloride reageren met elkaar in de verhouding 84,0 : 36,5. Dus 84,0 gram natriumwaterstofcarbonaat reageert met 36,5 gram waterstof chloride De berekende waarde is nauwkeuriger, omdat de massa's van de atomen het gemiddelde zijn uit zeer veel experimenten Er ontstaat 120,4 gram magnesiumsulfaat en 2,0 gram waterstof Er ontstaat 44,0 gram koolstofdioxide, 18,0 gram water en 58,5 gram natriumchloride Het gewicht van de stoffen vóór de reactiepijl is gelijk aan het gewicht van de stoffen na de reactiepijl. Dit is te verklaren met de atoom- en molecuultheorie van Dalton. Volgens deze theorie is een chemische reactie alleen maar een hergroepering van atomen. Er komen geen atomen bij, er gaan er ook geen weg. Dus moet het gewicht hetzelfde blijven Mg + H2SO4 --> MgSO4 + H2 gegeven gevraagd 24,3 gram Mg 120,4 gram MgSO4 1,5 gram Mg x gram MgSO4 Je ziet dat op deze manier een verhoudingstabel is ontstaan. x = (1,5 x 120,4) / 24,3 = 7,4 gram MgSO4 Pagina 5 van 10
6 6.17 NaHCO3 + HCI --> CO2 + H2O + NaCI 84 gram 58,5 gram 2,7 gram x gram NaCI x = (2,7 x 58,5) / 84 = 1,9 gram NaCI Stap 1: Schrijf de reactievergelijking op. Stap 2: Bereken van de gegeven en de gevraagde stof de molecuulmassa's. Stap 3: Vul het gewicht in onder de gegeven stof en schrijf een x onder de gevraagde stof. Maak een verhoudingstabel. Stap 4: Bereken x uit de verhoudingstabel. Stap 5: Schrijf de berekening helemaal op IJzer (Fe), zwavel (S) (zie bijlage 4) Magnesiumsulfaat (MgSO4), waterstofchloride (HCI), water (H2O) Wanneer je alleen een reactievergelijking kent, weetje te weinig om een bereiding te kunnen uitvoeren. Een reactievergelijking geeft niet aan watje moet doen Een berekening is uit te voeren wanneer je alleen een schema weet omdat alle beginstoffen en reactieproducten erin vermeld staan. Een schema is wel onoverzichtelijk voor het uitvoeren van een berekening. Hoofdstuk 4, paragraaf a. M(C2H4) = 2 x 12,0 + 4 x 1,0 = 28,0 b. M(H2O) = 2 x 1,0 + 16,0 = 18,0 c. M(C2H6O) = 2 x 12,0 + 6 x 1,0 + 16,0 = 46,0 (of: 28,0 + 18,0 = 46,0) d. C2H4 + H2O --> C2H6O 28,0 gram 46,0 gram ethanol 1500 gram x gram ethanol x = (1500 x 46,0) / 28,0 = 2464 gram Er ontstaat 2464 gram ethanol uit 1500 gram etheen. e. C2H4 + H2O --> C2H6O 28,0 gr 18,0 gr 1500 gr x gram x = (1500 x 18,0) / 28,0 = 964,3 gram Er is 964,3 gram water nodig om uit 1500 etheen ethanol te maken. 7.2 a. 7.2a M(Fe2O3) = 2 x 55,9 + 3 x 16,0 = 159,8 b. M(CO) = 12,0 + 16,0 = 28,0 M(CO2) = 12,0 + 2 x 16,0 = 44,0 c. Fe2O3 + 3 CO ---> 2 Fe + 3 CO2 159,8 gram 2 x 55,9 = 111,8 gram ijzer 1000 gram x gram ijzer x = (1000 x 111,8) /159,8 = 699,6 gram Er ontstaat 699,6 gram ijzer uit 1000 gram ijzeroxide. Pagina 6 van 10
7 d. Wanneer er een getal staat in de reactievergelijking (hier 2), moet het gewicht van de stof die achter dat getal genoemd staat (hier Fe), met dat getal vermenigvuldigd worden. e. Fe2O3 + 3 CO ---> 2 Fe + 3 CO2 159,8 gr 3 x 28,0 = 84,0 gr 1000 gr x gram x = (1000 x 84,0) /159,8 = 525,7 gram Er is 525,7 gram koolstofmono-oxide nodig om 1000 gram ijzeroxide om te zetten. f. Fe2O3 + 3 CO ---> 2 Fe + 3 CO2 159,8 ton 111,8 ton ijzer x ton 1,0 ton ijzer x = (159,8 x 1,0) / 111,8 = 1,4 ton ijzeroxide Er is 1,4 ton ijzeroxide nodig om 1,0 ton ijzer te maken 7.3 a. M(Al2O3) = 2 x 27,0 + 3 x 16,0 = 102,0 b. 2Al2O3 --> 4 Al + 3 O2 2 x 102,0 = 4 x 27,0 = 204,0 gr 108,0 gr 1000 gr x gr x = (1000 x 108,0) / 204,0 = 529,4 gram aluminium 1,00 kg aluminiumoxide levert 529,4 gram aluminium op. 7.4 a. M(NH3) = 14,0 + 3 x 1,0 = 17,0 M(HN03) = 1,0 + 14,0 + 3 x 16,0 = 63,0 M(NH4N03) = 2 x 14,0 + 4 x 1,0 + 3 x 16,0 = 80,0 b. NH3 + HN03 --> NH4N03 17,0 gr 80,0 gr x gr 100 gr x = (100 x 17,0) / 80,0 = 21,3 gram ammoniak Er is 21,3 gram ammoniak nodig om 100 gram ammoniumnitraat te maken. c. NH3 + HN03 ---> NH.N03 63,0 gr 80,0 gr 250 gr x gr x = (250 x 80,0) / 63,0 = 317,5 gram ammoniumnitraat Uit 250 gram salpeterzuur ontstaat 317,5 gram ammoniumnitraat 7.5 a. M(H2S04) = 2 x 1,0 + 32,1 + 4 x 16,0 = 98,1 M(Ca3P208) = 3x40,1 + 2x31,0 + 8x 16,0 = 310,3 M(CaS04) = 40,1 + 32,1 + 4 x 16,0 = 136,2 M(CaH4P208) = 40,1 + 4 x 1,0 + 2 x 31,0 + 8 x 16,0 = 234,1 2 x 98,1 = 196,2 gr 234,1 gr xgr gr Pagina 7 van 10
8 x = (12500 x 196,2) / 234,1 = 10476,3 gram waterstofsulfaat. Er is 10,5 kg waterstofsulfaat nodig om 12,5 kg superfosfaat te maken. b. 2 H2S04 + Ca3P208 2 CaS04 + CaH4P ,3 gr 234,1 gr x gr gr x = (12500 x 310,3) / 234,1 = 16568,8 gram calciumfosfaat. Er is 16,6 kg calciumfosfaat nodig om 12,5 kg superfosfaat te maken. c. 2 H2S04 + Ca3P208 2 CaS04 + CaH4P208 2 x 136,2 = 272,4 gr 234,1 gr x gr gr x = (12500 x 272,4) / 234,1 = 14545,1 gram calciumsulfaat. Er ontstaat 14,5 kg calciumsulfaat tegelijkertijd met 12,5 kg superfosfaat d. Nee, want gips kan goed in de bouw gebruikt worden. Het kan dus verkocht worden. 7.6 a. 0,75L = 750 ml 1% = 7,50 ml 12%=xmL x = 12 x 7,50 = 90 ml b. 1 ml weegt 0,80 g 90 ml weegt 90 x 0,80 = 72 g c. M(C6H12O6) = 6 x 12, x 1,0 + 6 x 16,0 = 180 M (C2H60 ) = 2 x 12,0 + 6 x 1,0 + 16,0 = 46,0. Twee moleculen alcohol wegen dan 2 x 46,0 = 92,0 M(C02) = 12,0 + 2 x 16,0 = 44,0. Dus twee moleculen koolstofdioxide wegen 2 x 44,0 = 88,0 d. C6H12O6 2 C2H6O + 2 CO2 180 gr 92,0 gr 141gr xgr x = (141 x 92,0) / 180 = 72,1 gram alcohol Uit 141 gram glucose ontstaat 72,1 gram alcohol. e. C6H12O6 2 C2H6O + 2 CO2 180 gr 92,0 gr x gr 100 gr x = (180 x 100) / 92,0 = 195,7 gram glucose Er is 195,7 gram glucose nodig om 100 gram alcohol te maken. 7.7 a. M (C2H6O) = 2 x 12,0 + 6 x 1,0 + 16,0 = 46,0 M(02) = 2 x 16,0 = 32,0 M(C2H4O2) = 2 x 12,0 + 4 x 1,0 + 2 x 16,0 = 60,0 M(H2O) = 2 x 1,0 + 16,0 = 18,0 b. C2H6O + O2 C2H4O2 + H2O 46,0 gr 60,0 gr Pagina 8 van 10
9 80 gr x gr x = (80 x 60,0) / 46,0 = 104,3 gram azijnzuur In een fles waarin 80 gram alcohol zit, kan 104,3 gram azijnzuur ontstaan. c. 46,0 gr 60,0 gr x gr 23 gr x = (46,0 x 23) / 60,0 = 17,6 gram alcohol Er is 17,6 gram alcohol nodig om 23 gram azijnzuur te laten ontstaan. 7.8 a. M(C4H2O4Fe) = 4 x 12,0 + 2 x 1,0 + 4 x 16,0 + 55,9 = 169,9 b. A(Fe) = 55,9 c. (55,9/169,9) x 100% = 32,9% d. 1 molecuul C4H2O4Fe bevat 1 atoom Fe. 169,9 mg 55,9 mg x mg 65 mg ijzer x = (169,9 x 65) / 55,9 = 197,6 mg ijzerfumaraat Er zit 197,6 mg ijzerfumaraat in 1 pil. e. Er zit 65 mg ijzer in 1 pil. Dit komt overeen met 197,6 mg ijzerfumaraat (zie je antwoord bij d). 1 pil weegt 300 mg. Dus de pil bestaat niet uitsluitend uit ijzerfumaraat. 7.9 a. CaCO3 CaO + CO2 100,1 gr 56,1 gr 1500 kg x kg x = (1500 x 56,1) /100,1 = 840,7 kg calciumoxide Uit 1500 kg calciumcarbonaat ontstaat 840,7 kg calciumoxide 100,1 gr 44,0 gr 1500 kg x kg x = (1500 x 44,0) /100,1 = 659,3 kg koolstofdioxide Hierbij ontstaat 659,3 kg koolstofdioxide b. 1 m3 koolstofdioxide weegt 1,986 kg x m3 koolstofdioxide weegt 659,3 kg x = (1 x 659,3) /1,986 = 332 m3 koolstofdioxide. 659,3 kg koolstofdioxide = 332 m3 koolstofdioxide. c. CaO + H2O CaO2H2 d. 56,1 gr 74,1 gr 840,7 kg x kg x = (840,7 x 74,1) / 56,1 = 1110,4 kg calciumhydroxide e. CaO + H2O CaO2H2 56,1 gr 18,0 gr 840,7 kg x kg water x = (840,7 x 18,0) / 56,1 = 269,7 kg water Pagina 9 van 10
10 a. 1 ml tafelazijn weegt 1,0 g 25 ml tafelazijn weegt 25 g 1 g tafelazijn bevat 0,04 g azijnzuur 25 g tafelazijn bevat x g azijnzuur x = 25 x 0,04 = 1,0 g azijnzuur b. C2H402 + NaOH > 60,0 gr 40,0 gr x gr 0,70 gr x = (60,0 x 0,70) / 40,0 = 1,05 g azijnzuur Er zit dus voldoende azijnzuur in deze tafelazijn. Deze tafelazijn voldoet aan de eis van de Warenwet stap 1: Schrijf de reactievergelijking op. stap 2: Ga na over welke stof wat gevraagd wordt en over welke stof wat gegeven is. De andere stof(fen) laat je (voorlopig) weg. stap 3: Reken van de gevraagde stof en van de gegeven stof de molecuulmassa uit. Zet de molecuulmassa's onder de stof waar ze bij horen en vermenigvuldig met het getal dat voor de formule van de stof staat vermeld. stap 4: Zet een x onder de gevraagde stof en het gewicht onder de gegeven stof. stap 5: Reken x uit 7.12 C6H8O7 + 3 NaHCO3 C6H5O7Na3 + 3 CO2 + 3 H2O 192 gr 3 x 84 = 252 gr x gr 28 gr x = (192 x 28) / 252 = 21,3 gram citroenzuur 21,3 gram citroenzuur reageert met 28 gram natriumwaterstofcarbonaat Je hebt dus 21,3 gram citroenzuur nodig Het is absoluut noodzakelijk om met droog gereedschap te werken omdat citroenzuur en natriumwaterstofcarbonaat onmiddellijk met elkaar gaan reageren wanneer er water bij het mengsel komt t/m 7.19: Er is een norm voor het gehalte van azijnzuur in tafelazijn in de Warenwet opgenomen om ervoor te zorgen dat de consument waar voor zijn/haar geld krijgt. Pagina 10 van 10
Uitwerkingen Uitwerkingen 4.3.4
Uitwerkingen 4.3.1 1 1,5 12 = 18 eieren 2 3,25 144 = 468 figuurzaagjes 3 25 24 = 600 bierflesjes 4 3,75 20.000 = 75.000 korrels hagelslag 5 2,25 10.000.000 = 22.500.000 zoutkorrels 6 1,5 6 10 23 = 9 10
Uitwerkingen 3.7.1. Uitwerkingen 3.7.4
Uitwerkingen 3.7.1 1 1,5 12 = 18 eieren 2 3,25 144 = 468 figuurzaagjes 3 25 24 = 600 bierflesjes 4 3,75 20.000 = 75.000 korrels hagelslag 5 2,25 10.000.000 = 22.500.000 zoutkorrels 6 1,5 6 10 23 = 9 10
3.7 Rekenen in de chemie extra oefening 4HAVO
3.7 Rekenen in de chemie extra oefening 4HAVO 3.7.1 Tellen met grote getallen In het dagelijks leven tellen we regelmatig het aantal van bepaalde voorwerpen. Vaak bepalen we dan hoeveel voorwerpen er precies
Hoofdstuk 4. Chemische reacties. J.A.W. Faes (2019)
Hoofdstuk 4 Chemische reacties J.A.W. Faes (2019) Hoofdstuk 4 Chemische reacties Paragrafen 4.1 Kenmerken van een reactie 4.2 Reactievergelijkingen 4.3 Rekenen aan reacties Practica Exp. 1 Waarnemen Exp.
5 Formules en reactievergelijkingen
5 Formules en reactievergelijkingen Stoffen bestaan uit moleculen en moleculen uit atomen (5.1) Stoffen bestaan uit moleculen. Een zuivere stof bestaat uit één soort moleculen. Een molecuul is een groepje
Rekenen aan reacties (de mol)
Rekenen aan reacties (de mol) 1. Reactievergelijkingen oefenen: Scheikunde Deze opgaven zijn bedoeld voor diegenen die moeite hebben met rekenen aan reacties 1. Reactievergelijkingen http://www.nassau-sg.nl/scheikunde/tutorials/deeltjes/deeltjes.html
Antwoorden hoofdstuk 3
Antwoorden hoofdstuk 3 1. Drie voorbeelden van een verbinding zijn water, een zout en bijvoorbeeld ammoniak. 2. Kaliumbromide een zuivere stof omdat kalium en broom in een verbinding zitten. 3. Hier vind
Samenvatting Scheikunde Hoofdstuk 3
Samenvatting Scheikunde Hoofdstuk 3 Samenvatting door K. 1467 woorden 5 maart 2016 5,5 2 keer beoordeeld Vak Scheikunde Scheikunde Samenvatting H3 3V 3.1 Energie Fossiele brandstoffen -> nu nog er afhankelijk
T2: Verbranden en Ontleden, De snelheid van een reactie en Verbindingen en elementen
T2: Verbranden en Ontleden, De snelheid van een reactie en Verbindingen en elementen 2008 Voorbeeld toets dinsdag 29 februari 60 minuten NASK 2, 2(3) VMBO-TGK, DEEL B. H5: VERBRANDEN EN ONTLEDEN 3(4) VMBO-TGK,
Hoofdstuk 3-5. Reacties. Klas
Hoofdstuk 3-5 Reacties Klas 3 MOLECUULFORMULES OPDRACHT 1: MOLECUULFORMULES LEVEL 1 A H 2O C 2H 6 C C 2H 6O D CO 2 E F C 4H 8O CHN OPDRACHT 2: MOLECUULFORMULES LEVEL 1 A HNO C 3H 6O C C 2H 2 D C 6H 5NO
SCHEIKUNDE KLAS 3 REACTIES SKILL TREE
SKILL TREE MOLECUULFORMULES OPDRACHT 1: MOLECUULFORMULES LEVEL 1 A H 2 O C 2 H 6 C C 2 H 6 O D CO 2 E F C 4 H 8 O CHN OPDRACHT 2: MOLECUULFORMULES LEVEL 1 A HNO C 3 H 6 O C C 2 H 2 D C 6 H 5 NO E C 5 H
OEFENTOETS Zuren en basen 5 VWO
OEFENTOETS Zuren en basen 5 VWO Gesloten vragen 1. Carolien wil de zuurgraad van een oplossing onderzoeken met twee verschillende zuur-baseindicatoren en neemt hierbij het volgende waar: I de oplossing
14 DE ATOOMTHEORIE VAN DALTON PROCESTECHNIEK
PROCESTECHNIEK Wat leer je? uitleggen wat een reactieschema is; reactieschema's in woorden en symbolen opstellen; de kenmerken van de atoomtheorie van Dalton noemen; moleculen en atomen tekenen; scheikundige
Er is sprake van een zuivere stof als er slechts één stof is. Salmiak is dus een zuivere stof.
Boekverslag door D. 2309 woorden 17 juni 2010 6.3 52 keer beoordeeld Vak Methode Scheikunde Pulsar chemie 3 Drop en ander snoep 3.1 Reactie en reactieschema 1 Bij het mengen worden stoffen alleen maar
Natuurlijk heb je nu nog géén massa s berekend. Maar dat kan altijd later nog. En dan kun je mooi kiezen, van welke stoffen je de massa wil berekenen.
Hoofdstuk 17: Rekenen in molverhoudingen 17.1 Rekenen aan reacties: een terugblik én een alternatief In hoofdstuk 11 hebben we gerekend aan reacties. Het achterliggende idee was vaak, dat je bij een reactie
3.1. 1. In een reactieschema staan de beginstoffen en de reactieproducten van een chemische reactie.
3.1 1. In een reactieschema staan de beginstoffen en de reactieproducten van een chemische reactie. 2. De pijl in een reactieschema (bijvoorbeeld: A + B C) betekent: - A en B reageren tot C of - Er vindt
ANTWOORDEN Herhaling zuren, basen en buffers
ANTWOORDEN Herhaling zuren, basen en buffers 1) Wat geeft de onderstaande afbeelding weer? Je ziet deze deeltjes afgebeeld: het zwakke zuur HA (want veel deeltjes zijn niet geïoniseerd), de zwakke base
Aluminium reageert met zuurstof tot aluminiumoxide. Geeft het reactieschema van deze reactie.
RECTIESCHEM S EINDS LEVEL 2 RECTIESCHEM S EINDS C LEVEL 2 luminium reageert met zuurstof tot aluminiumoxide. Geeft het reactieschema van deze reactie. IJzer reageert met zuurstof tot IJzer(III)oxide. Geef
SCHEIKUNDE KLAS 3 REACTIES SKILL TREE
SKILL TREE MOLEUULFORMULES Een molecuulformule geeft precies aan welke atoomsoorten en hoe vaak deze atoomsoorten in een molecuul voorkomen. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van indexen. Deze indexen staan
Het smelten van tin is géén reactie.
3 Reacties Reacties herkennen (3.1 en 3.2 ) Een chemische reactie is een gebeurtenis waarbij stoffen verdwijnen en nieuwe stoffen ontstaan. Bij een reactie verdwijnen de beginstoffen. Er ontstaan nieuwe
Antwoorden Scheikunde Hoofdstuk 7, Gezond aan tafel
Antwoorden Scheikunde Hoofdstuk 7, Gezond aan tafel Antwoorden door een scholier 2028 woorden 17 juni 2010 6,2 33 keer beoordeeld Vak Methode Scheikunde Pulsar chemie 7 Gezond aan tafel 7.1 Eten en de
Samenvatting Scheikunde Hoofdstuk 1 + 2
Samenvatting Scheikunde Hoofdstuk 1 + 2 Samenvatting door J. 1535 woorden 7 maart 2015 6,9 8 keer beoordeeld Vak Methode Scheikunde Chemie overal Hoofdstuk 1 scheiden en reageren 1.2 zuivere stoffen en
8.1. Antwoorden door een scholier 1081 woorden 3 maart keer beoordeeld. Scheikunde 2.1 AFVAL
Antwoorden door een scholier 1081 woorden 3 maart 2005 8.1 128 keer beoordeeld Vak Methode Scheikunde Pulsar chemie 2.1 AFVAL 1. a. metaal, papier, plastic, hout b. GFT en papierbak 2. bron 1 3. a. het
EXAMEN MIDDELBAAR ALGEMEEN VOORTGEZET ONDERWIJS IN Dit examen bestaat voor iedere kandidaat uit 5 OPGAVEN
MAVO-4 II EXAMEN MIDDELBAAR ALGEMEEN VOORTGEZET ONDERWIJS IN 1974 MAVO-4 Dinsdag 11 juni, 9.00 11.00 NATUUR-EN SCHEIKUNDE II (Scheikunde) OPEN VRAGEN Dit examen bestaat voor iedere kandidaat uit 5 OPGAVEN
ßCalciumChloride oplossing
Samenvatting door R. 1673 woorden 17 februari 2013 8 1 keer beoordeeld Vak Methode Scheikunde Pulsar chemie Additiereactie Bij een reactie tussen hexeen en broom springt de C=C binding open. Aan het molecuul
Dit examen bestaat voor iedere kandidaat uit 20 vragen
MAVO-4 II EXAMEN MIDDELBAAR ALGEMEEN VOORTGEZET ONDERWIJS IN 1983 MAVO-4 Woensdag 15 juni, 9.00 11.00 NATUUR-EN SCHEIKUNDE II (Scheikunde) MEERKEUZETOETS Dit examen bestaat voor iedere kandidaat uit 20
Oefenvragen Hoofdstuk 6 Chemische industrie
Oefenvragen Hoofdstuk 6 Chemische industrie Vraag 1 Koppel de begrippen (12345) aan de juiste omschrijving (ABCDE). A. molecuul dat is gemaakt uit een grote hoeveelheid aan elkaar gekoppelde kleine moleculen.
Samenvatting Chemie Overal 3 havo
Samenvatting Chemie Overal 3 havo Hoofdstuk 3: Reacties 3.1 Energie Energievoorziening Fossiele brandstoffen zijn nog steeds belangrijk voor onze energievoorziening. We zijn druk op zoek naar duurzame
Uitwerkingen. T2: Verbranden en Ontleden, De snelheid van een reactie en Verbindingen en elementen
Uitwerkingen T2: Verbranden en Ontleden, De snelheid van een reactie en Verbindingen en elementen 2008 Voorbeeld toets dinsdag 29 februari 60 minuten NASK 2, 2(3) VMBO-TGK, DEEL B. H5: VERBRANDEN EN ONTLEDEN
Curie Hoofdstuk 6 HAVO 4
Rekenen aan reacties Curie Hoofdstuk 6 HAVO 4 6.1 Rekenen met de mol 6.2 Rekenen met massa s 6.3 Concentratie 6.4 SPA en Stappenplan 6.1 Rekenen met de mol Eenheden en grootheden 1d dozijn potloden 12
Rekenen aan reacties 2. Deze les. Zelfstudieopdrachten. Zelfstudieopdrachten voor volgende week. Zelfstudieopdrachten voor deze week 18-4-2016
Rekenen aan reacties 2 Scheikunde Niveau 4 Jaar 1 Periode 3 Week 4 Deze les Rekenen aan reactievergelijkingen Samenvatting Vragen Huiswerk voor volgende week Bestuderen Lezen voor deze week Bestuderen
1) Stoffen, moleculen en atomen
Herhaling leerstof klas 3 1) Stoffen, moleculen en atomen Scheikundigen houden zich bezig met stoffen. Betekenissen van stof zijn onder andere: - Het materiaal waar kleding van gemaakt is; - Fijne vuildeeltjes;
Samenvatting Scheikunde Hoofdstuk 1 + 2
Samenvatting Scheikunde Hoofdstuk 1 + 2 Samenvatting door K. 1077 woorden 22 maart 2016 6,1 9 keer beoordeeld Vak Scheikunde Impact 3 vwo Scheikunde hoofdstuk 1 + 2 Paragraaf 1: Stoffen bijv. Glas en hout,
Module 8 Chemisch Rekenen aan reacties
1 Inleiding In deze module ga je leren hoe je allerlei rekenwerk kunt uitvoeren aan chemische reacties. Dat is van belang omdat in veel bedrijven wordt gerekend aan reacties onder andere om te bepalen
5, waar gaat dit hoofdstuk over? 1.2 stoffen bij elkaar: wat kan er gebeuren? Samenvatting door een scholier 1438 woorden 31 maart 2010
Samenvatting door een scholier 1438 woorden 31 maart 2010 5,6 15 keer beoordeeld Vak Scheikunde Scheikunde Hoofdstuk 1 stoffen bij elkaar 1.1 waar gaat dit hoofdstuk over? Als je 2 stoffen bij elkaar doet
Verslag Scheikunde scheidingsmethoden
Verslag Scheikunde scheidingsmethoden Verslag door Chocolaatje 1906 woorden 23 oktober 2017 7,9 23 keer beoordeeld Vak Scheikunde EXP. 3,2. hoe kun je een suspensie van krijt in water scheiden? Bezinken
Reacties met koper 4.1 (1)
Hoofdstuk 4: ELEMENTEN Onderwerpen: Kringloopschema van koper ( ( 4.1) Kleinste deeltjes van de materie (moleculen en atomen) ( ( 4.2) Reactieschema in symbolen ( ( 4.3) Massaverhouding bij reacties (
3.1 Energie. 3.2 Kenmerken chemische reactie
3.1 Energie Wat is energie? Energie voorziening Fossiele brandstof verbranden Co2 komt vrij slecht voor het broeikaseffect Windmolen park Zonnepanelen Energie is iets wat nodig is voor een verbrandingsreactie
Oefenvraagstukken 5 VWO Hoofdstuk 11. Opgave 1 [HCO ] [H O ] x x. = 4,5 10 [CO ] 1,00 x 10
Oefenvraagstukken 5 VWO Hoofdstuk 11 Zuren en basen Opgave 1 1 Ga na of de volgende zuren en basen met elkaar kunnen reageren. Zo ja, geef de reactievergelijking. Zo nee, leg duidelijk uit waarom niet.
Opgave 1. n = m / M. e 500 mg soda (Na 2CO 3) = 0,00472 mol. Opgave 2. m = n x M
Hoofdstuk 8 Rekenen met de mol bladzijde 1 Opgave 1 n = m / M a 64,0 g zuurstofgas (O 2) = 2,00 mol (want n = 64,0 / 32,0) enz b 10,0 g butaan (C 4H 10) = 0,172 mol c 1,00 g suiker (C 12H 22O 11) = 0,00292
Oefenvragen Hoofdstuk 4 Chemische reacties antwoorden
Oefenvragen Hoofdstuk 4 Chemische reacties antwoorden Vraag 1 Geef juiste uitspraken over een chemische reactie. Kies uit: stofeigenschappen reactieproducten beginstoffen. I. Bij een chemische reactie
SCHEIKUNDE VWO 4 MOLBEREKENINGEN ANTW.
OPGAVE 1 LEVEL 1 Uit de opgave haal je dat koper en zuurstof links van de pijl moeten staan en koper(ii)oxide rechts van de pijl. Daarna maak je de reactievergelijking kloppend. 2 Cu + O 2 à 2 CuO Filmpje
Chemisch rekenen versie 22-03-2016
Chemisch rekenen versie 22-03-2016 Je kunt bij een onderwerp komen door op de gewenste rubriek in de inhoud te klikken. Wil je vanuit een rubriek terug naar de inhoud, klik dan op de tekst van de rubriek
Dit examen bestaat voor iedere kandidaat uit 20 vragen
MAVO-4 II EXAMEN MIDDELBAAR ALGEMEEN VOORTGEZET ONDERWIJS IN 1982 MAVO-4 Woensdag 15 juni, 9.00 11.00 NATUUR-EN SCHEIKUNDE II (Scheikunde) MEERKEUZETOETS Dit examen bestaat voor iedere kandidaat uit 20
Fosfor kan met waterstof reageren. d Geef de vergelijking van de reactie van fosfor met waterstof.
1 Een oplossing van zwavelzuur en een oplossing van bariumhydroxide geladen beide elektriciteit. Wordt bij de zwavelzuuroplossing een oplossing van bariumhydroxide gedruppeld, dan neemt het elektrisch
OEFENOPGAVEN MOLBEREKENINGEN
OEFENOPGAVEN MOLBEREKENINGEN * = voor VWO Salmiak, NH 4 Cl(s), kan gemaakt worden door waterstofchloride, HCl(g), te laten reageren met ammoniak, NH 3 (g) 01 Wat is de chemische naam voor salmiak? 02 Geef
Dit examen bestaat voor iedere kandidaat uit 20 vragen
MAVO-4 II EXAMEN MIDDELBAAR ALGEMEEN VOORTGEZET ONDERWIJS IN 1983 MAVO-C Woensdag 15 juni, 9.00 11.00 NATUUR-EN SCHEIKUNDE II (Scheikunde) MEERKEUZETOETS Dit examen bestaat voor iedere kandidaat uit 20
Hulpmiddelen: Binas T99, T40A. Hulpmiddelen: Binas T99, T40A
NAAMGEVING IONEN EINDBAAS A LEVEL 2 NAAMGEVING IONEN EINDBAAS C LEVEL 2 A Hoe heet het ion van broom met een lading van 1-? B Wat zijn de namen van de verschillende ijzer-ionen? C Hoe heet het ion van
LUMC SPECIALISTISCHE OPLEIDINGEN Tentamen Scheikunde voor operatieassistenten i.o. 2007
LUMC SPECIALISTISCHE OPLEIDINGEN Tentamen Scheikunde voor operatieassistenten i.o. 2007 docent: drs. Ruben E. A. Musson Het gebruik van uitsluitend BINAS is toegestaan. 1. Welk van de volgende processen
Rekenen aan reacties 3. Deze les. Zelfstudieopdrachten. Zelfstudieopdrachten voor volgende week. Zelfstudieopdrachten voor deze week
Rekenen aan reacties 3 Scheikunde Niveau 4 Jaar 1 Periode 3 Week 5 Deze les Rekenen aan reactievergelijkingen (Massaverhouding) Afronding voor volgende week Bestuderen (Rekenen met de massa verhouding)
Module 2 Chemische berekeningen Antwoorden
2 Meten is weten 1 Nee, want bijvoorbeeld 0,0010 kg is net zo nauwkeurig als 1,0 gram. 2 De minst betrouwbare meting is de volumemeting. Deze variabele bepaald het aantal significante cijfers. 3 IJs: 1,5
Chemie 4: Atoommodellen
Chemie 4: Atoommodellen Van de oude Grieken tot het kwantummodel Het woord atoom komt va, het Griekse woord atomos dat ondeelbaar betekent. Voor de Griekse geleerde Democritos die leefde in het jaar 400
7.1 Het deeltjesmodel
Samenvatting door Mira 1711 woorden 24 juni 2017 10 3 keer beoordeeld Vak NaSk 7.1 Het deeltjesmodel Een model van een stof Elke stof heeft zijn eigen soort moleculen. Aangezien je niet kunt zien hoe een
TF5 Scheikunde 4 VWO H 8 en H 9 16 juni 2011
TF5 Scheikunde 4 VWO H 8 en H 9 16 juni 2011 Deze toets bestaat uit 28 onderdelen. Hiervoor zijn in totaal X punten te behalen. Kalkwater Calciumhydroxide, Ca(OH) 2 (s) is matig oplosbaar in water. Als
Antwoorden deel 1. Scheikunde Chemie overal
Antwoorden deel 1 Scheikunde Chemie overal Huiswerk 2. a. Zuivere berglucht is scheikundig gezien geen zuivere stof omdat er in lucht verschillende moleculen zitten (zuurstof, stikstof enz.) b. Niet vervuild
Aardolie is een zwart, stroperig mengsel van heel veel stoffen, wat door middel van een bepaalde scheidingsmethode in zeven fracties gescheiden wordt.
Meerkeuzevragen Naast koolstofdioxide en waterdamp komen bij verbranding van steenkool nog flinke hoeveelheden schadelijke stoffen vrij. Dit komt doordat steenkool ook zwavel- en stikstofatomen bevat,
Hoofdstuk 3: Water, zuren en basen
Hoofdstuk 3: Water, zuren en basen NaSk II Vmbo 2011/2012 www.lyceo.nl Hoofdstuk 3: Water, zuren en basen NaSk II 1. Bouw van materie 2. Verbranding 3. Water, zuren en basen 4. Basis chemie voor beroep
PROEFVERSIE HOCUS POCUS... BOEM DE CHEMISCHE REACTIE. WEZO4_1u_ChemischeReacties.indd 3
HOCUS POCUS... BOEM VERSIE PR O EF DE CHEMISCHE REACTIE WEZO4_1u_ChemischeReacties.indd 3 14/04/16 20:53 HOOFDSTUK 1 CHEMISCHE REACTIES EN FYSISCHE VERSCHIJNSELEN 1.1 Chemische reactie en fysisch verschijnsel
Paragraaf 1: Fossiele brandstoffen
Scheikunde Hoofdstuk 2 Samenvatting Paragraaf 1: Fossiele brandstoffen Fossiele brandstof Koolwaterstof Onvolledige verbranding Broeikaseffect Brandstof ontstaan door het afsterven van levende organismen,
De ijzer en zwavelreactie
De ijzer en zwavelreactie Onderzoeksvraag Hoe kunnen we aantonen dat we ijzersulfide (FeS) anders is dan ijzer (Fe) en zwavel (S). Voorbereiding Begrippen als achtergrond voor experiment Stofeigenschappen:
5 a de gele vlam wappert, is minder heet en geeft roet af b vlak boven de kern c met de gasregelknop d de brander is dan moeilijk aan te steken
3HV Antwoorden samenvatting onderouw scheikunde 1.6 Scheidingsmethoden 1 a stofnaam voorwerp c voorwerp d stofnaam e voorwerp f stofnaam 2 a goed slecht c goed d slecht e slecht f matig (zuurstof) tot
6 VWO EXTRA OPGAVEN + OEFENTENTAMENOPGAVEN SCHEIKUNDE 1 H4, H5, H7, H13 en H14
6 VWO EXTRA OPGAVEN + OEFENTENTAMENOPGAVEN SCHEIKUNDE 1 H4, H5, H7, H13 en H14 1. Bij de reactie tussen ijzer en chloor ontstaat ijzer(iii)chloride, FeCl 3. Men laat 111,7 gram ijzer reageren met voldoende
NATIONALE SCHEIKUNDEOLYMPIADE
NATIONALE SCHEIKUNDEOLYMPIADE CORRECTIEMODEL VOORRONDE 1 af te nemen in de periode van woensdag 5 januari 01 tot en met woensdag 1 februari 01 Deze voorronde bestaat uit 4 meerkeuzevragen verdeeld over
Aspirine Lesbrief 2 : kwaliteit van aspirine Versie 1, september 2005
Aspirine Lesbrief 2 : kwaliteit van aspirine Versie 1, september 2005 Gepubliceerd en gedistribueerd door Universiteit Utrecht Departement Scheikunde nderwijsinstituut Scheikunde Padualaan 8 3584 CH Utrecht
5-1 Moleculen en atomen
5-1 Moleculen en atomen Vraag 1. Uit hoeveel soorten moleculen bestaat een zuivere stof? Vraag 2. Wat is een molecuul? Vraag 3. Wat is een atoom? Vraag 4. Van welke heb je er het meeste: moleculen of atomen?
Scheikunde samenvatting H1 t/m H4
samenvatting H1 t/m H4 Hoofdstuk 1 Als je stoffen bij elkaar doet, kunnen er verschillende dingen gebeuren: 1) De vaste stof waarbij een vloeistof wordt gedaan, lost op oplossing helder. 2) Wanneer we
07 MOLECUULFORMULES & CHEMISCHE BINDINGEN PROCESTECHNIEK
PROCESTECHNIEK Wat leer je? het verschil uitleggen tussen symbolenformules en molecuulformules; molecuulformules opstellen aan de hand van tekeningen van moleculen; het aantal en de soort atomen van een
Hoofdstuk 4 Kwantitatieve aspecten
Hoofdstuk 4 Kwantitatieve aspecten 4.1 Deeltjesmassa 4.1.1 Atoommassa De SI-eenheid van massa is het kilogram (kg). De massa van een H-atoom is gelijk aan 1,66 10 27 kg. m(h) = 0,000 000 000 000 000 000
S S. Errata Nova scheikunde uitwerkingen leerjaar 4 havo 140,71. Met dank aan Mariëlle Marsman, Mill-Hill College, Goirle. Hoofdstuk 1 Atoombouw
Errata Nova scheikunde uitwerkingen leerjaar 4 havo Met dank aan Mariëlle Marsman, Mill-Hill College, Goirle Hoofdstuk 1 Atoombouw Theorie 19 b 78,99 23,98504 10,00 24,98584 11,01 25,98259 24, 31 100 20
Samenvatting Scheikunde Scheikunde Chemie overal H1 3 vwo
Samenvatting Scheikunde Scheikunde Chemie overal H1 3 vwo Samenvatting door een scholier 1193 woorden 30 oktober 2012 5,8 23 keer beoordeeld Vak Methode Scheikunde Chemie overal Samenvatting Scheikunde
Antwoorden deel 1. Scheikunde Chemie overal
Antwoorden deel 1 Scheikunde Chemie overal Huiswerk 2. a. Zuivere berglucht is scheikundig gezien geen zuivere stof omdat er in lucht verschillende moleculen zitten (zuurstof, stikstof enz.) b. Niet vervuild
Een ei wordt tijdens het bakken verhit. Er moet constant warmte toegevoegd worden, deze reactie is daarom endotherm.
8.1 1. Tijdens de verbranding van a. aluminium ontstaat er aluminiumoxide, b. koolstof ontstaat er koolstofdioxide, c. magnesiumsulfide ontstaan er magnesiumoxide en zwaveldioxide, want de beginstof bevat
Samenvatting Scheikunde Hoofdstuk 1 en 2
Samenvatting Scheikunde Hoofdstuk 1 en 2 Samenvatting door een scholier 918 woorden 13 januari 2005 6,3 193 keer beoordeeld Vak Methode Scheikunde Chemie overal Hoofdstuk 1 1.2: De bouw van een atoom.
Oefenopgaven CHEMISCHE INDUSTRIE
Oefenopgaven CEMISCE INDUSTRIE havo OPGAVE 1 Een bereidingswijze van fosfor, P 4, kan men als volgt weergeven: Ca 3 (PO 4 ) 2 + SiO 2 + C P 4 + CO + CaSiO 3 01 Neem bovenstaande reactievergelijking over
Samenvatting Scheikunde H3 Reacties
Samenvatting Scheikunde H3 Reacties Samenvatting door L. 710 woorden 7 december 2016 6,8 24 keer beoordeeld Vak Methode Scheikunde Chemie overal Scheikunde Hoofdstuk 3: Reacties 3.2 Kenmerken van een chemische
4.3 Noodzakelijke voedingsstoffen
4.3 Noodzakelijke voedingsstoffen Er zijn veel verschillende voedingsstoffen. Voorbeelden van voedingsstoffen zijn water, eiwitten, koolhydraten, vetten, mineralen en vitamines. Deze voedingsstoffen krijg
vrijdag 15 juni 2012 15:26:05 Midden-Europese zomertijd H6 Zuren en basen 4havo voorjaar 2012
H6 Zuren en basen 4havo voorjaar 2012 Toetsing in periode 4! 6 juni! DTM-T zuur/base t/m 6.6! Tabel 6.10,6.13,6.17 en ph-berekeningen (zoals in vragen 14,15,26 en 27)! Toetsweek einde periode! TW441 H1
Samenvatting Scheikunde Hoofdstuk 9, 10, 11 Zuren/Basen, Evenwichtsconstanten
Samenvatting Scheikunde Hoofdstuk 9, 10, 11 Zuren/Basen, Evenwichtsconstanten Samenvatting door een scholier 1087 woorden 22 januari 2009 6 42 keer beoordeeld Vak Methode Scheikunde Pulsar chemie Scheikunde
Oefen opgaven rekenen 4 HAVO bladzijde 1
Oefen opgaven rekenen 4 HAVO bladzijde 1 Opgave 1 uitrekenen en afronden Bij +/- rond je af op het kleinste aantal DECIMALEN, bij x/ rond je af op het kleinste aantal SIGNIFICANTE CIJFERS. Bij gecombineerde
Samenvatting Scheikunde Hoofdstuk 1 Scheikunde 3 havo
Samenvatting Scheikunde Hoofdstuk 1 Scheikunde 3 havo Samenvatting door een scholier 1366 woorden 12 november 2012 6,2 17 keer beoordeeld Vak Methode Scheikunde Chemie overal 1.1 Bij scheikunde hou je
Hoofdstuk 2. Scheidingsmethoden. J.A.W. Faes (2019)
Hoofdstuk 2 Scheidingsmethoden J.A.W. Faes (2019) Hoofdstuk 2 Scheidingsmethoden Paragrafen 2.1 Soorten mengsels 2.2 Scheiden van mengsels 2.3 Indampen en destilleren 2.4 Rekenen aan oplossingen Practica
Hoofdstuk 3: Zuren en basen
Hoofdstuk 3: Zuren en basen Scheikunde VWO 2011/2012 www.lyceo.nl Onderwerpen Scheikunde 2011 2012 Stoffen, structuur en binding Kenmerken van Reacties Zuren en base Redox Chemische technieken Koolstofchemie
Augustus geel Chemie Vraag 1
Chemie Vraag 1 Men beschikt over een oplossing van ijzer(ii)nitraat met c = 3,00 mol/l en heeft voor een experiment 0,600 mol nitraationen nodig. Hoeveel ml van de oplossing dient men te gebruiken?
H4sk-h1. Willem de Zwijgerteam. CC Naamsvermelding-GelijkDelen 3.0 Nederland licentie.
Auteur Laatst gewijzigd Licentie Webadres Willem de Zwijgerteam 20 september 2018 CC Naamsvermelding-GelijkDelen 3.0 Nederland licentie https://maken.wikiwijs.nl/64168 Dit lesmateriaal is gemaakt met Wikiwijs
Eindexamen natuurkunde/scheikunde 2 vmbo gl/tl I
BEOORDELINGSMODEL Aan het juiste antwoord op een meerkeuzevraag wordt 1 punt toegekend. LOODOXIDEN 1 C 2 A 3 maximumscore 2 6 Pb 2 O 3 4 Pb 3 O 4 + O 2 Pb 2 O 3 voor de pijl en Pb 3 O 4 en O 2 na de pijl
NATIONALE SCHEIKUNDEOLYMPIADE
NATINALE SHEIKUNDELYMPIADE RRETIEMDEL VRRNDE 1 (de week van) woensdag 4 februari 2009 Deze voorronde bestaat uit 24 meerkeuzevragen verdeeld over 5 onderwerpen en 3 open vragen met in totaal 13 deelvragen
EXAMEN MIDDELBAAR ALGEMEEN VOORTGEZET ONDERWIJS IN Dit examen bestaat voor iedere kandidaat uit 8 OPGAVEN
MAVO-4 I EXAMEN MIDDELBAAR ALGEMEEN VOORTGEZET ONDERWIJS IN 1973 MAVO-4 Woensdag 9 mei, 9.00 11.00 NATUUR-EN SCHEIKUNDE II (Scheikunde) OPEN VRAGEN Dit examen bestaat voor iedere kandidaat uit 8 OPGAVEN
Dit examen bestaat voor iedere kandidaat uit 20 vragen
MV0-3 EXMEN MELR LGEMEEN VOORTGEZET ONERWJS N 1982 MV0-3 onderdag 6 mei, 9.00-11.00 uur NTUUR- EN SHEKUNE (Scheikunde) MEERKEUZETOETS it examen bestaat voor iedere kandidaat uit 20 vragen ij het examen
Deel 1: traditionele kalkwater met koolstofdioxide test.
Bereiding en eigenschappen van CO 2 Deel 1: traditionele kalkwater met koolstofdioxide test. 1.1 Onderzoeksvraag Hoe kunnen we CO 2 aantonen? 1.2 Mogelijke hypothesen 1.2.1 Geen interactie: Er vormt zich
H4SK-H7. Willem de Zwijgerteam. CC Naamsvermelding-GelijkDelen 3.0 Nederland licentie. https://maken.wikiwijs.nl/67689
Auteur Laatst gewijzigd Licentie Webadres Willem de Zwijgerteam 28 juli 2016 CC Naamsvermelding-GelijkDelen 3.0 Nederland licentie https://maken.wikiwijs.nl/67689 Dit lesmateriaal is gemaakt met Wikiwijs
De oorspronkelijke versie van deze opgave is na het correctievoorschrift opgenomen.
Toelichting bij Voorbeeldopgaven Syllabus Nieuwe Scheikunde HAVO De opgave is een bewerking van de volgende CE-opgave: Maagtablet 2007-2de tijdvak De oorspronkelijke versie van deze opgave is na het correctievoorschrift
Eindexamen scheikunde havo 2007-II
Beoordelingsmodel Kwik 1 maximumscore 2 aantal protonen: 160 aantal elektronen: 158 aantal protonen: 160 1 aantal elektronen: het gegeven aantal protonen verminderd met 2 1 2 maximumscore 2 g 2 Cl 2 Indien
Eén mol vrachtauto s wegen ook meer dan één mol zandkorrels en nemen ook veel meer ruimte in. Maar het aantal vrachtauto s in een mol is exact evengro
Hoofstuk 13: rekenen met mol 13.1 De eenheid mol en de molaire massa Er zijn allerlei manieren om aan te geven hoeveel je van een stof hebt. Je kunt de massa van een stof geven (in g of kg of...). Je kunt
H4SK-H1. Willem de Zwijgerteam. CC Naamsvermelding-GelijkDelen 3.0 Nederland licentie. https://maken.wikiwijs.nl/64168
Auteur Laatst gewijzigd Licentie Webadres Willem de Zwijgerteam 31 augustus 2015 CC Naamsvermelding-GelijkDelen 3.0 Nederland licentie https://maken.wikiwijs.nl/64168 Dit lesmateriaal is gemaakt met Wikiwijs
4. In een bakje met natriumjodide-oplossing worden 2 loden elektroden gehangen. Deze twee elektroden worden aangesloten op een batterij.
Test Scheikunde Havo 5 Periode 1 Geef voor de volgende redoxreacties de halfreacties: a Mg + S MgS b Na + Cl NaCl c Zn + O ZnO Geef de halfreacties en de reactievergelijking voor de volgende redoxreacties:
5 Water, het begrip ph
5 Water, het begrip ph 5.1 Water Waterstofchloride is een sterk zuur, het reageert als volgt met water: HCI(g) + H 2 0(I) Cl (aq) + H 3 O + (aq) z b Hierbij reageert water als base. Ammoniak is een zwakke
Naamgeving en reactievergelijkingen
Je speelt dit spel door het blokje met het opgavenummer te leggen op het vakje met het juiste antwoordnummer. Het blokje leg je met het opgavenummer naar boven zodat je dat blijft zien. 1 Wat is de formule
