MAXIMO II CRT-D D284TRK
|
|
|
- Hans Bakker
- 10 jaren geleden
- Aantal bezoeken:
Transcriptie
1 MAXIMO II CRT-D Digitale implanteerbare cardioverter defibrillator met cardialeresynchronisatietherapie (VVE-DDDR) ATP During Charging, TherapyGuide en draadloze Conexus -telemetrie Artsenhandleiding
2
3 MAXIMO II CRT-D Artsenhandleiding Een handleiding voor het gebruik en het programmeren van de digitale implanteerbare Maximo II CRT-D-cardioverter defibrillator Model met cardialeresynchronisatietherapie (VVE-DDDR)
4 Onderstaande termen zijn handelsmerken van Medtronic: ATP During Charging, Active Can, Cardiac Compass, CareAlert, ChargeSaver, Checklist, Conexus, Flashback, InCheck, Leadless, Marker Channel, Maximo, Medtronic, Medtronic CareAlert, Medtronic CareLink, PR Logic, PatientLook, Quick Look, Switchback, T-Shock, TherapyGuide
5 Inhoud 1 Overzicht van het systeem Inleiding Beschrijving van het systeem Indicaties en contra-indicaties Contra-indicaties Waarschuwingen, voorzorgen en mogelijke complicaties Algemene waarschuwingen en voorzorgsmaatregelen Explantatie en verwijderen Instructies voor hantering en opslag Evaluatie en aansluiting van geleidingsdraden Apparaatwerking Gevaren van medische behandeling Werkomgeving en thuis Mogelijke complicaties Het programmeerapparaat gebruiken Telemetrie tussen het apparaat en het programmeerapparaat tot stand brengen Een patiëntsessie uitvoeren Functies van het display Emergency-tachycardietherapie afgeven Emergency-VVI-stimulatie activeren Implantatie- en follow-up-sessies stroomlijnen met Checklist (Controlelijst) Apparaatparameters bekijken en programmeren Een set parameterwaarden opslaan en opvragen TherapyGuide gebruiken om parameterwaarden te selecteren Patiëntgegevens bekijken en invoeren Werken met het actueleritmevenster Follow-up-sessies versnellen met Leadless ECG Apparaatgegevens opslaan en opvragen Artsenhandleiding 5
6 3.14 Rapporten afdrukken Het apparaat implanteren Een implantatie voorbereiden Selecteren en implanteren van de geleidingsdraden Het geleidingsdraadsysteem testen De geleidingsdraden aansluiten op het apparaat Ventriculaire-defibrillatiedrempeltests uitvoeren Het apparaat plaatsen en bevestigen De implantatieprocedure voltooien Een apparaat vervangen Een follow-up-sessie van de patiënt uitvoeren Richtlijnen voor follow-up van patiënten Een overzicht van recent opgeslagen gegevens bekijken Automatische alarmen bij klinischmanagementevents en systeemwerkingevents Klinische langetermijntrends bekijken met het Cardiac Compass-rapport Aritmie-episodegegevens bekijken en gegevensverzamelingsvoorkeuren instellen Episode- en therapietellers bekijken Flashback-geheugengegevens bekijken Frequentiehistogrammen gebruiken om hartfrequenties te beoordelen Gedetailleerde gegevens over de apparaat- en geleidingsdraadprestaties bekijken Automatische bewaking van de apparaatstatus De levensduur van het apparaat optimaliseren Hartfalen behandelen Biventriculaire stimulatie voor cardialeresynchronisatie aanbieden Continue CRT-stimulatie bevorderen Gegevens over ventriculairewaarnemingsepisodes verzamelen en bekijken Stimulatietherapieën configureren Intrinsieke hartactiviteit waarnemen Stimulatietherapieën afgeven Artsenhandleiding
7 7.3 Frequentieresponsieve stimulatie leveren Aanpassing van het AV-interval tijdens frequentiewijzigingen PVARP aanpassen aan veranderingen in de hartfrequentie van de patiënt Een lagere stimulatiefrequentie afgeven tijdens slaapperioden Concurrerende atriale stimulatie voorkomen Pacemakergeïnduceerde tachycardieën onderbreken Retrograde geleiding beheren met PVC-respons Onterechte ventriculaire inhibitie reduceren met VSP Snelle ventriculaire stimulatie tijdens een atriale tachycardie voorkomen Versterking van de uitgangspuls na een hogespanningstherapie Overdrive-stimulatie afgeven na een VT/VF-hogespanningstherapie Ventriculairefrequentiestabilisatie gebruiken als reactie op PVC s Tachycardiedetectie configureren Atriale tachycardieën detecteren Ventriculaire tachycardieën detecteren Onderscheid maken tussen VT/VF en SVT met PR Logic Onderscheid maken tussen sinustachycardie en VT met de Onset-functie Onderscheid maken tussen AT/AF en VT met de functie Stability (Stabiliteit) Verlengde tachycardieën detecteren met de maximale tijdsduur voor SVT-criteria Tachycardiedetectie onderbreken en hervatten Tachycardietherapieën configureren Als VF gedetecteerde episodes behandelen VT- en FVT-episodes behandelen met antitachycardiestimulatietherapieën VT en FVT behandelen met ventriculaire cardioversie Therapie optimaliseren met Progressieve therapieafgifte Optimalisatie van de oplaadtijd met automatische condensatorformattering Het systeem testen Het onderliggende ritme evalueren Stimulatiedrempels meten Geleidingsdraadimpedantie meten Artsenhandleiding 7
8 10.4 Een waarnemingstest uitvoeren De condensatoren van het apparaat testen Een aritmie induceren Een handmatige therapie afgeven A Naslagdeel A.1 Uiterlijke kenmerken A.2 Elektrische specificaties A.3 Vervangingsindicatoren A.4 Verwachte levensduur A.5 Energieniveaus en typische oplaadtijden A.6 Magneetoplegging A.7 Opgeslagen gegevens en diagnostieken B Apparaatparameters B.1 Emergency-instellingen B.2 Tachycardiedetectieparameters B.3 Ventriculaire-tachycardietherapieparameters B.4 Stimulatieparameters B.5 Medtronic CareAlert-parameters B.6 Gegevensverzamelingparameters B.7 Systeemtestparameters B.8 EP-studieparameters B.9 Niet-programmeerbare parameters Woordenlijst Index Artsenhandleiding
9 1 Overzicht van het systeem 1.1 Inleiding Deze handleiding In deze handleiding wordt beschreven hoe de Maximo II CRT-D Model werkt en voor welke toepassingen dit systeem bestemd is Aanduidingen in deze handleiding Het woord apparaat in deze handleiding verwijst naar het geïmplanteerde Maximo II CRT-D-apparaat. Het symbool in parametertabellen geeft de nominale waarde van Medtronic voor die parameter aan. De voorbeeldschermen in deze handleiding hebben betrekking op het Medtronic CareLink-programmeerapparaat Model Deze voorbeeldschermen worden hier alleen ter informatie gegeven, en de uiteindelijke software kan hiervan verschillen. Schermtoetsen worden aangeduid met de naam van de toets tussen vierkante haakjes: [Naam toets]. Programmeerinstructies in deze handleiding worden vaak aangegeven via een programmeerblok. Hierin wordt aangegeven welk pad door de toepassingssoftware u kiest voor bepaalde schermen of parameters. In programmeerblokken worden de volgende aanduidingen gebruikt: Het symbool staat vóór de schermtekst die u kunt selecteren om naar een nieuw scherm te navigeren. Het symbool staat vóór de naam van een parameter die u kunt programmeren voor een bepaalde functie. Als een navigatiestap verwijst naar een schermveld dat zowel een rijtitel als een kolomtitel heeft, staat het teken tussen deze 2 titels. Deze aanduiding wordt echter niet gebruikt bij parameterwaarden. Als u een bepaalde waarde voor een parameter moet selecteren om de resterende parameters of navigatie mogelijk te maken, staat die waarde tussen <punthaken>. Hieronder ziet u een voorbeeld van een programmeerblok met deze aanduidingen: Artsenhandleiding 9
10 Selecteer het pictogram Params (Parameters) Te selecteren schermtekst Rijtitel schermveld Kolomtitel Naam parameter <Vereiste waarde> Naam parameter Naam parameter Nomenclatuur voor termen die te maken hebben met de levensduur van batterijen van producten De nomenclatuur in deze handleiding wordt gedefinieerd in de CENELEC-pacemakerstandaard EN :2003, die van toepassing is op AIMD-apparaten (Active Implantable Medical Devices) welke bedoeld zijn om bradyaritmieën te behandelen. Deze standaard is goedgekeurd en gepubliceerd in december Medtronic maakt gebruik van deze nomenclatuur teneinde te voldoen aan de CENELEC-standaard en gaat ervan uit dat deze nomenclatuur een nieuwe internationale standaard zal worden. De nomenclatuur die is gedefinieerd in EN :2003 vervangt de termen die eerder werden gebruikt voor de levensduur van batterijen. De nomenclatuur die in EN :2003 wordt gedefinieerd en de termen die door deze nomenclatuur worden vervangen, worden aangegeven in de volgende tabel: Nomenclatuur in EN : 2003 BOS EOS RRT PSP Beginning of Service (Bij een volle batterij) End of Service (Einde van de levensduur) Recommended Replacement Time (Aanbevolen vervangingstijd) Prolonged Service Period (Resterende levensduur) Projected service life (Verwachte levensduur) Vroeger gebruikte nomenclatuur BOL EOL ERI Beginning of Life (Bij een volle batterij) End of Life (Einde van de levensduur) Elective Replacement Indicator (Vervanging aanbevolen-indicator) Omstandigheden na ERI Levensduur Productinformatie Neem vóór implantatie van het apparaat de volgende maatregelen: Lees de bijgeleverde productdocumentatie voor informatie over het voorschrijven, implanteren en gebruiken van het apparaat en het uitvoeren van een follow-up-sessie. 10 Artsenhandleiding
11 Lees de technische handleidingen van de bij het apparaat te gebruiken geleidingsdraden grondig door. Lees ook de technische handleidingen voor de andere systeemonderdelen. Bespreek de implantatieprocedure en het apparaat met de patiënt en alle andere betrokken partijen, en voorzie hen van alle patiëntgegevens die bij het apparaat wordt geleverd Technische ondersteuning Medtronic heeft, verspreid over de hele wereld, hoogopgeleide vertegenwoordigers en technici in dienst om u met raad en daad bij te staan en, op aanvraag, gekwalificeerd ziekenhuispersoneel te trainen in het gebruik van de Medtronic-producten. Medtronic beschikt ook over een professionele staf die technische en medische adviezen kan verstrekken aan gebruikers van producten. Neem voor meer informatie contact op met Medtronic. Zie het adres of telefoonnummer van Medtronic dat op de achterzijde van deze handleiding staat vermeld Training voor de klant Medtronic nodigt artsen uit deel te nemen aan een training. De training omvat gebruiksindicaties, een overzicht van de systeemfuncties, implantatieprocedures en patiëntmanagement Bibliografie De belangrijkste literatuur voor achtergrondinformatie is: Zacouto FI, Guize LJ. Fundamentals of Orthorhythmic Pacing. In: Luderitz B, Ed. Cardiac Pacing Diagnostic and Therapeutic Tools. New York: Springer-Verlag; 1976: Raadpleeg eveneens de volgende literatuur voor meer informatie: Estes M, Manolis AS, Wang P, Eds. Implantable Cardioverter-Defibrillators. New York, NY: Marcel Dekker, Inc Kroll MW, Lehmann MH, Eds. Implantable Cardioverter-Defibrillator Therapy: The Engineering-Clinical Interface. Norwell, MA: Kluwer Academic Publishers Singer I, Ed. Implantable Cardioverter-Defibrillator. Armonk, NY: Futura Publishing Co Artsenhandleiding 11
12 Singer I, Barold SS, Camm AJ, Eds. Nonpharmacological Therapy of Arrhythmias for the 21st Century: The State of the Art. Armonk, NY: Futura Publishing Co Stadler RW, Gunderson BD, Gillberg JM. An Adaptive Interval-Based Algorithm for Withholding ICD Therapy During Sinus Tachycardia. Pace. 2003; 26: Conformiteitsverklaring Medtronic verklaart dat dit product voldoet aan de essentiële eisen zoals beschreven in richtlijn 1999/5/EG (Radioapparatuur en telecommunicatie-eindapparatuur) en richtlijn 90/385/EEG (Actieve implanteerbare medische hulpmiddelen, AIMD). Neem voor meer informatie contact op met Medtronic. Zie het adres of telefoonnummer Medtronic dat op de achterzijde van deze handleiding staat vermeld Conformiteitsverklaring Canada Dit apparaat mag geen interferentie veroorzaken binnen de bandbreedte van 400, ,000 MHz voor meteorologische hulpmiddelen, meteorologische satellieten of de satellietdienst voor aardexploratie. Tevens dient het apparaat alle binnenkomende interferentie te accepteren, inclusief interferentie die kan leiden tot ongewenste reacties van het apparaat. Raadpleeg de verpakkingslabels om te zien welk certificatienummer voor Canada op dit product van toepassing is Uitleg van de symbolen Controleer het verpakkingslabel om te zien welke symbolen op dit product van toepassing zijn. Tabel 1. Verklaring van de symbolen op de verpakkingslabels Symbool Uitleg 0123 Conformité Européenne (Europese Conformiteit). Dit symbool betekent dat het apparaat volledig voldoet aan de Richtlijn AIMD 90/385/EEG (Aangemelde instantie 0123) en de Richtlijn R&TTE 1999/5/EG. Het gebruik van dit apparaat kan binnen Europa onderhevig zijn aan nationale wetgeving. 12 Artsenhandleiding
13 Tabel 1. Verklaring van de symbolen op de verpakkingslabels (vervolg) Symbool Uitleg Dit symbool betekent dat het apparaat volledig voldoet aan de normen voor radiocommunicatieapparatuur: de Australian Communications and Media Authority (ACMA)-norm en de New Zealand Ministry of Economic Development Radio Spectrum Management-norm. Regelgeving m.b.t. tele- en radiocommunicatie. Dit symbool betekent dat de in uw land geldende regelgeving m.b.t. tele- en radiocommunicatie van toepassing kan zijn op dit product. Voor meer informatie over de in uw land geldende regelgeving m.b.t. tele- en radiocommunicatie voor dit product, ga naar Let op Hier openen Niet gebruiken als de verpakking beschadigd is Voor eenmalig gebruik Gesteriliseerd met ethyleenoxide Zie gebruiksaanwijzing Alleen van toepassing voor de VS Productiedatum Fabrikant EC REP Geautoriseerd vertegenwoordiger in de Europese Unie Uiterste gebruiksdatum Artsenhandleiding 13
14 Tabel 1. Verklaring van de symbolen op de verpakkingslabels (vervolg) Symbool Uitleg Partijnummer Bestelnummer Serienummer Temperatuurbereik Adaptive (Automatische aanpassing) Inhoud van de verpakking Implanteerbare pulsgenerator Met coating (implanteerbare pulsgenerator) Implanteerbare cardioverter defibrillator Met coating (implanteerbare cardioverter defibrillator) Apparaat met cardialeresynchronisatietherapie (CRT) Met coating (apparaat met cardialeresynchronisatietherapie) Productdocumentatie 14 Artsenhandleiding
15 Tabel 1. Verklaring van de symbolen op de verpakkingslabels (vervolg) Symbool Uitleg Momentsleuteltje Toebehoren Amplitude/pulsduur Atriale amplitude/pulsduur RV-amplitude/pulsduur LV-amplitude/pulsduur Maximale volgfrequentie/onderfrequentie Frequentie Onderfrequentie Sensitivity (Gevoeligheid) Waargenomen AV-interval AV-interval (gestimuleerd/waargenomen) Refractaire periode Artsenhandleiding 15
16 Tabel 1. Verklaring van de symbolen op de verpakkingslabels (vervolg) Symbool Uitleg Atriale refractaire periode Ventriculaire refractaire periode (PVARP) Post Ventricular Atrial Refractory Period (Postventriculaire atriaal-refractaire periode) Polariteit Stimulatiepolariteit (eenkamer) Stimulatiepolariteit (tweekamer) LV-stimulatiepolariteit Stimulatiepolariteit (AAI) Stimulatiepolariteit (VVI) Waarnemingspolariteit (eenkamer) Waarnemingspolariteit (tweekamer) Atriale gevoeligheid Ventriculaire gevoeligheid 16 Artsenhandleiding
17 Tabel 1. Verklaring van de symbolen op de verpakkingslabels (vervolg) Symbool Uitleg VF-therapieën (del/sto) VT-therapieën V. stimulatie/v-v-stimulatievertraging VT-bewaking AT/AF-detectie VT-/VF-detectie VT-, FVT-, VF-detectie AT/AF-therapieën VT-, VF-therapieën VT-, FVT-therapieën (CRT) AT/AF-interventie Burst Burst (CRT) Artsenhandleiding 17
18 Tabel 1. Verklaring van de symbolen op de verpakkingslabels (vervolg) Symbool Uitleg Burst+ 50 Hz Burst A. Ramp Ramp (CRT) Ramp+ Ramp+ (CRT) V. Ramp AV-Ramp Defibrillatie V. cardioversie AV-cardioversie FVT-therapieën Mode-switch 18 Artsenhandleiding
19 Tabel 1. Verklaring van de symbolen op de verpakkingslabels (vervolg) Symbool Uitleg Magneetfrequentie Gevaarlijke spanning Actieve behuizing Mededeling De software wordt geleverd als informatiehulpmiddel voor de eindgebruiker. De gebruiker is ervoor verantwoordelijk dat de patiëntgegevens correct in de software worden ingevoerd. Medtronic is niet verantwoordelijk voor de nauwkeurigheid of volledigheid van de gegevens die in de software worden ingevoerd. Medtronic IS NIET AANSPRAKELIJK VOOR ENIGE DIRECTE OF INDIRECTE, INCIDENTELE OF VERVOLGSCHADE AAN DERDEN, DIE HET GEVOLG IS VAN HET GEBRUIK VAN SOFTWARE-INFORMATIE. 1.2 Beschrijving van het systeem De Maximo II CRT-D implanteerbare tweekamercardioverter defibrillator met cardialeresynchronisatietherapie (CRT-D) Model van Medtronic is een multiprogrammeerbaar hartapparaat waarmee de hartfrequentie van een patiënt wordt bewaakt en gereguleerd door de afgifte van frequentieresponsieve anti-bradycardiestimulatie (een- en tweekamer), sequentiële biventriculaire stimulatie en ventriculaire tachycardietherapieën. Het apparaat neemt de elektrische activiteit van het hart van de patiënt waar via de elektroden van de geïmplanteerde geleidingsdraden in het atrium en het rechterventrikel. Vervolgens wordt het hartritme geanalyseerd op basis van selecteerbare detectieparameters. Het apparaat zorgt voor de automatische detectie van ventriculaire tachycardieën (VT/VF) en behandelt deze met defibrillatie-, cardioversie- en anti-tachycardiestimulatietherapieën. Het apparaat detecteert eveneens automatisch atriale tachyaritmieën (AT/AF). Simultane of sequentiële biventriculaire stimulatie wordt gebruikt om patiënten te voorzien van cardialeresynchronisatietherapie. Het apparaat voorziet in anti-bradycardiestimulatietherapieën om bradycardie te behandelen. Artsenhandleiding 19
20 Het apparaat levert eveneens diagnostische gegevens en bewakingsgegevens die helpen bij de evaluatie van het systeem en bij de patiëntzorg. Geleidingsdraden Het geleidingsdraadsysteem dat wordt gebruikt bij dit apparaat verzorgt stimulatie voor het linkerventrikel (LV), waarneming, stimulatie en cardioversie/defibrillatietherapieën voor het rechterventrikel (RV) en waarneming en stimulatie voor het atrium (A). Gebruik geleidingsdraden pas met dit apparaat nadat geverifieerd is dat de geleidingsdraad en de connector compatibel zijn. Raadpleeg Sectie 4.2, Selecteren en implanteren van de geleidingsdraden, bladzijde 103 voor informatie over het selecteren en implanteren van de geleidingsdraden voor dit apparaat. Implanteerbaar deel van het apparaat De Maximo II CRT-D Model vormt, samen met de stimulatiegeleidingsdraden en defibrillatiegeleidingsdraden, het implanteerbare gedeelte van het systeem. In de volgende afbeelding ziet u de belangrijkste onderdelen die communiceren met het implanteerbare deel van het systeem. Afbeelding 1. Systeemonderdelen 20 Artsenhandleiding
21 Programmeerapparaten en software Het Medtronic CareLink-programmeerapparaat Model 2090 en de software worden gebruikt om dit apparaat te programmeren. Het Medtronic CareLink-programmeerapparaat Model 2090 met draadloze Conexus-telemetrie is speciaal ontworpen om artsen en patiënten te voorzien van eenvoudiger en efficiënter methoden voor implantatie, follow-up en bewaking. Dankzij de draadloze Conexus-telemetrie is het niet nodig om tijdens een programmeer- of bewakingssessie een programmeerkop boven het geïmplanteerde apparaat te houden. Via radiofrequente (RF-) telemetrie is draadloze communicatie mogelijk tussen het geïmplanteerde apparaat en het programmeerapparaat in het ziekenhuis of de kliniek. Conexus-telemetrie maakt gebruik van de MICS-frequentieband (Medical Implant Communications Service), de enige band die speciaal bedoeld is voor medische implanteerbare apparaten. Door het gebruik van de MICS-frequentieband veroorzaakt het apparaat geen interferentie met elektronische apparaten zoals magnetrons, mobiele telefoons en babyfoons. Als u de Conexus-telemetrie wilt inschakelen op een geïmplanteerd apparaat, moet u de Conexus-activator of de programmeerkop gebruiken. Als u de Conexus-activator niet gebruikt of als u een programmeerapparaat met niet-draadloze telemetrie gebruikt, moet u in de kliniek via de programmeerkop communicatie met het apparaat tot stand brengen en uitvoeren. Tijdens een draadlozetelemetriesessie kan geen enkel ander programmeerapparaat communiceren of een sessie starten met het bij de patiënt geïmplanteerde apparaat, waardoor de veiligheid en privacy van de patiënt gewaarborgd blijven. Op dezelfde manier zijn andere patiënten beveiligd tegen communicatie of programmeeropdrachten die worden uitgevoerd tijdens de sessie met de patiënt. Programmeerapparaten van andere fabrikanten zijn niet compatibel met apparaten van Medtronic, maar zullen apparaten van Medtronic niet beschadigen. Conexus-activator Model Via de Conexus-activator Model van Medtronic kunt u draadloze Conexus-telemetrie inschakelen bij geïmplanteerde apparaten die deze telemetrie ondersteunen. De Conexus-activator wordt in het ziekenhuis of de kliniek gebruikt in combinatie met het Medtronic CareLink-programmeerapparaat Model 2090 dat is voorzien van Conexus-telemetrie. Analyzer Model 2290 Het systeem ondersteunt het gebruik van de Medtronic CareLink-Analyzer Model 2290, een toebehoren van het Medtronic CareLink-programmeerapparaat. Met dit systeem kunt u gelijktijdig een Analyzer-sessie en een apparaatsessie uitvoeren. Op deze manier kunt u snel van de ene sessie naar de andere overschakelen zonder de sessies te moeten beëindigen en/of starten, en kunt u gegevens van de Analyzer exporteren naar het programmeerapparaat. Artsenhandleiding 21
22 Remote View Het systeem biedt ondersteuning voor Remote View, waarmee u met behulp van een pc op kantoor of elders de schermweergaven kunt bekijken van een Medtronic CareLink-programmeerapparaat dat zich op een andere locatie, bv. in een kliniek of ziekenhuis, bevindt. U kunt een programmeersessie pas bekijken als u de Remote View-software op uw pc heeft geïnstalleerd en geconfigureerd. Instructies voor de installatie en configuratie worden bij de software geleverd. Raadpleeg de referentiehandleiding van het programmeerapparaat voor informatie over het gebruik van Remote View. Medtronic CareLink-monitor Model 2490C Patiënten gebruiken de monitor Model 2490C om automatisch informatie uit hun geïmplanteerde apparaat op te vragen en die door te geven aan hun arts. De monitor communiceert draadloos met het apparaat van de patiënt en verzendt de informatie over een vaste telefoonlijn, mits het Medtronic CareLink-netwerk ten huize van de patiënt beschikbaar is. De transmissie vindt normaliter plaats terwijl de patiënt slaapt. De monitor kan buiten de geplande transmissietijdstippen eveneens systeemalarmen naar de kliniek versturen, mits het apparaat daartoe geprogrammeerd is. De patiënt hoeft geen andere handelingen met de monitor te verrichten dan de initiële setup-procedure. Raadpleeg de literatuur bij de monitor voor informatie over aansluiting en gebruik. PatientLook-indicator Model 2490R De PatientLook-indicator Model 2490R is een monitor waarmee het geïmplanteerde apparaat van de patiënt thuis automatisch wordt gecontroleerd op belangrijke wijzigingen in de apparaatstatus en de toestand van de patiënt. Medtronic CareAlert-statuslampjes op de PatientLook-indicator geven aan wanneer de patiënt het geïmplanteerde apparaat moet laten controleren door de arts of in de kliniek. De PatientLook-indicator maakt gebruik van draadloze Conexus-telemetrie om het apparaat van de patiënt te bewaken. Patiënten kunnen de PatientLook-indicator pas gebruiken als ze draadloze communicatie tussen de PatientLook-indicator en hun apparaat tot stand hebben gebracht. Als deze initiële instelling is uitgevoerd, controleert de PatientLook-indicator automatisch het apparaat zonder assistentie van de patiënt. Patiënten kunnen altijd het apparaat handmatig controleren op eventuele CareAlert-meldingen. InCheck-Patient Assistant Model 2696 De patiënt kan de InCheck-Patient Assistant Model 2696 gebruiken om de volgende taken uit te voeren: De registratie van gegevens over cardiale events in het apparaatgeheugen initiëren. Controleren of het geïmplanteerde apparaat een mogelijke atriale tachycardie heeft gedetecteerd. Inhoud van de steriele verpakking De verpakking bevat één implanteerbare cardioverter defibrillator (ICD), één momentsleuteltje en één DF-1-pin-plug. 22 Artsenhandleiding
23 1.3 Indicaties en contra-indicaties Het Maximo II CRT-D-systeem is geïndiceerd voor patiënten met een hoog risico op plotseling overlijden ten gevolge van ventriculaire tachycardieën en patiënten die lijden aan hartfalen met ventriculaire dissynchroniteit. Het apparaat is bedoeld voor het afgeven van ventriculaire anti-tachycardiestimulatie, cardioversie en defibrillatie voor automatische behandeling van levensbedreigende ventriculaire tachycardieën. Vóór de implantatie dienen patiënten aan een grondig hartonderzoek te worden onderworpen, inclusief elektrofysiologische tests. Ook worden elektrofysiologische onderzoeken en tests met betrekking tot de veiligheid en effectiviteit van de voorgestelde tachycardietherapieën aanbevolen tijdens en na de implantatie van het apparaat. 1.4 Contra-indicaties Het Maximo II CRT-D-systeem is gecontra-indiceerd bij patiënten met tachycardieën als gevolg van voorbijgaande of omkeerbare oorzaken, zoals: een acuut myocardiaal infarct, medicijnvergiftiging, verdrinking, elektrische schok, verstoord elektrolytisch evenwicht, hypoxie of sepsis. Het apparaat is gecontra-indiceerd voor patiënten met een geïmplanteerde unipolaire pacemaker. Artsenhandleiding 23
24 2 Waarschuwingen, voorzorgen en mogelijke complicaties 2.1 Algemene waarschuwingen en voorzorgsmaatregelen Schokken vermijden tijdens het hanteren van het apparaat Deactiveer de tachycardiedetectie tijdens implantatie, explantatie of autopsieprocedures. Het apparaat kan een hogespanningsschok afgeven als de defibrillatieklemmen worden aangeraakt. Elektrische isolatie tijdens implantatie Voorkom dat de patiënt contact maakt met geaarde elektrische apparatuur die tijdens het implanteren gevaarlijke elektrische lekstromen kan produceren. Elektrische lekstromen kunnen tachycardieën induceren waardoor de patiënt kan overlijden. Apparatuur voor externe defibrillatie Houd externe defibrillatieapparatuur beschikbaar zodat direct kan worden ingegrepen als tachycardieën kunnen optreden of bewust worden opgewekt bij het testen van het apparaat, de implantatieprocedure of de tests na de implantatie. Geleidingsdraadcompatibiliteit Gebruik alleen geleidingsdraden van andere fabrikanten als is aangetoond dat deze compatibel zijn met apparaten van Medtronic. Als een geleidingsdraad niet compatibel is met een apparaat van Medtronic, kunnen er problemen optreden zoals undersensing van hartactiviteit, het niet afgeven van de benodigde therapie of een lekkende of slecht functionerende elektrische verbinding. 2.2 Explantatie en verwijderen Houd bij explantatie en verwerking rekening met het volgende: Voorafgaand aan explantatie, reiniging of verzending van het apparaat moet het apparaat worden uitgelezen en moet de tachycardiedetectie worden gedeactiveerd. Het apparaat kan dan geen ongewenste schokken afgeven. Explanteer het implanteerbare apparaat na het overlijden van de patiënt. In sommige landen is het explanteren van implanteerbare apparaten die op batterijen werken uit milieuoverwegingen verplicht; ga na of dit in uw land van toepassing is. Bovendien kan het apparaat bij blootstelling aan verbrandings- of crematietemperaturen ontploffen. 24 Artsenhandleiding
25 De implanteerbare apparaten van Medtronic zijn uitsluitend bedoeld voor eenmalig gebruik. Een geëxplanteerd apparaat mag niet opnieuw gesteriliseerd en weer geïmplanteerd worden. Retourneer geëxplanteerde apparaten aan Medtronic voor analyse en verwerking. Zie de achterkant van de handleiding voor adressen. 2.3 Instructies voor hantering en opslag Houd u aan de volgende richtlijnen bij de hantering en opslag van het apparaat Hantering van het apparaat Controle en opening van de verpakking Voordat de steriele verpakking wordt geopend, moet deze op zichtbare schade worden gecontroleerd. Beschadigingen kunnen de steriliteit van de inhoud van de verpakking in gevaar brengen. Raadpleeg de instructies voor het openen van de steriele verpakking, die zich in de doos bevinden. Indien de verpakking beschadigd is De verpakking van het apparaat bestaat uit een buiten- en binnenverpakking. Gebruik het apparaat of het toebehoren niet indien de buitenverpakking nat, geperforeerd, geopend of beschadigd is. Stuur het apparaat terug naar Medtronic, omdat de steriliteit van de verpakking en een goede werking van het apparaat dan niet gewaarborgd zijn. Dit apparaat is niet bedoeld om opnieuw gesteriliseerd te worden. Sterilisatie De inhoud van de verpakking is vóór verzending door Medtronic met ethyleenoxide gesteriliseerd. Het apparaat is bedoeld voor eenmalig gebruik en mag niet opnieuw gesteriliseerd worden. Temperatuur van het apparaat Laat het apparaat vóór programmering of implantatie op kamertemperatuur komen. Als de temperatuur van het apparaat boven of onder kamertemperatuur ligt, kan de initiële werking van het apparaat worden beïnvloed. Gevallen apparaat Implanteer het apparaat niet als het, nadat het uit de verpakking is gehaald, een val van 30 cm of meer heeft gemaakt op een harde ondergrond. Uiterste gebruiksdatum Implanteer het apparaat niet na de uiterste gebruiksdatum, omdat de levensduur van de batterij verkort kan zijn. Hersterilisatie van een apparaat heeft geen invloed op de uiterste gebruiksdatum. Voor eenmalig gebruik Een geëxplanteerd apparaat mag niet opnieuw gesteriliseerd en geïmplanteerd worden. Artsenhandleiding 25
26 2.3.2 Opslag van het apparaat Vermijd nabijheid van magneten Sla het apparaat op in een schone ruimte, zonder magneten, apparaten die magneten bevatten en elektromagnetische storingsbronnen, om beschadiging van het apparaat te voorkomen. Temperatuurbereik Bewaar en transporteer het verpakte apparaat bij een temperatuur tussen 18 C en +55 C. Bij een temperatuur van minder dan 18 C kan zich een elektrische reset voordoen. Bij temperaturen boven +55 C kan de werking worden beïnvloed en de levensduur van het apparaat worden verkort. 2.4 Evaluatie en aansluiting van geleidingsdraden Raadpleeg de technische handleidingen bij de geleidingsdraden voor specifieke instructies en voorzorgsmaatregelen voor het hanteren van de geleidingsdraden. Momentsleuteltje Gebruik uitsluitend het momentsleuteltje dat met het apparaat wordt meegeleverd. Dit momentsleuteltje is ontworpen om te voorkomen dat het apparaat beschadigd raakt doordat het inbusschroefje te vast wordt aangedraaid. Van andere momentsleuteltjes (bijvoorbeeld modellen met een blauw handvat of zeskantige sleutels) is het moment zo groot dat de geleidingsdraadconnector erdoor kan worden beschadigd. Geleidingsdraadaansluiting Houd rekening met het volgende als u de geleidingsdraad en het apparaat op elkaar aansluit: Dop achterblijvende geleidingsdraden af om te voorkomen dat elektrische signalen worden doorgeleid. Voorzie alle ongebruikte geleidingsdraadpoorten in het apparaat van een plug om het apparaat te beschermen. Controleer de geleidingsdraadaansluitingen. Losse geleidingsdraadaansluitingen kunnen onjuiste waarneming tot gevolg hebben en verhinderen dat de benodigde aritmietherapie wordt afgegeven. 26 Artsenhandleiding
27 Geleidingsdraadimpedantie Houd rekening met de volgende informatie betreffende de geleidingsdraadimpedantie als u het geleidingsdraadsysteem evalueert: Zorg ervoor dat de defibrillatiegeleidingsdraadimpedantie groter is dan 20 Ω. Bij een impedantie van minder dan 20 Ω kan het apparaat beschadigd raken of de afgifte van hogespanningstherapie worden verhinderd. Voordat u elektrische metingen of metingen ter controle van de effectiviteit van de defibrillatie verricht, moet u objecten die zijn vervaardigd van geleidende materialen, zoals introducer-voerdraden, uit de buurt van alle elektroden verwijderen. Metalen objecten zoals introducer-voerdraden kunnen een apparaat en de geleidingsdraden kortsluiten, zodat stroom langs het hart wordt geleid waardoor het apparaat en de geleidingsdraden beschadigd kunnen raken. Als de LV-stimulatie-impedantie voor de stimulatie van de LVtip naar de RV-defibrillatie-elektrode groter is dan 3000 Ω en de V-Defib (HVB)-impedantie groter is dan 200 Ω, gebruik dan het LV-EGM (LVtip naar Behuizing) om de integriteit van de LV-geleidingsdraad te controleren. Patchgeleidingsdraden U mag een patchgeleidingsdraad nergens vouwen, wijzigen of een deel ervan verwijderen. Dit kan de levensduur of de werking van de elektrode beïnvloeden. 2.5 Apparaatwerking Toebehoren Het apparaat mag alleen worden gebruikt met toebehoren, aan slijtage onderhevige onderdelen en wegwerpartikelen die technisch gezien compleet veilig te gebruiken zijn, hetgeen moet zijn aangetoond door een bevoegde testinstantie. Energieafname van de batterij Houd de levensduur van de batterij zorgvuldig in de gaten. Energieafname van de batterij heeft uiteindelijk tot gevolg dat de werking van het apparaat stopt. Voor cardioversie en defibrillatie is veel energie nodig, waardoor de levensduur van de batterij kan verkorten. Een extreem aantal oplaadcycli heeft eveneens een kortere levensduur tot gevolg. Timeout laadcircuit of inactief laadcircuit Neem contact op met Medtronic en vervang het apparaat onmiddellijk als het programmeerapparaat een bericht voor Charge Circuit Timeout (Timeout laadcircuit) of Charge Circuit Inactive (Inactief laadcircuit) weergeeft. ls dit bericht wordt weergegeven, zijn hogespanningstherapieën niet beschikbaar voor de patiënt. Gelijktijdig gebruik van een pacemaker Als gelijktijdig met de ICD een afzonderlijke pacemaker wordt gebruikt, moet u ervoor zorgen dat de ICD de uitgangspulsen van de pacemaker niet waarneemt, omdat dit de detectie van tachycardieën door de ICD kan Artsenhandleiding 27
28 beïnvloeden. Programmeer de pacemaker zodanig dat uitgangspulsen worden afgegeven met intervallen die langer zijn dan de tachycardiedetectie-intervallen van de ICD. Apparaatstatusindicatoren Als een van de apparaatstatusindicatoren (bijvoorbeeld elektrische reset) op het programmeerapparaat wordt weergegeven nadat het apparaat is uitgelezen, moet u direct Medtronic op de hoogte brengen. Als een van deze apparaatstatusindicatoren wordt weergegeven, zijn therapieën mogelijk niet beschikbaar voor de patiënt. Elektrische reset Een elektrische reset kan worden veroorzaakt door blootstelling aan temperaturen onder 18 C of sterke elektromagnetische velden. Adviseer patiënten om sterke elektromagnetische velden te vermijden. Respecteer de opslagtemperatuurlimieten, zodat het apparaat niet aan te lage temperaturen wordt blootgesteld. Als een gedeeltelijke reset optreedt, wordt de stimulatie hervat in de geprogrammeerde modus en veel van de geprogrammeerde instellingen blijven gehandhaafd. Als een volledige reset optreedt, werkt het apparaat in de VVI-modus bij 65 min -1. Een elektrische reset wordt onmiddellijk bij het uitlezen door het programmeerapparaat gemeld. Om het apparaat op de voorgaande instellingen terug te zetten, moet het opnieuw worden geprogrammeerd. EOS-indicator (End of Service, Einde van de levensduur) Als het programmeerapparaat een EOS-indicator (Einde van de levensduur) weergeeft, moet u het apparaat onmiddellijk vervangen. Nadat de EOS-indicator verschenen is, kan het apparaat het vermogen verliezen om adequaat te stimuleren, waar te nemen en therapie af te geven. Follow-up-tests Houd rekening met het volgende wanneer u follow-up-tests van het apparaat uitvoert: Houd externe defibrillatieapparatuur beschikbaar zodat direct kan worden ingegrepen. Bij het testen kunnen mogelijk schadelijke spontane of geïnduceerde tachycardieën worden opgewekt. Let erop dat veranderingen in de toestand van de patiënt, de medicatie en andere factoren de defibrillatiedrempel (DFT) kunnen wijzigen, hetgeen tot gevolg kan hebben dat de tachycardieën van de patiënt na de operatie niet kunnen worden beëindigd. Een geslaagde beëindiging van ventriculaire fibrillatie of ventriculaire tachycardie tijdens de implantatieprocedure is geen garantie dat tachycardieën na de operatie kunnen worden beëindigd. Hogere energie dan is geprogrammeerd Het apparaat kan een therapie met een hogere energie dan is geprogrammeerd afgeven wanneer het apparaat eerder is opgeladen op een hogere energie en deze lading nog op de condensatoren aanwezig is. Magneten Door een magneet boven het apparaat te plaatsen wordt de tachycardiedetectie onderbroken, maar wordt de anti-bradycardietherapie niet gewijzigd. Als u tijdens een draadlozetelemetriesessie een programmeerkop boven het apparaat plaatst, onderbreekt de magneet in de programmeerkop altijd de tachycardiedetectie. Als 28 Artsenhandleiding
29 u een programmeerkop boven het apparaat plaatst en niet-draadloze telemetrie tot stand brengt, wordt de tachycardiedetectie niet onderbroken. Veiligheidsmarges van stimulatie en waarneming Door de ingroei van geleidingsdraden kunnen de waarnemingsamplitudes afnemen en de stimulatiedrempels hoger worden, waardoor undersensing of verlies van capture kan worden veroorzaakt. Zorg bij de selectie van waarden voor de parameters voor stimulatieamplitude, stimulatiepulsduur en gevoeligheid voor een voldoende veiligheidsmarge. Patiëntveiligheid tijdens draadlozetelemetriesessies Controleer of u de juiste patiënt heeft geselecteerd, voordat u doorgaat met de draadloze patiëntsessie. Houd gedurende de sessie visueel contact met de patiënt. Als u een verkeerde patiënt selecteert en doorgaat met de sessie, kunt u mogelijk het apparaat van die patiënt verkeerd programmeren. Pacemakergeïnduceerde tachycardie-interventie (PMT) Ook als de functie PMT-interventie op On (Aan) is geprogrammeerd, is voor sommige PMT s mogelijk toch interventie nodig in de vorm van herprogrammering van het apparaat, magneettoepassing, medicinale behandeling of evaluatie van de geleidingsdraad. Stimulatie van de middenrifzenuw Stimulatie van de middenrifzenuw kan optreden als resultaat van linksventriculaire stimulatie bij hogere amplitudes. Hoewel dit niet levensbedreigend is, is het aan te raden op stimulatie van de middenrifzenuw te testen bij verschillende amplitude-instellingen met de patiënt in verschillende houdingen. Als stimulatie van de middenrifzenuw optreedt bij de patiënt, bepaalt u de minimale stimulatiedrempel voor deze stimulatie en programmeert u de stimulatieamplitude op een waarde waarbij de stimulatie minimaal is en waarbij een adequate veiligheidsmarge wordt geboden. Voordat u lagere stimulatieamplitudes voor de patiënt gaat programmeren, moet u een zorgvuldige afweging maken van de relatieve risico s van stimulatie van de middenrifzenuw en verlies van capture. Programmeerapparaten Gebruik uitsluitend programmeerapparaten en applicatiesoftware van Medtronic voor de communicatie met het apparaat. Programmeerapparaten en software van andere fabrikanten zijn niet compatibel met apparaten van Medtronic. Frequentieresponsieve modi Programmeer geen frequentieresponsieve modi bij patiënten die geen stimulatiefrequenties boven de geprogrammeerde onderfrequentie verdragen. Frequentieresponsieve modi kunnen bij deze patiënten ongemak veroorzaken. Fabriekswaarden Gebruik de fabriekswaarden of nominale waarden van stimulatieamplitude en gevoeligheid niet zonder dat is gecontroleerd of deze de patiënt toereikende veiligheidsmarges bieden. Atriale eenkamermodi Programmeer geen atriale eenkamermodi bij patiënten met verstoorde AV-knoopgeleiding. Ventriculaire stimulatie komt in deze modi niet voor. Artsenhandleiding 29
30 Trage retrograde geleiding en PMT s Trage retrograde geleiding kan een pacemakergeïnduceerde tachycardie (PMT) veroorzaken als de VA-geleidingstijd langer is dan 400 ms. Het programmeren van PMT-interventie kan alleen helpen PMT te voorkomen als de VA-geleidingstijd korter is dan 400 ms. Twiddler-syndroom Door het Twiddler-syndroom, dat inhoudt dat de patiënt het apparaat na de implantatie manipuleert, kan de stimulatiefrequentie tijdelijk worden verhoogd als de pacemaker geprogrammeerd is op een frequentieresponsieve modus Pacemakerafhankelijke patiënten Ventricular Safety Pacing (Ventriculaire veiligheidsstimulatie) Programmeer Ventricular Safety Pacing (VSP) (Ventriculaire veiligheidsstimulatie) bij pacemakerafhankelijke patiënten altijd op On (Aan). Ventriculaire veiligheidsstimulatie voorkomt ventriculaire asystolie als gevolg van onterechte inhibitie van ventriculaire stimulatie door ventriculaire oversensing. ODO-stimulatiemodus Stimulatie is gedeactiveerd in de ODO-modus. Programmeer het apparaat bij pacemakerafhankelijke patiënten niet op de ODO-modus. Gebruik in plaats daarvan de test voor het onderliggende ritme voor een korte periode zonder stimulatieondersteuning. Test voor het onderliggende ritme Wees voorzichtig als u de test voor het onderliggende ritme gebruikt om stimulatie te inhiberen. Als de stimulatie wordt geïnhibeerd, heeft de patiënt geen stimulatieondersteuning. 2.6 Gevaren van medische behandeling Computertomografie (CT-scan) Als de patiënt een CT-scanprocedure ondergaat, en als het apparaat zich daarbij niet direct in het brandpunt van de stralingsbundel van de CT-scan bevindt, heeft dit geen nadelige gevolgen voor het apparaat. Als het apparaat zich wel direct in het brandpunt van de stralingsbundel van de CT-scan bevindt, kan er oversensing optreden gedurende de tijd dat het apparaat zich in de stralingsbundel bevindt. Als het apparaat langer dan 4 s aan de stralingsbundel wordt blootgesteld, moet u de voor de patiënt geschikte maatregelen nemen; zoals het programmeren van een asynchrone modus voor pacemakerafhankelijke patiënten of het programmeren van een niet-stimulatiemodus voor patiënten die niet afhankelijk zijn van een pacemaker, en het deactiveren van de tachycardiedetectiefunctie. Deze maatregelen voorkomen een onterechte inhibitie en verkeerd volgen. Herstel de parameters van het apparaat en schakel de tachycardiedetectiefunctie in als de CT-scan beëindigd is. Diathermie Personen met metalen implantaten zoals pacemakers, implanteerbare cardioverter defibrillatoren (ICD s) en bijbehorende elektroden, mogen geen 30 Artsenhandleiding
31 diathermiebehandeling ondergaan. De interactie tussen het implantaat en de diathermie kan weefselschade, fibrillatie of schade aan onderdelen van het systeem veroorzaken, wat zou kunnen leiden tot ernstig letsel, het achterwege blijven van therapieafgifte en/of de noodzaak om het apparaat opnieuw te programmeren of te vervangen. Elektrochirurgie Elektrochirurgie kan ventriculaire tachycardieën en fibrillatie veroorzaken of het apparaat beschadigen. Als elektrochirurgie niet kan worden vermeden, neemt u de volgende voorzorgsmaatregelen om complicaties te beperken: Houd tijdelijke stimulatie- en defibrillatieapparatuur beschikbaar. Programmeer het apparaat bij pacemakerafhankelijke patiënten op een asynchrone stimulatiemodus. Nadat de elektrochirurgie is voltooid, programmeert u de stimulatiemodus weer op de oorspronkelijke instelling. Onderbreek tachycardiedetectie met behulp van een magneet of schakel tachycardiedetectie uit met behulp van het programmeerapparaat. Nadat de elektrochirurgie is voltooid, verwijdert u de magneet of gebruikt u het programmeerapparaat om tachycardiedetectie in te schakelen. Gebruik waar mogelijk een bipolair elektrochirurgiesysteem. Als unipolaire elektrochirurgie wordt toegepast, moet de grondplaat zo worden geplaatst dat de stroomrichting niet over of dicht bij het apparaat en het geleidingsdraadsysteem passeert. De stroomrichting moet minimaal 15 cm van het apparaat en het geleidingsdraadsysteem verwijderd blijven. Vermijd direct contact tussen het elektrochirurgieapparaat en het geïmplanteerde apparaat of de geleidingsdraden. Door direct contact kunnen het apparaat of de geleidingsdraden worden beschadigd. Gebruik korte, onderbroken en onregelmatige Bursts op het laagst mogelijke klinisch aanvaardbare energieniveau. Externe defibrillatie Het geïmplanteerde apparaat kan door externe defibrillatie worden beschadigd. Bij externe defibrillatie kunnen de stimulatiedrempels ook tijdelijk of blijvend worden verhoogd of kan tijdelijke of blijvende schade aan het myocard ontstaan op de plaats waar de elektrode met het weefsel in contact staat. Houd de hoeveelheid stroom die door het apparaat en de geleidingsdraden loopt zo laag mogelijk door de volgende voorzorgsmaatregelen te nemen: Stel de defibrillatie-energie zo laag mogelijk in. Plaats de defibrillatiepatches of -peddels minimaal 15 cm van het apparaat vandaan. Plaats de defibrillatiepatches of -peddels loodrecht op het apparaat en het geleidingsdraadsysteem. Als een externe defibrillatieschok wordt toegediend op minder dan 15 cm afstand van het apparaat, neem dan contact op met Medtronic. Artsenhandleiding 31
32 Lithotripsie Lithotripsie kan het apparaat permanent beschadigen als de lithotripsiebundel op het apparaat is gericht. Neem de volgende voorzorgsmaatregelen als lithotripsie moet worden uitgevoerd: Schakel tachycardiedetectie uit met behulp van het programmeerapparaat. Nadat de lithotripsieprocedure is voltooid, schakelt u de tachycardiedetectie weer in. Programmeer de stimulatiemodus zodanig dat de effecten van oversensing op stimulatie (bijvoorbeeld onjuist volgen of onjuiste inhibitie) worden geminimaliseerd. Programmeer het apparaat bij pacemakerafhankelijke patiënten op een asynchrone stimulatiemodus. Programmeer het apparaat bij patiënten die niet afhankelijk van de pacemaker zijn, op een niet-stimulatiemodus. Nadat de lithotripsieprocedure is voltooid, programmeert u de stimulatiemodus weer op de oorspronkelijke instelling. Let op dat het brandpunt van de lithotripsiebundel ten minste 2,5 cm van het geïmplanteerde apparaat verwijderd blijft. Magnetic resonance imaging (MRI) Magnetic resonance imaging (MRI) mag niet worden toegepast bij patiënten waarbij dit apparaat is geïmplanteerd. MRI kan elektrische stromen in geïmplanteerde geleidingsdraden veroorzaken, wat kan leiden tot weefselbeschadiging en de inductie van tachycardieën. MRI kan ook schade aan het apparaat veroorzaken. Medische behandelingen die de werking van het apparaat beïnvloeden De elektrofysiologische kenmerken van het hart van een patiënt kunnen in de loop der tijd veranderen, vooral als de medicatie van de patiënt gewijzigd is. Als gevolg van deze wijzigingen kunnen de geprogrammeerde therapieën ineffectief en zelfs gevaarlijk worden voor de patiënt. Zorg voor regelmatige follow-up-bezoeken om te controleren of de geprogrammeerde therapieën nog wel correct zijn. Radiofrequentie (RF)-ablatie Een RF-ablatieprocedure kan de functies of het apparaat zelf aantasten. De risico s van RF-ablatie kunnen worden verkleind als de volgende voorzorgsmaatregelen worden genomen: Houd tijdelijke stimulatie- en defibrillatieapparatuur beschikbaar. Programmeer de stimulatiemodus zodanig dat de effecten van oversensing op stimulatie (bijvoorbeeld onjuist volgen of onjuiste inhibitie) worden geminimaliseerd. Programmeer het apparaat bij pacemakerafhankelijke patiënten op een asynchrone stimulatiemodus. Programmeer het apparaat bij patiënten die niet afhankelijk van de pacemaker zijn, op een niet-stimulatiemodus. Nadat de ablatieprocedure is voltooid, programmeert u de stimulatiemodus weer op de oorspronkelijke instelling. Onderbreek tachycardiedetectie met behulp van een magneet of schakel tachycardiedetectie uit met behulp van het programmeerapparaat. Nadat de ablatieprocedure is voltooid, verwijdert u de magneet of gebruikt u het programmeerapparaat om tachycardiedetectie in te schakelen. 32 Artsenhandleiding
33 Vermijd direct contact tussen de ablatiekatheter en het geïmplanteerde systeem. Plaats de grondplaat zo dat de stroomrichting niet over of dicht bij het apparaat en het geleidingsdraadsysteem passeert. De stroomrichting moet minimaal 15 cm van het apparaat en het geleidingsdraadsysteem verwijderd blijven. Radiotherapie en oversensing Als de patiënt radiotherapie ondergaat, kan het apparaat in de loop van de procedure onterecht directe of verstrooide straling waarnemen als hartactiviteit. Neem de volgende voorzorgen om complicaties te beperken: Onderbreek tachycardiedetectie met behulp van een magneet of schakel tachycardiedetectie uit met behulp van het programmeerapparaat. Nadat de radiotherapieprocedure is voltooid, verwijdert u de magneet of gebruikt u het programmeerapparaat om tachycardiedetectie in te schakelen. Programmeer de stimulatiemodus zodanig dat de effecten van oversensing op stimulatie (bijvoorbeeld onjuist volgen of onjuiste inhibitie) worden geminimaliseerd. Programmeer het apparaat bij pacemakerafhankelijke patiënten op een asynchrone stimulatiemodus. Programmeer het apparaat bij patiënten die niet afhankelijk van de pacemaker zijn, op een niet-stimulatiemodus. Nadat de radiotherapieprocedure is voltooid, programmeert u de stimulatiemodus weer op de oorspronkelijke instelling. Radiotherapie en schade aan het apparaat Stel het apparaat niet bloot aan hoge doses directe of verstrooide straling. Een cumulatieve stralingsdosis op de apparaatcircuits van meer dan 5 Gy kan het apparaat beschadigen. Deze schade is mogelijk niet direct zichtbaar. De beschadigingen kunnen verschillend van aard zijn. Zo kan het stroomverbruik toenemen, hetgeen kan leiden tot een kortere levensduur van het apparaat of een verandering van de waarnemingsprestaties. Als een patiënt stralingstherapie uit welke bron dan ook nodig heeft, mag het apparaat niet worden blootgesteld aan een cumulatieve dosis van meer dan 5 Gy. Gebruik een correcte afscherming of andere maatregelen om de blootstelling van het apparaat aan de straling te beperken. De cumulatieve dosis van diagnostische röntgenstraling, CT-scans of fluoroscopieapparatuur is normaal niet voldoende om schade aan het apparaat te veroorzaken. Houd rekening met eerdere bestralingen bij patiënten die vaker stralingstherapie ondergaan. Radiotherapie en operationele apparaatfouten Als het apparaat wordt blootgesteld aan gerichte of verstrooide neutronen, kan het apparaat gereset worden. Ook kunnen er fouten optreden bij de functionaliteit van het apparaat of kunnen de diagnostische gegevens fouten bevatten of verloren gaan. Om de kans op een reset van het apparaat als gevolg van blootstelling aan neutronen te beperken, moet de energie van de fotonenstraling bij de radiotherapiebehandeling lager dan of gelijk aan 10 MV zijn. Een conventionele loodafscherming tijdens radiotherapie beschermt het apparaat niet tegen de effecten van de neutronen. Als de energie van de fotonenstraal groter is dan 10 MV, raadt Medtronic u aan het apparaat direct na de radiotherapie uit te lezen. Als er een elektrische reset optreedt, Artsenhandleiding 33
34 moeten de apparaatparameters opnieuw worden geprogrammeerd. Door behandelingen met elektronenstraling kan geen elektrische reset van het apparaat worden veroorzaakt. Therapeutische ultrasone golven Stel het apparaat niet bloot aan therapeutische ultrasone golven. Hierdoor kan het apparaat permanent worden beschadigd. 2.7 Werkomgeving en thuis Mobiele telefoons Dit apparaat is met een filter uitgerust waardoor de meeste transmissies van mobiele telefoons geen invloed hebben op de werking ervan. Om de kans op interactie te verkleinen, moeten de volgende voorzorgsmaatregelen in acht worden genomen: Bewaar een minimale afstand van 15 cm tussen het apparaat en de mobiele telefoon, zelfs als de mobiele telefoon is uitgeschakeld. Bewaar een minimale afstand van 30 cm tussen het apparaat en zendantennes van meer dan 3 W. Houd de mobiele telefoon aan het oor dat zich het verst van het geïmplanteerde apparaat bevindt. Dit apparaat is conform de ANSI/AAMI PC 69-standaard getest om compatibiliteit te garanderen met mobiele telefoons en andere vergelijkbare draagbare vermogenzenders. Deze transmissietechnologieën worden wereldwijd in de meeste mobiele telefoons toegepast. Het schakelcircuit van dit apparaat elimineert onder normale omstandigheden de belangrijkste effecten van mobiele telefoons. Elektromagnetische interferentie (EMI) Patiënten moeten erop worden gewezen apparatuur te vermijden die krachtige elektromagnetische interferentie (EMI) genereren. Door elektromagnetische interferentie kan onnodig therapie worden afgegeven. Elektromagnetische interferentie kan het apparaat ook beschadigen of de werking ervan beïnvloeden. De patiënt dient bij de interferentiebron weg te gaan of deze uit te schakelen; hierdoor functioneert het apparaat meestal weer normaal. De volgende bronnen zouden interferentie kunnen veroorzaken: Hoogspanningslijnen Communicatieapparatuur zoals microgolfzenders, lineaire versterkers of krachtige amateurzenders Commerciële elektrische apparatuur zoals booglasapparaten, inductieovens of weerstandslasapparaten Huishoudelijke apparaten die goed functioneren en op de juiste wijze geaard zijn, produceren over het algemeen niet genoeg EMI om de werking van het apparaat te kunnen verstoren. Er zijn meldingen dat bij pacemakers tijdelijke storingen zijn veroorzaakt door 34 Artsenhandleiding
35 elektrisch handgereedschap of elektrische scheerapparaten die direct boven het implantatiegebied van de pacemaker werden gebruikt. Onderzoek zorgvuldig de mogelijkheid van verhoogde gevoeligheid voor EMI en oversensing voordat de gevoeligheid op het minimum van 0,15 mv (het gevoeligst) wordt ingesteld. Antidiefstalsysteem Antidiefstalapparatuur zoals in winkels wordt gebruikt, kan de werking van het apparaat beïnvloeden en resulteren in het afgeven van onterechte therapie. Patiënten moet worden geadviseerd recht door een antidiefstalsysteem te lopen en er niet langer dan noodzakelijk bij te blijven staan. Statische magnetische velden Patiënten dienen apparaten of situaties te vermijden waarbij ze worden blootgesteld aan statische magnetische velden (groter dan 10 Gauss of 1 mt). Statische magnetische velden kunnen de tachycardiedetectie onderbreken. Bronnen van statische magnetische velden zijn onder andere stereoluidsprekers, magnetische staven die worden gebruikt bij het bingospel of om metalen deeltjes uit motoren te halen, magnetische badges of magnetische therapieproducten. 2.8 Mogelijke complicaties De volgende complicaties kunnen onder andere optreden bij het gebruik van transveneuze geleidingsdraden en stimulatiesystemen: Versnelling van tachycardieën (veroorzaakt door ICD) Luchtembolie Bloeding Afstotingsverschijnselen zoals plaatselijke weefselreacties Cardiale dissectie Hartperforatie Harttamponade Chronische zenuwbeschadiging Overlijden Ontsteking van de hartbinnenwand Erosie Erosie door de huid Excessieve bindweefselgroei Extrusie Fibrillatie of andere aritmieën Vochtophoping Vorming van hematomen of cysten Hartblok Hartwand- of aderwandruptuur Hematoom/seroma Infectie Fibroomvorming Slijtage en functieverlies bij de geleidingsdraad Verplaatsing of losraken van de geleidingsdraad spierstimulatie, zenuwstimulatie of beide Beschadiging van het myocard Myocardiale prikkelbaarheid Myopotentiale waarneming Pericardiale effusie Pericardiale wrijving Artsenhandleiding 35
36 Pneumothorax Mogelijk overlijden doordat stimuleren niet mogelijk is Afstotingsverschijnselen (lokale weefselreactie, Drempelverhoging bindweefselvorming, migratie van het apparaat) Trombo-embolie Trombo-embolie en luchtembolie Trombose Trombose veroorzaakt door transveneuze geleidingsdraden Beschadiging van de hartklep (vooral bij fragiele Veneuze occlusie harten) Perforatie van aders of hart Bij het gebruik van transveneuze linksventriculaire stimulatiegeleidingsdraden kan ook dissectie van de sinus coronarius optreden. De volgende complicaties kunnen onder andere optreden bij het gebruik van ICD-systemen: Ongewenste schokken Mogelijk overlijden doordat defibrillatie niet mogelijk is Shuntstroom of isolatie van het myocard tijdens defibrillatie Patiënten die ondanks medisch management frequent worden blootgesteld aan schokken, kunnen een psychologische intolerantie voor ICD-systemen ontwikkelen. Hierbij kunnen zich de volgende condities voordoen: Afhankelijkheid Depressie Angst dat de batterij voortijdig leeg zal raken Angst voor schokken terwijl de patiënt bij bewustzijn is Angst dat de mogelijkheid om te schokken verloren zal gaan Ingebeelde schokken (fantoomschokken) 36 Artsenhandleiding
37 3 Het programmeerapparaat gebruiken 3.1 Telemetrie tussen het apparaat en het programmeerapparaat tot stand brengen U kunt draadloze of niet-draadloze telemetrie tussen het apparaat en het programmeerapparaat tot stand brengen. Het Medtronic CareLink-programmeerapparaat Model 2090 met Conexus-telemetrie ondersteunt patiëntsessies waarbij gebruikgemaakt wordt van draadloze Conexus-telemetrie of van niet-draadloze telemetrie via een programmeerkop. Het Medtronic CareLink-programmeerapparaat Model 2090 ondersteunt patiëntsessies waarbij gebruikgemaakt wordt van niet-draadloze telemetrie via een programmeerkop. Raadpleeg de referentiehandleiding van het programmeerapparaat voor meer informatie over het instellen van het programmeerapparaat voor een patiëntsessie Conexus-telemetrie gebruiken Het Medtronic CareLink-programmeerapparaat Model 2090 met Conexus-telemetrie is speciaal ontworpen om artsen en patiënten te voorzien van eenvoudiger en efficiënter methoden voor implantatie en follow-up. Via radiofrequente (RF-) telemetrie is draadloze communicatie mogelijk tussen het geïmplanteerde apparaat en het programmeerapparaat in het ziekenhuis of de kliniek. Conexus-telemetrie maakt gebruik van de frequentieband voor communicatieservices voor medische implantaten (Medical Implant Communications Service), de enige band die speciaal bedoeld is voor medische apparaten. Door het gebruik van de MICS-frequentieband veroorzaakt het apparaat geen interferentie met elektronische apparaten zoals magnetrons, mobiele telefoons en babyfoons. Door Conexus-telemetrie is het niet nodig om tijdens een programmeer- of follow-up-sessie een programmeerkop boven het geïmplanteerde apparaat te houden. Bij de implantatie kan via dit systeem het apparaat worden geprogrammeerd zonder dat een programmeerkop in het steriele veld aanwezig hoeft te zijn. Zie Afbeelding 2. Artsenhandleiding 37
38 Afbeelding 2. Conexus-telemetrie gebruiken bij de implantatie Tijdens programmeersessies en follow-up-sessies is via dit systeem draadloze communicatie tussen het apparaat en het programmeerapparaat mogelijk. Zie Afbeelding Artsenhandleiding
39 Afbeelding 3. Conexus-telemetrie gebruiken bij de follow-up Richtlijnen voor het gebruik van Conexus-telemetrie Als u een patiëntsessie start met gebruikmaking van draadloze of niet-draadloze telemetrie, moet u de sessie afsluiten voordat u kunt overschakelen op het andere type telemetrie. Het programmeerapparaat kan niet tegelijkertijd gebruikmaken van draadloze en niet-draadloze telemetrie Draadloze telemetrie activeren Als u Conexus-telemetrie wilt gebruiken voor een patiëntsessie, moet u draadloze telemetrie activeren op het programmeerapparaat en op het apparaat. Als u draadloze telemetrie wilt activeren op het programmeerapparaat, schakel het programmeerapparaat dan in. Het programmeerapparaat wordt gestart en het venster Find Patient (Patiënt zoeken) wordt weergegeven. Selecteer het vakje Allow wireless communication (Draadloze communicatie toestaan) in het venster Find Patient (Patiënt zoeken). Het programmeerapparaat zoekt binnen een afstand van maximaal 2 m actief naar compatibele geactiveerde apparaten. Om draadloze telemetrie in het apparaat te activeren, plaatst u de programmeerkop of de Conexus-activator kort boven het apparaat totdat dit wordt geïdentificeerd. Artsenhandleiding 39
40 Bij de activering zoekt het programmeerapparaat naar geactiveerde apparaten binnen het telemetriebereik. Als een apparaat een signaal van het programmeerapparaat waarneemt, stuurt het apparaat een signaal naar het programmeerapparaat en blijft het maximaal 15 min actief. Het programmeerapparaat brengt dan communicatie met het apparaat tot stand. Het venster Find Patient (Patiënt zoeken) wordt gedurende minstens 5 min weergegeven. Als er 5 min zijn voorbijgegaan zonder dat de contactpen is gebruikt, wordt het venster Find Patient (Patiënt zoeken) gesloten en wordt het venster Select Model (Modelselectie) weergegeven Gebruik van het venster Find Patient (Patiënt zoeken) In de lijst Patient Name (Naam van de patiënt) in het venster Find Patient (Patiënt zoeken) van het programmeerapparaat worden alle patiënten weergegeven waarbij een apparaat is geïmplanteerd dat draadloos is geactiveerd en dat zich binnen het telemetriebereik bevindt. De patiënten worden weergegeven in de volgorde waarin ze door het programmeerapparaat zijn gevonden. De lijst wordt periodiek bijgewerkt, waarbij patiënten worden toegevoegd waarvan het apparaat net is geactiveerd en patiënten worden verwijderd waarvan het apparaat niet langer actief is. De volgorde waarin de resterende patiënten in de lijst Patient Name (Naam van de patiënt) worden weergegeven, verandert niet. In het venster Find Patient (Patiënt zoeken) worden patiënten weergegeven waarvoor nog geen sessie is gestart, of waarvan de sessie is beëindigd Controleren of de telemetrie tussen het apparaat en het programmeerapparaat betrouwbaar is Bij een geslaagde uitlezing of programmering van het apparaat wordt gecontroleerd of de telemetrie tussen het apparaat en het programmeerapparaat betrouwbaar is. De eerste keer dat bij een sessie draadloze telemetrie tot stand wordt gebracht, verandert de telemetriestatusindicator in de linkerbovenhoek van het scherm van het programmeerapparaat. In plaats van het programmeerkoppictogram wordt dan het draadlozetelemetriepictogram weergegeven (zie Afbeelding 4). Afbeelding 4. Draadlozetelemetriepictogram op de taakbalk 1 Draadlozetelemetriepictogram De indicatiebalk op dit pictogram geeft de sterkte van het draadlozecommunicatiesignaal aan. Voor betrouwbare telemetrie tussen het geïmplanteerde apparaat en het programmeerapparaat moeten minstens 3 groene lampjes op de indicatiebalk branden. 40 Artsenhandleiding
41 Betrouwbare telemetrie handhaven In een normale onderzoeksruimte of operatiezaal kunt u betrouwbare telemetrie tussen het geïmplanteerde apparaat en het programmeerapparaat verwachten. Het systeem is zo ontworpen dat effectieve draadloze communicatie gehandhaafd blijft binnen een afstand van maximaal 2 m bij aanwezigheid van normale elektronische apparaten. Normaal gesproken veroorzaakt het systeem geen storingen bij andere elektronische apparaten in de omgeving. Als u moeite heeft om consistente en betrouwbare telemetrie te handhaven tussen het geïmplanteerde apparaat van een patiënt en het programmeerapparaat, kunt u het volgende doen om het aantal brandende lampjes op de telemetriestatusindicatorbalk te vergroten: Verander de hoek van het scherm van het programmeerapparaat iets. De telemetrieantenne maakt deel uit van het scherm, en de telemetrieverbinding kan beter worden als u het scherm iets verplaatst. Wijzig de positie van het programmeerapparaat zodat er zo weinig mogelijk storende objecten tussen het scherm van het programmeerapparaat en de patiënt staan. In het algemeen wordt een optimale positie verkregen door het programmeerapparaat tussen de patiënt en uzelf in te plaatsen, zodat u het scherm kunt zien en de patiënt zich aan de andere kant van het scherm bevindt, met het gezicht naar u en het programmeerapparaat gericht. Maak de afstand tussen het programmeerapparaat en de patiënt zo klein mogelijk. De signaalsterkte is mogelijk sterker als het apparaat in de patiënt geplaatst is dan wanneer het apparaat zich in de verpakking bevindt. Verwijder eventuele elektromagnetische storingsbronnen (EMI) die van invloed kunnen zijn op het telemetriesignaal. Als een sessie wordt onderbroken of verstoord door elektrische interferentie, probeert het programmeerapparaat gedurende de volgende 5 min de communicatie met het apparaat te herstellen. Als de communicatie tussen het apparaat en het programmeerapparaat gedurende die periode niet wordt hersteld, moet u de Conexus-activator of de programmeerkop gebruiken om de draadloze telemetrie in het apparaat opnieuw te activeren teneinde de sessie te hervatten of een nieuwe sessie te starten. Artsenhandleiding 41
42 Opmerking: Als u Holter-telemetrie wilt gebruiken om tijdens een Conexus-telemetriesessie EGM- en Marker Channel-gegevens te verzenden, moet u eerst de standby-modus activeren Beveiliging bij inactiviteit tijdens een sessie Het systeem biedt op twee manieren beveiliging tegen onbedoelde programmering als de patiënt of de arts een tijd weggaat bij het programmeerapparaat. In een follow-up-sessie geeft het systeem na 2 min van inactiviteit van het programmeerapparaat (als er niet op schermtoetsen is gedrukt) de naam of het identificatienummer van de patiënt weer, evenals apparaatgegevens. U moet dan bevestigen dat de juiste patiënt aanwezig is voordat u een programmeeropdracht kunt uitvoeren. Interactie met het programmeerapparaat is mogelijk gedurende deze tijd, maar u moet alle programmeer- en uitleesopdrachten bevestigen. Bij een implantatie of follow-up-sessie wordt de standby-modus op het apparaat geactiveerd na 2 uur inactiviteit op het programmeerapparaat (als er geen schermtoetsen zijn ingedrukt). Standby-modus Het systeem is voorzien van een standby-modus voor situaties waarin een periode van inactiviteit in een patiëntsessie is ingepland. In de standby-modus werkt het apparaat op een manier die vergelijkbaar is met niet-draadloze telemetrie wanneer de programmeerkop van het apparaat wordt verwijderd. Actuele signalen worden uitgeschakeld en de telemetriestatusindicator van het programmeerapparaat geeft aan dat er geen telemetrieverbinding is. Tussen het apparaat en het programmeerapparaat is nog beperkte communicatie. In de standby-modus zijn de functies van het programmeerapparaat beperkt. Als het systeem in de standby-modus staat, kunt u een apparaatsessie starten met het huidige of een ander programmeerapparaat. Als u een ander programmeerapparaat gebruikt om een sessie met het apparaat te openen, moet u eerst de sessie met het huidige programmeerapparaat beëindigen, omdat het apparaat maar met één programmeerapparaat tegelijk in een sessie kan zijn. Voordat u een poging doet om te programmeren, uit te lezen of tests of emergency-acties uit te voeren, moet u controleren of de sessie plaatsvindt met de juiste patiënt. U kunt desgewenst de standby-modus handmatig activeren en deactiveren. Om de standby-modus te activeren, selecteert u het draadlozetelemetriepictogram in de linkerbovenhoek van het scherm van het programmeerapparaat. 42 Artsenhandleiding
43 Om de standby-modus te deactiveren, selecteert u nogmaals het draadlozetelemetriepictogram in de linkerbovenhoek van het scherm van het programmeerapparaat of plaatst u de Conexus-activator of de programmeerkop boven het apparaat. Als het apparaat 5 min in de standby-modus is geweest, wordt draadloze telemetrie gedeactiveerd. U moet deze opnieuw activeren met de Conexus-activator of de programmeerkop. Opmerking: De standby-modus wordt ook gedeactiveerd als u probeert parameters te programmeren, het apparaat uit te lezen of tests of emergency-acties uit te voeren. Op het scherm van het programmeerapparaat wordt het venster Verify Patient (Patiënt verifiëren) weergegeven. Om de standby-modus te deactiveren en de patiëntsessie te hervatten, bevestigt u dat de sessie voor de bedoelde patiënt is, selecteert u het vakje Allow wireless communication (Draadloze communicatie toestaan) en selecteert u [Continue] (Doorgaan) Veiligheid en privacy van de patiënt handhaven Tijdens een draadlozetelemetriesessie kunnen andere programmeerapparaten geen communicatie met het geïmplanteerde apparaat van de patiënt tot stand brengen of een sessie initiëren. De veiligheid en privacy van uw patiënt worden zo gehandhaafd. Op dezelfde manier zijn andere patiënten beveiligd tegen communicatie of programmeeropdrachten die worden uitgevoerd tijdens de sessie met de patiënt. Bij het gebruik van draadloze telemetrie wordt de naam van de patiënt weergegeven op de opdrachtbalk van het scherm van het programmeerapparaat. Raadpleeg Sectie 3.3, Functies van het display, bladzijde 50 voor meer informatie over de opdrachtbalk. Als de naam van de patiënt niet is ingevoerd, wordt het identificatienummer van de patiënt weergegeven. Als de naam noch het identificatienummer van de patiënt zijn ingevoerd, wordt de tekst (Patient name not entered) (Naam van de patiënt niet ingevoerd) weergegeven op de opdrachtbalk. Voer bij het gebruik van draadloze telemetrie de naam en het identificatienummer van de patiënt zo snel mogelijk in Gebruik van niet-draadloze telemetrie U kunt het Medtronic CareLink-programmeerapparaat Model 2090 met Conexus-telemetrie gebruiken in de niet-draadlozetelemetriemodus, of u kunt het Medtronic CareLink-programmeerapparaat Model 2090 gebruiken. In deze modus moet u ook een programmeerkop Model 2067 of 2067L van Medtronic gebruiken. Als u een patiëntsessie start met gebruikmaking van niet-draadloze telemetrie, moet u de sessie afsluiten voordat u kunt overschakelen op de draadlozetelemetriemodus. Artsenhandleiding 43
44 Niet-draadloze telemetrie tot stand brengen Als u het Medtronic CareLink-programmeerapparaat Model 2090 met Conexus-telemetrie in de draadloze modus wilt gebruiken, moet u ervoor zorgen dat het selectievakje Allow wireless communication (Draadloze communicatie toestaan) in het venster Find Patient (Patiënt zoeken) niet is ingeschakeld. Op deze manier voorkomt u dat een draadlozetelemetriesessie tot stand wordt gebracht. Als u een Medtronic CareLink-programmeerapparaat Model 2090 gebruikt dat niet voorzien is van Conexus-telemetrie, wordt dit selectievakje niet weergegeven in het venster Find Patient (Patiënt zoeken). Plaats de programmeerkop boven het apparaat om niet-draadloze telemetrie tussen het programmeerapparaat en het apparaat tot stand te brengen. Bij een geslaagde uitlezing of programmering van het apparaat wordt gecontroleerd of de communicatie tussen het apparaat en het programmeerapparaat betrouwbaar is. De eerste keer dat bij een sessie niet-draadloze telemetrie tot stand wordt gebracht, geeft de telemetriestatusindicator in de linkerbovenhoek van de taakbalk van het programmeerapparaat het programmeerkoppictogram weer (zie Afbeelding 5). Afbeelding 5. Programmeerkoppictogram op de taakbalk 1 Programmeerkoppictogram Opmerking: De programmeerkop bevat een magneet die de tachycardiedetectie kan onderbreken. Als tussen het apparaat en het programmeerapparaat telemetrie tot stand is gekomen, wordt de detectie niet onderbroken. Wanneer de programmeerkop boven het apparaat is geplaatst en de telemetrie tot stand is gebracht, gaat het oranje lampje op de programmeerkop uit en gaan een of meer groene indicatielampjes op de programmeerkop branden. Zoek de optimale positie voor de programmeerkop door deze boven het geïmplanteerde apparaat te bewegen totdat de meeste groene lampjes gaan branden. Om te zorgen dat de telemetrie optimaal is, plaatst u de programmeerkop zo dat tenminste 2 van de groene lampjes branden. Als de programmeerkop van de patiënt afglijdt, wordt de sessie niet beëindigd. Plaats de programmeerkop terug boven het apparaat om het programmeren of uitlezen van het apparaat te hervatten. Opmerking: Meer informatie over het algemene gebruik van de programmeerkop vindt u in de referentiehandleiding bij het programmeerapparaat. 44 Artsenhandleiding
45 3.2 Een patiëntsessie uitvoeren Bij het begin van een sessie leest het programmeerapparaat het apparaat van de patiënt uit. Aangezien het programmeerapparaat gegevens per sessie verzamelt en opslaat, moet u voor iedere patiënt een nieuwe sessie beginnen. Voordat u een sessie met een andere patiënt begint, moet u de voorgaande sessie beëindigen Een patiëntsessie beginnen Let op: Als er bij het programmeerapparaat een fout optreedt (bijvoorbeeld een defecte contactpen), kunnen programmeerfouten optreden of is het mogelijk dat een actie of een proces niet kan worden beëindigd. Als er een fout bij het programmeerapparaat optreedt, moet u dit direct uitschakelen om de telemetrie te deactiveren en alle processen te beëindigen die door het programmeerapparaat worden uitgevoerd. Let op: Controleer bij een draadlozetelemetriesessie of u de juiste patiënt heeft geselecteerd voordat u doorgaat met de sessie. Houd gedurende de sessie visueel contact met de patiënt. Als u een verkeerde patiënt selecteert en doorgaat met de sessie, kunt u mogelijk het apparaat van die patiënt verkeerd programmeren. Let op: Laat het programmeerapparaat niet onbewaakt achter terwijl een draadlozetelemetriesessie wordt uitgevoerd. Houd tijdens de sessie controle over het programmeerapparaat om te verhinderen dat ongewenste communicatie met het apparaat van de patiënt plaatsvindt. Opmerking: Tijdens de initiële uitlezing zijn alleen de emergency-functies van het programmeerapparaat beschikbaar Een patiëntsessie starten met draadloze telemetrie 1. Schakel het programmeerapparaat in. 2. Selecteer [Find Patient ] (Patiënt zoeken). 3. Selecteer het vakje Allow wireless communication (Draadloze communicatie toestaan) in het venster Find Patient (Patiënt zoeken). 4. Plaats de Conexus-activator of de programmeerkop kort boven het apparaat om draadloze telemetrie in het apparaat te activeren. Artsenhandleiding 45
46 Opmerkingen: Als de Conexus-activator wordt gebruikt om telemetrie in het apparaat te activeren, start het programmeerapparaat de patiëntsessie automatisch. De tachycardiedetectie wordt niet onderbroken. De tachycardiedetectie wordt echter wel onderbroken als u een magneet bij het apparaat plaatst. Als de programmeerkop wordt gebruikt om telemetrie in het apparaat te activeren, start het programmeerapparaat de patiëntsessie automatisch. De tachycardiedetectie wordt dan onderbroken. De detectie blijft onderbroken zolang de programmeerkop boven het apparaat wordt gehouden. Er wordt een waarschuwing weergegeven dat de tachycardiedetectie is onderbroken. 5. Selecteer de juiste patiënt in de lijst Patient Name (Naam van de patiënt) in het venster Find Patient (Patiënt zoeken). Opmerking: Alle patiënten met een geïmplanteerd draadloos geactiveerd apparaat binnen het telemetriebereik worden op het programmeerapparaat weergegeven. 6. Selecteer [Start] Een patiëntsessie starten met niet-draadloze telemetrie 1. Schakel het programmeerapparaat in. 2. Selecteer [Find Patient ] (Patiënt zoeken). 3. Als u het Medtronic CareLink-programmeerapparaat Model 2090 met Conexus-telemetrie wilt gebruiken, moet u ervoor zorgen dat het vakje Allow wireless communication (Draadloze communicatie toestaan) in het venster Find Patient (Patiënt zoeken) niet is geselecteerd. Als u een sessie start terwijl de programmeerkop boven het apparaat van de patiënt wordt gehouden en het vakje Allow wireless communication (Draadloze communicatie toestaan) is ingeschakeld, start het systeem een draadlozetelemetriesessie en wordt het apparaat automatisch uitgelezen. Als u een Medtronic CareLink-programmeerapparaat Model 2090 gebruikt dat niet voorzien is van Conexus-telemetrie, wordt het vakje Allow wireless communication (Draadloze communicatie toestaan) niet weergegeven in het venster Find Patient (Patiënt zoeken). 4. Plaats de programmeerkop boven het apparaat; de niet-draadloze sessie wordt automatisch gestart. 46 Artsenhandleiding
47 3.2.2 Apparaat- en telemetrie-effecten tijdens een patiëntsessie Tachycardiedetectie tijdens draadlozetelemetriesessies Als u een programmeerkop boven het apparaat plaatst, onderbreekt de magneet in de programmeerkop altijd de tachycardiedetectie. Tachycardiedetectie tijdens niet-draadlozetelemetriesessies Als u een programmeerkop boven het apparaat plaatst en telemetrie tot stand wordt gebracht, onderbreekt de magneet in de programmeerkop de tachycardiedetectie niet. Episodes die plaatsvinden tijdens draadlozetelemetriesessies Als u probeert een patiëntsessie te initiëren terwijl een gedetecteerde aritmie-episode optreedt, behandelt het apparaat de aritmie normaal. Als geen telemetrie tot stand is gebracht, zorgt de magneet in het programmeerapparaat ervoor dat het apparaat de detectie onderbreekt zolang de programmeerkop boven het apparaat is geplaatst. Episodes die plaatsvinden tijdens niet-draadlozetelemetriesessies Als u de programmeerkop boven het apparaat plaatst nadat telemetrie tot stand is gebracht en er een gedetecteerde aritmie-episode actief is, behandelt het apparaat de aritmie als gewoonlijk. Als geen telemetrie tot stand is gebracht en u de programmeerkop boven het apparaat plaatst, zorgt de magneet in de programmeerkop ervoor dat het apparaat de detectie onderbreekt. Het opladen van de condensatoren tijdens draadlozetelemetriesessies De telemetrie tussen het apparaat en het programmeerapparaat kan worden gestoord door het opladen van de condensatoren. Dit kan tot gevolg hebben dat de telemetrie-indicatielampjes op de taakbalk van het programmeerapparaat tijdelijk uitgaan. Ook kunnen markertransmissies en de mogelijkheid om programmeeropdrachten te verzenden, tijdelijk onmogelijk worden. Teneinde de betrouwbaarheid van de telemetrie tijdens het handmatige of automatische opladen van de condensatoren te verbeteren, moeten zo veel mogelijk van de indicatielampjes die de telemetriesterkte aangeven, branden. Het opladen van de condensatoren tijdens niet-draadlozetelemetriesessies De telemetrie tussen het apparaat en het programmeerapparaat kan worden gestoord door het opladen van de condensatoren. Tijdens het opladen kunnen de indicatielampjes op de programmeerkop uitgaan. Het is normaal dat de lampjes op de programmeerkop uitgaan. Opmerking: De P -knop van de programmeerkop is gedeactiveerd tijdens alle EP-studiefuncties en handmatige systeemtests. Tijdens tachycardie-inducties is de I -knop van de programmeerkop ook gedeactiveerd. Markertransmissies tijdens draadlozetelemetriesessies Zolang de telemetrie in werking is, verzendt het apparaat constant Marker Channel-gegevens en aanvullende markergegevens. Deze gegevenstransmissie wordt onderbroken als de telemetrie wordt onderbroken. Wanneer Holter-telemetrie op On (Aan) geprogrammeerd staat, zal het Artsenhandleiding 47
48 apparaat altijd telemetrie uitzenden, behalve tijdens Conexus-telemetriesessies. Als u Holter-telemetrie wilt gebruiken tijdens een Conexus-telemetriesessie, moet u eerst de standby-modus activeren. Markertransmissies tijdens niet-draadlozetelemetriesessies Zolang de programmeerkop boven het apparaat geplaatst is en telemetrie tot stand is gebracht, stuurt het apparaat voortdurend Marker Channel en aanvullende markergegevens via telemetrie. Deze gegevenstransmissie wordt gestopt als u de programmeerkop optilt, tenzij de functie Holter Telemetry (Holter-telemetrie) op On (Aan) is geprogrammeerd. Wanneer Holter-telemetrie op On (Aan) geprogrammeerd staat, verstuurt het apparaat Marker Channel en aanvullende markergegevens, ongeacht de positie van de programmeerkop. Levensduur van het apparaat en draadloze telemetrie Bij de gebruikelijke patiëntsessie- en apparaatwerkingsscenario s heeft draadloze telemetrie geen significant effect op de levensduur van het apparaat Het apparaat uitlezen tijdens de sessie Bij het begin van een patiëntsessie leest het programmeerapparaat het apparaat uit. U kunt tijdens de patiëntsessie het apparaat altijd handmatig uitlezen door de volgende stappen uit te voeren: 1. Selecteer [Interrogate ] (Uitlezen) op de opdrachtbalk. In een niet-draadloze sessie kunt u het apparaat ook uitlezen door op de toets l op de programmeerkop te drukken. 2. Als u informatie wilt verzamelen die is verzameld sinds de laatste patiëntsessie, selecteert u de optie Since last session (Sinds laatste sessie) in het uitleesvenster. Als u alle informatie van het apparaat wilt verzamelen, selecteert u All (Alle). 3. Selecteer [Start]. 48 Artsenhandleiding
49 3.2.4 Een patiëntsessie beëindigen Een patiëntsessie beëindigen a 2 b Als u een lijst wilt bekijken of afdrukken met de wijzigingen die zijn aangebracht tijdens deze sessie, selecteert u Session (Sessie) > Changes This Session (Gewijzigde parameterinstellingen). a. Bekijk de programmeerwijzigingen die in de patiëntsessie hebben plaatsgevonden. b. Als u de wijzigingen wilt afdrukken, selecteert u [Print ] (Afdrukken). 2. Selecteer [End Session ] (Sessie beëindigen). 3. Als u de sessiegegevens wilt opslaan op diskette, selecteert u [Save To Disk ] (Opslaan op diskette). 4. Selecteer de [End Now] (Nu beëindigen)-toets om de sessie te beëindigen en terug te keren naar het scherm Select Model (Modelselectie). Artsenhandleiding 49
50 3.3 Functies van het display Het display van het programmeerapparaat is een interface waarop tekst en afbeeldingen worden weergegeven. Het is ook een bedieningspaneel met toetsen en menuopties die u kunt selecteren met de contactpen. In Afbeelding 6 ziet u de voornaamste elementen van een gewoon display tijdens een patiëntsessie. Afbeelding 6. Voornaamste elementen van een display 1 Taakbalk 2 Statusbalk 3 Actueleritmevenster 4 Taakgebied 5 Opdrachtbalk 6 Pictogrammenkolom Taakbalk Boven aan het display wordt een taakbalk weergegeven. U kunt de taakbalk gebruiken om de status te controleren van functies die specifiek zijn voor het programmeerapparaat, zoals de Analyzer. 50 Artsenhandleiding
51 De taakbalk bevat ook een grafische aanduiding van de sterkte van de draadlozetelemetrieontvangst. Als u tijdens een draadlozetelemetriesessie het draadlozetelemetriepictogram selecteert, wordt de draadloze verbinding verbroken. Als u het pictogram nogmaals selecteert, wordt de verbinding weer hersteld. Als u een niet-draadlozetelemetriesessie uitvoert, bevat de taakbalk een indicator die de sterkte van het telemetriesignaal op de programmeerkop aangeeft. Afbeelding 7. Taakbalk 1 Telemetriepictogram en aanduiding van de sterkte van de telemetrieontvangst (draadloze telemetrie afgebeeld) 2 Analyzer-pictogram 3 Apparaatpictogram Statusbalk Na uitlezing van het apparaat geeft de statusbalk boven in het display (recht onder de taakbalk) enkele basisfuncties en de huidige status van het apparaat weer. Afbeelding 8. Statusbalk Huidige actieve stimulatiemodus 2 Geprogrammeerde detectie- en therapieconfiguratie 3 Toetsen voor het hervatten of onderbreken van de detectie 4 Automatischedetectiestatus 5 Indicator dat een tachycardie-episode plaatsvindt 6 De status van de huidige episode, therapie of handmatige bewerking 1 of de naam van het apparaat en het modelnummer 1 Handmatige bewerkingen zijn EP-studiefuncties, handmatige systeemtests en emergency-tachycardietherapieën. Artsenhandleiding 51
52 3.3.3 Actueleritmevenster Het actueleritmevenster bevat ECG-, Leadless ECG-, Marker Channel- en getelemetreerde EGM-signaalregistraties. Naast signaalregistraties toont het actueleritmevenster de volgende informatie: Als er telemetrie met het apparaat tot stand is gebracht, worden de hartfrequentie en het frequentie-interval weergegeven. Annotaties boven de signaalregistratie geven aan waar parameters zijn geprogrammeerd. Het actueleritmevenster wordt standaard weergegeven in de deelweergave, zie Afbeelding 9. U kunt dit venster uitbreiden tot volledige grootte door op de kleine vierkante toets in de rechterbovenhoek van het venster te klikken of door op [Adjust ] (Aanpassen) te klikken. Zie Sectie 3.11, Werken met het actueleritmevenster, bladzijde 80 voor meer informatie over het actueleritmevenster. Afbeelding 9. Actueleritmevenster 1 Locatie van het vierkantje en de [Adjust ] (Aanpassen)-toets Taakgebied Het gedeelte van het display tussen het actueleritmevenster boven in het scherm en de opdrachtbalk onder in het scherm wordt gewijzigd afhankelijk van de taak of functie die u selecteert. Een voorbeeld van een taakgebied is het scherm Parameters (zie Sectie 3.7, Apparaatparameters bekijken en programmeren, bladzijde 64), dat wordt gebruikt om apparaatparameters weer te geven en te programmeren. Taakgebieden zijn anders wanneer u andere functies uitvoert, bijvoorbeeld diagnostieken en systeemtests. 52 Artsenhandleiding
53 Afbeelding 10. Taakgebied van het scherm Pictogrammenkolom De verzameling toetsen en pictogrammen langs de rechterrand van het display wordt de pictogrammenkolom genoemd. Met deze hulpmiddelen kunt u taak- of functieschermen weergeven. Nadat u een patiëntsessie heeft gestart, wordt de pictogrammenkolom weergegeven op alle schermen behalve het scherm Emergency (Noodgeval) en het scherm Live Rhythm Monitor Adjust (Actueleritmevenster aanpassen). U kunt zo snel en gemakkelijk naar de gewenste taak of functie gaan. Elk pictogram fungeert als een toets. Als u een pictogram wilt selecteren, raakt u het pictogram aan met de contactpen. In Tabel 2 worden de verschillende opties van de pictogrammenkolom beschreven. Tabel 2. Opties van de pictogrammenkolom De [Freeze] (Bevriezen)-toets bevriest een segment van het actueleritmevenster. De [Strips ] (Stroken)-toets geeft toegang tot de signaalstroken die sinds het begin van de sessie zijn opgeslagen. De [Adjust ] (Aanpassen)-toets opent een venster met opties voor het aanpassen van het actueleritmevenster. Artsenhandleiding 53
54 Tabel 2. Opties van de pictogrammenkolom (vervolg) Het Checklist (Controlelijst)-pictogram opent het Checklist (Controlelijst)- scherm waarmee u gemakkelijk kunt navigeren door een aantal followup-taken. Met de [>>]-toets navigeert u naar de volgende taak in de controlelijst. Het Data (Gegevens)-pictogram geeft opties voor het bekijken van apparaatinformatie en diagnostische gegevens weer. Het Params (Parameters)-pictogram opent het Parameters-scherm waarmee u apparaatparameters kunt weergeven en programmeren. Het Tests-pictogram geeft opties weer voor het uitvoeren van systeemtests en EP-studies. Het Reports (Rapporten)-pictogram geeft opties weer voor het afdrukken van rapporten. Het Patient (Patiënt)-pictogram geeft opties voor het openen van het scherm TherapyGuide of het scherm Patient Information (Patiëntgegevens) weer. Het Session (Sessie)-pictogram geeft opties weer voor het aanpassen van voorkeuren, het bekijken van parameterwijzigingen die tijdens de sessie gemaakt zijn, het opslaan van gegevens en het beëindigen van de sessie Toetsen De toetsen, zoals te zien in Afbeelding 11, reageren als u ze selecteert met de punt van de contactpen. Afbeelding 11. Displaytoetsen Toetsen waarvan het label minder duidelijk omkaderd is, zijn niet actief en reageren niet als u ze selecteert. 54 Artsenhandleiding
55 Als u een toets selecteert met de contactpen, kunnen er twee mogelijke reacties plaatsvinden: Toetsen zoals [PROGRAM] (Programmeren) voeren een opdracht direct uit. Toetsen zoals [Interrogate...] (Uitlezen) en [End Session...] (Sessie beëindigen) openen een venster waarin een andere actie kan worden uitgevoerd. De labels op deze toetsen eindigen met drie puntjes. In sommige procedures kan u worden gevraagd op een toets te drukken en deze ingedrukt te houden. In zulke gevallen raakt u met de punt van de contactpen de toets aan en blijft u tegen de toets drukken. De toets blijft reageren op de contactpen totdat u deze verwijdert van de toets Opdrachtbalk De balk onder in het scherm bevat altijd de toetsen voor het programmeren van Emergency (Noodgeval)-parameters, het uitlezen van het apparaat en het beëindigen van de patiëntsessie. Bij het gebruik van draadloze telemetrie wordt de patiënt mogelijk geïdentificeerd op de opdrachtbalk van het scherm van het programmeerapparaat. Afhankelijk van de patiëntgegevens die zijn geprogrammeerd, wordt een van de volgende tekstvelden weergegeven: De naam van de patiënt De patiëntidentificatie, als de naam van de patiënt niet is ingevoerd Het bericht (Patient name not entered) (Patiëntnaam niet ingevoerd), als de naam of de identificatie van de patiënt niet is ingevoerd Opmerking: De toetsen [Interrogate ] (Uitlezen) en [End Session ] (Einde sessie) worden niet weergegeven op het Emergency (Noodgeval)-scherm. Afbeelding 12. Opdrachtbalk Artsenhandleiding 55
56 3.4 Emergency-tachycardietherapie afgeven U kunt emergency-fibrillatie-, cardioversie- en vaste-burststimulatietherapieën gebruiken om ventriculairetachycardie-episodes tijdens een patiëntsessie te behandelen. Bij emergency-defibrillatie wordt een bifasische schok met hoge spanning afgegeven op het geselecteerde energieniveau. Bij emergency-cardioversietherapie wordt ook een bifasische schok met hoge spanning afgegeven, maar deze moet worden gesynchroniseerd met een ventriculair event. Emergency-vaste-Burststimulatietherapie geeft op het geselecteerde interval maximale uitgangspulsen af aan het ventrikel Richtlijnen voor emergency-tachycardietherapieën Tachycardiedetectie tijdens emergency-tachycardietherapieën Het apparaat onderdrukt de tachycardiedetectiefuncties als emergency-defibrillatie-, -cardioversieof -vaste-burststimulatietherapieën worden afgegeven. Selecteer [Resume] (Hervatten) als u de tachycardiedetectie wilt hervatten. Tijdelijke parameterwaarden De tijdelijke parameterwaarden die bij de emergency-tachycardietherapieën worden gebruikt, wijzigen de permanent geprogrammeerde parameters van het apparaat niet. Nadat de tachycardietherapie voltooid is, maakt het systeem weer gebruik van de geprogrammeerde parameterwaarden. Emergency-tachycardietherapieën afbreken U kunt een emergency-defibrillatieof -cardioversietherapie direct beëindigen door [ABORT] (Afbreken) te selecteren. Als u een emergency-vaste-burst-therapie wilt beëindigen, verwijdert u de contactpen van de toets [BURST Press and Hold] (BURST Indrukken en vasthouden) Emergency-tachycardietherapie afgeven 1. Breng telemetrie met het apparaat tot stand. 2. Selecteer [Emergency] (Noodgeval). 56 Artsenhandleiding
57 3. Selecteer het gewenste type therapie: Defibrillation (Defibrillatie), Cardioversion (Cardioversie) of Fixed Burst (Vaste Burst). 4. Accepteer de therapieparameters die op het scherm worden weergegeven of selecteer nieuwe waarden. 5. Selecteer [DELIVER] (Afgifte) voor defibrillatie- en cardioversietherapie. Voor vaste-bursttherapie selecteert u [BURST Press and Hold] (BURST Indrukken en vasthouden) en houdt u de contactpen boven de toets zolang als u de therapie wilt afgeven. 3.5 Emergency-VVI-stimulatie activeren U kunt emergency-vvi-stimulatie gebruiken om snel de ventriculaire stimulatie met hoge uitgang van 70 min -1 te activeren om in noodsituaties ventriculaire ondersteuning te herstellen Richtlijnen voor emergency-vvi-stimulatie Parameterwaarden Bij emergency-vvi-stimulatie worden stimulatieparameters op emergency-instellingen geprogrammeerd. Zie Sectie B.1, Emergency-instellingen, bladzijde 376 voor een lijst van de emergency-vvi-parameterwaarden. Als u emergency-vvi-stimulatie wilt beëindigen, herprogrammeert u de stimulatieparameters via het Parameters-scherm. Artsenhandleiding 57
58 VVI Medtronic MAXIMO II CRT-D Emergency-VVI-stimulatie activeren 1. Breng telemetrie met het apparaat tot stand. 2. Druk op de rode mechanische emergency-vvi-knop op het programmeerapparaat. Emergency-VVI-stimulatie wordt ingeschakeld en het Emergency (Noodgeval)-scherm wordt weergegeven op het programmeerapparaat. Opmerking: U kunt emergency-vvi-stimulatie ook activeren door de [Emergency] (Noodgeval)-schermtoets te selecteren. Ga hiervoor als volgt te werk. 1. Breng telemetrie met het apparaat tot stand. 2. Selecteer [Emergency] (Noodgeval). 3. Selecteer VVI Pacing (VVI-stimulatie). 4. Selecteer [PROGRAM] (Programmeren). 58 Artsenhandleiding
59 3.6 Implantatie- en follow-up-sessies stroomlijnen met Checklist (Controlelijst) De functie Checklist (Controlelijst) biedt een methode om taken te catalogiseren die tijdens de implantatie en follow-up-sessies worden uitgevoerd. U begint met de eerste taak en werkt alle taken op volgorde af. Wanneer u in de controlelijst een taak selecteert, geeft het programmeerapparaat het scherm weer dat bij die taak hoort. Wanneer u de taak voltooit, kunt u direct doorgaan naar het scherm dat aan de volgende taak is gekoppeld of kunt u terugkeren naar de controlelijst. Er zijn twee standaardcontrolelijsten beschikbaar: de Standard Implant Checklist (Standaard implantatiecontrolelijst) van Medtronic en de Standard Followup Checklist (Standaard follow-up-controlelijst) van Medtronic. Naast deze standaardcontrolelijsten kunt u aangepaste controlelijsten maken Een controlelijst selecteren 1. Selecteer het Checklist (Controlelijst)-pictogram en bekijk de taken die in de taaklijst voor die lijst worden weergegeven Als u een andere standaardcontrolelijst of aangepaste lijst wilt kiezen, selecteert u de gewenste lijst in het veld Checklist (Controlelijst). 2 Bij het starten van een nieuwe sessie wordt de controlelijst die tijdens de laatste programmeersessie werd gebruikt, de actieve controlelijst. Artsenhandleiding 59
60 3.6.2 Een controlelijst gebruiken 1. U kunt de controlelijst gaan gebruiken door [Go To Task] (Ga naar taak) of het pictogram met de dubbele pijl [>>] te selecteren. 2. Voer de geselecteerde taak uit vanuit de taaklijst. Ga door met de volgende taak door [>>] naast het Checklist (Controlelijst)-pictogram te selecteren. Voor het uitvoeren van een taak buiten de volgorde in de lijst om of voor het herhalen van een taak in de geselecteerde controlelijst, selecteert u eerst het Checklist (Controlelijst)-pictogram. Selecteer vervolgens de taak in de taaklijst en selecteer [Go To Task] (Ga naar taak) of [>>]. 3 Het Checklist (Controlelijst)-scherm toont een vinkje naast de namen van alle programmeerapparaatschermen die bezocht werden tijdens een sessie. Deze vinkjes geven een algemene indicatie van de taken die uitgevoerd werden tijdens een sessie. 3 U kunt een taak selecteren ongeacht of deze is gemarkeerd met een vinkje of niet. Wanneer u de laatste taak in een controlelijst uitvoert, worden het pictogram [>>] en de [Go To Task] (Ga naar taak)-toets gedeactiveerd. U kunt nog steeds een eerdere taak in het Checklist (Controlelijst)-scherm selecteren en [>>] gebruiken om alle taken daaronder te doorlopen. 60 Artsenhandleiding
61 3.6.3 Een aangepaste controlelijst maken 1. Selecteer het pictogram Checklist (Controlelijst). 2. Selecteer [New ] (Nieuw) in het Checklist (Controlelijst)-scherm. 3. Maak een nieuwe controlelijst door taken te selecteren in het vak Select from these tasks (Selecteer uit deze taken) links. 4. De geselecteerde taken worden weergegeven in het vak Tasks in this checklist (Taken in deze controlelijst) rechts. Taken kunnen meerdere malen aan een nieuwe controlelijst worden toegevoegd. Elke taak die u selecteert, wordt weergegeven aan het einde van de nieuwe controlelijst. Als u een taak hoger in de lijst wilt zetten, markeert u de taak waaronder de nieuwe taak moet komen. Als u de nieuwe taak selecteert die u wilt toevoegen, wordt deze weergegeven onder de gemarkeerde taak in de bewerkte controlelijst. 5. Om een taak te verwijderen, selecteert u de te verwijderen taak in het vak Tasks in this checklist (Taken in deze controlelijst) en selecteert u vervolgens [Delete Task] (Taak verwijderen). 6. Selecteer het veld Checklist name (Controlelijstnaam) en voer een naam voor de lijst in. 7. Selecteer [Save] (Opslaan). Artsenhandleiding 61
62 3.6.4 Een aangepaste controlelijst bewerken 1. Selecteer het pictogram Checklist (Controlelijst). 2. Selecteer de aangepaste controlelijst die u wilt bewerken. 3. Selecteer [Edit ] (Bewerken). 4. Selecteer de taken die u wilt toevoegen in het vak Select from these tasks (Selecteer uit deze taken) links. Deze taken worden toegevoegd aan het vak Tasks in this checklist (Taken in deze controlelijst) rechts. Taken kunnen meerdere malen aan een aangepaste controlelijst worden toegevoegd. 5. Elke taak die u selecteert, wordt weergegeven aan het einde van de nieuwe controlelijst. Als u een taak hoger in de lijst wilt zetten, markeert u de taak waaronder de nieuwe taak moet komen. Als u de nieuwe taak selecteert die u wilt toevoegen, wordt deze weergegeven onder de gemarkeerde taak in de nieuwe controlelijst. 6. Om een taak te verwijderen, selecteert u de te verwijderen taak in het vak Tasks in this checklist (Taken in deze controlelijst) en selecteert u vervolgens [Delete Task] (Taak verwijderen). 62 Artsenhandleiding
63 7. Als u de bewerkte controlelijst een andere naam wilt geven, selecteert u het veld Checklist name (Controlelijstnaam) en typt u de gewenste naam. 8. Selecteer [Save] (Opslaan) Een aangepaste controlelijst verwijderen 1. Selecteer het pictogram Checklist (Controlelijst). 2. Selecteer in het menu Checklist (Controlelijst) de lijst die u wilt verwijderen. 3. Selecteer [Delete] (Verwijderen). Opmerking: Als u een aangepaste controlelijst verwijdert, kunt u deze niet meer herstellen. Opmerking: De Medtronic Standard Follow-up- en Medtronic Standard Implant-controlelijsten kunnen niet worden bewerkt of verwijderd, dus zijn de toetsen [Edit ] (Bewerken) en [Delete] (Verwijderen) niet beschikbaar wanneer deze controlelijsten zijn geselecteerd. Artsenhandleiding 63
64 3.7 Apparaatparameters bekijken en programmeren Het scherm Parameters wordt gebruikt om de parameters waarmee zowel apparaatfuncties als het verzamelen van gegevens worden geregeld, te bekijken en te programmeren. Alle apparaatparameters die u kunt bekijken en programmeren, worden weergegeven in actieve velden in het taakgebied. Actieve velden, die worden weergegeven als niet-gearceerde vakken naast parameternamen, reageren op de contactpen. Sommige velden hebben alleen betrekking op 1 parameter, terwijl andere velden toegang geven tot groepen parameters. Als een parameter niet kan worden geprogrammeerd, wordt er geen actief veld naast de naam weergegeven. Als u een andere waarde voor een parameter selecteert, wordt deze aangeduid als voorgeselecteerde waarde. Velden met voorgeselecteerde waarden hebben een gearceerde rechthoek als rand. De waarden blijven voorgeselecteerd totdat ze in het apparaatgeheugen worden geprogrammeerd. Alle wijzigingen in parameters worden geprogrammeerd op het Parameters-scherm De symbolen op het Parameters-scherm Het gebruik van bepaalde combinaties van parameterwaarden is beperkt omdat ze ongeldig zijn of ongewenste interacties als resultaat hebben. Het programmeerapparaat herkent deze combinaties. U kunt pas programmeren wanneer alle parameterconflicten zijn opgelost en wanneer wordt voldaan aan alle vereisten voor de selectie van parameters. Naast de parameterwaarde in het selectievenster staat een symbool dat de status van de waarde aangeeft. Naast parameterwaarden kunnen de volgende symbolen staan. 64 Artsenhandleiding
65 Afbeelding 13. Symbolen die kunnen worden weergegeven naast parameterwaarden Parameterinterlock aanwezig Het interlock-symbool naast een parameterwaarde geeft aan dat deze conflicteert met een andere parameterwaarde of een voorgeselecteerde waarde. Selecteer een andere waarde of los de conflicterende parameterwaarde op voordat u de parameter programmeert. Parameterwaarschuwing aanwezig Wanneer er een uitroepteken in een driehoek naast een parameterwaarde staat, is er een waarschuwingsbericht voor die waarde beschikbaar. Het bericht kan worden bekeken door de berichttoets te selecteren of de betreffende parameter opnieuw te selecteren. In het laatste geval wordt de waarschuwing weergegeven in het selectievenster. Deze parameterwaarden kunnen wel worden geprogrammeerd. Automatische aanpassing-parameter Wanneer het symbool Automatische aanpassing wordt weergegeven naast een parameterwaarde op het Parameters-scherm, kan de geprogrammeerde waarde automatisch worden gewijzigd door het apparaat. Dit symbool geeft dus niet aan dat de parameterwaarde automatisch door het systeem is gewijzigd, maar dat dit mogelijk is. Nominale parameterwaarde van Medtronic Wanneer het symbool n naast een parameterwaarde verschijnt, geeft dit aan dit de nominale parameterwaarde van Medtronic is. Artsenhandleiding 65
66 Geprogrammeerde nominale parameterwaarde Wanneer het symbool P naast een parameterwaarde verschijnt, geeft dit aan dit de geprogrammeerde parameterwaarde is. Naast de [PROGRAM] (Programmeren)-toets kan op het programmeerapparaat een berichttoets staan. Als u deze selecteert, krijgt u extra informatie over de voorgeselecteerde parameters. De berichttoets toont een van de symbolen die worden beschreven in Tabel 3. Wanneer u de berichttoets selecteert, wordt een tweede venster met 1 of meer berichten weergegeven. Tabel 3. Symbolen die worden weergegeven op de berichttoets Symbool Uitleg Parameterinterlockbericht Parameterwaarschuwingsbericht Parameterinformatiebericht Parameterinterlockbericht Deze toets geeft aan dat er een parameterinterlock is. U kunt pas programmeren als u het conflict heeft opgelost. Als u deze toets selecteert, wordt er een beschrijving van het conflict weergegeven. Parameterwaarschuwingsbericht Deze toets geeft aan dat er een waarschuwing geldt voor het programmeren van 1 of meer van de voorgeselecteerde parameterwaarden. Als u deze toets selecteert, wordt het waarschuwingsbericht weergegeven, evenals aanbevelingen. Parameterinformatiebericht Deze toets geeft aan dat er een informatiebericht geldt voor 1 of meer van de parameterwaarden. Als u deze toets selecteert, wordt het bericht weergegeven. Als er 2 of meer berichten betreffende de voorgeselecteerde parameterwaarden zijn, bepaalt het belangrijkste bericht welk symbool verschijnt op de toets. 66 Artsenhandleiding
67 3.7.2 Toegang verkrijgen tot parameters met 2 waarden Als een parameter maar 2 waarden kan hebben (bijvoorbeeld Off [Uit] of On [Aan]) en u de parameter selecteert, wordt de andere waarde voorgeselecteerd. 1. Selecteer een parameterveld dat maar 2 waarden kan bevatten. Bijvoorbeeld een waarde die kan worden overgeschakeld van On (Aan) naar Off (Uit) (of omgekeerd). 2. Selecteer [PROGRAM] (Programmeren) om de nieuwe waarde in het apparaatgeheugen te programmeren Toegang verkrijgen tot parameters met meer dan 2 waarden Artsenhandleiding 67
68 Als een parameter meer dan 2 waarden heeft, wordt er een venster geopend wanneer u de parameter selecteert. In het venster wordt een set waarden voor de parameter weergegeven. 1. Selecteer een parameterveld dat meer dan 2 waarden kan bevatten. Er wordt een venster geopend met de beschikbare waarden voor die parameter. 2. Selecteer in dit venster de gewenste waarde. De nieuwe waarde wordt weergegeven als voorgeselecteerde waarde en het venster met de beschikbare waarden wordt gesloten. Als u op [Close] (Sluiten) drukt, wordt het venster gesloten zonder dat de originele waarde van de parameter wordt gewijzigd. 3. Selecteer [PROGRAM] (Programmeren) om de nieuwe waarde in het apparaatgeheugen te programmeren Toegang tot een groep verwante parameters 68 Artsenhandleiding
69 1. Selecteer een parameter of een parameterveld dat eindigt met puntjes of een parameterveld dat een lijst met parameternamen bevat. Er verschijnt een scherm met de verwante secundaire parametervelden. In het getoonde voorbeeld is Data Collection Setup (Gegevensverzamelingconfiguratie) gekozen. 2. Selecteer nieuwe waarden voor de gewenste secundaire parameters. Nieuwe waarden worden weergegeven als voorgeselecteerde waarden. 3. Selecteer [OK] om het secundaire parameterscherm te sluiten en terug te keren naar het Parameters-scherm. 4. Selecteer [PROGRAM] (Programmeren) om de nieuwe waarden in het apparaatgeheugen te programmeren. 3.8 Een set parameterwaarden opslaan en opvragen U kunt aangepaste sets parameterwaarden opslaan op de vaste schijf van het programmeerapparaat en opvragen tijdens de huidige patiëntsessies of een toekomstige patiëntsessie. U kunt zo een aangepaste set parameterwaarden voor een bepaalde klinische situatie opslaan en snel weer opvragen. U kunt bijvoorbeeld een set parameterwaarden opslaan voor een initiële implantatie-instelling, of voor een bepaalde medische toestand van de patiënt, of voor situaties waarbij u een bepaalde set parameters vaker moet programmeren. Via de [Save ] (Opslaan)-toets opent u een venster waar u een naam kunt geven aan de set parameterwaarden die nu worden weergegeven op het scherm Parameters. Een opgeslagen set parameters kan zowel geprogrammeerde waarden als voorgeselecteerde waarden bevatten. Met de [Get ] (Opvragen)-toets opent u het venster Get Parameter Set (Parameterset opvragen), waar u de nominale set parameterwaarden van Medtronic, een parameterset voor initiële uitlezing of een aangepaste parameterset kunt opvragen. Artsenhandleiding 69
70 3.8.1 Een set parameterwaarden opslaan 1. Selecteer het pictogram Params (Parameters). Selecteer de gewenste parameterinstellingen. 2. Selecteer [Save ] (Opslaan) om het venster Parameter Set Name (Naam parameterset) te openen. 3. Typ een naam voor de parameterset en selecteer [Enter] of [OK]. 4. Als er al een parameterset met die naam bestaat, moet u bevestigen dat u de bestaande set wilt vervangen door een nieuwe set of moet u de naam van de nieuwe parameterset wijzigen. 70 Artsenhandleiding
71 3.8.2 Een set parameterwaarden opvragen 1. Selecteer het pictogram Params (Parameters). 2. Selecteer de [Get ] (Opvragen)-toets om het venster Get Parameter Set (Parameterset opvragen) te openen. 3. Selecteer de parameterset die u wilt opvragen. 4. Selecteer [Set Pending] (Set voorgeselecteerd). 5. Als u een parameterset die u niet meer nodig heeft wilt verwijderen, selecteert u deze in de lijst en selecteert u vervolgens [Delete] (Verwijderen). U kunt de volgende opties selecteren in het venster Get Parameter Set (Parameterset opvragen): Medtronic Nominals (Nominale waarden van Medtronic): Waarden die Medtronic als nominale waarden gekozen heeft voor het apparaat. De set Medtronic Nominals (Nominale waarden van Medtronic) kan niet worden aangepast of verwijderd. Initial Interrogation Values (Initiële-uitlezingswaarden): De permanent geprogrammeerde parameterwaarden die bepaald worden door de eerste uitlezing van het apparaat tijdens de patiëntsessie. Aangepaste sets met waarden: Alle aangepaste sets met waarden die eerder zijn opgeslagen. Artsenhandleiding 71
72 3.9 TherapyGuide gebruiken om parameterwaarden te selecteren Let op: TherapyGuide mag niet het deskundig oordeel van de arts vervangen. De arts heeft een veel uitgebreidere medische kennis van de patiënt dan de invoergegevens die aan TherapyGuide worden gepresenteerd. De arts kan alle gesuggereerde parameterwaarden accepteren, weigeren of wijzigen. TherapyGuide biedt een eenvoudige klinische methode om de gesuggereerde parameters te verkrijgen. Bij de implantatie of een vroeg follow-up-bezoek kan informatie over de klinische conditie van de patiënt worden ingevoerd. Het programmeerapparaat suggereert parameterwaarden op basis van deze invoer. De suggesties zijn gebaseerd op klinische studies, literatuur, het huidige gebruik en feedback van artsen Werking van TherapyGuide De klinische conditie van de patiënt wordt ingevoerd in het TherapyGuide-venster, dat wordt geopend vanuit het Parameters-scherm of door het selecteren van Patient (Patiënt) > TherapyGuide. Afbeelding 14. Het venster TherapyGuide TherapyGuide suggereert waarden voor vele programmeerbare parameters op basis van een set geselecteerde klinische condities. De klinische condities die van invloed zijn op de suggesties voor parameterwaarden, worden weergegeven in Tabel 4. Deze tabel bevat een overzicht. Het venster Rationale (Achtergrond) geeft aan hoe de gesuggereerde parameterwaarden betrekking hebben op specifieke instellingen voor de klinische condities. 72 Artsenhandleiding
73 Als een parameter niet wordt beïnvloed door de klinische condities, suggereert TherapyGuide mogelijk de nominale waarde van Medtronic voor die parameter, of wordt geen suggestie gedaan. Als de gesuggereerde waarde voor een parameter verschilt van de geprogrammeerde waarde, wordt de parameterwaarde weergegeven als voorgeselecteerde waarde. Als de gesuggereerde waarde identiek is aan de geprogrammeerde waarde, wordt de parameterwaarde niet weergegeven als voorgeselecteerde waarde. Tabel 4. Hoe suggesties voor waarden worden bepaald Suggesties programmeren VF Detection (VF-detectie) VT Detection (VT-detectie) VT Monitor (VT-bewaking) Pacing Mode (Stimulatiemodus) Lower Rate (Onderfrequentie) Upper Tracking Rate (Maximale volgfrequentie) Rate Response (Frequentierespons) (inclusief Upper Sensor Rate [Maximale sensorfrequentie]) Klinische condities VT/VF Slowest VT (Traagste VT) VT/VF Slowest VT (Traagste VT) Atrial Status (Atriale status) Date of Birth (Geboortedatum) Treated Cutoff (Totale therapiezone) a Atrial Status (Atriale status) Atrial Status (Atriale status) Date of Birth (Geboortedatum) Date of Birth (Geboortedatum) Treated Cutoff (Totale therapiezone) a Atrial Status (Atriale status) Heart Failure (Hartfalen) Date of Birth (Geboortedatum) Activity Level (Inspanningsniveau) a De waarde voor Treated Cutoff (Totale therapiezone) is gelijk aan die voor VT Detection Interval (VT-detectieinterval) als VT Detection Enable (VT-detectie activeren) is ingeschakeld. In het andere geval heeft Treated Cutoff (Totale therapiezone) de waarde van het VF Detection Interval (VF-detectie-interval) Richtlijnen voor TherapyGuide TherapyGuide en het Patient Information (Patiëntgegevens)-scherm De klinische condities kunnen ook in het apparaatgeheugen worden geprogrammeerd via het Patient Information (Patiëntgegevens)-scherm. Raadpleeg Sectie 3.10, Patiëntgegevens bekijken en invoeren, bladzijde 75. Last Update (Laatst bijgewerkt op)-status De datum geeft aan wanneer voor het laatst wijzigingen in de klinische condities zijn geprogrammeerd in het apparaatgeheugen. Klinische condities afdrukken De klinische condities kunnen worden afgedrukt via het scherm Patient Information (Patiëntgegevens). De klinische condities worden ook opgenomen in het initiële uitlezingsrapport en het bestand dat op diskette wordt opgeslagen. Artsenhandleiding 73
74 Uiterlijk van de [TherapyGuide ]-toets Ongeveer 10 dagen na de implantatie verandert de [TherapyGuide ]-toets van uiterlijk Een set gesuggereerde parameterwaarden opvragen 1. Selecteer [TherapyGuide ] op het Parameters-scherm om het TherapyGuide-venster te openen. 2. Selecteer voor iedere klinische conditie het veld naast de conditie en kies een van de waarden. Opmerking: Als u alleen de keuzes voor klinische condities wilt programmeren, maar geen parameterwijzigingen in het apparaatgeheugen wilt programmeren, selecteert u [Close] (Sluiten) en [PROGRAM] (Programmeren). 3. Nadat u de klinische condities heeft geselecteerd, selecteert u [Get Suggestions] (Voorgestelde waarden ophalen). Het TherapyGuide-venster wordt gesloten, en eventuele gesuggereerde wijzigingen in parameterwaarden worden op het Parameters-scherm weergegeven als voorgeselecteerde waarden. Opmerking: De informatie wordt pas opgeslagen in het apparaatgeheugen als u [PROGRAM] (Programmeren) op het Parameters-scherm selecteert. Opmerking: Als u [Undo] (Ongedaan maken) op het Parameters-scherm selecteert, worden alle voorgeselecteerde parameterwaarden en de voorgeselecteerde klinische condities gewist. 74 Artsenhandleiding
75 4. Bekijk de instellingen en verifieer dat de nieuwe instellingen geschikt zijn voor de patiënt. 5. Als u een van de voorgeselecteerde waarden wilt wijzigen, selecteert u [Undo Pending] (Voorselectie ongedaan maken) in het venster met parameterwaarden, of selecteert u een andere parameterwaarde. Herhaal deze stap desgewenst om andere parameterwaarden te wijzigen. 6. Selecteer [PROGRAM] (Programmeren) om de voorgeselecteerde parameterwaarden en de voorgeselecteerde klinische condities in het apparaatgeheugen te programmeren Het venster met achtergrondinformatie voor de TherapyGuide-suggesties bekijken 1. Selecteer [TherapyGuide ] op het Parameters-scherm om het TherapyGuide-venster te openen. 2. Selecteer de [Rationale ] (Achtergrond)-toets om het Rationale (Achtergrond)-venster te openen. 3. Als u twee keer [Close] (Sluiten) selecteert, gaat u terug naar het Parameters-scherm Patiëntgegevens bekijken en invoeren In apparaten kunnen gegevens over de patiënt worden opgeslagen die u tijdens een patiëntsessie kunt bekijken en afdrukken. Deze gegevens worden in het algemeen tijdens de implantatie in het apparaat geprogrammeerd, maar kunnen altijd worden gewijzigd. Artsenhandleiding 75
76 Als u de klinische condities van de patiënt (geboortedatum en historie) invoert en in het apparaatgeheugen programmeert, zijn ze beschikbaar voor de TherapyGuide-functie. Zie Sectie 3.9, TherapyGuide gebruiken om parameterwaarden te selecteren, bladzijde 72 voor meer informatie. De naam en het identificatienummer van de patiënt en het serienummer van het apparaat worden afgedrukt op alle rapporten van de A4-printer of het programmeerapparaat. Als het programmeerapparaat gebruikmaakt van draadloze telemetrie, wordt de patiënt ook geïdentificeerd onder aan het scherm van het programmeerapparaat, door middel van de naam van de patiënt of het identificatienummer (als de naam van de patiënt niet is ingevoerd). Opmerking: Het scherm met patiëntgegevens mag niet worden gebruikt ter vervanging van het medische dossier van de patiënt (zie Sectie 1.1.9, Mededeling, bladzijde 19 in de inleiding). Als u tekst invoert dat niet in het parametergebied op het scherm past, wordt de tekst afgekapt. De volledige tekst wordt weergegeven in het rapport met patiëntgegevens. Als u deze tekst weergeeft of afdrukt vanuit een ander scherm, kan de tekst worden afgekapt. Als u tijdens de apparaatsessie ook een sessie met de analyzer Model 2290 start, kunt u de geleidingsdraadmetingen analyseren. De geëxporteerde meetgegevens worden weergegeven als voorgeselecteerde parameterwaarden in het venster Implant (Implantatie), dat u opent via het scherm Patient Information (Patiëntgegevens). Deze voorgeselecteerde waarden worden geprogrammeerd via het scherm Patient Information (Patiëntgegevens). Tabel 5. Beschrijving van de patiëntgegevens Informatieveld Patient (Patiënt) ID Date of Birth (Geboortedatum) Serial Number (Serienummer, niet selecteerbaar) Lead 1 (Geleidingsdraad 1 ) Lead 2 (Geleidingsdraad 2 ) Lead 3 (Geleidingsdraad 3 ) Beschrijving en vereiste actie Voer de naam van de patiënt in (max. 30 tekens). Voer het identificatienummer van de patiënt in (max. 15 tekens). Selecteer de geboortedatum van de patiënt. Hier wordt het serienummer van het geïmplanteerde apparaat weergegeven. Voer gedetailleerde informatie over maximaal 3 geleidingsdraden in: Selecteer voor elke geleidingsdraad waarden voor Model, Position (Positie) en Manufacturer (Fabrikant). Voer het serienummer en de implantatiedatum in. Implant (Implantatie ) Exporteer geleidingsdraadgegevens van de analyzer Model 2290 of voer met behulp van de submenu s geleidingsdraadgegevens in. Voer de resultaten van de defibrillatietests in. Notes (Opmerkingen) Voer opmerkingen over de patiënt of andere informatie in. 76 Artsenhandleiding
77 Tabel 5. Beschrijving van de patiëntgegevens (vervolg) Informatieveld History (Historie ) EF, on (EF, op) Physician (Arts) Phone (Telefoon) Hospital (Ziekenhuis) Last Update (Laatst bijgewerkt op, niet selecteerbaar) Beschrijving en vereiste actie Voer de klinische condities van de patiënt in. Deze informatie wordt beschikbaar gesteld aan TherapyGuide. Selecteer in het eerste veld de ejectiefractie uit een tabel met waarden, en voer in het tweede veld de datum in. Selecteer de naam en het telefoonnummer van de arts uit een lijst. Als deze gegevens niet beschikbaar zijn, kunt u ze toevoegen aan de lijst en selecteren. Selecteer de naam van het ziekenhuis uit een lijst. Als de naam niet beschikbaar is, kunt u deze toevoegen aan de lijst en selecteren. Geeft de datum aan waarop de patiëntgegevens voor het laatst zijn bijgewerkt Patiëntgegevens bekijken en invoeren 1. Selecteer Patient (Patiënt) > Patient Information (Patiëntgegevens). Het Patient Information (Patiëntgegevens)-scherm wordt weergegeven. 2. Selecteer een tekstveld als u gegevens in dat veld wilt invoeren of wijzigen. 3. Voer de gegevens over de implantatie in door het veld Implant (Implantatie) te selecteren en de volgende stappen uit te voeren: Artsenhandleiding 77
78 3a 3b a. Voer de meetresultaten van de defibrillatietests in en geef de testmethode aan. b. Geef voor iedere geleidingsdraad de geleidingsdraadgegevens in die zijn bepaald met de analyzer. Selecteer vervolgens [OK]. Opmerking: Als er een implantatieprocedure wordt uitgevoerd, kunt u overwegen de metingen te doen via een simultane analyzersessie. U kunt de metingen rechtstreeks naar het Implant (Implantatie)-venster exporteren (zie Sectie voor meer informatie). Selecteer anders een waarde voor iedere parameter. 78 Artsenhandleiding
79 4. Als u de klinische condities van de patiënt wilt invoeren die voor TherapyGuide beschikbaar worden gesteld, voert u de volgende stappen uit: a. Selecteer Date of Birth (Geboortedatum) en voer de geboortedatum in. b. Selecteer het veld History (Historie) om het History (Historie)-venster te openen. Voer de relevante klinische condities in en selecteer [OK]. 5. Selecteer de velden Physician (Arts) of Phone (Telefoon) en Hospital (Ziekenhuis), en selecteer de gewenste informatie in de lijsten. Als u nieuwe gegevens wilt toevoegen aan een lijst, drukt u op [Modify List ] (Lijst wijzigen) en op [Add ] (Toevoegen). Typ de gewenste gegevens en druk op [OK]. 6. Selecteer [PROGRAM] (Programmeren) wanneer alle gegevens zijn ingevoerd Opgeslagen geleidingsdraadmetingen exporteren naar het Implant (Implantatie)-venster Als u tegelijkertijd een analyzer- en een apparaatsessie uitvoert, kunt u de opgeslagen geleidingsdraadmetingen van de analyzersessie exporteren naar het Implant (Implantatie)-venster in de apparaatsessie. Artsenhandleiding 79
80 1. Start vanuit de apparaatsessie een nieuwe analyzersessie door het analyzerpictogram op de taakbalk te selecteren. 2. Voer de gewenste geleidingsdraadmetingen uit. Identificeer de geleidingsdraadmetingen op geleidingsdraadtype wanneer u ze opslaat. 3. Selecteer [View Saved ] (Opgeslagen metingen bekijken). 4. Geef aan welke opgeslagen geleidingsdraadmetingen u wilt exporteren. U kunt maximaal één meting per type geleidingsdraad selecteren. 5. Selecteer [Export] (Exporteren). De geselecteerde instellingen worden geëxporteerd naar het Implant (Implantatie)-venster in de apparaatsessie. 6. Als u klaar bent, selecteert u [Close] (Sluiten). 7. Ga terug naar de apparaatsessie door het apparaatpictogram op de taakbalk te selecteren. De gegevens worden uitgezet in de kolommen Atrial (Atriaal), RV en LV in het Implant (Implantatie)-venster. Zoals beschreven in Sectie , kunt u geëxporteerde metingen toevoegen of wijzigen door een veld in het Implant (Implantatie)-venster te selecteren. De geëxporteerde waarden worden geprogrammeerd via het scherm Patient Information (Patiëntgegevens) Werken met het actueleritmevenster Het actueleritmevenster op het scherm van het programmeerapparaat bevat ECG-registraties, Leadless ECG-registraties (LECG), Marker Channel-registraties met markercodes en getelemetreerde EGM-signaalregistraties. In de linkerbovenhoek van het actueleritmevenster worden eveneens de hartfrequentie en het interval van de patiënt weergegeven. Voordat u een patiëntsessie beëindigt, kunt u actuele signaalregistraties bekijken, signaalregistraties bevriezen, actuele registratie van het registratieapparaat van het programmeerapparaat opnemen en opgeslagen signaalstroken ophalen. Het actueleritmevenster verschijnt standaard in de gedeeltelijke weergave. U kunt dit venster uitbreiden tot volledige grootte door op de kleine vierkante toets in de rechterbovenhoek van het venster te klikken of door op de [Adjust ] (Aanpassen)-toets te klikken. De weergave van signaalregistraties is afhankelijk van de geselecteerde signaalbron en de manier waarop signalen zijn gerangschikt in de volledige weergave. 80 Artsenhandleiding
81 Actuele signaalregistraties bekijken Het actueleritmevenster kan maximaal 7 verschillende signalen weergeven tijdens een patiëntsessie: Het signaal Leadless ECG (LECG) is een benadering van een oppervlakte-ecg-signaal via de afleiding Can to SVC (Behuizing-SVC) of de afleiding Rvcoil to Aring (RV-defibrillatie-elektrode - A-ring). De afleiding Can to SVC (Behuizing-SVC) is uitsluitend beschikbaar als een SVC-geleidingsdraad beschikbaar is. Dit signaal wordt van het apparaat getelemetreerd en wordt geselecteerd van de programmeerbare LECG-afleiding. U kunt bij het configureren van de gegevensverzameling de afleiding LECG kiezen. Zie Sectie 3.12, Follow-up-sessies versnellen met Leadless ECG, bladzijde 89 voor meer informatie over Leadless ECG. Bij de signalen ECG Lead (ECG-afleiding) I, II en III worden oppervlakte-ecg-signalen weergegeven die worden gedetecteerd met behulp van huidelektroden die op de patiënt zijn aangesloten. Het programmeerapparaat moet via de ECG-kabel zijn aangesloten op deze elektroden. De signalen EGM1, EGM2 en EGM3 worden van het apparaat getelemetreerd en worden geselecteerd uit programmeerbare EGM-afleidingen. U kunt bij het configureren van de gegevensverzameling de afleidingen EGM1, EGM2 en EGM3 kiezen. Het programmeerapparaat kan pas een EGM-signaal weergeven of registreren als de huidige instelling voor EGM Range (EGM-bereik) van het apparaat is uitgelezen. Zie Sectie 5.5, Aritmie-episodegegevens bekijken en gegevensverzamelingsvoorkeuren instellen, bladzijde 143 voor meer informatie over EGM-afleidingen. Artsenhandleiding 81
82 Signalen selecteren en aanpassen U kunt de toetsenbalk voor signalen gebruiken om de weergave van de signalen te wijzigen. 1. Selecteer de pijl naar boven om de signaalregistratie groter te maken. 2. Selecteer de Normalize (Normaliseren)-toets om de signaalregistratie terug te zetten op de standaardgrootte. 3. Selecteer de pijl naar beneden om de signaalregistratie kleiner te maken. 4. Met de pijl naar rechts kunt u de signaalregistratie kiezen die wilt weergeven. 5. Met de afdrukselectietoets kunt u de signaalregistratie selecteren die u wilt afdrukken. U kunt maximaal 2 signaalregistraties selecteren om af te drukken. 82 Artsenhandleiding
83 De weergave van het signaal wijzigen Met het aanpassingsvenster kunt u nog meer wijzigingen aanbrengen in de signaalregistratie. 1. Selecteer [Adjust ] (Aanpassen) om het actueleritmevenster en het menu Adjust (Aanpassen) op het volledige scherm weer te geven. 2. U kunt de grootte, de bron en de gewenste afdrukopties voor iedere signaalregistratie aanpassen met behulp van de toetsenbalk. 3. Selecteer de kleurtoets om de kleur van een signaal te wijzigen. 4. Schakel de selectievakjes Clipping (Afkappen), ECG Filter (ECG-filter) en Show Artifacts (Artefacten tonen) in of uit om de desbetreffende opties te activeren of te deactiveren. Met Clipping (Afkappen) kunt u de verticale uitslag van signaalregistraties beperken tot 22 mm. Met ECG Filter (ECG-filter) wijzigt u de bandbreedte van signalen om de kwaliteit van het weergegeven ECG bij interferentie te verbeteren. (Als u het selectievakje inschakelt, wordt de bandbreedte ingesteld op 0,5 tot 40 Hz; als u het selectievakje uitschakelt, wordt de bandbreedte ingesteld op 0,05 tot 100 Hz.) Met Show Artifacts (Artefacten tonen) projecteert u stimulatieartefacten over signaalregistraties. Artsenhandleiding 83
84 5. Selecteer desgewenst een registratiesnelheid (Sweep Speed). De registratiesnelheid bepaalt hoe snel het signaal over het scherm wordt getekend. Als u een hoge waarde voor Sweep Speed (Registratiesnelheid) selecteert, wordt de signaalregistratie breed. Als u een lage waarde voor Sweep Speed (Registratiesnelheid) selecteert, wordt de signaalregistratie smal. U kunt Sweep Speed (Registratiesnelheid) instellen op 12,5; 25; 50 of 100 mm/s. 6. Met [Normalize] (Normaliseren) maakt u de afstanden tussen de signaalregistraties gelijk en brengt u het formaat van elk signaal terug tot de standaardinstelling. 7. Gebruik de kalibratietoets om een referentiesignaal aan de analoge uitgang, het scherm en het realtime registratieapparaat toe te voegen. 8. Als u de gewenste instellingen heeft opgegeven, selecteert u [OK] Marker Channel-annotaties en -symbolen interpreteren Marker Channel-annotaties verschijnen als 2 tekens boven of onder de Marker Channel-signaalregistratie. Deze annotaties duiden op geïnitieerde events zoals stimulatie, waarneming, detectie en afgegeven therapieën. Behalve annotaties, gebruikt het Marker Channel-signaal ook symbolen om bepaalde events aan te duiden. Marker Channel-symbolen worden alleen weergegeven op realtime-signaalregistraties, niet op schermen of episodeverslagen. Zie de volgende afbeeldingen voor voorbeelden van de Marker Channel-annotaties en -symbolen. Deze symbolen worden soms gecomprimeerd weergegeven, afhankelijk van de afdruksnelheid van het registratieapparaat van het programmeerapparaat. Opmerking: Een onderbreking in de telemetrie met het apparaat kan dus leiden tot ontbrekende markerannotaties en -symbolen op de signaalregistratie. 84 Artsenhandleiding
85 Afbeelding 15. Marker Channel-annotaties en -symbolen bij stimulatie Artsenhandleiding 85
86 Afbeelding 16. Marker Channel-annotaties en -symbolen bij ventriculaire detectie Registratie van actuele signaalregistraties Op elk moment tijdens een patiëntsessie kan een continue, actuele signaalregistratie worden gestart van het ECG, LECG en EGM van de patiënt 4 via het registratieapparaat van het programmeerapparaat. Opmerking: Aangezien de afgedrukte signaalstrook een hogere resolutie heeft, kunnen artefacten en events worden weergegeven die niet op het display van het programmeerapparaat worden weergegeven. 4 Het programmeerapparaat kan pas een EGM- of LECG-signaal weergeven of registreren als het apparaat is uitgelezen. 86 Artsenhandleiding
87 Een afdruk van de actuele signaalregistratie bevat de volgende informatie: ECG-, LECG- en EGM-signalen Een indicatie van een uitgevoerde opdracht als een bevestiging van die opdracht is ontvangen Testwaarden tijdens systeemtests Telemetriemarkers die de telemetrie van het programmeerapparaat naar het apparaat (programmering van het apparaat) en van het apparaat naar het programmeerapparaat (bevestiging van de programmering) weergeven. Additionelemarkercodes Raadpleeg Sectie 5.5, Aritmie-episodegegevens bekijken en gegevensverzamelingsvoorkeuren instellen, bladzijde 143 voor meer informatie over additionelemarkercodes. Een rapport afdrukken tijdens registratie van het actuele signaal Als u een optie uit het afdrukmenu kiest terwijl u een actueel signaal aan het registreren bent, wordt het rapport naar de afdrukwachtrij gestuurd. Als u echter een actuele signaalregistratie start terwijl het programmeerapparaat een rapport afdrukt, wordt het afdrukken van het rapport beëindigd en wordt het rapport teruggestuurd naar de wachtrij. Opmerking: Deze onderbreking van het afdrukken is alleen van toepassing bij rapporten die via het registratieapparaat van het programmeerapparaat worden afgedrukt. Het afdrukken op andere printers wordt niet beïnvloed. EGM of LECG Range (EGM- of LECG-bereik) Het programmeerapparaat kan pas een EGM- of LECG-signaal weergeven of registreren als de huidige instelling voor EGM Range (EGM-bereik) of LECG Range (LECG-bereik) van het apparaat is uitgelezen. Als u tijdens een registratie een EGM- of LECG-bereik programmeert, wordt deze wijziging via een verticale stippellijn op de afgedrukte registratie weergegeven Actuele signaalregistraties bevriezen Met de functie Freeze (Bevriezen) kunt u de laatste 15 s van alle actuele signaalregistraties bevriezen die in het vergrote actueleritmevenster worden weergegeven. U kunt de bedieningstoetsen in het weergavevenster voor bevroren stroken gebruiken om de volgende functies uit te voeren: Eerdere of latere delen van de strook bekijken door de horizontale schuifbalk te gebruiken. Niet in het venster zichtbare bevroren signaalstroken bekijken door de verticale schuifbalk te gebruiken. Een tijdsinterval meten met behulp van cursorpassers op het scherm. Artsenhandleiding 87
88 Afbeelding 17. Interpretatie van het weergavevenster voor bevroren stroken 1 Met de toets [Freeze] (Bevriezen) wordt een actuele signaalregistratie bevroren en op het scherm van het programmeerapparaat in het weergavevenster voor bevroren stroken weergegeven. 2 Met de toets [Adjust ] (Aanpassen) wordt het Adjust (Aanpassen)-venster voor de strook-viewer geopend. 3 Het Adjust (Aanpassen)-venster bevat weergaveopties voor de strook-viewer (vergelijkbaar met het Adjust [Aanpassen]-venster voor het actueleritmevenster). 4 Met de toetsenbalk voor het aanpassen van het signaal kunt u het signaal normaliseren en het formaat en de bron van het signaal wijzigen. 5 De cursorpassers op het scherm definiëren de tijdsintervallen. 6 Met de pijltoetsen verplaatst u de cursorpassers op het scherm om het begin en einde van een tijdsinterval aan te geven. 7 De passermeting is het tijdsinterval tussen de cursorpassers op het scherm. 8 Met de toets [Strips ] (Stroken) wordt een lijst met andere bevroren stroken geopend. 9 Met de toets [Save] (Opslaan) wordt de op het scherm bevroren strook opgeslagen. 10 Met de toets [Delete] (Verwijderen) wordt de op het scherm bevroren strook verwijderd (als deze was opgeslagen). 11 Met de toets [Print ] (Afdrukken) wordt de op het scherm bevroren strook afgedrukt. 12 Met de toets [Close] (Sluiten) wordt het weergavevenster voor bevroren stroken gesloten. 88 Artsenhandleiding
89 Signaalstroken opvragen Voordat u de patiëntsessie beëindigt, kunt u elke signaalstrook opvragen die u tijdens de sessie heeft verzameld en opgeslagen om die signaalstrook te bekijken, aan te passen en af te drukken Een opgeslagen signaalstrook opvragen 1. Selecteer de toets [Strips ] (Stroken) in de pictogrammenkolom of in de strook-viewer. 2. Selecteer de strook die u wilt bekijken. 3. Selecteer [Open]. De strook-viewer toont de geselecteerde strook Follow-up-sessies versnellen met Leadless ECG Analyse van het realtime ECG-signaal van een patiënt is een belangrijk onderdeel van de meeste follow-up-beoordelingen. Het aansluiten van oppervlakte-elektrodekabels op de patiënt en het verkrijgen van een acceptabel ECG-signaal kan tijdens een follow-up-sessie een tijdrovende bezigheid zijn. Verder is het voor het aansluiten van oppervlakte-elektrodekabels nodig dat de patiënt in het ziekenhuis aanwezig is. Artsenhandleiding 89
90 Oplossing van het systeem: Leadless ECG Leadless ECG is ontworpen om patiëntfollow-up-sessies te vereenvoudigen en te versnellen door een alternatief te bieden waarbij een ECG-signaal wordt verkregen zonder oppervlakte-elektrodekabels op de patiënt te hoeven aansluiten. Leadless ECG is binnen en buiten het ziekenhuis beschikbaar. Leadless ECG biedt een far-field beeld van hartactiviteit zonder elektrodekabels op de patiënt aan te sluiten. U kunt de Leadless ECG-signaalregistratie in het actueleritmevenster bekijken (zie Sectie 3.11, Werken met het actueleritmevenster, bladzijde 80), u kunt de Leadless ECG-signaalregistratie als één van twee EGM-signalen in episodeverslagen opslaan (zie Sectie B.6, Gegevensverzamelingparameters, bladzijde 391) en u kunt de Leadless ECG-signaalregistratie afdrukken Werking van Leadless ECG Het signaal van het Leadless ECG is een benadering van een oppervlakte-ecg-signaal via het behuizing-svc EGM en is alleen beschikbaar als er een SVC-geleidingsdraad aanwezig is. Als het geïmplanteerde systeem geen SVC-elektrode heeft, wordt het behuizing-svc-signaal in het actueleritmevenster weergegeven als ruis. Voor de Leadless ECG-functie is geen extra instelling nodig bij implantatie of follow-up. De Leadless ECG-signaalregistratie kan in het actueleritmevenster worden bekeken en van daaruit worden geregistreerd en afgedrukt. Selecteer LECG in de toets signaalbron op de toetsenbalk voor het aanpassen van het signaal om de Leadless ECG-signaalregistratie weer te geven. Zie Sectie 3.11, Werken met het actueleritmevenster, bladzijde 80 voor meer informatie. U kunt maximaal 4 verschillende EGM-signaalregistraties (met inbegrip van de LECG-signaalregistratie) in het actueleritmevenster weergeven Apparaatgegevens opslaan en opvragen Met het programmeerapparaat kunt u uitgelezen apparaatgegevens van een patiëntsessie opslaan op diskette. Later, als er geen patiëntsessie gaande is, kunt u de toepassing Read From Disk (Vanaf diskette lezen) op het programmeerapparaat gebruiken om op de diskette opgeslagen gegevens op te vragen, te bekijken en af te drukken. 90 Artsenhandleiding
91 Apparaatgegevens opslaan op een diskette Voorbereidingen voor het opslaan van gegevens op diskette De diskette moet aan de volgende eisen voldoen: Het moet een geformatteerde IBM-compatibele 3,5-inch diskette zijn. De capaciteit moet 720 KB (DS, DD) of 1,44 MB (DS, HD) zijn. Als u gegevens opslaat op een beschadigde diskette of op een diskette die niet IBM-geformatteerd is, kan het programmeerapparaat vastlopen. Verwijder in dat geval de diskette en zet het programmeerapparaat uit en weer aan. Het programmeerapparaat moet dan weer normaal werken. Breng Medtronic op de hoogte als dit probleem zich voordoet Richtlijnen voor het opslaan van apparaatgegevens op diskette Emergency-functies tijdens het opslaan Tijdens het opslaan blijft de toets [Emergency] (Noodgeval) op het scherm en zijn alle Emergency-functies beschikbaar. Als zich tijdens het opslaan een diskettefout voordoet, kan het opstarten van de Emergency-schermen vertraagd verlopen. Daarom wordt aangeraden de functie opslaan op diskette niet te gebruiken tijdens EP-studies of wanneer de kans bestaat dat Emergency-functies acuut nodig zijn. Als tijdens het opslaan een Emergency-functie wordt gebruikt, wordt het opslaan afgebroken. Eerst uitlezen Lees het apparaat uit voordat u gegevens op diskette opslaat omdat het programmeerapparaat alleen gegevens opslaat die uitgelezen zijn. Als u alle gegevens van het apparaat wilt opslaan, selecteer dan de optie All (Alle) in het uitleesvenster. Het selecteren van de optie All (Alle) levert meer gegevens op voor analyse wanneer er een probleem moeten worden onderzocht Apparaatgegevens op diskette opslaan 1. Selecteer [Interrogate ] (Uitlezen) om het apparaat uit te lezen. 2. Selecteer Session > Save to Disk (Sessie > Opslaan op diskette). 3. Plaats een diskette in het diskettestation van het programmeerapparaat. 4. Selecteer [Save] (Opslaan). Het is ook mogelijk gegevens op diskette op te slaan door [End Session ] (Sessie beëindigen) te selecteren. Artsenhandleiding 91
92 Apparaatgegevens van een diskette opvragen Wanneer het programmeerapparaat de gegevens heeft gelezen die tijdens een patiëntsessie zijn opgeslagen, kan de informatie alleen worden gelezen en niet worden gewijzigd. Hierbij worden de gegevens op iets andere wijze gepresenteerd dan tijdens een actuele sessie. Er wordt geen actueleritmevenster weergegeven omdat het hier geen actuele sessie betreft. Het actueleritmevenster is vervangen door de modelnaam van het apparaat en de woorden Read From Disk (Vanaf diskette lezen). In de toepassing Read From Disk (Vanaf diskette lezen) kunt u via het programmeerapparaat de opgeslagen gegevens bekijken, rapporten afdrukken en alle geprogrammeerde parameterwaarden weergeven Richtlijnen voor het opvragen van apparaatgegevens vanaf diskette Waarschuwing: De toepassing Read From Disk (Vanaf diskette lezen) is alleen bedoeld om opgeslagen gegevens te bekijken als er geen patiëntsessie gaande is. Vanuit de toepassing Read From Disk (Vanaf diskette lezen) kunt u geen apparaat programmeren of Emergency-therapieën afgeven. Het apparaat testen U kunt tijdens het lezen van gegevens vanaf een diskette geen tests uitvoeren op het apparaat Apparaatgegevens van een diskette lezen 1. Plaats een diskette met gegevens die tijdens een patiëntsessie zijn opgeslagen. 2. Selecteer in het scherm Select Model (Modelselectie) de productcategorie uit de lijst View (Bekijken). 3. Selecteer de versie van Read From Disk (Vanaf diskette lezen) van het apparaat. 4. Selecteer [Start]. 5. Selecteer [OK] na het lezen van de waarschuwing dat het in de toepassing Read From Disk (Vanaf diskette lezen) niet mogelijk is om een apparaat te programmeren of Emergency-functies te gebruiken. 6. Selecteer [Open File ] (Bestand openen). 7. Selecteer het gegevensoverzicht met het gewenste apparaatserienummer, de datum en de tijd. 8. Selecteer [Open File ] (Bestand openen). Op het scherm Read From Disk (Vanaf diskette lezen) worden gegevens van de opgeslagen sessie weergegeven. 92 Artsenhandleiding
93 3.14 Rapporten afdrukken Het programmeerapparaat biedt flexibiliteit bij het afdrukken van rapporten die in het systeem beschikbaar zijn. U kunt op verschillende manieren informatieve standaardrapporten afdrukken en printerfuncties openen. Ook kunt u aangeven wanneer een specifiek rapport moet worden afgedrukt en welke printer moet worden gebruikt Afdrukvoorkeuren instellen Met de afdrukvoorkeuren kunt u afdrukopties selecteren, zoals het aantal exemplaren, het printertype en of u nu of later wilt afdrukken. De afdrukvoorkeuren worden automatisch toegepast wanneer u op de toets [Print ] (Afdrukken) of het printerpictogram drukt. Als u liever de voorkeuren instelt elke keer voordat u een rapport afdrukt, selecteer dan het vakje naast Pop up these options when any Print button is selected (Deze opties tonen wanneer een afdruktoets wordt geselecteerd). Wanneer u dit vakje selecteert, wordt altijd wanneer u de toets [Print ] (Afdrukken) of het printerpictogram selecteert een venster met afdrukopties weergegeven. Raadpleeg de gebruikershandleiding bij het programmeerapparaat van Medtronic voor meer informatie over het installeren van een externe A4-printer Afdrukvoorkeuren instellen 1. Nadat u een patiëntsessie gestart heeft, selecteert u Reports (Rapporten) > Preferences (Voorkeuren). 2. Selecteer in het selectievak Index de optie Printing (Afdrukken). Artsenhandleiding 93
94 3. Selecteer de door u gewenste afdrukvoorkeuren. 4. Selecteer [OK]. Basale afdrukvoorkeuren zijn onmiddellijk van kracht Een initiële-uitlezingrapport afdrukken Het programmeerapparaat drukt na de eerste uitlezing tijdens een patiëntsessie automatisch bepaalde rapporten af als u de voorkeuren voor het initiële rapport daarop instelt. De rapporten die na de eerste uitlezing tijdens een patiëntsessie automatisch worden afgedrukt, worden gezamenlijk het initiële-uitlezingrapport genoemd. Het Quick Look II-rapport maakt altijd deel uit van het initiële-uitlezingrapport. U kunt ook aangeven dat andere rapporten als onderdeel van het initiële-uitlezingrapport moeten worden afgedrukt Voorkeuren voor het initiële rapport instellen 1. Nadat u een patiëntsessie gestart heeft, selecteert u Reports (Rapporten) > Preferences (Voorkeuren). 2. Selecteer in het selectievak Index de optie Initial Report (Initieel rapport). 3. Selecteer desgewenst het vakje naast Print Initial Interrogation Report after first interrogation (Initiële-uitlezingrapport afdrukken na eerste uitlezing). Het rapport wordt automatisch afgedrukt nadat het apparaat aan het begin van een patiëntsessie is uitgelezen. 4. Selecteer de overige rapporten die u in het initiële-uitlezingrapport wilt opnemen. 5. Selecteer [OK]. 6. Om een initiële-uitlezingrapport af te drukken voor een patiëntsessie die gaande is, moet deze patiëntsessie worden beëindigd en herstart. Het initiële-uitlezingrapport wordt na het uitlezen automatisch afgedrukt. 94 Artsenhandleiding
95 De voorkeuren voor het initiële rapport worden van kracht bij de start van een nieuwe sessie en blijven van kracht totdat u deze voorkeuren wijzigt en een nieuwe sessie start Rapporten afdrukken tijdens een patiëntsessie Het programmeerapparaat biedt u de mogelijkheid een bepaalde set rapporten voor afdrukken te specificeren en een rapport af te drukken gebaseerd op het scherm dat u aan het bekijken bent Een aangepaste set rapporten afdrukken 1. Om een aangepaste set rapporten af te drukken, selecteert u Reports (Rapporten) > Available Reports (Beschikbare rapporten). 2. Selecteer de rapporten die u wilt afdrukken. U kunt alleen een rapport afdrukken als er gegevens voor zijn verzameld. Als er geen gegevens zijn verzameld, wordt de naam van het rapport grijs weergegeven. 3. Selecteer [Print Options ] (Afdrukopties) als die optie beschikbaar is. Zo niet, ga dan door met Stap Selecteer de gewenste afdrukvoorkeuren. 5. Selecteer [Print Now] (Nu afdrukken) om onmiddellijk af te drukken of selecteer [Print Later] (Later afdrukken) om het afdrukverzoek aan de afdrukwachtrij toe te voegen. Artsenhandleiding 95
96 Een rapport afdrukken vanuit een specifiek programmeerscherm 1. Selecteer [Print ] (Afdrukken) of het printerpictogram op het scherm van het programmeerapparaat. 2. Als het venster met afdrukvoorkeuren verschijnt, selecteer dan de gewenste afdrukvoorkeuren. Als het venster met afdrukvoorkeuren niet verschijnt, wordt het rapport afgedrukt volgens de tevoren ingestelde afdrukvoorkeuren Een samenvattingsrapport afdrukken voor de patiëntsessie Met het systeem kunt u aan het eind van een patiëntsessie een samenvattingsrapport afdrukken Een samenvattingsrapport van de patiëntsessie afdrukken 1. Selecteer Reports (Rapporten) > Final Report (Eindrapport). 2. Als het venster met afdrukvoorkeuren verschijnt, selecteer dan de gewenste afdrukvoorkeuren. Als het venster met afdrukvoorkeuren niet verschijnt, worden het samenvattingsrapport van de sessie en andere door u geselecteerde rapporten afgedrukt volgens de tevoren ingestelde afdrukvoorkeuren. Zie Sectie , Voorkeuren voor het eindrapport instellen, bladzijde 96 voor meer informatie Voorkeuren voor het eindrapport instellen U kunt de rapporten selecteren die u als onderdeel van het eindrapport wilt afdrukken. Het samenvattingsrapport van de sessie wordt altijd afgedrukt wanneer om het afdrukken van een eindrapport wordt gevraagd. 96 Artsenhandleiding
97 1. Voordat u een patiëntsessie beëindigt, selecteert u Session (Sessie) > Preferences (Voorkeuren). 2. Selecteer in het selectievak Index de optie Final Report (Eindrapport). 3. Het selectievakje voor Session Summary (Sessiesamenvatting) is geselecteerd en kan niet worden gedeselecteerd. Hierdoor wordt in ieder geval één rapport afgedrukt wanneer om het afdrukken van een eindrapport wordt gevraagd. 4. Als dit de eerste keer is dat u eindrapportvoorkeuren instelt dan dient Parameters All Settings (Alle instellingen) te worden geselecteerd. 5. Selecteer de overige rapporten die u in het eindrapport wilt opnemen. 6. Selecteer [OK]. Opmerking: De selecties die u met de functie Final Report Preferences (Eindrapportvoorkeuren) maakt, zijn bij alle sessies en alle toepassingen van kracht. Volg de stappen in Sectie om de selecties af te drukken die u in de eindrapportvoorkeuren ingesteld heeft De afdrukwachtrij beheren Het venster Print Queue (Afdrukwachtrij) geeft de afdrukstatus aan van de rapporten die u in de loop van een patiëntsessie voor afdrukken selecteert. Artsenhandleiding 97
98 Wanneer u de patiëntsessie beëindigt, is het venster Print Queue (Afdrukwachtrij) nog steeds beschikbaar. Dit venster bevat een lijst rapporten van die sessie en andere eerdere sessies Het venster Print Queue (Afdrukwachtrij) gebruiken tijdens een patiëntsessie Bij het begin van een patiëntsessie is het venster Print Queue (Afdrukwachtrij) leeg omdat het alleen rapporten bevat die tijdens de actuele sessie voor afdrukken worden geselecteerd. Als u [Print Later] (Later afdrukken) voor een rapport selecteert, wordt het rapport in de afdrukwachtrij gezet. Het venster Print Queue (Afdrukwachtrij) kan tijdens een patiëntsessie worden weergegeven door Reports (Rapporten) > Print Queue (Afdrukwachtrij) te selecteren. Vanuit dit venster kunt u alleen de status van de afdruktaken voor de actuele patiëntsessie controleren. U kunt een afdruktaak afdrukken of uit de wachtrij verwijderen. Een rapport kan niet worden verwijderd als de status van dat rapport printing (Wordt afgedrukt) of waiting (Wacht op afdrukken) is Het venster Print Queue (Afdrukwachtrij) gebruiken buiten een patiëntsessie Het venster Print Queue (Afdrukwachtrij) is buiten een patiëntsessie beschikbaar. Als u het venster Print Queue (Afdrukwachtrij) wilt weergeven terwijl u niet bezig bent met een patiëntsessie, selecteert u het pictogram Print Queue (Afdrukwachtrij) in het scherm Select Model (Modelselectie). Het venster Print Queue (Afdrukwachtrij) bevat een lijst rapporten van die sessie en andere eerdere sessies. U kunt een afdruktaak afdrukken of uit de wachtrij verwijderen. Een rapport kan niet worden verwijderd als de status van dat rapport printing (Wordt afgedrukt) of waiting (Wacht op afdrukken) is De kolom Print Queue Status (Status afdrukwachtrij) interpreteren De kolom Print Queue Status (Status afdrukwachtrij) geeft de afdrukstatus aan van elk rapport dat door het programmeerapparaat moet worden afgedrukt: 98 Artsenhandleiding
99 Printing (Wordt afgedrukt): geeft aan dat een rapport op dat moment wordt afgedrukt. Deleting (Wordt verwijderd): geeft aan dat een rapport op dat moment wordt verwijderd (nadat de toets [Delete] (Verwijderen) geselecteerd is). Waiting (Wacht op afdrukken): geeft aan dat een rapport in de wachtrij staat om te worden afgedrukt zodra het afdrukken van een ander rapport voltooid is. Hold-Later (Wachten tot later): geeft aan dat het afdrukken van een rapport wordt uitgesteld tot u om een afdruk vraagt (via de toets [Print] [Afdrukken]). Deze status kan ook betekenen dat het afdrukken van een rapport onderbroken is door het starten van een registratie of dat de printer niet werkt (bijvoorbeeld omdat het papier op is). Done (Gereed): geeft aan dat een rapport afgedrukt is. Artsenhandleiding 99
100 4 Het apparaat implanteren 4.1 Een implantatie voorbereiden De onderstaande implantatieprocedures worden alleen ter referentie aangeboden. Correcte chirurgische procedures en steriele technieken zijn de verantwoordelijkheid van de arts. Iedere arts dient de informatie in deze procedures toe te passen volgens zijn of haar professionele medische opleiding en ervaring. Meer informatie over het vervangen van een eerder geïmplanteerd apparaat vindt u in Sectie 4.8, Een apparaat vervangen, bladzijde 115. Zorg ervoor dat u alle instrumenten, systeemonderdelen en steriel toebehoren heeft die nodig zijn om de implantatie uit te voeren Instrumenten, onderdelen en toebehoren die nodig zijn bij een implantatie De volgende niet-geïmplanteerde instrumenten worden gebruikt ter ondersteuning van de implantatieprocedure: Medtronic CareLink-programmeerapparaat Model 2090 met Conexus-telemetrie en een Conexus-activator, of een Medtronic CareLink-programmeerapparaat Model 2090 met een programmeerkop Model 2067 of 2067L Softwaretoepassing Model 9995 Analyzer Model 2290 of gelijkwaardige pacing system analyzer Externe defibrillator De volgende steriele systeemonderdelen en toebehoren worden gebruikt voor het uitvoeren van de implantatie: Implanteerbaar apparaat en geleidingsdraadsysteemonderdelen Programmeerkophoes (als een programmeerkop wordt gebruikt) Opmerking: Als bij een implantatie een gesteriliseerde programmeerkop wordt gebruikt, is een steriele programmeerkophoes niet nodig. Kabels voor de pacing system analyzer Geleidingsdraad-introducers die geschikt zijn voor het geleidingsdraadsysteem Extra stylets van de juiste lengte en vorm 100 Artsenhandleiding
101 4.1.2 Het programmeerapparaat instellen en de toepassing starten Raadpleeg de referentiehandleiding van het programmeerapparaat voor instructies voor het instellen van het programmeerapparaat. De software Model 9995 moet op het programmeerapparaat zijn geïnstalleerd. Breng telemetrie tussen het apparaat en het programmeerapparaat tot stand en start een patiëntsessie Richtlijnen voor het voorbereiden van een implantatie Lees de volgende informatie goed door voordat u de geleidingsdraden of het apparaat implanteert: Waarschuwing: Voorkom dat de patiënt contact maakt met geaarde elektrische apparatuur die tijdens het implanteren gevaarlijke elektrische lekstromen kan produceren. Elektrische lekstromen kunnen tachycardieën induceren waardoor de patiënt kan overlijden. Waarschuwing: Houd externe defibrillatieapparatuur beschikbaar zodat direct kan worden ingegrepen. Tijdens het testen, de implantatieprocedures en het testen na implantatie van het apparaat kunnen potentieel schadelijke spontane of geïnduceerde tachycardieën ontstaan. Let op: Het apparaat is bedoeld voor implantatie in het pectorale gebied met transveneuze defibrillatiegeleidingsdraden van Medtronic. De veiligheid en effectiviteit van andere geïmplanteerde geleidingsdraadsystemen (acuut of chronisch) die niet door Medtronic zijn gefabriceerd, kunnen niet worden gegarandeerd. Let op: Als defibrillatie- en Active Can-elektroden tijdens een hogespanningstherapie contact met elkaar maken, kan dat tot gevolg hebben dat elektrische stroom langs het hart wordt geleid, waarbij het apparaat en de geleidingsdraden beschadigd kunnen raken. Zorg ervoor dat er tijdens het aansluiten van het apparaat op de geleidingsdraden geen therapeutische elektroden, stylets of introducer-voerdraden in aanraking komen met of aangesloten zijn op materialen die elektriciteit kunnen geleiden. Plaats voorwerpen gemaakt van geleidende materialen (zoals een geïmplanteerde introducer-voerdraad) ver weg van alle elektroden voordat een hogespanningsschok wordt afgegeven. Let op: Implanteer het apparaat niet na de uiterste gebruiksdatum aangegeven op de verpakking. De levensduur van de batterij kan afgenomen zijn. Artsenhandleiding 101
102 4.1.4 Het apparaat voorbereiden voor implantatie Voer vóór het openen van de steriele verpakking de volgende stappen uit om het apparaat voor te bereiden voor de implantatie: 1. Lees het apparaat uit. Druk een initiële-uitlezingrapport af. Let op: Implanteer het apparaat niet als het programmeerapparaat meldt dat een elektrische reset is opgetreden. Neem contact op met Medtronic. 2. Controleer in het initiële-uitlezingrapport of op het Quick Look II-scherm of de batterijspanning bij kamertemperatuur minimaal 3,0 V bedraagt. Als het apparaat kortgeleden een hogespanningslading heeft afgegeven of blootgesteld is geweest aan lage temperaturen, zal de batterijspanning tijdelijk lager zijn en kan de condensatoroplaadtijd langer worden. Laat het apparaat op kamertemperatuur komen en controleer de batterijspanning nogmaals. Als er geen acceptabele batterijspanning wordt bereikt, neem dan contact op met Medtronic. 3. Selecteer Params (Parameters) > Data Collection Setup (Gegevensverzamelingconfiguratie) > Device Date/Time (Datum/tijd apparaat) om de interne klok van het apparaat op de juiste datum en tijd in te stellen. 4. Voer een handmatige condensatorformattering uit. a. Ontlaad de condensatoren. b. Voer een testoplading uit tot het maximale energieniveau. c. Lees de oplaadgegevens uit. d. Ontlaad de opgeslagen lading niet. Laat de opgeslagen lading ten minste 10 min dissiperen, hierdoor worden de condensatoren geformatteerd. e. Als de gerapporteerde oplaadtijd klinisch onacceptabel is, neem dan contact op met Medtronic. 5. Programmeer de therapie- en stimulatieparameters op waarden die geschikt zijn voor de patiënt. Controleer of tachycardiedetectie niet op On (Aan) is geprogrammeerd. Opmerkingen: Activeer vóór implantatie van het apparaat geen stimulatiefuncties die de stimulatiefrequentie beïnvloeden (bijvoorbeeld ventriculairefrequentiestabilisatie). Gebeurt dat wel dan kan de stimulatiefrequentie hoger zijn dan verwacht. Patiëntgegevens worden gewoonlijk bij de eerste implantatie ingevoerd en kunnen nadien te allen tijde worden gewijzigd. 102 Artsenhandleiding
103 4.2 Selecteren en implanteren van de geleidingsdraden Pas de richtlijnen in deze paragraaf toe voor het selecteren van geleidingsdraden die compatibel zijn met dit apparaat. De juiste technieken voor het implanteren van de geleidingsdraden kunnen verschillen naargelang de voorkeur van de arts en de anatomie of lichamelijke toestand van de patiënt. Raadpleeg de technische handleidingen bij de geleidingsdraden voor specifieke implantatie-instructies De geleidingsdraden selecteren Er kunnen transveneuze of epicardiale geleidingsdraden gebruikt worden. Gebruik geleidingsdraden pas met dit apparaat nadat geverifieerd is dat de geleidingsdraad en de connector compatibel zijn. Het apparaat wordt in het algemeen geïmplanteerd met de volgende geleidingsdraden: 1 transveneuze geleidingsdraad in het linkerventrikel (LV) voor stimulatie 1 quadri-/tripolaire transveneuze geleidingsdraad met connector met drie/twee vertakkingen in het rechterventrikel (RV) voor waarneming, stimulatie en cardioversie-/defibrillatietherapieën 1 bipolaire transveneuze geleidingsdraad in het atrium (A) voor waarneming en stimulatie. Het gebruik van een bipolaire atriale geleidingsdraad met 10 mm van elkaar liggende ring- en tipelektroden wordt aanbevolen om waarneming van far-field-r-toppen te beperken. Opmerking: Als een subcutane defibrillatiegeleidingsdraad wordt geïmplanteerd, moet een adapter worden gebruikt De compatibiliteit van de geleidingsdraad en de connector verifiëren Waarschuwing: Verifieer de compatibiliteit van de geleidingsdraad en de connector voordat u een geleidingsdraad gebruikt met dit apparaat. Bij gebruik van een niet-compatibele geleidingsdraad kan de connector beschadigd raken, met als gevolg elektrische lekstromen of slecht functionerende elektrische verbindingen. Opmerking: 3,2 mm low-profile -geleidingsdraden van Medtronic zijn niet direct compatibel met het IS-1-connectorblok van het apparaat. Opmerking: Als u een geleidingsdraad gebruikt waarbij een adapter voor dit apparaat nodig is, neem dan contact op met Medtronic voor informatie over compatibele geleidingsdraadadapters. Artsenhandleiding 103
104 Gebruik de informatie in Tabel 6 om een compatibele geleidingsdraad te selecteren. Tabel 6. De compatibiliteit van geleidingsdraden en connectoren Connectorpoort Primaire geleidingsdraad RV (HVB), SVC (HVX) DF-1 a A, RV, LV IS-1 b bipolair a DF-1 verwijst naar internationale standaard ISO 11318:2002. b IS-1 verwijst naar internationale standaard ISO : De geleidingsdraden implanteren Implanteer de geleidingsdraden volgens de met de geleidingsdraden meegeleverde technische handleiding, tenzij reeds geschikte chronische geleidingsdraden zijn geplaatst. Waarschuwing: Als de geleidingsdraad wordt afgeklemd, kan de geleidingsdraadgeleider of de isolatie worden beschadigd. Dit kan leiden tot ongewenste hogespanningstherapieën of resulteren in verlies van waarneming of stimulatietherapie. Transveneuze geleidingsdraden Als u een transveneuze geleidingsdraad subclaviaal plaatst, positioneer de geleidingsdraad dan lateraal om te voorkomen dat de geleidingsdraad tussen de clavicula en de eerste rib beklemd raakt. Implanteer de LV., atriale en RV. geleidingsdraden niet via dezelfde veneuze toegang. Medtronic beveelt aan de LV. geleidingsdraad via de vena subclavia en de atriale en RV. geleidingsdraad via de vena cephalica te implanteren. LV. geleidingsdraden Vanwege de grote variabiliteit in hartaderen moet vóór implantatie van de LV. geleidingsdraad de veneuze anatomie worden beoordeeld om de optimale positie voor de LV. geleidingsdraad te bepalen. Voordat een geleidingsdraad in de sinus coronarius wordt geplaatst, moet een venogram worden gemaakt. Epicardiale geleidingsdraden Er zijn verscheidene chirurgische benaderingen mogelijk voor het implanteren van epicardiale geleidingsdraden, zoals een beperkte thoracotomie links of een mediane sternotomie. Voor een typische plaatsing kan een patch anterieur over het rechterventrikel als RV-defibrillatie-elektrode (HVB) gebruikt worden en een patch posterolateraal over het linkerventrikel als SVC (HVX). 4.3 Het geleidingsdraadsysteem testen Test na implantatie van de geleidingsdraden het geleidingsdraadsysteem om te verifiëren dat de waarnemings- en stimulatiewaarden acceptabel zijn. 104 Artsenhandleiding
105 4.3.1 Richtlijnen voor het testen van het geleidingsdraadsysteem Bipolaire geleidingsdraden Bij het meten van waarnemings- en stimulatiewaarden, meet u tussen de tip (kathode) en de ring- of defibrillatie-elektrode (anode) van elke bipolaire stimulatie-/waarnemingsgeleidingsdraad. Geleidingsdraden positioneren Bij de definitieve positionering van geleidingsdraden dient zowel de cardialeresynchronisatiedrempel als de defibrillatiedrempel te worden geoptimaliseerd. Extracardiale stimulatie Bij stimulatie met 10 V met behulp van een extern stimulatieapparaat moet worden getest op extracardiale stimulatie vanuit de LV. geleidingsdraad. Als er sprake is van extracardiale stimulatie dan moet u overwegen de geleidingsdraad te verplaatsen Het verifiëren en opslaan van de waarnemings- en stimulatiewaarden Medtronic raadt aan een analyzer Model 2290 te gebruiken voor het uitvoeren van waarnemings- en stimulatiemetingen. Wanneer de analyzer- en de apparaatsessie gelijktijdig verlopen, kunt u de tijdens de analyzersessie opgeslagen geleidingsdraadmetingen tijdens de apparaatsessie exporteren naar de patiëntgegevensparameters. Raadpleeg de technische handleiding bij de analyzer voor gedetailleerde procedures voor het uitvoeren van de geleidingsdraadmetingen. Opmerking: Als u de geleidingsdraadmetingen uitvoert met een ander implantatiemeetinstrument dan een analyzer Model 2290, moet u de metingen tijdens de apparaatsessie handmatig invoeren. Opmerking: Meet niet het intracardiale EGM getelemetreerd uit het apparaat om de waarneming te evalueren. 1. Start vanuit de apparaatsessie een nieuwe analyzersessie door het analyzerpictogram op de taakbalk te selecteren. 2. Meet de EGM-amplitude, de slew rate en de stimulatiedrempel met een analyzer Model Artsenhandleiding 105
106 3. Controleer aan de hand van de informatie in Tabel 7 of de gemeten waarden acceptabel zijn. Opmerking: De gemeten stimulatiegeleidingsdraadimpedantie is een weerspiegeling van meetapparatuur en geleidingsdraadtechnologie. Raadpleeg voor acceptabele impedantiewaarden de technische handleiding bij de geleidingsdraad. 4. Selecteer [Save ] (Opslaan) onderaan de kolom die overeenkomt met de geleidingsdraad die u aan het testen bent. 5. Selecteer in het veld Lead (Geleidingsdraad) het type geleidingsdraad dat u aan het testen bent en selecteer vervolgens [Save] (Opslaan). 6. Selecteer [View Saved ] (Opgeslagen metingen bekijken). 7. Selecteer de opgeslagen metingen die u wilt exporteren. U kunt 1 meting per type geleidingsdraad selecteren. 8. Selecteer [Export] (Exporteren) en [Close] (Sluiten). De geselecteerde metingen worden tijdens de apparaatsessie geëxporteerd naar het veld Implant (Implantatie) op het scherm Patient Information (Patiëntgegevens). 9. Selecteer het apparaatpictogram op de taakbalk om naar de apparaatsessie terug te keren. 10. Selecteer Patient (Patiënt) > Patient Information (Patiëntgegevens) en vervolgens [Program] (Programmeren) om de geïmporteerde waarden in het geheugen van het apparaat te importeren. Tabel 7. Acceptabele waarnemings- en stimulatiewaarden Benodigde metingen Acute transveneuze geleidingsdraden Chronische geleidingsdraden a P-top-EGM-amplitude (atriaal) 2 mv 1 mv R-top-EGM-amplitude (RV) 5 mv 3 mv LV EGM-amplitude 3 mv 1 mv Slew rate 0,5 V/s (atriaal) 0,3 V/s (atriaal) 0,75 V/s (RV) 0,5 V/s (RV) Stimulatiedrempel (pulsduur 0,5 ms) 1,5 V (atriaal) 3,0 V (atriaal) 1,0 V (RV) 3,0 V (RV) 3,0 V (LV) 4,0 V (LV) a Chronische geleidingsdraden zijn geleidingsdraden die 30 dagen of langer zijn geïmplanteerd. 106 Artsenhandleiding
107 4.4 De geleidingsdraden aansluiten op het apparaat De volgende procedure beschrijft hoe een geleidingsdraad op het apparaat wordt aangesloten, hoe wordt bevestigd dat de geleidingsdraadconnector volledig in het connectorblok is aangebracht en hoe wordt geverifieerd dat de geleidingsdraad stevig aangesloten is. Waarschuwing: Verifieer na het aansluiten van de geleidingsdraden of de geleidingsdraden goed vast zitten door voorzichtig aan iedere geleidingsdraad te trekken. Een losse geleidingsdraadaansluiting kan tot verkeerde waarnemingen leiden met als mogelijk gevolg verkeerde aritmietherapie of geen aritmietherapie wanneer dat wel nodig is. Let op: Als er geen SVC-elektrode wordt geïmplanteerd, zorg er dan voor dat elektrische lekkage wordt voorkomen door de met het apparaat meegeleverde pin-plug in de SVC-poort te steken. Let op: Gebruik uitsluitend het momentsleuteltje dat met het apparaat wordt meegeleverd. Dit momentsleuteltje is ontworpen om te voorkomen dat het apparaat beschadigd raakt doordat het inbusschroefje te vast wordt aangedraaid. Zie Afbeelding 18 voor informatie over de geleidingsdraadconnectorpoorten op het apparaat. Afbeelding 18. Geleidingsdraadconnectorpoorten 1 DF-1-connectorpoort, SVC (HVX) 2 DF-1-connectorpoort, RV (HVB) 3 Active Can-elektrode, behuizing (HVA) 4 IS-1-connectorpoort, LV 5 IS-1-connectorpoort, RV 6 IS-1-connectorpoort, A Een geleidingsdraad op het apparaat aansluiten Opmerking: Plaats voor een makkelijkere aansluiting van de geleidingsdraden eerst de LV IS-1-geleidingsdraad in het connectorblok. Artsenhandleiding 107
108 1. Steek het momentsleuteltje in het juiste inbusschroefje. a. Als de poort geblokkeerd wordt door het inbusschroefje, draai het schroefje dan linksom terug tot de poort vrij is. Zorg dat het inbusschroefje niet uit het connectorblok wordt gedraaid (zie Afbeelding 19). b. Houd het momentsleuteltje in het inbusschroefje totdat de geleidingsdraad goed vastzit. Zo kan lucht ontsnappen die bij het plaatsen van de geleidingsdraadconnector in de connectorpoort naar binnen dringt (zie Afbeelding 19). Afbeelding 19. Het momentsleuteltje in het inbusschroefje steken 1a 1b 2. Druk de geleidingsdraadconnector of de pin-plug in de connectorpoort totdat de connectorpin van de geleidingsdraad duidelijk zichtbaar is in het venster. Indien nodig kan steriel water als smeermiddel worden gebruikt. Er is geen afdichtingsmiddel nodig. 3. Controleer via de zij- of achterkant van het connectorblok van het apparaat of de geleidingsdraad zich volledig in de connectorpinholte bevindt. a. De connectorpin van de geleidingsdraad moet zich duidelijk zichtbaar voorbij het inbusschroefblokje bevinden (zie Afbeelding 20). b. De connectorring van de geleidingsdraad moet zich volledig in het veercontactpunt bevinden. Hier bevindt zich geen inbusschroefje (zie Afbeelding 20). 108 Artsenhandleiding
109 Afbeelding 20. De geleidingsdraadaansluiting bevestigen 3b 3a 4. Draai het inbusschroefje met de klok mee aan totdat het momentsleuteltje klikt. Verwijder het momentsleuteltje. 5. Trek voorzichtig aan de geleidingsdraad om er zeker van te zijn dat deze goed vastzit. Doe dit pas als het inbusschroefje is aangedraaid. 6. Herhaal deze stappen voor elke geleidingsdraad. 4.5 Ventriculaire-defibrillatiedrempeltests uitvoeren De ventriculairedefibrillatiewerking en -effectiviteit van het geïmplanteerde geleidingsdraadsysteem worden als volgt getest. Induceer VF met de T-Shock- of de 50 Hz Burst-methode en laat het apparaat de VF detecteren en behandelen met behulp van de geprogrammeerde automatische therapieën. Volg de instructies op voor de door u geprefereerde methode voor het vaststellen of er een adequate veiligheidsmarge bestaat voor zowel waarnemen als defibrilleren Hoge-spanningsimplantatiewaarden Zie Tabel 8 voor informatie over de gemeten hoge-spanningstherapiewaarden die bij implantatie worden aanbevolen. Tabel 8. Aanbevolen hoge-spanningstherapiewaarden bij implantatie Meting Impedantie HV-spanningsafgiftesysteem Defibrillatiedrempel Acute of chronische geleidingsdraden Ω 25 J Artsenhandleiding 109
110 4.5.2 Defibrillatiedrempeltests voorbereiden Waarschuwing: Houd externe defibrillatieapparatuur beschikbaar zodat direct kan worden ingegrepen. Tijdens het testen, de implantatieprocedures en het testen na implantatie van het apparaat kunnen potentieel schadelijke spontane of geïnduceerde tachycardieën ontstaan. 1. Breng telemetrie tussen het apparaat en het programmeerapparaat tot stand en start een patiëntsessie. Als u draadloze telemetrie gebruikt, controleer dan of er ten minste 3 groene lampjes branden op het pictogram voor draadloze telemetrie. Lees het apparaat uit als u dat nog niet heeft gedaan. 2. Selecteer het pictogram Params (Parameters), selecteer het veld VF Therapies (VF-therapieën) en selecteer daarna [Shared Settings ] (Gedeelde instellingen). Programmeer de parameter voor Active Can/SVC-defibrillatie-elektrode op waarden die geschikt zijn voor de patiënt. 3. Bekijk de Marker Channel-annotaties om te controleren of het apparaat goed waarneemt. 4. Voer een handmatige geleidingsdraadimpedantietest uit om de aansluitingen van de defibrillatiegeleidingsdraden te controleren. Voer deze test uit terwijl het apparaat zich in de chirurgische pocket bevindt. Zorg ervoor dat de chirurgische pocket goed vochtig blijft. Als de geleidingsdraadimpedantie buiten het bereik valt, voer dan 1 of meer van de volgende taken uit: Controleer de geleidingsdraadaansluitingen en geleidingsdraadelektrodeplaatsing opnieuw. Controleer het EGM op afwijkingen. Herhaal de handmatige geleidingsdraadimpedantietest Defibrillatiedrempeltests uitvoeren met T-Shock 1. Selecteer Tests > EP Study (EP-studie). 2. Selecteer T-Shock in de lijst EP-studiefuncties. 3. Controleer of het vakje Resume at DELIVER (Hervatten bij afgifte) is geselecteerd om aritmiedetectie na afgifte van de inductie te hervatten. Opmerking: Tijdens een draadlozetelemetriesessie kunt u geen T-Shock-inductie afgeven als zich een magneet of programmeerkop boven het apparaat bevindt en het selectievakje Resume at DELIVER (Hervatten bij afgifte) is ingeschakeld. Als er een foutmelding verschijnt, verwijder de magneet of de programmeerkop dan of deselecteer het vakje Resume at DELIVER (Hervatten bij afgifte). 110 Artsenhandleiding
111 4. Selecteer [Adjust Permanent ] (Permanent aanpassen). 5. Stel de energieparameter voor VF-therapie Rx1 op 10 J lager in dan de gewenste definitieve geprogrammeerde waarde. Stel de VF-therapieën Rx2 Rx6 in op de maximale waarde. 6. Stel de parameter voor RV. gevoeligheid in op een waarde die in een adequate veiligheidsmarge voor het detecteren van VF resulteert. Voor een definitieve geprogrammeerde RV. gevoeligheid van 0,3 mv wordt een adequate veiligheidsmarge gewoonlijk verkregen door de waarde tijdens het testen op 1,2 mv in te stellen. 7. Stel VF Enable (VF activeren) in op On (Aan). 8. Selecteer [PROGRAM] (Programmeren). 9. Selecteer [Close] (Sluiten). 10. Selecteer het vakje Enable (Activeren). 11. Selecteer [DELIVER T-Shock] (AFGIFTE T-Shock). Selecteer zonodig [ABORT] (Afbreken) om inductie van een lopende therapie af te breken. 12. Bekijk op het actueleritmevenster of goede detectie, therapie en waarneming na een schok plaatsvinden. 13. Selecteer [Retrieve Data ] (Gegevens ophalen) om de opgeslagen gegevens van de geïnduceerde episode te bekijken. Druk om meer bijzonderheden te bekijken een rapport Last VT/VF with EGM (Vorige VT/VF met EGM) af of selecteer Data (Gegevens) > Clinical Diagnostics (Klinische diagnostieken) > Arrhythmia Episodes (Aritmie-episodes) om de gegevens op het programmeerapparaat te bekijken. 14. Selecteer [Adjust Permanent ] (Permanent aanpassen) om desgewenst een nieuw energieniveau voor VF-therapie Rx1 te programmeren of de stroomrichting te wijzigen. 15. Wacht tot de timer op het scherm 5 min heeft bereikt en herhaal dan Stap 10 - Stap 15 waar nodig. 16. Selecteer het parameterpictogram en programmeer VF-, FVT- en VT-detectie op Off (Uit) voordat u de pocket sluit Defibrillatiedrempeltests uitvoeren met een 50 Hz Burst 1. Selecteer Tests > EP Study (EP-studie). 2. Selecteer 50 Hz Burst in de lijst EP-studiefuncties. 3. Selecteer [RV] als het venster voor het selecteren van de kamer verschijnt. Stel anders de kamerparameter in op de gewenste ventriculaire instelling. Artsenhandleiding 111
112 4. Controleer of het vakje Resume at Burst (Hervatten bij Burst) is geselecteerd om aritmiedetectie na afgifte van de inductie te hervatten. Opmerking: Tijdens een draadlozetelemetriesessie kunt u geen 50 Hz Burst-inductie afgeven wanneer zich een magneet of programmeerkop boven het apparaat bevindt en het vakje Resume at BURST (Hervatten bij Burst) geselecteerd is. Als er een foutmelding verschijnt, verwijder de magneet of de programmeerkop dan of deselecteer het vakje Resume at BURST (Hervatten bij Burst). 5. Selecteer [Adjust Permanent ] (Permanent aanpassen). 6. Stel de energieparameter voor VF-therapie Rx1 op 10 J lager in dan de gewenste definitieve geprogrammeerde waarde. Stel de VF-therapieën Rx2 Rx6 in op de maximale waarde. 7. Stel de parameter voor RV. gevoeligheid in op een waarde die in een adequate veiligheidsmarge voor het detecteren van VF resulteert. Voor een definitieve geprogrammeerde RV. gevoeligheid van 0,3 mv wordt een adequate veiligheidsmarge gewoonlijk verkregen door de waarde tijdens het testen op 1,2 mv in te stellen. 8. Stel VF Enable (VF activeren) in op On (Aan). 9. Selecteer [PROGRAM] (Programmeren). 10. Selecteer [Close] (Sluiten). 11. Houd de toets [50 Hz BURST Press and Hold] (50 Hz BURST Indrukken en vasthouden) ingedrukt. Haal de contactpen van de toets [50 Hz BURST Press and Hold] (50 Hz BURST Indrukken en vasthouden) af om de inductie of therapie automatisch af te breken. 12. Bekijk op het actueleritmevenster of goede detectie, therapie en waarneming na een schok plaatsvinden. 13. Selecteer [Retrieve Data ] (Gegevens ophalen) om de opgeslagen gegevens van de geïnduceerde episode te bekijken. Druk om meer bijzonderheden te bekijken een rapport Last VT/VF with EGM (Vorige VT/VF met EGM) af of selecteer Data (Gegevens) > Clinical Diagnostics (Klinische diagnostieken) > Arrhythmia Episodes (Aritmie-episodes) om de gegevens op het programmeerapparaat te bekijken. 14. Selecteer [Adjust Permanent ] (Permanent aanpassen) om desgewenst een nieuw energieniveau voor VF-therapie Rx1 te programmeren of de stroomrichting te wijzigen. 15. Wacht tot de timer op het scherm 5 min heeft bereikt en herhaal dan Stap 11 - Stap 15 waar nodig. 16. Selecteer het parameterpictogram en programmeer VF-, FVT- en VT-detectie op Off (Uit) voordat u de pocket sluit. 112 Artsenhandleiding
113 4.6 Het apparaat plaatsen en bevestigen Let op: Als er geen SVC-elektrode wordt geïmplanteerd, zorg er dan voor dat elektrische lekkage wordt voorkomen door de met het apparaat meegeleverde pin-plug in de SVC-poort te steken. Let op: Programmeer tachycardiedetectie op Off (Uit) of Monitor (Bewaking) om onterechte detectie of therapieafgifte tijdens het sluiten van de pocket te voorkomen. Opmerking: Implanteer het apparaat binnen 5 cm van het huidoppervlak om de ambulante bewaking na implantatie te optimaliseren. De kant van het apparaat met het Medtronic-logo moet naar de huid toe liggen zodat de patiënt de Medtronic CareAlert-tonen beter hoort Het apparaat plaatsen en bevestigen 1. Verifieer dat alle geleidingsdraadconnectorpinnen of pin-pluggen volledig in de connectorpoort zijn gestoken en dat alle inbusschroefjes goed zijn aangedraaid. 2. Om verdraaiing van de geleidingsdraad te voorkomen, draait u het apparaat zodanig rond dat het overtollige deel van de geleidingsdraad losjes om het apparaat wordt gewikkeld (zie Afbeelding 21). Zorg ervoor dat er geen knikken in de geleidingsdraad komen. Afbeelding 21. Het apparaat ronddraaien om de geleidingsdraden op te wikkelen 3. Plaats het apparaat en de geleidingsdraden in de chirurgische pocket. 4. Hecht het apparaat goed vast in de pocket met niet-resorbeerbaar hechtdraad teneinde draaiing en verplaatsing van het apparaat na de implantatie te voorkomen. Gebruik een chirurgische naald om door de hechtingsopeningen op het apparaat te steken (zie Afbeelding 22). Artsenhandleiding 113
114 Afbeelding 22. De hechtingsopeningen lokaliseren 5. Hecht de incisie van de pocket dicht. 4.7 De implantatieprocedure voltooien Waarschuwing: Programmeer de functie Other 1:1 SVTs (Andere 1:1-SVT s) pas op On (Aan) als het ingroeiproces van de atriale geleidingsdraad voltooid is (ongeveer 1 maand na de implantatie). Als de atriale geleidingsdraad losraakt en zich naar het ventrikel verplaatst, kan de functie Other 1:1 SVTs (Andere 1:1-SVT s) detectie en therapie op onterechte gronden tegenhouden Het programmeren van het apparaat voltooien 1. Activeer tachycardiedetectie en de gewenste tachycardietherapieën. 2. Voer een laatste VF-inductie uit en laat het geïmplanteerde systeem de tachycardie detecteren en behandelen. 3. Verifieer dat de stimulatie-, detectie- en therapieparameters op waarden geprogrammeerd zijn die geschikt zijn voor de patiënt. 4. Voer de gegevens van de patiënt in. 5. Configureer de Medtronic CareAlert-functie. 6. Programmeer de parameters voor Data Collection Setup (Gegevensverzamelingconfiguratie). 114 Artsenhandleiding
115 4.7.2 De werking van het apparaat en de geleidingsdraden beoordelen Maak zo snel mogelijk na de implantatie van het apparaat een röntgenfoto van de patiënt om de plaatsing van het apparaat en de geleidingsdraden te controleren. Voordat de patiënt wordt ontslagen uit het ziekenhuis, moeten de werking van het geïmplanteerde apparaat en de geleidingsdraden worden beoordeeld. 1. Controleer na de implantatie continu het elektrocardiogram van de patiënt totdat deze uit het ziekenhuis ontslagen wordt. Als een geleidingsdraad losraakt, gebeurt dit meestal vrij kort na de implantatie. 2. Als er tachycardietherapieën geactiveerd zijn terwijl de patiënt nog opgenomen is, moet het apparaat na spontane episodes worden uitgelezen om de detectie- en therapieparameterinstellingen te evalueren. 3. Als de patiënt geen spontane episodes heeft gehad, kunt u de klinische tachycardieën induceren met behulp van de niet-invasieve EP-studiefuncties om de werking van het systeem nader te beoordelen. 4. Controleer de stimulatie- en waarnemingswaarden en corrigeer deze zonodig. 5. Lees het apparaat uit en druk een Final Report (Eindrapport) af om de postoperatieve geprogrammeerde apparaatstatus te documenteren. 4.8 Een apparaat vervangen Waarschuwing: Houd externe defibrillatie- en stimulatieapparatuur beschikbaar zodat direct kan worden ingegrepen. Wanneer de geleidingsdraad is losgekoppeld, krijgt de patiënt geen defibrillatie- of stimulatietherapie van het apparaat. Let op: Schakel tachycardiedetectie uit om te voorkomen dat tijdens het explanteren van het apparaat verkeerde therapie wordt afgegeven. Opmerking: Om aan de implantatievereisten te voldoen, kan het nodig zijn dat u de chronische geleidingsdraden verplaatst of vervangt of dat u een derde hogespanningselektrode toevoegt. Zie Sectie 4.2, Selecteren en implanteren van de geleidingsdraden, bladzijde 103 voor meer informatie. Opmerking: Eventuele ongebruikte geleidingsdraden die geïmplanteerd blijven, moeten worden afgedopt met een geleidingsdraadafdophulsje om te voorkomen dat elektrische signalen worden doorgeleid. Neem contact op met Medtronic voor informatie over geleidingsdraadafdophulsjes. Artsenhandleiding 115
116 4.8.1 Een apparaat explanteren en vervangen 1. Deactiveer tachycardiedetectie om te voorkomen dat er tijdens het explanteren van het apparaat eventueel schokken aan de patiënt of de implanterend arts worden toegediend. 2. Programmeer het apparaat op een niet-frequentieresponsieve modus om tijdens het explanteren van het apparaat eventuele frequentieverhogingen te vermijden. 3. Prepareer de geleidingsdraden en het apparaat vrij van de chirurgische pocket. Voorkom knikken of breuken van de geleidingsdraadisolatie. 4. Gebruik een momentsleuteltje om de inbusschroefjes in het connectorblok los te draaien. 5. Trek de geleidingsdraden voorzichtig uit de connectorpoorten. 6. Evalueer de conditie van elke geleidingsdraad (zie Sectie 4.3, Het geleidingsdraadsysteem testen, bladzijde 104). Vervang een geleidingsdraad als de elektrische integriteit niet acceptabel is of als de geleidingsdraadconnectorpin putjes of verwering vertoont. Als u de geleidingsdraad explanteert, stuur deze dan terug naar Medtronic voor analyse en verwerking. 7. Sluit de geleidingsdraden aan op het vervangende apparaat (zie Sectie 4.4, De geleidingsdraden aansluiten op het apparaat, bladzijde 107). Opmerking: Mogelijk zijn er geleidingsdraadadapters nodig om de geleidingsdraden op het vervangende apparaat aan te sluiten. Neem contact op met Medtronic voor informatie over compatibele geleidingsdraadadapters. 8. Gebruik het vervangende apparaat om de effectiviteit van de defibrillatie te testen (zie Sectie 4.5, Ventriculaire-defibrillatiedrempeltests uitvoeren, bladzijde 109). 9. Plaats en bevestig het apparaat in de chirurgische pocket en sluit de incisie van de pocket met een hechting (zie Sectie 4.6, Het apparaat plaatsen en bevestigen, bladzijde 113). 10. Stuur het geëxplanteerde apparaat en eventueel geëxplanteerde geleidingsdraden ter analyse en verwerking terug naar Medtronic. 116 Artsenhandleiding
117 5 Een follow-up-sessie van de patiënt uitvoeren 5.1 Richtlijnen voor follow-up van patiënten Plan tijdens de levensduur van het apparaat regelmatig sessies voor follow-up van de patiënt. De eerste follow-up-sessie dient binnen 72 na implantatie plaats te vinden zodat de patiënt kan worden gecontroleerd op geleidingsdraden die losgeraakt zijn, wondgenezing en postoperatieve complicaties. In de eerste paar maanden na implantatie kan de patiënt nauwgezette controle nodig hebben. Plan ten minste eenmaal per 3 maanden een follow-upsessie om de toestand van de patiënt, het apparaat en de geleidingsdraden te controleren en te verifiëren dat het apparaat correct is ingesteld voor de patiënt Follow-up-instrumenten Het systeem biedt verschillende instrumenten waarmee de efficiëntie van follow-up-sessies wordt verhoogd. Quick Look II-scherm Het Quick Look II-scherm wordt weergegeven wanneer u de toepassing van het programmeerapparaat opstart en biedt een samenvatting van de belangrijkste indicatoren van de systeemwerking en de toestand van de patiënt. Quick Look II-waarnemingen kunnen u opmerkzaam maken op situaties die mogelijk nader moeten worden onderzocht. Vanuit het Quick Look II-scherm kunt u de volgende taken uitvoeren: Beoordelen of het apparaat goed werkt. Verifiëren dat het apparaat altijd of het grootste deel van de tijd biventriculaire stimulatie afgeeft. Een samenvatting bekijken van de belangrijkste indicatoren van de werking van het systeem en de toestand van de patiënt. Eventuele waarnemingen in het Observations (Observaties)-venster bekijken. Rapporten afdrukken en de gegevens vergelijken met de geschiedenis van de patiënt. De afgedrukte rapporten dienen in het dossier van de patiënt te worden bewaard voor toekomstig gebruik. Opmerking: Als u een initiële-uitlezingrapport wilt afdrukken, moet u mogelijk de voorkeuren voor het initiële rapport wijzigen en de sessie opnieuw opstarten. Zie Sectie 3.14, Rapporten afdrukken, bladzijde 93 voor meer informatie. Artsenhandleiding 117
118 Checklist (Controlelijst) De functie Checklist (Controlelijst) biedt een standaardlijst met taken die bij een follow-up-sessie moeten worden uitgevoerd. U kunt ook uw eigen controlelijsten maken. Zie Sectie 3.6, Implantatie- en follow-up-sessies stroomlijnen met Checklist (Controlelijst), bladzijde 59 voor meer informatie. Leadless ECG (LECG) Leadless ECG is ontworpen om patiëntfollow-up-sessies te vereenvoudigen en te versnellen door een alternatief te bieden waarbij een ECG-signaal wordt verkregen zonder oppervlakte-elektrodekabels op de patiënt te hoeven aansluiten. U kunt de Leadless ECG-signaalregistratie bekijken in het actueleritmevenster. Leadless ECG is binnen en buiten de kliniek beschikbaar. Zie Sectie 3.12, Follow-up-sessies versnellen met Leadless ECG, bladzijde 89 voor meer informatie. Cardiac Compass-rapport Het Cardiac Compass-rapport geeft een beeld van de toestand van de patiënt in de afgelopen 14 maanden. Het rapport bevat grafieken die trends laten zien in de frequentie van aritmieën, de hoeveelheid lichamelijke activiteit, hartfrequenties en apparaattherapieën. Aan de hand van datum- en eventcodes kunt u verbanden leggen tussen trends van verschillende grafieken. Aan de hand van dit rapport kunt u ook beoordelen of apparaattherapieën of geneesmiddelen werkzaam zijn. Zie Sectie 5.4, Klinische langetermijntrends bekijken met het Cardiac Compass-rapport, bladzijde 137 voor meer informatie Het bekijken van het ritme zoals dat zich presenteert Het ritme zoals het zich presenteert kan op de aanwezigheid van undersensing, far-field-oversensing of verlies van capture duiden. Dit zijn basale stimulatieproblemen die de afgifte van therapie kunnen verstoren. Deze problemen zijn vaak op te lossen door basale programmeringsveranderingen door te voeren. Bekijk het ritme zoals het zich presenteert in het actueleritmevenster en door de EGM- en Marker Channel-signalen af te drukken. Verder kunt u de test voor het onderliggende ritme gebruiken om het onderliggende ritme van de patiënt te bekijken. Als u problemen constateert met het ritme van de patiënt zoals het zich presenteert, ga dan de apparaatinstellingen na en herprogrammeer het apparaat op waarden die geschikt zijn voor de patiënt De status van het geïmplanteerde systeem verifiëren U kunt verifiëren dat het apparaat en de geleidingsdraden goed functioneren door de informatie over de status van het apparaat en de geleidingsdraden, en de geleidingsdraadtrends uit het Quick Look II-scherm te bekijken. 118 Artsenhandleiding
119 Zie Sectie 5.2, Een overzicht van recent opgeslagen gegevens bekijken, bladzijde 122 voor gedetailleerde informatie over het bekijken en interpreteren van alle informatie die in het Quick Look II-scherm beschikbaar is De batterijspannings- en apparaatstatusindicatoren bekijken Waarschuwing: Als het programmeerapparaat een EOS-indicator (Einde van de levensduur) weergeeft, moet u het apparaat onmiddellijk vervangen. Nadat de EOS-indicator verschenen is, kan het apparaat het vermogen verliezen om adequaat te stimuleren, waar te nemen en therapie af te geven. 1. Vergelijk de weergegeven batterijspanning met de waarde voor de Recommended Replacement Time (RRT) (Aanbevolen vervangingstijd). Zie Sectie A.1, Uiterlijke kenmerken, bladzijde 363 voor meer informatie. Opmerking: U kunt een tijdelijke daling van de weergegeven batterijspanning zien als in de voorgaande 24 uur een hogespanningsoplading heeft plaatsgevonden. 2. Controleer de oplaadtijd voor de vorige maximale energie-oplading. U kunt de oplaadtijd van het apparaat mogelijk verkorten door de formateerfrequentie van de condensatoren aan te passen. Zie Sectie 9.5, Optimalisatie van de oplaadtijd met automatische condensatorformattering, bladzijde 336 voor informatie over het aanpassen van het interval tussen condensatorformatteringen. Artsenhandleiding 119
120 De werking van het apparaat en de geleidingsdraden beoordelen 1. Selecteer de toets [>>] naast de geleidingsdraadtrendgrafieken in het Quick Look II-scherm om trends in stimulatie-impedantie en P- en R-top-amplitude te bekijken. Het programmeerapparaat geeft een gedetailleerde geschiedenis weer van automatische waarnemings- en impedantiemetingen. Zie Sectie 5.9, Gedetailleerde gegevens over de apparaat- en geleidingsdraadprestaties bekijken, bladzijde 159 voor meer informatie over het bekijken van gegevens over geleidingsdraadprestatietrends. 2. Als u tijdens de follow-up-sessie eveneens realtime-informatie over de werking van het apparaat en de geleidingsdraden wilt verzamelen, dan kunt u de volgende tests uitvoeren: Geleidingsdraadimpedantietest: Vergelijk de resultaten van de test met eerdere geleidingsdraadimpedantiemetingen om vast te stellen of er sinds de vorige follow-up-sessie grote veranderingen hebben plaatsgevonden. Zie Sectie 10.3, Geleidingsdraadimpedantie meten, bladzijde 344 voor meer informatie. Waarnemingstest: Vergelijk de testresultaten met eerdere P- en R-top-amplitudemetingen. Zie Sectie 10.4, Een waarnemingstest uitvoeren, bladzijde 345 voor meer informatie. Stimulatiedrempeltest: Gebruik de test om de stimulatiedrempels van de patiënt te bekijken. Stel geschikte instellingen voor amplitude en pulsduur vast om capture en maximalisering van de levensduur van de batterij te waarborgen. Zie Sectie 10.2, Stimulatiedrempels meten, bladzijde 342 voor meer informatie De status van de klinische effectiviteit van het geïmplanteerde systeem verifiëren U kunt de informatie uit het Quick Look II-scherm en in afgedrukte rapporten gebruiken om te beoordelen of het apparaat de patiënt op adequate wijze klinische ondersteuning biedt Effectieve stimulatietherapie beoordelen 1. Ondervraag de patiënt om te bevestigen dat de patiënt adequate cardiale ondersteuning krijgt voor algemene dagelijkse activiteiten. 2. Bekijk de stimulatiepercentages op het Quick Look II-scherm druk een frequentiehistogram af. 120 Artsenhandleiding
121 3. Bekijk het Cardiac Compass-rapport en druk dit af om het te vergelijken met de medische geschiedenis van de patiënt. Cardiac Compass-trends kunnen u helpen vaststellen of er in de afgelopen 14 maanden veranderingen zijn opgetreden in de activiteiten, de stimulatietherapieën en de aritmieën van de patiënt. Zie Sectie 5.4, Klinische langetermijntrends bekijken met het Cardiac Compass-rapport, bladzijde 137 voor meer informatie. Opmerking: Het frequentiehistogrammenrapport kan ook worden gebruikt om het stimulatie- en waarnemingsoverzicht te beoordelen Nauwkeurige tachycardiedetectie beoordelen Het systeem biedt diagnostische episodeverslagen om u te helpen bij het nauwkeurig classificeren van de tachycardieën van de patiënt. Bekijk de tachycardie-episodeverslagen sinds de vorige sessie en de Quick Look II-observaties. Zie Sectie 5.5, Aritmieepisodegegevens bekijken en gegevensverzamelingsvoorkeuren instellen, bladzijde 143 voor meer informatie. Foutieve episode-identificatie Als de episodeverslagen erop duiden dat het apparaat het ritme van de patiënt verkeerd geïdentificeerd heeft, bekijk de gegevens over de tachycardie-episodes en de waarnemingsintegriteit, de Cardiac Compass-trendgegevens en de voor andere episodes opgeslagen gegevens dan zorgvuldig. Overweeg zonodig aanpassing van de detectieparameters en de SVT-detectieparameters. Zie Sectie 7.1, Intrinsieke hartactiviteit waarnemen, bladzijde 195 voor meer informatie over het bekijken van gegevens over waarnemingsintegriteit. Let op: Wees voorzichtig met het herprogrammeren van de detectie- of waarnemingsparameters om er zeker van te zijn dat wijzigingen de VF-detectie niet negatief beïnvloeden. Zorg ervoor dat goede waarneming gehandhaafd blijft. Zie Sectie 7.1, Intrinsieke hartactiviteit waarnemen, bladzijde 195 voor meer informatie Geschikte tachycardietherapie beoordelen 1. Bekijk alle Medtronic CareAlert-alarmen in het observatiegedeelte van het Quick Look II-scherm die met therapieafgifte te maken hebben. U kunt gedetailleerde informatie over Medtronic CareAlert-alarmen weergeven door Data (Gegevens) > Alert Events (Alarmevents) te selecteren. 2. Controleer tachycardie-episodeverslagen om de effectiviteit van de afgegeven therapieën vast te stellen. 3. Pas de therapieparameters zonodig aan. Artsenhandleiding 121
122 Effectieve cardialeresynchronisatietherapie beoordelen Bekijk het initiële-uitlezingrapport of het Quick Look II-scherm om vast te stellen of het apparaat op passende wijze cardialeresynchronisatietherapie (CRT) afgeeft. 1. Bekijk de Quick Look II-observaties die betrekking hebben op het ventriculairestimulatiepercentage of ventriculairewaarnemingsepisodes. 2. Controleer de opgeslagen ventriculaire-waarnemingsepisodeverslagen om de continuïteit en effectiviteit van CRT-therapie te bepalen. Zie Sectie 6.3, Gegevens over ventriculairewaarnemingsepisodes verzamelen en bekijken, bladzijde 191 voor meer informatie. 3. Druk de frequentiehistogrammenrapporten af en bekijk ze voor meer informatie over atriale en ventriculaire stimulatie in het algemeen. 4. Druk het Cardiac Compass-rapport af en bekijk het voor informatie over patiëntactiviteit en hartfrequentievariabiliteit. Als er niet continu CRT afgegeven is, overweeg dan de volgende programmeeropties: Voer basale programmeringsveranderingen uit om de maximale volgfrequentie te verhogen of de totale atriaal-refractaire periode te verkleinen. Zie Sectie 7.1, Intrinsieke hartactiviteit waarnemen, bladzijde 195 voor meer informatie over de totale atriaal-refractaire periode. Activeer Ventricular Sense Respons (Ventriculaire waarnemingsrespons), Atrial Tracking Recovery (Herstel atriaal volgen) of Conducted AF Response (Doorgeleide AF-respons) om een constantere afgifte van CRT te bevorderen. 5.2 Een overzicht van recent opgeslagen gegevens bekijken Aan het begin van een patiëntsessie is het nuttig snel beknopte informatie te bekijken over de werking van het apparaat en de toestand van de patiënt sinds de vorige follow-up. Dit kan u helpen vaststellen of u diagnostische gegevens nader moet bekijken of het apparaat moet herprogrammeren om de therapie voor de patiënt te optimaliseren. 122 Artsenhandleiding
123 Het Quick Look II-scherm biedt een overzicht van de belangrijkste indicatoren van de werking van het systeem en de toestand van de patiënt. Dit overzicht bevat koppelingen naar gedetailleerder in het apparaat opgeslagen statusinformatie en diagnostische informatie. Informatie over de status van het apparaat en de geleidingsdraden geeft aan of het systeem naar verwachting werkt. Informatie over aritmie-episodes en afgegeven therapieën biedt een beeld van de klinische toestand van de patiënt sinds de vorige follow-up-sessie. Door het systeem gedefinieerde observaties maken u opmerkzaam op onverwachte condities en doen suggesties voor het optimaliseren van de apparaatinstellingen. Opmerking: Het Quick Look II-scherm toont informatie die sinds de vorige patiëntsessie verzameld en in het geheugen van het apparaat opgeslagen is. Programmeerwijzigingen die tijdens de actuele sessie zijn aangebracht, kunnen ook van invloed zijn op de Quick Look II-observaties Het Quick Look II-scherm bekijken Nadat de patiëntsessie is gestart, wordt het Quick Look II-scherm automatisch weergegeven. Het Quick Look II-scherm kan ook via het pictogram Data (Gegevens) worden geopend. Selecteer het pictogram Data (Gegevens) Quick Look II U kunt de Quick Look II-gegevens tijdens een sessie bijwerken door het apparaat opnieuw uit te lezen. Artsenhandleiding 123
124 5.2.2 Informatie op het Quick Look II-scherm De informatie in het Quick Look II-scherm wordt in 5 secties weergegeven. Afbeelding 23. Het Quick Look II-scherm 1 Batterij-informatie 2 Geleidingsdraadstatus en -trends 3 Stimulatie- en waarnemingsinformatie 4 Informatie over aritmie-episodes 5 Observaties Als u één van de weergegeven observaties selecteert en er is meer informatie over die observatie beschikbaar, dan wordt de toets [>>] actief. U kunt de toets [>>] gebruiken om alle relevante bijzonderheden te bekijken De apparaat- en geleidingsdraadstatus beoordelen Batterij-informatie De batterijspanning wordt aan het begin van de sessie gemeten. De batterijspanning wordt weergegeven op het Quick Look II-scherm en wordt afgedrukt in het initiële uitleesrapport. 124 Artsenhandleiding
125 De batterijspanning wordt dagelijks om 02:15 uur gemeten. Als 3 opeenvolgende automatische dagelijkse batterijspanningsmetingen lager dan of gelijk aan de waarde voor de Recommended Replacement Time (RRT) (Aanbevolen vervangingstijd) zijn, wordt de datum waarop de batterij RRT bereikt heeft met de batterijspanning weergegeven op het Quick Look II-scherm en in het initiële uitleesrapport. Zie Sectie A.3, Vervangingsindicatoren, bladzijde 367 voor informatie over de RRT-waarde. Het scherm Battery and Lead Measurements (Batterij- en geleidingsdraadmetingen) en het bijbehorende afgedrukte rapport tonen de meest recente meting van de batterijspanning, en de RRT-indicator met datum en tijd, indien van toepassing. Bij Full Charge (Volledige lading) worden de datum en de duur getoond van de vorige keer dat de condensators van 0 J tot maximale energie zijn opgeladen. Selecteer de toets [>>] voor gedetailleerdere gegevens over batterij- en geleidingsdraadmetingen. Voor meer informatie, waaronder de datum waarop de batterij RRT bereikt heeft, raadpleegt u Sectie 5.9, Gedetailleerde gegevens over de apparaat- en geleidingsdraadprestaties bekijken, bladzijde 159. Geleidingsdraadstatus en -trends Aan de hand van informatie over de geleidingsdraadstatus kunt u de werking en integriteit van de geleidingsdraden beoordelen en ongewone omstandigheden identificeren. In de kolom Last Measured (Vorige meting) wordt per geleidingsdraad de meest recent gemeten geleidingsdraadimpedantie getoond. Selecteer de toets [>>] in de kolom Last Measured (Vorige meting) voor gedetailleerdere geleidingsdraadmetingen en relevante geprogrammeerde instellingen. De geleidingsdraadtrendgrafieken in het Quick Look II-scherm tonen geleidingsdraadimpedantie- en waarnemingsamplitudemetingen die in de afgelopen 12 maanden geregistreerd zijn. Selecteer de toets [>>] naast een geleidingsdraadtrendgrafiek voor gedetailleerdere gegevens over de werking van de geleidingsdraad. De gedetailleerde trendgrafieken geven maximaal 15 van de meest recente dagelijkse metingen weer en maximaal 80 wekelijkse metingsamenvattingen (met per week minimumwaarden, maximumwaarden en gemiddelde waarden). Zie Sectie 5.9, Gedetailleerde gegevens over de apparaat- en geleidingsdraadprestaties bekijken, bladzijde 159 voor meer informatie over geleidingsdraadprestatiegrafieken De toestand van de patiënt beoordelen Stimulatie- en waarnemingsinformatie Deze informatie kan helpen bij het beoordelen van de AV-geleidingsstatus van de patiënt en het evalueren van de effectiviteit van de geprogrammeerde apparaatinstellingen. Artsenhandleiding 125
126 Informatie over atriale en ventriculaire stimulatie en waarneming wordt getoond als percentages van de totale tijd tijdens de rapportageperiode. Dit omvat het percentage van de tijd dat zich AS-VS-, AS-VP-, AP-VS- en AP-VP-eventsequenties voordeden. Het percentage van de tijd dat de patiënt AT/AF doormaakte, kan u helpen bij het beoordelen van de noodzaak om het apparaat of een geneesmiddelbehandeling van de patiënt bij te stellen. 5 Opmerking: De tellers voor gestimuleerde en waargenomen events tellen niet alle door het apparaat geregistreerde events. Een ventriculaire veiligheidsstimulus wordt bijvoorbeeld beschouwd als een stimulus, en de voorafgaande ventriculaire waarneming wordt niet geteld. Als gevolg van afronding is het mogelijk dat de percentages bij elkaar opgeteld niet op 100% uitkomen. Informatie over aritmie-episodes Deze sectie toont het aantal behandelde en bewaakte aritmie-episodes dat zich sinds de vorige patiëntsessie heeft voorgedaan. Verder is te zien hoeveel schokken sinds de vorige sessie zijn afgegeven. Selecteer de toets [>>] om details van alle aritmie-episodes te bekijken. Zie Sectie 5.5, Aritmie-episodegegevens bekijken en gegevensverzamelingsvoorkeuren instellen, bladzijde 143 voor informatie over het scherm met gegevens over aritmie-episodes Quick Look II-observaties Observaties zijn gebaseerd op een analyse van geprogrammeerde parameters en gegevens die sinds de vorige sessie verzameld zijn. De volgende typen observaties zijn beschikbaar: Apparaatstatusobservaties geven aan wanneer de RRT (Aanbevolen vervangingstijd) of de EOS (Einde van de levensduur) nadert. Verder wordt een observatie gerapporteerd als zich een onregelmatigheid met het laadcircuit of een apparaatreset heeft voorgedaan. Geleidingsdraadstatusobservaties bevatten potentiële problemen met de waarnemingsintegriteit van de geleidingsdraden of mogelijk losgeraakte geleidingsdraden. Ook kunt u worden gewaarschuwd voor mogelijke inconsistenties bij het programmeren van de geleidingsdraadpolariteit. Parameterobservaties waarschuwen voor inconsistenties bij het programmeren van de detectie- en therapieparameters. Bijvoorbeeld als bepaalde parameterinstellingen leiden tot een deactivering van een therapie. 5 De tijd in AT/AF wordt berekend vanaf het moment van AT/AF-onset. Zie Sectie 8.1, Atriale tachycardieën detecteren, bladzijde 250 voor meer informatie. 126 Artsenhandleiding
127 Diagnostische gegevensobservaties bevatten opmerkelijke aritmie-episodes. Voorbeelden zijn verschillende typen aritmieën die tegelijk optreden of episoden waarbij therapieën geen succes hadden. Verder worden omstandigheden gerapporteerd die voorkomen dat diagnostische gegevens effectief worden verzameld. Medtronic CareAlert-observaties maken melding van systeem- of apparaatwerkingscondities en bepaalde hartritmeafwijkingen. Zie Sectie 5.3, Automatische alarmen bij klinischmanagementevents en systeemwerkingevents, bladzijde 128 voor meer informatie. Klinische statusobservaties maken u opmerkzaam op afwijkende omstandigheden bij de patiënt, zoals een laag activiteitenpercentage, onverwacht hoge hartfrequenties of een hoge aritmiebelasting. Als u één van de weergegeven observaties selecteert en er is meer informatie over die observatie beschikbaar, dan wordt de toets [>>] actief. U kunt de toets [>>] gebruiken om alle relevante bijzonderheden te bekijken. Condities voor klinische statusobservaties instellen De klinische statusobservaties in verband met hoge aritmiebelasting en hoge hartfrequenties worden getriggerd door programmeerbare condities. Als de AT/AF-belasting of de ventriculaire hartfrequentie tijdens AT/AF boven een geprogrammeerde drempel uitstijgt dan verschijnt de bijbehorende observatie in het Quick Look II-scherm. Selecteer het pictogram Params (Parameters) Alert (Alarm) AT/AF Burden and Rate Settings (AT/AF-belasting en -frequentie-instellingen) AT/AF Daily Burden (Dagelijkse AT/AF-belasting) Avg. V. Rate During AT/AF Burden (Gemiddelde V-frequentie tijdens AT/AF-belasting) Avg. V. Rate During AT/AF V. Rate (Gemiddelde V-frequentie tijdens AT/AF V-frequentie) Opmerking: De drempelparameters voor deze observaties worden weliswaar in het configuratiescherm van de Medtronic CareAlert geprogrammeerd, maar het AT/AF Daily Burden Alert (Alarm dagelijkse AT/AF-belasting) en het Avg. V. Rate During AT/AF Burden Alert (Alarm gemiddelde V-frequentie tijdens AT/AF-belasting) worden permanent op Off (Observation only) (Uit [Alleen observatie]) geprogrammeerd. Alarmen over deze klinische condities worden alleen als observaties in het Quick Look II-scherm weergegeven. Artsenhandleiding 127
128 5.3 Automatische alarmen bij klinischmanagementevents en systeemwerkingevents In de periode tussen de geplande patiëntsessies in kunnen zich belangrijke events voordoen wat betreft het klinisch management en de werking van het systeem. Deze events kunnen te maken hebben met de beschikbaarheid van relevante gegevens over het klinisch management die in het apparaatgeheugen zijn opgeslagen, met verkeerd geprogrammeerde instellingen of met systeemproblemen die onderzocht moeten worden. Als zich dit soort events voordoen, stellen de vroege detectie en alarmering u in staat snel in te grijpen met de juiste zorg voor uw patiënt Oplossing van het systeem: Medtronic CareAlert-alarmen Het apparaat zoekt continu naar een gespecificeerde set klinischmanagementevents en systeemwerkingevents die zich tussen twee geplande follow-up-sessies kunnen voordoen. Als het apparaat detecteert dat zich een gespecificeerd klinischmanagementevent of systeemwerkingevent heeft voorgedaan, reageert het apparaat met het starten van een Medtronic CareAlert-alarm. Een Medtronic CareAlert-alarm kan een hoorbare toon zijn die het apparaat voortbrengt om uw patiënt te alarmeren of een onhoorbaar draadloos alarmsignaal dat verstuurd wordt naar de PatientLook-indicator Model 2490R van Medtronic die uw patiënt heeft. Na het horen van de alarmtoon of het zien van een Medtronic CareAlert-statuslampje op de indicator kan uw patiënt daarna volgens uw instructies handelen De werking van Medtronic CareAlert-alarmen Medtronic CareAlert-alarmen zijn door de arts of door het systeem gedefinieerde alarmen en worden met behulp van twee urgentieniveaus onderscheiden. Door de arts gedefinieerde alarmen kunnen op hoog-urgent of laag-urgent worden geprogrammeerd en in- of uitgeschakeld worden. Door het systeem gedefinieerde alarmen zijn hoog-urgent en zijn altijd ingeschakeld. Alarmen met hoge urgentie zenden een dubbele hoog/laag-toon uit. Alarmen met lage urgentie zenden een intermitterende aan/uit-toon uit. Tonen met hoge urgentie kunnen op een systeemprobleem duiden waar onmiddellijk naar gekeken moet worden. Alarmen worden tijdens een patiëntsessie weergegeven op het Quick Look II-scherm van het Medtronic CareLink-programmeerapparaat Model Wanneer een alarm begint, zendt het apparaat de bijbehorende toon uit op een selecteerbaar tijdstip of met een vast tijdsinterval. De alarmen klinken dan iedere dag op het geselecteerde tijdstip of met het geselecteerde interval totdat u ze met het programmeerapparaat stopt. Actieve alarmen klinken eveneens wanneer de patiëntmagneet boven het apparaat wordt gehouden. U kunt de bijzonderheden van het alarm tijdens een patiëntsessie met het programmeerapparaat bekijken. 128 Artsenhandleiding
129 Opmerking: Een CareLink-transmissie stopt het geluid van een CareAlert-alarm niet. De toon blijft klinken totdat het alarm met het programmeerapparaat gestopt wordt. Opmerking: Nadat een CareLink-alarm voor een specifieke alarmconditie met succes verzonden is, vinden geen verdere transmissies voor die alarmconditie plaats totdat het alarm met het programmeerapparaat gestopt wordt Door de arts gedefinieerde alarmen (programmeerbaar) Alarmen voor het klinisch management Number of Shocks Delivered in an Episode (Aantal afgegeven schokken in een episode) All Therapies in a Zone Exhausted for an Episode (Alle therapieën in een zone afgegeven voor een episode) Alarmen voor geleidingsdraad- en apparaatintegriteit Lead Impedance Out of Range (Geleidingsdraadimpedantie buiten bereik) RRT, Battery Voltage Low (Lage batterijspanning) Excessive Charge Time EOS (Excessieve oplaadtijd EOS) VF Detection Off, 3+ VF, or 3+ FVT Rx Off (VF-detectie uit; 3+ VF- of 3+ FVT-therapieafgifte uit) Number of Shocks Delivered in an Episode (Aantal afgegeven schokken in een episode) geeft aan dat het aantal afgegeven schokken in een VT/VF-episode groter is dan of gelijk is aan de geprogrammeerde drempel voor het aantal schokken. All Therapies in a Zone Exhausted for an Episode (Alle therapieën in een zone afgegeven voor een episode) geeft aan dat een specifieke VF-, VT- of FVT-episode opnieuw is gedetecteerd nadat alle geprogrammeerde therapieën voor dat type episode waren afgegeven. Lead Impedance Out of Range (Geleidingsdraadimpedantie buiten bereik) geeft aan dat de dagelijkse geleidingsdraadimpedantiemeting buiten het bereik is. Dit kan op een losgeraakte of verkeerd aangesloten geleidingsdraad duiden. U kunt dit alarm per geleidingsdraad programmeren, maar alle alarmen voor geleidingsdraadimpedantie moeten op dezelfde urgentie worden ingesteld. Alarmen voor geleidingsdraadimpedantie worden niet beïnvloed door de antibradycardiestimulatiemodus. Een impedantiealarm voor een atriale geleidingsdraad blijft bijvoorbeeld klinken als het apparaat is geprogrammeerd op de VVI- of VVIR-modus. Low Battery Voltage (Lage batterijspanning) geeft aan dat bij de dagelijkse automatische batterijspanningsmeting op 3 opeenvolgende dagen een spanning is gemeten die gelijk is aan of lager is dan de spanning waarbij aanbevolen wordt de batterij te vervangen. Excessive Charge Time EOS (Excessieve oplaadtijd EOS) geeft aan dat de oplaadperiode gelijk is aan of groter is dan de oplaadtijddrempel. VF Detection Off, 3+ VF or 3+ FVT Rx Off (VF-detectie uit; 3+ VF- of 3+ FVT-therapieafgifte uit) geeft aan dat gedurende ten minste 6 uur sinds de vorige programmering zich 1 of meer van de volgende events hebben voorgedaan: VF-detectie is uitgeschakeld; drie of meer VF-therapieën zijn uitgeschakeld; of als FVT-detectie is ingesteld op via VF en 3 of meer FVT-therapieën zijn uitgeschakeld. a a Het alarm VF Detection Off, 3+ VF, or 3+ FVT Rx Off (VF-detectie uit; 3+ VF- of 3+ FVT-therapieafgifte uit) klinkt om de 6 uur totdat het wordt gestopt. Artsenhandleiding 129
130 Opmerking: Parameters voor de alarmen AT/AF Daily Burden (Dagelijkse AT/AF-belasting) en Avg. V. Rate During AT/AF (Gemiddelde V-frequentie tijdens AT/AF) staan eveneens vermeld in het scherm Clinical Management Alerts (Alarmen klinisch management). Off (Observation only) (Uit [Alleen observatie]) is echter de enige beschikbare optie voor de parameters AT/AF Daily Burden Alert Enable (Alarm dagelijkse AT/AF-belasting inschakelen) en Avg. V. Rate During AT/AF Alert Enable (Alarm gemiddelde V-frequentie tijdens AT/AF inschakelen). De drempelparameters voor deze alarmen zijn programmeerbaar. Wanneer de geprogrammeerde drempels worden overschreden dan worden de alarmen als observaties in het Quick Look II-scherm weergegeven Door het systeem gedefinieerde alarmen (niet-programmeerbaar) Electrical Reset Occurred (Elektrische reset is opgetreden) Charge Circuit Timeout Occurred (Timeout laadcircuit opgetreden) No Therapies Due to DOO/VOO/AOO Mode (Geen therapieën vanwege DOO/VOO/AOO-modus) Active Can Off, SVC (HVX) Lead Not Detected (Active Can uit, SVC [HVX]- geleidingsdraad niet gedetecteerd) Unsuccessful Wireless Transmission (Draadloze transmissie mislukt) Electrical Reset Occurred (Elektrische reset is opgetreden) geeft aan dat het apparaat is gereset en mogelijk opnieuw moet worden geprogrammeerd. Het apparaat laat direct een hoog-urgente alarmtoon horen die elke 20 uur of elke 9 uur herhaald wordt, afhankelijk van het type elektrische reset. Neem onmiddellijk contact op met Medtronic als dit alarm afgaat. Zie Sectie B.5, Medtronic CareAlert-parameters, bladzijde 387 voor elektrischeresetwaarden. a Charge Circuit Timeout Occurred (Timeout laadcircuit opgetreden) geeft aan dat een oplaadperiode langer duurde dan de maximaal toegestane tijd voor het opladen van de condensatoren. Het apparaat laat direct een hoog-urgente alarmtoon horen, die elke 20 uur herhaald wordt. Neem contact op met Medtronic als dit alarm afgaat. No Therapies Due to DOO/VOO/AOO Mode (Geen therapieën vanwege DOO/VOO/AOO-modus) geeft aan dat het apparaat op DOO-, VOO- of AOO-stimulatiemodus geprogrammeerd is en als zodanig geen stimulatietherapieën afgeeft. Het apparaat laat dagelijks op het geprogrammeerde tijdstip een hoog-urgente alarmtoon horen. Active Can Off, SVC (HVX) Lead Not Detected (Active Can uit, SVC [HVX]-geleidingsdraad niet gedetecteerd) geeft aan dat de Active Can-functie uitgeschakeld is zonder dat er een SVC-geleidingsdraad op zijn plaats zit, zodat er geen bruikbare vaste defibrillatiestroomrichting bestaat. Het apparaat laat dagelijks op het geprogrammeerde alarmtijdstip een hoog-urgente alarmtoon horen. Unsuccessful Wireless Transmission (Draadloze transmissie mislukt) geeft aan dat het apparaat gepoogd heeft gegevens draadloos te verzenden maar dat de transmissie na 72 uur nog steeds niet is gelukt ondanks dat het apparaat om de 3 uur heeft geprobeerd de gegevens te verzenden. a Een elektrischeresetalarm gaat onmiddellijk af en vervolgens elke 20 uur. Als tachycardiedetectie en -therapie echter door de elektrische reset worden uitgeschakeld, klinkt de alarmtoon elke 9 uur. Neem contact op met Medtronic als een elektrischeresetalarm afgaat. 130 Artsenhandleiding
131 Zie Sectie B.5 voor bijzonderheden over programmeerbare instellingen voor een specifieke parameter Draadloze communicatie Als zich een klinisch event of systeemevent voordoet en het apparaat is geprogrammeerd op het waarschuwen van de patiënt die de monitor voor thuis gebruikt, probeert het apparaat automatisch draadloos verbinding te maken met de Medtronic PatientLook-indicator Model 2490R. De indicator toont vervolgens de toepasselijke Medtronic CareAlert-statuslampjes, die bedoeld zijn om door de patiënt te worden bekeken. De lampjes blijven aan totdat de patiënt bevestigd heeft dat hij/zij ze gezien heeft door op de aan/uit-knop op de indicator te drukken. Daarna dient de patiënt volgens uw instructies te handelen. Als de patiënt gedurende zekere tijd niet bevestigt dat hij/zij de lampjes gezien heeft, laat de indicator een toon weerklinken totdat op de aan/uit-knop wordt gedrukt. Wanneer de gegevenstransmissie geslaagd is, communiceert de indicator dit terug naar het apparaat. Als een gegevenstransmissie in eerste instantie mislukt, probeert het apparaat elke 3 uur met de indicator te communiceren totdat de transmissie wel gelukt is. Als een transmissie na 72 uur nog steeds niet gelukt is, zendt het apparaat een geluidssignaal uit op het tijdstip dat u voor de patiënt geselecteerd heeft. Een transmissie bevat gegevens voor alle op dat moment actieve alarmen. Opmerking: Nadat een draadloos alarm met succes verzonden is, verstuurt het apparaat gegevens voor dat specifieke alarm niet opnieuw draadloos voordat het apparaat in het ziekenhuis uitgelezen is met een Medtronic CareLink programmeerapparaat Model 2090, ook niet als de drempel voor het alarm in de tussentijd opnieuw wordt gehaald. Het apparaat blijft in de periode tussen patiënt-follow-up-sessies echter dagelijks geluidssignalen uitzenden voor alle actieve alarmen. Om die reden kunt u voor sommige alarmen geluidssignalen willen inschakelen, ook al zou u dat anders liever niet doen. Artsenhandleiding 131
132 Line Phone Medtronic MAXIMO II CRT-D Afbeelding 24. Draadloze communicatie 1 Het apparaat detecteert een alarmtoestand en maakt draadloos verbinding met de monitor. 2 Na het zien van een Medtronic CareAlert-statuslampje neemt de patiënt contact op met het ziekenhuis Alarmeren met geluid Als zich een klinisch event of systeemevent voordoet en het apparaat is geprogrammeerd op het waarschuwen van de patiënt met geluidssignalen, zendt het apparaat de geluidssignalen uit op het geprogrammeerde tijdstip of met vaste tussenpozen. Instrueer de patiënt dat hij/zij het ziekenhuis moet bellen als er een geluidssignaal uit het apparaat komt zodat u het signaal onmiddellijk kunt interpreteren en de nodige maatregelen voor de behandeling kunt nemen. Alarmtonen duren maximaal 10 s en zijn zo ontworpen dat ze iets luider klinken dan de gewone huiselijke geluiden. Als hoog- en laag-urgente alarmen tegelijk actief zijn, krijgt het hoog-urgente alarm voorrang en klinkt dat op het geprogrammeerde tijdstip of met de geprogrammeerde tussenpozen. 132 Artsenhandleiding
133 Het systeem levert 2 verschillende typen alarmtonen voor hoog- en laag-urgente klinische scenario s, maar het is belangrijk eraan te denken dat de tonen die de patiënt hoort identiek kunnen zijn ongeacht of het alarm door een probleem met de werking van het systeem wordt veroorzaakt of door een belangrijk klinisch event. Omdat de tonen identiek kunnen zijn, is de patiënt mogelijk niet in staat onderscheid te maken tussen een alarm omdat het systeem niet goed werkt en een alarm wegens een klinisch event. De geluidsalarmfunctie is er alleen voor bedoeld ervoor te zorgen dat de patiënt contact met u opneemt. U dient zich te realiseren dat een patiënt die een geluidsalarm hoort contact met u zal opnemen zodat u ter optimalisatie van zijn of haar totale zorgplan kunt vaststellen welk type alarm zich heeft voorgedaan, welke informatie het apparaat heeft geregistreerd en hoe u de gegevens interpreteert. De bijzonderheden van het alarm, inclusief het type alarm en gedetailleerde bevindingen, zijn uitsluitend via een gesprek met de arts beschikbaar voor de patiënt Een alarmtijdstip selecteren Het systeem biedt u de mogelijkheid een specifiek tijdstip te selecteren waarop een hoorbaar alarm weerklinkt. De toon klinkt dagelijks op het geselecteerde alarmtijdstip totdat het apparaat wordt uitgelezen. Selecteer een zodanig alarmtijdstip dat de kans het grootst is dat de patiënt of iemand in de nabijheid het alarm hoort. De volgende patiëntfactoren kunnen van invloed zijn op de keuze van het alarmtijdstip: Wanneer de patiënt zich in een voorspelbaar rustige omgeving bevindt Het dagprogramma van de patiënt, bijvoorbeeld toediening van medicatie die van invloed kan zijn op de waakzaamheid De scherpte van het gehoor van de patiënt Aan- of afwezigheid van iemand in de nabijheid die de tonen ook kan horen Opmerking: De alarmen Electrical Reset (Elektrische reset), Charge Circuit Timeout (Timeout laadcircuit) en VF Detection Off, 3+ VF, or 3+ FVT Rx Off (VF-detectie uit, 3+ VFof 3+ FVT-therapieafgifte uit) kunnen op andere dan de geprogrammeerde alarmtijdstippen weerklinken. Als de condities die in een alarm resulteren zich intermitterend voordoen, kan het alarmevent zelfs in feite afwezig zijn wanneer de alarmtonen klinken. Het alarmtijdstip is gebaseerd op de interne klok van het apparaat en wordt niet aangepast aan verandering van tijdzone. Artsenhandleiding 133
134 Een alarmtijdstip selecteren Selecteer het pictogram Params (Parameters) Alert (Alarm) Alert Time (Alarmtijd) Device Tone (Apparaattoon) Alert Time (Alarmtijd) Opmerking: Sommige door het systeem gedefinieerde (niet-programmeerbare) alarmen geven op het geprogrammeerde alarmtijdstip een alarm af. Als alle door de arts gedefinieerde alarmen op Off (Uit) geprogrammeerd zijn, wordt het veld Alert time (Alarmtijd) niet weergegeven. In dat geval kan het veld Alert time (Alarmtijd) worden weergegeven door een van de programmeerbare alarmen op On (Aan) te programmeren. Programmeer vervolgens een alarmtijd voor de niet-programmeerbare alarmen. Programmer tenslotte opnieuw het programmeerbare alarm op Off (Uit) De patiënt instrueren Het is belangrijk dat uw patiënt begrijpt dat hij/zij Medtronic CareAlert-alarmtonen kan horen die door zijn/haar apparaat worden uitgezonden. Zorg ervoor dat uw patiënt precies weet wat hij/zij moet doen als er een alarmtoon klinkt. 134 Artsenhandleiding
135 Waarschuwing: Zorg ervoor dat uw patiënt begrijpt dat hij/zij de patiëntmagneet niet boven het apparaat moet dragen, bewaren of achterlaten. Leg de patiënt uit dat de werking van het apparaat tijdelijk wordt verstoord wanneer de magneet boven het apparaat wordt gehouden en dat hij/zij de magneet bij het apparaat weg moet halen om het apparaat weer normaal te laten werken. Instrueer uw patiënt dat hij/zij onmiddellijk contact met u moet opnemen zodra er WELKE TOON DAN OOK uit het apparaat komt. Vertel de patiënt welk tijdstip geprogrammeerd is voor het weerklinken van de alarmtoon. De patiënt dient te weten dat als er een alarmtoon klinkt deze toon elke dag op hetzelfde tijdstip te horen zal zijn totdat het apparaat wordt uitgelezen. Als uw patiënt een monitor voor thuis heeft, leg de patiënt dan uit dat als het verzenden van een alarm naar de monitor niet binnen 72 uur gelukt, is er elke dag op het geprogrammeerde alarmtijdstip een hoog-urgente toon klinkt. Zorg ervoor dat uw patiënt weet dat het alarmtijdstip niet automatisch wordt aangepast aan verandering van tijdzone. Leg de patiënt uit dat hij/zij een constante testtoon of een toon van een actief alarm kan horen als de patiënt zich in een krachtig magnetisch veld bevindt, zoals het magnetische veld van een winkeldiefstaldetector. Leg de patiënt uit dat de werking van het apparaat in die omstandigheden tijdelijk wordt verstoord en dat hij of zij bij de storingsbron weg moet gaan om het apparaat weer normaal te laten werken. Uw patiënt dient eveneens begrijpen wat het doel van de patiëntmagneet is, en hoe en wanneer deze moet worden gebruikt. Zorg ervoor dat de patiënt weet dat wanneer de patiëntmagneet boven het apparaat wordt gehouden eventueel actieve Medtronic CareAlert-alarmtonen zullen klinken. Laat zien hoe de patiëntmagneet boven het apparaat moet worden geplaatst om de alarmtonen nogmaals te horen en neem de handleiding bij de patiëntmagneet samen met de patiënt door. De patiënt kan een opgevouwen gebruiksaanwijzing voor de patiëntmagneet bij zich dragen als referentiekaart Alarmtonen demonstreren Tijdens een patiëntsessie kunt u hoog- en laag-urgente tonen en de testtoon demonstreren door [Demonstrate Tones ] (Tonen demonstreren) in het scherm van het Medtronic CareAlert-programmeerapparaat te selecteren. Ook kunt u een hoog- of laag-urgente toon of de testtoon met de patiëntmagneet demonstreren. Wanneer de patiëntmagneet boven het apparaat wordt gehouden, klinken de alarmtonen die actief zijn. Als er op dat moment geen alarmen actief zijn, zendt het apparaat een constante testtoon uit. Artsenhandleiding 135
136 De alarmtonen demonstreren Selecteer het pictogram Params (Parameters) Alert (Alarm) Demonstrate Tones (Tonen demonstreren) Selecteer [High-Urgency Condition Met] (Hoog-urgent alarm afgegaan), [Low-Urgency Condition Met] (Laag-urgent alarm afgegaan) en [No Conditions Met] (Geen alarm afgegaan) Richtlijnen: Medtronic CareAlert-alarmen Alarmen op de monitor voor thuis De alarmen op de monitor voor thuis zijn alleen programmeerbaar wanneer het veld Patient Home Monitor (Monitor voor thuis) op het scherm van het programmeerapparaat op Yes (Ja) is geprogrammeerd. Repeterende alarmen Als een programmeerbaar Medtronic CareAlert-alarm zo vaak afgaat dat het alarm niet meer functioneel is, overweeg dan aanpassing van de alarmdrempel, herprogrammering van het apparaat om de effectiviteit van de therapie te verbeteren of uitzetten van het alarm Medtronic CareAlert-alarmen programmeren Selecteer het pictogram Params (Parameters) Alert (Alarm) Clinical Management Alerts (Alarmen klinisch management) Lead/Device Integrity Alerts (Alarmen voor integriteit geleidingsdraad/apparaat) Medtronic CareAlert-alarmevents evalueren Het apparaat slaat maximaal 13 alarmevents op in het Medtronic CareAlert-event-logboek. Per alarmevent bevat de logboekaantekening de datum en het tijdstip van het alarm, een beschrijving van het event en de meting of informatie die de oorzaak van het alarmevent was. Om overbodige logboekaantekeningen te vermijden, wordt alleen een alarmaantekening geregistreerd bij de eerste keer dat elk alarm sinds de vorige sessie afgaat. Alarmgegevens kunnen alleen worden gewist wanneer u alle apparaatgegevens in het scherm Data Collection Setup (Gegevensverzamelingconfiguratie) verwijdert. Selecteer het pictogram Data (Gegevens) Alert Events (Alarmevents) 136 Artsenhandleiding
137 Afbeelding 25. Medtronic CareAlert-event-logboek 5.4 Klinische langetermijntrends bekijken met het Cardiac Compass-rapport Analyse van klinische informatie die over een langere periode is verzameld, kan u helpen veranderingen in de toestand van de patiënt te volgen en verbanden te leggen tussen deze veranderingen en variaties in programmering van het apparaat, medicatie, activiteit van de patiënt of symptomen. Het Cardiac Compass-rapport geeft een beeld van de toestand van de patiënt in de afgelopen 14 maanden. Grafieken laten trends zien in de frequentie van aritmieën, de hoeveelheid lichamelijke activiteit, hartfrequenties en apparaattherapieën. Aan de hand van datum- en eventcodes kunt u verbanden leggen tussen trends van verschillende grafieken. Het rapport kan u ook helpen beoordelen of apparaattherapieën of antiaritmica werkzaam zijn. Cardiac Compass-trendgegevens zijn alleen beschikbaar als afgedrukt rapport. Het Cardiac Compass-rapport is gebaseerd op gegevens en metingen die dagelijks worden verzameld. De gegevensopslag voor het Cardiac Compass-rapport verloopt automatisch. Er hoeft niets te worden ingesteld. Nadat het apparaat is geïmplanteerd, begint het met het opslaan van gegevens. Elke daaropvolgende dag slaat het apparaat een set Cardiac Compass-trendgegevens op. De opslag gaat door tot de opslagcapaciteit van 14 maanden is bereikt. Op dat punt worden de oudste opgeslagen gegevens overschreven met nieuwe gegevens. Artsenhandleiding 137
138 Opmerkingen: De tijdcodes op het rapport zijn gebaseerd op de apparaatklok. U kunt de Cardiac Compass-trendgegevens niet handmatig wissen Het Cardiac Compass-rapport afdrukken U kunt het Cardiac Compass-rapport afdrukken na het selecteren van het pictogram Data (Gegevens) of Reports (Rapporten). Selecteer het pictogram Data (Gegevens) Clinical Diagnostics (Klinische diagnostieken) Cardiac Compass Trends (Cardiac Compass-trends) (alleen rapport) Selecteer het pictogram Reports (Rapporten) Available Reports (Beschikbare rapporten) Cardiac Compass Trends (Cardiac Compass-trends) De informatie in het Cardiac Compass-rapport Het Cardiac Compass-rapport toont events die tijdens de rapportageperiode zijn voorgekomen. Het rapport biedt eveneens trendgrafieken die u kunnen helpen bij het beoordelen van de frequentie van VT/VF-aritmieën, AT/AF-aritmieën, stimulatie en frequentierespons, en informatie over hartfalen Eventinformatie Afbeelding 26. Eventcodes Indicator huidige sessie 2 Indicator vorige sessie 3 Indicator hogespanningstherapie 138 Artsenhandleiding
139 Events programmeren en uitlezen Het rapport geeft aan wanneer het apparaat is uitgelezen of geprogrammeerd zodat u verbanden kunt leggen tussen wijzigingen in apparaatparameters en andere klinische trends. Wanneer de patiënt tijdens het spreekuur is geëvalueerd, staat in het rapport een I genoteerd bij een dag waarop het apparaat is uitgelezen en een P bij een dag waarop een programmeerbare parameter is gewijzigd (behalve voor tijdelijke veranderingen). Als het apparaat op dezelfde dag is uitgelezen en geprogrammeerd, staat alleen een P weergegeven. Wanneer de patiënt tijdens een sessie op afstand met de monitor voor thuis geëvalueerd is, wordt dat in het rapport met een onderstreepte I aangegeven. Twee verticale lijnen die door alle grafieken lopen, geven het begin van de huidige sessie en het begin van de vorige sessie aan, indien van toepassing. Eén of meer schokken per dag Het rapport geeft een schok aan op iedere dag waarop het apparaat hogespanningstherapie heeft afgegeven (automatische defibrillatietherapie of cardioversietherapie). Iedere code staat voor afgifte van 1 of meer hogespanningstherapieën op 1 dag VT/VF-aritmie-informatie beoordelen Afbeelding 27. VT/VF-aritmietrendgrafieken Behandelde VT/VF-episodes per dag De geschiedenis van ventriculaire tachycardieën kan nuttig zijn bij het ontdekken van verbanden tussen episodeclusters en andere klinische trends. Artsenhandleiding 139
140 Elke dag registreert het apparaat het totale aantal spontane VT- en VF-episodes waarvoor een therapie is gestart. Dit kunnen ook therapieën zijn die gestart en afgebroken zijn. Episodes die alleen bewaakt zijn, worden niet geregistreerd. Ventriculaire frequentie tijdens VT/VF Deze trend kan een indicatie geven van de effecten van antiaritmica op de VT- en VF-frequenties en u meer inzicht verschaffen in de veiligheidsmarges voor detectie. De grafiek toont de mediane ventriculaire frequentie tijdens spontane VT- en VF-episodes. Meerdere punten op één dag vertegenwoordigen meerdere episodes met verschillende mediane frequenties. De horizontale lijnen geven de geprogrammeerde VF-, VT- en FVT-detectiefrequenties aan, indien van toepassing. Non-sustained (niet-aanhoudende) VT-episodes per dag Deze trend kan u helpen bij het leggen van verbanden tussen symptomen van de patiënt (zoals hartkloppingen) en non-sustained VT-episodes en kan aangeven dat de toestand van de patiënt nader moet worden onderzocht AT/AF-aritmie-informatie beoordelen Afbeelding 28. AT/AF-aritmietrendgrafieken Totaal aantal uren AT/AF per dag Deze trend kan u helpen beoordelen of de apparaatof geneesmiddeltherapieën van de patiënt moeten worden aangepast. Ook kan hiermee de aanwezigheid van asymptomatische AT/AF-episodes worden onthuld. Het apparaat registreert een dagtotaal voor de tijd dat de patiënt atriale aritmieën had. 6 Deze trend kan worden gerapporteerd in uren (0 t/m 24) of minuten (0 t/m 60) per dag, afhankelijk van de maximale duur per dag. 6 De tijd in AT/AF wordt berekend vanaf het moment van AT/AF-onset. Zie Sectie 8.1, Atriale tachycardieën detecteren, bladzijde 250 voor meer informatie. 140 Artsenhandleiding
141 Ventriculaire frequentie tijdens AT/AF Deze trend kunt u gebruiken voor: Het leggen van verbanden tussen symptomen van de patiënt en snelle ventriculaire reacties op AT/AF. Het beoordelen van VT/VF-detectieveiligheidsmarges en het wijzigen van de programmering om te voorkomen dat snel doorgeleide AT/AF als VT/VF wordt behandeld. Het voorschrijven of titreren van antiaritmica en frequentieregulerende medicatie. Het beoordelen van de effectiviteit van AV-knoop-ablatie. De grafiek toont per dag de mediane ventriculaire frequenties tijdens episodes van atriale aritmie. De verticale lijnen tonen per dag het verschil tussen de mediane frequentie en de maximale waargenomen ventriculaire frequentie. Meerdere punten op één dag vertegenwoordigen meerdere episodes met verschillende mediane frequenties. De horizontale lijnen geven de geprogrammeerde VF-, VT- en FVT-detectiefrequenties aan, indien van toepassing Stimulatie- en frequentierespons-informatie beoordelen Afbeelding 29. Stimulatie- en frequentierespons-trendgrafieken Stimulatiepercentage per dag Deze trend biedt een weergave van stimulatie in de loop van de tijd die u kan helpen bij het vaststellen van veranderingen en trends in stimulatie. De grafiek toont per dag het percentage van alle events die atriale uitgangspulsen en ventriculaire uitgangspulsen zijn. De percentages worden berekend uit de dagelijkse Artsenhandleiding 141
142 tellingen van AS-VS-, AS-VP-, AP-VS- en AP-VP-eventsequenties. Atriaal-refractaire events worden niet meegeteld. Gemiddelde ventriculaire frequentie De hartfrequenties overdag en s nachts bevatten informatie die als volgt klinisch van nut kan zijn: Objectieve gegevens die in verband kunnen worden gebracht met symptomen van de patiënt Indicaties van autonome disfunctie of falen van de hartfunctie Informatie over dagelijkse schommelingen Voor deze trend is dag gedefinieerd als de periode van 12 uur tussen 08:00 uur en 20:00 uur en nacht als de periode van 4 uur tussen middernacht en 04:00 uur (als aangegeven door de apparaatklok). Patiëntactiviteit De trend patiëntactiviteit kan de volgende soorten informatie opleveren: Een objectieve meting van de respons van de patiënt op veranderingen in therapie Uitkomsten bij ICD-patiënten (samen met metingen die betrekking hebben op de levenskwaliteit) Informatie over de inspanningstherapie van een patiënt Een vroege indicator van progressieve ziekten zoals hartfalen, die vermoeidheid en voortdurende afname van activiteit veroorzaken Het apparaat gebruikt gegevens afkomstig uit de frequentierespons-accelerometer om de dagelijkse patiëntactiviteit vast te stellen Hartfaleninformatie beoordelen Afbeelding 30. Hartfalentrendgrafiek Hartfrequentievariabiliteit Afgenomen variabiliteit in de hartfrequentie van de patiënt kan u helpen vaststellen of er sprake is van decompensatie door hartfalen. Het apparaat meet alle atriale intervallen en berekent elke 5 min het mediane atriale interval. Vervolgens wordt voor elke dag een variabiliteitswaarde (in ms) berekend en uitgezet. 142 Artsenhandleiding
143 Opmerking: Bij de berekening van de hartfrequentievariabiliteit wordt geen rekening gehouden met events die tijdens aritmie-episodes optreden. 5.5 Aritmie-episodegegevens bekijken en gegevensverzamelingsvoorkeuren instellen Het systeem biedt een klinisch gericht aritmie-episodelogboek waarmee u snel beknopte en gedetailleerde diagnostische gegevens over aritmie-episodes kunt bekijken. Episodegegevens zijn beschikbaar in verschillende formaten, inclusief intervalplotdiagrammen, EGM s en tekstoverzichten. Er zijn verschillende filterinstrumenten beschikbaar waarmee u de weergegeven typen gegevens nauwkeurig kunt regelen Aritmie-episodegegevens bekijken Selecteer het pictogram Data (Gegevens) Clinical Diagnostics (Klinische diagnostieken) Arrhythmia Episodes (Aritmie-episodes) Het episodelogboek bekijken Het episodelogboek wordt weergegeven in het bovenste deel van het venster Arrhythmia Episodes (Aritmie-episodes). Het logboek biedt de volgende beknopte informatie over de episodes die op dat moment in het apparaatgeheugen worden opgeslagen: Type episode Het aantal afgegeven ATP-sequenties (indien van toepassing) Het aantal afgegeven schokken of de afgegeven energie (indien van toepassing) Of de als laatste afgegeven therapie succes had Datum, tijd en duur van de episode Het gemiddelde aantal atriale en ventriculaire slagen per minuut Het maximale aantal ventriculaire slagen per minuut Of er EGM-gegevens beschikbaar zijn voor de episode Artsenhandleiding 143
144 Afbeelding 31. Episodelogboek 1 Met de schuiftoetsen rechts van het logboekgebied kunt u door de lijst met opgeslagen episodes schuiven. 2 Gebruik de toetsen [Next] (Volgende) en [Previous] (Vorige) om de volgende of de vorige episode in het episodelogboek te bekijken. 3 Met behulp van de selectievakjes VT/VF, AT/AF en SVT kunt u selecteren welk type episode u wilt weergeven. 4 Gebruik het rolmenu bij View (Bekijken) om de weergave te beperken tot episodes met specifieke kenmerken. 5 Gebruik het veld > om de lijst te filteren tot episodes die langer duren dan een specifieke tijdsduur. Avg bpm A/V (Gem. min ¹ A/V) Voor AT/AF-episodes, VT-bewakingsepisodes en VT-NS-episodes is Avg bpm A/V (Gem. min ¹ A/V) een gemiddelde van de A/V-cyclusduur gedurende de gehele episode. Voor VT/VF-episodes en SVT-episodes is de Avg bpm A/V (Gem. min ¹ A/V) een gemiddelde van de 4 slagen bij detectie of net voordat detectie werd tegengehouden. Max V bpm (Max V min-¹) Als het ventrikel tijdens een AT/AF-episode werd gestimuleerd, verschijnt de Max V bpm (Max V min ¹)-waarde in het logboek als VP. Voor VT-NS-episodes wordt de Max V bpm (Max V min ¹)-waarde niet weergegeven. 144 Artsenhandleiding
145 Opmerkingen: Episodes die tijdens een apparaatsessie optreden, kunnen pas in de episodeverslagen worden bekeken nadat het apparaat is uitgelezen. De uitlezing moet na beëindiging van de episode worden uitgevoerd. Bij elk type episode worden, wanneer het logboek vol is, de oudste episodegegevens in het logboek overschreven door gegevens van de meest recente episodes Episodeverslagen bekijken Een episodeverslag toont gedetailleerde informatie over de op dat moment in het episodelogboek geselecteerde episode. Een episodeverslag wordt in eerste instantie weergegeven in het onderste deel van het venster Arrhythmia Episodes (Aritmie-episodes), maar kan groter worden gemaakt om het beter te kunnen bekijken. Voor een bepaalde episode kunt u de volgende informatie weergeven: Een intervalplot Een registratiestrook van het opgeslagen EGM (indien beschikbaar) Een tekstoverzicht Afbeelding 32. Aritmie-episodeverslag 1 Selecteer een episodeverslag in het bovenste deel van het venster Arrhythmia Episodes (Aritmie-episodes). Artsenhandleiding 145
146 2 Met de toetsen [Previous] (Vorige) en [Next] (Volgende) kunt u naar een ander episodeverslag gaan. 3 Gebruik de toetsen Plot, EGM en Text (Tekst) om de geselecteerde episodegegevens in een beschikbaar formaat weer te geven. 4 Met de toets [+] kunt u de plot-, EGM- of tekstweergave maximaliseren, en met de toets [-] minimaliseren. Door de patiënt geactiveerde logboekaantekeningen over symptomen Als de patiënt een InCheck-Patient Assistant Model 2696 heeft, kunt u de patiënt instrueren dit apparaat aan te zetten om gegevens te verzamelen wanneer hij/zij symptomen heeft. Tijdens de follow-up kunt u de datum, het tijdstip en de gemiddelde atriale en ventriculaire intervallengten bekijken van het moment waarop het verzamelen van gegevens door de patiënt is geactiveerd. Dit kan helpen bij het diagnosticeren van symptomen van de patiënt wanneer er geen episode gaande is. Opmerkingen: De InCheck-Patient Assistant Model 2696 kan niet met het geïmplanteerde apparaat communiceren als het apparaat al met een draadlozetelemetriesessie bezig is. Er worden geen door de patiënt geactiveerde logboekaantekeningen over symptomen verzameld wanneer het apparaat bezig is met detecteren van tachycardie-episodes, met inbegrip van SVT s. Als de patiënt de activator tijdens een episode gebruikt, registreert het apparaat het volgende in de episodetekst: "Patient Symptom detected during episode (Patiëntsymptoom gedetecteerd tijdens episode). Er wordt echter geen apart door de patiënt geactiveerd verslag aangemaakt Het episode-intervalplot bekijken Wanneer een episode voor de eerste keer vanuit het episodelogboek wordt geselecteerd, geeft het programmeerapparaat een grafiek weer van de V-V- en A-A-intervallen uitgezet tegen de tijd. Hierbij wordt het volgende aangegeven: Geprogrammeerde detectie-intervallen Punt van detectie of tegengehouden detectie Punt van de onset van AT/AF Punten van therapieafgifte 146 Artsenhandleiding
147 Afbeelding 33. Episode-intervalplot 1 Met deze toets kunt u voor de y-as kiezen voor interval (ms) of voor frequentie (min-¹). 2 Gebruik de selectievakjes bij Plot om ventriculaire intervallen, atriale intervallen of beide weer te geven. 3 Dit deel van het scherm toont de geprogrammeerde detectie-intervallen. Opmerking: Tijdens een episode kan de opslag van gegevens worden beperkt om apparaatgeheugen te sparen. Als dat gebeurt, wordt bij het programmeerapparaat in de horizontale as van het intervalplot het verwijderde deel aangegeven met sterretjes (*) Het episode-egm bekijken Wanneer u een episode uit het episodelogboek en vervolgens de EGM-optie selecteert, geeft het programmeerapparaat de voor die episode opgeslagen EGM-gegevens weer. Artsenhandleiding 147
148 Afbeelding 34. Episode-EGM 1 De Marker Channel geeft de geannoteerde atriale en ventriculaire events weer, die tot detectie leiden. 2 Bij de additionele markers wordt een code weergegeven die aangeeft welk type episode is gedetecteerd (in dit geval VT monitor [VT-bewaking]). De additionelemarkercodes zijn alleen te zien wanneer het EGM-venster gemaximaliseerd is. 3 Gebruik de horizontale schuifbalk onder aan het scherm om alle EMG-gegevens van de episode te bekijken. 4 Gebruik deze toets om een optie voor de weergave van atriale intervallen te selecteren: AA, AV en VA. U kunt de weergaveopties voor atriale intervallen alleen selecteren als het EGM-venster is gemaximaliseerd. 5 Deze code geeft de tijdsduur weer dat de EGM-registratie werd onderbroken om opslagruimte te sparen. Opslag van EGM-gegevens en sparen van apparaatgeheugen Voor VT/VF- of VT Monitor-episodes (VT-bewaking) begint het apparaat ventriculaire EGM-gegevens op te slaan wanneer er 3 achtereenvolgende intervallen zijn opgetreden in de VT-, VT Monitor (VT-bewaking)- of VF-zone. Voor AT/AF-episodes begint het apparaat atriale EGM-gegevens op te slaan wanneer het apparaat AT/AF Onset (AT/AF-onset) detecteert. Het apparaat slaat maximaal 5 s EGM-gegevens vóór AT/AF-detectie op, ongeacht of een optie voor EGM-opslag vóór aanvang van aritmieën geselecteerd is. Zie Sectie 5.5.4, Gegevensverzamelingsvoorkeuren instellen, bladzijde 149 voor meer informatie over EGM-opslag vóór aanvang van aritmieën. 148 Artsenhandleiding
149 Om apparaatgeheugen te sparen, worden de EGM-gegevens alleen opgeslagen tijdens specifieke gedeelten van een episode. Opmerking: Bij lange episodes kan het EGM gaten vertonen om opslaggeheugen te sparen De episodetekst bekijken Wanneer u een episode uit het episodelogboek en vervolgens de Text (Tekst)-optie selecteert, geeft het programmeerapparaat een tekstoverzicht van die episode weer. Afbeelding 35. Episodetekst 1 Gebruik de verticale schuifbalk aan de rechterkant van het scherm om door de gehele episodetekst te schuiven Gegevensverzamelingsvoorkeuren instellen Het verzamelen van gegevens vindt automatisch plaats en kan niet worden uitgeschakeld. In het scherm Data Collection Setup (Gegevensverzamelingconfiguratie) zijn echter diverse voorkeursinstellingen beschikbaar die nuttig zijn voor het regelen van de weergave van episodegegevens. Met deze instellingen wordt ook het actueleritmevenster geregeld. Artsenhandleiding 149
150 Leadless ECG (LECG)-afleiding Het signaal van het Leadless ECG (LECG) is een benadering van een oppervlakte-ecg-signaal via de afleiding Can to SVC (Behuizing-SVC) en is alleen beschikbaar als er een SVC-geleidingsdraad aanwezig is. Opmerking: De optie Leadless ECG kan niet uit het actueleritmevenster worden verwijderd. Zie Sectie 3.12, Follow-up-sessies versnellen met Leadless ECG, bladzijde 89 voor meer informatie. EGM-afleiding Definieer per EGM-kanaal de bronelektroden waartussen het apparaat de EGM-signalen registreert. Opmerking: De metingen van de hartslagintervallen van het apparaat zijn altijd gebaseerd op de signalen waargenomen via de geprogrammeerde waarnemingspolariteit (niet het EGM). Daardoor worden tachycardie-intervalcriteria, synchronisatie en therapie niet beïnvloed door de EGM-afleidingen die u selecteert. EGM- en LECG-bereik Selecteer voor elk EGM-kanaal en het LECG-kanaal een bereik. De instellingen voor het bereik zijn van invloed op de resolutie van het signaal: hoe lager de instelling, des te hoger de resolutie. Als het signaal onleesbaar of afgekapt is, overweeg dan het geselecteerde bereik te wijzigen. Bewaakt Selecteer een set van 2 afleidingen die voor opslag van episodeverslagen moet worden gebruikt. EGM vóór aanvang van de aritmie Geef aan of u EGM-gegevens wilt opslaan die vóór een episode zijn verzameld. Wanneer Pre-arrhythmia EGM storage (EGM-opslag vóór aanvang van de aritmie) is ingeschakeld, verzamelt het apparaat maximaal 10 s aan EGM-gegevens vóór de onset van VT/VF- of VT Monitor (VT-bewaking)-episodes of de detectie van SVT-episodes. Als Pre-arrhythmia EGM (EGM vóór aanvang van de aritmie) op Off (Uit) geprogrammeerd is, worden aan het begin van iedere VT/VF-, VT Monitor (VT-bewaking)- of SVT-episode alleen intervallen en geen EGM in het episodeverslag opgenomen. Het apparaat slaat maximaal 5 s aan EGM vóór AT/AF-detectie op, ongeacht de instelling van Pre-arrhythmia EGM storage (EGM-opslag vóór aanvang van de aritmie). Opmerking: Opslag van EGM vóór aanvang van aritmieën werkt door het EGM-circuit te allen tijde ingeschakeld te laten, wat ten koste van de levensduur van het apparaat gaat. Als u On - 1 Month (Aan - 1 maand) of On - 3 months (Aan - 3 maanden) selecteert, wordt EGM-opslag vóór aanvang van de aritmie automatisch uitgeschakeld wanneer de geselecteerde tijd verstreken is. Gegevens wissen Met de functie Clear Data (Gegevens wissen) worden alle opgeslagen gegevens gewist, behalve apparaattrends, Cardiac Compass-trends en tellers voor de levensduur. 150 Artsenhandleiding
151 Opmerking: Gewiste gegevens kunnen niet meer worden hersteld Gegevensverzamelingsvoorkeuren programmeren Selecteer het pictogram Params (Parameters) Data Collection Setup (Gegevensverzamelingconfiguratie) LECG Source (LECG-afleiding) LECG Range (LECG-bereik) EGM1 Source (EGM1-afleiding) EGM1 Range (EGM1-bereik) EGM2 Source (EGM2-afleiding) EGM2 Range (EGM2-bereik) EGM3 Source (EGM3-afleiding) EGM3 Range (EGM3-bereik) Monitored (Bewaakt) Pre-arrhythmia EGM (EGM vóór aanvang van de aritmie) 5.6 Episode- en therapietellers bekijken Met het programmeerapparaat kunt u opgeslagen gegevens bekijken over hoe vaak VT/VFen AT/AF-episodes en -therapieën zijn opgetreden. De tellergegevens voor ventriculaire episodes bevatten het aantal supraventriculaire tachycardieën (SVT s), premature ventriculaire contracties (PVC s), ventriculairefrequentiestabilisatie- (VRS-)uitgangspulsen en bewaakte en non-sustained episodes. De tellergegevens voor atriale episodes bevatten het aantal bewaakte en non-sustained episodes De tellers bekijken Selecteer het pictogram Data (Gegevens) Clinical Diagnostics (Klinische diagnostieken) Counters (Tellers) Artsenhandleiding 151
152 5.6.2 VT/VF-episodetellers Afbeelding 36. VT/VF-episodetellers Voor VT/VF-episodes zijn de volgende tellergegevens beschikbaar: VF, FVT en VT Het aantal episodes per tachycardie. Bewaakt VT Het aantal VT Monitor (VT-bewaking)-episodes. VT-NS Het aantal non-sustained ventriculaire tachycardieën. PVC Runs (PVC-runs) Het gemiddelde aantal runs per uur van premature ventriculaire contracties (PVC s) waarin 2, 3 of 4 opeenvolgende ventriculaire events prematuur zijn. Enkele PVC s Het gemiddelde aantal enkele PVC s per uur. PVC s in PVC-runs worden niet als enkele PVC s geteld. Runs van VRS-uitgangspulsen Het gemiddelde aantal keren per uur dat 2 of meer opeenvolgende ventriculaire events ventriculairefrequentiestabilisatie- (VRS-)uitgangspulsen zijn (VRS-escape-interval-timeouts). Enkele VRS-uitgangspulsen Het gemiddelde aantal enkele VRS-uitgangspulsen (VRS-escape-interval-timeouts) per uur. VRS-uitgangspulsen in VRS-runs worden niet als enkele VRS-uitgangspulsen geteld. SVT: VT/VF Therapy Withheld (VT/VF-therapie tegengehouden) Per supraventriculaire tachycardie-(svt-)onderscheidingsfunctie het aantal episodes waarop 152 Artsenhandleiding
153 de functie is toegepast, waardoor VT/FVT/VF-detectie en -therapie werden tegengehouden. Als meer dan 1 SVT-onderscheidingsfunctie toegepast is, wordt de vaakst toegepaste functie vermeld. Opmerking: Er worden alleen SVT s meegenomen waarvan de frequenties binnen de behandelde zones vallen VT/VF-therapietellers Afbeelding 37. VT/VF-therapietellers Voor VT/VF-therapieën zijn de volgende tellergegevens beschikbaar: VT/VF-therapieoverzicht Het aantal door stimulatie beëindigde tachycardieën, door schokken beëindigde tachycardieën, totale aantal VT/VF-schokken en afgebroken ladingen. Effectiviteit van de VT/VF-therapie sinds de meest recente sessie Het aantal en het type afgegeven VF-, FVT- en VT-therapieën of deze succes hadden (als er geen herdetectie optrad) en voor VT- en FVT-therapieën of geherdetecteerde episodes waren versneld (en als snellere tachycardieën geherdetecteerd waren). De 6 weergegeven therapieën refereren voor elk type episode aan Rx1 tot en met Rx6. Artsenhandleiding 153
154 5.6.4 AT/AF-episodetellers Afbeelding 38. AT/AF-episodetellers Voor AT/AF-episodes zijn de volgende beknopte tellergegevens beschikbaar: Percentage tijd in AT/AF Het percentage van de totale tijd in AT/AF. AT/AF is gedefinieerd als beginnend bij de onset van AT/AF. Gemiddelde tijd in AT/AF per dag De gemiddelde tijd in AT/AF per dag. AT/AF is gedefinieerd als beginnend bij de onset van AT/AF. Bewaakte AT/AF-episodes Het gemiddelde aantal bewaakte AT/AF-episodes per dag. AT/AF is gedefinieerd als beginnend bij detectie van AT/AF. % tijd atriale stimulatie Het percentage van de tijd waarin atriale stimulatie is afgegeven. AT-NS Het gemiddelde aantal non-sustained AT-(AT-NS-)episodes per dag. 154 Artsenhandleiding
155 5.7 Flashback-geheugengegevens bekijken Het Flashback-geheugen registreert atriale en ventriculaire intervallen die onmiddellijk vóór tachycardie-episodes of de meest recente uitlezing optreden. De functie zet de intervalgegevens in de loop van de tijd uit en biedt de mogelijkheid een grafiek van de verzamelde gegevens te bekijken en af te drukken. De in een grafiek weergegeven gegevens kunnen u helpen bij het beoordelen van het hartritme van de patiënt en de werking van andere functies, zoals Rate Response (Frequentierespons). Het Flashback-geheugen registreert automatisch maximaal in totaal 2000 V-V- en A-A-intervallen en opgeslagen markergegevens voor de volgende events: De meest recente uitlezing De meest recente VF-episode De meest recente VT-episode De meest recente AT/AF-episode Als binnen 15 min 2 of meer episodes worden gedetecteerd, kunnen de Flashback-geheugengegevens van vóór de episodes worden afgekapt. Opmerking: Wanneer een episode wordt gedetecteerd, wordt de Flashback-geheugenopslag uitgesteld tot de episode eindigt Flashback-geheugengegevens bekijken Selecteer het pictogram Data (Gegevens) Clinical Diagnostics (Klinische diagnostieken) Flashback Memory (Flashback-geheugen) Opmerking: U kunt het scherm voor het Flashback-geheugen ook weergeven door [Flashback] te selecteren in de gedetailleerde registratieschermen van de meest recente VT-, VF-, FVT- of AT/AF-schermen. Artsenhandleiding 155
156 Afbeelding 39. Data (Gegevens) Flashback-geheugenscherm 1 Intervallen die bekeken kunnen worden 2 Intervalsplots 3 Interval of frequentie 4 Zoomvenster 5 Zoomvenster aanpassen (kleiner of groter maken) 6 Zoomvenster verplaatsen 7 Inzoomen (+), uitzoomen (-) 8 Afdrukken 5.8 Frequentiehistogrammen gebruiken om hartfrequenties te beoordelen Informatie over tussen patiëntsessies in geregistreerde hartfrequenties bieden de mogelijkheid om de effectiviteit van therapieën te beoordelen en helpen u zo bij het bewaken van de toestand van de patiënt. Het frequentiehistogrammenrapport toont de distributie van atriale en ventriculaire frequenties die sinds de vorige patiëntsessie en in de periode vóór de vorige sessie geregistreerd zijn. Frequentiehistogramgegevens zijn alleen beschikbaar als afgedrukt rapport. 156 Artsenhandleiding
157 5.8.1 Een frequentiehistogrammenrapport afdrukken U kunt het frequentiehistogrammenrapport afdrukken vanuit het pictogram Data (Gegevens) of Reports (Rapporten). Selecteer het pictogram Data (Gegevens) Clinical Diagnostics (Klinische diagnostieken) Rate Histograms (Frequentiehistogrammen) (alleen rapport) Selecteer het pictogram Reports (Rapporten) Available Reports (Beschikbare rapporten) Rate Histograms (Frequentiehistogrammen) De informatie in het frequentiehistogrammenrapport Het frequentiehistogrammenrapport is gebaseerd op de atriale en ventriculaire eventgegevens die door het apparaat zijn opgeslagen. Het frequentiehistogrammenrapport presenteert hartfrequentiegegevens in 2 typen histogrammen: atriale stimulatie en ventriculaire frequentie. Het rapport bevat eveneens gegevens over de geleidingsstatus van de patiënt. Het rapport bevat gegevens uit de huidige en de vorige opslagperiode. De gegevensopslag voor het frequentiehistogrammenrapport verloopt automatisch, er hoeft niets te worden ingesteld. Artsenhandleiding 157
158 Afbeelding 40. Frequentiehistogrammenrapport Frequentiehistogrammen tonen het percentage tijd dat het apparaat binnen frequentiebereiken stimuleerde en waarnam. Er zijn 20 frequentiebereiken met elk een lengte van 10 min -1. Frequenties lager dan 40 min -1 zijn opgenomen in het bereik <40 ; frequenties hoger dan 220 min -1 zijn opgenomen in het bereik >220. % tijd Dit gedeelte toont de geleidingsstatus van de patiënt als percentage van de totale tijd dat het apparaat tijdens de opslagperiode stimuleerde of waarnam. De percentages worden berekend uit de dagelijkse tellingen van AS-VS-, AS-VP-, AP-VS- en AP-VP-eventsequenties. Dit gedeelte toont ook het percentage van alle ventriculaire events dat is afgegeven door de functie Ventricular Sense Response (VSR) (Ventriculairewaarnemingsrespons). Atrialefrequentiehistogram Het atrialefrequentiehistogram toont de frequentiedistributie van atriale waargenomen en gestimuleerde events (met inbegrip van waargenomen events die tijdens de refractaire periode optreden). Het histogram geeft ook 158 Artsenhandleiding
159 het percentage atriale waarnemingen aan die het gevolg zijn van waarneming van far-field-r-toppen (FFRW). Er kan aan waarneming van far-field-r-toppen worden gedacht als de intervallen tussen atriale waargenomen events onregelmatig zijn. Het percentage wordt gerapporteerd in het bereik 2% tot 5% of groter dan 5%. Ventriculairefrequentiehistogram Het ventriculairefrequentiehistogram toont de frequentiedistributie van ventriculaire waargenomen en gestimuleerde events. 5.9 Gedetailleerde gegevens over de apparaat- en geleidingsdraadprestaties bekijken Het apparaat meet en registreert elke dag automatisch gegevens over de apparaat- en geleidingsdraadprestatie. Gedetailleerde weergaven van deze gegevens zijn beschikbaar in het scherm Battery and Lead Measurements (Batterij- en geleidingsdraadmetingen) en het scherm Lead Trends (Geleidingsdraadtrends) Batterij- en geleidingsdraadmeetgegevens bekijken Het scherm Battery and Lead Measurements (Batterij- en geleidingsdraadmetingen) toont de meest recente waarden van de belangrijkste maten voor apparaat- en geleidingsdraadprestatie. Dit kunnen onder meer automatisch gemeten waarden zijn of waarden die tijdens handmatige systeemtests zijn gemeten Batterij- en geleidingsdraadmeetgegevens bekijken Selecteer het pictogram Data (Gegevens) Device/Lead Diagnostics (Apparaat-/geleidingsdraaddiagnostieken) Battery and Lead Measurements (Batterij- en geleidingsdraadmetingen) Artsenhandleiding 159
160 Afbeelding 41. Het scherm Battery and Lead Measurements (Batterij- en geleidingsdraadmetingen) 1 Informatie over batterijspannings- en vervangingsindicatoren 2 Informatie over het opladen van condensators 3 De waarnemingsintegriteitsteller 4 Meest recente geleidingsdraadimpedantiemetingen 5 Meest recente dagelijkse automatische waarnemingsamplitudemetingen 6 Informatie over de meest recent afgegeven hogespanningstherapie 7 Selecteer [Print ] (Afdrukken) om een batterij- en geleidingsdraadmetingenrapport af te drukken Batterijspannings- en vervangingsindicatoren Het apparaat meet automatisch de batterijspanning wanneer aan het begin van een sessie telemetrie wordt geïnitieerd, wanneer een geleidingsdraadimpedantietest wordt uitgevoerd en elke dag om 02:15 uur als onderdeel van de automatische dagelijkse metingen. De meest recente batterijspanningsmeting wordt weergegeven in het scherm Battery and Lead Measurements (Batterij- en geleidingsdraadmetingen). Opmerking: U kunt een tijdelijke daling van de weergegeven batterijspanning zien als in de voorgaande 24 uur een hogespanningsoplading heeft plaatsgevonden. 160 Artsenhandleiding
161 Als 3 opeenvolgende automatische dagelijkse batterijspanningsmetingen lager dan of gelijk aan de waarde voor de Recommended Replacement Time (RRT) (Aanbevolen vervangingstijd) zijn, geeft het programmeerapparaat het RRT-symbool weer en de datum waarop de batterij RRT bereikt heeft. Als het programmeerapparaat het RRT-symbool weergeeft, neem dan contact op met Medtronic en maak een afspraak voor het vervangen van het apparaat. De verwachte levensduur van het apparaat na RRT, gedefinieerd als de Prolonged Service Period (PSP) (Resterende levensduur) is 3 maanden (90 dagen). 7 Aan het eind van de resterende levensduur van 90 dagen bereikt het apparaat End of Service (EOS) (Einde van de levensduur) en geeft het programmeerapparaat het EOS-symbool weer. 8 Waarschuwing: Als het programmeerapparaat een EOS-indicator (Einde van de levensduur) weergeeft, moet u het apparaat onmiddellijk vervangen. Nadat de EOS-indicator verschenen is, kan het apparaat het vermogen verliezen om adequaat te stimuleren, waar te nemen en therapie af te geven Informatie over het opladen van de condensatoren en hogespanningstherapie Het scherm Battery and Lead Measurements (Batterij- en geleidingsdraadmetingen) levert informatie over de meest recente hogespanningslading, de meest recente condensatorformattering en de meest recente afgegeven hogespanningstherapie. Het gedeelte Last Charge (Laatste oplading) toont de datum, de oplaadtijd en het energiebereik van de meest recente keer dat de hogespanningscondensatoren geladen zijn (vanaf startenergie tot uiteindelijke energie). Het gedeelte Last Capacitor Formation (Laatste condensatorformattering) meldt de datum, de oplaadtijd en het energiebereik van de meest recente keer dat de condensatoren van het apparaat tot maximale energie opgeladen zijn en die lading ten minste 10 minuten in de condensatoren bleef. Het gedeelte Last High Voltage Therapy (Laatste hogespanningstherapie) meldt de datum, de gemeten impedantie, de afgegeven energie, het signaal en de stroomrichting van de meest recent afgegeven hogespanningstherapie. 7 Het einde van de levensduur (EOS) kan vóór het verstrijken van de 90 dagen worden aangegeven als het feitelijke batterijgebruik de verwachte condities in de resterende levensduur (PSP) overschrijdt. Zie Sectie A. 3, Vervangingsindicatoren, bladzijde 367 voor uitleg over deze condities. 8 Het einde van de levensduur (EOS) kan ook worden aangegeven als zich een excessieve oplaadtijd voordoet. Artsenhandleiding 161
162 De waarnemingsintegriteitsteller Wanneer het apparaat hoogfrequente elektrische ruis detecteert, is het resultaat vaak een groot aantal ventriculaire waargenomen events met intervallen in de buurt van de geprogrammeerde waarde voor ventriculaire blanking na ventriculaire waarneming (V. Blank Post VS). De waarnemingsintegriteitsteller registreert het aantal ventriculaire events met intervallen die binnen 20 ms van de V. Blank Post VS-parameterwaarde liggen. Een groot aantal korte ventriculaire intervallen kan duiden op oversensing, geleidingsdraadbreuk of een los inbusschroefje. Als de waarnemingsintegriteitsteller meer dan 300 korte ventriculaire intervallen rapporteert, onderzoek dan of er wellicht sprake is van problemen met de waarneming of de geleidingsdraadintegriteit Geleidingsdraadimpedantie- en waarnemingsamplitudemetingen Het scherm Battery and Lead Measurements (Batterij- en geleidingsdraadmetingen) toont recente geleidingsdraadimpedantie- en waarnemingsamplitudemetingen. Voor geleidingsdraadimpedantiemetingen toont het scherm de meest recente handmatig uitgevoerde metingen of de meest recente dagelijkse automatische metingen. Voor waarnemingsamplitudemetingen toont het scherm de meest recente dagelijkse automatische metingen. Metingen die met de handmatige waarnemingstest zijn uitgevoerd, worden niet in het scherm Battery and Lead Measurements (Batterij- en geleidingsdraadmetingen) weergegeven. Zie Sectie 10.3, Geleidingsdraadimpedantie meten, bladzijde 344 voor informatie over het uitvoeren van handmatige geleidingsdraadimpedantiemetingen. Zie Sectie 10.4, Een waarnemingstest uitvoeren, bladzijde 345 voor informatie over het uitvoeren van handmatige waarnemingsamplitudemetingen. U kunt de meest recente metingen vergelijken met de trends van dagelijkse automatische metingen door de toets Lead Impedance (Geleidingsdraadimpedantie) [>>] of Sensing (Waarneming) [>>] te selecteren om het scherm Lead Trends (Geleidingsdraadtrends) te bekijken Geleidingsdraadimpedantietrends bekijken Elke dag om 03:00 uur meet het apparaat met behulp van elektrische pulsen onder de drempelwaarde automatisch de geleidingsdraadimpedantie van elke geïmplanteerde geleidingsdraad. Deze pulsen worden gesynchroniseerd met waargenomen of gestimuleerde events, maar stimuleren het hart niet. 162 Artsenhandleiding
163 De dagelijkse automatische geleidingsdraadimpedantiemetingen worden weergegeven op het scherm Lead Trends (Geleidingsdraadtrends), waar de gegevens in een grafiek worden geplot. De grafiek geeft maximaal 15 van de meest recente metingen weer en maximaal 80 wekelijkse metingsamenvattingen (met per week minimumwaarden, maximumwaarden en gemiddelde waarden). Grote of plotselinge veranderingen in geleidingsdraadimpedantie kunnen op een probleem met de geleidingsdraad duiden. Als het apparaat niet in staat is automatische geleidingsdraadimpedantiemetingen te verrichten, vertoont de trendgrafiek gaten. Opmerking: De RV-defib-impedantie wordt uitsluitend gemeten en weergegeven voor de actueel geprogrammeerde defibrillatiestroomrichting. Door herprogrammering van de parameter Active Can/SVC-defibrillatie-elektrode worden andere elektroden in de defibrillatiestroomrichting opgenomen, wat van invloed is op welke van de verzamelde metingen in de trendgrafiek worden weergegeven Geleidingsdraadimpedantietrends bekijken Selecteer het pictogram Data (Gegevens) Device/Lead Diagnostics (Apparaat-/geleidingsdraaddiagnostieken) Lead Impedance Trends (Geleidingsdraadimpedantietrends) Artsenhandleiding 163
164 Afbeelding 42. Het scherm Lead Trends (Geleidingsdraadtrends) met de RV Pacing Impedance trend (RV-stimulatie-impedantietrend) 1 Geselecteerde metingtrend 2 Wekelijkse minimum-, maximum- en gemiddelde waarden 3 Meest recent gemeten waarden 4 Meest recent gemeten impedantiewaarde 5 Selecteer [Print ] (Afdrukken) om een geleidingsdraadtrendrapport af te drukken Waarnemingsamplitudetrends bekijken Elke dag om 02:15 uur begint het apparaat de amplitude van intrinsieke waargenomen events te meten. Het apparaat poogt de amplitude van 9 normale intrinsieke waargenomen events te meten en registreert vervolgens de mediane waarde van die events. Als het apparaat tegen middernacht geen 9 amplitudemetingen heeft verzameld, wordt geen meting geregistreerd. De trendgrafiek voor waarnemingsamplitude vertoont een gat voor die dag. De dagelijkse automatische waarnemingsamplitudemetingen worden weergegeven op het scherm Lead Trends (Geleidingsdraadtrends), waar de gegevens in een grafiek worden geplot. De grafiek geeft maximaal 15 van de meest recente metingen weer en maximaal 80 wekelijkse metingsamenvattingen (met per week minimumwaarden, maximumwaarden en gemiddelde waarden). Grote of plotselinge veranderingen in waarnemingsamplitude kunnen duiden op een probleem met een geleidingsdraad. 164 Artsenhandleiding
165 Opmerking: De waarnemingsamplitudetrendgegevens zijn bedoeld om veranderingen in waarnemingsamplitudemetingen te laten zien die gebruikt kunnen worden bij het beoordelen van de geleidingsdraadintegriteit. Of de veiligheidsmarge voor ventriculaire waarneming voldoet, kan niet worden vastgesteld met de R-top-trendmeting en dient gebaseerd te zijn op VF-inductietests. Opmerking: Ventriculaire waargenomen events komen tijdens CRT-stimulatie weinig voor, waardoor het voor het apparaat moeilijk kan zijn om dagelijkse R-top-amplitudemetingen te verzamelen Waarnemingsamplitudetrends bekijken Selecteer het pictogram Data (Gegevens) Device/Lead Diagnostics (Apparaat-/geleidingsdraaddiagnostieken) P/R Wave Amplitude Trends (P/R-top-amplitudetrends) Afbeelding 43. Het scherm Lead Trends (Geleidingsdraadtrends) met de R-top-amplitudetrend 1 Geselecteerde metingtrend 2 Type geselecteerde amplitudemeting 3 Wekelijkse minimum-, maximum- en gemiddelde waarden 4 Meest recent gemeten waarden 5 Meest recente automatische dagelijkse meting 6 Selecteer [Print ] (Afdrukken) om een geleidingsdraadtrendrapport af te drukken Artsenhandleiding 165
166 5.10 Automatische bewaking van de apparaatstatus Het apparaat controleert automatisch en continu op voldoende oplaadtijdprestaties en elektrische reset. Bij elke uitlezing rapporteert het apparaat gedetecteerde condities waar aandacht aan moet worden besteed, zoals apparaatstatusindicatorwaarschuwingen, en geeft deze waarschuwingen vervolgens weer op het scherm van het programmeerapparaat. Apparaatstatusindicatorwaarschuwingen worden weergegeven in een voorgrondvenster op het scherm van het programmeerapparaat, evenals in het vak Observations (Observaties) op het Quick Look II-scherm. Er is voorzien in een specifieke procedure over hoe gereageerd moet worden op de apparaatstatusindicatorwaarschuwing voor elektrische reset (zie Sectie , Reageren op de apparaatstatusindicatorwaarschuwing voor elektrische reset, bladzijde 167). Let op: De apparaatstatusindicatoren zijn belangrijk. Breng Medtronic op de hoogte als na uitlezing van het apparaat een indicator op het scherm van het programmeerapparaat wordt weergegeven. Selecteer [Clear] (Wissen) in het voorgrondvenster met de apparaatstatusindicatorwaarschuwing om de weergegeven statusindicator te wissen Definities van apparaatstatusindicator-waarschuwingen Warning - Charge Circuit Timeout (Waarschuwing - Timeout laadcircuit) Geeft aan dat de oplaadperiode langer heeft geduurd dan 30 s. Het laadcircuit is nog actief. Breng Medtronic op de hoogte als deze apparaatstatusindicator op het scherm van het programmeerapparaat wordt weergegeven. Aanbevolen wordt het apparaat onmiddellijk te vervangen. Warning - Charge Circuit Inactive (Waarschuwing - Inactief laadcircuit) Geeft aan dat 3 opeenvolgende oplaadperioden elk langer hebben geduurd dan 30 s. Het laadcircuit is inactief en alle automatische therapiefuncties, EP-studiefuncties en handmatige systeemtests zijn gedeactiveerd, met uitzondering van emergency-vvi-stimulatie. Breng Medtronic op de hoogte als deze apparaatstatusindicator op het scherm van het programmeerapparaat wordt weergegeven. Aanbevolen wordt het apparaat onmiddellijk te vervangen. Warning - Device Electrical Reset (Waarschuwing - elektrische reset apparaat) Geeft aan dat er een elektrische reset heeft plaatsgevonden. Een elektrische reset kan een volledige of een gedeeltelijke reset zijn. Wanneer een volledige reset plaatsvindt, worden de geprogrammeerde parameters teruggezet op de standaard elektrische-resetwaarden. Een gedeeltelijke reset heeft geen effect op de geprogrammeerde parameters. Zie Bijlage B, Apparaatparameters, bladzijde 376 voor informatie over resetinstellingen. Lees het bericht bij de indicator en volg de instructies op het scherm zorgvuldig op. Zie de volgende paragraaf voor instructies over wat te doen wanneer een elektrische reset 166 Artsenhandleiding
167 optreedt. Als de waarschuwingsmelding niet aangeeft dat er parameters geherprogrammeerd zijn, was de elektrische reset een gedeeltelijke reset zonder effect op de geprogrammeerde parameters. Een elektrische reset is een door het apparaat geactiveerde veiligheidsfunctie die de apparaatparameters kan terugzetten op waarden waarmee het apparaat basale functionaliteit levert. Deze basale parameters worden voor de meerderheid van de patiënten als veilig beschouwd. Tijdens een resetconditie blijft stimulatie in VVI-modus actief. Bij de meeste elektrische resets blijft VF-detectie ingeschakeld. In zeldzame gevallen kan een elektrische reset tachycardiedetectie en -therapie deactiveren. Als dat gebeurt, gaat het Medtronic CareAlert-alarm dat een elektrische reset aangeeft, elke 9 uur af. Het apparaat fungeert dan als een eenvoudig anti-bradycardiestimulatieapparaat (in VVI-modus, 65 min -1 ). Nadat de elektrischeresetindicator is gewist, kunnen de tachycardiedetectie en -therapie worden geherprogrammeerd. Een elektrische reset kan optreden wanneer het apparaat wordt blootgesteld aan extreme omstandigheden zoals lage temperaturen (vóór de implantatie), rechtstreekse blootstelling aan intense röntgenstraling, elektrocauterisatie of externe defibrillatie. Breng Medtronic op de hoogte als deze apparaatstatusindicator op het scherm van het programmeerapparaat wordt weergegeven. Na een elektrische reset kunnen het programmeerapparaat en de monitor voor thuis mogelijk niet meer met het apparaat communiceren. Als dit gebeurt, neem dan contact op met Medtronic. Aanbevolen wordt het apparaat onmiddellijk te vervangen. Warning - SERIOUS ERROR (Waarschuwing - ERNSTIGE FOUT) Geeft aan dat een fout is opgetreden waarvan het apparaat niet kan worden hersteld. Breng Medtronic op de hoogte als deze apparaatstatusindicator op het scherm van het programmeerapparaat wordt weergegeven. Aanbevolen wordt het apparaat onmiddellijk te vervangen Reageren op de apparaatstatusindicatorwaarschuwing voor elektrische reset Als het apparaat nog niet geïmplanteerd is en het programmeerapparaat meldt dat een elektrische reset is opgetreden, implanteer het apparaat dan niet. Neem contact op met Medtronic. Als het apparaat al wel geïmplanteerd is, voer dan de volgende stappen uit: 1. Verwijder alle bronnen van elektromagnetische interferentie (EMI). 2. Neem contact op met Medtronic. 3. Selecteer [Clear] (Wissen) in het voorgrondvenster om de resetindicator te wissen en het Medtronic CareAlert-alarm te stoppen. Er verschijnt een bevestigingsvenster dat aangeeft dat alle eerder uitgelezen gegevens in het programmeerapparaat zijn gewist. 4. Selecteer [Continue] (Doorgaan). Artsenhandleiding 167
168 5. Lees het apparaat uit. a. Bekijk op welke datum en welk tijdstip de tellergegevens voor het laatst zijn gewist, aangezien hieruit blijkt wanneer de elektrische reset is opgetreden. b. Stel waar mogelijk vast wat de patiënt aan het doen was op de datum en het tijdstip dat de elektrische reset optrad. c. Sla uw sessiegegevens op. Geef een kopie van dit opgeslagen gegevensbestand aan Medtronic. Deze gegevens kunnen nuttig zijn bij het vaststellen welke events tot de reset hebben geleid. 6. Controleer de geprogrammeerde apparaatparameters. Als er een volledige reset is opgetreden, worden de geherprogrammeerde waarden in de waarschuwingsmelding weergegeven. Herprogrammeer de apparaatparameters als er een volledige elektrische reset is opgetreden. Na dit type reset functioneert het apparaat als een gewone defibrillator (in de VOE-VVI-modus), totdat het geherprogrammeerd is. Zie Bijlage B, Apparaatparameters, bladzijde 376 voor een lijst met elektrische-resetparameterwaarden. 7. Controleer of de tijd en datum van het apparaat kloppen. Herprogrammeer de tijd en de datum zonodig. 8. Voer een handmatige condensatorformattering uit om de condensatorformatteringstimer terug te zetten op de beginwaarden en ervoor te zorgen dat het schema voor condensatorformattering niet wordt gewijzigd. 9. Lees het apparaat nogmaals uit. Controleer op het scherm Battery and Lead Measurements (Batterij- en geleidingsdraadmetingen) of de batterijspanning en oplaadtijd acceptabel zijn. 10. Voer desgewenst geleidingsdraadimpedantie- en stimulatiedrempeltests uit De levensduur van het apparaat optimaliseren Optimalisering van de levensduur van het apparaat is een wenselijk doel omdat daardoor het apparaat van de patiënt mogelijk minder vaak hoeft te worden vervangen. Om de levensduur van het apparaat te optimaliseren moeten de voordelen van apparaattherapie en diagnostische functies worden afgewogen tegen het verbruik van de batterijenergie die voor die functies nodig is. Raadpleeg het Quick Look II-scherm om de indicator Recommended Replacement Time (RRT) (Aanbevolen vervangingstijd) van het apparaat te bekijken. Zie Sectie A.4, Verwachte levensduur, bladzijde 368 voor informatie over de levensduur van het apparaat. 168 Artsenhandleiding
169 In de volgende paragrafen worden strategieën beschreven die het gebruik van batterijenergie kunnen helpen verminderen Uitgangspulsen beheren De amplitude en pulsduur handmatig optimaliseren Voer een stimulatiedrempeltest uit om de stimulatiedrempels van de patiënt vast te stellen. Selecteer amplitude- en pulsduurinstellingen die een afdoende veiligheidsmarge boven de stimulatiedrempel van de patiënt opleveren. Hierdoor nemen de uitgangspulsen af en wordt batterijenergie gespaard. Zie Sectie 10.2, Stimulatiedrempels meten, bladzijde 342 voor meer informatie over stimulatiedrempels. Stimulatiefrequentie Hoe meer gestimuleerde events worden afgegeven, des te meer wordt de levensduur van de batterij bekort. Controleer of u geen onnodig hoge stimulatiefrequentie voor de patiënt heeft geprogrammeerd. Denk zorgvuldig na over het gebruik van functies die de anti-bradycardiestimulatiefrequentie verhogen. Gebruik functies als Conducted AF Response (Doorgeleide AF-respons) en Rate Response (Frequentierespons) alleen voor patiënten die therapeutisch baat bij die functie kunnen hebben Tachycardietherapie-instellingen optimaliseren Defibrillatie Bij de behandeling van ventriculaire fibrillatie kan het apparaat defibrillatietherapie afgeven om de episode te beëindigen en het normale sinusritme van de patiënt te herstellen. Het apparaat kan zodanig worden geprogrammeerd dat het een sequentie van maximaal 6 defibrillatietherapieën afgeeft. Voor defibrillatietherapie wordt veel energie gebruikt. Programmeer het energieniveau voor de eerste VF-therapie op een optimale waarde (de defibrillatiedrempel plus 10 J) om de therapieafgifte te versnellen en batterijenergie te sparen. Volgende VF-therapieën moeten worden geprogrammeerd op het maximale energieniveau. Zie Sectie 9.1, Als VF gedetecteerde episodes behandelen, bladzijde 295 voor meer informatie over defibrillatietherapie. Ventriculaire cardioversie Als u de patiënt ventriculairecardioversietherapieën biedt, overweeg dan de therapie-energie te programmeren op een waarde die lager is dan het maximale energieniveau maar hoog genoeg om de VT te beëindigen. Per sequentie dienen echter ten minste één VT-therapie en één FVT-therapie op het maximale energieniveau te worden geprogrammeerd. Zie Sectie 9.3, VT en FVT behandelen met ventriculaire cardioversie, bladzijde 323 voor meer informatie over ventriculaire cardoversie. FVT via VF-detectie Voor het behandelen en detecteren van een VT-episode die in de frequentiezone voor VF ligt, kan een FVT-detectiezone worden gebruikt. Deze benadering kan helpen een betrouwbare VF-detectie in stand te houden terwijl toch ATP kan worden Artsenhandleiding 169
170 afgegeven voor snelle VT-episodes. Zie Sectie 8.2, Ventriculaire tachycardieën detecteren, bladzijde 257 voor meer informatie. Anti-tachycardiestimulatie (ATP) ATP-therapieën zijn bedoeld om de tachycardie-episode te onderbreken en het normale sinusritme van de patiënt te herstellen. ATP-therapieën geven uitgangspulsen af in plaats van hogespanningschokken die bij cardioversietherapie en defibrillatie worden afgegeven. ATP-therapie vraagt minder batterijenergie dan cardioversie of defibrillatie. Bij sommige patiënten kunt u het apparaat wellicht programmeren op het afgeven van ATP-therapieën voordat de eerste cardioversietherapie wordt afgegeven. Zie Sectie 9.2, VT- en FVT-episodes behandelen met antitachycardiestimulatietherapieën, bladzijde 309 voor nadere informatie over ATP. ATP afgeven vóór de eerste defibrillatie U kunt het apparaat programmeren om een ATP-therapie af te geven voordat de eerste defibrillatietherapie wordt afgegeven. Dit kan afgifte van hogespanningstherapie voorkomen bij ritmes die via ATP kunnen worden beëindigd (bijvoorbeeld snelle monomorfe VT). Als u de functie ChargeSaver op On (Aan) programmeert, kan het apparaat ook automatisch omschakelen naar ATP Before Charging (ATP vóór opladen). Zodoende kan het apparaat een gedetecteerde VF-episode proberen te behandelen met een ATP-therapiesequentie voordat de condensators worden geladen. Zie Sectie 9.1, Als VF gedetecteerde episodes behandelen, bladzijde 295 voor meer informatie De condensatorlaadtijd afwegen tegen de levensduur van het apparaat Condensatorformattering Condensatorformattering zorgt ervoor dat de condensatoren snel kunnen worden opgeladen en de hogespanningstherapieën prompt kunnen worden afgegeven. Elke condensatorformattering omvat echter een maximale energieoplading, waardoor de levensduur van het apparaat vermindert. Als u bij Automatic Capacitor Formation (Automatische condensatorformattering) ervoor kiest om een kort Minimum Auto Cap Formation Interval (Minimuminterval voor automatische condensatorformattering) te programmeren, weeg dan de behoefte van de patiënt aan snelle therapie af tegen de levensduur van het apparaat. Zie Sectie 9.5, Optimalisatie van de oplaadtijd met automatische condensatorformattering, bladzijde 336 voor meer informatie over automatische condensatorformattering. Als u de test laden/ontladen uitvoert om de condensators handmatig te testen en te formatteren, probeer deze functie dan niet vaker te gebruiken dan nodig is. Zie Sectie 10.5, De condensatoren van het apparaat testen, bladzijde 347 voor meer informatie. 170 Artsenhandleiding
171 Het effect van diagnostische functies met gegevensopslag op de levensduur van het apparaat EGM-opslag vóór aanvang van de aritmie Continu gebruik van Pre-arrhythmia EGM storage (EGM-opslag vóór aanvang van de aritmie) reduceert de levensduur van het apparaat. Bij een patiënt met uniforme tachycardie-onsetmechanismen is het grootste voordeel van Pre-arrhythmia EGM storage (EGM-opslag vóór aanvang van de aritmie) bereikt nadat enkele episodes zijn vastgelegd. Wanneer Pre-arrhythmia EGM storage (EGM-opslag vóór aanvang van de aritmie) is ingeschakeld, verzamelt het apparaat maximaal 10 s aan EGM-gegevens vóór de onset van VT/VF- of VT Monitor (VT-bewaking)-episodes of de detectie van SVT-episodes. Het apparaat slaat maximaal 5 s aan EGM vóór AT/AF-detectie op, ongeacht de instelling van Pre-arrhythmia EGM storage (EGM-opslag vóór aanvang van de aritmie). Om het voordeel van het gebruik van Pre-arrhythmia EGM storage (EGM-opslag vóór aanvang van de aritmie) af te wegen tegen optimalisering van de levensduur van het apparaat, kunt u de volgende programmeeropties overwegen: Stel Pre-arrhythmia EGM storage (EGM-opslag vóór aanvang van de aritmie) in op On (Aan) om mogelijke veranderingen in het tachycardie-onsetmechanisme vast te leggen na belangrijke klinische aanpassingen, zoals de implantatie van een apparaat, wijzigingen in de medicatie en chirurgische procedures. Pre-arrhythmia EGM storage (EGM-opslag vóór aanvang van de aritmie) kan worden ingesteld op On-1 month (Aan-1 maand), On-3 months (Aan-3 maanden) en On-continuous (Aan-continu). Selecteer de instelling voor de kortste periode die de noodzakelijke gegevens nog oplevert. Stel Pre-arrhythmia EGM storage (EGM-opslag vóór aanvang van de aritmie) in op Off (Uit) nadat u de relevante gegevens heeft verkregen. Opmerking: Wanneer Pre-arrhythmia EGM storage (EGM-opslag vóór aanvang van de aritmie) wordt uitgeschakeld, begint het apparaat na het derde tachycardie-event met het opslaan van EGM-gegevens voor VT/VF, VT Monitor (VT-bewaking) en SVT-episodes. Het EGM vóór aanvang van de aritmie wordt weliswaar niet geregistreerd, maar het apparaat registreert wel maximaal 20 s gegevens vóór de aanvang of de detectie van de episode. Deze gegevens bevatten intervalmetingen en Marker Channel-annotaties. Verder worden voor de meeste recente tachycardie-episodes Flashback-geheugengegevens opgeslagen. Holter-telemetrie Langdurig gebruik van Holter-telemetrie verkort de levensduur van de batterij. De Holter-telemetriefunctie blijft gedurende de geprogrammeerde tijdsduur EGMen Marker Channel-gegevens uitzenden, ongeacht of de programmeerkop boven het apparaat is geplaatst of niet. Batterij-energie kan worden gespaard door de Holter-telemetriefunctie op de kortste tijdsduur te programmeren waarbij de gewenste gegevens nog kunnen worden verzameld. Artsenhandleiding 171
172 6 Hartfalen behandelen 6.1 Biventriculaire stimulatie voor cardialeresynchronisatie aanbieden Ventriculaire dissynchroniteit kan ineffectieve ventriculaire vulling en contractie veroorzaken, met als gevolg verslechtering van hartfalensymptomen. Dit kan resulteren in een kleiner slagvolume en dientengevolge een verminderde bloedstroom naar het lichaam Oplossing van het systeem: CRT-stimulatie Cardialeresynchronisatietherapie (CRT) is ontworpen voor het behandelen van ventriculaire dissynchroniteit door gecoördineerde uitgangspulsen aan zowel het linker- als het rechterventrikel af te geven. Succesvolle resynchronisatie van linker- en rechterventrikel kan de efficiëntie van elke contractie verbeteren, waardoor het hartminuutvolume toeneemt De werking van CRT-stimulatie CRT-stimulatie zorgt voor stimulatie van zowel het linker- als het rechterventrikel. Door beide ventrikels te stimuleren kan de mechanische contractie van de ventrikels verbeteren waardoor het hartminuutvolume van iedere hartslag verbetert. Het systeem biedt afzonderlijke stimulatieamplitude-, pulsduur- en stimulatiepolariteitparameters voor het linkerventrikel. Het systeem biedt eveneens extra parameters waarmee u de stimulatiesequentie en de tijdsduur van het interval tussen rechter- en linkerventrikeluitgangspulsen kunt selecteren. De parameter V. Pacing (V-stimulatie) regelt welke ventrikels worden gestimuleerd en in welke volgorde ze worden gestimuleerd. Met de parameter V. Pacing (V-stimulatie) kunt RV LV, LV RV of RV only pacing (alleen RV stimuleren) selecteren. De parameter V-V Pace Delay (V-V-stimulatievertraging) regelt het tijdsinterval tussen de 2 ventriculaire pulsen. Het apparaat verzorgt waarneming in zowel het atrium als het rechterventrikel. Raadpleeg Sectie 7.1, Intrinsieke hartactiviteit waarnemen, bladzijde 195 voor informatie over waarnemingsdrempels, geleidingsdraadpolariteiten, blankingperioden en refractaire perioden. Zie Sectie 7.2, Stimulatietherapieën afgeven, bladzijde 206 om meer te weten te komen over modi en stimulatie-informatie. 172 Artsenhandleiding
173 6.1.3 Richtlijnen voor het programmeren van het apparaat Het is belangrijk de apparaatparameters op de juiste instellingen te programmeren om tijdens alle te verwachten activiteiten van de patiënt voor optimale afgifte van CRT-stimulatietherapie te zorgen. De volgende richtlijnen dienen te worden overwogen in samenhang met de specifieke toestand van de patiënt en zijn of haar stimulatiebehoeften. Stimulatiemodus Programmeer de stimulatiemodus op een tweekamervolgmodus (DDD). De frequentieresponsieve modus (DDDR) kan worden geprogrammeerd als bij de patiënt indicaties voor frequentieresponsieve stimulatie ontstaan. Onderfrequentie Programmeer de onderfrequentieparameter lager dan de frequentie in rust, behalve als stimulatieondersteuning bij een hogere frequentie nodig is. Maximale volgfrequentie Programmeer de maximale-volgfrequentieparameter op de hoogste frequentie die de patiënt verdraagt, omdat CRT wordt verstoord wanneer de sinusfrequentie van de patiënt sneller is dan de maximale volgfrequentie. Dit kan resulteren in verlies van AV-synchroniteit of verlies van biventriculaire stimulatie die blijft voortduren tot de sinusfrequentie tot onder de maximale volgfrequentie daalt en biventriculaire stimulatie wordt hersteld. Dit kan bij hartfalenpatiënten belangrijke hemodynamische gevolgen hebben. Een maximale volgfrequentie van 140 min -1 wordt aanbevolen, mits de patiënt deze verdraagt. Wenkebach-werking en 2:1-blok dienen te worden vermeden om verlies van CRT te voorkomen. De programmeerbare waarden voor de maximale volgfrequentie kunnen worden beperkt door het geprogrammeerde maximale VT/VF-detectie-interval. Als de maximale volgfrequentie niet op de gewenste waarde kan worden geprogrammeerd, programmeer deze dan op de hoogste toegestane waarde. Herstel atriaal volgen Programmeer Atrial Tracking Recovery (Herstel atriaal volgen) op On (Aan). De functie Atrial Tracking Recovery (Herstel atriaal volgen) helpt het atriale volgen te herstellen als dit verloren is gegaan door opeenvolgende atriale events die in de refractaire periode van ventriculaire waargenomen events vallen. Waargenomen AV/gestimuleerd AV Programmeer Sensed AV (Waargenomen AV) zodanig dat de LV. vultijd maximaal is, vast te stellen met echocardiografie of een andere methode. De optimale waarde ligt vaak dicht bij 100 ms. Bij patiënten die frequentie-ondersteuning nodig hebben, dient het Paced AV interval (Gestimuleerd AV-interval) te worden geoptimaliseerd. Frequentieadapterend AV Programmeer de parameter Rate Adaptive AV (Frequentieadapterend AV) op On (Aan) met een startfrequentie die hoger is dan de frequentie van de patiënt in rust, een stopfrequentie van 140 min -1 en een Minimum Sensed AV (Minimum SAV)-interval dat volgen tot de Upper Tracking Rate (Maximale volgfrequentie) toelaat. Artsenhandleiding 173
174 Mode-switch Mode-switch dient op On (Aan) te worden geprogrammeerd als de patiënt een voorgeschiedenis van atriale aritmieën heeft of van atriale aritmieën wordt verdacht. PR Logic-detectiefuncties Programmeer AF/Afl (AF/Aflutter) en Sinus Tach (Sinustachycardie) op On (Aan). Doorgeleide AF-respons Programmeer Conducted AF Response (Doorgeleide AF-respons) op On (Aan) met het responsniveau ingesteld op Medium als Mode-switch ingeschakeld is. Deze functie helpt bij het handhaven van ventriculaire stimulatie wanneer een atriale aritmie ontstaat. Frequentieresponsieve modi Als de patiënt behoefte aan frequentieresponsieve stimulatie krijgt, programmeer de maximale sensorfrequentie dan zodanig dat oplopende stimulatiefrequenties worden geleverd die gelijk opgaan met de toename van activiteit. Programmeer de maximale sensorfrequentie en de maximale volgfrequentie bij patiënten met stabiele angina op een waarde die lager is dan de frequentie waarbij angina ontstaat. Frequentieresponsieve stimulatie is niet bestudeerd bij de hartfalenpopulatie. LV-stimulatiepolariteit Programmeer de LV-stimulatiepolariteit op LVtip to RVcoil (LVtip - RV-defibrillatie-elektrode) als er een unipolaire linksventriculaire geleidingsdraad geïmplanteerd is. De vector LVring to RVcoil (LV-ring - RV-defibrillatie-elektrode) kan bij gebruik in combinatie met een standaard bipolaire LV-stimulatiegeleidingsdraad verlaagde stimulatie-impedanties en verhoogde stimulatiedrempels vertonen. V-V-stimulatievertraging Programmeer de V-V-stimulatievertraging op 0 ms of op de optimale waarde als vastgesteld met echografie volgens de in Sectie beschreven procedure. V-waarnemingsrespons Programmeer de V-waarnemingsrespons op On (Aan). Deze functie is bedoeld voor het leveren van biventriculaire stimulatie bij aanwezigheid van snelle AV-geleiding of vroege ventriculaire waargenomen events. Na detectie van een ventriculair waargenomen event in het AV-interval stimuleert het apparaat onmiddellijk het ventrikel of de ventrikels, mits de uitgangspuls de geprogrammeerde maximale frequentie niet overschrijdt. Bij patiënten bij wie een stimulatiemodus zonder atriaal volgen geprogrammeerd is, kan zich bij elk niet-refractair ventriculair waargenomen event een ventriculairewaarnemingsrespons voordoen, mits de uitgangspuls de geprogrammeerde maximale frequentie niet overschrijdt Pogrammeeraanbevelingen voor de V-V-stimulatievertraging In deze paragraaf worden 2 niet-invasieve echocardiografische technieken beschreven die ten doel hebben het V-V-interval te optimaliseren. De methode die het meest recent in klinische studies is toegepast, gebruikt M-modus om het V-V-interval te vinden waarbij linksventriculaire dissynchroniteit minimaal is. De andere methode maakt gebruik van de Velocity Time Integral (VTI) (Snelheid-tijdintegraal) om het slagvolume te maximaliseren. 174 Artsenhandleiding
175 Overzicht echometingen met M-modus M-modusechocardiografie wordt gebruikt voor het beoordelen van de linksventriculaire mechanische coördinatie gebruikmakend van de mechanische piekcontractie van 2 linksventriculaire segmenten: mediobasaal septaal en mediobasaal buitenwand. De beweging van deze segmenten wordt gemeten bij een reeks verschillende V-V-intervallen waarbij het optimale V-V-interval het V-V-interval is dat de kortste vertraging tussen de mechanische piekcontracties van deze 2 segmenten oplevert. Aanbevelingen voor echometingen met M-modus Laat de patiënt zich gedurende ten minste 5 min vóór het onderzoek ontspannen. Gebruik M-modusechocardiografie over het parasternale korte-as-aanzicht boven de papillaire spieren. De sequentie van V-V-evaluatie-instellingen genoemd in Tabel 9 dient in de aangegeven volgorde te worden opgevolgd om het overdrachteffect tussen verschillende intervallen te minimaliseren. Houd tussen de metingen een pauze van ten minste 30 s aan. De versterkingsfactor op de echo dient zo laag mogelijk te worden ingesteld om signaalverstoring en ruis te minimaliseren. De registratiesnelheid dient maximaal 100 mm/ s te zijn om de nauwkeurigste metingen te verkrijgen. Stappen voor het evalueren van de V-V-stimulatievertraging met gebruikmaking van M-modus 1. Controleer of er bij de geprogrammeerde V-V-intervallen geen fusiestimulatie (intrinsieke activatiefusie met gestimuleerde slagen) plaatsvindt door eerst een toepasselijk kort AV-interval van 50 ms te programmeren. 2. Registreer met M-modusechocardiografie over het parasternale korte-as-aanzicht boven de papillaire spieren het interval (in ms) tussen de activatie van het LV. septale en het LV. posterolaterale segment voor elk van de V-V-evaluatie-instellingen uit Tabel 9. Tabel 9. V-V-evaluatie-instellingen Ventriculaire stimulatie V-V-stimulatievertraging (ms) LV RV (nominaal) 0 LV RV 40 LV RV 20 LV RV 10 RV LV 40 Artsenhandleiding 175
176 Tabel 9. V-V-evaluatie-instellingen (vervolg) Ventriculaire stimulatie V-V-stimulatievertraging (ms) RV LV 20 RV LV Programmeer de ventriculaire stimulatie en V-V-stimulatievertraging op waarden die resulteren in het kortste interval tussen activatie van LV. septum en LV. posterolateraal. 4. Optimaliseer het AV-interval Overzicht echometingen met de Velocity Time Integral (VTI) (Snelheid-tijdintegraal) Deze beoordeling wordt uitgevoerd door bepaling van het V-V-interval dat gepaard gaat met de grootste VTI-waarde en het dienovereenkomstig programmeren van het apparaat. Als een feitelijke slagvolumewaarde gewenst is, moet tijdens de echoprocedure de diameter van het uitstroomtracé van het linkerventrikel (LVOT) eveneens worden gemeten. Slagvolume = LVOT-oppervlakte x aortaflow-vti. De LVOT-diameter wordt gemeten met het parasternale lange-as-aanzicht. De aortaflow-vti wordt gemeten in het apicale 5-kameraanzicht. Aanbevelingen voor echometingen met VTI Laat de patiënt zich gedurende ten minste 10 min vóór het onderzoek ontspannen. Gebruik pulsed-wave Doppler. Stel de versterkingsfactor zo laag mogelijk in om signaalverstoring en ruis te minimaliseren. Stel de registratiesnelheid in op 100 mm/ s. Plaats voor aortasnelheidsmetingen het monstervolume centraal ongeveer 0,5 cm apicaal van de aortaklepbladen in het 5-kameraanzicht. Verwerf de aortaflowprofielen voor elk van de V-V-intervalinstellingen zonder het monstervolume te verplaatsen. Verwerf 15 tot 20 s per V-V-intervalinstelling. Verricht de VTI-metingen nadat alle flowprofielen zijn verkregen. Kies voor het meten een gelijkmatige slag van goede kwaliteit uit (niet te groot, niet te klein, niet vervormd). Overweeg 2 of 3 slagen te middelen als er geen gelijkmatige slagen verkrijgbaar zijn. 176 Artsenhandleiding
177 De relatie tussen het optimale AV-interval en de V-V-stimulatievertraging met gebruikmaking van VTI Deze beoordeling dient te worden uitgevoerd nadat het optimale AV-interval (AVopt) via echocardiografische beoordeling gevonden is. Het AVopt wordt ingesteld om de vultijd van het linkerventrikel te optimaliseren; het interval tussen atriaal event en LV. stimulatie moet dus constant blijven wanneer de V-V-stimulatievertraging wordt gevarieerd (zie Afbeelding 44). Dit betekent dat wanneer RV als eerste wordt gestimuleerd de V-V-stimulatievertraging afgetrokken moet worden van het optimale AV-interval om te bepalen welk AV-interval moet worden geprogrammeerd. Afbeelding 44. De relatie tussen het geoptimaliseerde AV-interval en de geprogrammeerde waarde voor het AV-interval en de V-V-stimulatievertraging Stappen voor het evalueren van de V-V-stimulatievertraging met gebruikmaking van VTI 1. Programmeer de volgende initiële nominale instellingen: Tabel 10. Initiële nominale instellingen V. Pacing (V. stimulatie) LV RV V-V-stimulatievertraging 0 ms AV-interval Als geoptimaliseerd m.b.v. echo 2. Meet de LVOT als slagvolumewaarden gewenst zijn (optioneel). 3. Meet de VTI-waarden bij verschillende V-V-intervalinstellingen. De waarden kunnen worden geselecteerd op basis van de voorkeuren van de arts of het ziekenhuis. Tabel 11 bevat een set mogelijke waarden. Artsenhandleiding 177
178 4. Programmeer nadat de optimale V-V-intervalinstelling gevonden is de optimale ventriculaire stimulatie, het optimale AV-interval en de optimale V-V-stimulatievertraging in het apparaat. 5. Bevestig het optimale AV-interval nogmaals bij de definitieve V-V-stimulatievertraginginstelling. Tabel 11. V-V-evaluatie-instellingen AVopt = het optimale AV-interval als vastgesteld met echo V. Pacing (V. stimulatie) AV Delay (AV-interval) V-V-stimulatievertraging (ms) LV RV AVopt 0 LV RV AVopt 10 LV RV AVopt 20 LV RV AVopt 40 RV LV AVopt RV LV AVopt RV LV AVopt Programmeerrichtlijnen voor CRT-stimulatie Stimulatieveiligheidsmarges Uitgangspulsen moeten worden afgegeven met voldoende veiligheidsmarge boven de stimulatiedrempels. Hoge uitgangspulsniveaus De instellingen voor pulsduur en amplitude zijn van invloed op de levensduur van het apparaat, vooral als de patiënt een groot deel van de tijd anti-bradycardiestimulatietherapie nodig heeft. Cross-chamber-waarneming De instellingen voor pulsduur en amplitude kunnen cross-chamber-waarneming beïnvloeden. Als de pulsduur- en amplitudewaarden te hoog worden ingesteld, kunnen uitgangspulsen in de ene kamer in de andere kamer worden waargenomen, waardoor de stimulatietherapie gewijzigd kan worden. 178 Artsenhandleiding
179 6.1.6 CRT-stimulatie programmeren Selecteer het pictogram Params (Parameters) Pacing (Stimulatie) V. Pacing (V. stimulatie) V-V Delay (V-V-interval) LV Amplitude (LV. amplitude) LV Pulse Width (LV. pulsduur) LV Pace Polarity (LV-stimulatiepolariteit) CRT-stimulatie evalueren Het frequentiehistogrammenrapport, het Cardiac Compass-rapport en het ventriculairewaarnemingsepisode-verslag kunnen helpen bij het beoordelen van CRT-stimulatie Het frequentiehistogrammenrapport Selecteer het pictogram Data (Gegevens) Clinical Diagnostics (Klinische diagnostieken) Rate Histograms (Frequentiehistogrammen) (alleen rapport) Het frequentiehistogrammenrapport bevat het percentage ventriculaire stimulatie over een reeks frequenties. Afbeelding 45. Het frequentiehistogrammenrapport Artsenhandleiding 179
180 Cardiac Compass-rapport Selecteer het pictogram Data (Gegevens) Clinical Diagnostics (Klinische diagnostieken) Cardiac Compass Trends (Cardiac Compass-trends) (alleen rapport) De trend % Pacing/day (% Stimulatie/dag) op het Cardiac Compass-rapport biedt een weergave van stimulatie in de loop van de tijd die u kan helpen bij het vaststellen van stimulatieveranderingen en -trends. De grafiek toont per dag het percentage van alle events die atriale uitgangspulsen en ventriculaire uitgangspulsen zijn. De percentages worden berekend uit de dagelijkse tellingen van AS-VS-, AS-VP-, AP-VS- en AP-VP-eventsequenties. Atriaal-refractaire events worden niet meegeteld. Afbeelding 46. % Stimulatie/dag-trendgrafiek Gegevens het ventriculaire-waarnemingsepisodeverslag Selecteer het pictogram Data (Gegevens) Clinical Diagnostics (Klinische diagnostieken) Ventricular Sensing Episodes (Ventriculairewaarnemingsepisodes) Er wordt een ventriculairewaarnemingsepisode aangemaakt wanneer CRT-stimulatie niet als gewenst wordt afgegeven omdat het intrinsieke ritme van de patiënt wordt waargenomen. 180 Artsenhandleiding
181 Afbeelding 47. Het ventriculaire-waarnemingsepisodeverslag ventriculaire waarnemingsrespons-stimulatie 1 Ventriculaire waarnemingsrespons-stimulatie (biventriculaire stimulatie afgegeven onmiddellijk na ventriculaire waarneming) Artsenhandleiding 181
182 Afbeelding 48. Het ventriculaire-waarnemingsepisodeverslag verlies van CRT-stimulatie 1 Verlies van atriaal volgen, en dientengevolge van CRT-stimulatie, tijdens een hoge intrinsieke atriale frequentie 6.2 Continue CRT-stimulatie bevorderen Voor optimale CRT-therapie bij hartfalenpatiënten is het nodig dat de patiënt zo vaak mogelijk biventriculair gestimuleerd wordt. Biventriculaire stimulatie kan worden onderbroken door ventriculaire waargenomen events, PVC s en snelle aan AF gerelateerde ventriculaire frequenties. Onderbreking van biventriculaire stimulatie kan leiden tot symptomen bij de patiënt en vermindering van de algehele effectiviteit van de therapie Oplossing van het systeem: CRT-herstelfuncties Het apparaat biedt 3 onderscheiden functies die helpen bij het instandhouden van gesynchroniseerde biventriculaire stimulatie. Ventriculairewaarnemingsrespons is ontworpen om het apparaat te helpen CRT-stimulatie in stand te houden bij aanwezigheid van ventriculaire waarneming. 182 Artsenhandleiding
183 Herstel atriaal volgen is ontworpen om het apparaat te helpen bij het herstellen van het atriale volgen wanneer dit verloren gegaan is als gevolg van PVC s of een atriaal ritme dat zo snel is dat het ventrikel dit niet kan volgen. Dit herstel van atriaal volgen helpt bij het instandhouden van AV-synchroniteit en bij het zorgen voor continue CRT-stimulatie. Doorgeleide AF-respons is ontworpen om afgifte van CRT-stimulatie tijdens doorgeleide AT/AF-episodes te bevorderen De werking van de ventriculairewaarnemingsrespons Ventriculairewaarnemingsrespons is beschikbaar in zowel niet-atriale volgstimulatie-modus als atriale volgstimulatie-modus. In een niet-volgmodus triggert een waargenomen rechtsventriculair event een onmiddellijke ventriculaire uitgangspuls. In een volgmodus triggert een waargenomen rechtsventriculair event tijdens het AV-interval een onmiddellijke ventriculaire uitgangspuls. Ventriculairewaarnemingsrespons-uitgangspulsen worden afgegeven op basis van de geprogrammeerde CRT-parameters. Afbeelding 49. De werking van de ventriculairewaarnemingsrespons 1 Ventriculairewaarnemingsrespons-uitgangspulsen worden onmiddellijk na ventriculaire waargenomen events afgegeven. Deze stimulatie-getriggerde events worden aangegeven door een korte Marker Channel-code (waarneming), gevolgd door een lange Marker Channel-code (stimulatie). De twee codes samen worden met VS gelabeld. Als het ventriculaire interval gemeten vanaf het voorgaande event korter is dan het geprogrammeerde maximale frequentie-interval, wordt geen ventriculairewaarnemingsrespons-uitgangspuls afgegeven. Omdat het ventriculaire waargenomen event en de ventriculairewaarnemingsrespons-uitgangspuls zeer dicht bij elkaar liggen, wordt de biventriculaire (BV) code niet op de realtime ECG-strook afgedrukt. Artsenhandleiding 183
184 Opmerkingen: Ventriculairewaarnemingsrespons-uitgangspulsen worden niet inbegrepen in intervalberekeningen voor tachycardiedetectie. Een ventriculaire waarneming die resulteert in een ventriculairewaarnemingsrespons-uitgangspuls wordt opgenomen in de telling van opeenvolgende waargenomen events om een ventriculairewaarnemingsepisode te detecteren. De ventriculairewaarnemingsrespons-uitgangspuls wordt niet opgenomen in de telling van opeenvolgende gestimuleerde events om beëindiging van een ventriculairewaarnemingsepisode te detecteren. Ventriculaire waarneming voor de functie Ventricular Sense Response (Ventriculairewaarnemingsrespons) vindt uitsluitend plaats via de RV. geleidingsdraad. De werking van ventriculairewaarnemingsrespons wordt onderbroken tijdens tachycardietherapieën, systeemtests, EP-studie-inducties, handmatige therapieën, emergency-vaste-bursts, cardioversie en defibrillatietherapieën. De werking van ventriculairewaarnemingsrespons wordt niet onderbroken tijdens een impedantietest of een lading/ontlading-test Programmeerrichtlijnen voor de ventriculairewaarnemingsrespons Ventriculairewaarnemingsrespons en ventriculaire veiligheidsstimulatie Wanneer ventriculairewaarnemingsrespons en ventriculaire veiligheidsstimulatie allebei op On (Aan) geprogrammeerd zijn, heeft de werking van ventriculaire veiligheidsstimulatie voorrang tijdens het ventriculaireveiligheidsstimulatie-interval. Als er tijdens het ventriculaireveiligheidsstimulatie-interval een ventriculair event wordt waargenomen, wordt geen ventriculaire waarnemingsrespons-uitgangspuls afgegeven en wordt aan het eind van het ventriculaireveiligheidsstimulatie-interval een veiligheidsuitgangspuls afgegeven. Ventriculairewaarnemingsrespons wordt weer actief nadat het ventriculaireveiligheidsstimulatie-interval afgelopen is. Zie Sectie 7.10, Onterechte ventriculaire inhibitie reduceren met VSP, bladzijde 238 voor meer informatie over ventriculaire veiligheidsstimulatie. 184 Artsenhandleiding
185 Ventriculairewaarnemingsrespons programmeren Selecteer het pictogram Params (Parameters) Pacing (Stimulatie) Arrhythmia/Post Shock (Aritmie/na een schok) V. Sense Response (V-waarnemingsrespons) <On> (Aan) Additional V Settings (Aanvullende V. instellingen) V. Sense Response (V-waarnemingsrespons) Maximum Rate (Maximale frequentie) De werking van Atrial Tracking Recovery (Herstel atriaal volgen) Atriale waargenomen events kunnen in de postventriculaire atriale refractaire periode (PVARP) vallen. Wanneer dit gebeurt, classificeert het apparaat het atriale event als een refractair event en treedt er een verlies van atriaal volgen op. Verlies van volgen kan verhinderen dat CRT-stimulatie wordt afgegeven. Om atriaal volgen en CRT-therapie te herstellen, moeten atriale events buiten PVARP vallen. De functie Atrial Tracking Recovery (Herstel atriaal volgen) verkort PVARP tijdelijk zodat waargenomen atriale events naar het ventrikel kunnen worden gevolgd en CRT-stimulatie kan worden hervat. Atrial Tracking Recovery (Herstel atriaal volgen) is beschikbaar in de atriale volgmodi (DDD en DDDR), terwijl een mode-switch niet van kracht is. Afbeelding 50. De werking van Atrial Tracking Recovery (Herstel atriaal volgen) 1 Atriale events treden tijdens PVARP op en worden niet naar de ventrikels gevolgd voor het genereren van CRT-stimulatie. Artsenhandleiding 185
186 2 Atrial Tracking Recovery (Herstel atriaal volgen) grijpt in om dit patroon te doorbreken. PVARP wordt verkort zodat atriaal volgen kan worden hersteld. 3 De interventie gaat door tot correct AV-volgen bij de geprogrammeerde SAV-waarde hersteld is en biventriculaire CRT-stimulatie hervat is. Opmerking: De werking van Atrial Tracking Recovery (Herstel atriaal volgen) wordt onderbroken tijdens tachycardietherapieën, systeemtests, EP-studie-inducties, handmatige therapieën, emergency-vaste-bursts, cardioversie en defibrillatietherapieën. De werking van Atrial Tracking Recovery (Herstel atriaal volgen) wordt niet onderbroken tijdens een impedantietest of een lading/ontlading-test Programmeerrichtlijnen voor Atrial Tracking Recovery (Herstel atriaal volgen) Maximale volgfrequentie Atrial Tracking Recovery (Herstel atriaal volgen)-interventies komen alleen voor wanneer de sinusfrequentie lager is dan de geprogrammeerde maximale volgfrequentie. Derhalve kan het selecteren van een maximale volgfrequentie die gerelateerd is aan het bereik van de sinusfrequenties van de patiënt de frequentie en de noodzaak van Atrial Tracking Recovery (Herstel atriaal volgen)-interventies beïnvloeden. Opmerking: De kans dat Atrial Tracking Recovery (Herstel atriaal volgen)-interventies nodig zijn, is kleiner wanneer het apparaat op een hoge maximale volgfrequentie, een kort of frequentieadapterend AV-interval, of een korte PVARP wordt geprogrammeerd, waardoor hoge atriale frequenties kunnen worden gevolgd. Stimulatieparameters Als u stimulatieparameters programmeert terwijl een Atrial Tracking Recovery (Herstel atriaal volgen)-interventie gaande is, wordt de interventie afgebroken en keert Atrial Tracking Recovery (Herstel atriaal volgen) terug naar het controleren op het AR-VS-patroon Atrial Tracking Recovery (Herstel atriaal volgen) programmeren Selecteer het pictogram Params (Parameters) Pacing (Stimulatie) Additional Features (Aanvullende functies) Atrial Tracking Recovery (Herstel atriaal volgen) 186 Artsenhandleiding
187 6.2.4 De werking van een doorgeleide AF-respons Wanneer bij patiënten met intacte AV-geleiding AT/AF optreedt, kan het snelle atriale ritme onregelmatig naar de ventrikels worden doorgeleid. Door de onregelmatigheid van de ventriculaire frequentie en door het verlies van ventriculaire stimulatie kan de patiënt symptomen krijgen. Om de afgifte van cardialeresynchronisatietherapie tijdens AT/AF-episodes te bevorderen, kunt u het apparaat zo programmeren dat de stimulatiefrequentie overeenkomstig toeneemt met de intrinsieke ventriculaire respons van de patiënt op een doorgeleide atriale tachycardie. De functie Conducted AF Response (Doorgeleide AF-respons) versnelt de stimulatiefrequentie wanneer ventriculaire waargenomen events optreden en vertraagt die frequentie wanneer ventriculaire uitgangspulsen optreden. Afhankelijk van de geprogrammeerde waarde voor het responsniveau telt het apparaat maximaal 3 min -1 bij in respons op een waargenomen event en trekt het 1 min -1 af in respons op een uitgangspuls. Het resultaat is een hoger percentage ventriculaire stimulatie bij een gemiddelde frequentie die de ventriculaire respons van de patiënt op de AT/AF-episode dicht benadert. Door de respons van de patiënt dynamisch op AT/AF af te stemmen, kan het apparaat het percentage ventriculaire stimulatie verhogen met weinig of geen verhoging van de gemiddelde dagelijkse hartfrequentie. Doorgeleide AF-respons werkt alleen in niet-volgmodi (DDIR of VVIR). Het wordt gewoonlijk toegepast tijdens een modusomschakeling in reactie op de onset van een atriale tachycardie. Afbeelding 51. De werking van doorgeleide AF-respons 1 De sequentie BV-AR-VS verhoogt de stimulatiefrequentie met 1 min -1 als het responsniveau op laag of medium geprogrammeerd is. 2 De sequentie VS-BV laat de stimulatiefrequentie onveranderd. 3 De sequentie BV-BV vermindert de stimulatiefrequentie met 1 min -1. Artsenhandleiding 187
188 Opmerking: De werking van doorgeleide AF-respons wordt onderbroken tijdens tachycardietherapieën, systeemtests, EP-studie-inducties, handmatige therapieën, emergency-vaste-bursts, cardioversie en defibrillatietherapieën. De werking van doorgeleide AF-respons wordt niet onderbroken tijdens een impedantietest of een lading/ontlading-test Programmeerrichtlijnen voor doorgeleide AF-respons Maximale frequentie Toenamen tot de stimulatiefrequentie veroorzaakt door doorgeleide AF-respons worden beperkt door de geprogrammeerde maximale frequentie. Waarde voor het responsniveau Een hoge waarde voor het responsniveau resulteert in een hoger percentage ventriculaire stimulatie en een snellere aanpassing aan de eigen ventriculaire responsfrequentie van de patiënt. DDD- of DDDR-modus Doorgeleide AF-respons werkt alleen in niet-volgmodi. Wanneer de DDD- of de DDDR-modus geprogrammeerd is, werkt doorgeleide AF-respons derhalve alleen maar tijdens een mode-switch. Mode Switch (Mode-switch) moet op On (Aan) worden geprogrammeerd om Conducted AF Response (Doorgeleide AF-respons) op On (Aan) te programmeren Doorgeleide AF-respons programmeren Selecteer het pictogram Params (Parameters) Pacing (Stimulatie) Arrhythmia/Post Shock (Aritmie/na een schok) Conducted AF Response (Doorgeleide AF-respons) <On> (Aan) Additional V Settings (Aanvullende V. instellingen) Response Level (Responsniveau) Maximum Rate (Maximale frequentie) Evaluatie van de CRT-herstelfuncties Ventriculaire-waarnemingsepisodeverslagen Het apparaat maakt een episodeverslag aan wanneer het rechtsventriculaire events waarneemt die tot het niet-afgeven van optimale CRT-stimulatie kunnen leiden. Selecteer het pictogram Data (Gegevens) Clinical Diagnostics (Klinische diagnostieken) Ventricular Sensing Episodes (Ventriculairewaarnemingsepisodes) 188 Artsenhandleiding
189 Afbeelding 52. Het ventriculaire-waarnemingsepisodeverslag ventriculaire waarnemingsrespons-stimulatie 1 Ventriculaire waarnemingsrespons-stimulatie (BV-markers boven VS-markers) Artsenhandleiding 189
190 Afbeelding 53. Het ventriculaire-waarnemingsepisodeverslag verlies van CRT-stimulatie 1 Verlies van atriaal volgen, en dientengevolge van CRT-stimulatie, tijdens een hoge intrinsieke atriale frequentie Cardiac Compass-trendrapport Selecteer het pictogram Reports (Rapporten) Available Reports (Beschikbare rapporten) Cardiac Compass Trends (Cardiac Compass-trends) (alleen rapport) Afbeelding 54. Cardiac Compass-trendrapport 190 Artsenhandleiding
191 Dit rapport toont de ventriculaire frequentie tijdens AT/AF-episodes en levert per episode maximale en gemiddelde frequenties. Zie Sectie 5.4, Klinische langetermijntrends bekijken met het Cardiac Compass-rapport, bladzijde 137 voor meer informatie over de Cardiac Compass-trendrapporten. 6.3 Gegevens over ventriculairewaarnemingsepisodes verzamelen en bekijken Het apparaat definieert een ventriculairewaarnemingsepisode als een periode waarin ventriculaire stimulatie geïnhibeerd wordt door de intrinsieke ventriculaire activiteit van de patiënt. Langdurige episodes van ventriculaire waarneming kunnen CRT-stimulatie inhiberen, met als gevolg verlies van synchroniteit en mogelijke verergering van hartfalensymptomen. Het systeem biedt diagnostische informatie die u helpt bij het vaststellen van de oorzaak van ventriculairewaarnemingsepisodes en het herprogrammeren om deze episodes te vermijden. De gegevens die voor een ventriculairewaarnemingsepisode worden verzameld, zijn de datum en het tijdstip, de duur, de intervallen en markers, de maximale atriale en ventriculaire frequenties, en een indicatie of de episode deel van een tachycardie uitmaakte. Het apparaat begint gegevens voor een ventriculairewaarnemingsepisode te verzamelen nadat zich een programmeerbaar aantal opeenvolgende ventriculaire waarnemingen heeft voorgedaan. Het apparaat stopt met verzamelen van gegevens voor een episode wanneer zich een programmeerbaar aantal opeenvolgende ventriculaire gestimuleerde events heeft voorgedaan. Opmerkingen: Het apparaat classificeert ventriculairewaarnemingsrespons-events of ventriculaireveiligheidsstimulatie-events als waargenomen events wanneer het gegevens voor een ventriculairewaarnemingsepisode verzamelt. Het gevolg is dat de stimulatietherapie die door deze functies wordt geleverd, de detectie van ventriculairewaarnemingsepisodes niet verhindert. Ventriculaire stimulatie tijdens een Atrial Tracking Recovery (Herstel atriaal volgen)-interventie wordt niet opgenomen in de telling voor het beëindigen van de ventriculairewaarnemingsepisode. Zie Sectie 6.2, Continue CRT-stimulatie bevorderen, bladzijde 182 voor nadere informatie over ventriculairewaarnemingsrespons en Atrial Tracking Recovery (Herstel atriaal volgen). Artsenhandleiding 191
192 6.3.1 Parameters voor ventriculairewaarnemingsepisodes programmeren Selecteer het pictogram Params (Parameters) Data Collection Setup (Gegevensverzamelingconfiguratie) V Sensing Episodes (V-waarnemingsepisodes) Collect If (Verzamelen als): Consecutive VS (Opeenvolgende VS) >= End Collection If (Verzamelen beëindigen als): Consecutive VP (Opeenvolgende VP) >= Specificeer bij het instellen van parameters voor het verzamelen van ventriculairewaarnemingsepisode-gegevens het aantal opeenvolgende ventriculaire waarnemingen dat nodig is om het verzamelen van gegevens te starten (gedefinieerd door de parameter Collect If [Verzamelen als]: Consecutive VS [Opeenvolgende VS] >=) en het aantal opeenvolgende ventriculaire uitgangspulsen dat nodig is om het verzamelen van gegevens voor een episode te beëindigen (gedefinieerd door de parameter End Collection If [Verzamelen beëindigen als]: Consecutive VP [Opeenvolgende VP] >=). Als lage waarden worden ingesteld voor het aantal ventriculaire waarnemingen en het aantal ventriculaire uitgangspulsen voor respectievelijk het starten en het beëindigen van het verzamelen van gegevens, kan dat leiden tot een relatief groot aantal ventriculairewaarnemingsepisodes. Sommige van deze episodes kunnen kort zijn. Selecteer hoge waarden voor deze parameters als u gegevens wilt verzamelen over de frequentie en de onsetmechanismen van lange episodes Ventriculairewaarnemingsepisodes bekijken Ventriculairewaarnemingsepisodes kunnen worden bekeken in het scherm Data (Gegevens) Ventricular Sensing Episodes (Ventriculairewaarnemingsepisodes). Selecteer het pictogram Data (Gegevens) Clinical Diagnostics (Klinische diagnostieken) Ventricular Sensing Episodes (Ventriculairewaarnemingsepisodes) 192 Artsenhandleiding
193 Afbeelding 55. Voorbeeld van een ventriculairewaarnemingsepisode met ventriculairewaarnemingsrespons op On (Aan) geprogrammeerd 1. Selecteer een waarnemingsepisodeverslag uit de lijst. 2. Het scherm toont de marker- en intervalgegevens van het geselecteerde episodeverslag. 3. Verplaats de horizontale schuifbalk naar rechts en links om verschillende gebieden van de markerstrook te bekijken. 4. Selecteer het type intervalgegevens dat de markerstrook moet laten zien. Er kan voor één van de volgende intervallen worden gekozen: het interval tussen atriaal en atriaal event (A-A), het interval tussen atriaal en ventriculair event (A-V) en het interval tussen ventriculair en atriaal event (V-A). 5. Selecteer [Previous] (Vorige) of [Next] (Volgende) om het vorige of het volgende episodeverslag uit de lijst te bekijken, met het actueel geselecteerde episodeverslag als uitgangspunt. 6. Gebruik de vergrootglastoetsen om de markerstrip te vergroten of te verkleinen. 7. Selecteer [Print ] (Afdrukken ) om een kopie van het geselecteerde episodeverslag af te drukken. Artsenhandleiding 193
194 In Afbeelding 55 leverde het apparaat regelmatige biventriculaire stimulatie voordat het eerste ventriculaire waargenomen event optrad. Op het moment dat het apparaat een ventriculaire waarneming detecteerde, leverde het apparaat biventriculaire stimulatie, maar vanaf dat moment vindt stimulatie plaats in respons op de ventriculaire waarneming omdat de functie ventriculairewaarnemingsrespons op On (Aan) geprogrammeerd is. De BV-markers die onmiddellijk na de ventriculairewaarnemingsmarkers verschijnen, duiden erop dat het apparaat als gevolg van ventriculairewaarnemingsrespons biventriculair stimuleert. Als zich herhaaldelijk stimulatie door ventriculairewaarnemingsrespons voordoet, kan dat erop duiden dat de CRT niet optimaal op de patiënt afgestemd is en moeten de stimulatieparameters mogelijk worden bijgesteld. Max bpm A/V Deze gegevens geven op het hoogste aantal atriale en ventriculaire slagen per minuut aan dat zich tijdens het verzamelen van de ventriculairewaarnemingsepisode-gegevens heeft voorgedaan. AT/AF Als het apparaat tijdens de ventriculairewaarnemingsepisode een atriale tachycardie of atriale fibrillatie detecteert, verschijnt het woord Yes (Ja) onder deze kop. Atriale tachycardieën zijn in ventriculairewaarnemingsepisode-gegevens terug te zien, maar leiden niet tot beëindiging van de ventriculairewaarnemingsepisode. VT/VF Een ventriculaire tachycardie leidt altijd tot beëindiging van het verzamelen van ventriculairewaarnemingsepisode-gegevens. Wanneer het woord Yes (Ja) onder deze kop verschijnt, geeft dat aan dat het verzamelen van de ventriculairewaarnemingsepisode-gegevens beëindigd is door een ventriculaire tachycardie en niet omdat het programmeerbare aantal ventriculaire uitgangspulsen is opgetreden. 194 Artsenhandleiding
195 7 Stimulatietherapieën configureren 7.1 Intrinsieke hartactiviteit waarnemen Het apparaat moet het optreden van intrinsieke hartactiviteit waarnemen en tegelijkertijd oversensing vermijden zodat het op juiste wijze therapieën afgeeft. Effectief waarnemen kan de effecten verminderen van lange depolarisaties na gestimuleerde events, oversensing van hetzelfde event, cross-chamber-waarneming, far-field-r-top-waarneming, T-top-waarneming, ruis en interferentie Oplossing van het systeem: Waarneming Effectief waarnemen is essentieel voor een veilig en effectief gebruik van het apparaat. Het apparaat neemt waar in zowel het atrium als het rechterventrikel via de waarnemingselektroden van de daar geïmplanteerde geleidingsdraden. U kunt de gevoeligheid voor intracardiale signalen aanpassen. Iedere gevoeligheidsinstelling vertegenwoordigt een drempelwaarde die de kleinste elektrische amplitude definieert die door het apparaat herkend wordt als een waargenomen event in het atrium of het rechterventrikel. Opmerking: Als een hogere waarde voor de waarnemingsdrempel wordt geselecteerd, neemt de gevoeligheid voor lage-amplitudesignalen af. Programmeerbare blankingperioden en refractaire perioden helpen bij het uitfilteren van waarnemingen van externe events of het voorkomen dat het apparaat daarop reageert. Blankingperioden volgen na uitgangspulsen, waargenomen events en schokken. Tijdens blankingperiodes wordt waarneming geïnhibeerd. Refractaire perioden volgen na uitgangspulsen en waargenomen events. Het apparaat is in staat tot het waarnemen van events tijdens refractaire perioden, maar markeert deze als refractaire events. Refractaire events hebben in het algemeen geen effect op de timing van daaropvolgende stimulatie-events, maar worden gebruikt door de functies voor tachycardiedetectie. Artsenhandleiding 195
196 De waarnemingspolariteit is bipolair in het atrium en bipolair of tip - defibrillatie-elektrode in het rechterventrikel. Het apparaat kan voor rechtsventriculaire waarneming een true bipolar-geleidingsdraad of een integrated bipolar-geleidingsdraad gebruiken. Met een true bipolar-geleidingsdraad vindt rechtsventriculaire waarneming plaats tussen de RV-tip-elektrode en de RV-ringelektrode (bipolair) of tussen de RV-tip-elektrode en de RV-defibrillatie-elektrode (zie Afbeelding 56). De waarnemingsvector is programmeerbaar via de parameter RV Sense Polarity (RV-waarnemingspolariteit). Met een integrated bipolar-geleidingsdraad vindt rechtsventriculaire waarneming plaats tussen de RV-tip-elektrode en de RV-defibrillatie-elektrode. In dit geval heeft de parameter RV Sense Polarity (RV-waarnemingspolariteit) geen effect op de waarnemingsvector. De waarnemings- en blankingfuncties zijn in deze geleidingsdraadconfiguraties identiek. Afbeelding 56. Ventriculaire waarneming met een true bipolar- of een integrated bipolar-geleidingsdraad 1 Waarnemen met een true bipolar-geleidingsdraad en de RV-waarnemingspolariteit geprogrammeerd op bipolair 2 Waarnemen met een true bipolar-geleidingsdraad en RV-waarnemingspolariteit geprogrammeerd op tip - defibrillatie-elektrode 3 Waarnemen met een integrated bipolar-geleidingsdraad en RV-waarnemingspolariteit geprogrammeerd op bipolair of op tip - defibrillatie-elektrode 196 Artsenhandleiding
197 7.1.2 De werking van waarnemingsdrempels Het apparaat past waarnemingsdrempels na bepaalde gestimuleerde en waargenomen events automatisch aan om oversensing van T-toppen, cross-chamber-events en uitgangspulsen te helpen verminderen. De drempelaanpassing is afhankelijk van het type event dat aan de aanpassing voorafgaat. Tijdens een automatische aanpassing wordt de waarnemingsdrempel automatisch verhoogd, maar daalt daarna geleidelijk weer tot de geprogrammeerde gevoeligheidswaarde, d.w.z. de laagste amplitude die kan worden waargenomen. De drempeldaling is in principe snel genoeg om volgende lage-amplitudesignalen te kunnen waarnemen. Afbeelding 57 toont drempelaanpassing bij nominale instellingen. Afbeelding 57. Automatische aanpassing van waarnemingsdrempels 1 Na een atriaal waargenomen event is het apparaat tijdelijk minder gevoelig voor atriale events. 2 Na een ventriculair waargenomen event is het apparaat tijdelijk minder gevoelig voor ventriculaire events. 3 Na een atriaal gestimuleerd event is het apparaat tijdelijk minder gevoelig voor ventriculaire events, maar blijft de gevoeligheid voor atriale events onveranderd. 4 Na een ventriculair gestimuleerd event is het apparaat tijdelijk minder gevoelig voor atriale events. 5 Na een blankingperiode na een uitgangspuls is het apparaat tijdelijk minder gevoelig voor ventriculaire events. Opmerking: Wanneer zich waargenomen events met een hoge amplitude voordoen, wordt de gevoeligheidsvermindering beperkt om undersensing van volgende intrinsieke events te voorkomen. Artsenhandleiding 197
198 7.1.3 De werking van blankingperioden Blankingperioden volgen na gestimuleerde en waargenomen events. Blankingperioden helpen voorkomen dat het apparaat uitgangspulsen, cardioversie- en defibrillatiepulsen, depolarisatie na stimulatie, T-toppen en oversensing van hetzelfde event waarneemt. De blankingperioden na gestimuleerde events zijn langer dan of even lang als de blankingperioden na waargenomen events om waarneming van de atriale en ventriculaire depolarisaties te voorkomen. Opmerking: De blankingduur wordt gemeten vanaf het eind van de tweede ventriculaire uitgangspuls. Programmeerbare parameters bepalen de lengte van de blankingperioden na waargenomen events, gestimuleerde events en gestimuleerde events na een schok. Afbeelding 58. Programmeerbare blankingperioden 1 Na een waargenomen atriaal event wordt atriale waarneming uitgeschakeld voor de duur van deze atriale blankingperiode die gedefinieerd wordt door de parameter A. Blank Post AS (Atriale blanking na atriale waarneming). 2 Na een waargenomen ventriculair event wordt ventriculaire waarneming uitgeschakeld voor de duur van deze ventriculaire blankingperiode die gedefinieerd wordt door de parameter V. Blank Post VS (Ventriculaire blanking na ventriculaire waarneming). 3 Na een gestimuleerd atriaal event wordt atriale waarneming uitgeschakeld voor de duur van deze atriale blankingperiode die gedefinieerd wordt door de parameter A. Blank Post AP (Atriale blanking na atriale uitgangspuls). 4 Na een gestimuleerd ventriculair event wordt ventriculaire waarneming uitgeschakeld voor de duur van deze ventriculaire blankingperiode die gedefinieerd wordt door de parameter V. Blank Post VP (Ventriculaire blanking na ventriculaire uitgangspuls). De in Tabel 12 genoemde cross-chamber-blankingperioden kunnen niet worden geprogrammeerd. 198 Artsenhandleiding
199 Tabel 12. Cross-chamber-blankingperioden Parameter Atriale blanking na een ventriculaire uitgangspuls Ventriculaire blanking na een atriale uitgangspuls Waarde 30 ms a 30 ms b a Het apparaat kan deze waarde waar nodig na biventriculaire uitgangspulsen vergroten of verkleinen. b Als de RV-stimulatieamplitude op 8 V geprogrammeerd is, is deze waarde 35 ms. De blankingperioden na een schok zijn evenmin programmeerbaar. Na afgifte van een cardioversie- of defibrillatietherapie duurt de atriale en ventriculaire blanking 520 ms De werking van postventriculaire atriale blanking (PVAB) Het systeem gebruikt postventriculaire atriale blanking (PVAB) om het effect van far-field-r-toppen te elimineren. Far-field-R-toppen zijn ventriculaire events die in het atrium worden waargenomen. De werking van PVAB wordt bepaald door 2 programmeerbare parameters: PVAB-interval en PVAB-methode. Atriale events die tijdens het PVAB-interval worden waargenomen, worden alleen bij tachycardiedetectie gebruikt en hebben geen invloed op de timing van de stimulatie. Wijziging van het PVAB-interval is echter wel beslissend voor de vraag of een event wel of niet binnen het interval valt. De 3 programmeerbare waarden van PVAB-methode zijn Partial (Gedeeltelijk), Partial+ (Gedeeltelijk+) en Absolute (Absoluut). Met deze parameter wordt bepaald of atriale events die zich tijdens het PVAB-interval voordoen door het apparaat worden waargenomen. Met deze parameter wordt eveneens geregeld hoe de atriale waarnemingsdrempel na een ventriculair event wordt bijgesteld. Raadpleeg Afbeelding 59 voor een vergelijking van de PVAB-methoden. Gedeeltelijke PVAB Wanneer de methode Partial (Gedeeltelijk) PVAB wordt gebruikt, worden tijdens het geprogrammeerde PVAB-interval waargenomen atriale events niet door de functies voor anti-bradycardiestimulatie maar door de functies voor tachycardiedetectie gebruikt. Gedeeltelijke+ PVAB De methode Partial+ (Gedeeltelijk+) PVAB kan de waarneming van far-field-r-toppen effectiever elimineren dan Partial (Gedeeltelijk) PVAB. Partial+ (Gedeeltelijk+) PVAB werkt op vergelijkbare wijze als Partial (Gedeeltelijk) PVAB, maar na een ventriculair event wordt de atrialewaarnemingsdrempel voor de duur van het geprogrammeerde PVAB-interval verhoogd. Daardoor neemt de kans op waarneming van far-field-r-toppen tijdens dit interval af. Na het PVAB-interval keert de atrialewaarnemingsdrempel geleidelijk terug naar het geprogrammeerde niveau. Verlenging van het PVAB-interval kan van invloed zijn op waarneming van intrinsieke en far-field-r-toppen omdat daardoor de periode verandert waarin de waarnemingsdrempel verhoogd is. Artsenhandleiding 199
200 Absolute PVAB Wanneer de methode Absolute PVAB wordt gebruikt, worden geen atriale events in het PVAB-interval waargenomen. De Absolute PVAB-methode wordt alleen aanbevolen bij complicaties die niet met de andere PVAB-methoden worden verholpen. Waarschuwing: Als de PVAB-methode Absolute wordt geprogrammeerd, wordt tijdens het blankinginterval niet atriaal waargenomen. Absolute blanking kan het vermogen om AT/AF waar te nemen verkleinen, evenals het vermogen om onderscheid te maken tussen VT en SVT. Gebruik altijd Partial (Gedeeltelijk) of Partial+ (Gedeeltelijk+), behalve als u zeker weet dat Absolute blanking de beste methode is. Afbeelding 59. Vergelijking van de PVAB-methoden 1 Wanneer Partial (Gedeeltelijk) PVAB wordt gebruikt en de far-field-r-top overschrijdt de atriale drempel, geeft een Ab-marker aan dat het event tijdens het PVAB-interval is waargenomen. 2 Met Partial+ (Gedeeltelijk+) PVAB wordt na een ventriculair waargenomen of gestimuleerd event de atrialewaarnemingsdrempel verhoogd en is het apparaat minder gevoelig voor atriale events. 3 Wanneer Absolute PVAB wordt gebruikt, wordt een atriaal event in het PVAB-interval geblankt, ongeacht of de far-field-r-top de atriale drempel wel of niet overschrijdt. 4 Op de verandering in atriale waarnemingsdrempel na zijn Partial+ (Gedeeltelijk+) PVAB en Partial (Gedeeltelijk) PVAB gelijk aan elkaar. Bij beide methodes worden in het PVAB-interval waargenomen atriale events gebruikt door de functies voor tachycardiedetectie. 200 Artsenhandleiding
201 7.1.5 De werking van refractaire perioden Tijdens een refractaire periode neemt het apparaat normaal waar, maar worden waargenomen events als refractair geclassificeerd en wordt de respons tot deze events beperkt. Met de refractaire stimulatieperioden wordt voorkomen dat bepaalde stimulatietiming-intervallen gestart worden door onterecht waargenomen signalen, zoals far-field-r-toppen of elektrische ruis. Refractaire stimulatieperioden hebben geen invloed op tachycardiedetectie. De beschikbaarheid van refractaire perioden is afhankelijk van de geprogrammeerde stimulatiemodus. De postventriculaire atriaal-refractaire periode (PVARP) is beschikbaar in tweekamerstimulatiemodi, de atriale refractaire periode is beschikbaar in atrialestimulatiemodi Postventriculaire atriaal-refractaire periode (PVARP) De postventriculaire atriaal-refractaire periode (PVARP) volgt op een gestimuleerd, waargenomen of refractair waargenomen ventriculair event. Een atriaal event dat tijdens dit interval wordt waargenomen, wordt geclassificeerd als een refractair event. Een dergelijk event zorgt niet voor inhibitie van een geplande atriale uitgangspuls noch voor de start van een waargenomen AV-interval. De PVARP-instelling is alleen programmeerbaar voor tweekamerstimulatiemodi (uitgezonderd de DOO-modus). Wanneer het apparaat in de modi DDDR en DDD werkt, voorkomt de PVARP-instelling het volgen van retrograde P-toppen die een pacemakergeïnduceerde tachycardie zouden kunnen opwekken. Wanneer het apparaat in de modi DDIR en DDI werkt, voorkomt de PVARP-instelling de inhibitie van atriale stimulatie op basis van waargenomen retrograde P-toppen. PVARP dient op een waarde te worden geprogrammeerd die langer is dan de geleidingstijd van het VA-interval (retrograde). Afbeelding 60. Timing voor de vaste PVARP Artsenhandleiding 201
202 De parameter PVARP kan ook op Auto in plaats van op een vast waarde worden geprogrammeerd. Auto PVARP past PVARP aan in respons op veranderingen in de intrinsieke frequentie van de patiënt of de stimulatiefrequentie. Tijdens een mode-switch-episode schakelt het apparaat Auto PVARP in. Zie Sectie 7.5, PVARP aanpassen aan veranderingen in de hartfrequentie van de patiënt, bladzijde 228 voor meer informatie. De PVARP-instelling kan door de PVC-responsfunctie of de PMT-interventiefunctie worden verlengd Atriale refractaire periode De instelling voor de atriale refractaire periode is alleen programmeerbaar voor de eenkamerstimulatiemodi AAI en AAIR. De atriale refractaire periode voorkomt de inhibitie van atriale stimulatie als gevolg van waargenomen far-field-r-toppen of ruis Programmeerrichtlijnen voor waarneming Waarnemingsdrempels De waarnemingsdrempels, ingesteld door het programmeren van de gevoeligheidsparameters, gelden voor alle functies die betrekking hebben op waarneming, inclusief detectie, anti-bradycardiestimulatie en de waarnemingstest. Bradycardiestimulatie en -waarneming Een combinatie van een lange uitgangspulsduur of een hoge amplitude met een lage waarnemingsdrempel kan oversensing tussen de kamers of in dezelfde kamer veroorzaken. Deze onterechte waarneming kan worden geëlimineerd door een kortere pulsduur, een lagere amplitude, een langere blankingperiode na een uitgangspuls of een hogere waarnemingsdrempel te programmeren. Hoge ventriculairewaarnemingsdrempel Het instellen van een hogere waarde dan 0,6 mv voor RV. gevoeligheid wordt niet aanbevolen, behalve voor het uitvoeren van tests. Gebeurt dat wel, dan kan undersensing het gevolg zijn, waardoor de volgende situaties kunnen ontstaan: Asynchrone stimulatie Onderdetectie van tachycardieën Vertraagde of afgebroken cardioversietherapie Vertraagde defibrillatietherapie (wanneer VF Confirmation [VF-bevestiging] ingeschakeld is) Waarneming tijdens VF Controleer altijd of het apparaat tijdens VF correct waarneemt. Als het apparaat niet goed waarneemt of detecteert, deactiveer dan detectie en therapieën, en evalueer het systeem (zorg ervoor dat de patiënt op levensbedreigende tachycardieën 202 Artsenhandleiding
203 wordt bewaakt tot detectie en therapieën weer zijn geactiveerd). Om goede waarneming te bewerkstelligen kan het nodig zijn de ventriculaire waarnemingsgeleidingsdraad te verplaatsen of te vervangen. Tweekamerwaarneming en anti-bradycardiestimulatiemodi Het apparaat neemt te allen tijde waar in zowel het atrium als het ventrikel, behalve wanneer de geprogrammeerde anti-bradycardiestimulatiemodus DOO, VOO of AOO is. Wanneer de stimulatiemodus op DOO of VOO geprogrammeerd is, wordt niet in het ventrikel waargenomen. Wanneer de stimulatiemodus op DOO of AOO geprogrammeerd is, wordt niet in het atrium waargenomen. Hoge atrialewaarnemingsdrempel Als u de waarde voor A. gevoeligheid te hoog instelt, biedt het apparaat mogelijk geen betrouwbare waarneming van P-toppen tijdens AT/AF-episodes en sinusritmes. Atriale stimulatie en ventriculaire waarneming Als het apparaat op een atrialestimulatiemodus geprogrammeerd is, zorg er dan voor dat het apparaat geen atriale uitgangspulsen als ventriculaire events waarneemt. Selectie van atriale geleidingsdraden Bij atriale geleidingsdraden met een korte tip-ring-afstand (bijvoorbeeld 10 mm) kan de waarneming van far-field-r-toppen afnemen. Repositioneren van de atriale stimulatiegeleidingsdraad De atriale waarnemingsgeleidingsdraad moet mogelijk worden gerepositioneerd of vervangen als herprogrammering van de atrialewaarnemingsdrempel, ingesteld door herprogrammering van de parameter A. gevoeligheid, tijdens AT/AF-episodes en sinusritmes geen betrouwbare atriale waarneming oplevert. Absolute PVAB De PVAB-methode kan niet worden ingesteld op Absolute (Absoluut) wanneer de geprogrammeerde stimulatiemodus ODO, AAI of AAIR is. Maximale frequenties en refractaire perioden Een combinatie van hoge maximale sensorfrequentie, hoge maximale volgfrequentie en een lange refractaire periode kan concurrerende atriale stimulatie tot gevolg hebben. Zie Sectie 7.7, Concurrerende atriale stimulatie voorkomen, bladzijde 233 voor meer informatie. Lage waarnemingsdrempel Als een gevoeligheidsparameter op de gevoeligste waarde wordt ingesteld, is het apparaat ook gevoeliger voor elektromagnetische interferentie (EMI), cross-chamber-waarneming en oversensing. Aanbevolen ventriculairewaarnemingsdrempel Aanbevolen wordt de RV. gevoeligheid op 0,3 mv in te stellen om de kans op VF-detectie te maximaliseren en de kans op oversensing en cross-chamber-waarneming te beperken. Aanbevolen atrialewaarnemingsdrempel Aanbevolen wordt A. gevoeligheid op 0,3 mv in te stellen om de effectiviteit van atriale detectie en stimulatie te optimaliseren en de kans op oversensing en cross-chamber-waarneming te beperken. Artsenhandleiding 203
204 Gevoeligheid testen na herprogrammering Als de ventriculairewaarnemingsdrempel of de ventriculairewaarnemingspolariteit wordt gewijzigd, evalueer dan of het apparaat goed waarneemt. Test indien toepasselijk of het apparaat correct detecteert door VF te induceren en het apparaat de tachycardie automatisch te laten detecteren en behandelen De waarneming programmeren Gevoeligheid, polariteit en blankingperiode programmeren Selecteer het pictogram Params (Parameters) Pacing (Stimulatie) A. Sensitivity (A. gevoeligheid) RV Sensitivity (RV. gevoeligheid) RV Sense Polarity (RV-waarnemingspolariteit) Blanking PVAB Interval (PVAB-interval) PVAB Method (PVAB-methode) A. Blank Post AP (Atriale blanking na atriale puls) A. Blank Post AS (Atriale blanking na atriale waarneming) V. Blank Post VP (Ventriculaire blanking na ventriculaire puls) V. Blank Post VS (Ventriculaire blanking na ventriculaire waarneming) Refractaire perioden programmeren Selecteer het pictogram Params (Parameters) Pacing (Stimulatie) PVARP PVARP (of A. Refractory [Atriale refractaire periode]) Minimum PVARP (Minimum-PVARP) Evaluatie van de waarneming De waarnemingstest gebruiken om het waarnemen te evalueren Met de waarnemingstest kunt u P- en R-top-amplitudes meten. Deze metingen kunnen nuttig zijn voor het beoordelen van geleidingsdraadintegriteit en waarnemingsprestatie. Na afloop van de waarnemingstest worden de testresultaten in het testvenster weergegeven. U kunt de resultaten desgewenst bekijken en afdrukken. Zie Sectie 10.4, Een waarnemingstest uitvoeren, bladzijde 345 voor meer informatie. 204 Artsenhandleiding
205 De waarnemingsintegriteitsteller bekijken Selecteer het pictogram Data (Gegevens) Device/Lead Diagnostics (Apparaat-/geleidingsdraaddiagnostieken) Battery and Lead Measurements (Batterij- en geleidingsdraadmetingen) Afbeelding 61. Het scherm Battery and Lead Measurements (Batterij- en geleidingsdraadmetingen) De waarnemingsintegriteitsteller registreert het aantal korte ventriculaire intervallen dat optreedt tussen patiëntsessies. Een groot aantal korte ventriculaire intervallen kan duiden op oversensing, geleidingsdraadbreuk of een los inbusschroefje. Opmerking: Als het aantal weergegeven korte intervallen meer dan 300 bedraagt, geeft het programmeerapparaat een Quick Look II-observatie weer P-top- en R-top-amplitudetrends bekijken Selecteer het pictogram Data (Gegevens) Device/Lead Diagnostics (Apparaat-/geleidingsdraaddiagnostieken) P/R Wave Amplitude Trends (P/R-top-amplitudetrends) Artsenhandleiding 205
206 Afbeelding 62. De R-top-amplitudetrend Elke dag om 02:15 uur begint het apparaat de amplitude van intrinsieke waargenomen events te meten. Het apparaat poogt de amplitude van 9 normale intrinsieke waargenomen events te meten en registreert vervolgens de mediane waarde van die events. Als het apparaat tegen middernacht geen 9 amplitudemetingen heeft verzameld, wordt geen meting geregistreerd. De trendgrafiek voor waarnemingsamplitude vertoont een gat voor die dag. 7.2 Stimulatietherapieën afgeven Patiënten presenteren zich met een scala aan aandoeningen waarvoor stimulatietherapie geïndiceerd kan zijn. Deze aandoeningen zijn onder meer cardiale asystolie, chronisch AT/AF, verlies van atrioventriculaire (AV-)synchroniteit of een slechte ventriculaire functie als gevolg van hartfalen. 206 Artsenhandleiding
207 7.2.1 Oplossing van het systeem: Stimulatietherapieën Het systeem biedt modi voor tweekamerstimulatie, eenkamerstimulatie en cardialeresynchronisatietherapie (CRT) waarmee de verschillende hartaandoeningen worden behandeld. Tweekamerstimulatie herstelt AV-synchroniteit door waarneming in en stimulatie van 2 kamers: het rechteratrium en het rechterventrikel. Eenkamerstimulatie ondersteunt patiënten met weinig of geen asystolie of patiënten met chronisch AT/AF voor wie tweekamerstimulatie niet de aangewezen behandeling is. Bij CRT wordt ook het linkerventrikel, de derde stimulatieplaats, gestimuleerd om de mechanische contractie van de ventrikels te verbeteren en daardoor het hartminuutvolume van elke hartslag te verbeteren De werking van stimulatie en waarneming De uitgangsenergie voor uitgangspulsen per kamer wordt bepaald door individueel geprogrammeerde amplitude- en pulsduurparameters. Het apparaat verzorgt waarneming in zowel het atrium als het rechterventrikel. Raadpleeg Sectie 7.1, Intrinsieke hartactiviteit waarnemen, bladzijde 195 voor informatie over waarnemingsdrempels, geleidingsdraadpolariteiten, blankingperioden en refractaire perioden De werking van tweekamerstimulatie Bij tweekamermodi vinden waarneming en stimulatie plaats in het atrium en het ventrikel. De tweekamerstimulatiemodi zijn de DDDR, DDD, DDIR en DDI. In de DDD-modus vindt stimulatie bij afwezigheid van intrinsieke atriale activiteit plaats bij de geprogrammeerde onderfrequentie. In de DDI-modus vindt stimulatie plaats bij de geprogrammeerde onderfrequentie. In de modi DDDR en DDIR, beide frequentieresponsieve modi, vindt stimulatie plaats bij de sensorfrequentie. Artsenhandleiding 207
208 De modi DDDR en DDD DDDR en DDD zijn atriale-volgstimulatiemodi. Atriaal volgen houdt in dat wanneer het apparaat een intrinsiek atriaal event waarneemt, het in reactie daarop een ventriculair gestimuleerd event plant (zie Afbeelding 63). Het interval tussen het waargenomen atriale event en het bijbehorende ventriculaire gestimuleerde event is het SAV-interval (waargenomen AV-interval). Het interval tussen het gestimuleerde atriale event en het bijbehorende ventriculaire gestimuleerde event is het PAV-interval (gestimuleerd AV-interval). Als een stimulatie-interval eindigt voordat het apparaat een atriaal event waarneemt, stimuleert het apparaat het atrium en plant het vervolgens een ventriculair gestimuleerd event dat aan het eind van het PAV-interval moet plaatsvinden. Als een ventriculair waargenomen event tijdens het SAV- of het PAV-interval optreedt, wordt ventriculaire stimulatie geïnhibeerd. Een waargenomen atriaal event dat tijdens de postventriculaire atriaal-refractaire periode (PVARP) optreedt, wordt geclassificeerd als refractair, zorgt niet voor inhibitie van atriale stimulatie en wordt niet gevolgd. Zie Sectie 7.5, PVARP aanpassen aan veranderingen in de hartfrequentie van de patiënt, bladzijde 228 voor meer informatie. Afbeelding 63. De werking van tweekamerstimulatie in DDDR 1 Een atriaal gestimuleerd event brengt een PAV-interval op gang. 2 Een atriaal waargenomen event brengt een SAV-interval op gang. 3 Een tijdens PVARP waargenomen atriaal event wordt niet gevolgd. 208 Artsenhandleiding
209 De DDIR- en DDI-modi In de modi DDIR en DDI worden waargenomen atriale events niet gevolgd. Wanneer een atriaal event wordt waargenomen, wordt atriale stimulatie geïnhibeerd, maar wordt geen SAV-interval gestart (zie Afbeelding 64). In plaats daarvan wordt ventriculaire stimulatie afgegeven op de actuele stimulatiefrequentie (bijvoorbeeld op de onderfrequentie of de sensorfrequentie). Als het actuele stimulatie-interval eindigt voordat het apparaat een atriaal event waarneemt, stimuleert het apparaat het atrium en plant het vervolgens een ventriculair gestimuleerd event dat aan het eind van het PAV-interval moet plaatsvinden. Als een ventriculair waargenomen event tijdens het PAV-interval optreedt, wordt ventriculaire stimulatie geïnhibeerd. Een waargenomen atriaal event dat tijdens PVARP optreedt, wordt geclassificeerd als refractair en inhibeert atriale stimulatie niet. Zie Sectie 7.5, PVARP aanpassen aan veranderingen in de hartfrequentie van de patiënt, bladzijde 228 voor meer informatie. Afbeelding 64. De werking van tweekamerstimulatie in DDIR 1 Een atriaal gestimuleerd event brengt een PAV-interval op gang. 2 Een atriaal waargenomen event inhibeert het geplande atriale gestimuleerde event maar brengt geen SAV-interval op gang (wordt niet gevolgd). 3 Een atriaal event dat tijdens PVARP wordt waargenomen, inhibeert het geplande atriale gestimuleerde event niet De ODO-modus (anti-bradycardiestimulatie Off [Uit]) De ODO-modus geeft, ongeacht de intrinsieke frequentie, geen ventriculaire of atriale stimulatie af. De ODO-modus is uitsluitend bedoeld voor situaties waarin anti-bradycardiestimulatie niet nodig is. Artsenhandleiding 209
210 Tweekamerwaarneming, atriale detectie, ventriculaire detectie, ATP-therapie, defibrillatie en cardioversie blijven werken zoals geprogrammeerd wanneer stimulatie op de ODO-modus geprogrammeerd is. Let op: Het apparaat biedt bij programmering op de ODO-modus geen stimulatieondersteuning. Gebruik de ODO-modus alleen in klinische situaties waarin anti-bradycardiestimulatie niet nodig of nadelig voor de patiënt is De DOO-modus De DOO-modus biedt sequentiële AV-stimulatie bij de geprogrammeerde onderfrequentie zonder inhibitie door intrinsieke events. Waarschuwing: Het apparaat biedt bij programmering op de DOO-modus in geen van de hartholten waarneming of stimulatie. Gebruik de DOO-modus alleen in situaties waarin asynchrone stimulatie gegarandeerd is. Het apparaat kan op de DOO-modus worden geprogrammeerd als ventriculaire detectie op Off (Uit) geprogrammeerd is De werking van CRT-stimulatie CRT-stimulatie zorgt voor stimulatie van zowel het linker- als het rechterventrikel. Door beide ventrikels te stimuleren kan de mechanische contractie van de ventrikels verbeteren waardoor het hartminuutvolume van iedere hartslag verbetert. Zie Sectie 6.1, Biventriculaire stimulatie voor cardialeresynchronisatie aanbieden, bladzijde 172 voor nadere informatie over CRT-stimulatie De werking van eenkamerstimulatie Eenkamerstimulatiemodi worden gebruikt voor stimulatie van óf het atrium óf het ventrikel De modi VVIR en VVI In de modi VVIR en VVI wordt het ventrikel gestimuleerd als geen intrinsieke ventriculaire events worden waargenomen. Stimulatie vindt in de VVI-modus plaats op de geprogrammeerde onderfrequentie en in de VVIR-modus op de sensorfrequentie (zie Afbeelding 65). In de modi VVIR en VVI blijft het apparaat ten behoeve van tachycardiedetectie atriale events waarnemen. 210 Artsenhandleiding
211 Afbeelding 65. De werking van ventriculaire eenkamerstimulatie in VVIR 1 Er vindt een ventriculair gestimuleerd event plaats wanneer geen intrinsiek ventriculair event wordt waargenomen De modi AAIR en AAI In de modi AAI en AAIR wordt het atrium gestimuleerd als geen intrinsieke atriale events worden waargenomen. Stimulatie vindt in de AAI-modus plaats op de geprogrammeerde onderfrequentie en in de AAIR-modus op de sensorfrequentie (zie Afbeelding 66). Een waargenomen event dat tijdens de atriale refractaire periode optreedt, wordt geclassificeerd als refractair en inhibeert atriale stimulatie niet. In de modi AAIR en AAI blijft het apparaat ten behoeve van tachycardiedetectie ventriculaire events waarnemen. VT/VF-detectie is in de modi AAIR en AAI verstoord. Cross-chamber-blanking kan maken dat ventriculaire events ongedetecteerd blijven en crosstalk kan valse detectie veroorzaken. Waarschuwing: Gebruik de AAIR- of AAI-modus niet bij patiënten met aangetaste AV-knoopgeleiding omdat deze modi geen ventriculaire ondersteuning bieden. Artsenhandleiding 211
212 Afbeelding 66. De werking van atriale eenkamerstimulatie in AAIR 1 Een atriaal event tijdens de atriale refractaire periode zorgt niet voor het herstarten van het A-A-stimulatie-interval De VOO-modus De VOO-modus biedt ventriculaire stimulatie op de geprogrammeerde onderfrequentie zonder inhibitie door intrinsieke ventriculaire events. In de VOO-modus is geen ventriculaire detectie beschikbaar, maar het apparaat blijft in het atrium waarnemen en op atriale aritmieën controleren. Ventriculaire detectie moet op Off (Uit) geprogrammeerd zijn om het apparaat op de VOO-modus te kunnen programmeren De AOO-modus De AOO-modus biedt atriale stimulatie op de geprogrammeerde onderfrequentie zonder inhibitie door intrinsieke atriale events. Wanneer het apparaat op de AOO-modus is geprogrammeerd, biedt het geen atriale detectie, ondanks dat ventriculaire waarneming wel werkzaam is. Ventriculaire detectie moet op Off (Uit) geprogrammeerd zijn om het apparaat op de AOO-modus te kunnen programmeren Programmeerrichtlijnen voor stimulatietherapieën Een stimulatiemodus selecteren TherapyGuide Aanbevolen wordt TherapyGuide te gebruiken bij het bepalen van de stimulatiemodus voor een specifieke patiënt. Zie Sectie 3.9, TherapyGuide gebruiken om 212 Artsenhandleiding
213 parameterwaarden te selecteren, bladzijde 72 voor meer informatie over de TherapyGuide Programmeerrichtlijnen voor tweekamerstimulatie SAV- en PAV-intervallen Het SAV-interval wordt gewoonlijk 30 ms tot 50 ms korter geprogrammeerd dan het PAV-interval. Dat is ter compensatie van het inherente interval tussen het actuele cardiale event in het atrium en het moment waarop dit door het apparaat wordt gedetecteerd. Maximale volgfrequentie Bij het programmeren van hoge maximale volgfrequenties dienen het SAV en PVARP op toepasselijke waarden te worden geprogrammeerd om 1:1 volgen te garanderen (zie Sectie 7.2.9, Snelle atriale frequenties volgen, bladzijde 215). Maximale frequenties en refractaire perioden Een combinatie van een hoge maximale sensorfrequentie en een lange refractaire periode kan concurrerende atriale stimulatie tot gevolg hebben (zie Sectie 7.2.9, Snelle atriale frequenties volgen, bladzijde 215). Overweeg niet-concurrerende atriale stimulatie (NCAP) op On (Aan) te programmeren. Stimulatieveiligheidsmarges Uitgangspulsen moeten worden afgegeven met voldoende veiligheidsmarge boven de stimulatiedrempels. Hoge uitgangspulsniveaus De instellingen voor pulsduur en amplitude zijn van invloed op de levensduur van het apparaat, vooral als de patiënt een groot deel van de tijd anti-bradycardiestimulatietherapie nodig heeft. Cross-chamber-waarneming De instellingen voor pulsduur en amplitude kunnen cross-chamber-waarneming beïnvloeden. Als de pulsduur- en amplitudewaarden te hoog worden ingesteld, kunnen uitgangspulsen in de ene kamer in de andere kamer worden waargenomen, waardoor stimulatie op onterechte gronden kan worden geïnhibeerd. Artsenhandleiding 213
214 7.2.7 Stimulatietherapieën programmeren Selecteer het pictogram Params (Parameters) Pacing (Stimulatie) Mode (Modus) Lower Rate (Onderfrequentie) Upper Track (Maximale volgfrequentie) Upper Sensor (Maximale sensorfrequentie) Atrial Amplitude (Atriale amplitude) Atrial Pulse Width (Atriale pulsduur) RV Amplitude (RV. amplitude) RV Pulse Width (RV. pulsduur) LV Amplitude (LV. amplitude) LV Pulse Width (LV. pulsduur) V. Pacing (V. stimulatie) V-V Delay (V-V-interval) Paced AV (Gestimuleerd AV) Paced AV (Gestimuleerd AV) Sensed AV (Waargenomen AV) Stimulatietherapieën evalueren Of het apparaat adequaat stimuleert kan worden geverifieerd door de gegevens over het percentage van de tijd in het Quick Look II-scherm te bekijken. Selecteer het pictogram Data (Gegevens) Quick Look II Percentage van de tijd Bij eenkamermodi wordt in de sectie % of Time (Percentage van de tijd) de stimulatie en waarneming van de patiënt weergegeven als percentage van de totale tijd gedurende de rapportageperiode. Bij tweekamermodi wordt in de sectie % of Time (Percentage van de tijd) het percentage voor elk van de mogelijke AV-sequentiecombinaties (AS-VS, AS-VP, AP-VS, AP-VP) weergegeven. 214 Artsenhandleiding
215 Afbeelding 67. Stimulatiepercentages op het Quick Look II-scherm Snelle atriale frequenties volgen Wanneer het apparaat in de DDDR- of de DDD-modus werkt, kan het atriale ritmes slechts tot aan een bepaalde frequentie volgen. Beperkingen bij atriaal volgen zijn de 2:1-blokfrequentie en de geprogrammeerde maximale volgfrequentie als beschreven in Sectie :1-blok Een 2:1-blok doet zich voor wanneer het intrinsieke atriale interval zo kort is dat elk tweede atriale waargenomen event in PVARP valt (zie Afbeelding 68). Deze atriale events brengen geen SAV-interval op gang en resulteren daardoor niet in ventriculaire gestimuleerde events. Omdat alleen maar ieder tweede atriale waargenomen event wordt gevolgd, wordt de ventriculairestimulatiefrequentie de helft van de atriale frequentie. Een 2:1-blok kan een wenselijk middel zijn om bij de onset van AT/AF hoge ventriculairestimulatiefrequenties te voorkomen. Een 2:1-blok tijdens inspanning is gewoonlijk echter ongewenst omdat de ventriculairestimulatiefrequentie plotseling tot de helft van de atriale frequentie kan dalen. Door de plotselinge daling van het hartminuutvolume kan de patiënt symptomen krijgen. Artsenhandleiding 215
216 Afbeelding 68. Voorbeeld van stimulatie bij de 2:1-blokfrequentie 1 Een op de 2 atriale waargenomen events treedt op tijdens PVARP en wordt niet gevolgd. In sommige gevallen is de mate van frequentiedaling minder ernstig als gevolg van stimulatie bij de sensorfrequentie (in de DDDR-modus). Een veelgebruikte methode voor de preventie van een 2:1-blok bij verhoogde inspanningsfrequenties (bijvoorbeeld hoger dan 150 min -1 ) is om voor SAV en PVARP kortere dan de nominale waarden te programmeren. Gebruik van de functies Rate Adaptive AV (Frequentieadapterend AV-interval) en Auto PVARP verkort de functionele SAV- en PVARP-waarden tijdens inspanning. Zie Sectie 7.5, PVARP aanpassen aan veranderingen in de hartfrequentie van de patiënt, bladzijde 228 voor nadere informatie over PVARP. Met deze functies kan een symptomatisch 2:1-blok tijdens inspanning worden voorkomen terwijl nominale of langere SAV- en PVARP-waarden bij rustfrequenties worden toegestaan om snelle ventriculaire stimulatiefrequenties bij de onset van AT/AF te helpen voorkomen. Bij het programmeren van de parameter SAV of PVARP berekent het programmeerapparaat de 2:1-blokfrequentie en geeft deze weer. Wanneer de 2:1-blokfrequentie door de functie Rate Adaptive AV (Frequentieadapterend AV-interval) of Auto PVARP dynamisch is, geeft het programmeerapparaat de 2:1-blokfrequenties weer bij zowel rust als inspanning. 216 Artsenhandleiding
217 Maximale volgfrequentie De programmeerbare maximale volgfrequentie begrenst tijdens atriaal volgen eveneens de snelste ventriculairestimulatiefrequentie. De maximale volgfrequentie wordt gewoonlijk op een frequentie geprogrammeerd die lager is dan de 2:1-blokfrequentie bij inspanning. Als dat niet het geval is, wordt de 2:1-blokfrequentie de absolute grens en kan de maximale volgfrequentie niet worden bereikt. 1:1 atriaal volgen kan optreden bij sinusfrequenties op of lager dan de geprogrammeerde maximale volgfrequentie. Wanneer de sinusfrequentie tot boven de maximale volgfrequentie stijgt, blijft de ventriculairestimulatiefrequentie op de maximale volgfrequentie en wordt het geobserveerde SAV-interval (AS-VP-interval) met iedere volgende stimulatiecyclus langer. Uiteindelijk treedt na verscheidene stimulatiecycli een atriaal waargenomen event op tijdens PVARP en wordt dan niet gevolgd, waardoor een slag uitvalt. Dit patroon herhaalt zichzelf zolang de sinusfrequentie hoger blijft dan de geprogrammeerde maximale volgfrequentie. Het uitvallen van een slag komt minder vaak voor wanneer de sinusfrequentie slechts iets hoger is dan de maximale volgfrequentie (bijvoorbeeld eenmaal per 7 of 8 slagen) en vaker naarmate de sinusfrequentie verder boven de maximale volgfrequentie uitstijgt (bijvoorbeeld eenmaal per 3 of 4 slagen). Dit gedrag van de maximale volgfrequentie staat bekend als pacemaker-wenckebach (zie Afbeelding 69). Wenkebach-gedrag kan verder worden gedefinieerd door hoe vaak het uitvallen van een slag optreedt, meestal als verhouding tussen het aantal atriaal waargenomen events en het aantal ventriculair gestimuleerde events (bijvoorbeeld 8:7, 7:6, 6:5 of 3:2). Als de atriale frequentie verder stijgt, kan uiteindelijk de 2:1-blokfrequentie worden bereikt waarbij de verhouding 2:1 wordt. Afbeelding 69. Voorbeeld van Wenkebach-stimulatie 1 SAV-intervallen worden langer zodat ventriculaire gestimuleerde events de maximale volgfrequentie niet overschrijden. Artsenhandleiding 217
218 2 Een atriaal event treedt op tijdens PVARP en wordt niet gevolgd. 3 Het volgen wordt hervat bij daaropvolgende atriale events. Om adequate tachycardiedetectie te leveren, dwingt het programmeerapparaat af dat de diverse tachycardiedetectiefrequenties hoger dan de geprogrammeerde maximale volgfrequentie worden geprogrammeerd en voorkomt het dat lange blankingperioden in combinatie met hoge waarden voor de maximale volgfrequentie worden geprogrammeerd. 7.3 Frequentieresponsieve stimulatie leveren Sommige patiënten hebben een hartfrequentie die zich niet aanpast aan hun lichamelijke activiteit. Zij kunnen symptomen hebben als kortademigheid, vermoeidheid of duizeligheid. Dergelijke patiënten zijn onder meer mensen met chronotrope incompetentie en chronische of paroxismale AF Oplossing van het systeem: Rate Response (Frequentierespons) Frequentieresponsieve stimulatie past de stimulatiefrequentie aan veranderingen in lichamelijke activiteit aan. Dit apparaat beschikt over een activiteitssensor om de beweging van de patiënt te meten en de bijpassende stimulatiefrequentie te bepalen. Het levert dubbele-hellingfrequentierespons die automatisch of handmatig kan zijn De werking van Rate Response (Frequentierespons) Afbeelding 70. Schematische voorstelling van Rate Response (Frequentierespons) 218 Artsenhandleiding
219 Het Rate Response (Frequentierespons)-systeem bestaat uit een activiteitssensor die de beweging van de patiënt meet, frequentiecalculatie waarmee de mate van lichamelijke activiteit van de patiënt wordt omgezet in een stimulatiefrequentie, Rate Profile Optimization (Optimalisatie van het frequentieprofiel) waarmee de Rate Response (Frequentierespons)-instellingen in de loop van de tijd automatisch worden bijgesteld, en acceleratie en deceleratie om de veranderingen in stimulatiefrequentie soepel te laten verlopen. Deze stimulatiefrequentie wordt ook als de sensorfrequentie beschreven Activiteitswaarneming De activiteitssensor is een accelerometer in het apparaat die lichaamsbewegingen van de patiënt waarneemt. Aangezien de activiteitsdetectie varieert per patiënt, kan de bewegingsgevoeligheid worden aangepast door de parameter Activity Threshold (Activiteitsdrempel) te herprogrammeren. Naarmate de activiteitsdrempel lager wordt ingesteld, is steeds minder beweging nodig om de stimulatiefrequentie te beïnvloeden. Naarmate de activiteitsdrempel hoger wordt ingesteld, is steeds meer beweging nodig om de stimulatiefrequentie te beïnvloeden. Het activiteitssignaalniveau dat wordt gebruikt voor de berekening van de sensorfrequentie, wordt afgewogen tegen de frequentie en amplitude van het accelerometersignaal. De stimulatiefrequentie wordt bepaald door het niveau van lichamelijke activiteit van de patiënt en de Rate Response (Frequentierespons)-parameters. Als er geen activiteit is, bijvoorbeeld wanneer de patiënt zit, ligt de stimulatiefrequentie in de buurt van de geprogrammeerde onderfrequentie. Als de activiteit toeneemt, bijvoorbeeld wanneer de patiënt loopt, wordt de stimulatiefrequentie hoger Berekening van de frequentie De frequentiecurve geeft aan hoe het apparaat de stimulatiefrequentie berekent wanneer het activiteitsniveau van de patiënt verandert. Artsenhandleiding 219
220 Afbeelding 71. De frequentiecurve Programmeerbare frequenties De onderfrequentie is de laagste frequentie waarbij stimulatie optreedt wanneer er geen lichamelijke activiteit is. De ADL-frequentie (dagelijkse activiteiten) is ongeveer gelijk aan de stimulatiefrequentie bij gematigde lichamelijke inspanning. Dit is een plateauwaarde die helpt een stabiele stimulatiefrequentie aan te houden bij veranderingen van gematigde activiteit. De maximale sensorfrequentie is de bovengrens voor de stimulatiefrequentie tijdens krachtige inspanning. Rate Response (Frequentierespons)-instelwaarden De instelwaarden definiëren de 2 hellingen die karakteristiek zijn voor Dual-slope Rate Response (Frequentierespons). De ADL-instelwaarde bepaalt het afgewogen activiteitssignaalniveau waarbij de stimulatiefrequentie de ADL-frequentie bereikt. De instelwaarde van de maximale frequentie bepaalt het afgewogen activiteitssignaalniveau waarbij de stimulatiefrequentie de maximale sensorfrequentie bereikt. Een lagere instelwaarde betekent dat er minder activiteitssignalen vereist zijn om hogere frequenties te bereiken. Automatische Rate Response (Frequentierespons) Als gebruikgemaakt wordt van automatische Rate Response (Frequentierespons), worden deze instelwaarden constant aangepast door de functie voor optimalisatie van het frequentieprofiel. De frequentiecurve wordt zo constant bijgesteld. In dit geval zijn de instelwaarden niet programmeerbaar. De frequentiecurve wordt aangepast op basis van de programmering van de parameters ADL Response (ADL-respons) en Exertion Response (Inspanningsrespons). De ADL-respons regelt de eerste helling, die bepaalt hoe agressief de stimulatiefrequentie toeneemt van de onderfrequentie naar de ADL-frequentie. De inspanningsrespons regelt de tweede helling, 220 Artsenhandleiding
221 die bepaalt hoe agressief de stimulatiefrequentie de maximale sensorfrequentie benadert. Handmatige frequentierespons (optimalisatie van het frequentieprofiel op Off [Uit] geprogrammeerd) Als gebruikgemaakt wordt van handmatige Rate Response (Frequentierespons), wordt de frequentiecurve vastgesteld tijdens een patiëntsessie, wanneer de frequenties en instelwaarden worden geprogrammeerd. De frequentiecurve blijft constant totdat de parameters worden geherprogrammeerd Optimalisatie van het frequentieprofiel Door optimalisatie van het frequentieprofiel wordt de frequentierespons van de patiënt automatisch aangepast tussen de follow-up-bezoeken. Optimalisatie van het frequentieprofiel zorgt ervoor dat de Rate Response toepasselijk blijft voor alle activiteiten van de patiënt. Het apparaat verzamelt iedere dag de dagelijkse en langetermijngemiddelden van het percentage van de tijd gedurende welke de sensorgeïndiceerde frequentie van de patiënt met verschillende stimulatiefrequenties te maken heeft. Deze gegevens worden opgeslagen. Het apparaat bepaalt vervolgens aan de hand van de parameters ADL Response (ADL-repons) en Exertion Response (Inspanningsrespons) gedurende welk percentage van de tijd de stimulatiefrequentie binnen het ADL-frequentiebereik respectievelijk het inspanningsfrequentiebereik valt. Op basis van dagelijkse vergelijkingen past het apparaat de instelwaarde van de ADL, de instelwaarde van de maximale frequentie of beide instelwaarden aan. Als u nieuwe instellingen programmeert voor frequenties of optimalisatie van het frequentieprofiel, worden de vergelijkingen beïnvloed. Er worden direct wijzigingen doorgevoerd. Deze wijzigingen bepalen op basis van opgeslagen informatie over de sensorfrequentie en de geselecteerde instellingen voor optimalisatie van het frequentieprofiel hoe in de toekomst de Rate Response moet veranderen. Het apparaat blijft de Rate Response in de loop der tijd aanpassen. Het apparaat past de Rate Response sneller aan gedurende de eerste 10 dagen nadat de optimalisatie van het frequentieprofiel voor het eerst wordt geactiveerd na de implantatie, of nadat bepaalde Rate Response-parameters handmatig worden geherprogrammeerd (Lower Rate [Onderfrequentie], ADL Rate [ADL-frequentie], Upper Sensor Rate [Maximale sensorfrequentie], ADL Response [ADL-respons] of Exertion Response [Inspanningsrespons]). Het is de bedoeling de Rate Response (Frequentierespons) snel aan te passen aan de bewerkingen die worden bepaald door de gewijzigde parameters. Opmerking: Aangezien het apparaat de instelwaarden automatisch wijzigt, wordt optimalisatie van het frequentieprofiel automatisch uitgeschakeld wanneer u de instelwaarden handmatig programmeert. Artsenhandleiding 221
222 Activiteitsacceleratie en -deceleratie De functies Activity Acceleration (Activiteitsacceleratie) en Activity Deceleration (Activiteitsdeceleratie) worden gebruikt om de stimulatiefrequentie geleidelijk aan te passen. Activiteitsacceleratie bepaalt hoe snel de stimulatiefrequentie toeneemt. Activiteitsdeceleratie bepaalt hoe snel de stimulatiefrequentie afneemt. Voor deze functie kunnen zowel vaste waarden als de optie Exercise (Inspanning) worden gebruikt. De instelling Exercise (Inspanning) past de deceleratie dynamisch aan op basis van de intensiteit en duur van de inspanning. De deceleratie kan tot 20 min worden verlengd. In Afbeelding 72 ziet u dat de stimulatiefrequentie tijdens en na inspanning wordt beïnvloed door veranderingen in de waarden van de parameters Activity Acceleration (Activiteitsacceleratie) en Activity Deceleration (Activiteitsdeceleratie). Afbeelding 72. Activiteitsacceleratie- en -deceleratiecurven voor Rate Response (Frequentierespons) 1 Stimulatie vindt plaats als de patiënt in rust is. 2 De activiteit neemt toe en de activiteitsacceleratie start. 3 De activiteitsacceleratie gaat door in de richting van een hogere stimulatiefrequentie. 4 Bij inspanning vindt stimulatie plaats met een hogere frequentie. 5 De inspanning wordt beëindigd en de stimulatiefrequentie neemt af Rate Response (Frequentierespons) tijdens implantatie Tijdens een implantatieprocedure is Rate Response (Frequentierespons) niet actief, om te voorkomen dat door de procedure de stimulatie wordt verhoogd. Rate Response (Frequentierespons) en Rate Profile Optimization (Optimalisatie van het frequentieprofiel) worden na de implantatie actief als VF-detectie op On (Aan) geprogrammeerd wordt. 222 Artsenhandleiding
223 Het scherm met Rate Response (Frequentierespons)-parameters Op het scherm met Rate Response (Frequentierespons)-parameters wordt de frequentiecurve weergegeven die overeenkomt met de uitgelezen parameterwaarden. Als u voorgeselecteerde waarden selecteert voor de parameters, wordt op het scherm ook een voorgeselecteerde curve weergegeven. De voorgeselecteerde curve toont de veranderingen die zullen optreden nadat de parameters zijn geherprogrammeerd Programmeerrichtlijnen voor Rate Response (Frequentierespons) Frequentieresponsieve stimulatie en de DDD-modus Als de geprogrammeerde stimulatiemodus DDD is en mode-switch is ingeschakeld, zijn de Rate Response (Frequentierespons)-parameters programmeerbaar. Als de stimulatiemodus DDIR is, zijn deze parameters echter alleen van toepassing gedurende mode-switch-episodes. De activiteitsdrempel aanpassen Voor een groot deel van de patiënten is het niet nodig om de parameter Activity Threshold (Activiteitsdrempel) te herprogrammeren. Als een patiënt tijdens inspanning echter een minimale frequentierespons heeft, kan het nodig zijn om de activiteitsdrempel op een lagere (gevoeligere) waarde te programmeren. De meest gevoelige instelling is Low (Laag). Indien de patiënt echter een verhoogde stimulatiefrequentie heeft in rust, kan het nodig zijn om de activiteitsdrempel op een hogere (minder gevoelige) waarde te programmeren. De minst gevoelige instelling is High (Hoog). Optimalisatie van het frequentieprofiel aanpassen Voordat u andere Rate Response (Frequentierespons)-parameters programmeert, moet u controleren of de instellingen voor Lower Rate (Onderfrequentie), ADL Rate (ADL-frequentie) en Upper Sensor Rate (Maximale sensorfrequentie) geschikt zijn voor de patiënt. Het kan nodig zijn de parameters ADL Response (ADL-respons) en Exertion Response (Inspanningsrespons) te herprogrammeren, als het herprogrammeren van de frequenties niet het gewenste effect heeft op optimalisatie van het frequentieprofiel. Door de parameters ADL Response (ADL-respons) en Exertion Response (Inspanningsrespons) te herprogrammeren, kunt u een frequentieprofiel voorschrijven dat binnen elk frequentiebereik overeenstemt met de levensstijl of de activiteitsniveaus van de patiënt. Stel de waarde voor ADL Response (ADL-respons) bij om aan te geven hoe snel de patiënt de ADL-frequentie bereikt, en de waarde voor Exertion Response (Inspanningsrespons) om aan te geven hoe snel de patiënt de maximale sensorfrequentie bereikt. In beide gevallen wordt de frequentierespons lager als de waarde wordt verlaagd, en hoger als de waarde wordt verhoogd. Opmerking: Als de frequentierespons niet voldoende agressief wordt wanneer u de instelling voor Rate Response (Frequentierespons) verhoogt, kunt u ook de instelling voor ADL Response (ADL-respons) verhogen. Artsenhandleiding 223
224 De instelwaarden handmatig aanpassen U kunt de optimalisatie van het frequentieprofiel op Off (Uit) programmeren en de instelwaarden handmatig programmeren. Als u dat doet, wordt de stimulatiefrequentiecurve bepaald door de instelwaarde van de ADL en de instelwaarde van de maximale frequentie. De Rate Response (Frequentierespons)-berekeningen worden verder uitgevoerd zoals geprogrammeerd Rate Response (Frequentierespons) programmeren Afbeelding 73. Schermen met Rate Response (Frequentierespons)-parameters Selecteer het pictogram Params (Parameters) Pacing (Stimulatie) Rate Response (Frequentierespons) Lower Rate (Onderfrequentie) ADL Rate (ADL-frequentie) Upper Sensor (Maximale sensorfrequentie) Rate Profile Optimization (Optimalisatie van het frequentieprofiel) ADL Response (ADL-respons) Exertion Response (Inspanningsrespons) Additional Parameters (Aanvullende parameters) Activity Threshold (Activiteitsdrempel) Activity Acceleration (Activiteitsacceleratie) Activity Deceleration (Activiteitsdeceleratie) ADL Setpoint (Instelwaarde van de ADL) UR Setpoint (Instelwaarde van de maximale frequentie) 224 Artsenhandleiding
225 7.3.5 Evaluatie van Rate Response (Frequentierespons) Frequentiehistogrammenrapport Selecteer het pictogram Data (Gegevens) Clinical Diagnostics (Klinische diagnostieken) Rate Histograms (Frequentiehistogrammen) (alleen rapport) Het frequentiehistogrammenrapport bevat informatie over de prestaties van Rate Response (Frequentierespons) sinds de vorige patiëntsessie. In Afbeelding 74 ziet u hoe de histogrammen zijn gewijzigd nadat Rate Response (Frequentierespons) op een meer agressieve instelling is geprogrammeerd. Het percentage atriale stimulatie is verschoven van de lagere naar de hogere frequenties. Afbeelding 74. Frequentiehistogrammenrapport Artsenhandleiding 225
226 Flashback-geheugen Selecteer het pictogram Data (Gegevens) Clinical Diagnostics (Klinische diagnostieken) Flashback Memory (Flashback-geheugen) Het Flashback-geheugen geeft een frequentietrend op basis van de initiële uitlezing. Deze frequentietrend geeft aan hoe Rate Response (Frequentierespons) functioneerde vóór de patiëntsessie. 1. Geef het Flashback-geheugen weer. 2. Selecteer View Intervals Prior to: Interrogation (Intervallen weergeven vóór uitlezing). 3. Stel de plotweergavemethode in op Rate (Frequentie). Opmerking: Als u een bijgewerkte frequentietrend wilt weergeven zonder de patiëntsessie te beëindigen, moet u de patiënt vragen een stukje door de gang te lopen en dan het apparaat opnieuw uitlezen. Afbeelding 75. Een frequentietrend in het Flashback-geheugen 7.4 Aanpassing van het AV-interval tijdens frequentiewijzigingen Als gebruikgemaakt wordt van een vast AV-interval, is het moeilijk om een optimale waarde voor het AV-interval te bepalen die voldoet aan alle vereisten van de patiënt. Een kort AV-interval is gewenst bij hogere frequenties om te vermijden dat symptomatische 2:1-blokken optreden tijdens inspanning en asynchrone stimulatie. Een kort AV-interval is ook gewenst bij hogere frequenties om constante biventriculaire stimulatie te bevorderen. Een lang AV-interval is gewenst bij lagere frequenties om de hemodynamiek te verbeteren. 226 Artsenhandleiding
227 7.4.1 Oplossing van het systeem: Frequentieadapterend AV Bij frequentieadapterend AV worden AV-intervallen bij hogere frequenties verkort om 1:1 volgen, AV-synchroniteit en constante biventriculaire stimulatie te handhaven Werking van frequentieadapterend AV Frequentieadapterend AV werkt in de DDDR-, DDIR-, DDD- en DDI-modi. Frequentieadapterend AV past de gebruikte AV-intervallen lineair aan als de hartfrequentie (slagen per minuut) verandert. Dit wordt aangegeven in Afbeelding 76. Afbeelding 76. Werking van frequentieadapterend AV in de DDDR-modus De beginfrequentie bepaalt de hartfrequentie waarbij de AV-intervallen korter beginnen te worden. De stopfrequentie bepaalt de hartfrequentie waarbij de minimum PAV-intervallen en de minimum SAV-intervallen worden toegepast. Opmerking: Het apparaat kan af en toe gedrag vertonen dat lijkt op Frequentieadapterend AV, maar dit niet is. Als het apparaat ervan uitgaat dat er mogelijk een tachycardie gaande is, wordt het PAV-interval verkort om observatie van het ritme mogelijk te maken. Dit gebeurt zelfs als frequentieadapterend AV is uitgeschakeld. Artsenhandleiding 227
228 7.4.3 Programmeerrichtlijnen voor frequentieadapterend AV De 2:1-blokfrequentie die door het programmeerapparaat wordt berekend Het programmeerapparaat berekent de dynamische 2:1-blokfrequentie op basis van de geselecteerde stimulatieparameters. U kunt de berekende dynamische 2:1-blokfrequentie weergeven door op het informatiepictogram onder aan het scherm te drukken. Als u een nieuwe waarde selecteert voor een parameter die van invloed is op de dynamische 2:1-blokfrequentie (bijvoorbeeld Sensed AV [Waargenomen AV] of PVARP), druk dan op het informatiepictogram om de opnieuw berekende frequentie weer te geven Berekening van het frequentieadapterend AV Opmerking: De functie TherapyGuide suggereert parameterwaarden op basis van de ingevoerde gegevens betreffende de klinische conditie van de patiënt. De parameterwaarden voor deze functie zijn opgenomen. Zie Sectie 3.9, TherapyGuide gebruiken om parameterwaarden te selecteren, bladzijde 72 voor meer informatie. Selecteer het pictogram Params (Parameters) Pacing (Stimulatie) Paced AV (Gestimuleerd AV) Rate Adaptive AV (Frequentieadapterend AV) <On> (Aan) Start Rate (Beginfrequentie) Stop Rate (Stopfrequentie) Minimum Paced AV (Minimum PAV) Minimum Sensed AV (Minimum SAV) 7.5 PVARP aanpassen aan veranderingen in de hartfrequentie van de patiënt Een vaste waarde voor PVARP (postventriculaire atriaal-refractaire periode) is mogelijk niet ideaal voor de veranderende behoeften van de patiënt. Bij lage hartfrequenties moet PVARP zo lang zijn dat pacemakergeïnduceerde tachycardie (PMT) wordt voorkomen. Bij hogere hartfrequenties moet PVARP kort genoeg zijn om 2:1-blokken te voorkomen en AV-synchroniteit te bevorderen. Zie Sectie 7.1, Intrinsieke hartactiviteit waarnemen, bladzijde 195 en Sectie 7.2, Stimulatietherapieën afgeven, bladzijde 206 voor meer informatie. 228 Artsenhandleiding
229 7.5.1 Oplossing van het systeem: Automatische PVARP PVARP wordt door Automatische PVARP aangepast als reactie op veranderingen in de hartfrequentie of stimulatiefrequentie van de patiënt Werking van Automatische PVARP Automatische PVARP is van toepassing als het apparaat in de DDDR-, DDD-, DDIR- of DDI-modus werkt. In een volgmodus (DDDR of DDD) past Automatische PVARP de waarde van PVARP aan op basis van de huidige hartfrequentie van de patiënt. Als de hartfrequentie laag is, is PVARP langer teneinde PMT te vermijden. Als de hartfrequentie hoger wordt, wordt PVARP korter om het 1:1 volgen te handhaven. Automatische PVARP laat 1:1 volgen toe van atriale events tot maximaal 30 min -1 boven de hartfrequentie of 100 min -1 (de grootste geldt). De waarde van de programmeerbare parameter Minimum PVARP (Minimum-PVARP) geeft een grens aan voor de kortste PVARP die is toegestaan. Als de geprogrammeerde waarde voor Minimum PVARP (Minimum-PVARP) wordt bereikt en de parameter Rate Adaptive AV (Frequentieadapterend AV, RAAV) op On (Aan) is geprogrammeerd, wordt het SAV-interval korter gemaakt om 1:1 volgen te handhaven. Zie Sectie 7.4, Aanpassing van het AV-interval tijdens frequentiewijzigingen, bladzijde 226 voor meer informatie over frequentieadapterend AV. Afbeelding 77. Werking van Automatische PVARP in de DDDR- of DDD-modus In een niet-volgmodus (DDIR of DDI), varieert PVARP met de huidige stimulatiefrequentie. De waarde van PVARP blijft lang genoeg om AV-synchroniteit te handhaven bij lage stimulatiefrequenties en kort genoeg om atriale concurrerende stimulatie bij een hoge stimulatiefrequentie te voorkomen. Artsenhandleiding 229
230 Het apparaat berekent PVARP en probeert een tijdvenster van 300 ms te handhaven tussen het einde van PVARP en de volgende atriale uitgangspuls. PVARP wordt zodanig beperkt dat de waarde niet korter is dan het geprogrammeerde interval voor de parameter Post-Ventricular Atrial Blanking (Postventriculaire atriale blanking, PVAB). Afbeelding 78. Werking van Automatische PVARP in de DDIR- of DDI-modus Programmeerrichtlijnen voor Automatische PVARP Selectie van de waarde voor Minimum PVARP (Minimum-PVARP) Wanneer u een hogere waarde voor Upper Tracking Rate (Maximale volgfrequentie) programmeert, moet u mogelijk een lagere waarde voor Minimum PVARP (Minimum-PVARP) programmeren om 1:1 volgen te handhaven bij de hogere frequentie. Als alternatief kunt u de functie Frequentieadapterend AV of een combinatie van Frequentieadapterend AV en een lagere waarde voor Minimum PVARP (Minimum-PVARP) gebruiken. Wanneer u een nieuwe waarde selecteert voor Minimum PVARP (Minimum-PVARP) of Rate Adaptive AV (Frequentieadapterend AV), berekent het programmeerapparaat de dynamische 2:1-blokfrequentie bij inspanning opnieuw. Het apparaat bereikt 1:1 volgen tot de maximale volgfrequentie wanneer de berekende dynamische 2:1-blokfrequentie boven de maximale volgfrequentie ligt. U kunt het bericht van het programmeerapparaat over de dynamische 2:1-blokfrequentie weergeven door op het informatiepictogram onder aan het scherm te drukken. Opmerking: De parameter Minimum PVARP (Minimum-PVARP) is alleen van toepassing in de stimulatiemodi DDDR en DDD. Vaste PVARP met DDI- en DDIR-modi Als het apparaat op een permanente DDI- of DDIR-modus is geprogrammeerd, is een vaste PVARP misschien geschikter. Automatische 230 Artsenhandleiding
231 PVARP in niet-volgmodi heeft als doel DDIR tijdens Mode Switch (Mode-switch) gedurende AT/AF te ondersteunen Automatische PVARP programmeren Selecteer het pictogram Params (Parameters) Pacing (Stimulatie) PVARP PVARP <Auto> (Automatisch) Minimum PVARP (Minimum-PVARP) 7.6 Een lagere stimulatiefrequentie afgeven tijdens slaapperioden Oplossing van het systeem: Sleep (Slaap)-functie Sommige patiënten kunnen moeilijk slapen als ze worden gestimuleerd met een frequentie die bedoeld is voor momenten waarop ze normaal wakker zijn. Als gebruikgemaakt wordt van de Sleep (Slaap)-functie, wordt op tijden dat de patiënt gewoonlijk slaapt, de geprogrammeerde onderfrequentie vervangen door een lagere stimulatiefrequentie Werking van de Sleep (Slaap)-functie Afbeelding 79. Overzicht van de Sleep (Slaap)-functie Artsenhandleiding 231
232 De Sleep (Slaap)-functie wordt geregeld door 3 programmeerbare parameters: Sleep Rate (Slaapfrequentie), Bed Time (Bedtijd) en Wake Time (Ontwaaktijd). Gedurende de 30 min na de geprogrammeerde waarde voor bedtijd, verlaagt het apparaat langzaam de laagste stimulatiefrequentie van de onderfrequentie naar de slaapfrequentie. De slaapfrequentie blijft actief tot de geprogrammeerde ontwaaktijd. Gedurende de 30 min na de geprogrammeerde ontwaaktijd verhoogt het apparaat langzaam de laagste stimulatiefrequentie van de slaapfrequentie naar de onderfrequentie. Als de patiënten bij gebruikmaking van Rate Response (Frequentierespons)-modi gedurende geprogrammeerde slaaptijden wakker worden en actief in de weer gaan, verstrekt het apparaat naar behoefte frequentieresponsieve stimulatie. Het frequentieprofiel begint echter bij de tragere slaapfrequentie en neemt toe tot de ADL-frequentie (dagelijkse activiteiten). Boven de ADL-frequentie blijft het frequentieprofiel hetzelfde. Als tijdens de slaapperiode anti-bradycardiestimulatie-parameters worden geprogrammeerd, wordt de werking van de Sleep (Slaap)-functie gedurende die dag geannuleerd. Als de patiënt tijdens de slaapperiode een AT/AF-episode doormaakt en de mode-switch-functie actief is, stimuleert het apparaat pas onder de onderfrequentie als de AT/AF-episode is beëindigd. Zie Sectie 7.11, Snelle ventriculaire stimulatie tijdens een atriale tachycardie voorkomen, bladzijde 240 voor meer informatie over mode-switch Programmeerrichtlijnen voor de Sleep (Slaap)-functie U moet bij het instellen van Bed Time (Bedtijd) en Wake Time (Ontwaaktijd) rekening houden met veranderingen door reizen, zomer-/wintertijd en variaties in de slaappatronen van de patiënt, bijvoorbeeld door werk in ploegendiensten. Om er zeker van te zijn dat de parameters Bed Time (Bedtijd) en Wake Time (Ontwaaktijd) accuraat zijn, moet het apparaat op de juiste tijd zijn ingesteld. De Sleep (Slaap)-functie maakt gebruik van de apparaatklok De apparaatklok instellen Selecteer het pictogram Params (Parameters) Data Collection Setup (Gegevensverzamelingconfiguratie) Device Date/Time (Datum/tijd apparaat) 232 Artsenhandleiding
233 7.6.4 De Sleep (Slaap)-functie programmeren Selecteer het pictogram Params (Parameters) Pacing (Stimulatie) Additional Features (Aanvullende functies) Sleep (Slaap) Sleep (Slaap) <On> (Aan) Sleep Rate (Slaapfrequentie) Bed Time (Bedtijd) Wake Time (Ontwaaktijd) Evaluatie van de Sleep (Slaap)-functie Het ventriculairefrequentiehistogram toont hartfrequenties die onder de onderfrequentie maar boven de slaapfrequentie liggen, gedurende het percentage tijd dat correleert met de slaapperiode. Het Cardiac Compass-rapport toont de gemiddelde ventriculaire frequentie gedurende de dag en nacht. Hierop moet de lagere hartfrequentie s nachts zichtbaar zijn Het ventriculairefrequentiehistogramrapport afdrukken Selecteer het pictogram Data (Gegevens) Clinical Diagnostics (Klinische diagnostieken) Rate Histograms (Frequentiehistogrammen) (alleen rapport) Het Cardiac Compass-trendsrapport afdrukken Selecteer het pictogram Data (Gegevens) Clinical Diagnostics (Klinische diagnostieken) Cardiac Compass Trends (Cardiac Compass-trends) (alleen rapport) 7.7 Concurrerende atriale stimulatie voorkomen Een atriale tachycardie kan worden geïnitieerd als een atriaal gestimuleerd event plaatsvindt gedurende de vulnerabele periode van het atrium. Dit kan gebeuren als het apparaat stimuleert met een hoge frequentie, als een premature atriale contractie plaatsvindt gedurende een atriale refractaire periode en als kort daarna een atriale uitgangspuls wordt afgegeven. Artsenhandleiding 233
234 7.7.1 Oplossing van het systeem: NCAP De functie Niet-concurrerende atriale stimulatie (NCAP) voorkomt dat het atrium te snel na een refractaire atriale waarneming wordt gestimuleerd. Dit wordt gedaan door de geplande atriale uitgangspuls uit te stellen Werking van NCAP NCAP is beschikbaar wanneer het apparaat in de DDDR-, DDD-, DDIR- of DDI-modus werkt. Wanneer een atriale refractaire waarneming optreedt, start het apparaat een programmeerbaar NCAP-interval. Als een atriale uitgangspuls is gepland tijdens het NCAP-interval, wordt de atriale uitgangspuls uitgesteld totdat het NCAP-interval afloopt. Wanneer een atriale uitgangspuls door de NCAP-functie wordt uitgesteld, wordt het AP-VP-interval verkort (niet met minder dan 30 ms). Als NCAP het AP-VP-interval heeft verkort, kan er enige variatie optreden in het VP-VP-interval. Deze variaties zijn alleen van invloed op het huidige en het volgende ventriculaire interval. Het NCAP-interval is 400 ms gedurende 1 stimulatiecyclus wanneer een PVC-respons of een PMT-interventie optreedt. Afbeelding 80. Werking van NCAP 1 Het apparaat stimuleert met een verhoogde frequentie. 2 Er treedt een atriale refractaire waarneming op, waardoor een NCAP-interval wordt gestart (in dit geval 300 ms). 3 Na het NCAP-interval stimuleert het apparaat het atrium en vervolgens, na een verkort AP-VP-interval, het ventrikel. 234 Artsenhandleiding
235 7.7.3 NCAP programmeren Selecteer het pictogram Params (Parameters) Pacing (Stimulatie) Additional Features (Aanvullende functies) Non-Comp Atrial Pacing (Niet-concurrerende atriale stimulatie) NCAP Interval (NCAP-interval) Evaluatie van NCAP Als u een ECG-strook evalueert, zult u zien dat het AP-VP-interval is verkort. Het NCAP-interval is de tijd tussen het AR- en het AP-event (zie Afbeelding 80). 7.8 Pacemakergeïnduceerde tachycardieën onderbreken In volgmodi (DDDR en DDD) kan retrograde geleiding een pacemakergeïnduceerde tachycardie (PMT) tot gevolg hebben. Een PMT is een repetitieve sequentie waarbij het apparaat op iedere retrograde P-top reageert door het ventrikel met verhoogde frequentie te stimuleren, hetgeen weer een retrograde P-top genereert Oplossing van het systeem: PMT-interventie De functie PMT-interventie verlengt PVARP na detectie van een PMT. Hierdoor wordt de PMT onderbroken doordat het daaropvolgende atriale waargenomen event binnen de refractaire periode valt Werking van PMT-interventie PMT-interventie is van toepassing als het apparaat in de DDDR- of DDD-modus werkt. Het apparaat definieert een PMT als 8 opeenvolgende VP-AS-intervallen van minder dan 400 ms. Wanneer het apparaat een PMT detecteert, forceert de functie PMT-interventie een PVARP van 400 ms na het negende gestimuleerde ventriculaire event. Hierdoor valt de volgende atriale waarneming binnen de refractaire periode. Aangezien dit refractaire event 1 interval niet naar het ventrikel wordt gevolgd, wordt de PMT onderbroken. PMT-interventie wordt 90 s na de verlengde PVARP onderbroken om onnodige interventie bij snelle intrinsieke atriale frequenties te voorkomen. Tijdens normale verhoogde sinusfrequenties kan soms worden voldaan aan de PMT-detectiecriteria, hetgeen resulteert in 1 weggevallen slag (niet gevolgd) om de 90 s. Artsenhandleiding 235
236 PVC-respons kan ook PMT voorkomen. Als de functies PVC-respons en PMT-interventie op On (Aan) zijn geprogrammeerd en er PMT s worden geobserveerd, evalueert u de prestaties of posities van de atriale en ventriculaire geleidingsdraden. U kunt ook een behandeling met medicijnen overwegen om de retrograde geleiding te verminderen. Afbeelding 81. PMT-interventie verlengt PVARP 1 Retrograde geleiding na een PVC wordt gedetecteerd als een atriaal waargenomen event. 2 PMT vindt plaats. 3 PMT wordt gedetecteerd en PVARP wordt verlengd om de PMT te beëindigen PMT-interventie programmeren Selecteer het pictogram Params (Parameters) Pacing (Stimulatie) Additional Features (Aanvullende functies) PMT Intervention (PMT-interventie) 7.9 Retrograde geleiding beheren met PVC-respons Door retrograde geleiding na een PVC kan de AV-synchroniteit worden verstoord en de timing van de stimulatiemodus worden beïnvloed. Bij volgmodi (DDDR en DDD) kan retrograde geleiding na een PVC een pacemakergeïnduceerde tachycardie (PMT) veroorzaken. Dit is een repetitieve sequentie waarbij het apparaat op iedere retrograde P-top reageert door het ventrikel met verhoogde frequentie te stimuleren, hetgeen weer een retrograde P-top genereert. Bij niet-volgmodi (DDIR en DDI) kan retrograde geleiding na een PVC een verlies van AV-synchroniteit veroorzaken doordat een repetitieve sequentie van atriale inhibitie gevolgd door een ventriculaire uitgangspuls optreedt. 236 Artsenhandleiding
237 7.9.1 Oplossing van het systeem: PVC-respons PVC-respons verlengt PVARP na een PVC om te voorkomen dat een retrograde P-top wordt gevolgd en te vermijden dat door retrograde geleiding een atriale uitgangspuls wordt geïnhibeerd Werking van PVC-respons PVC-respons is van toepassing als het apparaat in de DDDR-, DDD-, DDIR- of DDI-modus werkt. Het systeem definieert een PVC als een ventriculair waargenomen event dat volgt op een ander ventriculair event zonder tussenkomend atriaal event. Wanneer het apparaat een PVC waarneemt, wordt PVARP geforceerd op minimaal 400 ms ingesteld. (Er wordt geen actie ondernomen als de huidige PVARP al 400 ms of meer is.) Omdat retrograde geleiding gewoonlijk binnen 400 ms na een PVC optreedt, ligt de retrograde P-top binnen PVARP, zodat deze P-top niet zal worden gevolgd en atriale stimulatie niet zal inhiberen. Er wordt daarom geen PMT geïnitieerd (DDDR- en DDD-modi) en de AV-synchroniteit blijft gehandhaafd (DDIR- en DDI-modi). Als de functie PVC-respons op On (Aan) is geprogrammeerd en er PMT s worden geobserveerd, kunt u overwegen PMT-interventie te programmeren of de prestaties of posities van de atriale en ventriculaire geleidingsdraden te evalueren. U kunt ook een behandeling met medicijnen overwegen om de retrograde geleiding te verminderen. Afbeelding 82. PVC-respons start een verlengde PVARP 1 Er treedt een PVC op. 2 Het apparaat verlengt PVARP tot 400 ms en het daaropvolgende atriale event wordt als refractair geclassificeerd. Artsenhandleiding 237
238 7.9.3 PVC-respons programmeren Selecteer het pictogram Params (Parameters) Pacing (Stimulatie) Additional Features (Aanvullende functies) PVC Response (PVC-respons) 7.10 Onterechte ventriculaire inhibitie reduceren met VSP In een tweekamer-stimulatiesysteem met atriale en ventriculaire stimulatie en ventriculaire waarneming, kan het systeem een atriale uitgangspuls op het ventriculaire kanaal waarnemen en daardoor ventriculaire stimulatie inhiberen (crosstalk). Wanneer inhibitie van ventriculaire stimulatie optreedt, geeft het apparaat mogelijk niet volledige ventriculaire ondersteuning Oplossing van het systeem: VSP Ventriculaire veiligheidsstimulatie (VSP) detecteert crosstalk door te controleren op niet-fysiologische ventriculaire waargenomen events. Hierop wordt gereageerd door het ventrikel te stimuleren Werking van VSP VSP is beschikbaar als het apparaat in de DDDR-, DDD-, DDIR- of DDI-modus werkt. Het apparaat controleert binnen een VSP-venster van 110 ms op ventriculaire waarnemingen die te snel na een atriale uitgangspuls optreden. Ventriculaire waarnemingen binnen het VSP-venster worden geclassificeerd als niet-fysiologisch en zijn waarschijnlijk het gevolg van crosstalk. Als binnen het VSP-venster een ventriculair event wordt waargenomen, geeft het apparaat aan het eind van het VSP-venster een VSP-puls af. Als het waargenomen event het resultaat van crosstalk is, geeft de back-up-uitgangspuls ventriculaire ondersteuning. Als het waargenomen event een ventriculaire depolarisatie is, treedt de back-up-uitgangspuls zo snel op dat deze binnen de absolute refractaire periode van het ventrikel valt. Er wordt dus niet gestimuleerd op de T-top. 238 Artsenhandleiding
239 Afbeelding 83. VSP-puls afgegeven aan het einde van het VSP-venster (110 ms) Wanneer het gebruikte gestimuleerde AV-interval kleiner is dan het VSP-venster, wordt de ventriculaire stimulatie afgegeven aan het einde van het gestimuleerde AV-interval. Het VSP-venster wordt van 110 ms bij lage stimulatiefrequenties omgeschakeld op 70 ms bij hogere stimulatiefrequenties. Deze verkorting van het VSP-venster naar 70 ms helpt met de ondersteuning van de ventriculaire tachycardiedetectie. In moderne apparaten komt crosstalk zelden voor. Situaties waarbij het waarschijnlijk is dat het apparaat VSP zal afgeven, zijn het optreden van atriale undersensing of het optreden van PVC s binnen het VSP-venster. Opmerking: VSP wordt alleen afgegeven aan de RV-kamer Programmeerrichtlijnen voor VSP Let op: Programmeer VSP niet op Off (Uit) als de patiënt afhankelijk is van de pacemaker, omdat ventriculaire ondersteuning mogelijk niet beschikbaar is terwijl crosstalk optreedt VSP programmeren Selecteer het pictogram Params (Parameters) Pacing (Stimulatie) Additional Features (Aanvullende functies) V. Safety Pacing (V. veiligheidsstimulatie) Artsenhandleiding 239
240 Evaluatie van VSP Afbeelding 84. VSP herkennen op een ECG-strook 1 Normale AV-intervallen 2 VSP-puls kort na een ventriculaire waarneming Als u een ECG-strook evalueert, ziet u dat de VSP-puls kort na een ventriculaire waarneming optreedt en gewoonlijk een korter AV-interval heeft. De VP -code op het Marker Channel verschijnt meestal niet op een afgedrukte realtime ECG-strook omdat er maar weinig ruimte is na de VS -code. Zowel de VP - als de VS -code verschijnt op het actueleritmevenster, bevroren stroken en afgedrukte bevroren stroken Snelle ventriculaire stimulatie tijdens een atriale tachycardie voorkomen Een atriale tachycardie kan een snelle ventriculairestimulatiefrequentie tot gevolg hebben wanneer het apparaat in de DDDR- of DDD-modus werkt. Het geïmplanteerde apparaat moet in staat zijn om atriaal volgen tegen te houden tijdens perioden van atriale tachycardie, terwijl het normale sinusritme gevolgd wordt Oplossing van het systeem: Mode-switch De functie Mode-switch schakelt bij detectie van een atriale tachycardie de stimulatiemodus van het apparaat over op een niet-volgmodus. Als de atriale tachycardie afloopt, wordt de geprogrammeerde stimulatiemodus weer hersteld. Doordat gebruikgemaakt wordt van een niet-volgmodus, vermijdt het apparaat snelle ventriculaire stimulatie die het gevolg kan zijn van een hoge atriale frequentie. 240 Artsenhandleiding
241 Werking van mode-switch Afbeelding 85. Overzicht van de werking van mode-switch Mode-switch is beschikbaar als het apparaat in de DDDR- of DDD-modus werkt. Mode-switch begint wanneer het apparaat de onset van een atrialetachycardie-episode detecteert. De detectie van AT/AF-onset is gebaseerd op het geprogrammeerde AT/AF-interval en de accumulatie van aanvullend bewijs van atriale tachycardie op basis van het aantal en de timing van atriale events binnen de ventriculaire intervallen. Zie Sectie 8.1, Atriale tachycardieën detecteren, bladzijde 250 voor meer informatie over atrialetachycardiedetectie. Nadat het apparaat de onset van een atriale tachycardie gedetecteerd heeft, wordt de stimulatiemodus door mode-switch gewijzigd van de geprogrammeerde modus in een niet-volgmodus (DDIR). De ventriculaire stimulatiefrequentie verandert geleidelijk van de volgfrequentie in de sensorfrequentie. Deze geleidelijke frequentieafname voorkomt dat de ventriculaire frequentie te plotseling daalt. Wanneer de atriale tachycardie eindigt en de atriale frequentie tot onder de geprogrammeerde maximale volgfrequentie daalt, zet mode-switch de stimulatiemodus terug op de geprogrammeerde volgmodus. De ventriculaire stimulatiefrequentie verandert geleidelijk van de sensorfrequentie in de volgfrequentie. Artsenhandleiding 241
242 Ab AS Ab MS VP AR Ab Medtronic MAXIMO II CRT-D Afbeelding 86. Voorbeeld van een mode-switch-episode ASVP ASVP ARASVP VP ARASVP ASAR ASARAR VP ASARAR VP ASARVP ASARARAR VPVP ASAR 1 Een atrialetachycardie-episode begint en heeft als gevolg een snellere ventriculaire stimulatie. 2 Wanneer het apparaat een atriale tachycardie detecteert, schakelt de geprogrammeerde stimulatiemodus over naar DDIR. 3 Het apparaat schakelt geleidelijk van de snellere ventriculairestimulatiefrequentie over naar de sensorfrequentie. 200 ms Interacties met andere apparaatwerkingen Anti-tachycardiestimulatietherapieën (ATP-therapieën) Mode-switch kan niet tijdens een ATP-therapie worden gestart. Als mode-switch start voordat de ATP-therapie begint, onderbreekt het apparaat mode-switch tijdens de therapie. Mode-switch wordt hervat nadat de therapie is afgegeven Mode-switch programmeren Selecteer het pictogram Params (Parameters) Mode Switch (Mode-switch) Atriale interval (frequentie) programmeren Selecteer het pictogram Params (Parameters) AT/AF Interval (Rate) (AT/AF-interval [Frequentie]) 242 Artsenhandleiding
243 Evaluatie van de prestaties van Mode-switch EGM-strook Selecteer het pictogram Data (Gegevens) Clinical Diagnostics (Klinische diagnostiek) Arrhythmia Episodes (Aritmie-episodes) Selecteer een AT/AF-episode in het logboek met aritmie-episodes. In de kolom A/V bpm (A/V slagen per minuut) kunt u de gemiddelde atriale en ventriculaire frequenties tijdens de episode nagaan. In de kolom EGM wordt aangegeven of er een EGM-strook beschikbaar is voor die episode. Als EGM beschikbaar is, selecteert u de optie EGM. U kunt de atriale en ventriculaire events in de opgeslagen EGM-strook evalueren om na te gaan of het apparaat tijdens de episode gebruikmaakte van een niet-volgmodus. Afbeelding 87. Evaluatie van mode-switch tijdens een AT/AF-episode 1 De lage gemiddelde frequentie en het verschil tussen de gemiddelde atriale en ventriculaire frequentie suggereren dat het apparaat niet in een volgmodus werkt. 2 Het opgeslagen EGM geeft aan dat het apparaat de atriale frequentie niet volgt bij de stimulatie van het ventrikel. Artsenhandleiding 243
244 Mode-switch-overgangen Het Marker Channel omvat een MS -marker voor elke mode-switch-overgang naar een niet-volgmodus of terug naar een volgmodus. De actuele werkingsmodus wordt weergegeven in de linkerbovenhoek van het scherm. Tijdens een mode-switch-episode wordt DDIR weergegeven Versterking van de uitgangspuls na een hogespanningstherapie Nadat het hart een hogespanningstherapie heeft ontvangen, kunnen de stimulatiedrempels tijdelijk stijgen. De stijging van de stimulatiedrempel kan verlies van capture tot gevolg hebben Oplossing van het systeem: Stimulatie na een schok De functie Stimulatie na een schok verhoogt de stimulatieamplitude en de pulsduur na een hogespanningstherapie Werking van Stimulatie na een schok U kunt op het apparaat afzonderlijke instellingen voor amplitude en pulsduur na een schok opgeven die van toepassing zijn na elke hogespanningstherapie. Deze parameters blijven gedurende 25 stimulatiecycli geldig Stimulatie na een schok programmeren Selecteer het pictogram Params (Parameters) Pacing (Stimulatie) Arrhythmia/Post Shock (Aritmie/na een schok) A. Amplitude (A. amplitude) V. Amplitude (V. amplitude) A. Pulse Width (A. pulsduur) V. Pulse Width (V. pulsduur) 244 Artsenhandleiding
245 7.13 Overdrive-stimulatie afgeven na een VT/VF-hogespanningstherapie Nadat een VT/VF-episode met succes is beëindigd door een hogespanningstherapie, kan het hartminuutvolume tijdelijk dalen Oplossing van het systeem: Stimulatie na een door VT/VF-geïnduceerde schok Stimulatie na een door VT/VF-geïnduceerde schok verstrekt overdrive-stimulatie waardoor het hartminuutvolume mogelijk kan verbeteren Werking van Stimulatie na een door VT/VF-geïnduceerde schok Stimulatie na een door VT/VF-geïnduceerde schok beschikt over programmeerbare parameters voor Overdrive Rate (Overdrive-stimulatiefrequentie) en Overdrive Duration (Overdrive-stimulatieduur) die kunnen worden gebruikt nadat een VT/VF-episode is behandeld met een schok. De stimulatiemodus blijft staan op de geprogrammeerde instelling. De stimulatie wordt voortgezet met de overdrive-stimulatiefrequentie gedurende de overdrive-stimulatieduur, tenzij een test of een andere therapie eerder wordt uitgevoerd. Als de overdrive-stimulatieduur is afgelopen, wordt de stimulatiefrequentie langzaam teruggezet op de normale stimulatiefrequenties. Opmerking: Gedurende de eerste 25 stimulatiecycli worden de instellingen van Stimulatie na een schok gebruikt voor amplitude en pulsduur Stimulatie na een door VT/VF-geïnduceerde schok programmeren Selecteer het pictogram Params (Parameters) Pacing (Stimulatie) Arrhythmia/Post Shock (Aritmie/na een schok) Post VT/VF Shock Pacing (Stimulatie na een door VT/VF-geïnduceerde schok) <On> (Aan) Overdrive Rate (Overdrive-stimulatiefrequentie) Overdrive Duration (Overdrive-stimulatieduur) Artsenhandleiding 245
246 Evaluatie van Stimulatie na een door VT/VF-geïnduceerde schok Afbeelding 88. Stimulatie na een door VT/VF-geïnduceerde schok na de afgifte van hogespanningstherapie Als u de stimulatie bij de overdrive-stimulatiefrequentie wilt observeren, gaat u naar Arrhythmia Episodes (Aritmie-episodes) en bekijkt u de stimulatiemarkers. Selecteer het pictogram Data (Gegevens) Clinical Diagnostics (Klinische diagnostieken) Arrhythmia Episodes (Aritmie-episodes) EGM 7.14 Ventriculairefrequentiestabilisatie gebruiken als reactie op PVC s Wanneer een patiënt een PVC heeft, wordt dit vaak gevolgd door een lange pauze in de hartcyclus. Deze pauze gaat vaak gepaard met de aanvang van pauzeafhankelijke ventriculaire tachycardieën Oplossing van het systeem: Ventriculairefrequentiestabilisatie (VRS) Ventriculairefrequentiestabilisatie (VRS) is een functie voor het elimineren van de lange pauze die vaak op een PVC volgt. VRS reageert op een PVC door de stimulatiefrequentie te verhogen en dan weer langzaam te verlagen tot de geprogrammeerde stimulatiefrequentie of de intrinsieke frequentie. 246 Artsenhandleiding
247 Werking van VRS VRS werkt als constante frequentie-egalisator door het aanpassen van de ventriculaire intervallen die na een PVC kunnen volgen. De stimulatiefrequentie die wordt bepaald door VRS, wordt bestuurd door de volgende parameters: Maximum Rate (Maximale frequentie): stelt een grens in voor het minimale stimulatie-interval. Interval Increment (Intervalverlenging): verlengt het stimulatie-interval bij elke opeenvolgende ventriculaire waarneming of ventriculaire stimulus. Na iedere opeenvolgende ventriculaire waarneming of ventriculair stimulatie-event berekent het apparaat een nieuw stimulatie-interval door de geprogrammeerde waarde van Interval Increment (Intervalverlenging) op te tellen bij het vorige stimulatie-interval. Het berekende interval wordt bij iedere slag langer, totdat het apparaat terugkeert naar de intrinsieke frequentie of de geprogrammeerde stimulatiefrequentie (als deze eerder wordt bereikt). De verhoging van de stimulatiefrequentie die wordt bepaald door VRS, overschrijdt echter niet de maximale frequentie die is geprogrammeerd voor deze functie. VRS is beschikbaar als het apparaat in de DDDR-, DDD-, DDIR-, DDI-, VVIR- of VVI-modus werkt. Afbeelding 89. Werking van VRS 1 Er treedt een PVC op, hetgeen resulteert in een kort stimulatie-interval. 2 Het apparaat stimuleert het ventrikel met het vorige stimulatie-interval plus de geprogrammeerde intervalverlenging. De functie VRS plant de atriale stimulatie vroeg, om AV-synchroniteit te handhaven. 3 Bij elke volgende stimulatie neemt het stimulatie-interval toe met de geprogrammeerde intervalverlenging. Artsenhandleiding 247
248 Opmerkingen: Er wordt een bovengrens ingesteld voor de werking van VRS, omdat deze functie bedoeld is als respons op een premature ventriculaire slag. VRS biedt geen respons op aanhoudende hoge hartfrequenties. In tweekamerstimulatiemodi verkort VRS automatisch het atrialestimulatie-interval, zodat de ventriculaire uitgangspuls wordt afgegeven met het vereiste stimulatie-interval. In het algemeen geldt dat wanneer meerdere apparaatfuncties tegelijk proberen de stimulatiefrequentie te regelen, de functie met de hoogste frequentie voorrang heeft Programmeerrichtlijnen voor VRS Automatische PVARP en VRS Wanneer VRS in de DDIR- of DDI-modus de stimulatiefrequentie verhoogt, beperkt Automatische PVARP de kans op concurrerende atriale stimulatie. Mode-switch en VRS VRS is niet actief tijdens mode-switch-episodes. Doorgeleide AF-respons en VRS In de DDIR- en VVIR-modi kunnen doorgeleide AF-respons en VRS niet tegelijkertijd op On (Aan) worden geprogrammeerd VRS programmeren Selecteer het pictogram Params (Parameters) Pacing (Stimulatie) Arrhythmia/Post Shock (Aritmie/na een schok) V. Rate Stabilization (V-frequentiestabilisatie) <On> (Aan) Additional V Settings (Aanvullende V. instellingen) Maximum Rate (Maximale frequentie) Interval Increment (Intervalverlenging) Evaluatie van de prestaties van VRS Het apparaat verzamelt tellergegevens met informatie over de frequentie van PVC s en de werking van VRS, en slaat deze op. U kunt de opgeslagen gegevens weergeven op het scherm van het programmeerapparaat en afdrukken. 248 Artsenhandleiding
249 Selecteer het pictogram Data (Gegevens) Clinical Diagnostics (Klinische diagnostieken) Counters (Tellers) VT/VF Episodes (VT/VF-episodes) Afbeelding 90. Voorbeeld van PVC- en VRS-tellergegevens 1 De teller PVC Runs (PVC-runs) vermeldt alle PVC s waarbij 2 of meer premature ventriculaire events achter elkaar optreden. 2 De teller PVC Singles (Enkele PVC s) vermeldt premature events die afzonderlijk zijn opgetreden. 3 De teller Runs of VRS Paces (Runs van VRS-uitgangspulsen) vermeldt runs van VRS-uitgangspulsen per uur waarin 2 of meer opeenvolgende ventriculaire events VRS-uitgangspulsen zijn. 4 De teller Single VRS Paces (Enkele VRS-uitgangspulsen) vermeldt het voorkomen van enkele VRS-uitgangspulsen per uur. Artsenhandleiding 249
250 8 Tachycardiedetectie configureren 8.1 Atriale tachycardieën detecteren Atriale tachycardieën worden in het algemeen gekenmerkt door atriale frequenties die hoger liggen dan de ventriculaire frequenties. Atriale tachycardieën kunnen symptomen bij de patiënt veroorzaken. Wanneer het apparaat gebruikmaakt van een atriale volgmodus, kan atriale tachycardie ook onterechte snelle ventriculaire stimulatie veroorzaken Oplossing van het systeem: AT/AF-bewaking Atrialetachycardiebewaking is een continu proces waarbij het apparaat de atriale frequentie en het effect daarvan op het ventriculaire ritme analyseert om na te gaan of de patiënt op dat moment een atriale tachycardie doormaakt. Dankzij de nauwkeurige detectie van atriale tachycardieën kan het apparaat diagnostische gegevens verzameld die kunnen helpen bij de behandeling van patiënten met atriale tachycardieën. U kunt het apparaat programmeren om te reageren op een atriale tachycardie door over te schakelen naar de niet-volgmodus DDIR, om ventriculaire stimulatie met hoge frequentie te vermijden. Met AT/AF-bewaking kan het apparaat AT/AF detecteren en diagnostische informatie leveren, maar geen atriale tachycardietherapieën afgeven Werking van atrialetachycardiebewaking Afbeelding 91. Overzicht van AT/AF-bewaking Het apparaat detecteert een atrialetachycardie-episode wanneer het bepaalt dat de atriale frequentie is toegenomen en dat er aanvullende aanwijzingen voor atriale tachycardie zijn geaccumuleerd, op basis van het aantal en de timing van atriale events binnen de ventriculaire events. Na de initiële episodedetectie blijft het apparaat de episode bewaken tot de episode eindigt. 250 Artsenhandleiding
251 Atrialetachycardiebewaking wordt geprogrammeerd door op het scherm van het programmeerapparaat een AT/AF-interval, gelabeld als Interval (Rate) (Interval [Frequentie]), te selecteren Identificatie van onset van atriale tachycardie Het apparaat identificeert de onset van een atriale tachycardie wanneer wordt voldaan aan de volgende twee voorwaarden: Er moet sprake zijn van ten minste 2 atriale waargenomen events per ventriculair interval gedurende voldoende ventriculaire intervallen (sinds het begin van de episode moeten ten minste 3 ventriculaire intervallen zijn gepasseerd). De mediaan van de 12 meest recente atriale intervallen is korter dan het geprogrammeerde AT/AF-interval. AT/AF-onset wordt gemarkeerd in het episodeverslag. Als mode-switch op On (Aan) is geprogrammeerd, schakelt het apparaat bij AT/AF-onset over op een niet-volgmodus (DDIR). Opmerking: Wanneer wordt voldaan aan de voorwaarden voor AT/AF-onset, begint het systeem het percentage tijd te berekenen dat de patiënt doorbrengt in AT/AF. Deze informatie wordt gebruikt in het Cardiac Compass-rapport Atrialetachycardie-episodes detecteren Het apparaat verzamelt bewijs van atriale tachycardieën op basis van het aantal atriale events en de timing van deze events tijdens ventriculaire intervallen. Het apparaat bevestigt AT/AF-episodedetectie wanneer wordt voldaan aan de volgende twee voorwaarden: Er moet sprake zijn van ten minste 2 atriale waargenomen events per ventriculair interval gedurende voldoende ventriculaire intervallen (sinds het begin van de episode moeten ten minste 32 ventriculaire intervallen zijn gepasseerd). De mediaan van de 12 meest recent waargenomen atriale intervallen is korter dan het geprogrammeerde AT/AF-interval. Gegevens worden opgeslagen in episodeverslagen wanneer wordt voldaan aan de voorwaarden voor AT/AF-detectie. In het episodeverslag wordt AT/AF-detectie aangegeven met de code AT/AF Detection (AT/AF-detectie). Zie Sectie 8.1.4, AT/AFbewaking evalueren, bladzijde 253 voor meer informatie. Artsenhandleiding 251
252 Afbeelding 92. AT/AF-onset en AT/AF-detectie In Afbeelding 92 geeft de marker MS aan dat mode-switch is opgetreden. Deze marker verschijnt alleen als mode-switch op On (Aan) is geprogrammeerd. Opmerkingen: Als AT/AF-detectie optreedt, maakt het systeem een episodeverslag waarop AT/AF-onset en de detectiepunten worden aangegeven. Als onset wordt bereikt maar geen detectie plaatsvindt, is er geen episodeverslag voor dat specifieke optreden van AT/AF. Als er minimaal 2 atriale events tijdens een ventriculair interval optreden, analyseert het apparaat de A:V-patrooninformatie om te bepalen of een van de atriale events in werkelijkheid een far-field-r-top is. Far-field-R-toppen worden niet meegeteld bij de AT/AF-detectie. VT/VF-detectie heeft prioriteit over AT/AF-detectie. Wanneer VT/VF wordt gedetecteerd, worden eventuele actieve AT/AF-detectieprocessen uitgesteld totdat de VT/VF-episode eindigt Identificatie van beëindiging van atriale tachycardie Het apparaat bepaalt dat een atriale tachycardie is beëindigd wanneer het apparaat gedurende 5 opeenvolgende ventriculaire intervallen het normale sinusritme (of een normaal gestimuleerd ritme) identificeert. 252 Artsenhandleiding
253 Afbeelding 93. AT/AF-beëindiging 1 Het atriale EGM toont aan dat het snelle atriale ritme is gestopt. 2 Er zijn 5 opeenvolgende intervallen van een 1:1 atriaal-ventriculair ritme opgetreden die allen langer zijn dan het geprogrammeerde AT/AF-interval. De episode wordt beëindigd. De marker MS (mode-switch) geeft aan dat een atriale volgmodus is geheractiveerd. Opmerking: Wanneer het atrialetachycardie-detectieproces gedurende 3 min ononderbroken is uitgevoerd zonder dat is voldaan aan de detectie- of beëindigingscriteria, wordt de episode beëindigd AT/AF-bewaking programmeren Selecteer het pictogram Params (Parameters) AT/AF Interval (Rate) (AT/AF-interval [Frequentie]) AT/AF-bewaking evalueren Quick Look II-scherm Selecteer het pictogram Data (Gegevens) Quick Look II Op het Quick Look II-scherm wordt het totale percentage van de tijd aangegeven dat de patiënt in bewaakte AT/AF heeft doorgebracht. Ook wordt het aantal bewaakte AT/AF-episodes sinds de laatste sessie aangegeven. Artsenhandleiding 253
254 Scherm Data - Arrhythmia Episodes (Gegevens - aritmie-episodes) Selecteer het pictogram Data (Gegevens) Clinical Diagnostics (Klinische diagnostieken) Arrhythmia Episodes (Aritmie-episodes) Op het scherm Data - Arrhythmia Episodes (Gegevens - Aritmie-episodes) worden de geregistreerde tachycardie-episodes aangegeven. Als u Plot kiest, wordt een diagram van de episode weergegeven met de tijden voor onset, detectie en beëindiging. Als u Episode EGM kiest, wordt de episode-informatie weergegeven in de context van een EGM-strook. Afbeelding 94. Episode-EGM met AT/AF-onset 254 Artsenhandleiding
255 Afbeelding 95. Episode-EGM met AT/AF-detectie Cardiac Compass-rapport Selecteer het pictogram Data (Gegevens) Clinical Diagnostics (Klinische diagnostieken) Cardiac Compass Trends (Cardiac Compass-trends) (alleen rapport) Het Cardiac Compass-rapport bevat informatie over AT/AF-episodes en ventriculaire ritmes, en over de tijd die de patiënt in AT/AF heeft doorgebracht. De trend V. rate during AT/AF (V. frequentie tijdens AT/AF) in het Cardiac Compass-rapport bevat informatie over de ventriculaire respons tijdens atriale tachycardieën. Artsenhandleiding 255
256 Afbeelding 96. V. Rate during AT/AF (V. frequentie tijdens AT/AF) in Cardiac Compass-rapport De trend AT/AF total hours/day (AT/AF totaal aantal uren per dag) in het Cardiac Compass-rapport bevat informatie over de hoeveelheid tijd die de patiënt heeft doorgebracht in AT/AF. Afbeelding 97. AT/AF total hours/day (AT/AF totaal aantal uren per dag) in Cardiac Compass-rapport AT/AF-episodetellers Selecteer het pictogram Data (Gegevens) Clinical Diagnostics (Klinische diagnostieken) Counters (Tellers) AT/AF Episodes (AT/AF-episodes) De AT/AF-episodetellers geven een overzicht van de AT/AF-activiteit, inclusief het percentage van de tijd dat in AT/AF werd doorgebracht, en het aantal AT/AF-episodes sinds de laatste sessie. Zie Sectie 5.6, Episode- en therapietellers bekijken, bladzijde 151 voor meer informatie. 256 Artsenhandleiding
257 8.2 Ventriculaire tachycardieën detecteren Het apparaat kan de patiënt pas de juiste therapieën aanbieden als eerst de aanwezigheid van een tachycardie is gedetecteerd en de tachycardie correct is geclassificeerd. Het apparaat moet in staat zijn om verschillende soorten ventriculaire tachycardieën met verschillende eigenschappen te detecteren. Ventriculaire fibrillatie (VF) heeft in het algemeen een ritme met een hoge frequentie, lage amplitude en onregelmatige intervallen. Ventriculaire tachycardie (VT) heeft in het algemeen een trager ritme dan VF, en regelmatige intervallen. Bepaalde VT s kunnen net zo snel als VF zijn, maar hebben wel regelmatige intervallen. Een supraventriculaire tachycardie (SVT) is een snel ritme dat zijn oorsprong vindt in de atria maar dat niet is geïndiceerd voor ventriculaire therapie. Nadat een therapie is afgegeven, moet het apparaat de effectiviteit ervan evalueren en eventueel meer therapie afgeven als de aritmie blijft aanhouden. Na beëindiging van de episode moet het apparaat blijven controleren op herhaling van de tachycardie. Als een aritmie na de detectie spontaan ophoudt of als een patiënt SVT meemaakt, moet geen therapie worden gegeven Oplossing van het systeem: Ventriculairetachycardiedetectie Ventriculairetachycardiedetectie is een proces dat constant wordt uitgevoerd en waarbij waargenomen ventriculaire events worden geclassificeerd in verband met tachycardie-episodedetectie. Op basis van de resultaten van het detectieproces kan het apparaat de geprogrammeerde therapie afgeven aan de patiënt, of geen therapie afgeven. Na afgifte van een therapie blijft het apparaat het ritme van de patiënt controleren om na te gaan of de tachycardie is beëindigd, of dat deze nog gaande is dan wel gewijzigd is. Het apparaat kan worden geprogrammeerd om te controleren op tragere niet-levensbedreigende VT s zonder therapie af te geven Werking van ventriculairetachycardiedetectie Afbeelding 98. Overzicht van ventriculairetachycardiedetectie Artsenhandleiding 257
258 Het apparaat classificeert het hartritme van de patiënt door ieder interval te meten en het aantal tachycardie-events te tellen dat optreedt binnen de geprogrammeerde tachycardiedetectiezones. Er zijn 4 programmeerbare detectiezones: VF, snelle VT, VT en Bewaking. Als het aantal tachycardie-events binnen een zone een geprogrammeerde drempel overschrijdt, detecteert het apparaat een ventriculairetachycardie-episode. Na de detectie kan het apparaat een geplande therapie afgeven, waarna het hartritme van de patiënt wordt geëvalueerd op episodebeëindiging of herdetectie Classificatie van ventriculaire events Afbeelding 99. VF- en VT-detectiezones Het systeem gebruikt programmeerbare detectiezones voor de classificatie van ventriculaire events voor tachycardie-detectie en -therapie. Een detectiezone is een bereik aan cycluslengtes dat wordt gebruikt om een waargenomen ventriculair tachycardie-event te classificeren als fibrillatie of tachycardie. Afbeelding 100. VF- en VT-detectie-intervallen 258 Artsenhandleiding
259 U programmeert de detectiezones door een detectie-interval te selecteren voor ieder type tachycardie dat het apparaat moet detecteren. (Op het scherm Parameters wordt het detectie-interval aangegeven met V. Interval (Rate) [V. interval (Frequentie)].) Wanneer u een detectie-interval programmeert voor VF, definieert u een zone voor VF-events. Intervallen die korter dan of gelijk aan het VF-detectie-interval zijn, vallen binnen de VF-detectiezone en worden geclassificeerd als ventriculairefibrillatie-events. Ook geldt dat wanneer u een VT-detectie-interval programmeert, u een zone voor VT-events definieert. Intervallen waarvan de lengte tussen het VT-detectie-interval en het VF-detectie-interval ligt, vallen binnen de VT-detectiezone en worden geclassificeerd als ventriculairetachycardie-events Detectie van VF- en VT-episodes Het systeem gebruikt een programmeerbare waarde voor Initial Beats to Detect (Oorspronkelijk aantal te detecteren intervallen) om te definiëren hoeveel slagen een tachycardie moet duren om als episode te worden gedetecteerd. De waarde van Initial Beats to Detect (Oorspronkelijk aantal te detecteren intervallen) werkt bij events in de VF-zone anders dan bij events in de VT-zone. VF-episodes hebben door de chaotische aard van de VF-depolarisaties zeer snelle en onregelmatige intervallen. Sommige kleinere VF-signalen worden mogelijk niet waargenomen en meegeteld. Het systeem maakt daarom bij de VF-detectie gebruik van de verhouding tussen VF-events en de daaropvolgende events. Als u bijvoorbeeld de waarde van VF Initial Beats to Detect (Oorspronkelijk aantal te detecteren VF-intervallen) op 18/24 programmeert, detecteert het apparaat VF wanneer minimaal 18 van de meest recente 24 intervallen zijn geclassificeerd als VF-events. Afbeelding 101. Berekening Oorspronkelijk aantal te detecteren intervallen voor VF 1 Er start een ventriculaire fibrillatie, en de waargenomen intervallen in de VF-detectiezone worden geclassificeerd als VF-events en gemarkeerd met FS. Artsenhandleiding 259
260 2 Een waargenomen ventriculair interval treedt op buiten de VF-detectiezone. Het event wordt niet geclassificeerd als VF-event. 3 De geprogrammeerde waarde voor VF Initial Beats to Detect (Oorspronkelijk aantal te detecteren VF-slagen) van 18 op de 24 events wordt bereikt, en het apparaat detecteert een VF-episode. Deze wordt aangegeven met de marker FD. Omdat VT-ritmes in tegenstelling tot VF-ritmes niet gevoelig zijn voor undersensing, telt het systeem voor de VT-detectie het aantal opeenvolgende events. Als u bijvoorbeeld de waarde van VT Initial Beats to Detect (Oorspronkelijk aantal te detecteren VT-intervallen) op 16 programmeert, detecteert het apparaat VT wanneer 16 opeenvolgende intervallen zijn geclassificeerd als VT-events. Als een interval langer is dan de VT-zone, wordt het detectieproces opnieuw opgestart. Al het interval korter is dan de VT-detectiezone en binnen de VF-zone optreedt, stopt het systeem met de telling van opeenvolgende VT-events. De telling wordt niet gereset en neemt ook niet verder toe. Afbeelding 102. Berekening Oorspronkelijk aantal te detecteren intervallen voor VT 1 Er start een ventriculaire tachycardie en de waargenomen ventriculaire intervallen in de VT-detectiezone worden geclassificeerd als VT-events en gemarkeerd met TS. 260 Artsenhandleiding
261 2 Een waargenomen ventriculair interval treedt op buiten de VT-detectiezone. De VT-detectie wordt opnieuw opgestart. 3 De geprogrammeerde waarde voor VT Initial Beats to Detect (Oorspronkelijk aantal te detecteren VT-slagen) van 16 events wordt bereikt, en het apparaat detecteert VT. Dit wordt aangegeven met de marker TD Detectie van 2 klinische VT s U kunt een FVT (Snelle ventriculaire tachycardie)-detectiezone gebruiken als u wilt gebruikmaken van verschillende therapeutische benaderingen voor een patiënt met 2 VT s met verschillende frequenties. Als u 2 klinische VT s wilt detecteren, programmeert u FVT detection to via VT (FVT-detectie via VT) en selecteert u een waarde voor V. Interval (Rate) (V. interval [Frequentie]) voor FVT. Om er zeker van te zijn dat de snelle ventriculaire tachycardie van de patiënt wordt geclassificeerd als FVT, selecteert u voor deze parameter een waarde die overeenkomt met het langste ventriculaire interval dat normaal optreedt tijdens de snelle ventriculaire tachycardie van de patiënt. Afbeelding 103. Detectieparameters voor FVT via VT Het apparaat detecteert een tachycardie-episode wanneer het aantal opeenvolgende VTof FVT-events de geprogrammeerde waarde van Initial Beats to Detect (Oorspronkelijk aantal te detecteren intervallen) voor VT bereikt. Als op dit punt één interval van de 8 meest recente intervallen in de FVT-zone heeft plaatsgevonden, detecteert het apparaat een FVT-episode. Als alle 8 meest recente intervallen langer zijn dan het FVT-detectie-interval, detecteert het apparaat een VT-episode. Artsenhandleiding 261
262 Een VT in de VF-zone detecteren Een FVT-detectiezone kan ook worden gebruikt voor de detectie en behandeling van een VT-episode die binnen de VF-zone valt. Deze benadering kan helpen om de detectie van VF betrouwbaarder te maken, terwijl tegelijkertijd een minder agressieve therapie kan worden afgegeven, bijvoorbeeld anti-tachycardiestimulatie voor de snelle VT van de patiënt. Om VT in de VF-zone te detecteren, programmeert u de FVT-detectie op Via VF en selecteert u een waarde voor de parameter V. Interval (Rate) (V. interval [Frequentie]) voor FVT. Om er zeker van te zijn dat de snelle ventriculaire tachycardie van de patiënt wordt geclassificeerd als FVT, selecteert u voor deze parameter een waarde die overeenkomt met het kortste ventriculaire interval dat normaal optreedt tijdens de snelle ventriculaire tachycardie van de patiënt. Afbeelding 104. Detectieparameters voor FVT via VF Het apparaat detecteert een tachycardie-episode wanneer het aantal recente VF- of FVT-events de geprogrammeerde waarde voor Initial Beats to Detect (Oorspronkelijk aantal te detecteren intervallen) voor VF bereikt. Als op dit punt de 8 meest recente intervallen allemaal werden geclassificeerd als FVT-events, detecteert het apparaat een FVT-episode. Als 1 of meer van de 8 meest recente intervallen werden geclassificeerd als VF-events, detecteert het apparaat een VF-episode. 262 Artsenhandleiding
263 Afbeelding 105. Detectie van een FVT via VF-episode 1 Een snelle ventriculaire tachycardie begint. Het eerste event heeft een cycluslengte die binnen de FVT-detectiezone valt en wordt meegeteld bij de FVT- of VF-detectie. 2 Het tweede event heeft een cycluslengte die langer is dan het VF-detectie-interval. Dit event wordt niet meegeteld voor de FVT- of VF-detectie. 3 De geprogrammeerde waarde voor VF Initial Beats to Detect (Oorspronkelijk aantal te detecteren VF-slagen) wordt bereikt. Omdat alle 8 voorgaande events zijn geclassificeerd als FVT-events, detecteert het apparaat een snelle ventriculaire tachycardie-episode (gemarkeerd met TF gevolgd door een verticale streep) Detectie van ventriculaire tachycardie die fluctueert tussen zones: Gecombineerdetellingdetectie Gecombineerdetellingdetectie is ontworpen om te voorkomen dat VF-detectie wordt vertraagd wanneer ventriculaire tachycardie fluctueert tussen de VF- en de VT-zone. Gecombineerdetellingdetectie wordt uitgevoerd wanneer de som van de VT- en VF-events gelijk is aan 7/6 van de geprogrammeerde waarde van VF Initial Beats to Detect (Oorspronkelijk aantal te detecteren VF-slagen). Als de geprogrammeerde waarde van VF Initial Beats to Detect (Oorspronkelijk aantal te detecteren VF-slagen) bijvoorbeeld 18/24 is, vindt gecombineerdetellingdetectie plaats wanneer de telling de waarde 7/6 van 18 = 21 bereikt. Als gecombineerdetellingdetectie plaatsvindt, worden de laatste 8 events onderzocht. Als een van deze 8 events wordt geclassificeerd als VF-event, wordt VF gedetecteerd; als dat niet het geval is, wordt VT (of FVT) gedetecteerd. Gecombineerdetellingdetectie is ook van toepassing op herdetectie. Artsenhandleiding 263
264 Opmerkingen: Gecombineerdetellingdetectie kan niet worden geprogrammeerd. Deze functie wordt automatisch ingeschakeld wanneer VT-detectie op On (Aan) wordt geprogrammeerd. Gecombineerdetellingdetectie begint wanneer minstens 6 VF-events zijn opgetreden. Events in de bewakingszone worden niet opgenomen in de gecombineerdetellingdetectie Ventriculaire tachycardieën bewaken zonder therapie af te geven De bewakingszone kan worden gebruikt om een frequentiebereik te programmeren voor de detectie van ventriculaire tachycardie zonder therapieën af te geven. Afbeelding 106. Parameters voor VT-bewakingsdetectie Wanneer VT Detection (VT-detectie) op On (Aan) is geprogrammeerd, kan de bewakingszone fungeren als diagnostische zone voor de controle op niet-levensbedreigende VT s waarvan de cycluslengte groter is dan het VT-detectie-interval (zie Afbeelding 106). Wanneer VT Detection (VT-detectie) niet op On (Aan) is geprogrammeerd, kan een bewakingszone worden geprogrammeerd om te controleren op ventriculaire tachycardieën waarvan de cycluslengte groter is dan het VF-detectie-interval. Opmerkingen: Detectie van een VF-, VT- of FVT-episode beëindigt de VT-bewakingsepisodes en onderbreekt de VT-bewaking totdat de tachycardie wordt beëindigd. De geprogrammeerde SVT-onderscheidingsfuncties (Onset, Stability [Stabiliteit] en PR Logic) worden toegepast in de VT-bewakingszone. 264 Artsenhandleiding
265 Detectie van non-sustained ventriculairetachycardie-episodes Als ten minste 5 slagen binnen een geprogrammeerde ventriculairetachycardie-detectiezone vallen (maar minder dan de geprogrammeerde Initial Beats to Detect [Oorspronkelijk aantal te detecteren intervallen]), wordt de episode geclassificeerd als non-sustained VT (VT-NS). Als er bijvoorbeeld 5 of meer intervallen binnen de VT-zone vallen, maar niet genoeg om een VT-episode te detecteren, wordt een VT-NS gedetecteerd. Nadat het apparaat is uitgelezen, kunnen VT-NS-episodes worden geselecteerd in het episodelogboek. Zie Sectie 5.5, Aritmie-episodegegevens bekijken en gegevensverzamelingsvoorkeuren instellen, bladzijde 143 voor meer informatie over het episodelogboek Evaluatie van het ventriculaire ritme na therapie Na de therapieafgifte evalueert het apparaat het ventriculaire ritme om vast te stellen of de episode voortduurt. Herdetectie Het apparaat herdetecteert de ventriculaire tachycardie wanneer de geprogrammeerde waarde voor het aantal te herdetecteren VF- of VT-slagen wordt bereikt. Het apparaat geeft dan de volgende geprogrammeerde therapiesequentie voor de geherdetecteerde ventriculaire tachycardie af en evalueert opnieuw het ritme op herdetectie of beëindiging. Opmerkingen: U kunt de herdetectie bevorderen door de waarden voor VF Beats to Redetect (Aantal te herdetecteren VF-slagen) en VT Beats to Redetect (Aantal te herdetecteren VT-slagen) lager te programmeren dan de waarden voor VF Initial Beats to Detect (Oorspronkelijk aantal te detecteren VF-slagen) en VT Initial Beats to Detect (Oorspronkelijke aantal te detecteren VT-slagen). De SVT-onderscheidingsfuncties worden niet toegepast tijdens herdetectie, met uitzondering van de stabiliteitsfunctie, die altijd wordt toegepast na 3 opeenvolgende VT-events. Artsenhandleiding 265
266 Afbeelding 107. Herdetectie van VT-episode na therapie 1 Een VT-episode wordt gedetecteerd en het apparaat geeft een Burst-ATP-therapie af. 2 Na de Burst-ATP-therapie blijft het apparaat VT-events identificeren. 3 Als het aantal VT-events de geprogrammeerde waarden van VT Beats to Redetect (Aantal te herdetecteren VT-slagen) bereikt, herdetecteert het apparaat VT. Zonefusie Om er zeker van te zijn dat het apparaat voldoende agressieve therapieën afgeeft wanneer FVT-detectie is geprogrammeerd, worden tijdens de herdetectie detectiezones gefuseerd. Dit gaat als volgt: Als FVT-detectie is geprogrammeerd op FVT via VT en een FVT- of VF-episode wordt gedetecteerd, wordt de VT-zone samengevoegd met de FVT-zone. Nadat de zones zijn gefuseerd, kan de episode niet worden geclassificeerd voor herdetectie als het tragere VT-ritme. Als FVT-detectie is geprogrammeerd op FVT via VF en een VF-episode wordt gedetecteerd, wordt de FVT-zone samengevoegd met de VF-zone. Nadat de zones zijn gefuseerd, kan de episode niet worden geclassificeerd voor herdetectie als het tragere FVT-ritme. Deze gefuseerdezoneconfiguratie blijft gelden totdat de episode wordt beëindigd Evaluatie van het ventriculaire ritme voor beëindiging Het apparaat bepaalt dat de episode is beëindigd wanneer 8 opeenvolgende ventriculaire intervallen langer dan of gelijk aan het geprogrammeerde VT-detectie-interval zijn, of wanneer 20 s verstrijken waarin de mediaan van de laatste 12 ventriculaire intervallen altijd langer is dan het VT-detectie-interval. 266 Artsenhandleiding
267 Als VT-detectie op Off (Uit) is geprogrammeerd, bepaalt het apparaat dat de episode is beëindigd wanneer 8 opeenvolgende ventriculaire intervallen langer dan of gelijk aan het geprogrammeerde VF-detectie-interval zijn, of wanneer 20 s verstrijken waarin de mediaan van de laatste 12 ventriculaire intervallen altijd langer is dan het VF-detectie-interval SVT-onderscheidingsfuncties voor ventriculairetachycardiedetectie Het apparaat is voorzien van de volgende functies die speciaal zijn ontworpen om te voorkomen dat doorgeleide supraventriculaire tachycardieën (SVT s) worden behandeld als ventriculaire tachycardieën: PR Logic PR Logic is een set SVT-onderscheidingsfuncties die VT-detectie tegenhouden wanneer er aanwijzingen zijn dat het ritme een SVT-oorsprong heeft. Zie Sectie 8.3, Onderscheid maken tussen VT/VF en SVT met PR Logic, bladzijde 275 voor meer informatie. Onset De Onset-functie is speciaal ontworpen om te voorkomen dat sinustachycardie wordt behandeld als ventriculaire tachycardie. Zie Sectie 8.4, Onderscheid maken tussen sinustachycardie en VT met de Onset-functie, bladzijde 281 voor meer informatie. Stabiliteit De functie Stability (Stabiliteit) is speciaal ontworpen om te voorkomen dat episodes van doorgeleide atriale fibrillatie worden behandeld als ventriculaire tachycardie. Zie Sectie 8.5, Onderscheid maken tussen AT/AF en VT met de functie Stability (Stabiliteit), bladzijde 287 voor meer informatie. Artsenhandleiding 267
268 Afbeelding 108. Overzicht van SVT-onderscheiding 1 Onset en Stabiliteit houden detectie tegen door te voorkomen dat de geprogrammeerde waarde voor Initial Beats to Detect (Oorspronkelijk aantal te detecteren slagen) wordt bereikt. 2 PR Logic houdt detectie en therapie tegen nadat de geprogrammeerde waarde voor Initial Beats to Detect (Oorspronkelijk aantal te detecteren slagen) is bereikt. 3 Stabiliteit is ook van toepassing op de herdetectiefase Programmeerrichtlijnen voor VT/VF-detectie VF-, FVT- en VT-intervallen Programmeer de VF-, FVT- en VT-detectie-intervallen minstens 40 ms uit elkaar om rekening te houden met normale variaties in het tachycardie-interval van de patiënt. Tachycardiedetectie en anti-bradycardiestimulatie Teneinde de mogelijkheid te beperken dat anti-bradycardiestimulatie de ventriculairetachycardiedetectie zal storen, beperkt het programmeerapparaat de beschikbare parameterwaarden voor stimulatiefrequenties, stimulatie-intervallen en detectie-intervallen. Minimuminstelling voor VF-interval Als het VF-detectie-interval op een waarde van minder dan 300 ms wordt geprogrammeerd, kan onderdetectie van VF optreden. Maximuminstelling voor VF-interval Een langere geprogrammeerde waarde dan 350 ms voor het VF-detectie-interval kan onterechte detectie van snel doorgeleide atriale fibrillatie als VF of FVT via VF tot gevolg hebben. 268 Artsenhandleiding
269 VT-detectie, AF/Afl en Sinus Tach Wanneer u VT-detectie op On (Aan) programmeert, worden de parameters AF/Afl en Sinus Tach eveneens automatisch op On (Aan) ingesteld. Zie Sectie 8.3, Onderscheid maken tussen VT/VF en SVT met PR Logic, bladzijde 275 voor meer informatie over de functies AF/Afl en Sinus Tach. VF-detectie-back-up Als VT, FVT of VT Monitor (VT-bewaking) op On (Aan) is geprogrammeerd, moet u VF Detection (VF-detectie) ook op On (Aan) programmeren om zeker te zijn van VF-detectie-back-up tijdens VT-episodes, FVT-episodes en VT-bewakingsepisodes. Oorspronkelijk aantal te detecteren VT-bewakingsslagen De waarde van VT Monitor Initial Beats to Detect (Oorspronkelijk aantal te detecteren VT-bewakingsslagen) moet hoger zijn dan de waarden van VF Initial Beats to Detect (Oorspronkelijk aantal te detecteren VF-slagen) en VT Initial Beats to Detect (Oorspronkelijk aantal te detecteren VT-slagen) Ventriculairetachycardiedetectie programmeren Selecteer het pictogram Params (Parameters) Detection (V.) (Detectie [V.]) VF <On> (Aan) VF Initial (Oorspronkelijk aantal VF-slagen) VF Redetect (Te herdetecteren aantal VF-slagen) VF V. Interval (Rate) (VF V. interval [Frequentie]) FVT <via VF, via VT> FVT V. Interval (Rate) (FVT V. interval [Frequentie]) VT <On> (Aan) VT Initial (Oorspronkelijk aantal te detecteren VT-slagen) VT Redetect (Te herdetecteren aantal VT-slagen) VT V. Interval (Rate) (VT V. interval [Frequentie]) Monitor (Bewaking) <Monitor> Monitor Initial (Bewaking oorspronkelijk) Monitor V. Interval (Rate) (V. bewakingsinterval [Frequentie]) Evaluatie van VT/VF-detectie Quick Look II-observaties Selecteer het pictogram Data (Gegevens) Quick Look II Artsenhandleiding 269
270 Op het Quick Look II-scherm ziet u het aantal bewaakte en behandelde VT-, FVT- en VF-episodes sinds de laatste sessie Scherm Data - Arrhythmia Episodes (Gegevens - aritmie-episodes) Selecteer het pictogram Data (Gegevens) Clinical Diagnostics (Klinische diagnostieken) Arrhythmia Episodes (Aritmie-episodes) Als u Plot kiest, wordt een diagram van de episode-intervallen weergegeven met de detectie- en beëindigingspunten. Afbeelding 109. Episodeplot De optie EGM geeft EGM-signalen weer die tot het detectiepunt leiden en de EGM-signalen tijdens therapie en beëindiging. 270 Artsenhandleiding
271 Afbeelding 110. Episode-EGM Als u de optie Text (Tekst) kiest, wordt een beknopt overzicht van de episode weergegeven. Artsenhandleiding 271
272 Afbeelding 111. Episodetekst Flashback-geheugen Selecteer het pictogram Data (Gegevens) Clinical Diagnostics (Klinische diagnostieken) Flashback Memory (Flashback-geheugen) Op het scherm Flashback Memory (Flashback-geheugen) worden de interval- en markergegevens weergegeven tot het meest recente optreden van een VT- of VF-episode. De totale doorlooptijd wordt uitgezet tegen de intervallengte in ms. 272 Artsenhandleiding
273 Afbeelding 112. Scherm Flashback Memory (Flashback-geheugen) Cardiac Compass-rapport Selecteer het pictogram Data (Gegevens) Clinical Diagnostics (Klinische diagnostieken) Cardiac Compass Trends (Cardiac Compass-trends) (alleen rapport) De Cardiac Compass-trendgegevens omvatten informatie over behandelde VT/VF-episodes per dag, ventriculaire frequentie tijdens VF, FVT of VT, en non-sustained VT-episodes per dag. (Een non-sustained episode is een episode waarin de geprogrammeerde waarde voor Initial Beats to Detect (oorspronkelijk aantal te detecteren intervallen) niet wordt bereikt.) Artsenhandleiding 273
274 Afbeelding 113. Cardiac Compass-trendgegevens VT/VF-episodetellers Selecteer het pictogram Data (Gegevens) Clinical Diagnostics (Klinische diagnostieken) Counters (Tellers) VT/VF Episodes (VT/VF-episodes) De VT/VF-episodeteller bevat een overzicht van de VT/VF-activiteit gedurende de laatste sessie, de voorgaande sessie en de levensduur van het apparaat, inclusief de aantallen VF-, FVT- en VT-episodes en de gelegenheden waarbij therapie is tegengehouden. 274 Artsenhandleiding
275 Afbeelding 114. VT/VF-episodetellers 8.3 Onderscheid maken tussen VT/VF en SVT met PR Logic Bij patiënten die supraventriculaire tachycardie (SVT) meemaken, kunnen ventriculaire frequenties in de VT/VF-detectiezone optreden. Als deze ventriculaire frequenties blijven aanhouden, kunnen ze een onterechte afgifte van tachycardietherapie veroorzaken. Als doorgeleide SVT s kunnen worden geïdentificeerd, zodat detectie wordt tegengehouden, is er minder kans op de afgifte van onterechte therapieën voor hoge ventriculaire frequenties waarvan de oorsprong buiten de ventrikels ligt Oplossing van het systeem: PR Logic PR Logic maakt gebruik van patroon- en frequentieanalyse om onderscheid te maken tussen SVT s en echte ventriculaire tachycardieën, en om onterechte VT/VF-detectie en -therapie tegen te houden bij episodes van snel doorgeleide SVT. Artsenhandleiding 275
276 8.3.2 Werking van PR Logic Afbeelding 115. Overzicht van PR Logic Wanneer de geprogrammeerde waarde voor Initial Beats to Detect (Oorspronkelijk aantal te detecteren slagen) wordt bereikt, analyseert PR Logic de activeringspatronen en de timing in beide hartkamers, waarbij de volgende informatie wordt verzameld: Atriale en ventriculaire frequenties Het aantal en de positie van atriale events ten opzichte van ventriculaire events De associatie of dissociatie van atriale en ventriculaire events Regelmatigheid of onregelmatigheid van het ventriculaire ritme Als uit de analyse blijkt dat er gedissocieerde supraventriculaire en ventriculaire tachycardieën voorkomen, detecteert en behandelt het apparaat de ventriculaire tachycardie. Als uit de analyse blijkt dat de ventriculaire tachycardie een doorgeleide SVT is, bijvoorbeeld atriale fibrillatie, atriale flutter, sinustachycardie of junctionele tachycardie, houdt het apparaat ventriculairetachycardiedetectie en -therapie tegen. Opmerking: Bij de verwerking gaat PR Logic na of atriale events mogelijk far-field-r-toppen zijn. Er zijn 3 afzonderlijke PR Logic-functies die op On (Aan) kunnen worden geprogrammeerd: AF/Afl (Atriale fibrillatie/atriale flutter), Sinus Tach (Sinustachycardie) en Other 1:1 SVTs (Andere 1:1 SVT s) AF/Afl (Atriale fibrillatie/atriale flutter) De functie AF/Afl is speciaal ontworpen om ventriculairetachycardiedetectie tegen te houden wanneer de verhouding tussen 276 Artsenhandleiding
277 waargenomen atriale events en ventriculaire events hoger is dan 1:1 en de ventriculaire cycluslengte niet regelmatig is. Dit wijst op onregelmatig doorgeleide atriale fibrillatie. De functie AF/Afl houdt ventriculairetachycardiedetectie ook tegen wanneer de A:V-patrooninformatie regelmatige 2:1- of 3:2-geleiding vertoont, hetgeen wijst op atriale flutter. Sinus Tach (Sinustachycardie) De functie Sinus Tach (Sinustachycardie) is speciaal ontworpen om ventriculairetachycardiedetectie tegen te houden wanneer waargenomen 1:1 atriaal-ventriculaire doorgeleiding van ritmes optreedt, waarvan de frequentie geleidelijk toeneemt in de richting van de detectiezone en waarvan het PR-interval vergelijkbaar is met dat van normale antegrade geleiding. Other 1:1 SVTs (Andere 1:1 SVT s, andere 1:1 supraventriculaire tachycardieën) De functie Other 1:1 SVTs (Andere 1:1 SVT s) is ontworpen om onderscheid te kunnen maken tussen ventriculaire tachycardieën en ritmes die het gevolg zijn van de nauwe koppeling tussen atriale en ventriculaire depolarisaties (bijvoorbeeld junctionele ritmes zoals AV-nodale re-entry-tachycardie). De functie Other 1:1 SVTs (Andere 1:1 SVT s) houdt ventriculairetachycardiedetectie tegen wanneer de AV-patronen wijzen op een 1:1 SVT waarbij consistente, bijna-simultane depolarisaties van de kamers voorkomen Grenzen voor het tegenhouden van therapie Gedissocieerde supraventriculaire en ventriculaire tachycardie Als supraventriculaire en ventriculaire tachycardieën tegelijkertijd voorkomen en uit de PR Logic-analyse blijkt dat de ritmes gedissocieerd zijn en dat het ventriculaire ritme geen doorgeleide SVT is, detecteert het apparaat ventriculaire tachycardie en wordt de correcte ventriculaire therapie voor de zone afgegeven. In de episodetekst wordt de gedetecteerde VT, VF of FVT aangegeven met VT (+SVT), VF (+SVT) of FVT (+SVT). Minimum SVT V. interval Met de parameter SVT V. Limit (Minimum SVT V. interval) kunt u het frequentiebereik beperken waarvoor PR Logic therapieën tegenhoudt. Wanneer de mediaan van de 12 meest recente waargenomen ventriculaire intervallen korter is dan de geprogrammeerde waarde voor SVT V. Limit (Minimum SVT V. interval), houdt de functie PR Logic geen therapie tegen. U kunt het minimum SVT V. interval programmeren op een waarde tussen 240 ms en het langste detectiezone-interval. Opmerking: Het minimum SVT V. interval moet kleiner zijn dan het VT-detectie-interval. Maximale tijdsduur voor SVT-criteria U kunt een maximale tijdsduur programmeren waarin PR Logic detectie van een ventriculaire tachycardie kan tegenhouden. Zie Sectie 8.6, Verlengde tachycardieën detecteren met de maximale tijdsduur voor SVTcriteria, bladzijde 290 voor meer informatie. Artsenhandleiding 277
278 8.3.3 Programmeerrichtlijnen voor PR Logic Waarschuwing: Programmeer de functie Other 1:1 SVTs (Andere 1:1-SVT s) pas op On (Aan) als het ingroeiproces van de atriale geleidingsdraad voltooid is (ongeveer 1 maand na de implantatie). Als de atriale geleidingsdraad losraakt en zich naar het ventrikel verplaatst, kan de functie Other 1:1 SVTs (Andere 1:1-SVT s) detectie en therapie op onterechte gronden tegenhouden. Let op: Wees voorzichtig met het programmeren van de functie Andere1:1 SVT s bij patiënten met trage 1:1 retrograde geleiding tijdens VF of VT. Door deze functie kan VT/VF-therapie bij dergelijke patiënten onterecht worden tegengehouden. PR Logic-criteria en VT-detectie Wanneer VT Monitor (VT-bewaking) of VT Detection (VT-detectie) op On (Aan) is geprogrammeerd, activeert het apparaat eveneens de PR Logic-functies AF/Afl en Sinus Tach. Detectie-intervallen en minimum SVT V. interval Het minimum SVT V. interval moet kleiner zijn dan het VT-detectie-interval. Als VT Detection (VT-detectie) is geprogrammeerd op Off (Uit), moet de waarde van SVT V. Limit (Minimum SVT V. interval) kleiner dan of gelijk aan het VF-detectie-interval zijn PR Logic programmeren Selecteer het pictogram Params (Parameters) Detection (V.) (Detectie [V.]) AF/AFl Sinus Tach (Sinustachycardie) Other 1:1 SVTs (Andere 1:1 SVT s) SVT V. Limit (Minimum SVT V. interval) Evaluatie PR Logic Episodetekstweergave Selecteer het pictogram Data (Gegevens) Clinical Diagnostics (Klinische diagnostieken) Arrhythmia Episodes (Aritmie-episodes) Text (Tekst) De episodetekst bevat informatie over SVT-episodes en PR Logic-functies die zijn getriggerd. 278 Artsenhandleiding
279 Afbeelding 116. Episodetekst met getriggerde PR Logic-functies Additionelemarkercodes Selecteer het pictogram Data (Gegevens) Clinical Diagnostics (Klinische diagnostieken) Arrhythmia Episodes (Aritmie-episodes) EGM Additionele PR Logic-markercodes worden weergegeven in het Decision Channel wanneer de PR Logic-functie ventriculairetachycardiedetectie tegenhoudt. Het gaat hierbij om de volgende 3 PR Logic-markercodes: AF (AF/Afl, AF/atriale flutter), ST (Sinustachycardie), SV (Andere 1:1 SVT s). Artsenhandleiding 279
280 Afbeelding 117. Additionelemarkercode ST (Sinustachycardie) in opgeslagen episodeverslag 1 ST (Sinustachycardie)-markercodes Additionelemarkercodes worden ook weergegeven op de realtime-registratie. Op de realtime-registratie wordt één markercode afgedrukt wanneer VT/VF-detectie voor het eerst wordt tegengehouden door een PR Logic-functie, of wanneer een PR Logic-functie die nu VT/VF-detectie tegenhoudt, wordt gewijzigd Cardiac Compass-trendrapport Selecteer het pictogram Data (Gegevens) Clinical Diagnostics (Klinische diagnostieken) Cardiac Compass Trends (Cardiac Compass-trends) (alleen rapport) Het Cardiac Compass-trendsrapport bevat informatie over de tijd die de patiënt in AT/AF-episodes heeft doorgebracht, en de ventriculaire frequentie tijdens AT/AF-episodes. 280 Artsenhandleiding
281 Afbeelding 118. Cardiac Compass-trendgegevens 8.4 Onderscheid maken tussen sinustachycardie en VT met de Onset-functie Bij patiënten die sinustachycardie meemaken, kunnen ventriculaire frequenties optreden in de VT-detectiezone. Als deze snelle ventriculaire frequenties blijven aanhouden, kunnen ze een onterechte afgifte van een ventriculairetachycardietherapie veroorzaken. Sinustachycardie kan in het algemeen worden onderscheiden van ventriculaire tachycardie door de snelheid waarmee de ventriculaire frequentie toeneemt. Bij sinustachycardie treedt meestal een geleidelijke frequentieverhoging op, terwijl ventriculaire tachycardie wordt gekenmerkt door een plotselinge verhoging van de ventriculaire frequentie Oplossing van het systeem: De Onset-functie Dankzij de Onset-functie kan worden voorkomen dat een sinustachycardie als VT wordt gedetecteerd. Hiervoor wordt de versnelling van de ventriculaire frequentie geëvalueerd. Als de ventriculaire frequentie langzaam toeneemt, zoals dat meestal gebeurt bij sinustachycardie, classificeert het apparaat waargenomen ventriculaire events die optreden in de VT-detectiezone niet als VT-events. Als de ventriculaire frequentie snel toeneemt, zoals dat meestal gebeurt bij een ventriculairetachycardie-episode, classificeert het apparaat waargenomen ventriculaire events die optreden in de VT-detectiezone als VT-events. Artsenhandleiding 281
282 8.4.2 Werking van de Onset-functie Afbeelding 119. Geleidelijke versus plotselinge frequentietoename Er wordt een programmeerbare waarde voor Onset Percent (Onsetpercentage) gebruikt om te evalueren hoe snel of geleidelijk de verandering in de gemiddelde cycluslengte plaatsvindt tussen een set van 4 intervallen en de volgende set. Als u de waarde voor het onsetpercentage lager programmeert, is een grotere frequentieversnelling nodig voordat het apparaat VT detecteert. Als u de waarde voor het onsetpercentage hoger programmeert, is een lagere frequentieversnelling voldoende voor de detectie van VT. Als de ventriculaire frequentie langzaam toeneemt, zoals aangegeven in Afbeelding 120, voorkomt de Onset-functie dat waargenomen ventriculaire events die optreden in de VT-detectiezone, worden geclassificeerd als VT-events. 282 Artsenhandleiding
283 Afbeelding 120. Werking van Onset tijdens een geleidelijke toename van de ventriculaire frequentie 1 De ventriculaire frequentie wordt hoger (de intervalcyclusduur wordt korter). 2 De ventriculaire frequentie ligt nu binnen de VT-detectiezone, maar de versnelling is geleidelijk. De gemiddelde cycluslengte van een set van 4 intervallen is nooit 81% of minder van de voorgaande set van 4 intervallen. (81% is in dit voorbeeld de waarde voor het onsetpercentage.) Als de ventriculaire frequentie sneller toeneemt, zoals aangegeven in Afbeelding 121, zorgt de Onset-functie dat waargenomen ventriculaire events die optreden in de VT-detectiezone, worden geclassificeerd als VT-events. Artsenhandleiding 283
284 Afbeelding 121. Werking van Onset tijdens een snelle toename van de ventriculaire frequentie 1 De ventriculaire frequentie is traag en gelijkmatig. 2 De ventriculaire frequentie neemt plotseling toe, en het eerste interval valt binnen de VT-detectiezone. Omdat het gemiddelde ventriculaire interval echter 85% van het gemiddelde van de voorgaande 4 intervallen is (dus trager dan het geprogrammeerde onsetpercentage van 81%), wordt het interval niet geclassificeerd als VT-event. 3 Het gemiddelde ventriculaire interval is nu 69% van het gemiddelde van de voorgaande 4 intervallen is (sneller dan het geprogrammeerde onsetpercentage van 81%). Dit interval wordt dus geclassificeerd als VT-event VT-bewakingsevents en de Onset-functie De Onset-functie is van toepassing op zowel VT-detectie als VT-bewaking Zorgen voor correcte detectie van VT- en VF-events Continue aritmie-episodes De Onset-functie is niet van invloed op de herdetectie van ventriculaire tachycardieën. Als een VT-, FVT- of VF-episode wordt gedetecteerd, wordt de Onset-functie gedeactiveerd totdat de episode is afgelopen. VF-detectie De Onset-functie is niet van invloed op de VF-detectie. De Onset-functie kan voorkomen dat waargenomen ventriculaire events in de VT-detectiezone worden geclassificeerd als VT-events. Deze functie is daarom van invloed op VT-detectie, FVT via VT-detectie en gecombineerdetellingdetectie. 284 Artsenhandleiding
285 8.4.3 Programmeerrichtlijnen voor de Onset-functie Door inspanning opgewekte VT-episodes Onset kan de detectie van ware VT vertragen bij patiënten bij wie ventriculairetachycardie-episodes optreden ten gevolge van inspanning. Afgenomen VT-detectiegevoeligheid Als het onsetpercentage op een lagere waarde wordt ingesteld, is het minder waarschijnlijk dat het apparaat sinustachycardie-episodes onterecht zal detecteren als ventriculaire tachycardie. Mogelijk wordt dan de kans op de detectie van ware ventriculaire tachycardie echter beperkt De Onset-functie programmeren Selecteer het pictogram Params (Parameters) Detection (V.) (Detectie [V.]) Onset Onset <On, Monitor> (Aan, Bewaking) Percent (Percentage) Evaluatie van de Onset-functie Met behulp van de informatie op het scherm Data - Arrhythmia Episodes (Gegevens - Aritmie-episodes) en de optie Onset Monitor (Onset-bewaking) kunt u de prestaties van de Onset-functie evalueren Scherm Data - Arrhythmia Episodes (Gegevens - aritmie-episodes) Selecteer het pictogram Data (Gegevens) Clinical Diagnostics (Klinische diagnostieken) Arrhythmia Episodes (Aritmie-episodes) EGM Artsenhandleiding 285
286 Afbeelding 122. Additionele Onset-markercode die aangeeft dat detectie is tegengehouden 1 Een episode waarvoor detectie is tegengehouden, wordt aangegeven met SVT-Onset. 2 In de additionele marker van de EGM-weergave worden ventriculaire events waarvoor VT-detectie is tegengehouden door de Onset-functie, aangegeven met Reset: Onset Onset-bewakingsoptie Selecteer het pictogram Params (Parameters) Detection (V.) (Detectie [V.]) Onset Onset <Monitor> (Bewaking) Percent (Percentage) U kunt de bewakingsinstelling voor Onset gebruiken om de mogelijke voordelen van deze functie voor de patiënt te beoordelen zonder dat u de functie op On (Aan) programmeert. Wanneer de Onset-functie is ingesteld op Monitor (Bewaking), voert het apparaat alle berekeningen uit die gekoppeld zijn aan Onset. De classificatie van VT-intervallen wordt echter niet beïnvloed. Als het apparaat een VT- of FVT via VT-episode detecteert waarvoor detectie zou zijn tegengehouden als Onset op On (Aan) was geprogrammeerd, wordt de episode vermeld in de episodetekst. 286 Artsenhandleiding
287 8.5 Onderscheid maken tussen AT/AF en VT met de functie Stability (Stabiliteit) Door atriale fibrillatie kan de ventriculaire frequentie van een patiënt zo versnellen dat deze in de VT-detectiezone terechtkomt, waardoor een onterechte afgifte van een ventriculairetachycardie-therapie kan worden getriggerd. Atriale fibrillatie gaat meestal samen met een snelle en onregelmatige (onstabiele) ventriculaire frequentie. Een ware ventriculaire tachycardie is meestel snel maar regelmatig (stabiel) Oplossing van het systeem: Stabiliteitsfunctie Dankzij de Stabiliteitsfunctie kan worden voorkomen dat atriale fibrillatie als ventriculaire tachycardie wordt gedetecteerd. Hiervoor wordt de stabiliteit van de ventriculaire frequentie geëvalueerd. Wanneer het apparaat bepaalt dat de ventriculaire frequentie niet stabiel is, worden ventriculaire intervallen niet geclassificeerd als VT-events, zelfs niet als ze optreden in de VT-detectiezone Werking van de Stabiliteitsfunctie De Stabiliteitsfunctie wordt toegepast wanneer het apparaat minimaal 3 opeenvolgende VT-events heeft geteld. Het apparaat classificeert een interval als onstabiel wanneer het verschil tussen het interval en een van de 3 voorafgaande intervallen groter is dan het geprogrammeerde stabiliteitsinterval. Als het apparaat een interval als onstabiel classificeert, wordt dit gemarkeerd als waargenomen ventriculair event en wordt de VT-event-telling op nul teruggezet. Opmerking: De Stabiliteitsfunctie is van toepassing tijdens de initiële detectie en herdetectie van VT en FVT via VT. Artsenhandleiding 287
288 Afbeelding 123. Werking van Stabiliteit tijdens atriale fibrillatie 1 Atriale fibrillatie start, en wordt snel naar het ventrikel doorgeleid. 2 Na 3 VT-events past het apparaat de Stabiliteitsfunctie toe. Aangezien het verschil tussen het interval van 360 ms en het interval van 290 ms groter is dan het geprogrammeerde stabiliteitsinterval (in dit geval 50 ms), zet het apparaat de VT-event-telling weer terug op de beginwaarde VT-bewakingsevents en de Stabiliteitsfunctie Als de Stabiliteitsfunctie is ingeschakeld en een frequentie is geprogrammeerd voor zowel VT-detectie-interval als VT-bewaking, wordt de Stabiliteitsfunctie op beide onafhankelijk toegepast. Er moeten minimaal 3 VT-bewakingsevents optreden voordat de Stabiliteitsfunctie wordt toegepast Programmeerrichtlijnen voor de Stabiliteitsfunctie Stabiliteitsinterval Een lagere stabiliteitswaarde houdt mogelijk geen rekening met de normale variatie in VT-intervallen en kan de gevoeligheid van het apparaat om ventriculaire tachycardie te detecteren, verminderen. 288 Artsenhandleiding
289 8.5.4 De Stabiliteitsfunctie programmeren Selecteer het pictogram Params (Parameters) Detection (V.) (Detectie [V.]) Stability (Stabiliteit) Evaluatie van de Stabiliteitsfunctie Met behulp van de informatie op het scherm Data - Arrhythmia Episodes (Gegevens - Aritmie-episodes) kunt u de prestaties van de Stabiliteitsfunctie evalueren. Selecteer het pictogram Data (Gegevens) Clinical Diagnostics (Klinische diagnostieken) Arrhythmia Episodes (Aritmie-episodes) Afbeelding 124. Additionele Stabiliteits-markercode die aangeeft dat detectie is tegengehouden 1 Een episode waarvoor detectie is tegengehouden door de Stabiliteitsfunctie, wordt aangegeven met SVT-Stability. 2 In de additionele marker van de EGM-weergave worden ventriculaire events waarvoor VT-detectie is tegengehouden door de Stabiliteitsfunctie, aangegeven met Reset: Stability. Artsenhandleiding 289
290 8.6 Verlengde tachycardieën detecteren met de maximale tijdsduur voor SVT-criteria De SVT-onderscheidingsfuncties (Onset, Stabiliteit en PR Logic) zijn ontworpen om detectie en therapie tegen te houden voor ventriculaire frequenties waarvan het apparaat bepaalt dat ze een supraventriculaire oorsprong hebben. Bij bepaalde patiënten kan het nodig zijn om de SVT-onderscheidingsfuncties te negeren wanneer een ventriculaire tachycardie langer dan een bepaalde tijd aanhoudt Oplossing van het systeem: Maximale tijdsduur voor SVT-criteria Met de functie Maximale tijdsduur voor SVT-criteria kan het apparaat therapie afgeven als ventriculaire tachycardieën langer duren dan de geprogrammeerde tijdsduur Werking van de maximale tijdsduur voor SVT-criteria Het apparaat start de geprogrammeerde maximale tijdsduur voor SVT-criteria wanneer VF-, FVT- of VT-detectie plaatsvindt of wordt tegengehouden door een SVT-onderscheidingsfunctie. Als de tachycardie blijft doorgaan wanneer de geprogrammeerde time-out-periode verstreken is, worden alle SVT-onderscheidingsfuncties onderbroken en kan het apparaat therapie afgeven. Als het apparaat tijdens de maximale tijdsduur voor SVT-criteria bepaalt dat de SVT-onderscheiding niet langer van toepassing is, vindt VF-, FVT- of VT-detectie plaats en wordt therapie direct afgegeven, ongeacht de maximale tijdsduur voor SVT-criteria. U kunt kiezen voor een programmeerbare optie om na de geprogrammeerde time-out-periode direct op een VF-therapie over te schakelen, of een optie om de therapie af te geven die is geprogrammeerd voor de detectiezone. Opmerkingen: Nadat het apparaat een VF-therapie heeft afgegeven, wordt VT-detectie normaal gedurende de volgende 17 events onderbroken. Als het apparaat echter een VF-therapie afgeeft voor een gedetecteerde VT- of FVT-episode omdat de maximale tijdsduur voor SVT-criteria is ingesteld op Skip to VF Therapy (Ga naar VF-therapie), onderbreekt het apparaat de VT-detectie niet. De maximale tijdsduur voor SVT-criteria wordt niet toegepast op frequenties in de VT-bewakingszone. 290 Artsenhandleiding
291 8.6.3 Programmeerrichtlijnen voor de maximale tijdsduur voor SVT-criteria Maximale tijdsduur voor SVT-criteria en onterechte therapieën Als de geprogrammeerde maximale tijdsduur voor SVT-criteria is verstreken en de SVT-onderscheidingsfuncties zijn onderbroken, kan het gebeuren dat het apparaat een ventriculaire tachycardie detecteert die in werkelijkheid een doorgeleide SVT is. Als dat gebeurt kan een onterechte tachycardietherapie worden afgegeven Maximale tijdsduur voor SVT-criteria programmeren Selecteer het pictogram Params (Parameters) Detection (V.) (Detectie [V.]) High Rate Timeout (Maximale tijdsduur voor SVT-criteria High Rate Timeout (Maximale tijdsduur voor SVT-criteria) Therapy (Therapie) Evaluatie van de maximale tijdsduur voor SVT-criteria Apparaatstatusbalk Als de geprogrammeerde High rate Timeout-periode (Maximale tijdsduur voor SVT-criteria) tijdens een programmeersessie verstrijkt, geeft de apparaatstatusbalk "High rate Timeout" (Maximale tijdsduur voor SVT-criteria) weer Scherm Data - Arrhythmia Episodes (Gegevens - aritmie-episodes) Als de High rate Timeout-periode (Maximale tijdsduur voor SVT-criteria) tijdens een episode verstrijkt, toont de voor die episode opgeslagen EGM-weergave de "HT"-additionelemarkercode op het punt waar de High rate Timeout-periode (Maximale tijdsduur voor SVT-criteria) afgelopen was. Artsenhandleiding 291
292 Afbeelding 125. Episode-EGM-weergave Bij de episodetekst bevat het veld Initial Type (Oorspronkelijk type) de tekst "High Rate Timeout" (Maximale tijdsduur voor SVT-criteria). 8.7 Tachycardiedetectie onderbreken en hervatten Onder bepaalde omstandigheden kan het nodig zijn tachycardiedetectie uit te schakelen. Zo worden tijdens emergency-therapieën en bepaalde EP-studietests therapieën handmatig afgegeven en is detectie en opslag van episodes niet nodig. Verder kan het apparaat door bepaalde soorten chirurgie, inclusief elektrochirurgie, RF-ablatie en lithotripsie, onterecht tachycardieën detecteren, waardoor mogelijk onterecht therapie wordt afgegeven. Wanneer detectie wordt onderbroken, stopt het apparaat tijdelijk met de classificatie van intervallen voor tachycardiedetectie. Waarneming en anti-bradycardiestimulatie blijven actief, en de geprogrammeerde detectie-instellingen worden niet gewijzigd. Wanneer het apparaat de detectie hervat, worden hiervoor de eerder geprogrammeerde detectie-instellingen gebruikt. De functie Suspend/Resume (Onderbreken/hervatten) is van toepassing op zowel atriale- als ventriculairetachycardiedetectie. 292 Artsenhandleiding
293 8.7.1 Richtlijnen voor de onderbreking van detectie Als u de detectie onderbreekt tijdens een tachycardiedetectieproces vóórdat de detectie is opgetreden, vindt de initiële detectie niet plaats. Als u de detectie hervat, wordt deze geheel opnieuw opgestart. Als u detectie onderbreekt nadat een tachycardiedetectie heeft plaatsgevonden en de detectie hervat vóórdat de tachycardie-episode wordt beëindigd, werkt de herdetectie verschillend voor ieder type episode: AT/AF-episodes Het onderbreken van de tachycardiedetectie heeft geen invloed op mode-switch. Een mode-switch kan optreden, of tachycardiedetectie nu wel of niet is onderbroken. VT/FVT/VF-episodes Als u detectie onderbreekt terwijl therapie wordt afgegeven, maakt het apparaat de lopende therapie af. Herdetectie vindt echter pas plaats wanneer u de detectie hervat. Als u de detectie hervat vóórdat de episode is beëindigd, begint het apparaat met de herdetectie. De episode wordt geherdetecteerd wanneer de geprogrammeerde waarde voor Beats to Redetect (Aantal te herdetecteren slagen) wordt bereikt. VT-bewakingsepisodes Als u detectie onderbreekt tijdens een gedetecteerde VT monitor (VT-bewaking)-episode en vervolgens de detectie hervat voordat de episode eindigt, worden episodegegevens voor 2 episodes opgeslagen, waarbij de eerste episode beëindigd is terwijl de frequentie nog hoog is Detectie onderbreken of hervatten met het programmeerapparaat Afbeelding 126. [Suspend] (Onderbreken)-toets en [Resume] (Hervatten)-toets U kunt de toetsen [Suspend] (Onderbreken) en [Resume] (Hervatten) gebruiken wanneer er telemetrie met het apparaat is en de apparaatsoftware actief is. 1. Als u de detectie wilt onderbreken, selecteert u [Suspend] (Onderbreken). Op de statusbalk van het programmeerapparaat wordt de code SUSPENDED (Onderbroken) weergegeven. 2. Als u de detectie wilt hervatten, selecteert u [Resume] (Hervatten). Artsenhandleiding 293
294 8.7.3 Detectie onderbreken of hervatten met een magneet 1. Als u detectie wilt onderbreken, plaatst u de magneet (bijvoorbeeld de Tachy Patient Magnet Model 9466) boven het apparaat. 2. Als u de detectie wilt hervatten, haalt u de magneet weg van het apparaat. Opmerking: De programmeerkop bevat een magneet. Wanneer het programmeerapparaat gebruikmaakt van draadloze telemetrie, kunt u detectie onderbreken door de programmeerkop boven het apparaat te plaatsen. Zie Sectie 3.1, Telemetrie tussen het apparaat en het programmeerapparaat tot stand brengen, bladzijde 37 voor meer informatie over het tot stand brengen van draadloze telemetrie. 294 Artsenhandleiding
295 9 Tachycardietherapieën configureren 9.1 Als VF gedetecteerde episodes behandelen Ventriculaire fibrillatie (VF) wordt herkend door de aanwezigheid van een zeer onregelmatig ventriculair ritme. VF is levensbedreigend als deze niet direct wordt behandeld met defibrillatietherapie Oplossing van het systeem: VF-therapieën Het apparaat kan reageren op episodes van ventriculaire tachycardie die worden gedetecteerd in de VF-zone (VF-episodes) door afgifte van defibrillatietherapie aan het hart van de patiënt. De defibrillatietherapie is bedoeld om de episode te beëindigen door tegelijkertijd het hartweefsel te depolariseren en het normale sinusritme van de patiënt te herstellen. Het apparaat kan worden geprogrammeerd om een sequentie van ventriculaire anti-tachycardiestimulatietherapie (ATP) af te geven vóór of tijdens het opladen voor de eerste defibrillatietherapie. Het apparaat kan zo proberen snelle maar stabiele ventriculaire tachycardieën te beëindigen die geen defibrillatietherapie vereisen voor de beëindiging. Zie Sectie 8.2, Ventriculaire tachycardieën detecteren, bladzijde 257 en Sectie 9.2, VTen FVT-episodes behandelen met anti-tachycardiestimulatietherapieën, bladzijde 309 voor meer informatie Werking van VF-therapieën U kunt het apparaat programmeren om een sequentie van maximaal 6 therapieën voor de behandeling van VF-episodes af te geven, elk met specifieke instellingen voor energie en stroomrichting. Als de eerste therapie (met het label Rx1) de episode met succes beëindigt, blijft het apparaat controleren op volgende VF-episodes. Als het apparaat de VF-episode herdetecteert na de eerste therapieafgifte, wordt de tweede VF-therapie afgegeven (met het label Rx2). Als de tweede therapie succes heeft, blijft het apparaat controleren op volgende VF-episodes. Dit proces wordt voortgezet totdat de episode wordt beëindigd of totdat de laatste geprogrammeerde therapie is afgegeven. Alleen voor de eerste VF-therapie kunt u het apparaat programmeren om te proberen de ventriculaire tachycardie te beëindigen door middel van ATP-therapie voordat een defibrillatieschok wordt afgegeven. Voor de eerste defibrillatietherapie kunt u programmeren dat deze ATP-therapie wordt afgegeven tijdens opladen of vóór opladen. Het apparaat kan zo snelle maar stabiele ventriculaire tachycardieën behandelen die geen defibrillatietherapie vereisen voor de beëindiging. Artsenhandleiding 295
296 Voor de eerste geprogrammeerde defibrillatietherapie probeert het apparaat wanneer het opladen is voltooid, de voortdurende aanwezigheid van de VF-episode te bevestigen alvorens de schok af te geven. Het apparaat breekt de therapie af als de ventriculaire tachycardie spontaan wordt beëindigd of als deze wordt beëindigd door ATP tijdens opladen. Anders probeert het apparaat een defibrillatieschok af te geven synchroon met een waargenomen ventriculair event. Bij volgende defibrillatieschokken bevestigt het apparaat de aanwezigheid van VF niet. Als deze therapieën niet kunnen worden gesynchroniseerd met een waargenomen ventriculair event, geeft het apparaat de therapieën asynchroon af. Afbeelding 127. Overzicht van VF-therapieën 1 Het gebruik van ATP Before Charging (ATP vóór opladen), ATP During Charging (ATP tijdens opladen) of geen ATP bepaalt wanneer het opladen wordt gestart en wanneer de VF-bevestiging plaatsvindt. 2 Het apparaat probeert defibrillatie te synchroniseren met een ventriculair event. Als dit niet mogelijk is, geeft het apparaat de defibrillatietherapie asynchroon af. 296 Artsenhandleiding
297 Hogespanningstherapieën afgeven Het apparaat kan pas een defibrillatietherapie afgeven als de hogespanningscondensatoren zijn opgeladen op het geprogrammeerde energieniveau. De oplaadtijd van de condensatoren is afhankelijk van het geprogrammeerde energieniveau, de batterijstatus en de tijd sinds de laatste condensatorformattering. Het afgegeven energieniveau wordt voor elke defibrillatietherapie onafhankelijk geprogrammeerd. Defibrillatiepulsen gebruiken een bifasisch signaal waarin de stroomrichting voor de hogespanningspuls halverwege de pulsafgifte wordt omgekeerd. Zie Sectie A.5, Energieniveaus en typische oplaadtijden, bladzijde 369 voor de volgende informatie: Typische maximale energieoplaadtijden Een vergelijking van afgegeven en opgeslagen energieniveaus De hogespanningselektroden en de stroomrichting selecteren De parameter Active Can/SVC Coil (SVC-defibrillatie-elektrode) en de parameter Pathway (Stroomrichting) specificeren de elektroden en de stroomrichting voor defibrillatie- en cardioversieschokken. De parameter Active Can/SVC Coil (SVC-defibrillatie-elektrode) heeft de volgende instellingen: Met de instelling Can+SVC On (Can+SVC aan) worden de Active Can (HVA) en de SVC-defibrillatie-elektrode (HVX) aangesloten. De stroom loopt tussen deze elektroden en de RV-defibrillatie-elektrode (HVB). Met de instelling Can Off (Can uit) wordt de functie Active Can uitgeschakeld. In dat geval moet een SVC-geleidingsdraad worden geïmplanteerd. De stroom loopt tussen de SVC-defibrillatie-elektrode (HVX) en de RV-defibrillatie-elektrode (HVB). De instelling SVC Off (SVC uit) zorgt ervoor dat de SVC-geleidingsdraad, als deze is geïmplanteerd, niet wordt gebruikt. De stroom loopt tussen de Active Can (HVA) en de RV-defibrillatie-elektrode (HVB). Opmerking: Zie Sectie 2.4, Evaluatie en aansluiting van geleidingsdraden, bladzijde 26 voor meer informatie over geleidingsdraadkenmerken. De instellingen voor de parameter Pathway (Stroomrichting) zijn AX>B en B>AX. AX heeft betrekking op de HVA- en de HVX-elektroden, die afzonderlijk of in combinatie kunnen worden gebruikt. B heeft betrekking op de HVB-elektrode. De instelling van Pathway (Stroomrichting) definieert de stroomrichting tijdens het initiële segment van het bifasische signaal. Als de parameter is ingesteld op AX>B, loopt de stroom van de Active Can en de SVC-defibrillatie-elektrode naar de RV-defibrillatie-elektrode. Als de parameter is ingesteld op B>AX, is deze stroomrichting omgekeerd. Artsenhandleiding 297
298 ATP afgeven vóór de eerste defibrillatie U kunt het apparaat programmeren om een ATP-therapie af te geven voordat de eerste defibrillatietherapie wordt afgegeven. Dit kan de afgifte van hogespanningsschokken verhinderen voor ritmes die kunnen worden beëindigd via ATP (bijvoorbeeld snelle monomorfe VT). Als u de ATP-parameter instelt op During Charging (Tijdens opladen), geeft het apparaat een enkele sequentie ATP-therapie af terwijl het begint met opladen voor de defibrillatietherapie. Als het opladen wordt voltooid voordat de ATP-therapiesequentie is voltooid, wordt synchronisatie van de defibrillatietherapie vertraagd totdat de ATP-therapie is voltooid. Als u de ATP-parameter instelt op Before Charging (Vóór opladen), geeft het apparaat een sequentie ATP-therapie af zodra VF wordt gedetecteerd. Als VF wordt gehertecteerd, begint het apparaat met opladen en wordt een tweede ATP-sequentie afgegeven. Het apparaat geeft geen ATP-therapieën af vóór of tijdens opladen, tenzij de laatste 8 ventriculaire waargenomen intervallen allemaal groter dan of gelijk aan de geprogrammeerde waarde voor de parameter Deliver ATP if last 8 R-R >= (ATP afgeven als laatste 8 R-R-intervallen >=) zijn. Opmerking: Gedurende 30 s nadat een T-Shock of een ventriculaire 50 Hz Burst-inductie is afgegeven, voorkomt het apparaat dat ATP-therapieën tijdens of vóór het opladen worden afgegeven. Dit voorkomt dat ATP-therapieën de defibrillatiedrempeltests (DFT) storen. 298 Artsenhandleiding
299 Afbeelding 128. Succesvolle beëindiging van een snelle ventriculaire episode 1 Het apparaat detecteert een snelle ventriculaire frequentie als VF-episode en begint de condensatoren op te laden voor een defibrillatietherapie. 2 Tijdens het opladen geeft het apparaat één sequentie Burst-ATP-therapie af, waardoor de tachycardie wordt beëindigd. 3 Nadat het opladen is voltooid, breekt het apparaat de defibrillatietherapie af, omdat VF niet wordt bevestigd. Drie functies kunnen de waarde van de parameter ATP automatisch wijzigen: ChargeSaver (Oplaadbesparing), Switchback (Terugschakelen) en Smart Mode ("Smart"-modus). De effecten van ChargeSaver (Oplaadbesparing) en Switchback (Terugschakelen) op de programmering van ATP worden getoond in Afbeelding 129. Functie ChargeSaver (Oplaadbesparing) Als u de oplaadbesparingsfunctie programmeert op On, kan het apparaat automatisch overschakelen van ATP tijdens opladen naar ATP vóór opladen. Deze wijziging vindt plaats als ATP de gedetecteerde tachycardie met succes heeft beëindigd gedurende een programmeerbaar aantal opeenvolgende pogingen tijdens het opladen. Artsenhandleiding 299
300 Opmerking: Als er een ATP-parameter wordt geherprogrammeerd, wordt de telling van het aantal opeenvolgende ATP-successen die door de functie ChargeSaver (Oplaadbesparing) wordt gebruikt, op nul teruggezet. Functie Switchback (Terugschakelen) Via de terugschakelfunctie kan het apparaat automatisch overschakelen van ATP vóór opladen naar ATP tijdens opladen. Deze wijziging vindt plaats als ATP vóór opladen er niet in slaagt de gedetecteerde tachycardie gedurende 2 opeenvolgende pogingen te beëindigen. De terugschakelfunctie is beschikbaar als ATP vóór opladen is geactiveerd. Afbeelding 129. Werking van oplaadbesparing en terugschakelfunctie Functie Smart Mode ("Smart"-modus) Als u de "Smart"-modus programmeert op On (Aan), stelt het apparaat de ATP-parameter automatisch in op Off (Uit) wanneer ATP-therapieën die worden afgegeven vóór of tijdens opladen, er gedurende 4 opeenvolgende episodes niet in slagen de tachycardie te beëindigen VF bevestigen voor de eerste defibrillatie Voordat het apparaat de eerste defibrillatieschok voor een VF-episode afgeeft, wordt het hartritme bewaakt om te bevestigen dat de VF aanwezig blijft. Als ATP tijdens opladen is gedeactiveerd, past het apparaat VF-bevestiging toe zodra een VF-episode gedetecteerd is en het opladen start. Als ATP tijdens opladen is geactiveerd, past het apparaat VF-bevestiging toe nadat het opladen is voltooid. 300 Artsenhandleiding
301 Het apparaat controleert of VF aanwezig blijft aan de hand van een bevestigingsinterval. Het bevestigingsinterval is 60 ms langer dan het geprogrammeerde VT-interval (of het VF-interval als VT-detectie op Off (Uit) is geprogrammeerd). Het apparaat classificeert ventriculaire events die optreden binnen het bevestigingsinterval als ventriculairetachycardie-events en events buiten het interval als normaal. Bij elk ventriculair event herziet het apparaat de laatste 5 ventriculaire events. Als 4 van de laatste 5 ventriculaire events normaal waren, annuleert het apparaat de therapie. Als ATP tijdens opladen geactiveerd is, begint het apparaat na beëindiging van het laden ter bevestiging en synchronisatie de ventriculaire events te controleren. Als ATP tijdens opladen is gedeactiveerd, past het apparaat VF-bevestiging toe zodra een VF-episode gedetecteerd is en het opladen start. Als in dit geval de therapie afgebroken wordt voordat het opladen is voltooid, beëindigt het apparaat het opladen eveneens. Afbeelding 130. Een afgebroken defibrillatietherapie 1 Het apparaat detecteert VF, start met opladen en begint de tachycardie te bevestigen met behulp van het bevestigingsinterval. In dit voorbeeld is ATP tijdens opladen gedeactiveerd. 2 De VF wordt spontaan beëindigd en het normale sinusritme wordt hervat. 3 Als 4 van de laatste 5 events normaal waren, annuleert het apparaat de therapie en wordt het opladen van de condensatoren beëindigd. Artsenhandleiding 301
302 De initiële defibrillatietherapie synchroniseren Nadat het opladen en ATP tijdens opladen zijn voltooid, blijft het apparaat de aanwezigheid van VF bevestigen. Als VF blijft aanhouden, probeert het apparaat de defibrillatietherapie te synchroniseren met het tweede ventriculairetachycardie-event dat optreedt nadat het opladen is voltooid, mits dit buiten de ventriculaire refractaire periode en de atriale vulnerabele periode ligt. Als dit mislukt, probeert het apparaat de defibrillatietherapie te synchroniseren met het volgende ventriculairetachycardie-event dat optreedt buiten de ventriculaire refractaire periode. Het apparaat blijft pogingen tot synchronisatie ondernemen tot de defibrillatietherapie wordt afgegeven, of tot de aanwezigheid van VF niet kan worden bevestigd en de therapie wordt afgebroken. Opmerking: Het systeem definieert de atriale vulnerabele periode als een venster dat loopt van 150 ms tot 400 ms na een waargenomen atriaal event. Gedurende deze periode wordt een defibrillatietherapie tegengehouden om inductie van een atriale tachycardie te voorkomen. Afbeelding 131. Synchrone afgifte van defibrillatie 1 Het apparaat heeft VF gedetecteerd. Het laadt de condensatoren op voor defibrillatie en bevestigt VF met behulp van het bevestigingsinterval. In dit voorbeeld is ATP tijdens opladen gedeactiveerd. 2 Het apparaat voltooit het opladen en start de synchronisatie terwijl wordt doorgegaan met de VF-bevestiging. 3 Bij het tweede tachycardie-event na het opladen geeft het apparaat de defibrillatietherapie af. 302 Artsenhandleiding
303 Volgende defibrillatietherapieën synchroniseren Als de eerste defibrillatietherapie er niet in slaagt een VF-episode te beëindigen, probeert het apparaat elke volgende defibrillatietherapie te synchroniseren met een waargenomen ventriculair event. Als synchronisatie niet mogelijk is, geeft het apparaat de defibrillatietherapie asynchroon af. Nadat de condensatoren zijn opgeladen tot het geprogrammeerde energieniveau, start het apparaat een synchronisatievenster van 900 ms. Als er gedurende dit venster een gekwalificeerd waargenomen ventriculair event optreedt, geeft het apparaat de defibrillatietherapie gesynchroniseerd met dit event af. Anders geeft het apparaat de therapie asynchroon af na 900 ms (zie Afbeelding 132). Alle waargenomen ventriculaire events komen in aanmerking voor therapieafgifte, behalve events die optreden tijdens de refractaire periode of de atriale vulnerabele periode. Als een event optreedt tijdens de refractaire periode, blijft het apparaat proberen te synchroniseren. Als een event optreedt tijdens de atriale vulnerabele periode, wijzigt het apparaat het synchronisatievenster in 500 ms, waarna verdere pogingen tot synchronisatie worden ondernomen. Alle daaropvolgende waargenomen ventriculaire events die optreden buiten de refractaire periode komen in aanmerking voor therapieafgifte, zelfs als ze optreden tijdens de atriale vulnerabele periode. Afbeelding 132. Asynchrone afgifte van defibrillatie 1 Na de herdetectie van VF beëindigt het apparaat het opladen en wordt een synchronisatievenster van 900 ms gestart. 2 Meerdere VF-events met lage amplitude worden niet waargenomen. 3 Na het verstrijken van 900 ms geeft het apparaat de defibrillatietherapie asynchroon af. Artsenhandleiding 303
304 Apparaatwerking tijdens en na een defibrillatietherapie Bij het eerste ventriculaire event na het opladen verandert het apparaat de stimulatiemodus in VVI totdat de lading wordt afgegeven of de therapie wordt afgebroken. Gedurende deze tijd blijft het stimulatie-interval ongewijzigd. Als de defibrillatietherapie is afgegeven, controleert het apparaat of het einde van de episode dan wel herdetectie optreedt. Het apparaat onderbreekt VT-detectie en gecombineerdetellingdetectie gedurende 17 events na een defibrillatietherapie die wordt afgegeven als reactie op een gedetecteerde VF. Het onderbreken van VT-detectie helpt detectie van voorbijgaande VT s die na hogespanningstherapieën kunnen optreden, voorkomen. Zie Sectie 8.2, Ventriculaire tachycardieën detecteren, bladzijde 257 voor meer informatie over gecombineerdetellingdetectie. Direct na afgifte van de schok start het apparaat een op de schok volgende blankingperiode van 520 ms. Na de op de schok volgende blankingperiode hervat het apparaat de anti-bradycardiestimulatie. Het apparaat werkt in de geprogrammeerde stimulatiemodus. De stimulatieparameters na een schok worden toegepast. Zie Sectie 7.12, Versterking van de uitgangspuls na een hogespanningstherapie, bladzijde 244 voor meer informatie. Als stimulatie na een door VT/VF-geïnduceerde schok op On (Aan) is geprogrammeerd, stimuleert het apparaat met de geprogrammeerde overdrive-frequentie. Zie Sectie 7.13, Overdrive-stimulatie afgeven na een VT/VF-hogespanningstherapie, bladzijde 245 voor meer informatie Apparaatwerking na een afgebroken defibrillatietherapie Als het apparaat een defibrillatietherapie afbreekt, wordt direct overgegaan op de geprogrammeerde instellingen voor anti-bradycardiestimulatie (niet op de stimulatieparameters na een schok). Na het volgende gestimuleerde of waargenomen ventriculaire event hervat het apparaat de controle op ventriculaire tachycardieën. Als het apparaat VF herdetecteert voordat de episode is beëindigd, wordt geprobeerd te synchroniseren en de geprogrammeerde afgebroken therapie af te geven. Als de episode echter eindigt, wordt normale detectie hervat. Opmerking: Als het apparaat de defibrillatietherapie afbreekt terwijl energie is opgeslagen op de condensatoren, kan de afgegeven energie van de volgende hogespanningstherapie hoger liggen dan de geprogrammeerde waarde. 304 Artsenhandleiding
305 9.1.3 Programmeerrichtlijnen voor VF-therapieën Let op: Als de functie Active Can niet wordt gebruikt, worden defibrillatie- en cardioversietherapieën alleen afgegeven tussen de RV (HVB)- en SVC (HVX)-defibrillatie-elektroden. Om te zorgen dat het apparaat defibrillatie- en cardioversietherapieën kan afgeven, moet een extra HVX-elektrode zijn geïmplanteerd en aangesloten op het apparaat voordat de parameter Active Can/SVC Coil (SVC-defibrillatie-elektrode) op Can Off (Can uit) wordt geprogrammeerd. Active Can/SVC Coil (SVC-defibrillatie-elektrode) De geprogrammeerde instelling voor de parameter Active Can/SVC Coil (SVC-defibrillatie-elektrode) is van toepassing op alle functies waarbij hogespanningsschokken worden afgegeven. Energie Door het energieniveau voor de eerste VF-therapie op een optimale waarde te programmeren (bijvoorbeeld de defibrillatiedrempel plus 10 J), kan de afgifte worden versneld en de levensduur van de batterij worden verlengd. Als u een optimaal energieniveau kiest, wordt de tachycardie beëindigd met een correcte veiligheidsmarge maar wordt geen energie verspild. Volgende VF-therapieën moeten worden geprogrammeerd op het maximale energieniveau. Beschikbaarheid van energieniveau Energieniveaus van minder dan 10 J zijn beschikbaar voor de VF-therapieën Rx1 en Rx2. Voor de VF-therapieën Rx3 Rx6 kan het energieniveau niet worden geprogrammeerd op waarden van minder dan 10 J. Ook kan een VF-therapie niet worden gevolgd door een andere VF-therapie met een lagere energie-instelling. Energie en ATP tijdens opladen Wanneer u de energieparameter voor een therapie instelt op een waarde van minder dan 20 J, kan de oplaadtijd voor die therapie heel kort zijn. Er is dan mogelijk onvoldoende tijd om te bepalen of ATP tijdens opladen een episode heeft beëindigd. Overweeg de energieparameter voor de eerste VF-therapie te programmeren op een waarde van ten minste 20 J indien u ATP tijdens opladen activeert. Progressieve therapieafgifte Als Progressive Episode Therapies (Progressieve therapieafgifte) op On (Aan) is geprogrammeerd, kan het apparaat ATP vóór opladen overslaan of kan het een hogespanningstherapie afgeven met een energieniveau dat hoger ligt dan het geprogrammeerde niveau. Dit zorgt ervoor dat elke therapie die tijdens een voortdurende episode wordt afgegeven, minstens zo agressief is als de voorafgaande therapie. Zie Sectie 9.4, Therapie optimaliseren met Progressieve therapieafgifte, bladzijde 333 voor meer informatie. VT- en FVT-therapieën VT- en FVT-therapieën kunnen alleen op On (Aan) worden geprogrammeerd als minstens één VF-therapie eveneens op On (Aan) is geprogrammeerd. Artsenhandleiding 305
306 9.1.4 VF-therapieën programmeren De eerste set programmeerinstructies omvat de ATP-parameters voor VF-therapie Rx1. In dit voorbeeld wordt aangegeven hoe u één sequentie Ramp-ATP programmeert. Zie Sectie 9.2, VT- en FVT-episodes behandelen met anti-tachycardiestimulatietherapieën, bladzijde 309 voor meer informatie over het programmeren van Burst en Ramp+. Selecteer het pictogram Params (Parameters) VF Therapies (Therapieën) VF Therapy Status (VF-therapiestatus) <On> (Aan) Energy (Energie) Pathway (Stroomrichting) ATP ATP <Before Charging, During Charging> (Vóór opladen, tijdens opladen) Deliver ATP if last 8 R-R >= (ATP afgeven als laatste 8 R-R-intervallen >=) Therapy Type (Soort therapie) <Ramp> Initial # Pulses (Oorspronkelijk aantal pulsen) R-S1 Interval=(%RR) (R-S1-interval=[%RR]) Interval Dec (Intervalverkorting) Smart Mode ("Smart"-modus) ChargeSaver (Oplaadbesparing) Switch to ATP Before Charging (Omschakelen wanneer ATP vóór opladen) <On> (Aan) Switch when number equals (Omschakelen wanneer aantal gelijk aan) De tweede set programmeerinstructies omvat de gedeelde instellingen voor ventriculaire ATP-parameters. De gedeelde instellingen zijn van toepassing op ATP vóór opladen, ATP tijdens opladen en ATP-therapieën die worden gebruikt voor de behandeling van VT- en FVT-episodes. Opmerking: Via de parameter V. Pacing (V. stimulatie) kunt u aangeven of stimulatie moet optreden in het rechterventrikel, het linkerventrikel of beide. 306 Artsenhandleiding
307 Selecteer het pictogram Params (Parameters) VF Therapies (Therapieën) VF Therapy Status (VF-therapiestatus) <On> (Aan) Energie Stroomrichting Shared Settings (Gedeelde instellingen) V-V Minimum ATP Interval (V-V minimum ATP-interval) V. Amplitude (V. amplitude) V. Pulse Width (V. pulsduur) V. Pace Blanking (V. blanking na een uitgangspuls) V. Pacing (V. stimulatie) Active Can/SVC Coil (SVC-defibrillatie-elektrode) Evaluatie van VF-therapieën Het Quick Look II-scherm Op het Quick Look II-scherm wordt informatie over VT/VF-therapieën weergegeven. Selecteer het pictogram Data (Gegevens) Quick Look II Afbeelding 133. VT/VF-informatie in het Quick Look II-scherm Behandelde VT/VF-episodes In deze sectie wordt aangegeven hoeveel VT/VF-episodes zijn behandeld. Selecteer de toets Treated (Behandeld) [>>] als u de gegevens voor behandelde episodes wilt bekijken. Artsenhandleiding 307
308 Quick Look II-observaties De Quick Look II-observaties zijn gebaseerd op een analyse van uitgelezen gegevens sinds de meest recente sessie en geprogrammeerde parameters. Als over een observatie verwante gegevens beschikbaar zijn, kunt u de observatie selecteren en via de toets Observations (Observaties) [>>] verwante gegevens bekijken VT/VF-therapietellers Met behulp van de informatie van de VT/VF-therapietellers kunt u de efficiëntie van de defibrillatie evalueren. VT/VF-therapietellers omvatten het VT/VF-therapieoverzicht voor de voorgaande sessie, de meest recente sessie en de levensduur van het apparaat. VT/VF-therapietellers omvatten eveneens de effectiviteit van de VT/VF-therapie sinds de meest recente sessie. Selecteer het pictogram Data (Gegevens) Clinical Diagnostics (Klinische diagnostieken) Counters (Tellers) VT/VF Rx (VT/VF-therapie) Afbeelding 134. VT/VF-therapietellers De volgende VT/VF-therapietellergegevens zijn beschikbaar: VT/VF-therapieoverzicht Deze sectie bevat informatie over de aantallen door een stimulatie beëindigde ventriculaire tachycardieën, door een schok beëindigde ventriculaire 308 Artsenhandleiding
309 tachycardieën, totaal aantal VT/VF-schokken en afgebroken opladingen voor de voorgaande sessie, de meest recente sessie en de levensduur van het apparaat. Effectiviteit van de VT/VF-therapie sinds de meest recente sessie Deze tellers vermelden voor VF-, FVT- en VT-therapieën de aantallen en soorten therapieën die zijn afgeleverd en die succesvol zijn. De VT-therapieteller omvat VT-episodes die tijdens de therapie zijn versneld of die zijn geherdetecteerd als FVT- of VF-episode. De FVT-therapieteller omvat FVT-episodes die zijn geherdetecteerd als VF-episode. 9.2 VT- en FVT-episodes behandelen met anti-tachycardiestimulatietherapieën Het apparaat detecteert sustained ventriculaire tachycardie als een episode van ventriculaire tachycardie (VT) of snelle ventriculaire tachycardie (FVT). Behandelingen voor deze episodes moeten de ventriculaire tachycardie onderbreken en het normale sinusritme van de patiënt herstellen. Stimulatietherapie kan een behandelingsoptie zijn voor de beëindiging van een VT- of FVT-episode waarvoor mogelijk geen hogespanningstherapie nodig is Oplossing van het systeem: Ventriculaire anti-tachycardiestimulatietherapieën Het apparaat kan reageren op een VT- of FVT-episode door afgifte van ventriculaire anti-tachycardiestimulatietherapieën (ATP) aan het hart van de patiënt. Ventriculaire ATP-therapieën zijn bedoeld om het heractiveringspatroon van een VT of FVT te onderbreken om zo het normale sinusritme van de patiënt te herstellen. Bij ATP-therapieën worden uitgangspulsen afgegeven in plaats van de hogespanningspulsen die worden afgegeven bij cardioversietherapie. Zie Sectie 8.2, Ventriculaire tachycardieën detecteren, bladzijde 257 en Sectie 9.3, VT en FVT behandelen met ventriculaire cardioversie, bladzijde 323 voor meer informatie Werking van ventriculaire ATP-therapieën Het apparaat kan maximaal 6 therapieën afgeven voor de behandeling van een VT- of FVT-episode. U kunt het apparaat programmeren om voor ieder type episode ATP-therapieën af te geven voordat de eerste cardioversietherapie wordt afgegeven. Op deze manier kan het apparaat een ventriculairetachycardie-episode beëindigen met behulp van een ATP-therapie. Cardioversietherapie wordt alleen afgegeven als de ATP-therapie geen succes heeft. Artsenhandleiding 309
310 De ATP-therapieopties zijn Burst-, Ramp- en Ramp+-stimulatie, ieder met een programmeerbaar aantal sequenties. Wanneer een VT- of FVT-episode wordt gedetecteerd en de eerste geprogrammeerde therapie een ATP-therapie is, geeft het apparaat de eerste sequentie van de ATP-therapie af. Na de eerste ATP-sequentie blijft het apparaat controleren op de aanwezigheid van de ventriculairetachycardie-episode. Als het apparaat de ventriculairetachycardie-episode herdetecteert, wordt de volgende sequentie afgegeven. Deze cyclus wordt herhaald tot de episode wordt beëindigd of tot alle sequenties in de therapie opgebruikt zijn. Als alle sequenties in een ATP-therapie geen succes hebben, begint het apparaat de volgende ATP of cardioversietherapie af te geven. Als bij herdetectie blijkt dat de huidige VT-episode is versneld (met minstens 60 ms) of als de VT wordt geherdetecteerd als FVT, slaat het apparaat de resterende sequenties van een ATP-therapie over en wordt de volgende geprogrammeerde therapie voor de episode gestart. Als het apparaat de VT-episode herdetecteert als VF, wordt een defibrillatietherapie afgegeven. Zie Sectie 9.1, Als VF gedetecteerde episodes behandelen, bladzijde 295 voor meer informatie over defibrillatietherapie. Afbeelding 135. Overzicht van ventriculaire ATP-therapieafgifte Zie Afbeelding 136 voor een overzicht van de afgifte van ventriculaire ATP-sequenties. 310 Artsenhandleiding
311 Afbeelding 136. Overzicht van ventriculaire ATP-sequentieafgifte De parameters V. Amplitude (V. amplitude), V. Pulse Width (V. pulsduur), V. Pace Blanking (V. blankingperiode na een puls) en V. Pacing (V. stimulatie) zijn hetzelfde voor alle ventriculaire ATP-therapieën. Deze parameters kunnen onafhankelijk van de anti-bradycardieuitgangspulsduur, amplitude, blankingperiode na een uitgangspuls en V. stimulatie worden geprogrammeerd Stimulatiefrequentie van ventriculaire ATP-therapie Het ATP-stimulatie-interval is gebaseerd op de cycluslengte van de ventriculaire tachycardie, die wordt berekend als het gemiddelde van de laatste 4 ventriculaire stimulatie-intervallen vóór VT- of FVT-detectie (of -herdetectie). De programmeerbare parameter V-V Minimum ATP Interval (V-V minimum ATP-interval) beperkt het stimulatie-interval waarmee de ATP-pulsen worden afgegeven binnen een sequentie. Als het ATP-stimulatie-interval korter is dan de geprogrammeerde waarde voor V-V minimum ATP-interval, worden de pulsen afgegeven met de geprogrammeerde waarde voor V-V minimum ATP-interval. Als het intrinsieke ventriculairetachycardie-interval korter dan of gelijk aan de geprogrammeerde waarde voor V-V minimum ATP-interval is, slaat het apparaat de rest van de ATP-therapie over en wordt de eerste geprogrammeerde cardioversietherapie afgegeven. Als er geen cardioversietherapie is geprogrammeerd, wordt geen therapie afgegeven. Artsenhandleiding 311
312 Als het intrinsieke ventriculairetachycardie-interval langer is dan de geprogrammeerde waarde voor V-V minimum ATP-interval maar alle intervallen van een ATP-therapiesequentie zijn afgegeven met het geprogrammeerde V-V minimum ATP-interval, slaat het apparaat de rest van de ATP-therapie over en geeft het de volgende geprogrammeerde ATP- of cardioversietherapie af. Als het apparaat een FVT-episode detecteert, geef het de volgende geprogrammeerde cardioversietherapie af Burst-stimulatietherapie De programmeerbare parameter Initial # Pulses (Oorspronkelijk aantal pulsen) stelt het aantal pulsen in alle Burst-therapiesequenties in. R-S1 Interval=(%RR) (R-S1-interval=[%RR]) en Interval Dec (Intervalverkorting) zijn programmeerbare parameters die de Burst-stimulatie-intervallen regelen. De eerste Burst-sequentie wordt afgegeven met een stimulatie-interval dat wordt bepaald door de parameter R-S1 Interval=(%RR). Dit is een percentage van de ventriculairetachycardie-cyclusduur. Iedere puls in de sequentie wordt afgegeven met hetzelfde stimulatie-interval. Telkens wanneer de ventriculaire tachycardie wordt geherdetecteerd na een niet-succesvolle sequentie, past het apparaat het geprogrammeerde Burst-percentage toe op de nieuwe ventriculairetachycardie-cycluslengte. Vervolgens wordt de waarde voor Interval Dec (Intervalverkorting, eenmaal per sequentie) hiervan afgetrokken om het stimulatie-interval te berekenen voor de volgende Burst-sequentie. Opmerking: De Burst-stimulatietherapie wordt afgegeven in de VOO-stimulatiemodus. In het voorbeeld van de Burst-stimulatiewerking in Afbeelding 137 worden twee Burst-therapiesequenties afgegeven. De tweede therapiesequentie beëindigt de VT-episode. 312 Artsenhandleiding
313 Afbeelding 137. Voorbeeld van Burst-stimulatiewerking 1 Het apparaat detecteert een VT-episode. 2 De eerste Burst-sequentie wordt afgegeven met een stimulatie-interval van 290 ms, maar deze sequentie kan de VT-episode niet beëindigen. 3 Het apparaat herdetecteert de VT-episode. 4 De tweede Burst-sequentie wordt afgegeven met een stimulatie-interval van 280 ms (de intervalverkorting is ingesteld op 10 ms per sequentie). Deze sequentie beëindigt de VT-episode Ramp-stimulatietherapie De programmeerbare parameter Initial # Pulses (Oorspronkelijk aantal pulsen) stelt het aantal pulsen in de eerste Ramp-sequentie in. Ramp-stimulatie-intervallen worden bepaald door de programmeerbare parameters R-S1 Interval=(%RR) (R-S1-interval=[%RR]) en Interval Dec (Intervalverkorting). Artsenhandleiding 313
314 In iedere Ramp-sequentie wordt de eerste puls afgegeven met een stimulatie-interval dat wordt bepaald door de parameter R-S1 Interval=(%RR). Dit is een percentage van de ventriculairetachycardie-cyclusduur. De resterende pulsen in deze sequentie worden vervolgens afgegeven met steeds korter wordende intervallen door per puls de geselecteerde waarde voor Interval Dec (Intervalverkorting) af te trekken. Telkens wanneer de ventriculaire tachycardie wordt geherdetecteerd na een niet-succesvolle sequentie, past het apparaat het geprogrammeerde Ramp-percentage toe op de nieuwe ventriculairetachycardie-cycluslengte om het initiële stimulatie-interval te berekenen voor de volgende sequentie. Elke sequentie voegt één uitgangspuls toe. Waargenomen ventriculaire events worden geteld als afzonderlijke pulsen van de Ramp-sequentie, ondanks het feit dat het geen uitgangspulsen zijn. Opmerking: De Ramp-stimulatietherapie wordt afgegeven in de VVI-stimulatiemodus. In het voorbeeld van de Ramp-stimulatiewerking in Afbeelding 138 worden twee Ramp-therapiesequenties afgegeven. De tweede therapiesequentie beëindigt de VT-episode. Afbeelding 138. Voorbeeld van Ramp-stimulatiewerking 1 Het apparaat detecteert een VT-episode. 314 Artsenhandleiding
315 2 De eerste Ramp-sequentie wordt afgegeven met een initieel stimulatie-interval van 310 ms. Elk volgende interval wordt met 10 ms per puls verkort. Acht uitgangspulsen worden afgegeven, maar de VT-episode wordt niet beëindigd. 3 Het apparaat herdetecteert de VT-episode. 4 De tweede Ramp-sequentie wordt afgegeven met een initieel stimulatie-interval van 310 ms. Elk volgende interval wordt met 10 ms per puls verkort. Negen uitgangspulsen worden afgegeven en de VT-episode wordt beëindigd Ramp+-stimulatietherapie De programmeerbare parameter Initial # Pulses (Oorspronkelijk aantal pulsen) stelt het aantal pulsen in de eerste Ramp+-sequentie in. Ramp+-stimulatie-intervallen worden bepaald door de programmeerbare parameters R-S1 Interval=(%RR) (R-S1-interval=[%RR]), S1S2(Ramp+)=(%RR) en S2SN(Ramp+)=(%RR). De pulsen in de Ramp+-sequentie worden vervolgens afgegeven met steeds korter wordende stimulatie-intervallen, die allemaal worden bepaald als een specifiek percentage van de ventriculairetachycardie-cycluslengte. De eerste puls van elke Ramp+-sequentie wordt afgegeven met een stimulatie-interval dat wordt bepaald door het percentage R-S1-interval=(%RR). Het stimulatie-interval voor de tweede puls van de sequentie wordt bepaald door het percentage S1S2(Ramp+)=(%RR). Eventuele resterende pulsen in de sequentie worden afgegeven met het stimulatie-interval dat wordt bepaald door het percentage S2SN(Ramp+)=(%RR). Als de ventriculaire tachycardie wordt geherdetecteerd, past het apparaat de geprogrammeerde percentages toe op de nieuwe ventriculairetachycardie-cycluslengte om de stimulatie-intervallen te berekenen voor de volgende Ramp+-sequentie. Elke sequentie voegt één uitgangspuls toe. Opmerking: De Ramp+-stimulatietherapie wordt afgegeven in de VOO-stimulatiemodus. In het voorbeeld van de Ramp+-stimulatiewerking in Afbeelding 139 worden twee Ramp+-therapiesequenties afgegeven. De tweede therapiesequentie beëindigt de VT-episode. Artsenhandleiding 315
316 Afbeelding 139. Voorbeeld van Ramp+-stimulatiewerking 1 Het apparaat detecteert een VT-episode. 2 De eerste Ramp+-sequentie bestaat uit 3 uitgangspulsen met intervallen van 260, 230 en 220 ms. De VT-episode wordt niet beëindigd. 3 Het apparaat herdetecteert de VT-episode. 4 De tweede Ramp+-therapie herhaalt de eerste 3 intervallen en voegt nog een puls toe met een interval van 220 ms, waardoor de VT-episode wordt beëindigd Ventriculaire ATP-therapieën optimaliseren met de "Smart"-modus De "Smart"-modus is een programmeerbare optie voor ventriculaire ATP-therapieën. U kunt de "Smart"-modus programmeren op On (Aan) voor alle of voor geselecteerde ATP-therapieën voor de eerste 4 VT- of FVT-therapieën. 316 Artsenhandleiding
317 Wanneer de "Smart"-modus is geprogrammeerd voor een ATP-therapie, controleert het apparaat het resultaat van die therapie. Als er 4 opeenvolgende episodes zijn waarin alle sequenties van de ATP-therapie worden afgegeven maar niet succesvol zijn, wordt die ATP-therapie door de "Smart"-modus gedeactiveerd. Het apparaat kan daaropvolgende episodes zo sneller behandelen met gebruikmaking van ATP-therapieën die eerder mogelijk effectief zijn geweest. Als de "Smart"-modus een ventriculaire ATP-therapie deactiveert, selecteer dan een andere therapie of wijzig de huidige therapiewaarden om de effectiviteit van de therapie te vergroten. Een ATP-therapie die door de "Smart"-modus is geannuleerd, wordt op het scherm met VT/VF-therapietellers aangeduid met Off-SM (Uit-"Smart"-modus). Zie Sectie 9.2.5, Evaluatie van ventriculaire ATP-therapieën, bladzijde 319 voor meer informatie Programmeerrichtlijnen voor ventriculaire ATP-therapieën VT- en FVT-therapieën Gebruik niet alleen ATP-therapieën voor de behandeling van VT- of FVT-episodes. Minstens één VT-therapie en één FVT-therapie dienen te worden geprogrammeerd op cardioversie met maximale energie. Cardioversietherapieën voor FVT U kunt niet alle FVT-therapieën programmeren als ATP-therapieën. Als er FVT-therapieën op On (Aan) zijn geprogrammeerd, moet ten minste één daarvan op cardioversietherapie worden geprogrammeerd. De laatste FVT-therapie moet altijd op cardioversietherapie worden geprogrammeerd. Agressiviteit van therapie VT- en FVT-therapieën moeten steeds agressiever worden geprogrammeerd. U kunt bijvoorbeeld niet een VT-therapie als cardioversie programmeren en een volgende VT-therapie als ventriculaire ATP-therapie. Ook kan een VT-cardioversietherapie niet worden gevolgd door een andere VT-cardioversietherapie met een lagere energie-instelling. VF-therapieën U kunt VT- en FVT-therapieën alleen op On (Aan) programmeren als minstens één VF-therapie eveneens op On (Aan) is geprogrammeerd. "Smart"-modus U kunt een ventriculaire ATP-therapie die door de "Smart"-modus is geannuleerd, opnieuw instellen door de parameter Therapy Status (Therapiestatus) voor die therapie op On (Aan) te programmeren. De "Smart"-modus is niet beschikbaar voor de laatste twee VT- of FVT-therapieën Ventriculaire ATP-therapieën programmeren De volgende programmeerstappen zijn van toepassing op VT-therapieën. U kunt de FVT-therapieën op dezelfde manier programmeren door het veld Therapies (Therapieën) voor FVT op het Parameters-scherm te selecteren. Artsenhandleiding 317
318 Burst-stimulatietherapie programmeren Selecteer het pictogram Params (Parameters) VT Therapies (Therapieën) VT Therapy Status (VT-therapiestatus) <On> (Aan) Therapy Type (Soort therapie) <Burst> Initial # Pulses (Oorspronkelijk aantal pulsen) R-S1 Interval=(%RR) (R-S1-interval=[%RR]) Interval Dec (Intervalverkorting) # Sequences (Aantal sequenties) Smart Mode ("Smart"-modus) Opmerking: Voor Burst-therapieën voor FVT-episodes gelden vergelijkbare programmeerstappen Ramp-stimulatietherapie programmeren Selecteer het pictogram Params (Parameters) VT Therapies (Therapieën) VT Therapy Status (VT-therapiestatus) <On> (Aan) Therapy Type (Soort therapie) <Ramp> Initial # Pulses (Oorspronkelijk aantal pulsen) R-S1 Interval=(%RR) (R-S1-interval=[%RR]) Interval Dec (Intervalverkorting) # Sequences (Aantal sequenties) Smart Mode ("Smart"-modus) Opmerking: Voor Ramp-therapieën voor FVT-episodes gelden vergelijkbare programmeerstappen. 318 Artsenhandleiding
319 Ramp+-stimulatietherapie programmeren Selecteer het pictogram Params (Parameters) VT Therapies (Therapieën) VT Therapy Status (VT-therapiestatus) <On> (Aan) Therapy Type (Soort therapie) <Ramp+> Initial # Pulses (Oorspronkelijk aantal pulsen) R-S1 Interval=(%RR) (R-S1-interval=[%RR]) S1S2 (Ramp+)=(%RR) S2SN (Ramp+)=(%RR) # Sequences (Aantal sequenties) Smart Mode ("Smart"-modus) Opmerking: Voor Ramp+-therapieën voor FVT-episodes gelden vergelijkbare programmeerstappen Gedeelde instellingen programmeren Selecteer het pictogram Params (Parameters) VT Therapies (Therapieën) Shared Settings (Gedeelde instellingen) V-V Minimum ATP Interval (V-V minimum ATP-interval) V. Amplitude (V. amplitude) V. Pulse Width (V-pulsduur) V. Pace Blanking (V-blanking na een puls) V. Pacing (V. stimulatie) Evaluatie van ventriculaire ATP-therapieën Het Quick Look II-scherm Op het Quick Look II-scherm wordt informatie over VT/VF-therapieën weergegeven. Selecteer het pictogram Data (Gegevens) Quick Look II Artsenhandleiding 319
320 Afbeelding 140. VT/VF-informatie in het Quick Look II-scherm Behandelde VT/VF-episodes In deze sectie wordt aangegeven hoeveel VT/VF-episodes zijn behandeld. Selecteer de toets Treated (Behandeld) [>>] als u de gegevens voor behandelde episodes wilt bekijken. Quick Look II-observaties De Quick Look II-observaties zijn gebaseerd op een analyse van uitgelezen gegevens sinds de meest recente sessie en geprogrammeerde parameters. Als over een observatie verwante gegevens beschikbaar zijn, kunt u de observatie selecteren en via de toets Observations (Observaties) [>>] verwante gegevens bekijken VT/VF-therapietellers Met behulp van de informatie van de VT/VF-therapietellers kunt u de efficiëntie van de ventriculaire ATP-therapieën evalueren. VT/VF-therapietellers omvatten het VT/VF-therapieoverzicht voor de voorgaande sessie, de meest recente sessie en de levensduur van het apparaat. VT/VF-therapietellers omvatten eveneens de effectiviteit van de VT/VF-therapie sinds de meest recente sessie. Selecteer het pictogram Data (Gegevens) Clinical Diagnostics (Klinische diagnostieken) Counters (Tellers) VT/VF Rx (VT/VF-therapie) 320 Artsenhandleiding
321 Afbeelding 141. Scherm met VT/VF-therapietellers De volgende VT/VF-therapietellergegevens zijn beschikbaar: VT/VF-therapieoverzicht Deze teller bevat informatie over de aantallen door een stimulatie beëindigde tachycardieën, door een schok beëindigde tachycardieën, het totaal aantal VT/VF-schokken en de afgebroken opladingen voor de voorgaande sessie, de meest recente sessie en de levensduur van het apparaat. Effectiviteit van de VT/VF-therapie sinds de meest recente sessie Deze teller vermeldt de aantallen en het type van de afgegeven en succesvolle VF-, FVT- en VT-therapieën. De VT-therapieteller omvat VT-episodes die tijdens de therapie zijn versneld of die zijn geherdetecteerd als FVT- of VF-episode. De FVT-therapieteller omvat FVT-episodes die zijn geherdetecteerd als VF-episode. Artsenhandleiding 321
322 Indicatoren van de werking van de "Smart"-modus Op het scherm met VT/VF-therapietellers wordt informatie gegeven over de werking van de "Smart"-modus. Selecteer het pictogram Data (Gegevens) Clinical Diagnostics (Klinische diagnostieken) Counters (Tellers) VT/VF Rx (VT/VF-therapie) Afbeelding 142. Scherm met VT/VF-therapietellers 1 Het label Off-SM (Uit-"Smart"-modus) bij de VT-therapieteller geeft aan dat de "Smart"-modus een niet-succesvolle ATP-therapie heeft geannuleerd. Informatie over de werking van de "Smart"-modus is ook beschikbaar op de schermen VT Therapies (VT-therapieën) en FVT Therapies (FVT-therapieën). 322 Artsenhandleiding
323 Afbeelding 143. Scherm VT Therapies (VT-therapieën) 1 Het label Off-SM (Uit-"Smart"-modus) bij Rx1 geeft aan dat de "Smart"-modus een niet-succesvolle ATP-therapie heeft geannuleerd. 9.3 VT en FVT behandelen met ventriculaire cardioversie Een VT of FVT-episode wordt gedetecteerd wanneer een sustained ventriculaire tachycardie optreedt. Behandelingen voor deze episodes moeten de tachycardie onderbreken en het normale sinusritme van de patiënt herstellen. Ventriculaire ATP-therapieën kunnen deze episodes beëindigen. Als de ATP-therapieën niet effectief zijn, is een hogespanningsschok nodig Oplossing van het systeem: Ventriculaire cardioversie Het apparaat kan reageren op een VT- of FVT-episode door afgifte van ventriculairecardioversietherapie aan het hart van de patiënt. Net als defibrillatie is cardioversie bedoeld om de episode te beëindigen door tegelijkertijd het hartweefsel te depolariseren en het normale sinusritme van de patiënt te herstellen. In tegenstelling tot defibrillatie moet bij cardioversie het apparaat de therapie synchroniseren met een waargenomen ventriculair event. Zie Sectie 8.2, Ventriculaire tachycardieën detecteren, bladzijde 257 voor meer informatie over de detectie van VT- of FVT-episodes. Artsenhandleiding 323
324 9.3.2 Werking van ventriculaire cardioversie Wanneer een VT- of FVT-episode wordt gedetecteerd en de volgende geprogrammeerde therapie een cardioversie is, begint het apparaat de hogespanningscondensatoren op te laden en probeert het de voortdurende aanwezigheid van de tachycardie te bevestigen. Als de tachycardie wordt beëindigd, annuleert het apparaat de therapie. Als de tachycardie nog steeds aanwezig is wanneer de condensatoren zijn opgeladen tot het geprogrammeerde energieniveau, geeft het apparaat de cardioversiepuls af, gesynchroniseerd met een waargenomen ventriculair event. Als synchronisatie niet mogelijk is, annuleert het apparaat de therapie. Afbeelding 144. Overzicht van ventriculaire cardioversie Hogespanningstherapieën afgeven Het apparaat kan pas een cardioversietherapie afgeven als de hogespanningscondensatoren zijn opgeladen op het geprogrammeerde energieniveau. De oplaadtijd van de condensatoren is afhankelijk van het geprogrammeerde energieniveau, de batterijstatus en de tijd sinds de laatste condensatorformattering. Het afgegeven energieniveau wordt voor elke cardioversietherapie onafhankelijk geprogrammeerd. Cardioversieschokken gebruiken een bifasisch signaal waarin de stroomrichting voor de hogespanningspuls halverwege de pulsafgifte wordt omgekeerd. 324 Artsenhandleiding
325 Zie Sectie A.5, Energieniveaus en typische oplaadtijden, bladzijde 369 voor de volgende informatie: Typische maximale energieoplaadtijden Een vergelijking van afgegeven en opgeslagen energieniveaus De hogespanningselektroden en de stroomrichting selecteren De parameter Active Can/SVC Coil (SVC-defibrillatie-elektrode) en de parameter Pathway (Stroomrichting) specificeren de elektroden en de stroomrichting voor defibrillatie- en cardioversieschokken. De parameter Active Can/SVC Coil (SVC-defibrillatie-elektrode) heeft de volgende instellingen: Met de instelling Can+SVC On (Can+SVC aan) worden de Active Can (HVA) en de SVC-defibrillatie-elektrode (HVX) aangesloten. De stroom loopt tussen deze elektroden en de RV-defibrillatie-elektrode (HVB). Met de instelling Can Off (Can uit) wordt de functie Active Can uitgeschakeld. In dat geval moet een SVC-geleidingsdraad worden geïmplanteerd. De stroom loopt tussen de SVC-defibrillatie-elektrode (HVX) en de RV-defibrillatie-elektrode (HVB). De instelling SVC Off (SVC uit) zorgt ervoor dat de SVC-geleidingsdraad, als deze is geïmplanteerd, niet wordt gebruikt. De stroom loopt tussen de Active Can (HVA) en de RV-defibrillatie-elektrode (HVB). Opmerking: Zie Sectie 2.4, Evaluatie en aansluiting van geleidingsdraden, bladzijde 26 voor meer informatie over geleidingsdraadkenmerken. De instellingen voor de parameter Pathway (Stroomrichting) zijn AX>B en B>AX. AX heeft betrekking op de HVA- en de HVX-elektroden, die afzonderlijk of in combinatie kunnen worden gebruikt. B heeft betrekking op de HVB-elektrode. De instelling van Pathway (Stroomrichting) definieert de stroomrichting tijdens het initiële segment van het bifasische signaal. Als de parameter is ingesteld op AX>B, loopt de stroom van de Active Can en de SVC-defibrillatie-elektrode naar de RV-defibrillatie-elektrode. Als de parameter is ingesteld op B>AX, is deze stroomrichting omgekeerd VT of FVT bevestigen na detectie Wanneer het apparaat begint de condensatoren op te laden voor een cardioversietherapie, wordt het hartritme bewaakt om er zeker van te zijn dat de tachycardie nog aanwezig is wanneer de therapie wordt afgegeven. Artsenhandleiding 325
326 Het apparaat controleert of de tachycardie aanwezig blijft aan de hand van een bevestigingsinterval. Dit bevestigingsinterval is 60 ms langer dan het geprogrammeerde VT-interval. Het apparaat classificeert ventriculaire events die optreden binnen het bevestigingsinterval als aritmie-events en events buiten het interval als normaal. Bij elk ventriculaire event tijdens het opladen controleert het apparaat de laatste 5 events sinds het opladen is begonnen. Als 4 van de laatste 5 ventriculaire events normaal waren, stopt het apparaat met opladen en wordt de therapie geannuleerd. Afbeelding 145. Een geannuleerde cardioversietherapie 1 Het apparaat heeft VT gedetecteerd en begint met het opladen van de condensatoren voor cardioversie. 2 Het apparaat controleert of de tachycardie aanwezig blijft aan de hand van een bevestigingsinterval. 3 De VT wordt spontaan beëindigd en het normale sinusritme wordt hervat. 4 Als 4 van de laatste 5 events normaal waren, stopt het apparaat met het opladen van de condensatoren Cardioversie synchroniseren na opladen Nadat het opladen is beëindigd, blijft het apparaat de aanwezigheid van tachycardie bevestigen. Als de tachycardie blijft aanhouden, probeert het apparaat de cardioversietherapie af te geven. Als de tachycardie verandert, breekt het apparaat de therapie af. 326 Artsenhandleiding
327 Teneinde de cardioversietherapie af te geven, probeert het apparaat deze te synchroniseren met een niet-refractair ventriculair event dat voldoet aan een van de volgende voorwaarden: Het event is het tweede ventriculairetachycardie-event dat optreedt na het opladen, en het ligt buiten de atriale vulnerabele periode. Het betreft het derde ventriculairetachycardie-event. Opmerking: Het systeem definieert de atriale vulnerabele periode als een venster van 250 ms dat na een waargenomen atriaal event van 150 ms tot 400 ms loopt. Een cardioversietherapie die gedurende deze periode wordt afgegeven, kan een atriale tachycardie veroorzaken. Het apparaat stelt een eventuele geplande afgifte van cardioversie tijdens deze periode uit tot het volgende geschikte event. Het apparaat blijft pogingen tot synchronisatie ondernemen tot de cardioversietherapie wordt afgegeven, of tot de aanwezigheid van tachycardie niet kan worden bevestigd en de therapie wordt afgebroken. Afbeelding 146. Synchrone afgifte van cardioversie 1 Het apparaat heeft VT gedetecteerd. De condensatoren worden opgeladen voor cardioversie en de aanwezigheid van tachycardie wordt bevestigd. 2 Het apparaat voltooit het opladen terwijl de bevestiging wordt voortgezet. 3 Er treedt een ventriculairetachycardie-event op. 4 Bij het tweede tachycardie-event na het opladen geeft het apparaat de cardioversietherapie af. Het apparaat bevestigt de aanwezigheid van de gedetecteerde tachycardie na het opladen op een andere manier dan tijdens het opladen. Na het opladen breekt het apparaat de cardioversietherapie af als een van de volgende events optreedt: Een normaal event in het ventrikel 3 opeenvolgende waargenomen ventriculaire intervallen die kleiner zijn dan 200 ms Artsenhandleiding 327
328 De aanwezigheid van korte ventriculaire waargenomen intervallen tijdens de synchronisatie geeft aan dat het ritme is versneld tijdens de oorspronkelijke detectie, of dat significante oversensing optreedt. In beide gevallen is cardioversie mogelijk niet langer een toepasselijke therapie. Afbeelding 147. Een afgebroken cardioversietherapie 1 Het apparaat heeft VT gedetecteerd. De condensatoren worden opgeladen voor cardioversie en de aanwezigheid van tachycardie wordt bevestigd. 2 De VT wordt spontaan beëindigd en het normale sinusritme wordt hervat. 3 De oplaadperiode is voltooid en de synchronisatie start. Op dit punt stopt het apparaat de bevestigingsprocedure. 4 De cardioversietherapie wordt afgebroken wanneer een normaal event optreedt tijdens de synchronisatie Anti-bradycardiestimulatie tijdens en na een cardioversietherapie Bij het eerste ventriculaire event na het opladen verandert het apparaat de stimulatiemodus in VVI totdat de lading wordt afgegeven of de therapie wordt afgebroken. Gedurende deze tijd blijft het stimulatie-interval ongewijzigd. Als de cardioversietherapie is afgegeven, controleert het apparaat of het einde van de episode dan wel herdetectie optreedt. Direct na afgifte van de schok start het apparaat een op de schok volgende blankingperiode van 520 ms en wordt anti-bradycardiestimulatie hervat in de geprogrammeerde stimulatiemodus. 328 Artsenhandleiding
329 De stimulatieparameters na een schok worden toegepast. Zie Sectie 7.12, Versterking van de uitgangspuls na een hogespanningstherapie, bladzijde 244 voor meer informatie. Als stimulatie na een door VT/VF-geïnduceerde schok op On (Aan) is geprogrammeerd, stimuleert het apparaat met de geprogrammeerde overdrive-frequentie. Zie Sectie 7.13, Overdrive-stimulatie afgeven na een VT/VF-hogespanningstherapie, bladzijde 245 voor meer informatie Sequentie na een geannuleerde cardioversietherapie Als het apparaat een cardioversietherapie annuleert, wordt direct overgegaan op de geprogrammeerde instellingen voor anti-bradycardiestimulatie (niet op de stimulatieparameters die volgen na een schok). Na het volgende gestimuleerde of waargenomen ventriculaire event hervat het apparaat de controle op aritmieën. Als het apparaat VT (of FVT) herdetecteert voordat de episode is beëindigd, wordt geprobeerd te synchroniseren en de geprogrammeerde afgebroken therapie af te geven. Als de episode echter eindigt, wordt normale detectie hervat. Opmerking: Als het apparaat de cardioversietherapie annuleert terwijl energie is opgeslagen op de condensatoren, kan de afgegeven energie van de volgende hogespanningstherapie hoger liggen dan de geprogrammeerde waarde Programmeerrichtlijnen voor ventriculaire cardioversie Let op: Als de functie Active Can niet wordt gebruikt, worden defibrillatie- en cardioversietherapieën alleen afgegeven tussen de RV (HVB)- en SVC (HVX)-defibrillatie-elektroden. Om te zorgen dat het apparaat defibrillatie- en cardioversietherapieën kan afgeven, moet een extra HVX-elektrode zijn geïmplanteerd en aangesloten op het apparaat voordat de parameter Active Can/SVC Coil (SVC-defibrillatie-elektrode) op Can Off (Can uit) wordt geprogrammeerd. Active Can/SVC Coil (SVC-defibrillatie-elektrode) De geprogrammeerde instelling voor de parameter Active Can/SVC Coil (SVC-defibrillatie-elektrode) is van toepassing op alle functies waarbij hogespanningsschokken worden afgegeven. Energie Door het energieniveau voor de cardioversietherapie op een geoptimaliseerde waarde te programmeren, kan de afgifte worden versneld en de levensduur van de batterij worden verlengd. Als u een optimaal energieniveau kiest, wordt de tachycardie beëindigd met een correcte veiligheidsmarge maar wordt geen energie verspild. Minstens 1 VT-therapie en 1 FVT-therapie dienen te worden geprogrammeerd op cardioversie met maximale energie. Cardioversietherapieën voor FVT Als FVT-therapieën zijn geprogrammeerd op On (Aan), moet minstens 1 FVT-therapie worden geprogrammeerd op cardioversie (met een Artsenhandleiding 329
330 willekeurig energieniveau). De laatste FVT-therapie moet altijd op cardioversie worden geprogrammeerd. Agressiviteit van therapie VT- en FVT-therapieën moeten steeds agressiever worden geprogrammeerd. U kunt bijvoorbeeld een VT-therapie niet op cardioversie programmeren en een volgende VT-therapie als ATP-therapie programmeren. Ook kan een VT-cardioversietherapie niet worden gevolgd door een andere VT-cardioversietherapie met een lagere energie-instelling. VF-therapieën VT- en FVT-therapieën kunnen alleen op On (Aan) worden geprogrammeerd als minstens 1 VF-therapie eveneens op On (Aan) is geprogrammeerd Ventriculaire cardioversie programmeren Selecteer het pictogram Params (Parameters) VT Therapies (Therapieën) VT Therapy Status (VT-therapiestatus) <On> (Aan) Therapy Type (Soort therapie) <CV> Energy (Energie) Pathway (Stroomrichting) Shared Settings (Gedeelde instellingen) Active Can/SVC Coil (SVC-defibrillatie-elektrode) Opmerking: Voor CV-therapieën voor FVT-episodes gelden vergelijkbare programmeerstappen Evaluatie van ventriculaire cardioversie Het Quick Look II-scherm Op het Quick Look II-scherm wordt informatie over VT/VF-therapieën weergegeven. Selecteer het pictogram Data (Gegevens) Quick Look II 330 Artsenhandleiding
331 Afbeelding 148. VT/VF-informatie in het Quick Look II-scherm Behandelde VT/VF-episodes In deze sectie wordt aangegeven hoeveel VT/VF-episodes zijn behandeld. Selecteer de toets Treated (Behandeld) [>>] als u de gegevens voor behandelde episodes wilt bekijken. Quick Look II-observaties De Quick Look II-observaties zijn gebaseerd op een analyse van uitgelezen gegevens sinds de meest recente sessie en geprogrammeerde parameters. Als over een observatie verwante gegevens beschikbaar zijn, kunt u de observatie selecteren en via de toets Observations (Observaties) [>>] verwante gegevens bekijken VT/VF-therapietellers Met behulp van de informatie van de VT/VF-therapietellers kunt u de efficiëntie van ventriculaire cardioversie evalueren. VT/VF-therapietellers omvatten het VT/VF-therapieoverzicht voor de voorgaande sessie, de meest recente sessie en de levensduur van het apparaat. VT/VF-therapietellers omvatten eveneens de effectiviteit van de VT/VF-therapie sinds de meest recente sessie. Selecteer het pictogram Data (Gegevens) Clinical Diagnostics (Klinische diagnostieken) Counters (Tellers) VT/VF Rx (VT/VF-therapie) Artsenhandleiding 331
332 Afbeelding 149. VT/VF-therapietellers VT/VF-therapieoverzicht In deze sectie worden de aantallen door een stimulatie beëindigde aritmieën, door een schok beëindigde aritmieën, totaal aantal VT/VF-schokken en afgebroken opladingen voor de voorgaande sessie, de meest recente sessie en de levensduur van het apparaat vermeld. Effectiviteit van de VT/VF-therapie sinds de meest recente sessie Deze tellers vermelden voor VF-, FVT- en VT-therapieën de aantallen en soorten therapieën die zijn afgeleverd en die succesvol zijn. De VT-therapieteller omvat VT-episodes die tijdens de therapie zijn versneld of die zijn geherdetecteerd als FVT- of VF-episode. De FVT-therapieteller omvat FVT-episodes die zijn geherdetecteerd als VF-episode. 332 Artsenhandleiding
333 9.4 Therapie optimaliseren met Progressieve therapieafgifte Terwijl een ventriculairetachycardie-episode plaatsvindt, kan de ventriculaire frequentie hoger of lager worden, waardoor het mogelijk is dat het apparaat de episode herdetecteert als een ander type tachycardie. Als dit gebeurt, geeft het apparaat de volgende beschikbare therapie af die is geprogrammeerd voor het geherdetecteerde type tachycardie. In bepaalde gevallen kunnen hierdoor de therapieën die worden afgegeven later in een episode, minder agressief zijn dan de therapieën die eerder in die episode zijn afgegeven. Het apparaat kan bijvoorbeeld een episode detecteren als VF, een defibrillatietherapie afgeven, de episode herdetecteren als FVT en vervolgens een ATP-therapie afgeven Oplossing van het systeem: Progressieve therapieafgifte Wanneer de functie Progressieve therapieafgifte op On (Aan) is geprogrammeerd, worden therapieën overgeslagen of hogespanningsenergieniveaus gewijzigd om ervoor te zorgen dat elke therapie die gedurende een ventriculaire tachycardie-episode afgegeven wordt, minstens zo agressief is als de voorafgaande therapie Werking van Progressieve therapieafgifte Iedere keer dat het apparaat een therapie afgeeft tijdens een ventriculairetachycardie-episode, zorgt Progressieve therapieafgifte ervoor dat de therapieën die beschikbaar zijn wanneer de episode wordt geherdetecteerd, worden aangepast. Er worden drie soorten aanpassingen doorgevoerd. Op de eerste plaats geeft het apparaat gedurende de rest van de episode geen therapieën af die zijn geprogrammeerd voor tragere aritmietypen. In plaats daarvan wordt de volgende therapie afgegeven die is geprogrammeerd voor het snelste tachycardietype dat tijdens de episode is gedetecteerd. Als het apparaat bijvoorbeeld VF detecteert en een defibrillatietherapie afgeeft, worden voor de rest van de episode alleen VF-defibrillatietherapieën afgegeven. Op de tweede plaats geldt dat als het apparaat een ventriculairecardioversietherapie afgeeft, alle ATP-therapieën voor de rest van de episode worden overgeslagen. Als het apparaat bijvoorbeeld een VT detecteert, een cardioversietherapie afgeeft en de episode herdetecteert als FVT, worden alle ATP-therapieën die zijn geprogrammeerd voor FVT, overgeslagen. In plaats daarvan wordt de volgende cardioversietherapie afgegeven die is geprogrammeerd voor FVT. Artsenhandleiding 333
334 Ten slotte, als het apparaat een ventriculairecardioversietherapie afgeeft, wordt de energiewaarde voor de volgende cardioversietherapie of defibrillatietherapie gelijk aan of groter dan de energiewaarde van de laatst afgegeven therapie. Als het apparaat bijvoorbeeld een VT detecteert, een cardioversietherapie van 35 J afgeeft en de episode herdetecteert FVT, wordt bij de volgende cardioversietherapie ook 35 J afgegeven, zelfs als de geprogrammeerde waarde 20 J is. Opmerking: Bij progressieve therapieafgifte wordt ATP tijdens opladen niet overgeslagen. Als ATP voor opladen echter is ingeschakeld, slaat het apparaat de ATP-sequentie over voordat wordt opgeladen, en wordt pas een ATP-sequentie afgegeven tijdens het opladen Progressieve therapieafgifte programmeren Selecteer het pictogram Params (Parameters) VF Therapies (Therapieën) Shared Settings (Gedeelde instellingen) Progressive Episode Therapies (Progressieve therapieafgifte) Evaluatie van progressieve therapieafgifte Episodetekst van behandelde VT/VF-episodes Selecteer het pictogram Data (Gegevens) Clinical Diagnostics (Klinische diagnostieken) Arrhythmia Episodes (Aritmie-episodes) Text (Tekst) In de episodetekst van een behandelde ventriculaire tachycardie-episode worden alle therapieën aangegeven die het apparaat tijdens de episode heeft afgegeven. Als Progressieve therapieafgifte is ingeschakeld, wordt dit vermeld vóór de lijst met therapieën. 334 Artsenhandleiding
335 Afbeelding 150. Episodetekst met Progressieve therapieafgifte op On (Aan) geprogrammeerd 1 Tekstoptie 2 Vóór de lijst met therapieën staat Progressive Episode Therapies enabled (Progressieve therapieafgifte geactiveerd) Episodeplot van behandelde VT/VF-episodes Selecteer het pictogram Data (Gegevens) Clinical Diagnostics (Klinische diagnostieken) Arrhythmia Episodes (Aritmie-episodes) Plot Op het interval- of frequentieplot van een ventriculaire tachycardie-episode wordt aangegeven hoe de ventriculaire frequentie tijdens een episode varieerde en wat de frequentie was in vergelijking met de geprogrammeerde waarden voor VF Interval (Rate) (VF-interval [Frequentie]), FVT Interval (Rate) (FVT-interval [Frequentie]) en VT Interval (Rate) (VT-interval [Frequentie]). Verder worden op dit plot codes weergegeven met alle therapieën die zijn afgegeven tijdens de episode, zodat u de afgegeven therapieën kunt vergelijken met het gedetecteerde ritme. Artsenhandleiding 335
336 Afbeelding 151. Episodeplot met Progressieve therapieafgifte op On (Aan) geprogrammeerd 1 Plotoptie 2 Codes die detectie en therapie aangeven 3 VF-, FVT- en VT-detectie-intervallen 9.5 Optimalisatie van de oplaadtijd met automatische condensatorformattering Condensatorformattering zorgt ervoor dat de condensatoren snel kunnen worden opgeladen en de hogespanningstherapieën prompt kunnen worden afgegeven. Tussen twee formatteringen in worden de condensatoren geleidelijk aan minder effectief, waardoor de oplaadtijden langer worden. Om snel opladen bij hogespanningstherapieën mogelijk te maken moeten de hogespanningscondensatoren periodiek worden geformatteerd Oplossing van het systeem: Automatische condensatorformattering De functie Automatische condensatorformattering zorgt ervoor dat de hogespanningscondensatoren regelmatig volledig worden geformatteerd Werking van automatische condensatorformattering Door automatische condensatorformattering worden de condensatoren met regelmatige tussenpozen volledig geformatteerd. De condensatoren worden volledig geformatteerd door ze op te laden tot volledige energie en de lading dan minstens 10 min te laten dissiperen. Het systeem registreert de datum en tijd van iedere formattering. Na iedere formattering wordt de volgende automatische condensatorformattering gepland. Omdat de energie van de batterij langzaam afneemt tijdens de levensduur van het apparaat, worden de oplaadtijden langzaam langer, ongeacht de condensatorformattering. 336 Artsenhandleiding
337 Condensatoren kunnen automatisch of handmatig worden geformatteerd. Zie Sectie 10.5, De condensatoren van het apparaat testen, bladzijde 347 voor informatie over het handmatig formatteren van de condensatoren Intervalmanagement De functie Automatische condensatorformattering beheert de intervallen tussen de condensatorformatteringen. Iedere keer dat de condensatoren worden geformatteerd, plant het apparaat de volgende formattering op basis van de geprogrammeerde waarde van de parameter Minimum Auto Cap Formation Interval (Minimuminterval voor automatische condensatorformattering). Het interval opnieuw starten Iedere keer dat een volledige condensatorformattering optreedt, wordt het interval opnieuw ingesteld. Zo wordt voorkomen dat formatteringen te vaak optreden, zodat het energieverbruik van de batterij wordt beperkt. Afbeelding 152. Nieuwe start van het interval 1 In maand 4 is een defibrillatietherapie met volledige energie afgebroken, waarna de lading minstens 10 min kon dissiperen. Dankzij de daardoor veroorzaakte volledige condensatorformattering is de waarde voor Minimum Auto Cap Formation Interval (Minimuminterval voor automatische condensatorformattering) opnieuw ingesteld. Verlenging van het interval Nadat een maximale energieoplading is afgegeven of een premature ontlading heeft plaatsgevonden (voordat er 10 min zijn voorbijgegaan), wordt het interval door de resulterende gedeeltelijke condensatorformattering automatisch met 2 maanden verlengd. Met elke gedeeltelijke formattering wordt het condensatorformatteringsinterval dus verlengd. Dit wordt aangegeven in Afbeelding 153. Het totaal van alle volgende verlengingen wordt niet hoger dan de geprogrammeerde waarde voor Minimum Auto Cap Formation Interval (Minimuminterval voor automatische condensatorformattering). Artsenhandleiding 337
338 Afbeelding 153. Verlengd interval 1 Maximale energie-oplading voor een defibrillatietherapie is afgegeven in maand 3 van een interval van 6 maanden. 2 Het interval wordt daardoor met 2 maanden verlengd, van maand 6 tot maand 8. Het volgende interval, van maand 3 to maand 8, is 5 maanden. Het interval overschakelen met de optie Auto Wanneer de parameter Minimum Auto Cap Formation Interval (Minimuminterval voor automatische condensatorformattering) is geprogrammeerd op Auto, wordt door het apparaat een schema van 6 maanden voor automatische condensatorformattering gehandhaafd totdat de levensduur van de batterij bijna is beëindigd. Als de oplaadtijd excessief wordt, schakelt het apparaat over naar een vaste planning van 1 maand voor de automatische condensatorformattering. Afbeelding 154. Omschakelinterval 1 Bij het 6-maands-interval is een excessieve oplaadtijd opgetreden. Het systeem schakelt automatisch om naar het 1-maands-interval Programmeerrichtlijnen voor automatische condensatorformattering Handmatige condensatorformattering bij implantatie Bij de implantatie zijn de apparaatcondensatoren sinds de fabricage niet meer volledig geformatteerd. Voer bij de implantatie een handmatige condensatorformattering uit. Voordat u een waarde voor 338 Artsenhandleiding
339 Minimum Auto Cap Formation Interval (Minimuminterval voor automatische condensatorformattering) programmeert, formatteert u de condensatoren handmatig teneinde de oplaadtijd van het apparaat te reduceren. Zie Sectie 10.5, De condensatoren van het apparaat testen, bladzijde 347 voor meer informatie over het handmatig formatteren van de condensatoren. Het interval herprogrammeren Wanneer u de waarde voor Minimum Auto Cap Formation Interval (Minimuminterval voor automatische condensatorformattering) herprogrammeert, moet u altijd controleren of de oplaadtijd acceptabel is voor het apparaat. Zie Sectie A.5, Energieniveaus en typische oplaadtijden, bladzijde 369 voor meer informatie over de oplaadtijd. Voer een handmatige condensatorformattering uit of beoordeel een recente maximale energieoplading die wordt weergegeven in het scherm met batterij- en geleidingsdraadmetingen. Opmerking: Wanneer u het minimuminterval voor automatische condensatorformattering herprogrammeert, wordt het interval niet opnieuw ingesteld. Bij de planning van de volgende formattering wordt rekening gehouden met de tijd die is verstreken sinds de laatste formattering. Als er sinds de laatste formattering meer tijd is verstreken dan is toegestaan via het nieuw geprogrammeerde interval, wordt de formattering uitgevoerd aan het einde van de huidige telemetriesessie. De oplaadtijd bewaken met de Medtronic CareAlert-functie U kunt de Medtronic CareAlert-functie gebruiken om direct te worden gewaarschuwd bij een lange oplaadtijd. Zie Sectie 5.3, Automatische alarmen bij klinischmanagementevents en systeemwerkingevents, bladzijde 128 voor meer informatie. Evenwicht tussen formatteringsinterval en levensduur Bij gebruikmaking van een korter minimuminterval voor automatische condensatorformattering worden de condensatoren vaker geformatteerd, zodat hun efficiëntie wordt geoptimaliseerd. Elke condensatorformattering omvat echter een maximale energieoplading, waardoor de levensduur van het apparaat vermindert. Beoordeel de behoefte van de patiënt aan een snellere therapieafgifte en vergelijk deze met het effect op de levensduur van het apparaat. Zie Sectie 5.11, De levensduur van het apparaat optimaliseren, bladzijde 168 voor informatie over de levensduur van het apparaat. Artsenhandleiding 339
340 9.5.4 Programmeerrichtlijnen voor automatische condensatorformattering Selecteer het pictogram Params (Parameters) VF Therapies (Therapieën) Auto Cap Formation (Automatische condensatorformattering) Minimum Auto Cap formation Interval (Minimuminterval voor automatische condensatorformattering) Evaluatie van de oplaadtijd Teneinde de huidige oplaadprestaties van het apparaat te evalueren, bekijkt u de oplaadtijd en -datum die worden weergegeven op het scherm met batterij- en geleidingsdraadgegevens. Zie Sectie 5.9, Gedetailleerde gegevens over de apparaat- en geleidingsdraadprestaties bekijken, bladzijde 159 voor meer informatie. Als de datum van de laatste oplading recent is en de oplaadtijd acceptabel is, hoeft u verder niets te onderzoeken. Afbeelding 155. Oplaadtijdgegevens op het scherm met batterij- en geleidingsdraadgegevens Als dat niet het geval is, voert u een test opladen/ontladen uit om de oplaadtijd te controleren. Zie Sectie 10.5, De condensatoren van het apparaat testen, bladzijde 347 voor meer informatie. 340 Artsenhandleiding
341 10 Het systeem testen 10.1 Het onderliggende ritme evalueren Met behulp van de test voor het onderliggende ritme kunt u het intrinsieke hartritme van de patiënt evalueren door de uitgangspulsen van het apparaat tijdelijk te onderdrukken. Tijdens de test voor het onderliggende ritme wordt het apparaat tijdelijk geprogrammeerd op een niet-stimulatiemodus Richtlijnen voor de evaluatie van het onderliggende ritme Let op: Terwijl de test voor het onderliggende ritme wordt uitgevoerd, ontvangen de patiënten geen stimulatieondersteuning. De stimulatie wordt onderdrukt zolang u de knop [INHIBIT Press and Hold] (INHIBEREN Indrukken en vasthouden) ingedrukt houdt. Houd rekening met de gevolgen van deze test voor pacemakerafhankelijke patiënten. De stimulatiefrequentie handmatig verlagen U kunt overwegen bij alle patiënten de geprogrammeerde onderfrequentie te verlagen en te controleren of deze frequentie bij de patiënt optreedt alvorens de stimulatie te inhiberen. Dit kan helpen abrupte wijzigingen in de ventriculairefrequentieondersteuning te voorkomen. Tachycardiedetectie onderbroken Tachycardiedetectie wordt onderbroken tijdens een test voor het onderliggende ritme Een test voor het onderliggende ritme uitvoeren 1. Selecteer Tests > Underlying Rhythm (Onderliggend ritme). 2. Houd [INHIBIT Press and Hold] (INHIBEREN Indrukken en vasthouden) ingedrukt. De stimulatie wordt geïnhibeerd totdat deze knop wordt losgelaten. 3. Om een registratie af te drukken van het intrinsieke ritme van de patiënt dient de gewenste papiersnelheidtoets op de printer of recorder ingedrukt te worden. Het ECG-signaal mag geen stimulatie vertonen. Artsenhandleiding 341
342 10.2 Stimulatiedrempels meten Via de drempeltest kunt u de stimulatiedrempels van de patiënt bepalen. De informatie over de stimulatiedrempel kan worden gebruikt om de optimale instellingen voor amplitude en pulsduur te bepalen, zodat capture gegarandeerd wordt terwijl de levensduur van de batterij wordt geoptimaliseerd Richtlijnen voor het meten van de stimulatiedrempels Selecteerbare waarden en standaardwaarden De selecteerbare waarden en standaardwaarden die de stimulatiedrempeltest biedt, zijn afhankelijk van de geprogrammeerde waarden voor anti-bradycardiestimulatietherapie. Stimulatiedrempel en veiligheidsmarge Nadat u een stimulatiedrempeltest heeft uitgevoerd, moet u ervoor zorgen dat de permanent geprogrammeerde waarden voor de parameters voor pulsduur en amplitude een voldoende veiligheidsmarge boven de stimulatiedrempel bieden. Meten van stimulatiedrempels in het systeem met drie geleidingsdraden Het apparaat is voorzien van onafhankelijk selecteerbare uitgangen voor atriale stimulatie, RV. stimulatie en LV. stimulatie. De atriale, RV- en LV-drempelwaarden kunnen afzonderlijk worden gemeten en op elke drempel kunnen afzonderlijke veiligheidsmarges worden toegepast. Tachycardiedetectie onderbroken Tachycardiedetectie wordt onderbroken tijdens een stimulatiedrempeltest. 342 Artsenhandleiding
343 Stimulatiedrempels meten 1. Selecteer Tests > PacingThreshold (Stimulatiedrempel). 2. Selecteer waarden voor Test Type (Type test), Chamber (Kamer) en Decrement after (Afname na), of accepteer de weergegeven waarden. 3. Selecteer de initiële Test Value (Testwaarde) voor Mode (Modus), Lower Rate (Onderfrequentie), AV Delay (AV-interval), Amplitude en Pulse Width (Pulsduur), of accepteer de weergegeven waarden. 4. Houd [TEST Press and Hold] (TEST Indrukken en vasthouden) ingedrukt. 5. Controleer op het actueleritmevenster of er verlies van capture optreedt. 6. Laat [TEST Press and Hold] (TEST Indrukken en vasthouden) onmiddellijk los als er geen capture meer is. Het apparaat hervat de originele stimulatiewaarden van vóór de test en de testresultaten worden weergegeven. Artsenhandleiding 343
344 7. Als u de gedetecteerde stimulatiedrempel wilt wijzigen, selecteert u de gewenste waarde onder Threshold (Drempel) in het venster Test - Results (Resultaten). 8. Als u een teststrook van de stimulatiedrempeltest wilt bekijken, selecteert u het pictogram Test Strip (Teststrook) in de linkerbenedenhoek van het venster Amplitude Threshold Test Results (Amplitudedrempeltest - Resultaten). Zie Sectie 3.11, Werken met het actueleritmevenster, bladzijde 80 voor meer informatie. 9. Als u nieuwe waarden voor de amplitude of de pulsduur wilt programmeren, selecteert u Amplitude of Pulse Width (Pulsduur) in de kolom Permanent in het venster Test - Results (Resultaten). Het venster Capture wordt geopend. Selecteer in het venster Capture de gewenste waarden en selecteer [OK]. Selecteer [PROGRAM] (Programmeren) in het volgende venster. 10. Als u een stimulatiedrempeltestrapport wilt afdrukken, selecteert u de toets [Print ] (Afdrukken) Geleidingsdraadimpedantie meten Met de geleidingsdraadimpedantietest kan de integriteit van het geïmplanteerde geleidingsdraadsysteem worden getest door de impedantie te meten tussen de stimulatieen de hogespanningselektroden. Deze metingen worden gedaan zonder afgifte van een hogespanningsschok of van uitgangspulsen die capture bij het hart veroorzaken. Het apparaat voert deze metingen uit door pulsen met lage spanning te gebruiken die onder de drempelwaarde liggen Richtlijnen voor het meten van de geleidingsdraadimpedantie Meetpulsen waarnemen Wanneer het apparaat een sequentie geleidingsdraadimpedantiemetingen uitvoert, is het mogelijk dat de testpulsen onder de drempelwaarde worden waargenomen als atriale refractaire of atriale waargenomen 344 Artsenhandleiding
345 events. De testpulsen kunnen ook kleine variaties veroorzaken op een of meer EGM-kanalen of het LECG-kanaal. Pulsen die worden afgegeven tijdens een geleidingsdraadimpedantietest, veroorzaken geen capture in het hart en zijn ook niet van invloed op de tachycardiedetectie. Tachycardiedetectie onderbroken Tachycardiedetectie wordt onderbroken tijdens een geleidingsdraadimpedantietest Geleidingsdraadimpedantie meten 1. Selecteer Tests > Lead Impedance (Geleidingsdraadimpedantie). 2. Selecteer [START Measurement] (START meting). Wacht totdat een bevestigingsbericht over de programmering en een voortgangsbericht worden weergegeven. 3. Beëindig zonodig de test door [STOP] te selecteren. Geleidingsdraadimpedantiemetingen worden niet bijgewerkt als een test wordt gestopt. U kunt vaststellen of de geleidingsdraadimpedantie is gewijzigd door de gemeten waarden te vergelijken met de gemelde waarden op het scherm Lead Impedance Trends (Geleidingsdraadimpedantietrends) en de gemeten waarden bij eerdere follow-up-bezoeken (kijk hiervoor in de status van de patiënt). U kunt ook de metingen voor alle beschikbare geleidingsdraadpolariteiten bekijken door de toets All Measured Polarities (Alle gemeten polariteiten) [>>] te selecteren Een waarnemingstest uitvoeren Via de waarnemingstest kunt u P- en R-top-amplitudes meten. Dit kan nuttig zijn voor de beoordeling van de geleidingsdraadintegriteit en de waarnemingsprestaties. Via de waarnemingstest kunt u de modus, het AV-interval en de onderfrequentie tijdelijk zo programmeren dat het apparaat de patiënt niet stimuleert, zodat het waarschijnlijker is dat er waargenomen events optreden. Nadat de test is begonnen, kunt u de stimulatiefrequentie laten dalen totdat het intrinsieke hartritme de overhand heeft. Het apparaat meet alleen amplitudes bij intrinsieke events Richtlijnen voor het uitvoeren van een waarnemingstest DOO-, VOO- en AOO-stimulatiemodi De waarnemingstest kan niet worden uitgevoerd als de geprogrammeerde stimulatiemodus is ingesteld op DOO, VOO of AOO. Beschikbare stimulatiemodi De stimulatiemodi die beschikbaar zijn onder Test Value (Testwaarde), zijn afhankelijk van de geprogrammeerde stimulatiemodus. Artsenhandleiding 345
346 Comfort van de patiënt Vertraag tijdens een waarnemingstest de stimulatiefrequentie geleidelijk teneinde symptomen die gepaard gaan met abrupte veranderingen in de hartfrequentie, te minimaliseren. Automatische timeout De waarnemingstest stopt automatisch na enkele seconden en herstelt de geprogrammeerde instellingen als er geen intrinsieke events optreden en u de stimulatiefrequentie niet verandert. Vergelijking met waarnemingstrends Waarnemingsamplitudemetingen die tijdens een waarnemingstest zijn gedaan, kunnen events omvatten die atypisch zijn, of die het resultaat van oversensing zijn (bijvoorbeeld PVC s of far-field-r-toppen). Dergelijke events worden uitgesloten bij de dagelijkse automatische waarnemingsamplitudemetingen die het apparaat verzamelt en die worden vermeld in de waarnemingsamplitudetrends. Vanwege deze verschillen bij de metingen kunnen de resultaten van waarnemingstests verschillen van de resultaten die worden vermeld bij de waarnemingsamplitudetrendgegevens. RV-waarnemingspolariteit De ventriculairewaarnemingselektroden die worden gebruikt bij waarnemingstestmetingen, zijn afhankelijk van de geprogrammeerde waarde voor RV Sense Polarity (RV-waarnemingspolariteit). Maximale gemeten waarde De maximale amplitudewaarde die de waarnemingstest kan meten, is 20 mv. Gevoeligheidswaarden meten Verander op grond van de waarnemingstest de waarden voor A. Sensitivity (A. gevoeligheid) en RV Sensitivity (RV. gevoeligheid) niet. Zie Sectie 7.1, Intrinsieke hartactiviteit waarnemen, bladzijde 195 voor meer informatie. Tachycardiedetectie onderbroken Tachycardiedetectie wordt onderbroken tijdens een waarnemingstest Een waarnemingstest uitvoeren Let op: Wees voorzichtig bij het selecteren van tijdelijke stimulatie-instellingen bij pacemakerafhankelijke patiënten. Terwijl de amplitudemetingen worden uitgevoerd, krijgen deze patiënten mogelijk geen adequate stimulatieondersteuning. 1. Lees het apparaat uit door de toets [Interrogate ] (Uitlezen) te selecteren. 2. Selecteer Tests > Sensing (Waarneming). 3. Programmeer de testwaardeparameters voor modus en AV-interval of accepteer de weergegeven waarden. 4. Selecteer [START Measurement] (START meting). 346 Artsenhandleiding
347 5. Controleer op het actueleritmevenster of er een intrinsiek ritme optreedt. Als er nog steeds consistente stimulatie optreedt, moet u de onderfrequentie verlagen. 6. Breek, indien nodig, de test af door [STOP and Restore] (STOPPEN en herstellen) te selecteren. De tijdelijke stimulatie-instellingen voor modus, AV-vertraging en onderfrequentie worden teruggezet op de geprogrammeerde waarden. Als de waarnemingstest voltooid is, worden de meetresultaten op het testscherm weergegeven. Als u de meetresultaten van de waarnemingstest wilt vergelijken met de automatische dagelijkse waarnemingsamplitudemetingen, selecteert u de toets P/R Wave Amplitude Trends (P/R-top-amplitudetrends) [>>] De condensatoren van het apparaat testen Via de test laden/ontladen kunt u de oplaadtijd van de condensatoren testen, het apparaat handmatig formatteren en een eventuele resterende lading op de condensatoren ontladen. Nadat de condensatoren zijn opgeladen, blijft de lading op de condensatoren achter totdat deze wordt ontladen, wordt afgegeven via een cardioversie- of defibrillatietherapie, of gedurende minimaal 10 min kan dissiperen. Op het scherm Charge/Dump Test (Test laden/ontladen) worden de datum, de tijd, de oplaadtijd en de energiewaarden weergegeven voor de laatste keer dat de condensatoren volledig zijn opgeladen (vanuit elke willekeurige begin-energiewaarde). Ook wordt de datum en tijd van de laatste condensatorformattering weergegeven. Opmerking: Als de condensatoren handmatig worden geformatteerd, wordt het automatische condensatorformatteringsinterval opnieuw ingesteld en wordt de oplaadtijd geoptimaliseerd. Zie Sectie 9.5, Optimalisatie van de oplaadtijd met automatische condensatorformattering, bladzijde 336 voor meer informatie over de functie Automatische condensatorformattering. Opmerking: Tachycardiedetectie wordt onderbroken tijdens een lading/ontlading-test. Artsenhandleiding 347
348 Een test laden/ontladen uitvoeren 1. Selecteer Tests > Charge/Dump (Laden/Ontladen). 2. Als u de condensatoren volledig wilt ontladen, selecteert u [DUMP Capacitors] (ONTLADEN Condensatoren) en wacht u ongeveer 20 s. 3. Als u de condensatoren wilt opladen, selecteert u [CHARGE Capacitors] (LADEN Condensatoren). Het bericht Manual operation charging (Handmatig opladen) verschijnt op de statusbalk van het apparaat op het scherm. Breek, indien nodig, de testoplading af door [ABORT Test] (AFBREKEN Test) te selecteren. 4. Als het opladen voltooid is, verschijnt het symbool Charge End (CE) (Einde opladen) op het Marker Channel-scherm. Het bericht Manual Operation Charging (Handmatig opladen) verdwijnt van de statusbalk. 5. Selecteer [RETRIEVE Data] (OPHALEN Gegevens) om de oplaadtijdgegevens van het apparaat te verzamelen. 348 Artsenhandleiding
349 6. Evalueer de oplaadtijd. Zie Sectie A.5, Energieniveaus en typische oplaadtijden, bladzijde 369 voor meer informatie. Als u tot de conclusie komt dat de oplaadtijd niet acceptabel is voor de patiënt, laat u de lading gedurende 10 min dissiperen en voert u de test laden/ontladen nogmaals uit. a. Als de tweede oplaadtijd acceptabel is, overweeg dan het interval voor automatische condensatorformattering te verkleinen. b. Als de tweede oplaadtijd niet acceptabel is, neem dan contact op met Medtronic De condensatoren handmatig formatteren 1. Voer een test laden/ontladen uit. 2. Laat de testlading gedurende 10 min dissiperen Een aritmie induceren Het apparaat biedt verschillende EP-studiefuncties, waaronder hartstimulatieprotocollen, waardoor tachycardieën worden geïnduceerd. De beschikbare inductiemethoden zijn T-Shock, 50 Hz Burst, Fixed Burst (Vaste Burst) en PES. Deze inductieprotocollen kunnen worden gebruikt om tijdens EP-tests aritmieën te induceren en zo de effectiviteit van tachycardietherapieën te evalueren Richtlijnen bij het induceren van aritmieën Waarschuwing: Bewaak de patiënt zorgvuldig bij het gebruik van een EP-studiefunctie. Zorg dat u een externe defibrillator bij de hand heeft wanneer u tachycardie induceert. Een geïnduceerde tachycardie kan degenereren tot een ventriculaire fibrillatie. Telemetrieverbinding Zorg dat er een telemetrieverbinding tot stand is gebracht tussen het apparaat en het programmeerapparaat voordat u een EP-studiefunctie uitvoert. Bij een geslaagde uitlezing of programmering wordt gecontroleerd of de communicatie tussen het apparaat en het programmeerapparaat goed is. Controleer bij gebruik van draadloze telemetrie of minstens 3 van de groene lampjes op het draadlozetelemetriepictogram branden. Zie Sectie 3.1, Telemetrie tussen het apparaat en het programmeerapparaat tot stand brengen, bladzijde 37 voor meer informatie. Detectie hervatten Tachycardiedetectie wordt automatisch onderbroken tijdens uitvoering van EP-studiefuncties en na uitvoering van EP-studiefuncties met uitzondering van een T-Shock- of 50 Hz Burst-inductie. Alle inducties via EP-studies bieden de optie om de detectie automatisch te hervatten na afgifte van de inductie. Selecteer het vakje Resume Artsenhandleiding 349
350 at BURST (Hervatten bij BURST) of Resume at DELIVER (Hervatten bij AFGIFTE) om automatisch hervatten te activeren voor een inductie. Als u detectie wilt hervatten na een handmatige therapie of na een inductie die werd afgegeven terwijl automatisch hervatten was gedeactiveerd, selecteert u [Resume] (Hervatten) of verwijdert u de programmeerkop van het geïmplanteerde apparaat. Een inductie of therapie afbreken Als veiligheidsmaatregel geeft het programmeerapparaat een toets [ABORT] (Afbreken) weer, waarmee u lopende inducties of tachycardietherapieën onmiddellijk kunt beëindigen. U kunt een Burst-inductie ook afbreken door de contactpen te verwijderen van de toets [BURST Press and Hold] (BURST Indrukken en vasthouden). Wanneer een handmatige therapie wordt afgegeven, breekt het apparaat een lopende inductie of automatische therapie automatisch af. Tijdelijke parameterwaarden De EP-studiefuncties maken gebruik van testwaarden die de permanent geprogrammeerde parameters van het apparaat niet wijzigen. De testwaarden worden van kracht wanneer de inductie of therapie start. Na de inductie of therapie hervat het apparaat de werking volgens de geprogrammeerde parameterwaarden voor anti-bradycardiestimulatie en tachycardietherapie. Controle van geprogrammeerde parameterwaarden Voordat een inductiescherm wordt weergegeven, controleert het systeem of het apparaat geprogrammeerd is voor het detecteren en behandelen van een geïnduceerde aritmie. Als de detectie- of therapiefuncties niet correct zijn geprogrammeerd, verschijnt een waarschuwing op het scherm. Knoppen van de programmeerkop De knop Program (Programmeren) op de programmeerkop is uitgeschakeld tijdens alle EP-studiefuncties. De knop Interrogate (Uitlezen) op de programmeerkop is uitgeschakeld tijdens alle EP-studie-inducties. Gebruik de correcte schermtoets om inductie of handmatige therapie af te geven. Laatste inductie (mm:ss) Voor de T-Shock- en ventriculaire 50 Hz Burst-protocollen is een timer beschikbaar waarmee de tijd sinds de laatste inductie kan worden gevolgd. Deze timer bevindt zich in de linkerbenedenhoek van het scherm van het programmeerapparaat VF-inductie via T-Shock U kunt de T-Shock-inductie gebruiken om VF te induceren. Het apparaat geeft voor de inductie van VF een reeks VOO-uitgangspulsen af om de timing van de T-toppen voorspelbaarder te maken. Het apparaat geeft dan simultaan met een T-top, de refractaire periode van de hartcyclus, een schok af. U kunt via het apparaat de kenmerken van de uitgangspulsen en de hogespanningsschokken opgeven en een interval tussen de laatste uitgangspuls en de schok implementeren. 350 Artsenhandleiding
351 De interface voor de inductie van T-schokken bevat functies waarmee het testen van de defibrillatiedrempel gemakkelijker wordt. Zie Sectie 4.5, Ventriculairedefibrillatiedrempeltests uitvoeren, bladzijde 109 voor meer informatie Richtlijnen voor VF-inductie via T-Shock Waarschuwing: Bewaak de patiënt zorgvuldig bij het gebruik van een EP-studiefunctie. Zorg dat u een externe defibrillator bij de hand heeft wanneer u tachycardie induceert. Een geïnduceerde tachycardie kan degenereren tot een ventriculaire fibrillatie. ATP vóór opladen en ATP tijdens opladen ATP vóór opladen en ATP tijdens opladen worden automatisch 30 s uitgeschakeld nadat een T-Shock-inductie is afgegeven. Dit voorkomt dat ATP-therapieën de defibrillatiedrempeltests storen. Selectievakje Enable (Activeren) Als veiligheidsmaatregel kunt u de toets [DELIVER T-Shock] (AFGIFTE T-Shock) pas selecteren nadat u het selectievakje Enable (Activeren) heeft geselecteerd. Na afgifte van een schok of nadat u het T-Shock-scherm heeft verlaten, moet u het selectievakje Enable (Activeren) opnieuw selecteren voordat u weer een T-Shock-inductie kunt afgeven VF-inductie via T-Shock Afbeelding 156. T-Shock-inductiescherm 1. Selecteer Tests > EP Study (EP-studie). 2. Selecteer T-Shock in het vak Inductions/Therapies (Inducties/Therapieën). 3. Zorg er anders voor dat de Chamber (Kamer)-parameter is ingesteld op de gewenste ventriculaire instelling. Artsenhandleiding 351
352 4. Als u de geïnduceerde episode met een handmatige therapie wilt behandelen, selecteert u [Suspend] (Onderbreken) om automatische detectie te verhinderen. Opmerking: De [Suspend] (Onderbreken)-toets bevindt zich boven aan het T-Shock-inductiescherm en is niet zichtbaar in Afbeelding Selecteer het vakje Resume at DELIVER (Hervatten bij afgifte) als u gebruik wilt maken van automatische detectie en therapie, of schakel het vakje uit voor handmatige therapie. Opmerking: Tijdens een draadlozetelemetriesessie kunt u geen T-Shock-inductie afgeven als zich een magneet of programmeerkop boven het apparaat bevindt en het selectievakje Resume at DELIVER (Hervatten bij afgifte) is ingeschakeld. Als er een foutmelding verschijnt, verwijder de magneet of de programmeerkop dan of deselecteer het vakje Resume at DELIVER (Hervatten bij afgifte). 6. Accepteer de weergegeven testwaarden of selecteer nieuwe waarden. 7. Als u VF-detectie- en -therapieparameters wilt weergeven en aanpassen, selecteert u [Adjust Permanent ] (Permanent aanpassen). 8. Selecteer het vakje Enable (Activeren). 9. Selecteer [DELIVER T-Shock] (AFGIFTE T-Shock). Opmerking: Als de opgeslagen energie op de condensatoren hoger is dan het geselecteerde energieniveau, wordt op het programmeerapparaat een waarschuwing weergegeven wanneer u de toets [DELIVER T-Shock] (AFGIFTE T-Shock) selecteert. Selecteer [DUMP] (Ontladen) of [CANCEL] (Annuleren) om deze waarschuwing van het scherm te verwijderen. 10. Selecteer zonodig [ABORT] (Afbreken) om inductie van een lopende therapie af te breken. 11. Selecteer [Retrieve Data ] (Gegevens ophalen) en [Print ] (Afdrukken) om patiëntgegevens te bekijken en af te drukken VF-inductie via 50 Hz Burst U kunt ventriculaire 50 Hz Burst gebruiken om VF te induceren. De 50 Hz Burst-inductie is bedoeld om VF te induceren door een snelle reeks VOO-uitgangspulsen af te geven. U kunt de amplitude en pulsduur van deze pulsen selecteren, maar het stimulatie-interval ligt vast op 20 ms. Zolang u de toets [50 Hz BURST Press and Hold] (50 Hz BURST Indrukken en vasthouden) op het scherm van het programmeerapparaat ingedrukt houdt, blijft het apparaat de inductie afgeven (met een maximum van 10 s). 352 Artsenhandleiding
353 De ventriculaire 50 Hz Burst-interface bevat functies waarmee het testen van de defibrillatiedrempel gemakkelijker wordt. Zie Sectie 4.5, Ventriculairedefibrillatiedrempeltests uitvoeren, bladzijde 109 voor meer informatie Richtlijnen voor VF-inductie via 50 Hz Burst Waarschuwing: Bewaak de patiënt zorgvuldig bij het gebruik van een EP-studiefunctie. Zorg dat u een externe defibrillator bij de hand heeft wanneer u tachycardie induceert. Een geïnduceerde tachycardie kan degenereren tot een ventriculaire fibrillatie. ATP vóór opladen en ATP tijdens opladen ATP vóór opladen en ATP tijdens opladen worden automatisch 30 s uitgeschakeld nadat een 50 Hz Burst-inductie is afgegeven. Dit voorkomt dat ATP-therapieën de defibrillatiedrempeltests storen Een ventriculaire 50 Hz Burst-inductie afgeven Afbeelding 157. Scherm voor de inductie van ventriculaire 50 Hz Burst 1. Selecteer Tests > EP Study (EP-studie). 2. Selecteer 50 Hz Burst in het vak Inductions/Therapies (Inducties/Therapieën). 3. Als het dialoogvenster Select Chamber (Kamer selecteren) verschijnt, selecteer dan [RV]. Stel de kamerparameter in op de gewenste ventriculaire instelling. 4. Als u de geïnduceerde episode met een handmatige therapie wilt behandelen, selecteert u [Suspend] (Onderbreken) om automatische detectie te verhinderen. Opmerking: De [Suspend] (Onderbreken)-toets bevindt zich boven aan het 50 Hz Burst-inductiescherm en is niet zichtbaar in Afbeelding 157. Artsenhandleiding 353
354 5. Selecteer het vakje Resume at BURST (Hervatten bij BURST) als u gebruik wilt maken van automatische detectie en therapie, of schakel het vakje uit voor handmatige therapie. 6. Accepteer de weergegeven testwaarden of selecteer nieuwe waarden. 7. Als u VF-detectie- en -therapieparameters wilt weergeven en aanpassen, selecteert u [Adjust Permanent ] (Permanent aanpassen). 8. Houd [50 Hz BURST Press and Hold] (50 Hz BURST Indrukken en vasthouden) ingedrukt. Laat de toets los om de inductie te beëindigen. 9. U kunt desgewenst een actieve therapie afbreken door [ABORT] (Afbreken) te selecteren. 10. Selecteer [Retrieve Data ] (Gegevens ophalen) en [Print ] (Afdrukken) om patiëntgegevens te bekijken en af te drukken AT/AF-inductie via een atriale 50 Hz Burst U kunt atriale 50 Hz Burst gebruiken om AT/AF te induceren. De 50 Hz Burst-inductie is bedoeld om AT/AF te induceren door een snelle reeks AOO-uitgangspulsen af te geven aan het atrium. U kunt de amplitude en pulsduur van deze pulsen selecteren, maar het stimulatie-interval ligt vast op 20 ms. Zolang u de toets [50 Hz BURST Press and Hold] (50 Hz BURST Indrukken en vasthouden) op het scherm van het programmeerapparaat ingedrukt houdt, blijft het apparaat de inductie afgeven (met een maximum van 10 s). Bij het uitvoeren van een atriale 50 Hz Burst-inductie kunt u kiezen voor afgifte van VOO-back-up-stimulatie door het apparaat. De atriale 50 Hz Burst kan ook worden gebruikt om AF-episodes handmatig te behandelen Richtlijnen voor AT/AF-inductie via een atriale 50 Hz Burst Waarschuwing: Bewaak de patiënt zorgvuldig bij het gebruik van een EP-studiefunctie. Zorg dat u een externe defibrillator bij de hand heeft wanneer u tachycardie induceert. Een geïnduceerde tachycardie kan degenereren tot een ventriculaire fibrillatie. Instelling voor ventriculaire stimulatie en VOO-back-up Ongeacht de geprogrammeerde waarde van de parameter Ventricular Pacing (Ventriculaire stimulatie) wordt VOO-back-up-stimulatie afgegeven aan het rechterventrikel. 354 Artsenhandleiding
355 Een atriale 50 Hz Burst afgeven Afbeelding 158. Scherm voor de inductie van atriale 50 Hz Burst 1. Selecteer Tests > EP Study (EP-studie). 2. Selecteer 50 Hz Burst in het vak Inductions/Therapies (Inducties/Therapieën). 3. Als het dialoogvenster Select Chamber (Kamer selecteren) verschijnt, selecteer dan [Atrium]. Zorg er anders voor dat de Chamber (Kamer)-parameter is ingesteld op Atrium. 4. Als u de geïnduceerde episode met een handmatige therapie wilt behandelen, selecteert u [Suspend] (Onderbreken) om automatische detectie te verhinderen. Opmerking: De [Suspend] (Onderbreken)-toets bevindt zich boven aan het 50 Hz Burst-inductiescherm en is niet zichtbaar in Afbeelding Selecteer het vakje Resume at BURST (Hervatten bij BURST) als u gebruik wilt maken van automatische detectie en therapie, of schakel het vakje uit voor handmatige therapie. 6. Accepteer de weergegeven testwaarden of selecteer nieuwe waarden. 7. Als u VOO-back-up-stimulatie wilt verstrekken tijdens de stimulatie-burst, selecteert u waarden voor VOO Backup (VOO-back-up). 8. Houd [50 Hz BURST Press and Hold] (50 Hz BURST Indrukken en vasthouden) ingedrukt. Laat de toets los om de inductie te beëindigen. 9. U kunt desgewenst een actieve therapie afbreken door [ABORT] (Afbreken) te selecteren. Artsenhandleiding 355
356 AT of VT induceren met vaste Burst U kunt de vaste Burst-inducties gebruiken om AT of VT te induceren. Als u atriale of ventriculaire tachycardieën wilt induceren kunt u via vaste Burst-inductie een set asynchrone AOO- of VOO-uitgangspulsen met een uniform selecteerbaar interval afgeven aan de geselecteerde kamer. U kunt ook de amplitude en pulsduur van de pulsen opgeven. Bij het uitvoeren van een atriale vaste Burst-inductie kunt u kiezen voor afgifte van VVI-back-up-stimulatie door het apparaat Richtlijnen voor inductie van AT of VT via vaste Burst Waarschuwing: Bewaak de patiënt zorgvuldig bij het gebruik van een EP-studiefunctie. Zorg dat u een externe defibrillator bij de hand heeft wanneer u tachycardie induceert. Een geïnduceerde tachycardie kan degenereren tot een ventriculaire fibrillatie. Atriale amplitude en VVI-back-up-stimulatie VVI-back-up-stimulatie kan tijdens een atriale vaste Burst-inductie worden geïnhibeerd door crosstalk als de testwaarde voor atriale amplitude hoger is dan 6 V. Instelling voor ventriculaire stimulatie en VVI-back-up Ongeacht de geprogrammeerde waarde van de parameter Ventricular Pacing (Ventriculaire stimulatie) wordt VII-back-up-stimulatie afgegeven aan het rechterventrikel Een vaste Burst-inductie afgeven Afbeelding 159. Scherm voor vaste Burst-inductie 356 Artsenhandleiding
357 1. Selecteer Tests > EP Study (EP-studie). 2. Selecteer Fixed Burst (Vaste Burst) in het vak Inductions/Therapies (Inducties/therapieën). 3. Als het dialoogvenster Select Chamber (Kamer selecteren) verschijnt, selecteer dan [Atrium] of [RV]. Als u [RV] selecteert, moet u de Chamber (Kamer)-parameter instellen op de gewenste ventriculaire waarde. 4. Als u de geïnduceerde episode met een handmatige therapie wilt behandelen, selecteert u [Suspend] (Onderbreken) om automatische detectie te verhinderen. Opmerking: De [Suspend] (Onderbreken)-toets bevindt zich boven aan het vaste Burst-inductiescherm en is niet zichtbaar in Afbeelding Selecteer het vakje Resume at BURST (Hervatten bij BURST) als u gebruik wilt maken van automatische detectie en therapie, of schakel het vakje uit voor handmatige therapie. 6. Accepteer de weergegeven testwaarden of selecteer nieuwe waarden. 7. Als u VVI-back-up-stimulatie wilt verstrekken tijdens een atriale inductie, selecteert u waarden voor VVI Backup (VVI-back-up). 8. Houd [Fixed BURST Press and Hold] (Vaste BURST Indrukken en vasthouden) ingedrukt. Laat de toets los om de inductie te beëindigen. 9. U kunt desgewenst een actieve therapie afbreken door [ABORT] (Afbreken) te selecteren AT of VT induceren via geprogrammeerde elektrische stimulatie U kunt geprogrammeerde elektrische stimulatie (PES) gebruiken om AT of VT te induceren. PES geeft voor de inductie van atriale of ventriculaire tachycardieën een selecteerbaar aantal uitgangspulsen af op het S1S1-interval, waarna maximaal 3 asynchrone uitgangspulsen worden afgegeven op de intervallen S1S2, S2S3 en S3S4. U kunt de kamer, amplitude, pulsduur en stimulatie-intervallen voor de inductie opgeven. Bij het uitvoeren van een atriale PES-inductie kunt u kiezen voor afgifte van VVI-back-up-stimulatie door het apparaat. Artsenhandleiding 357
358 Richtlijnen voor inductie van AT of VT via PES Waarschuwing: Bewaak de patiënt zorgvuldig bij het gebruik van een EP-studiefunctie. Zorg dat u een externe defibrillator bij de hand heeft wanneer u tachycardie induceert. Een geïnduceerde tachycardie kan degenereren tot een ventriculaire fibrillatie. Atriale amplitude en VVI-back-up-stimulatie VVI-back-up-stimulatie kan tijdens een atriale PES-inductie worden geïnhibeerd door crosstalk als de testwaarde voor atriale amplitude hoger is dan 6 V. Instelling voor ventriculaire stimulatie en VVI-back-up Ongeacht de geprogrammeerde waarde van de parameter Ventricular Pacing (Ventriculaire stimulatie) wordt VII-back-up-stimulatie afgegeven aan het rechterventrikel Een PES-inductie afgeven Afbeelding 160. Scherm PES-inductie 1. Selecteer Tests > EP Study (EP-studie). 2. Selecteer PES in het vak Inductions/Therapies (Inducties/therapieën). 3. Als het dialoogvenster Select Chamber (Kamer selecteren) verschijnt, selecteer dan [Atrium] of [RV]. Als u [RV] selecteert, moet u de Chamber (Kamer)-parameter instellen op de gewenste ventriculaire waarde. 4. Als u de geïnduceerde episode met een handmatige therapie wilt behandelen, selecteert u [Suspend] (Onderbreken) om automatische detectie te verhinderen. Opmerking: De [Suspend] (Onderbreken)-toets bevindt zich boven aan het PES-inductiescherm en is niet zichtbaar in Afbeelding Artsenhandleiding
359 5. Selecteer het vakje Resume at DELIVER (Hervatten bij afgifte) als u gebruik wilt maken van automatische detectie en therapie, of schakel het vakje uit voor handmatige therapie. 6. Accepteer de weergegeven testwaarden of selecteer nieuwe waarden. 7. Als u VVI-back-up-stimulatie wilt verstrekken tijdens een atriale inductie, selecteert u waarden voor VVI Backup (VVI-back-up). 8. Selecteer [DELIVER PES] (AFGIFTE PES). Laat de toets los om de inductie te beëindigen. 9. U kunt desgewenst een actieve therapie afbreken door [ABORT] (Afbreken) te selecteren Een handmatige therapie afgeven Handmatige therapieën zijn tachycardietherapieën die u opstart via het programmeerapparaat. U kunt tijdens EP-tests handmatige therapieën gebruiken voor back-up-therapie. Bij follow-up-bezoeken kunnen handmatige therapieën nuttig zijn voor het beoordelen van de effectiviteit van de therapie en het doorvoeren van eventuele wijzigingen als onderdeel van de chronische verzorging. De beschikbare handmatige therapieën zijn Defibrillatie, Cardioversie, Ramp, Burst, Ramp+ en Burst Richtlijnen Waarschuwing: Bewaak de patiënt zorgvuldig bij het gebruik van een handmatige therapie. Zorg dat u een externe defibrillator bij de hand heeft die klaar is voor direct gebruik. Bij het testen kunnen mogelijk schadelijke tachycardieën worden opgewekt. Een inductie of therapie afbreken Als veiligheidsmaatregel geeft het programmeerapparaat een toets [ABORT] (Afbreken) weer, die onmiddellijk geactiveerde inductie, handmatige of automatische therapieën beëindigt. Wanneer een handmatige therapie wordt afgegeven, breekt het apparaat een inductie of automatische therapie die eventueel wordt uitgevoerd, automatisch af. Atriale amplitude en VVI-back-up-stimulatie Als de testwaarde voor de atriale amplitude hoger is dan 6 V, kan VVI-back-up-stimulatie tijdens een handmatige atriale-atp-therapie worden geïnhibeerd door crosstalk. Detectie onderbroken tijdens handmatige therapie De tachycardiedetectie wordt automatisch onderbroken bij afgifte van een handmatige therapie. De detectie blijft Artsenhandleiding 359
360 onderbroken totdat u [RESUME] (Hervatten) selecteert of totdat de telemetriesessie tussen het programmeerapparaat en het apparaat wordt beëindigd. Knoppen van de programmeerkop De knop Program (Programmeren) op de programmeerkop is uitgeschakeld tijdens handmatige therapieën. Gebruik de schermtoets [DELIVER] (Afgifte) om een handmatige therapie af te geven. Telemetrie Zorg dat er een telemetrieverbinding tot stand is gebracht tussen het apparaat en het programmeerapparaat voordat u een handmatige therapie uitvoert. Bij een geslaagde uitlezing of programmering wordt gecontroleerd of de communicatie tussen het apparaat en het programmeerapparaat goed is. Controleer bij gebruik van draadloze telemetrie of minstens 3 van de groene lampjes op het draadlozetelemetriepictogram branden. Zie Sectie 3.1 voor meer informatie. Opmerking: Tijdens de oplaadperiode voor een hogespanningstherapie kan de telemetrieverbinding door elektrische ruis verloren gaan. Nadat het opladen is voltooid, wordt de telemetrie hervat. Tijdelijke parameterwaarden De handmatige therapiefuncties maken gebruik van tijdelijke waarden die de permanent geprogrammeerde parameters van het apparaat niet wijzigen. De tijdelijke waarden worden van kracht wanneer de handmatige therapie start. Na de handmatige therapie hervat het apparaat zijn werking volgens de geprogrammeerde parameterwaarden voor anti-bradycardiestimulatie en tachycardietherapie Een handmatige therapie afgeven 1. Selecteer Tests > EP Study (EP-studie). 2. Selecteer de gewenste handmatige therapie in het vak Inductions/Therapies (Inducties/therapieën). 3. Als het dialoogvenster Select Chamber (Kamer selecteren) verschijnt, selecteert u [Atrium] of [RV]. Als u [RV] selecteert, moet u de Chamber (Kamer)-parameter instellen op de gewenste ventriculaire waarde. 360 Artsenhandleiding
361 4. Accepteer de weergegeven testwaarden of selecteer nieuwe waarden. 5. Als u VVI-back-up-stimulatie wilt verstrekken tijdens een atriale therapie, selecteert u VVI Backup (VVI-back-up) om de VVI-back-up-stimulatieparameters in te stellen. 6. Selecteer [DELIVER] (Afgifte). 7. U kunt desgewenst een handmatige therapie afbreken door [ABORT] (Afbreken) te selecteren Werking van handmatige therapieën In het algemeen wordt elke handmatige therapie waarbij ook een corresponderende automatische therapie bestaat, op dezelfde manier als de automatische versie uitgevoerd. Anti-tachycardiestimulatietherapieën Handmatige ATP-therapieën geven één sequentie van de geselecteerde therapie af. Zie Sectie 9.2, VT- en FVT-episodes behandelen met anti-tachycardiestimulatietherapieën, bladzijde 309 voor meer informatie over de werking van ventriculaire Ramp-, Burst- en Ramp+-therapieën. Opmerking: De handmatige atriale Ramp- en Burst+-ATP-therapieën zijn niet beschikbaar als automatische therapieën. Atriale ramp-stimulatietherapie Handmatige atriale ramp-stimulatietherapie geeft het aantal uitgangspulsen af dat wordt aangegeven door de geselecteerde waarde voor #Pulses (Aantal pulsen). Het stimulatie-interval voor de eerste puls van de Ramp-sequentie wordt met behulp van het geselecteerde %AA Interval vastgesteld als percentage van de atrialetachycardie-intervallengte. Iedere volgende puls in de sequentie wordt afgegeven met een progressief kortere interval door van elke puls de geselecteerde intervalverkorting (Dec/Pulse) af te trekken. Atriale Burst+-stimulatietherapie Handmatige atriale Burst+-stimulatietherapie geeft het aantal uitgangspulsen af dat wordt aangegeven door de parameter #S1 Pulses (Aantal S1-pulsen), gevolgd door maximaal 2 extra pulsen. Het stimulatie-interval voor de Burst-sequentie wordt vastgesteld als een percentage van de atrialetachycardie-intervallengte. Alle S1-pulsen worden afgegeven met hetzelfde stimulatie-interval, dat wordt bepaald door de parameter %AA Interval. De eerste extra puls wordt afgegeven met een interval dat wordt bepaald door de S1S2-waarde. Het stimulatie-interval voor de volgende puls wordt berekend door de waarde van S2S3 Dec (S2S3-afname) af te trekken van het vorige interval. Defibrillatie Bij handmatige defibrillatietherapie worden de apparaatcondensatoren opgeladen en wordt een bifasische schok afgegeven, die indien mogelijk wordt gesynchroniseerd met een waargenomen R-top. Het apparaat controleert niet of VF aanwezig blijft voordat de schok wordt afgegeven. Zie Sectie 9.1, Als VF gedetecteerde episodes behandelen, bladzijde 295 voor meer informatie over defibrillatie. Artsenhandleiding 361
362 Ventriculaire cardioversie Handmatige ventriculaire cardioversietherapie laadt de condensatoren op en probeert de schok te synchroniseren met een ventriculair waargenomen event buiten de refractaire periode. Als het apparaat de therapie niet kan synchroniseren, wordt deze afgebroken. Zie Sectie 9.3, VT en FVT behandelen met ventriculaire cardioversie, bladzijde 323 voor meer informatie. Atriale cardioversie Handmatige atrialecardioversietherapie laadt de condensatoren op en probeert de schok te synchroniseren met een ventriculair waargenomen event buiten de refractaire periode. Als het ventriculaire interval korter is dan het geselecteerde R-R-interval, breekt het apparaat de therapie af. Opmerking: Atrialecardioversietherapie is niet beschikbaar als automatische therapie. 362 Artsenhandleiding
363 A Naslagdeel A.1 Uiterlijke kenmerken Tabel 13. Uiterlijke kenmerken Volume a 38 cm 3 Gewicht 68 g H x B x D b 69 mm x 51 mm x 15 mm Oppervlakte van behuizing apparaat 59 cm 2 Röntgenidentificatie PUG Materialen in contact met menselijk Titanium, polyurethaan, siliconenrubber weefsel c Batterij Lithium-zilver-vanadiumoxide a Volume zonder plug in de connectoruitgangen. b Afdichtingen kunnen iets buiten het oppervlak van de behuizing uitsteken. c Deze materialen zijn met succes getest om de mogelijkheid op biologische incompatibiliteit te voorkomen. Het apparaat produceert bij normale werking geen schadelijke temperatuur in het omringende weefsel. Afbeelding 161. Connector en hechtingsopeningen 1 DF-1-connectorpoort, SVC (HVX) 2 DF-1-connectorpoort, RV (HVB) 3 Active Can-elektrode, behuizing (HVA) 4 IS-1-connectorpoort, LV 5 IS-1-connectorpoort, RV Artsenhandleiding 363
364 6 IS-1-connectorpoort, A 7 Hechtingsopeningen A.2 Elektrische specificaties Tabel 14. Eigenschappen van de batterij Fabrikant Medtronic Energy and Component Center Model Chemische samenstelling Lithium-zilver-vanadiumoxide hybride Nominale spanning 3,2 V Gemiddelde capaciteit tot RRT 1,0 Ah Minimale capaciteit na RRT 0,1 Ah Tabel 15. Piekuitgangsspanning van de ICD tijdens afgifte van hogespanningsschok Geprogrammeerde/afgegeven energie Piekspanning voor eerste pulsfase Piekspanning voor tweede pulsfase Minimum: 0,4 J (± 0,25 J) 77 V (± 16%) 39 V (± 30%) Gemiddeld: 18 J (± 20%) 520 V (± 10%) 260 V (± 25%) Maximum: 35 J (± 20%) 722 V (± 10%) 361 V (± 25%) A.2.1 Uitgangssignalen Afbeelding 162. Typische uitgangssignaalvormen 1 Stimulatiesignaal 2 Monofasisch hogespanningssignaal (uitsluitend bij T-Shock-inducties) 3 Bifasisch hogespanningssignaal 364 Artsenhandleiding
365 A.2.2 Meetmethoden Belangrijke parameters als pulsduur en -amplitude en gevoeligheid worden in de fabriek gemeten bij de standaardcondities van 37 C; 60 min -1 ; 3,5 V; 0,4 ms; nominale gevoeligheid en bij 3 belastingen conform EN Pulsduur Pulsduur wordt gemeten bij 1/3 van de piekspanning, in overeenstemming met standaard EN Afbeelding 163. Pulsduurmeting ms 1 Maximale amplitude 2 1/3 maximale amplitude V 3 Pulsduur Amplitude De pulsamplitude is berekend conform standaard EN Artsenhandleiding 365
366 Afbeelding 164. Pulsamplitudemeting D ms F A = F D 15ms Sensitivity (Gevoeligheid) De atriale en ventriculaire gevoeligheid worden gedefinieerd als de spanningsamplitude van een standaard EN testsignaal dat net genoeg is om door het apparaat te worden gedetecteerd. 2ms Afbeelding 165. Gevoeligheidsmeting 1 Amplitude 366 Artsenhandleiding
367 Opmerkingen: Bij het meten van stimulatie- en waarnemingsparameters met behulp van een pacing system analyzer kunnen er aanzienlijke verschillen worden geconstateerd wanneer de resultaten worden vergeleken met de in deze handleiding opgegeven specificaties. De reden hiervoor is dat de meetmethodes van een dergelijk systeem kunnen afwijken van de hier beschreven methodes. De geleidingsdraadimpedantiemetingen kunnen worden vervormd door ECG-bewakingsapparatuur. A.2.3 Temperatuurvariatie De basisfrequentie, de testpulsfrequentie, de pulsduur en de pulsamplitude blijven binnen de verwachte toleranties wanneer de temperatuur van het apparaat tussen 22 C en 45 C ligt. Gevoeligheid onder nominale omstandigheden zoals gemeten bij 37 C kan variëren met ±1% per C van 22 C tot 45 C. A.3 Vervangingsindicatoren Gegevens over de batterijspanning en berichten met betrekking tot de vervangingsstatus worden weergegeven op het scherm van het programmeerapparaat en in de afgedrukte rapporten. De condities voor aanbevolen vervangingstijd (RRT) en einde levensduur (EOS) worden aangegeven in Tabel 16. Tabel 16. Vervangingsindicatoren Aanbevolen vervangingstijd (RRT, Recommended Replacement Time) Einde van de levensduur (EOS, End of Service) 2,63 V bij 3 opeenvolgende dagelijkse automatische metingen 3 maanden na RRT RRT-datum Het programmeerapparaat geeft de datum waarop de batterij RRT heeft bereikt, weer op het scherm Quick Look en Battery and Lead Measurements (Batterij- en geleidingsdraadmetingen). Vervangen bij einde levensduur Als het programmeerapparaat aangeeft dat het einde van de levensduur is bereikt, moet u het apparaat onmiddellijk vervangen. Resterende levensduur De resterende levensduur (PSP) is de tijd tussen de aanbevolen vervangingstijd (RRT) en het einde van de levensduur (EOS). De PSP-apparaatstatus wordt gedefinieerd op 3 maanden, uitgaande van de volgende omstandigheden: 100% DDD-stimulatie bij 60 min -1 ; atriale en RV-stimulatieamplitude van 2,5 V; LV-stimulatieamplitude van 3,0 V; pulsduur van 0,4 ms; stimulatiebelasting van 600 Ω; en 6 maximale energie-opladingen. EOS kan vóór het verstrijken van de 3 maanden worden aangegeven als het apparaat deze condities overschrijdt. Artsenhandleiding 367
368 A.4 Verwachte levensduur De verwachte levensduur van het apparaat in jaren wordt aangegeven in Tabel 17. De gegevens zijn gebaseerd op uitgangspulsen geprogrammeerd op de geprogrammeerde amplitude, een pulsduur van 0,4 ms, 100% biventriculaire stimulatie, het opgegeven percentage atriale stimulatie bij 60 min -1 en een restpercentage atriaal volgen bij 70 min -1. Bij de schatting van de verwachte levensduur wordt ervan uitgegaan dat automatische condensatorformattering de standaardinstelling is. Als richtlijn kan worden aangehouden dat elke maximale energieoplading de verwachte levensduur van het apparaat met ongeveer 25 dagen verkort. De levensduur van het apparaat is afhankelijk van de programmering van bepaalde functies, zoals EGM-opslag vóór aanvang van de aritmie. Zie Sectie 5.11, De levensduur van het apparaat optimaliseren, bladzijde 168 voor meer informatie. De volgende schattingen van de verwachte levensduur zijn gebaseerd op versnelde batterijontladingsgegevens en rekenmodellen zoals aangegeven. Deze waarden moeten niet worden geïnterpreteerd als exacte cijfers. Tabel 17. Verwachte levensduur in jaren Percentage stimulatie DDD, 0% 0% atriaal 100% biventriculair DDD, 15% 15% atriaal 100% biventriculair DDD, 50% 50% atriaal 100% biventriculair Maximale energieopladingsfrequentie a Vóór aanvang van de aritmie EGMopslag b 500 Ω stimulatieimpedantie 600 Ω stimulatie-impedantie 900 Ω stimulatie-impedantie 2,5 V c 3,5 V d 2,5 V c 3,5 V d 2,5 V c 3,5 V d Elk halfjaar Off (Uit) 5,8 4,5 6,0 4,8 6,5 5,5 Elk kwartaal Off (Uit) 5,3 4,2 5,5 4,5 5,9 5,0 Elk halfjaar On (Aan) 5,7 4,4 5,9 4,7 6,4 5,4 Elk kwartaal On (Aan) 5,2 4,2 5,4 4,4 5,8 5,0 Elk halfjaar Off (Uit) 5,7 4,5 6,0 4,8 6,5 5,4 Elk kwartaal Off (Uit) 5,3 4,2 5,5 4,4 5,9 5,0 Elk halfjaar On (Aan) 5,6 4,4 5,9 4,7 6,3 5,3 Elk kwartaal On (Aan) 5,2 4,1 5,4 4,4 5,8 4,9 Elk halfjaar Off (Uit) 5,6 4,3 5,9 4,6 6,4 5,3 Elk kwartaal Off (Uit) 5,2 4,0 5,4 4,3 5,8 4,9 Elk halfjaar On (Aan) 5,5 4,2 5,8 4,5 6,3 5,2 Elk kwartaal On (Aan) 5,1 4,0 5,3 4,2 5,7 4,8 368 Artsenhandleiding
369 Tabel 17. Verwachte levensduur in jaren (vervolg) Percentage stimulatie Maximale energieopladingsfrequentie a Vóór aanvang van de aritmie EGMopslag b 500 Ω stimulatieimpedantie 600 Ω stimulatie-impedantie 900 Ω stimulatie-impedantie 2,5 V c 3,5 V d 2,5 V c 3,5 V d 2,5 V c 3,5 V d Elk halfjaar Off (Uit) 5,5 4,1 5,7 4,4 6,3 5,1 Elk kwartaal Off (Uit) 5,1 3,9 5,3 4,1 5,7 4,7 Elk halfjaar On (Aan) 5,4 4,0 5,6 4,3 6,2 5,0 Elk kwartaal On (Aan) 5,0 3,8 5,2 4,0 5,6 4,7 a De maximale energieopladingsfrequentie kan therapieschokken met maximale energie of condensatorformatteringen omvatten. Additionele maximale energieopladingen als gevolg van therapieschokken, apparaattests of condensatorformatteringen verkorten de levensduur met ongeveer 25 dagen (0,07 jaar). b De gegevens die worden verstrekt voor de programmering van EGM-opslag vóór aanvang van de aritmie op On (Aan) zijn gebaseerd op een periode van 6 maanden (twee follow-up-intervallen van 3 maanden) van de levensduur van het apparaat. Langer gebruik van de functie EGM-opslag vóór aanvang van de aritmie beperkt de verwachte levensduur met ongeveer 17% of 2,0 maanden per jaar. c A- en RV-amplitude bij 2,5 V, LV-amplitude bij 3,0 V. d A- en RV-amplitude bij 3,5 V, LV-amplitude bij 4,0 V. Opmerking: Deze verwachtingen zijn gebaseerd op een gebruikelijke opslagduur. In het ergste geval (een opslagduur van 18 maanden) neemt de levensduur met ongeveer 7,2% af. A.5 Energieniveaus en typische oplaadtijden Opgeslagen energie is altijd groter dan afgegeven energie. Opgeslagen energie wordt afgeleid van de piekcondensatoroplading. Tabel 18 bevat een vergelijking van de geprogrammeerde energieniveaus die worden afgegeven door het apparaat en de energieniveaus die vóór afgifte door het apparaat in de condensatoren worden opgeslagen. Ook worden hier de oplaadtijden weergegeven die zijn gekoppeld aan de afgegeven en opgeslagen energie. Tabel 18. Geprogrammeerde/afgegeven a en opgeslagen b energieniveaus met oplaadtijden c Energie Energie DDD, 100% 100% atriaal 100% biventriculair Geprogrammeerd/afgegeven a Opgeslagen b Oplaadtijd c Geprogrammeerd/afgegeven a Opgeslagen b 35 J 39 J 7,7 s 9 J 10 J 2,0 s 32 J 36 J 7,0 s 8 J 9,1 J 1,8 s 30 J 34 J 6,6 s 7 J 8,1 J 1,5 s 28 J 32 J 6,2 s 6 J 6,9 J 1,3 s Oplaadtijd c Artsenhandleiding 369
370 Tabel 18. Geprogrammeerde/afgegeven a en opgeslagen b energieniveaus met oplaadtijden c (vervolg) Energie Energie Geprogrammeerd/afgegeven a Opgeslagen b Oplaadtijd c Geprogrammeerd/afgegeven a Opgeslagen b 26 J 29 J 5,7 s 5 J 5,7 J 1,1 s 25 J 28 J 5,5 s 4 J 4,6 J 0,9 s 24 J 27 J 5,3 s 3 J 3,5 J 0,7 s 22 J 25 J 4,8 s 2 J 2,3 J 0,4 s 20 J 23 J 4,4 s 1,8 J 2,1 J 0,4 s 18 J 20 J 4,0 s 1,6 J 1,9 J 0,4 s 16 J 18 J 3,5 s 1,4 J 1,7 J 0,3 s 15 J 17 J 3,3 s 1,2 J 1,5 J 0,3 s 14 J 16 J 3,1 s 1,0 J 1,2 J 0,2 s 13 J 15 J 2,9 s 0,8 J 0,9 J 0,2 s 12 J 14 J 2,6 s 0,6 J 0,7 J 0,1 s 11 J 13 J 2,4 s 0,4 J 0,5 J 0,1 s 10 J 11 J 2,2 s Oplaadtijd c a Energie afgegeven bij connectorblok bij een belasting van 75 Ω. b Energie opgeslagen op condensator bij einde van opladen. c Typische oplaadtijd bij een volle batterij (BOS), met volledig geformatteerde condensatoren, afgerond op de dichtstbijzijnde tiende seconde. De meest recente condensatoroplaadtijd verschijnt op het display van het programmeerapparaat en in afgedrukte rapporten. Zie Tabel 19 voor typische oplaadtijdwaarden bij BOS en RRT. U kunt de oplaadtijd evalueren met behulp van de test laden/ontladen. Tabel 19. Typische maximale oplaadtijden met volledig geformatteerde condensatoren Bij Beginning of Service (BOS, een volle batterij) Bij Recommended Replacement Time (RRT, de aanbevolen vervangingstijd) 7,7 s 9,3 s A.6 Magneetoplegging Wanneer een magneet bij het apparaat wordt geplaatst, wordt de tachycardiedetectie onderbroken en worden geen tachycardietherapieën afgegeven. Medtronic CareAlert-tonen zijn hoorbaar als deze zijn geprogrammeerd. Het apparaat negeert de magneet in de programmeerkop wanneer telemetriecommunicatie tot stand wordt gebracht via de programmeerkop. 370 Artsenhandleiding
371 A.7 Opgeslagen gegevens en diagnostieken Tabel 20. Opslag van aritmie-episodegegevens Type episode Logboek van behandelde VT/VF-episodes Behandelde VT/VF-episode-EGM s, markers en intervallen Logboek van bewaakte VT-episodes Bewaakte VT-episode-EGM s, markers en intervallen Logboek van non-sustained VT-episodes Non-sustained VT-episode-EGM s, markers en intervallen Logboek van bewaakte AT/AF-episodes Bewaakte AT/AF-episode-EGM s, markers en intervallen SVT-episodelogboek SVT-episode-EGM s, markers en intervallen Logboek van ventriculairewaarnemingsepisodes, markers en intervallen Logboek van door de patiënt geactiveerde episodes Flashback-intervalgegevens vóór elk van de volgende events: Uitlezing VT-episode VF-episode AT/AF-episode Capaciteit 100 registraties 10 min 15 registraties 2,5 min 15 registraties 2 min 50 registraties 3 min 25 registraties 2,5 min 8 registraties 50 registraties 2000 events (omvat zowel A- als V-events) Tabel 21. VT/VF-episodetellers De VT/VF-episodetellers worden bijgehouden voor de huidige follow-up-sessie en de voorgaande follow-up-sessie. Tellingen per type VT/VF-episode VF FVT VT Bewaakt VT VT-NS (>4 slagen) PVC-runs (2 4 slagen) Enkele PVC s Runs van VRS-uitgangspulsen Enkele VRS-uitgangspulsen Artsenhandleiding 371
372 Tabel 21. VT/VF-episodetellers (vervolg) Tellingen van elk SVT-episodetype (VT/VF-therapie tegengehouden) AFib/AFlutter Sinus Tach (Sinustachycardie) Andere 1:1-SVT s V-stabiliteit Onset Tabel 22. VT/VF-therapietellers De VT/VF-therapietellers worden bijgehouden voor de huidige follow-up-sessie en de voorgaande follow-up-sessie. VT/VF-therapieoverzichtstellers Door stimulatie beëindigd VT/VF-therapie-effectiviteitstellers Tabel 23. AT/AF-episodetellers Door schok beëindigd Totaal aantal VT/VF-schokken Afgebroken opladingen Voor VF Rx1 Rx6 en ATP tijdens/vóór opladen: Afgegeven Geslaagd Voor FVT Rx1 Rx6: Afgegeven Geslaagd Versneld Voor VT Rx1 Rx6: Afgegeven Geslaagd Versneld De AT/AF-episodetellers worden bijgehouden voor de huidige follow-up-sessie en de voorgaande follow-up-sessie. AT/AF-overzichtsgegevens Percentage tijd in AT/AF Gemiddelde tijd in AT/AF per dag Bewaakte AT/AF-episodes % tijd atriale stimulatie AT-NS (>6 slagen) 372 Artsenhandleiding
373 Tabel 24. Batterij- en geleidingsdraadmeetgegevens Het apparaat bewaakt gedurende de levensduur van het apparaat automatisch en continu de batterij en de geleidingsdraadstatus. U kunt de volgende gegevens afdrukken en weergeven: Batterijspanning Meest recente condensatorformattering Oplaadtijd Energy (Energie) Meest recente oplading Oplaadtijd Energy (Energie) Waarnemingsintegriteitsteller Korte V-V-intervallen Geleidingsdraadimpedantie A-stimulatie RV-stimulatie LV-stimulatie RV-defib SVC-defib Waarneming P-top-amplitude R-top-amplitude Meest recente hogespanningstherapie Gemeten impedantie Afgegeven energie Signaal Stroomrichting Artsenhandleiding 373
374 Tabel 25. Geleidingsdraadprestatietrendgegevens Het apparaat slaat gedurende 14 dagen dagelijkse metingen op. Na 14 dagen wordt iedere week gegevens tot maximaal 80 weken gecomprimeerd tot een wekelijks monster. Na 82 weken worden de gegevens die het eerst zijn verzameld, het eerst verwijderd. Geleidingsdraadimpedantiemetingen A-stimulatie-impedantie RV-stimulatie-impedantie LV-stimulatie-impedantie Defib-impedantie RV SVC P/R-top-amplitude P-top R-top Tabel 26. Cardiac Compass-trendgegevens Cardiac Compass-trendgegevens zijn alleen beschikbaar als afgedrukt rapport. Het rapport bevat maximaal 14 maanden aan klinische langetermijntrends. Elk rapport omvat de volgende gegevens: Events die betrekking hebben op programmeren, uitlezen en externe sessies, met datum en codes voor de events Eén of meer schokken per dag Behandelde VT/VF-episodes per dag Ventriculaire frequentie tijdens VT/VF Non-sustained (niet-aanhoudende) VT-episodes per dag Totale AT/AF-tijd in minuten of uren per dag Ventriculaire frequentie tijdens AT/AF Stimulatiepercentage per dag Gemiddelde ventriculaire frequentie (dag- en nachtfrequenties) Patiëntactiviteit Hartfrequentievariabiliteit 374 Artsenhandleiding
375 Tabel 27. Frequentiehistogrammenrapport Frequentiehistogramgegevens zijn alleen beschikbaar als afgedrukt rapport. Het rapport toont de distributie van atriale en ventriculaire frequenties die zijn geregistreerd sinds de laatste patiëntsessie en in de periode vóór de laatste sessie. De histogrammen tonen het percentage van AS-VS-events de totale tijd dat werd gestimuleerd of waargenomen voor de volgende event-sequenties: AS-VP-events a AP-VS-events AP-VP-events VP VSR-stimulatiepuls VS De histogrammen tonen de frequentiedistributie van gestimuleerde en waargenomen events voor de volgende omstandigheden: Atriale frequentie b Ventriculaire frequentie a Als de geprogrammeerde stimulatiemodus tijdens de rapportageperiode een tweekamermodus was, bevat het rapport de AS-VS-, AS-VP-, AP-VS- en AP-VP-eventsequentiegegevens. Als een eenkamermodus geprogrammeerd was, bevat het rapport het percentage van de tijd die werd gebruikt voor stimulatie en voor waarneming. b Als meer dan 2% van de atriale waargenomen events wordt geïdentificeerd als far-field-r-toppen dan wordt het algemene percentagebereik ( 2% tot 5% of >5% ) boven het atrialefrequentiehistogram aangegeven. Tabel 28. Medtronic CareAlert-eventgegevens Apparaat- en bewakingsalarmen kunnen Medtronic CareAlert-meldingen triggeren. Elk CareAlertlogboekvermelding omvat de volgende gegevens: Datum waarop het event voor het eerst is opgetreden (sinds de meest recente uitlezing) Beschrijving van het event waardoor het Medtronic CareAlert-alarm is getriggerd Geprogrammeerde drempelwaarde voor het Medtronic CareAlert-alarm (indien van toepassing) Artsenhandleiding 375
376 B Apparaatparameters B.1 Emergency-instellingen Tabel 29. Emergency-instellingen en standaardwaarden Parameter Selecteerbare waarden Defibrillatie Energy (Energie) 0,4; 0,6 1,8; 2; 3 16; 18; 20; 22; 24; 25; 26; 28; 30; 32; 35 J Pathway (Stroomrichting) a B>AX Cardioversie Energy (Energie) 0,4; 0,6 1,8; 2; 3 16; 18; 20; 22; 24; 25; 26; 28; 30; 32; 35 J Pathway (Stroomrichting) a B>AX Vaste Burst Interval 100; ms RV Amplitude (RV. amplitude) 8 V RV Pulse Width (RV. pulsduur) 1,5 ms V. Pacing (V. stimulatie) RV VVI-stimulatie V. Pacing (V. stimulatie) RV Pacing Mode (Stimulatiemodus) VVI Lower Rate (Onderfrequentie) 70 min -1 RV Amplitude b (RV. amplitude) 6 V RV Pulse Width (RV. pulsduur) b 1,5 ms V. Blank Post VP (Ventriculaire blanking na ventriculaire 240 ms puls) V. Rate Stabilization (V-frequentiestabilisatie) Off (Uit) V. Sense Response (V-waarnemingsrespons) Off (Uit) a Als de parameter Active Can/SVC Coil (SVC-defibrillatie-elektrode) op Can Off (Can uit) geprogrammeerd is, wordt de HVA (Can)-elektrode niet gebruikt als onderdeel van de hoge-spanningsstroomafgifterichting. Als de parameter Active Can/SVC Coil (SVC-defibrillatie-elektrode) op SVC Off (SVC uit) geprogrammeerd is, wordt de HVX (SVC)-elektrode niet gebruikt als onderdeel van de hoge-spanningsstroomafgifterichting. b Als de geprogrammeerde RV. amplitude 8 V is, wordt VVI-stimulatie afgegeven met 8 V en een pulsduur van 1,2 ms. 376 Artsenhandleiding
377 B.2 Tachycardiedetectieparameters Tabel 30. Tachycardiedetectieparameters Parameter Programmeerbare waarden Fabriek Reset AT/AF Detection (AT/AFdetectie) AT/AF Interval (Rate) (AT/AF-interval [Frequentie]) a VF Detection (VF-detectie) VF Interval (Rate) (VF-interval [Frequentie]) a VF Initial Beats to Detect (Oorspronkelijk aantal te detecteren VF-slagen) VF Beats to Redetect (Aantal te herdetecteren VF-slagen) FVT Detection (FVT-detectie) FVT Interval (Rate) (FVT-interval [Frequentie]) a VT Detection (VT-detectie) VT Interval (Rate) (VT-interval [Frequentie]) a VT Initial Beats to Detect (Oorspronkelijk aantal te detecteren VT-slagen) VT Beats to Redetect (Aantal te herdetecteren VT-slagen) VT Monitor (VT-bewaking) VT Monitor Interval (Rate) (VT-bewakingsinterval [Frequentie]) a VT Monitored Beats to Detect (Aantal bewaakte te detecteren VT-slagen) Bewaken (vast) Bewaking Bewaking 150; ms 350 ms 350 ms On (Aan) ; OFF (Uit) OFF (Uit) On (Aan) 240; ms 320 ms 320 ms 12/16; 18/24 ; 24/32; 30/40; 45/60; 60/80; 75/100; 90/120; 105/140; 120/160 6/8; 9/12; 12/16 ; 18/24; 21/28; 24/32; 27/36; 30/40 18/24 18/24 12/16 12/16 OFF (Uit) ; via VF; via VT OFF (Uit) OFF (Uit) 200; ms On (Aan); OFF (Uit) OFF (Uit) OFF (Uit) 280; ms 360 ms 400 ms 12; 16 52; 76; ; 8; Monitor (Bewaking) ; Off (Uit) Off (Uit) Off (Uit) 280; ms 450 ms 450 ms 16; 20 56; 80; 110; AF/Afl (AF/A-flutter) b On (Aan) ; Off (Uit) Off (Uit) Off (Uit) Artsenhandleiding 377
378 Tabel 30. Tachycardiedetectieparameters (vervolg) Parameter Programmeerbare waarden Fabriek Reset 650 ms Sinus Tach (Sinustachycardie) On (Aan) ; Off (Uit) Off (Uit) Off (Uit) b Other 1:1 SVTs (Andere On (Aan); Off (Uit) Off (Uit) Off (Uit) 1:1-SVT s) SVT V. Limit (Minimum 240; ms 320 ms SVT V-interval) a Stability (Stabiliteit) a Off (Uit) ; 30; ms Off (Uit) Off (Uit) Onset Off (Uit) ; On (Aan); Monitor (Bewaking) Off (Uit) Off (Uit) Onset Percent (Onsetpercentage) 72; 75; 78; 81 ; 84; 88; 91; 94; 97% 81% 81% High Rate Timeout (Maximale tijdsduur voor SVT-criteria) High Rate Timeout Therapy (Therapie Maximale tijdsduur voor SVT-criteria) Off (Uit) ; 0,5; 1 5; 6; 7; 8 20; 22; 24; 26; 28; 30 min Zone Appropriate (Toepasselijk voor zone); Skip to VF Therapy (Ga naar VF-therapie) 1,20; RV Sensitivity 0,15; 0,30 ; 0,45; 0,60; 0,90; (RV-gevoeligheid) c, d 1,20 mv Atrial Sensitivity (Atriale 0,15; 0,30 ; 0,45; 0,60; 0,90; gevoeligheid) c, d 1,50; 1,80; 2,10; 4,00 mv Off (Uit) Zone Appropriate (Toepasselijk voor zone) Off (Uit) 0,3 mv 0,3 mv 0,3 mv 0,3 mv Zone Appropriate (Toepasselijk voor zone) a De gemeten intervallen worden naar beneden afgerond op een veelvoud van 10 ms (bijvoorbeeld 457 ms wordt 450 ms). Het apparaat gebruikt dit afgeronde interval bij het toepassen van de geprogrammeerde criteria en bij het berekenen van de intervalgemiddelden. b Het apparaat wordt geleverd met de sinustachycardie- en AF/Afl-criteria op Off (Uit). Wanneer VT-detectie echter op On (Aan) of VT-bewaking op Monitor (Bewaking) wordt ingesteld, worden deze criteria automatisch ingesteld op On (Aan). c Deze instelling geldt voor alle waarnemingen in deze kamer, voor zowel tachycardiedetectie als antibradycardiestimulatie. d Onderzoek zorgvuldig de mogelijkheid van verhoogde gevoeligheid voor EMI en oversensing voordat de waarnemingsdrempel op het minimum van 0,15 mv (het gevoeligst) wordt ingesteld. Wanneer de gevoeligheid van het apparaat voor gemoduleerde interferentie wordt getest volgens de condities die worden aangegeven bij de CENELEC-norm EN :2008 clausule dan kan het apparaat de interferentie waarnemen als de waarnemingsdrempel is geprogrammeerd op een minimumwaarde van 0,15 mv. Het apparaat voldoet aan de vereisten van sectie wanneer de waarnemingsdrempel is geprogrammeerd op een waarde van 0,3 mv of hoger. 378 Artsenhandleiding
379 B.3 Ventriculaire-tachycardietherapieparameters Tabel 31. Ventriculaire-tachycardietherapieparameters Parameter Programmeerbare waarden Fabriek Reset VF-therapieparameters VF Therapy Status (VF-therapiestatus) On (Aan) ; Off (Uit) On (Aan) On (Aan) Energy (Energie) a 0,4; 0,6 1,8; 2; 3 16; 18; 20; 22; 35 J 35 J 24; 25; 26; 28; 30; 32; 35 J Pathway (Stroomrichting) b AX>B; B>AX Rx1 Rx4: B>AX Rx5 Rx6: AX>B B>AX B>AX ATP Off (Uit); During Charging (Tijdens opladen); Before Charging (Vóór opladen) Deliver ATP if last 8 R-R >= (ATP afgeven als laatste 8 R-R>=) Therapy Type (Soort therapie) ChargeSaver (Oplaadbesparing) Switch when number of consecutive ATP successes equals (Omschakelen wanneer aantal opeenvolgende geslaagde ATP gelijk is aan) Smart Mode ("Smart"- modus) VT/FVT-therapieparameters VT Therapy Status (VT-therapiestatus) FVT Therapy Status (FVT-therapiestatus) Therapy Type (Soort therapie) During Charging (Tijdens opladen) Off (Uit) 200; ms 240 ms 240 ms Burst ; Ramp; Ramp+ Burst Burst On (Aan) ; Off (Uit) On (Aan) On (Aan) 1 ; 2; 3; 4; 6; 8; On (Aan) ; Off (Uit) On (Aan) On (Aan) On (Aan); Off (Uit) Off (Uit) Off (Uit) On (Aan); Off (Uit) Off (Uit) Off (Uit) CV; Burst; Ramp; Ramp+ Rx1: Burst Rx2 Rx6: CV Energy (Energie) 0,4; 0,6 1,8; 2; 3 16; 18; 20; 22; 24; 25; 26; 28; 30; 32; 35 J VT Rx1 Rx2: 20 J VT Rx3 Rx6: 35 J FVT Rx1 Rx6: 35 J Artsenhandleiding 379
380 Tabel 31. Ventriculaire-tachycardietherapieparameters (vervolg) Parameter Programmeerbare waarden Fabriek Reset Pathway (Stroomrichting) b Burst-therapieparameters Initial # Pulses (Oorspronkelijk aantal pulsen) R-S1 Interval=(%RR) (R-S1-interval=[%RR]) Interval Dec (Intervalverkorting) # Sequences (Aantal sequenties) AX>B; B>AX Rx1 Rx4: B>AX Rx5 Rx6: AX>B 1; VF Rx1: 8 Overige: 50; 53; 56; 59; 63; 66 84; 88 ; 91; 94; 97% VF Rx1: 88% Overige: 0; ms VF Rx1: 10 ms Overige: 1; 2 10 VT-therapieën: 3 FVT-therapieën: 1 VF Rx1: 1 Overige: On (Aan); Off (Uit) VF Rx1: On Smart Mode (Smartmodus) c (Aan) Overige: Ramp-therapieparameters Initial # Pulses (Oorspronkelijk aantal pulsen) 1; R-S1 Interval=(%RR) (R-S1-interval=[%RR]) Interval Dec (Intervalverkorting) # Sequences (Aantal sequenties) 50; 53; 56; 59; 63; 66 84; 88; 91 ; 94; 97% 0; ms 1; 2 10 VT-therapieën: 3 FVT-therapieën: 1 Smart Mode (Smartmodus) On (Aan); Off (Uit) c Ramp+-therapieparameters Initial # Pulses (Oorspronkelijk aantal pulsen) 1; 2; 3 15 R-S1 Interval=(%RR) (R-S1-interval=[%RR]) 50; 53; 56; 59; 63; ; 88; 91; 94; 97% S1S2 (Ramp+)=(%RR) 50; 53; 56; 59; 63; 66; 69 84; 88; 91; 94; 97% S2SN (Ramp+)=(%RR) 50; 53; 56; 59; 63; 66 84; 88; 91; 94; 97% # Sequences (Aantal sequenties) 1; 2 10 VT-therapieën: 3 FVT-therapieën: Artsenhandleiding
381 Tabel 31. Ventriculaire-tachycardietherapieparameters (vervolg) Parameter Programmeerbare waarden Fabriek Reset Smart Mode (Smartmodus) On (Aan); Off (Uit) c Shared Settings (Gedeelde instellingen) V-V Minimum ATP 150; ms 200 ms 200 ms Interval (V-V minimum ATP-interval) V. Amplitude (V-amplitude) 1; 2 6; 8 V 8 V 8 V V. Pulse Width (V-pulsduur) 0,1; 0,2 1,5 ms 1,5 ms 1,5 ms V. Pace Blanking 170; ms 240 ms 240 ms (V-blanking na een uitgangspuls) V. Pacing (V-stimulatie) e RV ; RV+LV; LV RV RV Active Can/SVC Coil (SVC-defibrillatie-elektrode) d Progressive Episode Therapies (Progressieve therapieafgifte) Can+SVC On ; Can Off; SVC Off (Can+SVC aan; Can uit; SVC uit) Can+SVC On (Can+SVC aan) Can+SVC On (Can+SVC aan) On (Aan); Off (Uit) Off (Uit) Off (Uit) Auto Cap Formation (Automatische condensatorformattering) Minimum Auto Cap formation Interval (Minimuminterval voor automatische condensatorformattering) Auto ; 1; 2 6 months (maanden) Auto Auto a Voor de automatische therapieën 3, 4, 5 of 6 moet de energie minstens 10 J zijn. b Als de parameter Active Can/SVC Coil (SVC-defibrillatie-elektrode) op Can Off (Can uit) geprogrammeerd is, wordt de HVA (Can)-elektrode niet gebruikt als onderdeel van de hoge-spanningsstroomafgifterichting. Als de parameter Active Can/SVC Coil (SVC-defibrillatie-elektrode) op SVC Off (SVC uit) geprogrammeerd is, wordt de HVX (SVC)-elektrode niet gebruikt als onderdeel van de hoge-spanningsstroomafgifterichting. c "Smart"-modus is alleen beschikbaar voor Rx1 Rx4. d De parameter Active Can/SVC Coil (SVC-defibrillatie-elektrode) is van toepassing op alle automatische, handmatige en emergency-hogespanningstherapieën. Deze is ook van toepassing op T-Shock-inducties. e Als RV+LV geselecteerd is, wordt de ATP-therapie afgegeven van LV RV met een vertraging van 2,5 ms. Artsenhandleiding 381
382 B.4 Stimulatieparameters Tabel 32. Modusfrequenties en intervallen Parameter Programmeerbare waarden Fabriek Reset Mode (Modus) DDDR; DDD ; DDIR; DDI; AAIR; AAI; DDD VVI VVIR; VVI; DOO; AOO; VOO; ODO Mode-switch On (Aan) ; Off (Uit) On (Aan) Off (Uit) Lower Rate (Onderfrequentie) Upper Tracking Rate (Maximale volgfrequentie) Paced AV (Gestimuleerd AV) Sensed AV (Waargenomen AV) 30; ; 55; 60; 70; min min min -1 (±2 min -1 ) 80; min -1 (±2 min -1 ) 130 min min -1 30; ms (±4 ms) 130 ms 180 ms 30; ms (+30; 2 ms) 100 ms 150 ms PVARP Auto ; 150; ms (+5; 30 ms) Minimum PVARP (Minimum-PVARP) A. Refractory Period (A-refractaire periode) Tabel 33. Atriale parameters 150; ms (+5; 30 ms) 150; ms (+5; 30 ms) Auto Auto 250 ms 250 ms 310 ms 310 ms Parameter Programmeerbare waarden Fabriek Reset ms ms Atrial Amplitude (Atriale 0,5; 0,75 3,5 5; 5,5; 6; 8 V 3,5 V 4 V amplitude) a Atrial Pulse Width (Atriale 0,03; 0,06; 0,1; 0,2; 0,3; 0,4 1,5 0,4 ms 0,4 pulsduur) b Atrial Sensitivity (Atriale gevoeligheid) c,d 0,15 mv (±75%); 0,3 ; 0,45; 0,6 mv (±50%); 0,3 mv 0,3 mv 0,9; 1,2; 1,5; 1,8; 2,1; 4,0 mv (±30%) a Bij testen volgens de CENELEC-norm EN :2003, wordt de tolerantie (+40%/-30% voor spanningen minder dan 2,0, en ±30% voor spanningen groter dan of gelijk aan 2,0) niet op de geprogrammeerde instelling toegepast, maar op de berekende amplitude A. Dit hangt af van de geprogrammeerde amplitude A p en de geprogrammeerde pulsduur W p : A = A p x [0,9 (W p x 0,145 ms -1 )] b Bij testen volgens de CENELEC-norm EN :2003 is de gemeten pulsduur W afhankelijk van de belasting "Rload" (in Ohm) en de geprogrammeerde pulsduur W p (in seconden): W W p + 34 µs en W de kleinste van (W p - 16 µs) en (124 µs + (4 µs x Rload)). c Deze instelling geldt voor alle waarnemingen in deze kamer, voor zowel tachycardiedetectie als antibradycardiestimulatie. d Met een sinus 2 -signaal van 20 ms. Bij gebruik van het CENELEC-signaal is de vastgestelde waarde van de waarnemingsdrempel 1,4 maal zo groot als de gemeten sinus 2 -waarnemingsdrempel. 382 Artsenhandleiding
383 Tabel 34. RV. parameters Parameter Programmeerbare waarden Fabriek Reset ms ms RV Amplitude (RV. amplitude) 0,5; 0,75 3,5 5; 5,5; 6; 8 V 3,5 V 6 V a RV Pulse Width (RV. 0,03; 0,06; 0,1; 0,2; 0,3; 0,4 1,5 0,4 ms 1,5 pulsduur) b RV Sensitivity (RV. gevoeligheid) c,d 0,15 mv (±75%); 0,3 ; 0,45; 0,6 mv (±50%); 0,9; 1,2 mv (±30%) 0,3 mv 0,3 mv RV Sense Polarity (RV-waarnemingspolariteit) Bipolar (Bipolair); Tip/Coil (Tip/defibrillatie-elektrode) Bipolar (Bipolair) Bipolar (Bipolair) a Bij testen volgens de CENELEC-norm EN :2003, wordt de tolerantie (+40%/-30% voor spanningen minder dan 2,0, en ±30% voor spanningen groter dan of gelijk aan 2,0) niet op de geprogrammeerde instelling toegepast, maar op de berekende amplitude A. Dit hangt af van de geprogrammeerde amplitude A p en de geprogrammeerde pulsduur W p : A = A p x [0,9 (W p x 0,145 ms -1 )] b Bij testen volgens de CENELEC-norm EN :2003 is de gemeten pulsduur W afhankelijk van de belasting "Rload" (in Ohm) en de geprogrammeerde pulsduur W p (in seconden): W W p + 34 µs en W de kleinste van (W p - 16 µs) en (124 µs + (4 µs x Rload)). c Met een sinus 2 -signaal van 40 ms. Bij gebruik van het CENELEC-signaal is de vastgestelde waarde van de waarnemingsdrempel 1,5 maal zo groot als de gemeten sinus 2 -waarnemingsdrempel. d Deze instelling geldt voor alle waarnemingen in deze kamer, voor zowel tachycardiedetectie als antibradycardiestimulatie. Tabel 35. LV-parameters Parameter Programmeerbare waarden Fabriek Reset 1,5 ms ms ms LV Amplitude (LV-amplitude) 0,5; 0,75 4 5; 5,5; 6; 8 V 4 V 6 V a LV Pulse Width (LV-pulsduur) 0,03; 0,06; 0,1; 0,2; 0,3; 0,4 0,4 1,5 b LV Pace Polarity (LV-stimulatiepolariteit) LVtip to RVcoil (LVtip - RV-defibrillatieelektrode); LVring to RVcoil (LVring - RV-defibrillatie-elektrode); LVtip to LVring (LVtip - LVring) LVtip to RVcoil (LV-tip - RV-defibrillatie-elektrode) V. Pacing (V-stimulatie) RV; RV LV; LV RV LV RV RV V-V Pace Delay (V-V-stimulatievertraging) 0 ; ms 0 ms 0 ms LVtip to RVcoil (LV-tip - RV-defibrillatie-elektrode) a Bij testen volgens de CENELEC-norm EN :2003, wordt de tolerantie (+40%/-30% voor spanningen minder dan 2,0, en ±30% voor spanningen groter dan of gelijk aan 2,0) niet op de geprogrammeerde instelling toegepast, maar op de berekende amplitude A. Dit hangt af van de geprogrammeerde amplitude A p en de geprogrammeerde pulsduur W p : A = A p x [0,9 (W p x 0,145 ms -1 )] b Bij testen volgens de CENELEC-norm EN :2003 is de gemeten pulsduur W afhankelijk van de belasting "Rload" (in Ohm) en de geprogrammeerde pulsduur W p (in seconden): W W p + 34 µs en W de kleinste van (W p - 16 µs) en (124 µs + (4 µs x Rload)). Artsenhandleiding 383
384 Tabel 36. Blankingperioden Parameter Programmeerbare waarden Fabriek Reset PVAB Interval (PVABinterval) PVAB Method (PVABmethode) A. Blank Post AP (Atriale blanking na atriale puls) A. Blank Post AS (Atriale blanking na atriale waarneming) V. Blank Post VP (Ventriculaire blanking na ventriculaire puls) V. Blank Post VS (Ventriculaire blanking na ventriculaire waarneming) 10; ms 150 ms 150 ms Partial (Gedeeltelijk) ; Partial+ Partial Partial (Gedeeltelijk+); Absolute (Absoluut) (Gedeeltelijk) (Gedeeltelijk) 150; ms 200 ms 240 ms 100 ; ms 100 ms 100 ms 170; ms 200 ms 240 ms 120 ; ms 120 ms 120 ms Tabel 37. Rate Response (Frequentierespons)-stimulatieparameters Parameter Programmeerbare waarden Fabriek Reset Upper Sensor Rate (Maximale sensorfrequentie) ADL Rate (ADL-frequentie) Rate Profile Optimization (Optimalisatie van het frequentieprofiel) ADL Response (ADL-respons) Exertion Response (Inspanningsrespons) Activity Threshold (Activiteitsdrempel) Activity Acceleration (Activiteitsacceleratie) Activity Deceleration (Activiteitsdeceleratie) ADL Setpoint (Instelwaarde van de ADL) UR Setpoint (Instelwaarde van de maximale frequentie) 80; min -1 (±2 min -1 ) 120 min min -1 60; min -1 (±2 min -1 ) 95 min min -1 On (Aan) ; Off (Uit) On (Aan) Off (Uit) 1; 2; 3 ; 4; ; 2; 3 ; 4; Low (Laag); Medium Low (Medium laag); Medium High (Medium hoog); High (Hoog) Medium low (Medium laag) 15; 30 ; 60 s 30 s 30 s Medium low (Medium laag) Exercise (Inspanning) ; 2,5; 5; 10 min Exercise 5 min (Inspanning) 5; 6 40; ; 16 40; 42 80; Artsenhandleiding
385 Tabel 38. Frequentieadapterende AV-parameters Parameter Programmeerbare waarden Fabriek Reset Rate Adaptive AV (Frequentieadapterend AV) Start Rate (Beginfrequentie) Stop Rate (Stopfrequentie) Minimum Paced AV (Minimum PAV) Minimum Sensed AV (Minimum SAV) Tabel 39. V-waarnemingsresponsparameters Off (Uit); On (Aan) On (Aan) On (Aan) 50; min min min -1 55; min min min -1 30; ms 100 ms 140 ms 30; ms 70 ms 110 ms Parameter Programmeerbare waarden Fabriek Reset V. Sense Response (V-waarnemingsrespons) Maximum Rate (Maximale frequentie) Tabel 40. Doorgeleide AF-responsparameters On (Aan) ; Off (Uit) On (Aan) Off (Uit) 95; min min min -1 Parameter Programmeerbare waarden Fabriek Reset Conducted AF Response (Doorgeleide AF-respons) Response Level (Responsniveau) Maximum Rate (Maximale frequentie) On (Aan) ; Off (Uit) On (Aan) Off (Uit) Low (Laag); Medium (Midden) ; High Medium (Middenden) Medium (Mid- (Hoog) 80; min min min -1 Tabel 41. Ventriculaire-frequentiestabilisatieparameters Parameter Programmeerbare waarden Fabriek Reset V. Rate Stabilization (V-frequentiestabilisatie) Maximum Rate (Maximale frequentie) Interval Increment (Intervalverlenging) On (Aan); Off (Uit) Off (Uit) Off (Uit) 80; ; 120 min min min ; ms 150 ms 150 ms Artsenhandleiding 385
386 Tabel 42. Parameters voor stimulatie na een door VT/VF-geïnduceerde schok Parameter Programmeerbare waarden Fabriek Reset Post VT/VF Shock Pacing (Stimulatie na een door VT/VF-geïnduceerde schok) Overdrive Rate (Overdrive-stimulatiefrequentie) Overdrive Duration (Overdrive-stimulatieduur) Off (Uit) ; On (Aan) Off (Uit) Off (Uit) 70; 75; min min min -1 0,5 ; 1; 2; 3; 5; 10; 20; 30; 60; 90; 120 min Tabel 43. Stimulatieparameters na een schok 0,5 min 0,5 min Parameter Programmeerbare waarden Fabriek Reset Post Shock A. Amplitude (A. amplitude na een schok) a Post Shock A. Pulse Width (A. pulsduur na een schok) b Post Shock V. Amplitude (V. amplitude na een schok) a,c Post Shock V. Pulse Width (V. pulsduur na een schok) b,c 1; 2; 3; 4 ; 5; 6; 8 V 4 V 4 V 0,1; 0,2 1,5 ms 1,5 ms 1,5 ms 1; 2 6 ; 8 V 6 V 6 V 0,1; 0,2 1,5 ms 1,5 ms 1,5 ms a Bij testen volgens de CENELEC-norm EN :2003, wordt de tolerantie (+40%/-30% voor spanningen minder dan 2,0, en ±30% voor spanningen groter dan of gelijk aan 2,0) niet op de geprogrammeerde instelling toegepast, maar op de berekende amplitude A. Dit hangt af van de geprogrammeerde amplitude A p en de geprogrammeerde pulsduur W p : A = A p x [0,9 (W p x 0,145 ms -1 )] b Bij testen volgens de CENELEC-norm EN :2003 is de gemeten pulsduur W afhankelijk van de belasting "Rload" (in Ohm) en de geprogrammeerde pulsduur W p (in seconden): W W p + 34 µs en W de kleinste van (W p - 16 µs) en (124 µs + (4 µs x Rload)). c Geldt voor alle gestimuleerde ventrikels. Tabel 44. Sleep (Slaap)-parameters Parameter Programmeerbare waarden Fabriek Reset Sleep (Slaap) On (Aan); Off (Uit) Off (Uit) Off (Uit) Sleep Rate (Slaapfrequentie) 30; ; 55; 60; 70; min min min -1 Bed Time (Bedtijd) 00:00; 00:10 22:00 23:50 22:00 22:00 Wake Time (Ontwaaktijd) 00:00; 00:10 07:00 23:50 07:00 07: Artsenhandleiding
387 Tabel 45. NCAP-parameters (Niet-concurrerende atriale stimulatie) Parameter Programmeerbare waarden Fabriek Reset Non-Comp Atrial Pacing (Niet-concurrerende atriale stimulatie) NCAP Interval (NCAPinterval) Tabel 46. Extra stimulatiefuncties On (Aan) ; Off (Uit) On (Aan) On (Aan) 200; 250; 300 ; 350; 400 ms 300 ms 300 ms Parameter Programmeerbare waarden Fabriek Reset Atrial Tracking Recovery On (Aan); Off (Uit) Off (Uit) Off (Uit) (Herstel atriaal volgen) PMT Intervention On (Aan); Off (Uit) Off (Uit) Off (Uit) (PMT-interventie) PVC-respons On (Aan) ; Off (Uit) On (Aan) On (Aan) V. Safety Pacing (V-veiligheidsstimulatie) a On (Aan) ; Off (Uit) On (Aan) On (Aan) a Afgegeven als RV-stimulatie. B.5 Medtronic CareAlert-parameters Tabel 47. Medtronic CareAlert-parameters Parameter Programmeerbare waarden Fabriek Reset Clinical Management Alerts (Alarmen klinisch management) Patient Home Monitor (Monitor Yes (Ja); No (Nee) Nee Nee voor thuis) AT/AF Burden and Rate Settings (AT/AF-belasting en -frequentie-instellingen) Device Tone (Apparaattoon) AT/AF Daily Burden Alert Enable (Alarm dagelijkse AT/AF-belasting activeren) Avg. V. Rate During AT/AF Alert Enable (Alarm gemiddelde V-frequentie tijdens AT/AF inschakelen) Daily AT/AF Burden (Dagelijkse AT/AF-belasting) Off (Observation only) (Uit [Alleen observatie]) Off (Observation only) (Uit [Alleen observatie]) 0,5; 1; 2; 6 ; 12; 24 hours/day (uur per dag) Off (Observation only) (Uit [Alleen observatie]) Off (Observation only) (Uit [Alleen observatie]) 6 hours/day (uur/dag) Off (Observation only) (Uit [Alleen observatie]) Off (Observation only) (Uit [Alleen observatie]) 6 hours/day (uur/dag) Artsenhandleiding 387
388 Tabel 47. Medtronic CareAlert-parameters (vervolg) Parameter Programmeerbare waarden Fabriek Reset Avg. V. Rate During AT/AF (Gemiddelde V-frequentie tijdens AT/AF) Daily Burden for Avg. V. Rate (Dagelijkse belasting voor gemiddelde V-frequentie) 90; min min min -1 0,5; 1; 2; 6 ; 12; 24 hours/day (uur per dag) 6 hours/day (uur/dag) 6 hours/day (uur/dag) High (Hoog) Number of Shocks Delivered in an Episode (Aantal schokken afgegeven binnen een episode) c Device Tone (Apparaattoon) Alert Enable - Urgency Off (Uit) ; On-Low (Aan-Laag); Off (Uit) Off (Uit) (Alarmschakelaar-urgentie) On-High (Aan-Hoog) Patient Home Monitor (Monitor voor thuis) Alert Enable (Alarm Off (Uit) ; On (Aan) Off (Uit) Off (Uit) inschakelen) b Shared (Device Tone and Patient Home Monitor) (Gedeeld [Apparaattoon en Monitor voor thuis]) Number of Shocks Threshold 1 ; 2; 3; 4; 5; (Drempel aantal schokken) a All Therapies in a Zone Exhausted for an Episode (Alle therapieën in een zone afgegeven voor een episode) Device Tone (Apparaattoon) Alert Enable (Alarm Off (Uit) ; On-Low (Aan-Laag); Off (Uit) Off (Uit) inschakelen) On-High (Aan-Hoog) Patient Home Monitor (Monitor voor thuis) Alert Enable (Alarm Off (Uit) ; On (Aan) Off (Uit) Off (Uit) inschakelen) b Lead/Device Integrity Alerts (Alarmen voor integriteit geleidingsdraad/apparaat) Patient Home Monitor (Monitor Yes (Ja); No (Nee) Nee Nee voor thuis) Lead Impedance Out of Range (Geleidingsdraadimpedantie buiten bereik) Device Tone (Apparaattoon) Alert Urgency (Alarmurgentie) Low (Laag); High (Hoog) a 388 Artsenhandleiding
389 Tabel 47. Medtronic CareAlert-parameters (vervolg) Parameter Programmeerbare waarden Fabriek Reset A. Pacing Impedance Enable (A-stimulatieimpedantie inschakelen) RV Pacing Impedance Enable (RV-stimulatieimpedantie inschakelen) LV Pacing Impedance Enable (LV-stimulatieimpedantie inschakelen) RV Defibrillation Impedance Enable (RV-defibrillatie-impedantie inschakelen) SVC Defibrillation Impedance Enable (SVC-defibrillatie-impedantie inschakelen) d Patient Home Monitor (Monitor voor thuis) A. Pacing Impedance Enable (A-stimulatieimpedantie inschakelen) b RV Pacing Impedance Enable (RV-stimulatieimpedantie inschakelen) b LV Pacing Impedance Enable (LV-stimulatieimpedantie inschakelen) b RV Defibrillation Impedance Enable (RV-defibrillatie-impedantie inschakelen) b SVC Defibrillation Impedance Enable (SVC-defibrillatie-impedantie inschakelen) b,d On (Aan) ; Off (Observation Only) (Uit [Alleen observatie]) On (Aan) ; Off (Observation Only) (Uit [Alleen observatie]) On (Aan) ; Off (Observation Only) (Uit [Alleen observatie]) On (Aan) ; Off (Observation Only) (Uit [Alleen observatie]) On (Aan) ; Off (Observation Only) (Uit [Alleen observatie]) On (Aan) On (Aan) On (Aan) On (Aan) On (Aan) Off (Observation only) (Uit [Alleen observatie]) Off (Observation only) (Uit [Alleen observatie]) Off (Observation only) (Uit [Alleen observatie]) Off (Observation only) (Uit [Alleen observatie]) Off (Observation only) (Uit [Alleen observatie]) Off (Uit); On (Aan) On (Aan) Off (Uit) Off (Uit); On (Aan) On (Aan) Off (Uit) Off (Uit); On (Aan) On (Aan) Off (Uit) Off (Uit); On (Aan) On (Aan) Off (Uit) Off (Uit); On (Aan) On (Aan) Off (Uit) Artsenhandleiding 389
390 Tabel 47. Medtronic CareAlert-parameters (vervolg) Parameter Programmeerbare waarden Fabriek Reset Shared (Device Tone and Patient Home Monitor) (Gedeeld [Apparaattoon en Monitor voor thuis]) A. Pacing Impedance 200 ; 300; 400; 500 Ω 200 Ω 200 Ω Less than (A-stimulatieimpedantie lager dan) A. Pacing Impedance 1000; 1500; 2000; 3000 Ω 3000 Ω 3000 Ω Greater than (A-stimulatie-impedantie hoger dan) RV Pacing Impedance 200 ; 300; 400; 500 Ω 200 Ω 200 Ω Less than (RV-stimulatieimpedantie lager dan) RV Pacing Impedance 1000; 1500; 2000; 3000 Ω 3000 Ω 3000 Ω Greater than (RV-stimulatie-impedantie hoger dan) LV Pacing Impedance 200 ; 300; 400; 500 Ω 200 Ω 200 Ω Less than (LV-stimulatieimpedantie lager dan) LV Pacing Impedance 1000; 1500; 2000; 3000 Ω 3000 Ω 3000 Ω Greater than (LV-stimulatie-impedantie hoger dan) RV Defibrillation Impedance 20 ; 30; 40; 50 Ω 20 Ω 20 Ω Less than (RV-defi- brillatie-impedantie lager dan) RV Defibrillation Impedance 100; 130; 160; 200 Ω 200 Ω 200 Ω Greater than (RV-defibrillatie-impedantie hoger dan) SVC Defibrillation Impedance 20 ; 30; 40; 50 Ω 20 Ω 20 Ω Less than (SVC-defibrillatie-impedantie lager dan) SVC Defibrillation Impedance 100; 130; 160; 200 Ω 200 Ω 200 Ω Greater than (SVC-defibrillatie-impedantie hoger dan) Low Battery Voltage RRT (Lage batterijspanning RRT) Device Tone (Apparaattoon) Alert Enable - Urgency (Alarmschakelaar-urgentie) Off (Uit); On-Low (Aan-laag); On- High (Aan-hoog) On-High (Aan-Hoog) Off (Uit) 390 Artsenhandleiding
391 Tabel 47. Medtronic CareAlert-parameters (vervolg) Parameter Programmeerbare waarden Fabriek Reset Patient Home Monitor (Monitor voor thuis) Alert Enable (Alarm Off (Uit); On (Aan) On (Aan) Off (Uit) inschakelen) b Excessive Charge Time EOS (Excessieve oplaadtijd EOS) Device Tone (Apparaattoon) Alert Enable - Urgency (Alarmschakelaar-urgentie) Off (Uit); On-Low (Aan-laag); On- High (Aan-hoog) On-High (Aan-Hoog) Off (Uit) Patient Home Monitor (Monitor voor thuis) Alert Enable (Alarm Off (Uit); On (Aan) On (Aan) Off (Uit) inschakelen) b VF Detection Off, 3+ VF or 3+ FVT Rx Off (VF-detectie uit; 3+VF- of 3+ FVT-therapieafgifte uit) Device Tone (Apparaattoon) Alert Enable (Alarm inschakelen) Off (Uit); On-High (Aan-Hoog) On-High (Aan-Hoog) On-High (Aan-Hoog) Patient Home Monitor (Monitor voor thuis) Alert Enable (Alarm Off (Uit); On (Aan) On (Aan) Off (Uit) inschakelen) b Alert Time (Alarmtijd) a 00:00; 00:10 08:00 23:50 08:00 08:00 a Deze parameter wordt alleen weergegeven als een bijbehorend alarm is ingeschakeld. b De Patient Home Monitor (Monitor voor thuis)-alarmen kunnen alleen worden geprogrammeerd en doorgestuurd naar de monitor voor thuis als de parameter Patient Home Monitor (Monitor voor thuis) is geprogrammeerd op Yes (Ja). c VF-, VT- en FVT-therapieën kunnen tijdens een enkele episode worden afgegeven (van initiële detectie tot aan episodebeëindiging). d Als er geen SVC-geleidingsdraad is geïmplanteerd, gaat het alarm niet af. B.6 Gegevensverzamelingparameters Tabel 48. Gegevensverzamelingparameters Parameter Programmeerbare waarden Fabriek Reset LECG Source (LECG-afleiding) (Leadless ECG) a LECG Range (LECG-bereik) (Leadless ECG) Can to SVC (Behuizing - SVC) b,c ; RVcoil to Aring (RV-defibrillatie-elektrode - Aring) Can to SVC (Behuizing - SVC) Can to SVC (Behuizing - SVC) ±1; ±2 ; ±4; ±8; ±12; ±16; ±32 mv ±2 mv ±8 mv Artsenhandleiding 391
392 Tabel 48. Gegevensverzamelingparameters (vervolg) Parameter Programmeerbare waarden Fabriek Reset EGM 1 Source (EGM 1-afleiding) EGM 1 Range (EGM 1-bereik) EGM 2 Source (EGM 2-afleiding) EGM 2 Range (EGM 2-bereik) EGM 3 Source (EGM 3-afleiding) EGM 3 Range (EGM 3-bereik) Monitored (Bewaakt) Pre-arrhythmia EGM (EGM vóór aanvang van de aritmie) RVtip to RVcoil (RVtip - RV-defibrillatie-elektrode); RVtip to RVring (RVtip - RVring); Atip to RVring (Atip - RVring); Atip to Aring (Atip - Aring) ; Aring to RVring (Aring - RVring); Aring to RVcoil (Aring - RV-defibrillatie-elektrode) Atip to Aring (Atip - Aring) Atip to Aring (Atip - Aring) ±1; ±2; ±4; ±8 ; ±12; ±16; ±32 mv ±8 mv ±8 mv Can to RVcoil (Behuizing - RV-defibrillatie-elektrode); Can to RVring (Behuizing - RVring); RVtip to RVcoil (RVtip - RV-defibrillatie-elektrode); RVtip to RVring (RVtip - RVring) ; Can to SVC (Behuizing - SVC) b,c ; RVcoil to SVC (RV-defibrillatie-elektrode - SVC) b ; LVtip to SVC (LVtip - SVC) b ; Can to LVtip (Behuizing - LVtip); RVtip to LVtip (RVtip - LVtip) RVtip to RVring (RVtip - RVring) ±1; ±2; ±4; ±8 ; ±12; ±16; ±32 mv ±8 mv ±8 mv Can to RVcoil (Behuizing - RV-defibrillatie-elektrode); RVtip to RVcoil (RVtip - RV-defibrillatie-elektrode); RVtip to RVring (RVtip - RVring); LVtip to LVring (LVtip - LVring) d ; LVtip to RVring (LVtip - RVring); LVtip to RVcoil (LVtip - RV-defibrillatie-elektrode) LVtip to RVcoil (LVtip - RV-defibrillatie-elektrode) ±1; ±2; ±4; ±8 ; ±12; ±16; ±32 mv ±8 mv ±2 mv EGM1 and EGM2 (EGM1 en EGM2) ; EGM1 and EGM3 (EGM1 en EGM3); EGM1 and LECG (EGM1 en LECG); EGM2 and EGM3 (EGM2 en EGM3); EGM2 and LECG (EGM2 en LECG); EGM3 and LECG (EGM3 en LECG) Off (Uit) ; On - 1 month (Aan - 1 maand); On - 3 months (Aan - 3 maanden); On Continuous (Aan - Continu) EGM1 and EGM2 (EGM1 en EGM2) Off (Uit) RVtip to RVring (RVtip - RVring) LVtip to RVcoil (LVtip - RV-defibrillatie-elektrode) EGM1 and EGM2 (EGM1 en EGM2) Off (Uit) 392 Artsenhandleiding
393 Tabel 48. Gegevensverzamelingparameters (vervolg) Parameter Programmeerbare waarden Fabriek Reset V Sensing Episodes (V-waarnemingsepisodes) Consecutive VS to detect >= (Opeenvolgende te detecteren VS >=) Consecutive VP to terminate >= (Opeenvolgende te beëindigen VP >=) Device Date/Time (Datum/tijd apparaat) e Holter Telemetry (Holter-telemetrie) 5; 8; 10 ; 15; 20; 30; 40; 50; 100; 150; ; 3 ; 5; (voer tijd en datum in) Off (Uit) ; 0,5; 1; 2; 4; 8; 16; 24; 36; 46 hr (uur) Off (Uit) Off (Uit) a In dit EGM-kanaal worden far-field-signalen weergegeven. Als u een benadering van een oppervlakte-ecgsignaal wilt weergeven, kiest u de EGM-afleiding Can to SVC (Behuizing - SVC). b Voor deze configuratie moet een geleidingsdraad zijn aangesloten op de SVC-poort. c Als Can - SVC wordt geselecteerd, wordt het EGM-bereik automatisch ingesteld op ± 2 mv. Het EGM-bereik wordt automatisch ingesteld op ± 8 mv voor alle andere EGM-afleidingsopties. d Een bipolaire LV. geleidingsdraad moet aanwezig zijn voor deze configuratie. e De tijden en data op episodeverslagen en op andere opgeslagen gegevens worden bepaald door de datum/tijd van de klok van het apparaat. B.7 Systeemtestparameters Tabel 49. Systeemtestparameters Parameter Selecteerbare waarden Stimulatiedrempeltestparameters Test Type (Soort test) Amplitude; Pulse Width (Pulsduur) Chamber (Kamer) LV; RV; Atrium Decrement after (Afname na) 2; 3 15 pulses (pulsen) Mode (Modus) a (RV. of LV. test) VVI; VOO; DDI; DDD; DOO Mode a (Modus) (Atriumtest) AAI; AOO; DDI; DDD; DOO Lower rate (Onderfrequentie) b 30; 35 60; 70; min -1 RV Amplitude (RV. amplitude) 0,25; 0,5 5; 5,5; 6; 8 V RV Pulse Width (RV. pulsduur) 0,03; 0,06; 0,1; 0,2 1,5 ms LV Amplitude (LV. amplitude) 0,25; 0,5 5; 5,5; 6; 8 V LV Pulse Width (LV. pulsduur) 0,03; 0,06; 0,1; 0,2 1,5 ms A. Amplitude (A. amplitude) 0,25; 0,5 5; 5,5; 6; 8 V Artsenhandleiding 393
394 Tabel 49. Systeemtestparameters (vervolg) Parameter Selecteerbare waarden A. Pulse Width (A. pulsduur) 0,03; 0,06; 0,1; 0,2 1,5 ms AV Delay (AV-interval) 30; ms V. Pace Blanking (V. blanking na een puls) 150; ms A. Pace Blanking (A. blanking na een puls) 150; ms PVARP c 150; ms Pace Polarity (Stimulatiepolariteit) (LV) LVtip to RVcoil (LVtip - RV-defibrillatie-elektrode); LVring to RVcoil (LVring - RV-defibrillatie-elektrode); LVtip to LVring (LVtip - LVring) Waarnemingstestparameters Mode (Modus) a AAI; DDD; DDI; VVI; ODO AV Delay (AV-interval) 30; ms Lower rate (Onderfrequentie) b 30; 35 60; 70; min -1 a De selecteerbare waarden voor deze parameter zijn afhankelijk van de geprogrammeerde stimulatiemodus. b Wanneer u de test uitvoert in de DDD-modus, moet de onderfrequentie lager zijn dan de geprogrammeerde maximale volgfrequentie. c De selecteerbare waarden voor deze parameter zijn afhankelijk van de geprogrammeerde PVAB-waarden. B.8 EP-studieparameters Tabel 50. T-Shock-inductieparameters Parameter Selecteerbare waarden Chamber (Kamer) b RV ; RV+LV; LV Resume at Deliver (Hervatten bij afgifte) Enabled (Geactiveerd) ; Disabled (Gedeactiveerd) Enable (Activeren) Enabled (Geactiveerd); Disabled (Gedeactiveerd) #S1 (Aantal S1-pulsen) 2; 3; 4; 5 ; 6; 7; 8 S1S1 300; ms Delay (Interval) 20; ms Energy (Energie) 0,4; 0,6; 0,8; 1,0 1,8; 2; 3; 4 16; 18; 20; 22; 24; 25; 26; 28; 30; 32; 35 J Waveform (Signaal) Monophasic (Monofasisch) ; Biphasic (Bifasisch) Pathway (Stroomrichting) a AX>B; B>AX a Als de parameter Active Can/SVC Coil (SVC-defibrillatie-elektrode) op Can Off (Can uit) geprogrammeerd is, wordt de HVA (Can)-elektrode niet gebruikt als onderdeel van de hoge-spanningsstroomafgifterichting. Als de parameter Active Can/SVC Coil (SVC-defibrillatie-elektrode) op SVC Off (SVC uit) geprogrammeerd is, wordt de HVX (SVC)-elektrode niet gebruikt als onderdeel van de hoge-spanningsstroomafgifterichting. b Als de geselecteerde kamer RV+LV is, wordt de vertraging ingesteld op 2,5 ms, waarbij de LV-uitgangspuls het eerst wordt afgegeven. 394 Artsenhandleiding
395 Tabel Hz Burst-inductieparameters Parameter Selecteerbare waarden Resume at Burst (Hervatten bij Burst) Enabled (Geactiveerd) ; Disabled (Gedeactiveerd) Chamber (Kamer) Atrium; RV; LV Amplitude 1; 2; 3; 4 ; 5; 6; 8 V Pulse Width (Pulsduur) 0,10; 0,20 0,50 1,50 ms VOO Backup (for atrial 50 Hz Burst) On (Aan); Off (Uit) (VOO-back-up [voor atriale 50 Hz Burst]) c Pacing Rate (Stimulatiefrequentie) 60; min -1 V. Amplitude (V-amplitude) a,b 0,50; 0,75 5,00; 5,50; 6,00; 8,00 V V. Pulse Width (V-pulsduur) a 0,10; 0,20 1,50 ms a De standaardwaarde voor deze parameter wordt ingesteld volgens de permanent geprogrammeerde instellingen voor anti-bradycardiestimulatie. b Crosstalk kan optreden als de atrialestimulatieamplitude groter is dan 6,0 V. c V. Backup Pacing (V-back-up-stimulatie) wordt alleen afgegeven aan de RV-kamer. Tabel 52. Vaste Burst-inductieparameters Parameter Selecteerbare waarden Resume at Burst (Hervatten bij Burst) Enabled (Geactiveerd) ; Disabled (Gedeactiveerd) Chamber (Kamer) b Atrium; RV; RV+LV; LV Interval 100; ms Amplitude e 1; 2; 3; 4 ; 5; 6; 8 V Pulse Width (Pulsduur) e 0,10; 0,20 0,50 1,50 ms VVI Backup (for atrial Fixed Burst) On (Aan); Off (Uit) (VVI-back-up [voor atriale vaste Burst]) d Pacing Rate (Stimulatiefrequentie) 60; min -1 V. Amplitude (V-amplitude) a,c 0,50; 0,75 5,00; 5,50; 6,00; 8,00 V V. Pulse Width (V-pulsduur) a 0,10; 0,20 1,50 ms a De standaardwaarde voor deze parameter wordt ingesteld volgens de permanent geprogrammeerde instellingen voor anti-bradycardiestimulatie. b Als de geselecteerde kamer RV+LV is, wordt de vertraging ingesteld op 2,5 ms, waarbij de LV-uitgangspuls het eerst wordt afgegeven. c Crosstalk kan optreden als de atrialestimulatieamplitude groter is dan 6,0 V. d V. Backup Pacing (V-back-up-stimulatie) wordt alleen afgegeven aan de RV-kamer. e Geldt voor alle gestimuleerde ventrikels. Tabel 53. PES-inductieparameters Parameter Selecteerbare waarden Resume at Deliver (Hervatten bij afgifte) Enabled (Geactiveerd) ; Disabled (Gedeactiveerd) Chamber (Kamer) c Atrium; RV; RV+LV; LV Artsenhandleiding 395
396 Tabel 53. PES-inductieparameters (vervolg) Parameter Selecteerbare waarden #S1 (Aantal S1-pulsen) 1; S1S1 100; ms S1S2 Off (Uit); 100; ms S2S3 Off (Uit) ; 100; ; ms b S3S4 Off (Uit) ; 100; ; ms b Amplitude f 1; 2; 3; 4 ; 5; 6; 8 V Pulse Width (Pulsduur) f 0,10; 0,20 0,50 1,50 ms VVI Backup (for atrial PES) (VVI-back-up On (Aan); Off (Uit) [voor atriale PES]) e Pacing Rate (Stimulatiefrequentie) 60; min -1 V. Amplitude (V-amplitude) a,d 0,50; 0,75 5,00; 5,50; 6,00; 8,00 V V. Pulse Width (V-pulsduur) a 0,10; 0,20 1,50 ms a De standaardwaarde voor deze parameter wordt ingesteld volgens de permanent geprogrammeerde instellingen voor anti-bradycardiestimulatie. b Standaardwaarde als de parameter op On (Aan) staat, is 400 ms. c Als de geselecteerde kamer RV+LV is, wordt de vertraging ingesteld op 2,5 ms, waarbij de LV-uitgangspuls het eerst wordt afgegeven. d Crosstalk kan optreden als de atrialestimulatieamplitude groter is dan 6,0 V. e V. Backup Pacing (V-back-up-stimulatie) wordt alleen afgegeven aan de RV-kamer. f Geldt voor alle gestimuleerde ventrikels. Tabel 54. Handmatigedefibrillatieparameters Parameter Selecteerbare waarden Energy (Energie) 0,4; 0,6 1,8; 2; 3 16; 18; 20; 22; 24; 25; 26; 28; 30; 32; 35 J Pathway (Stroomrichting) a AX>B; B>AX a Als de parameter Active Can/SVC Coil (SVC-defibrillatie-elektrode) op Can Off (Can uit) geprogrammeerd is, wordt de HVA (Can)-elektrode niet gebruikt als onderdeel van de hoge-spanningsstroomafgifterichting. Als de parameter Active Can/SVC Coil (SVC-defibrillatie-elektrode) op SVC Off (SVC uit) geprogrammeerd is, wordt de HVX (SVC)-elektrode niet gebruikt als onderdeel van de hoge-spanningsstroomafgifterichting. Tabel 55. Handmatigecardioversieparameters Parameter Selecteerbare waarden Chamber (Kamer) Atrium; RV Energy (Energie) 0,4; 0,6 1,8; 2; 3 16; 18; 20; 22; 24; 25; 26; 28; 30; 32; 35 J 396 Artsenhandleiding
397 Tabel 55. Handmatigecardioversieparameters (vervolg) Parameter Pathway (Stroomrichting) a Minimum R-R (Minimum R-R) (alleen atriale CV) Selecteerbare waarden AX>B; B>AX 400; ms a Als de parameter Active Can/SVC Coil (SVC-defibrillatie-elektrode) op Can Off (Can uit) geprogrammeerd is, wordt de HVA (Can)-elektrode niet gebruikt als onderdeel van de hoge-spanningsstroomafgifterichting. Als de parameter Active Can/SVC Coil (SVC-defibrillatie-elektrode) op SVC Off (SVC uit) geprogrammeerd is, wordt de HVX (SVC)-elektrode niet gebruikt als onderdeel van de hoge-spanningsstroomafgifterichting. Tabel 56. Gedeelde handmatige-atp-therapieparameters Parameter Selecteerbare waarden Minimum Interval (atrial ATP) (Minimuminterval 100; 110; 120; ms [atriale ATP]) Minimum Interval (ventricular ATP) (Minimuminterval 150; ms [ventriculaire ATP]) Amplitude d 1; 2; 3; 4 ; 5; 6; 8 V e 1; 2; 3; 4; 5; 6 ; 8 V f Pulse Width (Pulsduur) d 0,10; 0,20 1,50 ms VVI Backup (for atrial ATP therapy) On (Aan); Off (Uit) (VVI-back-up [voor atriale-atp-therapie]) c Pacing Rate (Stimulatiefrequentie) 60; min -1 V. Amplitude (V-amplitude) a,b 0,50; 0,75 5,00; 5,50; 6,00; 8,00 V V. Pulse Width (V-pulsduur) a 0,10; 0,20 1,50 ms a De standaardwaarde voor deze parameter wordt ingesteld volgens de permanent geprogrammeerde instellingen voor anti-bradycardiestimulatie. b Crosstalk kan optreden als de atrialestimulatieamplitude groter is dan 6,0 V. c V. Backup pacing (V-back-up-stimulatie) wordt alleen afgegeven aan de RV-kamer. d Geldt voor alle gestimuleerde ventrikels. e Van toepassing op 50 Hz Burst, vaste Burst en PES f Van toepassing op Ramp, Ramp+, Burst en Burst+ Tabel 57. Handmatige-Ramp-therapieparameters Parameter Selecteerbare waarden Chamber (Kamer) a Atrium; RV; RV+LV; LV Ventriculaire-Ramp-therapieparameters # Pulses (Aantal pulsen) 1; %RR Interval (%RR-interval) 50; 53; 56; 59; 63; 66 84; 88; 91; 94; 97 % Dec/Pulse (Vermindering per puls) 0; 10 ; 20; 30; 40 ms Atriale-Ramp-therapieparameters # Pulses (Aantal pulsen) 1; ; 20; Artsenhandleiding 397
398 Tabel 57. Handmatige-Ramp-therapieparameters (vervolg) Parameter Selecteerbare waarden %AA Interval (%AA-interval) 28; 31; 34; 38; 41 59; 63; 66 84; 88; 91; 94; 97 % Dec/Pulse (Vermindering per puls) 0; 10 ; 20; 30; 40 ms a Als de geselecteerde kamer RV+LV is, wordt de vertraging ingesteld op 2,5 ms, waarbij de LV-uitgangspuls het eerst wordt afgegeven. Tabel 58. Handmatige-Burst-therapieparameters Parameter Selecteerbare waarden Chamber (Kamer) a RV ; RV+LV; LV # Pulses (Aantal pulsen) 1; %RR Interval (%RR-interval) 50; 53; 56; 59; 63; 66 84; 88 ; 91; 94; 97% a Als de geselecteerde kamer RV+LV is, wordt de vertraging ingesteld op 2,5 ms, waarbij de LV-uitgangspuls het eerst wordt afgegeven. Tabel 59. Handmatige-Ramp+-therapieparameters Parameter Selecteerbare waarden Chamber (Kamer) a RV ; RV+LV; LV # Pulses (Aantal pulsen) 1; 2; 3 15 R-S1 (%RR) 50; 53; 56; 59; 63; ; 88; 91; 94; 97% S1-S2 (%RR) 50; 53; 56; 59; 63; 66; 69 84; 88; 91; 94; 97% S2-SN (%RR) 50; 53; 56; 59; 63; 66 84; 88; 91; 94; 97% a Als de geselecteerde kamer RV+LV is, wordt de vertraging ingesteld op 2,5 ms, waarbij de LV-uitgangspuls het eerst wordt afgegeven. Tabel 60. Handmatige-Burst+-therapieparameters Parameter Selecteerbare waarden # S1 Pulses (Aantal S1-pulsen) 1; ; 20; %AA Interval (%AA-interval) 28; 31; 34; 38; 41 59; 63; 66 84; 88; 91 ; 94; 97% S1S2 Off (Uit); 28; 31; 34; 38; 41 59; 63; ; 88; 91; 94; 97% S2S3 Dec (S2S3-vermindering) Off (Uit); 0; 10; ms 398 Artsenhandleiding
399 B.9 Niet-programmeerbare parameters Tabel 61. Niet-programmeerbare parameters Parameter Waarde Drempelwaarde voor premature events voor de telling van PVC s 69% en PVC-runs Vaste blankingperioden Atriale blanking na een gestimuleerd ventriculair event a 30 ms Atriale blanking na een hogespanningstherapie 520 ms Ventriculaire blanking na een gestimuleerd atriaal event 30 ms b Ventriculaire blanking na een hogespanningstherapie 520 ms Vaste anti-bradycardiestimulatieparameters Ventriculaire-veiligheidsstimulatie-intervallen c 110 ms PVARP-waarde toegepast door PVC-respons en PMT-interventie 400 ms d NCAP-waarde toegepast door PVC-respons en PMT-interventie e 400 ms Vaste hoge-spanningstherapieparameters Maximale oplaadperiode 30 s Waveform (Signaal) f Bifasisch Tilt 50% Refractaire periode na ventriculair waargenomen event tijdens 200 ms cardioversiesynchronisatie Refractaire periode na gestimuleerd event tijdens opladen of synchronisatie 400 ms g Refractaire periode na begin opladen g 400 ms Atriale vulnerabele periode 250 ms Escape-interval na hogespanningstherapie 1200 ms VT-detectie onderdrukken na defibrillatietherapie 17 ventriculaire events Vaste EP-studieparameters T-Shock-stimulatieamplitude h 8 V T-Shock-uitgangspulsduur h 1,5 ms 50 Hz Burst-stimulatie-interval 20 ms Hardwareparameters Stimulatiefrequentiebegrenzing i (beveiligingsfunctie) 171 min -1 Ingangsimpedantie 150 kω minimum Aanbevolen vervangingstijd (RRT) Batterijspanningsdrempel 2,63 V a De tijd tussen biventriculaire uitgangspulsen kan van invloed zijn op de duur van de atrialeblankingperiode. b 35 ms wanneer de ventriculairestimulatieamplitude is geprogrammeerd op 8 V. c Het VSP-interval kan bij hogere stimulatiefrequenties automatisch door het apparaat worden verkort van 110 ms tot 70 ms wanneer dit nodig is voor de ondersteuning van ventriculairetachycardiedetectie. Artsenhandleiding 399
400 d PVARP wordt alleen verlengd tot 400 ms als de huidige PVARP kleiner is dan 400 ms. e De NCAP-verlenging is alleen van toepassing als NCAP is ingeschakeld. f Het signaal voor een T-Shock-inductie kan worden geprogrammeerd op bifasisch of monofasisch. g Heeft geen invloed op event-classificatie tijdens opladen. h Geldt voor alle ventrikels die zijn geprogrammeerd om te worden gestimuleerd. i Is niet van toepassing tijdens ATP-therapieën of ventriculaire veiligheidsstimulatie. 400 Artsenhandleiding
401 Woordenlijst 2:1-blokfrequentie een geleidingsverhouding waarbij ieder tweede atriale event refractair is. Dit resulteert in een ventriculairestimulatiefrequentie die de helft is van de atriale frequentie. Dit staat ook bekend als tweedegraads AV-blok Mobitz type II. Active Can optie om de behuizing van het apparaat te selecteren als actieve elektrode voor afgifte van defibrillatie- en cardioversietherapieën. Activiteitssensor de accelerometer in het apparaat die lichaamsbewegingen van de patiënt waarneemt. Actueleritmevenster configureerbare programmeerapparaatweergave van getelemetreerde ECG-, Marker Channel- en EGM-signalen op één scherm of in een deelvenster. Additionelemarkerannotaties annotaties weergegeven op opgeslagen en getelemetreerde EGM s waarmee details van tachycardiedetectie worden vastgelegd. ADL-frequentie (frequentie tijdens dagelijkse activiteiten) de gemiddelde streeffrequentie die het hart van de patiënt naar verwachting zal bereiken tijdens de dagelijkse activiteiten. ADL-respons (respons tijdens dagelijkse activiteiten) een programmeerbare parameter waardoor de helling van de Rate Response (Frequentierespons)-curve wordt gewijzigd teneinde de streeffrequentiedistributie in het submaximale frequentiebereik aan te passen aan het inspanningsniveau van de patiënt. AF/Afl-functie PR Logic-functie die ontworpen is om onderscheid te kunnen maken tussen snel doorgeleide atriale fibrillatie of atriale flutter en ventriculaire tachycardie. Andere 1:1 SVT s-functie PR Logic-functie die ontworpen is om ventriculaire detectie tegen te houden bij supraventriculaire tachycardieën die bijna gelijktijdige atriale en ventriculaire activering vertonen. Anti-tachycardiestimulatie (ATP) therapieën waarbij snelle sequenties uitgangspulsen worden afgegeven om tachycardieën te beëindigen. Apparaatstatusindicatoren waarschuwingen van het programmeerapparaat, zoals Warning - device electrical reset (Waarschuwing - elektrische reset apparaat), waarin problemen met het geheugen of de werking van het apparaat worden beschreven. AT/AF-interval programmeerbaar interval dat wordt gebruikt om de AT/AF-detectiezone vast te stellen. Er kan alleen een AT/AF-episode worden gedetecteerd als de mediaan van de atriale intervallen kleiner is dan deze waarde. Atriaal volgen tweekamerstimulatiewerking waarbij het ventrikel in respons op atriale events wordt gestimuleerd. Artsenhandleiding 401
402 Atriale refractaire periode (ARP) interval na een atriaal gestimuleerd of waargenomen event waarin het apparaat events waarneemt maar daar op beperkte wijze op reageert. Dit interval wordt toegepast wanneer het apparaat in een atriale eenkamerstimulatiemodus werkt. AV-synchroniteit gecoördineerde contractie van de atria en de ventrikels om het hartminuutvolume te optimaliseren. Bifasisch hogespanningstherapiesignaal waarin het grootste deel van de energie wordt afgegeven van de anode naar de kathode en de resterende energie van de kathode naar de anode. Blankingperiode tijdsinterval waarin de waarneming in een kamer gedeactiveerd is om oversensing te vermijden. Capture depolarisatie van hartweefsel door een elektrische stimulus die wordt afgegeven door een hartapparaat. Cardiac Compass-rapport afgedrukt rapport van maximaal 14 maanden lange klinische trends, zoals de frequentie van aritmieën, hartfrequenties en apparaattherapieën. Cardialeresynchronisatietherapie (CRT) afgifte van gecoördineerde uitgangspulsen aan zowel het linker- als het rechterventrikel ter behandeling van ventriculaire dissynchroniteit. Cardioversie therapie die bedoeld is om een tachycardie-episode te beëindigen door tegelijkertijd het hartweefsel te depolariseren en het normale sinusritme van de patiënt te herstellen. Het apparaat moet de therapie synchroniseren met een waargenomen ventriculair event. Condensatorformattering elke oplading tot de maximale geprogrammeerde energie die gedurende ten minste 10 min kan dissiperen (die dus niet wordt afgegeven aan de patiënt of gedumpt). Crosstalk omstandigheid waarbij stimulatie in één kamer wordt waargenomen als intrinsieke activiteit in een andere kamer. Dagelijkse activiteiten (ADL) bewegingsniveau van de patiënt bij de uitvoering van dagelijkse taken zoals aankleden, eten of het verrichten van huishoudelijke taken. Defibrillatie therapie die bedoeld is om een ventriculairefibrillatie-episode te beëindigen door tegelijkertijd het hartweefsel te depolariseren en het normale sinusritme van de patiënt te herstellen. Doorgeleide AF-respons functie die de stimulatiefrequentie aanpast om een regelmatige ventriculaire frequentie tijdens AT/AF-episodes te bevorderen. 402 Artsenhandleiding
403 EGM-opslag vóór aanvang van de aritmie programmeerbare optie om EGM te registreren vanaf een moment vóór de onset of de detectie van een tachycardie. Als deze functie actief is, registreert het apparaat continu EGM. Als een tachycardie-episode optreedt, wordt het meest recent verzamelde EGM toegevoegd aan het episodeverslag om het ritme bij de onset te documenteren. Elektrische reset automatische apparaatwerking om te herstellen van een storing in het apparaatgeheugen en het besturingscircuit. Geprogrammeerde parameters kunnen op de elektrischeresetwaarden worden ingesteld. Hierbij worden een apparaatstatusindicator en een automatisch Medtronic CareAlert-alarm geactiveerd. Elektromagnetische interferentie (EMI) energie die wordt verzonden door externe bronnen via straling, geleiding of inductie en die interferentie met apparaatwerkingen (zoals waarneming) kan veroorzaken of die mogelijk apparaatcircuits kan beschadigen. EOS (End of Service, Einde van de levensduur) door het programmeerapparaat weergegeven batterijtoestandindicator die aangeeft dat het apparaat onmiddellijk moet worden vervangen en mogelijk niet volgens de specificaties werkt. Event een waargenomen of gestimuleerde slag. Far-field-EGM het EGM-signaal dat wordt waargenomen tussen elektroden die verder uit elkaar liggen, bijvoorbeeld het EGM-signaal dat wordt waargenomen tussen de apparaatbehuizing en de ventriculaire geleidingsdraadring. Flashback-geheugen weergave op het programmeerapparaat van de intervallen voorafgaand aan tachycardie-episodes of de vorige uitlezing van het apparaat. Frequentieadapterend AV (RAAV) tweekamerstimulatiefunctie waardoor bij hogere frequenties het AV-interval automatisch wordt verkort teneinde 1:1 volgen en AV-synchroniteit te handhaven. Frequentieprofiel frequentiehistogram van de sensorfrequenties die bij optimalisatie van het frequentieprofiel worden gebruikt om de Rate Response (Frequentierespons)-instellingen automatisch aan te passen. Gestimuleerd AV-interval (PAV) programmeerbaar interval tussen een atriale uitgangspuls en de bijbehorende geplande ventriculaire uitgangspuls. Herstel atriaal volgen (ATR) functie die het atriale volgen helpt herstellen als dit verloren is gegaan door opeenvolgende atriale events die in de refractaire periode na ventriculaire waarnemingen vallen. Hervatten programmeeropdracht waarmee de automatische tachycardiedetectie hervat wordt. Holter-telemetrie telemetriefunctie die gedurende een programmeerbaar aantal uren voortdurend EGM- en Marker Channel-gegevens uitzendt, of er nu wel of niet telemetrie tussen het apparaat en het programmeerapparaat tot stand is gebracht. Artsenhandleiding 403
404 HVA/HVB/HVX identificatoren van hogespanningselektroden. Bij een standaard geleidingsdraadconfiguratie is HVA de titanium behuizing (Can) van het apparaat, HVB de defibrillatie-elektrode in het rechterventrikel (RV) en HVX een defibrillatie-elektrode in de vena cava superior (SVC). Impedantie totale weerstand van een circuit ten opzichte van elektrische stroom; de impedantie van de geleidingsdraden van het apparaat kan worden gemeten om de integriteit van het geleidingsdraadsysteem te beoordelen. Inspanningsfrequentiebereik frequenties die (bijna) gelijk aan de maximale sensorfrequentie zijn en die worden behaald bij flinke inspanning. Leadless ECG een apparaatfunctie waarmee artsen tests kunnen uitvoeren en een signaal equivalent aan een ECG kunnen registreren zonder dat oppervlakte-ecg-afleidingen hoeven te worden aangebracht. Levensduur aantal jaren voordat de batterij van het apparaat de spanning van de aanbevolen vervangingstijd (RRT) bereikt. Marker Channel-telemetrie getelemetreerde symbolen waarmee de waarneming, stimulatie, detectie en therapieafgite van het apparaat gecodeerd worden. Mediaan van de atriale intervallen het zevende interval in een numeriek geordende lijst van de 12 meest recente A-A-intervallen. Mediaan van de ventriculaire intervallen het zevende interval in een numeriek geordende lijst van de 12 meest recente V-V-intervallen. Medtronic CareAlert-functie hoorbare apparaatalarmen en alarmen van de monitor thuis die de patiënt waarschuwen wanneer een programmeerbare alarmtoestand is opgetreden, zodat de patiënt een follow-up-afspraak kan maken. Mode-switch een functie die de apparaatstimulatiemodus tijdens een atriale tachycardie overschakelt van een atriale tweekamervolgmodus op een niet-volgmodus. Deze functie voorkomt de snelle ventriculaire stimulatie die het resultaat kan zijn van het volgen van een hoge atriale frequentie. Monitor voor thuis een instrument dat bij de patiënt thuis kan worden gebruikt en dat via telemetrie gegevens van het geïmplanteerde apparaat kan ontvangen. Niet-concurrerende atriale stimulatie (NCAP) programmeerbare stimulatiefunctie waardoor na een refractair atriaal event atriale stimulatie gedurende een programmeerbaar interval wordt verhinderd. Nominaal parameterwaarde die wordt voorgesteld door Medtronic en die vermoedelijk acceptabel zal zijn voor de meeste patiënten. Onderbreken programmeeropdracht om de automatische tachycardiedetectiefuncties van het apparaat tijdelijk te deactiveren. 404 Artsenhandleiding
405 Oplaadperiode tijd die het apparaat nodig heeft om de geprogrammeerde energie (lading) in de hoge-spanningscondensatoren op te slaan. Oversensing onterechte waarneming van cardiale events of niet-cardiale signalen. Voorbeelden zijn far-field-r-toppen, T-toppen, myopotentialen en elektromagnetische interferentie. Pacemakergeïnduceerde tachycardie (PMT) een onterecht snel gestimuleerd ritme dat kan optreden bij atriale volgmodi. Dit vindt plaats wanneer een tweekamerapparaat retrograde P-toppen waarneemt en volgt in de DDD- of de DDDR-modus. PVAB (Postventriculaire atriale blanking) interval na ventriculair events waarin atriale events afhankelijk van de geprogrammeerde PVAB-methode door bradycardiestimulatiefuncties worden genegeerd of niet door het apparaat worden waargenomen. PVARP (Postventriculaire atriaal-refractaire periode) atriale refractaire periode na een ventriculair event. Deze periode wordt gebruikt om inhibitie of PMT s in tweekamerstimulatiemodi te voorkomen. PVC (Premature ventriculaire contractie) een waargenomen ventriculair event dat direct volgt op een ander ventriculair event, zonder atriaal event ertussen. Rate Response (Frequentierespons) aanpassing van de hartstimulatiefrequentie als reactie op wijzigingen in de lichamelijke activiteit van de patiënt. Recommended Replacement Time (Aanbevolen vervangingstijd) zie RRT. Refractaire periode tijdsinterval waarin het apparaat events normaal waarneemt maar als refractair classificeert en er op beperkte wijze op reageert. Resterende levensduur (PSP) geschatte aantal maanden dat het apparaat zal werken als RRT bereikt is. Retrograde geleiding elektrische geleiding van de ventrikels naar de atria. Röntgenidentificatie een metalen plaatje in het connectorblok van het apparaat met het bedrijfslogo van Medtronic en een unieke code waarmee het apparaat of de apparatenlijn onder fluoroscopie kan worden geïdentificeerd. RRT (Recommended Replacement Time, Aanbevolen vervangingstijd) door het programmeerapparaat weergegeven batterijtoestandindicator die aangeeft wanneer het apparaat moet worden vervangen. Sensorfrequentie de stimulatiefrequentie die wordt bepaald door het niveau van patiëntactiviteit en de geprogrammeerde Rate Response (Frequentierespons)-parameters. Deze frequentie wordt ingesteld tussen de maximale sensorfrequentie en de gebruikte onderfrequentie. Artsenhandleiding 405
406 Sequentie, ATP een programmeerbare set anti-tachycardiestimulatie-therapiepulsen (ATP). Signaal grafische weergave van elektrische activiteit, bijvoorbeeld intracardiaal EGM of oppervlakte-ecg-signaal. Sinustachycardie-functie PR Logic-functie die ontworpen is om onderscheid te kunnen maken tussen sinustachycardie met hoge frequentie en ventriculaire tachycardie. "Smart"-modus functie die een ATP-therapie deactiveert die gedurende 4 opeenvolgende episodes niet succesvol was, zodat het apparaat de volgende episodes sneller met therapieën kan behandelen die effectief zijn gebleken. Stimulatiedrempel minimale programmeerbare uitgangspuls die consistent capture bij het hart veroorzaakt. Stimulatie na een door VT/VF-geïnduceerde schok functie die tijdelijke overdrive-stimulatie levert waardoor het hartminuutvolume kan worden verbeterd na een hogespanningstherapie. Stimulatie na een schok een functie die na een hogespanningstherapie tijdelijke stimulatieondersteuning biedt door de stimulatieamplitude en de pulsduur te verhogen teneinde verlies van capture te voorkomen. Synchronisatie periode tijdens defibrillatie- en cardioversietherapieën waarin het apparaat probeert de therapieschok tegelijk met een waargenomen ventriculair event af te geven. Telemetrie overdracht van gegevens tussen het apparaat en het programmeerapparaat door middel van radiogolven. T-Shock-inductie VF-inductieprotocol waarbij een programmeerbare schok wordt afgegeven die gesynchroniseerd is met de ventriculaire repolarisatie of T-top. Uitlezen opdracht om de parameterwaarden van het apparaat en de opgeslagen gegevens over te brengen naar het programmeerapparaat. Undersensing onvermogen van het apparaat tot waarneming van intrinsieke hartactiviteit. Ventriculairefrequentiestabilisatie (VRS) functie voor ventriculairritmemanagement waarmee een lange pauze in de ventriculaire cyclus na een premature ventriculaire contractie (PVC) wordt voorkomen. Ventriculaire veiligheidsstimulatie (VSP) stimulatietherapiefunctie die een ventriculaire asystolie ten gevolge van onterechte inhibitie van ventriculaire stimulatie helpt voorkomen. 406 Artsenhandleiding
407 Ventriculairewaarnemingsrespons (VSR) functie bedoeld voor het bevorderen van continue CRT-stimulatie door ventriculaire stimulatie te bieden in respons op ventriculaire waargenomen events. Verwachte levensduur geschat aantal jaren voordat de batterij van het apparaat de spanning van de aanbevolen vervangingstijd (RRT) bereikt. Volgen zie Atriaal volgen. Vorige sessie verwijst naar de laatste keer vóór de actuele uitlezing dat het apparaat met succes uitgelezen is. Een sessie eindigt 8 uur na de laatste uitlezing. Waargenomen AV-interval (SAV) programmeerbare vertraging na een atriaal waargenomen event dat een corresponderende ventriculaire uitgangspuls plant. Waargenomen event elektrische activiteit tussen de waarnemingselektrodes die de geprogrammeerde gevoeligheidsdrempel overschrijdt en door het apparaat als cardiaal event wordt geïdentificeerd. Waarnemingsintegriteitsteller diagnostische teller die het aantal korte ventriculaire intervallen registreert dat optreedt tussen patiëntsessies. Een groot aantal korte ventriculaire intervallen kan duiden op dubbel getelde R-toppen, geleidingsdraadbreuk of een los inbusschroefje. Artsenhandleiding 407
408 Index Numerieken 2:1-blokfrequentie Berekening door het programmeerapparaat , Hz Burst-inductie Afgifte van atriale inductie Afgifte van ventriculaire inductie DFT testen Parameters A Aanbevolen vervangingstijd (RRT) Display van het programmeerapparaat Ablatie, RF [ABORT] (Afbreken)-toets , 359 Absolute PVAB Accelerometer Active Can/SVC Coil (SVC-defibrillatie-elektrode) , 325 Activiteitssensor Activity Threshold (Activiteitsdrempel) Actueleritmevenster... 52, 80 Evaluatie van de maximale tijdsduur voor SVT-criteria Schakelen tussen verschillende weergaven... 52, 80 Signalen aanpassen Adapterende parameters Optimalisatie van het frequentieprofiel Additionelemarkerannotaties Evaluatie van de maximale tijdsduur voor SVT-criteria Additionelemarkercodes Bij episode-egm-gegevens Evaluatie van de Onset-functie Evaluatie van de Stabiliteitsfunctie Evaluatie van PR Logic Op actuele signaalstroken [Adjust ] (Aanpassen)-toets ADL Rate (ADL-frequentie) ADL Setpoint (Instelwaarde van de ADL) AF/Afl-functie AF-detectie zie AT/AF-detectie Afdrukken zie Rapporten zie Stroken, signaal- [Afdrukken ]-toets Afdrukopties-venster Omzeilen [Afdrukopties ]-toets Afdrukwachtrij Afgegeven energie Afleidingen, EGM Afmetingen, apparaat Alarmen, Medtronic CareAlert Alarmtonen Alarmtonen, demonstreren Amplitude Stimulatiedrempeltest Stimulatie Waarnemingsmetingen, automatisch Waarnemingsmetingen, handmatig Waarnemingstrends Analyzer (Model 2290) Geleidingsdraadmetingen exporteren Geleidingsdraadmetingen Gelijktijdige sessie Andere 1:1 SVT s-functie Annotaties Marker Channel... 52, 84 Parameters programmeren Antidiefstalapparatuur Anti-tachycardiestimulatie Ventriculaire-ATP-therapieën Apparaat Afmetingen Contra-indicaties Explanteren en vervangen Functioneel overzicht Geleidingsdraden aansluiten Indicaties voor gebruik Plaatsen en bevestigen Verwachte levensduur Voorbereiden voor implantatie Apparaat- en geleidingsdraadprestatie Beoordeling Trends bekijken Apparaatklok Besturing van de Sleep (Slaap)-functie Datum/tijd apparaat-parameter Programmeren Apparaatstatus, automatische bewaking Artsenhandleiding
409 Apparaatstatusindicatoren Elektrische reset apparaat Inactief laadcircuit Timeout laadcircuit Wissen Aritmie-episodegegevens Bekijken Episode-EGM Episode-intervalplot Episodelogboek Episodetekst Episodeverslagen Evaluatie van AT/AF-detectie Evaluatie van de maximale tijdsduur voor SVT-criteria Evaluatie van de Onset-functie Evaluatie van de Stabiliteitsfunctie Evaluatie van Mode-switch Evaluatie van PR Logic Evaluatie van progressieve therapieafgifte Evaluatie van Stimulatie na een door VT/VF-geïnduceerde schok Evaluatie van VT/VF-detectie Gegevensverzamelingsvoorkeuren Opslagcapaciteit AT/AF-bewaking Evaluatie Programmeren Werking AT/AF-detectie AT/AF-onset Beëindiging Bevestiging En mode-switch , 251 En VT/VF-detectie Far-field-R-toppen Opslag van episodeverslagen Parameters AT/AF-episodetellers , 372 Evaluatie van AT/AF-detectie AT/AF-onset ATP zie Ventriculaire-ATP-therapieën ATP tijdens opladen ATP vóór opladen ATR (Herstel atriaal volgen) Atriale concurrentie Atriale detectie AT/AF-detectie Onderbreken en hervatten Parameters Atriale refractaire periode , 211 zie ook Postventriculaire atriaal-refractaire periode (PVARP) Atrialetachycardiedetectie zie Atriale detectie Atriale vulnerabele periode Defibrillatie uitstellen Stimulatie binnen Uitstellen van ventriculaire CV Atrial Tracking Recovery (Herstel atriaal volgen) Parameters Werking Automatische condensatorformattering Auto-instelling Intervalklok resetten Programmeren Richtlijnen Werking Automatische PVARP Programmeren Richtlijnen Werking AVP zie Atriale vulnerabele periode B Batterij- en geleidingsdraadmeetgegevens , 340, 373 Batterijvervangingsindicatoren , 367 Beëindiging AT/AF-detectie VT/VF-detectie Beginning of Service (BOS, een volle batterij) Typische oplaadtijden Berichten, programmeerapparaat Informatie Interlocks Waarschuwingen Beschikbare rapporten-venster Bevriezen, actuele signalen Blanking Cross-chamber Na een schok Na stimulatie Na waarneming Parameters PVAB BOS zie Beginning of Service (BOS, een volle batterij) Burst-stimulatie Artsenhandleiding 409
410 C CAFR (Doorgeleide AF-respons) Calibrate (Kalibreren)-toets Cardiac Compass-rapport , 374 Afdrukken AT/AF-aritmie-informatie En patiënt-follow-up Evaluatie van AT/AF-detectie Evaluatie van CRT-stimulatie Evaluatie van de CRT-herstelfuncties Evaluatie van de Sleep (Slaap)-functie Evaluatie van PR Logic Evaluatie van VT/VF-detectie Eventcodes Hartfaleninformatie Stimulatie- en frequentierespons-informatie beoordelen VT/VF-aritmie-informatie Cardialeresynchronisatietherapie zie CRT-stimulatie Cardioversie zie Ventriculaire-CV-therapieën CareLink-monitor (Model 2490C) ChargeSaver (Oplaadbesparing) Checklist (Controlelijst)-pictogram... 53, 59 Chirurgie, elektrochirurgie Codes Additionele markers Concurrerende atriale stimulatie Condensatorformattering Automatisch Effect op levensduur apparaat Handmatig Conducted AF Response (Doorgeleide AF-respons) Werking Conexus-activator Contra-indicaties Controlelijsten Bewerken En patiënt-follow-up Gebruiken Maken Selecteren Standaard... 59, 63 Verwijderen Cross-chamber-blanking Cross-chamber-waarneming , 203 Crosstalk Inhibitie van ventriculaire stimulatie CRT-herstelfuncties Atrial Tracking Recovery (Herstel atriaal volgen) Conducted AF Response (Doorgeleide AF-respons) Evaluatie Ventriculairewaarnemingsrespons CRT-stimulatie Apparaatprogrammering CRT-herstelfuncties Echometingen Evaluatie LV. uitgangspuls , 210 Parameters Programmeren Richtlijnen V-V-stimulatievertraging programmeren V-V-stimulatievertraging , 210 Werking , 210 CV-therapieën zie Ventriculaire-CV-therapieën D Data (Gegevens)-pictogram Defibrillatiedrempel (DFT) testen met 50 Hz Burst-inductie Metingen bij implantatie T-Shock-inductie gebruiken Voorbereiding Defibrillatie, emergency Defibrillatie, extern Defibrillatietherapieën zie VF-therapie Detectie automatisch hervatten Detectie zie Atriale detectie zie Ventriculaire detectie Detectie hervatten En EP-studie-inducties Detectie-interval AT/AF Detectie-intervallen VT/VF-detectie zie ook Mode Switch (Mode-switch) DFT testen zie Defibrillatiedrempel (DFT) testen Diathermie Diskettes, apparaatgegevens Door de patiënt geactiveerde logboekaantekeningen over symptomen Artsenhandleiding
411 Doorgeleide AF-respons Parameters Programmeren Richtlijnen Draadloze Conexus-telemetrie... 21, 37 Activeren Conexus-activator... 21, 39 Standby-modus Telemetrie handhaven Draadloze telemetrie zie Draadloze Conexus-telemetrie Drempels, stimulatie Na schoktherapieën Drempeltest zie Stimulatiedrempeltest E ECG, oppervlakte , 90 zie ook Leadless ECG (LECG) Echometingen M-modus Velocity Time Integral (VTI) (Snelheid-tijdintegraal) Een opgeslagen lading ontladen EGM-afleiding, selecteren EGM-bereik, selecteren... 87, 149 EGM zie Elektrogrammen (EGM) EGM-opslag vóór aanvang van de aritmie Effect op levensduur apparaat Opslagparameters Selecteren EGM-strook zie Episode-EGM Einde van de levensduur (EOS) Display van het programmeerapparaat Einde van de levensduur (EOS, End of Service) Eindrapport Elektrische reset Reageren Elektrische specificaties Vervangingsindicatoren Verwachte levensduur Elektrochirurgie... 31, 292 Elektrofysiologische studies zie EP-studies Elektrogrammen (EGM) Episode-EGM Instelling voor EGM Range (EGM-bereik)... 81, 87 Instelling voor LECG Range (LECG-bereik)... 81, 87 Opslagparameters Elektromagnetische interferentie (EMI) Elektronische antidiefstalapparatuur (EAS) [Emergency] (Noodgeval)-toets... 56, 58 Emergency-therapie Cardioversie Defibrillatie Parameters Richtlijnen Vaste-Burststimulatie VVI-stimulatie Emergency-VVI-stimulatie EMI [End Now]-toets [End Session ]-toets Energie Afgegeven Opgeslagen Energieniveaus EOL zie Einde van de levensduur (EOS) EOS , 367 Episode-EGM Apparaatgeheugen sparen Episode, foutieve identificatie Episodelogboek Episodeverslagen Bewaakte afleidingen Episode-EGM Episode-intervalplot Episodelogboek Episodetekst EP-studies Hz Burst-inductie, atriaal Hz Burst-inductie, ventriculair Afbreken Parameters PES-inductie Richtlijnen T-Shock-inductie Vaste Burst-inductie ERI zie ook Aanbevolen vervangingstijd (RRT) Evaluatie van de maximale tijdsduur voor SVT-criteria Evaluatie van de oplaadtijd Artsenhandleiding 411
412 Events Medtronic CareAlert Refractaire Explantatie, apparaat... 24, 115 Externe defibrillatie F Fabrieksinstelling zie Parameters, programmeerbare Flashback-geheugengegevens Bekijken Evaluatie van Rate Response (Frequentierespons) Evaluatie van VT/VF-detectie Follow-up, patiënt Apparaat en geleidingsdraden beoordelen Batterij- en apparaatstatusindicatoren bekijken CRT-therapie beoordelen Instrumenten Oplaadtijd van condensator optimaliseren Richtlijnen Ritme bekijken zoals het zich presenteert Stimulatietherapie beoordelen Systeemstatus verifiëren Tachycardiedetectie beoordelen Tachycardietherapie beoordelen Follow-up-sessies Formattering, condensator Automatisch Handmatig [Freeze] (Bevriezen)-toets Frequentieadapterend AV (RAAV) Programmeren Richtlijnen Werking Frequentiehistogrammenrapport , 375 Afdrukken Evaluatie van CRT-stimulatie Evaluatie van de Sleep (Slaap)-functie Evaluatie van Rate Response (Frequentierespons) Typen histogrammen Frequenties 2:1-blokfrequentie ADL Rate (ADL-frequentie) Hoogste atriale frequentie Huidige stimulatiefrequentie Lower Rate (Onderfrequentie) Maximale volgfrequentie Parameters Sensorfrequentie Slaapfrequentie Upper Sensor Rate (Maximale sensorfrequentie) Functie Switchback (Terugschakelen) FVT-detectie Via VF Via VT zie ook Ventriculaire detectie FVT-therapie Parameters Ventriculaire-ATP-therapieën Ventriculaire-CV-therapieën G Gecombineerde telling Gedeeltelijke PVAB Gedeeltelijke+ PVAB Gedissocieerde SVT en VT Gegevens, opgeslagen Apparaat- en geleidingsdraadprestatietrends Aritmie-episodegegevens , 371 AT/AF-episodetellers , 372 Batterij- en geleidingsdraadmeetgegevens Cardiac Compass-rapport , 374 Flashback-geheugengegevens , 371 Frequentiehistogrammenrapport , 375 Geleidingsdraadimpedantietrends Geleidingsdraadprestatietrends Medtronic CareAlert-events , 375 Opslaan op diskette Opslaan Opvragen Quick Look II-gegevens Tellergegevens Vanaf diskette lezen Ventriculaire-waarnemingsepisodegegevens VT/VF-episodetellers , 371 VT/VF-therapietellers , 372 gegevens, patiënt Gegevensverzamelingsvoorkeuren EGM-afleiding en -bereik EGM vóór aanvang van de aritmie Instellen Leadless ECG (LECG) Parameters Programmeren Geleidingsdraadconnectorpoorten , 363 Geleidingsdraad- en batterijmeetgegevens Artsenhandleiding
413 Geleidingsdraadimpedantie Metingen Trends , 374 Geleidingsdraadimpedantietest Richtlijnen Uitvoeren Geleidingsdraadpolariteiten Bipolaire waarneming Integrated bipolar-waarneming Geleidingsdraadprestatietrends , 374 Geleidingsdraden aansluiten Geleidingsdraadconnectorpoorten , 363 zie ook Geleidingsdraden Geleidingsdraden Aansluiten op het apparaat Adapters Connectorcompatibiliteit Connectorpoorten , 363 Evalueren Geleidingsdraadcompatibiliteit... 24, 103 Implanteren Metingen bij implantatie Overzicht van het systeem Positioneren Richtlijnen voor testen Selecteren Geleidingsdraden voor implantatie selecteren Gestimuleerd AV-interval zie ook Rate Adaptive AV (Frequentieadapterend AV) [Get Suggestions] (Suggesties opvragen)-toets [Get ] parameters (Parameters opvragen)-toets Gevoeligheid zie Waarneming [Go To Task (Ga naar taak)]-toets Grootte, apparaat H Handmatige therapieën Afbreken Afgeven Parameters , 397, 398 Richtlijnen Werking Hantering, apparaat Hechtopening, locatie Herdetectie VT/VF-detectie Herstel atriaal volgen Programmeren Richtlijnen Hersterilisatie, apparaat Histogrammen, frequentie Hogespanningstherapie, informatie Holter-telemetrie Effect op levensduur apparaat Gebruik van niet-draadloze telemetrie Opslagparameters Programmeren I Impedantie, geleidingsdraad , 344 Geleidingsdraadimpedantietest Metingen Trends , 374 Implantatie Materialen Rate Response (Frequentierespons) Richtlijnen voor voorbereiding Voltooien Voorbereiding Inactief laadcircuit InCheck-Patient Assistant (Model 2696)... 22, 145 Registratie van symptomen Indicaties voor gebruik Inducties Hz Burst, atriaal Hz Burst, ventriculair Parameters PES Richtlijnen T-Shock Vaste Burst Informatieberichten Informatie, condensatoren opladen , 347 Informatie, product Initiële detectie VT/VF-detectie Initiële uitlezing, parameterset Initiële-uitlezingrapport Inspanning Inspanningsdeceleratie Snelle atriale frequenties volgen Instelwaarden, Rate Response Instructies, programmeren... 9 Interlock-berichten [Interrogate...] (Uitlezen)-toets Intervallen, stimulatiezie Stimulatie-intervallen Artsenhandleiding 413
414 K Klinische diagnostieken Aritmie-episodegegevens AT/AF-episodetellers Cardiac Compass-rapport Flashback-geheugengegevens Frequentiehistogrammenrapport Tellergegevens VT/VF-episodetellers VT/VF-therapietellers Klok, apparaat L Leadless ECG (LECG) Afleidingselectie En patiënt-follow-up Gebruik van de SVC-defibrillatie-elektrode Opslagparameters Selectie van het bereik Weergave Werking Levensduur, apparaat zie ook Verwachte levensduur Levensduur Levensduur van batterij Levensduur van het apparaat Condensatorformattering EGM-opslag vóór aanvang van de aritmie Holter-telemetrie Optimaliseren Tachycardietherapie-instellingen Uitgangspulsen Verwachting Lithotripsie... 32, 292 Locatie van hechtingsopeningen Lower Rate (Onderfrequentie) M Magneetoplegging Magneet, patiënt zie Tachy Patient Magnet (Model 9466) magnetic resonance imaging (MRI) Magnetische velden, statische Marker Channel-annotaties... 84, 291 Detectie In realtime-signaalregistraties Stimulatie Therapieën Marker Channel-codes Bij episode-egm-gegevens Materialen benodigd bij implantatie Maximale tijdsduur voor SVT-criteria Evaluatie Programmeren Richtlijnen Skip to VF Therapy (Ga naar VF-therapie) Werking Zone Appropriate Therapy (Toepasselijke therapie voor zone) Maximale volgfrequentie Medical Implant Communications Service (MICS)-frequentieband... 21, 37 Medtronic CareAlert-alarmen Alarmtijdstip, selecteren Draadloze communicatie Evaluatie Hoorbaar alarm Niet-programmeerbaar Patiënt instrueren Programmeerbaar Programmeren Richtlijnen Werking Medtronic CareAlert Hoorbare tonen Magneetoplegging Overzicht van events Parameters MICS-frequentieband... 21, 37 M-modusechometingen Mobiele telefoons Mode-switch Begin van een atriale episode En AT/AF-onset Evaluatie Programmeren Werking Mode Switch (Mode-switch) Begin van een atriale episode Werking Modi, stimulatie- AAI en AAIR AOO DDDR en DDD DDIR en DDI DOO Eenkamer Emergency-VVI Niet-volgmodi ODO Parameters Selectie Artsenhandleiding
415 Tweekamer Volgmodi VOO VVIR en VVI Weergave van actieve modus zie ook Mode-switch Mogelijke complicaties Momentsleuteltje Monitor, thuis CareLink-monitor (Model 2490C) PatientLook-indicator (Model 2490R)... 22, 128 Monitor voor thuis CareLink-monitor (Model 2490C) PatientLook-indicator (Model 2490R)... 22, 128 MRI N NCAP (Niet-concurrerende atriale stimulatie) Niet-concurrerende atriale stimulatie (NCAP).. 233, 234 Evaluatie Parameters Programmeren Werking zie ook PMT Intervention (PMT-interventie) zie ook PVC-respons Niet-volgstimulatiemodi Nominale parameterset van Medtronic Nominale parameters Nominaal symbool Nominale waarden van Medtronic zie ook Parameters, programmeerbare Non-sustained ventriculaire tachycardieën (VT-NS-episodes) [Normalize] (Normaliseren)-toets O Observaties, Quick Look II Onderbreken en hervatten van detectie En EP-studies Met een magneet Met het programmeerapparaat Richtlijnen Onderfrequentie Sleep (Slaap)-functie Onset-functie Evaluatie Onset Monitor (Onset-bewaking) Programmeren Richtlijnen VT-bewakingsevents Werking Opdrachtbalk, programmeerapparaat Opgeslagen energie Opgeslagen gegevens zie Gegevens, opgeslagen Oplaadtijd Evaluatie , 347 Informatie over Optimaliseren Typische Opslaan op diskette Opslag, apparaat Optimalisatie van het frequentieprofiel Oversensing Overzicht van het systeem P Pacemakerafhankelijke patiënten Pacemakergeïnduceerde tachycardie Pacemaker-Wenckebach Parametersets Aangepaste sets Initiële uitlezing Nominale waarden van Medtronic Opslaan Opvragen Parameters, niet-programmeerbaar Parameters Adapterend, symbool Programmeerinstructies Veranderd in deze sessie Voorgeselecteerde waarden zie ook Parameters, programmeerbare Parameters, programmeerbaar Atriale stimulatie Blankingperioden Gegevensverzameling RV. stimulatie Sleep (Slaap)-functie Stimulatie na een door VT/VF-geïnduceerde schok Stimulatie na een schok VRS Parameters, programmeerbare AT/AF-detectie Atrial Tracking Recovery (Herstel atriaal volgen) Doorgeleide AF-respons Emergency-therapie EP-studies Frequenties Handmatige therapieën , 397, 398 Artsenhandleiding 415
416 Inducties LV-stimulatie Medtronic CareAlert Modi, stimulatie NCAP PMT Intervention (PMT-interventie) PVC-respons Rate Adaptive AV (Frequentieadapterend AV) Rate Response (Frequentierespons) , 385 Stimulatie-intervallen Systeemtest Ventriculaire therapieën V Safety Pacing (V-veiligheidsstimulatie) VT/VF-detectie Parameters resetten zie Parameters, programmeerbare Parameters-scherm Parameters bekijken Programmeerbare parameters Secundair Params (Parameters)-pictogram... 53, 64 Patient Assistant zie InCheck-Patient Assistant (Model 2696) Patiënt follow-upsessie Patiëntgegevens Bekijken en invoeren Geëxporteerd uit de analyzer History, venster Veldbeschrijvingen zie ook TherapyGuide Patiëntidentificatie... 55, 76 PatientLook-indicator (Model 2490R)... 22, 128 Patient (Patiënt)-pictogram PAV (Gestimuleerd AV-interval) PES-inductie Afgeven Parameters Pictogrammen Checklist (Controlelijst)... 53, 59 Gegevens Params (Parameters)... 53, 64 Patient (Patiënt) Rapporten... 53, 93 Session (Sessie) Tests zie ook Toetsen PMT-interventie Programmeren Werking zie ook PVC-respons PMT Intervention (PMT-interventie) Parameters Polariteiten, geleidingsdraadzie Geleidingsdraadpolariteiten Poorten, geleidingsdraadconnector , 363 Positioneren Apparaat Geleidingsdraden Postventriculaire atriaal-refractaire periode (PVARP) Verlengd door PMT-interventie Verlengd door PVC-respons Postventriculaire atriale blanking (PVAB) Absolute PVAB Gedeeltelijke PVAB Gedeeltelijke+ PVAB Werking Post Ventricular Atrial Refractory Period (Postventriculaire atriaal-refractaire periode) (PVARP) Automatische PVARP Printer A4-formaat Programmeerapparaat Registratieapparaat van het programmeerapparaat [Print Later] (Later afdrukken)-toets [Print Now] (Nu afdrukken)-toets PR Logic AF/Afl-functie Andere 1:1 SVT s-functie Evaluatie Gedissocieerde SVT en VT Initiële uitlezing Programmeren Richtlijnen Sinustachycardie-functie Programmeerapparaat Apparaatstatus Berichten Display Draadloze Conexus-telemetrie... 21, 37 Instellen Niet-draadloze telemetrie Opslaan op diskette Overzicht Pictogrammenkolom Registratieapparaat Signaalregistraties aanpassen Signaalregistraties... 52, 80 Software Taakgebied Artsenhandleiding
417 Telemetriestatusindicator Toetsen Vanaf diskette lezen zie ook Actueleritmevenster zie ook Pictogrammen zie ook Toetsen Programmeerinstructies... 9 [PROGRAM]-toets Progressieve therapieafgifte Evaluatie Werking Progressive Episode Therapies (Progressieve therapieafgifte) Programmeren PSP , 367 P-top-amplitudemetingen en trends Waarneming evalueren Waarnemingstest Pulsduur Stimulatiedrempeltest Stimulatie PVAB (Postventriculaire atriale blanking) PVARP (Postventriculaire atriaal-refractaire periode) PVC-respons Parameters Programmeren Werking Q Quick Look II-gegevens Batterij-informatie En patiënt-follow-up Evaluatie van AT/AF-detectie Evaluatie van ventriculaire ATP-therapieën Evaluatie van ventriculaire-cv-therapieën Evaluatie van VF-therapieën Evaluatie van VT/VF-detectie Geleidingsdraadstatus en -trends Geleidingsstatus Observaties Toestand van de patiënt Quick Look II-rapport R Radiofrequentie-ablatie Ramp-stimulatie Ventriculaire-ATP-therapieën Ramp+ pacing (Ramp+-stimulatie) Rapporten Afdrukmethoden Afdrukopties instellen Afdrukwachtrij Cardiac Compass-rapport Eindrapport Frequentiehistogrammenrapport Initiële-uitlezingrapport Quick Look II-rapport Voorkeuren Rate Adaptive AV (Frequentieadapterend AV) Gestimuleerd AV-interval Parameters Waargenomen AV-interval Rate Response (Frequentierespons) Acceleratie en deceleratie ADL Rate (ADL-frequentie) ADL Response (ADL-respons) Bij implantatie Evaluatie Exertion Response (Inspanningsrespons) Frequentiecurve Handmatig programmeren Inspanningsdeceleratie Inspanningsfrequentiebereik Instelwaarden Lower Rate (Onderfrequentie) Optimalisatie van het frequentieprofiel Parameters , 385 Programmeren Richtlijnen Upper Sensor Rate (Maximale sensorfrequentie) Rate Response (Frequentiespons) Werking [Rationale ] (Achtergrond)-toets Recommended Replacement Time (RRT) (Aanbevolen vervangingstijd) Typische oplaadtijden Refractaire events Refractaire periode Atriaal Gesynchroniseerd voor therapieafgifte PVARP , 228 Registraties, van het signaal... 52, 80 Aanpassen... 82, 83 Bevriezen Reports (Rapporten)-pictogram... 53, 93 Resterende levensduur (PSP) , 367 [Resume] (Hervatten)-toets , 359 RF-ablatie... 32, 292 Röntgenidentificatie RRT , 367 Artsenhandleiding 417
418 R-top-amplitudemetingen en trends Amplitudetrends bekijken Waarneming evalueren Waarnemingstest S [Save To Disk ]-toets [Save ] parameters (Parameters opslaan)-toets SAV (Waargenomen AV-interval) Sensorfrequentie Sequenties, ventriculaire ATP Burst Ramp Ramp Sessies, patiënt Beëindigen Beginnen Effecten van condensatoroplading En markertransmissies Follow-up Starten met draadloze Conexus-telemetrie Starten met niet-draadloze telemetrie Telemetrie-effecten tijdens Wijzigingen bekijken Session (Sessie)-pictogram Signaalregistraties... 52, 80 Bevriezen Signaalstroken, actueel Opvragen Registratie Sinustachycardie Onset-functie Sinustachycardie-functie Slaapfrequentie Sleep (Slaap)-functie Evaluatie Parameters Programmeren Richtlijnen Werking Smart Mode ("Smart"-modus) , 309 Snelle-VT-detectie Via VF Via VT zie ook Ventriculaire detectie Softwareapplicatie Stabiliteitsfunctie Evaluatie Programmeren Richtlijnen VT-bewakingsevents Werking Statische magnetische velden Statusbalk, programmeerapparaat Stimulatiedrempels opslaan Stimulatiedrempeltest Parameters Richtlijnen Uitvoeren Veiligheidsmarge Stimulatie-intervallen Atriale refractaire periode Automatische PVARP Blankingperioden Frequentieadapterend AV (RAAV) Gestimuleerd AV-interval NCAP Parameters PVAB vaste PVARP Waargenomen AV-interval Stimulatiemodi zie Modi, stimulatie- Stimulatie na een door VT/VF-geïnduceerde schok Evaluatie Parameters Programmeren Werking Stimulatie na een schok Parameters Programmeren Werking Stimulatieparameters Stimulatietherapieën Automatische PVARP CRT-stimulatie Emergency, vaste-burststimulatie Emergency-VVI Evaluatie Frequentieadapterend AV (RAAV) Mode-switch NCAP PMT-interventie Programmeren PVC-respons Rate Response (Frequentierespons) Richtlijnen Sleep (Slaap)-functie Artsenhandleiding
419 Stimulatie na een door VT/VF-geïnduceerde schok Stimulatie na een schok VRS VSP [Strips ] (Stroken)-toets... 53, 89 Stroken, actueel signaal Opvragen Registratie Supraventriculaire tachycardie (SVT) , 257, 275 [Suspend] (Onderbreken)-toets SVC-defibrillatie-elektrode en Leadless ECG (LECG) zie ook Active Can/SVC Coil (SVC-defibrillatieelektrode) SVT-onderscheiding Negeren met High Rate Timeout (Maximale tijdsduur voor SVT-criteria) Onset-functie PR Logic Stabiliteitsfunctie SVT-onderscheidingsfuncties Symbolen, verpakking Symptomen Geregistreerd door patiënt Systeemtests zie Tests, systeem T Taakbalk, programmeerapparaat Tachy Patient Magnet (Model 9466) Medtronic CareAlert-alarmen Onderbreken en hervatten van detectie Telefoons, mobiele Telemetrie Draadloze Conexus-telemetrie Een programmeerkop gebruiken... 39, 44 Effecten tijdens Markers op signaalstrook Tellergegevens AT/AF-episodetellers , 372 Bekijken VT/VF-episodetellers , 371 VT/VF-therapietellers , 372 Test laden/ontladen Uitvoeren Tests-pictogram Tests, systeem Geleidingsdraadimpedantietest Parameters Stimulatiedrempeltest Test laden/ontladen Test voor het onderliggende ritme Waarnemingstest zie ook EP-studies Test voor het onderliggende ritme Richtlijnen Uitvoeren Therapeutische ultrasone golven Therapieën zie Handmatige therapieën zie Stimulatietherapieën zie Ventriculaire therapieën Therapie-instellingen, optimaliseren TherapyGuide Gesuggereerde waarden opvragen Klinische condities selecteren Rationale (Achtergrond)-venster bekijken Richtlijnen Suggesties programmeren [TherapyGuide ]-toets Tijd Lading Timeout laadcircuit Toepassing Toetsen [ABORT (Afbreken)] , 359 [Adjust (aanpassen) ] [Afdrukken ] [Afdrukopties ] Calibrate (Kalibreren) [Emergency]... 56, 58 Emergency-VVI [End Now] [End Session (Einde sessie) ] [Freeze (Bevriezen)-toets] [Get Suggestions (Suggesties opvragen)] [Go To Task (Ga naar taak)] [Interrogate...] [Normalize (Normaliseren)] [Save ] parameters (Parameters opslaan) [Get ] parameters (Parameters opvragen) [Print Later (Later afdrukken)] [Print Now (Nu afdrukken)] [PROGRAM (Programmeren)] [Rationale (Achtergrond) ] [Resume (Hervatten)] , 359 [Save To Disk (Opslaan op diskette) ] Selecteren [Stroken ]... 53, 89 [Suspend (Onderbreken)] Artsenhandleiding 419
420 [TherapyGuide ] [Undo (Ongedaan maken)] [Undo Pending (Voorselectie annuleren)] Vasthouden zie ook Pictogrammen Tonen Medtronic CareAlert-alarmen , 134 T-Shock-inductie Afgeven DFT testen Parameters U Uiterlijke kenmerken Uitgangspulsen Beheren Effect op levensduur apparaat Inhiberen Uitlezen, apparaat Ultrasone golven, therapeutische [Undo] (Ongedaan maken)-toets [Undo Pending] (Voorselectie annuleren)-toets Upper Sensor Rate (Maximale sensorfrequentie) UR Setpoint (Instelwaarde van de maximale frequentie) V Vanaf diskette lezen Vaste Burst-inductie Afgeven Parameters Vaste-Burststimulatie, emergency Vaste parameters Veiligheidsmarge Defibrillatie Velocity Time Integral (Snelheid-tijdintegraal) (VTI)-metingen Ventriculaire-ATP-therapieën Burst-therapiesequenties En progressieve therapieafgifte Evaluatie Parameters Programmeren Ramp-therapiesequenties Ramp+-therapiesequenties Richtlijnen Stimulatiefrequentie V-V minimum ATP-interval Werking Ventriculaire-CV-therapieën Active Can/SVC Coil (SVC-defibrillatie-elektrode) Emergency En progressieve therapieafgifte Evaluatie Parameters Programmeren Richtlijnen Stimulatie tijdens en na CV Stroomrichting Synchronisatie Werking Ventriculaire detectie Marker Channel-annotaties Maximale tijdsduur voor SVT-criteria Onderbreken en hervatten Onset-functie Parameters PR Logic Stabiliteitsfunctie VT/VF-detectie Ventriculairefrequentiestabilisatie (VRS) Evaluatie Parameters Programmeren Richtlijnen Werking Ventriculairetachycardiedetectie zie Ventriculaire detectie Ventriculaire therapieën Marker Channel-annotaties Parameters Progressieve therapieafgifte Therapieversnelling Ventriculair ATP Ventriculaire CV VF-therapie Ventriculaire veiligheidsstimulatie (VSP) Evaluatie Programmeren Richtlijnen Werking Ventriculaire-waarnemingsepisodegegevens Bekijken Evaluatie van CRT-stimulatie Evaluatie van de CRT-herstelfuncties Gegevensverzameling programmeren Geïnhibeerde CRT-stimulatie Artsenhandleiding
421 Ventriculairewaarnemingsrespons en VSP Onderbreking van Programmeren Richtlijnen Werking Vervanging aanbevolen-indicator (ERI) zie ook Aanbevolen vervangingstijd (RRT) Vervanging, apparaat Vervangingsindicatoren Aanbevolen vervangingstijd (RRT) , 367 Einde van de levensduur (EOS) Einde van de levensduur (EOS, End of Service) Resterende levensduur (PSP) Verwachte levensduur Verwijderen, apparaat VF-detectie zie VT/VF-detectie VF-therapie , 295 Aanwezigheid van VF bevestigen Active Can/SVC Coil (SVC-defibrillatie-elektrode) ATP tijdens opladen ATP vóór opladen Emergency En progressieve therapieafgifte Evaluatie Functie ChargeSaver (Oplaadbesparing) Functie Switchback (Terugschakelen) Initiële synchronisatie Parameters Programmeren Richtlijnen Smart Mode ("Smart"-modus) Stimulatie tijdens en na een defibrillatie Stroomrichting Therapie annuleren Volgende synchronisaties Werking zie ook Maximale tijdsduur voor SVT-criteria Volgstimulatiemodi Voorkeuren, programmeerapparaat Afdrukken Initiële rapporten VRS (Ventriculairefrequentiestabilisatie) V Safety Pacing (V-veiligheidsstimulatie) Parameters VSP (Ventriculaire veiligheidsstimulatie) VSR (Ventriculairewaarnemingsrespons) VT-bewaking VT-detectie zie VT/VF-detectie VT-therapie Parameters Ventriculaire-ATP-therapieën Ventriculaire-CV-therapieën VT/VF-detectie Beëindiging Detectie-intervallen Evaluatie Gecombineerde telling Herdetectie Initiële detectie Non-sustained ventriculaire tachycardieën (VT-NS-episodes) Parameters Programmeren Richtlijnen Snelle-VT-detectie (via VF) Snelle-VT-detectie (via VT) SVT-onderscheidingsfuncties VT-bewaking Werking Zonefusie Zones VT/VF-episodetellers , 371 Evaluatie van VRS Evaluatie van VT/VF-detectie VT/VF-therapietellers , 372 Evaluatie van ventriculaire ATP-therapieën Evaluatie van ventriculaire-cv-therapieën Evaluatie van VF-therapieën W Waargenomen AV-interval zie ook Rate Adaptive AV (Frequentieadapterend AV) Waarnemingsamplitudemetingen Automatisch Handmatig Waarnemingsamplitudetrends Waarnemingsdrempels opslaan Waarnemingsintegriteitsteller Waarneming evalueren Waarnemingstest Parameters P- en R-top-amplitudemetingen en trends Richtlijnen Uitvoeren Waarneming evalueren Artsenhandleiding 421
422 Waarneming Blankingperioden Evaluatie Oversensing Programmeren Refractaire perioden Richtlijnen Waarnemingsdrempels Werking Waarschuwingen en voorzorgsmaatregelen Algemene Apparaatwerking Explantatie en verwijderen Geleidingsdraden Gevaren van medische behandeling Mogelijke complicaties Opslag en hantering, apparaat Voorbereiden voor een implantatie Werkomgeving en thuis Waarschuwingsberichten Wenckebach-werking Z Zonefusie Zones VT/VF-detectie Artsenhandleiding
423
424 Fabrikant Medtronic, Inc. 710 Medtronic Parkway Minneapolis, MN Verenigde Staten Internet: Tel Fax: Geautoriseerde vertegenwoordiger van Medtronic binnen de EU/ Distributie Medtronic B.V. Earl Bakkenstraat PJ Heerlen Nederland Tel Fax: Hoofdkantoor Europa/Afrika/ Midden-Oosten Medtronic International Trading Sàrl Route du Molliau 31 Case Postale 84 CH-1131 Tolochenaz Zwitserland Internet: Tel Fax: Technische handleidingen: Medtronic, Inc M931501A005B *M931501A005*
CARDIA CRT-D D384TRG. Artsenhandleiding
Digitale implanteerbare cardioverter defibrillator met cardialeresynchronisatietherapie (VVE-DDDR) ATP During Charging -functie, Ventriculaire waarnemingsrespons-functie, Doorgeleide AF-respons-functie
CARDIA VR D384VRG. Digitale implanteerbare eenkamercardioverter defibrillator (VVE-VVIR) ATP During Charging - en Wavelet-functie.
Digitale implanteerbare eenkamercardioverter defibrillator (VVE-VVIR) ATP During Charging - en Wavelet-functie Artsenhandleiding 0123 2011 Artsenhandleiding Een handleiding voor het gebruik en het programmeren
ENSURA DR MRI SURESCAN EN1DR01, ENSURA SR MRI SURESCAN EN1SR01
ENSURA DR MRI SURESCAN EN1DR01, ENSURA SR MRI Onder voorwaarden MR-veilige digitale tweekamerpacemaker met SureScan -technologie (OOE-DDDR) Onder voorwaarden MR-veilige digitale eenkamerpacemaker met SureScan
BRAVA CRT-D DTBC2D1. Producthandleiding
BRAVA CRT-D DTBC2D1 Digitale implanteerbare cardioverter defibrillator met cardialeresynchronisatietherapie (VVE-DDDR) PhysioCurve -ontwerp, CardioSync -optimalisatie, SmartShock -technologie, Volledige
VIVA QUAD XT CRT-D DTBA2QQ
VIVA QUAD XT CRT-D DTBA2QQ Digitale implanteerbare cardioverter defibrillator met cardialeresynchronisatietherapie (DDE-DDDR) PhysioCurve -ontwerp, AdaptivCRT -algoritme, CardioSync -optimalisatie, Automatische
EVERA S DR DDBC3D4. Producthandleiding
EVERA S DR DDBC3D4 Digitale implanteerbare tweekamercardioverter defibrillator (DDE-DDDR) PhysioCurve -ontwerp, SmartShock -technologie, Volledige Capture Management -diagnostiek (ACM, RVCM) Producthandleiding
EVERA MRI S VR SURESCAN DVMC3D4
EVERA MRI S VR SURESCAN DVMC3D4 Digitale implanteerbare eenkamercardioverter defibrillator met SureScan -technologie (VVE-VVIR) Onder voorwaarden MR-veilig met PhysioCurve -ontwerp, SmartShock -technologie,
ENRHYTHM MRI SURESCAN EMDR01
ENRHYTHM MRI SURESCAN EMDR01 Tweekamerpacemaker met SureScan -technologie (OAE-DDDR) MR Conditional (MR-veilig onder voorwaarden) met MVP -modus, AT/AF Suite-diagnostieken en -therapieën, en Cardiac Compass
Pacemakers en ICD s. Symposium voor anesthesiemedewerkers. Kitty van der Beek-Schouten. Cardiac Device Specialist RdGG.
Pacemakers en ICD s Symposium voor anesthesiemedewerkers 20 mei 2016 Kitty van der Beek-Schouten Cardiac Device Specialist RdGG VRAAGJE. Hoeveel ICD dragers in Nederland? 35.000 er komen jaarlijks ongeveer
SENSIA SES01 Eenkamerpacemaker (AAI/VVI)
SENSIA SES01 Eenkamerpacemaker (AAI/VVI) Implantatiehandleiding 2005 0123 Onderstaande termen zijn handelsmerken van Medtronic: Capture Management, Medtronic, Sensia Inhoud 1 Beschrijving 5 2 Indicaties
RELIA RESR01 Frequentieresponsieve eenkamerpacemaker (AAIR/VVIR, AAI/ VVI)
RELIA RESR01 Frequentieresponsieve eenkamerpacemaker (AAIR/VVIR, AAI/ VVI) Implantatiehandleiding 2008 0123 Onderstaande termen zijn handelsmerken van Medtronic: Capture Management, Medtronic, Relia Inhoud
MEDTRONIC CARELINK -NETWERK Draadloos systeem voor monitoring op afstand. Vrij om je LEVEN te LEVEN
MEDTRONIC CARELINK -NETWERK Draadloos systeem voor monitoring op afstand Vrij om je LEVEN te LEVEN Voordat ik aangesloten was op het CareLinksysteem maakte ik me zorgen tijdens mijn reizen, ver van huis
SURESCAN. Informatie over MRI-procedures voor EnRhythm MRI SureScan Model EMDR01 en SureScan MR Conditional-geleidingsdraden. Technische handleiding
SURESCAN Informatie over MRI-procedures voor EnRhythm MRI SureScan Model EMDR01 en SureScan MR Conditional-geleidingsdraden Technische handleiding 0123 2009 In de onderstaande lijst staan de gedeponeerde
OVERZICHT APPARAAT. Knop Type patiënt. Pacemaker. Sync. Knop Rapporten Knop Afdrukken. Navigatieknoppen. Therapiepoort. ECG-poort.
SCHERM DEFIBRILLATOR OVERZICHT APPARAAT Knop Type patiënt Indicator Klaar voor gebruik USB-poort Therapieknop Overzicht apparaat AED Off Uit Monitor Display Kies energie Laden-knop Pacemaker Knop Lead
Uitleg externe tijdelijke pacemaker
Uitleg externe tijdelijke pacemaker De eerste externe pacemaker (1958) drs. M. van Trigt Sr. Therapy Sales Specialist Medtronic Trading NL BV 1 Externe tijdelijke tweekamerpacemaker Marcel van Trigt 10
Advisa MRI SureScan - en Ensura MRI SureScan -stimulatiesystemen
Advisa MRI SureScan - en Ensura MRI SureScan -stimulatiesystemen Onder voorwaarden MR-veilige Advisa MRI SureScan - en Ensura MRI SureScan -stimulatiesystemen (eenkamer en tweekamer) met MRI SureScan -geleidingsdraden
MyDiagnostick 1001R - Apparaat Handleiding DSF FINAL Revision 1. MyDiagnostick 1001R. Apparaat Handleiding. Page 1 of 11
MyDiagnostick 1001R Apparaat Handleiding Page 1 of 11 Table of Contents 1 INLEIDING... 3 1.1 Gebruiksdoel... 3 1.2 Software... 3 1.3 Informatie regelgeving... 3 1.4 Waarschuwingen... 3 2 VERPAKKING...
REVEAL LINQ LNQ11. Implanteerbare hartmonitor Informatie over MRI-procedures. Technische MRI-handleiding
REVEAL LINQ LNQ11 Implanteerbare hartmonitor Informatie over MRI-procedures Technische MRI-handleiding 0123 2013 In de onderstaande lijst staan de gedeponeerde of geregistreerde handelsmerken van Medtronic
F G H. Beschrijving LED s en hoorbare alarmen LED Geluid Uitgang Opladen Beschrijving Wat te doen? - - Nee Ja UPS is
Productinformatie E A C F G H A: Aan/uit-schakelaar : Gebruik wisselstroom: blijft groen branden Gebruik batterijstroom: knippert groen C: Gebruik wisselstroom: aanduiding spanningsniveau Gebruik batterijstroom:
M Series XL Battery. ZOLL XL Smart Battery Rev. C
M Series XL Battery ZOLL XL Smart Battery 9650-0221-16 Rev. C De verschijningsdatum of het revisienummer van deze handleiding bevindt zich op de voorzijde. ZOLL, XL Battery, Smart Battery, Base PowerCharger
Belangrijke informatie over medisch hulpmiddel Voortijdige uitputting batterij bij implanteerbare cardioverter-defibrillator
Belangrijke informatie over medisch hulpmiddel Voortijdige uitputting batterij bij implanteerbare cardioverter-defibrillator Om welke internationale modellen het precies gaat, leest u in de bijlage bij
Life-Point Pro Trainer manual A5 20-01-15 kleur voor prints.indd 1
Life-POINT Pro AED TRAINER handleiding Life-Point Pro Trainer manual A5 20-01-15 kleur voor prints.indd 1 20-01-15 20:03 Life-Point Pro AED - TRAINER Handleiding BELANGRIJK Leest u deze handleiding zorgvuldig
Medische procedure en EMI-voorzorgsmaatregelen
Medische procedure en EMI-voorzorgsmaatregelen Voor implanteerbare cardioverter defibrillatoren en defibrillatoren met cardialeresynchronisatietherapie Handleiding voor medisch personeel 0123 In de onderstaande
Gebruikershandleiding Draadloze Nokia Charging Stand DT-910
Gebruikershandleiding Draadloze Nokia Charging Stand DT-910 Uitgave 1.0 2 Over uw draadloze lader Met de Draadloze Nokia Charging Stand DT-910 kunt u uw telefoon draadloos opladen. Plaats uw telefoon op
GEBRUIKSAANWIJZING v. 1.0 AGDR-3500 TUIN STEKKERDOOS SCHAKELAAR ZWAAR
GEBRUIKSAANWIJZING v. 1.0 AGDR-3500 TUIN STEKKERDOOS SCHAKELAAR ZWAAR D C B A * * Afbeelding van de YCT-102 (niet altijd inbegrepen, check de specificaties op de verpakking) A: Indicator (spannings- en
Basisbeginselen van de pacemaker voor de anesthesist. Dr. Laurence Van Gestel Dr. Steve Coppens
Basisbeginselen van de pacemaker voor de anesthesist Dr. Laurence Van Gestel Dr. Steve Coppens Inhoudstafel 1. Basisprincipes 2. Permanente pacemaker 3. Tijdelijke pacemaker 4. Take home messages 1. Basisprincipes
URGENT FIELD SAFETY NOTICE. 1: Informatie over de VF inductie test door middel van een stimulatieburst van 30 Hz met RF-telemetrie
HOSPITAL NAME Cardioloog ADDRESS 27 juli 2016 URGENT FIELD SAFETY NOTICE Betreft PLATINIUM-apparaten geproduceerd door Sorin Group Italia S.r.l. 1: Informatie over de VF inductie test door middel van een
Handleiding Quick start
Handleiding Quick start Geachte klant, Hartelijk dank dat u heeft gekozen voor de mobiele telefoon General Mobile Discovery. Deze quick start handleiding is bedoeld om de belangrijkste functies van het
REVEAL XT 9529. Implanteerbare hartmonitor. Artsenhandleiding
REVEAL XT 9529 Implanteerbare hartmonitor Artsenhandleiding 0123 2007 In de onderstaande lijst staan de gedeponeerde of geregistreerde handelsmerken van Medtronic in de Verenigde Staten en mogelijk in
Belangrijke informatie over medisch hulpmiddel Voortijdige uitputting batterij bij implanteerbare cardioverter-defibrillator
Belangrijke informatie over medisch hulpmiddel Voortijdige uitputting batterij bij implanteerbare cardioverter-defibrillator Om welke internationale modellen het precies gaat, leest u in de bijlage bij
GEBRUIKSAANWIJZING v. 1.1 AC-1000 STEKKERDOOSSCHAKELAAR
GEBRUIKSAANWIJZING v. 1.1 AC-1000 STEKKERDOOSSCHAKELAAR A B C * Verlichting: Aan / Uit * Afbeelding van de YCT-102 (niet altijd inbegrepen, check de specificaties op de verpakking) A: Indicator (spannings-
Handleiding Digitale Thermostaat elektrische Handdoekradiatoren
Handleiding Digitale Thermostaat elektrische Handdoekradiatoren De BeauHeat digitale thermostaat is een digitale klokthermostaat voor automatische bediening van elektrische handdoekradiatoren. Een externe
Life-Point Pro AED - TRAINER Handleiding
Life-POINT Pro AED TRAINER handleiding Life-Point Pro AED - TRAINER Handleiding BELANGRIJK Leest u deze handleiding zorgvuldig door vóór het gebruik van het apparaat. De informatie in dit document behoort
AWST-8800 DRAADLOZE WANDSCHAKELAAR
GEBRUIKSAANWIJZING v. 2.0 AWST-8800 DRAADLOZE WANDSCHAKELAAR *Op www.klikaanklikuit.nl vind u altijd de meest recente gebruiksaanwijzingen OMSCHRIJVING Deze draadloze wandschakelaar kan op iedere gewenste
Inhoudstabel. Wat zit er in de doos... 3 Stroomvereisten... 4 Snelle setup... 5 Verlichtingsgids With Ring, you re Always home.
Chime Setup-gids Inhoudstabel 2 Wat zit er in de doos... 3 Stroomvereisten... 4 Snelle setup... 5 Verlichtingsgids... 6 With Ring, you re Always home. Wat zit er in de doos 3 1. Ring Chime 2. Stekker (VS,
CCS COMBO 2 ADAPTER. Handleiding
CCS COMBO 2 ADAPTER Handleiding WAARSCHUWINGEN BEWAAR DEZE BELANGRIJKE VEILIGHEIDSINSTRUCTIES. Dit document bevat belangrijke instructies en waarschuwingen die bij het gebruik van de CSS Combo 2-adapter
Stel de Trevler module niet bloot aan water of andere vloeibare substanties om gevaar voor u en schade aan het apparaat te voorkomen.
Handleiding WAARSCHUWING Stel de Trevler module niet bloot aan water of andere vloeibare substanties om gevaar voor u en schade aan het apparaat te voorkomen. Open de behuizing van uw Trevler nooit, om
INHOUDSOPGAVE 1. Algemene beschrijving... 6 2. Indicaties... 6 3. Contra-indicaties... 6 3.1. Algemeen... 6 3.2. Mogelijke complicaties... 7 4. Waarschuwingen voor de patiënt... 7 4.1. Risico's in verband
Charging base handleiding
Charging base handleiding Hartelijk dank Hartelijk dank dat u voor deze oplaadbare oplossing hebt gekozen. Uw charging base Uw hoorspecialist: Introductiejaar: 2017 Telefoonnummer: Serienummer: Garantie:
START SET DRAADLOOS SCHAKELEN
START-LINE GEBRUIKERSHANDLEIDING Op www.klikaanklikuit.nl vindt u altijd de meest recente gebruiksaanwijzingen Lees deze eenvoudige instructies. Bij onjuiste installatie vervalt de garantie op dit product.
12/02/2004, 14:53 THGR122NX_NL_R1 1
Draadloze Sensor Model: THGR122NX HANDLEIDING INHOUD Introductie... 1 Product Overzicht... 2 Draadloze Sensor (THGR122NX)... 2 Om te beginnen... 3 Batterijen... 3 Tafelstandaard of Muurbevestiging... 3
Gebruiksaanwijzing AED-trainer
Gebruiksaanwijzing AED-trainer ONDERDEELNUMMER Copyright 2007 Cardiac Science Corporation. All rights reserved. De AED-trainer (trainingstoestel voor automatische externe defibrillators) is een apparaat
GEBRUIKSAANWIJZING v. 1.0 AGDR-300 TUIN STEKKERDOOS DIMMER/SCHAKELAAR
GEBRUIKSAANWIJZING v. 1.0 AGDR-300 TUIN STEKKERDOOS DIMMER/SCHAKELAAR D C B A * * Afbeelding van de YCT-102 (niet altijd inbegrepen, check de specificaties op de verpakking) A: Indicator (spannings- en
MyCareLink PATIËNTMONITOR. Simple. Connected.
MyCareLink PATIËNTMONITOR Simple. Connected. Informatie over controle op afstand Controle op afstand wordt door uw arts voorgeschreven. Uw arts beschikt op deze manier snel over gegevens waarmee hij/zij:
ENPULSE. E2DR 01/03/06/21/31/33 Frequentieresponsieve tweekamerpacemaker (DDDR) Implantatiehandleiding
ENPULSE E2DR 01/03/06/21/31/33 Frequentieresponsieve tweekamerpacemaker (DDDR) Implantatiehandleiding 2003 0123 Onderstaande termen zijn handelsmerken van Medtronic: EnPulse, Intrinsic, Medtronic Inhoud
KR21E EY CHAIN REMOTE
KR21E EY CHAIN REMOTE KEY CHAIN REMOTE GEBRUIKSAANWIJZING 20484/20120530 KR21E TM REMOTE CONTROL ALL RIGHTS RESERVED MARMITEK 2 MARMITEK GEBRUIKSAANWIJZING KR21E AFSTANDSBEDIENING VEILIGHEIDSWAARSCHUWINGEN
FUMK50020 Draadloos mini-magneetcontact Secvest
FUMK50020 Draadloos mini-magneetcontact Secvest NL Installatiehandleiding Draadloos mini-magneetcontact 14 Version 1.0 390350 09-2014 - 44 - Inhoud Voorwoord...- 46 - Aanwijzingen over de batterij...-
GEBRUIKSAANWIJZING v. 1.0 ALED-003 DRAADLOZE LED SPOT
GEBRUIKSAANWIJZING v. 1.0 ALED-003 DRAADLOZE LED SPOT OMSCHRIJVING Deze LED spot met ingebouwde ontvanger is draadloos en dus overal te bevestigen. Met een KlikAanKlikUit zender naar keuze kunt u het lampje
Professional Supplies EIERKOOKAPPARAAT. Modelnr.: *688.107
Professional Supplies EIERKOOKAPPARAAT Modelnr.: *688.107 GEBRUIKSAANWIJZING Om volledig gebruik te maken van de mogelijkheden en storingen tot het minimum te beperken raden wij u aan om de gebruiksaanwijzing
Ga voor registratie van uw product en ondersteuning naar SBT50/00. Gebruiksaanwijzing
Ga voor registratie van uw product en ondersteuning naar www.philips.com/welcome SBT50/00 Gebruiksaanwijzing a b c d e f BEEP PHILIPS SBT50 1 Belangrijk Veiligheid Belangrijke veiligheidsinstructies
BELANGRIJKE VEILIGHEIDSINSTRUCTIES (A.U.B. BEWAREN).
Batterijoplader BELANGRIJKE VEILIGHEIDSINSTRUCTIES (A.U.B. BEWAREN). LEES AANDACHTIG DE VOLGENDE INSTRUCTIES DOOR OM HET RISICO VAN BRAND OF ELEKTRISCHE SCHOKKEN TE VERMINDEREN. Handleiding Art. -Nr:201604
DVM830L -- Digitale Mini Multimeter
1. Beschrijving -- Digitale Mini Multimeter De is een compacte multimeter met een 3 ½ digit LCD. Met dit apparaat kunt u AC en DC spanning, DC stroom, weerstanden, diodes en transistors meten. Het apparaat
GEBRUIKSAANWIJZING v. 2.0 AWST-8802 DRAADLOZE DUBBELE WANDSCHAKELAAR
GEBRUIKSAANWIJZING v. 2.0 AWST-8802 DRAADLOZE DUBBELE WANDSCHAKELAAR OMSCHRIJVING Deze draadloze wandschakelaar kan op iedere gewenste plaats bevestigd worden, zonder gedoe met draden of hoge spanning.
AGDR-300 TUIN STEKKERDOOS DIMMER/SCHAKELAAR. 2x 3x
2x 3x [5] De stekkerdoos schakelt ter bevestiging 2x in en uit. De code van de zender is in het geheugen van de stekkerdoos opgeslagen en het product is klaar voor gebruik. Er kunnen maximaal 6 verschillende
GEBRUIKSAANWIJZING v. 2.0 AMST-606 DRAADLOOS MAGNEETCONTACT
GEBRUIKSAANWIJZING v. 2.0 AMST-606 DRAADLOOS MAGNEETCONTACT OMSCHRIJVING Dit draadloze magneetcontact kan op iedere gewenste plaats bevestigd worden, zonder gedoe met draden of hoge spanning. Met het
Snelstartgids CJB26Q0ALAEB
Snelstartgids CJB26Q0ALAEB Welkom! In deze beknopte gebruiksaanwijzing wordt uw USB-modem beschreven, wordt informatie gegeven over hoe u de beheerparameters kunt instellen en hoe u helpinformatie op de
Informatiebrochure. Leven met een hartdefribillator. I Autonome verzorgingsinstelling
Informatiebrochure Leven met een hartdefribillator I Autonome verzorgingsinstelling IIInleiding Uw cardioloog heeft besloten bij u een hartdefibrillator (of ICD, Implanteerbare Cardioverter Defibrillator
Afstandsbediening Telis 16 RTS
Afstandsbediening Telis 16 RTS Bedieningshandleiding Telis 16 RTS Pure Art.nr. 1811020 Telis 16 RTS Silver Art.nr. 1811021 Afstandsbediening Telis 16 RTS 16 Kanaals zender met display Telis 16 RTS Pure
Spanning Capaciteit (mm) (mm) (g) (V) (mah) PR10-D6A PR70 1,4 75 5,8 3,6 0,3 PR13-D6A PR48 1,4 265 7,9 5,4 0,83 PR312-D6A PR41 1,4 145 7,9 3,6 0,58
Product Zink-luchtbatterij Modelnaam IEC Nominaal Nominaal Diameter Hoogte Gewicht Spanning Capaciteit (mm) (mm) (g) (V) (mah) PR10-D6A PR70 1,4 75 5,8 3,6 0,3 PR13-D6A PR48 1,4 265 7,9 5,4 0,83 PR312-D6A
GEBRUIKSAANWIJZING Stralingsmeter PCE-EMF 823
PCE Brookhuis Institutenweg 15 7521 PH Enschede The Netherlands Telefoon: +31 53 737 01 92 Fax: +31 53 430 36 46 [email protected] www.pcebrookhuis.nl GEBRUIKSAANWIJZING Stralingsmeter PCE-EMF 823 Inhoudsopgave
Gebruikershandleiding
Gebruikershandleiding nl 1 Suunto Cadence POD................................................... 3 2 Over Suunto Cadence POD.............................................. 5 2.1 INLEIDING.....................................................
www.klikaanklikuit.nl START-LINE ONTVANGER ACDB-7000C LEES ALTIJD EERST DEZE HANDLEIDING versie 2.0 Op www.klikaanklikuit.nl vindt u altijd de meest recente gebruiksaanwijzingen DRAADLOZE DEURBEL ONTVANGER
Printed: 07.07.2013 Doc-Nr: PUB / 5071466 / 000 / 00
OORSPRONKELIJKE GEBRUIKSAANWIJZING DD-ST-150/160-CCS Kruisrails Lees de handleiding beslist voordat u de machine de eerste keer gebruikt. Bewaar deze handleiding altijd bij het apparaat. Geef het apparaat
HANDLEIDING: BUITEN BEWEGINGSMELDER
HANDLEIDING: BUITEN BEWEGINGSMELDER Inhoud INTRODUCTIE... 2 INSTALLATIE... 3 INSTELLINGEN... 4 SCHAKELAAR SW1... 5 SCHAKELAAR SW2... 5 JUMPER SCHAKELAAR JP1... 5 TESTEN... 6 LOOPTEST... 6 RADIO LINK TEST...
EL-EPM01 Energiemeter
EL-EPM01 Energiemeter NEDERLANDSE INSTRUCTIES Introductie: De EL-PM01 energiemeter is ontwikkeld voor het bewaken en meten van het elektrische energieverbruik. Het apparaat biedt een effi ciënte manier
SPCE120 Indication Expander Gebruikershandleiding
SPCE120 Indication Expander Gebruikershandleiding 3.4 Copyright Copyright Technische specificaties en beschikbaarheid kunnen zonder voorafgaande kennisgeving worden gewijzigd. Copyright Alle rechten op
GEBRUIKSAANWIJZING v. 1.0 APA2-2300R AFSTANDSBEDIENING EN STEKKERDOOS SCHAKELAARS
GEBRUIKSAANWIJZING v. 1.0 APA2-2300R AFSTANDSBEDIENING EN STEKKERDOOS SCHAKELAARS A C B 1 2 1 2 G D E A: LED-indicator B: Kinderbeveiliging C: LED-indicator D: Aan/uit-toetsen E: Groeptoets (kanaal 1 en
Inhoud van de doos. 1 x PIR Huisdier-Tolerante Draadloze Bewegingsdetector 1 x Beugel 1 x Gebruiksaanwijzing
NED Inhoud van de doos 1 x PIR Huisdier-Tolerante Draadloze Bewegingsdetector 1 x Beugel 1 x Gebruiksaanwijzing De ASA-40 is een geavanceerde draadloze PIR-bewegingsdetector immuun tegen huisdieren. Deze
PIJN VERLICHTEN, LEVEN HERSTELLEN. U krijgt een permanent neurostimulatiesysteem. Innovating for life.
PIJN VERLICHTEN, LEVEN HERSTELLEN U krijgt een permanent neurostimulatiesysteem Innovating for life. 1 Tijdens de operatie wordt een permanente neurostimulator onder uw huid geplaatst. Deze neurostimulator
Implanteerbare hartritme monitor Reveal DX
Implanteerbare hartritme monitor Reveal DX Dag/datum:... Tijd:... Afdeling:... Bij patiënten die een reveal recorder krijgen, vindt controle plaats op de bacterie Staphylococcus areus. Een op de drie mensen
Bedieningshandleiding. ExaControl E7R S
Bedieningshandleiding ExaControl E7R S UW APPARAAT GEBRUIKEN UW APPARAAT GEBRUIKEN 1 Het apparaat wordt geleverd met: Snelstartgids voor de gebruiker, Snelstartgids voor de installateur, Garantieverklaring
Handleiding voor. Compact. Natte spons POROSITEIT DETECTOR
Handleiding voor Compact Natte spons POROSITEIT DETECTOR Voldoet aan de eisen als gegeven in: Australian Standard AS3894.2-2002 (Wet Sponge Testing), ASTM G62-A, NACE RP0274-98, ASTM G6 and AS1580.485.1
ALCT 6/24-2 GEBRUIKSAANWIJZING
ALCT 6/24-2 GEBRUIKSAANWIJZING [1] b c g d f e a [2] 0,5 1 2 NL Gebruiksaanwijzing ALCT 6/24-2 VOORWOORD Geachte klant, Dank u voor de aanschaf van de ANSM ANN lader ALC T 6-24/2. Deze gebruiksaanwijzing
GEBRUIKSAANWIJZING v. 1.0 AKCT-510 SLEUTELHANGER AFSTANDSBEDIENING
GEBRUIKSAANWIJZING v. 1.0 AKCT-510 SLEUTELHANGER AFSTANDSBEDIENING OMSCHRIJVING Met de AKCT-510 sleutelhanger afstandsbediening kunt u KlikAanKlikUit ontvangers bedienen om verlichting aan/uit te schakelen
Montage- en gebruikershandleiding
Montage- en gebruikershandleiding wapploxx Repeater 1:1 [1] wapploxx Handleiding Repeater - artikelnr. 505273 Inhoud 1. Algemeen... 3 1.1 Veiligheidsinstructies... 3 1.2 Technische gegevens van de wapploxx
POLAR CS CADENCE SENSOR W.I.N.D. Gebruiksaanwijzing
POLAR CS CADENCE SENSOR W.I.N.D. Gebruiksaanwijzing NEDERLANDS De Polar CS Trapfrequentiesensor W.I.N.D. is bedoeld voor meting van de trapfrequentie, d.w.z. het aantal omwentelingen van de pedalen per
Nokia Stereoheadset WH /1
Nokia Stereoheadset WH-600 7 9206937/1 2007 Nokia. Alle rechten voorbehouden. Nokia en Nokia Connecting People zijn gedeponeerde handelsmerken van Nokia Corporation. Namen van andere producten en bedrijven
www.klikaanklikuit.nl
www.klikaanklikuit.nl START-LINE ZENDER AEX-701 LEES ALTIJD EERST DEZE HANDLEIDING versie 2.0 Op www.klikaanklikuit.nl vindt u altijd de meest recente gebruiksaanwijzingen DRAADLOZE SIGNAALREPEATER Lees
HQ-CHARGER UUR SUPER COMPACTE ACCULADER VOOR AAA/AA ACCU'S
NEDERLANDS GEBRUIKSAANWIJZING HQ-CHARGER51 1-2 UUR SUPER COMPACTE ACCULADER VOOR AAA/AA ACCU'S LEES VÓÓR HET OPLADEN DE INSTRUCTIES Gebruikershandleiding Lees deze handleiding a.u.b. zorgvuldig. Deze handleiding
GEBRUIKSAANWIJZING v. 1.1 AC-300 STEKKERDOOS DIMMER/SCHAKELAAR
GEBRUIKSAANWIJZING v. 1.1 AC-300 STEKKERDOOS DIMMER/SCHAKELAAR A B C * Verlichting: Aan / Uit / Dimmen * Afbeelding van de YCT-102 (niet altijd inbegrepen, check de specificaties op de verpakking) A: Indicator
Gebruikershandleiding Nokia Wireless Charging Pillow by Fatboy DT-901
Gebruikershandleiding Nokia Wireless Charging Pillow by Fatboy DT-901 Uitgave 1.1 2 Over uw draadloze lader Met de Draadloze Nokia Charging Pillow van Fatboy DT-901 kunt u uw telefoon of ander compatibel
Welch Allyn Connex Spot Monitor - Snelzoekkaart
Welch Allyn Connex Spot Monitor - Snelzoekkaart Inhoudsopgave Aan/uit-knop...2 Uitschakelen...2 Aanmelden en een profiel selecteren...2 Batterijstatus...2 Profiel wijzigen...2 Bloeddrukmeting starten/stoppen...2
Professionele IP-telefoon
THOMSON 2010. Alle rechten voorbehouden. E-DOC-QIG-20100311-0005 v1.0. Professionele IP-telefoon Gids voor snelle installatie PAP Veiligheidsvoorschriften en regelgevingsinformatie LEES DEZE INSTRUCTIES
Calortrans M55. Handleiding.
Calortrans M55 Handleiding BELANGRIJKE VEILIGHEIDSINSTRUCTIES Voor veilig gebruik van de Calortrans M55 mokkenerpers moeten de volgende voorzorgsmaatregelen genomen worden: Vóór gebruik: Lees de complete
COMPACTE DRAADLOZE SCHAKELAAR
START-LINE ACC-2300 GEBRUIKERSHANDLEIDING Item 70181 Versie 5.0 Op www.klikaanklikuit.nl vindt u altijd de meest recente gebruiksaanwijzingen COMPACTE DRAADLOZE SCHAKELAAR Lees deze eenvoudige instructies.
MultiSport DV609 Nederlands
MultiSport DV609 Nederlands! Kennisgeving: High-definition video-opnameapparatuur met hoge beeldfrequentie vormt een zware belasting voor geheugenkaarten. Afhankelijk van uw instellingen wordt aanbevolen
Uw gebruiksaanwijzing. SAMSUNG MZ-7PC128D http://nl.yourpdfguides.com/dref/4565883
U kunt de aanbevelingen in de handleiding, de technische gids of de installatie gids voor SAMSUNG MZ-7PC128D. U vindt de antwoorden op al uw vragen over de SAMSUNG MZ-7PC128D in de gebruikershandleiding
Calortrans CT3845(M) Handleiding.
Calortrans CT3845(M) Handleiding BELANGRIJKE VEILIGHEIDSINSTRUCTIES Voor veilig gebruik van de Calortrans CT3845(M) transferpers moeten de volgende voorzorgsmaatregelen genomen worden: Vóór gebruik: Lees
Device Control configureren met de monitoring app
December 2016 Device Control configureren met de monitoring app Inhoudsopgave Device Control configureren met de monitoring app... 1 Inhoudsopgave... 1 Introductie... 1 Device informatie... 2 Activeringsknop...
Register your product and get support at SBA3010/00. Gebruiksaanwijzing
Register your product and get support at www.philips.com/welcome SBA3010/00 Gebruiksaanwijzing 1 Belangrijk Veiligheid Belangrijke veiligheidsinstructies Let op waarschuwingen. Volg alle instructies.
Calortrans M55. Handleiding
Calortrans M55 Handleiding Voorwoord BELANGRIJKE VEILIGHEIDSINSTRUCTIES Voor veilig gebruik van de Calortrans M55 mokkenpers moeten de volgende voorzorgsmaatregelen genomen worden: Vóór gebruik: Lees de
www.klikaanklikuit.nl
www.klikaanklikuit.nl START-LINE ZENDER AMST-606 LEES ALTIJD EERST DEZE HANDLEIDING versie.0 Op www.klikaanklikuit.nl vindt u altijd de meest recente gebruiksaanwijzingen DRAADLOOS DEUR/RAAM CONTACT Lees
MyCareLink PATIËNTMONITOR. Simple. Connected.
MyCareLink PATIËNTMONITOR Simple. Connected. Informatie over controle op afstand Controle op afstand wordt door uw arts voorgeschreven. Uw arts beschikt op deze manier snel over gegevens waarmee hij/zij:
GEBRUIKSAANWIJZING v. 1.1 ACDB-6600AC DRAADLOZE DEURBEL EN DRUKKNOP
GEBRUIKSAANWIJZING v. 1.1 ACDB-6600AC DRAADLOZE DEURBEL EN DRUKKNOP OMSCHRIJVING Omdat deze deurbel op batterijen werkt, kunt u de gong eenvoudig meenemen naar een andere kamer of mee naar buiten nemen
