Loopbaanmonitor onderwijs 2008

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "Loopbaanmonitor onderwijs 2008"

Transcriptie

1 Loopbaanmonitor 2008 Onderzoek naar de arbeidsmarktpositie van afgestudeerden van de lerarenopleidingen in 2006 en 2007 Opdrachtgever: ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap ECORYS Ruud van der Aa Bart van Hulst RISBO Lyanda Vermeulen Rotterdam, februari 2009

2

3 ECORYS Nederland BV Postbus AD Rotterdam Watermanweg GG Rotterdam T F E [email protected] W K.v.K. nr ECORYS Arbeid & Sociaal Beleid T F AA/RG EE13891rapdefcohort2008

4 AA/RG EE13891rapdefcohort2008

5 Inhoudsopgave Voorwoord 7 Managementsamenvatting 9 1 Inleiding Achtergrond Doel van de Loopbaanmonitor Conceptueel kader Aanpak van het onderzoek Opzet Dataverzameling en respons 18 2 Naar de lerarenopleiding Inleiding Keuze voor de lerarenopleiding Vooropleiding Afstudeerleeftijd 24 3 Na de lerarenopleiding Inleiding Eerste positie na afstuderen Ontwikkeling in arbeidsmarktpositie cohort 2006 en Werkzaam in het De loopbaan na de eerste baan in het Toekomstige loopbaan in het Werkzaam buiten het Werken buiten het De loopbaan na de eerste baan buiten het Terugkeer in het? Niet werkzaam na afstuderen Verschillen in baankenmerken naar arbeidsmarktpositie Verschillen in arbeidsmarktpositie naar achtergrondkenmerken 47 AA/RG EE13891rapdefcohort2008

6 4 Regionale verschillen in arbeidsmarktpositie De arbeidsmarktpositie per regio Noord Oost Midden West Zuid Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht Arbeidsmarktpositie per RBA 54 5 Het werkklimaat voor beginnende leraren Inleiding Definitie van werkklimaat Verwachtingen van het werkklimaat Teleurstellingen over het werkklimaat De relatie tussen werkklimaat en verwachte loopbaanduur in het 62 Literatuur 65 Lijst met tabellen 69 Lijst met figuren 71 Bijlage bij hoofdstuk 1: Responsanalyse 73 Bijlage bij hoofdstuk 3 75 AA/RG EE13891rapdefcohort2008

7 Voorwoord Dit onderzoeksrapport is tot stand gekomen door de medewerking van afgestudeerden van de lerarenopleiding voor het basis en het voortgezet in 2006 en Hun medewerking bestond uit het invullen van een vragenlijst op internet of op papier. De Loopbaanmonitor 2008 geeft inzicht in de arbeidsmarktpositie van afgestudeerden uit 2006 en Het voorliggende rapport is een vervolg op de Loopbaanmonitor 2007 die de positie van afgestudeerden uit 2005 en 2006 beschrijft. Met betrekking tot de afgestudeerden uit 2006 voegt onderhavige publicatie een extra meetmoment toe ten opzichte van de voorgaande publicatie. Van elke lichting afgestudeerden geeft de Loopbaanmonitor inzicht in de arbeidsmarktpositie op verschillende tijdstippen, te weten kort na afstuderen, een half jaar na afstuderen en (voor afstudeerjaar 2006) een jaar na afstuderen. Vragen die in de Loopbaanmonitor centraal staan, zijn: hoeveel leraren vinden een baan in het, hoeveel blijven langs de kant staan en dreigen voor de sector verloren te gaan? Daarnaast biedt deze rapportage wederom tal van inzichten in studie- en loopbaankeuzes van nieuwe leraren. In combinatie met beschikbare informatie over openstaande vacatures en verwachtingen over de toekomstige vraag naar leraren, beschikt het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap met de Loopbaanmonitor over strategische informatie om vraag en aanbod op de arbeidsmarkt te monitoren en waar nodig tijdig bij te sturen. De Loopbaanmonitor 2008 is in opdracht van het ministerie van OCW uitgevoerd door een samenwerkingsverband van ECORYS en RISBO. De IB-groep heeft de verzending van brieven en enquêtes verzorgd. De verwerking van de enquêtes is uitgevoerd door Bureau Mediad, in samenwerking met DESAN. RISBO heeft de elektronische enquête verzorgd. De lay-out van het eindrapport is verzorgd door Ria Groenendijk. Namens het ministerie is het onderzoek begeleid door een commissie bestaande uit medewerkers van de directie Leraren van het ministerie van OCW, te weten: Hans Ruesink, Henk Lindner en Suzanne Westdorp. Wij bedanken allen die op directe of indirecte wijze hebben bijgedragen aan de totstandkoming van het onderzoek en het uiteindelijke rapport. Ruud van der Aa Projectleider Loopbaanmonitor

8

9 Managementsamenvatting De arbeidsmarktpositie van pas afgestudeerde leraren staat regelmatig ter discussie. De ene keer omdat de lerarenopleidingen onvoldoende leraren opleiden om in de toenemende vraag naar leraren te kunnen voorzien, de andere keer omdat niet alle afgestudeerden binnen een redelijke termijn een baan in het kunnen vinden. Dynamiek van vraag en aanbod en daaruit resulterende spanningen op de arbeidsmarkt zijn van alle tijden. Vanuit een oogpunt van opleidings- en arbeidsmarktbeleid is het belangrijk om de vinger aan de pols te houden. Het ministerie van OCW gebruikt hiervoor verschillende informatiekanalen, zoals de arbeidsmarktprognoses ( de arbeidsmarktbarometer voor primair, voortgezet en de bve-sector ( en de voorliggende Loopbaanmonitor De Loopbaanmonitor geeft inzicht in de arbeidsmarktpositie van pas afgestudeerden, hun ervaringen bij de start van de loopbaan, het beroepsrendement van de lerarenopleidingen, de uitstroom naar concurrerende sectoren op de arbeidsmarkt en de omvang en samenstelling van de stille reserve. Door middel van schriftelijke en internet-enquêtes is op verschillende meetmomenten de arbeidsmarktpositie van afgestudeerden van de lerarenopleiding vastgesteld. Hiermee wordt zowel een actueel beeld van de arbeidsmarktposities gegeven als van de ontwikkelingen die zich in het eerste jaar na afstuderen hebben voorgedaan. De uitkomsten zijn representatief voor de totale populatie van afgestudeerden aan de lerarenopleidingen in Nederland. Arbeidsmarktpositie van beginnende leraren Lerarenopleiding basis De uitkomsten van de Loopbaanmonitor laten zien dat afgestudeerden van de lerarenopleiding basis (BaO) in 2007 vaker (dan hun voorgangers in het voorgaande jaar) direct na afstuderen een baan in het vinden. Van de afgestudeerden in 2007 heeft 66 procent direct na afstuderen een baan in het (zie tabel S.1). Een half jaar na afstuderen is het aandeel afgestudeerden met een baan in het toegenomen tot 79 procent. De werkloosheid onder afgestudeerden is met 1 procent een half jaar na afstuderen extreem laag. Voor cohort 2006 bleef het aandeel afgestudeerden dat in het gaat werken direct na afstuderen achter ten opzichte van eerdere jaren. Van de afgestudeerden was Loopbaanmonitor

10 64 procent direct na afstuderen werkzaam in het. Deze aansluitingsdiscrepantie is echter van tijdelijke aard; in het eerste half jaar na afstuderen vinden veel afgestudeerden alsnog een baan in het. Overigens is de werkloosheid direct na afstuderen voor cohort 2006 eveneens laag te noemen. Tabel S.1 Arbeidsmarktsituaties van afgestudeerden van de lerarenopleiding BaO, cohort 2006 en 2007, op drie meetmomenten 1 Direct na afstuderen a) Half jaar na afstuderen a) Jaar na afstuderen a) Cohort 2006 Baan in 64% 72% 75% Baan buiten 15% 10% 13% Doorstuderen 8% 7% 4% Werkloos 3% 2% 3% Overig 9% 10% 5% Cohort 2007 Baan in 66% 79% Nb Baan buiten 15% 9% Nb Doorstuderen 11% 6% Nb Werkloos 2% 1% Nb Overig 6% 5% Nb Noot: als gevolg van afronding is het mogelijk dat de aantallen niet optellen tot 100%. a) direct na afstuderen heeft betrekking op de situatie in de maand oktober van het jaar van afstuderen; half jaar na afstuderen heeft betrekking op de situatie in de maand maart/april van het jaar, volgend op het jaar van afstuderen; jaar na afstuderen heeft betrekking op de situatie in de maand oktober, volgend op het jaar na afstuderen. Lerarenopleiding voortgezet (inclusief ULO) Het aandeel afgestudeerden uit 2007 van de lerarenopleiding voortgezet (VO) 2 dat direct na afstuderen in het gaat werken is 70 procent, vrijwel identiek aan de situatie in 2006 (zie tabel S.02). Een half jaar na afstuderen is het aandeel afgestudeerden met een baan in het toegenomen tot 75 procent, iets lager dan in 2006 (77%). Ongeveer één op de vijf afgestudeerden gaat na afstuderen buiten het werken. Dit is vergelijkbaar met de arbeidsmarktsituatie van afgestudeerden in Een aandeel van 20 procent met een baan buiten het is overigens hoog ten opzichte van voorgaande jaren. Mogelijk speelt de sterke economie in 2006 en 2007 hierin een rol, waardoor de arbeidsmarktkansen buiten het ruim zijn. Ook kan er een tijdelijke dip zijn in de vraag naar nieuwe leraren. 1 Deze cijfers wijken iets af van cijfers zoals deze in een eerdere rapportage over de Loopbaanmonitor zijn gepresenteerd. De gegevens voor cohort 2006 betreffen een deelpopulatie van de eerdere publicatie: de respondenten in onderhavige publicatie hebben deelgenomen aan alle drie de meetmomenten. 2 In deze rapportage verstaan we onder de lerarenopleiding VO zowel de lerarenopleiding voortgezet als de Universitaire Lerarenopleiding (ULO). 10 Loopbaanmonitor 2008

11 Tabel S.2 Arbeidsmarktsituaties van afgestudeerden van de lerarenopleiding VO, cohort 2006 en 2007, op drie meetmomenten Direct na afstuderen Half jaar na afstuderen Jaar na afstuderen Cohort 2006 Baan in 71% 77% 79% Baan buiten 20% 19% 11% Doorstuderen 5% 3% 5% Werkloos 2% 1% 2% Overig 2% 1% 4% C Cohort 2007 Baan in 70% 75% Nb Baan buiten 19% 19% Nb Doorstuderen 6% 3% Nb Werkloos 2% 1% Nb Overig 3% 2% Nb Noot: als gevolg van afronding is het mogelijk dat de aantallen niet optellen tot 100%. Start van de loopbaan in het De belangrijkste uitkomst is dat mensen die in het aan de slag gaan, het eerste halfjaar na afstuderen ook in het werkzaam blijven (meer dan 95%). Wanneer zij het verlaten, kan dit gaan om een baan buiten het, maar ook om een positie buiten de arbeidsmarkt (andere studie, zorgtaken, werkloosheid en dergelijke). Wanneer afgestudeerden een baan hebben gevonden in het, zijn zij in de meeste gevallen van plan om voor langere tijd in het werkzaam te blijven: in het basis ambieert meer dan helft van de afgestudeerden een langdurige loopbaan in het (meer dan tien jaar). Onder afgestudeerden van de lerarenopleiding VO heeft 44 procent van de afgestudeerden uit 2007 deze ambitie. Ongeveer een kwart van de pas afgestudeerde leraren heeft geen idee van de duur van hun loopbaan in het. Onder de afgestudeerden uit 2006 lag dit aandeel overigens circa 5 procentpunt hoger. Een baan in het verschilt in meerdere opzichten van een baan buiten het. In de voorgaande metingen van de Loopbaanmonitor is geconstateerd dat zij die binnen het werken in de regel vaker een contract voor langere duur hebben. Voor de afgestudeerden van de lerarenopleiding VO in 2007 geldt dit nog steeds. Afgemeten aan het aandeel afgestudeerden met een vaste aanstelling lijkt de baanzekerheid voor pas afgestudeerde leraren in het te zijn afgenomen. Van de afgestudeerden in 2007 met een baan in het basis heeft 30 procent een vast contract, voor degenen met een baan buiten het is dat 41 procent. Voor de afgestudeerden in 2006 was dit respectievelijk 39 en 42 procent. Loopbaanmonitor

12 Onder de afgestudeerden van de lerarenopleiding VO heeft 60 procent van de afgestudeerden met een baan in het een vast contract, tegen 46 procent van de afgestudeerden met een baan buiten het. Ook deze percentages liggen lager dan voor het cohort afgestudeerden uit Andere kenmerkende verschillen tussen een baan binnen en een baan buiten het zijn voor afgestudeerden onveranderd. In het zijn minder salarisverschillen; buiten het komen hogere salarissen vaker voor maar ook juist lagere salarissen. Verder geldt dat afgestudeerden die in het basis werken vaker voltijds werken, vaker dan de afgestudeerden die buiten het gaan werken en vaker dan hun collega s in het voortgezet. Baan buiten het Van de afgestudeerden uit 2007 heeft - direct na afstuderen - 15 procent van de afgestudeerden van de lerarenopleiding BaO en 19 procent van de afgestudeerden van de lerarenopleiding VO een baan buiten het. De redenen om voor een baan buiten het te kiezen, verschilt per type lerarenopleiding: Voor afgestudeerden van de lerarenopleiding BaO is de meest genoemde reden om buiten het te gaan werken, dat een baan in het moeilijk te vinden is. Dit was in de afgelopen jaren ook de meest genoemde reden; wel blijkt deze reden in 2007 vaker genoemd te worden dan in eerdere jaren. Voor afgestudeerden van de lerarenopleiding VO is juist de aantrekkingskracht van een baan buiten het de belangrijkste reden om niet in het te gaan werken. Van de afgestudeerden (in 2007) met - direct na afstuderen - een baan buiten het heeft ruim de helft een half jaar later nog steeds een baan buiten het. Ruim een derde heeft een half jaar na afstuderen alsnog een baan in het gevonden. Afgestudeerden van de lerarenopleiding BaO slagen hierin vaker dan de afgestudeerden van de lerarenopleiding VO. De afgestudeerden die buiten het werken, maken deel uit van de zogenaamde stille reserve. Een groot deel van de afgestudeerden die na een half jaar (nog) buiten het werken, zou eventueel in het willen werken (78% voor het BaO en 65% voor het VO). Aan een mogelijke overstap naar het worden door de afgestudeerden wel voorwaarden verbonden: een vast contract, een goed salaris en mogelijkheden voor eigen ontwikkeling zijn voor de potentiële overstappers belangrijke voorwaarden om een baan in het te accepteren. 12 Loopbaanmonitor 2008

13 Zonder baan en dan? Direct na afstuderen had 19 procent van de afgestudeerden van de lerarenopleiding BaO uit 2007 en 11 procent van de lerarenopleiding VO uit 2007 geen baan. De samenstelling en ontwikkeling van deze groep is als volgt: Slechts een klein deel is werkloos (2%). Andere redenen voor het niet hebben van een baan zijn: doorstuderen, zorg voor kinderen, een lange reis of vrijwilligerswerk. Van de afgestudeerden van de lerarenopleiding BaO die geen baan hadden, heeft een half jaar later 52 procent alsnog een baan in het gevonden. Van de afgestudeerden van de lerarenopleiding VO zonder baan direct na afstuderen heeft een half jaar later 38 procent alsnog een baan in het gevonden. Regionale verschillen in arbeidsmarktposities De kansen op een baan in het zijn regionaal verschillend. De kansen op een baan in het zijn het laagst in de regio Noord (Groningen, Friesland en Drenthe). Dit geldt zowel direct na afstuderen, als voor de arbeidsmarktsituaties een half jaar en een jaar na afstuderen. Een half jaar na afstuderen heeft 68 procent van de afgestudeerden uit 2007 in de regio Noord een baan in het. In de regio Oost en Zuid is dat 75 procent. In de regio Midden West is het aandeel afgestudeerden met een baan in het het hoogst (83 %). Overige verschillen in arbeidsmarktposities De arbeidsmarktpositie van afgestudeerden hangt (significant) samen met achtergrondkenmerken van de afgestudeerden: Mannelijke afgestudeerden hebben direct na afstuderen vaker een baan in het dan vrouwen. Dit verschil neemt af gedurende het eerste jaar na afstuderen. Afgestudeerden die tijdens hun studie een betaald LIO-of DIO-schap 3 hebben gehad, vinden vaker een baan in het dan degenen die dit niet hebben gehad. Afgestudeerden ouder dan 30 gaan vaker in het werken dan jongere afgestudeerden. Van de afgestudeerden van de lerarenopleiding VO werken afgestudeerden Nederlands, talen en (vooral) exacte vakken vaker in het dan andere afgestudeerden. Werkklimaat Dit jaar is in de Loopbaanmonitor apart aandacht besteed aan het werkklimaat voor beginnende leraren. Onder werkklimaat verstaan we de professionele relatie en sfeer tussen enerzijds de beginnende leraar en anderzijds het schoolmanagement en de 3 Toelichting: Een LIO of DIO heeft een leerarbeidsplaats en heeft bij de school een tijdelijk dienstverband van 5 maanden met een volledige werkweek of 10 maanden voor een deeltijdaanstelling (LIO= Leraar in opleiding; DIO=docent in opleiding). Loopbaanmonitor

14 collega s. Aspecten hiervan zijn bijvoorbeeld een positieve werksfeer, een gevoel van saamhorigheid onder het personeel, positieve feedback vanuit het management en de mate waarin leraren zeggenschap hebben over het schoolbeleid. In het algemeen zijn beginnende leraren in ruime meerderheid tevreden over het werkklimaat op hun school. Voor slechts tien procent van de beginnende leraren heeft het werkklimaat in het eerste jaar in hun baan tot teleurstellingen geleid. Beginnende leraren die afgestudeerd zijn aan een lerarenopleiding BaO zijn gemiddeld genomen meer tevreden over het werkklimaat dan beginnende leraren die afgestudeerd zijn aan een lerarenopleiding VO. Ontevredenheid over het werkklimaat heeft daarbij vaker betrekking op de relatie tussen de beginnende leraar en het schoolmanagement dan de relatie tussen de beginnende leraar en de collega s. Het gaat dan bijvoorbeeld om de mate waarin het schoolmanagement informeert naar hoe het de beginnende leraren vergaat en in hoeverre het schoolmanagement bij het toekennen van taken rekening houdt met het feit dat de leraren beginnende leraren zijn. Hoewel er bepaalde aspecten van het werkklimaat zijn waar veel leraren ontevreden over zijn, leidt dit over het geheel genomen niet tot grote teleurstellingen bij de beginnende leraren. Wel is gebleken dat beginnende leraren die teleurgesteld zijn over het werkklimaat op school beduidend minder lang van plan zijn in het werkzaam te blijven dan beginnende leraren die positief zijn over het werkklimaat. Twee aspecten halen we hierbij naar voren, namelijk werkdruk en aandacht van het schoolmanagement. Als het schoolmanagement meer structurele aandacht schenkt aan de beginnende leraren kan onduidelijkheid over bijvoorbeeld huisregels en procedures tijdig weggenomen worden en is de drempel voor beginnende leraren lager om problemen te bespreken. Hierdoor ervaren beginnende leraren de werkdruk als minder hoog. Aangezien een hoge werkdruk een belangrijke reden is om het te verlaten, kan hiermee uitval van personeel worden voorkomen. 14 Loopbaanmonitor 2008

15 1 Inleiding 1.1 Achtergrond De arbeidsmarkt staat volop in de belangstelling. De commissie Leraren (onder voorzitterschap van Rinnooy Kan) heeft in september 2007 de op termijn te verwachten knelpunten op de arbeidsmarkt nogmaals voor het voetlicht gebracht. Het ministerie van OCW heeft in reactie hierop het Actieplan LeerKracht van Nederland 4 gepresenteerd. Op basis van dit actieplan is tussen de minister van OCW en de sociale partners het Convenant Leerkracht van Nederland afgesloten. Het Convenant bevat een pakket aan maatregelen dat ervoor moet zorgen dat meer mensen kiezen voor een baan in het en dat de huidige leraren behouden blijven. De afspraken gaan onder meer over een betere beloning, meer scholingsmogelijkheden en meer zeggenschap voor leraren in het hele 5. Vanuit een oogpunt van personeelsvoorziening op de korte en middenlange termijn is het van belang de arbeidsmarktontwikkelingen in het nauwgezet te volgen. Een belangrijke graadmeter hiervoor is de arbeidsmarktpositie van recent afgestudeerde leraren. Andere belangrijke instrumenten hiervoor zijn de Arbeidsmarktbarometer en de arbeidsmarktprognoses zoals die aan de hand van het model MIRROR worden opgesteld voor het primair, voortgezet en de bve-sector. De voorliggende Loopbaanmonitor gaat in op de arbeidsmarktpositie van de afgestudeerden van de lerarenopleiding uit 2006 en Voor afgestudeerden uit 2006 is de arbeidsmarktpositie kort na afstuderen (oktober), een half jaar na afstuderen (april) en een jaar na afstuderen (oktober) in kaart gebracht. Voor de afgestudeerden uit 2007 heeft de meting alleen op de eerste twee meetmomenten betrekking. Door een vergelijking te maken met eerdere jaren wordt een longitudinaal inzicht verkregen van de ontwikkelingen in de arbeidsmarktpositie van nieuwe leraren. 1.2 Doel van de Loopbaanmonitor Het doel van de Loopbaanmonitor is het vaststellen van de arbeidsmarktpositie en de verschuivingen daarin, van afgestudeerden van de lerarenopleidingen in 2006 en Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de afgestudeerden van de lerarenopleiding voor het basis (BaO) en de lerarenopleiding voor het voortgezet (VO). De lerarenopleiding voor het voortgezet wordt in de meeste gevallen 4 Ministerie van OCW, Actieplan Leerkracht van Nederland, Den Haag, november Voor meer informatie hierover, zie: Loopbaanmonitor

16 gevolgd aan de lerarenopleiding VO, maar kan ook worden gevolgd als een studie na of naast een universitaire opleiding, de zogenaamde universitaire lerarenopleiding (ULO). De arbeidsmarktpositie is op drie meetmomenten vastgesteld: de arbeidsmarktpositie direct na afstuderen; de arbeidsmarktpositie een half jaar na afstuderen; de arbeidsmarktpositie een jaar na afstuderen. Voor cohort 2006 zijn alle drie de meetmomenten in kaart gebracht. Voor cohort 2007 zijn tot nu toe alleen de eerste twee meetmomenten verricht. Nagegaan wordt in hoeverre er in de arbeidsmarktpositie van de afgestudeerden significante verschillen bestaan naar achtergrondkenmerken als geslacht en etniciteit. Naast de nationale ontwikkelingen in de arbeidsmarktposities van afgestudeerden van lerarenopleidingen is er ook aandacht voor regionale verschillen hierin. Regionale verschillen komen in hoofdstuk 4 aan bod. In hoofdstuk 5 tot slot wordt ingegaan op het werkklimaat voor beginnende leraren, het verdiepingsthema van deze monitor. 1.3 Conceptueel kader De loopbaan is de keten van arbeidsfuncties die een mens in zijn leven bekleedt 6. In theorie kunnen zich na het afstuderen van de lerarenopleiding diverse loopbaanstappen voordoen. Figuur 1.1 schetst de (mogelijke) loopbaanstappen vanaf het moment dat een persoon een keuze maakt voor de lerarenopleiding (op tijdstip t = -1). Hierbij kan het gaan om jongeren in het voortgezet die een keuze maken voor een vervolgopleiding, maar ook om herintreders die (op latere leeftijd) aan een lerarenopleiding beginnen. Figuur 1.1 Mogelijke loopbaanstappen voor, tijdens en na de lerarenopleiding Motieven t=0 Motieven t=1,2,3,4, etc. Onderwijs doorgroei t=nu Motieven t= -1 Leraren- Schoolverlater/ opleiding herintreder Andere opleiding Onderwijs Niet Onderwijs zelfde functie Niet Onderwijs Niet Onderwijs Niet Verschillen met andere sectoren Verschillen naar achtergrondkenmerken 6 A.L. Mok. De Loopbaan is heel het leven. In: De diversiteit in levenslopen: consequenties voor de arbeidsmarkt. SISWO, Amsterdam, Loopbaanmonitor 2008

17 Loopbaanstappen De loopbaan van een leraar wordt door ons opgevat als een opeenvolging van min of meer rationele, strategische keuzes, beginnend bij instroom in de lerarenopleiding (t = -1), via afstuderen (t = 0), naar respectievelijk te onderscheiden arbeids(markt)- posities in latere fases van de loopbaan (t = 1, 2, 3, 4, et cetera). We onderscheiden, in theorie, de volgende loopbaanstappen: van voortgezet naar lerarenopleiding (t = -1) 7 ; van lerarenopleiding naar (t = 0) 8 ; van lerarenopleiding naar andere sector of naar een vervolgopleiding (t = 0) 9 ; vanuit naar andere sector (t = 1, 2, 3, 4, et cetera); vanuit naar andere functie in (bijvoorbeeld van leraar naar directie) (t = 1, 2, 3, 4, et cetera); vanuit andere sector naar (t = 1, 2, 3, 4, et cetera); baanwisseling binnen andere sectoren (t = 1, 2, 3, 4, et cetera). De tijdstippen t = 1, 2, 3, 4, et cetera hebben betrekking op het aantal jaren na afstuderen. Aangezien een individu een groot aantal loopbaanstappen kan zetten, bestaat er een grote variatie in individuele loopbanen. Voor de cohorten uit 2005 en 2006 zal deze variatie vooralsnog beperkt zijn (dit is overigens altijd het geval voor cohorten van recent afgestudeerden). Motieven en voorwaarden Op het moment dat een loopbaanstap wordt gezet, is het relevant welke motieven hieraan ten grondslag liggen. Hierbij kan grofweg onderscheid worden gemaakt tussen push- en pullfactoren. Arbeidsmarktgedrag dat is gebaseerd op pushfactoren is ingegeven door een negatieve motivatie ten opzichte van het huidige werk (of het gebrek aan perspectief daarin), terwijl in het geval van pullfactoren de positieve motivatie voor een andere werksituatie overheerst. In de praktijk gaat het vaak om een combinatie van factoren/ motieven die het arbeidsmarktgedrag van individuen beïnvloedt. 1.4 Aanpak van het onderzoek Opzet De arbeidsmarktpositie van pas afgestudeerde leraren is onderzocht door middel van een populatieonderzoek onder de afgestudeerden uit 2006 en De afgestudeerden uit 2006 zijn de eerste keer benaderd via een brief, waarbij de mogelijkheid werd geboden een schriftelijke, dan wel elektronische enquête in te vullen. Bij deze eerste keer is gevraagd naar de arbeidsmarktpositie direct na afstuderen en een half jaar na afstuderen. Zodoende betreft dit een eerste en tweede meting. De afgestudeerden zijn later nogmaals benaderd voor een derde meting. Bij de derde meting is gebruik gemaakt van een elektronische enquête. Voor de afgestudeerden uit 2007 is het proces analoog verlopen. 7 Aangezien de loopbaan van een afgestudeerde begint ná afronding van de lerarenopleiding op t=0, stellen wij de keuze voor de lerarenopleiding op t = We hebben ervoor gekozen om de beroepsloopbaan te laten beginnen op het moment van afstuderen (tijdstip t=0). 9 Onder een andere sector verstaan we hier ook een niet-actieve participatie op de arbeidsmarkt. Loopbaanmonitor

18 De afgestudeerden uit 2007 zijn benaderd via een brief, waarbij de mogelijkheid werd geboden een schriftelijke, dan wel elektronische enquête in te vullen. Tijdens deze meting is zowel gevraagd naar de eerste positie na afstuderen als naar de positie een half jaar na afstuderen. Tabel 1.1 toont op welke momenten de metingen van beide cohorten tot nu toe hebben plaatsgevonden. In de vragenlijsten is gevraagd naar de arbeidsmarktsituatie per peildatum, de peildatum wijkt af van het meetmoment. Tabel 1.1 Meetmomenten van arbeidsmarktsituaties cohort 2006 en cohort 2007 Arbeidsmarktsituatie a) Metingen Cohort 2006 Metingen Cohort 2007 Direct na afstuderen (oktober) April 2007 Mei / juni 2008 Half jaar na afstuderen (april) April 2007 Mei / juni 2008 Jaar na afstuderen (oktober) December 2007 N.v.t. a) In de vragenlijst is gevraagd naar de arbeidsmarktsituatie op peildatum. De structuur van de gebruikte vragenlijst ziet er op hoofdlijnen als volgt uit: algemene vragen: geboortejaar, geslacht, kinderen, geboorteland, woonplaats, type lerarenopleiding, gemiddeld eindcijfer aan de lerarenopleiding, vervolgopleiding; huidige arbeidsmarktpositie: werkend/niet-werkend, sector, omvang arbeidscontract, bruto maandsalaris; loopbaanontwikkeling: vervolgkeuze direct na afstuderen, aantal en soort loopbaanstappen; motivatievragen: keuzemotieven voor de lerarenopleiding, motivatie tijdens de opleiding, keuzemotieven voor eerste baan binnen of buiten, redenen voor niet-deelname arbeidsmarkt, motivatie voor loopbaanstappen, motieven om in te blijven, bereidheid om eventueel in terug te keren Dataverzameling en respons Voor de dataverzameling onder afgestudeerden is een gecombineerde methode gebruikt. In totaal zijn alle afgestudeerden uit een studiejaar schriftelijk benaderd. Hierbij zijn twee groepen onderscheiden: De helft (5.440) van de respondenten had de mogelijkheid om de enquête zowel per post als per internet in te vullen. Indien zij de enquête via internet invulden, maakten zij kans op een cadeaubon, bij het schriftelijk invullen van de enquête niet. De andere helft (6.000) van de respondenten heeft alleen een brief ontvangen met daarin een inlogcode. Zij konden de enquête alleen via internet invullen en maakten daarbij eveneens kans op een cadeaubon. De afgestudeerden uit 2006 die hebben deelgenomen aan de eerste meting konden aangeven of ze bezwaar hadden om nogmaals te worden benaderd. Degenen die geen bezwaar hadden zijn op het volgende meetmoment benaderd met een elektronische vragenlijst over de arbeidsmarktpositie een jaar na afstuderen. 18 Loopbaanmonitor 2008

19 Tabel 1.2 Responsoverzicht van de verschillende metingen, cohort 2006 en 2007 Cohort 2006 Cohort e meting en 2 e meting Bruto benaderd Netto respons (%) (29%) 3.181(28%) waarvan: lerarenopleiding BaO lerarenopleiding VO universitaire lerarenopleiding onbekend 83 3 e meting N.v.t. Bruto benaderd Netto respons (%) 970 (41%) waarvan: lerarenopleiding BaO 620 lerarenopleiding VO 287 universitaire lerarenopleiding 63 In de analyses van cohort 2006 waarin een longitudinale vergelijking wordt gemaakt, zijn de resultaten gebaseerd op de respondenten die aan alle drie de metingen hebben deelgenomen (970 respondenten). Hierdoor kunnen er kleine verschillen bestaan met de resultaten uit de eerder gepubliceerde Loopbaanmonitor Voor de op de verschillende wijze benaderde groepen ziet de respons er als volgt uit: alleen internetoptie aangeboden: 25 procent respons; beide opties aangeboden en gekozen voor internet: 16 procent respons; beide opties aangeboden en gekozen voor schriftelijk enquête: 14 procent respons. De respons van de gecombineerde methode is dit jaar hoger (samen 30%), waarbij de internetvariant licht favoriet is. Over het totaal genomen is de respons verdeeld over 76 procent internet en 24 procent schriftelijk. Representativiteit In totaal zijn alle afgestudeerden van de lerarenopleidingen in 2007 aangeschreven 10. Bijna drie op de tien afgestudeerden uit 2007 heeft deelgenomen aan het onderzoek. In de bijlage zijn enkele kenmerken van de respons opgenomen in vergelijking met de totale populatie van afgestudeerden. Samengevat zijn de belangrijkste conclusies als volgt. In het algemeen blijkt de respons een goede afspiegeling van de totale populatie afgestudeerden. Wel is er sprake van een lichte oververtegenwoordiging van vrouwen in de respons. Gelet op de beperkte afwijkingen tussen onderzoekspopulatie en responsgroepen naar achtergrondkenmerken, zijn de onderzoeksresultaten representatief voor de afgestudeerden van zowel de lerarenopleiding BaO als de lerarenopleiding VO. 10 Verschil tussen totaal afgestudeerden en bruto benaderd wordt verklaard door aangeschreven afgestudeerden waarvoor de brief onbestelbaar was. Loopbaanmonitor

20 20 Loopbaanmonitor 2008

21 2 Naar de lerarenopleiding 2.1 Inleiding De loopbaan van een leraar begint in feite met de keuze voor de lerarenopleiding. Met deze keuze wordt de kiem gelegd voor een loopbaan in het, hoewel een keuze voor een loopbaan buiten het ook een mogelijkheid is. In het onderstaande schema is deze periode gearceerd. Het gaat om periode t = -1, die voorafgaat aan de feitelijke start van een loopbaan als leraar. Figuur 2.1 Het begin van de loopbaan; keuze en motieven voor de lerarenopleiding en ervaringen tijdens de lerarenopleiding Motieven t=0 Motieven t=1,2,3,4, etc. Onderwijs doorgroei t=nu Motieven t= -1 Leraren- Schoolverlater/ opleiding herintreder Andere opleiding Onderwijs Niet Onderwijs zelfde functie Niet Onderwijs Niet Onderwijs Niet Verschillen met andere sectoren Verschillen naar achtergrondkenmerken In dit hoofdstuk gaan wij achtereenvolgens in op de leeftijd waarop jongeren op het idee komen om aan de lerarenopleiding te beginnen ( 2.2), hun vooropleiding ( 2.3) en de afstudeerleeftijd ( 2.4). 2.2 Keuze voor de lerarenopleiding Een keuze voor de lerarenopleiding kan op verschillende momenten worden gemaakt. Sommige mensen weten al heel jong dat ze leraar willen worden, maar andere mensen maken deze keuze pas als ze al een andere opleiding hebben gevolgd en een aantal jaren werkervaring hebben opgedaan. Aan de afgestudeerden van verschillende jaargangen is gevraagd op welke leeftijd zij op het idee zijn gekomen om een lerarenopleiding te gaan volgen. Figuur 2.2 laat zien dat het Loopbaanmonitor

22 merendeel (65%) van de afgestudeerden van de lerarenopleiding BaO voor hun 20 e op het idee is gekomen om een lerarenopleiding te volgen. Onder afgestudeerden aan de lerarenopleiding VO is het omgekeerde het geval; 65 procent komt na hun 20 e op het idee om de lerarenopleiding te gaan volgen. Deze hoge gemiddelde leeftijd is vooral een gevolg van de groep afgestudeerden van de universitaire lerarenopleiding; van hen is 82 procent ouder dan 20 jaar als zij op het idee komen om de lerarenopleiding te gaan volgen. Dit is niet zo vreemd, aangezien zij in veel gevallen eerst een reguliere universitaire studie hebben afgerond. Van de afgestudeerden van de lerarenopleiding VO is 57 procent ouder dan 20 jaar. Een deel van de afgestudeerden betreft zij-instromers. Zij-instromers komen, logischer wijs, op latere leeftijd op het idee om de lerarenopleiding te gaan volgen. Gemiddeld komen zij-instromers op hun 27 e op het idee om de lerarenopleiding te volgen. Van de totale populatie is 7,3 procent zij-instromer, vooral in de lerarenopleiding VO. Onder de afgestudeerden van de lerarenopleiding BaO was eerder een trend waar te nemen, waarbij het idee om naar de lerarenopleiding te gaan steeds later lag. Deze trend lijkt met cohort 2007 te zijn gekeerd. Mogelijk is dit een gevolg van de daling van het aantal studenten in de deeltijdopleiding. Op basis van onze gegevens kan dat niet met zekerheid worden gesteld. Wel wordt een daling van het aantal zij-instromers geconstateerd, waardoor de gemiddelde keuzeleeftijd iets naar beneden wordt beïnvloed. Het aandeel zij-instromers in de lerarenopleiding BaO is echter beperkt. Figuur 2.2 Leeftijd waarop studenten op het idee zijn gekomen om naar de lerarenopleiding te gaan, cohort 2004 (N=1.424), 2005 (N=4.702 ), cohort 2006 (N=3297) en cohort 2007 (3.064) 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0% Lerarenopleiding basis Lerarenopleiding voortgezet Lerarenopleiding basis Lerarenopleiding voortgezet Lerarenopleiding basis Lerarenopleiding voortgezet Lerarenopleiding basis Lerarenopleiding voortgezet Jonger dan 12 jaar 12 tot 15 jaar 16 en 17 jaar 18 en 19 jaar Ouder dan 20 Tussen verschillende groepen bestaan hierin verschillen. Mannen zijn gemiddeld ouder wanneer ze op het idee komen dan vrouwen. Voor mannen is 23 jaar de gemiddelde leeftijd voor de lerarenopleiding BaO en 25 jaar voor de lerarenopleiding VO, voor vrouwen is 19 jaar de gemiddelde leeftijd voor lerarenopleiding BaO en 24 jaar voor de 22 Loopbaanmonitor 2008

23 lerarenopleiding VO. Allochtone afgestudeerden komen gemiddeld later op het idee om een lerarenopleiding te gaan volgen dan autochtone afgestudeerden (respectievelijk 24 jaar voor allochtonen en 21 jaar voor autochtonen). 2.3 Vooropleiding De meest gangbare weg naar de lerarenopleiding was van oudsher havo of vwo. De diversiteit in routes naar de lerarenopleiding is de laatste jaren echter toegenomen. Vooral de mbo-route naar de lerarenopleiding BaO heeft aan betekenis gewonnen. Terwijl in 2003 ongeveer een derde van de instromende studenten in de lerarenopleiding BaO een mbo-opleiding als vooropleiding had, is dit in 2007 gestegen tot 40 procent 11. Tabel 2.1 laat zien, op basis van de enquêteresultaten, welke vooropleidingen zijn gevolgd voorafgaand aan de lerarenopleiding. Meer dan de helft van de personen die afgestudeerd zijn aan de lerarenopleiding BaO heeft havo of vwo als vooropleiding. Ruim een kwart komt van het mbo, zoals de opleidingen voor sociaal pedagogisch werker en assistent. In totaal heeft 16 procent van de afgestudeerden van de lerarenopleiding BaO al eerder een hbo- of universitaire opleiding afgerond. In ruim de helft van de gevallen betreft dit een opleiding in een pedagogische richting (zie tabel 2.2) 12. Voor de lerarenopleiding VO is het beeld anders. Dertig procent van de afgestudeerden heeft voorafgaand aan de lerarenopleiding havo gedaan. Dit is een toename ten opzichte van cohort 2006, waarvoor het aandeel met als vooropleiding havo 25 procent was. Doorstroom vanuit het mbo komt minder vaak voor dan bij de lerarenopleiding BaO, namelijk 16 procent (versus 27%voor de lerarenopleiding BaO). Het gaat hier om uiteenlopende mbo-opleidingen. Veertig procent van de afgestudeerden van de lerarenopleiding VO heeft eerder een andere hbo- of universitaire opleiding afgerond. Hierbij gaat het deels om zij-instromers maar deels ook om personen die een ulo-opleiding hebben gevolgd na hun universitaire studie. Tabel 2.2 laat zien welke richting deze andere hbo- of wo-opleiding betreft. 11 Zie: 12 Dit kan ook de lerarenopleiding BaO zijn geweest, waarna de betreffende personen op een later moment deelnemen aan een kopstudie voor speciaal. Dit geldt voor maximaal 9 procent van de afgestudeerden (58% van 16%). Loopbaanmonitor

24 Tabel 2.1 Type vooropleiding, cohort 2007 BaO VO Universiteit 3% 16% Hbo 13% 24% Vwo 11% 11% Havo 43% 30% Mbo, sociaal pedagogisch werker niveau 3 & 4 9% 1% Mbo, assistent niveau 3 & 4 9% 2% Mbo, anders 9% 13% Anders 1% 3% 100% (1.866) 100% (1.188) Tabel 2.2 laat tevens goed zien waarin de vooropleiding van ulo-afgestudeerden verschilt van die van de lerarenopleiding VO. Vrijwel alle afgestudeerden van de universitaire lerarenopleiding hebben een universitaire opleiding afgerond, de meesten in een vreemde taal of een discipline in natuur en techniek. Tabel 2.2 Aandeel afgestudeerden dat een andere hbo of universitaire studie heeft afgerond voor aanvang van de lerarenopleiding, naar studierichting Lerarenopleiding BaO Lerarenopleiding VO Universitaire lerarenopleiding Hbo of universitaire studie afgerond voor aanvang van de lerarenopleiding 16% 31% 95% Waarvan: Pedagogie/ 58% 38% 8% Economie/bedrijfskunde 12% 13% 12% Gezondheidszorg 10% 10% 4% Sociaal-agogisch/gedrag en maatschappij 15% 18% 9% Landbouw/agrarisch 1% 1% 3% Natuur en techniek 3% 11% 25% Recht 1% 3% 1% Taal en cultuur 9% 9% 44% Kunst 5% 11% 5% Anders 2% 1% 0% Noot: percentages tellen op tot meer dan 100 procent omdat meerdere antwoorden mogelijk waren. 2.4 Afstudeerleeftijd De lerarenopleiding bestaat uit een diverse groep studenten. Uit paragraaf 2.2 bleek al dat veel van hen pas op latere leeftijd kiezen voor een lerarenopleiding. Dit patroon is terug te vinden in de gemiddelde leeftijd van afstuderen (Figuur 2.3). In 2007 zijn afgestudeerden van de lerarenopleiding BaO gemiddeld 26 jaar bij afstuderen, afgestudeerden van de lerarenopleiding VO zijn gemiddeld 31 jaar. Zij-instromers in het vo zijn 24 Loopbaanmonitor 2008

25 gemiddeld ouder dan reguliere afstudeerders, gemiddeld 35. Zonder zij-instromers ligt de gemiddelde leeftijd van deze groep een jaar lager. De figuur laat zien dat de stijgende gemiddelde leeftijd van afstuderen, waarvan tot en met cohort 2005 sprake was, niet doorzet. Na een daling van de gemiddelde leeftijd voor cohort 2006, daalt de gemiddelde leeftijd bij afstuderen verder voor cohort De daling is voor afgestudeerden aan de lerarenopleiding BaO vooral toe te schrijven aan een toename van het aandeel afgestudeerden van 22 jaar en jonger en een afname van het aandeel van de afgestudeerden in de leeftijdsklasse 36 tot 40 jaar. Voor de lerarenopleiding VO is het aandeel afgestudeerden in de leeftijdsklasse jaar toegenomen, in de leeftijdsklasse is de afname het grootst. De daling in de oudere leeftijdsgroepen is in lijn met de daling van het aantal deeltijdstudenten, zoals die uit de HBO-monitor blijkt 13. Figuur 2.3 Ontwikkeling van afstudeerleeftijd BaO VO Bron voor gegevens van voor 2005: Loopbaanmonitor Onderwijs (brede meting). De gemiddelde leeftijd zegt niet alles, want een relatief kleine groep oudere afstudeerders kan een sterke stijging van het gemiddelde veroorzaken. De gemiddelde leeftijd van afstuderen laat zien dat een deel van de afgestudeerden al een carrière op de arbeidsmarkt heeft gehad. Voor het merendeel moet de loopbaan nog aanvangen. Veelzeggend is dat de mediane 14 afstudeerleeftijd een aantal jaren lager ligt dan de gemiddelde afstudeerleeftijd. De helft van de afgestudeerden van de lerarenopleiding BaO is 23 jaar of jonger en de helft van de afgestudeerden van de lerarenopleiding VO is jonger dan 27 jaar 15. Verder blijkt dat vrouwen gemiddeld een jongere afstudeerleeftijd hebben dan mannen. Voor afgestudeerden van de lerarenopleiding BaO betreft dit verschil drie jaar 13 Zie: 14 De mediane afstudeerleeftijd is de afstudeerleeftijd van de middelste respondent als de respondenten op afstudeerleeftijd gesorteerd zijn. De helft van de afgestudeerden is jonger dan de mediane leeftijd. 15 De mediane leeftijd voor de afgestudeerden van de lerarenopleiding VO is 26 jaar; voor de afgestudeerden van de ulo is dat 27 jaar. Loopbaanmonitor

26 (respectievelijk 26 en 29 jaar). Voor afgestudeerden van de lerarenopleiding VO gaat het om een verschil van één jaar (respectievelijk 30 en 31 jaar). Autochtone afgestudeerden hebben gemiddeld een lagere afstudeerleeftijd dan allochtonen. Dit verschil komt vooral op conto van de westerse allochtonen die gemiddeld drie jaar ouder zijn dan hun autochtone cohortgenoten. Tussen autochtonen en niet-westers allochtonen is het verschil in gemiddelde afstudeerleeftijd marginaal. 26 Loopbaanmonitor 2008

27 3 Na de lerarenopleiding 3.1 Inleiding Dit hoofdstuk gaat in op de arbeidsmarktpositie van afgestudeerden na het afronden van de lerarenopleiding. Hierbij maken we onderscheid tussen: (1) werkzaam binnen het, (2) werkzaam buiten het en (3) niet werkzaam. Iemand is werkzaam binnen het wanneer deze een baan heeft in het van minimaal 12 uur per week. Omdat wij het afstuderen opvatten als de formele start van de loopbaan, noemen we dit moment t =0. Figuur 3.1 laat zien welk deel van de loopbaan in dit hoofdstuk aan bod komt. Figuur 3.1 Loopbaanstappen in het : de eerste keuzes na afstuderen Motieven t=0 Motieven t=1,2,3,4, etc. Onderwijs doorgroei t=nu Schoolverlater/ herintreder Motieven t= -1 Lerarenopleiding Andere opleiding Onderwijs Niet Onderwijs zelfde functie Niet Onderwijs Niet Onderwijs Niet Verschillen met andere sectoren Verschillen naar achtergrondkenmerken In paragraaf 3.2 wordt ingegaan op de eerste positie na afstuderen. Paragraaf 3.3 gaat vervolgens in op de eerste loopbaanstappen na afstuderen. Deze stappen beschrijven we vervolgens voor drie groepen. Paragraaf 3.4 gaat in op de vervolgstappen van personen die na de opleiding binnen het zijn gaan werken. Paragraaf 3.5 beschrijft de keuzes van de personen die buiten het zijn gaan werken. Ook gaat de paragraaf in op de voorwaarden waaronder zij overwegen weer in het te gaan werken. Paragraaf 3.6 gaat over degenen die direct na afstuderen nog geen baan hebben. In paragraaf 3.7 kijken we naar de baankenmerken van degenen die werk hebben. Hierbij gaan we in op de verschillen tussen werken in het en werken buiten het. Tot slot bekijken we in paragraaf 3.8 welke achtergrondkenmerken van invloed zijn op de verworven arbeidsmarktpositie. Loopbaanmonitor

28 3.2 Eerste positie na afstuderen Uit voorgaande metingen van de Loopbaanmonitor is gebleken dat verreweg de meeste afgestudeerden in het gaan werken. Dit geldt traditioneel sterker voor de afgestudeerden van de lerarenopleiding BaO dan voor de lerarenopleiding VO. Het aandeel afgestudeerden dat een baan vindt in het is niet constant. Figuur 3.2 laat dit zien 16. Hierna bespreken wij de eerste positie na afstuderen van achtereenvolgens de afgestudeerden van de lerarenopleiding BaO en de lerarenopleiding VO. Arbeidsmarktpositie afgestudeerden lerarenopleiding BaO Van de lerarenopleiding BaO is het aandeel afgestudeerden dat kort na afronding van de opleiding een baan vindt in het de laatste jaren gedaald, van 82 procent in 2003 naar 64 procent in In 2007 zien we het aandeel dat een baan in het vindt licht oplopen naar 66 procent. Het aandeel afgestudeerden dat de loopbaan aanvangt met een baan buiten het blijft met 15 procent stabiel. Het aandeel zonder baan daalt naar 19 procent. Ten opzichte van 2006 zijn meer afgestudeerden direct in het gaan werken, maar ten opzichte van eerdere cohorten ligt het aandeel dat direct in het gaat werken onder het gemiddelde. De werkloosheid onder afgestudeerden direct na afstuderen fluctueert van jaar op jaar. De werkloosheid onder afgestudeerden direct na afstuderen was 4 procent in 2004, 6 procent in 2005 en 3 procent in 2006 (tabel 3.1). In 2007 is de werkloosheid onder afgestudeerden van de lerarenopleiding BaO direct na afstuderen gedaald naar 2 procent. Arbeidsmarktpositie afgestudeerden lerarenopleiding VO Van de lerarenopleiding VO ligt het aandeel afgestudeerden dat in het is gaan werken tussen 2001 en 2007 rond de 70 procent. Jaarlijks zijn er kleine fluctuaties. Zo was in 2001 het aandeel afgestudeerden met een baan in het 72 procent, in 2004 was dat 67 procent, en in 2007 is het aandeel werkenden in het direct na afstuderen 70 procent. Het aandeel afgestudeerden van de lerarenopleiding VO dat buiten het gaat werken is van 2001 tot en met 2005 vrij stabiel (tussen de 15 en 18%). In 2006 bleek de aantrekkingskracht van een baan buiten het relatief sterk, met 20 procent van de afgestudeerden met (direct na afstuderen) een baan buiten het. Voor cohort 2007 is dat overigens met 19 procent, nog steeds bovengemiddeld. 16 Deze cijfers wijken licht af van cijfers zoals deze in de voorgaande publicatie zijn gepresenteerd. De reden hiervoor is dat de definitie voor werkzaam in het is bijgesteld. In voorgaande jaren is gevraagd naar de hoofdactiviteit. In deze meting is iedereen met een baan van 12 uur in het gerekend tot de categorie werkzaam in het, ongeacht de andere activiteiten. De cijfers in figuur 3.2 zijn vanaf 2004 aangepast aan deze nieuwe definitie. 28 Loopbaanmonitor 2008

29 Figuur 3.2 Arbeidsmarktpositie direct na afstuderen van lerarenopleiding BaO en VO, 1997 tot en met % 17% 17% 17% 15% 16% 20% 21% 19% 80% 2% 2% 4% 3% 3% 11% 15% 15% 60% 40% 82% 81% 79% 82% 80% 69% 64% 66% 20% 0% Lerarenopleiding basis Baan in het Baan buiten het Overig 100% 18% 15% 12% 17% 16% 10% 9% 11% 80% 27% 25% 16% 15% 17% 16% 20% 19% 60% 40% 55% 61% 72% 68% 67% 74% 71% 70% 20% 0% Lerarenopleiding voortgezet Baan in het Baan buiten het Overig Het aandeel afgestudeerden zonder baan is de laatste jaren laag. In 2007 is het aandeel afgestudeerden van de lerarenopleiding VO zonder baan 11 procent, vergelijkbaar met de voorgaande jaren. Er is wel sprake van een lichte toename ten opzichte van 2006, toen het aandeel afgestudeerden zonder baan met 9 procent ronduit laag was. De werkloosheid onder afgestudeerden daalde van 4 procent in 2005 naar 2 procent in 2006, en eveneens 2 procent in 2007 (tabel 3.1). Tabellen B3.1 en B3.2 in de bijlage laten zien welke verschillen er bestaan in de eerste arbeidsmarktpositie van afgestudeerden van de lerarenopleiding VO en de universitaire lerarenopleiding (ulo). Afgestudeerden van de universitaire lerarenopleiding komen direct Loopbaanmonitor

30 na afstuderen aanmerkelijk vaker in een baan terecht (80%) dan de afgestudeerden van de lerarenopleiding VO (68%). Geen baan Tabel 3.1 toont de situatie direct na afstuderen van personen zonder baan. Vergeleken met 2006 is het aandeel afgestudeerden van de lerarenopleiding BaO dat werkloos is in 2007 afgenomen van 3 naar 2 procent. Van de afgestudeerden van de lerarenopleiding VO is het aandeel gelijk gebleven op het lage niveau van 2 procent. Tabel 3.1 Maatschappelijke positie van personen die niet werkzaam zijn direct na afstuderen Lerarenopleiding BaO Lerarenopleiding VO Doorstuderend 8% 11% 5% 5% Werkloos 3% 2% 2% 2% Overig a) 9% 6% 3% 2% Totaal 21% 19% 9% 11% Noot: het is mogelijk dat de aantallen niet precies optellen tot de totaalkolom als gevolg van afronding. a) Onder overig valt bijvoorbeeld zorg voor kinderen, vrijwilligerswerk of een lange reis. Het aandeel afgestudeerden van de lerarenopleiding BaO dat kiest voor een (vervolg)studie is toegenomen van 8 procent in 2006 naar 11 procent in Ook besteedt een deel van de niet-werkenden zijn tijd aan vrijwilligerswerk, reizen in het buitenland, of zorg voor kinderen en familie. Zowel onder afgestudeerden van de lerarenopleiding BaO als onder afgestudeerden van de lerarenopleiding VO is dit aandeel afgenomen. Werken buiten het Het aandeel personen met een baan buiten het is traditioneel hoger onder de afgestudeerden van de lerarenopleiding VO dan onder de afgestudeerden van de lerarenopleiding BaO. De aantrekkingskracht van een baan buiten het is voor afgestudeerden van de lerarenopleiding VO dan ook een belangrijk motief om buiten het te werken (zie 3.5). Voor afgestudeerden van de lerarenopleiding BaO geldt juist dat zij minder makkelijk een (passende) baan kunnen vinden in het direct na afstuderen, en daarom (tijdelijk) kiezen voor een baan buiten het. Naast de toegenomen werkgelegenheidskansen buiten het zijn er ook fluctuaties in de toegankelijkheid van de arbeidsmarkt, tot uiting komend in een variabel aantal vacatures, zoals uit de Arbeidsmarktbarometer voor het naar voren komt. Hoewel het aantal openstaande vacatures in het (po, vo en mbo) nog niet zo hoog is als een jaar of zes, zeven geleden, is in 2008 het aantal openstaande vacatures wel flink gestegen van in het schooljaar naar in het schooljaar Deze stijging wordt vooral veroorzaakt door een hoger aantal openstaande vacatures voor leraren, in zowel het primair als het voortgezet 17. Tegen deze achtergrond zijn de fluctuaties van het aandeel afgestudeerden met een baan in het goed verklaarbaar. 17 Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Nota Werken in het 2009, Den Haag, september Loopbaanmonitor 2008

31 3.3 Ontwikkeling in arbeidsmarktpositie cohort 2006 en 2007 Van de afgestudeerden is ook hun arbeidsmarktpositie een half jaar en een jaar na afstuderen bepaald (Figuur 3.3). Zowel voor cohort 2006 als voor cohort 2007 geldt dat het aandeel afgestudeerden dat een half jaar na afstuderen in het werkt, gestegen is. Een jaar na afstuderen blijkt dat dit aandeel voor cohort 2006 nog verder is toegenomen. Ontwikkeling in arbeidsmarktpositie afgestudeerden lerarenopleiding BaO Het aandeel afgestudeerden uit 2007 dat een half jaar na afstuderen een baan heeft in het, is hoger dan het aandeel dat direct na afstuderen een baan in het had. Kort na afstuderen heeft 66 procent van de afgestudeerden van de lerarenopleiding BaO uit 2007 een baan in het, na een half jaar is dit gestegen tot 79 procent, een toename van 13 procentpunt. Ter vergelijking: onder de afgestudeerden uit 2006 ontwikkelde het aandeel afgestudeerden met een baan zich van 64 procent direct na afstuderen naar 72 procent een half jaar na afstuderen. Een jaar na afstuderen was dit verder gegroeid tot 75 procent. Voor beide cohorten geldt dat een half jaar na afstuderen het aandeel afgestudeerden met een baan buiten het kleiner is dan een half jaar eerder. Voor het cohort 2007 is er bovendien een aanzienlijke afname van het aandeel afgestudeerden zonder baan van 19 naar 12 procent. Ontwikkeling in arbeidsmarktpositie afgestudeerden lerarenopleiding VO Onder de afgestudeerden van de lerarenopleiding VO in 2007 is het aandeel met een baan in het in het eerste half jaar na afstuderen gestegen van 70 naar 75 procent 18. Onder de afgestudeerden uit 2006 deed zich eerder een vergelijkbare ontwikkeling voor. Daar nam het aandeel afgestudeerden met een baan in het toe van 71 procent (direct na afstuderen) naar 77 procent (half jaar na afstuderen). Een jaar na afstuderen is dit verder gestegen naar 79 procent. De toename van het aandeel afgestudeerden met een baan in het komt vooral tot stand door een daling in het aandeel personen zonder baan; het aandeel personen met een baan buiten het verandert in het eerste half jaar na afstuderen niet substantieel. 18 Uit tabellen B3.1 en B3.2 in de bijlage blijkt dat de hier geconstateerde toename van het aandeel afgestudeerden met een baan in het vooral een gevolg is van meer afgestudeerden van de Lerarenopleiding VO die een baan in het vinden; dit aandeel stijgt van 68 procent naar 74 procent. Voor de afgestudeerden van de universitaire lerarenopleiding blijft dit aandeel in het eerste half jaar na afstuderen stabiel op 80 procent. Loopbaanmonitor

32 Figuur 3.3 Ontwikkeling van het beroepsrendement gedurende het eerste jaar na afstuderen van lerarenopleiding BaO en VO, cohort 2006 en % 80% 21% 19% 18% 10% 15% 15% 12% 12% 9% 13% 60% 40% 64% 66% 72% 79% 75% 20% 0% Eerste positie na afstuderen Positie half jaar na afstuderen Positie 1 jaar na afstuderen Lerarenopleiding basis Baan in het Baan buiten het Geen baan 100% 9% 11% 5% 6% 11% 80% 20% 19% 19% 19% 11% 60% 40% 71% 70% 77% 75% 79% 20% 0% Eerste positie na afstuderen Positie half jaar na afstuderen Positie 1 jaar na afstuderen Lerarenopleiding voortgezet Baan in het Baan buiten het Geen baan Ontwikkeling in werkloosheid Het werkloosheidspercentage onder de afgestudeerden van de lerarenopleiding BaO in 2007 lag direct na afstuderen lager dan onder de afgestudeerden uit 2006, respectievelijk 2 en 3,3 procent (zie figuur 3.4). Voor beide cohorten is het aandeel van de werklozen een half jaar na afstuderen gedaald naar respectievelijk 1,9 en 0,6 procent. Een jaar na afstuderen bedraagt het aandeel werklozen onder de afgestudeerden uit ,6 procent. De werkloosheid onder de afgestudeerden van de lerarenopleiding VO ligt lager dan die onder de afgestudeerden van de lerarenopleiding BaO. Een half jaar na afstuderen is 32 Loopbaanmonitor 2008

33 2 procent van de afgestudeerden uit 2006 werkloos; voor de afgestudeerden uit 2007 ligt dit een fractie lager (1,9%). Ook uit gegevens van de HBO-monitor 19 blijkt dat afgestudeerden van de lerarenopleiding BaO minder snel aan een baan komen dan de gemiddelde hbo-er. Afgestudeerden van de lerarenopleiding VO komen juist sneller aan het werk dan de gemiddelde hbo-er. Evenals onder de afgestudeerden van de lerarenopleidingen BaO daalt de werkloosheid onder de afgestudeerden van de lerarenopleiding VO in het eerste half jaar na afstuderen substantieel. Een jaar na afstuderen bedraagt de werkloosheid onder de afgestudeerden uit ,7 procent. Figuur 3.4 Ontwikkeling van het aandeel werklozen na afstuderen, cohort 2006 en % 3% 2% 1% 0% Direct na afstuderen Half jaar na afstuderen Lerarenopleiding basis Jaar na afstuderen Direct na afstuderen Half jaar na afstuderen Jaar na afstuderen Lerarenopleiding voortgezet Cohort 2006 Cohort 2007 Werkloosheidsduur voor vinden eerste baan Uit figuur 3.2 bleek dat verreweg de meeste afgestudeerden direct na hun studie aan de lerarenopleiding een baan vinden in het. Ongeveer 78 procent van de afgestudeerden van de lerarenopleiding BaO vindt direct een baan, ongeacht of dat een baan binnen of buiten het is. Uit figuur 3.5 blijkt de werkloosheidsduur, voorafgaand aan het vinden van de eerste baan, voor afgestudeerden van de lerarenopleiding BaO niet of nauwelijks verschilt voor degenen die binnen of buiten het zijn gaan werken 20. Van de afgestudeerden van de lerarenopleiding VO die buiten het gaan werken heeft 85 procent direct na afstuderen een baan, dit is 5 procentpunt minder dan de afgestudeerden die in het zijn gaan werken. Afgestudeerden die buiten het 19 De arbeidsmarktpositie van afgestudeerden van het hoger beroeps HBO-Monitor 2007, ROA, Den Haag, Het werkloosheidspercentage dat in de grafiek wordt getoond is hoger dan in eerdere grafieken. De cijfers in paragraaf 3.2 zijn gebaseerd op de vraag wat de eerste positie na afstuderen was. Het is mogelijk dat mensen die in werkelijkheid nog niet aan het zoeken waren, en daarom als eerste positie geen werkloosheid maar een andere positie hebben ingevuld, dit toch ervaren hebben als aantal maanden werkloos voor hun eerste baan. Loopbaanmonitor

34 werken hebben vaker te maken gehad met een werkloosheidsduur van drie maanden of langer. Figuur 3.5 Aantal maanden dat afgestudeerden van de lerarenopleiding uit 2007 werkloos zijn geweest voordat ze hun eerste baan hebben gevonden (BaO N=1.467, VO N=973) Werkzaam buiten 79% 11% 10% VO BaO Werkzaam in Werkzaam buiten 78% 85% 10% 12% 7% 8% Werkzaam in 90% 5% 5% 0% 10% 20% 30% 40% 50% 60% 70% 80% 90% 100% 0 maanden 1of 2 maanden 3 maanden of langer Kleine banen in het Een deel van de personen die nu niet werken of buiten het werken, combineert dit met een kleine baan in het. Als grens voor een baan is 12 uur per week gehanteerd. Voor de cohorten 2006 en 2007 gaat het om een kleine groep van respectievelijk 3 en 2 procent. Dit geldt zowel voor de afgestudeerden van de lerarenopleiding BaO als VO. 3.4 Werkzaam in het Uit de vorige paragraaf bleek dat in het eerste half jaar na afstuderen verschuivingen zijn opgetreden in de arbeidsmarktpositie van afgestudeerden. Deze paragraaf gaat over de ontwikkeling van de loopbaan van degenen die hun loopbaan zijn begonnen in het De loopbaan na de eerste baan in het Van de afgestudeerden van de lerarenopleiding BaO en VO uit cohort 2007 met de eerste baan in het werkt 95 procent een half jaar later nog steeds in het. Er bestaan kleine verschillen tussen de afgestudeerden van de lerarenopleiding BaO en VO. Bij de afgestudeerden van de lerarenopleiding VO komt het iets vaker voor dat zij een half jaar na afstuderen nog steeds in het werken. Daarnaast zijn er ook verschillen in de wijze van uitstroom. Bij afgestudeerden aan de lerarenopleiding VO gaat 34 Loopbaanmonitor 2008

35 het vaker om uitstroom naar een baan buiten het en bij afgestudeerden aan de lerarenopleiding BaO geldt juist vaker dat zij na uitstroom uit het niet werkzaam zijn. Van cohort 2006 is het aandeel afgestudeerden met een eerste baan in het dat na een half jaar nog steeds in het werkt respectievelijk 93 en 97 procent voor afgestudeerden van de lerarenopleiding BaO en VO. Het verlaten van het resulteert voor afgestudeerden van de lerarenopleiding BaO doorgaans in een positie buiten de arbeidsmarkt (geen baan). Geen baan betekent in de meeste gevallen zorg voor gezin/kinderen of het oppakken van een studie. Slechts een enkeling die direct na afstuderen in het werkt, is een half jaar na afstuderen werkloos (minder dan 1%). Figuur 3.6 Ontwikkeling in arbeidsmarktpositie van afgestudeerden die na de opleiding in het zijn gaan werken, cohort 2006 en 2007 (2005 N=649, 2006 N=2063) Half jaar na afstuderen BaO Half jaar na afstuderen VO Eerste positie na afstuderen: baan in 2006: nog steeds in 93% 2007: nog steeds in 95% 2006: buiten 2% 2007: buiten 2% 2006: geen baan 5% 2007: geen baan 3% Eerste positie na afstuderen: baan in 2006: nog steeds in 97% 2007: nog steeds in 96% 2006: buiten 2% 2007: buiten 3% 2006: geen baan 1% 2007: geen baan 1% Redenen voor baanwisseling Een zeer kleine groep afgestudeerden van 2 à 3 procent is na de eerste baan in het een half jaar na afstuderen niet meer werkzaam in het. De belangrijkste redenen waarom personen die aanvankelijk in het werken hiermee gestopt zijn, zijn voor afgestudeerden van de lerarenopleiding BaO in 2006 en 2007 de volgende (in aflopende volgorde van belangrijkheid): aflopen van arbeidscontract; nieuwe uitdaging; vast contract in nieuwe baan; te hoge werkdruk in oude baan. De afgestudeerden van de lerarenopleiding VO die hun na hun eerste baan in het niet meer in het werkzaam zijn, gaven hiervoor de volgende redenen: beter salaris in nieuwe baan; nieuwe baan past beter bij echte ambitie; te hoge werkdruk Toekomstige loopbaan in het Aan degenen die meteen na afstuderen in het zijn gaan werken en een half jaar later nog steeds in werken, is gevraagd hoe lang zij denken in het Loopbaanmonitor

36 werkzaam te blijven. Uit figuur 3.7 blijkt dat ongeveer de helft van de afgestudeerden in 2007 een langdurige loopbaan in het ambieert: Van de afgestudeerden in 2007 van de lerarenopleiding BaO verwacht 57 procent meer dan tien jaar in het te werken. In 2006 was dit 55 procent, in %, in % en in 2003 (68%). Van de in het werkende afgestudeerden aan de lerarenopleiding VO denkt 44 procent dit langer dan 10 jaar te doen. Dit is iets hoger dan in 2006 (39%), maar aanzienlijk lager dan in 2005 (67%), 2004 (75%) en 2003 (63%) Voor beide groepen afgestudeerden geldt derhalve dat het aandeel personen dat langer dan 10 jaar in het wil blijven werken, in 2006 en 2007 aanmerkelijk lager ligt dan onder de voorgaande cohorten. Het is waarschijnlijk dat dit wordt veroorzaakt door de gunstige economische ontwikkelingen van de afgelopen jaren waardoor een overstap naar een baan buiten het eerder overwogen werd. Dit is in overeenstemming met de ontwikkeling van het lagere aandeel afgestudeerden dat direct na de opleiding een baan in het kan vinden. Ook een tijdelijke dip in de vraag naar nieuwe leraren kan niet worden uitgesloten. De vraag is hoe deze gegevens zich zullen ontwikkelen onder invloed van de economische omslag die in de tweede helft van 2008 is opgetreden. Figuur 3.7 Verwachte loopbaan in het, cohort 2007 (N=1.148 BaO, N=803 VO) Lerarenopleiding basis Lerarenopleiding voortgezet 26% 1% 1% 6% 9% 28% 2% 2% 10% 14% 57% 44% Minder dan een jaar Een tot twee jaar Drie tot vijf jaar Vijf tot tien jaar Langer dan tien jaar Weet niet Ongeveer een kwart van de respondenten geeft aan niet te weten hoe lang hij of zij in het zal werken. Dit is lager dan onder de afgestudeerden in 2006 toen deze percentages respectievelijk 30 en 34 procent bedroegen De antwoordcategorie weet niet is pas met ingang van de meting onder cohort 2006 toegevoegd. Een vergelijking over meerdere jaren van het aandeel respondenten dat voor dit antwoord kiest, is daarom niet mogelijk. 36 Loopbaanmonitor 2008

37 Figuur 3.8 laat zien voor hoeveel respondenten bepaalde redenen (sterk) van invloed kunnen zijn op een eventueel vertrek uit het. Figuur 3.8 Redenen waarom personen die hun eerste baan in het hebben het in de toekomst eventueel zouden verlaten, cohort 2007(BaO N=1.146, VO=801) Werksfeer in het staat mij niet aan Ik wil graag meer met anderen samenwerken Minder reistijd in andere baan Baan in is fysiek te zwaar voor mij Weinig aanzien als leraar Lerarenopleiding basis De veranderende jeugd schrikt mij af Meer afwisseling in baan buiten het Ik zie de toekomst van het somber in Aflopen van arbeidscontract Wil gewoon wat anders Inkrimping van formatie op school Ik wil mij richten op zorg voor huishouden/kinderen Betere carrièrekansen buiten het Hoge werkdruk in het Ander beroep trekt me ook aan Beter salaris buiten het 0% 10% 20% 30% 40% 50% 60% 70% Ik wil graag meer met anderen samenwerken Werksfeer in het staat mij niet aan Aflopen van arbeidscontract De veranderende jeugd schrikt mij af Lerarenopleiding voortgezet Minder reistijd in andere baan Baan in is fysiek te zwaar voor mij Weinig aanzien als leraar Inkrimping van formatie op school Ik wil mij richten op zorg voor huishouden/kinderen Meer afwisseling in baan buiten het Ik zie de toekomst van het somber in Wil gewoon wat anders Betere carrièrekansen buiten het Hoge werkdruk in het Ander beroep trekt me ook aan Beter salaris buiten het 0% 10% 20% 30% 40% 50% 60% 70% De belangrijkste potentiële redenen om het te verlaten zijn voor afgestudeerden van de lerarenopleiding BaO en de lerarenopleiding VO vergelijkbaar. Voor afgestudeerden van beide type lerarenopleiding is een beter salaris de potentieel belangrijkste reden. Een beter salaris wordt gevolgd door: ander beroep trekt ook, een hoge werkdruk in het en betere carrièrekansen buiten het. De afgestudeerden van de lerarenopleiding VO zijn meer uitgesproken in hun mening, dat Loopbaanmonitor

38 wil zeggen, door meer respondenten wordt aangegeven dat de eerder genoemde redenen van invloed zijn op een eventueel vertrek uit het. Naast de overeenkomsten tussen afgestudeerden van de lerarenopleiding BaO en de lerarenopleiding VO over de belangrijkste redenen om het te verlaten, zijn er ook verschillen. Voor afgestudeerden van de lerarenopleiding BaO zijn redenen als ik wil mij richten op zorg voor huishouden/kinderen, inkrimping van formatie op school en aflopen van arbeidscontract bij meer afgestudeerden van invloed op het mogelijke besluit het te verlaten. Ook is gekeken of er verschillen zijn tussen de afgestudeerden die nog niet weten hoe lang ze in blijven werken en afgestudeerden die wel een beeld hebben van hun eventuele loopbaan in. Omdat het hier gaat om een substantiële groep die nog geen concrete plannen heeft voor een eventuele loopbaan in, liggen hier mogelijkheden om juist een loopbaan in het aantrekkelijk te maken voor deze groep. Voor de afgestudeerden aan de lerarenopleiding BaO die nog niet weten hoelang zij in het willen werken, zijn redenen als betere carrièrekansen buiten het, ander beroep trekt me ook en een hoge werkdruk in het vaker van invloed. Over de gehele linie geeft de groep die nog geen beeld heeft van de carrièreduur in het vaker aan dat een bepaalde reden (sterk) van invloed kan zijn. Onder afgestudeerden van de lerarenopleiding VO worden de redenen een ander beroep trekt me ook aan en wil gewoon wat anders vaker genoemd. Voor afgestudeerden van de lerarenopleiding VO die nog niet weten hoe lang zij in het werken zijn, afgezien van de twee hiervoor genoemde redenen, de verschillen klein in vergelijking met de groep die wel hun carrièreduur hebben bepaald. 3.5 Werkzaam buiten het Van de afgestudeerden van de lerarenopleiding BaO uit 2007 is direct na afstuderen 15 procent werkzaam buiten het. In het vorige cohort uit 2006 was dit aandeel eveneens 15 procent. Onder degenen die een lerarenopleiding VO hebben afgerond, blijft het aandeel afgestudeerden met een baan buiten het vrijwel gelijk en bedraagt respectievelijk 20 en 19 procent voor afgestudeerden uit 2006 en Werken buiten het Het moment waarop wordt gekozen voor een baan buiten het is verschillend voor afgestudeerden van de lerarenopleiding BaO en VO (Figuur 3.9) 22. Van de afgestudeerden van de lerarenopleiding BaO heeft ruim de helft (pas) na afstuderen besloten om buiten het te werken. Ruim 30 procent komt tijdens het volgen van de opleiding tot het besluit om buiten het te gaan werken. De overige 22 De figuur heeft betrekking op afgestudeerden die direct en een half jaar na afstuderen buiten het werken. 38 Loopbaanmonitor 2008

39 20 procent weet niet op welk moment besloten is om niet in het te gaan werken. Van de lerarenopleiding VO wist 32 procent van degenen die in 2007 buiten het gingen werken al voor aanvang van de studie dat zij niet het zouden ingaan. Een klein deel van deze personen betreft afgestudeerden van een lerarenopleiding voor verpleegkunde en hebben dienovereenkomstig een baan in de zorg gevonden 23. Afgestudeerden van een lerarenopleiding voor verpleegkunde kunnen overigens ook als opleider werkzaam zijn. Ongeveer een kwart heeft de beslissing om buiten het te gaan werken na afloop van de opleiding genomen 24. Voor de afgestudeerden van cohort 2007 die buiten het zijn gaan werken, gold dat zij deze beslissing vooral tijdens de het volgen van de lerarenopleiding hebben genomen (44%). Hiermee wijkt het cohort af van eerdere cohorten. Zowel het aandeel dat vooraf al weet niet in het te willen gaan werken als het aandeel dat na afloop van de studie het besluit neemt niet in het te willen werken, nemen af. Figuur 3.9 Moment van beslissing om buiten het te gaan werken, cohort 2006 (N=274) en cohort 2007 (N=221) 100% 90% 80% 70% 51% 57% 35% 24% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0% 30% 18% 32% 11% 24% 44% 41% 32% BaO VO Na afstuderen aan de lerarenopleiding Tijdens lerarenopleiding Voor aanvang van mijn studie aan de lerarenopleiding De keuze om na afstuderen buiten het te gaan werken is niet altijd vrijwillig (Figuur 3.10). Van de lerarenopleiding BaO geeft ruim 35 procent van de afgestudeerden die buiten het zijn gaan werken aan dat het moeilijk is om een baan in het te vinden. Ook voor het cohort 2006 was dit geval, zij het niet zo uitgesproken als voor cohort Ongeveer 16 procent van de populatie van afgestudeerden van de lerarenopleiding VO die buiten het werken, bestaat uit afgestudeerden van de lerarenopleiding voor verpleegkunde. Van de totale populatie afgestudeerden van de lerarenopleiding VO maken afgestudeerden van de lerarenopleiding 6 à 7 procent uit. 24 Dit is afgezien van de personen die aanvangen met een baan in het en daarna buiten het gaan werken. Loopbaanmonitor

40 Afgestudeerden van de lerarenopleiding VO geven eveneens aan dat het moeilijk is om een baan te vinden in het. Echter, in het VO komt dit minder vaak voor dan in het BaO (een verschil van 20 procentpunten). Voor afgestudeerden van de lerarenopleiding VO is de aantrekkingskracht van een baan buiten het de belangrijkste reden om buiten het te gaan werken (22%). Figuur 3.10 Redenen om buiten het te gaan werken, afgestudeerden van de lerarenopleiding 2007 (BaO N=105, VO N=135) Lerarenopleiding VO Lerarenopleiding BaO Werk in fysiek te zwaar Minder reistijd in baan buiten Moeilijk aan werk te komen in Ervaring tijdens opleiding Werk in valt/viel tegen Aantrekkingskracht werk buiten Werk in fysiek te zwaar Minder reistijd in baan buiten Moeilijk aan werk te komen in Ervaring tijdens opleiding Werk in valt/viel tegen Aantrekkingskracht werk buiten 0% 5% 10% 15% 20% 25% 30% 35% 40% De baan die afgestudeerden buiten het hebben is niet altijd op hbo-niveau, vooral niet na een lerarenopleiding BaO. Van degenen die na de lerarenopleiding BaO buiten het zijn gaan werken, werkt minder dan een derde op minimaal hboniveau. De meerderheid werkt op mbo-niveau. Van de afgestudeerden van de lerarenopleiding VO die buiten het werken, heeft meer dan de helft een baan op minimaal hbo-niveau. Afgestudeerden van de lerarenopleiding maken daarbij vaak in ruime of beperkte mate gebruik van de vaardigheden die zij tijdens de opleiding hebben opgedaan (lerarenopleiding BaO: 27 procent in ruime mate en 38 procent in beperkte mate, lerarenopleiding BaO: 33 procent in ruime mate en 41 procent in beperkte mate). Voor zowel afgestudeerden van de lerarenopleiding BaO als afgestudeerden van de lerarenopleiding VO gaat het hierbij vooral om communicatieve vaardigheden maar ook om vaardigheden met betrekking tot kennisoverdracht. Afgestudeerden van de lerarenopleiding BaO hebben ook baat bij pedagogische inzichten De loopbaan na de eerste baan buiten het De meerderheid van de afgestudeerden die direct na afstuderen hun eerste baan buiten het hebben, heeft een half jaar na afstuderen nog steeds een baan buiten het (Figuur 3.11). Voor de afgestudeerden uit 2007 is dit 58 procent, vergelijkbaar 40 Loopbaanmonitor 2008

41 met de afgestudeerden uit Van de afgestudeerden die aanvankelijk buiten het werkten is een groot deel alsnog in het gaan werken (34% voor cohort 2007 en 32% voor cohort 2006). De gepresenteerde resultaten zijn hier vanwege het geringe aantal waarnemingen samengenomen voor afgestudeerden van de lerarenopleiding BaO en VO. Er is overigens een verschil tussen afgestudeerden van de lerarenopleiding BaO en VO: van de afgestudeerden van de lerarenopleiding BaO maakt een groter aandeel de stap van een baan buiten het naar een baan binnen het. Figuur 3.11 Ontwikkeling in arbeidsmarktpositie van afgestudeerden die direct na de opleiding buiten het zijn gaan werken, cohort 2006 (N=162) en 2007 (N=515) Half jaar na afstuderen BaO en VO samen 2006: in 32% 2007: in 34% Eerste baan buiten 2006: nog steeds buiten 62% 2007: nog steeds buiten 58% 2006: geen baan 6% 2007: geen baan 8% Terugkeer in het? Een groot deel van degenen die na afstuderen buiten het werken, zou eventueel in het willen werken (figuur 3.12). Hieraan wordt door het merendeel echter wel voorwaarden gesteld, vooral door afgestudeerden van de lerarenopleiding VO. Deze voorwaarden hebben betrekking op een vast contract, een goed salaris en mogelijkheden voor eigen ontwikkeling. Ook voldoende begeleiding wordt vaak als voorwaarde genoemd om in het te gaan werken. Het is uiteraard de vraag of deze personen er inderdaad toe aangezet kunnen worden om de overstap naar het te maken. Niet voor niets verbindt de meerderheid voorwaarden aan de overstap. Loopbaanmonitor

42 Figuur 3.12 Bereidheid van afgestudeerden die buiten het werken om (alsnog) in het te gaan werken, cohort 2006 (N=315) en 2007 (N=244) 2007 VO BaO % 10% 20% 30% 40% 50% 60% 70% 80% 90% 100% Ja Nee 3.6 Niet werkzaam na afstuderen Een deel van de afgestudeerden heeft kort na afstuderen geen baan. Voor cohort 2006 en 2007 was dit voor afgestudeerden van de lerarenopleiding BaO respectievelijk 21 en 19 procent. Voor de afgestudeerden van de lerarenopleiding VO was dit respectievelijk 9 en 11 procent (zie Tabel 3.1). Deze paragraaf gaat in op de groep die na afstuderen niet direct is gaan werken. Van degenen die de lerarenopleiding BaO hebben gevolgd in 2006 en 2007 en die na afstuderen niet direct zijn gaan werken, heeft een half jaar na afstuderen 30 tot 50 procent alsnog een baan in het gevonden (zie figuur 3.15). Ruim 40 procent uit cohort 2007 heeft een half jaar na afstuderen nog steeds geen baan (werkloos, studie, et cetera). Slechts een enkeling die na afstuderen geen baan heeft, werkt een half jaar later buiten het. Ook afgestudeerden van de lerarenopleiding VO die na afstuderen in eerste instantie geen baan hadden, komen voor een deel alsnog in het terecht. Voor cohort 2007 is dit 38 procent en daarmee vergelijkbaar met voorgaande jaren. Hoewel het aantal waarnemingen gering is en er daardoor fluctuaties in de uitkomsten van jaar op jaar zitten, is er toch een algemeen beeld te schetsen voor afgestudeerden die direct na afstuderen geen baan hebben. Van deze groep vindt 40 procent alsnog een baan in het. 42 Loopbaanmonitor 2008

43 Figuur 3.13 Ontwikkeling in arbeidsmarktpositie van afgestudeerden die na de opleiding niet zijn gaan werken, cohort 2006 (N=159) en 2007 (N=516) Half jaar na afstuderen BaO Half jaar na afstuderen VO Eerste positie na afstuderen: geen baan 2006: in 31% 2007: in 52% 2006: buiten 8% 2007: buiten 6% Eerste positie na afstuderen: geen baan 2006: in 36% 2007: in 38% 2006: buiten 23% 2007: buiten 21% 2006: geen baan 61% 2007: geen baan 42% 2006: geen baan 41% 2007: geen baan 41% 3.7 Verschillen in baankenmerken naar arbeidsmarktpositie Een baan buiten het heeft, naast een andere arbeidsinhoud, andere kenmerken dan een baan in het. Met andere woorden, er zijn verschillen in baankenmerken tussen banen van personen die binnen en personen die buiten het werken. We kijken hiervoor naar de kenmerken van banen van de afgestudeerden uit 2007, een half jaar na afstuderen. Over deze banen zijn de meeste gegevens bekend. De gemaakte vergelijking heeft betrekking op personen die of werken in het of werken buiten het. Personen met zowel een baan binnen het als buiten het zijn buiten beschouwing gelaten. Inspanningen voor het vinden van huidige baan Bijna een kwart van de afgestudeerden van de lerarenopleiding BaO die in het zijn gaan werken, heeft veel tot zeer veel moeite gehad om de huidige baan (ten tijde van de enquête: half jaar na afstuderen) in het te vinden (Figuur 3.14). Collegaafgestudeerden die buiten het zijn gaan werken hadden minder vaak moeite met het vinden van een baan Van hen had 10 procent veel tot zeer veel moeite met het vinden van de baan. Afgestudeerden van de lerarenopleiding VO komen binnen het makkelijker aan een baan. Slechts 10 procent van hen had hiermee moeite. Buiten het was de moeite om een baan te vinden vergelijkbaar. Net iets minder dan 10 procent had moeite met vinden van de baan buiten het. Ten opzichte van het voorgaande cohort zijn deze resultaten vergelijkbaar. Alleen voor de afgestudeerden van de lerarenopleiding BaO die in het zijn gaan werken, is het vinden van een baan minder moeilijk geworden. Voor cohort 2006 lag het percentage afgestudeerden dat moeite had gehad met het vinden van een baan in het op 31 procent (24% in cohort 2007). Eerder hebben we gezien dat het opleidingsniveau van de baan van personen die buiten het werken vaak onder hbo-niveau ligt, vooral bij afgestudeerden van de lerarenopleiding BaO. Dit verklaart mogelijk waarom zij minder moeite hebben met het vinden van een baan (minder kieskeurig en minder geschikte opleiding voor werk buiten het ). Loopbaanmonitor

44 Figuur 3.14 Aandeel afgestudeerden uit 2007 dat veel tot zeer veel moeite heeft gehad om huidige baan (half jaar na afstuderen) te vinden, onderscheiden naar baan binnen en baan buiten (BaO N=1.482, VO N=983) BaO VO 0% 5% 10% 15% 20% 25% 30% Werkzaam in Werkzaam buiten De moeite die gedaan moet worden om een baan te vinden is vaak regiogebonden. Zo blijkt dat het vinden van een baan in het in Limburg en Noord Brabant moeilijker is, met name in het primair. Dit is niet onlogisch omdat dit juist de regio s zijn (vooral Limburg) waar de leerlingenaantallen dalen. Type aanstelling van huidige baan (half jaar na afstuderen) Van de afgestudeerden van de lerarenopleiding BaO die binnen het werken heeft 30 procent een vast contract (Figuur 3.15). Ruim 33 procent van de afgestudeerden van de lerarenopleiding BaO die in het zijn gaan werken, heeft een contract voor een jaar of langer. Ongeveer een kwart heeft een contract korter dan een jaar, daarnaast heeft nog eens 10 procent een oproep- of invalcontract. Ten opzichte van cohort 2006 is er een duidelijke afname van het aandeel vaste contracten. Er heeft een verschuiving plaatsgevonden in de richting van contracten met een looptijd van een jaar of langer. Mogelijk zijn scholen iets voorzichtiger geworden met het aanbieden van een vaste aanstelling. Zoals geconstateerd is het aandeel personen met een vast contract in het onder de afgestudeerden van de lerarenopleiding BaO afgenomen. Het aandeel afgestudeerden met een vast contract is daardoor lager dan van de afgestudeerde collega s die buiten het zijn gaan werken. Ook is het aandeel van oproep/inval/zelfstandig van buiten het werkende afgestudeerden afgenomen. Het lijkt er dus op dat de traditioneel grote baanzekerheid van een startende leraar in het basis is afgenomen. Onder de afgestudeerden van de lerarenopleiding VO met een baan in het is het aandeel kortlopende contracten en oproepkrachten aanzienlijk lager dan onder afgestudeerden van de lerarenopleiding BaO (respectievelijk 9 en 3%). Vaste aan- 44 Loopbaanmonitor 2008

45 stellingen komen in het voortgezet juist vaker voor; 60 procent heeft een vast contract. Afgestudeerden van de lerarenopleiding VO die buiten het werken, hebben in vergelijking tot afgestudeerden van de lerarenopleiding VO die in het zijn gaan werken vaker een oproepcontract, invalcontract of zijn zelfstandig. Over het algemeen hebben afgestudeerden van de lerarenopleiding VO die een baan vinden buiten het vaker een minder stabiele arbeidsmarktpositie dan hun collega afgestudeerden die in het zijn gaan werken. Figuur 3.15 Type aanstelling van afgestudeerden uit 2007 die binnen en buiten het werken (BaO N=1.462, VO N=976) Werkzaam buiten 41% 30% 17% 12% VO BaO Werkzaam in Werkzaam buiten 30% 46% 33% 30% 26% 11% 10% 13% Werkzaam in 60% 28% 9% 3% 0% 10% 20% 30% 40% 50% 60% 70% 80% 90% 100% Vast 1 jaar of langer Korter dan 1 jaar Oproep/inval/ zelfstandig Omvang aanstelling huidige baan (half jaar na afstuderen) In het is deeltijd werken vrij gangbaar. Uit figuur 3.16 blijkt dan ook dat relatief veel recent afgestudeerden in deeltijd werken (minder dan 36 uur). Dit geldt ook voor veel personen die buiten het werken. Opvallend is dat de afgestudeerden van de lerarenopleiding BaO met een baan in het het vaakst een voltijdbaan hebben. Afgestudeerden van de lerarenopleiding BaO die buiten het zijn gaan werken, hebben minder vaak een voltijdbaan en werken vaker een wisselend aantal uren. Afgestudeerden van de lerarenopleiding VO die in het werken, doen dit vaker in deeltijd dan hun collega s die buiten zijn gaan werken. De vakkenstructuur in het voortgezet is hierop waarschijnlijk mede van invloed. Voor afgestudeerden van de lerarenopleiding VO met een baan in het komt het zelden voor dat het om een wisselend aantal uren gaat. Loopbaanmonitor

46 Figuur 3.16 Omvang aanstelling van afgestudeerden die binnen en buiten het werken 2006 (BaO N=1.474, VO N=970) Werkzaam buiten 30% 46% 24% VO BaO Werkzaam in Werkzaam buiten 44% 54% 41% 36% 10% 15% Werkzaam in 37% 60% 3% 0% 10% 20% 30% 40% 50% 60% 70% 80% 90% 100% Voltijd Deeltijd Wisselend Brutosalaris huidige baan (half jaar na afstuderen) Het vergelijken van salaris wordt bemoeilijkt omdat ook het aantal gewerkte uren hier een rol speelt. Voor een eerlijke vergelijking gaan we uit van het salaris van een voltijder. Het grote verschil tussen werken binnen en buiten is de spreiding. De salarisverdeling binnen het is veel geconcentreerder. Voor meer dan de helft van de respondenten die in werken ligt het brutosalaris van een voltijder tussen de en euro. Voor personen werkzaam buiten het is er een grotere spreiding. De concentratie en continuïteit van de salarisverdeling in de sector is overigens niet zo verwonderlijk. Bij aanvang van de loopbaan wordt iedereen ongeveer gelijk ingeschaald volgens de cao. Er is een klein aantal respondenten dat aangeeft minder te verdienen dan het minimum in de cao. Naast het verschil in spreiding zijn er nog twee opvallende verschillen. In de eerste plaats is er binnen het een verschil tussen afgestudeerden van de lerarenopleiding BaO en VO. Afgestudeerden van de lerarenopleiding VO die werkzaam zijn in het blijken iets vaker een hoger bruto salaris te hebben dan collega afgestudeerden van de lerarenopleiding BaO die werkzaam zijn in het. Dit verschil wordt mede veroorzaakt door verschillende inschaling 25. Een nadere analyse van de verschillen laat zien dat vooral oudere afgestudeerden een hoger brutosalaris hebben. Deze oudere afgestudeerden (boven de 30 jaar) komen relatief vaker voor onder afgestudeerden van de lerarenopleiding VO. Het kan hier gaan om tweedegraads leraren die al een aantal jaren werkzaam zijn en nu een eerstegraads opleiding hebben voltooid. 25 Leraren in het basis zitten voornamelijk in schaal LA, welke in 2008 liep van tot Van de leraren in het voortgezet wordt twee derde betaald in schaal LB, één op de zes in schaal LC en ook één op de zes in schaal LD (Zie Nota Werken in het Onderwijs 2009). 46 Loopbaanmonitor 2008

47 In de tweede plaats blijkt dat afgestudeerden van de lerarenopleiding BaO met een baan buiten het vaker een lager salaris hebben dan afgestudeerden die binnen het werkzaam zijn. Een mogelijke verklaring hiervoor is dat het voor de eerstgenoemde groep vaker om bijbaantjes en (tijdelijke) banen gaat waarvoor geen hboniveau vereist is. De baan buiten het is in dat geval een tijdelijke oplossing om later (alsnog) in het te gaan werken. Figuur 3.17 Verdeling brutosalaris van afgestudeerden uit 2007 die binnen en buiten het een voltijdbaan hebben (BaO N=758, VO N=370) Werkzaam buiten 33% 38% 24% 5% VO BaO Werkzaam in Werkzaam buiten 10% 12% 28% 23% 29% 59% 21% 15% 2% Werkzaam in 4% 16% 43% 22% 16% 0% 10% 20% 30% 40% 50% 60% 70% 80% 90% 100% euro euro euro euro Meer dan euro 3.8 Verschillen in arbeidsmarktpositie naar achtergrondkenmerken Zoals al eerder opgemerkt, is de groep afgestudeerden van de lerarenopleiding zeer divers. In deze paragraaf gaan we na of personen met bepaalde achtergrondkenmerken verschillende keuzes maken na de lerarenopleiding. Geslacht Uit figuur 3.18 blijkt dat mannen en vrouwen die zijn afgestudeerd aan de lerarenopleiding BaO even vaak direct in het gaan werken. Voor cohort 2006 was het aandeel mannen met een baan in het direct na afstuderen nog hoger dan het aandeel vrouwen. Het aandeel mannen dat direct na afstuderen buiten het werkt ligt wel hoger dan het aandeel vrouwen met een baan buiten het. Vrouwen hebben vaker geen baan, dat wil zeggen dat zij doorstuderen of niet actief zijn op de arbeidsmarkt. Een half jaar na afstuderen is het aandeel mannen en vrouwen met een baan in het nog steeds ongeveer gelijk. Beide aandelen zijn in gelijke mate toegenomen. Een half jaar na afstuderen zijn mannen relatief oververtegenwoordigd in de groep werkend buiten het. De reden hiervoor is dat het aandeel werkend buiten het onder vrouwen sneller is afgenomen in vergelijking met een half jaar eerder. Loopbaanmonitor

48 Figuur 3.18 Arbeidsmarktpositie van afgestudeerden van cohort 2006 op twee meetmomenten, naar geslacht, lerarenopleiding BaO (N=1.871) 90% 80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0% Werkend in het Werkend buiten het Doorstuderend Werkloos Overig Werkend in het Werkend buiten het Doorstuderend Werkloos Overig Direct na afstuderen Half jaar na afstuderen Man Vrouw Voor de afgestudeerden van lerarenopleiding VO komt een vergelijkbaar beeld naar voren, maar zijn de verschillen minder sterk (Figuur 3.19). Onder afgestudeerden van cohort 2007 gaan vrouwen na afronding van de studie vaker in het werken dan mannen, het verschil is marginaal. Na een half jaar zijn de verschillen tussen mannen en vrouwen kleiner. Er zijn dan relatief iets meer vrouwen werkzaam in dan mannen. 48 Loopbaanmonitor 2008

49 Figuur 3.19 Arbeidsmarktpositie van afgestudeerden van cohort 2006 op twee meetmomenten, naar geslacht, lerarenopleiding VO (N=1.198) 90% 80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0% Werkend in het Werkend buiten het Doorstuderend Werkloos Overig Werkend in het Werkend buiten het Doorstuderend Werkloos Overig Direct na afstuderen Half jaar na afstuderen Man Vrouw Andere achtergrondkenmerken Naast geslacht is nog een aantal andere achtergrondkenmerken van invloed op de arbeidsmarktpositie van afgestudeerden. Tabel 3.2 laat zien voor welke achtergrondkenmerken er significante verschillen bestaan in de arbeidsmarktpositie. Tabel 3.2 Verschillen in eerste arbeidsmarktpositie naar een aantal achtergrondkenmerken Achtergrondkenmerk Cohort 2006 Cohort 2007 Betaald dio/lio-schap Leeftijd bij afstuderen Hebben van kinderen Vakrichting (VO) Etniciteit Afgestudeerden met een betaald dio/dloschap tijdens de studie gaan vaker in het werken dan afgestudeerden die dit niet hebben gedaan. Personen die na hun 30 e zijn afgestudeerd gaan vaker (in het ) werken dan personen die voor hun 30 e zijn afgestudeerd. Afgestudeerden met kinderen gaan vaker in het werken dan afgestudeerden zonder kinderen. Hier is een correlatie met leeftijd. Afgestudeerden Nederlands, maatschappijleer en exacte vakken werken vaker in het dan andere afgestudeerden. Nauwelijks verschil. Alleen westerse allochtoon minder vaak in het. Afgestudeerden met een betaald dio/dloschap tijdens de studie gaan vaker in het werken dan afgestudeerden die dit niet hebben gedaan. Personen die na hun 30 e zijn afgestudeerd gaan vaker (in het ) werken dan personen die voor hun 30 e zijn afgestudeerd. Afgestudeerden met kinderen gaan vaker in het werken dan afgestudeerden zonder kinderen. Hier is een correlatie met leeftijd. Afgestudeerden Nederlands, talen en exacte vakken werken vaker in het dan andere afgestudeerden. (vooral exacte vakken) Kleine niet significante verschillen. Loopbaanmonitor

50 Afgestudeerden die tijdens hun studie een betaald dio/lio-schap 26 hebben gehad, hebben significant vaker een baan in het dan degenen die dit niet hebben gedaan (82 versus 75%). In veel gevallen zijn deze personen werkzaam op de school waar ze tijdens hun studie reeds werkten. Werkervaring en hiermee samenhangende contacten in het veld zijn dus positief voor de kansen op een baan in het. Ongeveer één op de drie afgestudeerden heeft een betaald dio/lio-schap gehad. Ook leeftijd speelt een rol. Personen die ouder dan 30 waren toen ze afstudeerden, hebben vaker een baan vaker in het dan jongere afgestudeerden (81 versus 76%). Ook zijn in deze groep personen aanwezig, die al eerder een lerarenopleiding hebben gevolgd, bijvoorbeeld een tweedegraads opleiding. Overigens bestaat er voor de groep zijinstromers, die deel uitmaken van deze groep, geen significant verschil. In ieder geval gaat deze groep vaker werken en komt het alternatief doorstuderen en overig duidelijk minder vaak voor bij de dertigplussers. De groep dertigplussers betreft ongeveer een kwart van de afgestudeerden. Het hebben van kinderen is voor afgestudeerden van de lerarenopleiding van invloed op de arbeidsmarktpositie na afstuderen. Afgestudeerden met kinderen hebben vaker een baan in het (79 versus 77%). Ongeveer een vijfde van de afgestudeerden heeft kinderen. Voor het voortgezet bestaan er verschillen naar vak. Afgestudeerden in de richting Nederlands, talen en exacte vakken gaan vaker in het werken dan andere afgestudeerden in creatieve vakken en beroepsgerichte vakken. Naar etniciteit bestaan kleine verschillen. Niet-westerse allochtonen blijken iets minder vaker in het werkzaam te zijn. 26 Dio = docent in opleiding; lio = leraar in opleiding. 50 Loopbaanmonitor 2008

51 4 Regionale verschillen in arbeidsmarktpositie 4.1 De arbeidsmarktpositie per regio De arbeidsmarktpositie van afgestudeerden van de lerarenopleiding verschilt per regio. Dit hoofdstuk beschrijft de arbeidsmarktpositie voor afgestudeerden per regio voor de cohorten 2006 (drie meetmomenten) en 2007 (twee meetmomenten). De respondenten zijn aan een regio toegerekend op basis van de postcode van hun woonplaats. Wij maken hierbij onderscheid tussen een vierdeling (Noord, Oost, Midden/West en Zuid), de RBAindeling en de vier grote steden. Vanwege de relatief beperkte aantallen afgestudeerden per regio zijn de populaties van afgestudeerden van de beide lerarenopleidingen (BaO en VO) samengenomen Noord In de regio Noord is het aandeel personen dat na afstuderen in het werkt het laagst. Zowel cohort 2006 als cohort 2007 laten een groot verschil zien met het landelijk beeld (inclusief regio Noord). De afgestudeerden uit de regio Noord zijn vooral buiten het gaan werken of gaan doorstuderen. Een half jaar na afstuderen is het aandeel werkenden in toegenomen Vooral cohort 2007 kent een sterke toename. Het aandeel blijft wel sterk achter bij de andere regio s (zie navolgende tabellen in dit hoofdstuk). Voor cohort 2006 neemt het aandeel werkende in het een jaar na afstuderen nog iets toe, het aandeel blijft nog steeds achter bij het landelijk gemiddelde. Tabel 4.1 Arbeidsmarktpositie van afgestudeerden van de lerarenopleidingen (BaO en VO) op drie meetmomenten in regio Noord (RBA-gebieden Groningen, Friesland en Drenthe) Cohort 2006 Cohort 2007 Na afstuderen Half jaar na afstuderen 1 jaar na afstuderen Na afstuderen Half jaar na afstuderen Werkend in het 58% 62% 64% 58% 68% Werkend buiten het 18% 13% 15% 21% 15% Doorstuderend 10% 9% 6% 13% 10% Werkloos 7% 3% 3% 2% 1% Overig 7% 14% 13% 6% 5% Totaal (N) Loopbaanmonitor

52 4.1.2 Oost Voor cohort 2007 is het aandeel personen dat in het werkt aanvankelijk enkele procentpunten onder het Nederlands gemiddelde (inclusief regio Oost). Een half jaar na afstuderen is het aandeel naar het landelijk gemiddelde toegegroeid, maar nog steeds onder het gemiddelde. Doorstuderen blijkt in deze regio vaker voor te komen dan landelijk het geval is. De arbeidsmarktpositie van afgestudeerden van cohort 2006 in de regio Oost komt wat betreft werken in het redelijk overeen met de overige regio s. Werken buiten het komt een stuk minder vaak voor, doorstuderen scoort juist bovengemiddeld. Tabel 4.2 Arbeidsmarktpositie van afgestudeerden van de lerarenopleidingen op drie meetmomenten in regio Oost (RBAgebieden IJssel-Vecht/Twente, IJssel-Veluwe, Arnhem/Oost Gelderland/Nijmegen/Rivierenland) Cohort 2006 Cohort 2007 Na afstuderen Half jaar na 1 jaar na Half jaar na afstuderen afstuderen Na afstuderen afstuderen Werkend in het 67% 73% 78% 63% 75% Werkend buiten het 14% 14% 8% 16% 13% Doorstuderend 11% 9% 6% 12% 6% Werkloos 2% 1% 3% 3% 1% Overig 7% 4% 5% 6% 5% Totaal (N) Midden West In de regio Midden/West is het aandeel personen dat in het werkt na afstuderen het hoogst van de vier regio s, en ligt daarmee ook boven het Nederlands gemiddelde, zowel in 2006 als in In deze regio is het aandeel personen zonder baan lager dan in de overige regio s. Vooral doorstuderen komt in Midden/West direct en een half jaar na afstuderen minder vaak voor. 52 Loopbaanmonitor 2008

53 Tabel 4.3 Arbeidsmarktpositie van afgestudeerden van de lerarenopleidingen op drie meetmomenten in regio Midden/West (RBA-gebieden Rijnmond exclusief Rotterdam, Haaglanden excl. Den Haag, Rijnstreek, Zuidelijk Noord-Holland exclusief Amsterdam, Noord-Holland Noord, Midden-Nederland excl. Utrecht, Flevoland) Cohort 2006 Cohort 2007 Na afstuderen Half jaar na afstuderen 1 jaar na afstuderen Na afstuderen Half jaar na afstuderen Werkend in het 73% 78% 80% 74% 83% Werkend buiten het 17% 13% 12% 15% 12% Doorstuderend 3% 2% 3% 5% 2% Werkloos 2% 1% 2% 2% 0% Overig 5% 5% 3% 5% 3% Totaal (N) Zuid Het aandeel afgestudeerden uit 2006 met een baan in het ligt in de regio Zuid ver onder het landelijk gemiddelde, zowel direct na afstuderen als een half jaar na afstuderen. Blijkbaar is het in deze regio aanzienlijk moeilijker om een baan te vinden. Dit zien we vervolgens terug in het aandeel overig (zorgtaken, reizen, et cetera) dat in het zuiden beduidend hoger is dan in de rest van Nederland. Opvallend is dat een jaar na afstuderen dit aanzienlijk geslonken is. Voor cohort 2007 geldt ook een ondervertegenwoordiging van afgestudeerden die in het zijn gaan werken, zij het dat het verschil met het landelijk gemiddelde kleiner is. Tabel 4.4 Arbeidsmarktpositie van afgestudeerden van de lerarenopleidingen op drie meetmomenten in regio Zuid (RBAgebieden Zeeland, Midden- en West-Brabant, Noordoost Brabant, Limburg) Cohort 2006 Cohort 2007 Na afstuderen Half jaar na afstuderen 1 jaar na afstuderen Na afstuderen Half jaar na afstuderen Werkend in het 55% 64% 73% 64% 75% Werkend buiten het 18% 16% 16% 17% 12% Doorstuderend 10% 7% 4% 11% 7% Werkloos 5% 2% 2% 2% 1% Overig 12% 12% 6% 7% 6% Totaal (N) Loopbaanmonitor

54 4.1.5 Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht De arbeidsmarktpositie van de afgestudeerden in de grote steden komt, voor zowel cohort 2006 als 2007, in grote lijnen overeen met het gemiddelde in Nederland. Het voornaamste verschil is dat de arbeidsmarktpositie overig minder voorkomt in de grote steden. Voor cohort 2006 bleek een half jaar na afstuderen het aandeel werkend in iets hoger te liggen dan het landelijk gemiddelde. Een jaar na afstuderen ligt dit aandeel onder het landelijk gemiddelde. Tabel 4.5 Arbeidsmarktpositie van afgestudeerden van de lerarenopleidingen op drie meetmomenten in de G4 Cohort 2006 Cohort 2007 Na afstuderen Half jaar na afstuderen 1 jaar na afstuderen Na afstuderen Half jaar na afstuderen Werkend in het 67% 78% 74% 67% 76% Werkend buiten het 17% 11% 15% 18% 14% Doorstuderend 9% 6% 5% 11% 7% Werkloos 2% 3% 3% 1% 1% Overig 6% 3% 3% 4% 2% Totaal Arbeidsmarktpositie per RBA Voor 2007 zijn de aantallen groot genoeg om uitkomsten te laten zien naar RBA. Tabel 4.6 en 4.7 bevestigen het beeld uit de voorgaande paragraaf dat in het Noorden de minste personen na afstuderen in het werken. Afgestudeerden BaO Vooral voor de RBA s Groningen, Friesland, Drenthe en Gelderland blijft het aandeel afgestudeerden met een baan in het achter. Friesland blijft het verst achter bij het landelijk gemiddelde. Een half jaar na afstuderen is dit verschil groter doordat landelijk het aandeel sneller oploopt dan in Friesland. In de voorgaande rapportage was ook al een laag aandeel werkend in het voor Friesland geconstateerd. In het Westen kennen Rijnland, Rijnmond, Zeeland en Noord-Holland Noord een bovengemiddeld aandeel personen van het cohort 2007 dat na afstuderen in het werkt. Flevoland heeft de koppositie wat betreft personen die direct na afstuderen in het gaan werken. In de meeste regio s, waar het aandeel personen dat in het werkt aanvankelijk laag of hoog is, blijkt dit aandeel een half jaar na afstuderen rond het gemiddelde te liggen. Alleen in Friesland loopt het verschil met het landelijk gemiddelde verder op. Ten opzichtte van het voorgaande cohort blijkt dat in de zuidelijke regio s (Rijnmond tot en met Limburg) meer afgestudeerden direct na afstuderen in het zijn gaan 54 Loopbaanmonitor 2008

55 werken. In het noorden (Drenthe, Overijssel, IJssel-Veluwe, Gelderland) blijft het aandeel afgestudeerden dat direct na afstuderen in het gaat werken achter ten opzichte van het voorgaande cohort. Dit is overigens een half jaar na afstuderen bijgetrokken. Een half jaar na afstuderen blijkt dat in bijna alle regio s meer afgestudeerden in het zijn gaan werken dan voor het voorgaande cohort het geval was. Groningen, Midden- en West-Brabant en Limburg springen er echt uit; in deze regio s is het aandeel afgestudeerden dat een half jaar na afstuderen in het is gaan werken tussen de 13 en 15 procentpunt toegenomen. Tabel 4.6 Arbeidsmarktpositie van afgestudeerden van cohort 2007 direct na afstuderen en een half jaar na afstuderen naar regio, lerarenopleiding BaO Arbeidsmarktpositie na afstuderen Arbeidsmarktpositie half jaar na afstuderen Werkend in Werkend Geen Werkend in Werkend Geen baan N het buiten het baan het buiten het Groningen 55% 20% 25% 72% 7% 22% 60 Friesland 52% 21% 27% 56% 14% 30% 66 Drenthe 53% 21% 26% 74% 11% 15% 53 Overijssel 58% 10% 32% 78% 4% 18% 136 IJssel-Veluwe 63% 13% 24% 74% 10% 16% 126 Gelderland 54% 19% 27% 72% 13% 15% 137 Flevoland 83% 6% 11% 83% 13% 4% 47 Midden- Nederland 70% 15% 15% 81% 9% 10% 202 Noord-Holland Noord 76% 16% 8% 85% 13% 3% 79 Zuidelijk Noord- Holland 69% 16% 15% 84% 10% 6% 148 Rijnstreek 79% 7% 15% 88% 6% 7% 89 Haaglanden 64% 21% 15% 79% 12% 9% 78 Rijnmond 77% 14% 9% 89% 7% 4% 188 Zeeland 76% 9% 15% 91% 4% 5% 55 Midden- en West- Brabant 64% 22% 14% 78% 13% 10% 134 Noordoost- Brabant 66% 12% 22% 71% 6% 24% 68 Zuidoost-Brabant 67% 9% 24% 78% 8% 14% 78 Limburg 56% 20% 24% 76% 9% 15% 112 Totaal 66% 15% 19% 79% 9% 12% Afgestudeerden van de lerarenopleiding VO Voor afgestudeerden van de lerarenopleiding VO geldt een vergelijkbaar beeld als bij de afgestudeerden van de lerarenopleiding BaO. Loopbaanmonitor

56 In vergelijking met het vorige cohort kan een aantal ontwikkelingen worden geconstateerd. De regio s Drenthe, Haaglanden en Rijnmond laten een afname zien van het aandeel werkenden in het. Voor de twee laatstgenoemde regio s lag het aandeel in de voorgaande meting hoog. In deze twee regio s kan het een signaal zijn dat de spanning op de arbeidsmarkt aan het oplopen is. Er zijn drie regio s waar de arbeidsmarkt zich ten opzichte van het voorgaande cohort duidelijk positief heeft ontwikkeld. In de regio s Friesland, Overijssel en Zuidoost-Brabant hebben een half jaar na afstuderen ongeveer 10 procentpunt meer afgestudeerden een baan in het. Tabel 4.7 Arbeidsmarktpositie van afgestudeerden van cohort 2007 direct na afstuderen en een half jaar na afstuderen naar regio, lerarenopleiding VO. Arbeidsmarktpositie na afstuderen Arbeidsmarktpositie half jaar na afstuderen N Werkend in het Werkend buiten het Geen baan Werkend in het Werkend buiten het Geen baan Groningen 61% 18% 21% 69% 19% 12% 67 Friesland 66% 24% 11% 74% 21% 5% 76 Drenthe 61% 29% 11% 64% 18% 18% 28 Overijssel 72% 19% 9% 80% 16% 4% 93 IJssel-Veluwe 75% 17% 8% 74% 21% 6% 53 Gelderland 69% 21% 9% 72% 19% 8% 108 Flevoland 93% 7% 93% 7% 14 Midden- Nederland 67% 21% 12% 71% 18% 11% 110 Noord-Holland Noord 85% 6% 9% 82% 9% 9% 34 Zuidelijk Noord- Holland 74% 19% 7% 80% 17% 3% 100 Rijnstreek 77% 16% 7% 84% 14% 2% 44 Haaglanden 76% 13% 11% 76% 20% 4% 55 Rijnmond 71% 18% 10% 76% 17% 7% 125 Zeeland 87% 13% 87% 13% 23 Midden- en West-Brabant 64% 20% 17% 72% 25% 3% 96 Noordoost- Brabant 70% 15% 15% 75% 15% 10% 40 Zuidoost- Brabant 72% 18% 10% 79% 18% 3% 61 Limburg 58% 27% 15% 71% 22% 7% 55 Totaal 70% 19% 11% 75% 18% 6% Loopbaanmonitor 2008

57 5 Het werkklimaat voor beginnende leraren 5.1 Inleiding In de Loopbaanmonitor wordt sinds 2006 jaarlijks aandacht besteed aan een speciaal thema dat een bijzondere relatie heeft met de loopbaan van beginnende leraren. In de rapportage van de Loopbaanmonitor 2006 ging dat over de keuzeprocessen van pas afgestudeerde leraren, waarbij de motieven voor de keuze voor de lerarenopleiding en de motivatie om (voor langere tijd) leraar te zijn, centraal stonden. Vervolgens besteedde de Loopbaanmonitor 2007 extra aandacht aan de kwaliteit en de hoeveelheid begeleiding die beginnende leraren krijgen als ze na hun afstuderen in scholen gaan werken. Dit jaar geven we bijzondere aandacht aan het werkklimaat voor beginnende leraren. In het convenant Leerkracht van Nederland onderschrijven sociale partners en het ministerie van OCW het belang van een goede positie van de leraar in de school. In dit convenant wordt bijvoorbeeld zowel voor het primair als voortgezet expliciete aandacht besteed aan de vermindering van de werkdruk en de werkbelasting. Er wordt daarbij niet specifiek ingegaan op de situatie voor beginnende leraren. Voor beginnende leraren in het voortgezet is in het onderhandelaarsakkoord expliciet vastgelegd dat jonge docenten in hun eerste jaar een taakverlichting krijgen van twintig procent. 5.2 Definitie van werkklimaat Onder werkklimaat verstaan we de professionele relatie en sfeer tussen enerzijds de beginnende leraar en anderzijds het schoolmanagement en de collega s. Uit internationaal onderzoek is bekend dat het werkklimaat op een school niet alleen van invloed is op de motivatie van beginnende leraren, maar ook een voorspeller is van de geplande of verwachte duur van een loopbaan in het 27. Hoe beter een leraar zich voelt in de professionele relatie met schoolmanagement en collega s, hoe meer succes hij heeft in de eerste jaren als leraar en hoe langer hij voor de klas wil staan. Het werkklimaat voor beginnende leraren is daarmee één van de factoren die invloed hebben op het behoud van leraren voor de sector. 27 Zie onder andere: Weiss, E.M. (1999). Perceived workplace conditions and first-year teachers morale, career choice commitment, and planned retention: a secondary analysis. Teaching and teacher education, 15, Chapman, D. W., Green, M.S. (1986). Teacher retention: a further examination. Journal of educational research, 79, Hebert, E.H., Worthy, T. (2001). Does the first year of teaching have to be a bad one? A case study of success. Teaching and teacher education, 17, Loopbaanmonitor

58 Specifieke kenmerken van een goed werkklimaat op scholen zijn: een positieve sfeer, een gevoel van saamhorigheid onder het personeel en positieve feedback, en steun vanuit het management 28. Ook de invloed die beginnende leraren hebben binnen de school kan gezien worden als een onderdeel van het werkklimaat. Hoe meer zeggenschap beginnende docenten hebben - bijvoorbeeld over hun instructiemateriaal, maar ook over het beleid van de school - des te groter is hun voornemen om langer in het te blijven, zo blijkt uit eerder onderzoek 29. Op basis van de gegevens in de Loopbaanmonitor 2008 zijn we in staat de actuele Nederlandse situatie nader te onderzoeken. Op basis van eerder onderzoek in het buitenland zijn hiervoor een aantal stellingen geformuleerd over het werkklimaat voor beginnende leraren. Dit zijn: Schoolmanagement informeert in voldoende mate hoe het mij vergaat. Schoolmanagement steunt mij als ik problemen ondervind met leerlingen. Schoolmanagement steunt mij als ik problemen ondervind met ouders. Als ik problemen ondervind, helpt het schoolmanagement mij naar oplossingen te zoeken. Het schoolmanagement houdt er bij het toekennen van taken rekening mee dat ik een beginnende leerkracht ben. Ik word voldoende betrokken bij de besluitvorming op school. Mijn collega s staan open voor mijn (nieuwe) ideeën. Ervaren collega s helpen mij mijn weg te vinden als leraar. Ik kan in voldoende mate mijn problemen bespreken met collega s. Ik durf mijn mening te geven in het team. Collega s interesseren zich in mij. Ik ben in voldoende mate geïnformeerd over de (huis)regels en procedures op school. Ik kan mij goed vinden in de (huis)regels en procedures op school. Ik ervaar een prettige werksfeer op school. Het ondersteunend personeel reageert adequaat op mijn signalen. Op een vijfpuntsschaal gaven de beginnende leraren aan welke verwachtingen zij op het moment van afstuderen hadden ten aanzien van elk item (oplopend van 1 = zeer negatieve verwachting tot 5 = zeer positieve verwachting). Vervolgens gaven ze aan welke ervaringen zij hebben met de afzonderlijke items (oplopend van 1 = zeer negatieve ervaringen tot 5 = zeer positieve evaringen). In het vervolg van dit hoofdstuk wordt ingegaan op de volgende vragen: Welke verwachtingen hadden beginnende leraren ten aanzien van het werkklimaat op de school waar ze werkzaam zijn en komen deze verwachtingen overeen met de werkelijke situatie? Hoeveel beginnende leraren ervaren een discrepantie tussen verwachtingen en werkelijkheid ten aanzien van het werkklimaat? Welke leraren ervaren een dergelijke discrepantie? 28 Tschannen-Moran, M., Woolfolk Hoy, A. (2006). The differential antecedents of self-efficacy beliefs of novice and experienced teachers. Teaching and teacher education, 23, Weiss, E.M. (1999). Percieved workplace conditions and first-year teachers morale, career choice commitment, and planned retention: a secondary analysis. Teaching and teacher education, 15, Loopbaanmonitor 2008

59 Heeft een discrepantie tussen verwachting en ervaring invloed op de duur die men verwacht in het werkzaam te willen zijn? Bestaan er relaties tussen het ervaren werkklimaat en redenen om het te verlaten? 5.3 Verwachtingen van het werkklimaat Figuur 5.1 en figuur 5.2 laten (voor respectievelijk het BaO en het VO) zien welk percentage van de beginnende leraren op het moment van afstuderen positieve verwachtingen had over het werkklimaat op de toekomstige werkplek (bovenste balken). Ook laten de figuren het aandeel beginnende leraren zien dat, nadat ze een tijdje werkzaam zijn geweest, tevreden is over het werkklimaat (onderste balken in de figuur). Figuur 5.1 Aandeel beginnende leraren met positieve verwachtingen en positieve ervaringen ten aanzien van het werkklimaat (BaO) Het schoolmanagement Schoolmanagement informeert in voldoende mate naar hoe het mij vergaat Schoolmanagement steunt mij als ik problemen ondervind met leerlingen Schoolmanagement steunt mij als ik problemen ondervind met ouders Als ik problemen ondervind helpt het schoolmanagement mij naar oplossingen te zoeken Het schoolmanagement houdt er bij het toekennen van taken rekening mee dat ik een beginnende leerkracht ben Ik word voldoende betrokken bij de besluitvorming op school Mijn collega s staan open voor mijn (nieuwe) ideeën Ervaren collega s helpen mij mijn weg te vinden als leraar Ik kan in voldoende mate mijn problemen bespreken met collega s Ik durf mijn mening te geven in het team De collega s / cultuur Collega s interesseren zich in mij Ik ben in voldoende mate geïnformeerd over de (huis)regels en procedures op school Ik kan mij goed vinden in de (huis)regels en procedures op school Ik ervaar een prettige werksfeer op school Het ondersteunend personeel reageert adequaat op mijn signalen 0% 10% 20% 30% 40% 50% 60% 70% 80% 90% 100% % (helemaal) tevreden % (zeer) positieve verwachting De gegevens in figuur 5.1 geven aan dat de beginnende leraren van de lerarenopleidingen BaO op het moment van afstuderen de meest positieve verwachtingen hebben op het gebied van de werksfeer en de steun die ze krijgen van collega s en het management (ongeveer 80%). Over het algemeen komen deze verwachtingen overeen met de ervaringen in de praktijk; de meeste leraren BaO zijn op deze punten tevreden. Ook blijkt uit figuur 5.1 dat pas afgestudeerden van de lerarenopleiding BaO doorgaans relatief lage verwachtingen hebben over de mate waarin ze betrokken zullen worden bij de besluitvorming; slechts 57 procent van de beginnende leraren heeft hierover positieve verwachtingen. Eenmaal werkzaam in de praktijk is 65 procent van de beginnende leraren BaO hierover tevreden. Loopbaanmonitor

60 De grootste ontevredenheid over het werkklimaat zien we in figuur 5.1 bij de mate waarin beginnende leraren geïnformeerd worden over de regels en procedures op school. Slechts 57 procent van de beginnende leraren BaO is hierover tevreden. Figuur 5.2 laat de uitkomsten zien van de verwachtingen en ervaringen van het werkklimaat van beginnende leraren die de lerarenopleiding VO hebben afgerond. Figuur 5.2 Aandeel beginnende leraren met positieve verwachtingen en positieve ervaringen ten aanzien van het werkklimaat (VO) De collega s / cultuur Het schoolmanagement Schoolmanagement informeert in voldoende mate naar hoe het mij vergaat Schoolmanagement steunt mij als ik problemen ondervind met leerlingen Schoolmanagement steunt mij als ik problemen ondervind met ouders Als ik problemen ondervind helpt het schoolmanagement mij naar oplossingen te zoeken Het schoolmanagement houdt er bij het toekennen van taken rekening mee dat ik een beginnende leerkracht ben Ik word voldoende betrokken bij de besluitvorming op school Mijn collega s staan open voor mijn (nieuwe) ideeën Ervaren collega s helpen mij mijn weg te vinden als leraar Ik kan in voldoende mate mijn problemen bespreken met collega s Ik durf mijn mening te geven in het team Collega s interesseren zich in mij Ik ben in voldoende mate geïnformeerd over de (huis)regels en procedures op school Ik kan mij goed vinden in de (huis)regels en procedures op school Ik ervaar een prettige werksfeer op school Het ondersteunend personeel reageert adequaat op mijn signalen 0% 10% 20% 30% 40% 50% 60% 70% 80% 90% 100 % % (helemaal) tevreden % (zeer) positieve verwachting Over de volgende aspecten van het werkklimaat heeft het grootste aandeel pas afgestudeerden van de lerarenopleiding VO positieve verwachtingen: de werksfeer op school en de hulp van collega s. Ongeveer 75 procent heeft positieve verwachtingen van deze aspecten. De verwachtingen van pas afgestudeerden van de lerarenopleidingen VO ten aanzien van het schoolmanagement liggen lager dan bij het BaO. Ongeveer 70 procent van de pas afgestudeerden van de lerarenopleidingen VO heeft positieve verwachtingen van de steun van het schoolmanagement. Voor het BaO ligt dat op 85 procent. Als vervolgens de onderste balken van figuren 5.1 en 5.2 vergeleken worden, valt op dat de lagere verwachtingen in het VO ten aanzien van het schoolmanagement ondersteund worden door de ervaringen. Beginnende leraren in het VO zijn minder positief over hun ervaringen met het schoolmanagement dan beginnende leraren in het BaO. 5.4 Teleurstellingen over het werkklimaat In deze paragraaf gaan we in op de groep beginnende leraren bij wie de ervaringen in de praktijk lager waren dan de verwachting op het moment van afstuderen. Zij hebben een negatieve discrepantie tussen hun verwachtingen (op het moment van afstuderen) en hun 60 Loopbaanmonitor 2008

61 ervaringen (nadat ze een tijdje op een school werkzaam zijn geweest). Anders gezegd: het gaat in deze paragraaf over de teleurgestelde beginnende leraren. Over alle onderdelen van het werkklimaat genomen is in totaal 10 procent van de beginnende leraren teleurgesteld over het werkklimaat (dit geldt zowel voor BaO als voor VO) 30. Het gaat hier dus om een relatief kleine groep beginnende leraren. In de figuur 5.3 staan per aspect van het werkklimaat de percentages beginnende leraren BaO en VO die teleurgesteld zijn; hun ervaringen in de praktijk zijn lager dan de verwachting op het moment van afstuderen. Figuur 5.3 Aandeel beginnende leraren dat teleurgesteld was ten aanzien van aspecten van het werkklimaat De collega s / cultuur Het schoolmanagement Schoolmanagement informeert in voldoende mate naar hoe het mij vergaat Schoolmanagement steunt mij als ik problemen ondervind met leerlingen Schoolmanagement steunt mij als ik problemen ondervind met ouders Als ik problemen ondervind helpt het schoolmanagement mij naar oplossingen te zoeken Het schoolmanagement houdt er bij het toekennen van taken rekening mee dat ik een beginnende leerkracht ben Ik word voldoende betrokken bij de besluitvorming op school Mijn collega s staan open voor mijn (nieuwe) ideeën Ervaren collega s helpen mij mijn weg te vinden als leraar Ik kan in voldoende mate mijn problemen bespreken met collega s Ik durf mijn mening te geven in het team Collega s interesseren zich in mij Ik ben in voldoende mate geïnformeerd over de (huis)regels en procedures op school Ik kan mij goed vinden in de (huis)regels en procedures op school Ik ervaar een prettige werksfeer op school Het ondersteunend personeel reageert adequaat op mijn signalen 0% 5% 10% 15% 20% 25% 30% 35% VO BaO Figuur 5.3 laat zien dat beginnende leraren in het VO vaker teleurgesteld zijn over het werkklimaat dan beginnende leraren in het BaO. Uit de figuur blijkt tevens dat beginnende leraren vaker teleurgesteld zijn over het schoolmanagement dan over collega s en cultuur. Het sterkst zien we dit bij de mate waarin het schoolmanagement informeert naar hoe het de beginnende leraar vergaat. Ongeveer een kwart van de beginnende leraren in het BaO is hierin teleurgesteld; In het VO ligt dit percentage hoger, namelijk op 33 procent. Ook de mate waarin beginnende leraren geïnformeerd worden over huisregels en procedures leidt met name in het VO, maar ook in het BaO tot teleurstelling onder beginnende leraren. Dit geldt ook voor de mate waarin het schoolmanagement rekening met hen houdt bij het toekennen van taken. 30 Van de beginnende leraren ervaart 10 procent een negatieve discrepantie over het geheel van de 15 gescoorde verwachtingen en ervaringen. 80 Procent ervaart geen of zeer weinig discrepantie en tien procent ervaart een positieve discrepantie. Dit geldt zowel voor BaO als voor VO. Loopbaanmonitor

62 Vervolgens is de groep teleurgestelde beginnende leraren vergeleken met de beginnende leraren die positief verrast waren (bij wie dus de ervaringen hoger waren dan de verwachtingen) en de beginnende leraren die geen verschil hebben tussen hun verwachtingen en hun ervaringen omtrent het werkklimaat. Nagegaan is of deze groepen verschillen naar samenstelling. Respectievelijk hebben we het hier over de groepen met een negatieve discrepantie, een positieve discrepantie en zonder discrepantie. De vergelijking tussen deze groepen leverde de volgende uitkomsten op: De samenstelling van mannen en vrouwen verschilt niet tussen de groepen. Mannen en vrouwen verschillen dus niet in hun verwachtingen danwel tevredenheid met hun ervaringen. De groep leraren BaO met een negatieve discrepantie heeft in hun thuissituatie vaker (de zorg over) kinderen. Dit betekent dat beginnende leraren BaO die thuis kinderen hebben relatief vaker teleurgesteld zijn over het werkklimaat op scholen. Deze uitkomsten gelden niet voor het VO. De drie groepen (negatieve, positieve of geen discrepantie) verschillen niet in samenstelling waar het gaat om de hoogst afgeronde vooropleiding voorafgaand aan de lerarenopleiding. Het is dus niet zo dat instromers vanuit het mbo of juist vanuit het vwo vaker teleurstellingen ervaren over het werkklimaat. Beginnende leraren VO die op de school waar ze werkzaam zijn ook al stage hebben gelopen, geven vaker aan dat zij teleurgesteld zijn over de mate waarin het schoolmanagement bij het toekennen van taken rekening houdt met het gegeven dat zij beginnend leraar zijn. Juist doordat deze leraren al bekend zijn op de school, worden zij van meet af aan intensiever ingezet waarbij minder rekening wordt gehouden met hun status van beginnend leraar. Tot slot geldt in algemene zin dat beginnende leraren die op de school waar ze werkzaam zijn ook al stage hebben gelopen, even vaak worden teleurgesteld over het werkklimaat als leraren die op een nieuwe school zijn gaan werken. Dit is opmerkelijk, omdat het tegendeel logischerwijs verwacht zou worden. Immers, als beginnende leraren werkzaam zijn op een school waar ze al stage hebben gelopen, zou logischerwijs te verwachten zijn dat ze beter voorbereid zijn op het werkklimaat op de betreffende school, waardoor ze over het algemeen minder vaak teleurgesteld zouden worden. Deze aanname blijkt dus onjuist. 5.5 De relatie tussen werkklimaat en verwachte loopbaanduur in het Figuur 5.4 laat de relatie zien tussen het werkklimaat en de verwachte loopbaanduur in het. In de figuur is onderscheid gemaakt tussen drie groepen, namelijk: beginnende leraren die over het algemeen hogere verwachtingen hadden van het werkklimaat en in de dagelijkse praktijk hierover minder tevreden zijn (negatieve discrepantie); beginnende leraren bij wie de verwachtingen van het werkklimaat over het algemeen overeenkomen met hetgeen ze in de praktijk ervaren (geen discrepantie); beginnende leraren die over het algemeen positiever zijn over het werkklimaat dan ze aanvankelijk hadden verwacht (positieve discrepantie). 62 Loopbaanmonitor 2008

63 Figuur 5.4 De relatie tussen het werkklimaat en de verwachte loopbaanduur in het Positieve discrepantie VO BaO Geen discrepantie Negatieve discrepantie Positieve discrepantie Geen discrepantie Negatieve discrepantie 0% 10% 20% 30% 40% 50% 60% 70% 80% 90% 100% Minder dan een jaar Een tot twee jaar Drie tot vijf jaar Vijf tot tien jaar Langer dan tien jaar Weet niet De gegevens in figuur 5.4 laten zien dat een groter aandeel van beginnende leraren met een negatieve discrepantie nog geen indicatie kan geven van de verwachte loopbaanduur in het. Ook is uit de figuur op te maken dat van de leraren met een positieve discrepantie een beduidend groter aandeel verwacht dat ze langer dan tien jaar in het werkzaam willen blijven. Het werkklimaat en de verwachte loopbaanduur in het hangen dus voor een deel met elkaar samen 31. Tot slot zijn we nagegaan of er een samenhang is tussen het werkklimaat van beginnende leraren en redenen om het te verlaten. Zoals in hoofdstuk 3 al is genoemd, is de hoge werkdruk in het voor leraren BaO en VO een belangrijke reden om mogelijk in de toekomst het te verlaten. Dit blijkt ook samen te hangen met het werkklimaat tussen het schoolmanagement en de beginnende leraren. Naarmate beginnende leraren positiever zijn over de steun en de aandacht van de schoolmanagers, ervaren zij minder werkdruk, waardoor de kans kleiner wordt dat zij om die reden het zullen verlaten 32. Het gaat hier dus specifiek om de aandacht van de schoolmanagers. Daarnaast levert de steun en aandacht van collega s, en een positieve werksfeer als geheel, ook een bijdrage aan het welbevinden van de beginnende leraar, wat mede voorkomt dat zij het op korte termijn zullen verlaten. 31 De correlatie is.12 (p <.01) 32 De correlatie is.16 (p <.01) Loopbaanmonitor

64

65 Literatuur Aa, R. van der, G. de Bruin, B. van Hulst, De beroepsloopbaan van allochtonen leraren in het primair en voortgezet, Paper voor de ORD 2007, Groningen. Zie; Aa, R. van der, e.a., Loopbaanmonitor Onderwijs Onderzoek naar de arbeidsmarktpositie van afgestudeerden van de lerarenopleidingen in 2003 en 2004, ECORYS, Ministerie van OCW, Den Haag, Aa, R. van der, e.a, Loopbaanmonitor Onderzoek naar de arbeidsmarktpositie van afgestudeerden van de lerarenopleidingen in 2004 en 2005, ECORYS i.s.m. RISBO, Ministerie van OCW, november Aa, R. van der, e.a, Loopbaanmonitor Onderzoek naar de arbeidsmarktpositie van afgestudeerden van de lerarenopleidingen in 2005 en 2006, ECORYS i.s.m. RISBO, Ministerie van OCW, november Aa, R. van der, e.a., Loopbaanmonitor. Onderzoek naar de loopbanen van afgestudeerden van de lerarenopleiding , ECORYS, Ministerie van OCW, Den Haag, Aa, R. van der, e.a., De toekomstige arbeidsmarkt voor personeel , actualisering arbeidsmarktprognoses voor primair, voortgezet en bve-sector, ECORYS/ CentERdata / Q Delft, Ministerie van OCW, Rotterdam, Aa, R. van der, e.a., Loopbanen van leraren door de tijd heen. Onderzoek naar de loopbaanontwikkeling van afgestudeerden van de lerarenopleiding basis en voortgezet , ECORYS i.s.m. RISBO, Ministerie van OCW, Den Haag, Berg, M. N. van den, Studeren? (G)een Punt! Een kwantitatieve studie naar studievoortgang in het Nederlands wetenschappelijk in de periode Proefschrift, Erasmus Universiteit Rotterdam, Rotterdam, Bergem, T. Bjorkqvist, O. Hansen, S-E., Carlgren, I, Hauge, T.E. Research on teachers and teacher education in Scandinavia: A retrospective review. Scandinavian Journal of educational Research, 41, , Berndsen, F.E.M. en C.T.A. van Bergen, Arbeidsmarktbarometer Primair Onderwijs , Regioplan, Ministerie van OCW, Loopbaanmonitor

66 Berndsen, F.E.M. en C.T.A. van Bergen, Arbeidsmarktbarometer Primair Onderwijs , Vacatures in het derde kwartaal van 2005, Regioplan, Ministerie van OCW, Den Haag, februari Borghans, A.H. en B. Golsteyn, De keuze voor de lerarenopleiding en het lerarenberoep. Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt/SBO, Bruinsma, M., Effectiveness of Higher Education. Proefschrift, Rijksuniversiteit Groningen, Groningen, Cochran Smith, M. Stayers, leavers, lovers and dreamers. Journal of Teacher Education, 55(5), , Diepeveen, M., F.E.M. Berndsen en C.T.A. van Bergen, Arbeidsmarktbarometer Voortgezet Onderwijs , Vacatures in het derde kwartaal van 2005, Regioplan, Ministerie van OCW, Den Haag, februari Houtveen, T., B. Versloot en I. Groenen, De begeleiding van startende leraren in het voortgezet en basis. Den Haag: SBO, HBO-monitor 2007, HBO-raad, Den Haag Jansen, E.P.W.A., Curriculumorganisatie en studievoortgang, een onderzoek onder zes studierichtingen aan de Rijksuniversiteit Groningen, Groningen, GION, Leenen, H., e.a., Arbeidsmarktbarometer Primair Onderwijs , Vacatures in het 3 e kwartaal van 2007, Regioplan, Ministerie van OCW, februari Macdonald, D., Teacher attrition: a review of literature. Teaching and teacher education, 15, , Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Nota Werken in het 2009, Den Haag, september Mok, A.L., De Loopbaan is heel het leven. In: De diversiteit in levenslopen: consequenties voor de arbeidsmarkt. SISWO, Amsterdam, Moore Johnson, S. The project on the next generation of teachers. In: Finders and Keepers: Helping teachers survive and thrive in our schools. San Francisco: Jossey Bass Nota Werken in het Onderwijs, Ministerie van OCW, Den Haag, Paulussen-Hoogeboom, M.C., J.A.E. Rigter en C.T.A. van Bergen, Arbeidsmarktbarometer Voortgezet Onderwijs , Vacatures in het schooljaar , Regioplan, Ministerie van OCW, Den Haag, oktober Loopbaanmonitor 2008

67 Rigter, J.A.E. en C.T.A van Bergen, Arbeidsmarktbarometer Primair Onderwijs , Vacatures in het schooljaar , Regioplan, Ministerie van OCW, oktober Rigter, J.A.E, W. Feenstra en C.T.A van Bergen, Arbeidsmarktbarometer Voortgezet Onderwijs , Vacatures in het 3 e kwartaal van 2007, Regioplan, Ministerie van OCW, februari Scott, J. en D. Alwin, Retrospective versus prospective measurement of life histories in longitudinal research. In: J.Z. Giele en G.H. Elder jr. (eds.), Methods of life course research. Quantitative and qualitative approaches, Sage Publications, Tinto, V., Classrooms as communities: Exploring the educational character of student persistence. The Journal of Higher Education, 68 (6), , Vermeulen-Kerstens, L. The Study of Alumni: Professional Success, Commitment to the University, and the Role of the Learning Environment. Thesis, Erasmus University Rotterdam, Rotterdam, Loopbaanmonitor

68

69 Lijst met tabellen Tabel S.1 Arbeidsmarktsituaties van afgestudeerden van de lerarenopleiding BaO, cohort 2006 en 2007, op drie meetmomenten 10 Tabel S.2 Arbeidsmarktsituaties van afgestudeerden van de lerarenopleiding VO, cohort 2006 en 2007, op drie meetmomenten 11 Tabel 1.1 Meetmomenten van arbeidsmarktsituaties cohort 2006 en cohort Tabel 2.1 Type vooropleiding, cohort Tabel 2.2 Aandeel afgestudeerden dat een andere hbo of universitaire studie heeft afgerond voor aanvang van de lerarenopleiding, naar studierichting 24 Tabel 3.1 Maatschappelijke positie van personen die niet werkzaam zijn direct na afstuderen 30 Tabel 3.2 Verschillen in eerste arbeidsmarktpositie naar een aantal achtergrondkenmerken 49 Tabel 4.1 Arbeidsmarktpositie van afgestudeerden van de lerarenopleidingen (BaO en VO) op drie meetmomenten in regio Noord (RBA-gebieden Groningen, Friesland en Drenthe) 51 Tabel 4.2 Arbeidsmarktpositie van afgestudeerden van de lerarenopleidingen op drie meetmomenten in regio Oost (RBA-gebieden IJssel- Vecht/Twente, IJssel-Veluwe, Arnhem/Oost Gelderland/Nijmegen/Rivierenland) 52 Tabel 4.3 Arbeidsmarktpositie van afgestudeerden van de lerarenopleidingen op drie meetmomenten in regio Midden/West (RBA-gebieden Rijnmond exclusief Rotterdam, Haaglanden excl. Den Haag, Rijnstreek, Zuidelijk Noord-Holland exclusief Amsterdam, Noord-Holland Noord, Midden-Nederland excl. Utrecht, Flevoland) 53 Tabel 4.4 Arbeidsmarktpositie van afgestudeerden van de lerarenopleidingen op drie meetmomenten in regio Zuid (RBA-gebieden Zeeland, Middenen West-Brabant, Noordoost Brabant, Limburg) 53 Tabel 4.5 Arbeidsmarktpositie van afgestudeerden van de lerarenopleidingen op drie meetmomenten in de G4 54 Tabel 4.6 Arbeidsmarktpositie van afgestudeerden van cohort 2007 direct na afstuderen en een half jaar na afstuderen naar regio, lerarenopleiding BaO 55 Tabel 4.7 Arbeidsmarktpositie van afgestudeerden van cohort 2007 direct na afstuderen en een half jaar na afstuderen naar regio, lerarenopleiding VO. 56 Tabel B3.1 Arbeidsmarktpositie van afgestudeerden van de lerarenopleiding voortgezet, twee meetmomenten 75 Tabel B3.2 Arbeidsmarktpositie van afgestudeerden van de universitaire lerarenopleiding, twee meetmomenten 75 Loopbaanmonitor

70 Tabel B3.3 Arbeidsmarktpositie van afgestudeerden cohort 2006 van de lerarenopleiding basis, twee meetmomenten 76 Tabel B3.4 Arbeidsmarktpositie van afgestudeerden cohort 2006 van de lerarenopleiding voortgezet en ulo, twee meetmomenten 76 Tabel B3.5 Arbeidsmarktpositie van afgestudeerden cohort 2007 van de lerarenopleiding basis, twee meetmomenten 76 Tabel B3.6 Arbeidsmarktpositie van afgestudeerden cohort 2007 van de lerarenopleiding voortgezet, twee meetmomenten Loopbaanmonitor 2008

71 Lijst met figuren Figuur 1.1 Mogelijke loopbaanstappen voor, tijdens en na de lerarenopleiding 16 Figuur 2.1 Het begin van de loopbaan; keuze en motieven voor de lerarenopleiding en ervaringen tijdens de lerarenopleiding 21 Figuur 2.2 Leeftijd waarop studenten op het idee zijn gekomen om naar de lerarenopleiding te gaan, cohort 2004 (N=1.424), 2005 (N=4.702 ), cohort 2006 (N=3297) en cohort 2007 (3.064) 22 Figuur 2.3 Ontwikkeling van afstudeerleeftijd Figuur 3.1 Loopbaanstappen in het : de eerste keuzes na afstuderen 27 Figuur 3.2 Arbeidsmarktpositie direct na afstuderen van lerarenopleiding BaO en VO, 1997 tot en met Figuur 3.3 Ontwikkeling van het beroepsrendement gedurende het eerste jaar na afstuderen van lerarenopleiding BaO en VO, cohort 2006 en Figuur 3.4 Ontwikkeling van het aandeel werklozen na afstuderen, cohort 2006 en Figuur 3.5 Aantal maanden dat afgestudeerden van de lerarenopleiding uit 2007 werkloos zijn geweest voordat ze hun eerste baan hebben gevonden (BaO N=1.467, VO N=973) 34 Figuur 3.6 Ontwikkeling in arbeidsmarktpositie van afgestudeerden die na de opleiding in het zijn gaan werken, cohort 2006 en 2007 (2005 N=649, 2006 N=2063) 35 Figuur 3.7 Verwachte loopbaan in het, cohort 2007 (N=1.148 BaO, N=803 VO) 36 Figuur 3.8 Redenen waarom personen die hun eerste baan in het hebben het in de toekomst eventueel zouden verlaten, cohort 2007(BaO N=1.146, VO=801) 37 Figuur 3.9 Moment van beslissing om buiten het te gaan werken, cohort 2006 (N=274) en cohort 2007 (N=221) 39 Figuur 3.10 Redenen om buiten het te gaan werken, afgestudeerden van de lerarenopleiding 2007 (BaO N=105, VO N=135) 40 Figuur 3.11 Ontwikkeling in arbeidsmarktpositie van afgestudeerden die direct na de opleiding buiten het zijn gaan werken, cohort 2006 (N=162) en 2007 (N=515) 41 Figuur 3.12 Bereidheid van afgestudeerden die buiten het werken om (alsnog) in het te gaan werken, cohort 2006 (N=315) en 2007 (N=244) 42 Figuur 3.13 Ontwikkeling in arbeidsmarktpositie van afgestudeerden die na de opleiding niet zijn gaan werken, cohort 2006 (N=159) en 2007 (N=516) 43 Figuur 3.14 Aandeel afgestudeerden uit 2007 dat veel tot zeer veel moeite heeft gehad om huidige baan (half jaar na afstuderen) te vinden, Loopbaanmonitor

72 onderscheiden naar baan binnen en baan buiten (BaO N=1.482, VO N=983) 44 Figuur 3.15 Type aanstelling van afgestudeerden uit 2007 die binnen en buiten het werken (BaO N=1.462, VO N=976) 45 Figuur 3.16 Omvang aanstelling van afgestudeerden die binnen en buiten het werken 2006 (BaO N=1.474, VO N=970) 46 Figuur 3.17 Verdeling brutosalaris van afgestudeerden uit 2007 die binnen en buiten het een voltijdbaan hebben (BaO N=758, VO N=370) 47 Figuur 3.18 Arbeidsmarktpositie van afgestudeerden van cohort 2006 op twee meetmomenten, naar geslacht, lerarenopleiding BaO (N=1.871) 48 Figuur 3.19 Arbeidsmarktpositie van afgestudeerden van cohort 2006 op twee meetmomenten, naar geslacht, lerarenopleiding VO (N=1.198) 49 Figuur 5.1 Aandeel beginnende leraren met positieve verwachtingen en positieve ervaringen ten aanzien van het werkklimaat (BaO) 59 Figuur 5.2 Aandeel beginnende leraren met positieve verwachtingen en positieve ervaringen ten aanzien van het werkklimaat (VO) 60 Figuur 5.3 Aandeel beginnende leraren dat teleurgesteld was ten aanzien van aspecten van het werkklimaat 61 Figuur 5.4 De relatie tussen het werkklimaat en de verwachte loopbaanduur in het Loopbaanmonitor 2008

73 Bijlage bij hoofdstuk 1: Responsanalyse Van de populatie hebben wij inzicht in geslacht en soort lerarenopleiding (BaO/VO) in een bepaald afstudeerjaar. In onze analyses maken we onderscheid tussen afgestudeerden basis en voortgezet. De representativiteit wordt daarom separaat voor de beide groepen geanalyseerd. Afgestudeerden lerarenopleiding BaO In tabel B1wordt per cohort voor zowel het steekproefkader als de respons het aandeel mannen en vrouwen weergegeven. Tabel B1 Representativiteit van de respons onder afgestudeerden van de lerarenopleiding BaO naar geslacht Steekproefkader Steekproefkader Cohort Cohort 2007 Man 12% 8% 11% 9% Vrouw 88% 92% 89% 91% Significant Significante verschillen Significante verschillen Uit de tabel blijkt dat de respons van cohort 2006 en 2007, verdeeld over de verschillende seksen, overeenkomt met het steekproefkader. Desalniettemin bestaan er significante verschillen tussen het steekproefkader en de respons. Voor beide cohorten blijkt er een oververtegenwoordiging van vrouwen. Tabel B2 geeft voor afgestudeerden uit 2006 en 2007 de leeftijdsverdeling. Tabel B2 Representativiteit respons afgestudeerden lerarenopleiding BaO naar leeftijd Steekproefkader Cohort 2006 Steekproefkader Cohort Tot en met 22 jaar 33% 37% 36% 43% 23 tot en met 25 30% 27% 33% 30% 26 tot en met 30 13% 12% 13% 10% 31 tot en met 35 7% 7% 5% 5% 36 tot en met 40 8% 7% 5% 5% 41 tot en met 45 6% 7% 5% 5% 46 tot en met 50 3% 2% 3% 3% 51 tot en met 55 1% 0% 0% 0% 56 jaar en ouder 0% 0% 0% 0% Significant Geen significante verschillen Significante verschillen Loopbaanmonitor

74 Uit tabel B2 blijkt dat de respons van cohort 2007 een leeftijdsverdeling heeft die afwijkt van het steekproefkader. De afgestudeerden tot en met 22 jaar zijn oververtegenwoordigd. In het algemeen blijkt de leeftijdsverdeling overigens goed overeen te komen met het steekproefkader Afgestudeerden lerarenopleiding VO In tabel B3 wordt per cohort voor zowel steekproefkader als de respons het aandeel mannen en vrouwen weergegeven. Tabel B3 Representativiteit van de respons onder afgestudeerden van de lerarenopleiding VO naar geslacht Steekproefkader Cohort 2006 Steekproefkader Cohort Man 42% 36% 41% 34% Vrouw 58% 64% 59% 66% Significant Significante verschillen Significante verschillen Uit de tabel blijkt dat in de respons een oververtegenwoordiging is van vrouwen. Tabel B4 geeft voor het cohort van afgestudeerden uit 2005 en 2006 de verdeling naar leeftijd. Tabel B4 Representativiteit respons afgestudeerden lerarenopleiding VO naar leeftijd Steekproefkader Cohort 2006 Steekproefkader Cohort Tot en met 22 jaar 11% 15% 12% 15% 23 tot en met 25 24% 22% 28% 28% 26 tot en met 30 25% 21% 25% 22% 31 tot en met 35 10% 9% 9% 7% 36 tot en met 40 9% 8% 8% 7% 41 tot en met 45 9% 13% 8% 9% 46 tot en met 50 8% 9% 7% 8% 51 tot en met 55 3% 3% 4% 4% 56 jaar en ouder 1% 1% 1% 1% Significant 1 Geen significante verschillen Geen significante verschil Uit de tabel blijkt dat de leeftijdsverdeling van de respons goed overeenstemt met de leeftijdsverdeling van het steekproefkader. 74 Loopbaanmonitor 2008

75 Bijlage bij hoofdstuk 3 Arbeidsmarktpositie met uitsplitsing ULO NLO. Tabel B3.1 Arbeidsmarktpositie van afgestudeerden van de lerarenopleiding voortgezet, twee meetmomenten Lerarenopleiding voortgezet Oktober 2007 April 2008 Werkend in het ( 12 uur) 68% 74% Werkend buiten het 20% 19% Doorstuderend 6% 4% Werkloos 2% 1% Overig 3% 2% Totaal (aantal) Tabel B3.2 Arbeidsmarktpositie van afgestudeerden van de universitaire lerarenopleiding, twee meetmomenten Universitaire lerarenopleiding (ulo) Oktober 2007 April 2008 Werkend in het ( 12 uur) 80% 80% Werkend buiten het 15% 17% Doorstuderend 2% 1% Werkloos 0% 0% Overig 3% 2% Totaal (aantal) Arbeidsmarktpositie direct na afstuderen en half jaar na afstuderen over de gehele populatie. In figuur B3.2 is de eerste arbeidsmarktpositie gepresenteerd, voor cohort 2006 is deze gepresenteerd voor de deelpopulatie die aan de derde meting heeft deelgenomen. Onderstaande tabellen tonen ook de positie een half jaar na afstuderen en zijn voor cohort 2006 over een grotere populatie omdat niet is geselecteerd op deelname aan de derde meting. Loopbaanmonitor

76 Tabel B3.3 Arbeidsmarktpositie van afgestudeerden cohort 2006 van de lerarenopleiding basis, twee meetmomenten Basis Oktober 2006 April 2007 Werkend in het ( 12 uur) 64% 74% Werkend buiten het 17% 10% Doorstuderend 8% 7% Werkloos 4% 2% Overig 7% 7% Totaal (aantal) Tabel B3.4 Arbeidsmarktpositie van afgestudeerden cohort 2006 van de lerarenopleiding voortgezet en ulo, twee meetmomenten Nlo en ulo Oktober 2006 April 2007 Werkend in het ( 12 uur) 69% 74% Werkend buiten het 22% 21% Doorstuderend 5% 3% Werkloos 2% 1% Overig 3% 2% Totaal (aantal) Tabel B3.5 Arbeidsmarktpositie van afgestudeerden cohort 2007 van de lerarenopleiding basis, twee meetmomenten Basis Oktober 2007 April 2008 Werkend in het ( 12 uur) 66% 79% Werkend buiten het 15% 9% Doorstuderend 11% 6% Werkloos 2% 1% Overig 6% 5% Totaal (aantal) Tabel B3.6 Arbeidsmarktpositie van afgestudeerden cohort 2007 van de lerarenopleiding voortgezet, twee meetmomenten NLO en ULO Oktober 2007 April 2008 Werkend in het ( 12 uur) 70% 76% Werkend buiten het 19% 19% Doorstuderend 5% 4% Werkloos 2% 1% Overig 3% 2% Totaal (aantal) Loopbaanmonitor 2008

Allochtone afgestudeerden van de lerarenopleiding

Allochtone afgestudeerden van de lerarenopleiding Allochtone afgestudeerden van de lerarenopleiding Secundaire analyses op de gegevens in de loopbaanmonitor Allochtone afgestudeerden van de lerarenopleiding Secundaire analyses op de gegevens in de loopbaanmonitor

Nadere informatie

Loopbaanmonitor onderwijs 2011

Loopbaanmonitor onderwijs 2011 Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap Loopbaanmonitor 2011 Onderzoek naar de arbeidsmarktpositie van afgestudeerden van de lerarenopleidingen in 2010 Beleidsonderzoek Arbeidsmarkt en Personeelsbeleid

Nadere informatie

Loopbaanmonitor Onderwijs 2012

Loopbaanmonitor Onderwijs 2012 Loopbaanmonitor Onderwijs 2012 Onderzoek naar de arbeidsmarktpositie van afgestudeerden van de lerarenopleidingen in 2011 Beleidsonderzoek Arbeidsmarkt en Personeelsbeleid Onderwijs drs. H. van Leenen

Nadere informatie

Factsheet. HBO-Monitor De arbeidsmarktpositie van hbo-afgestudeerden

Factsheet. HBO-Monitor De arbeidsmarktpositie van hbo-afgestudeerden HBO-Monitor 2018 De arbeidsmarktpositie van hbo-afgestudeerden Managementsamenvatting In deze factsheet staat de arbeidsmarktpositie van de hbo-afgestudeerden uit studiejaar 2016-2017 centraal. Eind 2018,

Nadere informatie

Monitor Jeugdwerkloosheid Amsterdam over 2016

Monitor Jeugdwerkloosheid Amsterdam over 2016 1 Monitor Jeugdwerkloosheid Amsterdam over 20 Fact sheet april 20 De totale werkloosheid onder Amsterdamse jongeren is het afgelopen jaar vrijwel gelijk gebleven aan 2015. Van de 14.000 Amsterdamse jongeren

Nadere informatie

Analyse van de instroom van allochtone studenten op de pabo 1

Analyse van de instroom van allochtone studenten op de pabo 1 Analyse van de instroom van allochtone studenten op de pabo 1 Inleiding Hoeveel en welke studenten (autochtoon/allochtoon) schrijven zich in voor de pabo (lerarenopleiding basisonderwijs) en blijven na

Nadere informatie

Feiten en cijfers. HBO-Monitor 2014: De arbeidsmarktpositie van afgestudeerden van het hbo. April 2015

Feiten en cijfers. HBO-Monitor 2014: De arbeidsmarktpositie van afgestudeerden van het hbo. April 2015 Feiten en cijfers HBO-Monitor 2014: De arbeidsmarktpositie van afgestudeerden van het hbo April 2015 Feiten en cijfers 2 Inleiding In deze factsheet staan de arbeidsmarktresultaten van hbo-afgestudeerden

Nadere informatie

Aantal instromende studenten tussen 2010 2014 gedaald. Figuur 1: Ontwikkeling instroom lerarenopleidingen 2010 2014. 1

Aantal instromende studenten tussen 2010 2014 gedaald. Figuur 1: Ontwikkeling instroom lerarenopleidingen 2010 2014. 1 Het aantal studenten dat start met een opleiding tot leraar basisonderwijs, leraar speciaal onderwijs of leraar voortgezet onderwijs is tussen en afgenomen. Bij de tweedegraads en eerstegraads hbo-lerarenopleidingen

Nadere informatie

Loopbanen van leraren door de tijd heen

Loopbanen van leraren door de tijd heen Loopbanen van leraren door de tijd heen Onderzoek naar de loopbaanontwikkeling van afgestudeerden van de lerarenopleiding basisonderwijs en voortgezet onderwijs 1970-2007 Opdrachtgever: Ministerie van

Nadere informatie

Factsheet. Monitor jeugdwerkloosheid Amsterdam 2014. Werkloosheid stijgt naar 24% Definities. Nummer 6 juni 2014

Factsheet. Monitor jeugdwerkloosheid Amsterdam 2014. Werkloosheid stijgt naar 24% Definities. Nummer 6 juni 2014 Nummer 6 juni 2014 Monitor jeugdwerkloosheid Amsterdam 2014 Factsheet Ondanks eerste tekenen dat de economie weer aantrekt blijft de werkloosheid. Negen procent van de Amsterdamse beroepsbevolking is werkloos

Nadere informatie

Uitval studenten. Sectorbeeld Onderwijs, Inspectie van het Onderwijs,

Uitval studenten. Sectorbeeld Onderwijs, Inspectie van het Onderwijs, Studenten sector Onderwijs vallen vaker uit... 2 Veel uitval bij 2 e graads hbo... 3 Meer uitval van pabo studenten met mbo-achtergrond... 5 Steeds meer mannen vallen uit bij pabo... 7 Studenten met niet-westerse

Nadere informatie

Uit huis gaan van jongeren

Uit huis gaan van jongeren Arie de Graaf en Suzanne Loozen Jaarlijks verlaten bijna een kwart miljoen jongeren het ouderlijk huis. Een klein deel van hen is al vóór de achttiende verjaardag uit huis gegaan. De meeste jongeren gaan

Nadere informatie

Factsheet. HBO-Monitor De arbeidsmarktpositie van hbo-afgestudeerden

Factsheet. HBO-Monitor De arbeidsmarktpositie van hbo-afgestudeerden HBO-Monitor 2016 De arbeidsmarktpositie van hbo-afgestudeerden Managementsamenvatting In deze factsheet staat de arbeidsmarktpositie van de hbo-afgestudeerden uit studiejaar 2014/2015 centraal. Eind 2016,

Nadere informatie

Analyse van de vooraanmeldingen voor de lerarenopleidingen

Analyse van de vooraanmeldingen voor de lerarenopleidingen Analyse van de vooraanmeldingen voor de lerarenopleidingen Aanmelding voor opleidingen tot vo docent steeds vroeger, pabo trekt steeds minder late aanmelders juni 2009 Inleiding Om de (toekomstige) leraartekorten

Nadere informatie

Feiten en cijfers. HBO-Monitor 2015: De arbeidsmarktpositie van afgestudeerden van het hbo. Juni 2016

Feiten en cijfers. HBO-Monitor 2015: De arbeidsmarktpositie van afgestudeerden van het hbo. Juni 2016 Feiten en cijfers HBO-Monitor 2015: De arbeidsmarktpositie van afgestudeerden van het hbo Juni 2016 Feiten en cijfers 2 Inleiding In deze factsheet staan de arbeidsmarktresultaten van hbo-afgestudeerden

Nadere informatie

Stoppen als huisarts: trends in aantallen en percentages

Stoppen als huisarts: trends in aantallen en percentages Dit rapport is een uitgave van het NIVEL. De gegevens mogen worden gebruikt met bronvermelding. Stoppen als huisarts: trends in aantallen en percentages Een analyse van de huisartsenregistratie over de

Nadere informatie

Jongeren op de arbeidsmarkt

Jongeren op de arbeidsmarkt Jongeren op de arbeidsmarkt Tanja Traag In 23 was 11 procent van alle jongeren werkloos. Jongeren die geen onderwijs meer volgen, hebben een andere positie op de arbeidsmarkt dan jongeren die wel een opleiding

Nadere informatie

Schoolverlaters tussen onderwijs en arbeidsmarkt

Schoolverlaters tussen onderwijs en arbeidsmarkt Schoolverlaters tussen onderwijs en arbeidsmarkt 1999-4Middelbaar BeroepsOnderwijs ROA De cijfers in deze publicatie zijn gebaseerd op de jaarlijkse schoolverlatersonderzoeken van het Researchcentrum voor

Nadere informatie

Studenten aan lerarenopleidingen

Studenten aan lerarenopleidingen Studenten aan lerarenopleidingen Factsheet januari 219 In de afgelopen vijf jaar is het aantal Amsterdamse studenten dat een lerarenopleiding volgt met ruim 9% afgenomen. Deze daling is het sterkst voor

Nadere informatie

FACTSHEET. Instroom en succes in de opleiding tot leerkracht. Platform Beleidsinformatie Mei 2013

FACTSHEET. Instroom en succes in de opleiding tot leerkracht. Platform Beleidsinformatie Mei 2013 FACTSHEET Instroom en succes in de opleiding tot leerkracht Platform Beleidsinformatie Mei 2013 Samenstelling: Pauline Thoolen (OCW/Kennis) Rozemarijn Missler (OCW/Kennis) Erik Fleur (DUO/IP) Arrian Rutten

Nadere informatie

Figuur 1: Aantal gediplomeerde studenten lerarenopleidingen studiejaar 2004-2008 (bronnen: hbo-raad en vsnu, bewerkt door sbo)

Figuur 1: Aantal gediplomeerde studenten lerarenopleidingen studiejaar 2004-2008 (bronnen: hbo-raad en vsnu, bewerkt door sbo) Aantal gediplomeerden aan de lerarenopleidingen in Nederland Ondanks huidige en verwachte lerarentekorten is er geen sprake van een substantiële groei van aantal gediplomeerden aan de verschillende lerarenopleidingen.

Nadere informatie

Feiten en cijfers. Afgestudeerden en uitvallers in het hoger beroepsonderwijs. April 2016

Feiten en cijfers. Afgestudeerden en uitvallers in het hoger beroepsonderwijs. April 2016 Feiten en cijfers Afgestudeerden en uitvallers in het hoger beroepsonderwijs April 2016 Feiten en cijfers 2 Het algemene beeld Start van de studie uitval en wisselaars Tal van inspanningen bij hogescholen

Nadere informatie

Tevredenheid uitzendkrachten

Tevredenheid uitzendkrachten Tevredenheid uitzendkrachten Opdrachtgever: Algemene Bond Uitzendondernemingen ECORYS Peter Donker van Heel Martin van der Ende Rotterdam, 8 juli 2009 ECORYS Nederland BV Postbus 4175 3006 AD Rotterdam

Nadere informatie

Feiten en cijfers. Afgestudeerden en uitvallers

Feiten en cijfers. Afgestudeerden en uitvallers Feiten en cijfers Afgestudeerden en uitvallers April 2017 Inhoud 1 Het algemene beeld 2 2 Start van de studie: uitvallers 4 3 Start van de studie: wisselaars 5 4 Afsluiting van de studie: studiesucces

Nadere informatie

Feiten en cijfers. HBO-Monitor 2013: De arbeidsmarktpositie van afgestudeerden van het hbo. juni 2014

Feiten en cijfers. HBO-Monitor 2013: De arbeidsmarktpositie van afgestudeerden van het hbo. juni 2014 Feiten en cijfers HBO-Monitor 2013: De arbeidsmarktpositie van afgestudeerden van het hbo juni 2014 Honderden Feiten en cijfers 2 Inleiding In deze factsheet staan de arbeidsmarktresultaten van hbo-afgestudeerden

Nadere informatie

Instroom en inschrijvingen

Instroom en inschrijvingen Instroom en inschrijvingen Minder studenten beginnen aan opleidingen in de sector Onderwijs... 2 Instroom pabo keldert in 2015 maar herstelt zich deels in 2016... 3 Minder mbo ers naar sector Onderwijs...

Nadere informatie

Niet-westerse allochtonen behoren minder vaak tot de werkzame beroepsbevolking 1) Arbeidsdeelname niet-westerse allochtonen gedaald

Niet-westerse allochtonen behoren minder vaak tot de werkzame beroepsbevolking 1) Arbeidsdeelname niet-westerse allochtonen gedaald 7. Vaker werkloos In is de arbeidsdeelname van niet-westerse allochtonen gedaald. De arbeidsdeelname onder rs is relatief hoog, zes van de tien hebben een baan. Daarentegen werkten in slechts vier van

Nadere informatie

Loopbanen in het onderwijs? Analyse van de loopbaanontwikkeling van onderwijspersoneel

Loopbanen in het onderwijs? Analyse van de loopbaanontwikkeling van onderwijspersoneel Loopbanen in het onderwijs? Analyse van de loopbaanontwikkeling van onderwijs 1 Inhoudsopgave 1. Inleiding 2. Resultaten Karin Jettinghoff en Jo Scheeren, SBO Januari 2010 2 1. Inleiding Tot voor kort

Nadere informatie

Mobiliteit van leraren tussen onderwijssectoren

Mobiliteit van leraren tussen onderwijssectoren Mobiliteit van leraren tussen onderwijssectoren Versie 2 Datum 15 oktober 2018 Status Definitief Onze referentie 1427719 Colofon Directie Projectnaam Contactpersoon Kennis/DUO Mobiliteit leraren Ministerie

Nadere informatie

7. Deelname en slagen in het hoger onderwijs

7. Deelname en slagen in het hoger onderwijs 7. Deelname en slagen in het hoger onderwijs Vergeleken met autochtonen is de participatie in het hoger onderwijs van niet-westerse allochtonen ruim twee keer zo laag. Tussen studiejaar 1995/ 96 en 21/

Nadere informatie

LelyStadsGeluiden. De mening van de jongeren gepeild. School en werk 2007

LelyStadsGeluiden. De mening van de jongeren gepeild. School en werk 2007 LelyStadsGeluiden De mening van de jongeren gepeild School en werk 007 In 007 hebben.37 jongeren meegewerkt aan de jongerenenquête. Het onderzoek had als doel om in kaart te brengen wat jongeren doen,

Nadere informatie

Uitstroommonitor praktijkonderwijs

Uitstroommonitor praktijkonderwijs Uitstroommonitor praktijkonderwijs 2016-2017 Samenvatting van de monitor 2016-2017 en de volgmodules najaar 2017 Sectorraad Praktijkonderwijs december 2017 Versie definitief 1 Vooraf In de periode 1 september

Nadere informatie

Feiten en cijfers. Afgestudeerden en uitvallers in het hoger beroepsonderwijs. Mei 2015

Feiten en cijfers. Afgestudeerden en uitvallers in het hoger beroepsonderwijs. Mei 2015 Feiten en cijfers Afgestudeerden en uitvallers in het hoger beroepsonderwijs Mei 2015 Feiten en cijfers 2 Inleiding Op 19 mei 2015 hebben de hogescholen hun strategische agenda #hbo2025: wendbaar & weerbaar1

Nadere informatie

Fact sheet. Monitor jeugdwerkloosheid Amsterdam 2013

Fact sheet. Monitor jeugdwerkloosheid Amsterdam 2013 Fact sheet nummer 9 juli 2013 Monitor jeugdwerkloosheid Amsterdam 2013 Er zijn in Amsterdam bijna 135.000 jongeren in de leeftijd van 15 tot 27 jaar (januari 2013). Veel jongeren volgen een opleiding of

Nadere informatie

Steeds meer niet-westerse allochtonen in het voltijd hoger onderwijs

Steeds meer niet-westerse allochtonen in het voltijd hoger onderwijs Steeds meer niet-westerse allochtonen in het voltijd hoger onderwijs Esther van Kralingen Tussen studiejaar 1995/ 96 en 21/ 2 is het aandeel van de niet-westerse allochtonen dat in het hoger onderwijs

Nadere informatie

Uitstroommonitor praktijkonderwijs 2012-2013 Samenvatting van de monitor 2012-2013 en de volgmodules najaar 2013

Uitstroommonitor praktijkonderwijs 2012-2013 Samenvatting van de monitor 2012-2013 en de volgmodules najaar 2013 Uitstroommonitor praktijkonderwijs 2012-2013 Samenvatting van de monitor 2012-2013 en de volgmodules najaar 2013 Platform Praktijkonderwijs Rotterdam, 2 december 2013 1 Introductie In deze beknopte samenvatting

Nadere informatie

Voortijdig schoolverlaters: een kwetsbare groep op de arbeidsmarkt

Voortijdig schoolverlaters: een kwetsbare groep op de arbeidsmarkt : een kwetsbare groep op de arbeidsmarkt Harry Bierings en Robert de Vries Direct nadat zij school hadden verlaten, maar ook nog vier jaar daarna, hebben voortijdig naar verhouding vaak geen baan. Als

Nadere informatie

Onderzoek Alumni Bètatechniek

Onderzoek Alumni Bètatechniek Onderzoek Alumni Bètatechniek 0 meting - Achtergrond Eén van de knelpunten op de Nederlandse arbeidsmarkt is een tekort aan technisch geschoolden. De Twentse situatie is hierin niet afwijkend. In de analyse

Nadere informatie

Waar is de leraar scheikunde? Ontwikkelingen in tekortvakken in het vo

Waar is de leraar scheikunde? Ontwikkelingen in tekortvakken in het vo Waar is de leraar scheikunde? Ontwikkelingen in tekortvakken in het vo 1. Inleiding In de afgelopen jaren is het aantal leerlingen in het voortgezet onderwijs (vo) gegroeid van 902.000 leerlingen in 2009

Nadere informatie

Uitstroommonitor praktijkonderwijs

Uitstroommonitor praktijkonderwijs Uitstroommonitor praktijkonderwijs 2015-2016 Samenvatting van de monitor 2015-2016 en de volgmodules najaar 2016 Platform Praktijkonderwijs december 2016 Definitieve versie 161208 1 Vooraf In de periode

Nadere informatie

Resultaten WO-monitor 2013

Resultaten WO-monitor 2013 Resultaten WO-monitor 2013 Samenvatting: De WO-Monitor is een vragenlijst die wordt afgenomen onder recent afgestudeerden (1-1,5 jaar na afstuderen) van de universiteiten in Nederland. De WO-monitor wordt

Nadere informatie

Afgestudeerden en uitvallers in Avans en het hoger beroepsonderwijs

Afgestudeerden en uitvallers in Avans en het hoger beroepsonderwijs Leer- en Innovatiecentrum Breda, 's-hertogenbosch, Tilburg NOTITIE ons kenmerk IR24052017 contactpersoon Daniël Rijckborst telefoon 0610359505 onderwerp Factsheet Vereniging Hogescholen e-mail [email protected]

Nadere informatie

5. Onderwijs en schoolkleur

5. Onderwijs en schoolkleur 5. Onderwijs en schoolkleur Niet-westerse allochtonen verlaten het Nederlandse onderwijssysteem gemiddeld met een lager onderwijsniveau dan autochtone leerlingen. Al in het basisonderwijs lopen allochtone

Nadere informatie

Minder instroom in, meer uitstroom uit arbeidsmarkt

Minder instroom in, meer uitstroom uit arbeidsmarkt Minder instroom in, meer uitstroom uit arbeidsmarkt 07 Arbeidsmarktmobiliteit geringer dan in voorgaande jaren Bijna miljoen mensen wisselen in 2008 van beroep of werkgever Afname werkzame door crisis

Nadere informatie

Aantal respondenten 1758 1707 1578 13981 Aantal benaderd 4500 4404 4344 36949

Aantal respondenten 1758 1707 1578 13981 Aantal benaderd 4500 4404 4344 36949 Onderwijs & Kwaliteit Eerste rapportage HBO-Monitor 2013 Op 3 april 2014 zijn de resultaten van de jaarlijkse HBO-monitor (enquête onder afgestudeerden) over 2013 binnengekomen. Het onderzoek betreft studenten

Nadere informatie

Van mbo en havo naar hbo

Van mbo en havo naar hbo Van mbo en havo naar hbo Dick Takkenberg en Rob Kapel Studenten die naar het hbo gaan, komen vooral van het mbo en de havo. In het algemeen blijven mbo ers die een opleiding in een bepaald vak- of studiegebied

Nadere informatie

8. Werken en werkloos zijn

8. Werken en werkloos zijn 8. Werken en werkloos zijn In 22 is de arbeidsdeelname van allochtonen niet meer verder gestegen. Onder autochtonen is het aantal personen met werk nog wel licht toegenomen. De arbeidsdeelname onder Surinamers,

Nadere informatie

Kengetallen Mobiliteitsbranche 2003-2013

Kengetallen Mobiliteitsbranche 2003-2013 Kengetallen Mobiliteitsbranche 2003-2013 Kengetallen Mobiliteitsbranche 2003-2013 drs. W. van Ooij MarktMonitor Januari 2015 Kengetallen Mobiliteitsbranche 2003-2013 . Kengetallen Mobiliteitsbranche 2003-2013

Nadere informatie

Monitor Jeugdwerkloosheid Amsterdam over 2015

Monitor Jeugdwerkloosheid Amsterdam over 2015 1 Monitor Jeugdwerkloosheid Amsterdam over 2015 Fact sheet juni 20 De werkloosheid onder Amsterdamse jongeren is het afgelopen jaar sterk gedaald. Van de 3.00 Amsterdamse jongeren in de leeftijd van 15

Nadere informatie

FORUM Monitor Allochtonen op de arbeidsmarkt: effecten van de economische crisis 2 e kwartaal 2009

FORUM Monitor Allochtonen op de arbeidsmarkt: effecten van de economische crisis 2 e kwartaal 2009 FORUM Monitor Allochtonen op de arbeidsmarkt: effecten van de economische crisis 2 e kwartaal 29 Groei van werkloosheid onder zet door! In het 2 e kwartaal van 29 groeide de werkloosheid onder (niet-westers)

Nadere informatie

Langdurige werkloosheid in Nederland

Langdurige werkloosheid in Nederland Langdurige werkloosheid in Nederland Robert de Vries In 25 waren er 483 duizend werklozen. Hiervan waren er 23 duizend 42 procent langdurig werkloos. Langdurige werkloosheid komt vooral voor bij ouderen.

Nadere informatie

Gediplomeerden van het mbo van opleidingen ECABO

Gediplomeerden van het mbo van opleidingen ECABO Gediplomeerden van het mbo van opleidingen ECABO Analyse van de positie van gediplomeerden van het mbo van opleidingen binnen ECABO op basis van de gegevens van de MBO-Kaart - Tabellen en vragenlijsten

Nadere informatie

Tekortvakken in het voortgezet onderwijs Deborah van den Berg januari 2012

Tekortvakken in het voortgezet onderwijs Deborah van den Berg januari 2012 Tekortvakken in het voortgezet onderwijs Deborah van den Berg januari 2012 1. Inleiding In het voortgezet onderwijs worden op de korte termijn tekorten aan leraren verwacht, oplopend tot een verwacht tekort

Nadere informatie

Feiten en cijfers. HBO-Monitor 2010: De arbeidsmarktpositie van afgestudeerden van het hbo. juli 2011

Feiten en cijfers. HBO-Monitor 2010: De arbeidsmarktpositie van afgestudeerden van het hbo. juli 2011 Feiten en cijfers HBO-Monitor 2010: De arbeidsmarktpositie van afgestudeerden van het hbo juli 2011 2 Feiten en cijfers HBO-Monitor 2010: De arbeidsmarktpositie van afgestudeerden van het hbo Afgestudeerden

Nadere informatie

Analyse instroom

Analyse instroom Instroomontwikkeling 2016 2017 In 2016 was er een instroomtoename van 5,5% bij de hbo-bachelor- en ad-opleidingen, opgebouwd uit: Een toename van de directe doorstroom vanuit havo, mbo en vwo met 1,0%

Nadere informatie

Opleidingsniveau stijgt

Opleidingsniveau stijgt Opleidingsniveau stijgt Grote doorstroom naar hogere niveaus Meer leerlingen vanuit vmbo naar havo Grote groep mbo ers naar het hbo 10 Jongens groeien gedurende hun onderwijsloopbaan Jongens na een diploma

Nadere informatie

De arbeidsmarkt voor leraren po 2015-2020 Regio Utrecht

De arbeidsmarkt voor leraren po 2015-2020 Regio Utrecht De arbeidsmarkt voor leraren po 2015-2020 Regio datum 16 maart 2015 auteurs dr. Hendri Adriaens dr.ir. Peter Fontein drs. Marcia den Uijl CentERdata, Tilburg, 2015 Alle rechten voorbehouden. Niets uit

Nadere informatie

FinQ Monitor van financieel bewustzijn en financiële vaardigheden van Nederlanders. Auteurs Jorn Lingsma Lisa Jager

FinQ Monitor van financieel bewustzijn en financiële vaardigheden van Nederlanders. Auteurs Jorn Lingsma Lisa Jager FinQ 2018 Monitor van financieel bewustzijn en financiële vaardigheden van Nederlanders Auteurs Jorn Lingsma Lisa Jager 14-1-2019 Projectnummer B3433 Achtergrond van de FinQ monitor Nederlanders in staat

Nadere informatie

Loopbaanmonitor onderwijs

Loopbaanmonitor onderwijs Loopbaanmonitor onderwijs Microdata: 2011 2017 Enquête: 2016 2017 CentERdata MOOZ Klaas de Vos Peter Fontein Sil Vrielink November 2018 CentERdata, Tilburg, 2018 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze

Nadere informatie

Jeugdwerkloosheid Amsterdam

Jeugdwerkloosheid Amsterdam Jeugdwerkloosheid Amsterdam 201-201 Factsheet maart 201 De afgelopen jaren heeft de gemeente Amsterdam fors ingezet op het terugdringen van de jeugdwerkloosheid. Nu de aanpak jeugdwerkloosheid is afgelopen

Nadere informatie

De arbeidsmarkt voor leraren po Regio Limburg

De arbeidsmarkt voor leraren po Regio Limburg De arbeidsmarkt voor leraren po 2018-2023 Regio Limburg datum 4 januari 2018 auteurs dr. Hendri Adriaens dr.ir. Peter Fontein CentERdata, Tilburg, 2018 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave

Nadere informatie

Werkbelevingsonderzoek 2013

Werkbelevingsonderzoek 2013 Werkbelevingsonderzoek 2013 voorbeeldrapport Den Haag, 17 september 2014 Ipso Facto beleidsonderzoek Raamweg 21, Postbus 82042, 2508EA Den Haag. Telefoon 070-3260456. Reg.K.v.K. Den Haag: 546.221.31. BTW-nummer:

Nadere informatie