CO 2 -studie ML-TRAC Rasenberg

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "CO 2 -studie ML-TRAC Rasenberg"

Transcriptie

1 Rasenberg Holding B.V. 22 maart 2011 Definitief rapport 9W

2 A COMPANY OF HASKONING NEDERLAND B.V. MILIEU Barbarossastraat 35 Postbus AD Nijmegen +31 (0) Telefoon +31 (0) Fax Internet Arnhem KvK Documenttitel Verkorte documenttitel Status Definitief rapport Datum 22 maart 2011 Projectnaam Projectnummer 9W Opdrachtgever Rasenberg Holding B.V. Referentie Auteur(s) Collegiale toets Drs. T.J. Beffers MSc. Ing. C.H. Geerts Datum/paraaf Vrijgegeven door Drs. T.J. Beffers MSc. Datum/paraaf

3 SAMENVATTING In het kader van één van de eisen van de CO 2 -prestatieladder en om zelf de CO 2 -winst te bepalen heeft Rasenberg besloten een studie naar de CO 2 -uitstoot als gevolg van de toepassing van Multi Life-cycle Total Recycling Asphalt Concrete (ML-TRAC) ten opzichte van conventioneel asfalt uit te voeren. Met de productiemethode ML-TRAC is het mogelijk dat alle soorten asfalt voor 95% uit gerecyclede grondstoffen kunnen bestaan. Omdat het mogelijk is gebleken het bestaande bitumen in het oude asfalt terug te brengen naar hun originele prestatieniveau, kan al het gefreesde asfalt, zowel het bindmiddel als de mineralen, opnieuw gebruikt worden. Er komt, behoudens een geringe hoeveelheid natuurlijk hars, geen nieuwe grondstof meer aan te pas. Rasenberg produceert ongeveer ton asfalt per jaar en heeft als doelstelling om vanaf ton per jaar ML-TRAC te produceren. Deze studie gaat over de CO 2 -emissiereductie die te behalen is door de vervanging van ton conventioneel asfalt door ton ML-TRAC. In de waardeketen van zowel conventioneel asfalt als ML-TRAC worden de volgende fasen onderscheiden: grondstoffase, productiefase, distributiefase, gebruiksfase en recyclingfase. Voor het identificeren van partners en het kwantificeren van de CO 2 -emissies worden alleen de grondstoffase, productiefase en recyclingfase relevant geacht. Rasenberg werkt in deze fasen samen met verschillende partners, zoals R.O.S., Ventraco Chemie, R.O.B. en A&G. De totale CO 2 -emissie in de keten van ton asfalt is in de conventionele situatie ton en voor ML-TRAC ton. Er wordt dus ton CO 2 bespaard door ML-TRAC toe te passen; een reductie van 55%. Deze winst is met name terug te voeren op de grondstoffase. Tijdens deze studies zijn verschillende aannames gemaakt en afbakeningen gedaan. De volgende onderdelen verdienen meer aandacht bij eventuele vervolgstappen: Deklaag: deze laag van steenslag is het meest aan slijtage onderhevig, maar is in deze studie niet meegenomen. Meerdere levenscycli. Transport: speelt ook een rol in de grondstoffase en recyclingfase en is nu alleen impliciet meegenomen. Energieverbruik tijdens het productieproces van ML-TRAC. Opbouw van de GER-waarden in de recyclingfase; Exact verbruik van primaire en secundaire brandstoffen in de verschillende fasen. Tot slot is niet alleen CO 2 -emissiereductie te verkrijgen door energiebesparing, maar ook door inzet van duurzame energie en materialen. De van plantaardige hars afkomstige ML-TRAC is een eerste stap. Er valt ook nog te denken aan inzet van biodiesel, groen gas, elektriciteit uit wind en zon en andere materialen die niet afkomstig zijn van fossiele grondstoffen. - i - Definitief rapport 22 maart 2011

4 INHOUDSOPGAVE 1 INLEIDING Achtergrond Motivatie Doel Inhoud Afbakening 2 2 DE CO 2 -PRESTATIELADDER Basis van ProRail Niveaus en invalshoeken Maatschappelijk belang en borging 4 3 EMISSIE-INVENTARISATIE VAN ML-TRAC Beschrijven van de waardeketen Bepalen welke categorieën het meest relevant zijn Identificeren van partners langs de waardeketen Kwantificeren van de scope 3 emissies 12 4 DISCUSSIE 18 5 CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN 20 6 BRONNEN 21 Blz. - ii - Definitief rapport 22 maart 2011

5 1 INLEIDING 1.1 Achtergrond Prorail beloont sinds 1 december 2009 bedrijven die klimaatbewust produceren. Dit wordt ingevuld door de CO 2 -prestatieladder. Hoe hoger de aanbestedende partij zich op de ladder bevindt, hoe meer kans op gunning. De CO 2 -prestatieladder heeft zes niveaus, opklimmend van 0 naar 5 (Zie bijlage 1). Rasenberg heeft inmiddels een certificering voor niveau 3, maar heeft de ambitie naar een hoger niveau te gaan. Eis 4.A.1 van Prorail (conform Handboek 1.2, 25 december 2010) luidt als volgt: Het bedrijf kan uit scope 3 tenminste 2 analyses van GHG-genererende (ketens van) activiteiten voorleggen conform de eisen daaraan gesteld. Deze studie naar de CO 2 -uitstoot als gevolg van de toepassing van Multi Life-cycle Total Recycling Asphalt Concrete (ML-TRAC) ten opzichte van conventioneel asfalt vormt één van de analyses. De andere analyse gaat over het toevoegen van gerecycled bitumen aan ZOAB en is in een apart rapport nader uitgewerkt. 1.2 Motivatie 1.3 Doel Rasenberg kan het initiatief van ProRail waarderen en ziet dit als een kans om haar onderscheidend vermogen tot uiting te brengen. Rasenberg heeft duurzaamheid en innovatie hoog in het vaandel staan. Met de productiemethode ML-TRAC is het mogelijk dat alle soorten asfalt voor 95% uit gerecyclede grondstoffen kunnen bestaan. Omdat het mogelijk is gebleken het bestaande bitumen in het oude asfalt terug te brengen naar hun originele prestatieniveau, kan al het gefreesde asfalt, zowel het bindmiddel als de mineralen, opnieuw gebruikt worden. Er komt bijna geen nieuwe grondstof meer aan te pas. Dit idee is zo n vijf jaar geleden ontstaan, omdat de roep naar duurzame producten sterker werd, er enorme prijsschommelingen waren en zijn in olie- en oliegerelateerde producten (bitumen) en omdat de concurrentiepositie van de kleinere ondernemer vraagt om slimme oplossingen. Deze studie dient niet alleen om aan de eisen van ProRail te voldoen, maar ook om de CO 2 -winst te bepalen die met de ML-TRAC-methode kan worden behaald. De CO 2 -prestatieladder is gebaseerd op het internationaal erkende Green House Gas Protocol (GHG-protocol). Binnen dit protocol worden drie scopes onderscheiden: Scope 1: directe emissiebronnen binnen de eigen organisatie. Scope 2: indirecte emissiebronnen gericht op het verbruik van ingekochte elektriciteit. Scope 3: overige indirecte emissiebronnen veroorzaakt door activiteiten van de eigen organisatie, maar ook emissies van leveranciers. Dit rapport heeft als doel een emissie-inventarisatie van Scope 3 te doen, met daaraan gekoppeld specifieke CO 2 -reductiemogelijkheden. Wanneer dit de compleetheid van de analyse bevordert, wordt ook scope 1 en 2 meegenomen. Dit wordt op een transparante wijze gerapporteerd. Definitief rapport maart 2011

6 1.4 Inhoud Om de emissie-inventarisatie op te kunnen stellen wordt eerst uitgelegd hoe de CO 2 -prestatieladder werkt (hoofdstuk twee). Hoofdstuk drie bevat de emissieinventarisatie. In de discussie (hoofdstuk vier) komen de beperkingen van dit onderzoek aan de orde. Hoofdstuk vijf geeft de conclusies en aanbevelingen naar aanleiding van het onderzoek weer. In de bijlagen kan detailinformatie geraadpleegd worden. 1.5 Afbakening Onderstaande afbakening maakt duidelijk welke onderdelen wel en niet worden meegenomen in deze studie. Studie conform eisen CO 2 -prestatieladder Dit rapport volgt de eisen en structuur van de CO 2 -prestatieladder, zoals deze op pagina 56 en 57 van het handboek zijn beschreven. Andere broeikasgassen niet van toepassing In deze studie is alleen CO 2 relevant. Andere broeikasgassen als CH 4 (methaan), N 2 O (lachgas), HFK s, HCFK s en SF 6 zijn in de ML-TRAC-keten niet gevonden. Focus op de keten De focus ligt op de meest relevante scope 3 categorieën in de waardeketen. Hierbij worden partners geïdentificeerd en de CO 2 -emissie gekwantificeerd. Er vindt in de hele keten, zover mogelijk, een vergelijking plaats tussen ML-TRAC en conventioneel asfalt. Verschillende aannames zullen worden onderbouwd. Definitief rapport maart 2011

7 2 DE CO 2 -PRESTATIELADDER 2.1 Basis van ProRail In het kader van de CO 2 -Prestatieladder lopen diverse acties binnen Rasenberg. Eén van die acties is het inventariseren van scope 3 emissies en daaraan gekoppeld de specifieke CO 2 -reductiedoelstellingen. Binnen scope 3 vallen de CO 2 -emissies die vrijkomen door de toepassing van ML-TRAC. De totale CO 2 -footprint die uit deze studie volgt, kan dan ook niet worden meegenomen in berekeningen van de footprint van Rasenberg zelf, omdat de laatstgenoemde het totaal van scope 1 en 2 is. De CO 2 -prestatieladder van ProRail kent een eigen scopediagram (figuur 2.1). ML- TRAC valt onder other consumables. Figuur 2.1: Scopediagram ProRail Definitief rapport maart 2011

8 2.2 Niveaus en invalshoeken De CO 2 -prestatieladder kent zes niveaus, opklimmend van 0 tot 5. Per niveau krijgt een bedrijf aan de hand van een vaste set eisen een plaats op de prestatieladder. Deze eisen komen voort uit vier invalshoeken met elk een eigen weegfactor: Tabel 2.1: Niveaus van de CO 2 -prestatieladdder Niveau Omschrijving invalshoek Weegfactor A0 5 Inzicht (in eigen carbon footprint ) 40% B0 5 CO 2 -reductie (de vastgelegde ambitie) 30% C0 5 Transparantie (de wijze waarop een bedrijf intern/extern communiceert) 20% D0 5 Deelname aan initiatieven (de mate waarin een bedrijf met collega-bedrijven samenwerkt op het gebied van CO 2 reductie) 10% Hoe beter de CO 2 prestaties van een bedrijf zijn, hoe hoger de positie van het bedrijf op de prestatieladder is (zie bijlage 1). Uit de prestatieladder van ProRail blijkt dat er binnen niveau 4 minstens twee analyses uitgevoerd moet worden van een scope 3 emissie. Het professioneel ondersteunen of becommentariëren van deze analyses zorgt voor een extra kwaliteitsslag en kan ook enkele punten opleveren voor de ladder. Deze becommentariëring is uitgevoerd door het gerenommeerde kennisinstituut CE Delft. Royal Haskoning heeft de opmerkingen van deze review verwerkt en is zo tot deze eindversie gekomen. De verschillende invalshoeken grijpen op elkaar in. Zo is een significante reductie (invalshoek B) het best te realiseren door een intensieve samenwerking met toeleveranciers (invalshoek D). In dit rapport ligt de focus echter op inzicht en mogelijkheden tot reductie (invalshoek A en B). 2.3 Maatschappelijk belang en borging Aan de hand van jaarlijkse berekeningen over de CO 2 -uitstoot en voortschrijdend inzicht zal de inventarisatie worden bijgewerkt. Zo worden de doelstellingen van Rasenberg geborgd in de organisatie. Gedurende het opstellen van de emissie-inventarisaties wordt ook onderzocht waar de potentie bestaat voor het invoeren van reductiemaatregelen voor CO 2 -emissies. Deze kunnen dan worden geïmplementeerd. Dit zal er uiteindelijk toe leiden dat de scope 3 emissies van ProRail omlaag gaan. Zo wordt het maatschappelijk belang van CO 2 -emissiereductie gediend. Rasenberg produceert ongeveer ton asfalt per jaar en heeft als doelstelling om vanaf ton per jaar ML-TRAC te produceren. Deze studie gaat over de CO 2 -emissiereductie die te behalen is door de vervanging van ton conventioneel asfalt door ton ML-TRAC. Eventueel kan in de verdere toekomst ML-TRAC nog meer worden toegepast, zeker als de totale asfaltproductie van Rasenberg blijft stijgen als gevolg van een toenemende vraag. Definitief rapport maart 2011

9 3 EMISSIE-INVENTARISATIE VAN ML-TRAC Dit hoofdstuk is opgebouwd uit vier onderdelen: 3.1. Beschrijving van de waardeketen Bepalen welke scope 3 categorieën het meest relevant zijn Identificeren van partners langs de waardeketen Kwantificeren van scope 3 emissies. Onderstaande paragrafen gaan hier gedetailleerd op in. 3.1 Beschrijven van de waardeketen De waardeketen van asfalt in een conventionele situatie is verschillend aan die van ML-TRAC; deze ketens zullen daarom parallel aan elkaar beschreven worden. Bij de berekeningen wordt de vergelijking gemaakt tussen ML-TRAC en Steenslag Asfalt Beton (STAB). Naast STAB zijn er nog veel meer soorten asfalt om mee te vergelijken. Dit is echter de meest logische, omdat steenslag qua massapercentage het belangrijkste onderdeel van het asfalt vormt. Voordat de fasen in de waardeketen worden doorlopen, is het van belang om te weten hoe asfalt precies is opgebouwd. Asfalt bestaat uit drie lagen, waarbij je altijd steenslag nodig hebt als bovenste laag. ML-TRAC kan in de onderste en middelste laag van het asfalt worden toegepast, maar niet in de bovenste laag; die bovenste laag heeft ook het meeste onderhoud nodig. Zie figuur 3.1. Figuur 3.1: Vereenvoudigde weergave van de asfaltlagen cm 4 cm Deklaag: altijd STAB 2 e laag: gewoon asfalt of ML-TRAC 1 e laag: gewoon asfalt of ML-TRAC De deklaag is in feite niet relevant voor deze studie, omdat hier geen ML-TRAC op toe te passen is. Dit is ook de reden dat bij de kwantificering (paragraaf 3.4) de berekeningen gebaseerd zijn op ton / jaar ML-TRAC, terwijl er nu in totaal ton / jaar asfalt geproduceerd wordt door Rasenberg. De overige ton / jaar is voor een deel STAB, bedoeld voor de deklagen. Definitief rapport maart 2011

10 ML-TRAC en het principe van Cradle to Cradle (C2C) Alle materialen die worden gebruikt in de productiecyclus van ML-TRAC voldoen aan het principe van C2C. De grootste stroom (95%) vormt freesmateriaal, wat restafval van oude wegen is. In het productieproces wordt ook zand toegevoegd (4,8%), een restproduct uit thermische reiniging. Het hars (0,2%) een restproduct bij de productie van bindmiddelen voor verfsystemen wordt normaal ingezet als brandstof voor energiecentrales, maar kent nu een hogere toepassingswaarde. Tot slot is ML-TRAC toepasbaar over meerdere levenscycli van het asfalt, wat het met recht duurzaam maakt. De CO 2 -emissie van conventioneel asfalt en ML-TRAC wordt bepaald door: A. Grondstoffase. B. Productiefase. C. Distributiefase. D. Gebruiksfase. E. Recyclingfase. A. Grondstoffase Conventioneel Asfalt bestaat uit minerale grondstoffen, vulstoffen en bindmiddelen. De minerale grondstoffen, ook wel het minerale aggregaat, bestaan uit steen, zand en vulstof. De grotere delen uit het minerale aggregaat vormen het minerale skelet wat het dragend vermogen van het asfaltmengsel is. Het minerale skelet is meestal opgebouwd uit steenslag en zand. Steenslag is gebroken gesteente (vaak grind), soms afkomstig van bakstenen (puin). Steenslag is qua massapercentage de belangrijkste grondstof. Steen en zand worden gewonnen uit respectievelijk steen- en zandgroeves. Zand kan ook afkomstig zijn uit thermische reiniging. De poriën in het mineraal skelet kunnen worden opgevuld met vulstoffen en bindmiddelen. De bindmiddelen (bitumen) zorgen samen met de vulstoffen voor de samenhang van het mengsel. De vulling wordt verzorgd door bitumen en vulstof (bijvoorbeeld vliegas of kalksteenmeel), eventueel aangevuld met zand. Bitumen vormt circa 4 tot 8 % van het totale massapercentage van een asfaltmengsel, maar is voor een groot deel bepalend voor de eigenschappen van het asfalt. Bitumen is afkomstig uit aardoliebronnen. In de conventionele situatie in Nederland vindt al recycling plaats. De aanname is dat 35% van het oude freesmateriaal (oud asfalt) weer in nieuw asfalt wordt toegepast. Oud freesmateriaal kan daarom ook gezien worden als belangrijke grondstof. De verschillende grondstoffen en het herbruikbaar freesmateriaal worden getransporteerd naar de asfaltcentrale. Definitief rapport maart 2011

11 ML-TRAC ML-TRAC bestaat uit 95% freesmateriaal, 4,8% zand en 0,2% natuurlijk hars. De hars wordt gewonnen uit het persen van schillen van noten. Deze plantaardige hars wordt nu al als drager in verfmiddelen toegepast. In de verfindustrie wordt, vergelijkbaar met de verwerking van gewone olie een destillatiekolom gebruikt om tot het gewenste product te komen. Het restproduct uit deze kolom wordt normaal gesproken verstookt. In plaats van verstoken wordt het restproduct nu toegepast in de waardeketen van ML- TRAC. Dit betekent een meer hoogwaardige toepassing van het restproduct. Aan de andere kant betekent dit ook een CO 2 -besparing doordat de restolie niet verstookt wordt. Deze winst zal echter beperkt zijn. Dit neveneffect zit verdisconteerd in de GERwaarde van hars. Paragraaf 3.4 gaat daar dieper op in. ML-TRAC bestaat slechts uit herbruikbaar freesmateriaal, zand en natuurlijke hars. Het natuurlijk hars hoeft in feite maar één keer getransporteerd te worden. Aan het eind van de levensduur kan ML-TRAC worden hergebruikt in een tweede levenscyclus, inclusief het natuurlijke hars. Voor de eenvoud wordt in deze studie één levenscyclus van ML- TRAC aangehouden. De eventuele verliezen die optreden bij meerdere levenscycli zijn dan ook niet relevant bij deze studie. B. Productiefase Conventioneel Om asfalt te produceren worden steenslag en grind gedroogd en verwarmd. Het drogen is van belang omdat bitumen, die later wordt toegevoegd, haar functie verliest in combinatie met water. De verschillende grondstoffen (met uitzondering van bitumen) worden dan in juiste proporties samengevoegd en intensief gemengd. De samenstelling wordt vervolgens verwarmd tot graden. Tot slot wordt bitumen en het asfaltgranulaat op hoge temperatuur toegevoegd. Het granulaat moet op een hogere temperatuur worden verwarmd dan nieuw asfalt; deze temperatuur kan oplopen tot boven de 200 graden Celsius. ML-TRAC De basis van ML-TRAC is dat er veel meer granulaat wordt hergebruikt dan in de conventionele situatie. In het productieproces treden bij verhoging van het recyclingpercentage echter twee problemen op: Homogeniteit van aangeleverd asfaltgranulaat (procesbeheersing). Veroudering van bitumen. Het verschil tussen primaire bouwstoffen en asfaltgranulaat is dat primaire bouwstoffen beheerst zijn geproduceerd qua eigenschappen. Asfaltgranulaat bevat deze beheerste primaire materialen; dit zijn grove steen, fijne steen en zand. De taak is vervolgens om asfaltgranulaat te bewerken tot primaire bouwstoffen. Dit is Rasenberg gelukt. Definitief rapport maart 2011

12 De veroudering van het bindmiddel bitumen is een grotere uitdaging gebleken. Bitumen veroudert door oxidatie en kristallisatie. Bij oxidatie verdwijnen vluchtige componenten, waardoor het bitumen verhardt. Bij kristallisatie worden zwaardere molecuulverbindingen gevormd door de polaire werking van de middelzware en zware fractie. Hierdoor verliest het bitumen haar flexibiliteit. Bitumen is chemisch opgebouwd uit topzware asfaltenen, zware harsen, lichte, verzadigde koolwaterstoffen en neutrale aromaten. De aromaten zorgen voor flexibel gedrag van het bitumen, terwijl asfaltenen bros gedrag veroorzaken. Harsen kunnen zowel bros als flexibel gedrag vertonen. Naarmate de tijd vordert, neemt door kristallisatie en oxidatie het percentage asfaltenen toe en het percentage aromaten af; het bitumen wordt steeds brosser. Zie ook tabel 3.1. Tabel 3.1: Samenstelling nieuw en oud bitumen Onderdeel Betekenis Flexibel / Samenstelling Samenstelling Bros nieuw oud gedrag Asfaltenen Aan elkaar gekoppelde Bros 15% 27% topzwaar benzeenringen, zelf weer gekoppeld aan aromaten Harsen zwaar Polaire aromatische verbindingen Flexibel / 53% 50% Bros Aromaten neutraal Benzeenringen Flexibel 27% 20% Verzadigde koolwaterstoffen licht 5% 2% Door middel van injectie en sterische hindering (het fenomeen dat er door het volume van bepaalde delen van een molecuul andere stukken van het molecuul zich niet vrij kunnen gedragen) van de harscomponenten waar Rasenberg de beschikking over heeft, is het mogelijk gebleken om het oude bitumen weer vergelijkbare eigenschappen te geven als het nieuwe bitumen. Om kristallen te verbreken en het hars te injecteren is het nodig het oude bitumen te verwarmen zodat het vloeibaar wordt. Figuur 3.2 geeft grafisch weer hoe dit proces van oud naar nieuw bitumen verloopt. Figuur 3.2: Van kristallisatie (oud bitumen) naar sterische hindering (nieuw bitumen) Definitief rapport maart 2011

13 ML-TRAC is inmiddels volgens Europese normen getest op stijfheid (weerstand tegen belasting), vermoeiing (weerstand tegen doorbuiging) en fasehoek (werking sterische hindering). Deze testen hebben laten zien dat ML-TRAC qua eigenschappen minstens vergelijkbaar en inzetbaar is als normaal asfalt, de invloed van geïnjecteerde hars tot verbeterde resultaten leidt en dat de resultaten stuurbaar zijn door de hoeveelheid hars. C. Distributiefase Conventioneel Vanuit de asfaltcentrale wordt het asfalt met vrachtauto s naar de werklocatie getransporteerd. Asfalt wordt warm vervoerd en warm aangebracht. Als de transportafstand te groot is, koelt het asfalt teveel af; de maximale transportafstand is circa kilometer. Het aanbrengen van het asfalt gebeurt met een asfaltspreidmachine. De verwerkingstemperatuur ligt hierbij op graden. Direct na het aanbrengen wordt de laag verdicht door walsen. Nadat het asfalt afgekoeld is kan de verharding in gebruik genomen worden. ML-TRAC De distributiefase van ML-TRAC is vergelijkbaar met die van conventioneel asfalt. D. Gebruiksfase Conventioneel Tijdens de gebruiksfase slijt het asfalt. Eventueel zijn er reparatiewerkzaamheden noodzakelijk. De levensduur is afhankelijk van het type asfalt, de drukte op de weg en het weer. Verschillende typen asfalt hebben een levensduur van 7 tot 20 jaar. ML-TRAC ML-TRAC heeft eenzelfde vermoeiingslevensduur en gebruikseigenschappen als conventioneel asfalt. De deklaag, die het meest aan slijtage onderhevig is, bestaat nog steeds uit conventioneel steenslag. E. Recyclingfase Conventioneel Asfalt kan opgebroken of gefreesd worden. Het vrijgekomen granulaat wordt hergebruikt als grondstof voor de productie van nieuw asfalt, hergebruikt voor een andere toepassing (bijvoorbeeld als funderingslaag) of afgevoerd door een eindverwerker. Afhankelijk van de korrelgrootte na frezen of breken bij de verwerker kan het materiaal in meer of mindere mate voor hergebruik aangewend worden. In nieuw asfalt kan circa 35% granulaat worden gebruikt. ML-TRAC Door toevoeging van natuurlijk hars kan 95% granulaat worden gebruikt in plaats van 35%. Daarnaast is nog 4,8% zand en 0,2% hars nodig. Het hars geeft ML-TRAC fundamenteel andere eigenschappen. Na één levenscyclus is ook recycling mogelijk inclusief het eerder toegevoegde hars. In deze studie wordt alleen de CO 2 -winst van de eerste levenscyclus berekend. Definitief rapport maart 2011

14 In figuur 3.3 en 3.4 staan de waardeketen van de conventionele situatie vergeleken met ML-TRAC weergegeven. Dit betreffen vereenvoudigde weergaven. Zo is niet te zien dat er in de waardeketen van ML-TRAC veel minder grondstoffen nodig zijn dan in de conventionele situatie. In de conventionele situatie is nog een afdankingsfase te zien; de 65% freesmateriaal wat niet kan worden gerecycled krijgt een alternatieve bestemming. Deze fase ontbreekt in zijn geheel bij ML-TRAC. Figuur 3.3: Waardeketen conventionele situatie Figuur 3.4: Waardeketen ML-TRAC Definitief rapport maart 2011

15 3.2 Bepalen welke categorieën het meest relevant zijn In paragraaf 3.1 is de volgende indeling aangehouden: A. Grondstoffase. B. Productiefase. C. Distributiefase. D. Gebruiksfase. E. Recyclingfase. A. Grondstoffase Door de inzet van gerecycled asfalt vindt een energiebesparing plaats. Dit komt door een besparing op het materiaalgebruik en dus een besparing op primaire grondstoffen. Met name het transport van steenslag en de productie en transport van bitumen leveren grote besparingen op. Hier zal ML-TRAC de grootste winst behalen in termen van CO 2 -emissie ten opzichte van de conventionele situatie. B. Productiefase De productie van 1 kg primair asfalt in de asfaltcentrale zal minder energie kosten dan de productie van 1 kg asfalt met een bepaald % gerecycled asfalt. In deze fase zal ML- TRAC dus zorgen voor meer CO 2 -uitstoot ten opzichte van de conventionele situatie. Dit wordt dus veroorzaakt door het oplossen van de problemen die ontstaan bij het opvoeren van het recyclingpercentage (o.a. extra bewerking van freesmateriaal en hogere temperatuur tijdens het mengen). C. Distributiefase Hoewel er geen verschil te verwachten is tussen ML-TRAC en de conventionele situatie, worden de berekeningen voor dit onderdeel toch uitgevoerd. In de relatieve vergelijking kunnen de resultaten tegen elkaar worden weggestreept, maar in de absolute vergelijking niet. De CO 2 -emissie van de distributiefase speelt een rol in de keten. Hoe meer CO 2 wordt bespaard in de andere fasen, hoe belangrijker deze fase wordt. D. Gebruiksfase De energiebesparing in de gebruiksfase kan veroorzaakt worden door verschil in rolweerstand en verschil in levensduur door de inzet van gerecycled asfalt. De invloed van de inzet van gerecycled asfalt op deze parameters is echter verwaarloosbaar. Zoals eerder aangegeven heeft ML-TRAC eenzelfde vermoeiingslevensduur en andere gebruikseigenschappen als conventioneel asfalt en wordt de deklaag (waar de meeste slijtage plaatsvindt) niet meegenomen. Deze fase is niet relevant. E. Recyclingfase Het recyclen van 1 kg asfalt kost een bepaalde hoeveelheid energie. Hoe meer asfalt gerecycled wordt, hoe meer energie dit kost. Dit verlies bij ML-TRAC wordt goedgemaakt door de energiebesparing die gepaard gaat met de vermeden productie van primaire grondstoffen door de inzet van 1 kg gerecycled asfalt. Deze CO 2 -winst zal terug te zien zijn in de grondstoffase. Definitief rapport maart 2011

16 Vier categorieën zijn dus relevant voor het identificeren van partners en het kwantificeren van de CO 2 -emissies: A. Grondstoffase. B. Productiefase. C. Distributiefase. E. Recyclingfase. 3.3 Identificeren van partners langs de waardeketen In tabel 3.2 staat een overzicht van de partners die een rol spelen in de waardeketen. Fase D (gebruiksfase) is niet meer meegenomen Tabel 3.2: Partners in de waardeketen Fase Conventionele situatie ML-TRAC A Grondstoffase R.O.S. Hars: Ventraco-chemie in Amsterdam Gereinigd zand uit Moerdijk B Productiefase Rasenberg Infra, wegenbouw C Distributiefase E recyclingfase R.O.B. Evt: A&G Moerdijk R.O.B. A&G Moerdijk Recycling Overslag Schiedam (R.O.S.) is een zand- en grindhandel. Daarnaast verzorgt zij de op- en overslag van diverse materialen. R.O.S. slaat de diverse materialen gescheiden op. R.O.S. levert zand en grind aan Rasenberg Infra, werkmaatschappij wegenbouw. Ventraco Chemie is leverancier van grondstoffen voor wegenbouwers en gespecialiseerd in het kleuren van asfalt en het leveren van additieven voor recycling en verlaging van de verwerkingstemperatuur van asfalt. De activiteiten van R.O.B. (Recycling & Overslag Breda) omvatten het innemen van ongebroken asfalt en het bewerken van deze materialen tot nieuwe funderingsmaterialen. R.O.B. heeft de mogelijkheid om zand en andere bouwstoffen over te slaan en af te zetten in de regio Breda. Ze is actief als tijdelijke opslagplaats. De werkzaamheden van A&G beslaan de velden van saneren, reinigen, afvalstoffen en bouwstoffen. Voor ML-TRAC betrekt Rasenberg hier gereinigd zand. Hierdoor hoeft er geen primair zand ingezet te worden. In de conventionele situatie zou het zand hier ook vandaan gehaald kunnen worden (of uit de zandgroeve). 3.4 Kwantificeren van de scope 3 emissies Agentschap NL 1 biedt formules en kentallen om de totale energiebesparing uit te rekenen in het kader van de MJA s (Meer Jaren Afspraken Energie Efficiency). Deze zijn bruikbaar voor het bepalen van de relevante CO 2 -emissies. 1 Agentschap NL is op 1 januari 2010 ontstaan uit ondermeer SenterNovem. SenterNovem is jaren daarvoor ontstaan uit Senter en Novem. In dit rapport worden de namen gebruikt van de instellingen die bestonden op het moment dat de betreffende kentallen zijn berekend. Definitief rapport maart 2011

17 Door het recyclen van asfalt vindt energiebesparing plaats op transport en productie van primaire grondstoffen (steenslag, bitumen, zand en vulstof) en energietoename tijdens het productieproces van asfalt vanwege de procesbeheersing en het oplossen van het verouderingsprobleem van het bitumen. Bureau SGS Intron heeft in opdracht van SenterNovem verschillende GER-waarden berekend. GER staat voor Gross Energy Requirement, de benodigde primaire energie voor een bepaald proces of een onderdeel daarvan. De GER-waarden zullen worden toegepast conform de gedefinieerde relevante categorieën. De GER-waarden in de grondstoffase zijn na een review op deze studie herberekend, wat heeft geleid tot hogere waarden in zowel de conventionele situatie als bij ML-TRAC. A Grondstoffase De GER-waarde in de grondstoffase van STAB en ML-TRAC wordt bepaald door de precieze materiaalsamenstelling, de energie-inhoud van de grondstof en de energie die benodigd is voor de productie van de grondstoffen. Conventionele situatie In de conventionele situatie is sprake van ton asfaltproductie per jaar, waarvan ton bestaat uit primaire grondstoffen. Deze grondstoffen zijn met name steenslag (54,5%), zand (35,5%, bij STAB is dit 75% brekerzand en 25% natuurlijk zand), vulstof (5,7%) en asfaltbitumen (4,3%), zie ook tabel 3.3. Bitumen heeft als enige grondstof ook een eigen energie-inhoud (39,5 MJ/kg). Dit houdt in dat bitumen, een aardolieproduct, in theorie een concurrerende toepassing heeft. Het kan namelijk verbrand worden en produceert dan een hoeveelheid energie en CO 2. Als deze energie wordt uitgespaard door recycling, komt deze beschikbaar voor een andere toepassing en mag dan als CO 2 -winst geclaimd worden. Samen met de energie die benodigd is voor de productie van grondstoffen wordt zo de GER-waarde van de grondstoffen bepaald. Zie hiervoor tabel 3.4. De totale GER-waarde wordt bepaald door de relatieve materiaalsamenstelling, tabel 3.5. Ondanks dat bitumen slechts 4,3% van de massa beslaat, levert het een belangrijk aandeel in de GER-waarde, dankzij de hoge energieinhoud. We nemen aan dat voor deze grondstoffase diesel de primaire brandstof is. Het transport en de productie van primaire grondstoffen kost 2,17 * = GJ aan diesel. Volgens SenterNovem (Cijfers en Tabellen, 2007) is de CO 2 -emissiefactor van gas- / dieselolie 74,3 kg / GJ. Bij de productie van primaire grondstoffen wordt daarom zo n ton CO 2 geëmitteerd. ML-TRAC Bij de productie van ton ML-TRAC per jaar bestaat ton uit gerecycled asfalt, ton zand en 200 ton hars. Gerecycled asfalt wordt in deze fase echter niet meegenomen. Van de ton grondstof bestaat dan 96% uit zand (net als bij STAB is de verhouding 75% brekerzand en 35% natuurlijk zand aangenomen) en 4% uit hars (tabel 3.3). Voor de energie-inhoud van hars is geen bron gevonden. De aanname is dat deze energie-inhoud gelijk is aan die van bitumen (tabel 3.4). Het transport en de productie van hars en zand kost 1,90 (tabel 3.5) * = GJ aan diesel. Bij de productie van primaire grondstoffen wordt daarom zo n ton CO 2 geëmitteerd. Definitief rapport maart 2011

18 Tabel 3.3: Materiaalsamenstellingen, grondstoffase Grondstof Conventionele situatie ML-TRAC Steenslag 54,5% Zand 35,5% 96,0% Vulstof zwak 5,7% Asfaltbitumen 40/60 4,3% Hars 4,0% Totaal 100% 100% Tabel 3.4: Bepaling GER-waarden, grondstoffase Grondstof Energie-inhoud grondstof (MJ/kg) Energie benodigd voor de productie van grondstoffen (MJ/kg) GER-waarde (MJ/kg) grondstoffen Steenslag 0,29 0,29 Zand 0,12 0,12 Vulstof zwak 0,93 0,93 Asfaltbitumen 40/60 39,50 5,12 44,62 Hars 39,50 5,12 44,62 Tabel 3.5: GER-waarden, grondstoffase Grondstof Conventionele situatie ML-TRAC Steenslag 0,16 Zand 0,04 0,11 Vulstof zwak 0,05 Asfaltbitumen 40/60 1,92 Hars 1,78 Totaal 2,17 1,90 B Productiefase De GER-waarde van de productie van asfalt is afhankelijk van het type asfalt en het recyclingpercentage. Als referentie-asfalt wordt Steenslag Asfalt Beton (STAB) genomen. Intron heeft de volgende kentallen berekend: C 1 : GER-waarde asfaltproductie bij 15% - 30% recycling = 0,42 MJ / kg. C 2 : GER-waarde asfaltproductie bij > 45% recycling = 0,43 MJ / kg. Recycling is gedefinieerd als de inzet van 1 kg gerecycled asfalt in een asfaltmengsel met x % gerecycled asfalt. Conventionele situatie Er wordt ton asfalt geproduceerd bij een recyclingpercentage van 35%. Hier wordt kental C 1 (15%-30% recycling, het precieze kental bij 35% recycling is niet bekend) gebruikt om tot de CO 2 -emissie te komen. De productie van ton asfalt kost 0,42 * = GJ aan aardgas. Definitief rapport maart 2011

19 Volgens SenterNovem is de CO 2 -emissiefactor van aardgas 56,8 kg / GJ. Bij de productie van asfalt wordt daarom ton CO 2 geëmitteerd. ML-TRAC Er wordt ton asfalt geproduceerd bij een recyclingpercentage van 95%. Hier wordt kental C 2 (>45% recycling) gebruikt om tot de CO 2 -emissie te komen. De productie van ton asfalt kost 0,43 * = GJ aan aardgas. Bij de productie van asfalt wordt dus ton CO 2 geëmitteerd. C. Distributiefase Conventioneel De transportafstand van de asfaltcentrale naar de werklocatie hangt natuurlijk af van het specifieke project, maar wordt ingeschat op 45 kilometer. Dit is in verband met temperatuurdaling tijdens transport de gangbare maximale transportafstand. Rasenberg maakt gebruik van vrachtauto s op dieselmotoren die gemiddeld 25 ton asfalt per keer kunnen transporteren en een eigen gewicht hebben van 21 ton. Voor dit onderdeel wordt gebruik gemaakt van de conversiefactoren van het CO 2 -prestatieladder-handboek van ProRail. Een vrachtauto (container / non-bulk) met een gewicht van meer dan 20 ton stoot 130 gram CO 2 / tonkm uit. Bij het vervoer van ton asfalt moeten er dus 4000 ritten worden gemaakt (enkele reis). De 25 ton asfalt wordt hierbij eenmaal meegerekend, de 21 ton eigen gewicht tweemaal. Dit levert een totale CO 2 -emissie op van ton. Tabel 3.6 geeft een overzicht. Tabel 3.6: Berekening CO 2 -uitstoot in de distributiefase Onderdeel Grootte [eenheid] Berekening gemiddelde afstand 45 km A Hoeveelheid materiaal ton B Vervoer per keer 25 ton C Gewicht lege vrachtauto 21 ton D Aantal benodigde ritten (enkele reis) 4000 E = B / C CO 2 -emissiefactor (bron: ProRail) 130 gram / tonkm F Totale CO 2 -uitstoot (ton) 1568 ton G = ((E*(C+2*D)*A*F)/ ) ML-TRAC De distributiefase van ML-TRAC is vergelijkbaar met die van conventioneel asfalt. E Recyclingfase De GER-waarde voor het verkrijgen van gerecycled asfalt is berekend op 0,29 MJ per kg gerecycled asfalt. Voor de GER waarde van het verkrijgen van 1 kg gerecycled asfalt zijn alle processen meegenomen totdat inzetbaar gerecycled asfalt is verkregen, inclusief transport naar de asfaltcentrale. Vervolgens is door Intron in de berekening de impact van het te substitueren mengsel afgetrokken. Dit betreft de substitutie van de primaire grondstoffen brekerzand, steenslag en vulstof (transport en productie). Conventionele situatie Voor het verkrijgen van gerecycled asfalt geldt dat er 0,29 * = GJ aan diesel benodigd is, wat neerkomt op 754 ton CO 2 -emissie. Definitief rapport maart 2011

20 ML-TRAC Voor het verkrijgen van gerecycled asfalt geldt dat er 0,29 * = GJ aan diesel benodigd is, wat neerkomt op ton CO 2 -emissie Eindsituatie De totale CO 2 -emissie in de keten van ton asfalt is in de conventionele situatie ton en voor ML-TRAC ton. Er wordt dus ton CO 2 bespaard door ML- TRAC toe te passen; een reductie van 55%. In de conventionele situatie wordt de meeste CO 2 uitgestoten in de grondstoffase (69%) en in minder mate in de productiefase (16%) en distributiefase (10%). Bij de toepassing van ML-TRAC is deze verdeling totaal anders; 36% van de CO 2 -uitstoot vindt plaats in de productiefase, 30% in de recyclingfase, 23% in de distributiefase en 10% in de grondstoffase. Verreweg de meeste CO 2 wordt dan ook bespaard in de grondstoffase, terwijl in de productie- en recyclingfase door de toepassing van ML-TRAC juist meer CO 2 wordt uitgestoten. Zie ook tabel 3.7 voor een samenvatting van de berekening. Tabel 3.7: Samenvatting CO 2 -berekeningen Onderdeel Grondstoffase (diesel) Productiefase (gas) Conventioneel Distributiefase (diesel) Recyclingfase (diesel) GER-waarde (MJ/kg) 2,17 0,42 0,29 Hoeveelheid materiaal (ton) Energieproductie (GJ) CO 2 -emissiefactor (kg / GJ) 74,30 56,80 74,30 CO 2 -emissie (ton) Onderdeel van het totaal 69% 16% 10% 5% Totale CO 2 -emissie (ton) ML-TRAC GER-waarde (MJ/kg) 1,90 0,43 0,29 Hoeveelheid materiaal (ton) Energieproductie (GJ) CO 2 -emissiefactor (kg / GJ) 74,30 56,80 74,30 CO 2 -emissie (ton) Onderdeel van het totaal 10% 36% 23% 30% Totale CO 2 -emissie (ton) 6761 Definitief rapport maart 2011

21 Onderdeel Grondstoffase (diesel) Besparing CO 2 - emissie (ton) 8429 Besparing CO 2 - emissie (%) 55% Productiefase (gas) Totaal Per fase Distributiefase (diesel) Recyclingfase (diesel) Besparing CO 2 - emissie (%) 1389% -2% 0% -63% Besparing CO 2 - emissie (ton) Definitief rapport maart 2011

22 4 DISCUSSIE Deklaag Ondanks de toepassing van ML-TRAC is altijd steenslag nodig als bovenste laag. In de berekeningen is deze deklaag buiten beschouwing gelaten. Voor de conventionele situatie is aangenomen dat de tweede en derde laag bestaat uit Steenslag Asfalt Beton (STAB); dit is vervolgens vergeleken met ML-TRAC. Meerdere levenscycli Bij meerdere levenscycli zou ML-TRAC nog meer CO 2 -emissiereductie kunnen opleveren, omdat dan ook het hars kan worden hergebruikt. Eindeloos hergebruik van ML-TRAC is nu nog niet aan te tonen, maar dit is ook niet het doel van deze studie. Figuur 3.4 laat een sluitende massastroom zien, waarbij het nodig is om, naast gerecycled materiaal, zand en hars toe te voegen. Productieproces ML-TRAC Om tot een hoger recyclingpercentage te komen, heeft Rasenberg twee problemen opgelost: Homogeniteit van aangeleverd asfaltgranulaat verzekerd door procesbeheersing. Veroudering van bitumen tegengegaan door injectie van een bepaald type hars, waardoor sterische hindering optreedt. Het is nog niet precies duidelijk of en hoeveel extra energie dit proces kost. De kentallen van bureau Intron rekenen wel een iets hogere GER-waarde bij hogere recyclingpercentages (van 0,42 naar 0,43), maar dit is een conservatieve inschatting. Het is al wel bekend dat, om kristallen te verbreken en het hars te injecteren, het nodig is om het oude bitumen te verwarmen zodat het vloeibaar wordt. Recyclingfase De GER-waarde voor het verkrijgen van gerecycled asfalt is door Intron berekend op 0,29 MJ per kg gerecycled asfalt. Hier is vervolgens wel de impact van het te substitueren mengsel afgetrokken, de primaire grondstoffen. Echter, in de grondstoffase zijn deze grondstoffen ook al niet meegenomen (in de conventionele situatie wordt gerekend met ton grondstof en bij ML-TRAC met ton). Er is getracht te achterhalen,welke getallen precies horen bij het aftrekken van de impact van het te substitueren mengsel. Dit is helaas niet helemaal duidelijk geworden. Wel is een gevoeligheidsanalyse uitgevoerd (zie hierna) waardoor er een beeld ontstaat van het effect van een hogere GER-waarde in deze fase op de totale CO 2 -uitstoot. Gevoeligheidsanalyse Uit het voorgaande blijkt dat in het productieproces en de recyclingfase GER-waarden zijn gebruikt die mogelijk hoger kunnen uitvallen wanneer meer gegevens bekend zijn. Om iets te kunnen zeggen over de impact op de totale CO 2 -uitstoot, is een korte gevoeligheidsanalyse uitgevoerd. Als de GER-waarde in het productieproces bij ML- TRAC met 50% stijgt (naar 0,645 MJ/kg) wordt de totale CO 2 -besparing ton; dat betekent een besparing van 47% in plaats van de eerder berekende 55%. Als de GERwaarde in de recyclingfase met 50% wordt verhoogd (naar 0,435 MJ/kg, voor beide productstromen!) wordt de totale CO 2 -besparing ton of 50% in plaats van 55%. Definitief rapport maart 2011

23 Brandstoffen In deze studie is de aanname gemaakt dat in de grondstoffase en recyclingfase alleen diesel nodig is en in de productiefase alleen aardgas. Dit is een sterke vereenvoudiging van de werkelijkheid. Elektriciteit en diesel ten behoeve van be- en verladen van asfalt zijn bijvoorbeeld niet meegenomen. Definitief rapport maart 2011

24 5 CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN Wanneer ton asfalt wordt geproduceerd kan door toepassing van ML-TRAC ton CO 2 bespaard worden; een reductie van 55% ten opzichte van de conventionele situatie. Deze winst is met name terug te voeren op de grondstoffase. Hier wordt maar liefst ton CO 2 bespaard, terwijl in de productie- en recyclingfase juist extra CO 2 wordt uitgestoten (respectievelijk 57 en ton). Dit veroorzaakt ook een heel andere verdeling van de CO 2 -emissie over de verschillende fasen. In de conventionele situatie wordt 85% van de CO 2 -uitstoot veroorzaakt in de grondstof- en productiefase, terwijl dit bij ML-TRAC voor 90% ligt in de productie- transport en recyclingfase. Het is mogelijk dat in de productiefase van ML-TRAC en in de recyclingfase van beide productstromen meer energie wordt verbruikt dan nu is aangenomen. Daarom is een korte gevoeligheidsanalyse uitgevoerd. Het effect van een 50% hogere GER-waarde in de productie- of recyclingfase op de totale CO 2 -uitstoot is echter beperkt. Bij deze toch fors hogere waarden kan nog steeds een reductie van 47% respectievelijk 50% worden geclaimd. Bij ML-TRAC wordt de relatieve rol van CO 2 -uitstoot in de transportfase groter dan in de conventionele situatie. Dit is natuurlijk te danken aan het feit dat de CO 2 -uitstoot in de grondstoffase zo laag is bij ML-TRAC. Tijdens deze studie zijn verschillende aannames gemaakt en afbakeningen gedaan. Om een nog beter beeld te krijgen van de volledige ecologische footprint van de levenscyclus van asfalt, verdienen studies naar de volgende onderdelen meer aandacht: Deklaag: deze laag van steenslag is het meest aan slijtage onderhevig. Meerdere levenscycli: welke onderdelen van het asfalt en ML-TRAC hebben welke levensduur en zijn uiteindelijk weer te hergebruiken? Transport: speelt ook een rol in de grondstoffase en recyclingfase en is nu alleen impliciet meegenomen in de GER-waarden. Energieverbruik tijdens het productieproces van ML-TRAC. Opbouw van de GER-waarden in de recyclingfase (in het Intron-rapport afdankfase genoemd). Precieze verbruik van primaire en secundaire brandstoffen in de verschillende fasen. Tot slot is niet alleen CO 2 -emissiereductie te verkrijgen door energiebesparing, maar ook door inzet van duurzame energie en materialen. De van plantaardige hars afkomstige ML-TRAC is een eerste stap. Er valt ook nog te denken aan biodiesel, groen gas, elektriciteit uit wind en zon en andere materialen die niet afkomstig zijn van fossiele grondstoffen. Definitief rapport maart 2011

25 6 BRONNEN 1. Berk, M. van den (2004), SGS Intron. Berekening energiebesparing door recycling van asfalt. 2. Berk, M. van den (2004), SGS Intron. Bouwstenen voor de LCA van asfalt in Nederland. Eindrapport. 3. Huerne, H. ter, Blom, P., en Koelen, J. (2010). Strukton scope 3, CO 2 -Emissie voor asfalt, Strukton Prorail (25 december 2010). CO 2 -prestatieladder, Samen zorgen voor minder CO 2. Handboek Rasenberg (17 februari 2011). ML-TRAC Een toekomst van en zonder afval. Presentatie behorende bij het 0%-symposium. 8. SenterNovem (2007). Cijfers en tabellen. 9. SenterNovem (laatste wijzigingsdatum: ). Voorbeeldrekenblad: hergebruik asfalt berekening besparing [xls, 45,50 kb]. 10. Sevenster, M. (maart 2011), CE Delft. Review CONCEPT. 11. World Business Council for Sustainable Development & World Resources Institute (2004). The Greenhouse Gas Protocol, A Corporate Accounting and Reporting Standard, Revised Edition. =o=o=o= Definitief rapport maart 2011

26 A COMPANY OF Bijlage 1 Certificatieschema (algemeen) Definitief rapport 22 maart 2011

27 De CO 2 -prestatieladder heeft zes niveaus, opklimmend van 0 naar 5. Hoe beter de CO 2 - prestatie van een bedrijf, hoe hoger de positie op de ladder. Een hogere positie leidt tot een gunningvoordeel, een (fictieve) korting op de inschrijfprijs. Een bedrijf voldoet aan de eisen van een bepaald niveau indien (1) voldaan is aan de minimale eisen voor A, B, C en D van het desbetreffende niveau en aan de eisen van de onderliggende niveaus en (2) de som van de gewogen scores op dat niveau minstens 90% van de maximale score is. De exacte eisen zijn vervat in een certificatenschema en de daarop gebaseerde auditchecklijsten. ProRail is beheerder van dit schema. Definitief rapport maart 2011

Datum/paraaf 24-05-2011.

Datum/paraaf 24-05-2011. A COMPANY OF HASKONING NEDERLAND B.V. MILIEU Barbarossastraat 35 Postbus 151 6500 AD Nijmegen +31 (0)24 328 42 84 Telefoon +31 (0)24 323 61 46 Fax [email protected] E-mail www.royalhaskoning.com

Nadere informatie

Review CO 2 -studie ZOAB Rasenberg

Review CO 2 -studie ZOAB Rasenberg Review CO 2 -studie ZOAB Rasenberg Notitie Delft, maart 2011 Opgesteld door: M.N. (Maartje) Sevenster M.E. (Marieke) Head 2 Maart 2011 2.403.1 Review CO 2 -studie ZOAB Rasenberg 1 Inleiding Binnen de prestatieladder

Nadere informatie

Voortgangsrapportage ketenstudies ZOAB en ML- TRAC Rasenberg Wegenbouw

Voortgangsrapportage ketenstudies ZOAB en ML- TRAC Rasenberg Wegenbouw Voortgangsrapportage ketenstudies ZOAB en ML- TRAC Rasenberg Wegenbouw tbv hercertificering niv. 5 op de CO2- Prestatieladder (2015) Deelrapport Rasenberg Wegenbouw B.V. maart 2015 Voortgangsrapportage

Nadere informatie

Ketenanalyse Asfalt scope 3. emissies

Ketenanalyse Asfalt scope 3. emissies Versie: 1.0 Datum vrijgave: 2-6-2017 Geldigheidsduur: 1 jaar Status: Concept Inhoudsopgave 1 Inleiding... 2 2 Kwaliteitsaspecten betreffende database en footprint... Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd.

Nadere informatie

Aanleg van nutsvoorzieningen

Aanleg van nutsvoorzieningen 3: Analyse van GHG-genererende (ketens van) activiteiten Afdeling KAM Blad 1 van 11 Aanleg van nutsvoorzieningen Blad 2 van 11 Voorwoord In het kader van de gestelde eisen in de CO 2 -prestatieladder van

Nadere informatie

Ketenanalyse Asfalt scope 3. emissies

Ketenanalyse Asfalt scope 3. emissies Versie: 1.0 Datum vrijgave: 27-4-2018 Geldigheidsduur: 1 jaar Status: Concept Inhoudsopgave 1 Inleiding... 2 2 Kwaliteitsaspecten betreffende database en footprint... Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd.

Nadere informatie

Ketenanalyse project Kluyverweg. Oranje BV. www.oranje-bv.nl. Conform de CO 2 -Prestatieladder 3.0. Versie : Versie 1.0 Datum : 10-11-2015

Ketenanalyse project Kluyverweg. Oranje BV. www.oranje-bv.nl. Conform de CO 2 -Prestatieladder 3.0. Versie : Versie 1.0 Datum : 10-11-2015 Ketenanalyse project Kluyverweg Oranje BV Conform de CO 2 -Prestatieladder 3.0 Versie : Versie 1.0 Datum : 10-11-2015 Handtekening autoriserend verantwoordelijk manager Autorisatiedatum: 3-12-2015 Naam

Nadere informatie

Ketenanalyse asfaltproductie

Ketenanalyse asfaltproductie PAGINA i van 13 Opdrachtgever: Stuurgroep MVO Besteknummer: - Projectnummer: 511133 Documentnummer: 511133_Rapportage_Ketenanlyse_asfaltproductie_2.1 Versie: 2.1 Status: Concept Uitgegeven door: Oosterhof

Nadere informatie

2013 Dit document is opgesteld volgens ISO 14064-1

2013 Dit document is opgesteld volgens ISO 14064-1 Emissie inventaris Netters infra De emissie inventaris van: 2013 Dit document is opgesteld volgens ISO 14064-1 Opgesteld door: AMK Inventis Stef Jonker Datum: april 2014 Concept Versie 1 Maart 2014 Pagina

Nadere informatie

ketenanalyse afvalverwijdering BESIX - OVT Utrecht

ketenanalyse afvalverwijdering BESIX - OVT Utrecht afvalverwijdering BESIX - OVT Utrecht BESIX Nederland Branch 23 februari 2015 DEFINITIEVE rapportage - 1 - Documenttitel afvalverwijdering BESIX OVT Utrecht Verkorte documenttitel Voortgangsrapportage

Nadere informatie

ketenanalyse afvalverwijdering BESIX - OVT Utrecht

ketenanalyse afvalverwijdering BESIX - OVT Utrecht afvalverwijdering BESIX - OVT Utrecht BESIX Nederland Branch 27 Februari 2014 DEFINITIEVE rapportage - 1 - Documenttitel afvalverwijdering BESIX OVT Utrecht Verkorte documenttitel Voortgangsrapportage

Nadere informatie

Ketenanalyse. Aannemingsbedrijf van der Meer. Datum: 4 december 2014. Pagina 1 van 11

Ketenanalyse. Aannemingsbedrijf van der Meer. Datum: 4 december 2014. Pagina 1 van 11 Ketenanalyse Aannemingsbedrijf van der Meer Datum: 4 december 2014 Status: definitief Pagina 1 van 11 Ketenanalyse Aannemingsbedrijf van der Meer B.V. November 2014 Bedrijfsgegevens Bedrijf: Aannemingsbedrijf

Nadere informatie

Becommentariëring ketenanalyse Schreuder Beheer B.V. inzake CO 2 -Prestatieladder

Becommentariëring ketenanalyse Schreuder Beheer B.V. inzake CO 2 -Prestatieladder 74100130-PGR/R&E 11-2658 Becommentariëring ketenanalyse Schreuder Beheer B.V. inzake CO 2 -Prestatieladder Arnhem, 21 november 2011 Auteur: R.G. Catau In opdracht van Schreuder Beheer B.V. KEMA Nederland

Nadere informatie

Ketenanalyse ophoogzand voor MNO Vervat

Ketenanalyse ophoogzand voor MNO Vervat DEFINITIEVE RAPPORTAGE Ketenanalyse ophoogzand voor MNO Vervat Betrokkenen: John Kerstjens Sander Hegger Maxim Luttmer MNO Vervat Groep Vestiging Rotterdam, november 2010 Rapportage Ketenanalyse ophoogzand

Nadere informatie

Scope 3 Ketenanalyse Coaten kasten Verkeersregelautomaat (VRA) Dynniq Mobility

Scope 3 Ketenanalyse Coaten kasten Verkeersregelautomaat (VRA) Dynniq Mobility Scope 3 Ketenanalyse Coaten kasten Verkeersregelautomaat (VRA) Dynniq Mobility Berry Krouwel Directeur Operations Dynniq Mobility Datum Handtekening Pieter van Manen HSE Manager Dynniq Mobility Datum Handtekening

Nadere informatie

Derde voortgangsrapportage CO2-emissiereductie.

Derde voortgangsrapportage CO2-emissiereductie. Derde voortgangsrapportage CO2-emissiereductie. Graag informeren wij u over de uitkomsten van onze Carbon Footprint en de derde CO 2 Emissie-inventarisatie, dit alles over 2014. Hierin zijn de hoeveelheden

Nadere informatie

3.A.1-2 Emissie inventaris rapport 2015

3.A.1-2 Emissie inventaris rapport 2015 3.A.1-2 Emissie inventaris rapport 2015 Inhoudsopgave 1 Inleiding en verantwoording 10 2 Beschrijving van de organisatie 10 3 Verantwoordelijke 11 4 Basisjaar en rapportage 11 5 Afbakening 11 6 Directe

Nadere informatie

P. DE BOORDER & ZOON B.V.

P. DE BOORDER & ZOON B.V. Footprint 2013 Wapeningscentrale P. DE BOORDER & ZOON B.V. Dit document is opgesteld volgens ISO 14064-1 Datum Versie Opsteller Gezien 31 maart 2014 Definitief Dhr. S.G. Jonker Dhr. K. De Boorder 2 Inhoudsopgave

Nadere informatie

Ketenanalyse Papier. Rapportage: KAP 2015 Datum: 21 augustus 2015 Opgesteld door: Rick Arts Versie: 1.1

Ketenanalyse Papier. Rapportage: KAP 2015 Datum: 21 augustus 2015 Opgesteld door: Rick Arts Versie: 1.1 2015 Ketenanalyse Papier Rapportage: KAP 2015 Datum: 21 augustus 2015 Opgesteld door: Rick Arts Versie: 1.1 Inhoud 1 Inleiding... 3 2 Ketenanalyse papier... 4 1.1 Keten van papier... 4 2.2 Identificeren

Nadere informatie

CO 2 -Prestatieladder

CO 2 -Prestatieladder Adviesbureau B.V Sint Bavostraat 60C 4891 CK RIJSBERGEN Telefoon (076) 597 47 16 CO 2 -Prestatieladder 3.A.1 Emissie-inventaris met CO2-Footprint www.apconbv.com ..........................................................................................

Nadere informatie

Ketenanalyse betonproducten. Criteria Conform niveau 5 op de CO2-prestatieladder 3.0 Opgesteld door Dennis Kreeft Handtekening

Ketenanalyse betonproducten. Criteria Conform niveau 5 op de CO2-prestatieladder 3.0 Opgesteld door Dennis Kreeft Handtekening Ketenanalyse betonproducten Criteria Conform niveau 5 op de CO2-prestatieladder 3.0 Opgesteld door Dennis Kreeft Handtekening Autorisatiedatum 12-06-2016 Versie 12-06-2016 2 Inhoudsopgave 1. Inleiding...

Nadere informatie

Ketenanalyse Afval in project "Nobelweg te Amsterdam"

Ketenanalyse Afval in project Nobelweg te Amsterdam Ketenanalyse Afval in project "Nobelweg te Amsterdam" 4.A.1_2 Ketenanalyse afval in project "Nobelweg te Amsterdam" 1/16 Inhoudsopgave 1 Inleiding 3 1.1. Wat is een ketenanalyse 3 1.2. Activiteiten Van

Nadere informatie

Peek B.V. Ketenanalyse CO 2 emissies baggerwerken

Peek B.V. Ketenanalyse CO 2 emissies baggerwerken Peek B.V. Ketenanalyse CO 2 emissies baggerwerken 1 september, 2010 Inhoudsopgave 1 Inleiding 3 1.1 Relevantie, motivatie 3 1.2 Ketenanalyses binnen scope 3 3 2 Baggerwerken als relevante Scope 3 emissie

Nadere informatie

2015-1 Dit document is opgesteld volgens ISO 14064-1

2015-1 Dit document is opgesteld volgens ISO 14064-1 Emissie inventaris Netters infra De emissie inventaris van: 2015-1 Dit document is opgesteld volgens ISO 14064-1 Opgesteld door: AMK Inventis Stef Jonker Datum: juli 2015 Versie 3 juli 2015 Pagina 1 van

Nadere informatie

Ketenanalyse Transport

Ketenanalyse Transport 2015 Ketenanalyse Transport Rapportage: KAS 2015 Datum: 21 augustus 2015 Opgesteld door: Rick Arts Versie: 1.2 Inhoud 1 Inleiding... 3 2 Doel... 4 2.1 Data inventarisatie... 4 2.2 Identificeren van partners

Nadere informatie

Scope 3 emissie inventarisatie

Scope 3 emissie inventarisatie Pagina: 1 van 12 Scope 3 emissie inventarisatie Pagina: 2 van 12 Inhoudsopgave 1. Inleiding... 3 2. Methode (bepaling relevantie scope 3 emissie categorie)... 4 2.1. Rangorde categorieën scope 3 emissies

Nadere informatie

CO 2 Prestatieladder. Ketenanalyse diesel. Aspect(en): 4.A.1

CO 2 Prestatieladder. Ketenanalyse diesel. Aspect(en): 4.A.1 CO 2 Prestatieladder Ketenanalyse diesel Auteur: Dhr. A.J. van Doornmalen Aspect(en): 4.A.1 Vrijgegeven: Dhr. A.J. van der Heul Datum: 17 april 2014 Inhoudsopgave 1.0 Inleiding... 3 2.0 Doelstelling...

Nadere informatie

Ketenanalyse Asfalt. : R. van Eummelen

Ketenanalyse Asfalt. : R. van Eummelen Ketenanalyse Asfalt Opdrachtgever Auteur : Remmits Groep : R. van Eummelen Voor akkoord versie: 1.0 d.d.: 12-02-2019 Autorisatie: Auteur: Projectleider: Directeur: Naam: R. van Eummelen J. Remmits P. Remmits

Nadere informatie

CO 2 Prestatieladder. Ketenanalyse zand. Aspect(en): 4.A.1

CO 2 Prestatieladder. Ketenanalyse zand. Aspect(en): 4.A.1 CO 2 Prestatieladder Ketenanalyse zand Auteur: Dhr. A.J. van Doornmalen Vrijgegeven: Dhr. A.J. van der Heul Aspect(en): 4.A.1 Datum: 04 april 2014 Inhoudsopgave 1.0 Identificatie... 3 2.0 Doelstelling...

Nadere informatie

Inhoud. Ketenanalyse prefab betonproducten GMB 2

Inhoud. Ketenanalyse prefab betonproducten GMB 2 Inhoud 1 Inleiding... 3 2 Stap 1: Uitwerking van de waardeketen... 4 2.1 Grondstoffen... 4 2.2 Transport naar betoncentrale... 4 2.3 Prefab betoncentrale... 4 2.4 Transport naar het project... 5 2.5 Gebruikersfase

Nadere informatie

Voortgangsrapportage CO 2 emissies ProRail Scope 1 en 2, eigen energiegebruik

Voortgangsrapportage CO 2 emissies ProRail Scope 1 en 2, eigen energiegebruik Voortgangsrapportage CO 2 emissies ProRail Scope 1 en 2, eigen energiegebruik Rapportage 1 e half jaar 2017 en prognose CO 2 voetafdruk 2017 Autorisatie paraaf datum gecontroleerd prl Projectleider Van

Nadere informatie

De emissie inventaris van: 2014 Dit document is opgesteld volgens ISO 14064-1

De emissie inventaris van: 2014 Dit document is opgesteld volgens ISO 14064-1 De emissie inventaris van: 2014 Dit document is opgesteld volgens ISO 14064-1 Opgesteld door: Stef Jonker Datum: 26 januari 2015 Inhoudsopgave 1 Inleiding... 3 2 De organisatie... 4 2.1 Verantwoordelijke...

Nadere informatie

Ketenanalyse Woon- Werkverkeer

Ketenanalyse Woon- Werkverkeer 2014 Ketenanalyse Woon- Werkverkeer Rapportage: KAWWV 2014 Datum: 12 Augustus 2014 Opgesteld door: Rick Arts Versie: 1.1 Inhoud 1 Inleiding... 3 2 Doel... 4 2.1 Data inventarisatie... 4 2.1.1 Zakelijke

Nadere informatie

Carbon Footprint Welling Bouw Vastgoed

Carbon Footprint Welling Bouw Vastgoed Carbon Footprint Welling Bouw Vastgoed Dit document bevat de uitgewerkte actuele emissie inventaris van Welling Bouw Vastgoed Rapportage januari december 2009 (referentiejaar) Opgesteld door: Wouter van

Nadere informatie

CO 2 -emissie scope 3 Ketenanalyse Bitumen

CO 2 -emissie scope 3 Ketenanalyse Bitumen Opgesteld door : ing. L.J.H. Poortvliet ing. G.J. van Rijswijk Gecontroleerd door : ing. M.A.J. Roozendaal Geautoriseerd door : Documentkenmerk : OAG--R01-2011 Datum : 18 april 2011 Versie : 1.0 Status

Nadere informatie

Ketenanalyse HKS-Van Mechelen-Eindverwerkers. Versie Inleiding

Ketenanalyse HKS-Van Mechelen-Eindverwerkers. Versie Inleiding Ketenanalyse HKS-Van Mechelen-Eindverwerkers Versie 31-12-2015 Inleiding Van Mechelen recycling b.v. verwerkt een groot deel van de bij Liander n.v. door HKS ingezamelde grondkabel. Na verwerking ontstaan

Nadere informatie

Aanleg van communicatienetwerken

Aanleg van communicatienetwerken BAM Infratechniek bv 3: Analyse van GHG-genererende (ketens van) activiteiten Afdeling Datum Blad KAM 27 mei 2010 1 van 14 Aanleg van communicatienetwerken Blad 2 van 14 Voorwoord In het kader van de gestelde

Nadere informatie

Ketenanalyse Beton. BESIX Nederland Branch Definitief rapport

Ketenanalyse Beton. BESIX Nederland Branch Definitief rapport Ketenanalyse Beton BESIX Nederland Branch 10-4-2017 Definitief rapport BESIX Nederland Branch Trondheim 22-24 Postbus 8 2990 AA Barendrecht +31 (0)180 64 19 90 Telefoon +31 (0)180 64 19 91 Fax [email protected]

Nadere informatie

SCOPE 3 analyse van GHG genererende (keten) activiteiten

SCOPE 3 analyse van GHG genererende (keten) activiteiten SCOPE 3 analyse van GHG genererende (keten) Inhoud 1. Inleiding... Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd. 2. Bedrijf... Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd. 3. Energieverbruik en energieverbruikers... Fout!

Nadere informatie

De emissie inventaris van: Aannemingsbedrijf Platenkamp Borne 2015 Dit document is opgesteld volgens ISO 14064-1

De emissie inventaris van: Aannemingsbedrijf Platenkamp Borne 2015 Dit document is opgesteld volgens ISO 14064-1 De emissie inventaris van: Aannemingsbedrijf Platenkamp Borne 2015 Dit document is opgesteld volgens ISO 14064-1 AMK Inventis Stef Jonker Januari 2016 Definitief 2 Inhoudsopgave 1 Inleiding... 4 2 De organisatie...

Nadere informatie

EMISSIE INVENTARIS. E. Lokken Groenvoorziening BV. Tel Noordzijde Directie Erik Lokken

EMISSIE INVENTARIS. E. Lokken Groenvoorziening BV. Tel Noordzijde Directie Erik Lokken EMISSIE INVENTARIS 2017 Tel 0599-648 102 Noordzijde 315 www.elokken.nl E-mail [email protected] 9515 PH, Gasselternijveenschemond Directie Erik Lokken INHOUDSOPGAVE 1 INLEIDING... 3 2 ORGANISATIE... 4 2.1

Nadere informatie

Emissie inventaris Brouwers Groenaannemers SCOPE 3 ANALYSE

Emissie inventaris Brouwers Groenaannemers SCOPE 3 ANALYSE Emissie inventaris Brouwers Groenaannemers SCOPE 3 ANALYSE 1. INLEIDING De uitstoot van CO2 kan in kaart worden gebracht aan de hand van drie scope s. Emissies in scope 1 zijn alle directe emissies. Scope

Nadere informatie

Evaluatie ketenanalyse Prefab Beton inzake CO 2 prestatieladder

Evaluatie ketenanalyse Prefab Beton inzake CO 2 prestatieladder Evaluatie ketenanalyse Prefab Beton inzake CO 2 prestatieladder Arnhem, 25 november 2010 KEMAi 18810002-TOS/HSM 10-5019 Evaluatie ketenanalyse Prefab Beton inzake C0 2 prestatieladder Arnhem, 25 november

Nadere informatie

3.A.1-2 Emissie inventaris rapport 2014. 1 Inleiding en verantwoording 3. 2 Beschrijving van de organisatie 4. 3 Verantwoordelijke 4

3.A.1-2 Emissie inventaris rapport 2014. 1 Inleiding en verantwoording 3. 2 Beschrijving van de organisatie 4. 3 Verantwoordelijke 4 3.A.1-2 Emissie inventaris rapport 2014 Inhoudsopgave 1 Inleiding en verantwoording 3 2 Beschrijving van de organisatie 4 3 Verantwoordelijke 4 4 Basisjaar en rapportage 4 5 Afbakening 4 6 Directe en indirecte

Nadere informatie

1 Inleiding en verantwoording 2. 2 Beschrijving van de organisatie 2. 3 Verantwoordelijke 2. 4 Basisjaar en rapportage 2.

1 Inleiding en verantwoording 2. 2 Beschrijving van de organisatie 2. 3 Verantwoordelijke 2. 4 Basisjaar en rapportage 2. 3.A.1-2 Inhoudsopgave 1 Inleiding en verantwoording 2 2 Beschrijving van de organisatie 2 3 Verantwoordelijke 2 4 Basisjaar en rapportage 2 5 Afbakening 2 6 Directe en indirecte GHG-emissies 3 6.1 Berekende

Nadere informatie