De Relatie tussen Motorische Vaardigheden en Exploratiegedrag bij Jonge Kinderen

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "De Relatie tussen Motorische Vaardigheden en Exploratiegedrag bij Jonge Kinderen"

Transcriptie

1 De Relatie tussen Motorische Vaardigheden en Exploratiegedrag bij Jonge Kinderen The Relation between Motor Skills and Exploratory Behavior in Young Children Auteurs Anke van Balveren ( ) Hanneke Bekkering ( ) Instelling Universiteit Utrecht Faculteit Sociale wetenschappen Opleiding Master Orthopedagogiek Werkveld leerlingenzorg / Werkveld gehandicaptenzorg Begeleider Ora Oudgenoeg-Paz, MSc. Tweede beoordelaar Ludger van Dijk, MSc. Datum Juni 2011

2 DE RELATIE TUSSEN MOTORIEK EN EXPLORATIE 2 Voorwoord Voor u ligt een thesis welke het resultaat is van een longitudinaal onderzoek naar de relatie tussen motorische vaardigheden en de diepte van het ruimtelijk exploratiegedrag. Deze thesis is geschreven als afronding van de master orthopedagogiek aan de Universiteit Utrecht. Na negen maanden zwoegen is het eindresultaat daar en het einde van onze studie in zicht. De afgelopen vier jaar hebben wij gezamenlijk vele opdrachten tot een goed einde gebracht. Om deze reden hebben wij er voor gekozen deze thesis in zijn geheel samen te schrijven. Via deze weg willen wij onze begeleidster Ora Oudgenoeg-Paz bedanken voor haar kritische kanttekeningen, inspiratie, wijze adviezen en suggesties. Te allen tijde konden we met vragen bij haar terecht. Verder willen wij iedereen bedanken die op welke wijze dan ook aan de totstandkoming van deze thesis heeft bijgedragen. Anke van Balveren Hanneke Bekkering Utrecht, juni 2011

3 DE RELATIE TUSSEN MOTORIEK EN EXPLORATIE 3 Abstract The purpose of this longitudinal study was to determine whether the fine and/or gross motor skills at the age of 20 months predict the depth of spatial exploratory behavior at the age of 24 months. This study also investigated whether the depth of spatial exploratory behavior at the age of 20 months predict the motor skills at the age of 24 months. A total of 31 participants took part in this study; 13 of them were boys. The exploratory behavior was studied using observations of children playing with small toys. The motor skills data were obtained through the Ages and Stages Questionnaires which parents have filled out. The data were analyzed using regression analysis. It turned out that the fine motor skills at the age of 20 months have a small effect on the depth of spatial exploratory behavior, four months later. Besides, the depth of spatial exploratory behavior at the age of 20 months has a small to moderate effect on the fine motor skills, four months later. For the gross motor skills and exploratory behavior, there were no significant results found. These specific results offer opportunities for the development of targeted interventions. The results are consistent with previous studies, except the relation between the gross motor skills at the age of 20 months and the depth of spatial exploratory behavior at the age of 24 months. Keywords: Gross motor skills, fine motor skills, depth of spatial exploratory behavior Samenvatting Het doel van dit longitudinaal onderzoek was te achterhalen of de fijn en/of grof motorische vaardigheden op een leeftijd van 20 maanden de diepte van het ruimtelijk exploratiegedrag op een leeftijd van 24 maanden voorspellen. Tevens was onderzocht of de diepte van het ruimtelijk exploratiegedrag op een leeftijd van 20 maanden de fijn en/of grof motorische vaardigheden vier maanden later voorspelt. In totaal namen 31 participanten deel aan het onderzoek, waarvan 13 jongens. Het exploratiegedrag is onderzocht aan de hand van observaties van de kinderen, spelend met klein speelgoed. Gegevens over de motorische vaardigheden zijn verkregen door middel van de Ages and Stages Questionnaires, die de ouders hebben ingevuld. De data zijn geanalyseerd aan de hand van regressieanalyses. Het blijkt dat kinderen met betere fijn motorische vaardigheden op een leeftijd van 20 maanden meer diepere ruimtelijke exploratie vertonen vier maanden later. Het betreft een klein effect. Kinderen met diepere ruimtelijk exploratiegedrag op een leeftijd van 20 maanden vertonen betere fijn motorische vaardigheden vier maanden later. Dit betreft een klein tot middelmatig effect. Wat betreft de grof motorische vaardigheden en het exploratiegedrag zijn geen significante resultaten verkregen. Deze specifieke resultaten bieden mogelijkheden met

4 DE RELATIE TUSSEN MOTORIEK EN EXPLORATIE 4 betrekking tot de ontwikkeling van gerichte interventies. De resultaten komen overeen met eerdere onderzoeken met uitzondering van de relatie tussen de grof motorische vaardigheden op een leeftijd van 20 maanden en de diepte van ruimtelijk exploratiegedrag op een leeftijd van 24 maanden. Sleutelwoorden: grof motorische vaardigheden, fijn motorische vaardigheden, diepte van ruimtelijke exploratie

5 DE RELATIE TUSSEN MOTORIEK EN EXPLORATIE 5 De Relatie tussen Motorische Vaardigheden en Exploratiegedrag bij Jonge Kinderen Al ten tijde van Piaget houdt men zich bezig met het exploratiegedrag en de motorische vaardigheden van jonge kinderen. Waar motoriek gezien wordt als het hart van de ontwikkeling, lijkt actieve exploratie van fundamenteel belang te zijn voor baby s en jonge kinderen om de wereld om zich heen te ontdekken (Mayes, Carter & Stubbe, 1993; Von Hofsten, 2004). Er zijn echter veel onduidelijkheden over een mogelijk verband tussen beide concepten. Binnen dit longitudinale onderzoek wordt gepoogd te onderzoeken of het exploratiegedrag op een leeftijd van 20 maanden de motorische vaardigheden op een leeftijd van 24 maanden kan voorspellen. Daarnaast wordt gekeken of de motorische vaardigheden op een leeftijd van 20 maanden het exploratiegedrag op een leeftijd van 24 maanden kunnen voorspellen. Traditionele theorieën beschrijven exploratie als een mechanisme van voornamelijk cognitief belang. Exploratie werd gezien als het in toenemende mate gericht gaan bewegen en gericht gaan kijken van een baby. Op deze manier exploreert de baby stimuli in zijn omgeving. Het kind bouwt hiermee kennis op over de verschillende kenmerken van zijn omgeving en leert voorspelbare relaties te leggen tussen gebeurtenissen (Gibson, 1988; Piaget, 1954). Piaget stelt in The construction of reality in the child (1954) dat door actief de omgeving te verkennen kinderen hun eigen ontwikkeling creëren. Eerder verworven kennis wordt op deze manier verbonden aan nieuwe kennis. Door interactie met de omgeving kan er vervolgens een samenhangend geheel van begrippen en inzichten worden ontwikkeld. Piaget geeft een voorbeeld wat het gedrag van zijn zoontje van tien maanden beschrijft: Hij ligt op zijn rug en grijpt achtereenvolgens een zwaantje, een doos ( ) strekt zijn arm uit en laat de voorwerpen vallen. Hij varieert zeer duidelijk de plaats van de val. Soms strekt hij zijn arm verticaal, dan schuin tegenover zich, of naast zijn ogen. ( ) Als het object op een nieuwe plaats valt (bijvoorbeeld op zijn hoofdkussen), laat hij het twee- tot driemaal op dezelfde plaats vallen, alsof hij de ruimtelijke relaties wil observeren, en gaat dan over naar een andere situatie (Verhofstadt-Denève, Van Geert, Vyt, 2003, p. 148). De ontwikkeling van motorische vaardigheden en de daaropvolgende exploratie van de wereld zijn volgens hem van cruciaal belang voor het leren en de ontwikkeling van een kind. Er is lange tijd overheen gegaan voordat deze traditionele theorie van Piaget (1954) is vervangen. Volgens Gibson (1988) leren kinderen over eigenschappen van de wereld door middel van exploratie en zorgt daarnaast de ontwikkeling van motorische vaardigheden er voor dat kinderen leren hoe ze informatie kunnen oppikken van objecten en gebeurtenissen. In tegenstelling tot Piaget wordt exploratie in deze tijden ook gekoppeld aan de perceptuele ontwikkeling, waar het eerder al gekoppeld

6 DE RELATIE TUSSEN MOTORIEK EN EXPLORATIE 6 was aan de motorische en cognitieve ontwikkeling (Gibson, 1988). Exploratiegedrag wordt binnen deze studie gezien als het gedrag waardoor kinderen in de gaten krijgen wat hun actiemogelijkheden zijn (Gibson, 1988). Exploratiegedrag kent verschillende aspecten; namelijk de diepte van exploratie en de breedte van exploratie. De diepte van exploratie omvat de kwaliteit van exploratiegedrag; een diep, gefocuste, opgetogen exploratie van voorwerpen waarbij het kind reageert op meerdere aspecten van deze voorwerpen. De breedte van exploratie omvat een brede, geïnteresseerde exploratie ten aanzien van meerdere voorwerpen. De breedte van exploratie omvat de kwantiteit van exploratiegedrag (Oudgenoeg-Paz, Volman & Leseman, 2011). De leeftijd van een kind geeft slechts een bescheiden indicatie ten opzichte van exploratiegedrag, tevens verschillen individuen erg van elkaar (Belsky & Most, 1981). De ontwikkeling van het exploratiegedrag van kinderen is enerzijds toe te schrijven aan genetische factoren, anderzijds hebben omgevingsfactoren een belangrijke invloed. Deze omgeving biedt een kind mogelijkheden tot het ondernemen van actie (affordances; Gibson, 2001; Stoffregen, 2000). De presentatie van verleidelijke objecten ontlokt verschillende nietproductieve gedragingen bij baby s. Deze gedragingen doen zich op allerlei plaatsen voor, zonder een duidelijke samenhang in vorm of richting. Maar door acties, bewegingen die het hele scala van een bewegingsruimte exploreren, maken baby s op unieke wijze vroeg of laat contact met een object. Op deze manier ontdekken baby s nieuwe problemen en oplossingen. Elke baby leert dat het vinden van een oplossing begint met het exploreren van de bewegingsruimte (Smith & Gasser, 2005). Iedere baby ontwikkelt zijn of haar eigen patroon van gedragingen door middel van herhaling (Corbetta & Thelen, 1996). Bij een leeftijd van 2-3 maanden zal exploratiegedrag voornamelijk oraal gericht zijn. Objecten worden vaak direct in de mond gestopt. Wanneer een leeftijd van 4-5 maanden bereikt wordt, zal dit gedrag visueel gericht zijn. Objecten worden naar de ogen gebracht voor een visuele inspectie en niet meer in de mond gestopt (Rochat, 1989). De verschuiving van oraal naar visueel of een combinatie van beide geldt als indicatie voor het verzamelen van informatie over een object (Gibson & Pick, 2000; Ruff, Saltarelli, Capozzoli & Dubiner, 1992; Soska, Adolph & Johnson, 2010). Het exploratiegedrag en de bijbehorende acties omvatten een complex systeem van gedragingen, gericht op de omgeving, waardoor er informatie over objecten en gebeurtenissen verkregen kan worden (Caruso, 1993; Pisula, 2009). Wanneer kinderen onder de acht maanden actief exploreren worden zij beter in staat geacht een relatie tussen objectkenmerken en objectgrenzen te leggen. Abrupte veranderingen in vorm, kleur of structuur van een object

7 DE RELATIE TUSSEN MOTORIEK EN EXPLORATIE 7 leert hen over het bestaan van objectgrenzen (Needham, Barrett & Peterman, 2002; Soska et al., 2010). Needham (2000) heeft in haar onderzoek bewijs gevonden voor het feit dat baby s die een actieve exploratie strategie (meer exploreren, meer switchen tussen orale en visuele exploratie) gebruiken, beter in staat zijn om visuele plaatjes te onderscheiden op detail, dan baby s die een minder actieve exploratie strategie gebruiken. Een ander belangrijk concept in de ontwikkeling van jonge kinderen is de motorische vaardigheid. Deze vaardigheden zijn de processen en structuren welke de daadwerkelijke uitvoering van motorische of bewegingsgedragingen coördineren en controleren. Dit betreft in het bijzonder het coördineren en het controleren van actuele bewegingsactiviteiten van het lichaam die door spierwerking tot stand komen en een zekere simultane coördinatie, in tijd en ruimte, van een aantal lichaamssegmenten vereisen (Netelenbos, 2009; Williams, 1983). Motoriek omvat datgene wat verantwoordelijk is voor de willekeurige, doelgerichte of reflexmatige uitvoering van bewegingsactiviteiten (Netelenbos, 2009). De motorische vaardigheden kunnen onderverdeeld worden in grof motorische vaardigheden en fijn motorische vaardigheden. Grove motoriek is het sequentieel en simultaan bewegen van grote delen van het lichaam op temporeel en ruimtelijk gecoördineerde wijze (Williams, 1983). Het omvat verschillende onderdelen zoals locomotorische vaardigheden (rennen, springen en hinkelen), objectcontrole (vangen, werpen en bal stuiteren) en stabiliteit (balanceren: Netelenbos, 2009; Williams, 1983). Fijne motoriek is het gecoördineerd bewegen van individuele lichaamssegmenten, in het bijzonder het gebruik van handen en vingers in het manipuleren van objecten (oog-hand coördinatie). Hiertoe behoren vaardigheden als knippen, schrijven en kleien (Netelenbos, 2009; Williams, 1983). Wetenschappelijk onderzoek naar de ontwikkeling van de motorische vaardigheden richt zich voornamelijk op de eerste levensjaren van een kind. Gedurende deze periode ontwikkelt het kind zich van een hulpbehoevend persoon naar een meer onafhankelijk individu (Caulfield, 1996). De vroeg motorische ontwikkeling verloopt volgens bepaalde stappen, de motorische mijlpalen. Deze mijlpalen variëren van het aannemen van een foetale houding tot zelfstandig lopen. Het behalen van deze mijlpalen vertoont grote individuele variatie (Haydari, Askari & Nezhad, 2009; World Health Organisation (WHO), 2006). Er kan sprake zijn van een sterke variatie in snelheid, maar ook de volgorde van het bereiken van deze motorische mijlpalen vertoont verschillen. Voor ieder individu geldt een eigen leerweg; elk kind beweegt op een andere manier en de omgeving ziet er in elke situatie anders uit (Smith & Gasser, 2005; Thelen et al., 1993). De motorische fase waarin een kind zich bevindt,

8 DE RELATIE TUSSEN MOTORIEK EN EXPLORATIE 8 is bepalend voor de manier waarop het informatie zal vergaren uit de omgeving en de omgeving actief zal veranderen (Gibson, 2001). Wanneer baby s zich vrijwillig gaan voortbewegen ondergaan ze een buitengewone psychologische reorganisatie. Het kruipen op handen en knieën wordt gevolgd door een duizelingwekkende reeks van veranderingen in de perceptie, ruimtelijke cognitie en de sociale en emotionele ontwikkeling (Campos et al., 2000). Mahler, Pine en Bergman (1975) gaan zo ver dat zij zelfstandig voortbewegen zien als de psychologische geboorte van een kind. Voortbeweging breekt de symbiose tussen kind en moeder en hierdoor ontstaat zelfstandigheid en eigenzinnigheid. De opgedane vaardigheden met betrekking tot de voortbeweging brengen grote consequenties met zich mee en kunnen na de kindertijd verantwoordelijk zijn voor een blijvende rol in de ontwikkeling. Dit gebeurt door het handhaven en actualiseren van de opgedane ervaringen (Campos et al., 2000). De bewegingsontwikkeling gaat het hele leven door, waardoor het ook voor oudere kinderen van belang is de basisvaardigheden met betrekking tot de motoriek regelmatig en veel te oefenen. Zowel de succesvolle als de minder succesvolle ervaringen hebben invloed op de inschatting van de persoonlijke doeltreffendheid, ook wel feeling of efficacy genoemd (White, 1959). De bereikte motorische mijlpalen bepalen de mate waarin een kind zijn omgeving visueel en motorisch kan exploreren (Smith & Gasser, 2005; Soska et al., 2010). Bijvoorbeeld het zelfstandig kunnen zitten draagt bij aan de visuele objectexploratie. Objectmanipulatie wordt aangespoord doordat het kind zijn of haar handen vrij heeft. Dit biedt mogelijkheden om de omgeving vanuit andere perspectieven te gaan exploreren (Soska et al., 2010) Grof motorische vaardigheden, zoals een arm of hand uitsteken, blijken hier van essentieel belang te zijn voor het exploratiegedrag van kinderen tussen de twee en vijf maanden. Door beter ontwikkelde grof motorische vaardigheden zijn kinderen voor langere tijd in staat naar objecten te grijpen (Halverson, 1931; Halverson, 1933; Jeannerod, 1984; von Hofsten, 1979). Grof motorische onafhankelijkheid, met name de locomotorische onafhankelijkheid zoals het zelfstandig lopen of kruipen in een ruimte, wordt belangrijk geacht voor het exploratiegedrag van kinderen tussen de 6.5 en 10 maanden (Gustafson, 1984). Een baby, die eerst zelfs worstelt om zijn gezicht op te heffen van een oppervlak, zal uiteindelijk in staat zijn zichzelf voort te bewegen in de omgeving. Deze manieren van voortbewegen stellen het kind in staat de omgeving zelfstandig en grondig te exploreren. Het kind verandert zijn omgeving door middel van motorische activiteiten. Hierdoor ontstaan nieuwe percepties die van invloed zijn op de wijze waarop het kind de omgeving zal waarnemen (Campos et al., 2000; Smith & Gasser, 2005).

9 DE RELATIE TUSSEN MOTORIEK EN EXPLORATIE 9 Wat betreft de fijne motoriek tonen Needham en collega s (2002) aan dat de interesse in objecten sterk toeneemt wanneer jonge baby s eerder ervaring opgedaan hebben met eenvoudig manipulerende contacten. In het onderzoek hebben baby s van drie maanden oud wanten van klittenband aangekregen. Motorisch gezien waren zij niet in staat om iets vast te grijpen. Door middel van deze sessies werden zij echter in staat gesteld om nieuwe ervaringen op te doen. Deze groep baby s is vervolgens vergeleken met een controlegroep op objectexploratie. De baby s met de nieuwe ervaring exploreerden meer door langer naar de objecten te kijken, objecten te verkennen met de mond, om dit vervolgens af te wisselen met het kijken naar objecten en meer slaande bewegingen richting de objecten te maken. Daarnaast gebruikten zij meer geavanceerde exploratiestrategieën (Needham et al., 2002). De ontwikkeling van de fijne motoriek start rond de leeftijd van vier maanden en speelt een duidelijke rol in het exploratiegedrag (Bushnell & Boudreau, 1993; Gibson, 1988; Ruff, 1984). White (1970, in Netelenbos, 2009) gaat ervan uit dat een kind, dat in zijn eerste levensmaanden een goede motorische ontwikkeling doormaakt, hierdoor in staat wordt gesteld zijn omgeving beter te exploreren. Een betere exploratie zal er op zijn beurt weer toe leiden dat het kind in het algemeen rustiger is en meer interesse toont in de dingen om zich heen. In tegenstelling tot het idee dat motoriek invloed heeft op exploratie beweren een aantal onderzoekers echter dat exploratiegedrag juist invloed uitoefent op de ontwikkeling van de motorische vaardigheden. Zij stellen dat de motorische vaardigheden worden ontwikkeld door onvermoeibaar exploreren (Keenan, 2002). Het kind zal zijn best doen zich naar objecten toe te bewegen, op te staan en deze objecten in de mond te stoppen. Deze pogingen dragen bij aan de ontwikkeling van de motorische vaardigheden. Maar ook de kennis over objecten zoals gewicht, hardheid, textuur en eetbaarheid dragen bij aan de verwerving van voortdurende manipulaties en het verfijnen van motorische handelingen. Ervaring is om deze reden een belangrijk aspect bij het opdoen van specifieke motorische vaardigheden (Keenan, 2002). Met name objectexploratie leidt tot een betere oog-hand en mond-hand coördinatie bij jonge kinderen (Bruner, 1969). De embodiment theory stelt echter dat zowel de motorische activiteiten worden beïnvloed door het exploratiegedrag, als dat het exploratiegedrag wordt beïnvloed door de motorische activiteiten. Binnen de theorie gaat men er vanuit dat cognitieve vaardigheden uit een interactieproces van een kind met zijn omgeving, als resultaat van motorische activiteiten ontstaan (Smith, 2005). Binnen deze interactie staat het exploratiegedrag van een kind centraal. Ieder kind leert door toeval en exploratie (Smith, 2005; Smith & Gasser, 2005;

10 DE RELATIE TUSSEN MOTORIEK EN EXPLORATIE 10 Wilson, 2002). Dit komt overeen met de theorie van Piaget, waar hij aangeeft dat alle vormen van het menselijk denken op een of andere manier voortvloeien uit pure (senso)motorische activiteiten van kinderen (Piaget, 1952; Piaget, 1954; Thelen, 2000; Thelen, Schöner, Scheider & Smith, 2001). Een kind ontwikkelt cognitieve vaardigheden door het exploreren van zijn omgeving, met als belangrijkste factor de motorische activiteiten. De embodiment theory beschrijft daarnaast dat kinderen door middel van voortbewegen tot exploratie komen. Dus enerzijds beweren onderzoekers dat motorische vaardigheden het exploratiegedrag beïnvloeden en anderzijds beweren andere onderzoekers dat het exploratiegedrag de motorische vaardigheden beïnvloedt. Daarom richt het huidige onderzoek zich op de mogelijke invloed die de motorische vaardigheden van een kind kunnen uitoefenen op het exploratiegedrag vier maanden later en de mogelijke invloed dat het exploratiegedrag van een kind kan uitoefenen op de motorische vaardigheden vier maanden later. De motorische vaardigheden zullen worden opgesplitst in grove en fijne motoriek. Tevens zal dit onderzoek zich alleen richten op de diepte van ruimtelijke exploratie. De diepte van ruimtelijke exploratie omvat een gefocuste exploratie van meerdere eigenschappen van de ruimte en/of meerder combinaties van objecten, waarnaast het kind zijn of haar lichaam kan manipuleren in relatie tot de objecten. (Caruso, 1993). Hiervoor is gekozen om de maatschappelijke en wetenschappelijke relevantie te vergroten door gebruik te maken van een specifiek concept. De resultaten zullen mogelijk meer inzicht geven in specifieke disfuncties met betrekking tot het exploratiegedrag en motorische vaardigheden, waar interventies zich in de toekomst op kunnen richten. Uit onderzoek komt naar voren dat zowel de ontwikkeling van motorische vaardigheden als de ontwikkeling van exploratiegedrag bij kinderen bepalend kunnen zijn voor de algemene ontwikkeling en vaardigheden op latere leeftijd. Voorgaande onderzoeken hebben zich vooral gericht op een leeftijd tot 12 maanden, terwijl de ontwikkeling van zowel het exploratiegedrag als de motorische vaardigheden op deze leeftijd nog niet geëindigd is. Ook geven onderzoekers geen eenduidig antwoord over de richting van de relatie tussen motorische vaardigheden en het exploratiegedrag. Dit leidt tot de volgende twee probleemstellingen: Voorspelt de diepte van ruimtelijke exploratie op een leeftijd van 20 maanden de grof en fijn motorische vaardigheden op een leeftijd van 24 maanden? Voorspellen de grof en fijn motorische vaardigheden op een leeftijd van 20 maanden de diepte van het ruimtelijk exploratiegedrag op een leeftijd van 24 maanden? De vier onderzoeksvragen richten zich op de uitwerking van deze concepten. 1. Voorspelt de diepte van ruimtelijke exploratie van kinderen op een leeftijd van 20 maanden de grof motorische vaardigheden van deze kinderen op een leeftijd van 24 maanden?

11 DE RELATIE TUSSEN MOTORIEK EN EXPLORATIE 11 Er ontbreken gerichte publicaties, waardoor er geen hypothese opgesteld zal worden. 2. Voorspelt de diepte van ruimtelijke exploratie van kinderen op een leeftijd van 20 maanden de fijn motorische vaardigheden van deze kinderen op een leeftijd van 24 maanden? Ondanks dat de literatuur zich niet specifiek richt op ruimtelijke exploratie en deze leeftijdscategorie, wordt verwacht dat de diepte van het ruimtelijk exploratiegedrag op een leeftijd van 20 maanden de fijn motorische vaardigheden vier maanden later kan voorspellen (Bruner, 1969; Keenan, 2002). 3. Voorspellen de grof motorische vaardigheden van kinderen op een leeftijd van 20 maanden de diepte van ruimtelijke exploratie van deze kinderen op een leeftijd van 24 maanden? Op basis van de literatuur wordt verwacht dat de grof motorische vaardigheden op een leeftijd van 20 maanden de diepte van het ruimtelijk exploratiegedrag op een leeftijd van 24 maanden voorspellen (Gustafson, 1984; Smith & Gasser, 2005; Soska et al., 2010). 4. Voorspellen de fijn motorische vaardigheden van kinderen op een leeftijd van 20 maanden de diepte van ruimtelijke exploratie van deze kinderen op een leeftijd van 24 maanden? Op basis van de literatuur wordt verwacht dat de fijn motorische vaardigheden op een leeftijd van 20 maanden de diepte van het ruimtelijk exploratiegedrag op een leeftijd van 24 maanden kan voorspellen (Bushnell & Boudreau, 1993; Gibson, 1988; Ruff, 1984; White, 1970, in Netelenbos, 2009). Methode Participanten De participanten zijn geselecteerd op basis van convenient sampling. De onderzoeksgroep is tot stand gekomen door het gebruik van een adressenlijst, verkregen van de gemeente Utrecht en door het benaderen van ouders via kinderdagverblijven in de regio Utrecht. Het onderzoek kent een tweetal inclusiecriteria; de kinderen hadden bij aanvang van het onderzoek, voor zover bekend, geen ernstige gezondheidsproblemen en/of achterstand in de ontwikkeling en werden eentalig opgevoed. Bij aanvang van het onderzoek waren er 31 participanten. Aan het onderzoek deden 13 jongens mee. Er zijn geen participanten afgevallen. De leeftijd in maanden tijdens het eerste meetmoment was 20 (M = 20.75, SD =.62) met een minimum van maanden en een maximum van maanden. De leeftijd in maanden tijdens het tweede meetmoment was 24 (M = 24.11, SD =.30) met een minimum van maanden en een maximum van maanden.

12 DE RELATIE TUSSEN MOTORIEK EN EXPLORATIE 12 Procedure De gegevens zijn verzameld door middel van observaties en door ouders ingevulde vragenlijsten. De kinderen werden thuis individueel geobserveerd door getrainde onderzoeksassistenten, gedurende twee bezoeken. Minimaal één van beide ouders was gedurende de gehele onderzoekssessie aanwezig. De observaties werden in een vaste volgorde afgenomen. De kinderen mochten zo vaak als nodig een pauze inlassen. Alle observaties zijn op video opgenomen. Per meetronde werden de kinderen twee keer acht minuten gefilmd in twee verschillende settings; één met klein speelgoed en één met groter speelgoed. Uiteindelijk zijn er stukken van vier minuten uit de film van acht minuten gecodeerd aan de hand van een observatieschema, dat ten behoeve van dit onderzoek is ontwikkeld. Tijdens de geplande huisbezoeken is er aan de ouders een vragenlijst gegeven om informatie te verkrijgen over de fijn en grof motorische vaardigheden van het kind. Deze vragenlijst kon door de ouders gezamenlijk worden ingevuld en per post worden teruggezonden. Aan het einde van het onderzoek hebben alle gezinnen een presentje voor het kind ter dank ontvangen. Instrumenten Exploratiegedrag. De diepte van exploratie is vastgesteld aan de hand van observaties. Gedurende twee keer acht minuten zijn de participanten geobserveerd, waarin ze vrij spelen met het aangeboden speelgoed. De observaties hebben plaatsgevonden in twee verschillende settings. De eerste setting bestond uit een ruimte met groot speelgoed, bestaande uit een tunnel (Ø = 46,5 cm; lengte 172 cm), een grote dobbelsteen (zijden 15 cm) en een hoepel (Ø = 70 cm). De tweede setting bestond uit een ruimte met zachte blokken, Duplo blokken, een transparante bak en plastic bakjes die gestapeld konden worden. Wanneer kinderen niet uit zichzelf tot spelen kwamen, is het speelgoed ter aanmoediging door de getrainde onderzoeksassistenten duidelijk aangeboden. Het observatieschema, waarmee de observaties zijn gecodeerd, bestond uit twee schalen; een schaal diepte object exploratie en een schaal diepte ruimtelijke exploratie. De diepte van objectexploratie is echter niet in de analyse opgenomen. Bij de diepte van ruimtelijke exploratie vertoont het kind een diepe, gefocuste, opgetogen exploratie van meerdere eigenschappen van de ruimte en/of manipuleert zijn/haar eigen lichaam in relatie tot objecten. Het kind beweegt op een doelgerichte manier, benadert het speelgoed op een doelgerichte manier, brengt verandering in de ruimte, exploreert relaties tussen objecten en/of manipuleert zijn/haar eigen lichaam in relatie tot objecten (Oudgenoeg-Paz et al., 2011). Hieronder worden gedragingen verstaan als; het kind is statisch en speelt met meer dan één object, het kind beweegt door de ruimte zonder speelgoed, het kind beweegt in de ruimte naar

13 DE RELATIE TUSSEN MOTORIEK EN EXPLORATIE 13 een object en/of met een object en het kind beweegt in, onder of op objecten. Om het exploratiegedrag te scoren is er gebruik gemaakt van een Visual Analogue Scale (VAS). De VAS is een continu meetschaal, bestaande uit een horizontale lijn. Aan de linkerkant staat de minimumscore en aan de rechterkant de maximumscore. Deze schaal is omgezet in een tien puntschaal, waarbij nul helemaal niet aanwezig is en tien zeer duidelijk aanwezig is. De beoordelaar diende loodrecht op de lijn van tien centimeter aan te kruisen in welke mate het op de participant van toepassing was. Een deel van de films werd door twee beoordelaars gescoord. De kappa waarde van de inter-beoordelaar betrouwbaarheid varieert van.80 tot.89 met een gemiddelde van.85. Deze waarde duidt op een uitstekende overeenkomst tussen beoordelaars. Motorische vaardigheden. Om de grof en fijn motorische vaardigheden van de participanten te onderzoeken, is er gebruik gemaakt van de Ages and Stages Questionnaires (ASQ; Squires, Potter & Bricker, 1999; Nederlandse vertaling: Van Baar, Van Bakel & Hunnius, 1999). De ASQ betreft onder andere vragen over de grove en fijne motoriek. De vragen die geen betrekking hebben op de motoriek zijn wel door ouders ingevuld, maar niet relevant voor deze studie. Ouders moesten alle items met het kind uitproberen alvorens antwoord te geven op de vraag. In het totaal moesten ze twaalf items invullen, zes items over de grove motoriek en zes items over de fijne motoriek. De vragen worden beantwoord met ja, soms of nog niet. Een voorbeelditem uit de lijst voor kinderen met een leeftijd van 20 maanden is; Is uw kind in staat zelfstandig tenminste twee traptreden omhoog of omlaag te lopen? Hij/zij mag zich vasthouden aan de trapleuning of de muur. Een voorbeelditem van de fijne motoriek is; Is uw kind in staat zelfstandig de bladzijden van een boek om te slaan? Hij/zij mag meer dan één pagina per keer omslaan. De vragenlijst is ontwikkeld door Squires, Bricker en Potter (1997). De test-hertest betrouwbaarheid, de inter-observatie betrouwbaarheid en de interne consistentie zijn als goed beoordeeld. Uit onderzoek met meer dan kinderen blijkt de Ages and Stages Questionnaires betrouwbaar en valide is, met een hoge sensiviteit en specifiteit (Squires & Bricker & Potter 1997). Data-analyse Aangezien er bij dit onderzoek werd uitgegaan van variabelen van ratio meetniveau, is bij het analyseren van de data gebruik gemaakt van een lineaire regressieanalyse. Door middel van een regressieanalyse werd nagegaan of de opgestelde hypothesen bevestigd dan wel verworpen konden worden. Een regressieanalyse is uitgevoerd om een lineair verband te

14 DE RELATIE TUSSEN MOTORIEK EN EXPLORATIE 14 testen. Bij alle analyses werd uitgegaan van een significantieniveau van.10 om de power van de analyse te vergroten. Resultaten Beschrijvende statistieken en voorbereidende analyses Van de 31 kinderen in het onderzoek ontbraken bij vier kinderen een aantal gegevens van de ASQ op een leeftijd van 24 maanden. De ontbrekende scores zijn het gevolg van het niet retour zenden van vragenlijsten door ouders. Er is besloten deze kinderen wel op te nemen in de analyse, vanwege het niet verloren willen laten gaan van alle gegevens. De ontbrekende scores zijn vervangen door de gemiddelde score op de betreffende schaal. In Tabel 1 zijn de beschrijvende statistieken van de ASQ weergegeven. De diepte van ruimtelijke exploratie kent twee afzonderlijke schalen, namelijk diepte van ruimtelijke exploratie met klein speelgoed en diepte van ruimtelijke exploratie met groot speelgoed. De beschrijvende statistieken van deze schalen zijn weergegeven in Tabel 1. Zoals te zien in deze tabel lijkt er een plafondeffect zichtbaar bij diepte ruimtelijke exploratie 24 maanden groot speelgoed. Gekeken naar de frequenties bleek 64.5% van de participanten de score 8.00 of hoger te behalen, waardoor deze variabele geen reëel beeld geeft en uit de analyse is gehaald. Om de variabelen binnen de analyse vergelijkbaar te houden is er gekozen om in de analyse alleen diepte van ruimtelijke exploratie klein speelgoed op te nemen. Van de 31 kinderen in het onderzoek ontbraken bij drie kinderen een aantal gegevens op de schaal diepte van ruimtelijke exploratie 20 maanden of op de schaal diepte van ruimtelijke exploratie 24 maanden. De ontbrekende scores zijn vervangen door de gemiddelde score op de betreffende schaal te nemen. Analyse Voor de onderzoeksvraag of de diepte van ruimtelijke exploratie op een leeftijd van 20 maanden de grof motorische vaardigheden op een leeftijd van 24 maanden voorspelt, is geen gerichte hypothese opgesteld door het ontbreken van gerichte publicaties. Deze vraag werd beantwoord door middel van een regressieanalyse. De resultaten van deze regressieanalyse zijn weergegeven in Tabel 2. Uit Tabel 2 blijkt dat, gekeken naar de F-toets, het effect van de onafhankelijke variabele diepte van ruimtelijke exploratie op de afhankelijke variabele grove motoriek niet significant is, (F(1,30) = 1.90, p =.18). Er kan niet worden aangenomen dat de diepte van het ruimtelijk exploratiegedrag op een leeftijd van 20 maanden de grof motorische vaardigheden op een leeftijd van 24 maanden voorspelt. Er is echter sprake van een marginale significantie, wat inhoudt dat de resultaten met een grote steekproef mogelijk wel significant bevonden kunnen worden.

15 DE RELATIE TUSSEN MOTORIEK EN EXPLORATIE 15 De hypothese met betrekking tot de fijn motorische vaardigheden luidde dat de diepte van ruimtelijke exploratie op een leeftijd van 20 maanden de fijn motorische vaardigheden vier maanden later zal voorspellen. De resultaten zijn weergegeven in Tabel 2. Uit Tabel 2 blijkt dat, gekeken naar de F-toets, het effect van de onafhankelijke variabele diepte van ruimtelijke exploratie op de afhankelijke variabele fijne motoriek significant is, (F(1,30) = 2.34, p =.07). De diepte van het ruimtelijk exploratiegedrag op een leeftijd van 20 maanden voorspelt de fijn motorische vaardigheden op een leeftijd van 24 maanden, wat inhoudt dat diepere ruimtelijke exploratie op een leeftijd van 20 maanden leidt tot betere fijn motorische vaardigheden op een leeftijd van 24 maanden. Dit is in overeenkomst met de vooraf opgestelde hypothese. Het gaat om een klein tot middelmatig effect. De eerste hypothese met betrekking tot de diepte van ruimtelijke exploratie luidde dat de grof motorische vaardigheden op een leeftijd van 20 maanden de diepte van het ruimtelijk exploratiegedrag op een leeftijd van 24 maanden voorspellen. De resultaten zijn weergegeven in Tabel 2. Uit deze tabel blijkt dat, gekeken naar de F-toets, het effect van de onafhankelijke variabele grof motorische vaardigheden op de afhankelijke variabele diepte van ruimtelijke exploratie niet significant is, (F(1,30) = 0.09, p =.39). De grof motorische vaardigheden op een leeftijd van 20 maanden voorspellen de diepte van het ruimtelijk exploratiegedrag vier maanden later niet. De tweede hypothese met betrekking tot de diepte van ruimtelijke exploratie luidde dat de fijn motorische vaardigheden op een leeftijd van 20 maanden het ruimtelijk exploratiegedrag op een leeftijd van 24 maanden voorspellen. De resultaten zijn weergegeven in Tabel 2. Uit Tabel 2 blijkt dat, gekeken naar de F-toets, het effect van de onafhankelijke variabele fijn motorische vaardigheden op de afhankelijke variabele diepte van ruimtelijke exploratie significant is, (F(1,30) = 1.84, p =.09). De fijn motorische vaardigheden op een leeftijd van 20 maanden zijn een voorspeller voor de diepte van het ruimtelijk exploratiegedrag op een leeftijd van 24 maanden, wat inhoudt dat betere fijn motorische vaardigheden op een leeftijd van 20 maanden leidt tot diepere ruimtelijke exploratie op een leeftijd van 24 maanden. Dit is in overeenstemming met de vooraf opgestelde hypothese en wordt gezien als een klein effect. Conclusie De uitgevoerde analyses geven een indicatie waaruit blijkt dat betere fijn motorische vaardigheden op een leeftijd van 20 maanden leiden tot meer diepte van het ruimtelijk exploratiegedrag op een leeftijd van 24 maanden. Daarnaast leidt meer diepte van het

16 DE RELATIE TUSSEN MOTORIEK EN EXPLORATIE 16 ruimtelijk exploratiegedrag op een leeftijd van 20 maanden tot betere fijn motorische vaardigheden vier maanden later. Op basis van de literatuur werd de hypothese dat de grof motorische vaardigheden op een leeftijd van 20 maanden de diepte van het ruimtelijk exploratiegedrag op een leeftijd van 24 maanden voorspellen opgesteld. Voor de onderzoeksvraag of de diepte van ruimtelijke exploratie op een leeftijd van 20 maanden de grof motorische vaardigheden op een leeftijd van 24 maanden voorspellen werd geen hypothese opgesteld. Uit de analyse is gebleken dat er geen significante resultaten zijn met betrekking tot beide onderzoeksvragen. Er lijkt echter een klein effect zichtbaar van de diepte van ruimtelijke exploratie op een leeftijd van 20 maanden op de grof motorische vaardigheden op een leeftijd van 24 maanden. Door het ontbreken van een significant resultaat kan dit echter niet met zekerheid worden aangetoond. Deze resultaten zijn niet in overeenstemming zijn met de literatuur, waarin wordt vermeld dat de grof motorische vaardigheden, zoals kruipen en lopen, belangrijk worden geacht voor het exploratiegedrag (Gustafson, 1984; Smith & Gasser, 2005; Soska et al., 2010). Mogelijk dragen de kleine steekproef in combinatie met tweezijdige toetsing, door het ontbreken van een gerichte hypothese, bij aan voorgenoemd resultaat. Gezien de resultaten met betrekking tot de fijn motorische vaardigheden, waar na eenzijdige toetsing met significante resultaten een klein effect (6%) is waargenomen, bestaat de mogelijkheid dat de resultaten met betrekking tot de grof motorische vaardigheden alsnog significant worden bevonden. Vooraf opgestelde hypothesen bieden de mogelijkheid tot eenzijdig toetsen, wat de power van deze analyse heeft vergroot. Huidig onderzoek bestond echter uit slechts 31 participanten, wat een vrij kleine populatie is om genoeg zeggingskracht over de resultaten te verkrijgen. Ondanks het significantieniveau van.10 zijn er minder significante resultaten gevonden dan vooraf verwacht. De mogelijkheid bestaat dat de steekproefomvang te klein was waardoor de kans op een onterechte beslissing werd vergroot. Wat betreft de fijn motorische vaardigheden en de diepte van het ruimtelijk exploratiegedrag, werd verwacht dat het exploratiegedrag op een leeftijd van 20 maanden de fijn motorische vaardigheden op een leeftijd van 24 maanden zou voorspellen en vice versa. Beide hypothesen zijn op basis van de uitgevoerde analyses aangenomen. Betere fijn motorische vaardigheden op een leeftijd van 20 maanden leiden tot dieper ruimtelijk exploratiegedrag op een leeftijd van 24 maanden. Tevens leidt dieper ruimtelijk exploratiegedrag op een leeftijd van 20 maanden tot betere fijn motorische vaardigheden op een leeftijd van 24 maanden. Dit is in overeenstemming met de literatuur waaruit blijkt dat (object)exploratie bij jonge kinderen leidt tot betere fijn motorische vaardigheden, zoals oog-

17 DE RELATIE TUSSEN MOTORIEK EN EXPLORATIE 17 hand- en mond-handcoördinatie (Bruner, 1969). Bushnell en Boudreau (1993), Gibson (1988) en Ruff (1984) beschrijven in hun studie dat de fijn motorische vaardigheden een duidelijke rol spelen in het exploratiegedrag van kinderen. Aan de hand van dit onderzoek is getracht een antwoord te vinden op de vragen of exploratiegedrag leidt tot betere motorische vaardigheden en of dat betere motorische vaardigheden leiden tot meer exploratiegedrag. Uit de resultaten is gebleken dat beide concepten invloed hebben maar dat er geen sprake is van een eenduidige richting. Dit kan betekenen dat de twee ontwikkelingsgebieden niet los van elkaar kunnen worden gezien en dat de ontwikkeling van fijn motorische vaardigheden en de diepte van ruimtelijke exploratie afhankelijk van elkaar verlopen. Deze verklaring kan worden ondersteund door de literatuur. Daarin wordt zowel de invloed van de fijn motorische vaardigheden op het exploratiegedrag, als ook de invloed van het exploratiegedrag op de fijn motorische vaardigheden vermeld (Bruner, 1969; Bushnell & Boudreau, 1993; Gibson, 1988; Ruff, 1984). Dit geldt echter niet voor de diepte van het ruimtelijk exploratiegedrag in combinatie met de grof motorische vaardigheden. Zoals hierboven is vermeld, is er mogelijk een klein effect van de diepte van het ruimtelijk exploratiegedrag op de grof motorische vaardigheden vier maanden later, echter is er geen effect gevonden van de grof motorische vaardigheden op dit ruimtelijk exploratiegedrag vier maanden later. Dit kan betekenen dat het exploratiegedrag bepalend kan zijn voor de mate van de grof motorische vaardigheden, maar niet vice versa. Dit is echter in tegenstelling met de literatuur waarin verondersteld wordt dat de grof motorische vaardigheden effect hebben op het exploratiegedrag en niet vice versa (Gustafson, 1984; Smith & Gasser, 2005; Soska et al., 2010). Binnen deze studie wordt een verschil zichtbaar tussen de fijn en grof motorische vaardigheden, zoals terug te vinden in de literatuur. Er blijkt een relatie te zijn tussen de fijn motorische vaardigheden en het exploratiegedrag. Deze relatie lijkt er echter niet te zijn tussen de grof motorische vaardigheden en het exploratiegedrag. Een mogelijke verklaring hiervoor kan zijn dat de fijn motorische vaardigheden nog in volle ontwikkeling waren op het moment van de testafname, dit in tegenstelling tot de grof motorische vaardigheden als lopen en kruipen. Vervolgonderzoek bij kinderen met een leeftijd jonger dan 20 maanden zal hierover uitsluitsel moeten geven. Bovenstaande resultaten worden ondersteund door de embodiment theory. Volgens deze theorie ontstaan cognitieve vaardigheden uit een interactieproces van een kind met zijn omgeving, als resultaat van motorische activiteiten (Smith, 2005). Binnen deze interactie staat het exploratiegedrag van een kind centraal. Ieder kind leert door toeval en exploratie (Smith,

18 DE RELATIE TUSSEN MOTORIEK EN EXPLORATIE ; Smith & Gasser, 2005; Wilson, 2002). Dit komt overeen met de theorie van Piaget, waar hij aangeeft dat alle vormen van het menselijk denken op een of andere manier voortvloeien uit pure (senso)motorische activiteiten van kinderen (Piaget, 1952; Piaget, 1954; Thelen, 2000; Thelen, Schöner, Scheider & Smith, 2001). Een kind ontwikkelt cognitieve vaardigheden door het exploreren van zijn omgeving, met als belangrijkste factor de motorische activiteiten. De embodiment theory beschrijft daarnaast dat kinderen door middel van voortbewegen tot exploratie komen. Dit komt echter niet overeen met de resultaten van deze studie. Er is geen relatie gevonden tussen de grof motorische vaardigheden en de diepte van het ruimtelijke exploratiegedrag. Dit kan mogelijk verklaard worden door het feit dat in het huidige onderzoek is gewerkt met klein speelgoed, zoals blokjes en bakjes. Klein speelgoed lokt met grote waarschijnlijkheid voornamelijk fijn motorische handelingen uit. De grof motorische vaardigheden die wel uitgelokt werden, zijn in de meeste gevallen de vaardigheden die door (bijna) alle kinderen al waren verworven, zoals lopen en zitten. Dit kan er toe hebben geleid dat er weinig onderscheid is gevonden tussen de mate van grof motorische vaardigheden van de kinderen, met betrekking tot de diepte van het ruimtelijke exploratiegedrag. Om dit te kunnen bevestigen is vervolgonderzoek noodzakelijk waarbij eenzelfde soort onderzoek wordt herhaald met groot speelgoed, zoals een tunnel, hoepel of glijbaan, waarbij wordt verwacht dat de grof motorische vaardigheden meer uitgelokt zullen worden. De resultaten in dit onderzoek hebben zich echter toegespitst op klein speelgoed, wat als voordeel heeft dat het meer specifieke informatie oplevert. Deze specifieke informatie kan worden gebruikt voor bijvoorbeeld de ontwikkeling van een interventie, gericht op de diepte van het exploratiegedrag en/of de motorische vaardigheden. Nu uit deze studie duidelijk is geworden dat er een relatie is tussen de fijn motorische vaardigheden en de diepte van het ruimtelijk exploratiegedrag, kunnen consultatiebureaus en kinderdagverblijven hier hun voordeel mee doen. Deze uitkomsten maken eerdere signalering van problemen met betrekking tot de diepte van het ruimtelijk exploratiegedrag en/of de motorische vaardigheden mogelijk, waardoor ouders gerichte stimulatie aan hun kinderen kunnen bieden. Zowel de ontwikkeling van exploratiegedrag als de ontwikkeling van fijn motorische vaardigheden kunnen op deze manier worden uitgelokt en gestimuleerd. Door de methode van dataverzameling zijn de resultaten echter alleen generaliseerbaar voor kinderen in de regio Utrecht. Echter is in deze regio weinig onderzoek gedaan naar de relatie tussen het exploratiegedrag en de motorische vaardigheden van deze kinderen. De

19 DE RELATIE TUSSEN MOTORIEK EN EXPLORATIE 19 resultaten bieden een indicatie voor vervolgstudies met een grote steekproef, zodat de generaliseerbaarheid hiermee kan worden vergroot. Nu blijkt dat fijne motorische vaardigheden en de diepte van ruimtelijk exploratiegedrag elkaar voorspellen, kan vervolgonderzoek zich richten op andere aspecten van het exploratiegedrag zoals objectexploratie en de breedte van exploratie. Vervolgonderzoek zal tevens moeten uitwijzen of er met een grote steekproef wel een relatie bestaat tussen de diepte van het ruimtelijke exploratiegedrag en de grof motorische vaardigheden. Tenslotte differentieert huidig onderzoek zich van andere cross-sectionele studies door gebruik te maken van longitudinale data over vier maanden. Eenzelfde longitudinaal model zal in de toekomst mogelijk van toepassing zijn bij studies naar de relatie tussen grof motorische vaardigheden en het exploratiegedrag. Concluderend kan op basis van het huidige onderzoek worden gesteld dat betere fijn motorische vaardigheden van kinderen op een leeftijd van 20 maanden leiden tot dieper ruimtelijk exploratiegedrag op een leeftijd van 24 maanden. Daarnaast is gebleken dat dieper ruimtelijk exploratiegedrag op een leeftijd van 20 maanden leidt tot betere fijn motorische vaardigheden op een leeftijd van 24 maanden.

20 DE RELATIE TUSSEN MOTORIEK EN EXPLORATIE 20 Referenties Belsky, J., & Most, R. K. (1981). From exploration to play: A cross-sectional study of infant free play behavior. Developmental Psychology, 17, doi: // Bruner, J. S. (1969). Eye, hand, and mind. In D. Elkind & J. H. Flavell (Eds.), Studies in cognitive development, essays in honor of Jean Piaget (pp ). New York: Oxford University Press. Bushnell, E. W., & Bourdreau, J. P. (1993). Motor development and the mind: The potential role of motor abilities as a determinant of aspects of perceptual development. Child Development, 64, doi: /j tb04184.x Campos, J. J., Anderson, D. I., Barbu-Rott, M. A., Hubbard, E. M., Hertenstein, M. J., & Whiterington, D. (2000). Travel broadens the mind. Infancy, 1, doi: /s in0102_1 Caruso, D. A. (1993). Dimensions of quality in infants exploratory behavior: Relationships to problem-solving ability. Infant Behavior and Development, 16, doi: / (93)80003-q Caulfield, R. (1996). Psychical and cognitive development in the first two years. Early Childhood Education Journal, 23, Corbetta, D., & Thelen, E. (1996). The developmental origins of bimanual coordination. Journal of Experimental Psychology: Human Perception and Performance, 22, Gibson, E. J. (1988). Exploratory behavior in the development of perceiving, acting, and the acquiring of knowledge. Annual Review of Psychology, 39, doi: /annurev.psych Gibson, E. J. (2001). Perceiving the affordances: A portrait of two psychologists. Boston: Lawrence Erlbaum Associates. Gibson, E. J., & Pick, A. D. (2000). An ecological approach to perceptual learning and development. New York: Oxford University Press. Gustafson, G. E. (1984). Effects of the ability to locomote on infants social and exploratory behaviors: An experimental study. Developmental Psychology, 20, doi: // Halverson, H. M. (1931). An experimental study of prehension in infants by means of systematic cinema records. Genetic Psychology Monographs, 10,

Masterthesis Orthopedagogiek

Masterthesis Orthopedagogiek Running head: SAMENHANG TUSSEN MOTORIEK, THUISOMGEVING, EXPLORATIEGEDRAG Masterthesis Orthopedagogiek Werkveld Leerlingenzorg 200500130 Departement Pedagogische Wetenschappen, Universiteit Utrecht Masteropleiding

Nadere informatie

De Invloed van Perceived Severity op Condoomgebruik en HIV-Testgedrag. The Influence of Perceived Severity on Condom Use and HIV-Testing Behavior

De Invloed van Perceived Severity op Condoomgebruik en HIV-Testgedrag. The Influence of Perceived Severity on Condom Use and HIV-Testing Behavior De Invloed van Perceived Severity op Condoomgebruik en HIV-Testgedrag The Influence of Perceived Severity on Condom Use and HIV-Testing Behavior Martin. W. van Duijn Student: 838797266 Eerste begeleider:

Nadere informatie

Medieert exploratie het verband tussen motoriek en het visueel ruimtelijk geheugen van kinderen in de leeftijd van 14 maanden?

Medieert exploratie het verband tussen motoriek en het visueel ruimtelijk geheugen van kinderen in de leeftijd van 14 maanden? Medieert exploratie het verband tussen motoriek en het visueel ruimtelijk geheugen van kinderen in de leeftijd van 14 maanden? Masterthesis Universiteit Utrecht Masteropleiding Pedagogische Wetenschappen

Nadere informatie

Sekseverschillen in motoriek en exploratie. Sex differences in motor skills and exploration

Sekseverschillen in motoriek en exploratie. Sex differences in motor skills and exploration Sekseverschillen in motoriek en exploratie Sex differences in motor skills and exploration Cursus: Bachelorthesis Pedagogische wetenschappen Cursuscode: 200600042 Studenten: Lisette van den Berg - 3800105

Nadere informatie

Ouderlijke Controle en Angst bij Kinderen, de Invloed van Psychologische Flexibiliteit

Ouderlijke Controle en Angst bij Kinderen, de Invloed van Psychologische Flexibiliteit 1 Ouderlijke Controle en Angst bij Kinderen, de Invloed van Psychologische Flexibiliteit Nicola G. de Vries Open Universiteit Nicola G. de Vries Studentnummer 838995001 S71332 Onderzoekspracticum scriptieplan

Nadere informatie

Effecten van contactgericht spelen en leren op de ouder-kindrelatie bij autisme

Effecten van contactgericht spelen en leren op de ouder-kindrelatie bij autisme Effecten van contactgericht spelen en leren op de ouder-kindrelatie bij autisme Effects of Contact-oriented Play and Learning in the Relationship between parent and child with autism Kristel Stes Studentnummer:

Nadere informatie

faculteit gedrags- en maatschappijwetenschappen Vroege ontwikkeling Motorische ontwikkelingspatronen bij jonge kinderen met ZEVMB

faculteit gedrags- en maatschappijwetenschappen Vroege ontwikkeling Motorische ontwikkelingspatronen bij jonge kinderen met ZEVMB Datum 22-06-2015 1 Vroege ontwikkeling Motorische ontwikkelingspatronen bij jonge kinderen met ZEVMB Opzet en eerste resultaten Linda Visser Annette van der Putten Gertruud Schalen Bieuwe van der Meulen

Nadere informatie

Voorspellers van Leerbaarheid en Herstel bij Cognitieve Revalidatie van Patiënten met Niet-aangeboren Hersenletsel

Voorspellers van Leerbaarheid en Herstel bij Cognitieve Revalidatie van Patiënten met Niet-aangeboren Hersenletsel Voorspellers van Leerbaarheid en Herstel bij Cognitieve Revalidatie van Patiënten met Niet-aangeboren Hersenletsel Een onderzoek naar de invloed van cognitieve stijl, ziekte-inzicht, motivatie, IQ, opleiding,

Nadere informatie

Invloed van Motorische Vaardigheden & Thuisomgeving op het Exploratiegedrag bij 11 Maanden Oude Baby s.

Invloed van Motorische Vaardigheden & Thuisomgeving op het Exploratiegedrag bij 11 Maanden Oude Baby s. Invloed van Motorische Vaardigheden & Thuisomgeving op het Exploratiegedrag bij 11 Maanden Oude Baby s. Masterthesis Universiteit Utrecht Masteropleiding Pedagogische Wetenschappen Masterprogramma Orthopedagogiek

Nadere informatie

Invloed van motoriek op exploratiegedrag in tweede levensjaar

Invloed van motoriek op exploratiegedrag in tweede levensjaar INVLOED VAN MOTORIEK OP EXPLORATIEGEDRAG IN TWEEDE LEVENSJAAR 1 Invloed van motoriek op exploratiegedrag in tweede levensjaar Masterthesis Universiteit Utrecht Masteropleiding Pedagogische Wetenschappen

Nadere informatie

Emotioneel Belastend Werk, Vitaliteit en de Mogelijkheid tot Leren: The Manager as a Resource.

Emotioneel Belastend Werk, Vitaliteit en de Mogelijkheid tot Leren: The Manager as a Resource. Open Universiteit Klinische psychologie Masterthesis Emotioneel Belastend Werk, Vitaliteit en de Mogelijkheid tot Leren: De Leidinggevende als hulpbron. Emotional Job Demands, Vitality and Opportunities

Nadere informatie

De Relatie tussen Angst en Psychologische Inflexibiliteit. The Relationship between Anxiety and Psychological Inflexibility.

De Relatie tussen Angst en Psychologische Inflexibiliteit. The Relationship between Anxiety and Psychological Inflexibility. RELATIE ANGST EN PSYCHOLOGISCHE INFLEXIBILITEIT 1 De Relatie tussen Angst en Psychologische Inflexibiliteit The Relationship between Anxiety and Psychological Inflexibility Jos Kooy Eerste begeleider Tweede

Nadere informatie

Pesten onder Leerlingen met Autisme Spectrum Stoornissen op de Middelbare School: de Participantrollen en het Verband met de Theory of Mind.

Pesten onder Leerlingen met Autisme Spectrum Stoornissen op de Middelbare School: de Participantrollen en het Verband met de Theory of Mind. Pesten onder Leerlingen met Autisme Spectrum Stoornissen op de Middelbare School: de Participantrollen en het Verband met de Theory of Mind. Bullying among Students with Autism Spectrum Disorders in Secondary

Nadere informatie

Karen J. Rosier - Brattinga. Eerste begeleider: dr. Arjan Bos Tweede begeleider: dr. Ellin Simon

Karen J. Rosier - Brattinga. Eerste begeleider: dr. Arjan Bos Tweede begeleider: dr. Ellin Simon Zelfwaardering en Angst bij Kinderen: Zijn Globale en Contingente Zelfwaardering Aanvullende Voorspellers van Angst bovenop Extraversie, Neuroticisme en Gedragsinhibitie? Self-Esteem and Fear or Anxiety

Nadere informatie

Het executief en het sociaal cognitief functioneren bij licht verstandelijk. gehandicapte jeugdigen. Samenhang met emotionele- en gedragsproblemen

Het executief en het sociaal cognitief functioneren bij licht verstandelijk. gehandicapte jeugdigen. Samenhang met emotionele- en gedragsproblemen Het executief en het sociaal cognitief functioneren bij licht verstandelijk gehandicapte jeugdigen. Samenhang met emotionele- en gedragsproblemen Executive and social cognitive functioning of mentally

Nadere informatie

Relatie tussen Persoonlijkheid, Opleidingsniveau, Leeftijd, Geslacht en Korte- en Lange- Termijn Seksuele Strategieën

Relatie tussen Persoonlijkheid, Opleidingsniveau, Leeftijd, Geslacht en Korte- en Lange- Termijn Seksuele Strategieën Relatie tussen Persoonlijkheid, Opleidingsniveau, Leeftijd, Geslacht en Korte- en Lange- Termijn Seksuele Strategieën The Relation between Personality, Education, Age, Sex and Short- and Long- Term Sexual

Nadere informatie

Motoriek en exploratiegedrag bij kinderen van 9 en 20 maanden: Motor skills and exploratory behavior in children of 9 and 20 months:

Motoriek en exploratiegedrag bij kinderen van 9 en 20 maanden: Motor skills and exploratory behavior in children of 9 and 20 months: RELATIE TUSSEN MOTORIEK EN EXPLORATIE 1 Motoriek en exploratiegedrag bij kinderen van 9 en 20 maanden: Verschil tussen jongens en meisjes in motoriek en de gevolgen daarvan op exploratiegedrag. Motor skills

Nadere informatie

De Invloed van Identificatie met Actieve Ouderen en Welbevinden op de. Lichaamsbeweging van Ouderen

De Invloed van Identificatie met Actieve Ouderen en Welbevinden op de. Lichaamsbeweging van Ouderen Running head: ACTIEVE OUDEREN EN BEWEGEN 1 De Invloed van Identificatie met Actieve Ouderen en Welbevinden op de Lichaamsbeweging van Ouderen The Influence of Identification with 'Active Elderly' and Wellbeing

Nadere informatie

Denken is Doen? De cognitieve representatie van ziekte als determinant van. zelfmanagementgedrag bij Nederlandse, Turkse en Marokkaanse patiënten

Denken is Doen? De cognitieve representatie van ziekte als determinant van. zelfmanagementgedrag bij Nederlandse, Turkse en Marokkaanse patiënten Denken is Doen? De cognitieve representatie van ziekte als determinant van zelfmanagementgedrag bij Nederlandse, Turkse en Marokkaanse patiënten met diabetes mellitus type 2 in de huisartsenpraktijk Thinking

Nadere informatie

Het modererend effect van de moeder kind relatie op de effecten van prenatale blootstelling aan PCB s op de cognitieve ontwikkeling van het kind

Het modererend effect van de moeder kind relatie op de effecten van prenatale blootstelling aan PCB s op de cognitieve ontwikkeling van het kind Het modererend effect van de moeder kind relatie op de effecten van prenatale blootstelling aan PCB s op de cognitieve ontwikkeling van het kind The moderating effect of the mother child relation on the

Nadere informatie

Relatie tussen Cyberpesten en Opvoeding. Relation between Cyberbullying and Parenting. D.J.A. Steggink. Eerste begeleider: Dr. F.

Relatie tussen Cyberpesten en Opvoeding. Relation between Cyberbullying and Parenting. D.J.A. Steggink. Eerste begeleider: Dr. F. Relatie tussen Cyberpesten en Opvoeding Relation between Cyberbullying and Parenting D.J.A. Steggink Eerste begeleider: Dr. F. Dehue Tweede begeleider: Drs. I. Stevelmans April, 2011 Faculteit Psychologie

Nadere informatie

bij Kinderen met een Ernstige Vorm van Dyslexie of Children with a Severe Form of Dyslexia Ans van Velthoven

bij Kinderen met een Ernstige Vorm van Dyslexie of Children with a Severe Form of Dyslexia Ans van Velthoven Neuropsychologische Behandeling en Sociaal Emotioneel Welzijn bij Kinderen met een Ernstige Vorm van Dyslexie Neuropsychological Treatment and Social Emotional Well-being of Children with a Severe Form

Nadere informatie

INVLOED VAN CHRONISCHE PIJN OP ERVAREN SOCIALE STEUN. De Invloed van Chronische Pijn en de Modererende Invloed van Geslacht op de Ervaren

INVLOED VAN CHRONISCHE PIJN OP ERVAREN SOCIALE STEUN. De Invloed van Chronische Pijn en de Modererende Invloed van Geslacht op de Ervaren De Invloed van Chronische Pijn en de Modererende Invloed van Geslacht op de Ervaren Sociale Steun The Effect of Chronic Pain and the Moderating Effect of Gender on Perceived Social Support Studentnummer:

Nadere informatie

De Relatie tussen Mindfulness en Psychopathologie: de Mediërende. Rol van Globale en Contingente Zelfwaardering

De Relatie tussen Mindfulness en Psychopathologie: de Mediërende. Rol van Globale en Contingente Zelfwaardering De Relatie tussen Mindfulness en Psychopathologie: de Mediërende Rol van Globale en Contingente Zelfwaardering The relation between Mindfulness and Psychopathology: the Mediating Role of Global and Contingent

Nadere informatie

De Invloed van Kenmerken van ADHD op de Theory of Mind: een Onderzoek bij Kinderen uit de Algemene Bevolking

De Invloed van Kenmerken van ADHD op de Theory of Mind: een Onderzoek bij Kinderen uit de Algemene Bevolking Kenmerken van ADHD en de Theory of Mind 1 De Invloed van Kenmerken van ADHD op de Theory of Mind: een Onderzoek bij Kinderen uit de Algemene Bevolking The Influence of Characteristics of ADHD on Theory

Nadere informatie

Wat is de Modererende Rol van Consciëntieusheid, Extraversie en Neuroticisme op de Relatie tussen Depressieve Symptomen en Overeten?

Wat is de Modererende Rol van Consciëntieusheid, Extraversie en Neuroticisme op de Relatie tussen Depressieve Symptomen en Overeten? De Modererende rol van Persoonlijkheid op de Relatie tussen Depressieve Symptomen en Overeten 1 Wat is de Modererende Rol van Consciëntieusheid, Extraversie en Neuroticisme op de Relatie tussen Depressieve

Nadere informatie

Lichamelijke factoren als voorspeller voor psychisch. en lichamelijk herstel bij anorexia nervosa. Physical factors as predictors of psychological and

Lichamelijke factoren als voorspeller voor psychisch. en lichamelijk herstel bij anorexia nervosa. Physical factors as predictors of psychological and Lichamelijke factoren als voorspeller voor psychisch en lichamelijk herstel bij anorexia nervosa Physical factors as predictors of psychological and physical recovery of anorexia nervosa Liesbeth Libbers

Nadere informatie

Sekseverschillen in Huilfrequentie en Psychosociale Problemen. bij Schoolgaande Kinderen van 6 tot 10 jaar

Sekseverschillen in Huilfrequentie en Psychosociale Problemen. bij Schoolgaande Kinderen van 6 tot 10 jaar Sekseverschillen in Huilfrequentie en Psychosociale Problemen bij Schoolgaande Kinderen van 6 tot 10 jaar Gender Differences in Crying Frequency and Psychosocial Problems in Schoolgoing Children aged 6

Nadere informatie

Master Thesis Pedagogiek Faculteit Sociale Wetenschappen Universiteit Utrecht

Master Thesis Pedagogiek Faculteit Sociale Wetenschappen Universiteit Utrecht Master Thesis Pedagogiek Faculteit Sociale Wetenschappen Universiteit Utrecht Voortbewegen en objectpermanentie Student : Fenneke Boot St. Nummer : 3210111 Datum : 26 juni 2009 Opleiding : Master Orthopedagogiek

Nadere informatie

De Relatie Tussen de Gehanteerde Copingstijl en Pesten op het Werk. The Relation Between the Used Coping Style and Bullying at Work.

De Relatie Tussen de Gehanteerde Copingstijl en Pesten op het Werk. The Relation Between the Used Coping Style and Bullying at Work. De Relatie Tussen de Gehanteerde Copingstijl en Pesten op het Werk The Relation Between the Used Coping Style and Bullying at Work Merijn Daerden Studentnummer: 850225144 Werkstuk: Empirisch afstudeeronderzoek:

Nadere informatie

gedrag? Wat is de invloed van gender op deze samenhang? gedrag? Wat is de invloed van gender op deze samenhang?

gedrag? Wat is de invloed van gender op deze samenhang? gedrag? Wat is de invloed van gender op deze samenhang? Is er een samenhang tussen seksuele attituden en gedragsintenties voor veilig seksueel Is there a correlation between sexual attitudes and the intention to engage in sexually safe behaviour? Does gender

Nadere informatie

Type Dementie als Oorzaak van Seksueel Ontremd Gedrag. Aanwezigheid van het Gedrag bij Type Alzheimer?

Type Dementie als Oorzaak van Seksueel Ontremd Gedrag. Aanwezigheid van het Gedrag bij Type Alzheimer? Type Dementie als Oorzaak van Seksueel Ontremd Gedrag Aanwezigheid van het Gedrag bij Type Alzheimer? Type of Dementia as Cause of Sexual Disinhibition Presence of the Behavior in Alzheimer s Type? Carla

Nadere informatie

Psychological Determinants of Absenteeism at Work by Pregnant Women. Psychologische determinanten van uitval uit het arbeidsproces door zwangere

Psychological Determinants of Absenteeism at Work by Pregnant Women. Psychologische determinanten van uitval uit het arbeidsproces door zwangere Psychological Determinants of Absenteeism at Work by Pregnant Women Psychologische determinanten van uitval uit het arbeidsproces door zwangere vrouwen: Onderzoek naar de relatie tussen angst, depressieve

Nadere informatie

De relatie tussen intimiteit, aspecten van seksualiteit en hechtingsstijl in het dagelijks leven van heteroseksuele mannen en vrouwen.

De relatie tussen intimiteit, aspecten van seksualiteit en hechtingsstijl in het dagelijks leven van heteroseksuele mannen en vrouwen. De relatie tussen intimiteit, aspecten van seksualiteit en hechtingsstijl in het dagelijks leven van heteroseksuele mannen en vrouwen. The Relationship between Intimacy, Aspects of Sexuality and Attachment

Nadere informatie

Bayley III-NL Motoriekschaal

Bayley III-NL Motoriekschaal White paper Bayley III-NL Motoriekschaal Algemene introductie op de Bayley-III-NL Motoriekschaal, vergelijking met de vorige versie, de BSID-II-NL Motorische Schaal White paper 1 www.pearsonclinical.nl

Nadere informatie

Invloed van het aantal kinderen op de seksdrive en relatievoorkeur

Invloed van het aantal kinderen op de seksdrive en relatievoorkeur Invloed van het aantal kinderen op de seksdrive en relatievoorkeur M. Zander MSc. Eerste begeleider: Tweede begeleider: dr. W. Waterink drs. J. Eshuis Oktober 2014 Faculteit Psychologie en Onderwijswetenschappen

Nadere informatie

Executief Functioneren en Agressie. bij Forensisch Psychiatrische Patiënten in PPC Den Haag. Executive Functioning and Aggression

Executief Functioneren en Agressie. bij Forensisch Psychiatrische Patiënten in PPC Den Haag. Executive Functioning and Aggression Executief Functioneren en Agressie bij Forensisch Psychiatrische Patiënten in PPC Den Haag Executive Functioning and Aggression in a Forensic Psychiatric Population in PPC The Hague Sara Helmink 1 e begeleider:

Nadere informatie

Modererende Rol van Seksuele Gedachten. Moderating Role of Sexual Thoughts. C. Iftekaralikhan-Raghubardayal

Modererende Rol van Seksuele Gedachten. Moderating Role of Sexual Thoughts. C. Iftekaralikhan-Raghubardayal Running head: momentaan affect en seksueel verlangen bij vrouwen 1 De Samenhang Tussen Momentaan Affect en Seksueel Verlangen van Vrouwen en de Modererende Rol van Seksuele Gedachten The Association Between

Nadere informatie

Verschillen tussen Allochtone- en Autochtone Jonge Studerende Moeders in het Ervaren van Dagelijkse Stress en het Effect ervan op de Stemming

Verschillen tussen Allochtone- en Autochtone Jonge Studerende Moeders in het Ervaren van Dagelijkse Stress en het Effect ervan op de Stemming Verschillen tussen Allochtone- en Autochtone Jonge Studerende Moeders in het Ervaren van Dagelijkse Stress en het Effect ervan op de Stemming Differences between Immigrant and Native Young Student Mothers

Nadere informatie

DANKBAARHEID, PSYCHOLOGISCHE BASISBEHOEFTEN EN LEVENSDOELEN 1

DANKBAARHEID, PSYCHOLOGISCHE BASISBEHOEFTEN EN LEVENSDOELEN 1 DANKBAARHEID, PSYCHOLOGISCHE BASISBEHOEFTEN EN LEVENSDOELEN 1 Dankbaarheid in Relatie tot Intrinsieke Levensdoelen: Het mediërende Effect van Psychologische Basisbehoeften Karin Nijssen Open Universiteit

Nadere informatie

De Invloed van Dagelijkse Stress op Burn-Out Klachten, Gemodereerd door Mentale. Veerkracht en Demografische Variabelen

De Invloed van Dagelijkse Stress op Burn-Out Klachten, Gemodereerd door Mentale. Veerkracht en Demografische Variabelen Running head: INVLOED VAN DAGELIJKSE STRESS OP BURN-OUT KLACHTEN De Invloed van Dagelijkse Stress op Burn-Out Klachten, Gemodereerd door Mentale Veerkracht en Demografische Variabelen The Influence of

Nadere informatie

de Rol van Persoonlijkheid Eating: the Role of Personality

de Rol van Persoonlijkheid Eating: the Role of Personality De Relatie tussen Dagelijkse Stress en Emotioneel Eten: de Rol van Persoonlijkheid The Relationship between Daily Stress and Emotional Eating: the Role of Personality Arlette Nierich Open Universiteit

Nadere informatie

Motorische ontwikkeling, exploratie en selectieve aandacht

Motorische ontwikkeling, exploratie en selectieve aandacht Running head: MOTORISCHE ONTWIKKELING, EXPLORATIE EN SELECTIEVE AANDACHT Motorische ontwikkeling, exploratie en selectieve aandacht De rol van exploratiegedrag in de samenhang tussen loopervaring en selectieve

Nadere informatie

Hartpatiënten Stoppen met Roken De invloed van eigen effectiviteit, actieplannen en coping plannen op het stoppen met roken

Hartpatiënten Stoppen met Roken De invloed van eigen effectiviteit, actieplannen en coping plannen op het stoppen met roken 1 Hartpatiënten Stoppen met Roken De invloed van eigen effectiviteit, actieplannen en coping plannen op het stoppen met roken Smoking Cessation in Cardiac Patients Esther Kers-Cappon Begeleiding door:

Nadere informatie

GOAL-STRIVING REASONS, PERSOONLIJKHEID EN BURN-OUT 1. Het effect van Goal-striving Reasons en Persoonlijkheid op facetten van Burn-out

GOAL-STRIVING REASONS, PERSOONLIJKHEID EN BURN-OUT 1. Het effect van Goal-striving Reasons en Persoonlijkheid op facetten van Burn-out GOAL-STRIVING REASONS, PERSOONLIJKHEID EN BURN-OUT 1 Het effect van Goal-striving Reasons en Persoonlijkheid op facetten van Burn-out The effect of Goal-striving Reasons and Personality on facets of Burn-out

Nadere informatie

De relatie tussen sekse, sociaaleconomische status en geboortevolgorde op objectexploratie bij kinderen van 16 tot 30 maanden

De relatie tussen sekse, sociaaleconomische status en geboortevolgorde op objectexploratie bij kinderen van 16 tot 30 maanden RUNNING HEAD: DE RELATIE TUSSEN OBJECTEXPLORATIE EN SEKSE, SOCIAALECONOMISCHE STATUS EN 1 De relatie tussen sekse, sociaaleconomische status en geboortevolgorde op objectexploratie bij kinderen van 16

Nadere informatie

De Invloed van Cognitieve Stimulatie in de Vorm van Actief Leren op de Geestelijke Gezondheid van Vijftigplussers

De Invloed van Cognitieve Stimulatie in de Vorm van Actief Leren op de Geestelijke Gezondheid van Vijftigplussers De Invloed van Cognitieve Stimulatie in de Vorm van Actief Leren op de Geestelijke Gezondheid van Vijftigplussers The Influence of Cognitive Stimulation in the Form of Active Learning on Mental Health

Nadere informatie

Mentaal Weerbaar Blauw

Mentaal Weerbaar Blauw Mentaal Weerbaar Blauw de invloed van stereotypen over etnische minderheden cynisme en negatieve emoties op de mentale weerbaarheid van politieagenten begeleiders: dr. Anita Eerland & dr. Arjan Bos dr.

Nadere informatie

Het Effect van Verschil in Sociale Invloed van Ouders en Vrienden op het Alcoholgebruik van Adolescenten.

Het Effect van Verschil in Sociale Invloed van Ouders en Vrienden op het Alcoholgebruik van Adolescenten. Het Effect van Verschil in Sociale Invloed van Ouders en Vrienden op het Alcoholgebruik van Adolescenten. The Effect of Difference in Peer and Parent Social Influences on Adolescent Alcohol Use. Nadine

Nadere informatie

De Invloed van Familie op

De Invloed van Familie op De Invloed van Familie op Depressie- en Angstklachten van Verpleeghuisbewoners met Dementie The Influence of Family on Depression and Anxiety of Nursing Home Residents with Dementia Elina Hoogendoorn Eerste

Nadere informatie

De Relatie tussen Momentaan Affect en Seksueel Verlangen; de Modererende Rol van de Aanwezigheid van de Partner

De Relatie tussen Momentaan Affect en Seksueel Verlangen; de Modererende Rol van de Aanwezigheid van de Partner De Relatie tussen Momentaan Affect en Seksueel Verlangen; de Modererende Rol van de Aanwezigheid van de Partner The association between momentary affect and sexual desire: The moderating role of partner

Nadere informatie

De Relatie tussen Existential Fulfilment, Emotionele Stabiliteit en Burnout. bij Medewerkers in het Hoger Beroepsonderwijs

De Relatie tussen Existential Fulfilment, Emotionele Stabiliteit en Burnout. bij Medewerkers in het Hoger Beroepsonderwijs De Relatie tussen Existential Fulfilment, Emotionele Stabiliteit en Burnout bij Medewerkers in het Hoger Beroepsonderwijs The Relationship between Existential Fulfilment, Emotional Stability and Burnout

Nadere informatie

Inhoudsopgave Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd. Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd. Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd.

Inhoudsopgave Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd. Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd. Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd. Validatie van het EHF meetinstrument tijdens de Jonge Volwassenheid en meer specifiek in relatie tot ADHD Validation of the EHF assessment instrument during Emerging Adulthood, and more specific in relation

Nadere informatie

Master Thesis. Early Career Burnout Among Dutch Nurses: Comparing Theoretical Models. Using an Item Response Approach.

Master Thesis. Early Career Burnout Among Dutch Nurses: Comparing Theoretical Models. Using an Item Response Approach. 1 Master Thesis Early Career Burnout Among Dutch Nurses: Comparing Theoretical Models Using an Item Response Approach. Burnout onder Beginnende Nederlandse Verpleegkundigen: een Vergelijking van Theoretische

Nadere informatie

Knelpunten in Zelfstandig Leren: Zelfregulerend leren, Stress en Uitstelgedrag bij HRM- Studenten van Avans Hogeschool s-hertogenbosch

Knelpunten in Zelfstandig Leren: Zelfregulerend leren, Stress en Uitstelgedrag bij HRM- Studenten van Avans Hogeschool s-hertogenbosch Knelpunten in Zelfstandig Leren: Zelfregulerend leren, Stress en Uitstelgedrag bij HRM- Studenten van Avans Hogeschool s-hertogenbosch Bottlenecks in Independent Learning: Self-Regulated Learning, Stress

Nadere informatie

Testattitudes van Sollicitanten: Faalangst en Geloof in Tests als. Antecedenten van Rechtvaardigheidspercepties

Testattitudes van Sollicitanten: Faalangst en Geloof in Tests als. Antecedenten van Rechtvaardigheidspercepties Testattitudes van Sollicitanten: Faalangst en Geloof in Tests als Antecedenten van Rechtvaardigheidspercepties Test-taker Attitudes of Job Applicants: Test Anxiety and Belief in Tests as Antecedents of

Nadere informatie

Vragenlijsten kwaliteit van leven

Vragenlijsten kwaliteit van leven Click for the English version Vragenlijsten kwaliteit van leven TNO heeft een aantal vragenlijsten ontwikkeld om de gezondheidsrelateerde kwaliteit van leven te meten van kinderen, jongeren en jong-volwassenen.

Nadere informatie

De rol van exploratie in de cognitieve ontwikkeling van kinderen van 9 maanden oud

De rol van exploratie in de cognitieve ontwikkeling van kinderen van 9 maanden oud Thesis De rol van exploratie in de cognitieve ontwikkeling van kinderen van 9 maanden oud Auteur: Onder begeleiding van: Instelling: Opleiding: E.M. Elsenaar-Jongejan Dr. E.H. Kroesbergen Universiteit

Nadere informatie

De Relatie tussen Dagelijkse Stress, Negatief Affect en de Invloed van Bewegen

De Relatie tussen Dagelijkse Stress, Negatief Affect en de Invloed van Bewegen De Relatie tussen Dagelijkse Stress, Negatief Affect en de Invloed van Bewegen The Association between Daily Hassles, Negative Affect and the Influence of Physical Activity Petra van Straaten Eerste begeleider

Nadere informatie

Master thesis. Naam student: S. Friederichs Studentnummer: Afstudeerrichting: Klinische Psychologie

Master thesis. Naam student: S. Friederichs Studentnummer: Afstudeerrichting: Klinische Psychologie Effects of motivational interviewing and self-determination theory in a web-based computer tailored physical activity intervention: a randomized controlled trial Master thesis Naam student: S. Friederichs

Nadere informatie

Welke Factoren hangen samen met Kwaliteit van Leven na de Kanker Behandeling?

Welke Factoren hangen samen met Kwaliteit van Leven na de Kanker Behandeling? Welke Factoren hangen samen met Kwaliteit van Leven na de Kanker Behandeling? Which Factors are associated with Quality of Life after Cancer Treatment? Mieke de Klein Naam student: A.M.C.H. de Klein Studentnummer:

Nadere informatie

De Relatie Tussen Persoonskenmerken en Ervaren Lijden bij. Verslaafde Patiënten met PTSS

De Relatie Tussen Persoonskenmerken en Ervaren Lijden bij. Verslaafde Patiënten met PTSS Persoonskenmerken en ervaren lijden bij verslaving en PTSS 1 De Relatie Tussen Persoonskenmerken en Ervaren Lijden bij Verslaafde Patiënten met PTSS The Relationship between Personality Traits and Suffering

Nadere informatie

Running head: OPVOEDSTIJL, EXTERNALISEREND PROLEEMGEDRAG EN ZELFBEELD

Running head: OPVOEDSTIJL, EXTERNALISEREND PROLEEMGEDRAG EN ZELFBEELD 1 Opvoedstijl en Externaliserend Probleemgedrag en de Mediërende Rol van het Zelfbeeld bij Dak- en Thuisloze Jongeren in Utrecht Parenting Style and Externalizing Problem Behaviour and the Mediational

Nadere informatie

Verschil in Perceptie over Opvoeding tussen Ouders en Adolescenten en Alcoholgebruik van Adolescenten

Verschil in Perceptie over Opvoeding tussen Ouders en Adolescenten en Alcoholgebruik van Adolescenten Verschil in Perceptie over Opvoeding tussen Ouders en Adolescenten en Alcoholgebruik van Adolescenten Difference in Perception about Parenting between Parents and Adolescents and Alcohol Use of Adolescents

Nadere informatie

Marjo Maas: fysiotherapeut / docent / onderzoeker Peer assessment De impact van peer assessment op het klinische redeneren en het klinisch handelen van fysiotherapeuten in opleiding en fysiotherapeuten

Nadere informatie

Studenten: I. Hoogenboom (3617254) R. Imperator (3487962) L. van Wijnen (3340015)

Studenten: I. Hoogenboom (3617254) R. Imperator (3487962) L. van Wijnen (3340015) De relatie tussen motorische ontwikkeling en taalverwerving Een onderzoek naar de relatie tussen motorische ontwikkeling en taalontwikkeling bij kinderen van 16 tot en met 30 maanden. The relationship

Nadere informatie

De Relatie tussen Voorschoolse Vorming en de Ontwikkeling van. Kinderen

De Relatie tussen Voorschoolse Vorming en de Ontwikkeling van. Kinderen Voorschoolse vorming en de ontwikkeling van kinderen 1 De Relatie tussen Voorschoolse Vorming en de Ontwikkeling van Kinderen The Relationship between Early Child Care, Preschool Education and Child Development

Nadere informatie

Positieve, Negatieve en Depressieve Subklinische Psychotische Symptomen en het Effect van Stress en Sekse op deze Subklinische Psychotische Symptomen

Positieve, Negatieve en Depressieve Subklinische Psychotische Symptomen en het Effect van Stress en Sekse op deze Subklinische Psychotische Symptomen Positieve, Negatieve en Depressieve Subklinische Psychotische Symptomen en het Effect van Stress en Sekse op deze Subklinische Psychotische Symptomen Positive, Negative and Depressive Subclinical Psychotic

Nadere informatie

Stoppen-met-roken Begeleiding door Cardiologie Verpleegkundigen: Intentie, Gedrag en Determinanten

Stoppen-met-roken Begeleiding door Cardiologie Verpleegkundigen: Intentie, Gedrag en Determinanten Stoppen-met-roken Begeleiding door Cardiologie Verpleegkundigen: Intentie, Gedrag en Determinanten Smoking Cessation Guidance by Cardiac Nurses: Intention, Behavior and Determining Factors Jan van Riet

Nadere informatie

De Invloed van Motoriek en Exploratiegedrag op het Ruimtelijk Inzicht in het Tweede Levensjaar

De Invloed van Motoriek en Exploratiegedrag op het Ruimtelijk Inzicht in het Tweede Levensjaar Running head: MOTORISCHE ONTWIKKELING, EXPLORATIEGEDRAG EN RUIMTELIJK INZICHT De Invloed van Motoriek en Exploratiegedrag op het Ruimtelijk Inzicht in het Tweede Levensjaar Masterthesis Universiteit Utrecht

Nadere informatie

(SOCIALE) ANGST, GEPEST WORDEN EN PSYCHOLOGISCHE INFLEXIBILITEIT 1

(SOCIALE) ANGST, GEPEST WORDEN EN PSYCHOLOGISCHE INFLEXIBILITEIT 1 (SOCIALE) ANGST, GEPEST WORDEN EN PSYCHOLOGISCHE INFLEXIBILITEIT 1 Psychologische Inflexibiliteit bij Kinderen: Invloed op de Relatie tussen en de Samenhang met Gepest worden en (Sociale) Angst Psychological

Nadere informatie

Spelen in het groen. Agnes van den Berg Roderik Koenis Magdalena van den Berg

Spelen in het groen. Agnes van den Berg Roderik Koenis Magdalena van den Berg Spelen in het groen Effecten van een bezoek aan een natuurspeeltuin op het speelgedrag, de lichamelijke activiteit, de concentratie en de stemming van kinderen Agnes van den Berg Roderik Koenis Magdalena

Nadere informatie

Ik voel niets maar eigenlijk alles: Verbanden tussen Alexithymie, Somatisatiestoornis en Depressie. I feel nothing though in essence everything:

Ik voel niets maar eigenlijk alles: Verbanden tussen Alexithymie, Somatisatiestoornis en Depressie. I feel nothing though in essence everything: Ik voel niets maar eigenlijk alles: Verbanden tussen Alexithymie, Somatisatiestoornis en Depressie I feel nothing though in essence everything: Associations between Alexithymia, Somatisation and Depression

Nadere informatie

Differences in stress and stress reactivity between highly educated stay-at-home and working. mothers with spouse and young children

Differences in stress and stress reactivity between highly educated stay-at-home and working. mothers with spouse and young children 1 Differences in stress and stress reactivity between highly educated stay-at-home and working mothers with spouse and young children Verschil in stress en stressreactiviteit tussen hoogopgeleide thuisblijf-

Nadere informatie

De Effectiviteit van een Mindfulness-gebaseerde Lichaamsscan: een. Vergelijking met Rusten in Liggende Positie

De Effectiviteit van een Mindfulness-gebaseerde Lichaamsscan: een. Vergelijking met Rusten in Liggende Positie De Effectiviteit van een Mindfulness-gebaseerde Lichaamsscan: een Vergelijking met Rusten in Liggende Positie The Effectiveness of a Mindfulness-based Body Scan: a Comparison with Quiet Rest in the Supine

Nadere informatie

MINDFULNESS, ZELFASPECTEN EN WELZIJN 1. Bewust (wel)zijn? De mediërende rol van het zelf in de relatie tussen mindfulness en psychologisch welbevinden

MINDFULNESS, ZELFASPECTEN EN WELZIJN 1. Bewust (wel)zijn? De mediërende rol van het zelf in de relatie tussen mindfulness en psychologisch welbevinden MINDFULNESS, ZELFASPECTEN EN WELZIJN 1 Bewust (wel)zijn? De mediërende rol van het zelf in de relatie tussen mindfulness en psychologisch welbevinden Mindful (well)being? The mediating role of the self

Nadere informatie

De Bijdrage van Opleiding Ouders, Beroep Ouders en Sociaal-economische Status in de. Voorspelling van het Intelligentieniveau van het Kind.

De Bijdrage van Opleiding Ouders, Beroep Ouders en Sociaal-economische Status in de. Voorspelling van het Intelligentieniveau van het Kind. De Bijdrage van Opleiding Ouders, Beroep Ouders en Sociaal-economische Status in de Voorspelling van het Intelligentieniveau van het Kind. The Value of Parental Education, Parental Occupation and Socioeconomic

Nadere informatie

Invloed van Mindfulness Training op Ouderlijke Stress, Emotionele Self-Efficacy. Beliefs, Aandacht en Bewustzijn bij Moeders

Invloed van Mindfulness Training op Ouderlijke Stress, Emotionele Self-Efficacy. Beliefs, Aandacht en Bewustzijn bij Moeders Invloed van Mindfulness Training op Ouderlijke Stress, Emotionele Self-Efficacy Beliefs, Aandacht en Bewustzijn bij Moeders Influence of Mindfulness Training on Parental Stress, Emotional Self-Efficacy

Nadere informatie

Running head: EFFECT VAN IB-CGT OP SEKSUELE DISFUNCTIES BIJ VROUWEN

Running head: EFFECT VAN IB-CGT OP SEKSUELE DISFUNCTIES BIJ VROUWEN Running head: EFFECT VAN IB-CGT OP SEKSUELE DISFUNCTIES BIJ VROUWEN Het Effect van Online Cognitieve Gedragstherapie op Seksuele Disfuncties bij Vrouwen The Effectiveness of Internet-based Cognitive-Behavioural

Nadere informatie

Stigmatisering van Mensen met Keelkanker: de Rol van Mindfulness van de Waarnemer

Stigmatisering van Mensen met Keelkanker: de Rol van Mindfulness van de Waarnemer Met opmaak: Links: 3 cm, Rechts: 2 cm, Boven: 3 cm, Onder: 3 cm, Breedte: 21 cm, Hoogte: 29,7 cm Stigmatisering van Mensen met Keelkanker: de Rol van Mindfulness van de Waarnemer Stigmatisation of Persons

Nadere informatie

BISEKSUALITEIT: DE ONZICHTBARE SOCIALE IDENTITEIT. Biseksualiteit: de Onzichtbare Sociale Identiteit met Zichtbare Gezondheidsgevolgen

BISEKSUALITEIT: DE ONZICHTBARE SOCIALE IDENTITEIT. Biseksualiteit: de Onzichtbare Sociale Identiteit met Zichtbare Gezondheidsgevolgen Biseksualiteit: de Onzichtbare Sociale Identiteit met Zichtbare Gezondheidsgevolgen Bisexuality: the Invisible Social Identity with Visible Health Consequences Maria Verbeek Eerste begeleidster: dr. N.

Nadere informatie

SLACHTOFFER CYBERPESTEN, COPING, GEZONDHEIDSKLACHTEN, DEPRESSIE. Cyberpesten: de implicaties voor gezondheid en welbevinden van slachtoffers en het

SLACHTOFFER CYBERPESTEN, COPING, GEZONDHEIDSKLACHTEN, DEPRESSIE. Cyberpesten: de implicaties voor gezondheid en welbevinden van slachtoffers en het SLACHTOFFER CYBERPESTEN, COPING, GEZONDHEIDSKLACHTEN, DEPRESSIE Cyberpesten: de implicaties voor gezondheid en welbevinden van slachtoffers en het modererend effect van coping Cyberbullying: the implications

Nadere informatie

Hechting en Psychose: Attachment and Psychosis:

Hechting en Psychose: Attachment and Psychosis: Hechting en Psychose: Bieden Hechtingskenmerken een Verklaring voor het Optreden van Psychotische Symptomen? Attachment and Psychosis: Can Attachment Characteristics Account for the Presence of Psychotic

Nadere informatie

Verschillen in het Gebruik van Geheugenstrategieën en Leerstijlen. Differences in the Use of Memory Strategies and Learning Styles

Verschillen in het Gebruik van Geheugenstrategieën en Leerstijlen. Differences in the Use of Memory Strategies and Learning Styles Verschillen in het Gebruik van Geheugenstrategieën en Leerstijlen tussen Leeftijdsgroepen Differences in the Use of Memory Strategies and Learning Styles between Age Groups Rik Hazeu Eerste begeleider:

Nadere informatie

het laagste niveau van psychologisch functioneren direct voordat de eerste bestraling begint. Zowel angstgevoelens als depressieve symptomen en

het laagste niveau van psychologisch functioneren direct voordat de eerste bestraling begint. Zowel angstgevoelens als depressieve symptomen en Samenvatting In de laatste 20 jaar is er veel onderzoek gedaan naar de psychosociale gevolgen van kanker. Een goede zaak want aandacht voor kanker, een ziekte waar iedereen in zijn of haar leven wel eens

Nadere informatie

Van weerstand naar Acceptatie. Veerkracht van Kinderen van Ouders met Psychische Problemen. From Resistance to Acceptance

Van weerstand naar Acceptatie. Veerkracht van Kinderen van Ouders met Psychische Problemen. From Resistance to Acceptance Van weerstand naar Acceptatie Een Kwalitatief Onderzoek naar de Veranderde Percepties, Rouwverwerking en Mentale Veerkracht van Kinderen van Ouders met Psychische Problemen. From Resistance to Acceptance

Nadere informatie

Cover Page. The handle http://hdl.handle.net/1887/26944 holds various files of this Leiden University dissertation

Cover Page. The handle http://hdl.handle.net/1887/26944 holds various files of this Leiden University dissertation Cover Page The handle http://hdl.handle.net/1887/26944 holds various files of this Leiden University dissertation Author: Verschoor, Stephan Alexander Title: Learning about goals : development of action

Nadere informatie

The relationship between social support and loneliness and depressive symptoms in Turkish elderly: the mediating role of the ability to cope

The relationship between social support and loneliness and depressive symptoms in Turkish elderly: the mediating role of the ability to cope The relationship between social support and loneliness and depressive symptoms in Turkish elderly: the mediating role of the ability to cope Een onderzoek naar de relatie tussen sociale steun en depressieve-

Nadere informatie

De relatie tussen depressie- en angstsymptomen, diabetesdistress, diabetesregulatie en. proactieve copingvaardigheden bij type 2 diabetespatiënten

De relatie tussen depressie- en angstsymptomen, diabetesdistress, diabetesregulatie en. proactieve copingvaardigheden bij type 2 diabetespatiënten De relatie tussen depressie- en angstsymptomen, diabetesdistress, diabetesregulatie en proactieve copingvaardigheden bij type 2 diabetespatiënten The relationship between depression symptoms, anxiety symptoms,

Nadere informatie

Relatie Tussen Organisatie-Onrechtvaardigheid, Bevlogenheid en Feedback. The Relationship Between the Organizational Injustice, Engagement and

Relatie Tussen Organisatie-Onrechtvaardigheid, Bevlogenheid en Feedback. The Relationship Between the Organizational Injustice, Engagement and Onrechtvaardigheid, bevlogenheid en feedback 1 Relatie Tussen Organisatie-Onrechtvaardigheid, Bevlogenheid en Feedback The Relationship Between the Organizational Injustice, Engagement and Feedback Nerfid

Nadere informatie

Kinderen met Internaliserende Problemen. The Effectiveness of Psychodynamic Play Group Therapy for Children. with Internalizing Problems.

Kinderen met Internaliserende Problemen. The Effectiveness of Psychodynamic Play Group Therapy for Children. with Internalizing Problems. Spelgroepbehandeling voor kinderen met internaliserende problemen De Effectiviteit van een Psychodynamische Spelgroepbehandeling bij Kinderen met Internaliserende Problemen. The Effectiveness of Psychodynamic

Nadere informatie

Effecten van een op MBSR gebaseerde training van. hospicemedewerkers op burnout, compassionele vermoeidheid en

Effecten van een op MBSR gebaseerde training van. hospicemedewerkers op burnout, compassionele vermoeidheid en Effecten van een op MBSR gebaseerde training van hospicemedewerkers op burnout, compassionele vermoeidheid en compassionele tevredenheid. Een pilot Effects of a MBSR based training program of hospice caregivers

Nadere informatie

Running Head: IDENTIFICATIE MET SOCIAAL-ECONOMISCHE STATUS 1. Sociaal-economische Status en Gezondheid:

Running Head: IDENTIFICATIE MET SOCIAAL-ECONOMISCHE STATUS 1. Sociaal-economische Status en Gezondheid: Running Head: IDENTIFICATIE MET SOCIAAL-ECONOMISCHE STATUS 1 Sociaal-economische Status en Gezondheid: Invloed van ervaren Stress en Classificering Gezondheidschadend Gedrag Socioeconomic Status and Health:

Nadere informatie

Uitgebreide toelichting van het meetinstrument

Uitgebreide toelichting van het meetinstrument Uitgebreide toelichting van het meetinstrument Pediatric Volitional Questionnaire (PVQ) December 2013 Review: 1) G. Hodenius, J. Issel, J. Ohl 2) J.B.Grondal Invoer: E. van Engelen 1 Algemene gegevens

Nadere informatie

Inhoudsopgave Samenvatting Summary Inleiding Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd. Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd.

Inhoudsopgave Samenvatting Summary Inleiding Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd. Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd. Evaluatieonderzoek naar de Effectiviteit van de Zomercursus Plezier op School bij Kinderen met Verschillende Mate van Angstig en Stemmingsverstoord Gedrag en/of Autistische Gedragskenmerken Effect Evaluation

Nadere informatie

Summery. Effectiviteit van een interventieprogramma op arm-, schouder- en nekklachten bij beeldschermwerkers

Summery. Effectiviteit van een interventieprogramma op arm-, schouder- en nekklachten bij beeldschermwerkers ummery amenvatting Effectiviteit van een interventieprogramma op arm-, schouder- en nekklachten bij beeldschermwerkers 207 Algemene introductie Werkgerelateerde arm-, schouder- en nekklachten zijn al eeuwen

Nadere informatie

Het Effect van Cliëntgerichte Speltherapie op Internaliserende Problematiek bij. Kinderen: Affect als Moderator

Het Effect van Cliëntgerichte Speltherapie op Internaliserende Problematiek bij. Kinderen: Affect als Moderator 1 Het Effect van Cliëntgerichte Speltherapie op Internaliserende Problematiek bij Kinderen: Affect als Moderator The Effect of Client-Centered Play Therapy on Internalizing Problems of Children: Affect

Nadere informatie

De Relatie tussen Betrokkenheid bij Pesten en Welbevinden en de Invloed van Sociale Steun en. Discrepantie

De Relatie tussen Betrokkenheid bij Pesten en Welbevinden en de Invloed van Sociale Steun en. Discrepantie De Relatie tussen Betrokkenheid bij Pesten en Welbevinden en de Invloed van Sociale Steun en Discrepantie The Relationship between Involvement in Bullying and Well-Being and the Influence of Social Support

Nadere informatie

De invloed van affectieve betrokkenheid op moeilijk verstaanbaar gedrag

De invloed van affectieve betrokkenheid op moeilijk verstaanbaar gedrag Date 14-10-2011 1 De invloed van affectieve betrokkenheid op moeilijk verstaanbaar gedrag Marga Martens Promovenda Rijksuniversiteit Groningen Consulent doofblindheid Koninklijke Kentalis Begeleiderscongres

Nadere informatie