Numbers '09 Gebruikershandleiding

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "Numbers '09 Gebruikershandleiding"

Transcriptie

1 Numbers '09 Gebruikershandleiding

2 KKApple Inc. Copyright 2011 Apple Inc. Alle rechten voorbehouden. Volgens de auteursrechtelijke bepalingen mag deze handleiding niet zonder schriftelijke toestemming van Apple geheel of gedeeltelijk worden gekopieerd. Het gebruik van dit product is onderworpen aan de voorwaarden van de licentieovereenkomst in dit pakket. Het Apple logo is een handelsmerk van Apple Inc., dat is gedeponeerd in de Verenigde Staten en andere landen. Zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Apple is het niet toegestaan het via het toetsenbord op te roepen Apple logo (Option + Shift + K) te gebruiken voor commerciële doeleinden. Deze handleiding is met uiterste zorg samengesteld. Apple aanvaardt geen aansprakelijkheid voor druk- of typefouten. Apple 1 Infinite Loop Cupertino, CA Apple, het Apple logo, Aperture, AppleWorks, Finder, iphoto, itunes, iwork, Keynote, Mac, Mac OS, Numbers, Pages, QuickTime, Safari en Spotlight zijn handelsmerken van Apple Inc., die zijn gedeponeerd in de Verenigde Staten en andere landen. App Store en MobileMe zijn dienstmerken van Apple Inc. Adobe en Acrobat zijn handelsmerken of gedeponeerde handelsmerken van Adobe Systems Incorporated in de Verenigde Staten en/of andere landen. Andere in deze handleiding genoemde bedrijfsof productnamen zijn handelsmerken van de desbetreffende bedrijven. Producten van andere fabrikanten worden alleen genoemd ter informatie. Dit betekent niet dat deze producten door Apple worden aanbevolen of door Apple zijn goedgekeurd. Apple aanvaardt geen enkele aansprakelijkheid met betrekking tot de betrouwbaarheid van deze producten. N /2011

3 Inhoudsopgave 11 Voorwoord: Welkom bij Numbers '09 13 Hoofdstuk 1: Hulpmiddelen en technieken in Numbers 13 Spreadsheetsjablonen 14 Het Numbers-venster 16 In- of uitzoomen 16 Het paneel 'Werkbladen' 17 Afdrukweergave 17 Schermvullende weergave 18 De knoppenbalk 19 De opmaakbalk 20 Het infovenster 21 Functies voor formules 23 Het paneel 'Stijlen' 24 De mediakiezer 25 Het venster 'Kleuren' 26 Het venster 'Lettertypen' 28 Het venster 'Documentwaarschuwingen' 29 Toetscombinaties en contextuele menu's 30 Hoofdstuk 2: Numbers-spreadsheets aanmaken, bewaren en ordenen 30 Een nieuwe spreadsheet aanmaken 31 Een document vanuit een ander programma importeren 32 Werken met CSV- of OFX-bestanden in een spreadsheet 33 Een bestaande spreadsheet openen 33 Een spreadsheet beveiligen met een wachtwoord 35 Een spreadsheet bewaren 37 Wijzigingen ongedaan maken 37 Een spreadsheet vergrendelen zodat deze niet kan worden gewijzigd 37 Automatisch een reservekopie bewaren 38 Een kopie van een spreadsheet bewaren 39 Zoeken naar een gearchiveerde versie van een spreadsheet 41 Een spreadsheet als sjabloon bewaren 41 Spotlight-zoektermen voor een spreadsheet bewaren 3

4 42 Een spreadsheet sluiten zonder Numbers te stoppen 42 Spreadsheets ordenen met behulp van werkbladen 44 Een werkblad toevoegen of verwijderen 44 Werkbladen en de bijbehorende gegevens opnieuw ordenen 45 De naam van een werkblad wijzigen 46 Een werkblad in pagina's verdelen 47 Het paginaformaat van een spreadsheet instellen 48 Kopteksten en voetteksten toevoegen aan een werkblad 48 Objecten ordenen op een pagina in de afdrukweergave 49 De paginarichting instellen 49 De paginavolgorde instellen 49 Pagina's nummeren 50 Paginamarges instellen 51 Hoofdstuk 3: Werken met tabellen 51 Werken met tabellen 52 Een tabel toevoegen 52 Werken met hulpmiddelen voor tabellen 55 Het formaat van een tabel aanpassen 56 Een tabel verplaatsen 57 Een naam voor een tabel instellen 57 Een tabel verfraaien 58 Een herbruikbare tabel definiëren 59 Een tabel naar een ander iwork-programma kopiëren 59 Tabellen en tabelonderdelen selecteren 60 Een tabel selecteren 60 Een tabelcel selecteren 61 Een groep tabelcellen selecteren 62 Een rij of kolom in een tabel selecteren 62 Een rand van een tabelcel selecteren 64 Werken met rijen en kolommen in een tabel 65 Rijen aan een tabel toevoegen 66 Kolommen aan een tabel toevoegen 67 Rijen en kolommen ordenen 67 Een rij of kolom verwijderen 68 Koptekstrijen of koptekstkolommen aan een tabel toevoegen 69 Koptekstrijen en koptekstkolommen vastzetten 70 Voettekstrijen aan een tabel toevoegen 71 De grootte van een rij of kolom wijzigen 72 Wisselende tabelrijkleuren 72 Tabelrijen of -kolommen verbergen 74 Rijen in een tabel sorteren 75 Rijen in een tabel filteren 4 Inhoudsopgave

5 76 Tabelcategorieën aanmaken 77 Categorieën en subcategorieën van tabellen definiëren 82 Categorieën en subcategorieën van tabellen verwijderen 83 Categorieën en subcategorieën van tabellen beheren 85 Hoofdstuk 4: Werken met tabelcellen 85 Inhoud aan tabelcellen toevoegen 85 Tabelcelwaarden toevoegen en bewerken 86 Werken met tekst in tabelcellen 87 Werken met getallen in tabelcellen 88 Een tabelcel automatisch vullen 89 Inhoud weergeven die niet in de tabelcel past 90 Werken met voorwaardelijke opmaak om waarden in tabelcellen te controleren 91 Regels voor voorwaardelijke opmaak definiëren 93 Voorwaardelijke opmaak wijzigen en beheren 94 Afbeeldingen of kleuren aan tabelcellen toevoegen 94 Tabelcellen samenvoegen 95 Tabelcellen splitsen 96 De rand van tabelcellen opmaken 96 Cellen kopiëren en verplaatsen 97 Opmerkingen aan tabelcellen toevoegen 98 Instellen hoe waarden in tabelcellen worden weergegeven 100 Werken met de automatische notatie in tabelcellen 101 Werken met getalnotaties in tabelcellen 102 Werken met valutanotaties in tabelcellen 103 Werken met procentnotaties in tabelcellen 104 Werken met datum- en tijdnotaties in tabelcellen 105 Werken met duurnotaties in tabelcellen 106 Werken met breuknotaties in tabelcellen 106 Werken met talstelselnotaties in tabelcellen 108 Werken met wetenschappelijke notaties in tabelcellen 108 Werken met tekstnotaties in tabelcellen 109 Werken met aankruisvakken, schuifknoppen, stappenregelaars of venstermenu's in tabelcellen 111 Werken met eigen notaties voor de weergave van waarden in tabelcellen 111 Een aangepaste getalnotatie definiëren 114 Het Gehele getallen-element van een aangepaste getalnotatie definiëren 115 Het Decimalen-element van een aangepaste getalnotatie definiëren 116 De schaal van een aangepaste getalnotatie definiëren 118 Voorwaarden aan een aangepaste getalnotatie koppelen 120 Een aangepaste datum- en tijdnotatie definiëren 121 Een aangepaste tekstnotatie definiëren 122 Een aangepaste celnotatie wijzigen Inhoudsopgave 5

6 123 Aangepaste celnotaties verwijderen of de volgorde of naam ervan wijzigen 125 Hoofdstuk 5: Werken met tabelstijlen 125 Werken met tabelstijlen 126 Tabelstijlen toepassen 127 De kenmerken van een tabelstijl wijzigen 128 Een tabelstijl kopiëren en plakken 128 Standaardtabelstijlen gebruiken 128 Nieuwe tabelstijlen aanmaken 129 Namen van tabelstijlen wijzigen 129 Tabelstijlen verwijderen 130 Hoofdstuk 6: Werken met formules in tabellen 130 De elementen van formules 132 Snel berekeningen uitvoeren 133 Werken met vooraf gedefinieerde snelle formules 134 Zelf formules aanmaken 134 Formules toevoegen en bewerken met de formule-editor 135 Formules toevoegen en bewerken met de formulebalk 136 Functies aan formules toevoegen 139 Fouten en waarschuwingen bij formules afhandelen 139 Formules verwijderen 139 Naar cellen verwijzen in formules 141 Formules aanmaken en bewerken met behulp van de muis en het toetsenbord 142 Onderscheid maken tussen absolute en relatieve celverwijzingen 143 Werken met operatoren in formules 143 Rekenkundige operatoren 144 Vergelijkingsoperatoren 145 Formules en berekende waarden kopiëren of verplaatsen 145 Alle formules in een spreadsheet bekijken 146 Elementen van formules zoeken en vervangen 148 Hoofdstuk 7: Diagrammen aanmaken op basis van gegevens 148 Informatie over diagrammen 151 Een diagram aanmaken op basis van tabelgegevens 153 Een diagram omzetten in een ander type diagram 154 Een diagram verplaatsen 155 Tabelrijen en -kolommen voor de gegevensreeksen van een diagram verwisselen 155 Meer gegevens aan een bestaand diagram toevoegen 156 Verborgen tabelgegevens in een diagram opnemen 157 Gegevensreeksen in een diagram vervangen of opnieuw ordenen 157 Gegevens uit een diagram verwijderen 158 Een diagram verwijderen 6 Inhoudsopgave

7 158 Diagrammen gebruiken in Pages- en Keynote-documenten 159 Diagrammen opmaken 159 De plaats van de diagramtitel en legenda bepalen en deze onderdelen opmaken 160 Het formaat van een diagram wijzigen of een diagram roteren 161 De assen van een diagram opmaken 164 De elementen van een gegevensreeks van een diagram opmaken 168 Foutstaven in diagrammen tonen 169 Trendlijnen in diagrammen tonen 170 De tekst van diagramtitels, labels en legenda's opmaken 170 Specifieke diagramtypen opmaken 171 De weergave van cirkeldiagrammen aanpassen 172 De kleuren en texturen van een cirkeldiagram wijzigen 173 Labels in een cirkeldiagram tonen 174 Afzonderlijke cirkelsegmenten van een diagram scheiden 175 Een schaduw aan cirkeldiagrammen en -segmenten toevoegen 175 Een 2D-cirkeldiagram roteren 176 Schaduw, de afstand tussen onderdelen en reeksnamen instellen voor staaf- en kolomdiagrammen 177 Gegevenspuntsymbolen en lijnen in lijndiagrammen aanpassen 177 Gegevenspuntsymbolen in vlakdiagrammen tonen 178 Werken met spreidingsdiagrammen 179 Diagrammen met twee assen en gemengde diagrammen wijzigen 180 Scène-instellingen van 3D-diagrammen wijzigen 182 Hoofdstuk 8: Werken met tekst 182 Tekst toevoegen 182 Tekst selecteren 183 Tekst verwijderen, kopiëren en plakken 184 De grootte en vormgeving van tekst bepalen 184 Tekst vet of cursief maken of onderstrepen 185 Schaduw en doorhaaltekens aan tekst toevoegen 186 Een contour op tekst toepassen 186 Tekstgrootte wijzigen 186 Tekst in subscript of superscript weergeven 187 Tekst in hoofdletters of kleine letters weergeven 187 Lettertypen wijzigen 188 Het anti-aliasingniveau aanpassen 189 Een accentteken toevoegen 189 De toetsenbordindeling voor een andere taal bekijken 190 Speciale tekens en symbolen typen 191 Kromme aanhalingstekens gebruiken 191 Geavanceerde typografische functies gebruiken 192 Tekstuitlijning, letter- en regelafstand en tekstkleur instellen Inhoudsopgave 7

8 193 Tekst horizontaal uitlijnen 194 Tekst verticaal uitlijnen 195 De afstand tussen tekstregels aanpassen 196 De ruimte voor of na alinea's instellen 196 De afstand tussen tekens aanpassen 197 De tekstkleur en achtergrondkleur van tekst wijzigen 197 Tabstops instellen om tekst uit te lijnen 198 Een nieuwe tabstop instellen 198 Een tabstop wijzigen 199 Een tabstop verwijderen 199 Liniaalinstellingen wijzigen 199 Tekst laten inspringen 199 Het inspringniveau voor alinea's instellen 200 De marge van tekst in objecten wijzigen 200 Lijsten aanmaken 201 Automatisch lijsten aanmaken 202 Lijsten met opsommingstekens opmaken 203 Genummerde lijsten opmaken 204 Geordende lijsten opmaken 206 Werken met tekstvakken, vormen en andere effecten om tekst meer in het oog te laten springen 206 Tekstvakken toevoegen 206 Tekst in kolommen weergeven 207 Tekst in een vorm opnemen 208 Werken met koppelingen 208 Een koppeling naar een webpagina toevoegen 209 Een koppeling naar een vooraf geadresseerd bericht toevoegen 210 De tekst van een koppeling bewerken 210 Paginanummers en andere variabele waarden in documenten invoegen 211 Tekst automatisch vervangen 212 Een vaste spatie invoegen 212 Spelling controleren 213 Werken met spellingsuggesties 214 Tekst zoeken en vervangen 217 Hoofdstuk 9: Werken met vormen, afbeeldingen en andere objecten 217 Werken met afbeeldingen 219 Sjabloonafbeeldingen vervangen door uw eigen afbeeldingen 220 Afbeeldingen bijsnijden 222 Afbeeldingsbestanden kleiner maken 222 De achtergrond of ongewenste elementen in een afbeelding verwijderen 224 De helderheid, het contrast en andere instellingen van een afbeelding wijzigen 225 Vormen aanmaken 8 Inhoudsopgave

9 226 Een kant-en-klare vorm toevoegen 226 Een aangepaste vorm toevoegen 228 Vormen bewerken 228 Bewerkingspunten voor een vorm toevoegen, verwijderen en verplaatsen 229 De vorm van een gebogen lijn wijzigen 230 De vorm van een recht segment wijzigen 230 Een hoekpunt omzetten in een gebogen punt en omgekeerd 231 Een afgeronde rechthoek bewerken 231 Een enkele en dubbele pijl bewerken 232 Een tekstballon of bijschrift bewerken 232 Een ster bewerken 233 Een veelhoek bewerken 233 Geluid en films gebruiken 234 Een audiobestand toevoegen 235 Een filmbestand toevoegen 235 Een fotolijst om een film plaatsen 236 Opties voor het afspelen van media aanpassen 237 Mediabestanden kleiner maken 237 Objecten bewerken en ordenen en het uiterlijk van objecten wijzigen 238 Objecten selecteren 238 Objecten kopiëren of dupliceren 239 Objecten verwijderen 239 Objecten plaatsen en verplaatsen 240 Een object naar voren of naar achteren verplaatsen (objecten in lagen plaatsen) 241 Objecten snel met elkaar uitlijnen 241 Hulplijnen gebruiken 242 Nieuwe hulplijnen aanmaken 242 Objecten plaatsen door x- en y-coördinaten op te geven 243 Objecten groeperen en de groepering van objecten opheffen 244 Objecten via een aanpasbare lijn met elkaar verbinden 245 Objecten vergrendelen en ontgrendelen 245 Objecten wijzigen 246 Het formaat van objecten wijzigen 246 Objecten spiegelen en roteren 247 De randstijl wijzigen 248 Objecten in een kader plaatsen 249 Een schaduw aan een object toevoegen 251 Een weerspiegeling aan een object toevoegen 251 De mate van ondoorzichtigheid van objecten aanpassen 252 Een kleur of afbeelding als vulling voor een object gebruiken 253 Een effen kleur als vulling voor een object gebruiken 253 Een verlooptint als vulling voor een object gebruiken 255 Een object met een afbeelding vullen Inhoudsopgave 9

10 257 Werken met MathType 258 Hoofdstuk 10: Adresboek-gegevens aan tabellen toevoegen 258 Werken met Adresboek-velden 259 Kolomnamen toewijzen aan veldnamen in Adresboek 261 Adresboek-gegevens aan een bestaande tabel toevoegen 262 Adresboek-gegevens aan een nieuwe tabel toevoegen 263 Hoofdstuk 11: Numbers-spreadsheets delen 263 Een spreadsheet afdrukken 264 Spreadsheets naar andere documentstructuren exporteren 264 Spreadsheets naar een pdf-structuur exporteren 265 Spreadsheets naar een Excel-structuur exporteren 265 Spreadsheets naar een CSV-structuur exporteren 266 Uw Numbers-spreadsheet naar iwork.com Public Beta versturen 270 Spreadsheets versturen via 270 Spreadsheets naar iweb versturen 271 Diagrammen, gegevens en tabellen uitwisselen met andere iwork-programma's 272 Hoofdstuk 12: Uw eigen spreadsheetsjablonen in Numbers ontwerpen 272 Een sjabloon ontwerpen 273 Tabelstijlen definiëren voor een aangepaste sjabloon 273 Herbruikbare tabellen definiëren voor een aangepaste sjabloon 273 Standaarddiagrammen, -tekstvakken, -vormen en -afbeeldingen definiëren voor aangepaste sjablonen 274 Standaardkenmerken voor diagrammen instellen 274 Standaardkenmerken voor tekstvakken en vormen instellen 275 Standaardkenmerken voor geïmporteerde afbeeldingen instellen 276 Oorspronkelijke spreadsheetinhoud voor een aangepaste sjabloon maken 276 Een vooraf gedefinieerde tabel en andere objecten voor een aangepaste sjabloon aanmaken 277 Een plaatsaanduiding voor media aanmaken voor een aangepaste sjabloon 277 Een vooraf gedefinieerd werkblad voor een aangepaste sjabloon aanmaken 278 Een aangepaste sjabloon bewaren 10 Inhoudsopgave

11 Welkom bij Numbers '09 Voorwoord Numbers biedt een krachtige, intuïtieve methode om uw werkzaamheden uit te voeren, of u nu de uitgaven van uw gezin wilt bijhouden, een onderzoeksrapport wilt voltooien of uitgebreide financiële documenten wilt aanmaken. Om met Numbers aan de slag te gaan, opent u het programma en kiest u een van de vooraf gedefinieerde sjablonen. Vervolgens vervangt u de plaatsaanduidingen, gebruikt u de vooraf gedefinieerde formules en zet u uw tabelgegevens om in kleurige diagrammen. Zo maakt u in een handomdraai een prachtige, overzichtelijke spreadsheet. Deze gebruikershandleiding bevat gedetailleerde instructies voor het uitvoeren van bepaalde taken in Numbers. Naast deze gebruikershandleiding zijn er ook andere bronnen van informatie beschikbaar. 11

12 Video's met oefeningen op het internet Op vindt u video's waarin wordt uitgelegd hoe u veelvoorkomende taken in Numbers kunt uitvoeren. Wanneer u Numbers voor het eerst opent, verschijnt een bericht met een koppeling naar deze oefeningen op het internet. U kunt deze video's op elk gewenst moment bekijken door 'Help' > 'Video-oefeningen' te kiezen. Ingebouwd helpsysteem Het ingebouwde helpsysteem bevat uitgebreide instructies bij alle taken die u in Numbers kunt uitvoeren. Om het helpsysteem te openen, opent u Numbers en kiest u 'Help' > 'Numbers Help'. De eerste pagina van het helpsysteem bevat bovendien koppelingen naar een aantal nuttige websites. iwork-formules en -functies Help en iwork-gebruikershandleiding voor formules en functies De iwork-formules en -functies Help en de iwork-gebruikershandleiding voor formules en functies bevatten uitgebreide instructies om formules en krachtige functies in spreadsheets te gebruiken. Kies 'Help' > 'iwork-gebruikershandleiding voor formules en functies' om de gebruikershandleiding te openen. Kies 'Help' > 'iwork-formules en -functies Help' om het helpsysteem te openen. iwork-website Het laatste nieuws en informatie over iwork vindt u op Ondersteuningswebsite Voor uitgebreide informatie over het oplossen van problemen kunt u terecht op Hulpinformatie In Numbers is hulpinformatie (een korte beschrijving) beschikbaar voor de meeste onderdelen die u op het scherm ziet. U toont de hulpinformatie door de aanwijzer enkele seconden op een onderdeel te plaatsen. 12 Voorwoord Welkom bij Numbers '09

13 Hulpmiddelen en technieken in Numbers 1 In dit hoofdstuk vindt u informatie over de vensters en functies die u gebruikt wanneer u met Numbersspreadsheets werkt. Als u een Numbers-spreadsheet wilt aanmaken, selecteert u eerst een sjabloon als uitgangspunt. Spreadsheetsjablonen In de sjabloonkiezer vindt u diverse spreadsheetsjablonen die u kunt gebruiken. Sjablonen bevatten vooraf gedefinieerde werkbladen, tabellen, formules en andere onderdelen waarmee u direct aan de slag kunt. 13

14 De sjabloonkiezer openen mm Kies 'Archief' > 'Nieuw uit sjabloonkiezer'. Manieren om met de sjabloonkiezer te werken: mm Om miniaturen weer te geven van alle sjablonen, klikt u op 'Alle' in de lijst met sjablooncategorieën aan de linkerkant van het venster 'Sjabloonkiezer'. Als u de sjablonen per categorie wilt bekijken, klikt u op 'Leeg', 'Persoonlijke financiën' of een andere categorie. mm Als u de miniaturen wilt vergroten of verkleinen, sleept u de schuifknop onder in het venster. mm Als u een spreadsheet wilt aanmaken op basis van een bepaalde sjabloon, klikt u op de sjabloon en vervolgens op 'Kies'. Als u wilt beginnen met een lege spreadsheet zonder opmaak kiest u de sjabloon 'Leeg'. Zie Een nieuwe spreadsheet aanmaken op pagina 30, Een document vanuit een ander programma importeren op pagina 31 en Werken met CSV- of OFX-bestanden in een spreadsheet op pagina 32 voor informatie over het aanmaken van een Numbers-spreadsheet. Het Numbers-venster Het Numbers-venster bevat onderdelen waarmee u spreadsheets kunt ontwerpen en ordenen. 14 Hoofdstuk 1 Hulpmiddelen en technieken in Numbers

15 Het paneel 'Werkbladen': Dit paneel, linksboven in het venster, bevat een overzicht van de tabellen en diagrammen in de spreadsheet. Met behulp van werkbladen kunt u uw gegevens indelen in groepen met verwante onderdelen (bijvoorbeeld gegevens van 2008 en gegevens van 2009). Sleep de greep naast 'Werkbladen' (rechtsboven in het paneel 'Werkbladen') naar links of rechts om het paneel breder of smaller te maken. De knoppenbalk: De knoppenbalk boven in het venster geeft met één klik toegang tot veelgebruikte hulpmiddelen. Met de knoppenbalk kunt u snel een werkblad, tabel, tekstvak, mediabestand of ander object toevoegen. De opmaakbalk: In de opmaakbalk, die zich onder de knoppenbalk bevindt, vindt u hulpmiddelen voor het bewerken van objecten die u hebt geselecteerd. De formulebalk: Met de formulebalk, die zich onder de opmaakbalk bevindt, kunt u een formule of andere gegevens in een geselecteerde tabelcel aanmaken of wijzigen. Het werkgebied: In het werkgebied, dat het grootste gedeelte van het venster in beslag neemt, worden de objecten in het geselecteerde werkblad getoond. U kunt uw tabellen, diagrammen en andere objecten ordenen door ze naar een andere plaats in het werkgebied te slepen. Het paneel 'Stijlen': Het paneel 'Stijlen', dat zich onder het paneel 'Werkbladen' bevindt, bevat een overzicht van tabelstijlen die vooraf zijn gedefinieerd voor de sjabloon die u hebt gekozen. Om snel de weergave van een tabel te wijzigen, selecteert u de tabel en klikt u vervolgens op een tabelstijl. Sleep de greep naast 'Stijlen' (rechtsboven in het paneel 'Stijlen') omhoog of omlaag om het paneel groter of kleiner te maken. Resultaten van berekeningen: Onder het paneel 'Stijlen' bevindt zich een gebied waarin de resultaten van berekeningen voor waarden in de geselecteerde tabelcellen worden weergegeven. Informatie over Zie Een spreadsheet bekijken In- of uitzoomen op pagina 16 Schermvullende weergave op pagina 17 Het paneel 'Werkbladen' op pagina 16 Afdrukweergave op pagina 17 Koptekstrijen en koptekstkolommen vastzetten op pagina 69 Hulpmiddelen voor het beheren van spreadsheets Hulpmiddelen voor het werken met formules in tabelcellen De knoppenbalk op pagina 18 De opmaakbalk op pagina 19 Het infovenster op pagina 20 Het venster 'Documentwaarschuwingen' op pagina 28 Functies voor formules op pagina 21 Hoofdstuk 1 Hulpmiddelen en technieken in Numbers 15

16 Informatie over Hulpmiddelen voor het verfraaien van spreadsheets Toetscombinaties Zie Het paneel 'Stijlen' op pagina 23 De mediakiezer op pagina 24 Het venster 'Kleuren' op pagina 25 Het venster 'Lettertypen' op pagina 26 Toetscombinaties en contextuele menu's op pagina 29 In- of uitzoomen U kunt de weergave van een werkblad vergroten (inzoomen) of verkleinen (uitzoomen). Manieren om in- of uit te zoomen: mm Kies 'Weergave' > 'Zoom' > 'Zoom in' of 'Weergave' > 'Zoom' > 'Zoom uit'. Om het werkblad weer op het volledige formaat weer te geven, kiest u 'Weergave' > 'Zoom' > 'Werkelijke grootte'. mm Kies een zoomniveau uit het venstermenu in de linkerbenedenhoek van het werkgebied. Wanneer u een werkblad in de afdrukweergave bekijkt, kunt u het zoomniveau verlagen om meer pagina's tegelijk in het venster weer te geven. Als u Numbers gebruikt in Mac OS X versie 10.7 (Lion) of hoger, kunt u het programmavenster ook schermvullend weergeven, zodat u ongestoord aan uw presentatie kunt werken. Zie Schermvullende weergave op pagina 17 voor meer informatie. Het paneel 'Werkbladen' Het paneel 'Werkbladen' bevindt zich linksboven in het Numbers-venster. Via dit paneel kunt u snel de tabellen en diagrammen in een werkblad bekijken. Door deze greep naar links of rechts te slepen, wijzigt u de grootte van het paneel 'Werkbladen'. Als u hierop klikt, toont of verbergt u de tabellen en diagrammen in het paneel 'Werkbladen'. Om een tabel of diagram te selecteren en in het venster weer te geven, klikt u erop in het werkgebied van het werkblad. Zie Spreadsheets ordenen met behulp van werkbladen op pagina 42 voor meer informatie. 16 Hoofdstuk 1 Hulpmiddelen en technieken in Numbers

17 Afdrukweergave Als u een werkblad wilt afdrukken of er een pdf-bestand van wilt aanmaken, kunt u de lay-out van de objecten in het werkblad in de afdrukweergave op afzonderlijke pagina's weergeven. Koptekstgedeelte Voettekstgedeelte Hiermee stelt u de paginarichting in op liggend (horizontaal). Hiermee stelt u de paginarichting in op staand (verticaal). Hier geeft u meer of minder pagina's weer door een zoomniveau in te stellen. Hiermee toont of verbergt u de afdrukweergave. Hiermee past u de grootte van alle objecten in het werkblad aan. Zie Een werkblad in pagina's verdelen op pagina 46 voor meer informatie over de afdrukweergave. Schermvullende weergave Als u Numbers gebruikt in Mac OS X versie 10.7 (Lion) of hoger, kunt u het programmavenster ook schermvullend weergeven, zodat u ongestoord aan uw presentatie kunt werken. In de schermvullende weergave wordt het programmavenster van Numbers vergroot en wordt het hele scherm gevuld. Ook wordt het venster in een aparte space gezet zodat u eenvoudig kunt schakelen tussen Numbers en uw bureaublad. Hoofdstuk 1 Hulpmiddelen en technieken in Numbers 17

18 Numbers schermvullend weergeven mm Kies 'Weergave' > 'Schakel schermvullende weergave in' of klik op de knop voor de schermvullende weergave in de rechterbovenhoek van het Numbers-venster (ziet eruit als twee pijlen die naar buiten wijzen). Om de schermvullende weergave te verlaten, voert u een van de volgende handelingen uit: mm Druk op Escape op het toetsenbord. mm Verplaats de aanwijzer naar de bovenkant van het scherm zodat de menubalk verschijnt en klik vervolgens op de knop voor de schermvullende weergave in de rechterbovenhoek van het scherm. mm Kies 'Weergave' > 'Schakel schermvullende weergave uit'. De knoppenbalk Via de Numbers-knoppenbalk kunt u met één muisklik veelvoorkomende taken in Numbers uitvoeren. Als u een tijdje met Numbers hebt gewerkt en weet welke taken u vaak uitvoert, kunt u knoppen aan de knoppenbalk toevoegen, knoppen verwijderen en de knoppen rangschikken, zodat u zo efficiënt mogelijk kunt werken. Kies 'Weergave' > 'Verberg knoppenbalk' om de knoppenbalk te verbergen. Kies 'Weergave' > 'Toon knoppenbalk' wanneer u de knoppenbalk opnieuw wilt tonen. Om de functie van een bepaalde knop te bekijken, plaatst u de muisaanwijzer erop. Hieronder ziet u de standaardset knoppen van de knoppenbalk. De knop voor de schermvullende weergave in de rechterbovenhoek verschijnt alleen als u werkt met Mac OS X versie 10.7 (Lion) of hoger. Hiermee sorteert, filtert en ordent u rijen. Hiermee voegt u een werkblad toe. Hiermee toont of verbergt u alle formules en functies in de spreadsheet. Hiermee verstuurt u een spreadsheet naar het web. Hiermee kunt u documenten in de schermvullende weergave bekijken en bewerken. Hiermee voegt u een tabel toe. Hiermee voegt u een formule of een functie toe. Hiermee toont of verbergt u onder andere de afdrukweergave en opmerkingen. Hiermee voegt u een diagram, tekstvak, vorm of opmerking toe. Hiermee opent u het infovenster, de mediakiezer, het venster 'Kleuren' en het lettertypepaneel. De knoppenbalk aanpassen 1 Kies 'Weergave' > 'Pas knoppenbalk aan'. U ziet een verzameling onderdelen die in de knoppenbalk kunnen worden geplaatst. 2 Breng de gewenste wijzigingen in de knoppenbalk aan. 18 Hoofdstuk 1 Hulpmiddelen en technieken in Numbers

19 ÂÂ Om een onderdeel aan de knoppenbalk toe te voegen, sleept u het bijbehorende symbool naar de knoppenbalk. Als u de knoppenbalk regelmatig aanpast, kunt u de knop 'Pas knoppenbalk aan' aan de knoppenbalk toevoegen. ÂÂ Om een onderdeel uit de knoppenbalk te verwijderen, sleept u het uit de knoppenbalk. ÂÂ U kunt de standaardset van symbolen herstellen door de standaardset naar de knoppenbalk te slepen. ÂÂ Schakel het aankruisvak 'Klein formaat' in om de knoppenbalksymbolen te verkleinen. ÂÂ Om alleen symbolen of alleen tekst weer te geven, kiest u de desbetreffende optie uit het venstermenu 'Toon'. ÂÂ Om de volgorde van de onderdelen in de knoppenbalk te wijzigen, sleept u de symbolen naar de gewenste plaats. 3 Klik op 'Gereed'. Toetscombinaties om de knoppenbalk aan te passen: ÂÂ Om een onderdeel uit de knoppenbalk te verwijderen, drukt u op de Commandtoets terwijl u het onderdeel uit de knoppenbalk sleept. U kunt ook op de Control-toets drukken terwijl u op het onderdeel klikt, en vervolgens 'Verwijder onderdeel' uit het contextuele menu kiezen. ÂÂ Om een onderdeel te verplaatsen, drukt u op de Command-toets terwijl u het onderdeel naar de gewenste plaats sleept. De opmaakbalk Met behulp van de opmaakbalk, die onder de knoppenbalk wordt weergegeven, kunt u snel de weergave van tabellen, diagrammen, tekst en andere onderdelen in spreadsheets wijzigen. Welke regelaars op deze werkbalk zijn opgenomen, is afhankelijk van het geselecteerde object. Om de functie van een bepaalde regelaar in de opmaakbalk te bekijken, plaatst u de muisaanwijzer erop. Als u een tabel of tabelcel hebt geselecteerd, ziet de opmaakbalk er als volgt uit: Hiermee toont of verbergt u de naam van een tabel. Hiermee maakt u de tekst in tabelcellen op. Hiermee maakt u de waarden in cellen op. Hiermee maakt u celranden op. Hiermee bewerkt u koptekst- en voettekstrijen. Hiermee positioneert u de tekst in tabelcellen. Hiermee voegt u een achtergrondkleur aan een cel toe. De opmaakbalk tonen of verbergen mm Kies 'Weergave' > 'Toon opmaakbalk' of 'Weergave' > 'Verberg opmaakbalk'. Hoofdstuk 1 Hulpmiddelen en technieken in Numbers 19

20 Het infovenster U kunt de meeste onderdelen van een spreadsheet opmaken met behulp van de infovensters in Numbers. Elk infovenster heeft betrekking op een ander opmaakaspect. In het infovenster 'Cel' kunt u bijvoorbeeld cellen en celwaarden opmaken. Om de functie van de regelaars en knoppen in de infovensters te bekijken, plaatst u de muisaanwijzer erop. Met de knoppen boven in het infovenster opent u de tien infovensters: 'Document', 'Werkblad', 'Tabel', 'Cel', 'Diagram', 'Tekst', 'Afbeelding', 'Formaat', 'Koppeling' en 'QuickTime'. Als u meerdere infovensters tegelijkertijd opent, kunt u sneller en eenvoudiger werken in spreadsheets. Als u bijvoorbeeld zowel het infovenster 'Afbeelding' als 'Cel' opent, hebt u alle opmaakopties voor afbeeldingen en cellen binnen handbereik. Nadat een infovenster is geopend, klikt u op een van de knoppen boven in het venster om een ander infovenster weer te geven. Als u bijvoorbeeld op de tweede knop van links klikt, wordt het infovenster 'Werkblad' geopend. Manieren om een infovenster te openen: mm Klik op de knop 'Info' in de knoppenbalk. mm Kies 'Weergave' > 'Toon infovenster'. mm Om nog een infovenster te openen, kiest u 'Weergave' > 'Nieuw infovenster'. 20 Hoofdstuk 1 Hulpmiddelen en technieken in Numbers

21 Functies voor formules Met behulp van een formule kunt u waarden in een cel weergeven die gebaseerd zijn op een bepaalde berekening. Numbers heeft een aantal voorzieningen om te werken met formules in tabelcellen: ÂÂ Met de formule-editor kunt u formules aanmaken en wijzigen. U opent de formuleeditor door een tabelcel te selecteren en daarin het isgelijkteken (=) te typen. U kunt de formule-editor ook openen door 'Formule-editor' te kiezen uit het venstermenu 'Functie' in de knoppenbalk. Tekstveld Hier kunt u een formule bekijken of wijzigen. Accepteerknop Hiermee bewaart u wijzigingen. Formule-editor U kunt deze verplaatsen door hierop te klikken en vervolgens te slepen. Annuleerknop Hiermee maakt u wijzigingen ongedaan. ÂÂ Zie Formules toevoegen en bewerken met de formule-editor op pagina 134 voor meer informatie over de formule-editor. Met de formulebalk, die altijd onder de opmaakbalk wordt getoond, kunt u ook een formule in een geselecteerde tabelcel aanmaken of de formule in de cel wijzigen. Annuleerknop Hiermee maakt u wijzigingen ongedaan. Hiermee opent u de functiekiezer. Accepteerknop Hiermee bewaart u wijzigingen. Tekstveld Hier kunt u een formule bekijken of wijzigen. Hiermee wijzigt u de weergavegrootte van de formule. Zie Formules toevoegen en bewerken met de formulebalk op pagina 135 voor meer informatie over het toevoegen en wijzigen van formules met de formulebalk. Hoofdstuk 1 Hulpmiddelen en technieken in Numbers 21

22 ÂÂ De snelste manier om een functie aan een formule toe te voegen, is echter door de functiekiezer te gebruiken. Functies zijn vooraf gedefinieerde, benoemde bewerkingen zoals SOM en GEMIDDELDE. Hier selecteert u de categorie waarvan u de bijbehorende functies wilt weergeven. Hier kunt u een functie zoeken. Hier kunt u een functie selecteren om er informatie over weer te geven. Hiermee wordt de geselecteerde functie ingevoegd. Om de functiekiezer te openen, kiest u 'Toon functiekiezer' uit het venstermenu 'Functie' in de knoppenbalk. Zie Functies aan formules toevoegen op pagina 136 voor informatie over het gebruik van de functiekiezer. Kies 'Help' > 'iwork-formules en -functies Help' of 'Help' > 'iwork-gebruikershandleiding voor formules en functies' voor informatie over alle iwork-functies en talloze voorbeelden van het gebruik daarvan. 22 Hoofdstuk 1 Hulpmiddelen en technieken in Numbers

23 Het paneel 'Stijlen' Met behulp van het paneel 'Stijlen' kunt u snel vooraf gedefinieerde opmaak toepassen op tabellen in een spreadsheet. In tabelstijlen zijn bepaalde kenmerken gedefinieerd, zoals de kleur, de tekstgrootte en de opmaak van de celranden. Om een bepaalde tabelstijl toe te passen, hoeft u alleen de tabel te selecteren en op een stijl in het paneel 'Stijlen' te klikken. U kunt met één klik een andere tabelstijl selecteren. Zie Werken met tabelstijlen op pagina 125 voor meer informatie. Hoofdstuk 1 Hulpmiddelen en technieken in Numbers 23

24 De mediakiezer Via de mediakiezer hebt u toegang tot alle mediabestanden in uw iphoto-bibliotheek, uw itunes-bibliotheek en uw map 'Films'. U kunt een onderdeel van de mediakiezer naar een spreadsheet slepen of naar een afbeeldingenvak in een infovenster. Eerst klikt u op een van deze knoppen om naar uw mediabestanden te gaan. Vervolgens kiest u een bron. Ten slotte sleept u een onderdeel naar het document of naar een afbeeldingenvak in een van de infovensters. U kunt zoeken naar een bestand door in dit veld de naam te typen. Als u uw foto's niet bewaart in iphoto of Aperture, itunes niet gebruikt voor het bewaren van muziek of uw films niet in de map 'Films' bewaart, kunt u andere mappen aan de mediakiezer toevoegen zodat u toch gemakkelijk bij uw multimediabestanden kunt. Manieren om de mediakiezer te openen: mm Klik op de knop 'Media' in de knoppenbalk. mm Kies 'Weergave' > 'Toon mediakiezer'. Manieren om andere mappen aan de mediakiezer toe te voegen: mm Als u een map met audiobestanden wilt toevoegen, klikt u op 'Audio' in de mediakiezer en sleept u vervolgens de gewenste map vanuit de Finder naar de mediakiezer. mm Als u een map met foto's wilt toevoegen, klikt u op 'Foto's' in de mediakiezer en sleept u vervolgens de gewenste map vanuit de Finder naar de mediakiezer. mm Als u een map met films wilt toevoegen, klikt u op 'Films' in de mediakiezer en sleept u vervolgens de gewenste map vanuit de Finder naar de mediakiezer. 24 Hoofdstuk 1 Hulpmiddelen en technieken in Numbers

25 Voor informatie over Zie Een afbeelding importeren Werken met afbeeldingen op pagina 217 Een audiobestand toevoegen Een audiobestand toevoegen op pagina 234 Een filmbestand toevoegen Een filmbestand toevoegen op pagina 235 Het venster 'Kleuren' In het venster 'Kleuren' kunt u de kleur van tekst, tabelcellen, celranden en andere objecten instellen. U kunt ook met behulp van de opmaakbalk kleuren toepassen. Het venster 'Kleuren' biedt echter geavanceerdere opties voor kleurbeheer. Hiermee kunt u de verschillende kleurmodellen bekijken. Klik op het symbool met het vergrootglas en klik vervolgens op een onderdeel op het scherm om dezelfde kleur in te stellen. De kleur die u in het infovenster hebt ingesteld, wordt in dit kleurenvak weergegeven. (De twee kleuren in dit vak geven aan dat de mate van ondoorzichtigheid is ingesteld op minder dan 100%.) Met behulp van deze schuifknop kunt u de tint in het kleurenvak lichter of donkerder maken. Klik in deze kleurenschijf om een kleur te selecteren. Met behulp van deze schuifknop kunt u de tint in de kleurenschijf lichter of donkerder weergeven. U kunt de kleuren uit het kleurenvak naar het kleurenpalet slepen, zodat u ze kunt bewaren. Met het kleurenwiel in het venster 'Kleuren' kunt u de kleur selecteren. De geselecteerde kleur wordt weergegeven in het vak boven in het venster 'Kleuren'. U kunt de kleur bewaren door deze in het kleurenpalet te plaatsen zodat u de kleur later nog eens kunt gebruiken. Om een kleur uit het venster 'Kleuren' toe te passen op een object, selecteert u het object en plaatst u de kleur vervolgens in het juiste kleurenvak in een infovenster. U kunt op een kleurenvak in een van de infovensters klikken en vervolgens op een kleur in het kleurenwiel klikken. U kunt ook een kleur vanuit het kleurenpalet of het kleurenvak naar een kleurenvak in een infovenster slepen. Manieren om het venster 'Kleuren' te openen: mm Klik op de knop 'Kleur' in de knoppenbalk. mm Klik op een kleurenvak in een van de infovensters. Hoofdstuk 1 Hulpmiddelen en technieken in Numbers 25

26 Een kleur selecteren nadat u het venster 'Kleuren' hebt geopend 1 Klik op een willekeurige plaats in het kleurenwiel. De geselecteerde kleur wordt weergegeven in het vak boven in het venster 'Kleuren'. 2 Om de kleur lichter of donkerder te maken, sleept u de schuifknop rechts naast het kleurenwiel. 3 Om de kleur doorzichtiger te maken, sleept u de schuifknop 'Ondoorzichtigheid' naar links of geeft u een waarde in het veld op. 4 Om het kleurenpalet te gebruiken, moet u het eerst openen. Dit doet u door de greep onder aan het venster 'Kleuren' te slepen. U kunt een kleur in het kleurenpalet bewaren door een kleur vanuit het kleurenvak naar het kleurenpalet te slepen. U kunt een kleur uit het kleurenpalet verwijderen door een leeg vierkantje te slepen naar de kleur die u wilt verwijderen. 5 U kunt een kleur laten overeenkomen met de kleur van een ander onderdeel op het scherm door op het zoeksymbool aan de linkerkant van het kleurenvak in het venster 'Kleuren' te klikken. Klik vervolgens in het scherm op het onderdeel of het gebied met de gewenste kleur. De kleur verschijnt in het kleurenvak boven in het venster 'Kleuren'. Selecteer het onderdeel waarop u de kleur wilt toepassen en sleep de kleur vervolgens uit het kleurenvak naar het onderdeel. Het venster 'Lettertypen' In het venster 'Lettertypen' selecteert u lettertypen, de grootte voor lettertypen en andere opties voor het opmaken van lettertypen, zoals schaduwen en doorhaaltekens. U kunt het venster 'Lettertypen' bovendien gebruiken om uw favoriete en veelgebruikte lettertypen te ordenen, zodat u deze lettertypen altijd snel kunt vinden. Hier ziet u een voorbeeld van het geselecteerde letterbeeld (mogelijk moet u 'Toon voorvertoning' uit het taakmenu kiezen om het voorvertoningsvenster zichtbaar te maken). Met deze knoppen creëert u interessante teksteffecten. Taakmenu In dit zoekveld kunt u de naam van een lettertype opgeven om te zoeken naar een bepaald lettertype. Hiermee voegt u een schaduw aan geselecteerde tekst toe en kunt u de schaduw vervolgens naar wens aanpassen. Hier selecteert u de lettergrootte die u op de geselecteerde tekst wilt toepassen. Hier selecteert u het letterbeeld dat u op de geselecteerde tekst wilt toepassen. 26 Hoofdstuk 1 Hulpmiddelen en technieken in Numbers

27 Het venster 'Lettertypen' openen mm Klik op de knop 'Letter' in de knoppenbalk. mm mm mm Manieren om het lettertype van de geselecteerde tekst te wijzigen: Typ de naam van het gewenste lettertype in het zoekveld en selecteer de naam van het lettertype vervolgens in de kolom 'Familie'. Selecteer het gewenste letterbeeld (bijvoorbeeld 'Cursief' of 'Vet') in de kolom 'Letterbeeld'. Typ of selecteer de gewenste lettergrootte in de kolom 'Grootte'. mm mm mm mm mm Manieren om de regelaars boven in het venster 'Lettertypen' te gebruiken: Plaats de aanwijzer op een willekeurige regelaar boven in het venster om hulpinformatie over de regelaar te tonen. Als de regelaars niet worden getoond, kiest u 'Toon effecten' uit het taakmenu (met het tandwielsymbool) in de linkerbenedenhoek van het venster. Als u tekst wilt onderstrepen, kiest u een onderstrepingsstijl (bijvoorbeeld 'Enkel' of 'Dubbel') uit het venstermenu voor het onderstrepen van tekst. Als u tekst wilt doorhalen, kiest u een doorhalingsstijl (bijvoorbeeld 'Enkel' of 'Dubbel') uit het venstermenu voor het doorhalen van tekst. Als u een tekstkleur wilt instellen, klikt u op de knop voor de tekstkleur om het venster 'Kleuren' te openen. Zie Het venster 'Kleuren' op pagina 25 voor meer informatie. Als u een achtergrondkleur aan een alinea wilt toevoegen, klikt u op de knop voor de documentkleur om het venster 'Kleuren' te openen. Als u een schaduw wilt aanbrengen, klikt u op de knop voor tekstschaduw. Met de regelaars voor de schaduwdichtheid, schaduwvervaging, schaduwafstand en schaduwhoek kunt u de weergave van de schaduw aanpassen. Lettertypen ordenen 1 Klik op de knop met het plusteken om een nieuwe lettertypeset aan te maken en de set een naam te geven. 2 Selecteer een stukje tekst en kies een lettertypefamilie, letterbeeld en grootte. 3 Sleep de naam van het lettertype uit de kolom 'Familie' naar de lettertypeset waarin u het lettertype wilt bewaren. Hoofdstuk 1 Hulpmiddelen en technieken in Numbers 27

28 Het venster 'Lettertypen' instellen voor veelvuldig gebruik mm Laat het venster 'Lettertypen' tijdens het werken geopend. Pas het vensterformaat met behulp van de greep in de rechterbenedenhoek van het venster aan, zodat alleen de lettertypefamilies en letterbeelden van de geselecteerde lettertypeset zichtbaar zijn. Het venster 'Documentwaarschuwingen' Als u een document in Numbers importeert of een Numbers-spreadsheet naar een andere structuur exporteert, worden sommige onderdelen mogelijk niet helemaal goed geïmporteerd of geëxporteerd. Eventuele problemen worden in het venster 'Documentwaarschuwingen' vermeld. Als er problemen zijn, krijgt u een melding waarmee u de waarschuwingen kunt bekijken. Als u de waarschuwingen niet direct wilt bekijken, kunt u op elk gewenst moment het venster 'Documentwaarschuwingen' weergeven door 'Weergave' > 'Toon documentwaarschuwingen' te kiezen. Als u een waarschuwing te zien krijgt over een ontbrekend lettertype, kunt u de waarschuwing selecteren en op 'Vervang lettertype' klikken om een vervangend lettertype te kiezen. U kunt een of meer waarschuwingen kopiëren door deze in het venster 'Documentwaarschuwingen' te selecteren en vervolgens 'Wijzig' > 'Kopieer' te kiezen. Vervolgens plakt u de gekopieerde tekst in een bericht, een tekstbestand of in een ander venster. 28 Hoofdstuk 1 Hulpmiddelen en technieken in Numbers

29 Toetscombinaties en contextuele menu's Met het toetsenbord kunt u in Numbers allerlei taken uitvoeren. Kies 'Help' > 'Toetscombinaties' voor een uitgebreide lijst met toetscombinaties in Numbers. Bovendien hebben veel objecten een contextueel menu met commando's die u voor het desbetreffende object kunt gebruiken. Contextuele menu's zijn met name handig als u met tabellen en diagrammen werkt. Een contextueel menu openen mm Houd de Control-toets ingedrukt terwijl u op een object klikt. Hoofdstuk 1 Hulpmiddelen en technieken in Numbers 29

30 Numbers-spreadsheets aanmaken, bewaren en ordenen 2 In dit hoofdstuk wordt beschreven hoe u kunt werken met Numbers-spreadsheets. U kunt een Numbers-spreadsheet aanmaken door Numbers te openen en vervolgens een sjabloon te kiezen. U kunt ook een document importeren dat is aangemaakt in een ander programma, zoals Microsoft Excel of AppleWorks 6, of een spreadsheet aanmaken op basis van een bestand met een door komma's gescheiden structuur (CSV). Dit hoofdstuk bevat informatie over het aanmaken van nieuwe Numbers-spreadsheets, het openen van bestaande spreadsheets en het bewaren van spreadsheets. Daarnaast bevat dit hoofdstuk informatie over de manier waarop u spreadsheets in werkbladen kunt ordenen en deze in pagina's kunt ordenen wanneer u deze wilt afdrukken of er een pdf-bestand van wilt maken. Een nieuwe spreadsheet aanmaken Om een nieuwe Numbers-spreadsheet aan te maken, kiest u een sjabloon met een geschikte lay-out en inhoud. Als u een geheel nieuwe spreadsheet wilt aanmaken, kiest u de sjabloon 'Leeg'. U kunt ook een van de vele andere sjablonen kiezen om bijvoorbeeld snel een budget aan te maken, een feest te organiseren, enzovoort. Op die manier profiteert u optimaal van de vooraf gedefinieerde tabellen, diagrammen en voorbeeldgegevens. Een nieuwe spreadsheet aanmaken 1 Open Numbers door in het Dock op het programmasymbool te klikken of door in de Finder dubbel op het programmasymbool te klikken. Als Numbers al is geopend, kiest u 'Archief' > 'Nieuw uit sjabloonkiezer'. 30

31 2 Selecteer in de sjabloonkiezer in de linkerkolom een sjablooncategorie om de bijbehorende sjablonen weer te geven en selecteer vervolgens de sjabloon die het meest geschikt is voor de spreadsheet die u wilt aanmaken. Als u wilt beginnen met een spreadsheet zonder vooraf gedefinieerde onderdelen, selecteert u de sjabloon met de naam 'Leeg'. U kunt de inhoud van een sjabloon snel bekijken door de aanwijzer op het bijbehorende symbool naar links en naar rechts te bewegen. U kunt het formaat van de sjabloonsymbolen wijzigen door de schuifknop onder aan het venster te verslepen. 3 Klik op 'Kies' nadat u een sjabloon hebt geselecteerd. Op uw scherm wordt een nieuwe spreadsheet geopend. U kunt Numbers zo instellen dat automatisch een bepaalde sjabloon wordt geopend wanneer u Numbers opent of een nieuwe spreadsheet aanmaakt. Kies 'Numbers' > 'Voorkeuren', klik op 'Algemeen', selecteer onder 'Nieuwe documenten' de optie 'Gebruik sjabloon' en klik vervolgens op 'Kies'. Selecteer de gewenste sjabloon en klik vervolgens op 'Kies'. Elke keer dat de sjabloonkiezer wordt geopend, worden automatisch de eerder geselecteerde sjablooncategorie en sjabloon geselecteerd. Een document vanuit een ander programma importeren U kunt een nieuwe Numbers-spreadsheet aanmaken door een document te importeren dat is gemaakt in Microsoft Excel of AppleWorks 6. U kunt in Numbers ook bestanden importeren met een door komma's gescheiden structuur (CSV), een door tabs gescheiden structuur en een OFX-structuur (Open Financial Exchange). Hoofdstuk 2 Numbers-spreadsheets aanmaken, bewaren en ordenen 31

32 Vanuit AppleWorks kunt u alleen spreadsheets importeren. Manieren om een document te importeren: mm Sleep het document naar het programmasymbool van Numbers. Er wordt een nieuwe Numbers-spreadsheet geopend waarin de inhoud van het geïmporteerde document wordt weergegeven. mm Kies in Numbers 'Archief' > 'Open', selecteer het document en klik op 'Open'. mm U kunt Adresboek-gegevens importeren en zo in een handomdraai tabellen aanmaken met de namen, telefoonnummers, adressen en andere gegevens van uw contactpersonen. Zie Werken met Adresboek-velden op pagina 258 voor instructies. mm Zie Werken met CSV- of OFX-bestanden in een spreadsheet op pagina 32 voor informatie over het importeren van gegevens met een door komma's gescheiden structuur (CSV) of een OFX-structuur. Als u een document niet kunt importeren, kunt u proberen het document in een ander programma te openen en het te bewaren in een structuur die geschikt is voor Numbers. U kunt ook de inhoud van het document kopiëren en deze in een bestaande Numbers-spreadsheet plakken. U kunt Numbers-spreadsheets ook exporteren naar Microsoft Excel-, pdf- en CSVbestanden. Zie Spreadsheets naar andere documentstructuren exporteren op pagina 264 voor meer informatie. Werken met CSV- of OFX-bestanden in een spreadsheet CSV- of OFX-gegevens aan een geopende spreadsheet toevoegen 1 Selecteer een werkblad. 2 Ga op een van de volgende manieren te werk: ÂÂ U kunt een of meer nieuwe tabellen aanmaken door een CSV- of OFX-bestand vanuit de Finder naar het werkgebied van een werkblad te slepen. ÂÂ U kunt CSV- of OFX-gegevens toevoegen aan een lege tabel door het CSV- of OFXbestand naar de tabel te slepen. De gegevens worden toegevoegd. Zo nodig worden er extra kolommen aangemaakt. ÂÂ U kunt CSV- of OFX-gegevens toevoegen aan een tabel met gegevens door het CSV- of OFX-bestand naar de tabel te slepen. Als de kolommen niet overeenkomen, kiest u een optie in het werkblad dat wordt weergegeven. U kunt de importbewerking annuleren, kolommen aan de tabel toevoegen, extra kolommen negeren of een nieuwe tabel aanmaken op basis van de CSV- of OFX-gegevens. 32 Hoofdstuk 2 Numbers-spreadsheets aanmaken, bewaren en ordenen

33 Een bestaande spreadsheet openen U kunt een iwork '08- of iwork '09-spreadsheet openen. Als u gebruik wilt maken van de nieuwe functies, bewaart u iwork '08-spreadsheets in de iwork '09-structuur. Als u wilt dat gebruikers van iwork '08 uw spreadsheet kunnen openen, bewaart u deze in de iwork '08-structuur. Wanneer u een iwork '09-spreadsheet opent die is beveiligd met een wachtwoord, moet u het wachtwoord in het veld 'Wachtwoord' typen voordat u de inhoud van de spreadsheet kunt bekijken. Manieren om een bestaande spreadsheet te openen: mm Om een spreadsheet te openen vanuit de sjabloonkiezer, klikt u op 'Open een bestaand bestand' in het venster 'Sjabloonkiezer', selecteert u het document en klikt u vervolgens op 'Open'. Als u een spreadsheet wilt openen waaraan u onlangs hebt gewerkt, kiest u het document uit het venstermenu 'Open recente bestanden' linksonder in het venster 'Sjabloonkiezer'. mm Als u in Numbers een spreadsheet wilt openen, kiest u 'Archief' > 'Open', selecteert u de spreadsheet en klik u vervolgens op 'Open'. Als u een spreadsheet wilt openen waaraan u onlangs hebt gewerkt, kiest u 'Archief' > 'Open recente bestanden' en kiest u de spreadsheet uit het submenu. mm Als u een Numbers-spreadsheet vanuit de Finder wilt openen, klikt u dubbel op het symbool van de spreadsheet of sleept u de spreadsheet naar het programmasymbool van Numbers Als er bij het openen van een spreadsheet een bericht verschijnt dat er een lettertype of bestand ontbreekt, kunt u de spreadsheet toch gebruiken. U kunt in Numbers lettertypen kiezen als vervanging voor ontbrekende lettertypen. U kunt de ontbrekende lettertypen ook toevoegen door Numbers te stoppen en de lettertypen aan de map 'Fonts' op uw computer toe te voegen. (Raadpleeg Mac Help voor meer informatie.) Als u ontbrekende films of geluiden wilt zien of horen, moet u ze opnieuw in de spreadsheet invoegen. Een spreadsheet beveiligen met een wachtwoord Wanneer u de toegang tot een Numbers-document wilt beperken, kunt u er een wachtwoord aan toewijzen. Wachtwoorden kunnen uit bijna elke gewenste combinatie van cijfers en letters (hoofdletters en kleine letters) en verschillende speciale tekens bestaan. Wachtwoorden die uit een combinatie van letters, cijfers en andere tekens bestaan, worden in het algemeen beschouwd als veilige wachtwoorden. Hoofdstuk 2 Numbers-spreadsheets aanmaken, bewaren en ordenen 33

34 Wanneer u een spreadsheet bewaart in de iwork '08- of Excel-structuur, kunt u wachtwoordbeveiliging niet gebruiken. Wanneer u een spreadsheet als pdf-bestand exporteert, kunt u wel een wachtwoord toewijzen. Manieren om wachtwoordbeveiliging in een Numbers-spreadsheet te beheren: mm Als u een met een wachtwoord beveiligde spreadsheet wilt gebruiken, opent u de spreadsheet, typt u het wachtwoord wanneer dat wordt gevraagd, selecteert u desgewenst 'Bewaar wachtwoord in mijn sleutelhanger' en klikt u vervolgens op 'OK'. Als u tweemaal een incorrect wachtwoord typt, wordt de aanwijzing weergegeven die is opgegeven toen het wachtwoord werd ingesteld. mm Als u een wachtwoord voor de spreadsheet wilt instellen, opent u het infovenster 'Document' en schakelt u 'Vraag om wachtwoord bij openen' in het paneel 'Document' in. Typ het wachtwoord dat u wilt gebruiken in de velden en klik vervolgens op 'Stel wachtwoord in'. Naast de naam van het document verschijnt een symbool in de vorm van een hangslot om aan te geven dat uw document met een wachtwoord is beveiligd. Als u hulp nodig hebt bij het aanmaken van een ongebruikelijk of sterk wachtwoord, klikt u op de knop met de sleutel naast het veld 'Wachtwoord' om de wachtwoordassistent te openen.vervolgens maakt u met behulp van de assistent een wachtwoord aan. Vervolgens kunt u uit het venstermenu een type wachtwoord kiezen, afhankelijk van de vraag welke wachtwoordkenmerken voor u belangrijk zijn. Er wordt een wachtwoord weergegeven in het veld 'Suggestie'. De sterkte van het wachtwoord (hoe sterker een wachtwoord, hoe moeilijker te raden het is) wordt aangegeven door de lengte en kleur van de balk 'Kwaliteit'. Als u een suggestie wilt overnemen, kopieert u het wachtwoord en plakt u het in het veld 'Wachtwoord'. Als u een suggestie niet wilt overnemen, kunt u een ander wachtwoord kiezen uit het venstermenu 'Suggestie', een langer wachtwoord kiezen door de schuifknop te slepen of uw eigen wachtwoord typen. mm Als u een wachtwoord voor een spreadsheet wilt verwijderen, opent u het beveiligde document en gaat u naar het infovenster 'Document'. Schakel vervolgens in het paneel 'Document' het aankruisvak 'Vraag om wachtwoord bij openen' uit. Typ het wachtwoord van het document om de wachtwoordbeveiliging uit te schakelen en klik vervolgens op 'OK'. mm Als u een wachtwoord wilt wijzigen, opent u het infovenster 'Document', klik u op 'Wijzig wachtwoord', geeft u uw gegevens op en klikt u vervolgens op 'Wijzig wachtwoord'. mm Als u een wachtwoord wilt opgeven voor een pdf-bestand van uw spreadsheet, volgt u de instructies in Spreadsheets naar een pdf-structuur exporteren op pagina Hoofdstuk 2 Numbers-spreadsheets aanmaken, bewaren en ordenen

35 Een spreadsheet bewaren Als u Mac OS X versie 10.7 (Lion) of hoger gebruikt, wordt uw spreadsheet om de zoveel tijd automatisch in de achtergrond bewaard. U hoeft dus niet bang te zijn dat uw wijzigingen verloren gaan als het programma onverwacht wordt gesloten. U kunt de spreadsheet ook handmatig bewaren. Hierbij wordt een archief van oudere versies aangemaakt die op elk gewenst moment kunnen worden hersteld. Het is verstandig om uw spreadsheet tijdens het werken vaak te bewaren, ongeacht met welk besturingssysteem u werkt. Nadat u de spreadsheet voor het eerst hebt bewaard, kunt u op Command + S drukken om de spreadsheet opnieuw met dezelfde instellingen te bewaren. Wanneer u een Numbers-spreadsheet bewaart, worden lettertypen niet in de spreadsheet opgenomen. Als u dus een Numbers-spreadsheet naar een andere computer overbrengt, moet u ervoor zorgen dat de lettertypen die in de spreadsheet worden gebruikt in de map 'Fonts' van de andere computer zijn geïnstalleerd. Een spreadsheet voor de eerste keer bewaren 1 Kies 'Archief' > 'Bewaar' of druk op Command + S. 2 Typ in het veld 'Bewaar als' een naam voor de spreadsheet. 3 Kies de locatie waar u de spreadsheet wilt bewaren. Als de directory waarin u de spreadsheet wilt bewaren niet zichtbaar is in het venstermenu 'Locatie', klik u op het driehoekje rechts van het veld 'Bewaar als' en navigeert u naar een andere locatie. 4 Als u wilt dat de inhoud van de spreadsheet kan worden bekeken in de Finder van Mac OS X versie 10.5 of hoger, selecteert u 'Neem voorvertoning in document op'. Als u altijd een voorbeeld in uw spreadsheets wilt opnemen, kiest u 'Numbers' > 'Voorkeuren', klikt u op 'Algemeen' en selecteert u 'Neem standaard voorvertoning in document op'. 5 Als u de spreadsheet wilt bewaren als iwork '08- of Excel-spreadsheet, selecteert u 'Bewaar kopie als' en kiest u 'iwork '08' of 'Excel-document' uit het venstermenu. 6 Als u (of iemand anders) de spreadsheet op een andere computer gaat gebruiken, klikt u op het driehoekje voor 'Geavanceerde opties' en geeft u aan wat naar uw spreadsheet moet worden gekopieerd. Hoofdstuk 2 Numbers-spreadsheets aanmaken, bewaren en ordenen 35

36 Kopieer audio en films naar document: Als u dit aankruisvak inschakelt, worden de films of geluidsbestanden die u in uw spreadsheet hebt opgenomen bij de spreadsheet bewaard. Daardoor kunnen de bestanden worden afgespeeld als de spreadsheet op een andere computer wordt geopend. U kunt dit aankruisvak ook uitschakelen. Het bestand wordt dan kleiner, maar de mediabestanden worden niet op andere computers afgespeeld. Zie Afbeeldingsbestanden kleiner maken op pagina 222 en Mediabestanden kleiner maken op pagina 237 voor informatie over andere technieken waarmee u bestanden kleiner kunt maken. Kopieer sjabloonafbeeldingen naar document: Als u deze optie niet selecteert en de spreadsheet opent op een computer waarop Numbers niet is geïnstalleerd, ziet de spreadsheet er mogelijk anders uit. 7 Klik op 'Bewaar'. Doorgaans kunt u Numbers-spreadsheets alleen bewaren op computers en servers met Mac OS X. Numbers is niet compatibel met Mac OS 9-computers of Windowsservers waarop Services for Macintosh wordt uitgevoerd. Als u de spreadsheet moet bewaren op een Windows-computer, kunt u proberen hiervoor de AFP-serversoftware te gebruiken die voor Windows beschikbaar is. Voor informatie over Zie Uw spreadsheets met anderen delen Een spreadsheet afdrukken op pagina 263 Uw Numbers-spreadsheet naar iwork.com Public Beta versturen op pagina 266 Spreadsheets naar andere documentstructuren exporteren op pagina 264 Spreadsheets versturen via op pagina 270 Spreadsheets naar iweb versturen op pagina 270 Wijzigingen in een spreadsheet ongedaan maken of een spreadsheet vergrendelen Verschillende versies van een spreadsheet bewaren Termen bewaren die in Spotlight kunnen worden gebruikt om een spreadsheet te zoeken Een spreadsheet sluiten zonder het programma te stoppen Wijzigingen ongedaan maken op pagina 37 Een spreadsheet vergrendelen zodat deze niet kan worden gewijzigd op pagina 37 Automatisch een reservekopie bewaren op pagina 37 Zoeken naar een gearchiveerde versie van een spreadsheet op pagina 39 Een kopie van een spreadsheet bewaren op pagina 38 Een spreadsheet als sjabloon bewaren op pagina 41 Spotlight-zoektermen voor een spreadsheet bewaren op pagina 41 Een spreadsheet sluiten zonder Numbers te stoppen op pagina Hoofdstuk 2 Numbers-spreadsheets aanmaken, bewaren en ordenen

37 Wijzigingen ongedaan maken U kunt de wijzigingen die u in uw spreadsheet hebt aangebracht nadat u deze hebt geopend of voor het laatst hebt bewaard desgewenst ongedaan maken. Manieren om wijzigingen ongedaan te maken: mm Om de laatste wijziging ongedaan te maken, kiest u het herstelcommando uit het Wijzig-menu. mm Om meerdere wijzigingen ongedaan te maken, kiest u meerdere malen achter elkaar het herstelcommando uit het Wijzig-menu. U kunt elke wijziging ongedaan maken die u hebt aangebracht nadat u de spreadsheet voor het laatst hebt geopend of nadat u de laatst bewaarde versie hebt hersteld. mm Om wijzigingen te herstellen die u ongedaan hebt gemaakt met 'Wijzig' > 'Herstel', kiest u zo vaak als nodig 'Wijzig' > 'Opnieuw [bewerking]'. mm Om alle wijzigingen ongedaan te maken die u hebt aangebracht nadat u de spreadsheet voor het laatst hebt bewaard, kiest u 'Archief' > 'Herstel bewaarde versie' en klikt u vervolgens op 'Vorige versie'. Een spreadsheet vergrendelen zodat deze niet kan worden gewijzigd Als u met Mac OS X versie 10.7 (Lion) of hoger werkt, kunt u uw spreadsheet vergrendelen zodat u deze niet per ongeluk kunt wijzigen wanneer u alleen maar van plan was om de spreadsheet te openen en te bekijken. U kunt de vergrendeling op elk moment opheffen zodat u de spreadsheet alsnog kunt wijzigen. Een spreadsheet vergrendelen 1 Open de spreadsheet die u wilt vergrendelen en houd uw aanwijzer op de naam van de spreadsheet boven in het Numbers-programmavenster. Er verschijnt een driehoekje. 2 Klik op het driehoekje en kies 'Vergrendel' uit het venstermenu. Een spreadsheet ontgrendelen zodat deze weer kan worden gewijzigd mm Plaats de aanwijzer op de naam van de spreadsheet boven in het programmavenster en wacht tot het driehoekje verschijnt. Klik vervolgens op het driehoekje en kies 'Ontgrendel'. Automatisch een reservekopie bewaren U kunt, telkens wanneer u een spreadsheet bewaart, een kopie bewaren zonder de wijzigingen die u hebt aangebracht nadat u de spreadsheet voor het laatst hebt bewaard. Op deze manier kunt u terugkeren naar de vorige versie van de spreadsheet (de versie herstellen) als u wijzigingen hebt aangebracht die u niet wilt bewaren. Hoofdstuk 2 Numbers-spreadsheets aanmaken, bewaren en ordenen 37

38 Op welke manier u het best reservekopieversies kunt maken, hangt af van de versie van Mac OS X die u gebruikt. In Mac OS X versie 10.7 (Lion) en hoger wordt automatisch een momentopname van de spreadsheet gemaakt op het moment dat u deze bewaart. U kunt op elk gewenst moment een archief openen met daarin alle eerder bewaarde versies. Zie Zoeken naar een gearchiveerde versie van een spreadsheet op pagina 39 voor informatie over het openen en gebruiken van oudere documentversies in Lion. Als u met Mac OS X versie 10.6.x (Snow Leopard) of eerder werkt, kunt u instellen dat automatisch een kopie wordt aangemaakt van de laatst bewaarde versie van uw spreadsheet. Dit komt mogelijk ook van pas wanneer u met Lion werkt. U kunt deze optie bijvoorbeeld gebruiken om een reservekopie van uw spreadsheet te maken op een andere harde schijf in uw netwerk. Een archief van eerder bewaarde versies van uw spreadsheet aanmaken in Lion of hoger mm Kies 'Archief' > 'Bewaar een versie' of druk op Command + S. Een kopie aanmaken van de laatst bewaarde versie van uw spreadsheet mm Kies Numbers' > 'Voorkeuren', klik op 'Algemeen' en schakel vervolgens 'Maak reservekopie van vorige versie' in. De volgende keer dat u uw spreadsheet bewaart, wordt er op dezelfde locatie een reservekopie aangemaakt, waarbij 'Reservekopie van' voor de bestandsnaam wordt geplaatst. Er wordt slechts van één versie (de laatst bewaarde versie) een reservekopie gemaakt. Telkens wanneer u de spreadsheet bewaart, wordt de oude reservekopie vervangen door de nieuwe reservekopie. Om de laatst bewaarde versie te herstellen nadat u wijzigingen hebt aangebracht die u nog niet hebt bewaard, kiest u 'Archief' > 'Herstel bewaarde versie'. De wijzigingen in de openstaande spreadsheet worden ongedaan gemaakt. Een kopie van een spreadsheet bewaren Als u de geopende spreadsheet wilt dupliceren, kunt u deze onder een andere naam of op een andere locatie bewaren. Een kopie van een spreadsheet bewaren in Mac OS X versie 10.7 (Lion) of hoger 1 Kies 'Archief' > 'Dupliceer'. Er wordt een naamloze kopie van de spreadsheet aangemaakt. Beide presentaties blijven geopend zodat u ze kunt bekijken of wijzigen. 2 Sluit het venster van de naamloze kopie, typ de naam van de spreadsheet en kies vervolgens een locatie uit het venstermenu. 3 Klik op 'Bewaar'. 38 Hoofdstuk 2 Numbers-spreadsheets aanmaken, bewaren en ordenen

39 Een kopie van een spreadsheet bewaren in Mac OS X versie 10.6.x (Snow Leopard) of eerder mm Kies 'Archief' > 'Bewaar als' en geef een naam en locatie op. De spreadsheet met de nieuwe naam blijft geopend. Als u met de vorige versie wilt werken, kiest u 'Archief' > 'Open recente bestanden' en kiest u de vorige versie uit het submenu. U kunt ook instellen dat elke keer bij het bewaren van een spreadsheet automatisch een reservekopie wordt aangemaakt. De naam en de locatie van de reservekopie zijn gelijk aan die van het origineel, alleen wordt er 'Reservekopie van' voor de bestandsnaam gezet. Zie Automatisch een reservekopie bewaren op pagina 37. Zoeken naar een gearchiveerde versie van een spreadsheet Als u uw spreadsheet meerdere keren hebt bewaard op Mac OS X 10.7 (Lion) of hoger, worden alle bewaarde versies automatisch gearchiveerd. U kunt in het archief zoeken naar een eerdere versie die u wilt terugzetten of bekijken. Nadat u de gewenste gearchiveerde versie hebt gevonden, kunt u deze als een volledig bewerkbare kopie terugzetten of er alleen de tekst, afbeeldingen of documentinstellingen uit halen die u opnieuw wilt gebruiken. Navigeren door gearchiveerde versies van uw spreadsheets en deze terugzetten 1 Open de spreadsheet waarvan u oudere versies wilt bekijken en houd uw aanwijzer op de naam van de spreadsheet boven in het Numbers-programmavenster. Er verschijnt een driehoekje. 2 Klik op het driehoekje en kies 'Blader door alle versies'. Hoofdstuk 2 Numbers-spreadsheets aanmaken, bewaren en ordenen 39

40 Er worden nu momentopnamen weergegeven van alle bewaarde versies van de spreadsheet tegen de achtergrond van een sterrenhemel. Een tijdbalk aan de rechterkant van het scherm geeft aan wanneer de versie die links op de voorgrond staat is bewaard. Huidige versie van de spreadsheet Oudere versies van de spreadsheet Klik hierop om deze weergave te verlaten zonder een oudere versie terug te zetten. Klik hierop om de versie terug te zetten die momenteel rechts op het scherm wordt weergegeven. Door langs de tijdbalk te slepen kunt u versies bekijken die u op verschillende eerdere momenten hebt bewaard. 3 Sleep de handgreep over de tijdbalk om terug te gaan in de tijd en oudere versies van de spreadsheet te bekijken. 4 Wanneer u een van de versies beter wilt bekijken, klikt u op de afbeelding ervan. De desbetreffende versie wordt op de voorgrond geplaatst. U kunt verschillende werkbladen bekijken, de weergave vergroten of verkleinen, onderdelen in een werkblad selecteren, infovensters openen en objecten of instellingen in infovensters kopiëren. 5 Ga op een van de volgende manieren te werk: ÂÂ Om een oudere versie volledig terug te zetten, klikt u op 'Zet terug' wanneer de gewenste versie op de voorgrond staat. Deze versie verschijnt nu op het normale bureaublad en vervangt daarbij de laatste versie waaraan u werkte voordat u de oudere versies ging bekijken. (Die versie wordt vervolgens in de tijdbalk bewaard, zodat u deze desgewenst later kunt terugzetten.) 40 Hoofdstuk 2 Numbers-spreadsheets aanmaken, bewaren en ordenen

41 ÂÂ Om alleen een object of instelling in het infovenster uit de oudere versie terug te zetten, kopieert u het object of de instelling door het object of de instelling te selecteren en vervolgens op Command + C te drukken. Vervolgens klikt u op 'Huidig document' om de huidige versie van de spreadsheet weer te geven. Ga naar het werkblad waarin u het gekopieerde onderdeel wilt plakken en klik op de positie waar u het wilt invoegen. Plak het onderdeel door op Command + V te drukken. ÂÂ Klik op 'Huidig document' om de oudere versie en de huidige versie naast elkaar te zetten zodat u ze met elkaar kunt vergelijken. 6 Klik op 'Gereed' om terug te keren naar het normale bureaublad. Een spreadsheet als sjabloon bewaren Om een spreadsheet die u hebt aangemaakt te gebruiken als basis voor nieuwe documenten, kunt u de spreadsheet bewaren als een sjabloon. Wanneer u een spreadsheet als sjabloon bewaart, wordt deze weergegeven in de sjabloonkiezer. Een spreadsheet als sjabloon bewaren mm Kies 'Archief' > 'Bewaar als sjabloon'. Zie Een sjabloon ontwerpen op pagina 272 voor meer informatie. Spotlight-zoektermen voor een spreadsheet bewaren U kunt gegevens als de naam van de auteur en trefwoorden in Numbers-spreadsheets bewaren. Met Spotlight kunt u vervolgens de spreadsheets die deze gegevens bevatten weer terugvinden. Spotlight-termen bewaren 1 Klik op de knop 'Info' in de knoppenbalk en klik vervolgens op de knop 'Documentinfo'. Hoofdstuk 2 Numbers-spreadsheets aanmaken, bewaren en ordenen 41

42 2 Geef de gegevens in de velden van Spotlight op. Om te zoeken naar spreadsheets die Spotlight-gegevens bevatten, klikt u op het Spotlight-symbool rechts boven in het scherm en geeft u de tekst op waarnaar u wilt zoeken. Een spreadsheet sluiten zonder Numbers te stoppen Wanneer u klaar bent met een spreadsheet, kunt u deze sluiten zonder Numbers te stoppen. Manieren om de actieve spreadsheet te sluiten zonder het programma te stoppen: mm Om de actieve spreadsheet te sluiten, kiest u 'Archief' > 'Sluit' of klikt u op de sluitknop linksboven in het Numbers-venster. mm Om alle geopende spreadsheets te sluiten, houdt u de Option-toets ingedrukt en kiest u 'Archief' > 'Sluit alles'. U kunt ook met de Option-toets ingedrukt op de sluitknop van de actieve spreadsheet klikken. Als u wijzigingen hebt aangebracht nadat u de Numbers-spreadsheet voor het laatst hebt bewaard, wordt gevraagd of u deze wijzigingen wilt bewaren. Spreadsheets ordenen met behulp van werkbladen Vergelijkbaar met de hoofdstukken in een boek kunt u de gegevens in een spreadsheet door middel van werkbladen indelen in werkbare gedeelten. Zo kunt u de diagrammen in hetzelfde werkblad plaatsen als de tabellen die de gegevens voor de diagrammen bevatten. Of u kunt alle tabellen en diagrammen juist in afzonderlijke werkbladen opnemen. Of misschien wilt u de contactgegevens van uw zakenpartners gescheiden houden van de contactgegevens van uw vrienden en kennissen (en deze dus in afzonderlijke werkbladen opnemen). 42 Hoofdstuk 2 Numbers-spreadsheets aanmaken, bewaren en ordenen

43 De werkbladen in een spreadsheet en de tabellen en diagrammen in elk werkblad worden weergegeven in het paneel 'Werkbladen' aan de linkerkant van het venster. Door deze greep naar links of rechts te slepen, wijzigt u de grootte van het paneel 'Werkbladen'. Als u hierop klikt, toont of verbergt u de tabellen en diagrammen in het paneel 'Werkbladen'. Om een tabel of diagram te selecteren en in het venster weer te geven, klikt u erop in het werkgebied van het werkblad. In dit paneel worden alleen de tabellen en diagrammen voor de werkbladen weergegeven, niet de eventuele tekst, afbeeldingen of andere objecten die in de spreadsheet zijn opgenomen. De volgorde van de tabellen en diagrammen in het werkblad in het paneel 'Werkbladen' komt mogelijk niet overeen met de werkelijke volgorde in de spreadsheet, zoals wordt beschreven in Werkbladen en de bijbehorende gegevens opnieuw ordenen op pagina 44'. mm mm Manieren om de objecten van een werkblad weer te geven: Om alle tabellen en diagrammen in een werkblad in het paneel 'Werkbladen' te tonen of te verbergen, klikt u op het driehoekje links naast het werkblad in het paneel. Om de inhoud van een werkblad weer te geven, klikt u op het werkblad in het paneel 'Werkbladen'. Als u in een tabel of diagram in de spreadsheet werkt, is de tabel of het diagram in het paneel 'Werkbladen' gemarkeerd. Voor informatie over Werkbladen aanmaken en verwijderen Werkbladen verplaatsen, de volgorde van de bijbehorende tabellen en diagrammen wijzigen, tabellen en diagrammen tussen werkbladen verplaatsen Een werkblad een naam geven Zie Een werkblad toevoegen of verwijderen op pagina 44 Werkbladen en de bijbehorende gegevens opnieuw ordenen op pagina 44 De naam van een werkblad wijzigen op pagina 45 Hoofdstuk 2 Numbers-spreadsheets aanmaken, bewaren en ordenen 43

44 Een werkblad toevoegen of verwijderen Manieren om werkbladen aan te maken en te verwijderen: mm Om een nieuw werkblad toe te voegen, klikt u op de knop 'Werkblad' in de knoppenbalk. U kunt ook 'Voeg in' > 'Werkblad' kiezen. Er wordt onder in het paneel 'Werkbladen' een nieuw werkblad met een vooraf gedefinieerde tabel toegevoegd. U kunt het werkblad verplaatsen door het naar een andere positie in het paneel 'Werkbladen' te slepen. Wanneer u in Numbers een werkblad toevoegt, wordt hieraan een standaardnaam toegewezen. U kunt deze naam uiteraard wijzigen, zoals wordt beschreven in De naam van een werkblad wijzigen op pagina 45'. mm Als u een werkblad wilt kopiëren, voert u een van de volgende handelingen uit: ÂÂ U kunt een werkblad kopiëren door de Option-toets ingedrukt te houden terwijl u het blad naar de gewenste locatie in het paneel 'Werkbladen' sleept. ÂÂ Maak een kopie door 'Wijzig' > 'Dupliceer' te kiezen. De kopie wordt direct achter het geselecteerde werkblad ingevoegd. ÂÂ Selecteer in het paneel 'Werkbladen' het werkblad dat u wilt kopiëren en kies 'Wijzig' > 'Kopieer'. Selecteer vervolgens het werkblad waarachter u de kopie wilt invoegen en kies 'Wijzig' > 'Plak.' mm Om een werkblad en de bijbehorende inhoud te verwijderen, selecteert u het werkblad in het paneel 'Werkbladen' en drukt u op de Delete-toets. Werkbladen en de bijbehorende gegevens opnieuw ordenen In het paneel 'Werkbladen' kunt u werkbladen verplaatsen en de volgorde van tabellen en diagrammen in de werkbladen wijzigen. U kunt tabellen en diagrammen ook van het ene werkblad naar het andere verplaatsen. Het wijzigen van de volgorde van tabellen en diagrammen in het paneel 'Werkbladen' heeft geen effect op de positie van de tabellen en diagrammen in het werkgebied. U kunt bijvoorbeeld in het paneel Werkbladen' de diagrammen naast de tabellen plaatsen waarvan ze zijn afgeleid of tabellen weergeven in de volgorde waarin u ze wilt bewerken. In het werkgebied wilt u deze onderdelen echter wellicht in een andere volgorde weergeven (bijvoorbeeld wanneer u de spreadsheet opmaakt om af te drukken). Manieren om werkbladen te ordenen in het paneel 'Werkbladen': mm Om een werkblad te verplaatsten, selecteert u het en sleept u het vervolgens naar een andere positie in het paneel. Tijdens het slepen worden andere werkbladen automatisch opgeschoven. U kunt ook meerdere werkbladen tegelijk selecteren en deze als groep verplaatsen. 44 Hoofdstuk 2 Numbers-spreadsheets aanmaken, bewaren en ordenen

45 mm Om werkbladen te kopiëren (of te knippen) en te plakken, selecteert u de werkbladen, kiest u 'Wijzig' > 'Knip' of 'Wijzig' > 'Kopieer'. Vervolgens selecteert u het werkblad waarachter u de werkbladen wilt invoegen die u verplaatst en kiest u 'Wijzig' > 'Plak'. mm Om een of meer bij een werkblad behorende tabellen of diagrammen te verplaatsen, selecteert u ze en sleept u ze naar een nieuwe positie in hetzelfde werkblad of een ander werkblad. U kunt ook knippen en plakken of kopiëren en plakken om tabellen en diagrammen in het paneel te verplaatsen. Om een object in een werkblad in de spreadsheet te verplaatsen, selecteert u het object en sleept u het naar een andere locatie of verplaatst u het object door middel van knippen en plakken of kopiëren en plakken. Als u een spreadsheet wilt afdrukken of als pdf wilt bewaren en daarbij bepaalde objecten op bepaalde pagina's wilt opnemen, volgt u de instructies in Een werkblad in pagina's verdelen op pagina 46. De naam van een werkblad wijzigen U onderscheidt de verschillende werkbladen in het paneel 'Werkbladen' van elkaar door voor elk werkblad een naam op te geven. Wanneer u een nieuw werkblad toevoegt, krijgt deze standaard een naam toegewezen. U kunt deze naam echter wijzigen in een geschiktere naam. Manieren om de naam van een werkblad te wijzigen: mm Klik in het paneel 'Werkbladen' dubbel op de naam en wijzig de naam. mm Selecteer het werkblad in het paneel 'Werkbladen' of selecteer een object in het werkblad en wijzig de naam ervan in het veld 'Naam' in het infovenster 'Werkblad'. U kunt ook de namen van de tabellen en diagrammen in een werkblad wijzigen. Zie Een naam voor een tabel instellen op pagina 57 en De plaats van de diagramtitel en legenda bepalen en deze onderdelen opmaken op pagina 159 voor instructies. Hoofdstuk 2 Numbers-spreadsheets aanmaken, bewaren en ordenen 45

46 Een werkblad in pagina's verdelen In de afdrukweergave kunt u een werkblad als afzonderlijke pagina's weergeven en objecten verplaatsen, vergroten of verkleinen tot u de gewenste lay-out hebt voor het afdrukken van een pdf-versie van het werkblad. Daarnaast kunt u bijvoorbeeld kopteksten, voetteksten en paginanummers toevoegen. Koptekstgedeelte Voettekstgedeelte Hiermee stelt u de paginarichting in op liggend (horizontaal). Hiermee stelt u de paginarichting in op staand (verticaal). Hier geeft u meer of minder pagina's weer door een zoomniveau in te stellen. Hiermee toont of verbergt u de afdrukweergave. Hiermee past u de grootte van alle objecten in het werkblad aan. mm mm mm mm Manieren om de afdrukweergave te tonen of te verbergen: Klik op de knop 'Weergave' in de knoppenbalk en kies 'Toon afdrukweergave' of 'Verberg afdrukweergave'. Kies 'Archief' > 'Toon afdrukweergave' of 'Archief' > 'Verberg afdrukweergave'. Kies 'Weergave' > 'Toon afdrukweergave' of 'Weergave' > 'Verberg afdrukweergave'. Klik op het paginasymbool naast het zoomniveau in de linkerbenedenhoek van het werkgebied. In de afdrukweergave wordt het aantal pagina's dat u tegelijkertijd in het venster kunt weergeven bepaald door het zoomniveau dat u selecteert in het venstermenu in de linkerbenedenhoek van het werkgebied. 46 Hoofdstuk 2 Numbers-spreadsheets aanmaken, bewaren en ordenen

47 U kunt paginakenmerken, zoals de paginarichting en marges, voor elk werkblad afzonderlijk instellen in het infovenster 'Werkblad'. Hier geeft u een naam op voor het werkblad. Hiermee verkleint of vergroot u alle objecten in het werkblad. Hiermee stelt u de paginarichting en paginavolgorde in. Hier geeft u het eerste paginanummer op. Hiermee stelt u de paginamarges in. Voor informatie over De paginagrootte aanpassen aan het papierformaat dat u wilt gebruiken Kop- en voetteksten weergeven boven en onder de tabel op elke pagina De grootte en locatie van objecten op een werkblad aanpassen Pagina's in horizontale of verticale richting plaatsen Pagina's van links naar rechts of van boven naar beneden rangschikken Paginanummers weergeven in kopteksten en voetteksten De witruimte tussen de rand van het werkblad en de randen van het papier instellen Zie Het paginaformaat van een spreadsheet instellen op pagina 47 Kopteksten en voetteksten toevoegen aan een werkblad op pagina 48 Objecten ordenen op een pagina in de afdrukweergave op pagina 48 De paginarichting instellen op pagina 49 De paginavolgorde instellen op pagina 49 Pagina's nummeren op pagina 49 Paginamarges instellen op pagina 50 Het paginaformaat van een spreadsheet instellen Voordat u in de afdrukweergave aan het werk gaat, moet u het formaat van de pagina's instellen op het formaat van het papier waarop u wilt afdrukken. Het paginaformaat instellen 1 Klik op de knop 'Info' in de knoppenbalk en klik vervolgens op de knop 'Documentinfo'. 2 Kies een papierformaat uit het venstermenu 'Papierformaat'. Hoofdstuk 2 Numbers-spreadsheets aanmaken, bewaren en ordenen 47

48 Kopteksten en voetteksten toevoegen aan een werkblad U kunt dezelfde tekst op meerdere pagina's in een werkblad weergeven. Terugkerende informatie die boven aan de pagina wordt weergegeven, wordt een koptekst genoemd. Soortgelijke informatie onder aan de pagina wordt voettekst genoemd. U kunt uw eigen tekst opnemen in een kop- of voettekst en u kunt opgemaakte tekstvelden gebruiken. Als u gebruikmaakt van opgemaakte tekstvelden, wordt de tekst die u invoegt automatisch bijgewerkt. U kunt bijvoorbeeld een datumveld invoegen waarin de huidige datum wordt getoond. U kunt ook paginanummervelden invoegen om paginanummers bij te houden wanneer u pagina's toevoegt of verwijdert. De inhoud van een koptekst of voettekst definiëren 1 Klik op de knop 'Weergave' in de knoppenbalk en kies 'Toon afdrukweergave'. 2 Om de gedeelten voor kop- en voetteksten weer te geven, houdt u de aanwijzer boven of onder aan de pagina. U kunt ook op de knop 'Weergave' in de knoppenbalk klikken en 'Toon lay-out' selecteren. 3 Om tekst aan een koptekst of voettekst toe te voegen, plaatst u het invoegpunt in de koptekst of voettekst en begint u te typen. 4 Zie Paginanummers en andere variabele waarden in documenten invoegen op pagina 210 voor informatie over het toevoegen van paginanummers of andere variabele waarden. Objecten ordenen op een pagina in de afdrukweergave U kunt de grootte van objecten wijzigen, objecten verplaatsen binnen of tussen pagina's en lange tabellen over meerdere pagina's verdelen wanneer u een pagina in de afdrukweergave bekijkt. U kunt de afdrukweergave inschakelen door op de knop 'Weergave' in de knoppenbalk te klikken en vervolgens 'Toon afdrukweergave' te kiezen. Manieren om objecten op pagina s van een geselecteerd werkblad op te maken: mm Met behulp van de schuifknop 'Formaat inhoud' in het infovenster 'Werkblad' kunt u de grootte van alle objecten in het werkblad aanpassen om het aantal pagina's te wijzigen waarop de objecten worden weergegeven. U kunt ook de grootte van alle onderdelen in een werkblad wijzigen door de schuifknop 'Formaat inhoud' links onder in het werkgebied te slepen. mm Om afzonderlijke objecten te vergroten of verkleinen, selecteert u de gewenste objecten en sleept u de selectiegrepen of wijzigt u de waarden in de velden 'Breedte' en 'Hoogte' in het infovenster 'Formaat'. 48 Hoofdstuk 2 Numbers-spreadsheets aanmaken, bewaren en ordenen

49 mm mm Zie op pagina 55 voor informatie over het wijzigen van het formaat van tabellen. Zie Het formaat van een diagram wijzigen of een diagram roteren op pagina 160 voor informatie over het wijzigen van het formaat van diagrammen. Zie Het formaat van objecten wijzigen op pagina 246 voor informatie over het wijzigen van het formaat van andere objecten. In de afdrukweergave wordt een koptekstrij of -kolom op elke pagina weergegeven als de tabel meerdere pagina's beslaat. U kunt voorkomen dat een koptekstrij of -kolom wordt weergegeven in een tabel die meerdere pagina's beslaat door in het Tabel-menu de optie 'Herhaal koptekstrijen op elke pagina' of 'Herhaal koptekstkolommen op elke pagina' uit te schakelen. U kunt objecten van de ene pagina naar de andere verplaatsen door middel van slepen of knippen en plakken. De paginarichting instellen U kunt de pagina's in een werkblad in verticale richting (staand) of horizontale richting (liggend) plaatsen. De paginarichting van een werkblad instellen 1 Klik op de knop 'Weergave' in de knoppenbalk en kies 'Toon afdrukweergave'. 2 Klik op de knop 'Info' in de knoppenbalk, klik op de knop 'Werkbladinfo' en klik op de knop voor de gewenste paginarichting in het gedeelte 'Paginalay-out' van het infovenster. U kunt ook op een knop voor de paginarichting links onder in het werkgebied klikken. De paginavolgorde instellen In de afdrukweergave kunt u pagina's van links naar rechts of van boven naar beneden ordenen. Deze volgorde bepaalt hoe het document wordt afgedrukt en wordt geëxporteerd naar een pdf. De paginavolgorde instellen mm Klik op de knop 'Info' in de knoppenbalk, klik op de knop 'Werkbladinfo' en vervolgens op de knop voor de gewenste paginarichting (van boven naar beneden of van links naar rechts) in het gedeelte 'Paginalay-out' van het infovenster. Pagina's nummeren U kunt paginanummers in de kop- of voettekst van een pagina weergeven. De pagina's van een werkblad nummeren 1 Selecteer het werkblad. 2 Klik op de knop 'Weergave' in de knoppenbalk en kies 'Toon afdrukweergave'. 3 Klik op de knop 'Weergave' in de knoppenbalk en kies 'Toon lay-out' zodat de kopteksten en voetteksten worden weergegeven. Hoofdstuk 2 Numbers-spreadsheets aanmaken, bewaren en ordenen 49

50 U kunt de kopteksten en voetteksten ook bekijken door de aanwijzer boven of onder in de pagina te plaatsen. 4 Klik op de eerste koptekst of voettekst waarin u een paginanummer wilt opnemen, volgens de instructies in Paginanummers en andere variabele waarden in documenten invoegen op pagina 210'. 5 Klik op de knop 'Info' in de knoppenbalk, klik op de knop 'Werkbladinfo' en geef het nummer op waarmee de paginanummering moet beginnen. Om de paginanummering door te laten lopen van de eerder geselecteerde werkbladen, selecteert u 'Tel door na vorig werkblad'. Om de paginanummering te laten beginnen bij een bepaald nummer, selecteert u Begin bij' en geeft u het gewenste nummer op. Paginamarges instellen In de afdrukweergave heeft elke pagina van een werkblad marges (lege ruimte tussen de randen van het werkblad en de randen van het papier). Deze marges worden in de lay-outweergave weergegeven met behulp van lichtgrijze lijnen. De paginamarges voor een werkblad instellen 1 Selecteer het werkblad in het paneel 'Werkbladen'. 2 Klik in de knoppenbalk op 'Weergave' en kies 'Toon afdrukweergave'. Klik vervolgens in de knoppenbalk nogmaals op 'Weergave' en kies 'Toon lay-out'. 3 Klik op de knop 'Info' in de knoppenbalk en klik vervolgens op de knop 'Werkbladinfo'. 4 Om de afstand in te stellen tussen de lay-outmarges en de linker-, rechter-, boven- en onderzijde van een pagina, geeft u de gewenste waarden op in de velden 'Links', 'Rechts', 'Boven' en 'Onder'. 5 Om de afstand in te stellen tussen een koptekst of een voettekst en de boven- of onderrand van de pagina, geeft u de gewenste waarden op in de velden 'Koptekst' en 'Voettekst'. Om de spreadsheet af te drukken met het grootst mogelijke afdrukgebied voor elke printer die u gebruikt, schakelt u het aankruisvak 'Gebruik printermarges' in. In dit geval worden tijdens het afdrukken de marge-instellingen die u in het infovenster 'Werkblad' hebt ingesteld, genegeerd. 50 Hoofdstuk 2 Numbers-spreadsheets aanmaken, bewaren en ordenen

51 Werken met tabellen 3 Dit hoofdstuk bevat informatie over het toevoegen en opmaken van tabellen en tabelrijen en -kolommen. In een aantal andere hoofdstukken vindt u instructies die betrekking hebben op bepaalde aspecten van tabellen. Voor informatie over Tabelcellen en de inhoud daarvan beheren Tabellen opmaken met behulp van tabelstijlen Formules gebruiken in tabelcellen Waarden uit tabelcellen in diagrammen weergeven Zie Hoofdstuk 4, Werken met tabelcellen, op pagina 85 Hoofdstuk 5, Werken met tabelstijlen, op pagina 125 Hoofdstuk 6, Werken met formules in tabellen, op pagina 130 Hoofdstuk 7, Diagrammen aanmaken op basis van gegevens, op pagina 148 Werken met tabellen Er zijn verschillende manieren om tabellen aan te maken en de kenmerken, grootte en positie van tabellen te wijzigen. Voor informatie over Tabellen invoegen Een tabel toevoegen op pagina 52 Zie Werken met tabelfuncties Tabellen groter of kleiner maken Werken met hulpmiddelen voor tabellen op pagina 52 Het formaat van een tabel aanpassen op pagina 55 Tabellen verplaatsen Een tabel verplaatsen op pagina 56 Namen aan tabellen toewijzen Een naam voor een tabel instellen op pagina 57 Kleuren en andere visuele effecten op tabellen toepassen Een tabel verfraaien op pagina 57 51

52 Voor informatie over Tabellen definiëren die u steeds opnieuw kunt gebruiken Tabellen delen met andere iwork-programma's Zie Een herbruikbare tabel definiëren op pagina 58 Een tabel naar een ander iwork-programma kopiëren op pagina 59 Een tabel toevoegen Hoewel de meeste sjablonen een of meer vooraf gedefinieerde tabellen bevatten, kunt u tabellen aan Numbers-spreadsheets toevoegen. Manieren om een tabel toe te voegen: mm Klik op de knop 'Tabel' in de knoppenbalk en kies een vooraf gedefinieerde tabel uit het venstermenu. U kunt ook uw eigen tabellen aan het venstermenu toevoegen. Zie Een herbruikbare tabel definiëren op pagina 58 voor instructies. mm Kies 'Voeg in' > 'Tabel' > type tabel. mm Om een nieuwe tabel aan te maken op basis van een of meerdere aangrenzende cellen in een bestaande tabel, selecteert u de gewenste cel of cellen en sleept u de selectie naar een lege locatie op het werkblad. Houd de Option-toets tijdens het slepen ingedrukt als u de oorspronkelijke waarden van de geselecteerde cellen wilt behouden. Zie Tabellen en tabelonderdelen selecteren op pagina 59 voor meer informatie over het selecteren van cellen. mm Om een nieuwe tabel aan te maken op basis van een gehele rij of kolom in een bestaande tabel, klikt u op de verwijzingslabel van de gewenste rij of kolom, houdt u de label vast, sleept u de rij of kolom naar een lege locatie op het werkblad en laat u de label vervolgens los. Om de oorspronkelijke waarden van de kolom of rij te behouden, houdt u de Option-toets tijdens het slepen ingedrukt. Werken met hulpmiddelen voor tabellen U kunt tabellen en de bijbehorende kolommen, rijen, cellen en celwaarden opmaken met behulp van diverse hulpmiddelen in Numbers. Manieren om de tabelkenmerken te wijzigen: mm Selecteer een tabel door in het paneel 'Werkbladen' op de naam van de tabel te klikken en gebruik vervolgens de opmaakbalk om de tabel snel op te maken. In Een tabel selecteren op pagina 60 worden andere manieren beschreven om een tabel te selecteren. 52 Hoofdstuk 3 Werken met tabellen

53 Hiermee toont of verbergt u de naam van een tabel. Hiermee maakt u de tekst in tabelcellen op. Hiermee maakt u de waarden in cellen op. Hiermee maakt u celranden op. Hiermee bewerkt u koptekst- en voettekstrijen. Hiermee positioneert u de tekst in tabelcellen. Hiermee voegt u een achtergrondkleur aan een cel toe. mm In het infovenster 'Tabel' vindt u tabelspecifieke voorzieningen, zoals velden waarmee u exact de gewenste kolombreedte en rijhoogte kunt opgeven. Om het infovenster 'Tabel' te openen, klikt u op de knop 'Info' in de knoppenbalk en klikt u vervolgens op 'Tabelinfo'. Hier geeft u een naam voor de tabel op. Hiermee voegt u geselecteerde cellen samen of splitst u deze. Hiermee voegt u 1 tot 5 rijen met koptekst, kolommen met koptekst of rijen met voettekst toe of verwijdert u deze. Hiermee past u de grootte van rijen en kolommen aan. Hier stelt u de stijl, dikte en kleur van celranden in. Hiermee wijzigt u het gebruik van de Return-toets en de Tab-toets. Hier voegt u een kleur of een afbeelding aan een cel toe. mm In het infovenster 'Cel' kunt u de celwaarden opmaken. U kunt bijvoorbeeld een valutateken weergeven in cellen die valutawaarden bevatten. De opmaak van een cel bepaalt uitsluitend hoe een waarde in de cel wordt weergegeven en heeft geen enkele invloed op de onderliggende celwaarde die in berekeningen wordt gebruikt. Als in een cel de afgeronde waarde 4,3 wordt weergegeven voor de werkelijke waarde 4,29, wordt in berekeningen altijd de waarde 4,29 gebruikt. U kunt ook een voorwaardelijke opmaak instellen. Cellen waarvan de waarde een bepaalde drempelwaarde overschrijdt, kunnen bijvoorbeeld met een kleur worden gemarkeerd. Hoofdstuk 3 Werken met tabellen 53

54 Om het infovenster 'Cel' te openen, klikt u op de knop 'Info' in de knoppenbalk en vervolgens op de knop 'Celinfo'. Met de knoppen boven in het infovenster opent u de tien infovensters: 'Document', 'Werkblad', 'Tabel', 'Cel', 'Diagram', 'Tekst', 'Afbeelding', 'Formaat', 'Koppeling' en 'QuickTime'. mm In het infovenster 'Afbeelding' kunt u visuele effecten, zoals een schaduw, toevoegen. Om het infovenster 'Afbeelding' te openen, klikt u op de knop 'Info' in de knoppenbalk en vervolgens op de knop 'Afbeeldingsinfo'. mm Gebruik tabelstijlen om de weergave van tabellen snel en consistent aan te passen. Zie Werken met tabelstijlen op pagina 125 voor meer informatie. mm Wanneer u een tabelcel selecteert, verschijnen er verwijzingslabels en handgrepen waarmee u onder andere de tabel snel opnieuw kunt rangschikken, alle cellen in een rij of kolom kunt selecteren en rijen en kolommen kunt toevoegen of verwijderen. In Een tabelcel selecteren op pagina 60 wordt beschreven hoe u een tabelcel selecteert. Door de tabelgreep te slepen, kunt u de tabel verplaatsen. De letters op de verwijzingslabels fungeren als kolomaanduiding. Als u op de kolomgreep klikt, kunt u een kolom toevoegen. Om meerdere kolommen toe te voegen, sleept u de greep. De cijfers op de verwijzingslabels fungeren als rijaanduiding. Als u op de rijgreep klikt, kunt u een rij toevoegen. Om meerdere rijen toe te voegen, sleept u de greep. Door de kolom/rijgreep omlaag te slepen, voegt u rijen toe. Om kolommen toe te voegen, sleept u de greep naar rechts. Om zowel rijen als kolommen toe te voegen, sleept u de greep diagonaal. mm Wanneer u werkt met formules, gebruikt u ook verwijzingslabels (in Naar cellen verwijzen in formules op pagina 139 wordt beschreven hoe u dit doet). Om een contextueel menu te openen, selecteert u een tabel of een of meerdere cellen en klikt u vervolgens opnieuw terwijl u de Control-toets ingedrukt houdt. 54 Hoofdstuk 3 Werken met tabellen

55 U kunt ook gebruikmaken van de venstermenu's van de verwijzingslabels van kolommen en rijen. mm Met de formule-editor en de formulebalk kunt u formules toevoegen en wijzigen. Zie Formules toevoegen en bewerken met de formule-editor op pagina 134 en Formules toevoegen en bewerken met de formulebalk op pagina 135 voor meer informatie. mm Met de functiekiezer kunt u functies toevoegen of wijzigen. Zie Functies aan formules toevoegen op pagina 136 voor meer informatie. Het formaat van een tabel aanpassen U kunt een tabel groter of kleiner maken door een van de selectiegrepen van de tabel te slepen of door het infovenster 'Formaat' te gebruiken. U kunt een tabel ook groter of kleiner maken door het formaat van de rijen of kolommen te wijzigen. Als u een tabel wilt vergroten of verkleinen, selecteert u de tabel eerst door in het paneel 'Werkbladen' op de naam van de tabel te klikken. U kunt ook een van de andere technieken voor tabelselectie gebruiken. Zie Een tabel selecteren op pagina 60. Hoofdstuk 3 Werken met tabellen 55

56 Manieren om het formaat van een geselecteerde tabel te wijzigen: mm Sleep een van de vierkante selectiegrepen. (Deze verschijnen wanneer u een tabel selecteert.) Als u de verhoudingen van een tabel wilt handhaven, houdt u de Shift-toets ingedrukt terwijl u sleept. Om het formaat van het object vanuit het midden te wijzigen, houdt u de Optiontoets ingedrukt terwijl u sleept. Om het formaat van een tabel in een bepaalde richting te wijzigen, sleept u een selectiegreep aan een van de zijkanten (dus geen hoekgreep). mm Om de grootte van de tabel te wijzigen door de exacte afmetingen op te geven, selecteert u een tabel of tabelcel, klikt u op de knop 'Info' in de knoppenbalk en vervolgens op de knop 'Formaatinfo'. In het infovenster 'Formaat' kunt u de gewenste hoogte en breedte opgeven, en met behulp van de velden 'Positie' de afstand van de tabel tot de marges bepalen. mm Zie op pagina 71 voor informatie over het wijzigen van het formaat van tabellen door de afmetingen van rijen en kolommen aan te passen. Een tabel verplaatsen U kunt een tabel verplaatsen door deze te slepen of door een nieuwe locatie op te geven in het infovenster 'Formaat'. Manieren om een tabel te verplaatsen: mm Als de tabel niet is geselecteerd of als de tabel in zijn geheel is geselecteerd, klikt u op de rand van de tabel en versleept u deze. Als een tabelcel is geselecteerd, sleept u de tabel met behulp van de tabelgreep in de linkerbovenhoek. mm Om een tabel alleen in horizontale of verticale richting of in een hoek van 45 graden te verplaatsen, houdt u tijdens het slepen van de tabel de Shift-toets ingedrukt. mm Om een tabel naar een exacte positie te verplaatsen, klikt u op een willekeurige cel en klikt u op de knop 'Info' in de knoppenbalk. Klik vervolgens op de knop 'Formaatinfo' en typ de gewenste x- en y-waarden in de desbetreffende velden. mm Om een tabel te kopiëren en vervolgens de kopie te verplaatsen, houdt u de Option- toets ingedrukt, klikt u op de rand van een tabel die niet of geheel is geselecteerd en versleept u de tabel. 56 Hoofdstuk 3 Werken met tabellen

57 Een naam voor een tabel instellen Alle Numbers-tabellen hebben een naam, die in het paneel 'Werkbladen' wordt vermeld en ook boven de tabel kan worden weergegeven. U kunt de standaardtabelnaam (Tabel 1, Tabel 2, enzovoort) wijzigen, verbergen of opmaken. Manieren om te werken met tabelnamen: mm Om de naam van een tabel te wijzigen, klikt u in het paneel 'Werkbladen' dubbel op de naam en typt u de nieuwe naam. U kunt ook in de tabel klikken en de naam wijzigen via het veld 'Naam' in het infovenster 'Tabel'. U moet voor elke tabel in een werkblad een andere naam opgeven. mm Om de naam van een tabel in het werkgebied te tonen, klikt u in de tabel en schakelt u in de opmaakbalk of in het infovenster 'Tabel' het aankruisvak 'Naam' in. Om de tabelnaam in het werkblad te verbergen, schakelt u het aankruisvak 'Naam' uit. mm Om een naam op te maken die in het werkgebied wordt weergegeven, selecteert u de tabel, klikt u in het werkgebied op de tabelnaam om deze te activeren en maakt u de naam vervolgens op met behulp van de opmaakbalk, het venster 'Lettertypen' of het paneel 'Tekst' van het infovenster 'Tekst'. mm Om de afstand tussen de tabelnaam en de tabel te vergroten, schakelt u het aankruisvak 'Naam' in het infovenster 'Tabel' in, klikt u op de naam in het werkgebied en verplaatst u de schuifknop 'Na alinea' in het infovenster 'Tekst' (u kunt ook een waarde in het veld naast deze schuifknop opgeven). Een tabel verfraaien U kunt kleuren, afbeeldingen en andere opmaaktechnieken gebruiken om het uiterlijk van tabellen te verfraaien. Manieren om een tabel te verfraaien: mm U kunt de achtergrond van een volledige tabel of van afzonderlijke cellen vullen met verschillende kleureffecten of een afbeelding. Zie Een kleur of afbeelding als vulling voor een object gebruiken op pagina 252 voor instructies. mm U kunt de dikte en kleur van randen rond een tabel en tabelcellen wijzigen, zoals beschreven in De rand van tabelcellen opmaken op pagina 96. mm U kunt de kenmerken van tekst in tabelcellen wijzigen, inclusief tekst in koptekst- en voettekstcellen. Zie De grootte en vormgeving van tekst bepalen op pagina 184 en Tekstuitlijning, letter- en regelafstand en tekstkleur instellen op pagina 192 voor meer informatie. Hoofdstuk 3 Werken met tabellen 57

58 Wanneer u een visueel effect hebt aangemaakt dat u opnieuw wilt gebruiken, kunt u het kopiëren en plakken. Selecteer de tabel of de cellen waarvan u het effect wilt hergebruiken, kies 'Opmaak' > 'Kopieer stijl', selecteer de tabel of cellen die u wilt opmaken en kies vervolgens 'Opmaak' > 'Plak stijl'. U kunt ook tabelstijlen gebruiken om de opmaak van een tabel te dupliceren, zoals beschreven in Werken met tabelstijlen op pagina 125. Een herbruikbare tabel definiëren U kunt uw eigen tabellen toevoegen aan het menu met vooraf gedefinieerde tabellen dat verschijnt wanneer u klikt op de knop 'Tabel' in de knoppenbalk of 'Voeg in' > 'Tabel' kiest. Herbruikbare tabellen maken gebruik van de tabelstijl en structuur die u hebt ingesteld en kunnen eventueel inhoud bevatten (koptekst, formules, enzovoort). Een herbruikbare tabel definiëren 1 Selecteer een tabel. 2 Definieer een tabelstijl. Met behulp van de tabelstijl bepaalt u de opmaak van de randen, de achtergrond en de tekst in de tabelcellen. U kunt een tabelstijl definiëren door de instructies in De kenmerken van een tabelstijl wijzigen op pagina 127 en Een tabelstijl kopiëren en plakken op pagina 128 te volgen. U kunt ook alleen de structuur en inhoud van een aangepaste tabel gebruiken voor de herbruikbare tabel en de standaardstijl van de tabel toepassen in plaats van uw aangepaste stijl. In stap 7 wordt het gebruik van deze optie beschreven. 3 Bepaal de structuur van de tabel. Zie Het formaat van een tabel aanpassen op pagina 55 en De grootte van een rij of kolom wijzigen op pagina 71 voor informatie over het wijzigen van de grootte van tabellen. Zie Werken met rijen en kolommen in een tabel op pagina 64 voor informatie over het definiëren van kolommen en rijen. Zie Tabelcellen splitsen op pagina 95 of Tabelcellen samenvoegen op pagina 94 voor informatie over het splitsen of samenvoegen van tabelcellen. 4 Voeg de inhoud die u wilt hergebruiken toe en maak deze op. Zie Inhoud aan tabelcellen toevoegen op pagina 85 voor instructies. Voeg alleen formules toe die verwijzen naar cellen in de tabel die u definieert. 5 Kies 'Opmaak' > 'Geavanceerd' > 'Leg tabel vast'. 6 Hier typt u een naam voor de tabel. 7 Selecteer 'Standaardstijl uit het document' om de standaardtabelstijl toe te passen die wordt gebruikt als de tabel aan de spreadsheet wordt toegevoegd. Anders wordt de tabelstijl gebruikt die u in stap 2 hebt gedefinieerd. 58 Hoofdstuk 3 Werken met tabellen

59 8 Klik op 'OK'. U kunt nu een kopie van uw herbruikbare tabel aan de huidige spreadsheet toevoegen door de tabel te kiezen in het menu met vooraf gedefinieerde tabellen dat verschijnt wanneer u klikt op de knop 'Tabel' in de knoppenbalk of 'Voeg in' > 'Tabel' kiest. Om de tabellen in het menu anders te ordenen, een andere naam te geven of te verwijderen, kiest u 'Opmaak' > 'Geavanceerd' > 'Beheer tabellen'. Om de naam van een tabel te wijzigen, klikt u dubbel op de tabel. Selecteer een tabel en klik op de pijl omhoog of de pijl omlaag om de tabel omhoog of omlaag te verplaatsen. Klik op de knop met het minteken om een tabel te verwijderen. Als u klaar bent, klikt u op 'Gereed'. De wijzigingen in de tabel en in het menu zijn alleen van toepassing op de huidige spreadsheet. Om herbruikbare tabellen en menuwijzigingen beschikbaar te maken voor andere spreadsheets, bewaart u de spreadsheet als een sjabloon (zie Een aangepaste sjabloon bewaren op pagina 278) Een tabel naar een ander iwork-programma kopiëren U kunt tabellen van het ene naar het andere iwork-programma kopiëren. De weergave, gegevens en andere kenmerken van de tabel blijven behouden. Bepaalde functies van Numbers worden echter niet ondersteund door de andere programma's: ÂÂ Rijen of kolommen die in Numbers verborgen zijn, worden verwijderd. ÂÂ Opmerkingen die aan tabelcellen in Numbers zijn toegevoegd, worden niet gekopieerd. Een tabel van het ene naar het andere iwork-programma kopiëren 1 Selecteer de tabel die u wilt kopiëren, zoals beschreven in Een tabel selecteren op pagina Kies 'Wijzig' > 'Kopieer'. 3 Plaats in het andere programma het invoegpunt op de positie waar u de tabel wilt plaatsen en kies vervolgens 'Wijzig' > 'Plak'. Tabellen en tabelonderdelen selecteren Als u tabellen, rijen, kolommen, tabelcellen of randen van tabelcellen wilt bewerken, moet u deze onderdelen eerst selecteren. Hoofdstuk 3 Werken met tabellen 59

60 Voor informatie over Zie Tabellen selecteren Een tabel selecteren op pagina 60 Een tabelcel selecteren Een tabelcel selecteren op pagina 60 Een groep tabelcellen selecteren Een groep tabelcellen selecteren op pagina 61 Een rij of kolom selecteren Celranden selecteren Een rij of kolom in een tabel selecteren op pagina 62 Een rand van een tabelcel selecteren op pagina 62 Een tabel selecteren Als u een tabel selecteert, worden aan de randen van de tabel selectiegrepen weergegeven. Manieren om een tabel te selecteren: mm Klik in het paneel 'Werkbladen' op de naam van de tabel. mm Als een tabelcel niet is geselecteerd, verplaatst u de aanwijzer naar de rand van de tabel. Als naast de aanwijzer een zwart kruis wordt weergegeven, kunt u de tabel selecteren door te klikken. mm Als een tabelcel of randsegment is geselecteerd, klikt u op de tabelgreep linksboven om de tabel te selecteren. U kunt ook op Command + Return drukken. Een tabelcel selecteren Wanneer u een cel selecteert, wordt de rand van de geselecteerde cel gemarkeerd. Wanneer u een cel selecteert, verschijnen bovendien aan de bovenkant en zijkant van de tabel verwijzingslabels. Eén tabelcel selecteren 1 Beweeg de aanwijzer over de cel. De aanwijzer verandert in een wit kruis. 2 Klik op de cel. Als u een cel hebt geselecteerd, kunt u met de Tab-toets, de Return-toets en pijltoetsen de selectie naar een aangrenzende cel verplaatsen. Als u in het gedeelte 'Tabelopties' van het infovenster 'Tabel' het aankruisvak 'Naar volgende cel met Returntoets' uitschakelt, werken de Return- en Tab-toets anders. Schakel dit aankruisvak uit als u met de Return-toets een regeleinde binnen de cel wilt invoegen. Dit is met name handig wanneer u alinea's met tekst typt in een cel. 60 Hoofdstuk 3 Werken met tabellen

61 Gewenste selectie De cel rechts van de huidige cel Als het aankruisvak 'Naar volgende cel met Return-toets' is ingeschakeld Druk op de Tab-toets. Als u op de Tab-toets drukt terwijl de laatste cel in een kolom is geselecteerd, wordt er een nieuwe kolom toegevoegd. Als u gegevens aan de laatste kolom hebt toegevoegd of de gegevens in deze kolom hebt gewijzigd, moet u twee keer op de Tab-toets drukken om een nieuwe kolom toe te voegen. Als het aankruisvak Naar volgende cel met Return-toets' niet is ingeschakeld Druk op de Tab-toets. Als u in de laatste kolom op de Tab-toets drukt, wordt de eerste cel van de volgende rij geselecteerd. Als u in de laatste cel van de tabel op de Tab-toets drukt, wordt een nieuwe rij toegevoegd. De vorige cel Druk op Shift + Tab. Druk op Shift + Tab. Als u in de eerste cel op Shift + Tab drukt, wordt de laatste cel geselecteerd. De cel onder de huidige cel Druk op de pijl omlaag of de Return-toets. Als u met behulp van de Tabtoets naar andere cellen bent gesprongen, wordt de cel onder de cel waarin u voor het eerst op de Tab-toets hebt gedrukt geselecteerd als u op de Returntoets drukt. Als u op de Return-toets drukt terwijl de laatste cel in een rij is geselecteerd, wordt er een nieuwe rij toegevoegd. Als u gegevens aan de laatste cel hebt toegevoegd of de gegevens in deze cel hebt gewijzigd, moet u twee keer op de Return-toets drukken om een nieuwe rij toe te voegen. Druk op de Pijl-omlaag-toets. De cel boven de huidige cel Druk op de Pijl-omhoog-toets of Shift + Return. Druk op de Pijl-omhoog-toets of Shift + Return. Een groep tabelcellen selecteren U kunt aangrenzende of niet-aangrenzende cellen selecteren. Manieren om een groep cellen te selecteren: mm Om aangrenzende tabelcellen te selecteren, selecteert u de eerste cel en houdt u vervolgens de Shift-toets ingedrukt terwijl u de overige cellen selecteert. Hoofdstuk 3 Werken met tabellen 61

62 mm U kunt ook op de eerste cel klikken en de muisknop ingedrukt houden terwijl u de muisaanwijzer over het gewenste cellenbereik sleept. Om niet-aangrenzende cellen te selecteren, houdt u de Command-toets ingedrukt terwijl u de gewenste cellen selecteert. Als u een cel in de groep wilt deselecteren, klikt u terwijl u de Command-toets ingedrukt houdt. Een rij of kolom in een tabel selecteren U kunt rijen en kolommen selecteren met behulp van de verwijzingslabels. Een gehele rij of kolom selecteren 1 Selecteer een willekeurige tabelcel zodat de verwijzingslabels worden weergegeven. 2 Ga op een van de volgende manieren te werk: ÂÂ Om een kolom te selecteren, klikt u op de verwijzingslabel boven de kolom. ÂÂ Om een rij te selecteren, klikt u op de verwijzingslabel links naast de rij. Een rand van een tabelcel selecteren Selecteer segmenten van een celrand wanneer u deze wilt opmaken of wilt verslepen om de grootte van rijen en kolommen aan te passen. Eén randsegment is één zijde van een cel. Een lang randsegment omvat alle aangrenzende randsegmenten. Eén (horizontaal) randsegment Eén (verticaal) randsegment Een lang (verticaal) randsegment Een lang (horizontaal) randsegment Nadat u randsegmenten hebt geselecteerd, kunt u de kleur en lijn van de segmenten opmaken zoals wordt beschreven in De rand van tabelcellen opmaken op pagina 96. Ook kunt u de segmenten slepen om rijen en kolommen groter of kleiner te maken. Zie De grootte van een rij of kolom wijzigen op pagina 71 voor meer informatie. mm Manieren om randsegmenten te selecteren: Om randsegmenten snel te selecteren om de opmaak ervan aan te passen, selecteert u een tabel, rij, kolom of cel. 62 Hoofdstuk 3 Werken met tabellen

63 Klik op de knop voor het opmaken van randen in de opmaakbalk en kies een optie uit het venstermenu. Knop voor celranden mm U kunt ook op de knoppen voor celranden in het infovenster 'Tabel' klikken om een randsegment te selecteren. Om randsegmenten te selecteren om de opmaak ervan te wijzigen of om rijen en kolommen groter of kleiner te maken, moet u instellen dat u celranden kunt selecteren. Kies 'Sta randselectie toe' uit het venstermenu van de knop voor het opmaken van randen in de opmaakbalk of kies 'Tabel' > 'Sta randselectie toe' en selecteer vervolgens de tabel waarmee u wilt werken. De aanwijzer verandert van vorm wanneer deze op een horizontaal of verticaal segment wordt geplaatst. Het randsegment lijkt te worden gesplitst door de aanwijzer. De aanwijzer ziet er zo uit wanneer deze op een horizontaal segment is geplaatst. De aanwijzer ziet er zo uit wanneer deze op een verticaal segment is geplaatst. Om een lang randsegment te selecteren, klikt u op een horizontale of verticale celrand. Om de selectie te wijzigen in één randsegment, klikt u nogmaals erop. Om één of een lang randsegment aan de selectie toe te voegen, houdt u de Shift- of Command-toets ingedrukt terwijl u klikt. Om de selectie van één randsegment op te heffen, houdt u de Shift- of Command-toets ingedrukt terwijl u klikt. Om de selectie van één randsegment te wijzigen in die van een lang randsegment en omgekeerd, klikt u op een rand. Om in te stellen dat celranden niet kunnen worden geselecteerd, kiest u 'Tabel' > 'Sta randselectie niet toe' uit het venstermenu voor het opmaken van randen in de opmaakbalk of kiest u 'Tabel' > 'Sta randselectie niet toe'. Hoofdstuk 3 Werken met tabellen 63

64 Werken met rijen en kolommen in een tabel U kunt snel rijen en kolommen toevoegen of verwijderen en een koptekstrij of -kolom of een voettekstrij toevoegen. Wanneer u rijen of kolommen in een tabel invoegt, verwijdert, toont of verbergt, of de grootte ervan wijzigt, worden andere objecten in het werkblad mogelijk verplaatst om te voorkomen dat objecten elkaar overlappen, of om de posities van de objecten ten opzichte van elkaar te behouden. Om te voorkomen dat objecten automatisch worden verplaatst, kiest u 'Numbers' > 'Voorkeuren' en schakelt u in het paneel 'Algemeen' het aankruisvak 'Verplaats objecten automatisch bij wijziging tabelgrootte' uit. Voor informatie over Nieuwe rijen in een tabel invoegen Rijen aan een tabel toevoegen op pagina 65 Zie Nieuwe kolommen in een tabel invoegen Rijen en kolommen verplaatsen of kopiëren naar een andere locatie in dezelfde of een andere tabel Kolommen aan een tabel toevoegen op pagina 66 Rijen en kolommen ordenen op pagina 67 Rijen en kolommen verwijderen Een rij of kolom verwijderen op pagina 67 Koptekstrijen en koptekstkolommen gebruiken Koptekstrijen of koptekstkolommen aan een tabel toevoegen op pagina 68 U kunt koptekstrijen en koptekstkolommen vastzetten zodat deze zichtbaar blijven wanneer u door de rijen en kolommen van een tabel scrolt Koptekstrijen en koptekstkolommen vastzetten op pagina 69 Voettekstrijen gebruiken Grootte van rijen en kolommen wijzigen Elke tweede rij in een tabel een andere achtergrondkleur geven Geselecteerde rijen en kolommen verbergen Rijen in oplopende of aflopende volgorde sorteren aan de hand van de celwaarden in een of meer kolommen Rijen verbergen die niet bepaalde waarden bevatten Voettekstrijen aan een tabel toevoegen op pagina 70 De grootte van een rij of kolom wijzigen op pagina 71 Wisselende tabelrijkleuren op pagina 72 Tabelrijen of -kolommen verbergen op pagina 72 Rijen in een tabel sorteren op pagina 74 Rijen in een tabel filteren op pagina Hoofdstuk 3 Werken met tabellen

65 Voor informatie over Rijen ordenen in categorieën en subcategorieën om de nadruk te leggen op gemeenschappelijke kenmerken Zie Tabelcategorieën aanmaken op pagina 76 Categorieën en subcategorieën van tabellen definiëren op pagina 77 Categorieën en subcategorieën van tabellen verwijderen op pagina 82 Categorieën en subcategorieën van tabellen beheren op pagina 83 Rijen aan een tabel toevoegen U kunt rijen in een tabel of aan het einde van een tabel invoegen. In tabellen met een voettekstrij worden de rijen die u onderaan toevoegt boven de voettekstrij geplaatst. Als er filtercriteria aan de tabel zijn verbonden, kunt u alleen nieuwe rijen toevoegen als de rijen niet zijn gefilterd. Zie Rijen in een tabel filteren op pagina 75 voor instructies. Als alle tabelcellen in een kolom boven de nieuwe rij dezelfde formule of celfunctie bevatten, wordt deze overgenomen in de nieuwe rij. Manieren om rijen toe te voegen: mm Om een rij in te voegen boven een geselecteerde cel, drukt u op Option + Pijl- omhoog. Om een rij in te voegen onder een geselecteerde cel, drukt u op Option + Pijl-omlaag. mm U kunt één rij invoegen boven of onder een bepaalde rij door de aanwijzer op de verwijzingslabel van een rij te plaatsen en zo de menupijl weer te geven. Vervolgens klikt u op de pijl en kiest u 'Voeg rij boven toe' of 'Voeg rij onder toe' uit het venstermenu. U kunt ook klikken in een rij en vervolgens 'Tabel' > 'Voeg rij boven toe' of 'Tabel' > 'Voeg rij onder toe' kiezen. mm Om meerdere rijen toe te voegen, selecteert u het aantal rijen dat u wilt toevoegen (selecteer drie rijen als u drie rijen wilt toevoegen). Om rijen toe te voegen na een bepaalde rij, zorgt u dat de onderste geselecteerde rij de rij is waarachter de nieuwe rijen moeten komen. Om vóór een bepaalde rij de rijen toe te voegen, zorgt u dat de bovenste geselecteerde rij de rij is waarvoor de nieuwe rijen moeten komen. Kies vervolgens 'Tabel' > 'Voeg rijen boven toe' of 'Tabel' > 'Voeg rijen onder toe'. mm Om onder aan de tabel een rij toe te voegen, selecteert u de laatste cel en drukt u op de Return-toets. Druk tweemaal op de Return-toets als u de celwaarde zojuist hebt toegevoegd of gewijzigd en u de cel nog steeds aan het bewerken bent. Als het aankruisvak 'Naar volgende cel met Return-toets' niet is ingeschakeld in het gedeelte 'Tabelopties' van het infovenster 'Tabel', drukt u op de Tab-toets als u zich in de laatste cel van de rij bevindt. Hoofdstuk 3 Werken met tabellen 65

66 mm Om een of meer rijen aan het einde van de tabel toe te voegen, gebruikt u de rijgreep linksonder. Deze verschijnt wanneer u een cel hebt geselecteerd. Om een rij onder aan de tabel toe te voegen, klikt u eenmaal op de rijgreep. Om meerdere rijen aan het einde van de tabel toe te voegen, sleept u de rijgreep of de kolom- en rijgreep (rechtsonder) omlaag. Om tegelijkertijd rijen en kolommen toe te voegen, sleept u de kolom- en rijgrepen diagonaal. mm U kunt cellen in twee gelijke rijen splitsen. In Tabelcellen splitsen op pagina 95 wordt beschreven hoe u dit doet. Kolommen aan een tabel toevoegen Manieren om kolommen toe te voegen: mm Om een kolom in te voegen na een geselecteerde cel, drukt u op Option + Pijl-rechts. Om een kolom in te voegen vóór een geselecteerde cel, drukt u op Option + Pijl-links. mm Om één kolom toe te voegen, plaatst u de aanwijzer op de verwijzingslabel van een kolom om de menupijl weer te geven. Vervolgens klikt u op de pijl en kiest u 'Voeg kolom links toe' of 'Voeg kolom rechts toe' uit het venstermenu. U kunt ook een rij selecteren en deze commando's vervolgens uit het Tabel-menu kiezen. mm Om meerdere kolommen toe te voegen, selecteert u het aantal kolommen dat u wilt toevoegen (selecteer drie kolommen als u drie kolommen wilt toevoegen). Om kolommen toe te voegen na een bepaalde kolom, zorgt u dat de uiterst rechtse geselecteerde kolom de kolom is waarachter de nieuwe kolommen moeten komen. Om vóór een bepaalde kolom de kolommen toe te voegen, zorgt u dat de uiterst linkse geselecteerde kolom de kolom is waarvoor de nieuwe kolommen moeten komen. Vervolgens kiest u een van de hierboven beschreven commando's. mm Als u het aankruisvak 'Naar volgende cel met Return-toets' in het infovenster 'Tabel' hebt ingeschakeld, kunt u de Tab-toets gebruiken om een kolom aan de rechterkant van de tabel toe te voegen. Hiervoor drukt u eenmaal op de Tab-toets terwijl de laatste cel is geselecteerd. Druk tweemaal op de Tab-toets als u de celwaarde net hebt toegevoegd of gewijzigd en u de cel nog aan het wijzigen bent. mm Om een of meer kolommen aan de rechterkant van de tabel toe te voegen, gebruikt u de kolomgreep rechtsboven. Deze verschijnt wanneer u een cel hebt geselecteerd. Om een kolom aan de rechterkant van de tabel toe te voegen, klikt u op de kolomgreep. Om meerdere kolommen toe te voegen aan de rechterkant van de tabel, sleept u de kolomgreep of de kolom- en rijgreep (rechtsonder) naar rechts. Om tegelijkertijd rijen en kolommen toe te voegen, sleept u de kolom- en rijgrepen diagonaal. 66 Hoofdstuk 3 Werken met tabellen

67 mm U kunt cellen in twee gelijke kolommen splitsen. In Tabelcellen splitsen op pagina 95 wordt beschreven hoe u dit doet. Rijen en kolommen ordenen U kunt de verwijzingslabel van een rij of kolom gebruiken om de rij of kolom naar een andere positie in dezelfde tabel of naar een andere tabel te verplaatsen of te kopiëren. Manieren om rijen en kolommen te ordenen: mm Om een kolom of rij naar een andere positie in dezelfde tabel of een andere tabel te verplaatsen, klikt u op de verwijzingslabel van de kolom of rij, en sleept u de verwijzingslabel terwijl u de muisknop ingedrukt houdt. Wanneer de vet weergegeven lijn op de plek waar u de kolom of rij wilt invoegen is gemarkeerd, laat u de label los. mm Om een kopie van een rij of kolom elders in de tabel of in een andere tabel in te voegen, klikt u op de verwijzingslabel en houdt u vervolgens de Option-toets en de verwijzingslabel ingedrukt terwijl u de kolom of rij naar de gewenste positie sleept. U kunt ook één cel of een groep aangrenzende cellen binnen de tabel of naar een andere tabel kopiëren of verplaatsen. Zie Cellen kopiëren en verplaatsen op pagina 96 voor instructies. Een rij of kolom verwijderen Er zijn verschillende manieren om een of meerdere rijen of kolommen in een tabel te verwijderen. Manieren om rijen of kolommen te verwijderen: mm Selecteer een of meer rijen of kolommen of een cel in een rij of kolom en kies 'Tabel' > 'Verwijder rij' of 'Tabel' > 'Verwijder kolom'. mm Om één rij of kolom te verwijderen, plaatst u de aanwijzer op de verwijzingslabel van een rij om de menupijl weer te geven. Vervolgens klikt u op de pijl en kiest u 'Verwijder rij of 'Verwijder kolom' uit het venstermenu. mm Om een aantal aangrenzende rijen of kolommen te verwijderen, selecteert u de gewenste rijen of kolommen en kiest u vervolgens 'Verwijder geselecteerde rijen' of 'Verwijder geselecteerde kolommen' uit het venstermenu van de verwijzingslabel van een van de geselecteerde rijen of kolommen. mm Om lege rijen te verwijderen, sleept u de rijgreep linksonder of de kolomgreep rechtsonder omhoog. Om rijen inclusief de inhoud te verwijderen, houdt u de Option-toets ingedrukt terwijl u sleept. mm Om lege kolommen te verwijderen, sleept u de kolomgreep rechtsboven naar links. Om kolommen inclusief de inhoud te verwijderen, houdt u de Option-toets ingedrukt terwijl u sleept. Hoofdstuk 3 Werken met tabellen 67

68 Koptekstrijen of koptekstkolommen aan een tabel toevoegen Met koptekstrijen en -kolommen kunt u rijen en kolommen labelen. Koptekstrijen en -kolommen hebben een andere opmaak dan de overige rijen en kolommen in de tabel, zodat ze duidelijk zichtbaar zijn. Koptekstrijen staan altijd direct boven de eerste tabelrij. Koptekstkolommen staan altijd direct links van de eerste tabelkolom. U kunt maximaal vijf koptekstrijen en vijf koptekstkolommen gebruiken. Meerdere kopteksten zijn handig als u namen aan twee of meer koptekstkolommen of koptekstrijen wilt toewijzen. Om een koptekst zo op te maken dat deze meerdere rijen of kolommen omspant, voegt u de koptekstcellen samen, zoals beschreven in Tabelcellen samenvoegen op pagina 94. Als een tabel zowel koptekstrijen als koptekstkolommen heeft, behoren de cel of cellen linksboven tot de koptekstrij. Koptekstkolommen worden onder eventuele koptekstrijen weergegeven. Rijen met koptekst en kolommen met koptekst kunnen zo worden gedefinieerd dat ze aan het begin van de tabel worden weergegeven. Als de tabel meerdere pagina's in beslag neemt, worden deze op elke pagina weergegeven. Klik in de afdrukweergave op de gewenste knop voor koptekst in de opmaakbalk en kies 'Herhaal koptekstrijen op elke pagina'. Als een tabel doorloopt over meerdere pagina's en u de tekst bewerkt of de vormgeving van een koptekstrij of koptekstkolom op één plek wijzigt, wordt deze wijziging overal in de tabel consistent doorgevoerd. ÂÂ Zie Een werkblad in pagina's verdelen op pagina 46 voor meer informatie over de afdrukweergave. ÂÂ Zie Koptekstrijen en koptekstkolommen vastzetten op pagina 69 voor meer informatie over het in beeld houden van kopteksten wanneer u niet in de afdrukweergave werkt. mm Manieren om koptekstrijen of -kolommen toe te voegen of te verwijderen: Als een tabel geen koptekstrij of -kolom bevat, selecteert u de tabel en klikt u in de opmaakbalk op de gewenste knop voor het toevoegen van een koptekstrij of -kolom. Klik nogmaals op de knop om de koptekstrij of -kolom te verwijderen. 68 Hoofdstuk 3 Werken met tabellen

69 mm Klik in de knoppenbalk op het driehoekje naast een knop voor het toevoegen van een koptekstrij of -kolom en kies uit het venstermenu het aantal koptekstrijen of -kolommen dat u wilt toevoegen. Kies '0' om alle koptekstrijen of koptekstkolommen te verwijderen. Hiermee voegt u kolommen met koptekst toe. Hiermee voegt u rijen met koptekst toe. mm Om een koptekstrij of -kolom te verwijderen, plaatst u de muisaanwijzer op de verwijzingslabel van een koptekstrij of -kolom om de menupijl weer te geven. Vervolgens klikt u op de pijl en kiest u 'Verwijder rij' of 'Verwijder kolom' uit het venstermenu. mm Selecteer een tabel of onderdeel van een tabel. Klik op de knop 'Info' in de knoppenbalk, klik op de knop 'Tabelinfo' en klik vervolgens op de juiste knop voor kop- en voetteksten. Kies het aantal koptekstrijen of -kolommen uit het venstermenu. mm Selecteer een tabel of onderdeel van een tabel en kies vervolgens 'Tabel' > 'Koptekstrijen' of 'Tabel' > 'Koptekstkolommen'. Kies vervolgens het aantal koptekstrijen of -kolommen uit het submenu. mm U kunt de eerste tabelrij of de eerste tabelkolom omzetten in een koptekstrij of een koptekstkolom. Plaats de muisaanwijzer op de verwijzingslabel van een tabelrij of -kolom om de menupijl weer te geven. Klik op de pijl en kies vervolgens 'Zet om in koptekstrij' of 'Zet om in koptekstkolom' uit het venstermenu. Deze opties kunt u alleen kiezen als er vier of minder bestaande koptekstrijen of -kolommen zijn. mm Cellen met koptekst spelen een belangrijke rol bij het aanmaken en leesbaar maken van formules in tabelcellen. Zie Naar cellen verwijzen in formules op pagina 139 voor meer informatie. Koptekstrijen en koptekstkolommen vastzetten Wanneer u niet werkt in de afdrukweergave (waarin koptekstrijen en -kolommen op elke pagina worden herhaald), kunt u de optie voor vastzetten gebruiken zodat kopteksten zichtbaar blijven terwijl u door het document scrolt. Manieren om koptekstrijen en -kolommen van een tabel vast te zetten en weer los te maken: Selecteer de tabel of een element in de tabel, klik op de knop voor de koptekstrij of -kolom in de opmaakbalk en selecteer 'Zet koptekstkolommen vast' of 'Zet koptekstrijen vast' in het venstermenu, of hef de selectie van deze opties op. Hoofdstuk 3 Werken met tabellen 69

70 mm U kunt deze commando's ook uitvoeren met de koptekstknoppen in het infovenster 'Tabel'. Selecteer de tabel of een onderdeel van een tabel en kies vervolgens 'Tabel' > 'Koptekstkolommen' of 'Tabel' > 'Koptekstrijen'. Selecteer vervolgens 'Zet koptekstkolommen vast' of 'Zet koptekstrijen vast' of hef de selectie hiervan op. Voettekstrijen aan een tabel toevoegen Met voettekstrijen kunt u de aandacht vestigen op de onderste rijen van een tabel. Voettekstrijen worden zo opgemaakt dat ze er anders uitzien dan de overige tabelrijen. Een voettekstrij bestaat uit de onderste cel van elke kolom. U kunt maximaal vijf voettekstrijen gebruiken. Om een voettekst zo op te maken dat deze meerdere rijen of kolommen omspant, voegt u de voettekstcellen samen, zoals beschreven in Tabelcellen samenvoegen op pagina 94. Manieren om voettekstrijen toe te voegen of te verwijderen: mm Als een tabel geen voettekstrij of -kolom bevat, selecteert u de tabel en klikt u in de opmaakbalk op de gewenste knop voor het toevoegen van een voettekstrij of -kolom. Klik nogmaals op de knop om de voettekstrij of -kolom te verwijderen. mm Klik in de knoppenbalk op het driehoekje naast een knop voor het toevoegen van een voettekstrij of -kolom en kies uit het venstermenu het aantal voettekstrijen of -kolommen dat u wilt toevoegen. Kies '0' om alle voettekstrijen te verwijderen. Hiermee voegt u rijen met voettekst toe. 70 Hoofdstuk 3 Werken met tabellen

71 mm Om een voettekstrij te verwijderen, plaatst u de aanwijzer op de verwijzingslabel van de rij om de menupijl weer te geven. Vervolgens klikt u op de pijl en kiest u 'Verwijder rij' uit het venstermenu. mm Selecteer een tabel of onderdeel van een tabel. Klik op de knop 'Info' in de knoppenbalk, klik op de knop 'Tabelinfo' en klik vervolgens op de juiste knop voor het toevoegen van een voettekstrij of -kolom. Kies het aantal voettekstrijen uit het venstermenu. mm Selecteer een tabel of onderdeel van een tabel en kies vervolgens 'Tabel' > 'Voettekstrijen'. Kies vervolgens het aantal voettekstrijen uit het submenu. De grootte van een rij of kolom wijzigen U kunt de grootte van alle rijen en kolommen in een tabel aanpassen, zodat alle rijen en kolommen even groot zijn. U kunt ook alleen het formaat van bepaalde rijen of kolommen in een tabel wijzigen. Manieren om de grootte van rijen en kolommen te wijzigen: mm Om alle rijen even groot te maken, selecteert u de tabel of een of meer kolommen en kiest u vervolgens 'Tabel' > 'Verdeel rijen gelijkmatig'. mm Om alle kolommen even groot te maken, selecteert u de tabel of een of meer rijen en kiest u vervolgens 'Tabel' > 'Verdeel kolommen gelijkmatig'. mm Om de grootte van één rij te wijzigen, sleept u de onderrand van de verwijzingslabel van de gewenste rij omhoog of omlaag. U kunt ook een cel in de rij selecteren en de gewenste waarde opgeven in het veld 'Rijhoogte' in het infovenster 'Tabel'. mm Om de grootte van één kolom te wijzigen, sleept u de rechterrand van de verwijzingslabel van de gewenste kolom naar links of rechts. U kunt ook een cel in de kolom selecteren en de gewenste waarde opgeven in het veld 'Kolombreedte' in het infovenster 'Tabel'. mm Om een aantal rijen even groot te maken, selecteert u een of meer cellen in de gewenste rijen en kiest u 'Tabel' > 'Verdeel rijen gelijkmatig'. De rijen hoeven niet aangrenzend te zijn. U kunt ook de onderrand van de verwijzingslabel van één van de rijen omhoog of omlaag slepen, of de gewenste waarde opgeven in het veld 'Rijhoogte' in het infovenster 'Tabel'. mm Om een aantal kolommen even groot te maken, selecteert u een of meer cellen in de gewenste kolommen en kiest u 'Tabel' > 'Verdeel kolommen gelijkmatig'. De kolommen hoeven niet aangrenzend te zijn. U kunt ook de rechterrand van de verwijzingslabel van één van de kolommen naar links of naar rechts slepen, of de gewenste waarde opgeven in het veld 'Rijhoogte' in het infovenster 'Tabel'. Hoofdstuk 3 Werken met tabellen 71

72 mm Om een rij of kolom te verkleinen om overbodige ruimte te verwijderen wanneer celwaarden de cellen niet helemaal vullen, selecteert u een cel en klikt u op de gewenste knop voor vulling in het infovenster 'Tabel'. U kunt ook dubbel klikken op het scheidingsteken van een verwijzingslabel van een kolom of rij. Zie Inhoud weergeven die niet in de tabelcel past op pagina 89 voor opties als de celinhoud wordt afgekapt na een formaatwijziging. mm Als u het formaat van kolommen en rijen wilt wijzigen door randsegmenten te slepen, kiest u 'Sta randselectie toe' uit het venstermenu van de knop voor het opmaken van randen in de opmaakbalk of kiest u 'Tabel' > 'Sta randselectie toe'. Selecteer de tabel, klik en sleep een horizontale of verticale rand. Wisselende tabelrijkleuren U kunt rijen om en om een andere achtergrondkleur geven, zodat er een fraai kleureneffect ontstaat. Wisselende rijkleuren instellen 1 Selecteer de tabel of een onderdeel van de tabel. 2 Klik op de knop 'Info' in de knoppenbalk en klik vervolgens op de knop 'Tabelinfo'. 3 Schakel het aankruisvak 'Wisselende rijkleur' in. 4 Klik in het bijbehorende kleurenvak om het venster 'Kleuren' te openen en kies een kleur voor de rij. Zie Het venster 'Kleuren' op pagina 25 voor instructies. 5 De kleur van de overige rijen kunt u instellen met behulp van de regelaars voor 'Celachtergrond' in het infovenster 'Tabel'. Zie Een kleur of afbeelding als vulling voor een object gebruiken op pagina 252 voor instructies. Tabelrijen of -kolommen verbergen Als u bepaalde rijen of kolommen tijdelijk niet wilt gebruiken of weergeven, kunt u deze verbergen. De opmaak van een verborgen rij of kolom kan niet worden gewijzigd. Ook kunt u een verborgen rij of kolom niet samenvoegen, splitsen of op een andere manier bewerken. Formules die verborgen cellen gebruiken worden echter niet beïnvloed, en ook bij sorteren wordt rekening gehouden met verborgen waarden. Als een rij of kolom verborgen is, ziet u een onderbreking in de rijnummers of kolomletters in de verwijzingslabels. 72 Hoofdstuk 3 Werken met tabellen

73 Manieren om rijen en kolommen te verbergen en zichtbaar te maken: mm Om een enkele rij of kolom te verbergen, kiest u 'Verberg rij' of 'Verberg kolom' uit het venstermenu van de verwijzingslabel voor de rij of kolom. Om meerdere rijen of kolommen te verbergen, selecteert u de rijen of een cel in elke rij en kiest u vervolgens 'Verberg geselecteerde rijen' of 'Verberg geselecteerde kolommen' uit een venstermenu van een verwijzingslabel. mm Om alle verborgen rijen en kolommen in een tabel weer te geven, selecteert u de tabel of een onderdeel van de tabel en kiest u vervolgens 'Tabel' > 'Maak alle rijen zichtbaar' of 'Tabel' > 'Maak alle kolommen zichtbaar'. U kunt deze commando's ook kiezen uit het venstermenu van een willekeurige verwijzingslabel. mm Om verborgen rijen direct boven een rij of verborgen kolommen direct links van een kolom zichtbaar te maken, klikt u op de verwijzingslabel van de gewenste rij of kolom en kiest u vervolgens 'Maak rijen rijnummers zichtbaar' of 'Maak kolommen kolomletters zichtbaar' uit het venstermenu. mm Om verborgen rijen of kolommen in een geselecteerde reeks rijen of kolommen zichtbaar te maken, selecteert u de reeks en kiest u vervolgens 'Maak geselecteerde rijen zichtbaar' uit het venstermenu van een willekeurige geselecteerde rij of kolom. Rijen of kolommen die in Numbers-tabellen zijn verborgen, worden verwijderd wanneer de tabellen naar een ander iwork-programma worden gekopieerd. Rijen en kolommen met samengevoegde cellen kunt u niet verbergen. Hoofdstuk 3 Werken met tabellen 73

74 Rijen in een tabel sorteren U kunt de waarden van bepaalde of alle cellen in een kolom in oplopende of aflopende volgorde sorteren. De rijen die de cellen bevatten die worden gesorteerd, worden opnieuw geordend. Cellen met koptekst worden echter niet gesorteerd. Bij sorteren wordt rekening gehouden met verborgen rijen en kolommen. Manieren om te sorteren: mm Om een tabel te sorteren door de volgorde van cellen in een kolom te wijzigen, kiest u 'Sorteer oplopend' of 'Sorteer aflopend' uit het venstermenu van de verwijzingslabel van de kolom. U kunt ook in een tabel klikken en vervolgens op 'Reorganiseer' in de knoppenbalk klikken, of 'Toon meer opties' kiezen uit het venstermenu van een verwijzingslabel om het reorganisatievenster te openen. Klik op het driehoekje naast 'Sorteer' om de sorteerregelaars weer te geven. Kies 'Sorteer hele tabel' uit het venstermenu en kies vervolgens een kolom en sorteervolgorde uit de andere venstermenu's. mm Om slechts een deel van een tabel te sorteren, selecteert u de rijen die u wilt sorteren, opent u het reorganisatievenster en kiest u 'Sorteer geselecteerde rijen' uit het venstermenu. Kies vervolgens een sorteerkolom en sorteervolgorde uit de andere venstermenu's. mm Om waarden opnieuw te sorteren nadat u ze hebt gewijzigd, opent u het reorganisatievenster en klikt u op 'Sorteer nu'. mm Om de tabel te sorteren op één kolom en vervolgens de resultaten opnieuw te sorteren op een andere kolom, opent u het reorganisatievenster en kiest u een optie uit de drie vervolgmenu's. Vervolgens klikt u op de knop met het plusteken en kiest u opties voor de tweede sortering. Om de aanvullende sorteercriteria toe te passen, klikt u opnieuw op de knop met het plusteken. In de onderstaande tabel wordt beschreven hoe verschillende typen gegevens in oplopende of aflopende volgorde worden gesorteerd. 74 Hoofdstuk 3 Werken met tabellen

75 Gegevens Oplopende volgorde Aflopende volgorde Tekst aa-zz Zz-Aa Datums Jaar (minst recent eerst), vervolgens de maand (januari eerst) en vervolgens de dag (1-31) Jaar (meest recent eerst), vervolgens de maand (december eerst) en vervolgens de dag (31-1) Numbers -2, -1, 0, 1, enzovoort 1, 0, -1, -2, enzovoort Cellen die alleen tekst bevatten, gemengd met cellen die alleen getallen bevatten -2, -1, 0, 1, enzovoort en vervolgens aa-zz Zz-Aa, vervolgens 1, 0, -1, -2, enzovoort Cellen die tekst en getallen door elkaar bevatten Eerst waarden die beginnen met getallen (1z, 1Z, a1, A1) Eerst waarden die beginnen met tekst (A1, a1, 1A, 1z) Lege cellen Onderaan Onderaan Booleaans (WAAR, ONWAAR) Onder tekst en boven een lege cel Boven tekst Rijen in een tabel filteren U kunt tabelrijen die niet de gewenste waarden bevatten, verbergen. Wanneer u tabelcellen sorteert, wordt rekening gehouden met waarden in verborgen rijen. Criteria opgeven om rijen weer te geven 1 Klik in de tabel. 2 Klik op 'Reorganiseer' in de knoppenbalk of kies 'Toon meer opties' uit het venstermenu van een verwijzingslabel om het reorganisatievenster te openen. 3 Klik op het driehoekje naast 'Filter' om de filterregelaars weer te geven. 4 Kies de kolom waaruit u de waarden wilt gebruiken om filtercriteria aan te maken. 5 Gebruik de overige functies om de kolomwaarden te definiëren voor de rijen die u wilt weergeven. 6 Om aanvullende filtercriteria te gebruiken, klikt u op de knop met het plusteken en definieert u de gewenste criteria. Als u 'ligt in hoogste n waarden' of 'ligt in laagste n waarden' kiest, worden alle waarden die overeenkomen met de bovenste of onderste n-waarde weergegeven. Dit kunnen meer waarden dan n zijn. Hoofdstuk 3 Werken met tabellen 75

76 Opmerking: U kunt pas nieuwe rijen aan de tabel toevoegen als de tabel niet meer gefilterd is. Om het filteren van rijen in de tabel uit te schakelen, schakelt u het aankruisvak 'Toon rijen die overeenkomen met' in het reorganisatievenster uit. Tabelcategorieën aanmaken U kunt een tabel opdelen in categorieën. U kunt categorieën aanmaken door bepaalde rijen voor een categorie te selecteren of u kunt instellen dat categorieën en subcategorieën automatisch worden aangemaakt in Numbers aan de hand van de waarde in een of meer kolommen van de tabel (categoriewaardekolommen). Als u categoriewaardekolommen gebruikt en waarden in deze kolommen wijzigt, kunnen rijen als gevolg daarvan naar een andere categorie worden verplaatst. Boven elke categorie of subcategorie wordt een categorierij weergegeven. Klik op het driehoekje aan de linkerkant van de categorierij om de categorie weer te geven of te verbergen (uit of samen te vouwen). Categorierij voor kantoormeubilair Categorierij voor meubilair binnenterras Categorierij voor bibliotheekmeubilair Categorierijen hebben speciale kenmerken die u helpen de categorieën te beheren. ÂÂ U kunt nieuwe categorieën toevoegen, categorieën verwijderen en andere bewerkingen op categorieën uitvoeren via het venstermenu van de celverwijzing voor een categorierij. Met 'Vouw alles uit' of 'Vouw alles samen' kunt u alle categorieën uit- of samenvouwen die op hetzelfde niveau staan als de rij waarin u het commando hebt gekozen. Venstermenu van de celverwijzing voor deze categorierij 76 Hoofdstuk 3 Werken met tabellen

77 ÂÂ U kunt automatisch berekende waarden (zoals subtotalen en het aantal rijen) weergeven in de cellen van een categorierij. Aantal categorierijen Voor informatie over Categorieën en subcategorieën maken Categorieën verwijderen Rijen toevoegen aan of verwijderen uit categorieën, automatisch berekende waarden weergeven in cellen van een categorierij, een categorie verplaatsen, het niveau van een categorie wijzigen, categorierijen uit- of samenvouwen en andere categoriebeheertaken uitvoeren Zie Categorieën en subcategorieën van tabellen definiëren op pagina 77 Categorieën en subcategorieën van tabellen verwijderen op pagina 82 Categorieën en subcategorieën van tabellen beheren op pagina 83 Categorieën en subcategorieën van tabellen definiëren U kunt in Numbers automatisch categorieën of subcategorieën laten maken op basis van waarden in een of meer kolommen van de tabel. U kunt ook rijen in categorieën onderbrengen door handmatig categorierijen tussen tabelrijen in te voegen. U kunt categorieën aanmaken op basis van een selectie van aangrenzende of nietaangrenzende tabelrijen. Hoofdstuk 3 Werken met tabellen 77

78 Handmatig categorieën aanmaken Wanneer u categorieën aanmaakt door handmatig een categorierij in te voegen, wordt er een nieuwe kolom (de categoriewaardekolom) aan de tabel toegevoegd om unieke plaatsaanduidingen voor elke categorie weer te geven. De plaatsaanduiding wordt in de categorierij gebruikt om de categorie te definiëren. Categoriewaarde kolom U kunt deze kolom desgewenst verbergen (klik op het venstermenu van de verwijzingslabel en kies 'Verberg kolom'). Om de naam van de plaatsaanduiding van een categorie te wijzigen in een meer betekenisvolle naam, bewerkt u de naam zoals u dat met tekst in elke cel zou doen. Categorieën aanmaken aan de hand van waarden in een kolom Wanneer u een tabel onderverdeelt in categorieën op basis van de waarden in een kolom, voegt Numbers een afzonderlijke categorie toe voor elke unieke waarde in de kolom. De kolom waarvan u de waarde gebruikt om categorieën aan te maken, is de categoriewaardekolom. Alle rijen met dezelfde waarde in de categoriewaardekolom worden in één categorie geplaatst. De gemeenschappelijke waarde wordt gebruikt als de categorienaam in de categorierij. Categorierij Categoriewaardekolom 78 Hoofdstuk 3 Werken met tabellen

79 Als u een waarde in de categoriewaardekolom wijzigt en die waarde ergens anders in de categoriewaardekolom voorkomt, wordt de rij aan een andere categorie toegewezen. Als dat niet het geval is, wordt er een nieuwe categorie voor de nieuwe waarde aangemaakt. U kunt een categoriewaardekolom eventueel verbergen, maar u kunt de kolom ook in beeld houden voor het geval u hierin waarden wilt wijzigen. Ook wilt u de naam in de categorierij waarschijnlijk liever niet wijzigen. Als u de naam van een categorierij wijzigt, worden alle waarden in de categoriewaardekolom voor de categorie vervangen door de nieuwe naam en worden andere waarden in de cellen overschreven. Manieren om categorieën en subcategorieën te maken: mm Om de rijen van een tabel te delen op een bepaald punt, kiest u 'Voeg categorie in' uit het venstermenu van de verwijzingslabel voor de onderste rij in de categorie die u wilt aanmaken. Om bijvoorbeeld een tabel met negen rijen te verdelen in twee categorieën, waarbij de eerste categorie uit vijf rijen bestaat, kiest u 'Voeg categorie in' uit het venstermenu voor rij 5. mm Om een reeks aangrenzende of niet-aangrenzende rijen in een categorie te plaatsen, selecteert u de rijen en kiest u vervolgens 'Maak categorie aan van geselecteerde rijen' uit het venstermenu van de verwijzingslabel voor een van de geselecteerde rijen. mm Om rijen met dezelfde waarde in dezelfde kolom te categoriseren, kiest u 'Categoriseer op deze kolom' uit het venstermenu van de verwijzingslabel voor de gewenste kolom. Wanneer een waarde in de kolom wordt gewijzigd, wordt de bijbehorende rij op basis van de nieuwe celwaarde toegewezen aan een andere categorie. U kunt ook het reorganisatievenster gebruiken. Klik in de tabel en klik vervolgens op 'Reorganiseer' in de knoppenbalk, of kies 'Toon meer opties' uit het venstermenu van een verwijzingslabel om het reorganisatievenster te openen. Klik op het driehoekje naast 'Categorie' om de categorisatieregelaars weer te geven. Kies uit het eerste venstermenu de naam van de kolom die u als categoriewaardekolom wilt gebruiken. Kies de naam van de kolom die u wilt gebruiken als categoriewaardekolom. Hoofdstuk 3 Werken met tabellen 79

80 Tabelcategorieën worden aangemaakt op basis van unieke waarden in de gekozen kolom. Categorierij Categoriewaardekolom Als de categoriewaardekolom datums bevat, kunt u een datumeenheid kiezen uit het tweede venstermenu. Categoriekolom met data Kies een eenheid van datum. De datumeenheid die u selecteert, bepaalt hoe de rijen worden gecategoriseerd en hoe de categorie wordt aangeduid in de categorierij. In de categorierijen worden jaartallen vermeld omdat u 'jaar' hebt geselecteerd in het reorganisatievenster. 80 Hoofdstuk 3 Werken met tabellen

81 mm Om een subcategorie te maken, opent u het reorganisatievenster en klikt u op de knop met het plusteken naast de categorie of subcategorie waaronder de nieuwe subcategorie moet komen te staan. Kies vervolgens de kolom waaruit u de waarden wilt gebruiken voor de subcategorie. Klik hier om een subcategorie toe te voegen. Elke subcategorie heeft een eigen categorierij in de tabel. Rij van subcategorie mm Om een categorie of subcategorie boven of onder een bestaande categorie of subcategorie toe te voegen, kiest u 'Voeg categorie boven toe' of 'Voeg categorie onder toe' uit het celverwijzingsvenstermenu voor de categorie of subcategorie. Hoofdstuk 3 Werken met tabellen 81

82 Als u een waarde uit een categoriewaardekolom verwijdert, wordt de bijbehorende rij in een categorie met lege waarden in die kolom geplaatst. Als u alle rijen van een categorie verwijdert, wordt de categorie uit de tabel verwijderd. Categorieën en subcategorieën van tabellen verwijderen U kunt categorieën en subcategorieën tijdelijk verwijderen of u kunt het gebruik ervan helemaal stoppen. Manieren om de categorisatie van rijen ongedaan te maken: mm Om de categorisatie van alle rijen in een tabel tijdelijk ongedaan te maken, klikt u in de tabel en klikt u vervolgens op 'Reorganiseer' in de knoppenbalk of kiest u 'Toon meer opties' uit het venstermenu van een verwijzingslabel om het reorganisatievenster te openen. Schakel het aankruisvak 'Voeg categorieën van de volgende in' uit. Om de categorieën weer in te stellen, schakelt u het aankruisvak 'Voeg categorieën van de volgende in' weer in. U kunt ook 'Tabel' > 'Deactiveer alle categorieën' kiezen. Om de categorieën te herstellen, kiest u 'Tabel' > 'Activeer alle categorieën'. mm Om te stoppen met categoriseren van een tabel, klikt u in het reorganisatievenster op de knop met het minteken naast elke categorie en subcategorie. U kunt ook klikken op het venstermenu van de celverwijzing voor een categorierij op het bovenste niveau, en 'Verwijder categorieën' kiezen. mm Om een bepaalde kolom niet langer als categoriewaardekolom te gebruiken, klikt u in het reorganisatievenster op de knop met het minteken naast de kolom. U kunt ook 'Verwijder categorieën' kiezen uit het venstermenu voor de verwijzingslabel van de kolom. 82 Hoofdstuk 3 Werken met tabellen

83 Categorieën en subcategorieën van tabellen beheren Manieren om categorieën te beheren: mm Om een rij van de ene naar de andere categorie te verplaatsen, selecteert u de rij en sleept u deze naar de nieuwe categorie. Om een categorie binnen een tabel te verplaatsen, klikt u op de verwijzingslabel voor de categorierij en sleept u de categorie naar de nieuwe locatie. mm Om een categorie een niveau omhoog of omlaag te verplaatsen, klikt u op 'Reorganiseer' in de knoppenbalk of kiest u 'Toon meer opties' uit het venstermenu van een verwijzingslabel om het reorganisatievenster te openen. Klik op de knop voor omhoog verplaatsen of omlaag verplaatsen naast een kolom. U kunt ook klikken op het venstermenu van een verwijzingslabel voor een categorierij en vervolgens 'Niveau omhoog' (om de categorie een niveau omhoog te verplaatsen) of 'Niveau lager' (om de categorie een niveau omlaag te verplaatsen) kiezen. mm Om een categorierij op te maken, selecteert u een of meer cellen en gebruikt u vervolgens de opmaakbalk of het infovenster 'Afbeelding' om de achtergrond en tekststijl te wijzigen. De wijzigingen worden toegepast op alle cellen in de huidige categorierij en alle andere categorierijen op hetzelfde niveau. mm Om waarden weer te geven die automatisch zijn berekend op basis van celwaarden in een kolom van een categorie of subcategorie, klikt u op een cel van een categorierij en vervolgens op het driehoekje. Klik op een driehoekje om een berekeningstype te kiezen. Kies een numeriek berekeningstype ('Subtotaal', 'Gemiddelde', enzovoort) om de resultaten van een berekening met numerieke waarden weer te geven (met uitzondering van datum-, tijd- of duurwaarden). Kies 'Aantal' om een telling van nietlege cellen weer te geven. Het aantal niet-lege cellen Hoofdstuk 3 Werken met tabellen 83

84 Om weer te geven welk type berekening wordt gebruikt, kiest u 'Toon functienaam' uit het venstermenu nadat u een berekeningstype hebt gekozen. Weergegeven functienaam mm Om de inhoud van een cel in een categorierij te verwijderen, kiest u 'Leeg' uit het venstermenu van de cel. Om de categorienaam in de cel weer te geven, kiest u 'Categorienaam' in plaats van 'Leeg'. mm Om een nieuwe rij toe te voegen aan een categorie of subcategorie, kiest u 'Voeg rij boven toe' of 'Voeg rij onder toe' uit het venstermenu van de celverwijzing voor een rij. Als de nieuwe rij is toegevoegd, worden aan de cellen in de categoriewaardekolommen de waarden toegewezen voor de categorie of subcategorie waar de rij is ingevoegd. mm Om rijen te verbergen, selecteert u de gewenste rijen en kiest u 'Verberg geselecteerde rijen' uit het venstermenu van de verwijzingslabel voor een rij. Tabelrijen in het geselecteerde bereik worden verborgen, maar categorierijen blijven zichtbaar. mm Om alle categorieën of subcategorieën die op hetzelfde niveau staan uit of samen te vouwen, kiest u 'Vouw alles uit' of 'Vouw alles samen' uit het venstermenu van de celverwijzing voor een willekeurige rij op dat niveau. mm Om alle categorieën en subcategorieën op alle niveaus uit of samen te vouwen, houdt u de Option-toets ingedrukt en klikt u op het driehoekje aan de linkerkant van een willekeurige categorierij. Als een of meer categorieën op hetzelfde niveau zijn samengevouwen, worden hiermee alle categorieën uitgevouwen. Als een of meer categorieën op hetzelfde niveau zijn uitgevouwen, worden hiermee alle categorieën samengevouwen. 84 Hoofdstuk 3 Werken met tabellen

85 Werken met tabelcellen 4 In dit hoofdstuk wordt beschreven hoe u met tabellen en de inhoud ervan werkt. Inhoud aan tabelcellen toevoegen U kunt verschillende technieken gebruiken om inhoud aan tabelcellen toe te voegen. Voor informatie over Tabelcelwaarden toevoegen, vervangen, kopiëren, plakken en verplaatsen Tekst in tabelcellen opmaken en uitlijnen en werken met de functies voor spellingcontrole en zoeken en vervangen Werken met numerieke tabelcelwaarden Een waarde in aangrenzende cellen herhalen met automatisch vullen Zie Tabelcelwaarden toevoegen en bewerken op pagina 85 Werken met tekst in tabelcellen op pagina 86 Werken met getallen in tabelcellen op pagina 87 Een tabelcel automatisch vullen op pagina 88 Tabelcelwaarden toevoegen en bewerken U kunt gegevens aan cellen toevoegen en de inhoud van cellen wijzigen of verwijderen. Manieren om waarden toe te voegen en te wijzigen: mm Als de cel leeg is, selecteert u deze en typt u de gewenste waarde. In Een tabelcel selecteren op pagina 60 wordt beschreven hoe u cellen selecteert. mm Om de inhoud van een cel te vervangen, selecteert u de cel en klikt u dubbel op de gegevens die u wilt vervangen. Als u meer gegevens wilt vervangen, houdt u de Shifttoets ingedrukt terwijl u de overige gegevens selecteert. Typ vervolgens de gewenste inhoud. mm Om de volledige inhoud van een cel te vervangen, selecteert u de cel en begint u met typen. 85

86 Als het aankruisvak 'Naar volgende cel met Return-toets' in het infovenster 'Tabel' is uitgeschakeld, kunt u ook de cel selecteren en vervolgens op de Return- of Entertoets drukken. Hiermee selecteert u de volledige inhoud van de cel. Vervolgens kunt u beginnen met typen. mm Om gegevens aan de huidige inhoud toe te voegen, selecteert u de cel, klikt u om het invoegpunt op de gewenste positie te plaatsen en begint u vervolgens met typen. mm Om wijzigingen in een tabelcel ongedaan te maken die u hebt aangebracht sinds u de cel hebt geselecteerd, drukt u op de Esc-toets. mm Om de inhoud van tabelcellen, rijen of kolommen te verwijderen, selecteert u de gewenste cellen, rijen of kolommen en drukt u vervolgens op de Delete-toets of kiest u 'Wijzig' > 'Verwijder'. Kies 'Wijzig' > 'Wis alles' om de inhoud, de achtergrond en eventuele stijlinstellingen te verwijderen. De standaardstijl wordt op de selectie toegepast. mm Zie Cellen kopiëren en verplaatsen op pagina 96 voor informatie over het kopiëren, plakken en verplaatsen van celwaarden. mm Zie Zelf formules aanmaken op pagina 134 voor informatie over het toevoegen van formules en functies aan cellen. Werken met tekst in tabelcellen U kunt tekst in tabelcellen opmaken en uitlijnen, tekst zoeken en vervangen en een spellingcontrole op tekst in cellen uitvoeren. Wanneer u in Numbers tekst in een cel typt, wordt tekst weergegeven op basis van soortgelijke tekst elders in de tabel en kunt u de celinhoud aanvullen met deze suggesties. U kunt de tekstsuggestie toepassen of verder typen om de suggestie te overschrijven. Om automatische suggesties uit te schakelen, deselecteert u 'Toon lijst voor automatische voltooiing in tabelkolommen' in het paneel 'Algemeen' van de voorkeuren van Numbers. Manieren om met tekst in tabelcellen te werken: mm Om een regeleinde in te voegen, drukt u op Option + Return. mm Om een alinea-einde in te voegen als het aankruisvak 'Naar volgende cel met Return- toets' niet is ingeschakeld in het gedeelte 'Tabelopties' van het infovenster 'Tabel', drukt u op de Return-toets. Als dit aankruisvak wel is ingeschakeld, drukt u op Option + Return. U kunt ook in de formulebalk en op de regeleindeknop in de opmaakbalk klikken. mm Om een tab in een tabelcel toe te voegen, drukt u op Option + Tab. U kunt ook in de formulebalk en op de tabknop in de opmaakbalk klikken. 86 Hoofdstuk 4 Werken met tabelcellen

87 mm Om de uitlijning van tekst aan te passen, gebruikt u de knoppen voor uitlijning in de opmaakbalk. Hiermee lijnt u tekst uit langs de bovenrand, het midden of de onderrand van cellen. mm Hiermee lijnt u tekst links of rechts uit of centreert u tekst. Verder kunt u hiermee tekst uitvullen of tekst links en getallen rechts uitlijnen. Het infovenster 'Tekst' bevat meer opties voor het opmaken van tekst (klik op de knop 'Info' in de knoppenbalk en klik vervolgens op de knop 'Tekstinfo'). Zie Tekstuitlijning, letter- en regelafstand en tekstkleur instellen op pagina 192 voor meer informatie. Om lettertypekenmerken in te stellen, gebruikt u de knoppen voor tekstopmaak in de opmaakbalk. Hiermee stelt u het letterbeeld in. Hiermee stelt u het lettertype in. Hiermee stelt u de tekstkleur in. Hiermee stelt u de lettergrootte in. U kunt ook het venster 'Lettertypen' gebruiken (klik op de knop 'Letter' in de knoppenbalk). Zie De grootte en vormgeving van tekst bepalen op pagina 184 voor meer informatie. mm Om een spellingcontrole uit te voeren, volgt u de instructies in Spelling controleren op pagina 212. mm Om naar tekst te zoeken en deze desgewenst te vervangen, volgt u de instructies in Tekst zoeken en vervangen op pagina 214. mm Om te voorkomen dat tekst in Numbers als een getallenreeks wordt geïnterpreteerd, gebruikt u de tekstnotatie. Zie Werken met tekstnotaties in tabelcellen op pagina 108 voor meer informatie. Opmerking: Tekenreeksen worden genegeerd in functies die gebruikmaken van getallen voor het uitvoeren van berekeningen. Werken met getallen in tabelcellen Sommige tabelbewerkingen, zoals formules en functies voor het uitvoeren van wiskundige bewerkingen, kunnen alleen worden uitgevoerd als cellen numerieke waarden bevatten. Hoofdstuk 4 Werken met tabelcellen 87

88 Manieren om met getallen in tabelcellen te werken: mm Gebruik in een numerieke cel alleen getallen (0 tot en met 9) of een van de volgende tekens: plusteken (+), minteken ( ), haakje openen of sluiten ( ), schuine streep naar rechts (/), valutateken (bijvoorbeeld ), procentteken (%), punt (.), hoofdletter E, of kleine letter e. mm U kunt bepaalde tekens in cellen typen (bijvoorbeeld %) of een celnotatie gebruiken (zie Instellen hoe waarden in tabelcellen worden weergegeven op pagina 98 voor meer informatie). mm Om een negatieve waarde toe te voegen, plaats u vóór het getal een minteken (-). Wanneer u een getal aan een tabelcel toevoegt dat te groot is om te worden weergegeven, wordt het getal als volgt weergegeven in Numbers: ÂÂ Als een decimaal getal niet in een cel past, wordt het getal afgerond. 1, wordt bijvoorbeeld 1, ÂÂ Als een geheel getal niet in een cel past, wordt de wetenschappelijke notatie gebruikt wordt bijvoorbeeld 7,777778E+19. In de wetenschappelijke notatie wordt een getal weergegeven als een aantal malen een gehele macht van 10. De exponent wordt weergegeven na de letter E. Als het omgezette getal nog steeds niet in de cel past, wordt het getal afgekapt. Zie Inhoud weergeven die niet in de tabelcel past op pagina 89 voor meer informatie. Instructies voor het gebruik van formules en functies in tabelcellen vindt u in Zelf formules aanmaken op pagina 134. Een tabelcel automatisch vullen U kunt een of meer cellen automatisch vullen op basis van de inhoud van een aangrenzende cel. Manieren om tabelcellen automatisch te vullen: mm Om de inhoud en achtergrond van een cel naar aangrenzende cellen te kopiëren, selecteert u de cel en sleept u de greep (het kleine cirkeltje in de rechterbenedenhoek van de cel) over de cellen waarnaar u de inhoud en achtergrond wilt kopiëren. De gegevens, celnotatie, formules en vullingen uit de geselecteerde cel worden geplakt. Opmerkingen worden echter niet geplakt. Als de doelcel gegevens bevat, worden deze gegevens automatisch overschreven met de waarden die u kopieert. mm Om de inhoud en achtergrond van een cel naar een of meer cellen in dezelfde rij of kolom te kopiëren, selecteert u twee of meer aangrenzende cellen en gaat u op een van de volgende manieren te werk: Voeg in > Vulling > Vul rechts: Hiermee kent u de waarde uit de meest linkse geselecteerde cel toe aan de overige geselecteerde cellen. 88 Hoofdstuk 4 Werken met tabelcellen

89 mm Voeg in > Vulling > Vul links: Hiermee kent u de waarde uit de meest rechtse geselecteerde cel toe aan de overige geselecteerde cellen. Voeg in > Vulling > Vul omhoog: Hiermee kent u de waarde uit de onderste geselecteerde cel toe aan de overige geselecteerde cellen. Voeg in > Vulling > Vul omlaag: Hiermee kent u de waarde uit de bovenste geselecteerde cel toe aan de overige geselecteerde cellen. De gegevens, celnotatie, formules en vullingen uit de geselecteerde cel worden geplakt. Opmerkingen worden echter niet geplakt. Als de doelcel gegevens bevat, worden deze gegevens automatisch overschreven met de waarden die u kopieert. U kunt ook waarden aan cellen toevoegen op basis van waardepatronen. Als een cel bijvoorbeeld de naam van een dag of maand bevat, kunt u deze cel selecteren en naar rechts of beneden slepen om de naam van de volgende dag of maand in de aangrenzende cel in te voegen. Selecteer twee of meer cellen voordat u sleept om de nieuwe waarden te baseren op numerieke patronen. Als u bijvoorbeeld twee cellen met de waarden '1' en '2' selecteert, worden in de twee aangrenzende cellen de waarden '3' en '4' ingevoegd wanneer u de greep over deze cellen sleept. Als de twee geselecteerde cellen de waarden '1' en '4' bevatten, worden aan de twee aangrenzende cellen de waarden '7' en '10' toegevoegd (bij de volgende waarde wordt steeds 3 opgeteld). Met automatisch vullen wordt geen blijvende relatie tot stand gebracht tussen cellen in de groep. Nadat u cellen automatisch hebt gevuld, kunt u de inhoud van elke cel afzonderlijk aanpassen. Inhoud weergeven die niet in de tabelcel past Als een cel te klein is om alle inhoud weer te geven, gebeurt het volgende: ÂÂ Als de inhoud een getal of datum is, wordt een aanduiding voor bijsnijden weergegeven. Aanduiding voor bijsnijden ÂÂ Voor andere typen waarden wordt geen aanduiding voor bijsnijden weergegeven. U kunt alleen de inhoud zien die zichtbaar is binnen de grenzen van de cel. Manieren om te werken met cellen waarvan de celinhoud te groot is: mm Om een waarde in een cel in aangrenzende cellen te laten doorlopen, schakelt u het aankruisvak 'Omloop' in de opmaakbalk of het aankruisvak 'Tekstomloop in cel' in het infovenster 'Cel' uit. Getallen en datums worden altijd afgebroken, ook wanneer omloop is uitgeschakeld. Als de aangrenzende cellen leeg zijn, wordt de volledige celinhoud weergegeven. Als de aangrenzende cellen niet leeg zijn, wordt de celinhoud afgekapt en wordt de aanduiding voor bijsnijden getoond. Hoofdstuk 4 Werken met tabelcellen 89

90 mm mm mm Om de celinhoud in de cel te laten omlopen en niet in de aangrenzende cellen te laten doorlopen, schakelt u het aankruisvak 'Omloop' in de opmaakbalk of het aankruisvak 'Tekstomloop in cel' in het infovenster 'Cel' in. Als de celwaarden niet zichtbaar zijn omdat de kolommen te smal zijn, kunt u dit corrigeren met de knop 'Passend' naast het veld 'Kolombreedte' in het infovenster 'Tabel'. Selecteer een cel, een of meer kolommen of de tabel en klik op de knop 'Passend'. U kunt de kolombreedte ook wijzigen door de rechterrand van de verwijzingslabel naar rechts te slepen of door een waarde op te geven in het veld 'Kolombreedte' in het infovenster 'Tabel'. Als de celwaarden niet zichtbaar zijn omdat de rijen te smal zijn, kunt u dit corrigeren door op de knop 'Passend' naast het veld 'Rijhoogte' in het infovenster 'Tabel' te klikken. Selecteer een cel, een of meer rijen of de tabel en klik op de knop 'Passend'. Als u inhoud aan de rij toevoegt of uit de rij verwijdert, wordt de rijhoogte automatisch aangepast. U kunt de rijhoogte ook wijzigen door op de onderrand van de verwijzingslabel te klikken en deze omlaag te slepen of door een waarde op te geven in het veld 'Rijhoogte' in het infovenster 'Tabel'. U kunt het formaat van kolommen en rijen ook aan de inhoud aanpassen met behulp van de verwijzingslabels. Om de rijhoogte aan te passen aan de grootste inhoud, klikt u dubbel op de onderrand van de verwijzingslabel van de desbetreffende rij. De kolombreedte wordt niet automatisch aangepast als u wijzigingen aanbrengt in de inhoud. Om de kolombreedte aan te passen aan de grootste inhoud, klikt u dubbel op de rechterrand van de verwijzingslabel van de kolom. Werken met voorwaardelijke opmaak om waarden in tabelcellen te controleren Voorwaardelijke opmaak wijzigt de weergave van een cel automatisch als de cel een bepaalde waarde bevat, een zogenaamde testwaarde. Om voorwaardelijke opmaak toe te kennen, selecteert u een of meer cellen en definieert u een of meer regels. In de regels legt u vast welke visuele effecten op de cellen moeten worden toegepast als ze de testwaarde bevatten. U kunt bijvoorbeeld een regel definiëren die een blauwe achtergrond aan een cel toekent als deze een 0 bevat, een tweede regel definiëren die de waarde van een cel vet weergeeft als deze waarde groter is dan 0 en een derde regel definiëren die een rode achtergrond aan de cel toekent als de waarde kleiner is dan Hoofdstuk 4 Werken met tabelcellen

91 Wanneer u een regel aan meerdere cellen toekent, wordt de voorwaardelijke opmaak toegepast op alle cellen die de testwaarde bevatten. Voor informatie over Regels definiëren De voorwaardelijke opmaak van cellen verwijderen, regels wijzigen, zoeken naar cellen waaraan dezelfde voorwaardelijke opmaak is toegekend, voorwaardelijke opmaak van de ene tabel naar de andere kopiëren Zie Regels voor voorwaardelijke opmaak definiëren op pagina 91 Voorwaardelijke opmaak wijzigen en beheren op pagina 93 Regels voor voorwaardelijke opmaak definiëren Een regel voor voorwaardelijke opmaak wordt gebruikt om te aan te geven wanneer bepaalde cellen een testwaarde bevatten. Een testwaarde kan een specifieke waarde zijn die u opgeeft of een waarde die overeenkomt met een waarde in een bepaalde tabelcel. De regel bepaalt de opmaak die aan de cellen wordt toegekend wanneer ze de testwaarde bevatten. Een regel definiëren 1 Selecteer een of meer cellen. 2 Klik op de knop 'Info' in de knoppenbalk, klik op de knop 'Celinfo' en klik vervolgens op 'Toon regels'. U kunt ook 'Opmaak' > 'Toon regels voor voorwaardelijke opmaak' kiezen. 3 Kies een optie uit het venstermenu 'Kies een regel'. De opties in het bovenste gedeelte van het menu zijn bedoeld voor numerieke waarden. Opties in het middelste gedeelte zijn voor tekstwaarden. De optie 'Met datums' is voor datums. 4 Als u een specifieke testwaarde wilt opgeven, typt u de waarde in het veld rechts van het venstermenu. Hoofdstuk 4 Werken met tabelcellen 91

92 U kunt ook de waarde in een tabelcel als testwaarde gebruiken. U doet dit door op het kleine blauwe cirkeltje in het waardeveld te klikken. Klik hierop om een tabelcel te selecteren. Het celverwijzingsveld wordt weergegeven. Geef een celverwijzing op door op een tabelcel te klikken. U kunt ook een celverwijzing typen en op de Return-toets drukken. Zie Naar cellen verwijzen in formules op pagina 139 voor informatie over het typen van celverwijzingen. Voor de regel 'Tussen' moet u twee testwaarden opgeven. De opmaak wordt toegepast als een van beide getallen of een tussenliggend getal in de cel of cellen voorkomt. Voordat u een testwaarde voor de regel 'Met datums' opgeeft, moet u opties kiezen uit de venstermenu's aan weerszijden van het testwaardeveld. 5 Om opmaak op te geven die moet worden toegepast wanneer cellen de testwaarde bevatten, klikt u op 'Wijzig'. Kleurenvak 'Tekst': Klik hier om de kleur te selecteren die aan celwaarden moet worden toegekend. Knoppen voor lettertypestijlen: Klik op 'B' om celwaarden vet weer te geven, op 'I' om celwaarden cursief weer te geven, op 'U' om celwaarden te onderstrepen of op 'T' om celwaarden door te halen. 92 Hoofdstuk 4 Werken met tabelcellen

93 Kleurenvak 'Vulling': Klik hier om een vulkleur voor een cel te selecteren. In het voorbeeldvak wordt het effect van uw selectie weergegeven. Als u tevreden bent met het resultaat, klikt u op 'Gereed'. 6 Om nog een regel toe te voegen, klikt u op de knop met het plusteken en herhaalt u stap 3 t/m 5. Als er meer dan één regel voor een cel is gedefinieerd en de waarde in de cel aan de voorwaarden van meerdere regels voldoet, gebeurt het volgende: ÂÂ De tekstkleur die wordt toegekend is de tekstkleur die is gekoppeld aan de bovenste regel waarvoor een tekstkleur is opgegeven. ÂÂ De lettertypestijl die wordt toegekend is de lettertypestijl die is gekoppeld aan de bovenste regel waarvoor een lettertypestijl is opgegeven. ÂÂ De vulkleur die wordt toegekend is de vulkleur die is gekoppeld aan de bovenste regel waarvoor een vulkleur is opgegeven. Als de opgegeven tekstkleur aan een celwaarde is toegekend en u nieuwe tekst in de cel typt achter het invoegpunt en de tekstkleur wijzigt in de opmaakbalk of het infovenster 'Tekst', wordt de nieuwe tekst in de nieuwe tekstkleur weergegeven, maar houdt de bestaande tekst de kleur die is ingesteld door de regel. Voorwaardelijke opmaak wijzigen en beheren U kunt de volgende technieken gebruiken: mm Om naar alle cellen in een tabel te zoeken waaraan dezelfde regels voor voorwaardelijke opmaak zijn toegekend als aan een bepaalde cel, selecteert u de cel, klikt u op 'Toon regels' in het infovenster 'Cel' en klikt u vervolgens op 'Selecteer alles'. Alle cellen in de tabel waaraan dezelfde regels zijn toegekend worden geselecteerd. mm Om alle voorwaardelijk opmaak te verwijderen die aan de cellen in een tabel is toegekend, selecteert u de cellen en klikt u op 'Toon regels' in het infovenster 'Cel'. Vervolgens klikt u op 'Wis alle regels'. Hoofdstuk 4 Werken met tabelcellen 93

94 mm Om dezelfde regels voor voorwaardelijke opmaak aan cellen in andere tabellen toe te kennen, selecteert u de cel met de regels die u wilt hergebruiken en kiest u 'Wijzig' > 'Kopieer'. Vervolgens selecteert u een of meer cellen in een andere tabel en kiest u 'Wijzig' > 'Plak'. mm Om een regel voor voorwaardelijke opmaak toe te voegen of te verwijderen, klikt u op de knop met het plusteken of het minteken in het venster 'Voorwaardelijke opmaak'. mm Om een regel aan te passen, wijzigt u de bijbehorende venstermenu-opties, testwaarden of opmaak. U kunt de volgende technieken gebruiken om met testwaarden te werken die zijn opgegeven als celverwijzingen: Een testwaarde verwijderen die uit een celverwijzing bestaat: Klik in het veld met de testwaarde en druk op de Delete-toets. Een celverwijzing vervangen door een andere celverwijzing: Klik in het veld met de testwaarde en klik in een andere cel in dezelfde tabel of in een andere tabel. Een tekstuele testwaarde vervangen door een celverwijzing: Klik in het veld met de testwaarde, klik op het kleine blauwe cirkeltje en klik vervolgens in een tabelcel. Afbeeldingen of kleuren aan tabelcellen toevoegen U kunt een afbeelding of kleur toevoegen aan afzonderlijke tabelcellen of aan een hele tabel. Een afbeelding of kleur aan een tabelcel toevoegen 1 Selecteer de cel. 2 Klik op de knop 'Info' in de knoppenbalk en klik vervolgens op de knop 'Tabelinfo'. 3 Kies 'Afbeeldingsvulling' uit het venstermenu 'Celachtergrond' om een afbeelding toe te voegen. Zie Een object met een afbeelding vullen op pagina 255 voor instructies. 4 Kies 'Vulkleur' of 'Verlooptint' uit het venstermenu 'Celachtergrond' om een achtergrondkleur toe te voegen. Zie Een effen kleur als vulling voor een object gebruiken op pagina 253 en Een verlooptint als vulling voor een object gebruiken voor meer informatie. Tabelcellen samenvoegen Als u tabelcellen samenvoegt, worden aangrenzende cellen tot één cel gecombineerd. Hierbij verdwijnen de randen tussen de cellen, zodat ze als één cel worden beschouwd. Tabelcellen samenvoegen 1 Selecteer twee of meer aangrenzende tabelcellen. De groep cellen die u kiest, moet een rechthoek vormen en het moeten allemaal hoofdtekstcellen, koptekstcellen of voettekstcellen zijn. 94 Hoofdstuk 4 Werken met tabelcellen

95 2 Kies 'Tabel' > 'Voeg cellen samen'. U kunt ook op de knop voor het samenvoegen van cellen in het infovenster 'Tabel' klikken. Om het samenvoegen van cellen ongedaan te maken, selecteert u een cel die door samenvoeging is ontstaan en schakelt u 'Voeg cellen samen' in het Tabel-menu uit of klikt u op de knop voor het splitsen van cellen in het infovenster 'Tabel'. Tijdens het samenvoegen van cellen gebeurt het volgende met de inhoud: ÂÂ Als u horizontaal aangrenzende cellen samenvoegt met alleen tekst of een combinatie van tekst, getallen, formules en notaties voor waarden, wordt de inhoud van alle originele cellen samengevoegd als door tabs gescheiden tekst. Als u verticaal aangrenzende cellen samenvoegt met alleen tekst of een combinatie van tekst, getallen, formules en notaties voor waarden, wordt de inhoud van alle originele cellen samengevoegd als door regeleinden gescheiden tekst. ÂÂ Bij het samenvoegen van kolomcellen wordt de afbeelding of kleur van de bovenste cel overgenomen als achtergrondafbeelding of -kleur voor alle cellen. Bij het samenvoegen van rijcellen wordt de afbeelding of kleur van de meest linkse cel overgenomen als achtergrondafbeelding of -kleur voor alle cellen. ÂÂ Als u een cel met tekst, een getal, een formule of celnotatie samenvoegt met een lege cel, behoudt de nieuwe cel de inhoud van de niet-lege cel. ÂÂ Als een cel met een getalnotatie wordt samengevoegd met een lege cel, behoudt de nieuwe cel de getalnotatie. Rijen en kolommen met samengevoegde cellen kunt u niet verbergen. Tabelcellen splitsen Wanneer u cellen splitst, wordt elke geselecteerde cel in twee gelijke delen verdeeld. U kunt een cel horizontaal (in rijen) of verticaal (in kolommen) splitsen. De twee nieuwe cellen hebben precies dezelfde kleur of afbeelding als achtergrond. Als de oorspronkelijke cel tekst bevatte, blijft deze staan in de bovenste of meest linkse cel. Cellen horizontaal of verticaal splitsen 1 Selecteer een tabelcel of meerdere tabelcellen. Om een hele rij of kolom te splitsen, selecteert u alle cellen in de rij of kolom. 2 Om cellen te splitsen in rijen, kiest u 'Tabel' > 'Splits rijen'. Om cellen te splitsen in kolommen, kiest u 'Tabel' > 'Splits kolommen'. U kunt ook klikken op de knop voor het splitsen van cellen in het infovenster 'Tabel'. 3 Als u de cellen in nog kleinere delen wilt splitsen, voert u stap 1 en 2 opnieuw uit. Hoe u gesplitste cellen weer samen kunt voegen, wordt beschreven in Tabelcellen samenvoegen op pagina 94. Hoofdstuk 4 Werken met tabelcellen 95

96 De rand van tabelcellen opmaken U kunt de lijndikte en kleur van celranden wijzigen. U kunt ook de rand van een willekeurige cel verbergen. Randen van tabelcellen opmaken 1 Selecteer de randsegmenten van de cel die u wilt opmaken. Zie Een rand van een tabelcel selecteren op pagina 62 voor instructies. 2 Gebruik de regelaars in de opmaakbalk of in het infovenster 'Tabel'. Hiermee stelt u de lijndikte in. Hiermee stelt u een kleur voor de lijn in. Hiermee stelt u een stijl voor de lijn in. Venstermenu voor de lijnkleur: Hier stelt u een kleur voor de lijn in. Kies 'Geen' om de randen te verbergen. Venstermenu voor de lijndikte: Hier stelt u de gewenste lijndikte in. Kleurenvak: Hiermee kiest u een lijnkleur. Als u op het kleurenvak in de opmaakbalk klikt, wordt een kleurentabel weergegeven. U kunt een kleur instellen door in deze tabel op een kleur te klikken of door op 'Toon kleuren' te klikken om het venster 'Kleuren' te openen. Dit venster bevat aanvullende kleuropties. Als u in het infovenster 'Tabel' op het kleurenvak klikt, wordt het venster 'Kleuren' geopend. In Het venster 'Kleuren' op pagina 25 leest u hoe u deze functie gebruikt. Cellen kopiëren en verplaatsen Manieren om cellen te kopiëren en te verplaatsen: mm Om een of meer cellen binnen een tabel te verplaatsen of naar een andere tabel of het werkgebied te verplaatsen, selecteert u de gewenste cel of aangrenzende cellen. Vervolgens sleept u de rand van de geselecteerde cellen (de aanwijzer verandert in een wit kruis) totdat de doelcellen zijn geselecteerd. De waarden in de doelcellen worden vervangen, en de waarden in de broncellen worden verwijderd. 96 Hoofdstuk 4 Werken met tabelcellen

97 mm Om een of meer cellen binnen een tabel te kopiëren of naar een andere tabel of het werkgebied te kopiëren, sleept u de geselecteerde cellen terwijl u de Option-toets ingedrukt houdt. De waarden in de doelcellen worden vervangen, en de waarden in de broncellen blijven behouden. U kunt ook cellen kopiëren door deze te selecteren en vervolgens 'Wijzig' > 'Kopieer' te kiezen. Selecteer vervolgens de gewenste doelcellen en kies 'Wijzig' > 'Plak'. U kunt ook de inhoud van een cel in meerdere cellen plakken. Deze cellen hoeven niet naast de cel waaruit de inhoud wordt gekopieerd of naast elkaar te liggen. Nadat u de inhoud van een cel hebt gekopieerd, selecteert u de doelcellen en kiest u 'Wijzig' > 'Plak'. De inhoud van de cel wordt naar de doelcellen in dezelfde of een andere tabel gekopieerd en de reeds aanwezige inhoud wordt vervangen. mm Om gekopieerde cellen in te voegen zonder de doelcellen te overschrijven, selecteert u de doelcellen en kiest u 'Voeg in' > 'Gekopieerde kolommen' of 'Voeg in' > 'Gekopieerde rijen'. Gekopieerde kolommen: Hiermee worden nieuwe kolommen toegevoegd om ruimte te bieden aan gekopieerde cellen. Gekopieerde rijen: Hiermee worden nieuwe rijen toegevoegd om ruimte te bieden aan gekopieerde cellen. Wanneer u de inhoud van een cel in een andere cel plakt, worden eventuele opmerkingen die bij de inhoud horen ook gekopieerd. Als u de inhoud van een cel verwijdert, worden eventuele opmerkingen die bij de cel horen ook verwijderd. Zie Rijen en kolommen ordenen op pagina 67 voor meer informatie over het kopiëren en verplaatsen van rijen en kolommen via de verwijzingslabels. Zie Formules en berekende waarden kopiëren of verplaatsen op pagina 145 voor meer informatie over het dupliceren en verplaatsen van cellen met formules. Opmerkingen aan tabelcellen toevoegen U kunt informatie over tabelcellen opnemen in opmerkingen. Manieren om met opmerkingen te werken: mm Om een opmerking aan een cel toe te voegen, selecteert u de cel en klikt u op 'Opmerking' in de knoppenbalk of kiest u 'Voeg in' > 'Opmerking'. Typ de gewenste tekst in het daarvoor bestemde vak. mm Om een opmerking te verplaatsen, sleept u deze. mm Om alle opmerkingen te verbergen, kiest u 'Weergave' > 'Verberg opmerkingen'. Er verschijnt een gele markering in tabelcellen die een opmerking bevatten. Hoofdstuk 4 Werken met tabelcellen 97

98 mm mm mm Om één opmerking te verbergen, klikt u op het minteken (-) linksboven in het opmerkingenvak. U kunt ook op de markering van de opmerking klikken. U kunt een verborgen opmerking tijdelijk weergeven door de muisaanwijzer op de markering te plaatsen. Om alle opmerkingen weer te geven, kiest u 'Weergave' > 'Toon opmerkingen'. Om een verborgen opmerking weer te geven, klikt u op de bijbehorende markering. Om een opmerking te verwijderen, klikt u op het kruisje rechtsboven in het opmerkingenvak. Om een spreadsheet af te drukken inclusief opmerkingen, geeft u de opmerkingen die u wilt afdrukken weer en kiest u 'Archief' > 'Druk af'. Instellen hoe waarden in tabelcellen worden weergegeven U kunt een celnotatie aan cellen toekennen, zodat de waarden in de cellen op een bepaalde manier worden weergegeven. U kunt bijvoorbeeld de valutanotatie aan cellen met geldbedragen toekennen zodat een valutasymbool (zoals,, of ) vóór de getallen in de cellen wordt weergegeven. Als u een celnotatie gebruikt, stelt u alleen de weergavekenmerken van een waarde in. Als de waarde wordt gebruikt in formules, wordt de werkelijke waarde gebruikt, niet de opgemaakte waarde. De enige uitzondering hierop is wanneer er te veel cijfers achter het decimaalteken staan. In dat geval wordt het getal afgerond. Manieren om celnotaties te gebruiken: mm U past een celnotatie toe door een of meer cellen te selecteren en vervolgens de gewenste opmaak te selecteren in de opmaakbalk of het venstermenu 'Celnotatie' van het infovenster 'Cel'. mm Om een waarde toe te voegen aan een lege cel waarvoor een celnotatie is gedefinieerd, selecteert u de cel en geeft u een waarde op. De celnotatie wordt toegepast zodra u de cel verlaat. mm Wanneer u een waarde uit een cel verwijdert, blijft de celnotatie behouden. Om de notatie te verwijderen, past u de automatische notatie op de cel toe. Om de waarde en de notatie te verwijderen, kiest u 'Wijzig' > 'Wis alles'. mm De celnotatie die u hebt gedefinieerd kan aan meerdere cellen worden gekoppeld. Hiervoor gebruikt u de functie voor automatisch vullen. Zie Een tabelcel automatisch vullen op pagina 88 voor instructies. mm Om de inhoud van een cel waaraan een notatie is toegekend zonder notatie te bekijken, selecteert u de cel en bekijkt u de waarde in de formulebalk. 98 Hoofdstuk 4 Werken met tabelcellen

99 Gebruik deze celnotatie Om dit te doen Meer informatie Automatisch Automatisch een notatie aan een cel toekennen op basis van de tekens die de cel bevat Werken met de automatische notatie in tabelcellen op pagina 100 Getal Valuta Percentage Datum en tijd Duur Breuk Talstelsel Wetenschappelijk Tekst Celregelaars (aankruisvak, schuifknop, stappenregelaar of venstermenu) De weergave van decimalen, negatieve getallen en het scheidingsteken voor duizendtallen instellen De weergave van valutawaarden instellen De weergave instellen van numerieke waarden die worden gevolgd door het procentteken (%) De weergave van datum- en tijdwaarden instellen De weergave van weken, dagen, uren, minuten, seconden en microseconden instellen De weergave van een deel van een waarde kleiner dan 1 instellen De weergave van getallen op basis van een bepaald talstelsel instellen (bijvoorbeeld het decimale of binaire stelsel) De weergave van getallen instellen als een aantal malen een gehele macht van 10 Waarden exact weergeven zoals u deze typt Instellen welke waarden een cel kan bevatten Werken met getalnotaties in tabelcellen op pagina 101 Werken met valutanotaties in tabelcellen op pagina 102 Werken met procentnotaties in tabelcellen op pagina 103 Werken met datum- en tijdnotaties in tabelcellen op pagina 104 Werken met duurnotaties in tabelcellen op pagina 105 Werken met breuknotaties in tabelcellen op pagina 106 Werken met talstelselnotaties in tabelcellen op pagina 106 Werken met wetenschappelijke notaties in tabelcellen op pagina 108 Werken met tekstnotaties in tabelcellen op pagina 108 Werken met aankruisvakken, schuifknoppen, stappenregelaars of venstermenu's in tabelcellen op pagina 109 Aangepast Uw eigen celnotatie definiëren Werken met eigen notaties voor de weergave van waarden in tabelcellen op pagina 111 Hoofdstuk 4 Werken met tabelcellen 99

100 Werken met de automatische notatie in tabelcellen Wanneer u een nieuwe cel toevoegt, wordt de automatische notatie gebruikt om de inhoud ervan weer te gegeven. Deze waarde in een cel met de automatisch notatie Een getal Een valutawaarde Een datumwaarde Een Booleaanse waarde Een procentuele waarde Wordt als volgt weergegeven Decimalen, punten en komma's worden exact weergegeven zoals ze zijn getypt ,008 wordt bijvoorbeeld weergegeven als ,008. De waarde wordt weergegeven met 0 decimalen als het een geheel getal is ( 50) en met 2 decimalen in de overige gevallen. Bij meer dan 2 decimalen wordt het getal afgerond ,0075 wordt bijvoorbeeld weergegeven als 1.000,01. De waarde wordt weergegeven in de notatie die is ingesteld in Systeemvoorkeuren (zoek in Systeemvoorkeuren op datumnotatie ) en wordt als een datumwaarde behandeld in formules. Om de beschikbare datumnotaties in Numbers te bekijken, opent u het infovenster 'Cel' en kiest u 'Datum en tijd' uit het venstermenu 'Celnotatie'. Vervolgens selecteert u het venstermenu 'Datum'. Als het jaartal uit twee cijfers bestaat en groter is dan of gelijk is aan 50, wordt het voorvoegsel 19 toegevoegd. Een waarde kleiner dan 50 krijgt het voorvoegsel wordt bijvoorbeeld weergegeven als 1 jan 2008 en 05 jan als 5 jan De waarden 'waar' en 'onwaar' worden omgezet in 'WAAR' en 'ONWAAR'. Deze cellen kunnen voor Booleaanse bewerkingen in formules worden gebruikt. Een getal dat wordt gevolgd door het %-teken wordt weergegeven zoals het is getypt. In formules wordt de waarde behandeld als een percentage. Tussen de waarde en het %-teken hoeft geen spatie te staan. U kunt zowel 5% als 5 % typen. Een wetenschappelijke waarde De weergavenotatie rondt de waarde af tot 2 decimalen. 1,777E3 wordt bijvoorbeeld weergegeven als 1,78+E Hoofdstuk 4 Werken met tabelcellen

101 Deze waarde in een cel met de automatisch notatie Een duurwaarde Een breukwaarde Wordt als volgt weergegeven Een getal dat wordt gevolgd door een duuraanduiding (w of weken, d of dagen, u of uur, m of minuten, s of seconden, ms of milliseconden) wordt behandeld als een duurwaarde in formules. Het achtervoegsel wordt als afkorting weergegeven. 2 weken wordt bijvoorbeeld weergegeven als 2w. De waarde krijgt een datumnotatie als de waarde overeenkomt met een van de beschikbare datumnotaties. Is dit niet het geval, dan wordt de waarde met maximaal drie decimalen weergegeven. 1/1 wordt bijvoorbeeld weergegeven als 1 jan Wanneer een andere notatie aan een cel is toegekend, kunt u de automatische notatie instellen door 'Automatisch' te kiezen uit het celnotatievenstermenu in de opmaakbalk. U kunt ook het infovenster 'Cel' gebruiken. De automatische notatie instellen via het infovenster 'Cel' 1 Selecteer de cel of cellen. 2 Klik op de knop 'Info' in de knoppenbalk en klik vervolgens op de knop 'Celinfo'. 3 Kies 'Automatisch' uit het venstermenu 'Celnotatie'. Werken met getalnotaties in tabelcellen Met een getalnotatie bepaalt u hoe decimalen, negatieve getallen en het scheidingsteken voor duizendtallen worden weergegeven. Hoofdstuk 4 Werken met tabelcellen 101

102 Om een getalnotatie met twee decimalen, negatieve getallen en een scheidingsteken voor duizendtallen te definiëren, selecteert u een of meer cellen en klikt u op de knop voor de getalnotatie in de opmaakbalk. Gebruik de knoppen voor het verhogen of verlagen van het aantal decimalen om het gewenste aantal decimalen in te stellen. Hiermee geeft u de waarde als getal weer. Het infovenster 'Cel' bevat meer opties voor getalnotaties. Een getalnotatie instellen via het infovenster 'Cel' 1 Selecteer de cel of cellen. 2 Klik op de knop 'Info' in de knoppenbalk en klik vervolgens op de knop 'Celinfo'. 3 Kies 'Getal' uit het venstermenu 'Celnotatie'. 4 Geef in het veld 'Decimalen' het aantal decimalen op. Als een getal meer decimalen bevat dan het aantal dat u instelt, wordt het getal afgerond en niet afgekapt. Als u het aantal decimalen bijvoorbeeld hebt ingesteld op 2, wordt de waarde 3,456 weergegeven als '3,46' (en niet als '3,45'). 5 Om de notatie voor negatieve waarden in te stellen, kiest u een optie uit het venstermenu naast het veld 'Decimalen'. 6 Schakel het aankruisvak 'Scheidingsteken duizendtallen' in als u een scheidingsteken voor duizendtallen wilt instellen. Schakel het anders uit. Werken met valutanotaties in tabelcellen Met een valutanotatie bepaalt u hoe valutawaarden worden weergegeven. Om een valutanotatie met twee decimalen, negatieve getallen en een scheidingsteken voor duizendtallen te definiëren, selecteert u een of meer cellen en klikt u de knop voor de valutanotatie in de opmaakbalk. Gebruik de knoppen voor het verhogen of verlagen van het aantal decimalen om het gewenste aantal decimalen in te stellen. Hiermee geeft u de waarden als valuta weer. Hiermee verlaagt u het aantal decimalen. Hiermee verhoogt u het aantal decimalen. Het infovenster 'Cel' bevat meer opties voor valutanotaties. Een valutanotatie instellen via het infovenster 'Cel' 1 Selecteer de cel of cellen. 102 Hoofdstuk 4 Werken met tabelcellen

103 2 Klik op de knop 'Info' in de knoppenbalk en klik vervolgens op de knop 'Celinfo'. 3 Kies 'Valuta' uit het venstermenu 'Celnotatie'. 4 Kies een valutasymbool uit het venstermenu 'Symbool'. U kunt het maximale aantal opties in het venstermenu 'Symbool' weergeven door 'Numbers' > 'Voorkeuren' te kiezen en vervolgens het aankruisvak 'Toon volledige lijst met valuta in celinfovenster' in het paneel 'Algemeen' in te schakelen. 5 Geef in het veld 'Decimalen' het aantal decimalen op. Als een getal meer decimalen bevat dan het aantal dat u instelt, wordt het getal afgerond en niet afgekapt. Als u het aantal decimalen bijvoorbeeld hebt ingesteld op 2, wordt de waarde 3,456 weergegeven als '3,46' (en niet als '3,45'). 6 Om de notatie voor negatieve waarden in te stellen, kiest u een optie uit het venstermenu naast het veld 'Decimalen'. 7 Schakel het aankruisvak 'Scheidingsteken duizendtallen' in als u een scheidingsteken voor duizendtallen wilt instellen. Schakel het anders uit. 8 Als u het valutasymbool aan de rand van de cel wilt weergeven, schakelt u het aankruisvak 'Boekhoudstijl' in. Werken met procentnotaties in tabelcellen Met de procentnotatie bepaalt u hoe numerieke waarden worden weergegeven die worden gevolgd door het procentteken (%). Waarden die in een formule worden gebruikt, worden automatisch omgezet naar een decimaal getal. Zo wordt een waarde die wordt weergegeven als 3,00% in een formule omgezet naar 0,03. Als u 3% typt in een cel die is opgemaakt met de automatische notatie en vervolgens de procentnotatie op de cel toepast, wordt de waarde weergegeven als 3%. Als u echter 3 typt in een cel die is opgemaakt met de automatische notatie en vervolgens de procentnotatie op de cel toepast, wordt de waarde weergegeven als 300%. Om een procentnotatie met twee decimalen, negatieve getallen en een scheidingsteken voor duizendtallen te definiëren, selecteert u een of meer cellen en klikt u op de knop voor de procentnotatie in de opmaakbalk. Gebruik de knoppen voor het verhogen of verlagen van het aantal decimalen om het gewenste aantal decimalen in te stellen. Hiermee geeft u de waarde als percentage weer. Hiermee verlaagt u het aantal decimalen. Hiermee verhoogt u het aantal decimalen. Hoofdstuk 4 Werken met tabelcellen 103

104 Het infovenster 'Cel' bevat meer opties voor procentnotaties. Een procentnotatie instellen via het infovenster 'Cel' 1 Selecteer de cel of cellen. 2 Klik op de knop 'Info' in de knoppenbalk en klik vervolgens op de knop 'Celinfo'. 3 Kies 'Percentage' uit het venstermenu 'Celnotatie'. 4 Geef in het veld 'Decimalen' het aantal decimalen op. Als een getal meer decimalen bevat dan het aantal dat u instelt, wordt het getal afgerond en niet afgekapt. Als u het aantal decimalen bijvoorbeeld hebt ingesteld op 2, wordt de waarde 3,456 weergegeven als '3,46' (en niet als '3,45'). 5 Om de notatie voor negatieve waarden in te stellen, kiest u een optie uit het venstermenu naast het veld 'Decimalen'. 6 Schakel het aankruisvak 'Scheidingsteken duizendtallen' in als u een scheidingsteken voor duizendtallen wilt instellen. Schakel het anders uit. Als de cel al een waarde bevat, wordt deze waarde als decimale waarde beschouwd en automatisch omgezet in een percentage. 3 wordt bijvoorbeeld 300%. Werken met datum- en tijdnotaties in tabelcellen Met een datum- en tijdnotatie bepaalt u hoe datum- en tijdwaarden worden weergegeven. Om een datum- en tijdnotatie in te stellen, selecteert u een of meer cellen, klikt u op de celnotatieknop in de opmaakbalk en kiest u 'Datum en tijd' uit het venstermenu. Vervolgens kies u een optie uit het submenu. Knop voor meer celopmaak Als u 'Meer' kiest, kunt u de standaarddatum-/tijdnotatie van de sjabloon toepassen en wordt het infovenster 'Cel' geopend. Het infovenster 'Cel' bevat meer opties voor datum- en tijdnotaties. 104 Hoofdstuk 4 Werken met tabelcellen

105 Een datum- en tijdnotatie instellen via het infovenster 'Cel' 1 Selecteer de cel of cellen. 2 Klik op de knop 'Info' in de knoppenbalk en klik vervolgens op de knop 'Celinfo'. 3 Kies 'Datum en tijd' uit het venstermenu 'Celnotatie'. 4 Kies de gewenste datumnotatie uit het venstermenu 'Datum'. 5 Kies de gewenste tijdnotatie uit het venstermenu 'Tijd'. Werken met duurnotaties in tabelcellen Met een duurnotatie bepaalt u hoe aanduidingen van duur, zoals weken, dagen, uren, minuten, seconden en milliseconden worden weergegeven. Om een duurnotatie in te stellen, selecteert u een of meer cellen, kiest u 'Duur' uit het celnotatievenstermenu in de opmaakbalk en geeft u een notatie op in het infovenster 'Cel'. Een duurnotatie voor geselecteerde cellen instellen via het infovenster 'Cel' 1 Selecteer de cel of cellen. 2 Als het infovenster 'Cel' niet is geopend, klikt u op de knop 'Info' in de knoppenbalk en vervolgens op de knop 'Celinfo'. 3 Kies 'Duur' uit het venstermenu 'Celnotatie'. 4 Selecteer met de regelaar 'Eenheden' de eenheden om de duur aan te geven. Standaard worden uren, minuten en seconden weergegeven (u, m en s). Als u één eenheid wilt selecteren, sleept u het linker- of rechteruiteinde van de schuifregelaar naar het midden tot deze zo kort mogelijk is. Vervolgens klikt u in het midden van de schuifregelaar en sleept u deze over de eenheid die u wilt gebruiken. Als u meer dan één eenheid wilt selecteren, maakt u de schuifregelaar langer en sleept u deze over de eenheden die u wilt gebruiken. 5 Kies een notatie uit het venstermenu 'Notatie'. Hoofdstuk 4 Werken met tabelcellen 105

106 Werken met breuknotaties in tabelcellen Met een breuknotatie bepaalt u hoe een deel van een waarde kleiner dan 1 wordt weergegeven. Als u bijvoorbeeld 'Tweeden' kiest, wordt 27,5 weergegeven als '27 1/2'. Als u 'Achtsten' kiest, wordt deze waarde als '27 4/8' weergegeven. Om een breuknotatie in te stellen, selecteert u een of meer cellen, kiest u 'Breuken' uit het celnotatievenstermenu in de opmaakbalk en kiest u vervolgens een notatie uit het submenu. Knop voor meer celopmaak U kunt ook het infovenster 'Cel' gebruiken. Een breuknotatie voor geselecteerde cellen instellen via het infovenster 'Cel' 1 Selecteer de cel of cellen. 2 Klik op de knop 'Info' in de knoppenbalk en klik vervolgens op de knop 'Celinfo'. 3 Kies 'Breuken' uit het venstermenu 'Celnotatie'. 4 Kies een weergavenotatie uit het venstermenu 'Precisie'. Werken met talstelselnotaties in tabelcellen Met een talstelselnotatie geeft u getallen weer volgens de conventies van talstelsels met grondtal 2 t/m grondtal 36. Wanneer u 2, 8 of 16 als grondtal gebruikt, kunt u negatieve waarden weergeven door er een minteken voor te plaatsen of de tweecomplement-notatie te gebruiken. Negatieve waarden voor alle andere grondtallen worden aangeduid met een minteken. TalstelseI Weergave 100 Weergave 100 bij gebruik minteken Grondtal Grondtal Grondtal Grondtal C Weergave 100 bij gebruik tweecomplement 106 Hoofdstuk 4 Werken met tabelcellen

107 Om een talstelselnotatie in te stellen, selecteert u een of meer cellen, kiest u 'Talstelsel' uit het celnotatievenstermenu in de opmaakbalk en geeft u een notatie op in het infovenster 'Cel'. Een talstelselnotatie voor geselecteerde cellen instellen via het infovenster 'Cel' 1 Selecteer de cel of cellen. 2 Als het infovenster 'Cel' niet is geopend, klikt u op de knop 'Info' in de knoppenbalk en vervolgens op de knop 'Celinfo'. 3 Kies 'Talstelsel' uit het venstermenu 'Celnotatie'. 4 Geef in het veld 'Grondtal' het grondtal van het talstelsel op dat u wilt gebruiken. 5 Geef in het veld 'Posities' het totale aantal getallen op dat u wilt weergeven. 6 Als u 2, 8 of 16 als grondtal selecteert, moet u ook een instelling selecteren voor de weergave van negatieve getallen. Minteken: Hiermee plaatst u een minteken voor negatieve waarden. Twee-complement: Hiermee geeft u negatieve waarden weer volgens de tweecomplement-notatie. Negatieve waarden in alle overige talstelsels worden altijd voorafgegaan door een minteken. Hoofdstuk 4 Werken met tabelcellen 107

108 Werken met wetenschappelijke notaties in tabelcellen In een wetenschappelijke notatie wordt een getal weergegeven als een aantal malen een gehele macht van 10. De exponent wordt weergegeven na de letter E. 5,00 wordt bijvoorbeeld weergegeven als 5,00E+00 en wordt weergegeven als 1,23E+04. Om een wetenschappelijke notatie met twee decimalen in te stellen, selecteert u een of meer cellen, klikt u op de celnotatieknop in de opmaakbalk en kiest u 'Wetenschappelijk' uit het venstermenu. Het infovenster 'Cel' bevat meer opties voor het instellen van het aantal decimalen. Een wetenschappelijke notatie voor geselecteerde cellen instellen via het infovenster 'Cel' 1 Selecteer de cel of cellen. 2 Klik op de knop 'Info' in de knoppenbalk en klik vervolgens op de knop 'Celinfo'. 3 Kies 'Wetenschappelijk' uit het venstermenu 'Celnotatie'. 4 Geef in het veld 'Decimalen' het aantal decimalen op. Werken met tekstnotaties in tabelcellen Met een tekstnotatie bepaalt u of de volledige celinhoud als tekst moet worden beschouwd, ook wanneer een cel een getal bevat. Wanneer u een tekstnotatie aan een cel toekent, wordt de waarde in de cel precies zo weergegeven als deze is getypt. Manieren om een tekstnotatie voor een of meer geselecteerde cellen in te stellen: mm Klik op de celnotatieknop in de opmaakbalk en kies 'Tekst' uit het venstermenu. mm Klik op de knop 'Info' in de knoppenbalk, klik op de knop 'Celinfo' en kies vervolgens 'Tekst' uit het venstermenu 'Celnotatie'. 108 Hoofdstuk 4 Werken met tabelcellen

109 Werken met aankruisvakken, schuifknoppen, stappenregelaars of venstermenu's in tabelcellen U kunt een aankruisvak, schuifknop, stappenregelaar of een venstermenu aan een cel toevoegen. Aankruisvak: Bedoeld voor cellen met een waarde die een van twee mogelijke toestanden weergeeft, bijvoorbeeld aan of uit, of ja of nee. Schuifknop: Hiermee kunt u een waarde snel aanzienlijk wijzigen, zodat u kunt zien welk effect de wijziging heeft op de andere cellen in de tabel of het diagram. Stappenregelaar: Hiermee kunt u een getal stapsgewijs verhogen of verlagen. Venstermenu: Hiermee kunt u de mogelijke waarden voor een cel vooraf definiëren. Als u een aankruisvak of een venstermenu in een cel hebt opgenomen, kan de waarde in de cel alleen via deze regelaar worden toegevoegd of gewijzigd. In cellen met een stappenregelaar of een schuifknop kunt u een waarde in de cel typen of de regelaar gebruiken. Manieren om regelaars aan cellen toe te voegen: mm Om een aankruisvak toe te voegen, selecteert u de cel of cellen. Klik op de knop voor het toevoegen van een aankruisvak in de opmaakbalk. Er wordt een leeg aankruisvak aan de geselecteerde cellen toegevoegd. Knop voor het toevoegen van een aankruisvak mm U kunt ook op de knop 'Info' in de knoppenbalk klikken en vervolgens op de knop 'Celinfo' klikken. Kies 'Aankruisvak' uit het venstermenu 'Celnotatie' en stel in of het aankruisvak standaard in- of uitgeschakeld is. Om een schuifknop toe te voegen, klikt u op de celnotatieknop in de opmaakbalk en kiest u 'Schuifknop' uit het venstermenu. Er wordt een schuifknop aangemaakt waarbij gebruik wordt gemaakt van de standaardinstellingen. U kunt deze instellingen bekijken in het infovenster 'Cel'. U kunt ook het infovenster 'Cel' openen en 'Schuifknop' uit het venstermenu 'Celnotatie' kiezen. Hoofdstuk 4 Werken met tabelcellen 109

110 U kunt de standaardinstellingen eventueel aanpassen in het infovenster 'Cel'. Minimum en Maximum: In deze velden stelt u de hoogste en laagste celwaarde in. Toename: Hiermee stelt u de waarde in waarmee de celwaarde wordt verhoogd of verlaagd wanneer u de schuifknop (of pijltoetsen) stapsgewijs verschuift. Positie: Hiermee bepaalt u de positie van de schuifknop (rechts van de cel of onder de cel). Weergave: Hiermee stelt u een getal-, valuta-, procent-, breuk- of talstelselnotatie of een wetenschappelijke notatie voor de celwaarden in. Decimalen: In dit veld geeft u het aantal decimalen op. mm Om een venstermenu toe te voegen, klikt u op de celnotatieknop in de opmaakbalk en kiest u 'Venstermenu' uit het venstermenu. Er wordt een venstermenu aangemaakt waarbij gebruik wordt gemaakt van de standaardinstellingen. U kunt ook het infovenster 'Cel' openen en 'Venstermenu' uit het venstermenu 'Celnotatie' kiezen. U kunt in dit infovenster ook de plaatsaanduidingen bewerken door deze in de lijst te selecteren en vervolgens de juiste waarden op te geven. Om een onderdeel aan de lijst toe te voegen, klikt u op de knop met het plusteken en typt u het onderdeel. Als u een getal opgeeft, wordt dit als een getal behandeld en niet als tekst. Om een onderdeel te verwijderen, selecteert u het en klikt u op de knop met het minteken. mm Om een stappenregelaar toe te voegen, klikt u op de celnotatieknop in de opmaakbalk en kiest u 'Stappenregelaar' uit het venstermenu. Er wordt een stappenregelaar aangemaakt waarbij gebruik wordt gemaakt van de standaardinstellingen. U kunt ook het infovenster 'Cel' openen en 'Stappenregelaar' uit het venstermenu 'Celnotatie' kiezen. U kunt de standaardinstellingen eventueel aanpassen in het infovenster 'Cel'. Minimum en Maximum: In deze velden stelt u de hoogste en laagste celwaarde in. Toename: Hiermee stelt u de waarde in waarmee de celwaarde wordt verhoogd of verlaagd wanneer u de schuifknop (of pijltoetsen) stapsgewijs verschuift. Weergave: Hiermee stelt u een getal-, valuta-, procent-, breuk- of talstelselnotatie of een wetenschappelijke notatie voor de celwaarden in. Decimalen: In dit veld geeft u het aantal decimalen op. 110 Hoofdstuk 4 Werken met tabelcellen

111 Werken met eigen notaties voor de weergave van waarden in tabelcellen U kunt zelf notaties voor de weergave van getallen, tekst, datums en tijd definiëren. Zelfgemaakte celnotaties, de zogenaamde aangepaste notaties, worden weergegeven in het celnotatievenstermenu in de opmaakbalk. Aangepaste notaties worden ook weergegeven in het venstermenu 'Celnotatie' in het infovenster 'Cel'. Voor informatie over Een aangepaste getalnotatie definiëren die een valutasymbool, het gewenste aantal decimalen en andere weergavekenmerken op een getal in een tabelcel toepast Een aangepaste getalnotatie definiëren die afhankelijk is van de waarde van een getal in een tabelcel Een aangepaste datum- en tijdnotatie definiëren waarmee u bepaalt hoe dagen, maanden, jaren, uren, minuten en andere aspecten van een datum of tijd in een tabelcel worden weergegeven Tekst definiëren die u naast een waarde in een tabelcel wilt weergeven De aangepaste notaties die u definieert beheren Zie Een aangepaste getalnotatie definiëren op pagina 111 Het Gehele getallen-element van een aangepaste getalnotatie definiëren op pagina 114 Het Decimalen-element van een aangepaste getalnotatie definiëren op pagina 115 De schaal van een aangepaste getalnotatie definiëren op pagina 116 Voorwaarden aan een aangepaste getalnotatie koppelen op pagina 118 Een aangepaste datum- en tijdnotatie definiëren op pagina 120 Een aangepaste tekstnotatie definiëren op pagina 121 Een aangepaste celnotatie wijzigen op pagina 122 Aangepaste celnotaties verwijderen of de volgorde of naam ervan wijzigen op pagina 123 Een aangepaste getalnotatie definiëren Uw eigen weergavenotatie voor getallen in tabelcellen definiëren 1 Selecteer een of meer cellen. 2 Ga op een van de volgende manieren te werk: ÂÂ Kies 'Aangepast' uit het celnotatievenstermenu in de opmaakbalk. ÂÂ Kies 'Aangepast' uit het venstermenu 'Celnotatie' in het infovenster 'Cel'. Hoofdstuk 4 Werken met tabelcellen 111

112 ÂÂ Kies 'Opmaak' > 'Maak aangepaste celnotatie aan'. Notatieveld Sleep de elementen naar het notatieveld. 3 Kies 'Getal en tekst' uit het venstermenu 'Soort'. 4 Definieer uw getalnotatie door de (blauwe) elementen vanuit het vak 'Getal- en tekstelementen' naar het notatieveld boven het vak te slepen. Klik op een driehoekje om een notatie-optie te kiezen. Gehele getallen: Hiermee bepaalt u hoe getallen links van het decimaalteken worden weergegeven. Zie Het Gehele getallen-element van een aangepaste getalnotatie definiëren op pagina 114 voor meer informatie. Valuta: Hiermee voegt u een valutateken toe. Om het gewenste symbool te kiezen, klikt u op het driehoekje dat wordt weergegeven bij het element in het notatieveld en kiest u het symbool. Als u 'Toon volledige lijst met valuta in celinfopaneel' in de voorkeuren van Numbers selecteert, worden alle beschikbare keuzes weergegeven. Decimalen: Hiermee bepaalt u hoe decimale getallen worden weergegeven. Zie Het Decimalen-element van een aangepaste getalnotatie definiëren op pagina 115 voor meer informatie. 112 Hoofdstuk 4 Werken met tabelcellen

113 Spaties: Hiermee bepaalt u hoeveel ruimte er tussen de elementen wordt weergegeven. Klik op het driehoekje dat wordt weergegeven bij het element in het notatieveld en kies een optie. Met 'Normaal' voegt u een standaardspatie toe, met 'Breed' voegt u een em-spatie toe en met 'Smal' voegt u een zesde van een emspatie toe. U kunt met deze opties meer dan één Spaties-element aan het notatieveld toevoegen, maar slechts één van de Spaties-elementen kan flexibel zijn; dat wil zeggen dat elementen links van dit element links worden uitgelijnd en elementen rechts van dit element rechts worden uitgelijnd. Schaal: Hiermee stelt u de weergavegrootte van een getal in. U kunt bijvoorbeeld waarden die groter zijn dan 100 weergeven als aantal honderdtallen (1000 wordt weergegeven als 10). Zie De schaal van een aangepaste getalnotatie definiëren op pagina 116 voor meer informatie. 5 Om vooraf opgestelde tekst voor of na een element weer te geven, plaatst u het invoegpunt in het notatieveld en typt u de tekst. U kunt op elk gewenst element klikken en het invoegpunt verplaatsen met de Pijl-links- en Pijl-rechts-toets. 6 Om een element uit het notatieveld te verwijderen, selecteert u het en drukt u op de Delete-toets. Om het element te verplaatsen, versleept u het naar een andere positie. 7 Typ een naam voor uw getalnotatie in het veld 'Naam'. De namen van aangepaste notaties worden in het celnotatievenstermenu in de opmaakbalk en in het venstermenu 'Celnotatie' in het infovenster 'Cel' weergegeven. 8 Klik op 'OK' om uw getalnotatie op te slaan en op de geselecteerde cellen toe te passen. Hieronder ziet u een voorbeeld van een getalnotatie: Saldo:- #.###,## ÂÂ Het streepje is een Spaties-element dat zorgt dat er een normale spatie wordt weergegeven tussen het valutasymbool en het getal. ÂÂ Het eurosymbool is een Valuta-element. ÂÂ #.### is een Gehele getallen-element dat getallen groter dan 999 weergeeft met een scheidingsteken voor duizendtallen. ÂÂ,## is een Decimalen-element. Als u dit getal in een cel met bovenstaande notatie typt Wordt het getal zo weergegeven Saldo: ,000 0,95 Saldo: 0,95,666 Saldo: 0,67 Hoofdstuk 4 Werken met tabelcellen 113

114 Het Gehele getallen-element van een aangepaste getalnotatie definiëren Met het Gehele getallen-element kunt u de weergave van gehele getallen in tabelcellen aanpassen. Nadat u een Gehele getallen-element aan een aangepaste getalnotatie hebt toegevoegd, selecteert u het element, klikt u op het driehoekje en past u met de opties in het venstermenu de weergavekenmerken van het element aan. Zie Een aangepaste getalnotatie definiëren op pagina 111 voor meer informatie over het toevoegen van een Gehele getallen-element. Manieren om het venstermenu van het Gehele getallen-element te gebruiken: mm Om het scheidingsteken voor duizendtallen te tonen of te verbergen, kiest u 'Toon scheidingsteken' of 'Verberg scheidingsteken'. mm Als het gehele getal uit minder dan een bepaald aantal cijfers bestaat en u nullen of spaties vóór het gehele getal wilt weergeven, kiest u 'Toon nullen voor ongebruikte cijfers' of 'Gebruik spaties voor ongebruikte cijfers'. Verhoog of verlaag vervolgens het aantal nullen of streepjes in het notatieveld. Kies 'Voeg cijfer toe', 'Verwijder cijfer' of 'Aantal cijfers' uit het venstermenu of gebruik de Pijl-omhoog- of Pijl-omlaag-toets om het aantal cijfers aan te passen. Als u deze optie kiest Wordt dit getal Zo weergegeven Toon scheidingsteken Verberg scheidingsteken 'Toon nullen voor ongebruikte cijfers' met 'Aantal cijfers' ingesteld op Hoofdstuk 4 Werken met tabelcellen

115 Het Decimalen-element van een aangepaste getalnotatie definiëren Met het Decimalen-element kunt u de weergave van decimale getallen in tabelcellen aanpassen. Decimale getallen zijn getallen die rechts van een decimaalteken worden weergegeven. Nadat u een Decimalen-element aan een aangepaste getalnotatie hebt toegevoegd, selecteert u het element, klikt u op het driehoekje en past u vervolgens met de opties in het venstermenu de weergavekenmerken van het element aan. Zie Een aangepaste getalnotatie definiëren op pagina 111 voor meer informatie over het toevoegen van een Decimalen-element. Manieren om het venstermenu van het Decimalen-element te gebruiken: mm Om decimalen als getallen weer te geven, kiest u 'Decimalen'. Als het aantal decimalen lager is dan een bepaald aantal cijfers en u de ongebruikte decimalen wilt weergeven, kiest u 'Toon afsluitende nullen' of 'Gebruik spaties voor afsluitende nullen'. Verhoog of verlaag vervolgens het aantal nullen of streepjes in het notatieveld. Kies 'Voeg cijfer toe', 'Verwijder cijfer' of 'Aantal cijfers' uit het venstermenu of gebruik de Pijl-omhoog- of Pijl-omlaag-toets om het aantal cijfers aan te passen. Als in een tabelcel meer decimalen worden getypt dan het aantal dat u hebt gedefinieerd, wordt het getal afgerond op het gedefinieerde aantal decimalen. mm Om decimalen als een breuk weer te geven, kiest u 'Breuken'. Om een breukeenheid (zoals 'Kwarten') in te stellen, klikt u opnieuw op het driehoekje van het element en kiest u een optie uit het venstermenu. mm Als u geen decimalen wilt weergeven wanneer een getal met decimalen in een tabelcel wordt getypt, voegt u het Decimalen-element niet aan het notatieveld toe. Getallen met decimalen worden in dit geval op het dichtstbijzijnde gehele getal afgerond. Hoofdstuk 4 Werken met tabelcellen 115

116 Als u deze optie kiest Wordt dit getal Zo weergegeven 'Decimalen' en 'Toon afsluitende nullen' met 'Aantal cijfers' ingesteld op 6 'Breuken' met 'Tot 2 cijfers (23/24)' geselecteerd 'Breuken' met 'Kwarten' geselecteerd 100, , , /40 Er wordt een spatie tussen het gehele getal en de breuk weergegeven wanneer u een Spaties-element tussen het Gehele getallen-element en het Decimalen-element in het notatieveld toevoegt. 100, /4 De schaal van een aangepaste getalnotatie definiëren Met het Schaal-element kunt u een getal in een tabelcel weergeven met de schaalconventies van een percentage, een wetenschappelijke notatie of een andere notatie. Het Schaal-element gebruiken 1 Voeg het toe zoals beschreven in Een aangepaste getalnotatie definiëren op pagina Selecteer het in het notatieveld, klik op het driehoekje en kies vervolgens een optie. Wanneer u een notatie met een Schaal-element toepast op een cel die al een waarde bevat, verandert de oorspronkelijke waarde niet (hij wordt alleen anders weergegeven). Wanneer u dezelfde notatie op een lege cel toepast en daarna een waarde aan de cel toevoegt, wordt de waarde werkelijk aangepast aan de opgegeven schaal. In de volgende tabel wordt dit verschil verder geïllustreerd. 116 Hoofdstuk 4 Werken met tabelcellen

117 Schaaloptie Procent Procent (%) Honderden Honderden (C) Duizenden Duizenden (K) Miljoenen Miljoenen (M) Miljarden Als u in een tabelcel typt En de optie later toepast Nadat u de optie hebt toegepast En de optie later toepast Nadat u de optie hebt toegepast En de optie later toepast Nadat u de optie hebt toegepast En de optie later toepast Nadat u de optie hebt toegepast En de optie later toepast Nadat u de optie hebt toegepast En de optie later toepast Nadat u de optie hebt toegepast En de optie later toepast Nadat u de optie hebt toegepast En de optie later toepast Nadat u de optie hebt toegepast En de optie later toepast Nadat u de optie hebt toegepast Is de werkelijke waarde % % Is de weergegeven waarde % % 12000% 12000% C C K K M M Hoofdstuk 4 Werken met tabelcellen 117

118 Schaaloptie Miljarden (B) Biljoenen Biljoenen (T) Wetenschappelijk Als u in een tabelcel typt En de optie later toepast Nadat u de optie hebt toegepast En de optie later toepast Nadat u de optie hebt toegepast En de optie later toepast Nadat u de optie hebt toegepast En de optie later toepast Nadat u de optie hebt toegepast Is de werkelijke waarde B B T T E+0, E+0,4 Is de weergegeven waarde Voorwaarden aan een aangepaste getalnotatie koppelen U kunt voorwaarden aan een aangepaste getalnotatie koppelen die ervoor zorgen dat de weergavekenmerken van een tabelcel worden aangepast op basis van de getypte waarde. Hieronder ziet u een voorbeeld van een getalnotatie met vier voorwaarden. De bovenste voorwaarde wordt toegepast wanneer het getypte getal aan geen van de overige voorwaarden voldoet. 118 Hoofdstuk 4 Werken met tabelcellen

119 Als u deze waarde in een cel met bovenstaande notatie typt Wordt de waarde zo weergegeven Verschuldigd: 0015,00K 0 Betaald 500 Verschuldigd: (0000,50K) Rekening gesloten Opmerking: rekening gesloten Een aangepaste getalnotatie met voorwaarden definiëren 1 Selecteer een of meer cellen. 2 Ga op een van de volgende manieren te werk: ÂÂ Kies 'Aangepast' uit het celnotatievenstermenu in de opmaakbalk. ÂÂ Kies 'Aangepast' uit het venstermenu 'Celnotatie' in het infovenster 'Cel'. ÂÂ Kies 'Opmaak' > 'Maak aangepaste celnotatie aan'. 3 Kies 'Getal en tekst' uit het venstermenu 'Soort'. 4 Klik op de knop met het plusteken rechts van het notatieveld om een voorwaarde toe te voegen. 5 Kies een voorwaarde uit het venstermenu boven het nieuwe notatieveld. 6 Definieer de getalnotatie die u wilt toepassen als een getal aan de voorwaarde voldoet door elementen aan het notatieveld toe te voegen. Zie Een aangepaste getalnotatie definiëren op pagina 111 voor informatie over werken met het notatieveld. 7 Herhaal stap 4 t/m 6 voor de overige voorwaarden die u wilt definiëren. Hoofdstuk 4 Werken met tabelcellen 119

120 Opmerking: Om een voorwaarde te verwijderen, klikt u op de knop met het minteken rechts van het notatieveld. 8 Definieer in het bovenste notatieveld de weergavenotatie die u wilt gebruiken als een getal aan geen van de voorwaarden voldoet. U kunt het Getypte tekst-element gebruiken om vooraf opgestelde tekst weer te geven als er een tekstwaarde wordt ingevoerd in plaats van een getal. Zie Een aangepaste tekstnotatie definiëren op pagina 121 voor meer informatie. 9 Typ een naam voor uw getalnotatie in het veld 'Naam' en klik vervolgens op 'OK' om de notatie te bewaren en toe te passen op de geselecteerde cellen. De namen van aangepaste notaties worden in het celnotatievenstermenu in de opmaakbalk en in het venstermenu 'Celnotatie' in het infovenster 'Cel' weergegeven. Een aangepaste datum- en tijdnotatie definiëren Een eigen weergavenotatie voor datum- en tijdwaarden in tabelcellen definiëren 1 Selecteer een of meer cellen. 2 Ga op een van de volgende manieren te werk: ÂÂ Kies 'Aangepast' uit het celnotatievenstermenu in de opmaakbalk. ÂÂ Kies 'Aangepast' uit het venstermenu 'Celnotatie' in het infovenster 'Cel'. ÂÂ Kies 'Opmaak' > 'Maak aangepaste celnotatie aan'. 3 Kies 'Datum en tijd' uit het venstermenu 'Soort'. 4 Definieer uw datum- en tijdnotatie door de (blauwe) elementen vanuit het vak 'Datum- en tijdelementen' naar het notatieveld boven het vak te slepen. 120 Hoofdstuk 4 Werken met tabelcellen

121 5 Nadat u een element naar het notatieveld hebt gesleept, klikt u op het driehoekje en kiest u een notatie-optie uit het venstermenu. 6 Om vooraf opgestelde tekst voor of na een element weer te geven, plaatst u het invoegpunt in het notatieveld en typt u de tekst. U kunt op elk gewenst element klikken en het invoegpunt verplaatsen met de Pijl-links- en Pijl-rechts-toets. 7 Om ruimte tussen elementen aan te brengen, plaatst u het invoegpunt op de gewenste positie en drukt u eenmaal of meermaals op de spatiebalk. 8 Om een element uit het notatieveld te verwijderen, selecteert u het en drukt u op de Delete-toets. Om een element te verplaatsen, versleept u het naar een andere positie. 9 Typ een naam voor uw datum- en tijdnotatie in het veld 'Naam'. De namen van aangepaste notaties worden in het celnotatievenstermenu in de opmaakbalk en in het venstermenu 'Celnotatie' in het infovenster 'Cel' weergegeven. 10 Klik op 'OK' om uw datum- en tijdnotatie op te slaan en op de geselecteerde cellen toe te passen. Wanneer u een datum- of tijdwaarde in een cel typt waaraan een datum- en tijdnotatie is toegekend, wordt de notatie toegepast als de getypte waarde een liggend streepje (-) of schuine streep (/) bevat. Als u deze waarde in een cel met bovenstaande notatie typt Wordt de waarde zo weergegeven 16/4/99 16 april 1999 valt op dag 106 van het jaar februari 2008 valt op dag 54 van het jaar 15 dec dec Een aangepaste tekstnotatie definiëren U kunt een notatie definiëren die een vooraf opgestelde tekst weergeeft voor of na een waarde in een tabelcel als er geen andere notatie aan de cel is toegekend. Tekst definiëren om in tabelcellen weer te geven 1 Selecteer een of meer cellen. 2 Ga op een van de volgende manieren te werk: ÂÂ Kies 'Aangepast' uit het celnotatievenstermenu in de opmaakbalk. Hoofdstuk 4 Werken met tabelcellen 121

122 ÂÂ Kies 'Aangepast' uit het venstermenu 'Celnotatie' in het infovenster 'Cel'. ÂÂ Kies 'Opmaak' > 'Maak aangepaste celnotatie aan'. 3 Kies 'Getal en tekst' uit het venstermenu 'Soort'. 4 Sleep de (blauwe) Getypte tekst-elementen vanuit het vak 'Datum- en tijdelementen' naar het lege notatieveld boven het vak. (Verwijder eventuele bestaande elementen uit het veld voordat u de Getypte tekst-elementen sleept.) 5 Plaats het invoegpunt voor of achter het element en typ vervolgens de gewenste tekst, inclusief eventuele spaties. U kunt gewoon op het element klikken en het invoegpunt vervolgens met de Pijl-links- en Pijl-rechts-toets naar de juiste positie verplaatsen. Wanneer u 'Nieuw adres opvragen' invoert in een veld met deze notatie, wordt de waarde als volgt weergegeven: 'Klant bellen: Nieuw adres opvragen'. 6 Typ een naam voor uw tekstnotatie in het veld 'Naam'. De namen van aangepaste notaties worden in het celnotatievenstermenu in de opmaakbalk en in het venstermenu 'Celnotatie' in het infovenster 'Cel' weergegeven. 7 Klik op 'OK' om uw tekstnotatie op te slaan en op de geselecteerde cellen toe te passen. Een aangepaste celnotatie wijzigen Manieren om aangepaste notaties te wijzigen en wijzigingen op tabelcellen toe te passen: mm Om de elementen van een aangepaste notatie te wijzigen die aan cellen is toegekend, selecteert u de cellen en klikt u op 'Toon notatie' in het infovenster 'Cel' Een element verwijderen: Selecteer het element in het notatieveld en druk op de Delete-toets. Een element toevoegen: Sleep een element naar het notatieveld. Een element verplaatsen: Sleep een element binnen het notatieveld. De definitie van een element wijzigen: Klik op het driehoekje van het element en kies vervolgens een optie uit het venstermenu. 122 Hoofdstuk 4 Werken met tabelcellen

123 mm Ga op een van de volgende manieren te werk nadat u de wijzigingen hebt aangebracht: ÂÂ Om de gewijzigde notatie te bewaren en met dezelfde naam toe te passen op geselecteerde cellen, klikt u op 'OK' en vervolgens op 'Vervang'. ÂÂ Om de gewijzigde notatie te bewaren als een nieuwe notatie en met een andere naam toe te passen op geselecteerde cellen, wijzigt u de naam van de notatie en klikt u op 'OK'. ÂÂ Om de aangepaste notatie toe te passen op niet-geselecteerde cellen, selecteert u de cellen en kiest u de naam van de notatie uit het celnotatievenstermenu in de opmaakbalk of het venstermenu 'Celnotatie' in het infovenster 'Cel'. U kunt de naam van een aangepaste notatie wijzigen via het dialoogvenster voor het beheren van aangepaste celnotaties. Om dit dialoogvenster te openen, klikt u op 'Beheer notaties' in het dialoogvenster voor het definiëren van aangepaste celnotaties of kiest u 'Opmaak' > 'Beheer aangepaste celnotaties'. Klik vervolgens dubbel op de naam, breng de gewenste wijzigingen aan en klik op 'OK'. Wanneer u de naam van een aangepaste notatie wijzigt, blijft de oude naam gekoppeld aan de cellen waarop de notatie was toegepast en wordt de oude naam verwijderd uit de lijst met aangepaste notaties. Om de notatie met de nieuwe naam te koppelen aan deze cellen, selecteert u de cellen en kiest u de nieuwe naam uit het celnotatievenstermenu in de opmaakbalk of het venstermenu 'Celnotatie' in het infovenster 'Cel'. Aangepaste celnotaties verwijderen of de volgorde of naam ervan wijzigen U kunt uw aangepaste celnotaties beheren in het dialoogvenster voor het beheren van aangepaste celnotaties. In dit dialoogvenster worden alle aangepaste notaties weergegeven die beschikbaar zijn in het document. Hoofdstuk 4 Werken met tabelcellen 123

124 Aangepaste celnotaties beheren 1 Als het dialoogvenster voor het beheren van aangepaste celnotaties niet is geopend, klikt u op 'Beheer notaties' in het dialoogvenster voor het definiëren van aangepaste celnotaties of kiest u 'Opmaak' > 'Beheer aangepaste celnotaties'. 2 Ga op een van de volgende manieren te werk: De naam van een aangepaste notatie wijzigen: Klik dubbel op de naam en typ de nieuwe naam. De volgorde van aangepaste notaties in de venstermenu's wijzigen: Selecteer een notatie en klik op een van de pijlen onder de lijst om de notatie hoger of lager in de lijst te plaatsen. Een aangepaste notatie verwijderen: Selecteer een notatie en klik op de knop met het minteken onder de lijst. 3 Klik op 'OK' om uw wijzigingen op te slaan en het dialoogvenster te sluiten. 124 Hoofdstuk 4 Werken met tabelcellen

125 Werken met tabelstijlen 5 Dit hoofdstuk bevat informatie over de manier waarop u de weergave van tabellen snel en consistent kunt beheren met tabelstijlen. De Numbers-sjablonen bevatten een aantal kant-en-klare tabelstijlen. U kunt de sjabloonstijlen ook aanpassen en zelf stijlen aanmaken. Werken met tabelstijlen Met behulp van visuele kenmerken kunt u verschillende tabellen in een Numbersspreadsheet makkelijk van elkaar onderscheiden. U kunt bijvoorbeeld een tabel met invoerwaarden en veronderstellingen voorzien van een blauwe achtergrond en bijbehorende randen en een andere tabel met de feitelijke berekeningsresultaten een grijze achtergrond en daarbij passende randen geven. De eenvoudigste manier om de weergave van tabellen te wijzigen, is door een stijl toe te passen. Met tabelstijlen zorgt u er bovendien voor dat de opmaak van uw tabellen consistent is. Een tabelstijl is een vooraf gedefinieerde vorm van opmaak die u met één muisklik op een tabel kunt toepassen. In een tabelstijl zijn de volgende elementen vooraf gedefinieerd: ÂÂ De achtergrond van de tabel (kleur of afbeelding) en de mate van ondoorzichtigheid ÂÂ De lijndikte, kleur en de mate van ondoorzichtigheid van de buitenrand van tabelcellen en de buitenrand van rijen met koptekst, kolommen met koptekst en rijen met voettekst ÂÂ De achtergrond (kleur of afbeelding en de mate van ondoorzichtigheid) en de tekstkenmerken van tabelcellen, waaronder cellen met kop- en voetteksten 125

126 Voor informatie over Een tabel opmaken met een tabelstijl Tabelstijlen toepassen op pagina 126 Zie De stijl van een tabel aanpassen De kenmerken van een tabelstijl wijzigen op pagina 127 Een tabelstijl kopiëren en plakken op pagina 128 De standaardtabelstijlen van een tabel wijzigen Standaardtabelstijlen gebruiken op pagina 128 De opmaak die u op een tabel toepast bewaren als nieuwe tabelstijl Nieuwe tabelstijlen aanmaken op pagina 128 De naam van een tabelstijl wijzigen Namen van tabelstijlen wijzigen op pagina 129 Een tabelstijl uit een spreadsheet verwijderen Tabelstijlen verwijderen op pagina 129 Tabelstijlen toepassen Nadat u een stijl op een tabel hebt toegepast, kunt u de vooraf gedefinieerde opmaak naar wens wijzigen. Dit wordt ook wel een overschrijving genoemd. Als u daarna weer een andere stijl op de tabel toepast, kunt u opgeven of u uw overschrijvingen wilt behouden of verwijderen. Manieren om een tabelstijl toe te passen: mm Om de stijl van een tabel te vervangen en alle overschrijvingen te wissen, klikt u op het driehoekje naast de gewenste stijl en kiest u 'Wis en pas stijl toe'. U kunt ook 'Opmaak' > 'Pas tabelstijl opnieuw toe' kiezen. mm Om de stijl van een tabel te vervangen en daarbij al uw wijzigingen te behouden, selecteert u de tabel en klikt u op de naam van de gewenste stijl in het paneel 'Stijlen' links in het venster. U kunt ook een tabel selecteren, op het driehoekje naast de gewenste stijl klikken en 'Pas stijl toe' kiezen. U kunt ook een stijl uit het paneel 'Stijlen' naar een tabel slepen. Hiervoor hoeft u niet eerst de tabel te selecteren. mm Om de stijl van alle tabellen in een werkblad te vervangen en alle wijzigingen te behouden, sleept u de gewenste stijl van het paneel 'Stijlen' naar het symbool van een werkblad in het paneel 'Werkbladen'. 126 Hoofdstuk 5 Werken met tabelstijlen

127 De kenmerken van een tabelstijl wijzigen U kunt de weergave van een tabel wijzigen door de kenmerken van de toegepaste tabelstijl aan te passen. Manieren om de kenmerken van een tabelstijl te wijzigen: mm Om de achtergrondkleur van een tabel, cellen met koptekst of normale cellen te wijzigen, selecteert u de tabel of de cellen en klikt u op het vak 'Vulling' in de opmaakbalk. Met behulp van het venstermenu 'Celachtergrond' in het infovenster 'Tabel' kunt u uitgebreidere wijzigingen op de selectie uitvoeren. Zie Een kleur of afbeelding als vulling voor een object gebruiken op pagina 252 voor instructies voor het gebruik van deze knoppen. U kunt de mate van ondoorzichtigheid van de achtergrond wijzigen met behulp van de schuifknop 'Ondoorzichtigheid' in het infovenster 'Afbeelding'. Zie De mate van ondoorzichtigheid van objecten aanpassen op pagina 251 voor instructies. mm Om de lijn en kleur van tabelcelranden te wijzigen, volgt u de instructies in De rand van tabelcellen opmaken op pagina 96. mm Om de tekst in een of meer cellen op te maken, selecteert u de cellen. U kunt de kleur, uitlijning en afstand van de tekst in een cel wijzigen via de opmaakbalk of het infovenster 'Tekst' (klik op de knop 'Info' in de knoppenbalk en klik vervolgens op de knop 'Tekstinfo'). Om de lettertypekenmerken te wijzigen, gebruikt u het venster 'Lettertypen' (klik op de knop 'Letter' in de knoppenbalk). Om de tabelstijl voor de hele spreadsheet opnieuw te definiëren aan de hand van uw wijzigingen, klikt u op het driehoekje rechts naast de stijl en kiest u 'Herdefinieer stijl volgens tabel'. Alle tabellen in de spreadsheet waarop deze stijl is toegepast, worden bijgewerkt aan de hand van uw wijzigingen. Uw overschrijvingen blijven hierbij ongewijzigd. U kunt op basis van uw wijzigingen ook een nieuwe stijl aanmaken door op het driehoekje naast de stijl te klikken en vervolgens 'Maak nieuwe stijl aan' te kiezen. Hoofdstuk 5 Werken met tabelstijlen 127

128 Een tabelstijl kopiëren en plakken U kunt de weergave van een tabel wijzigen door een andere tabelstijl of celstijl te kopiëren en te plakken. mm mm mm Manieren om tabelstijlen te kopiëren en te plakken: Om een celstijl te kopiëren, selecteert u de gewenste cel en kiest u 'Opmaak' > 'Kopieer stijl'. Om de gekopieerde stijl op andere cellen toe te passen, selecteert u de gewenste cellen en kiest u 'Opmaak' > 'Plak stijl'. Om een gekopieerde tabel te plakken en daarbij de standaardtabelstijl van de spreadsheet te gebruiken, kiest u 'Wijzig' > 'Plak en pas stijl aan'. Standaardtabelstijlen gebruiken Elke spreadsheet heeft een tabelstijl die is ingesteld als de standaardstijl. Deze tabelstijl wordt toegepast op nieuwe tabellen. mm De standaardtabelstijl wijzigen Klik op de pijl rechts van de stijl die u als standaardtabelstijl wilt gebruiken en kies vervolgens 'Stel in als standaardstijl voor nieuwe tabellen'. Zie de instructies in Een herbruikbare tabel definiëren op pagina 58 om de standaardtabelstijl te gebruiken voor een herbruikbare tabel die u zelf aanmaakt. Nieuwe tabelstijlen aanmaken U kunt een nieuwe tabelstijl aanmaken door een tabel opnieuw op te maken en deze opmaak te bewaren als een tabelstijl. Een nieuwe tabelstijl aanmaken 1 Volg de instructies in De kenmerken van een tabelstijl wijzigen op pagina 127 om de gewenste visuele effecten te krijgen. 2 Selecteer de tabel, klik op het driehoekje naast een willekeurige stijl in het paneel 'Stijlen' en kies 'Maak nieuwe stijl aan'. 3 Geef een naam voor de nieuwe tabelstijl op en klik op 'OK'. De nieuwe tabelstijl wordt nu weergegeven in het paneel 'Stijlen' en kan op elke tabel in de spreadsheet worden toegepast. Om de nieuwe tabelstijl ook in andere spreadsheets te kunnen gebruiken, maakt u een sjabloon aan op basis van de spreadsheet. Zie Een spreadsheet als sjabloon bewaren op pagina 41 voor meer informatie. 128 Hoofdstuk 5 Werken met tabelstijlen

129 Namen van tabelstijlen wijzigen U kunt de naam van een tabelstijl wijzigen. De naam van een tabelstijl wijzigen 1 Klik op het driehoekje naast de stijl in het paneel 'Stijlen'. 2 Kies 'Wijzig stijlnaam'. 3 Wijzig de naam van de tabelstijl en let er daarbij op dat u een naam opgeeft die uniek is in de spreadsheet. 4 Druk op de Return-toets. Tabelstijlen verwijderen Als u een tabelstijl verwijdert die in een spreadsheet wordt gebruikt, moet u een vervangende stijl kiezen. Een stijl verwijderen 1 Klik op het driehoekje naast de stijl in het paneel 'Stijlen'. 2 Kies 'Verwijder stijl'. 3 Als de stijl die u wilt verwijderen in de huidige spreadsheet wordt gebruikt, kiest u een vervangende stijl en klikt u vervolgens op 'OK'. Hoofdstuk 5 Werken met tabelstijlen 129

130 Werken met formules in tabellen 6 Dit hoofdstuk bevat informatie over de manier waarop u met behulp van formules berekeningen in tabelcellen kunt uitvoeren. De elementen van formules Een formule zorgt ervoor dat een berekening wordt uitgevoerd en dat het resultaat wordt getoond in de cel waarin u de formule hebt geplaatst. Een cel die een formule bevat, wordt een formulecel genoemd. U kunt bijvoorbeeld een formule toevoegen aan de onderste cel in een kolom om de waarden op te tellen van alle bovenliggende cellen. Als de waarden in de bovenliggende cellen veranderen, wordt de waarde in de formulecel automatisch bijgewerkt. Met een formule wordt een berekening uitgevoerd op basis van specifieke waarden die u opgeeft. De waarden die u als onderdeel van de formule opgeeft, kunnen getallen of tekstwaarden (constanten) zijn. Dit kunnen ook waarden in andere tabelcellen zijn. Dergelijke waarden voegt u met behulp van celverwijzingen aan de formule toe. In formules worden operatoren en functies gebruikt om berekeningen uit te voeren op basis van de waarden die u hebt opgegeven: ÂÂ Operatoren zijn symbolen voor het uitvoeren van bewerkingen, zoals rekenkundige bewerkingen en vergelijkingen. Deze symbolen voegt u aan formules toe om aan te geven welke bewerking u wilt uitvoeren. Met het symbool + worden bijvoorbeeld waarden bij elkaar opgeteld en met het symbool = worden twee waarden vergeleken om te bepalen of ze gelijk zijn. =A2 + 16: In deze formule wordt een operator gebruikt om twee waarden bij elkaar op te tellen. =: Elke formule moet hiermee beginnen. A2: Dit is een celverwijzing. 'A2' verwijst naar de tweede cel van de eerste kolom. +: Dit is een rekenkundige operator waarmee de voorafgaande waarde bij de volgende waarde wordt opgeteld. 130

131 ÂÂ 16: Dit is een numerieke constante. Functies zijn vooraf gedefinieerde, benoemde bewerkingen zoals SOM en GEMIDDELDE. Als u een functie wilt gebruiken, voert u de naam van de functie in en voert u tussen de haakjes na de naam de vereiste argumenten in. Met argumenten geeft u de waarden op die door de functie worden gebruikt als de bewerkingen worden uitgevoerd. =SOM(A2:A10): In deze formule wordt de functie SOM gebruikt om de waarden in een bereik van cellen (negen cellen in de eerste kolom) bij elkaar op te tellen. A2:A10: Deze celverwijzing verwijst naar de waarden in cel A2 tot en met A10. Voor informatie over Meteen de som, het gemiddelde, de minimumof maximumwaarde en de telling van waarden in geselecteerde cellen tonen en de formule waarmee deze waarden zijn afgeleid desgewenst bewaren Snel een formule toevoegen waarmee de som, het gemiddelde, de minimum- of maximumwaarde, de telling of het product van waarden in geselecteerde cellen wordt getoond Hulpmiddelen en technieken voor het aanmaken en wijzigen van formules Zie Snel berekeningen uitvoeren op pagina 132 Werken met vooraf gedefinieerde snelle formules op pagina 133 Formules toevoegen en bewerken met de formule-editor op pagina 134 Formules toevoegen en bewerken met de formulebalk op pagina 135 Functies aan formules toevoegen op pagina 136 Formules verwijderen op pagina 139 De honderden functies in iwork en voorbeelden van het gebruik van deze functies voor financiële, technische, statistische en andere berekeningen 'Help' > 'iwork-formules en -functies Help' 'Help' > 'iwork-gebruikershandleiding voor formules en functies' Verschillende typen celverwijzingen toevoegen aan een formule Naar cellen verwijzen in formules op pagina 139 Formules aanmaken en bewerken met behulp van de muis en het toetsenbord op pagina 141 Onderscheid maken tussen absolute en relatieve celverwijzingen op pagina 142 Werken met operatoren in formules Rekenkundige operatoren op pagina 143 Vergelijkingsoperatoren op pagina 144 Formules of de berekende waarden naar andere tabelcellen kopiëren of verplaatsen Formules en elementen van formules zoeken Formules en berekende waarden kopiëren of verplaatsen op pagina 145 Alle formules in een spreadsheet bekijken op pagina 145 Elementen van formules zoeken en vervangen op pagina 146 Hoofdstuk 6 Werken met formules in tabellen 131

132 Snel berekeningen uitvoeren Linksonder in het Numbers-venster kunt u de resultaten van algemene berekeningen met waarden in twee of meer geselecteerde tabelcellen bekijken. Snel een berekening uitvoeren 1 Selecteer twee of meer cellen in een tabel. De cellen hoeven niet aangrenzend te zijn. De resultaten van de berekeningen die met de waarden in deze cellen worden uitgevoerd, worden direct linksonder in het venster weergegeven. De resultaten die linksonder in het venster worden weergegeven zijn gebaseerd op de waarden in deze twee geselecteerde cellen. som: Toont de som van de numerieke waarden in de geselecteerde cellen. gemid.: Toont het gemiddelde van de numerieke waarden in de geselecteerde cellen. min: Toont de kleinste numerieke waarde in de geselecteerde cellen. max: Toont de grootste numerieke waarde in de geselecteerde cellen. aantal: Toont het aantal numerieke waarden en de datum- en tijdwaarden in de geselecteerde cellen. Lege cellen en cellen die andere typen waarden bevatten dan de waarden die hierboven worden genoemd, worden in de berekeningen genegeerd. 2 Selecteer andere cellen om direct andere berekeningen uit te voeren. Als u een bepaalde berekening erg handig vindt en in de tabel wilt opnemen, kunt u deze als een formule aan een lege tabelcel toevoegen. Hiertoe sleept u eenvoudig som, gemiddelde of een van de andere berekeningen linksonder in het venster naar een lege cel. De cel hoeft zich niet in dezelfde tabel te bevinden als de cellen die in de berekeningen zijn gebruikt. 132 Hoofdstuk 6 Werken met formules in tabellen

133 Werken met vooraf gedefinieerde snelle formules U kunt snel een eenvoudige berekening uitvoeren met waarden in een reeks aangrenzende tabelcellen. Selecteer de gewenste cellen en voeg een formule toe via het venstermenu dat verschijnt wanneer u op de knop 'Functie' in de knoppenbalk klikt. Som: Berekent de som van de numerieke waarden in de geselecteerde cellen. Gemiddelde: Berekent het gemiddelde van de numerieke waarden in de geselecteerde cellen. Minimum: Toont de kleinste numerieke waarde in de geselecteerde cellen. Maximum: Toont de grootste numerieke waarde in de geselecteerde cellen. Aantal: Toont het aantal numerieke waarden en de datum- en tijdwaarden in de geselecteerde cellen. Product: Vermenigvuldigt alle numerieke waarden in de geselecteerde cellen. U kunt ook 'Voeg in' > 'Functie' kiezen en vervolgens een optie uit het submenu kiezen. Lege cellen en cellen die andere typen waarden bevatten worden genegeerd. Manieren om snel een formule toe te voegen: mm Om een berekening uit te voeren met de waarden die in een kolom of rij zijn geselecteerd, selecteert u de gewenste cellen, klikt u op de knop 'Functie' in de knoppenbalk en kiest u vervolgens een berekening uit het venstermenu. Als de cellen in dezelfde kolom staan, wordt de formule in Numbers in de eerste lege cel onder de geselecteerde cellen geplaatst. Als er geen lege cel is, wordt in Numbers een rij toegevoegd waarin de formule wordt weergegeven. Als de cellen in dezelfde rij staan, wordt de formule in Numbers in de eerste lege cel rechts van de geselecteerde cellen geplaatst. Als er geen lege cel is, wordt in Numbers een kolom toegevoegd waarin de formule wordt weergegeven. mm Om een berekening met alle waarden in de tabelcellen van een kolom uit te voeren, klikt u op de koptekstcel of de verwijzingslabel van de kolom en klikt u vervolgens op de knop 'Functie' in de knoppenbalk. Ten slotte kiest u een berekening uit het venstermenu. Hoofdstuk 6 Werken met formules in tabellen 133

134 In Numbers wordt de formule in een voettekstrij geplaatst. Als de tabel geen voettekstrij heeft, wordt er in Numbers één toegevoegd. mm Om een berekening met alle waarden in een rij uit te voeren, klikt u op de koptekstcel of referentietab van de rij en klikt u vervolgens op de knop 'Functie' in de knoppenbalk. Ten slotte kiest u een berekening uit het venstermenu. In Numbers wordt de formule in een nieuwe kolom geplaatst. Zelf formules aanmaken Hoewel er allerlei snelle manieren zijn om formules voor eenvoudige berekeningen toe te voegen (zie Snel berekeningen uitvoeren op pagina 132 en Werken met vooraf gedefinieerde snelle formules op pagina 133), kunt u nauwkeuriger werken wanneer u de hulpmiddelen voor formules gebruikt. Voor informatie over Een formule toevoegen met de formule-editor Een formule toevoegen met de aanpasbare formulebalk Vanuit de formule-editor of formulebalk snel functies en formules toevoegen met de functiekiezer Een formule met fouten opsporen Zie Formules toevoegen en bewerken met de formule-editor op pagina 134 Formules toevoegen en bewerken met de formulebalk op pagina 135 Functies aan formules toevoegen op pagina 136 Fouten en waarschuwingen bij formules afhandelen op pagina 139 Formules toevoegen en bewerken met de formule-editor De formule-editor bevat een tekstveld met de formule. Celverwijzingen, operatoren, functies en constanten die u aan een formule toevoegt, worden als volgt weergegeven in de formule-editor. Een verwijzing naar een bereik van drie cellen Alle formules moeten beginnen met het isgelijkteken. De operator voor aftrekken De functie SOM Verwijzingen naar cellen op basis van de namen Manieren om de formule-editor te gebruiken: mm Om de formule-editor te openen, gaat u als volgt te werk: ÂÂ Selecteer een tabelcel en typ vervolgens het isgelijkteken (=). ÂÂ Klik dubbel op een tabelcel die een formule bevat. ÂÂ Selecteer een tabelcel, klik op de knop 'Functie' in de knoppenbalk en kies 'Formuleeditor' uit het venstermenu. 134 Hoofdstuk 6 Werken met formules in tabellen

135 mm mm mm mm ÂÂ ÂÂ Selecteer een tabelcel en kies vervolgens 'Voeg in' > 'Functie' > 'Formule-editor'. Selecteer een cel die een formule bevat en druk op Option + Return. Wanneer de formule-editor wordt geopend, wordt deze op de geselecteerde cel weergegeven. U kunt de formule-editor echter verplaatsen. Hiervoor plaatst u de aanwijzer op de linkerkant van de formule-editor. Wanneer de aanwijzer in een handje verandert, sleept u om de formule-editor te verplaatsen. Een formule stelt u als volgt samen: ÂÂ Om een operator of constante aan het tekstveld toe te voegen, plaatst u het invoegpunt en typt u de gewenste gegevens. Met behulp van de pijltoetsen kunt u het invoegpunt in het tekstveld verplaatsen. Zie Werken met operatoren in formules op pagina 143 voor meer informatie over operatoren die u kunt gebruiken. Als in een formule een operator vereist is en u geen operator hebt toegevoegd, wordt automatisch de operator '+' ingevoegd. Indien nodig kunt u de operator '+' selecteren en een andere operator typen. ÂÂ Om celverwijzingen aan het tekstveld toe te voegen, plaatst u het invoegpunt en volgt u de aanwijzingen in Naar cellen verwijzen in formules op pagina 139. ÂÂ Om functies aan het tekstveld toe te voegen, plaatst u het invoegpunt en volgt u de aanwijzingen in Functies aan formules toevoegen op pagina 136. Om een element uit het tekstveld te verwijderen, selecteert u het element en drukt u op de Delete-toets. Om de wijzigingen te bewaren, drukt u op de Return- of Enter-toets of klikt u op de accepteerknop in de formule-editor. U kunt ook buiten de tabel klikken. Om de formule-editor te sluiten zonder de wijzigingen te bewaren, drukt u op de Esctoets of klikt u op de annuleerknop in de formule-editor. Formules toevoegen en bewerken met de formulebalk In de formulebalk, die zich onder de opmaakbalk bevindt, kunt u een formule in een geselecteerde cel aanmaken of wijzigen. Celverwijzingen, operatoren, functies of constanten die u aan een formule toevoegt, worden als volgt weergegeven. Alle formules moeten beginnen met het isgelijkteken. De functie SOM De operator voor aftrekken Een verwijzing naar een bereik van drie cellen Verwijzingen naar cellen op basis van de namen Manieren om de formulebalk te gebruiken: mm Om een formule toe te voegen of te bewerken, selecteert u de cel en typt of wijzigt u de formule-elementen in de formulebalk. Hoofdstuk 6 Werken met formules in tabellen 135

136 mm Elementen voegt u als volgt aan een formule toe: ÂÂ Om een operator of constante toe te voegen, plaatst u het invoegpunt in de formulebalk en typt u de gewenste gegevens. Met behulp van de pijltoetsen kunt u het invoegpunt verplaatsen. Zie Werken met operatoren in formules op pagina 143 voor meer informatie over operatoren die u kunt gebruiken. Als in een formule een operator vereist is en u geen operator hebt toegevoegd, wordt automatisch de operator '+' ingevoegd. Indien nodig kunt u de operator '+' selecteren en een andere operator typen. ÂÂ Om celverwijzingen aan de formule toe te voegen, plaatst u het invoegpunt en volgt u de aanwijzingen in Naar cellen verwijzen in formules op pagina 139. ÂÂ Om functies aan de formule toe te voegen, plaatst u het invoegpunt en volgt u de aanwijzingen in Functies aan formules toevoegen op pagina 136. mm Om formule-elementen groter of kleiner in de formulebalk weer te geven, kiest u een optie uit het venstermenu 'Tekstgrootte formule' boven de formulebalk. Om de formulebalk zelf groter of kleiner te maken, sleept u de greep rechtsonder in de formulebalk omhoog of omlaag. U kunt ook dubbel klikken op de greep om de formulebalk automatisch aan de formule aan te passen. mm Om een element uit de formule te verwijderen, selecteert u het element en drukt u op de Delete-toets. mm Om de wijzigingen te bewaren, drukt u op de Return- of Enter-toets of klikt u op de accepteerknop boven de formulebalk. U kunt ook buiten de formulebalk klikken. Als u uw wijzigingen niet wilt bewaren, klikt u op de annuleerknop boven de formulebalk. Functies aan formules toevoegen Een functie is een vooraf gedefinieerde, benoemde bewerking (zoals SOM en GEMIDDELDE) waarmee u een berekening kunt uitvoeren. Een functie kan een van de elementen of het enige element van een formule zijn. Er zijn verschillende functiecategorieën, van financiële functies voor het berekenen van rentepercentages, investeringswaarden, enzovoort, tot statistische functies voor het berekenen van gemiddelden, waarschijnlijkheden, standaarddeviaties, enzovoort. Voor meer informatie over de functiecategorieën in iwork, de bijbehorende functies en vele voorbeelden van het gebruik daarvan, kiest u 'Help' > 'iwork-formules en -functies Help' of 'Help' > 'iwork-gebruikershandleiding voor formules en functies'. 136 Hoofdstuk 6 Werken met formules in tabellen

137 U kunt een functie in het tekstveld van de formule-editor of in de formulebalk typen, maar u kunt ook met behulp van de functiekiezer eenvoudig een functie aan een formule toevoegen. Hier selecteert u de categorie waarvan u de bijbehorende functies wilt weergeven. Hier kunt u een functie zoeken. Hier kunt u een functie selecteren om er informatie over weer te geven. Hiermee wordt de geselecteerde functie ingevoegd. Linkerpaneel: Hier worden de functiecategorieën weergegeven. Selecteer een categorie om de bijbehorende functies weer te geven. De meeste categorieën bevatten groepen verwante functies. De categorie Alle bevat alle functies, weergegeven in alfabetische volgorde. De categorie Recent bevat de tien functies die u als laatste via de functiekiezer hebt ingevoegd. Rechterpaneel: Hier worden de functies zelf weergegeven. Selecteer een functie om informatie over de functie weer te geven en deze desgewenst aan een formule toe te voegen. Onderste paneel: Hier wordt uitgebreide informatie weergegeven over de functie die u hebt geselecteerd. Een functie toevoegen via de functiekiezer 1 Plaats het invoegpunt in de formule-editor of formulebalk op de plaats waar u de functie wilt toevoegen. Hoofdstuk 6 Werken met formules in tabellen 137

138 Opmerking: Als in een formule een operator voor of na een functie vereist is en u geen operator hebt toegevoegd, wordt automatisch de operator '+' ingevoegd. Indien nodig kunt u de operator '+' selecteren en een andere operator typen. 2 Open de functiekiezer op een van de volgende manieren: ÂÂ Klik in de formulebalk en klik vervolgens op de knop 'Functiekiezer'. ÂÂ Klik in de knoppenbalk op de knop 'Functie' en kies 'Toon functiekiezer' uit het venstermenu. ÂÂ Kies 'Voeg in' > 'Functie' > 'Toon functiekiezer'. ÂÂ Kies 'Weergave' > 'Toon functiekiezer'. 3 Selecteer een functiecategorie. 4 Kies een functie door er dubbel op te klikken. U kunt ook een functie selecteren en vervolgens op 'Voeg functie in' klikken. 5 Vervang in de formule-editor of formulebalk alle plaatsaanduidingen voor argumenten in de functie door waarden. Klik hierop om een lijst met geldige waarden weer te geven. Als u de aanwijzer op de plaatsaanduiding voor het argument 'uitgifte' plaatst, verschijnt er hulpinformatie. Plaatsaanduidingen voor optionele argumenten zijn lichtgrijs. Een korte omschrijving van de waarde van een argument weergeven: Plaats de aanwijzer op de plaatsaanduiding voor het argument. Informatie over het argument is ook beschikbaar in het venster van de functiekiezer. Een waarde opgeven voor een plaatsaanduiding voor een argument waarbij een driehoekje wordt getoond: Klik op het driehoekje en kies een waarde uit het venstermenu. Als u informatie over een waarde in het venstermenu wilt bekijken, plaatst u de aanwijzer op de waarde. Selecteer 'Functie-informatie' om helpinformatie over de functie weer te geven. Een waarde voor een willekeurige plaatsaanduiding voor een argument opgeven: Klik op de plaatsaanduiding voor het argument en typ vervolgens een constante of voeg een celverwijzing in (zie Naar cellen verwijzen in formules op pagina 139 voor instructies). Als de plaatsaanduiding voor een argument een lichtgrijze kleur heeft, is de bijbehorende waarde optioneel. 138 Hoofdstuk 6 Werken met formules in tabellen

139 Fouten en waarschuwingen bij formules afhandelen Als een formule in een tabelcel onvolledig is, ongeldige celverwijzingen bevat of anderszins onjuist is, of als een importbewerking een fout in een cel veroorzaakt, wordt in Numbers een symbool in de cel weergegeven. Een blauw driehoekje in de linkerbovenhoek van een cel geeft aan dat er een of meer waarschuwingen zijn. Een rood driehoekje in het midden van een cel betekent dat de formule een fout bevat. Foutberichten en waarschuwingen weergeven mm Klik op het symbool. Er verschijnt een berichtvenster waarin de fout of waarschuwing wordt vermeld. Als u wilt dat Numbers een waarschuwing geeft wanneer een cel waarnaar in een formule wordt verwezen leeg is, kiest u 'Numbers' > 'Voorkeuren' en schakelt u het aankruisvak 'Toon waarschuwingen als formules naar lege cellen verwijzen' in het paneel 'Algemeen' in. Formules verwijderen U kunt formules die aan een cel zijn gekoppeld snel verwijderen indien u deze niet meer wilt gebruiken. Een formule uit een cel verwijderen 1 Selecteer de cel. 2 Druk op de Delete-toets. Als u de formules in een spreadsheet wilt bekijken, zodat u gemakkelijker kunt bepalen welke onderdelen u wilt verwijderen, kiest u 'Weergave' > 'Toon formulelijst'. Naar cellen verwijzen in formules Met celverwijzingen kunt u de cellen aanduiden waarvan u de waarden in formules wilt gebruiken. De cellen kunnen zich in dezelfde tabel bevinden als de formulecel, of in een andere tabel op hetzelfde of een ander werkblad. Celverwijzingen zien er niet altijd hetzelfde uit. De notatie is afhankelijk van verschillende factoren, bijvoorbeeld of de celtabel kopteksten bevat, of naar één of meerdere cellen wordt verwezen, enzovoort. Hieronder vindt u een overzicht van de mogelijk notaties van celverwijzingen. Hoofdstuk 6 Werken met formules in tabellen 139

140 Verwijzing Notatie Voorbeeld Een willekeurige cel in de tabel met de formule De letter van de verwijzingslabel, gevolgd door het nummer van de verwijzingslabel voor de cel C55 verwijst naar de vijfenvijftigste rij van de derde kolom. Een cel in een tabel met een rij en een kolom met koptekst Een cel in een tabel met meerdere rijen of kolommen met koptekst Een celbereik Alle cellen in een rij Alle cellen in een kolom Alle cellen in een bereik van rijen Alle cellen in een bereik van kolommen Een cel in een andere tabel op hetzelfde werkblad Een cel in een tabel op een ander werkblad De naam van de kolom, gevolgd door de naam van de rij De koptekst met kolommen of rijen waarnaar u wilt verwijzen Een dubbele punt (:) tussen de eerste en laatste cel van het bereik en verwijzingslabels om de cellen aan te duiden De naam van de rij of rijnummer:rijnummer De letter of naam die de kolom aanduidt Een dubbele punt (:) tussen het nummer of de naam van de eerste en laatste rij van het bereik Een dubbele punt (:) tussen de letter of de naam van de eerste en laatste kolom van het bereik De tabelnaam gevolgd door twee keer een dubbele punt (::) en vervolgens de celaanduiding De naam van het werkblad gevolgd door twee keer een dubbele punt (::), de tabelnaam (als de celnaam meerdere keren voorkomt in de spreadsheet), nog twee keer een dubbele punt en dan de celaanduiding 2006 Omzet verwijst naar een cel waarvan de rij de koptekst '2006' en de kolom de koptekst 'Omzet' bevat. Als de koptekst '2006' doorloopt over twee kolommen ('Omzet' en 'Kosten'), verwijst 2006 naar alle cellen van de kolommen 'Omzet' en 'Kosten'. B2:B5 verwijst naar vier cellen in de tweede kolom. 1:1 verwijst naar alle cellen in de eerste rij. C verwijst naar alle cellen in de derde kolom. 2:6 verwijst naar alle cellen in vijf rijen. B:C verwijst naar alle cellen in de tweede en derde kolom. Tabel 2::B5 verwijst naar cel B5 van de tabel met de naam 'Tabel 2'. Tabel 2::Inschrijving 2006 verwijst naar de naam van een cel. Werkblad 2::Tabel 2::Inschrijving 2006 verwijst naar een cel in de tabel met de naam 'Tabel 2' op het werkblad met de naam 'Werkblad 2'. U kunt de naam van de tabel of het werkblad weglaten als de gebruikte celnamen slechts één keer in de spreadsheet voorkomen. 140 Hoofdstuk 6 Werken met formules in tabellen

141 Wanneer u verwijst naar een cel die deel uitmaakt van een koptekstrij of -kolom die meerdere rijen of kolommen omvat, gebeurt het volgende: ÂÂ De naam van de koptekstcel die zich het dichtst bij de cel met de verwijzing bevindt wordt gebruikt. Als een tabel bijvoorbeeld twee koptekstrijen heeft waarbij B1 'Hond' en B2 'Kat' bevat, wordt, wanneer u een formule met 'Hond' bewaart, in plaats daarvan 'Kat' gebruikt. ÂÂ Als 'Kat' echter ook in een andere koptekstcel in de spreadsheet voorkomt, blijft 'Hond' behouden. Zie Formules aanmaken en bewerken met behulp van de muis en het toetsenbord op pagina 141 voor informatie over het toevoegen van celverwijzingen aan formules. Zie Onderscheid maken tussen absolute en relatieve celverwijzingen op pagina 142 voor informatie over absolute en relatieve celverwijzingen. Deze zijn van belang bij het kopiëren en verplaatsen van formules. Formules aanmaken en bewerken met behulp van de muis en het toetsenbord U kunt celverwijzingen in een formule typen of ze invoegen met behulp van de muis of toetscombinaties. Manieren om celverwijzingen in te voegen: mm Om een celverwijzing op te geven met behulp van het toetsenbord, plaatst u het invoegpunt in de formule-editor of formulebalk en gaat u op een van de volgende manieren te werk: ÂÂ Om naar één cel te verwijzen, drukt u op de Option-toets en gebruikt u vervolgens de pijltoetsen om de gewenste cel te selecteren. ÂÂ Om naar een bereik van cellen te verwijzen, selecteert u de eerste cel van het gewenste bereik en houdt u vervolgens Shift + Option ingedrukt totdat u de laatste cel van het gewenste bereik hebt geselecteerd. ÂÂ Om naar cellen in een andere tabel op een ander of hetzelfde werkblad te verwijzen, selecteert u eerst de gewenste tabel. Hiertoe drukt u op Option + Command + Page Down om vooruit door de tabellen te navigeren of op Option + Command + Page Up om achteruit door de tabellen te navigeren. Vervolgens kunt u een van de twee bovengenoemde technieken gebruiken om een of meer cellen in de tabel te selecteren. ÂÂ Om de absolute en relatieve kenmerken van een celverwijzing op te geven nadat u deze hebt ingevoegd, klikt u op de ingevoegde verwijzing en drukt u op Command + K om de verschillende opties te tonen. Zie Onderscheid maken tussen absolute en relatieve celverwijzingen op pagina 142 voor meer informatie. mm Om een celverwijzing op te geven met behulp van de muis, plaatst u het invoegpunt in de formule-editor of formulebalk en doet u het volgende in de tabel van de formulecel of in een andere tabel op hetzelfde of een ander werkblad: Hoofdstuk 6 Werken met formules in tabellen 141

142 ÂÂ Om naar één cel te verwijzen, klikt u op de gewenste cel. ÂÂ Om naar alle cellen in een kolom of rij te verwijzen, klikt u op de verwijzingslabel van de kolom of rij. ÂÂ Om naar een bereik van cellen te verwijzen, klikt u op een cel in het gewenste bereik en sleept u naar boven, naar beneden, naar links of naar rechts om het celbereik aan te passen. ÂÂ Om de absolute en relatieve kenmerken van een celverwijzing op te geven nadat u deze hebt ingevoegd, klikt u op de ingevoegde verwijzing, klikt u op het driehoekje ernaast en kiest u een optie uit het venstermenu. Zie Onderscheid maken tussen absolute en relatieve celverwijzingen op pagina 142 voor meer informatie. De ingevoegde celverwijzingen worden aangeduid met namen in plaats van verwijzingslabels als het aankruisvak 'Gebruik namen van koptekstcellen als verwijzingen' is ingeschakeld in het paneel 'Algemeen' van de Numbers-voorkeuren. mm Om een celverwijzing te typen, plaatst u het invoegpunt in de formule-editor of formulebalk en voegt u de celverwijzing toe in een van de notaties die worden beschreven in Naar cellen verwijzen in formules op pagina 139. Wanneer u een celverwijzing typt die de naam van een koptekstcel, tabel of werkblad bevat, verschijnt nadat u drie tekens hebt getypt een lijst met suggesties. Dit gebeurt alleen als de getypte tekens overeenkomen met een of meer namen in het werkblad. U kunt een keuze maken uit de lijst of doorgaan met typen. Als u de suggesties van namen wilt uitschakelen, kiest u 'Numbers' > 'Voorkeuren' en schakelt u het aankruisvak 'Gebruik namen van koptekstcellen als verwijzingen' in het paneel 'Algemeen' uit. Onderscheid maken tussen absolute en relatieve celverwijzingen Met behulp van absolute en relatieve celverwijzingen kunt u aangeven welke cel moet worden aangeduid als de formule gekopieerd of verplaatst wordt. Een relatieve celverwijzing (A1): Wanneer de formule wordt verplaatst, blijft de verwijzing ongewijzigd. Als de formule echter wordt geknipt of gekopieerd en vervolgens wordt geplakt, wordt de celverwijzing aangepast zodat de positie ervan ten opzichte van de formulecel gelijk blijft. Als cel C4 bijvoorbeeld een formule bevat met 'A1' en u de formule kopieert en vervolgens plakt in cel C5, wordt de celverwijzing in C5 gewijzigd in 'A2'. Een celverwijzing met absolute rij- en kolomcomponenten ($A$1): Als de formule wordt verplaatst of gekopieerd en geplakt, blijft de celverwijzing ongewijzigd. Een absolute rij- of kolomcomponent wordt aangeduid met een dollarteken ($). Als cel C4 bijvoorbeeld een formule bevat met de celverwijzing '$A$1' en u de formule kopieert en plakt in C5 of D5, blijft de celverwijzing in C5 of D5 '$A$1'. 142 Hoofdstuk 6 Werken met formules in tabellen

143 Een celverwijzing met een absolute rijcomponent (A$1): De kolomcomponent is relatief en wordt mogelijk aangepast, omdat deze afhankelijk is van de plaats van de formulecel. Als cel C4 bijvoorbeeld een formule bevat met de waarde 'A$1' en u de formule kopieert en plakt in D5, wordt de celverwijzing in D5 gewijzigd in 'B$1'. Een celverwijzing met een absolute kolomcomponent ($A1): De rijcomponent is relatief en wordt mogelijk aangepast, omdat deze afhankelijk is van de plaats van de formulecel. Als cel C4 bijvoorbeeld een formule bevat met de waarde '$A1' en u de formule kopieert en plakt in C5 of D5, wordt de celverwijzing in C5 of D5 gewijzigd in '$A2'. Zowel de formulecel als de cellen waarnaar wordt verwezen, zijn geselecteerd: Wanneer u de selectie verplaatst, blijft de formule ongewijzigd, ongeacht of de celverwijzingen relatief of absoluut zijn. Manieren om aan te geven of de componenten van celverwijzingen absoluut zijn: mm Typ de celverwijzing in een van de notaties die hierboven worden beschreven. mm Klik op het driehoekje van een celverwijzing en kies een optie uit het venstermenu. mm Selecteer een celverwijzing en druk op Command + K om de verschillende opties te tonen. Werken met operatoren in formules Met operatoren in formules kunt u rekenkundige bewerkingen uitvoeren en waarden met elkaar vergelijken: ÂÂ ÂÂ Met rekenkundige operatoren worden rekenkundige bewerkingen (zoals optellen en aftrekken) uitgevoerd, waarvan het resultaat numeriek is. Zie Rekenkundige operatoren op pagina 143 voor meer informatie. Met vergelijkingsoperatoren vergelijkt u twee waarden. Het resultaat is WAAR of ONWAAR. Zie Vergelijkingsoperatoren op pagina 144 voor meer informatie. Rekenkundige operatoren Met rekenkundige operatoren kunt u berekeningen uitvoeren in formules. Om dit te doen Rekenkundige operator Voorbeeld van formule als A2 de waarde '20' en B2 de waarde '2' bevat Twee waarden optellen + (plusteken) A2 + B2 retourneert 22. De ene waarde van de andere aftrekken Twee waarden vermenigvuldigen (minteken) A2 B2 retourneert 18. * (sterretje) A2 * B2 retourneert 40. Hoofdstuk 6 Werken met formules in tabellen 143

144 Om dit te doen Rekenkundige operator Voorbeeld van formule als A2 de waarde '20' en B2 de waarde '2' bevat De ene waarde door de andere delen / (schuine streep naar rechts) A2 / B2 retourneert 10. De ene waarde tot de macht van de andere verheffen ^ (dakje) A2 ^ B2 retourneert 400. Een percentage berekenen % (procentteken) A2% retourneert 0,2, dat wordt weergegeven als 20%. Als u een tekstreeks gebruikt met een rekenkundige operator levert dat een fout op. 3 + hallo is bijvoorbeeld geen correcte rekenkundige bewerking. Vergelijkingsoperatoren Met vergelijkingsoperatoren kunt u twee waarden in formules vergelijken. Vergelijkingsoperatoren retourneren altijd de waarde WAAR of ONWAAR. Vergelijking Vergelijkingsoperator Voorbeeld van formule als A2 de waarde '20' en B2 de waarde '2' bevat Bepalen of twee waarden gelijk zijn = A2 = B2 retourneert ONWAAR. Bepalen of twee waarden ongelijk zijn Bepalen of de eerste waarde groter is dan de tweede Bepalen of de eerste waarde kleiner is dan de tweede Bepalen of de eerste waarde groter is dan of gelijk is aan de tweede Bepalen of de eerste waarde kleiner is dan of gelijk is aan de tweede <> A2 <> B2 retourneert WAAR. > A2 > B2 retourneert WAAR. < A2 < B2 retourneert ONWAAR. >= A2 >= B2 retourneert WAAR. <= A2 <= B2 retourneert ONWAAR. Tekstreeksen hebben een hogere waarde dan getallen. hallo > 5 levert bijvoorbeeld WAAR op. WAAR en ONWAAR kunnen met elkaar worden vergeleken, maar niet met getallen of tekstreeksen. WAAR > ONWAAR en ONWAAR < WAAR, omdat WAAR als 1 en ONWAAR als 0 wordt geïnterpreteerd. WAAR = 1 retourneert ONWAAR en WAAR = "bepaaldetekst" retourneert ONWAAR. 144 Hoofdstuk 6 Werken met formules in tabellen

145 Vergelijkingsoperatoren worden voornamelijk gebruikt in functies als ALS, waarbij twee waarden worden vergeleken en waarbij op basis van het resultaat van de vergelijking (WAAR of ONWAAR) verdere bewerkingen worden uitgevoerd. Kies voor meer informatie over dit onderwerp 'Help' > 'iwork-formules en -functies Help' of 'Help' > 'iwork-gebruikershandleiding voor formules en functies'. Formules en berekende waarden kopiëren of verplaatsen Technieken voor het kopiëren en verplaatsen van cellen die aan een formule zijn gekoppeld: mm Om de berekende waarde uit een formulecel te kopiëren maar niet de formule zelf, selecteert u de cel, kiest u 'Wijzig' > 'Kopieer', selecteert u de cel waarnaar u de waarde wilt verplaatsen en kiest u vervolgens 'Wijzig' > 'Plak waarden'. mm Om een formulecel of een cel waarnaar een formule verwijst te kopiëren of te verplaatsen, volgt u de instructies in Cellen kopiëren en verplaatsen op pagina 96. Als u met een grote tabel werkt en de formule naar een cel wilt verplaatsen die niet zichtbaar is, selecteert u de cel, kiest u Wijzig' > 'Markeer voor verplaatsing', selecteert u de andere cel en kiest u vervolgens 'Wijzig' > 'Verplaats'. Als de formule bijvoorbeeld =A1 is en zich in cel D1 bevindt en u dezelfde formule naar cel X1 wilt verplaatsen, selecteert u D1 en kiest u 'Wijzig' > 'Markeer voor verplaatsing'. Vervolgens selecteert u X1 en kiest u 'Wijzig' > 'Verplaats'. De formule =A1 verschijnt in cel X1. Een formulecel kopiëren of verplaatsen: Wijzig indien nodig de celverwijzingen, zoals in Onderscheid maken tussen absolute en relatieve celverwijzingen op pagina 142 wordt beschreven. Een cel verplaatsen waarnaar een formule verwijst: De celverwijzing in de formule wordt automatisch bijgewerkt. Als een formule bijvoorbeeld naar A1 verwijst en u A1 naar D95 verplaatst, wordt de celverwijzing in de formule gewijzigd in D95. Alle formules in een spreadsheet bekijken Kies 'Weergave' > 'Toon formulelijst' of klik in de knoppenbalk op 'Formulelijst' om een lijst van alle formules in een spreadsheet weer te geven. Hoofdstuk 6 Werken met formules in tabellen 145

146 Locatie: Geeft aan op welk werkblad en in welke tabel de formule zich bevindt. Resultaten: De huidige waarde die met de formule wordt berekend. Formule: De formule. Manieren om de formulelijst te gebruiken: mm Om de cel te zien waarin een formule is opgenomen, klikt u op de formule. De tabel wordt boven het venster met de formulelijst weergegeven en de formulecel wordt geselecteerd. mm Om de formule te bewerken, klikt u er dubbel op. mm Om de grootte van het venster met de formulelijst te wijzigen, sleept u de selectiegreep in de rechterbovenhoek omhoog of omlaag. mm Om formules te zoeken die een bepaald element bevatten, typt u het element in het zoekveld en drukt u op de Return-toets. Elementen van formules zoeken en vervangen Met het venster 'Zoeken en vervangen' kunt u in alle formules in een spreadsheet naar elementen zoeken en deze desgewenst wijzigen. Manieren om het venster 'Zoeken en vervangen' te openen: mm Kies 'Wijzig' > 'Zoek' > 'Toon zoekkolom' en klik vervolgens op 'Zoek en vervang'. mm Kies 'Weergave' > 'Toon formulelijst' en klik vervolgens op 'Zoek en vervang'. Zoek: Typ het element (celverwijzing, operator, functie, enzovoort) waarnaar u wilt zoeken. In: Kies 'Alleen formules' uit dit venstermenu. Identieke hoofdletters/kleine letters: Schakel dit aankruisvak in om alleen elementen te zoeken waarvan de hoofdletters en kleine letters exact overeenkomen met de tekst die u in het zoekveld hebt getypt. Hele woorden: Schakel dit aankruisvak in om alleen elementen te zoeken die volledig overeenkomen met de tekst die u in het zoekveld hebt getypt. 146 Hoofdstuk 6 Werken met formules in tabellen

147 Vervang: Hier kunt u desgewenst tekst typen die de inhoud van het zoekveld moet vervangen. Herhaal zoekactie: Schakel dit aankruisvak in om door te gaan met zoeken nadat de volledige spreadsheet is doorzocht. Volgende of Vorige: Klik op een van deze knoppen om naar de volgende of vorige vindplaats van de zoektekst te gaan. Als een element wordt gevonden, wordt de formule-editor geopend en wordt de formule met het element daarin getoond. Vervang alles: Klik op deze knop om de zoektekst overal waar deze wordt gevonden te vervangen door de vervangende tekst. Vervang: Klik op deze knop om de zoektekst op de huidige locatie te vervangen door de vervangende tekst. Vervang en zoek: Klik op deze knop om de zoektekst op de huidige locatie te vervangen en naar de volgende vindplaats van de zoektekst te gaan. Hoofdstuk 6 Werken met formules in tabellen 147

148 Diagrammen aanmaken op basis van gegevens 7 Dit hoofdstuk bevat informatie over het aanmaken en opmaken van aantrekkelijke diagrammen op basis van gegevens uit tabellen. Numbers biedt hulpmiddelen waarmee u visueel aantrekkelijke diagrammen kunt aanmaken om een aantal of alle gegevens uit een of meer tabellen te presenteren. De weergave van de diagrammen is standaard gebaseerd op het thema dat u gebruikt. U kunt echter kleuren, texturen, schaduwen, labels en andere onderdelen aanpassen om de stijl van een diagram te veranderen of bepaalde diagramelementen te benadrukken. Informatie over diagrammen U kunt een diagram gebruiken om trends of relaties aanschouwelijk te maken die minder duidelijk zijn wanneer de gegevens in rijen en kolommen worden weergegeven. In Numbers kunt u uw gegevens presenteren in verschillende typen 2Den 3D-diagrammen, zoals een cirkeldiagram, lijndiagram, staafdiagram, kolomdiagram en vlakdiagram. Kies het type diagram waarin uw gegevens het duidelijkst worden gepresenteerd of gebruik een gemengd diagram om twee diagramtypen in één figuur weer te geven. U kunt uw gegevens ook in een tweedimensionaal spreidingsdiagram weergeven, waarbij een lineaire of logaritmische schaal wordt gebruikt. Numbers bevat de volgende diagramtypen: Diagramtype Kolom Symbool Gestapelde kolom Staaf 148

149 Diagramtype Gestapelde staaf Symbool Lijn Vlak Gestapeld vlak Cirkel Spreiding Gemengd 2-as 3D-diagrammen kunnen diagrammen van alle bovengenoemde typen zijn, behalve spreidingsdiagrammen, gemengde diagrammen of diagrammen met twee assen. Hier ziet u een 3D-cirkeldiagram. Voorbeeld U wilt een diagram aanmaken waarin de veranderingen in de vogelpopulatie in twee berggebieden tussen 2007 en 2010 worden getoond. Deze gegevens zijn opgenomen in een tabel met rijen voor Gebied 1 en Gebied 2. De onderzoeker heeft in beide gebieden van 2007 tot 2010 elk jaar het aantal vogels geteld. Er zijn dus vier gegevenspunten (waarden) voor elk gebied. Hoofdstuk 7 Diagrammen aanmaken op basis van gegevens 149

150 Als u deze gegevens weergeeft in een kolomdiagram, ziet dat er als volgt uit: De gegevenssets worden aangeduid met één gegevenspunt (één staaf) van elke gegevensreeks. In de diagramlegenda worden de twee gegevensreeksen vermeld. In dit diagram worden Gebied 1 en Gebied 2 de gegevensreeksen genoemd, omdat de gegevenspunten (de aantallen vogels) in elk gebied worden aangeduid met een reeks kolommen met dezelfde kleur (één voor elk jaar). Elke kolom voor Gebied 1 staat naast de bijbehorende kolom voor Gebied 2, en elke groep kolommen wordt een gegevensset of categorie genoemd (2007 is een categorie, 2008 is een categorie, enzovoort). Als u de gegevens op een andere manier wilt benaderen, kunt u ze transponeren en de gegevenspunten niet per jaar, maar per gebied groeperen. In dit voorbeeld worden de gegevenspunten voor elk jaar weergegeven als een reeks kolommen (gegevensreeksen). Elke reeks bestaat uit slechts twee gegevenspunten. De groepen kolommen voor elk gebied zijn de categorieën. Dit kolomdiagram bevat twee sets van vier kolommen (gegevenspunten), één categorie voor Gebied 1 en één categorie (of gegevensset) voor Gebied 2. De gegevenssets worden aangeduid met één gegevenspunt (één staaf) van alle vier gegevensreeksen. Deze twee staven geven één gegevensreeks weer. 150 Hoofdstuk 7 Diagrammen aanmaken op basis van gegevens

151 Gegevensreeksen worden in de verschillende diagramtypen verschillend weergegeven: ÂÂ In een kolomdiagram en een staafdiagram wordt een gegevensreeks aangeduid met een aantal staven die dezelfde vulling (kleur of textuur) hebben. ÂÂ In een lijndiagram wordt een gegevensreeks aangeduid met een enkele lijn. ÂÂ In een vlakdiagram wordt een gegevensreeks aangeduid met één vlak. ÂÂ In een cirkeldiagram wordt slechts één gegevensset, namelijk het eerste gegevenspunt van elke reeks, in het diagram weergegeven (het gegevenspunt dat als eerste wordt vermeld in de tabel). ÂÂ In een spreidingsdiagram wordt elk punt in de grafiek door een x- en y-waarde bepaald. Twee kolommen met waarden worden als x- en y-coördinaten uitgezet in een diagram dat de gegevenspunten in één gegevensreeks weergeeft. Voor informatie over Een diagram aanmaken of wijzigen op basis van de gegevens in een of meer tabellen Titels, legenda's, assen en andere diagramelementen opmaken Cirkeldiagrammen, lijndiagrammen en andere specifieke diagramtypen opmaken Zie Een diagram aanmaken op basis van tabelgegevens op pagina 151 Diagrammen opmaken op pagina 159 Specifieke diagramtypen opmaken op pagina 170 Een diagram aanmaken op basis van tabelgegevens U kunt een diagram toevoegen van alle gegevens in een tabel of alleen van de gegevens in geselecteerde cellen van een of meer tabellen. Als u gegevens wijzigt in tabelcellen die aan een diagram zijn gekoppeld, wordt het diagram automatisch bijgewerkt. Wanneer u een diagram toevoegt, bepaalt Numbers of de rijen of kolommen van de tabel als standaardgegevensreeks worden gebruikt. Als de tabel vierkant is of als de breedte van de tabel groter is dan de hoogte, worden meestal de rijen als standaardgegevensreeks gebruikt. U kunt de gegevensreeksen echter eenvoudig verwisselen nadat het diagram is aangemaakt. Daarnaast kunt u op elk gewenst moment diagramgegevens toevoegen, verwijderen of wijzigen. Als een tabel rijen of cellen met een koptekst bevat, wordt in Numbers de tekst van de eerste kolom of rij als aslabel weergegeven. In andere gevallen wordt plaatsaanduidingstekst voor de labels gebruikt, die u later kunt wijzigen. Hoofdstuk 7 Diagrammen aanmaken op basis van gegevens 151

152 Manieren om gegevens te selecteren en een diagram aan te maken: mm Om een diagram op basis van een volledige tabel toe te voegen, selecteert u de tabel, klikt u op de knop 'Diagram' in de knoppenbalk en kiest u een diagramtype uit het venstermenu. Links in het venstermenu worden alle 2D-diagrammen weergegeven en rechts worden alle 3D-diagrammen weergegeven. mm mm mm mm De waarden in de tabel worden in het diagram weergegeven. Als de tabel leeg is, blijft het diagram ook leeg, totdat u waarden in de tabelcellen invoert. Om een diagram toe te voegen op basis van een reeks aangrenzende tabelcellen, klikt u in een cel en selecteert u vervolgens andere cellen door te klikken en te slepen. Om in één keer de volledige reeks cellen te selecteren, kunt u ook de eerste cel in de reeks selecteren en vervolgens de Shift-toets ingedrukt houden terwijl u de laatste cel selecteert. Vervolgens klikt u op de knop 'Diagram' in de knoppenbalk en kiest u het gewenste diagramtype. Om een diagram op basis van niet-aangrenzende cellen in te voegen, houdt u de Command-toets ingedrukt terwijl u de gewenste cellen in de tabel selecteert. Vervolgens klikt u op de knop 'Diagram' in de knoppenbalk en kiest u het gewenste diagramtype. Om een diagram op basis van gegevens in meerdere tabellen toe te voegen, selecteert u eerst één tabel of een aangrenzend bereik van cellen en maakt u een diagram aan. Vervolgens klikt u op de knop 'Diagram' in de knoppenbalk en kiest u het gewenste diagramtype. Selecteer het diagram en houd de Command-toets ingedrukt terwijl u op de gewenste cellen in een andere tabel klikt of in deze cellen sleept. De gegevens uit deze cellen worden aan het diagram toegevoegd. Om een plaatsaanduiding voor een diagram toe te voegen, waaraan u later gegevens kunt toevoegen, zorgt u ervoor dat er niets is geselecteerd, klikt u op de knop 'Diagram' in de knoppenbalk en kiest u vervolgens het gewenste diagramtype. Een diagram en een nieuwe tabel met plaatsaanduidingsgegevens worden aangemaakt. 152 Hoofdstuk 7 Diagrammen aanmaken op basis van gegevens

153 mm Om een diagram te tekenen, selecteert u eerst de tabelcellen waarvan u de gegevens in het diagram wilt gebruiken. Houd vervolgens de Option-toets ingedrukt terwijl u op de knop 'Diagram' in de knoppenbalk klikt. Vervolgens kiest u een diagramtype. Wanneer de aanwijzer in een kruisvormige aanwijzer verandert, sleept u deze aanwijzer over het werkgebied om een diagram met het gewenste formaat aan te maken. Als u de verhoudingen van het diagram wilt handhaven, houdt u de Shift-toets ingedrukt terwijl u sleept. Voor informatie over Het diagramtype wijzigen Zie Een diagram omzetten in een ander type diagram op pagina 153 Een diagram verplaatsen Een diagram verplaatsen op pagina 154 De gegevensreeks van een diagram wijzigen De gegevens in een diagram wijzigen Tabelrijen en -kolommen voor de gegevensreeksen van een diagram verwisselen op pagina 155 Gegevensreeksen in een diagram vervangen of opnieuw ordenen op pagina 157 Meer gegevens aan een bestaand diagram toevoegen op pagina 155 Gegevens uit een diagram verwijderen op pagina 157 Verborgen tabelgegevens in een diagram opnemen op pagina 156 Een diagram verwijderen Een diagram verwijderen op pagina 158 Een diagram naar een Keynote- of Pagesdocument kopiëren en het diagram automatisch bijwerken als de gegevens worden gewijzigd Diagrammen gebruiken in Pages- en Keynotedocumenten op pagina 158 Een diagram omzetten in een ander type diagram U kunt het diagramtype op elk gewenst moment wijzigen. De rij- en kolomgegevens worden echter niet in alle diagramtypen op dezelfde manier gebruikt, zoals hieronder wordt beschreven. Een diagram omzetten in een ander type diagram 1 Selecteer het diagram. 2 Ga op een van de volgende manieren te werk: ÂÂ Kies uit het venstermenu aan de linkerkant van de opmaakbalk een diagramtype. ÂÂ Klik op het diagram terwijl u de Control-toets ingedrukt houdt, kies 'Diagramtype' uit het venstermenu en selecteer een diagramtype in het submenu. ÂÂ Klik op de knop 'Info' in de knoppenbalk, klik op de knop 'Diagraminfo' en kies vervolgens een diagramtype uit het venstermenu dat wordt weergegeven als u linksboven op het diagramsymbool klikt. Hoofdstuk 7 Diagrammen aanmaken op basis van gegevens 153

154 Als u een diagram omzet in een cirkeldiagram, wordt het eerste gegevenspunt van elke reeks weergegeven als een cirkelsegment. Als u een diagram omzet in een spreidingsdiagram, zijn voor elk punt in het diagram twee waarden nodig. Als het diagram is gebaseerd op een oneven aantal rijen of kolommen, wordt de laatste rij of kolom niet in het diagram weergegeven. Als u een diagram omzet in een staaf-, kolom-, vlak- of lijndiagram, komt elke gegevensreeks in het nieuwe diagram overeen met een rij of kolom. Als u een diagram omzet in de bijbehorende 3D-versie, verschijnen in het infovenster 'Diagram' regelaars waarmee u onder meer de diepte van het object en de belichtingsstijl kunt instellen. Het is mogelijk dat de opmaak die u hebt toegepast op het diagram dat u wijzigt, niet op het nieuwe diagram wordt toegepast. De standaardwaarde van de vulkleur van gegevenspuntelementen (staven, cirkelsegmenten, enzovoort) verschilt bijvoorbeeld per type diagram. Als u de vulkleur van kolommen hebt gewijzigd en het diagram vervolgens in een staafdiagram omzet, blijf de vulkleur niet gehandhaafd. Afhankelijk van het diagramtype worden bij het omzetten mogelijk de volgende kenmerken op de standaardstijl ingesteld: waardelabels, de positie van waardelabels, tekststijlen, lijnenreeksen, schaduwreeksen, vulreeksen, gegevenspuntsymbolen en de vulling van gegevenspunten. Wanneer u het type diagram wijzigt en het nieuwe type gedeeltelijk dezelfde kenmerken heeft als het oude type, worden deze kenmerken niet gewijzigd. Gedeelde kenmerken zijn onder andere assen, rasterlijnen, maatstreepjes, aslabels, weergave van minimumwaarden, getalnotatie, randen, rotatie, schaduwen en de 3D-belichtingsstijl. Zie Diagrammen opmaken op pagina 159 en Specifieke diagramtypen opmaken op pagina 170 voor meer informatie. Met uitzondering van de positie van waardelabels komen de kenmerken van staaf- of kolomdiagrammen en gestapelde staaf- of kolomdiagrammen met elkaar overeen. Daarnaast bestaan er afzonderlijke vullingen voor staaf- en kolomdiagrammen. In bepaalde typen diagrammen kunnen dezelfde schaduwen voor 3D-diagrammen worden gebruikt. Een diagram verplaatsen Wanneer u een diagram binnen een Numbers-document verplaatst, blijven de koppelingen met de tabelcellen waarnaar wordt verwezen behouden. mm Manieren om een diagram te verplaatsen: Om een diagram binnen een werkblad te verplaatsen, selecteert u het diagram en sleept u het naar de nieuwe locatie. U kunt het diagram ook knippen en plakken. 154 Hoofdstuk 7 Diagrammen aanmaken op basis van gegevens

155 mm Om een diagram naar een ander werkblad te verplaatsen, kopieert u het diagram, selecteert u het andere werkblad in de navigatiekolom en plakt u het diagram in het werkgebied van het gewenste werkblad. Tabelrijen en -kolommen voor de gegevensreeksen van een diagram verwisselen Wanneer u een diagram selecteert, verschijnt er een donker kader rondom de tabelcellen die aan het diagram zijn gekoppeld. Met de gegevensreeksknop in de linkerbovenhoek van het kader rondom de gekoppelde tabel kunt u de tabelrijen en -kolommen als gegevensreeksen in het diagram transponeren. Gegevensreeksknop Deze vakjes duiden de kleuren van de verschillende gegevensreeksen aan. Tabelrijen en -kolommen als diagramreeksen transponeren mm Selecteer het diagram en klik op de gegevensreeksknop. Als de knop er zo uitziet, worden de kolommen gebruikt als gegevensreeks. Klik op de knop om de rijen in te stellen als gegevensreeks. Als de knop er zo uitziet, worden de rijen gebruikt als gegevensreeks. Klik op de knop om de kolommen in te stellen als gegevensreeks. Meer gegevens aan een bestaand diagram toevoegen U kunt gegevens uit afzonderlijke cellen (aangrenzend of niet-aangrenzend) toevoegen aan de gegevens die al aan een diagram zijn gekoppeld. U kunt een geheel nieuwe rij of kolom invoegen of gegevens uit meerdere tabellen toevoegen. Hoofdstuk 7 Diagrammen aanmaken op basis van gegevens 155

156 Manieren om extra gegevens aan een diagram toe te voegen: mm Om gegevens toe te voegen uit cellen die grenzen aan de weergegeven cellen, selecteert u het diagram en houdt u de Shift-toets ingedrukt terwijl u in de gewenste cellen klikt. mm Om gegevens toe te voegen uit cellen die niet grenzen aan de weergegeven cellen, selecteert u het diagram en houdt u de Command-toets ingedrukt terwijl u in de gewenste cellen klikt of de gewenste cellen sleept. mm Om het bereik te vergroten van aangrenzende cellen waarvan de waarden worden weergegeven, selecteert u het diagram. Vervolgens sleept u in de tabel het rondje rechts onder in het cellenbereik naar rechts of omlaag. Als het een spreidingsdiagram betreft, kunt u door te slepen uitsluitend een even aantal rijen of kolommen toevoegen. mm Om een nieuwe rij of kolom met gegevens toe te voegen, selecteert u de tabel en voegt u de rij of kolom in tussen cellen die al aan het diagram zijn gekoppeld. De gegevens die u aan de nieuwe cellen toevoegt, worden direct in het diagram weergegeven. mm Om gegevens uit cellen in een andere tabel toe te voegen, selecteert u de cellen waarvan u de gegevens wilt toevoegen en sleept u deze naar het diagram. De nieuwe gegevens worden als een nieuwe gegevensreeks toegevoegd. Om de brongegevens van het diagram te bekijken of te wijzigen, klikt u op een gegevensreeks in het diagram om de bijbehorende tabel en cellen weer te geven. Zie Verborgen tabelgegevens in een diagram opnemen op pagina 156 voor informatie over het opnemen van gegevens uit verborgen rijen en kolommen in een diagram. Verborgen tabelgegevens in een diagram opnemen Als rijen of kolommen van een tabel verborgen zijn, kunt u deze gegevens via het paneel 'Diagram' in het infovenster 'Diagram' in een diagram opnemen of uit een diagram verwijderen. Verborgen gegevens opnemen of verwijderen 1 Selecteer het diagram en klik op de knop 'Info' in de knoppenbalk. 2 Klik op de knop 'Diagraminfo' in het infovenster, klik op 'Diagram' en voer een van de volgende handelingen uit: ÂÂ Schakel het aankruisvak 'Toon verborgen gegevens' in om verborgen gegevens in het diagram op te nemen. ÂÂ Schakel het aankruisvak 'Toon verborgen gegevens' uit om verborgen gegevens niet in het diagram op te nemen. 156 Hoofdstuk 7 Diagrammen aanmaken op basis van gegevens

157 Gegevensreeksen in een diagram vervangen of opnieuw ordenen Het toevoegen, verwijderen of opnieuw ordenen van diagramgegevens heeft geen gevolgen voor de tabel of tabellen waaruit de gegevens afkomstig zijn. Wanneer u bijvoorbeeld een reeks gegevenswaarden in een diagram door een andere gegevensreeks wilt vervangen, kunt u alle gewenste onderliggende rij- of kolomgegevens door gegevens uit een andere rij of kolom vervangen. Het diagram wordt gewijzigd, maar in de tabellen verandert niets. U kunt ook de volgorde wijzigen waarin de gegevensreeksen in het diagram worden weergegeven zonder dat u het diagram hoeft te wijzigen. Gegevensreeksen opnieuw ordenen of vervangen 1 Selecteer het diagram. In de tabel verschijnt een donker kader rondom de gegevenscellen die in het diagram worden gebruikt. 2 Klik op de knop 'Info' in de knoppenbalk en klik vervolgens op de knop 'Diagraminfo' in het infovenster. 3 Klik op 'Reeks' in het infovenster 'Diagram' en voer een van de volgende handelingen uit: ÂÂ Om de volgorde te wijzigen waarin de reeksen in het diagram worden weergegeven, selecteert u een van de reekselementen die u wilt verplaatsen en selecteert u vervolgens een getal in het venstermenu 'Volgorde' in het paneel 'Reeks' van het infovenster 'Diagram'. ÂÂ Om een volledige gegevensreeks of een gedeelte ervan te vervangen door een andere rij of kolom met gegevens, selecteert u in het veld 'Gegevens' van het paneel 'Reeks' de celverwijzing voor het bereik van de gegevensreeks dat u wilt vervangen en sleept u vervolgens over het nieuwe bereik van cellen met gegevens die u in het diagram wilt opnemen. ÂÂ Om de label van de gegevensreeks te wijzigen, selecteert u de celverwijzing met de label van de gegevensreeks in het veld 'Label' van het paneel 'Reeks' en selecteert u vervolgens de cel met de label die u wilt gebruiken. Gegevens uit een diagram verwijderen U kunt waarden in een diagram verwijderen terwijl de gegevens in de bijbehorende tabel blijven staan. U kunt ook de waarden in zowel het diagram als de tabel verwijderen. Manieren om gegevens te verwijderen: mm Om een gegevenspunt te verwijderen uit een diagram en uit de bijbehorende tabel, selecteert u de cel met de gegevens en drukt u op de Delete-toets. De waarde wordt zowel in de tabel als in het diagram verwijderd. Hoofdstuk 7 Diagrammen aanmaken op basis van gegevens 157

158 mm mm mm mm Als u een kolom of rij verwijdert die onderdeel is van twee (een paar) kolommen die in een spreidingsdiagram worden weergegeven, wordt het bijbehorende gegevenspuntenpaar uit het diagram verwijderd. Om meerdere afzonderlijke celwaarden te verwijderen uit een diagram en de bijbehorende tabel, selecteert u de tabel, houdt u de Shift-toets (voor aangrenzende cellen) of Command-toets (voor niet-aangrenzende cellen) ingedrukt terwijl u de cellen selecteert en drukt u vervolgens op de Delete-toets. De waarden worden verwijderd in zowel de tabel als het diagram. Om een aangrenzend bereik van cellen te verkleinen dat in een diagram wordt weergegeven, selecteert u het diagram. Vervolgens sleept u in de tabel het rondje rechts onder in het cellenbereik naar links of omhoog. De cellen waarvan de selectie ongedaan is gemaakt, worden niet meer in het diagram weergegeven. De waarden staan echter nog wel in de tabel. Om een gegevensreeks uit een diagram te verwijderen, selecteert u het diagram en selecteert u vervolgens een onderdeel in de gegevensreeks of klikt u op de reekslabel in de tabel. Druk daarna op de Delete-toets. De waarden worden verwijderd in het diagram, maar blijven in de tabel staan. Om een gegevensset te verwijderen, selecteert u het diagram en selecteert u vervolgens de categorielabel in de tabel. Druk daarna op de Delete-toets. De waarden worden verwijderd in het diagram, maar blijven in de tabel staan. Als de tabel geen categorielabel bevat, klikt u op de gegevensreeksknop in de tabel om de categorie om te zetten in een reeks, selecteert u de reeks waarin de gewenste gegevens zich bevinden en drukt u op de Delete-toets. mm mm Een diagram verwijderen Manieren om een diagram te verwijderen: Om een diagram te verwijderen (maar niet de bijbehorende tabel of tabellen), selecteert u het diagram en drukt u op de Delete-toets. Om zowel het diagram als de bijbehorende tabel of tabellen te verwijderen, selecteert u de tabel of tabellen en drukt u op de Delete-toets. Diagrammen gebruiken in Pages- en Keynote-documenten U kunt een diagram kopiëren en in een Keynote-presentatie of Pages-document plakken. Nadat het diagram in het document is geplakt, blijft dit gekoppeld aan de versie in Numbers. Als de Numbers-tabelgegevens die in de diagram worden weergegeven veranderen, kunt u de weergave van de diagram in Keynote of Pages bijwerken. mm Een diagram in Numbers koppelen aan een kopie in Keynote of Pages Bewaar uw spreadsheet, selecteer en kopieer het diagram en plak het vervolgens in een Keynote-presentatie of Pages-document. 158 Hoofdstuk 7 Diagrammen aanmaken op basis van gegevens

159 mm Een gekoppeld diagram bijwerken in Keynote of Pages Zorg ervoor dat de spreadsheet met het bijgewerkte diagram in Numbers is bewaard. Selecteer het diagram in Keynote of Pages en klik op de bijwerkknop. De koppeling van een diagram met de versie in Numbers ongedaan maken mm Selecteer het diagram in Keynote of Pages en klik op 'Koppel los'. Diagrammen opmaken Aan elk diagram dat u maakt zijn een titel, legenda en labels gekoppeld. Deze onderdelen kunt u tonen of verbergen en u kunt de opmaak en plaatsing ervan aanpassen. Daarnaast kunt u de kleuren, textuur, schaal van de assen, maatstreepjes en gegevenspuntlabels van diagrammen wijzigen. 2D-diagrammen kunt u roteren en in 3D-diagrammen kunt u de hoek en de belichtingsstijl aanpassen. Voor informatie over De titel, labels en legenda van een diagram opmaken De grootte en richting van een diagram wijzigen De schaal, maatstreepjes en labels van een diagram wijzigen Zie De plaats van de diagramtitel en legenda bepalen en deze onderdelen opmaken op pagina 159 De tekst van diagramtitels, labels en legenda's opmaken op pagina 170 Het formaat van een diagram wijzigen of een diagram roteren op pagina 160 De assen van een diagram opmaken op pagina 161 De kleur, textuur, schaduw en andere afbeeldingskenmerken van een diagram wijzigen De elementen van een gegevensreeks van een diagram opmaken op pagina 164 Speciale onderdelen in diagrammen tonen Foutstaven in diagrammen tonen op pagina 168 Trendlijnen in diagrammen tonen op pagina 169 Cirkeldiagrammen, staafdiagrammen en andere specifieke diagramtypen opmaken Specifieke diagramtypen opmaken op pagina 170 De plaats van de diagramtitel en legenda bepalen en deze onderdelen opmaken Met de diagramtitel kunt u het onderwerp van het diagram aanduiden. De legenda geeft aan met welke kleur elke gegevensreeks in het diagram wordt aangeduid. U kunt de titel of legenda van een diagram tonen of verbergen, de tekstweergave aanpassen en de titel en legenda naar de gewenste plaats slepen. Als u een willekeurig diagramkenmerk wilt wijzigen, moet u het diagram eerst selecteren. Hoofdstuk 7 Diagrammen aanmaken op basis van gegevens 159

160 mm mm mm mm mm Manieren om de plaats van de diagramtitel en de legenda te bepalen en deze onderdelen op te maken: Om de titel of legenda te tonen, kiest u 'Weergave' > 'Toon infovenster' en klikt u vervolgens op de knop 'Diagraminfo'. Schakel het aankruisvak 'Toon titel' of 'Toon legenda' in. Om de titel van het diagram te wijzigen, selecteert u de tekst in het titelvak en typt u vervolgens een andere titel. Om de labels in de legenda te bewerken, bewerkt u de reekslabels in de bijbehorende tabel of selecteert u de legenda en bewerkt u de tekst rechtstreeks. Om de tekst in de legenda of titel op te maken, gebruikt u de regelaars in de opmaakbalk. Om de legenda te verplaatsen, selecteert u de legenda en sleept u deze naar de gewenste plaats. Als u beschrijvende tekstelementen aan een diagram wilt toevoegen, kunt u een tekstvak maken. Zie Tekstvakken toevoegen op pagina 206. Wanneer u het diagram hebt opgemaakt, kunt u het tekstvak en het diagram groeperen, zodat bij het verplaatsen van het diagram automatisch ook het tekstvak wordt verplaatst. Zie Objecten groeperen en de groepering van objecten opheffen op pagina 243. Het formaat van een diagram wijzigen of een diagram roteren U kunt 2D-diagrammen op verschillende manieren roteren. 3D-diagrammen kunnen niet worden geroteerd (of gespiegeld). Als in een groep zowel 3D-diagrammen als 2D-diagrammen voorkomen, kunt u de groep wel roteren, maar alleen de 2D-diagrammen in de groep worden dan geroteerd. mm mm Manieren om het formaat van een diagram te wijzigen of een diagram te roteren: Om het formaat van een diagram te wijzigen, selecteert u het volledige diagram en voert u een van de volgende handelingen uit: ÂÂ Sleep een actieve selectiegreep. Actieve selectiegrepen hebben een zwarte omtrek. ÂÂ Om de verhoudingen van het diagram te handhaven, houdt u de Shift-toets ingedrukt terwijl u sleept. ÂÂ Om de grootte van het diagram in één richting te wijzigen, sleept u een greep aan de zijkant in plaats van een greep in een van de hoeken. ÂÂ Om de grootte van het diagram te wijzigen door de exacte afmetingen op te geven, klikt u op de knop 'Info' in de knoppenbalk en klikt u vervolgens op de knop 'Formaatinfo'. In het infovenster 'Formaat' kunt u een nieuwe breedte, hoogte en rotatiehoek opgeven. Bovendien kunt u hier de afstand tussen het diagram en de marges wijzigen. Om een 2D-diagram te roteren, selecteert u het volledige diagram en voert u een van de volgende handelingen uit: 160 Hoofdstuk 7 Diagrammen aanmaken op basis van gegevens

161 ÂÂ Selecteer het diagram, houd de Command-toets ingedrukt, plaats de aanwijzer op een actieve selectiegreep zodat deze verandert in een gebogen, tweepuntige pijl en sleep vervolgens de selectiegreep. ÂÂ Om een diagram in stappen van 45 graden te roteren, houdt u de Shift-toets en de Command-toets ingedrukt terwijl u een selectiegreep sleept. ÂÂ Klik op de knop 'Info' in de knoppenbalk, klik op de knop 'Formaatinfo' en sleep vervolgens de knop 'Roteer' of stel de hoek van het diagram in het veld 'Hoek' in. Cirkeldiagrammen kunt u ook roteren met behulp van het infovenster 'Diagram'. Zie Een 2D-cirkeldiagram roteren op pagina 175. De assen van een diagram opmaken In kolom-, vlak-, lijn- en staafdiagrammen worden de gegevenspunten op één as weergegeven (de y-as in kolom-, vlak- en lijndiagrammen, de x-as in staafdiagrammen) en worden de gegevenssets op de andere as gegroepeerd. De as met de gegevenspunten wordt de waarde-as genoemd en de as met de gegevenssets wordt de categorie-as genoemd. In spreidingsdiagrammen is zowel de x- als de y-as een waarde-as. Diagrammen met twee assen bevatten twee y-assen (Waarde-as (Y1) en Waarde-as (Y2)) die u afzonderlijk kunt opmaken. Zie Diagrammen met twee assen en gemengde diagrammen wijzigen op pagina 179 voor meer informatie over diagrammen met twee assen. In het paneel 'As' van het infovenster 'Diagram' kunt u aangeven of u een as of diagramranden wilt tonen of verbergen, de schaal (lineair of logaritmisch) instellen, het bereik van de waarde-as instellen en de rasterlijnen en maatstreepjes op de assen aanpassen. Hoofdstuk 7 Diagrammen aanmaken op basis van gegevens 161

162 De meeste van deze opmaakopties zijn ook in de opmaakbalk beschikbaar. Net als bij het infovenster 'Diagram' zijn de opties in de opmaakbalk altijd afhankelijk van het diagramtype dat u hebt geselecteerd. Rasterlijnen en maatstreepjes op de diagramassen weergeven mm Selecteer de gewenste rasterlijnen en maatstreepjes in een van beide of beide venstermenu's voor het kiezen van asopties in het paneel 'As' van het infovenster 'Diagram'. mm mm mm mm mm Om de waarde langs de waarde-as op te maken, voert u een van de volgende handelingen uit in het paneel 'As' van het infovenster 'Diagram': Typ een getal in het veld 'Max.' onder 'Waarde-as' om de hoogste waarde voor de waarde-as in te stellen. De maximumwaarde kan niet lager zijn dan de hoogste waarde van de gegevensset. Als u geen getal opgeeft, wordt in het veld de tekst 'Autom.' weergegeven en wordt de waarde automatisch berekend op basis van de gegevens. Typ een getal in het veld 'Min.' onder 'Waarde-as' om de laagste waarde op de waarde-as in te stellen. De minimumwaarde kan niet hoger zijn dan de laagste waarde van de gegevensset. Als u geen getal opgeeft, wordt in het veld de tekst 'Autom.' weergegeven en wordt de waarde automatisch berekend op basis van de gegevens. Typ een getal in het veld 'Stappen' onder 'Waarde-as' om het aantal waarden in te stellen dat tussen nul en de minimum- en maximumwaarden op de waarde-as wordt weergegeven. Kies 'Toon waardelabels' en/of 'Toon minimumwaarde' uit het venstermenu 'Kies asopties' onder 'Waarde-as' om de gegevenswaarden op de waarde-as te tonen. Kies een optie uit het venstermenu 'Notatie' onder 'Waarde-as' om de waarden anders weer te geven dan in de bijbehorende tabel. Getal: Hiermee worden de gegevenspuntwaarden zonder eenheid weergegeven, tenzij u een eenheid opgeeft. De gewenste eenheid kunt u in het veld 'Achtervoegsel' typen. Geef in het veld 'Decimalen' op hoeveel decimalen moeten worden weergegeven en kies vervolgens ' 100' of '(100)' uit het venstermenu ernaast om de notatie van negatieve getallen te bepalen. Schakel het aankruisvak 'Scheidingsteken' in als links van de decimale komma een scheidingsteken voor duizendtallen moet worden weergegeven. Valuta: Hiermee worden de gegevenspuntwaarden als valutawaarden weergegeven. Kies een valutasymbool uit het venstermenu 'Symbool'. Geef in het veld 'Decimalen' het gewenste aantal decimalen op. Kies '-100' of '(100)' uit het venstermenu om aan te geven of negatieve waarden moeten worden aangeduid met een minteken of tussen haakjes moeten worden geplaatst. Schakel het aankruisvak 'Scheidingsteken' in als links van de decimale komma een scheidingsteken voor duizendtallen moet worden weergegeven. 162 Hoofdstuk 7 Diagrammen aanmaken op basis van gegevens

163 Percentage: Hiermee worden de gegevenspuntwaarden door honderd gedeeld. Geef in het veld 'Decimalen' het gewenste aantal decimalen op. Kies '-100' of '(100)' uit het venstermenu om aan te geven of negatieve waarden moeten worden aangeduid met een minteken of tussen haakjes moeten worden geplaatst. Schakel het aankruisvak 'Scheidingsteken' in als links van de decimale komma een scheidingsteken voor duizendtallen moet worden weergegeven. Datum en tijd: Hiermee worden de gegevenspuntwaarden in een datum- en tijdnotatie weergegeven. Duur: Hiermee worden de gegevenspuntwaarden als tijdseenheden weergegeven (bijvoorbeeld seconden, minuten of weken). Breuk: Hiermee worden de gegevenspuntwaarden kleiner dan 1 als breuken weergegeven. (Waarden groter dan 1 worden niet als breuken weergegeven.) Kies de gewenste precisie voor het afronden van de breuken uit het venstermenu 'Precisie'. Wanneer u bijvoorbeeld de optie 'Tweeden' of 'Kwarten' kiest, worden de waarden als een gedeelte van het totale cirkeldiagram weergegeven en afgerond naar de dichtstbijzijnde breuk die u hebt ingesteld. Wetenschappelijk: Hiermee worden gegevenspuntwaarden in de wetenschappelijke notatie weergegeven, waarbij een aantal malen een gehele macht van 10 wordt uitgedrukt als 'E+' een geheel getal. Geef in het veld 'Decimalen' het gewenste aantal decimalen op. Aangepast: Hiermee kunt u een aangepaste notatie kiezen die u eerder hebt ingesteld of een nieuwe aangepaste notatie opgeven. Zie Werken met eigen notaties voor de weergave van waarden in tabelcellen op pagina 111 voor meer informatie. Titels voor een categorie (gegevensset) tonen 1 Kies 'Toon categorieën' uit het venstermenu 'Kies asopties' onder 'Categorie-as' in het paneel 'As' van het infovenster 'Diagram'. 2 Om de categorielabels te wijzigen, plaatst u het invoegpunt in het veld 'Labels', voert u een van de volgende handelingen uit en drukt u op de accepteerknop (het groene vinkje) om uw wijzigingen te bewaren: ÂÂ Om een label te tonen, klikt u op de tabelcel met de label die u wilt gebruiken. Een verwijzing naar de cel wordt aan het veld 'Labels' toegevoegd. ÂÂ Om een label te verwijderen, selecteert u de celverwijzing in het veld 'Labels' en drukt u vervolgens op de Delete-toets. 3 Om de afstand tussen labelcategorieën te wijzigen, voert u een van de twee of beide volgende handelingen uit: ÂÂ Typ een waarde in het veld 'Label elke x categorieën' of gebruik de stappenregelaar om een waarde op te geven. Als u de waarde '2' opgeeft, wordt bijvoorbeeld steeds één categorietitel overgeslagen, bij de waarde '3' worden steeds twee categorietitels overgeslagen, enzovoort. Hoofdstuk 7 Diagrammen aanmaken op basis van gegevens 163

164 ÂÂ Kies 'Toon laatste categorie' uit het venstermenu 'Kies asopties' onder 'Categorie-as' als u wilt dat de titel van de laatste categorie wordt weergegeven. Een astitel tonen of verbergen 1 Kies 'Toon titel' uit het venstermenu 'Kies asopties' onder 'Waarde-as' of 'Categorie-as' in het paneel 'As' van het infovenster 'Diagram'. 2 Klik in het diagram dubbel op de waardetitel of categorietitel die verschijnt en typ de gewenste titel. 3 Gebruik de regelaars in de opmaakbalk om de tekst van de titel op te maken. 4 Om een titel te verbergen, schakelt u de optie in de genoemde venstermenu's uit. Een lineaire, logaritmische of procentuele schaal voor de waarde-as instellen mm Kies 'Lineaire schaal', 'Logaritmeschaal' of 'Percentageschaal' uit het venstermenu 'Kies asopties' onder 'Waarde-as' in het paneel 'As' van het infovenster 'Diagram'. Een percentageschaal kan alleen voor gestapelde 2D-staaf-, kolom- en vlakdiagrammen worden gebruikt. Een lineaire schaal of logaritmeschaal kan alleen voor niet-gestapelde 2D-diagrammen worden gebruikt. Voor 3D-diagrammen kan alleen een lineaire schaal worden gebruikt. (Bij cirkeldiagrammen kunt u waarden als percentages weergeven door 'Percentage' te kiezen uit het venstermenu 'Notatie' onder 'Labels'.) Om de kleur en textuur van reekselementen te wijzigen of gegevenspuntsymbolen en waardelabels op te maken, gebruikt u het paneel 'Reeks' van het infovenster 'Diagram'. Zie De elementen van een gegevensreeks van een diagram opmaken op pagina 164. Zie Specifieke diagramtypen opmaken op pagina 170 voor informatie over specifieke opmaakopties voor bepaalde diagramtypen. De elementen van een gegevensreeks van een diagram opmaken U kunt allerlei visuele effecten toepassen om de weergave van gegevensreekselementen, zoals staven (in kolom- en staafdiagrammen), gegevenspunten (in lijn- en spreidingsdiagrammen) en vlakken, te verfraaien. Hoewel cirkelsegmenten ook gegevensreekselementen zijn, worden deze op een andere manier opgemaakt. Zie De weergave van cirkeldiagrammen aanpassen op pagina 171 voor meer informatie. De meeste opmaakopties voor gegevensreeksen zijn in de opmaakbalk beschikbaar. Wanneer u een reekselement in een diagram selecteert, worden de onderdelen in de opmaakbalk vervangen door opties voor het opmaken van reekselementen. U kunt bijvoorbeeld in het kleurenvak in de opmaakbalk klikken om zo snel een kleur te kiezen voor het geselecteerde reekselement. 164 Hoofdstuk 7 Diagrammen aanmaken op basis van gegevens

165 Veel opties zijn beschikbaar via het infovenster 'Diagram'. U kunt bijvoorbeeld de weergave en stijl van de vormen en symbolen van gegevensreeksen in staaf-, kolomen vlakdiagrammen wijzigen door eerst een element te selecteren in de reeks die u wilt wijzigen en vervolgens opmaakinstellingen te kiezen in het paneel 'Reeks' van het infovenster 'Diagram'. Om geselecteerde reekselementen te vullen met speciaal ontworpen kleuren of texturen, gebruikt u het infovenster 'Diagram'. 1 Selecteer een kolom, een staaf of een ander reekselement waarvan u de opmaak wilt wijzigen. 2 Klik op de knop 'Info' in de knoppenbalk, klik op de knop 'Diagraminfo' en klik vervolgens op 'Diagramkleuren'. 3 Kies een vultype (bijvoorbeeld '3D-textuurvullingen') uit het eerste venstermenu. 4 Kies een vulset (bijvoorbeeld 'Marmer' of 'Hout') uit het tweede venstermenu. 5 Ga op een van de volgende manieren te werk: ÂÂ Om dat vultype toe te passen op alle elementen van de gegevensreeks, klikt u op 'Pas alle toe'. De eerste vulling wordt toegepast op elementen van de eerste gegevensreeks, de tweede vulling op elementen van de tweede reeks, enzovoort. ÂÂ Om een vulling toe te passen op elementen van één gegevensreeks, sleept u de vulling naar een element (bijvoorbeeld een staaf, kolom, enzovoort). U kunt deze vullingen niet voor lijn- of spreidingsdiagrammen gebruiken. Zie Gegevenspuntsymbolen en lijnen in lijndiagrammen aanpassen op pagina 177 en Werken met spreidingsdiagrammen op pagina 178 voor meer informatie over het wijzigen van de opmaak van reekselementen in deze diagramtypen. mm De mate van ondoorzichtigheid, de lijn, de schaduw of de vulling van geselecteerde reekselementen aanpassen Selecteer het element dat u wilt wijzigen, klik op de knop 'Afbeeldingsinfo' en breng de gewenste wijzigingen aan. Hoofdstuk 7 Diagrammen aanmaken op basis van gegevens 165

166 Wanneer u bij het aanpassen van de mate van ondoorzichtigheid en de vulling de schuifknop 'Ondoorzichtigheid' onder in het infovenster 'Afbeelding' sleept, verandert de mate van ondoorzichtigheid van het volledige diagram. Als u alleen de opmaak van de geselecteerde reeks wilt wijzigen, selecteert u de reeks en wijzigt u vervolgens de mate van ondoorzichtigheid van de vulling met een effen kleur, verlooptint of afbeelding. Zie De mate van ondoorzichtigheid van objecten aanpassen op pagina 251 en Een kleur of afbeelding als vulling voor een object gebruiken op pagina 252 voor meer informatie. Zie Een object met een afbeelding vullen op pagina 255 voor informatie over het gebruik van een eigen afbeelding als vulling. Zie De randstijl wijzigen op pagina 247 voor informatie over het wijzigen van de lijn rondom een element. Zie Een schaduw aan een object toevoegen op pagina 249 voor informatie over het aanpassen van schaduw. Gegevenspuntlabels voor de geselecteerde reeks weergeven en de opmaak ervan wijzigen 1 Klik op 'Reeks' in het infovenster 'Diagram'. 2 Schakel het aankruisvak 'Waardelabels' in. 3 Klik op een van de positieknoppen om de positie van de labels te wijzigen. 4 Kies een optie uit het venstermenu 'Notatie' onder 'Waarde-as' om de waarden anders weer te geven dan in de bijbehorende tabel. Getal: Hiermee worden de gegevenspuntwaarden zonder eenheid weergegeven, tenzij u een eenheid opgeeft. De gewenste eenheid kunt u in het veld 'Achtervoegsel' typen. Geef in het veld 'Decimalen' op hoeveel decimalen moeten worden weergegeven en kies vervolgens ' 100' of '(100)' uit het venstermenu ernaast om de notatie van negatieve getallen te bepalen. Schakel het aankruisvak 'Scheidingsteken' in als links van de decimale komma een scheidingsteken voor duizendtallen moet worden weergegeven. Valuta: Hiermee worden de gegevenspuntwaarden als valutawaarden weergegeven. Kies een valutasymbool uit het venstermenu 'Symbool'. Geef in het veld 'Decimalen' het gewenste aantal decimalen op. Kies '-100' of '(100)' uit het venstermenu om aan te geven of negatieve waarden moeten worden aangeduid met een minteken of tussen haakjes moeten worden geplaatst. Schakel het aankruisvak 'Scheidingsteken' in als links van de decimale komma een scheidingsteken voor duizendtallen moet worden weergegeven. 166 Hoofdstuk 7 Diagrammen aanmaken op basis van gegevens

167 Percentage: Hiermee worden de gegevenspuntwaarden door honderd gedeeld. Geef in het veld 'Decimalen' het gewenste aantal decimalen op. Kies '-100' of '(100)' uit het venstermenu om aan te geven of negatieve waarden moeten worden aangeduid met een minteken of tussen haakjes moeten worden geplaatst. Schakel het aankruisvak 'Scheidingsteken' in als links van de decimale komma een scheidingsteken voor duizendtallen moet worden weergegeven. Datum en tijd: Hiermee worden de gegevenspuntwaarden in een datum- en tijdnotatie weergegeven. Duur: Hiermee worden de gegevenspuntwaarden als tijdseenheden weergegeven (bijvoorbeeld seconden, minuten of weken). Breuk: Hiermee worden de gegevenspuntwaarden kleiner dan 1 als breuken weergegeven. (Waarden groter dan 1 worden niet als breuken weergegeven.) Kies de gewenste precisie voor het afronden van de breuken uit het venstermenu 'Precisie'. Wanneer u bijvoorbeeld de optie 'Tweeden' of 'Kwarten' kiest, worden de waarden als een gedeelte van het totale cirkeldiagram weergegeven en afgerond naar de dichtstbijzijnde breuk die u hebt ingesteld. Wetenschappelijk: Hiermee worden gegevenspuntwaarden in de wetenschappelijke notatie weergegeven, waarbij een aantal malen een gehele macht van 10 wordt uitgedrukt als 'E+' een geheel getal. Geef in het veld 'Decimalen' het gewenste aantal decimalen op. Aangepast: Hiermee kunt u een aangepaste notatie kiezen die u eerder hebt ingesteld of een nieuwe aangepaste notatie opgeven. Zie Werken met eigen notaties voor de weergave van waarden in tabelcellen op pagina 111 voor meer informatie. Om de kleur en textuur van reekselementen te wijzigen of gegevenspuntsymbolen en waardelabels op te maken, gebruikt u het paneel 'Reeks' van het infovenster 'Diagram'. Zie De elementen van een gegevensreeks van een diagram opmaken op pagina 164. Zie Specifieke diagramtypen opmaken op pagina 170 voor informatie over specifieke opmaakopties voor bepaalde diagramtypen. Hoofdstuk 7 Diagrammen aanmaken op basis van gegevens 167

168 Foutstaven in diagrammen tonen U kunt foutstaven tonen voor de gegevenspunten in alle 2D-diagrammen, met uitzondering van cirkeldiagrammen. Foutstaven duiden de foutmarge van een bepaald gegevenspunt aan. Foutstaven tonen voor de gegevenspunten in een geselecteerde reeks 1 Klik op 'Reeks' in het infovenster 'Diagram' en klik vervolgens op 'Geavanceerd' onder in het infovenster. Klik vervolgens op 'Foutstaven'. In spreidingsdiagrammen kunt u foutstaven voor beide gegevensreeksen tonen. U stelt ze afzonderlijk in door voor beide assen de instructies te volgen. 2 Kies een optie uit het venstermenu voor de manier waarop u de foutstaven wilt weergeven: Positief en negatief: Hiermee toont u volledige foutstaven, boven en onder elk gegevenspunt. Alleen positief: Hiermee toont u alleen het gedeelte van elke foutstaaf dat boven het bijbehorende gegevenspunt valt. Alleen negatief: Hiermee toont u alleen het gedeelte van elke foutstaaf dat onder het bijbehorende gegevenspunt valt. 3 Kies het gewenste type foutstaaf uit het tweede venstermenu: Vaste waarde: Hiermee toont u voor elk gegevenspunt een foutstaaf met dezelfde absolute waarde. Typ een waarde in het bijbehorende veld. Percentage: Hiermee worden de foutstaven op een vast percentage van elke gegevenspuntwaarde gebaseerd. Typ een percentage in het bijbehorende veld. Standaarddeviatie: Hiermee worden de foutstaven op de standaarddeviatie van de gegevensset gebaseerd. Typ het aantal standaarddeviaties in het bijbehorende veld. Standaardfout: Hiermee toont u standaardfoutstaven. Aangepast: Hiermee kunt u zelf criteria voor de foutstaven opgeven. Geef in het veld 'Positief' op hoe ver de foutstaven boven de gegevenspunten moeten uitsteken en geef in het veld 'Negatief' op hoe ver de foutstaven onder de gegevenspunten moeten uitsteken. 4 Geef in het veld naast het tweede venstermenu het bereik van de foutstaven op. 168 Hoofdstuk 7 Diagrammen aanmaken op basis van gegevens

169 5 Selecteer een foutstaaf, klik op de knop 'Afbeeldingsinfo' en kies desgewenst een lijnuiteinde voor de foutstaaf uit het venstermenu 'Lijn'. Trendlijnen in diagrammen tonen Trendlijnen zijn lijnen die voor uw specifieke gegevens worden berekend en weergegeven. U bepaalt zelf welk type vergelijking wordt gebruikt. Trendlijnen kunnen in vrijwel alle 2D-diagrammen worden gebruikt, behalve in gestapelde staaf-, kolomen vlakdiagrammen en in cirkeldiagrammen. Een trendlijn tonen voor de gegevenspunten in een geselecteerde reeks 1 Selecteer een of meer reeksen waarvoor u een trendlijn wilt tonen en klik vervolgens op de knop 'Info' in de knoppenbalk. 2 Klik op 'Diagraminfo' in het infovenster en klik vervolgens op 'Reeks'. 3 Klik onder in het paneel 'Reeks' op 'Geavanceerd'. Klik vervolgens op 'Trendlijn'. 4 Kies uit het venstermenu een type vergelijking voor het berekenen van de trendlijn: Lineair: Hiermee wordt een optimaal passende rechte lijn weergegeven. Deze vergelijking is met name geschikt voor eenvoudige, lineaire gegevensreeksen. Logaritmisch: Hiermee wordt een optimaal passende gebogen lijn weergegeven. Deze vergelijking is met name geschikt als de waarden snel stijgen of dalen en zich vervolgens stabiliseren. Polynoom: Hiermee wordt een gebogen lijn weergegeven met pieken en dalen op punten waarop de waarden stijgen of dalen. Kies de gewenste graad voor de polynoom in het veld 'Graad'. Wanneer u bijvoorbeeld 4 kiest, worden drie pieken of dalen weergegeven. Macht: Hiermee wordt een gebogen lijn weergegeven die u kunt gebruiken bij het vergelijken van metingen met een bepaalde versnellingsgraad. U kunt deze vergelijking niet gebruiken voor gegevensreeksen die nulwaarden of negatieve waarden bevatten. Exponentieel: Hiermee wordt een gebogen lijn weergegeven die u kunt gebruiken voor waarden die steeds sneller stijgen of dalen. U kunt deze vergelijking niet gebruiken voor gegevensreeksen die nulwaarden of negatieve waarden bevatten. Hoofdstuk 7 Diagrammen aanmaken op basis van gegevens 169

170 Bewegend gemiddelde: Hiermee wordt een trendlijn weergegeven op basis van het aantal gegevenspunten dat u in het veld 'Periode' opgeeft. Van deze gegevenspunten wordt het gemiddelde berekend, waarna deze gemiddelde waarde als trendlijnpunt wordt gebruikt. 5 Om de vergelijking te tonen waarop een trendlijn is gebaseerd, selecteert u de lijn en kiest u 'Toon vergelijking'. U kunt deze vergelijking naar elke gewenste plaats in het werkblad slepen. 6 Om de R-kwadraatswaarde te tonen die is gebruikt om een trendlijn te berekenen, selecteert u de lijn en kiest u 'Toon R^2-waarde'. U kunt deze waarde naar elke gewenste plaats in het werkblad slepen. 7 Om een label voor een trendlijn te tonen, selecteert u de trendlijn en kiest u vervolgens 'Label'. Typ een label in het bijbehorende veld. 8 Om de kleur of dikte van een trendlijn te wijzigen, selecteert u de trendlijn en klikt u vervolgens op de knop 'Afbeelding' in het infovenster. Pas de lijninstellingen naar wens aan. De tekst van diagramtitels, labels en legenda's opmaken U kunt de grootte en het uiterlijk van diagram- en astitels, aslabels, gegevenspuntlabels en legenda's wijzigen. De tekst van labels en legenda's opmaken 1 Selecteer het juiste onderdeel, afhankelijk van de tekst die u wilt opmaken: Om alle diagramtitels en labels op te maken (behalve de legenda van het diagram), klikt u op het diagram. De gekozen lettertype- en kleurinstellingen worden op alle tekstonderdelen toegepast. Om de tekst voor alle gegevenspunten in één reeks op te maken, selecteert u het tekstvak voor één gegevenspunt in de reeks. Om de tekst in een aslabel op te maken, selecteert u deze tekst. Om de tekst voor alle reekslabels op te maken, selecteert u het reekslabelvak. Om de tekst in een legenda te wijzigen, selecteert u de legenda. 2 Gebruik de regelaars in de opmaakbalk om de geselecteerde tekst op te maken. Specifieke diagramtypen opmaken Voor cirkel-, staaf- en kolomdiagrammen en andere diagramtypen zijn speciale opmaakinstellingen beschikbaar. In cirkeldiagrammen kunt u bijvoorbeeld een schaduw instellen voor afzonderlijke cirkelsegmenten of segmenten uit het midden plaatsen. In lijndiagrammen kunt u verschillende symbolen voor gegevenspunten op verschillende lijnen instellen. 170 Hoofdstuk 7 Diagrammen aanmaken op basis van gegevens

171 Voor informatie over Cirkeldiagrammen en de bijbehorende segmenten opmaken Staven in staaf- en kolomdiagrammen opmaken Elementen van lijndiagrammen opmaken Vlakdiagrammen opmaken Spreidingsdiagrammen opmaken Diagrammen met twee assen en gemengde diagrammen opmaken 3D-diagrammen opmaken Zie De weergave van cirkeldiagrammen aanpassen op pagina 171 Schaduw, de afstand tussen onderdelen en reeksnamen instellen voor staaf- en kolomdiagrammen op pagina 176 Gegevenspuntsymbolen en lijnen in lijndiagrammen aanpassen op pagina 177 Gegevenspuntsymbolen in vlakdiagrammen tonen op pagina 177 Werken met spreidingsdiagrammen op pagina 178 Diagrammen met twee assen en gemengde diagrammen wijzigen op pagina 179 Scène-instellingen van 3D-diagrammen wijzigen op pagina 180 De weergave van cirkeldiagrammen aanpassen Een cirkeldiagram vertegenwoordigt één gegevensset en elk cirkelsegment vertegenwoordigt één gegevenspuntwaarde in de desbetreffende set (het eerste gegevenspunt van elke gegevensreeks). Als de gegevensreeksen in rijen zijn ingedeeld, wordt alleen de eerste kolom in het diagram weergegeven. Als de gegevensreeksen in kolommen zijn ingedeeld, wordt alleen de eerste rij in het diagram weergegeven. U kunt een gegevensset in het cirkeldiagram opnemen door de gegevensset te verplaatsen naar de eerste rij of kolom van de tabel. Om de weergave van afzonderlijke cirkelsegmenten aan te passen, selecteert u eerst het cirkeldiagram en vervolgens de segmenten die u wilt wijzigen. Manieren om cirkelsegmenten in een geselecteerd cirkeldiagram te selecteren: mm Om één cirkelsegment te selecteren, klikt u op het segment. mm Om alle cirkelsegmenten te selecteren, selecteert u een willekeurig cirkelsegment en drukt u op Command + A. mm Als de segmenten niet aan elkaar grenzen, houdt u de Command-toets ingedrukt en selecteert u de segmenten. mm Als de gewenste segmenten aan elkaar grenzen, selecteert u het eerste segment en houdt u vervolgens de Shift-toets ingedrukt terwijl u het laatste segment selecteert. Hoofdstuk 7 Diagrammen aanmaken op basis van gegevens 171

172 Voor informatie over Kleuren en texturen op een cirkeldiagram toepassen Labels voor reeksen en gegevenspunten in een cirkeldiagram tonen Bepaalde cirkelsegmenten meer in het oog laten springen Schaduw aan cirkeldiagrammen toevoegen Zie De kleuren en texturen van een cirkeldiagram wijzigen op pagina 172 Labels in een cirkeldiagram tonen op pagina 173 Afzonderlijke cirkelsegmenten van een diagram scheiden op pagina 174 Een schaduw aan cirkeldiagrammen en -segmenten toevoegen op pagina 175 Een 2D-cirkeldiagram roteren Een 2D-cirkeldiagram roteren op pagina 175 Andere opmaakinstellingen toepassen Diagrammen opmaken op pagina 159 De kleuren en texturen van een cirkeldiagram wijzigen Manieren om de kleuren en texturen van cirkeldiagrammen te wijzigen: mm Om elementen van een gegevensreeks te vullen met een speciale kleur of textuur, klikt u op de knop 'Info' in de knoppenbalk, klikt u op de knop 'Diagraminfo' en klikt u vervolgens op 'Diagramkleuren'. Kies een vultype (bijvoorbeeld '3D-textuurvullingen') uit het eerste venstermenu en kies een vulset (bijvoorbeeld 'Marmer' of 'Hout') uit het tweede venstermenu. Ga vervolgens op een van de volgende manieren te werk: ÂÂ Klik op 'Pas alle toe' om alle cirkelsegmenten te vullen. De eerste vulling wordt toegepast op elementen van de eerste gegevensreeks, de tweede vulling op elementen van de tweede reeks, enzovoort. ÂÂ Als u één cirkelsegment wilt vullen, sleept u de vulling naar het gewenste segment. mm Om de mate van ondoorzichtigheid, de lijn, de schaduw en andere grafische kenmerken van afzonderlijke cirkelsegmenten aan te passen, selecteert u het gewenste segment, klikt u op de knop 'Afbeeldingsinfo' en brengt u vervolgens de gewenste wijzigingen aan. Wanneer u bij het aanpassen van de mate van ondoorzichtigheid en de vulling de schuifknop 'Ondoorzichtigheid' onder in het infovenster 'Afbeelding' sleept, verandert de mate van ondoorzichtigheid van het volledige diagram. Als u alleen de opmaak van de geselecteerde reeks wilt wijzigen, selecteert u de reeks en wijzigt u vervolgens de mate van ondoorzichtigheid van de vulling met een effen kleur, verlooptint of afbeelding. Zie De mate van ondoorzichtigheid van objecten aanpassen op pagina 251 en Een kleur of afbeelding als vulling voor een object gebruiken op pagina 252 voor meer informatie. 172 Hoofdstuk 7 Diagrammen aanmaken op basis van gegevens

173 Voor informatie over Een eigen afbeelding als vulling gebruiken De weergave van de lijn rondom het cirkeldiagram of een segment wijzigen Schaduw wijzigen De diepte van een 3D-cirkeldiagram wijzigen Zie Een object met een afbeelding vullen op pagina 255 De randstijl wijzigen op pagina 247 Een schaduw aan cirkeldiagrammen en -segmenten toevoegen op pagina 175 Scène-instellingen van 3D-diagrammen wijzigen op pagina 180 Labels in een cirkeldiagram tonen Via het infovenster 'Diagram' kunt u de reeks- en gegevenspuntlabels in een cirkeldiagram tonen. Reeksnamen of gegevenspuntlabels in een cirkeldiagram tonen 1 Selecteer het diagram of de afzonderlijke cirkelsegmenten waarvoor u een label of reeksnaam wilt tonen. 2 Klik op de knop 'Info' in de knoppenbalk en klik vervolgens op de knop 'Diagraminfo'. 3 Selecteer 'Labels' en sleep de schuifknop 'Positie' om de gegevenspuntlabel dichter bij of verder van het midden van het diagram te plaatsen. U kunt ook een waarde in het veld typen om de afstand tussen de label en het midden van het diagram uit te drukken als percentage van de straal van de cirkel. U kunt ook de schuifknop 'Labels' in de opmaakbalk gebruiken om de positie van labels te bepalen. 4 Om de waarden in een specifieke notatie weer te geven, kiest u een optie uit het venstermenu 'Notatie' en past u de instellingen naar wens aan: Getal: Hiermee worden de gegevenspuntwaarden zonder eenheid weergegeven, tenzij u een eenheid opgeeft. De gewenste eenheid kunt u in het veld 'Achtervoegsel' typen. Geef in het veld 'Decimalen' op hoeveel decimalen moeten worden weergegeven en kies vervolgens ' 100' of '(100)' uit het venstermenu ernaast om de notatie van negatieve getallen te bepalen. Schakel het aankruisvak 'Scheidingsteken' in als links van de decimale komma een scheidingsteken voor duizendtallen moet worden weergegeven. Valuta: Hiermee worden de gegevenspuntwaarden als valutawaarden weergegeven. Kies een valutasymbool uit het venstermenu 'Symbool'. Geef in het veld 'Decimalen' het gewenste aantal decimalen op. Kies '-100' of '(100)' uit het venstermenu om aan te geven of negatieve waarden moeten worden aangeduid met een minteken of tussen haakjes moeten worden geplaatst. Schakel het aankruisvak 'Scheidingsteken' in als links van de decimale komma een scheidingsteken voor duizendtallen moet worden weergegeven. Hoofdstuk 7 Diagrammen aanmaken op basis van gegevens 173

174 Percentage: Hiermee worden de gegevenspuntwaarden door honderd gedeeld. Geef in het veld 'Decimalen' het gewenste aantal decimalen op. Kies '-100' of '(100)' uit het venstermenu om aan te geven of negatieve waarden moeten worden aangeduid met een minteken of tussen haakjes moeten worden geplaatst. Schakel het aankruisvak 'Scheidingsteken' in als links van de decimale komma een scheidingsteken voor duizendtallen moet worden weergegeven. Datum en tijd: Hiermee worden de gegevenspuntwaarden in een datum- en tijdnotatie weergegeven. Duur: Hiermee worden de gegevenspuntwaarden als tijdseenheden weergegeven (bijvoorbeeld seconden, minuten of weken). Breuk: Hiermee worden de gegevenspuntwaarden kleiner dan 1 als breuken weergegeven. (Waarden groter dan 1 worden niet als breuken weergegeven.) Kies de gewenste precisie voor het afronden van de breuken uit het venstermenu 'Precisie'. Wanneer u bijvoorbeeld de optie 'Tweeden' of 'Kwarten' kiest, worden de waarden als een gedeelte van het totale cirkeldiagram weergegeven en afgerond naar de dichtstbijzijnde breuk die u hebt ingesteld. Wetenschappelijk: Hiermee worden gegevenspuntwaarden in de wetenschappelijke notatie weergegeven, waarbij een aantal malen een gehele macht van 10 wordt uitgedrukt als 'E+' een geheel getal. Geef in het veld 'Decimalen' het gewenste aantal decimalen op. Aangepast: Hiermee kunt u een aangepaste notatie kiezen die u eerder hebt ingesteld of een nieuwe aangepaste notatie opgeven. Zie Werken met eigen notaties voor de weergave van waarden in tabelcellen op pagina 111 voor meer informatie. 5 Om de reeksnaam weer te geven, kiest u 'Toon reeksnaam'. Afzonderlijke cirkelsegmenten van een diagram scheiden U kunt cirkelsegmenten meer in het oog laten springen door de segmenten van het diagram te scheiden. U kunt een cirkelsegment scheiden van de rest door de schuifknop 'Explosie' te verplaatsen. 174 Hoofdstuk 7 Diagrammen aanmaken op basis van gegevens

175 Manieren om cirkelsegmenten van het diagram te scheiden: mm Om één segment uit het midden van een 2D- of 3D-cirkeldiagram te plaatsen, selecteert u het segment. Vervolgens sleept u het segment of gebruikt u de schuifknop 'Explosie' in het infovenster 'Diagram'. mm Om alle segmenten uit het midden van een 3D-cirkeldiagram te plaatsen, selecteert u het diagram voordat u de schuifknop 'Explosie' gebruikt. mm Om meerdere segmenten uit het midden van een 2D- of 3D-cirkeldiagram te plaatsen, klikt u op de segmenten terwijl u de Shift-toets of de Command-toets ingedrukt houdt. Vervolgens sleept u de segmenten of gebruikt u de schuifknop 'Explosie'. U kunt reeksnamen of gegevenspuntlabels toevoegen om afzonderlijke cirkelsegmenten er nog meer uit te laten springen. Zie De elementen van een gegevensreeks van een diagram opmaken op pagina 164. Een schaduw aan cirkeldiagrammen en -segmenten toevoegen U kunt een schaduw instellen voor afzonderlijke cirkelsegmenten of voor het gehele cirkeldiagram. Wanneer u een schaduw voor afzonderlijke cirkelsegmenten instelt, lijkt het alsof de segmenten zich op een andere laag bevinden. U kunt het segment daarom beter eerst van het diagram scheiden. Zie Afzonderlijke cirkelsegmenten van een diagram scheiden op pagina 174 voor instructies. Een schaduw toevoegen 1 Selecteer het diagram of de afzonderlijke cirkelsegmenten. Klik op de knop 'Info' in de knoppenbalk en klik vervolgens op de knop 'Diagraminfo'. Ga op een van de volgende manieren te werk: ÂÂ Om een schaduw aan de geselecteerde segmenten toe te voegen, kiest u de optie 'Afzonderlijk' uit het venstermenu 'Schaduw'. ÂÂ Om een schaduw aan het hele diagram toe te voegen, kiest u de optie 'Groep' uit het venstermenu 'Schaduw'. U kunt ook het venstermenu 'Schaduw' in de opmaakbalk gebruiken. 2 Definieer de gewenste schaduwinstellingen in het infovenster 'Afbeelding'. Zie Een schaduw aan een object toevoegen op pagina 249 voor instructies. Een 2D-cirkeldiagram roteren Manieren om een cirkeldiagram te roteren: mm Selecteer het diagram, klik op de knop 'Info' in de knoppenbalk, klik op 'Diagraminfo' en gebruik vervolgens de knop 'Rotatiehoek' of het bijbehorende veld. mm Klik op de knop 'Info' in de knoppenbalk, klik op de knop 'Formaatinfo' en sleep vervolgens de knop 'Roteer' of stel de hoek van het diagram in met behulp van de desbetreffende regelaars. Hoofdstuk 7 Diagrammen aanmaken op basis van gegevens 175

176 mm Selecteer het diagram, houd de Command-toets ingedrukt en plaats de aanwijzer op een actieve selectiegreep. De greep krijgt de vorm van een gebogen, tweepuntige pijl. Sleep vervolgens de selectiegreep. mm Om het diagram in stappen van 45 graden te roteren, houdt u de Shift-toets en de Command-toets ingedrukt terwijl u een selectiegreep of de knop 'Roteer' sleept. Schaduw, de afstand tussen onderdelen en reeksnamen instellen voor staaf- en kolomdiagrammen In staaf- en kolomdiagrammen kunt u de afstand tussen de reeksen staven of kolommen (gegevenssets) wijzigen. Als de gegevenssets niet zijn gestapeld, kunt u ook de afstand tussen de staven of kolommen (afzonderlijke gegevenssets) wijzigen. Daarnaast kunt u een schaduw toepassen op afzonderlijke gegevensreeksen of op het gehele diagram. In niet-gestapelde staaf- en kolomdiagrammen kunt u ook de reeksnamen of labels weergeven. Staaf- en kolomdiagrammen aanpassen 1 Selecteer een staaf- of kolomdiagram. 2 Klik op de knop 'Info' in de knoppenbalk, klik op de knop 'Diagraminfo' en klik vervolgens op 'Diagram'. 3 Om de afstand tussen staven of categorieën te wijzigen, voert u een van de volgende handelingen uit: ÂÂ Als u de afstand tussen de staven wilt wijzigen, typt u een waarde in het veld 'Ruimte tussen staven' (of klikt u op de pijltoetsen). ÂÂ Als u de afstand tussen de categorieën wilt wijzigen (in niet-gestapelde diagrammen), typt u een waarde in het veld 'Ruimte tussen sets'. De ingevoerde waarde is een percentage van de staafdikte. Als u de afstand tussen de staven verkleint, neemt de dikte van de staven toe. U kunt ook de aanwijzer op de rand van een staaf plaatsen zodat de aanwijzer de vorm van een tweepuntige pijl krijgt. Vervolgens sleept u om de staven dikker of dunner te maken. 4 Om een schaduw toe te voegen, voert u een van de volgende handelingen uit: ÂÂ Om een schaduw aan afzonderlijke staven toe te voegen, kiest u de optie 'Afzonderlijk' uit het venstermenu 'Schaduw'. ÂÂ Om een schaduw aan elke groep staven toe te voegen, kiest u de optie 'Groep' uit het venstermenu 'Schaduw'. ÂÂ Definieer de gewenste schaduwinstellingen in het infovenster 'Afbeelding'. Zie Een schaduw aan een object toevoegen op pagina 249 voor instructies. 5 Om reeksnamen te tonen, klikt u op 'As' en kiest u vervolgens 'Toon reeksnamen' uit het venstermenu 'Kies asopties' onder 'Categorie-as'. 176 Hoofdstuk 7 Diagrammen aanmaken op basis van gegevens

177 Zie Diagrammen opmaken op pagina 159 voor informatie over andere opmaakinstellingen. Gegevenspuntsymbolen en lijnen in lijndiagrammen aanpassen In vlak- en lijndiagrammen kunnen de gegevenspunten worden aangeduid met symbolen (cirkels, driehoeken, vierkanten en ruiten). Ook kunt u tussen de gegevenspunten een rechte of gebogen lijn weergeven. mm mm mm Gebruik de opmaakbalk om snel symbolen en lijnen aan te passen. Selecteer een symbool en gebruik de regelaars 'Symbool' en 'Grootte' voor het opmaken van symbolen. Gebruik de lijninstellingen om de lijnen op te maken. Het infovenster 'Diagram' biedt aanvullende opties. Manieren om de gegevenspuntsymbolen en verbindende lijn te wijzigen via het infovenster 'Diagram': Om het gegevenspuntsymbool te wijzigen, selecteert u een gegevensreeks (vlak of lijn), klikt u op de knop 'Info' in de knoppenbalk, klikt u op de knop 'Diagraminfo' en klikt u vervolgens op 'Reeks'. Kies een symbool uit het venstermenu 'Gegevenssymbool'. U kunt de grootte van de gegevenspuntsymbolen aanpassen door een waarde te typen of de stappenregelaar in het bijbehorende veld te gebruiken. Om de punten te verbinden met een gebogen lijn, selecteert u een gegevensreeks (lijn) en kiest u vervolgens 'Curve' uit het venstermenu 'Verbindingspunten'. Om de lijnkleur te wijzigen, selecteert u een lijn, klikt u op de knop 'Info' in de knoppenbalk, klikt u op de knop 'Afbeeldingsinfo' en geeft u de gewenste lijninstellingen op. Zie Diagrammen opmaken op pagina 159 voor informatie over andere opmaakinstellingen. Gegevenspuntsymbolen in vlakdiagrammen tonen In vlakdiagrammen kunnen de gegevenspunten worden aangeduid met symbolen (cirkels, driehoeken, vierkanten en ruiten). Hoofdstuk 7 Diagrammen aanmaken op basis van gegevens 177

178 Gebruik de opmaakbalk om snel symbolen aan te passen. Selecteer een symbool en gebruik de regelaars 'Symbool' en 'Grootte' voor het opmaken van symbolen. U kunt ook het infovenster 'Diagram' gebruiken. Gegevenspuntsymbolen tonen via het infovenster 'Diagram' 1 Selecteer een gegevensreeks (vlak), klik op de knop 'Info' in de knoppenbalk, klik op de knop 'Diagraminfo' en klik vervolgens op 'Reeks'. 2 Kies een symbool uit het venstermenu 'Gegevenssymbool'. 3 U kunt de grootte van de gegevenspuntsymbolen aanpassen door een waarde te typen of de stappenregelaar in het bijbehorende veld te gebruiken. Zie Diagrammen opmaken op pagina 159 voor informatie over andere opmaakinstellingen. Werken met spreidingsdiagrammen In spreidingsdiagrammen worden de gegevens anders weergegeven dan in de andere diagramtypen. Er zijn ten minste twee kolommen of rijen met gegevens nodig om de waarden voor één gegevensreeks weer te geven. Als u meerdere gegevensreeksen wilt weergeven, gebruikt u per reeks twee extra kolommen of rijen. Elk waardenpaar bepaalt de positie van één gegevenspunt. De eerste gegevenswaarde in het paar vormt de x-as van het gegevenspunt. De tweede gegevenswaarde vormt de y-as van het gegevenspunt. Als u al een diagram hebt aangemaakt waarin de gegevenspunten niet uit paren bestaan en u dit diagram vervolgens in een spreidingsdiagram omzet, worden de gegevens mogelijk anders in Numbers weergegeven dan u had verwacht. Afhankelijk van de tabelgegevens bevat het spreidingsdiagram mogelijk zelfs helemaal geen gegevens. Controleer daarom altijd of u voor elke gegevensreeks x- en y-waarden hebt opgegeven voordat u een spreidingsdiagram aanmaakt. Wanneer u een spreidingsdiagram kiest, verschijnt de reeksknop met het tandwielsymbool in de linkerbovenhoek van de gegevenstabel. Om één kolom (of één rij) met gegevens als x-waarde voor meerdere kolommen of rijen met y-waarden te gebruiken, klikt u op het tandwielsymbool en kiest u 'Toon x-waarden'. Met dezelfde knop kunt u aangeven of u in het diagram de rijen of kolommen als gegevensreeks wilt gebruiken. Voordat u de weergave van gegevenspuntsymbolen of lijnen kunt wijzigen, moet u een symbool of lijn selecteren. Gebruik de opmaakbalk om snel symbolen en lijnen aan te passen. Selecteer een symbool en gebruik de regelaars 'Symbool' en 'Grootte' voor het opmaken van symbolen. Gebruik de lijninstellingen om de lijnen op te maken. Het infovenster 'Diagram' biedt aanvullende opties. 178 Hoofdstuk 7 Diagrammen aanmaken op basis van gegevens

179 mm mm mm mm Manieren om de weergave van geselecteerde gegevenspuntsymbolen en lijnen te wijzigen via het infovenster 'Diagram': Om de grootte van een symbool te wijzigen, kiest u een optie uit het venstermenu 'Gegevenssymbool'. Typ vervolgens een waarde of gebruik de stappenregelaar in het bijbehorende veld. Om de punten van de geselecteerde reeks met een rechte of gebogen lijn te verbinden, kiest u een optie uit het venstermenu 'Verbindingspunten'. Om de kleur van de gegevenspunten of lijnen in het diagram te wijzigen, selecteert u het gewenste gegevenspunt of de gewenste lijn en opent u vervolgens het infovenster 'Afbeelding'. (U kunt afzonderlijke kleuren voor de gegevenspunten, lijn en trendlijn instellen, ook al vertegenwoordigen deze onderdelen dezelfde gegevensreeks.) Klik in het infovenster 'Afbeelding' in het kleurenvak voor de lijnkleur en selecteer vervolgens een kleur in het venster 'Kleuren'. Om de stijl en dikte van een willekeurige lijn in het diagram te wijzigen, selecteert u de gewenste lijn en kiest u vervolgens een lijnstijl uit het venstermenu 'Lijn' in het infovenster 'Afbeelding'. Typ een waarde of gebruik de stappenregelaar in het bijbehorende veld om de lijndikte aan te passen. In spreidingsdiagrammen kunt u foutstaven voor de meetwaarden op de x- en y-as tonen. Zie Foutstaven in diagrammen tonen op pagina 168 voor meer informatie over foutstaven. Zie Diagrammen opmaken op pagina 159 voor informatie over andere opmaakinstellingen. Diagrammen met twee assen en gemengde diagrammen wijzigen In diagrammen met twee assen en in gemengde diagrammen worden twee gegevensreeksen weergegeven, waarbij elke gegevensreeks als kolom-, lijn- of vlakdiagram wordt getoond. Met de regelaars in het infovenster 'Diagram' kunt u de opmaak van beide assen afzonderlijk aanpassen. In diagrammen met twee assen worden de twee gegevensreeksen als twee diagrammen weergegeven, waarbij voor elk diagram een andere waarde-as (yas) wordt gebruikt. De as aan de linkerkant van het diagram hoort bij de eerste gegevensreeks en heeft de naam Waarde-as (Y1). De as aan de rechterkant van het diagram hoort bij de tweede gegevensreeks en heeft de naam Waarde-as (Y2). Hoofdstuk 7 Diagrammen aanmaken op basis van gegevens 179

180 In gemengde diagrammen worden de twee gegevensreeksen in één diagram weergegeven. Een gegevensreeks als kolom, lijn of vlak tonen 1 Selecteer de gegevensreeks. 2 Ga op een van de volgende manieren te werk: ÂÂ ÂÂ Kies in de opmaakbalk een optie uit het venstermenu 'Reeksopties'. Kies in het infovenster 'Diagram' een optie uit het venstermenu 'Reekstype'. Zie Diagrammen opmaken op pagina 159 voor informatie over andere opmaakinstellingen. Scène-instellingen van 3D-diagrammen wijzigen U kunt de weergavehoek van een 3D-diagram wijzigen door de pijlpunten te slepen die verschijnen wanneer u het diagram selecteert. Het infovenster 'Diagram' bevat aanvullende regelaars. 180 Hoofdstuk 7 Diagrammen aanmaken op basis van gegevens

181 Instellingen voor 3D-scènes wijzigen via het infovenster 'Diagram' 1 Selecteer een 3D-diagram, klik op de knop 'Info' in de knoppenbalk, klik op de knop 'Diagraminfo' en klik vervolgens op 'Diagram'. 2 Om de weergavehoek van het diagram te wijzigen, sleept u een pijlpunt van de blauwe pijlknop totdat het diagram naar wens wordt weergegeven. 3 Om de belichtingshoek en de intensiteit van de belichting te wijzigen, kiest u de gewenste optie uit het venstermenu 'Belichtingsstijl'. 4 Om de diepte van de diagramelementen te wijzigen, sleept u de schuifknop 'Diagramdiepte'. Wanneer u de schuifknop naar rechts sleept, komen de diagramelementen meer naar de kijker toe. 5 Om de randen in een 3D-cirkeldiagram aan te passen, schakelt u het aankruisvak 'Toon aflopende randen' in. 6 Gebruik het venstermenu 'Vorm staaf' om de vorm te wijzigen van de staven in 3D-kolom- en staafdiagrammen. Zie Diagrammen opmaken op pagina 159 voor informatie over andere opmaakinstellingen. Hoofdstuk 7 Diagrammen aanmaken op basis van gegevens 181

182 Werken met tekst 8 U kunt tekst opmaken en de opmaak wijzigen, ook als de tekst in lijsten, tekstvakken, tabelcellen en vormen is opgenomen. Tekst toevoegen U kunt tekst toevoegen aan tekstvakken, vormen en tabelcellen. Voor informatie over Een tekstvak aanmaken en er tekst aan toevoegen Zie Tekstvakken toevoegen op pagina 206 Tekst aan een vorm toevoegen Tekst in een vorm opnemen op pagina 207 Werken met tekst in tabelcellen Tabelcelwaarden toevoegen en bewerken op pagina 85 Werken met tekst in tabelcellen op pagina 86 Werken met tekstnotaties in tabelcellen op pagina 108 Uw tekst aanpassen Tekst selecteren op pagina 182 Tekst verwijderen, kopiëren en plakken op pagina 183 De grootte en vormgeving van tekst bepalen op pagina 184 Tekstuitlijning, letter- en regelafstand en tekstkleur instellen op pagina 192 Lijsten aanmaken op pagina 200 Tekst selecteren Voordat u tekst kunt opmaken of anderszins kunt bewerken, moet u de tekst selecteren die u wilt bewerken. 182

183 Manieren om tekst te selecteren: mm Om een of meer tekens te selecteren, klikt u vóór het eerste teken en selecteert u de gewenste tekens door te slepen. mm Om een woord te selecteren, klikt u dubbel op het woord. mm Om een alinea te selecteren, klikt u driemaal in de alinea. mm Om tekstblokken te selecteren, houdt u de Shift-toets ingedrukt en klikt u in het begin van het eerste tekstblok en klikt u vervolgens helemaal aan het einde van het andere tekstblok. mm Om tekst vanaf het invoegpunt tot aan het begin van de alinea te selecteren, drukt u op de Pijl-omhoog-toets terwijl u de Shift- en Option-toets ingedrukt houdt. mm Om tekst vanaf het invoegpunt tot aan het einde van de alinea te selecteren, drukt u op de Pijl-omlaag-toets terwijl u de Shift- en Option-toets ingedrukt houdt. mm Om de selectie met één teken tegelijk uit te breiden, drukt u op de Pijl-links- of Pijl- rechts-toets terwijl u de Shift-toets ingedrukt houdt. mm Om de selectie met één regel tegelijk uit te breiden, drukt u op de Pijl-omhoog- of Pijl- omlaag-toets terwijl u de Shift-toets ingedrukt houdt. mm Om meerdere niet-aangrenzende woorden of tekstblokken te selecteren, selecteert u het eerste tekstblok en houdt u de Command-toets ingedrukt terwijl u de overige tekst selecteert. Tekst verwijderen, kopiëren en plakken Het Wijzig-menu bevat commando's waarmee u tekstbewerkingen kunt uitvoeren. Manieren om tekst te bewerken: mm Om tekst te kopiëren (of te knippen) en te plakken, selecteert u de tekst en kiest u 'Wijzig' > 'Kopieer' of 'Wijzig' > 'Knip'. Vervolgens klikt u op de plaats waar u de tekst wilt plakken. Om tekst met opmaak te kopiëren, kiest u 'Wijzig' > 'Plak'. Om de opmaak van de geplakte tekst aan te passen aan de opmaak van de omringende tekst, kiest u 'Wijzig' > 'Plak en pas stijl aan'. mm Om tekst te verwijderen, selecteert u de tekst en kiest u 'Wijzig' > 'Verwijder' of drukt u op de Delete-toets. Als u per ongeluk tekst hebt verwijderd, kiest u 'Wijzig' > 'Herstel verwijderen' om de bewerking te herstellen. Als u het commando 'Kopieer' of 'Knip' gebruikt, wordt de geselecteerde tekst op het klembord geplaatst. De tekst blijft daar staan totdat u opnieuw het commando 'Kopieer' of 'Knip' kiest, of totdat u de computer uitschakelt. Het klembord bevat de tekst of het object van één knip- of kopieerbewerking tegelijk. Hoofdstuk 8 Werken met tekst 183

184 De grootte en vormgeving van tekst bepalen U kunt tekst opmaken met behulp van de opmaakbalk, de menu's van Numbers, het infovenster 'Tekst' en het venster 'Lettertypen'. Voor informatie over De vormgeving van tekst wijzigen Accenttekens toevoegen, internationale toetsenbordindelingen weergeven en nog veel meer Spatiëring, ligaturen, de basislijn en het gebruik van hoofdletters/kleine letters aanpassen Zie Tekst vet of cursief maken of onderstrepen op pagina 184 Schaduw en doorhaaltekens aan tekst toevoegen op pagina 185 Een contour op tekst toepassen op pagina 186 Tekstgrootte wijzigen op pagina 186 Tekst in subscript of superscript weergeven op pagina 186 Tekst in hoofdletters of kleine letters weergeven op pagina 187 Lettertypen wijzigen op pagina 187 Het anti-aliasingniveau aanpassen op pagina 188 Anti-aliasing toepassen op pagina 188 Een accentteken toevoegen op pagina 189 Speciale tekens en symbolen typen op pagina 190 Kromme aanhalingstekens gebruiken op pagina 191 Geavanceerde typografische functies gebruiken op pagina 191 Tekst vet of cursief maken of onderstrepen Met behulp van de opmaakbalk, het Opmaak-menu en het venster 'Lettertypen' kunt u snel en eenvoudig de vormgeving van tekst wijzigen. Nadat u de gewenste tekst hebt geselecteerd, maakt u de tekst vet of cursief of onderstreept u de tekst. 184 Hoofdstuk 8 Werken met tekst

185 Manieren om tekst vet of cursief te maken of te onderstrepen: mm Als u de opmaakbalk wilt gebruiken, selecteert u de gewenste tekst of klikt u op de plaats waar u nieuwe tekst wilt typen en gebruikt u vervolgens de regelaars in de opmaakbalk om de vormgeving van de tekst te wijzigen. Hiermee stelt u de tekstkleur in. Hiermee lijnt u de tekst uit. Hiermee verdeelt u de tekst in kolommen. Hiermee wijzigt u het lettertypebeeld, de letterstijl en de lettergrootte. Hiermee maakt u tekst vet of cursief, of onderstreept u de tekst. Hiermee stelt u de regelafstand in. mm Als u het Opmaak-menu wilt gebruiken, selecteert u de gewenste tekst of klikt u op de plaats waar u nieuwe tekst wilt typen en kiest u vervolgens 'Opmaak' > 'Lettertype' > 'Vet', 'Cursief' of 'Onderstreept'. mm Als u het venster 'Lettertypen' wilt gebruiken, selecteert u wat tekst, klikt u op de knop 'Letter' in de knoppenbalk en maakt u met behulp van de regelaars in het venster 'Lettertypen' de gewenste tekst vet, cursief of onderstreept. Zie Het venster 'Lettertypen' op pagina 26 voor meer informatie over het venster 'Lettertypen'. Schaduw en doorhaaltekens aan tekst toevoegen Met het venster 'Lettertypen' kunt u schaduw aan tekst toevoegen en deze naar wens aanpassen. Ook kunt u tekst met een streep doorhalen. Manieren om tekst met een streep door te halen en van schaduw te voorzien: mm Om geselecteerde tekst met een streep door te halen, klikt u op de knop 'Letter' in de knoppenbalk. Klik vervolgens op de knop voor het doorhalen van tekst en kies 'Geen', 'Enkel' of 'Dubbel' uit het venstermenu. U kunt ook tekst selecteren en 'Opmaak' > 'Lettertype' > 'Doorgehaald' kiezen. De geselecteerde tekst wordt met een streep doorgehaald. De streep heeft dezelfde kleur als de tekst. Als u de kleur van de streep wilt wijzigen, kiest u 'Kleur' uit het venstermenu voor het doorhalen van tekst en selecteert u vervolgens een kleur in het venster 'Kleuren'. De geselecteerde kleur wordt alleen voor de streep gebruikt. De kleur van de tekst blijft ongewijzigd. mm Om snel schaduw toe te voegen aan geselecteerde tekst, selecteert u 'Schaduw' in de opmaakbalk. mm Om schaduw toe te voegen aan geselecteerde tekst en schaduwkenmerken op te geven, klikt u op de knop 'Letter' in de knoppenbalk en klikt u vervolgens op de knop voor tekstschaduw. Sleep de schuifknop voor de mate van ondoorzichtigheid van de schaduw (de eerste schuifknop aan de linkerkant) naar rechts om de schaduw donkerder te maken. Hoofdstuk 8 Werken met tekst 185

186 Sleep de schuifknop voor de mate van vervaging van de schaduw (de middelste schuifknop) naar rechts om de schaduw vager te maken. Sleep de schuifknop voor de afstand van de schaduw (de derde schuifknop) naar rechts om de schaduw van de tekst te scheiden. Stel met behulp van de rotatieknop de richting van de schaduw in. mm Zie Een schaduw aan een object toevoegen op pagina 249 voor meer informatie over het instellen van tekstschaduw via het infovenster 'Afbeelding'. Een contour op tekst toepassen U kunt een contour toepassen op tekst. Een contour op tekst toepassen 1 Selecteer de tekst waarop u het contour wilt toepassen of klik op de plaats waar u nieuwe tekst wilt typen. 2 Kies 'Opmaak' > 'Lettertype' > 'Contour'. Tekstgrootte wijzigen U kunt de puntgrootte van tekst wijzigen om de tekst groter of kleiner te maken. De grootte van geselecteerde tekst wijzigen 1 Selecteer de tekst waarvan u de grootte wilt wijzigen. 2 Ga op een van de volgende manieren te werk om de tekstgrootte te wijzigen: ÂÂ Om de tekstgrootte telkens met 1 punt te wijzigen, kiest u 'Opmaak' > 'Lettertype' > 'Groter' of 'Opmaak' > 'Lettertype' > 'Kleiner'. U kunt ook het venstermenu voor de lettergrootte in de opmaakbalk gebruiken. ÂÂ Als u de grootte van geselecteerde tekst nauwkeurig wilt aanpassen, klikt u op de knop 'Letter' in de knoppenbalk en gebruikt u de regelaars voor de lettergrootte in het venster 'Lettertypen'. Zie Lettertypen wijzigen op pagina 187 voor meer informatie. U kunt de onderdelen 'Groter' en 'Kleiner' ook aan de knoppenbalk toevoegen. Hiervoor kiest u 'Weergave' > 'Pas knoppenbalk aan', sleept u de onderdelen naar de knoppenbalk en klikt u op 'Gereed'. Tekst in subscript of superscript weergeven U kunt tekst een stukje boven of onder de basislijn plaatsen. Tekst in subscript of superscript weergeven 1 Selecteer de tekst die u boven of onder de basislijn wilt plaatsen of klik op de plaats waar u nieuwe tekst wilt typen. 186 Hoofdstuk 8 Werken met tekst

187 2 Als u tekst in een kleinere lettergrootte in subscript of superscript wilt weergeven, kiest u 'Opmaak' > 'Lettertype' > 'Basislijn' > 'Subscript' of 'Opmaak' > 'Lettertype' > 'Basislijn' > 'Superscript'. Als u tekst hoger of lager ten opzichte van andere tekst in dezelfde regel wilt weergeven, kiest u 'Omhoog' of 'Omlaag' uit het submenu 'Basislijn'. Als u de tekst weer op de basislijn wilt plaatsen, kiest u 'Standaard' uit het submenu 'Basislijn'. U kunt de onderdelen 'Subscript' en 'Superscript' ook aan de knoppenbalk toevoegen. Hiervoor kiest u 'Weergave' > 'Pas knoppenbalk aan', sleept u de onderdelen naar de knoppenbalk en klikt u op 'Gereed'. Tekst in hoofdletters of kleine letters weergeven U kunt snel blokken tekst geheel in hoofdletters of geheel in kleine letters weergeven, of tekst opmaken als een titel. Tekst in hoofdletters of kleine letters weergeven 1 Selecteer de tekst die u wilt wijzigen of klik op de plaats waar u nieuwe tekst wilt typen. 2 Kies 'Opmaak' > 'Lettertype' > 'Hoofdletters/kleine letters' en kies een optie uit het submenu. Kies 'Alles met hoofdletters' om de gehele tekst in hoofdletters weer te geven. Kies 'Klein kapitaal' om de tekst in klein kapitaal en de hoofdletters in groot kapitaal weer te geven. Kies 'Titel' om een titelopmaak op de tekst toe te passen. Hierbij wordt de eerste letter van elk woord weergegeven met een hoofdletter. Kies 'Geen' als u niet automatisch hoofdletters wilt gebruiken. Lettertypen wijzigen Nadat u de gewenste tekst hebt geselecteerd, kunt u met behulp van de regelaars in de opmaakbalk snel wijzigingen aanbrengen in de lettertypefamilie, het lettertype, de lettergrootte, de kleur en de achtergrondkleur. Via het venster 'Lettertypen' kunt u lettertypen nauwgezet wijzigen. Met behulp van de grootteregelaars en typografische instellingen kunt u de vormgeving van uw tekst naar wens aanpassen. Het lettertype van geselecteerde tekst wijzigen via het venster 'Lettertypen' 1 Klik op de knop 'Letter' in de knoppenbalk. 2 Selecteer in het venster 'Lettertypen' een lettertype in de kolom 'Familie' en selecteer vervolgens het letterbeeld in de kolom 'Letterbeeld'. Hoofdstuk 8 Werken met tekst 187

188 Als niet alle lettertypefamilies worden weergegeven die op de computer zijn geïnstalleerd, selecteert u 'Alle lettertypen' in de kolom 'Sets' of typt u de naam van het gewenste lettertype in het zoekveld onder in het venster 'Lettertypen'. In het voorvertoningsvenster boven in het venster 'Lettertypen' wordt een voorbeeld van het geselecteerde lettertype weergegeven. Als het voorvertoningsvenster niet zichtbaar is, kiest u 'Toon voorvertoning' uit het taakmenu in de linkerbenedenhoek van het venster 'Lettertypen'. 3 Wijzig de lettergrootte met behulp van de schuifknop voor de grootte of een andere regelaar voor de grootte. 4 Pas de typografische instellingen van het geselecteerde lettertype aan door 'Typografie' in het taakmenu te kiezen. Klik in het venster 'Typografie' op de driehoekjes om de verschillende typografische effecten die beschikbaar zijn voor het geselecteerde lettertype, te bekijken en te selecteren. Voor verschillende lettertypen zijn verschillende typografische effecten beschikbaar. Zie Geavanceerde typografische functies gebruiken op pagina 191 voor meer informatie. Het anti-aliasingniveau aanpassen Als lettertypen er op het scherm vaag, onscherp of rafelig uitzien, kunt u het antialiasingniveau aanpassen of instellen bij welke puntgrootte anti-aliasing moet worden toegepast. Wanneer u een spreadsheet exporteert naar een pdf-bestand, worden lettertypen mogelijk vervormd weergegeven in het pdf-bestand. U kunt instellingen opgeven voor de anti-aliasing van lettertypen en er zo voor zorgen dat de naar een pdf-bestand geëxporteerde lettertypen fraaier worden weergegeven. Anti-aliasing toepassen 1 Open 'Systeemvoorkeuren' en klik op 'Weergave'. 2 Om anti-aliasing in te schakelen in Mac OS X versie 10.6 (Snow Leopard) of hoger, schakelt u 'Gebruik indien beschikbaar anti-aliasing voor lcd' in. Om anti-aliasing in te schakelen in Mac OS X versie (Leopard) of eerder, kiest u een anti-aliasingstijl uit het venstermenu 'Anti-aliasingniveau'. Afhankelijk van het type beeldscherm ziet u slechts kleine of helemaal geen verschillen tussen de verschillende stijlen voor anti-aliasing. 3 Als u kleine lettertypen in uw document wilt gebruiken, kiest u een puntgrootte uit het venstermenu 'Schakel anti-aliasing uit voor lettertypen met puntgrootte'. Wanneer anti-aliasing is ingeschakeld, zijn kleinere lettertypen mogelijk moeilijker te lezen, zodat het zinvol kan zijn om anti-aliasing uit te schakelen voor kleinere lettergrootten. Voor meer informatie over anti-aliasing in Mac OS X klikt u op de Help-knop in de rechterbenedenhoek van het paneel 'Weergave' in Systeemvoorkeuren. 188 Hoofdstuk 8 Werken met tekst

189 Een accentteken toevoegen U kunt Toetsenbordweergave gebruiken om accenttekens aan tekens toe te voegen. In Toetsenbordweergave worden de tekens weergegeven voor de toetsenbordindeling of invoermethode die u hebt geselecteerd uit het invoermenu. Als u bijvoorbeeld 'Amerikaans' uit het invoermenu hebt gekozen, worden in Toetsenbordweergave de tekens van een Amerikaans toetsenbord weergegeven. Een accentteken toevoegen 1 Kies 'Toon Toetsenbordweergave' uit het invoermenu (rechts in de menubalk). Het invoermenu wordt rechts in de menubalk weergegeven en ziet eruit als een vlag of een teken. Zie De toetsenbordindeling voor een andere taal bekijken voor informatie over de manier waarop u het invoermenu weergeeft als u het invoermenu niet ziet. 2 Druk op Shift, Option of Option + Shift om de beschikbare accenttekens in Toetsenbordweergave te markeren. De toetsen met accenttekens worden gemarkeerd. Het is mogelijk dat u geen speciale toetsen hoeft in te drukken om de toetsen voor accenttekens weer te geven (afhankelijk van het toetsenbord). 3 Plaats het invoegpunt op de positie in het document waar u tekst wilt typen. 4 Druk op de speciale toets van stap 2 (Shift, Option, Option + Shift of geen enkele toets) en druk vervolgens op de toets die overeenkomt met het accent dat in Toetsenbordweergave wordt getoond. 5 Laat de speciale toets los en druk vervolgens op de toets voor het teken waaraan u het accent wilt toevoegen. Op een Nederlands toetsenbord typt u bijvoorbeeld 'é' door eerst op Option + E (de accenttoets) te drukken en vervolgens de letter 'e' (de letter waaraan u het accent wilt toevoegen) te typen. De toetsenbordindeling voor een andere taal bekijken In Toetsenbordweergave worden de tekens weergegeven voor de toetsenbordindeling of invoermethode die u hebt geselecteerd uit het invoermenu. Als u bijvoorbeeld 'Amerikaans' uit het invoermenu hebt gekozen, worden in Toetsenbordweergave de tekens van een Amerikaans toetsenbord weergegeven. Met behulp van Toetsenbordweergave kunt u zien waar tekens die voor andere talen worden gebruikt zich op het toetsenbord bevinden, als die lettertypen zijn geïnstalleerd. Om Toetsenbordweergave te kunnen gebruiken, moet het invoermenu zichtbaar zijn in de menubalk. Hoofdstuk 8 Werken met tekst 189

190 Het invoermenu weergeven 1 Kies Apple-menu > 'Systeemvoorkeuren' en ga op een van de volgende manieren te werk: ÂÂ Als u met Mac OS X 10.6 of hoger werkt, klikt u op 'Taal en tekst', klikt u vervolgens op 'Invoerbronnen' en schakelt u het aankruisvak naast 'Toetsen- en tekenweergave' in. ÂÂ Als u met Mac OS X of lager werkt, klikt u op 'Landinstellingen', klikt u vervolgens op 'Invoermenu' en schakelt u het aankruisvak naast 'Toetsenbordweergave' in. Het invoermenu verschijnt rechts in de menubalk en ziet eruit als een vlag of teken. 2 Schakel het aankruisvak naast de toetsenbordindeling of invoermethode van een land in om de toetsenbordindeling te zien die in dat land wordt gebruikt. 3 Schakel het aankruisvak 'Toon invoermenu in menubalk' in. De toetsenbordindeling voor een andere taal bekijken 1 Kies een taal of invoermethode uit het invoermenu dat zich rechts in de menubalk bevindt. 2 Kies 'Toon Toetsenbordweergave' uit het invoermenu. 3 Druk op toetsen op het toetsenbord om de locatie ervan in Toetsenbordweergave weer te geven. Druk op Option, Shift en Command + Option om accenten en speciale tekens te zien. 4 Om een teken in te voegen op de positie van het invoegpunt in uw document, klikt u op de toets voor het betreffende teken in Toetsenbordweergave. Speciale tekens en symbolen typen Met behulp van het venster 'Tekens' in Mac OS X kunt u speciale tekens, zoals wiskundige symbolen, accenttekens, pijlen en andere zogeheten dingbats, in documenten invoegen. U kunt met dit palet ook tekens uit het Japans, traditioneel Chinees, vereenvoudigd Chinees en Koreaans, en tekens uit andere talen invoegen. Speciale tekens of symbolen invoegen 1 Plaats het invoegpunt op de plek waar u het speciale teken of symbool wilt invoegen. 2 Kies 'Wijzig' > 'Speciale tekens' om het venster 'Tekens' te openen (of kies 'Tekens' uit het taakmenu linksonder in het venster 'Lettertypen'). 3 Kies het gewenste tekentype uit het venstermenu 'Weergave' boven in het venster 'Tekens'. Als het venstermenu 'Weergave' niet zichtbaar is, klikt u op de knop in de rechterbovenhoek van het venster om het bovenste gedeelte van het venster weer te geven. Om het bovenste gedeelte van het venster weer te verbergen, klikt u nogmaals op de knop. 190 Hoofdstuk 8 Werken met tekst

191 4 Klik op een onderdeel in de lijst om de tekens per categorie weer te geven. 5 Klik dubbel op het teken of symbool aan de rechterkant dat u in de spreadsheet wilt invoegen of selecteer het teken en klik op 'Voeg in'. Tekens die niet door Numbers worden ondersteund, worden niet in de spreadsheet weergegeven. Kromme aanhalingstekens gebruiken Kromme aanhalingstekens zijn gekrulde aanhalingstekens die voor citaten worden gebruikt. Kromme aanhalingstekens zijn aan het begin en het einde van het citaat verschillend. U kunt ook rechte aanhalingstekens gebruiken; deze zijn aan het begin en einde van het citaat hetzelfde. Kromme aanhalingstekens Rechte aanhalingstekens mm Kromme aanhalingstekens gebruiken Kies 'Numbers' > 'Voorkeuren', klik op 'Automatische correctie' en schakel het aankruisvak 'Gebruik kromme aanhalingstekens' in. Geavanceerde typografische functies gebruiken Sommige lettertypen, zoals Zapfino en Hoefler, beschikken over geavanceerde typografische functies, waarmee u verschillende effecten kunt creëren. Als u in een tekstvak een lettertype gebruikt dat over verschillende typografische effecten beschikt, kunt u veel van deze effecten in het submenu van het commando 'Lettertype' van het Opmaak-menu wijzigen. Zo kunt u voor deze lettertypen onder andere de volgende kenmerken aanpassen: ÂÂ ÂÂ Spatiëring: Hiermee plaatst u tekens dichter bij elkaar of verder uit elkaar. Ligatuur: Hiermee geeft u op of er stijlvolle versieringen tussen letters of aan het begin of eind van regels moeten worden gebruikt, waarbij twee of meer teksttekens als één teken worden weergegeven. Er worden geen ligaturen gebruikt. Er worden ligaturen gebruikt. Kies uit het submenu 'Ligatuur' de optie 'Standaard' als u de ligatuurinstellingen wilt gebruiken die in het venster 'Typografie' voor het gebruikte lettertype zijn ingesteld. Kies 'Geen' om ligaturen voor de geselecteerde tekst uit te schakelen of kies 'Alles' om extra ligaturen voor de geselecteerde tekst in te schakelen. In het venster 'Typografie' zijn geavanceerde opties voor typografie beschikbaar. Hoofdstuk 8 Werken met tekst 191

192 Het venster 'Typografie' openen 1 Klik op de knop 'Letter' in de knoppenbalk. 2 Kies in het venster 'Lettertypen' de optie 'Typografie' uit het taakmenu (linksonder in het venster). Tekstuitlijning, letter- en regelafstand en tekstkleur instellen Als u tekstkenmerken wilt aanpassen, gebruikt u in eerste instantie het infovenster 'Tekst' en de opmaakbalk. Via het Opmaak-menu kunt u de horizontale uitlijning in bepaalde opzichten aanpassen en bijvoorbeeld tekst centreren of links uitlijnen. Als u tekst hebt geselecteerd, zijn de regelaars voor kleur, afstand en uitlijning ook beschikbaar in de opmaakbalk. Als u tekst in een tekstvak, opmerking of vorm hebt geselecteerd, kunt u de kleur van de tekst en de achtergrond instellen, tekst uitlijnen en de regelafstand instellen. Hiermee stelt u de tekstkleur in. Hiermee lijnt u de tekst uit. Hiermee verdeelt u de tekst in kolommen. Hiermee wijzigt u het lettertypebeeld, de letterstijl en de lettergrootte. Hiermee maakt u tekst vet of cursief, of onderstreept u de tekst. Hiermee stelt u de regelafstand in. U kunt tekst in tabelcellen met behulp van de opmaakbalk horizontaal en verticaal uitlijnen in de cel. Hiermee lijnt u tekst horizontaal uit. Hiermee lijnt u tekst verticaal uit. 192 Hoofdstuk 8 Werken met tekst

193 Het paneel 'Tekst' van het infovenster 'Tekst' bevat meer opties voor het uitlijnen van tekst en het aanpassen van de regelafstand. Hiermee opent u het infovenster 'Tekst'. Hiermee wijzigt u de kleur van geselecteerde tekst. Knoppen voor horizontaal uitlijnen: hiermee kunt u geselecteerde tekst links, rechts of in het midden uitlijnen, uitvullen of een speciale uitlijning voor tabelcellen op de tekst toepassen. Knoppen voor verticaal uitlijnen: hiermee kunt u tekst aan de bovenkant, de onderkant of het midden van een tekstvak, vorm of tabelcel uitlijnen. Teken- en regelafstand: met deze schuifknoppen past u de teken- en regelafstand voor geselecteerde tekst en de afstand tussen de alinea's aan. Hiermee past u de afstand tussen de tekst en de binnenranden van tekstvakken, tabelcellen en vormen aan. Voor informatie over Zie Tekst uitlijnen Tekst horizontaal uitlijnen op pagina 193 Tekst verticaal uitlijnen op pagina 194 Regelafstand aanpassen Tekstkleur aanpassen De afstand tussen tekstregels aanpassen op pagina 195 De ruimte voor of na alinea's instellen op pagina 196 De afstand tussen tekens aanpassen op pagina 196 De tekstkleur en achtergrondkleur van tekst wijzigen op pagina 197 Tekst horizontaal uitlijnen U kunt de tekst in alinea's links, rechts of in het midden van een kolom, tabelcel, tekstvak of vorm uitlijnen, of de tekst uitlijnen met de linker- en rechterrand (uitvullen). Met de uitlijnknoppen in de opmaakbalk kunt u snel de uitlijning van tekst in uw spreadsheet wijzigen. Om de uitlijning van tekst te wijzigen, selecteert u de tekst en klikt u op een van de uitlijnknoppen in de opmaakbalk. Tekst links, rechts of in het midden uitlijnen via het infovenster 'Tekst' 1 Selecteer de tekst die u wilt wijzigen. Hoofdstuk 8 Werken met tekst 193

194 2 Klik op de knop 'Info' in de knoppenbalk, klik op de knop 'Tekstinfo' en klik vervolgens op 'Tekst'. 3 Klik op een van de vijf knoppen voor horizontaal uitlijnen rechts van het kleurenvak. Van links naar rechts hebben deze knoppen het volgende effect: Knop voor links uitlijnen: Hiermee plaatst u elke tekstregel tegen de linkermarge van het object. Knop voor centreren: Hiermee plaatst u het midden van elke tekstregel in het midden van het object. Knop voor rechts uitlijnen: Hiermee plaatst u elke tekstregel tegen de rechtermarge van het object. Knop voor uitvullen: Hiermee worden de tekens op elke tekstregel zo uitgevuld dat de regel links en rechts wordt uitgelijnd. Knop voor natuurlijk uitlijnen: Hiermee lijnt u in een tabelcel tekst links en getallen rechts uit. Als u tekst hebt geselecteerd, zijn de eerste vier uitlijnknoppen beschikbaar in de opmaakbalk. Als u een tabelcel hebt geselecteerd, is de vijfde knop voor horizontale uitlijning ook beschikbaar in de opmaakbalk. U kunt tekst ook horizontaal uitlijnen door 'Opmaak' > 'Tekst' > te kiezen en vervolgens een van de opties 'Lijn links uit', 'Centreer', 'Lijn rechts uit', 'Vul uit' of 'Lijn tabelcel automatisch uit' te selecteren. Zie Tekst laten inspringen op pagina 199 voor informatie over het laten inspringen van de eerste regel tekst van een alinea en over het ongedaan maken van het inspringen van alinea's. Tekst verticaal uitlijnen U kunt de tekst in alinea's uitlijnen met de boven- of onderrand van een tabelcel, tekstvak of vorm, of de tekst uitlijnen met het midden van de tabelcel, het tekstvak of de vorm. Tekst uitlijnen met het midden of de boven- of onderrand van een tekstvak, tabelcel of vorm 1 Selecteer het tekstvak, de tabelcel of de vorm waarin u de uitlijning van tekst wilt wijzigen. 2 Klik op de knop 'Info' in de knoppenbalk, klik op de knop 'Tekstinfo' en klik vervolgens op 'Tekst'. 3 Klik op een van de drie knoppen voor verticaal uitlijnen om de tekst uit te lijnen met het midden of de boven- of onderrand van een tabelcel, tekstvak of vorm. Als u werkt met tekst in een tabelcel, zijn de knoppen voor verticale uitlijning ook beschikbaar in de opmaakbalk. 194 Hoofdstuk 8 Werken met tekst

195 De afstand tussen tekstregels aanpassen U kunt de regelafstand voor tekst verkleinen of vergroten. Met behulp van de regelaar voor de regelafstand in de opmaakbalk kunt u snel de afstand tussen geselecteerde tekstregels wijzigen. Om de regelafstand te wijzigen voordat u begint te typen, klikt u in de opmaakbalk op de regelaar voor de regelafstand en typt u vervolgens uw tekst. Klik hierop om de ruimte tussen de tekstregels te wijzigen. De regelafstand instellen via het infovenster 'Tekst' 1 Selecteer de tekst die u wilt wijzigen. 2 Klik op de knop 'Info' in de knoppenbalk, klik op de knop 'Tekstinfo' en klik vervolgens op 'Tekst'. 3 Sleep de schuifknop 'Regel' naar links om de regelafstand te verkleinen of naar rechts om de regelafstand te vergroten. Als u een exacte waarde voor de afstand wilt instellen, typt u een waarde in het veld voor de regelafstand of gebruikt u de pijlknoppen naast het veld. 4 Kies een optie voor de regelafstand uit het venstermenu voor de regelafstand dat verschijnt wanneer u op de tekst onder het veld klikt. Het veld 'Regel' Typ een waarde (of gebruik de pijlknoppen) om de regelafstand binnen een alinea in te stellen. Het venstermenu voor de regelafstand Klik op de tekst onder het veld 'Regel' en kies een optie voor de regelafstand. Standaardregelafstand (Enkel, Dubbel, Meerdere): De afstand tussen de regels is afhankelijk van de lettergrootte. Gebruik deze optie als de relatieve afstand tussen de stokken (delen van letters die tot aan de bovenkant van de regel doorlopen) en staarten (delen van letters die onder de regel uitsteken) vast moet blijven. Met 'Enkel' stelt u de enkele regelafstand in, met 'Dubbel' de dubbele regelafstand. Met 'Meerdere' kunt u waarden voor de regelafstand instellen tussen enkel en dubbel, of groter dan dubbel. Minimaal: De afstand tussen twee opeenvolgende regels is nooit minder dan de ingestelde waarde, maar kan groter zijn voor grotere lettertypen om het overlappen van tekstregels te vermijden. Gebruik deze optie als de afstand tussen regels vast moet zijn, maar er geen overlapping mag plaatsvinden bij grote lettertypen. Hoofdstuk 8 Werken met tekst 195

196 Precies: De afstand tussen de basislijnen. Tussen: De afstand tussen de regels wordt vergroot in plaats van de hoogte van de regels, zoals bij het gebruik van een dubbele regelafstand het geval is. De ruimte voor of na alinea's instellen U kunt de ruimte voor of na alinea's vergroten of verkleinen. Met behulp van de regelaar voor de regelafstand in de opmaakbalk kunt u snel de afstand voor of na alinea's wijzigen. Om de afstand voor of na alinea's te wijzigen, selecteert u de tekst en klikt u in de opmaakbalk op de regelaar voor de regelafstand. De ruimte voor of na een alinea wijzigen 1 Selecteer de alinea's waarvoor u de afstand wilt wijzigen. 2 Klik op de knop 'Info' in de knoppenbalk, klik op de knop 'Tekstinfo' en klik vervolgens op 'Tekst'. 3 Sleep de schuifknop 'Voor alinea' of 'Na alinea'. U kunt ook een exacte waarde opgeven (bijvoorbeeld 5 punten) in de tekstvakken. Als de waarden in Voor alinea' of 'Na alinea' voor aangrenzende alinea's niet gelijk zijn, wordt de hoogste waarde gebruikt. Als de afstand voor de huidige alinea bijvoorbeeld is ingesteld op 12 terwijl de afstand na de voorgaande alinea is ingesteld op 14, is de afstand tussen alinea's 14. Voor alinea's in een tekstvak, vorm of tabelcel wordt geen witruimte voor de alinea ingevoegd. Als u de witruimte rond tekst in tekstvakken, vormen en tabelcellen wilt instellen, gebruikt u de schuifknop 'Marge', zoals beschreven in De marge van tekst in objecten wijzigen op pagina 200. De afstand tussen tekens aanpassen U kunt de afstand tussen tekens vergroten of verkleinen. De afstand tussen tekens aanpassen 1 Selecteer de tekst die u wilt wijzigen of klik op de plaats waar u nieuwe tekst wilt typen. 2 Klik op de knop 'Info' in de knoppenbalk, klik op de knop 'Tekstinfo' en klik vervolgens op 'Tekst'. 3 Sleep de schuifknop 'Teken' of geef een nieuw percentage in het veld op. U kunt de afstand tussen geselecteerde tekens ook aanpassen door 'Opmaak' > 'Lettertype' > 'Spatiëring' en vervolgens een optie uit het submenu te kiezen. 196 Hoofdstuk 8 Werken met tekst

197 De tekstkleur en achtergrondkleur van tekst wijzigen U kunt de tekstkleur wijzigen via de opmaakbalk, het infovenster 'Tekst' en het venster 'Lettertypen'. Als u met een van deze hulpmiddelen een wijziging aanbrengt, overschrijft u de kleurwijzigingen die u eerder met een van de andere hulpmiddelen hebt aangebracht. Manieren om tekst met behulp van kleur te markeren: mm Om de kleur van geselecteerde tekst te wijzigen, klikt u op het kleurenvak in de opmaakbalk. Er verschijnt een kleurenmatrix. Kies de gewenste kleur door erop te klikken of klik op 'Toon kleuren' om het venster 'Kleuren' te openen. Dit venster bevat aanvullende kleuropties. mm U kunt de kleur van geselecteerde tekst ook wijzigen met behulp van het infovenster 'Tekst'. Klik op de knop 'Info' in de knoppenbalk, klik op de knop 'Tekstinfo', klik op 'Tekst' en klik vervolgens op het kleurenvak. Het venster 'Kleuren' wordt geopend. Zie Het venster 'Kleuren' op pagina 25 voor instructies. mm Als u een achtergrondkleur aan een alinea wilt toevoegen, klikt u op de knop 'Letter' in de knoppenbalk. Klik vervolgens op de knop voor de documentkleur in het venster 'Lettertypen' (de vierde knop van links) en selecteer een kleur in het venster 'Kleuren'. Tabstops instellen om tekst uit te lijnen U kunt tekst op bepaalde punten uitlijnen door tabstops in te stellen. Wanneer u op de Tab-toets drukt (of op Option + Tab als u in een tabelcel werkt), wordt het invoegpunt (en alle tekst rechts daarvan) verplaatst naar de volgende tabstop. De tekst die u vervolgens typt, wordt eveneens op dat punt ingevoegd. Met de symbolen op de horizontale liniaal of het infovenster 'Tekst' kunt u tabstops beheren. Voor informatie over Een nieuwe tabstop toevoegen Een nieuwe tabstop instellen op pagina 198 Zie De plaats van tabstops en het type tabstop wijzigen Een tabstop wijzigen op pagina 198 Een tabstop verwijderen Een tabstop verwijderen op pagina 199 Voorkeuren voor linialen aanpassen Liniaalinstellingen wijzigen op pagina 199 Hoofdstuk 8 Werken met tekst 197

198 Een nieuwe tabstop instellen Met behulp van de horizontale liniaal kunt u een nieuwe tabstop instellen. Als de horizontale liniaal verborgen is, klikt u op de knop 'Weergave' in de knoppenbalk en kiest u 'Toon linialen'. Zie Liniaalinstellingen wijzigen op pagina 199 voor meer informatie over het aanpassen van de voorkeursinstellingen voor linialen. Linkertabstop Rechtertabstop Op de horizontale liniaal worden blauwe tabsymbolen weergegeven als u tekst met Gecentreerde tabstop Decimale tabstop Een nieuwe tabstop instellen mm Om een nieuwe tabstop aan te maken, klikt u op de horizontale liniaal om op de gewenste plaats een tabsymbool te plaatsen. Houd vervolgens de Control-toets ingedrukt en klik op het tabsymbool. Kies een uitlijningsoptie uit het contextuele menu. U kunt kiezen uit een van deze typen tabstops. Linkertabstop: Hiermee wordt de linkerkant van tekst met de tabstop uitgelijnd. Gecentreerde tabstop: Hiermee wordt het midden van tekst bij de tabstop geplaatst. Rechtertabstop: Hiermee wordt de rechterkant van tekst met de tabstop uitgelijnd. Decimale tabstop: Hiermee wordt het decimale scheidingsteken (zoals een punt of komma) in getallen met de tabstop uitgelijnd. U kunt ook meerdere malen dubbel op het tabsymbool op de liniaal klikken totdat het gewenste type tabstop wordt weergegeven. Een tabstop wijzigen Met behulp van de horizontale liniaal kunt u de plaats van een tabstop en het type wijzigen. Als de horizontale liniaal verborgen is, klikt u op de knop 'Weergave' in de knoppenbalk en kiest u 'Toon linialen'. Zie Liniaalinstellingen wijzigen op pagina 199 voor meer informatie over het aanpassen van de voorkeursinstellingen voor linialen. Manieren om tabstops te wijzigen: mm Als u een tabstop wilt verplaatsen, sleept u het blauwe tabsymbool in de horizontale liniaal naar de gewenste positie. mm Als u een ander type tabstop wilt instellen, klikt u op het tabsymbool in de horizontale liniaal terwijl u de Control-toets ingedrukt houdt en kiest u het gewenste type uit het contextuele menu. U kunt ook meerdere malen dubbel op het tabsymbool op de liniaal klikken totdat het gewenste type tabstop wordt weergegeven. 198 Hoofdstuk 8 Werken met tekst

199 Een tabstop verwijderen Met behulp van de horizontale liniaal kunt u snel een tabstop verwijderen. Als de horizontale liniaal verborgen is, klikt u op de knop 'Weergave' in de knoppenbalk en kiest u 'Toon linialen'. Zie Liniaalinstellingen wijzigen op pagina 199 voor meer informatie over het aanpassen van de voorkeursinstellingen voor linialen. Een tabstop verwijderen mm Sleep de tab uit de horizontale liniaal. mm Liniaalinstellingen wijzigen Liniaalinstellingen wijzigen Kies 'Numbers' > 'Voorkeuren' en stel de maateenheden van de linialen in met behulp van het venstermenu 'Eenheid liniaal'. De nieuwe liniaalinstellingen gelden voor alle spreadsheets die in Numbers worden bekeken totdat u de instellingen opnieuw wijzigt. Tekst laten inspringen U kunt de ruimte tussen de tekst en de binnenrand van een tekstvak, vorm of tabelcel aanpassen. Voor informatie over Inspringing wijzigen De ruimte tussen tekst en de binnenrand van objecten aanpassen Zie Het inspringniveau voor alinea's instellen op pagina 199 De marge van tekst in objecten wijzigen op pagina 200 Het inspringniveau voor alinea's instellen Met de horizontale liniaal kunt u het inspringniveau voor alinea's instellen. Inspringing van eerste regel Linkerinspringing Rechterinspringing Manieren om tekst te laten inspringen: mm Als u de rechterinspringing wilt wijzigen, sleept u het symbool voor de rechterinspringing (omlaag wijzend blauw driehoekje aan de rechterkant van de horizontale liniaal) naar de positie waar u de rechterrand van de alinea wilt laten eindigen. mm Als u de linkerinspringing wilt wijzigen, sleept u het symbool voor de linkerinspringing (omlaag wijzend blauw driehoekje aan de linkerkant van de liniaal) naar de positie waar u de linkerrand van de alinea wilt laten beginnen. Hoofdstuk 8 Werken met tekst 199

200 mm Als u de linkermarge onafhankelijk van de linkerinspringing wilt wijzigen, houdt u de Option-toets ingedrukt terwijl u sleept. mm Als u de inspringing voor de eerste regel wilt wijzigen, sleept u de inspringing voor de eerste regel (blauw rechthoekje) naar de positie waar u de eerste regel van elke alinea wilt laten beginnen. Als u de eerste regel gelijk wilt laten lopen met de linkermarge, moet het rechthoekje zijn uitgelijnd met het symbool voor de linkerinspringing. mm Als u een verkeerd-om inspringing wilt aanmaken, sleept u het rechthoekje naar de linkerkant van het symbool voor de linkerinspringing. De marge van tekst in objecten wijzigen U kunt de ruimte tussen de tekst en de binnenrand van een tekstvak, vorm of tabelcel instellen. Deze ruimte wordt de marge genoemd. De hoeveelheid ruimte die u opgeeft, wordt toegepast rondom de tekst, dus aan alle vier de kanten. De afstand tussen de tekst en de binnenrand van het bijbehorende object instellen 1 Als het object geen invoegpunt bevat, selecteert u het object. (Als het invoegpunt nog in het object staat, drukt u op Command + Return om de tekstbewerkingsmodus te verlaten en de vorm te selecteren.) 2 Klik op de knop 'Info' in de knoppenbalk, klik op de knop 'Tekstinfo' en klik vervolgens op 'Tekst'. 3 Sleep de schuifknop 'Marge' naar rechts om de afstand tussen de tekst en de binnenrand van het object te vergroten of geef een getal op in het veld en druk vervolgens op de Return-toets. U kunt ook de pijlknoppen gebruiken om de afstand te vergroten of te verkleinen. Hier stelt u de hoeveelheid ruimte in rond de tekst in een tekstvak, vorm of tabelcel. Lijsten aanmaken Numbers biedt vooraf opgemaakte stijlen met opsommingstekens en nummeringsstijlen voor het aanmaken van eenvoudige of geordende lijsten. Lijsten met opsommingstekens en genummerde lijsten zijn eenvoudige lijsten zonder geneste hiërarchische informatiestructuren, zoals bij een geordende lijst (een overzicht). 200 Hoofdstuk 8 Werken met tekst

201 Voor informatie over Automatisch lijsten aanmaken op basis van tekst die u typt In het infovenster 'Tekst' lijsten met opsommingstekens opmaken In het infovenster 'Tekst' genummerde lijsten opmaken In het infovenster 'Tekst' geordende lijsten (overzichten) toevoegen en opmaken Zie Automatisch lijsten aanmaken op pagina 201 Lijsten met opsommingstekens opmaken op pagina 202 Genummerde lijsten opmaken op pagina 203 Geordende lijsten opmaken op pagina 204 Automatisch lijsten aanmaken Met de automatische lijstfunctie in Numbers wordt automatisch een lijst opgemaakt op basis van de tekst die u typt. Om deze functie in te schakelen, kiest u eerst 'Numbers' > 'Voorkeuren'. Klik op 'Automatische correctie' en schakel het aankruisvak 'Detecteer lijsten automatisch' in. Een lijst automatisch aanmaken 1 Plaats het invoegpunt op de plek waar de lijst moet beginnen. 2 Maak op een van de volgende manieren een lijst aan: ÂÂ Om een lijst met opsommingstekens aan te maken, drukt u op Option + 8 om een stip ( ), een sterretje (*) of een koppelteken (-) te typen. Typ vervolgens een spatie gevolgd door tekst en druk op de Return-toets. Zie Lijsten met opsommingstekens opmaken op pagina 202 voor informatie over de manier waarop u lijsten met opsommingstekens opmaakt. ÂÂ Om een lijst met opsommingstekens in de vorm van nummers, letters of Romeinse cijfers aan te maken, typt u het nummer, de letter of het cijfer, gevolgd door een punt, een spatie en wat tekst. Druk vervolgens op de Return-toets. Zie Genummerde lijsten opmaken op pagina 203 en Geordende lijsten opmaken op pagina 204 voor informatie over de manier waarop u genummerde of geordende lijsten opmaakt. 3 Bewerk de lijst vervolgens op een van de volgende manieren: ÂÂ Om een nieuw onderdeel op het huidige inspringniveau toe te voegen, drukt u op de Return-toets. ÂÂ Om een onderdeel naar een lager inspringniveau te verplaatsen, drukt u op de Tabtoets. Om een onderdeel naar een hoger inspringniveau te verplaatsen, drukt u op Shift + Tab. 4 Om uw lijst te voltooien, drukt u tweemaal op de Return-toets of drukt u op de Returntoets en vervolgens op de Delete-toets. Hoofdstuk 8 Werken met tekst 201

202 Opmerking: Als u met tekst in een tabelcel werkt en 'Naar volgende cel met Returntoets' is ingeschakeld in het infovenster 'Tabel', drukt u niet op de Return-toets, maar op Option + Return. Lijsten met opsommingstekens opmaken U kunt de automatische lijstfunctie gebruiken om een eenvoudige lijst met opsommingstekens te maken. Het infovenster 'Tekst' bevat echter veel opties om lijsten met opsommingstekens op te maken. Zie Automatisch lijsten aanmaken op pagina 201 voor informatie over de manier waarop u automatisch een lijst aanmaakt. Een lijst met opsommingstekens toevoegen en opmaken via het infovenster 'Tekst' 1 Plaats het invoegpunt op de plek waar de lijst moet beginnen. 2 Klik op de knop 'Info' in de knoppenbalk, klik op de knop 'Tekstinfo' en klik vervolgens op 'Opsommingstek.'. 3 Kies een stijl voor het opsommingsteken uit het venstermenu 'Opsomming/ nummering'. Als u een getypt teken als opsommingsteken wilt gebruiken, kiest u 'Opsommingstekens met tekst' en kiest u een teken of typt u een teken in het veld. Als u een vooraf ingesteld opsommingsteken van Numbers wilt gebruiken, kiest u 'Opsommingstekens met afb.' en kiest u vervolgens een afbeelding uit de lijst. Als u uw eigen afbeelding als opsommingsteken wilt gebruiken, kiest u 'Aangepaste afbeelding' en selecteert u vervolgens een afbeelding in het venster 'Open' dat verschijnt. 4 Als u de grootte van een afbeelding voor een opsommingsteken wilt wijzigen, typt u een percentage van de originele grootte in het veld 'Grootte'. U kunt ook het aankruisvak '% van tekstgrootte' inschakelen en een percentage van de tekstgrootte opgeven. Met deze optie blijft de verhouding tussen afbeelding en tekst van de opsommingstekens gehandhaafd, ook als u de lettergrootte van de tekst later aanpast. 5 Om de ruimte tussen opsommingstekens en de linkermarge te wijzigen, gebruikt u het veld 'Inspring. opsommingstek.'. Om de ruimte tussen de opsommingstekens en de tekst te wijzigen, gebruikt u het veld 'Inspringing tekst'. 6 Om het opsommingsteken hoger of lager ten opzichte van de tekst te plaatsen, typt u een getal in het veld 'Lijn uit'. 7 Om onderdelen met opsommingstekens aan uw lijst toe te voegen en te laten inspringen, gaat u op een van de volgende manieren te werk: ÂÂ Om een nieuw onderdeel op het huidige inspringniveau toe te voegen, drukt u op de Return-toets. Als u met tekst in een tabelcel werkt en 'Naar volgende cel met Return-toets' is ingeschakeld in het infovenster 'Tabel', drukt u in plaats daarvan op Option + Return. 202 Hoofdstuk 8 Werken met tekst

203 ÂÂ Om een alinea zonder opsommingsteken toe te voegen onder een onderdeel dat deel uitmaakt van de lijst met opsommingstekens, drukt u op de Return-toets terwijl u de Shift-toets ingedrukt houdt. Als u met tekst in een tabelcel werkt en 'Naar volgende cel met Return-toets' is ingeschakeld in het infovenster 'Tabel', drukt u in plaats daarvan op Control + Return. ÂÂ Om een nieuw onderdeel op het volgende inspringniveau toe te voegen, drukt u op de Tab-toets. Om een nieuw onderdeel op het vorige inspringniveau toe te voegen, drukt u op Shift + Tab. U kunt ook klikken op een opsommingsteken en de muisknop ingedrukt houden terwijl u het teken naar rechts, naar links, naar beneden en naar rechts, of naar beneden en naar links sleept. Als u met tekst in een tabelcel werkt en 'Naar volgende cel met Return-toets' is ingeschakeld in het infovenster 'Tabel', wijzigt u het niveau van de onderdelen met de regelaars voor inspringniveaus in het paneel 'Opsommingstekens' van het infovenster 'Tekst'. ÂÂ Om weer normale alineatekst aan het einde van een lijst te gebruiken, drukt u op de Return-toets en kiest u 'Geen opsommingstekens' uit het venstermenu 'Opsomming/nummering'. Mogelijk moet u ook het inspringniveau van de alinea nog wijzigen. Als u met tekst in een tabelcel werkt en 'Naar volgende cel met Return-toets' is ingeschakeld in het infovenster 'Tabel', drukt u niet op de Return-toets, maar op Option + Return. Genummerde lijsten opmaken U kunt de automatische lijstfunctie gebruiken om een eenvoudige lijst met opsommingstekens te maken. Het infovenster 'Tekst' bevat echter veel opties om lijsten met opsommingstekens op te maken. Zie Automatisch lijsten aanmaken op pagina 201 voor informatie over de manier waarop u automatisch een lijst aanmaakt. Een genummerde lijst toevoegen en opmaken 1 Plaats het invoegpunt op de plek waar de lijst moet beginnen. 2 Klik op de knop 'Info' in de knoppenbalk, klik op de knop 'Tekstinfo' en klik vervolgens op 'Opsommingstek.'. 3 Kies 'Nummers' uit het venstermenu 'Opsomming/Nummering' en kies vervolgens een stijl uit het venstermenu eronder. 4 Om de ruimte tussen de nummers en de linkermarge te wijzigen, gebruikt u het veld 'Inspringing nummers'. Om de ruimte tussen de nummers en de tekst te wijzigen, gebruikt u het veld 'Inspringing tekst'. 5 Om onderdelen aan uw lijst toe te voegen en te laten inspringen, gaat u op een van de volgende manieren te werk: Hoofdstuk 8 Werken met tekst 203

204 ÂÂ Om een nieuw onderdeel op het huidige inspringniveau toe te voegen, drukt u op de Return-toets. Als u met tekst in een tabelcel werkt en 'Naar volgende cel met Return-toets' is ingeschakeld in het infovenster 'Tabel', drukt u in plaats daarvan op Option + Return. ÂÂ Om een ongenummerde alinea toe te voegen onder een onderdeel dat deel uitmaakt van de geordende lijst, drukt u op de Return-toets terwijl u de Shift-toets ingedrukt houdt. Als u met tekst in een tabelcel werkt en 'Naar volgende cel met Return-toets' is ingeschakeld in het infovenster 'Tabel', drukt u in plaats daarvan op Control + Return. ÂÂ Om een nieuw onderdeel op het volgende inspringniveau toe te voegen, drukt u op de Tab-toets. Om een nieuw onderdeel op het vorige inspringniveau toe te voegen, drukt u op Shift + Tab. U kunt ook klikken op een nummer en de muisknop ingedrukt houden terwijl u het teken naar rechts, naar links, naar beneden en naar rechts, of naar beneden en naar links sleept. Als u met tekst in een tabelcel werkt en 'Naar volgende cel met Return-toets' is ingeschakeld in het infovenster 'Tabel', wijzigt u het niveau van de onderdelen met de regelaars voor inspringniveaus in het paneel 'Opsommingstekens' van het infovenster 'Tekst'. ÂÂ Om weer normale alineatekst aan het einde van een lijst te gebruiken, drukt u op de Return-toets en kiest u 'Geen opsommingstekens' uit het venstermenu 'Opsomming/nummering'. Mogelijk moet u ook het inspringniveau van de alinea nog wijzigen. Als u met tekst in een tabelcel werkt en 'Naar volgende cel met Return-toets' is ingeschakeld in het infovenster 'Tabel', drukt u niet op de Return-toets, maar op Option + Return. ÂÂ Om een bestaande alinea aan een genummerde lijst toe te voegen, klikt u in de alinea, kiest u een nummeringsstijl en selecteert u 'Ga door na vorige'. ÂÂ Om een nieuwe genummerde reeks in een lijst op te nemen, selecteert u 'Begin bij' en typt u het nummer waarmee de reeks moet beginnen. Als u de onderdelen in uw lijst wilt voorzien van gelabelde subonderwerpen (zoals in een overzicht), gebruikt u een geordende lijst in plaats van een genummerde lijst. Geordende lijsten opmaken Geordende lijsten bevatten verschillende nummeringsstijlen voor elk inspringniveau in de lijst, zodat u een hiërarchische informatiestructuur kunt creëren. Voorbeelden: ÂÂ U kunt een lijst aanmaken met de volgende nummeringsstijlen (van hoog naar laag): I, A, 1, a), (1), (a), i), (1) en (a). ÂÂ U kunt een lijststijl aanmaken voor juridische documenten, waarin op elk lager niveau telkens een extra cijfer of letter wordt toegevoegd, zoals 1, 1.1, 1.1.1, enzovoort. 204 Hoofdstuk 8 Werken met tekst

205 Een geordende lijst toevoegen en opmaken 1 Plaats het invoegpunt op de plek waar de lijst moet beginnen. 2 Klik op de knop 'Info' in de knoppenbalk, klik op de knop 'Tekstinfo' en klik vervolgens op 'Opsommingstek.'. 3 Als u een lijst voor een juridisch document wilt aanmaken, kiest u 'Gerangschikte nummers' uit het venstermenu 'Opsomming/nummering'. Anders kiest u 'Nummers' uit het venstermenu. 4 Kies een nummeringsstijl uit het venstermenu eronder. 5 Om de ruimte tussen de nummers en de linkermarge te wijzigen, gebruikt u het veld 'Inspringing nummers'. Om de ruimte tussen de nummers en de tekst te wijzigen, gebruikt u het veld 'Inspringing tekst'. 6 Om onderdelen aan uw lijst toe te voegen en te laten inspringen, gaat u op een van de volgende manieren te werk: ÂÂ Om een nieuw onderdeel op het huidige inspringniveau toe te voegen, drukt u op de Return-toets. Als u met tekst in een tabelcel werkt en 'Naar volgende cel met Return-toets' is ingeschakeld in het infovenster 'Tabel', drukt u in plaats daarvan op Option + Return. ÂÂ Om een ongenummerde alinea toe te voegen onder een onderdeel dat deel uitmaakt van de geordende lijst, drukt u op de Return-toets terwijl u de Shift-toets ingedrukt houdt. Als u met tekst in een tabelcel werkt en 'Naar volgende cel met Return-toets' is ingeschakeld in het infovenster 'Tabel', drukt u in plaats daarvan op Control + Return. ÂÂ Om een nieuw onderdeel op het volgende inspringniveau toe te voegen, drukt u op de Tab-toets. Om een nieuw onderdeel op het vorige inspringniveau toe te voegen, drukt u op Shift + Tab. Om onderdelen tussen verschillende niveaus te verplaatsen, kunt u ook op een nummer klikken en de muisknop ingedrukt houden terwijl u het nummer naar rechts, naar links, naar beneden en naar rechts, of naar beneden en naar links sleept. Als u met tekst in een tabelcel werkt en 'Naar volgende cel met Return-toets' is ingeschakeld in het infovenster 'Tabel', wijzigt u het niveau van de onderdelen met de regelaars voor inspringniveaus in het paneel 'Opsommingstekens' van het infovenster 'Tekst'. ÂÂ Om weer normale alineatekst aan het einde van een lijst te gebruiken, drukt u op de Return-toets en kiest u 'Geen opsommingstekens' uit het venstermenu 'Opsomming/nummering'. Mogelijk moet u ook het inspringniveau van de alinea nog wijzigen. Als u met tekst in een tabelcel werkt en 'Naar volgende cel met Return-toets' is ingeschakeld in het infovenster 'Tabel', drukt u niet op de Return-toets, maar op Option + Return. Hoofdstuk 8 Werken met tekst 205

206 ÂÂ Om een bestaande alinea aan een genummerde lijst toe te voegen, klikt u in de alinea, kiest u een nummeringsstijl en selecteert u 'Ga door na vorige'. ÂÂ Om een nieuwe genummerde reeks in een lijst op te nemen, selecteert u 'Begin bij' en typt u het nummer waarmee de reeks moet beginnen. Werken met tekstvakken, vormen en andere effecten om tekst meer in het oog te laten springen Voor informatie over Tekstvakken toevoegen Tekstvakken toevoegen op pagina 206 Zie Tekst benadrukken met behulp van kleur De tekstkleur en achtergrondkleur van tekst wijzigen op pagina 197 Tekstkolommen aanmaken Tekst in kolommen weergeven op pagina 206 Tekst in een vorm plaatsen Tekst in een vorm opnemen op pagina 207 Tekstvakken toevoegen U kunt een tekstvak aan een werkblad toevoegen en het vak vervolgens naar de gewenste positie slepen. Een tekstvak aanmaken 1 Klik op de knop 'Tekstvak' in de knoppenbalk (of kies 'Voeg in' > 'Tekstvak'). 2 Klik dubbel op de tekst in het nieuwe tekstvak en typ vervolgens de gewenste tekst. Het formaat van tekstvakken wordt automatisch aangepast aan de lengte van de tekst. 3 Klik buiten het tekstvak nadat u de gewenste tekst hebt getypt. U kunt ook op Command + Return drukken om te stoppen met het bewerken van de tekst en het tekstvak te selecteren. 4 Sleep de grepen van het tekstvak om de breedte ervan te wijzigen. 5 Sleep het tekstvak naar de gewenste positie in het werkblad. U kunt een tekstvak niet hoger maken door de randen te slepen. Om een tekstvak hoger te maken, sleept u de selectiegrepen naar binnen om het tekstvak smaller te maken. U kunt ook een tekstvak tekenen. Hiervoor houdt u de Option-toets ingedrukt terwijl u op de knop 'Tekstvak' in de knoppenbalk klikt en sleept u de aanwijzer in het spreadsheetvenster om een tekstvak met de gewenste grootte aan te maken. Tekst in kolommen weergeven U kunt tekst in een tekstvak of in een rechthoekige vorm in kolommen verdelen. Zodra één kolom met tekst is gevuld, loopt de tekst automatisch door in de volgende kolom. 206 Hoofdstuk 8 Werken met tekst

207 Met het venstermenu voor kolommen in de opmaakbalk kunt u tekst snel in kolommen verdelen. Het infovenster 'Tekst' bevat meer opties. Kolommen aanmaken en opmaken via het infovenster 'Tekst' 1 Selecteer het tekstvak of de rechthoekige vorm die de tekst bevat die u in kolommen wilt verdelen. 2 Klik op de knop 'Info' in de knoppenbalk, klik op de knop 'Tekstinfo' en klik vervolgens op 'Kolom'. 3 Geef in het veld 'Kolommen' het gewenste aantal kolommen op. 4 U kunt alle kolommen even breed maken door het aankruisvak 'Gelijke kolombreedte' in te schakelen. U kunt verschillende breedten voor kolommen instellen door het aankruisvak 'Gelijke kolombreedte' uit te schakelen, dubbel te klikken op een kolomwaarde in de tabel en vervolgens een nieuwe breedte voor de kolom in te stellen. 5 U kunt de ruimte tussen kolommen aanpassen door dubbel te klikken op een waarde in de lijst 'Kolomwit' en een nieuwe waarde op te geven. Tekst in een vorm opnemen Alle vormen, met uitzondering van lijnen, kunnen tekst bevatten. Tekst aan een vorm toevoegen 1 Plaats een vorm op de gewenste plek op het werkblad. Zie Een kant-en-klare vorm toevoegen op pagina 226 en Een aangepaste vorm toevoegen op pagina 226 voor meer informatie over het toevoegen van vormen. 2 Klik dubbel op de vorm en typ de gewenste tekst. De aanduiding voor bijsnijden geeft aan dat de tekst niet in de vorm past. Hoofdstuk 8 Werken met tekst 207

208 3 U kunt het formaat van de vorm aanpassen door de vorm te selecteren en de selectiegrepen te slepen. (Als het invoegpunt nog in de vorm staat, drukt u op Command + Return om de tekstbewerkingsmodus te verlaten en de vorm te selecteren.) U kunt de tekst in een vorm opmaken. Ook kunt u een vorm roteren zonder de tekst te roteren. Roteer de vorm en kies vervolgens 'Opmaak' > 'Vorm' > 'Stel tekst- en objecthandgrepen opnieuw in'. 4 U kunt tekst toevoegen aan een vorm die deel uitmaakt van een groep door dubbel te klikken op het tekstgebied van een van de vormen in de groep. Als u het formaat van de groep wijzigt, wordt het formaat van alle onderdelen gewijzigd, met uitzondering van de tekst. Het is wel mogelijk de tekst te selecteren en de lettergrootte te wijzigen. Zie Objecten groeperen en de groepering van objecten opheffen op pagina 243 voor informatie over het groeperen van objecten. Werken met koppelingen Koppelingen worden gebruikt in spreadsheets die op een scherm zullen worden bekeken in de vorm van HTML-bestanden of Numbers-spreadsheets. U kunt koppelingen toevoegen om een bericht of een URL op het internet te openen. Voor informatie over Met een koppeling voor een webpagina naar een webbrowser gaan Een koppeling maken naar een nieuw bericht met het opgegeven onderwerp en de opgegeven ontvanger De tekst van een bestaande koppeling wijzigen Zie Een koppeling naar een webpagina toevoegen op pagina 208 Een koppeling naar een vooraf geadresseerd bericht toevoegen op pagina 209 De tekst van een koppeling bewerken op pagina 210 Een koppeling naar een webpagina toevoegen U kunt een koppeling toevoegen waarmee een webpagina in uw standaardbrowser wordt geopend. Een koppeling naar een webpagina toevoegen 1 Selecteer de tekst waarvan u een koppeling wilt maken. Als de tekst begint met 'www' of 'http', wordt de tekst automatisch omgezet in een koppeling. Als u deze functie wilt uitschakelen, kiest u 'Numbers' > 'Voorkeuren', klikt u op 'Automatische correctie' en schakelt u het aankruisvak 'Detecteer - en webadressen automatisch' uit. Of deze functie is in- of uitgeschakeld, verschilt per computer. Als de spreadsheet wordt geopend op een computer met een andere instelling, wordt de instelling van die computer gebruikt. 208 Hoofdstuk 8 Werken met tekst

209 2 Klik op de knop 'Info' in de knoppenbalk, klik op de knop 'Koppelingsinfo' en schakel het aankruisvak 'Activeer als koppeling' in. 3 Kies 'Webpagina' uit het venstermenu 'Koppel met'. 4 Typ het adres van de webpagina in het veld 'URL'. Als u dit aankruisvak inschakelt, worden alle koppelingen uitgeschakeld zodat u deze gemakkelijk kunt bewerken. Hiermee opent u het infovenster 'Koppeling'. Hier typt u de URL waarnaar u een koppeling wilt maken. U kunt ook snel een koppeling aanmaken via het Invoeg-menu. Plaats het invoegpunt op de gewenste positie in de spreadsheet en kies 'Voeg in' > 'Koppeling' > 'Webpagina'. Er wordt een koppeling aan uw spreadsheet toegevoegd en het infovenster 'Koppeling' wordt geopend. Typ het adres van de webpagina in het veld 'URL'. Een koppeling naar een vooraf geadresseerd bericht toevoegen U kunt een koppeling toevoegen waarop u kunt klikken om een vooraf geadresseerd bericht aan te maken in uw standaardmailprogramma. Een koppeling naar een bericht toevoegen 1 Selecteer de tekst waarvan u een koppeling wilt maken. Als u een adres in een spreadsheet opneemt, wordt de tekst automatisch omgezet in een koppeling. Als u deze functie wilt uitschakelen, kiest u 'Numbers' > 'Voorkeuren', klikt u op 'Automatische correctie' en schakelt u het aankruisvak 'Detecteer - en webadressen automatisch' uit. Of deze functie is in- of uitgeschakeld, verschilt per computer. Als de spreadsheet wordt geopend op een computer met een andere instelling, wordt de instelling van die computer gebruikt. 2 Klik op de knop 'Info' in de knoppenbalk, klik op de knop 'Koppelingsinfo' en schakel het aankruisvak 'Activeer als koppeling' in. 3 Kies ' bericht' uit het venstermenu 'Koppel met'. 4 Typ het adres van de geadresseerde in het veld 'Aan'. Hoofdstuk 8 Werken met tekst 209

210 5 Typ eventueel een onderwerp in het veld 'Onderwerp'. Hier typt u het adres van de ontvanger. Hier typt u het onderwerp van het bericht. U kunt ook snel een koppeling aanmaken via het Invoeg-menu. Plaats het invoegpunt op de gewenste positie in de spreadsheet en kies 'Voeg in' > 'Koppeling' > ' bericht'. Er wordt een koppeling aan uw spreadsheet toegevoegd en het infovenster 'Koppeling' wordt geopend. Typ het adres in het veld 'Aan'. De tekst van een koppeling bewerken U kunt de tekst van een koppeling op verschillende manieren bewerken. Manieren om de tekst van een koppeling te bewerken: mm Schakel koppelingen uit, zodat u een koppeling kunt bewerken zonder deze te activeren. Klik op de knop 'Info' in de knoppenbalk, klik op de knop 'Koppelingsinfo', schakel het aankruisvak 'Maak alle koppelingen inactief' in, bewerk de tekst en schakel de koppeling weer in. mm Klik buiten de tekst van de koppeling en gebruik de pijltoetsen om het invoegpunt in de tekst te plaatsen. Paginanummers en andere variabele waarden in documenten invoegen Numbers-documenten bevatten opgemaakte tekstvelden waarin u waarden als paginanummers, het aantal pagina's, de bestandsnaam, en de datum en tijd kunt invoegen. Deze waarden worden automatisch bijgewerkt. Hoewel deze waarden meestal in kop- en voetteksten worden gebruikt (zie Kopteksten en voetteksten toevoegen aan een werkblad op pagina 48), kunt u opgemaakte tekstvelden op elke plaats in de spreadsheet invoegen. Manieren om opgemaakte tekstvelden in te voegen: mm Om paginanummers in te voegen, plaatst u het invoegpunt op de positie waar u het paginanummer wilt laten verschijnen en kiest u vervolgens 'Voeg in' > 'Paginanummer'. Om de opmaak van paginanummers te wijzigen, houdt u de Control-toets ingedrukt terwijl u op een paginanummer klikt en kiest u een andere getalnotatie. 210 Hoofdstuk 8 Werken met tekst

211 mm Om het totale aantal pagina's te vermelden, plaatst u het invoegpunt op de positie waar u de vermelding van het totale aantal pagina's wilt laten verschijnen en kiest u vervolgens 'Voeg in' > 'Aantal pagina's'. Om het totale aantal pagina's bij elk paginanummer te vermelden, (bijvoorbeeld 'pagina 2 van 10', voegt u een paginanummer toe, typt u 'van' en een spatie en kiest u vervolgens 'Voeg in' > 'Aantal pagina's'. Om de opmaak van paginanummers te wijzigen, houdt u de Control-toets ingedrukt terwijl u op een paginanummer klikt en kiest u een andere getalnotatie. mm Om de datum en tijd in te voegen en op te maken, plaatst u het invoegpunt op de gewenste positie en kiest u vervolgens 'Voeg in' > 'Datum en tijd'. Om de opmaak van de datum en tijd te wijzigen, houdt u de Control-toets ingedrukt terwijl u op de datum en tijd klikt en kiest u 'Wijzig datum en tijd' uit het venstermenu. Als u altijd de actuele datum en tijd in de spreadsheet wilt weergeven, schakelt u het aankruisvak 'Werk autom. bij tijdens openen' in. mm Om de bestandsnaam van de spreadsheet in te voegen, plaatst u het invoegpunt op de positie waar u de bestandsnaam wilt laten verschijnen en kiest u vervolgens 'Voeg in' > 'Bestandsnaam'. Om het directorypad naar het bestand weer te geven, klikt u dubbel op de bestandsnaam en schakelt u het aankruisvak 'Toon directorypad' in. Om de bestandsnaamextensie weer te geven, klikt u dubbel op de bestandsnaam en schakelt u het aankruisvak 'Toon altijd bestandsnaamextensie' in. Tekst automatisch vervangen U kunt in Numbers instellen dat bepaalde tekst automatisch wordt herkend en door andere tekst wordt vervangen. Als u bijvoorbeeld 'hte' typt, wordt dit woord in Numbers automatisch gewijzigd in 'het'. Tekst automatisch vervangen 1 Kies 'Numbers' > 'Voorkeuren'. 2 Klik op 'Automatische correctie' en schakel de gewenste aankruisvakken in of uit. Als u enkele en dubbele aanhalingstekens automatisch wilt vervangen door kromme aanhalingstekens zodat de aanhalingstekens aan het begin en het einde van citaten verschillend zijn, schakelt u het aankruisvak 'Gebruik kromme aanhalingstekens' in. Om ervoor te zorgen dat het eerste woord van een zin altijd met een hoofdletter begint, schakelt u het aankruisvak 'Corrigeer hoofdletters/kleine letters' in. Als u de letters in '1e', '2e', '3e', enzovoort automatisch in superscript wilt weergeven, schakelt u het aankruisvak 'Numerieke achtervoegsels in superscript' in. Hoofdstuk 8 Werken met tekst 211

212 Als u in Numbers wilt instellen dat adressen en URL's automatisch worden gedetecteerd, schakelt u het aankruisvak 'Detecteer - en webadressen automatisch' in. De adressen en webadressen die u typt, worden automatisch omgezet in koppelingen voor Mail of Safari. Om automatisch lijsten aan te maken, schakelt u het aankruisvak 'Detecteer lijsten automatisch' in. Om onjuist gespelde woorden automatisch te vervangen als de woordenlijst slechts één suggestie bevat, schakelt u het aankruisvak 'Gebruik automatisch suggesties van spellingcontrole' in. Als u een of meer tekens wilt vervangen door een of meer andere tekens, schakelt u het aankruisvak 'Vervanging symbolen en tekst' in. Vervolgens kunt u met behulp van de rijen in de tabel instellen welke tekens u door andere tekens wilt vervangen en kunt u de verschillende vervangacties in- of uitschakelen. Als u bijvoorbeeld '(c)' typt, kan Numbers dit automatisch vervangen door het symbool. Als u dat wilt, schakelt u het aankruisvak in de kolom 'Aan' in. Klik op de knop met het plusteken om een rij toe te voegen aan de tabel zodat u uw eigen vervanging kunt instellen. Klik op de knop met het minteken om een geselecteerd onderdeel te verwijderen. De vervangacties die u hebt ingesteld, zijn van kracht voor alle tekst die u in Numbersspreadsheets wijzigt of aan spreadsheets toevoegt. Een vaste spatie invoegen U kunt een vaste spatie invoegen tussen woorden die u bij elkaar op dezelfde tekstregel wilt houden. Een vaste spatie invoegen mm Druk op de spatiebalk terwijl u de Option-toets ingedrukt houdt. Spelling controleren U kunt instellen dat spelfouten direct tijdens het typen worden gemarkeerd, maar u kunt de spelling in de volledige spreadsheet of in geselecteerde tekst ook op een ander moment controleren. Onjuist gespelde woorden worden gemarkeerd met een rode stippellijn. Manieren om de spelling te controleren: mm Om de spelling tijdens het typen te controleren, kiest u 'Wijzig' > 'Spelling' > 'Controleer spelling tijdens typen'. Om de spellingcontrole tijdens het typen uit te schakelen, kiest u 'Wijzig' > 'Spelling' > 'Controleer spelling tijdens typen' (zodat het vinkje voor het commando niet meer zichtbaar is). 212 Hoofdstuk 8 Werken met tekst

213 mm Om de spelling te controleren vanaf het invoegpunt tot het einde van de spreadsheet, klikt u in de tekst om het invoegpunt te plaatsen en kiest u vervolgens 'Wijzig' > 'Spelling' > 'Controleer spelling'. Als u de spelling van slechts een bepaald gedeelte van de spreadsheet wilt controleren, selecteert u de gewenste tekst voordat u het menucommando kiest. Het eerste onjuist gespelde woord dat wordt gevonden, wordt gemarkeerd. U kunt het woord corrigeren of hetzelfde commando nogmaals kiezen om verder te gaan met het controleren van de spreadsheet. Om sneller door de tekst te gaan, drukt u op de Command-toets en de puntkommatoets (;) om verder te gaan met het controleren van de spreadsheet. mm Om de spelling te controleren en suggesties voor onjuist gespelde woorden weer te geven, kiest u 'Wijzig' > 'Spelling' > 'Spelling'. Het venster 'Spelling' wordt geopend. Zie Werken met spellingsuggesties op pagina 213 voor informatie over het gebruik van dit venster. Als u spellingsuggesties automatisch wilt accepteren, kiest u 'Numbers' > 'Voorkeuren', klikt u op 'Automatische correctie' en schakelt u het aankruisvak 'Gebruik automatisch suggesties van spellingcontrole' in. Werken met spellingsuggesties In het venster 'Spelling' worden suggesties weergegeven van onjuist gespelde woorden. Werken met spellingsuggesties 1 Kies 'Wijzig' > 'Spelling' > 'Spelling'. In het venster 'Spelling' wordt het eerste onjuist gespelde woord gemarkeerd. 2 Voor elke taal wordt gebruikgemaakt van een andere woordenlijst. Om ervoor te zorgen dat u met de juiste taal werkt, selecteert u de tekst waarvan u de spelling wilt controleren. Klik op de knop 'Info' in de knoppenbalk, klik op de knop 'Tekstinfo' en klik vervolgens op 'Meer'. Kies een taal uit het venstermenu 'Taal'. 3 Om het onjuiste gespelde woord in de tekst te vervangen, klikt u dubbel op het juiste woord of de juiste spelling in de lijst met gesuggereerde correcties. 4 Als het juiste woord niet in de lijst met gesuggereerde correcties staat, maar u de juiste schrijfwijze wel weet, selecteert u het onjuist gespelde woord in het venster 'Spelling', typt u het woord met de juiste spelling en klikt u vervolgens op de knop 'Corrigeer'. 5 Als het woord juist is gespeld en u het niet wilt wijzigen, klikt u op 'Negeer' of 'Voeg toe'. Klik op 'Voeg toe' als het om een term gaat die u vaak gebruikt en in de woordenlijst wilt opnemen. Hoofdstuk 8 Werken met tekst 213

214 Als u 'Voeg toe' hebt gebruikt en het effect ervan wilt herstellen, voert u een van de volgende handelingen uit: ÂÂ Als u met Mac OS X versie 10.4 werkt, typt u het woord in het tekstveld onder de lijst met voorgestelde correcties en klikt u vervolgens op 'Sluit uit'. ÂÂ Als u met Mac OS X versie 10.5 werkt, houdt u de Control-toets ingedrukt terwijl u op het woord klikt en kiest u vervolgens 'Verwijder toegevoegde spelling' uit het venstermenu. 6 Al er geen alternatieve spelling is gevonden in de lijst met gesuggereerde correcties op Mac OS X versie 10.4, selecteert u het foutief gespelde woord in het venster 'Spelling' en probeert u een andere spelling. Klik vervolgens opnieuw op 'Suggesties' om een nieuwe lijst met suggesties weer te geven. 7 Klik op 'Zoek volgende' en herhaal de stappen 2 tot en met 6 totdat er geen spelfouten meer worden gevonden. U kunt ook de Control-toets ingedrukt houden en op een onjuist gespeld woord klikken. Vervolgens kunt u in het contextuele menu een andere spelwijze kiezen of 'Voeg spelling toe' of 'Negeer spelling' kiezen. Tekst zoeken en vervangen U kunt zoeken op woorden of woordgroepen in spreadsheets en deze vervangen door andere tekst. Zie Elementen van formules zoeken en vervangen op pagina 146 voor informatie over de manier waarop u elementen van formules zoekt en desgewenst vervangt. mm Manieren om tekst te zoeken en te vervangen: Om tekst in een spreadsheet te zoeken, kiest u 'Wijzig' > 'Zoek' > 'Toon zoekkolom' om het zoekvenster te openen. Typ in het zoekveld de tekst die u wilt zoeken. Klik desgewenst op het driehoekje in het zoekveld en kies 'Identieke hoofdletters/kleine letters' en/of 'Hele woorden' om de resultaten van de zoekactie te beperken. 214 Hoofdstuk 8 Werken met tekst

215 mm De zoekresultaten worden in het venster weergegeven. Selecteer een resultaat om dit in de spreadsheet te markeren. Als u de zoekresultaten van een van de tien laatste zoekacties opnieuw wilt weergeven, kiest u een tekenreeks uit het venstermenu voor het zoekveld onder 'Recente zoekacties'. Om tekst in een spreadsheet of in het huidige werkblad te zoeken en desgewenst door andere tekst te vervangen, kiest u 'Wijzig' > 'Zoek' > 'Toon zoekkolom' en klikt u op 'Zoek en vervang'. Zoek: Typ de tekst die u wilt zoeken. In: Kies 'Volledig document' of 'Alleen huidige werkblad' uit dit venstermenu om aan te geven welke tekst u wilt doorzoeken. Identieke hoofdletters/kleine letters: Schakel dit aankruisvak in om alleen tekst te zoeken waarvan de hoofdletters en kleine letters exact overeenkomen met de tekst die u in het zoekveld hebt getypt. Hele woorden: Schakel dit aankruisvak in om alleen tekst te zoeken die volledig overeenkomt met de tekst u in het zoekveld hebt getypt. Vervang: Typ in dit veld de vervangende tekst. Herhaal zoekactie: Schakel dit aankruisvak in om door te gaan met zoeken nadat de volledige spreadsheet of het volledige werkblad is doorzocht. Volgende of Vorige: Klik op een van deze knoppen om naar de volgende of vorige vindplaats van de zoektekst te gaan. Als een element wordt gevonden, wordt de formule-editor geopend en wordt de formule met het element daarin getoond. Hoofdstuk 8 Werken met tekst 215

216 mm Vervang alles: Klik op deze knop om de zoektekst overal waar deze wordt gevonden te vervangen door de vervangende tekst. Vervang: Klik op deze knop om de zoektekst op de huidige locatie te vervangen door de vervangende tekst. Vervang en zoek: Klik op deze knop om de zoektekst op de huidige locatie te vervangen en naar de volgende vindplaats van de zoektekst te gaan. Met de andere commando's in het submenu van 'Wijzig' > 'Zoek' kunt u aanvullende bewerkingen uitvoeren. Zoek volgende of Zoek vorige: Hiermee zoekt u vooruit of achteruit naar de zoektekst zonder deze te vervangen, waarbij u begint bij het huidige werkblad of de geselecteerde cel(len). Gebruik selectie voor zoekactie: Hiermee zoekt u vooruit naar de geselecteerde tekst. Ga naar selectie: Hiermee wordt de geselecteerde tekst getoond als deze momenteel niet wordt weergegeven. 216 Hoofdstuk 8 Werken met tekst

217 Werken met vormen, afbeeldingen en andere objecten 9 U kunt afbeeldingen, vormen, geluid en films toevoegen aan spreadsheets. Een object is een onderdeel dat u aan een spreadsheet toevoegt en vervolgens bewerkt. Afbeeldingen, vormen, films, tekstvakken, tabellen en diagrammen zijn allemaal objecten. In dit hoofdstuk worden afbeeldingen (foto's of pdf-bestanden), vormen, geluid en films behandeld. Veel technieken voor het plaatsen en bewerken van deze objecten die in dit hoofdstuk aan bod komen, zijn ook van toepassing op tabellen, diagrammen en tekstvakken. Specifieke opmaaktechnieken voor die objecten komen in andere hoofdstukken aan bod. Werken met afbeeldingen Numbers accepteert alle door QuickTime ondersteunde structuren, waaronder de volgende grafische bestandstypen: ÂÂ TIFF ÂÂ GIF ÂÂ JPEG ÂÂ PDF ÂÂ PSD ÂÂ EPS ÂÂ PICT 217

218 Afbeeldingen die u sterk wilt vergroten of verkleinen, kunt u wellicht beter omzetten in pdf-bestanden voordat u ze importeert. Pdf-bestanden kunt u sterk vergroten of verkleinen zonder dat de kwaliteit afneemt. Bij andere bestandstypen kan de weergavekwaliteit bij het vergroten of verkleinen afnemen. U kunt een afbeelding omzetten in een pdf-bestand met behulp van Schermafbeelding. Open Schermafbeelding (in de map /Programma s/hulpprogramma's), kies 'Leg vast' > 'Selectie' om een afbeelding vast te leggen en kies vervolgens 'Archief' > 'Druk af' om de afbeelding als pdf-bestand te bewaren. Als u een afbeelding wilt importeren, voert u een van de volgende handelingen uit: mm Kies 'Voeg in' > 'Kies', selecteer het bestand en klik vervolgens op de knop 'Voeg in'. mm Sleep een bestand vanuit de Finder. mm Klik op de knop 'Media' in de knoppenbalk, klik op 'Foto's' in de mediakiezer, selecteer het album waarin zich de foto bevindt en sleep vervolgens een miniatuur naar de gewenste positie. Eerst klikt u op een van deze knoppen om naar uw mediabestanden te gaan. Vervolgens kiest u een bron. Ten slotte sleept u een onderdeel naar het document of naar een afbeeldingenvak in een van de infovensters. mm U kunt zoeken naar een bestand door in dit veld de naam te typen. Via de knoppen boven in de mediakiezer hebt u toegang tot afbeeldingen in uw iphoto-bibliotheek, films in uw map 'Films' en geluidsbestanden in uw itunesbibliotheek. Sleep een bestand vanuit een ander programma. 218 Hoofdstuk 9 Werken met vormen, afbeeldingen en andere objecten

219 Nadat u de afbeelding hebt geïmporteerd, kunt u deze naar elke gewenste positie in het werkblad slepen. Met de hulpmiddelen in Numbers kunt u een afbeelding bijsnijden, de helderheid, het contrast en andere beeldinstellingen wijzigen, of de achtergrond van de afbeelding wissen. Voor informatie over Plaatsaanduidingen voor afbeeldingen en andere media vervangen door uw eigen objecten Afbeeldingen bijsnijden om ongewenste delen te verwijderen Zie Sjabloonafbeeldingen vervangen door uw eigen afbeeldingen op pagina 219 Afbeeldingen bijsnijden op pagina 220 Uw spreadsheet kleiner maken door alleen de gebruikte delen van bijgesneden afbeeldingen te bewaren Afbeeldingsbestanden kleiner maken op pagina 222 Delen van een afbeelding transparant maken om de achtergrond van de afbeelding te verwijderen De kwaliteit van afbeeldingen verbeteren en interessante visuele effecten creëren Afbeeldingen plaatsen, uitlijnen, vergroten, verkleinen en opnieuw opmaken Een vergelijking toevoegen die als een afbeelding kan worden bewerkt De achtergrond of ongewenste elementen in een afbeelding verwijderen op pagina 222 De helderheid, het contrast en andere instellingen van een afbeelding wijzigen op pagina 224 Objecten bewerken en ordenen en het uiterlijk van objecten wijzigen op pagina 237 Werken met MathType op pagina 257 Sjabloonafbeeldingen vervangen door uw eigen afbeeldingen De foto's in de sjablonen van Numbers zijn in feite plaatsaanduidingen voor media. U kunt uw eigen afbeeldingen naar deze plaatsaanduidingen slepen. Op basis van de sjabloon worden de grootte en positie van uw afbeelding automatisch bepaald en wordt uw afbeelding in een kader geplaatst. Als u wilt controleren of een afbeelding een plaatsaanduiding is, plaatst u de aanwijzer erop en kijkt u of hulpinformatie wordt weergegeven met instructies om uw eigen bestand naar de plaatsaanduiding te slepen. Manieren om te werken met plaatsaanduidingen voor media: mm Om een plaatsaanduiding voor media te vervangen door uw eigen afbeelding, sleept u de afbeelding vanuit de mediakiezer, de Finder of een ander programma naar de plaatsaanduiding. mm Als u de grootte of positie van uw afbeelding binnen een plaatsaanduiding voor media wilt wijzigen, klikt u op de knop 'Wijzig masker' die op de afbeelding wordt weergegeven nadat u de afbeelding naar de plaatsaanduiding hebt gesleept. Vervolgens voert u een of meer van de volgende handelingen uit: Om de grootte van uw afbeelding binnen de plaatsaanduiding te wijzigen, sleept u de formaatgreep boven de knop 'Wijzig masker'. Hoofdstuk 9 Werken met vormen, afbeeldingen en andere objecten 219

220 mm mm Om de positie van uw afbeelding binnen de plaatsaanduiding te wijzigen, plaatst u de aanwijzer op de afbeelding (de aanwijzer kan de vorm van een hand aannemen) en sleept u de afbeelding naar de gewenste positie. Om een object dat u eerder in een plaatsaanduiding voor media hebt geplaatst, te vervangen, sleept u een nieuw bestand naar de aanduiding. U hoeft het oude bestand niet eerst te verwijderen. Om een plaatsaanduiding voor media in een werkblad te verplaatsen, sleept u de plaatsaanduiding. Om een plaatsaanduiding voor media uit een werkblad te verwijderen, selecteert u de plaatsaanduiding en drukt u op de Delete-toets. Afbeeldingen bijsnijden U kunt afbeeldingen bijsnijden zonder de afbeeldingsbestanden zelf te wijzigen door een masker toe te passen op de randen van de afbeelding om ongewenste delen te verwijderen of om de omtrek van de afbeelding te wijzigen. Als u geen vorm voor het masker opgeeft, wordt standaard een rechthoekig masker gebruikt. U kunt echter elke vorm gebruiken die in Numbers beschikbaar is. Zo kunt u ook een eigen vorm gebruiken die u met het hulpmiddel voor tekenen hebt aangemaakt. Een afbeelding bijsnijden 1 Importeer de afbeelding die u wilt bijsnijden. 2 Voer een van de volgende handelingen uit, afhankelijk van de vorm die u als masker wilt gebruiken: ÂÂ Om de afbeelding bij te snijden met de standaardvorm (de rechthoek), selecteert u de afbeelding en klikt u vervolgens op de knop 'Snij bij' in de knoppenbalk (of kiest u 'Opmaak' > 'Snij bij'). ÂÂ Om de afbeelding bij te snijden met een kant-en-klare vorm (bijvoorbeeld een cirkel of een ster), selecteert u de afbeelding en kiest u 'Opmaak' > 'Gebruik vorm als masker' > vorm. ÂÂ Om de afbeelding bij te snijden met een willekeurige vorm, met inbegrip van een aangepaste vorm, maakt u de gewenste vorm aan en sleept u deze vorm naar de afbeelding die u wilt bijsnijden. Selecteer de vorm en de afbeelding door erop te klikken terwijl u de Shift-toets ingedrukt houdt en klik vervolgens op de knop 'Snij bij' in de knoppenbalk (of kies 'Opmaak' > 'Geselecteerde vorm als masker'). 220 Hoofdstuk 9 Werken met vormen, afbeeldingen en andere objecten

221 Er verschijnt een masker over de afbeelding en er wordt een aantal regelaars weergegeven. Sleep de selectiegrepen om de grootte van de uitsnede te wijzigen. Sleep de afbeelding om te bepalen welk gedeelte u wilt weergeven. Sleep de schuifknop om de grootte van de afbeelding te wijzigen. Klik hierop om het gebied buiten de uitsnede te tonen of te verbergen. 3 Om de grootte van de afbeelding te wijzigen, sleept u de schuifknop boven de knop 'Wijzig masker'. 4 Verfijn het masker op een of meer van de volgende manieren: ÂÂ Om de grootte van het masker te wijzigen, sleept u de selectiegrepen van het masker. Als u de verhoudingen van het masker wilt handhaven, houdt u de Shifttoets ingedrukt terwijl u sleept. ÂÂ Om het masker te roteren, houdt u de Command-toets ingedrukt terwijl u een selectiegreep in een van de hoeken van het masker sleept. 5 Sleep de afbeelding om te bepalen welk gedeelte u wilt weergeven. Als u het masker wilt verplaatsen, klikt u op de gestippelde rand van het masker en sleept u het vervolgens. 6 Als de positie en de grootte van uw afbeelding en het masker naar wens zijn, voert u een van de volgende handelingen uit om de bewerking te voltooien: ÂÂ Klik dubbel op het masker of de afbeelding. ÂÂ Druk op de Return-toets. ÂÂ Klik buiten de afbeelding. ÂÂ Klik op 'Wijzig masker'. 7 Om de grootte van de bijgesneden afbeelding te wijzigen, sleept u de selectiegrepen. Om de afbeelding te roteren, sleept u de selectiegrepen terwijl u de Command-toets ingedrukt houdt. 8 Om de grootte of de positie van het masker of de afbeelding binnen het masker te wijzigen, selecteert u de afbeelding met het masker en klikt u vervolgens op 'Wijzig masker'. Herhaal de bovenstaande stappen totdat de afbeelding naar wens is. Hoofdstuk 9 Werken met vormen, afbeeldingen en andere objecten 221

222 9 Om het bijsnijden van de afbeelding ongedaan te maken, klikt u op 'Snij niet bij' in de knoppenbalk (of kiest u 'Opmaak' > 'Snij niet bij'). Als u een groot afbeeldingsbestand bijsnijdt en u alleen de kleinere versie in uw spreadsheet wilt gebruiken, kunt u de kleinere versie van de afbeelding in Numbers bewaren om uw spreadsheet kleiner te maken. Zie Afbeeldingsbestanden kleiner maken op pagina 222. Afbeeldingsbestanden kleiner maken Wanneer u een zeer groot afbeeldingsbestand hebt verkleind of bijgesneden en u dit bestand als onderdeel van uw Numbers-spreadsheet wilt bewaren (zodat u het gemakkelijk naar een andere computer kunt overbrengen), maar u de documentgrootte tot een minimum wilt beperken, kunt u desgewenst alleen de kleinere (bijgesneden of verkleinde) versie van de afbeelding in uw spreadsheet bewaren. Voordat u het afbeeldingsbestand kleiner maakt, moet u uw document bewaren. Zie Een spreadsheet bewaren op pagina 35 voor meer informatie. Manieren om afbeeldingsbestanden kleiner te maken: mm Om het bestand van één bijgesneden of verkleinde afbeelding kleiner te maken, selecteert u de afbeelding en kiest u 'Opmaak' > 'Afbeelding' > 'Maak afbeeldingsbestand kleiner'. mm Om de bestanden van alle bijgesneden en verkleinde afbeeldingen kleiner te maken, deselecteert u alle elementen in het werkblad en kiest u 'Archief' > 'Maak bestand kleiner'. Belangrijk: Nadat u bestanden van bijgesneden of verkleinde afbeeldingen kleiner hebt gemaakt, kunt u de oorspronkelijke bestandsgrootte niet meer herstellen. Als u de grootte van deze bestanden wilt herstellen, moet u de oorspronkelijke afbeeldingsbestanden opnieuw aan het document toevoegen. Afbeeldingen die in afbeeldingsvullingen worden gebruikt, kunnen niet kleiner worden gemaakt met deze methode. Ook bepaalde typen afbeeldingsbestanden kunnen niet kleiner worden gemaakt. Zie Mediabestanden kleiner maken op pagina 237 voor meer informatie over het kleiner maken van geluids- en filmbestanden. De achtergrond of ongewenste elementen in een afbeelding verwijderen Met de functie 'Direct alfa' kunt u delen van een afbeelding transparant maken, zodat u de achtergrondkleur kunt verwijderen. 222 Hoofdstuk 9 Werken met vormen, afbeeldingen en andere objecten

223 U behaalt het beste resultaat met effen kleuren met een duidelijke grens. Gedeelten die minder duidelijk zijn, kunt u verwijderen door een kleiner gedeelte te selecteren en het proces te herhalen. Ongewenste elementen verwijderen 1 Selecteer de afbeelding. 2 Kies 'Opmaak' > 'Direct alfa'. 3 Klik op de kleur die u transparant wilt maken en sleep vervolgens voorzichtig over de kleur. Terwijl u sleept, groeit de selectie en omvat deze het aangesloten gedeelte waarin dezelfde kleuren worden gebruikt. Terwijl u sleept, groeit de selectie en omvat deze het aangesloten gedeelte waarin dezelfde kleuren worden gebruikt. U kunt bepalen welk gedeelte van de afbeelding wordt geselecteerd door minder of meer te slepen. Als u de Option-toets ingedrukt houdt terwijl u sleept, wordt de kleur waar u overheen sleept uit de afbeelding verwijderd. 4 Herhaal stap 3 zo vaak als u wilt. Als u hier meer sleept......wordt een groter gedeelte van de afbeelding geselecteerd. U kunt op elk gewenst moment de afbeelding herstellen. Om terug te gaan naar de oorspronkelijke afbeelding, kiest u 'Opmaak' > 'Verwijder direct alfa'. Om de onderdelen te herstellen van de afbeelding die u hebt verwijderd met direct alfa, kiest u 'Wijzig' > 'Herstel direct alfa' totdat alle onderdelen zijn hersteld. Hoofdstuk 9 Werken met vormen, afbeeldingen en andere objecten 223

224 De helderheid, het contrast en andere instellingen van een afbeelding wijzigen U kunt de helderheid, het contrast en andere instellingen van afbeeldingen wijzigen om de kwaliteit te verbeteren of om interessante effecten te creëren. Deze wijzigingen zijn niet van invloed op de originele afbeelding, maar uitsluitend op de weergave van de afbeelding in Numbers. Een afbeelding aanpassen 1 Selecteer de afbeelding. 2 Kies 'Weergave' > 'Toon 'Afbeelding aanpassen''. Hiermee past u de helderheid aan. Hiermee past u het contrast tussen lichte en donkere tinten aan. Hiermee activeert u warme of koele tinten. Hiermee verscherpt of verzacht u de focus. Hiermee wijzigt u de intensiteit van de kleur. Hiermee wijzigt u de hoeveelheid rood- of groentinten. Hiermee past u schaduwen en markeringen aan. Hier ziet u de samenhang tussen schaduwen en markeringen. Hiermee verbetert u kleuren automatisch. Hiermee past u het niveau van donkere en lichte tinten aan. Hiermee herstelt u de oorspronkelijke instellingen. 3 Met behulp van de opties kunt u de instellingen aanpassen. Helderheid: Hiermee wijzigt u de hoeveelheid wit in de afbeelding. Wanneer u de schuifknop naar rechts sleept, vergroot u de hoeveelheid wit in de afbeelding waardoor de afbeelding helderder wordt. Contrast: Hiermee wijzigt u het verschil tussen de lichte en de donkere delen van de afbeelding. Als u het contrast vergroot, worden de lichte delen lichter en de donkere delen donkerder. Als u het contrast verkleint, wordt het verschil tussen de lichte delen en de donkere delen kleiner. Wanneer u de schuifknop naar rechts sleept, wordt het contrast tussen de lichte en donkere delen sterker, waardoor een foto op een illustratie kan gaan lijken. Verzadiging: Hiermee wijzigt u de intensiteit van de kleuren in de afbeelding. Wanneer u de schuifknop naar rechts sleept, worden de kleuren intenser of levendiger. Temperatuur: Hiermee maakt u de afbeelding warmer of koeler door de hoeveelheid warme tinten (rood) of koele tinten (blauw) aan te passen. 224 Hoofdstuk 9 Werken met vormen, afbeeldingen en andere objecten

225 Tint: Hiermee wijzigt u de algehele kleurzweem van de afbeelding door de hoeveelheid rood- of groentinten aan te passen. Scherpte: Hiermee maakt u de afbeelding scherper of minder scherp. Belichting: Hiermee maakt u de totale afbeelding lichter of donkerder. Als u de belichting aanpast, wordt elk deel van de afbeelding lichter of donkerder. Als u de belichting van een afbeelding versterkt, kan dat ten koste van de kleuren gaan. Histogram en Niveaus: In het histogram worden alle kleurgegevens van de afbeelding weergegeven, van de donkerste schaduw aan de linkerkant tot het lichtste deel aan de rechterkant. De pieken geven de hoeveelheid kleurgegevens in een bepaald bereik aan. ÂÂ Om het niveau voor de donkere delen in te stellen, sleept u de linkerschuifknop in de richting van het midden. Als u de schuifknop naar rechts sleept, verkleint u het kleurenbereik en kunt u de schaduwen helderder maken. De positie van de schuifknop bepaalt de hoeveelheid gegevens voor het donkerste deel van de afbeelding. De gegevens links van de schuifknop worden niet in de afbeelding opgenomen. U kunt bijvoorbeeld de schuifknop slepen tot het punt waarop de lijn in het histogram een duidelijke piek vormt, die aangeeft dat er gegevens beschikbaar zijn. ÂÂ Om het niveau voor de lichte delen in te stellen, sleept u de rechterschuifknop in de richting van het midden. Als u de schuifknop naar links sleept, verkleint u het kleurenbereik en kunt u de lichte delen helderder maken. De positie van de schuifknop bepaalt de hoeveelheid gegevens voor het lichtste deel van de afbeelding. De gegevens rechts van de schuifknop worden niet in de afbeelding opgenomen. U kunt bijvoorbeeld de schuifknop slepen tot het punt waarop de lijn in het histogram een duidelijke piek vormt, die aangeeft dat er gegevens beschikbaar zijn. Verbeter: Hiermee past u de afbeelding automatisch aan door de rood-, groen- en blauwtinten gelijkmatig over het histogram te verdelen. 4 Klik op de knop 'Stel opnieuw in' om de originele instellingen te herstellen. Bewaar het document om eventueel aangebrachte wijzigingen te bewaren. De instellingen in het venster op het moment dat u het document bewaart, zijn onveranderd wanneer u het venster 'Afbeelding aanpassen' opnieuw opent. Vormen aanmaken Numbers biedt een groot aantal kant-en-klare vormen die u aan spreadsheets kunt toevoegen, zoals cirkels, rechthoeken met rechte of afgeronde hoeken, sterren, tekstballonnen, pijlen, enzovoort. U kunt ook uw eigen vormen tekenen, of de lijnen en de omtrek van een kant-en-klare vorm aanpassen. Hoofdstuk 9 Werken met vormen, afbeeldingen en andere objecten 225

226 Voor informatie over Een eenvoudige vooraf gedefinieerde vorm toevoegen Zie Een kant-en-klare vorm toevoegen op pagina 226 Zelf vormen tekenen Een aangepaste vorm toevoegen op pagina 226 De omtrek van een vorm wijzigen Vormen bewerken op pagina 228 De richting, kleur en schaduw wijzigen en andere wijzigingen in vormen aanbrengen Objecten bewerken en ordenen en het uiterlijk van objecten wijzigen op pagina 237 Een kant-en-klare vorm toevoegen U kunt kant-en-klare vormen, zoals driehoeken, pijlen, cirkels en rechthoeken, invoegen en gebruiken als eenvoudige afbeeldingen. Manieren om een kant-en-klare vorm toe te voegen: mm Klik op de knop 'Vorm' in de knoppenbalk en kies vervolgens een vorm uit het venstermenu. mm Kies 'Voeg in' > 'Vorm' > vorm. mm Houd de Option-toets ingedrukt terwijl u op de knop 'Vorm' in de knoppenbalk klikt en kies vervolgens een vorm uit het venstermenu. De aanwijzer verandert in een kruisvormige aanwijzer. Sleep de aanwijzer over het werkblad om een vorm met het gewenste formaat aan te maken. Als u de verhoudingen van de vorm wilt handhaven (zodat een driehoek bijvoorbeeld gelijkzijdig blijft), houdt u de Shift-toets ingedrukt bij het slepen. Sleep de nieuwe vorm naar de gewenste positie in het werkblad. Als u de omtrek van de vorm wilt wijzigen, moet u de vorm eerst bewerkbaar maken. Zie Vormen bewerken op pagina 228 voor meer informatie. Zie Objecten bewerken en ordenen en het uiterlijk van objecten wijzigen op pagina 237 voor meer informatie over het bewerken en uitlijnen van vormen en het wijzigen van de algemene objecteigenschappen van vormen, zoals de kleur, randstijl (lijnstijl), grootte, richting, schaduw, enzovoort. Een aangepaste vorm toevoegen Met het hulpmiddel voor tekenen kunt u uw eigen vormen aanmaken. Uw eigen vorm tekenen 1 Klik op de knop 'Vorm' in de knoppenbalk en selecteer vervolgens de tekenfunctie (of kies 'Voeg in' > 'Vorm' > 'Teken met pen'). 226 Hoofdstuk 9 Werken met vormen, afbeeldingen en andere objecten

227 De aanwijzer ziet eruit als de punt van een pen. 2 Klik op een willekeurige positie in het document om het beginpunt van uw eigen vorm te bepalen. 3 Klik om meerdere punten toe te voegen. Elk punt dat u toevoegt is verbonden met het voorafgaande punt. Als u de laatste verbindingslijn wilt verwijderen die u hebt aangemaakt, drukt u op de Delete-toets. U kunt meerdere keren op de Delete-toets drukken. 4 Als u met tekenen wilt stoppen en de vorm wilt sluiten, waarbij tussen het laatste en eerste punt een ononderbroken lijn wordt geplaatst, klikt u op het eerste punt. Als u met tekenen wilt stoppen en geen lijn tussen het eerste en laatste punt wilt aanbrengen (zodat u later verder kunt werken aan de vorm), drukt u op de Esc-toets of klikt u dubbel op het laatste punt dat u hebt getekend. 5 Als u een vorm die u hebt opengelaten wilt sluiten of er punten aan wilt toevoegen, klikt u eenmaal op de vorm om deze te selecteren en klikt u nogmaals op de vorm om de bijbehorende punten te tonen. Klik dubbel op een van de twee punten aan weerszijden van de actieve verbindingslijn. De aanwijzer verandert in de punt van een pen. Klik op de gewenste positie om extra punten toe te voegen. Als u met tekenen wilt stoppen en de vorm wilt sluiten, klikt u op het punt aan het einde van de actieve verbindingslijn. 6 Selecteer de rand van de vorm en sleep deze naar de gewenste positie in het werkblad. 7 Als u de omtrek van de vorm wilt wijzigen, moet u de vorm eerst bewerkbaar maken. Zie Vormen bewerken op pagina 228 voor meer informatie. Zie Objecten bewerken en ordenen en het uiterlijk van objecten wijzigen op pagina 237 voor meer informatie over het bewerken en uitlijnen van vormen en het wijzigen van de algemene objecteigenschappen van vormen, zoals de kleur, randstijl (lijnstijl), grootte, richting, schaduw, enzovoort. Hoofdstuk 9 Werken met vormen, afbeeldingen en andere objecten 227

228 Vormen bewerken U kunt de punten en de omtrek van een vorm die u al in een werkblad hebt ingevoegd, bewerken om de vorm aan te passen. Voordat u een vorm op deze wijze kunt bewerken, moet u de vorm bewerkbaar maken. Manieren om vormen bewerkbaar te maken: mm Om een kant-en-klare vorm bewerkbaar te maken, selecteert u de vorm en kiest u vervolgens 'Opmaak' > 'Vorm' > 'Maak bewerkbaar' te kiezen. Er verschijnen rode punten op de vorm. Sleep de punten om de vorm te wijzigen. Als u later een kant-en-klare vorm wilt bewerken die bewerkbaar is gemaakt, klikt u tweemaal langzaam op de vorm. mm Om een aangepaste vorm bewerkbaar te maken, klikt u eenmaal op de vorm om deze te selecteren en klikt u nogmaals om de bewerkingspunten te tonen. Voor informatie over De omtrek van een vorm wijzigen door de punten van de vorm aan te passen Een gebogen lijn langer of korter maken en de hoek ervan wijzigen De hoek tussen twee segmenten wijzigen of de lengte van een segment aanpassen Een of meer punten omzetten in gebogen lijnen of gebogen lijnen omzetten in punten Zie Bewerkingspunten voor een vorm toevoegen, verwijderen en verplaatsen op pagina 228 De vorm van een gebogen lijn wijzigen op pagina 229 De vorm van een recht segment wijzigen op pagina 230 Een hoekpunt omzetten in een gebogen punt en omgekeerd op pagina 230 De hoeken van een afgeronde rechthoek wijzigen Een afgeronde rechthoek bewerken op pagina 231 De relatieve verhoudingen van een pijlpunt en pijlstaart aanpassen De hoeken en andere aspecten van een tekstballon of bijschrift aanpassen Het aantal punten in een ster vergroten of verkleinen Het aantal zijden in een veelhoek vergroten of verkleinen De kleur, de randstijl en andere aspecten van een vorm aanpassen Een enkele en dubbele pijl bewerken op pagina 231 Een tekstballon of bijschrift bewerken op pagina 232 Een ster bewerken op pagina 232 Een veelhoek bewerken op pagina 233 Objecten bewerken en ordenen en het uiterlijk van objecten wijzigen op pagina 237 Bewerkingspunten voor een vorm toevoegen, verwijderen en verplaatsen U kunt de lijnen en de omtrek van een vorm aanpassen door bewerkingspunten toe te voegen, te verplaatsen of te verwijderen. Hiervoor moet u de vorm eerst bewerkbaar maken. Zie Vormen bewerken op pagina 228 voor meer informatie. 228 Hoofdstuk 9 Werken met vormen, afbeeldingen en andere objecten

229 Manieren om de bewerkingspunten van een vorm aan te passen: mm Om een punt toe te voegen, maakt u de vorm bewerkbaar, drukt op de Option-toets en plaatst u de aanwijzer op de rand van de vorm. De aanwijzer verandert in de punt van een pen met een plusteken (+). Klik op de rand op de positie waar u een punt wilt toevoegen en verplaats het punt eventueel. mm Om een punt te verplaatsen, maakt u de vorm bewerkbaar, klikt u op het punt en sleept u het vervolgens naar een andere positie. Om tegelijkertijd meerdere punten te verplaatsen, houdt u de Shift-toets ingedrukt, klikt u op de gewenste punten en sleept u vervolgens met de muis. mm Om een punt te verwijderen, maakt u de vorm bewerkbaar, klikt u op het punt en drukt u vervolgens op de Delete-toets. Om tegelijkertijd meerdere punten te verwijderen, houdt u de Shift-toets ingedrukt, klikt u op de gewenste punten en drukt u vervolgens op de Delete-toets. De vorm van een gebogen lijn wijzigen U kunt een unieke vorm aanmaken door de omtrek van een kant-en-klare vorm aan te passen. Met deze techniek kunt u ook de gebogen lijnen van een aangepaste vorm wijzigen. De vorm van een gebogen lijn wijzigen 1 Maak de vorm bewerkbaar. Zie Vormen bewerken op pagina 228 voor meer informatie. Er verschijnen rode punten op de vorm. Met deze punten kunt u de vorm van de gebogen lijnen wijzigen. 2 Klik op een rood punt op de gebogen lijn waarvan u de vorm wilt wijzigen. Aan weerszijden van de rode punt wordt een selectiegreep weergegeven. Om de gebogen lijn te wijzigen, sleept u een selectiegreep of roteert u een van de beide selectiegrepen. U kunt ook een punt slepen om de gebogen lijn te wijzigen. 3 Wijzig de kromming door de rode punt of een van de selectiegrepen te slepen. Verplaats de selectiegrepen rechtsom of linksom. U kunt de grepen gezamenlijk of los van elkaar verplaatsen om uiteenlopende effecten te realiseren. U kunt een beetje experimenteren totdat u het gewenste effect hebt bereikt. Hoofdstuk 9 Werken met vormen, afbeeldingen en andere objecten 229

230 Als u de selectiegrepen tegelijkertijd wilt verplaatsen, houdt u de Option-toets ingedrukt en sleept u vervolgens een van de grepen. Om slechts één greep te verplaatsen, houdt u de Command-toets ingedrukt terwijl u de greep sleept. 4 Als u de omtrek nauwkeuriger wilt bepalen, kunt u meer bewerkingspunten toevoegen. Houd daarvoor de Option-toets ingedrukt en plaats de aanwijzer op de rand van de vorm. Wanneer de aanwijzer verandert in de punt van een pen met een plusteken (+), klikt u op de positie waar u een nieuw bewerkingspunt wilt toevoegen. Zie Bewerkingspunten voor een vorm toevoegen, verwijderen en verplaatsen op pagina 228 voor meer informatie. De vorm van een recht segment wijzigen U kunt de hoek tussen twee segmenten wijzigen of de lengte van een segment aanpassen. De vorm van een recht segment wijzigen 1 Maak de vorm bewerkbaar. Zie Vormen bewerken op pagina 228 voor meer informatie. 2 Klik op een van de hoekpunten. 3 Wijzig de hoek tussen de twee gekoppelde segmenten door het punt naar links of naar rechts te slepen. 4 Wijzig de lengte van een van de segmenten door het punt naar buiten of naar binnen te slepen. 5 Om meer bewerkingspunten toe te voegen, houdt u de Option-toets ingedrukt en plaatst u de aanwijzer op een lijn. Wanneer de aanwijzer verandert in de punt van een pen met een plusteken (+), klikt u op de positie waar u een nieuw bewerkingspunt wilt toevoegen. Zie Bewerkingspunten voor een vorm toevoegen, verwijderen en verplaatsen op pagina 228 voor meer informatie. Een hoekpunt omzetten in een gebogen punt en omgekeerd U kunt een of meer punten omzetten in een gebogen lijnen of gebogen lijnen omzetten in punten. Hiervoor moet u de vorm eerst bewerkbaar maken. Zie Vormen bewerken op pagina 228 voor meer informatie. Manieren om een hoekpunt om te zetten in een gebogen punt en andersom: mm Om een hoekpunt in een gebogen punt om te zetten, maakt u de vorm bewerkbaar en klikt u dubbel op het hoekpunt. mm Om een gebogen punt in een hoekpunt om te zetten, maakt u de vorm bewerkbaar en klikt u dubbel op het gebogen punt. mm Om alle hoekpunten van een of meer vormen om te zetten in gebogen punten, maakt u de vormen bewerkbaar, selecteert u de gewenste vormen en kiest u vervolgens 'Opmaak' > 'Vorm' > 'Maak pad minder scherp'. 230 Hoofdstuk 9 Werken met vormen, afbeeldingen en andere objecten

231 mm Om alle gebogen punten van een of meer vormen om te zetten in hoekpunten, maakt u de vormen bewerkbaar, selecteert u de gewenste vormen en kiest u vervolgens 'Opmaak' > 'Vorm' > 'Maak pad scherper'. Nadat een vorm bewerkbaar is gemaakt, kunt u de commando's 'Maak pad minder scherp' en 'Maak pad scherper' gebruiken zonder de vorm opnieuw bewerkbaar te maken. Een afgeronde rechthoek bewerken De afgeronde rechthoek heeft een ronde greep waarmee u de hoeken kunt wijzigen. Hiermee kunt u een rechte of ronde hoek tekenen. mm Een afgeronde rechthoek bewerken Selecteer de vorm en sleep het blauwe bewerkingspunt naar links om rechte hoeken te maken of naar rechts om afgeronde hoeken te maken. Een enkele en dubbele pijl bewerken Een pijl bevat speciale bewerkingspunten waarmee u de relatieve verhoudingen van de pijlpunt en de pijlstaart kunt aanpassen. Hiermee kunt u de lengte van de staart wijzigen. Door deze greep naar boven of beneden te slepen, wijzigt u de breedte van de pijlpunt. Door deze greep naar links of rechts te slepen, wijzigt u de grootte van de pijlpunt. De verhoudingen van een enkele of dubbele pijl wijzigen mm Selecteer de vorm en voer een of meer van de volgende handelingen uit: ÂÂ Om de pijl langer te maken, sleept u een van de selectiegrepen op de pijlpunt of de pijlstaart. ÂÂ Om de hele pijl smaller of dikker te maken, sleept u een van de selectiegrepen op het begrenzingskader van de pijl in de buurt van de plek waar de pijlpunt en de pijlstaart elkaar raken. ÂÂ Om de relatieve dikte van de pijlpunt en de pijlstaart te wijzigen, plaatst u de aanwijzer op het blauwe bewerkingspunt op de plek waar de pijlpunt en de pijlstaart elkaar raken. Wanneer de vorm van de aanwijzer verandert, sleept u het bewerkingspunt in de gewenste richting om de verhoudingen van de pijl te wijzigen. Hoofdstuk 9 Werken met vormen, afbeeldingen en andere objecten 231

232 Een tekstballon of bijschrift bewerken Tekstballonnen en bijschriften bevatten speciale bewerkingsgrepen. Met deze grepen kunt u de hoeken van de vorm ronder, minder rond, rechter of minder recht maken, en de dikte en lengte van de staart van de vorm wijzigen. Het uiterlijk van tekstballonnen of bijschriften wijzigen mm Selecteer de vorm en voer een of meer van de volgende handelingen uit: ÂÂ Om de hoeken rechter te maken, sleept u het blauwe bewerkingspunt in de richting van de staart van de vorm. Sleep het bewerkingspunt weg van de staart om de hoeken ronder te maken. ÂÂ Om de staart van de vorm dikker of dunner te maken, sleept u het blauwe bewerkingspunt op het snijpunt van de staart en de vorm naar buiten of naar binnen. ÂÂ Om de staart van de vorm langer of korter te maken, sleept u het blauwe bewerkingspunt op het uiteinde van de staart naar buiten of naar binnen. ÂÂ Om de vorm langer, korter, breder of smaller te maken, sleept u de selectiegrepen op het begrenzingskader van de vorm. Een ster bewerken De ster bevat een schuifknop waarmee u het aantal punten in de ster kunt verhogen of verlagen, en een blauw bewerkingspunt waarmee u de hoeken tussen de punten scherper of stomper kunt maken. Hiermee wijzigt u de hoek tussen de punten van de ster. Hier wordt het huidige aantal punten van de ster weergegeven. Hiermee kunt u het aantal punten van de ster vergroten of verkleinen. mm mm Manieren om een ster te bewerken: Als u een stervorm selecteert, verschijnt de schuifknop. Door deze schuifknop naar links of naar rechts te schuiven, wijzigt u het aantal punten in de ster. Om de hoek tussen de punten in de ster te wijzigen, sleept u het blauwe bewerkingspunt. 232 Hoofdstuk 9 Werken met vormen, afbeeldingen en andere objecten

233 Een veelhoek bewerken De veelhoek beschikt over een schuifknop voor het verhogen of verlagen van het aantal zijden in de veelhoek. Hier wordt het huidige aantal zijden van de veelhoek weergegeven. Hiermee wijzigt u het aantal zijden van de veelhoek. mm Een veelhoek bewerken Als u de veelhoek selecteert, verschijnt de schuifknop. Door deze schuifknop te naar links of naar rechts te schuiven, wijzigt u het aantal zijden van de veelhoek. Geluid en films gebruiken U kunt geluid (een muziekbestand, een afspeellijst uit uw itunes-bibliotheek of elk ander audiobestand) toevoegen aan een Numbers-spreadsheet. Ook kunt u videobeelden toevoegen die in een werkblad worden afgespeeld. U kunt in Numbers werken met alle QuickTime- en itunes-bestandsstructuren, waaronder: ÂÂ MOV ÂÂ MP3 ÂÂ MPEG-4 ÂÂ AIFF ÂÂ AAC Sommige mediabestanden zijn auteursrechtelijk beschermd. Het is mogelijk dat gedownloade muziek alleen mag worden afgespeeld op de computer waarop de muziek is gedownload. Controleer of alle mediabestanden in uw spreadsheet kunnen worden afgespeeld op de computer waarmee u werkt. Wanneer u mediabestanden aan uw spreadsheet toevoegt, moet u controleren of deze bestanden beschikbaar zijn als u uw document naar een andere computer overbrengt. Hiervoor moet u bij het bewaren van uw document het aankruisvak 'Kopieer audio en films naar document' in het bewaarvenster inschakelen. (Als dit aankruisvak niet zichtbaar is, klikt u op de knop naast het veld 'Bewaar' om het volledige bewaarvenster weer te geven. Vervolgens klikt u op het driehoekje voor 'Geavanceerde opties'.) Hoofdstuk 9 Werken met vormen, afbeeldingen en andere objecten 233

234 Voor informatie over Zie Geluid aan een spreadsheet toevoegen Een audiobestand toevoegen op pagina 234 Een film toevoegen Een filmbestand toevoegen op pagina 235 Een fotolijst om een film plaatsen Een fotolijst om een film plaatsen op pagina 235 Instellingen voor het afspelen van audio- en filmbestanden opgeven Ongebruikte delen van audio- en filmbestanden uit een spreadsheet verwijderen Opties voor het afspelen van media aanpassen op pagina 236 Mediabestanden kleiner maken op pagina 237 Een audiobestand toevoegen Manieren om geluid aan een spreadsheet toe te voegen: mm Sleep een geluidsbestand vanuit de Finder naar een werkblad of naar een plaatsaanduiding voor media. mm Klik op de knop 'Media' in de knoppenbalk, kies 'itunes' uit het venstermenu, selecteer een afspeellijst en sleep vervolgens een bestand of afspeellijst naar een willekeurige positie in een werkblad of naar een plaatsaanduiding voor media. Het geluidsbestand wordt als een luidsprekersymbool in het werkblad weergegeven. Klik dubbel op het symbool om het geluidsbestand af te spelen. Zie Opties voor het afspelen van media aanpassen op pagina 236 voor informatie over het instellen van opties voor het afspelen van geluid. Wanneer u mediabestanden toevoegt, moet u controleren of deze bestanden beschikbaar zijn als u uw document naar een andere computer overbrengt. Als u uw document bewaart, schakelt u het aankruisvak 'Kopieer audio en films naar document' in het bewaarvenster in nadat u 'Bewaar' of 'Bewaar als' hebt gekozen. (Als dit aankruisvak niet zichtbaar is, klikt u op de knop met het driehoekje naast het veld en klikt u vervolgens op 'Geavanceerde opties'.) Sommige mediabestanden zijn auteursrechtelijk beschermd. Het is mogelijk dat gedownloade muziek alleen mag worden afgespeeld op de computer waarop de muziek is gedownload. Controleer of alle mediabestanden in uw spreadsheet kunnen worden afgespeeld op de computer waarmee u werkt. 234 Hoofdstuk 9 Werken met vormen, afbeeldingen en andere objecten

235 Een filmbestand toevoegen Manieren om een film aan een spreadsheet toe te voegen: mm Sleep een filmbestand vanuit de Finder naar een willekeurige positie in een werkblad of naar een plaatsaanduiding voor media. mm Klik op de knop 'Media' in de knoppenbalk en klik vervolgens op de knop 'Films' in de mediakiezer. Selecteer een bestand en sleep dit bestand naar een werkblad of naar een plaatsaanduiding voor media. mm Kies 'Voeg in' > 'Kies' en navigeer naar het gewenste filmbestand. Selecteer het bestand en klik op 'Voeg in'. Sleep de film naar de gewenste positie in het werkblad. Zie Opties voor het afspelen van media aanpassen op pagina 236 voor meer informatie over het instellen van opties voor het afspelen van films. Sommige mediabestanden zijn auteursrechtelijk beschermd. Het is mogelijk dat gedownloade muziek alleen mag worden afgespeeld op de computer waarop de muziek is gedownload. Controleer of alle mediabestanden in uw spreadsheet kunnen worden afgespeeld op de computer waarmee u werkt. Wanneer u mediabestanden aan uw spreadsheet toevoegt, moet u controleren of deze bestanden beschikbaar zijn als u uw document naar een andere computer overbrengt. Als u uw document bewaart, schakelt u het aankruisvak 'Kopieer audio en films naar document' in het bewaarvenster in nadat u 'Bewaar' of 'Bewaar als' hebt gekozen. (Als dit aankruisvak niet zichtbaar is, klikt u op de knop met het driehoekje naast het veld en klikt u vervolgens op 'Geavanceerde opties'.) Een fotolijst om een film plaatsen U kunt een fotolijst om een film plaatsen, zodat de film er beter uitziet in het werkblad. U kunt een fotolijst toevoegen met de instellingen voor lijnen in het infovenster 'Afbeelding'. Een film in een fotolijst plaatsen 1 Selecteer de film en klik op de knop 'Info' in de knoppenbalk om het infovenster te openen. Klik op de knop 'Afbeeldingsinfo' in het infovenster. 2 Kies 'Fotolijst' uit het venstermenu 'Lijn'. 3 Klik op de fotolijst onder het venstermenu 'Lijn' en kies een kaderstijl. 4 Sleep de schuifknop 'Vergroten/verkleinen' of geef een percentage op om de dikte van de fotolijst in te stellen. Zie Objecten in een kader plaatsen op pagina 248 voor meer informatie over fotolijsten. Hoofdstuk 9 Werken met vormen, afbeeldingen en andere objecten 235

236 Opties voor het afspelen van media aanpassen Als u niet een heel audio- of filmbestand in uw spreadsheet wilt gebruiken, maar alleen bepaalde delen wilt afspelen, kunt u dat instellen in het infovenster 'QuickTime'. U kunt ook de filmposter (het filmbeeld dat wordt weergegeven totdat het afspelen van de film wordt gestart) instellen en andere afspeelopties opgeven. Hiermee kiest u het filmbeeld dat wordt getoond tot de film wordt afgespeeld. Hiermee stelt u het afspeelvolume in. Hiermee opent u het infovenster 'QuickTime'. Hiermee start en stopt u een film op een bepaald punt. Hiermee stelt u herhaalopties voor het afspelen in. Met behulp van deze regelaars kunt u de film bekijken of het geluid afspelen terwijl u de spreadsheet bewerkt. Met de knoppen voor afspelen, pauze, vooruitspoelen en terugspoelen in het infovenster 'QuickTime' kunt u een voorvertoning van de film bekijken terwijl u de afspeelopties instelt. De voorkeuren voor het afspelen van media instellen 1 Klik op de knop 'Info' in de knoppenbalk en klik vervolgens op de knop 'QuickTimeinfo'. 2 Selecteer het film- of geluidsobject door erop te klikken. 3 Om alleen een bepaald deel van een film in een spreadsheet af te spelen, sleept u de schuifknoppen voor starten en stoppen om de film bij een bepaald beeld of tijdpunt te starten en te stoppen. Om alleen een bepaald deel van een audiobestand af te spelen, sleept u de schuifknoppen voor starten en stoppen. 4 Om in te stellen welk stilstaand filmbeeld wordt weergegeven totdat het afspelen van de film wordt gestart, sleept u de schuifknop 'Filmposter' totdat het gewenste beeld van de film wordt weergegeven. 5 Kies een optie uit het venstermenu 'Herhaling': Geen: De film wordt één keer afgespeeld. Herhaal: De film wordt doorlopend herhaald. Herhaal heen en terug: De film wordt doorlopend heen en terug afgespeeld. 6 Om het afspeelvolume te verhogen of te verlagen, sleept u de schuifknop 'Volume' naar rechts of links. 236 Hoofdstuk 9 Werken met vormen, afbeeldingen en andere objecten

237 Mediabestanden kleiner maken Wanneer u grote geluids- en filmbestanden aan een Numbers-spreadsheet toevoegt, kan het spreadsheetbestand erg groot worden. Als u slechts een deel van het geluidsof filmbestand in uw spreadsheet gebruikt, kunt u de ongebruikte delen van het geluids- of filmbestand verwijderen om het Numbers-bestand kleiner te maken. U kunt afzonderlijke mediabestanden kleiner maken of u kunt alle mediabestanden in het document die niet volledig worden gebruikt, kleiner maken. Voordat u de film- of audiobestanden kleiner maakt, moet u deze bestanden als onderdeel van uw document bewaren. Kies 'Archief' > 'Bewaar', klik op 'Geavanceerde opties', controleer of 'Kopieer audio en films naar document' is geselecteerd en klik op 'Bewaar'. Zie Een spreadsheet bewaren op pagina 35 voor meer informatie over het bewaren van spreadsheets. Manieren om uw spreadsheetbestand kleiner te maken: mm Om een afzonderlijk mediabestand in uw document kleiner te maken, selecteert u een geluids- of filmbestand waarvan u slechts een deel gebruikt (ingesteld met de schuifknoppen voor starten en stoppen) en kiest u 'Opmaak' > 'Afbeelding' > 'Maak mediabestand kleiner'. mm Om alle mediabestanden in uw document kleiner te maken, deselecteert u alle geluids-, film- en afbeeldingsbestanden en kiest u 'Archief' > 'Maak bestand kleiner'. Nadat u uw geluids- of filmbestand kleiner hebt gemaakt, is het niet meer mogelijk de oorspronkelijke bestandsgrootte te herstellen, of de verwijderde delen te beluisteren of te bekijken. Om het volledige bestand te herstellen, moet u het bestand opnieuw toevoegen. Bepaalde typen filmbestanden kunnen op deze manier niet kleiner worden gemaakt. Zie Afbeeldingsbestanden kleiner maken op pagina 222 voor meer informatie over het kleiner maken van afbeeldingsbestanden. Objecten bewerken en ordenen en het uiterlijk van objecten wijzigen In het algemeen kunt u alle objecten in Numbers op dezelfde manier selecteren, ordenen en bewerken, ongeacht of het gaat om afbeeldingen, vormen, films, tabellen, diagramonderdelen of tekstvakken. Bij de meeste objecten gebruikt u dezelfde functies voor het aanpassen van de grootte en de richting, en voor het toevoegen van schaduwen, weerspiegelingen, randstijlen (lijnstijlen), vulkleuren, afbeeldingsvullingen, enzovoort. Hoofdstuk 9 Werken met vormen, afbeeldingen en andere objecten 237

238 Voor informatie over Een of meer objecten selecteren om ze te bewerken Zie Objecten selecteren op pagina 238 Een object kopiëren of dupliceren Objecten kopiëren of dupliceren op pagina 238 Een object verwijderen Objecten verwijderen op pagina 239 Objecten in een werkblad ordenen, groeperen en vergrendelen De grootte, richting en randen van objecten wijzigen en andere bewerkingen uitvoeren Objecten vullen met een effen kleur, een verlooptint of een afbeelding Objecten plaatsen en verplaatsen op pagina 239 Objecten wijzigen op pagina 245 Een kleur of afbeelding als vulling voor een object gebruiken op pagina 252 Objecten selecteren Voordat u objecten kunt verplaatsen, wijzigen of op een andere manier kunt bewerken, moet u deze selecteren. Een geselecteerd object is voorzien van grepen waarmee u het object kunt verplaatsen of bewerken. Manieren om objecten te selecteren of om de selectie ervan op te heffen: mm Om een tabel te selecteren, klikt u in het paneel 'Werkbladen' op de naam van de tabel. Zie Tabellen en tabelonderdelen selecteren op pagina 59 voor andere technieken voor het selecteren van een tabel. Om afzonderlijke objecten te selecteren, klikt u op een willekeurige plaats in het object. Om een object zonder vulling te selecteren, klikt u op de rand. mm Om tegelijkertijd meerdere objecten in een werkblad te selecteren, houdt u de Shift- toets ingedrukt terwijl u op de desbetreffende objecten klikt. mm Om alle objecten in een werkblad te selecteren, klikt u op het werkblad en drukt u op Command + A. mm Om een object te selecteren dat deel uitmaakt van een groep, moet u eerst de groepering van de objecten opheffen. Hiervoor selecteert u de groep en kiest u 'Orden' > 'Hef groep op'. mm Om de selectie van objecten in een groep van geselecteerde objecten op te heffen, houdt u de Command-toets ingedrukt en klikt u vervolgens op de objecten waarvan u de selectie wilt opheffen. Objecten kopiëren of dupliceren De manier waarop u een object kopieert is afhankelijk van de plek waar u de kopie wilt plaatsen. Als de kopie ver van het origineel of in een ander document wordt geplaatst, is kopiëren en plakken gewoonlijk eenvoudiger. Als u werkt met een object dat zich in de buurt van het originele object bevindt, is het over het algemeen eenvoudiger om het object te dupliceren. 238 Hoofdstuk 9 Werken met vormen, afbeeldingen en andere objecten

239 Manieren om objecten te kopiëren: mm Om een object te kopiëren en te plakken, selecteert u het object en kiest u vervolgens 'Wijzig' > 'Kopieer'. Klik op de locatie waar u de kopie wilt plaatsen. Vervolgens kiest u 'Wijzig' > 'Plak'. mm Om een object in een werkblad te dupliceren, houdt u de Option-toets ingedrukt terwijl u het object sleept. U kunt ook het object selecteren en vervolgens 'Wijzig' > 'Dupliceer' kiezen. De kopie verschijnt enigszins verschoven boven op het origineel. Sleep de kopie naar de gewenste positie. mm Om een afbeelding van het ene naar het andere Numbers-document te kopiëren, selecteert u de afbeelding en sleept u het symbool in het veld 'Bestandsinfo' in het infovenster 'Formaat' naar een werkblad in het andere Numbers-bestand. Objecten verwijderen Een object verwijderen mm Selecteer het object of de objecten en druk op de Delete-toets. Als u per ongeluk een object hebt verwijderd, kiest u 'Wijzig' > 'Herstel verwijderen'. Objecten plaatsen en verplaatsen Numbers bevat verschillende hulpmiddelen waarmee u objecten in een werkblad met grote precisie kunt ordenen, zoals aanpasbare hulplijnen. U kunt meerdere objecten tegelijk bewerken door de objecten te groeperen. U kunt objecten vergrendelen, zodat ze niet kunnen worden verplaatst. Bovendien kunt u objecten in lagen plaatsen, zodat ze elkaar overlappen en er een diepte-effect wordt gecreëerd. Manieren om objecten rechtstreeks te bewerken: mm Om een tabel te verplaatsen naar een nieuwe locatie in een werkblad, gebruikt u de technieken die worden beschreven in Een tabel verplaatsen op pagina 56. Om andere objecten te verplaatsen, sleept u deze. Sleep objecten niet bij de grepen, omdat u op deze manier het formaat van de objecten zou kunnen wijzigen. mm Om objecten precies uit te lijnen tijdens het slepen, kunt u hulplijnen gebruiken. Zie Hulplijnen gebruiken op pagina 241 voor meer informatie. mm U kunt de verplaatsingsrichting van het object beperken tot horizontaal, verticaal of een hoek van 45 graden door de Shift-toets ingedrukt te houden terwijl u sleept. mm U kunt een geselecteerd object stapsgewijs verplaatsen door op een van de pijltoetsen te drukken. Hierdoor wordt het object telkens met één punt verplaatst. U kunt het object met telkens tien punten verplaatsen door de Shift-toets ingedrukt te houden terwijl u op een pijltoets drukt. Hoofdstuk 9 Werken met vormen, afbeeldingen en andere objecten 239

240 mm U kunt de positie van het object tijdens het verplaatsen weergeven door 'Numbers' > 'Voorkeuren' te kiezen en vervolgens het aankruisvak 'Toon grootte en positie bij verplaatsing objecten' in te schakelen in het paneel 'Algemeen'. mm Om tekst of een object in een ander object te verplaatsen, selecteert u het object en kiest u 'Wijzig' > 'Knip'. Vervolgens plaatst u het invoegpunt op de positie waar u het object wilt plaatsen en kiest u 'Wijzig' > 'Plak'. Voor informatie over De volgorde van elkaar overlappende objecten wijzigen Zie Een object naar voren of naar achteren verplaatsen (objecten in lagen plaatsen) op pagina 240 Lijn objecten uit Objecten snel met elkaar uitlijnen op pagina 241 Objecten uitlijnen met behulp van hulplijnen Hulplijnen gebruiken op pagina 241 Nieuwe hulplijnen aanmaken die zichtbaar blijven terwijl u werkt Objecten nauwkeurig plaatsen door x- en y-coördinaten op te geven Objecten als groep verplaatsen, kopiëren of plakken Twee objecten via een lijn met elkaar verbinden Objecten vergrendelen om te voorkomen dat u deze per ongeluk verplaatst Nieuwe hulplijnen aanmaken op pagina 242 Objecten plaatsen door x- en y-coördinaten op te geven op pagina 242 Objecten groeperen en de groepering van objecten opheffen op pagina 243 Objecten via een aanpasbare lijn met elkaar verbinden op pagina 244 Objecten vergrendelen en ontgrendelen op pagina 245 Een object naar voren of naar achteren verplaatsen (objecten in lagen plaatsen) Als objecten elkaar overlappen of als tekst en objecten elkaar overlappen, kunt u de volgorde van de objecten in de verschillende lagen wijzigen. Een object voor of achter tekst of een ander object verplaatsen 1 Selecteer het object dat u wilt verplaatsen. 2 U kunt een object laag voor laag verplaatsen door 'Orden' > 'Naar voren' of 'Orden' > 'Naar achteren' te kiezen. 3 Kies 'Orden' > 'Plaats vooraan' of 'Orden' > 'Plaats achteraan' om een object helemaal bovenaan of helemaal onderaan te plaatsen. Als u regelmatig objecten in lagen plaatst, kunt u de knoppen 'Voor', 'Achter', 'Naar voren' en 'Naar achteren' aan de knoppenbalk toevoegen om efficiënter te werken. Zie De knoppenbalk op pagina 18 voor meer informatie over het aanpassen van de knoppenbalk. 240 Hoofdstuk 9 Werken met vormen, afbeeldingen en andere objecten

241 Objecten snel met elkaar uitlijnen Met menucommando's kunt u objecten in hetzelfde werkblad snel met elkaar uitlijnen of op gelijke afstand van elkaar plaatsen. Eerst selecteert u alle objecten die u wilt uitlijnen (houd de Shift-toets of de Command-toets ingedrukt en klik op de gewenste objecten). Geselecteerde objecten uitlijnen mm Om de objecten met elkaar uit te lijnen, kiest u 'Orden' > 'Lijn objecten uit' en kiest u vervolgens een van de uitlijningsopties uit het submenu. Links: Hiermee worden de linkerranden van de objecten verticaal met elkaar uitgelijnd ten opzichte van het eerste object dat u hebt geselecteerd. Midden: Hiermee worden de middelpunten van de objecten verticaal met elkaar uitgelijnd ten opzichte van het eerste object dat u hebt geselecteerd. Rechts: Hiermee worden de rechterranden van de objecten verticaal met elkaar uitgelijnd ten opzichte van het eerste object dat u hebt geselecteerd. Boven: Hiermee worden de bovenste randen van de objecten horizontaal met elkaar uitgelijnd ten opzichte van het eerste object dat u hebt geselecteerd. Midden: Hiermee worden de objecten verticaal verplaatst zodat hun middelpunten horizontaal met elkaar worden uitgelijnd ten opzichte van het eerste object dat u hebt geselecteerd. Onder: Hiermee worden de onderste randen van de objecten horizontaal met elkaar uitgelijnd ten opzichte van het eerste object dat u hebt geselecteerd. mm Om de objecten op gelijke afstand van elkaar te plaatsen in het werkblad, kiest u 'Orden' > 'Verdeel objecten' en kiest u vervolgens een optie uit het submenu. Horizontaal: Hiermee past u de horizontale afstand tussen de objecten aan. Verticaal: Hiermee past u de verticale afstand tussen de objecten aan. U kunt objecten ook met elkaar uitlijnen door de objecten te slepen, waarbij u aan de hand van hulplijnen kunt bepalen of de objecten op de juiste positie staan. Zie Hulplijnen gebruiken op pagina 241 voor meer informatie. Hulplijnen gebruiken Hulplijnen worden automatisch weergegeven en verborgen wanneer u objecten in een werkblad sleept en geven informatie over de relatieve positie van het object. Hulplijnen kunnen bijvoorbeeld worden weergegeven wanneer objecten in het midden of met de randen zijn uitgelijnd. Hulplijnen worden alleen weergegeven wanneer u een object sleept. Als u de muisknop loslaat, verdwijnen de hulplijnen. U kunt hulplijnen in verschillende kleuren weergeven, zodat u gemakkelijker kunt zien welke objecten worden uitgelijnd wanneer u objecten sleept. Als u hulplijnen inschakelt of de kleur van hulplijnen wijzigt, gelden die instellingen voor alle documenten die u in Numbers opent. Hoofdstuk 9 Werken met vormen, afbeeldingen en andere objecten 241

242 Manieren om met hulplijnen te werken: mm Om opties voor hulplijnen in te stellen, kiest u 'Numbers' > 'Voorkeuren' en klikt u op 'Linialen'. Selecteer de gewenste opties om in te stellen wanneer de hulplijnen worden weergegeven: Als u hulplijnen wilt weergeven wanneer het midden van een object met een ander object wordt uitgelijnd, schakelt u het aankruisvak 'Toon hulplijnen in midden van object' in. Als u hulplijnen wilt weergeven als de randen van een object met een ander object worden uitgelijnd, schakelt u het aankruisvak 'Toon hulplijnen langs randen van object' in. mm U kunt de kleur van hulplijnen wijzigen door op het kleurenvak voor de hulplijnen te klikken en vervolgens een kleur te selecteren in het venster 'Kleuren'. mm U kunt hulplijnen tijdelijk verbergen door de Command-toets ingedrukt te houden terwijl u een object sleept. U kunt objecten ook uitlijnen door met x- en y-coördinaten de exacte positie van de objecten op te geven. Zie Objecten plaatsen door x- en y-coördinaten op te geven op pagina 242. U kunt ook op elke gewenste locatie nieuwe hulplijnen aanmaken om objecten sneller op de juiste positie te plaatsen. Zie Nieuwe hulplijnen aanmaken op pagina 242. Nieuwe hulplijnen aanmaken U kunt statische hulplijnen aanmaken om objecten in een werkblad uit te lijnen. Deze hulplijnen worden niet automatisch weergegeven en verborgen wanneer u objecten sleept, maar blijven zichtbaar terwijl u in het werkblad werkt, zelfs als u het werkblad verlaat en er later weer naar terugkeert. Een hulplijn aanmaken 1 Klik op de knop 'Weergave' in de knoppenbalk en kies vervolgens 'Toon linialen'. Opmerking: U kunt geen nieuwe hulplijnen aanmaken als u tekst bewerkt. Stop met het bewerken van tekst door een object te selecteren of op het werkblad te klikken. 2 Plaats de aanwijzer op een liniaal en sleep de muis naar een werkblad. Er verschijnt een hulplijn. 3 Sleep de hulplijn naar de gewenste plaats in het werkblad. 4 Om een hulplijn te verwijderen, sleept u deze van het werkblad. U kunt ook x- en y-coördinaten opgeven om de exacte positie van objecten te bepalen. Zie Objecten plaatsen door x- en y-coördinaten op te geven op pagina 242. Objecten plaatsen door x- en y-coördinaten op te geven U kunt de positie van objecten in het werkblad nauwkeurig bepalen door ruimtelijke coördinaten in de maateenheden van de liniaal op te geven. 242 Hoofdstuk 9 Werken met vormen, afbeeldingen en andere objecten

243 De positie van een object bepalen door x- en y-coördinaten op te geven 1 Selecteer het object dat u wilt plaatsen. 2 Klik op de knop 'Info' in de knoppenbalk en klik vervolgens op de knop 'Formaatinfo'. 3 Geef de x- en y-waarden in de desbetreffende velden op (in de maateenheden van de liniaal). De coördinaten die u opgeeft komen overeen met de linkerbovenhoek van het objectkader. Wanneer u een object roteert, geven de x- en de y-coördinaat de linkerbovenhoek aan van het kader van het geroteerde object, dat mogelijk een ander formaat heeft dan het originele object. ÂÂ De x-waarde wordt gemeten vanaf de linkerrand van het werkblad. ÂÂ De y-waarde wordt gemeten vanaf de bovenrand van het werkblad. Wanneer u x- en y-coördinaten voor lijnposities in het infovenster 'Formaat' opgeeft, geven de coördinaten achter 'Begin' het eerste eindpunt aan dat u hebt aangemaakt (of het eindpunt linksboven als u de lijn niet hebt getekend). Als u de lijn later spiegelt of roteert, blijven de begincoördinaten hetzelfde eindpunt aangeven. U plaatst een lijn door hier de x- en y-coördinaat op te geven voor het eerste eindpunt. U plaatst een lijn door hier de x- en y-coördinaat op te geven voor het tweede eindpunt. U kunt objecten ook snel uitlijnen door gebruik te maken van ingebouwde hulplijnen die worden weergegeven wanneer u objecten in het werkblad sleept, of door statische hulplijnen aan te maken. Zie Hulplijnen gebruiken op pagina 241 en Nieuwe hulplijnen aanmaken op pagina 242 voor meer informatie. Objecten groeperen en de groepering van objecten opheffen U kunt objecten groeperen, zodat u ze als één geheel kunt verplaatsen, kopiëren en de grootte ervan kunt wijzigen. U kunt een afzonderlijk object binnen een groep bewerken zonder de groepering op te heffen. Gegroepeerde objecten kunnen weer met andere objecten worden gegroepeerd. Hierdoor ontstaat een hiërarchie van gegroepeerde objecten die op verschillende niveaus zijn genest. Om een afzonderlijk object dat op meerdere niveaus is genest, te selecteren, moet u voor elk niveau eenmaal op het object klikken. Objecten groeperen 1 Houd de Command- of Shift-toets ingedrukt terwijl u de objecten selecteert die u wilt groeperen. Hoofdstuk 9 Werken met vormen, afbeeldingen en andere objecten 243

244 Als u een object niet kunt selecteren, is het object mogelijk vergrendeld en moet u het ontgrendelen. Zie Objecten vergrendelen en ontgrendelen op pagina 245 voor meer informatie. 2 Kies 'Orden' > 'Groepeer'. De groepering van objecten opheffen mm Hiervoor selecteert u de groep en kiest u 'Orden' > 'Hef groep op'. Als de groep is vergrendeld, moet u de groep eerst ontgrendelen. Als u een groep objecten niet kunt selecteren, is de groep mogelijk vergrendeld en moet u deze ontgrendelen. Zie Objecten vergrendelen en ontgrendelen op pagina 245 voor meer informatie. Een afzonderlijk object in een groep selecteren mm Klik eenmaal op het object dat u wilt bewerken om de groep te selecteren en klik vervolgens nogmaals om het object te selecteren. Als het object niet wordt geselecteerd, is het mogelijk dieper genest. Klik nogmaals en blijf klikken totdat het gewenste object is geselecteerd. Objecten via een aanpasbare lijn met elkaar verbinden Wanneer u twee objecten via een lijn met elkaar wilt verbinden, kunt u het best een verbindingslijn gebruiken (in plaats van een afzonderlijke lijn als vorm aan te maken). Twee objecten met een verbindingslijn blijven met elkaar verbonden, zelfs als u de objecten verplaatst. Twee objecten via een verbindingslijn met elkaar verbinden 1 Houd de Command-toets ingedrukt en klik op de twee objecten die u met elkaar wilt verbinden. Kies vervolgens 'Voeg in' > 'Verbindingslijn'. Er wordt een rechte lijn tussen de geselecteerde objecten weergegeven. Wanneer u de afzonderlijke objecten verplaatst, veranderen de lengte en de positie van de verbindingslijn, zodat de objecten met elkaar verbonden blijven. 2 Om een gebogen verbindingslijn te maken, sleept u het witte bewerkingspunt in het midden van de lijn. Als u de objecten naar verschillende posities in een werkblad sleept, wordt de kromming van de lijn aangepast, zodat de objecten met elkaar verbonden blijven. 3 Om ruimte in te voegen tussen het einde van de lijn en een van de verbonden objecten (zodat de lijn en het object elkaar niet raken), sleept u het blauwe bewerkingspunt aan het einde van de lijn weg van het object. Wanneer u de objecten verplaatst, blijft de ruimte tussen de lijn en het verbonden object gehandhaafd. 244 Hoofdstuk 9 Werken met vormen, afbeeldingen en andere objecten

245 4 Om de kleur, stijl, dikte of eindpunten van de lijn te wijzigen, maakt u de verbindingslijn op met de functies in de opmaakbalk of het infovenster 'Afbeelding' die u ook voor andere lijnen gebruikt. Zie Objecten wijzigen op pagina 245 voor meer informatie over het wijzigen van deze kenmerken. Objecten vergrendelen en ontgrendelen U kunt objecten vergrendelen om te voorkomen dat deze per ongeluk worden verplaatst. Nadat u een afzonderlijk object of een groep objecten hebt vergrendeld, kunt u het object of de objecten pas verplaatsen, verwijderen of wijzigen nadat u ze weer hebt ontgrendeld. U kunt vergrendelde objecten echter wel selecteren, kopiëren en dupliceren. Als u een vergrendeld object kopieert of dupliceert, wordt het nieuwe object eveneens vergrendeld. mm mm Objecten vergrendelen Selecteer de objecten die u wilt vergrendelen en kies vervolgens 'Orden' > 'Vergrendel'. Objecten ontgrendelen Selecteer de objecten die u wilt ontgrendelen en kies vervolgens 'Orden' > 'Ontgrendel'. Objecten wijzigen U kunt de grootte van objecten wijzigen, de richting aanpassen, de randstijlen wijzigen, een schaduw en weerspiegeling toevoegen en de mate van ondoorzichtigheid aanpassen. Voor informatie over De grootte van een object wijzigen Zie Het formaat van objecten wijzigen op pagina 246 Een object spiegelen of roteren Objecten spiegelen en roteren op pagina 246 De rand rond een object opmaken De randstijl wijzigen op pagina 247 Een fotolijst om een object plaatsen Objecten in een kader plaatsen op pagina 248 Een schaduw toevoegen om het object meer diepte te geven Een verticale weerspiegeling aan een object toevoegen De mate van ondoorzichtigheid van objecten aanpassen Een schaduw aan een object toevoegen op pagina 249 Een weerspiegeling aan een object toevoegen op pagina 251 De mate van ondoorzichtigheid van objecten aanpassen op pagina 251 Hoofdstuk 9 Werken met vormen, afbeeldingen en andere objecten 245

246 Het formaat van objecten wijzigen U kunt de grootte van een object wijzigen door de selectiegrepen te slepen of de juiste afmetingen op te geven. Manieren om de grootte van objecten te wijzigen: mm Om de grootte van een object te wijzigen door te slepen, selecteert u het object en sleept u vervolgens een van de selectiegrepen. Om de grootte van het object in één richting te wijzigen, sleept u een greep aan de zijkant in plaats van een greep in een van de hoeken. Om de grootte van het object vanuit het midden te wijzigen, houdt u de Option-toets ingedrukt terwijl u sleept. Als u de verhoudingen van een object wilt handhaven, houdt u de Shift-toets ingedrukt terwijl u sleept. U kunt ook op de knop 'Info' in de knoppenbalk klikken, op de knop 'Formaatinfo' klikken en vervolgens het aankruisvak 'Handhaaf verhoudingen' inschakelen voordat u gaat slepen. Om de grootte van het object weer te geven terwijl u een selectiegreep sleept, kiest u 'Numbers' > 'Voorkeuren' en schakelt u vervolgens het aankruisvak 'Toon grootte en positie bij verplaatsing objecten' in het paneel 'Algemeen' in. mm Om de grootte van een object te wijzigen door exacte waarden voor het object op te geven, selecteert u het object, klikt u op de knop 'Info' in de knoppenbalk en geeft u vervolgens de juiste waarden in de velden 'Breedte' en 'Hoogte' op. mm Om de grootte van meerdere objecten tegelijk te wijzigen, selecteert u de objecten, klikt u op de knop 'Formaatinfo' in de knoppenbalk en geeft u vervolgens nieuwe waarden op in de velden 'Breedte' en 'Hoogte'. mm Selecteer het object en klik vervolgens op de knop 'Originele grootte' in het infovenster 'Formaat'. Als u een erg groot afbeeldingsbestand hebt verkleind en u alleen de kleinere versie in uw spreadsheet wilt gebruiken, kunt u de kleinere versie van de afbeelding in Numbers bewaren om uw document kleiner te maken. Zie Afbeeldingsbestanden kleiner maken op pagina 222. Objecten spiegelen en roteren U kunt elk gewenst object spiegelen of roteren. Zo kunt u een afbeelding van een pijl die u in het document wilt gebruiken, in verschillende richtingen laten wijzen. U kunt de richting van de pijl verticaal of horizontaal wijzigen of de pijl met elke gewenste hoek draaien. mm Manieren om de richting van een object te wijzigen: Om een object horizontaal of verticaal te spiegelen, selecteert u het object en kiest u vervolgens 'Orden' > 'Spiegel horizontaal' of Orden' > 'Spiegel verticaal'. 246 Hoofdstuk 9 Werken met vormen, afbeeldingen en andere objecten

247 mm mm U kunt ook op de knop 'Info' in de knoppenbalk klikken, op de knop 'Formaatinfo' klikken en vervolgens de spiegelknoppen gebruiken. Om een object te roteren, selecteert u het object, houdt u de Command-toets ingedrukt en verplaatst u de aanwijzer in de richting van een actieve selectiegreep totdat deze verandert in een gebogen, tweepuntige pijl. Vervolgens sleept u de selectiegreep. Om een object in stappen van 45 graden te roteren, houdt u de Shift- en Commandtoets ingedrukt terwijl u een selectiegreep sleept. U kunt ook op de knop 'Info' in de knoppenbalk klikken, op de knop 'Formaatinfo' klikken en vervolgens de knop 'Roteer' slepen of het veld 'Hoek' gebruiken om de hoek van het object in te stellen. Om een vorm te roteren zonder de richting van de tekst in de vorm te wijzigen, kiest u na het roteren van de vorm 'Opmaak' > 'Vorm' > 'Stel tekst- en objecthandgrepen opnieuw in'. De randstijl wijzigen Voor vormen, diagramonderdelen en tekstvakken kunt u een stijl en kleur kiezen voor de rand van het object. U kunt ook opgeven dat het object geen rand heeft. Ook kunt u een rand om geïmporteerde afbeeldingen plaatsen. Zie Randen van tabelcellen opmaken voor informatie over het aanpassen van de randen van tabellen en tabelcellen. Met behulp van de opmaakbalk kunt u de lijnstijl, lijndikte en lijnkleur wijzigen van de rand rond een of meer geselecteerde objecten. Hier kiest u een lijndikte. Hier kiest u een lijnkleur. Hier kiest u een lijnstijl. Het infovenster 'Afbeelding' en het venster 'Kleuren' bevatten meer opties voor het aanpassen van andere lijninstellingen. De randstijl instellen via het infovenster 'Afbeelding' 1 Selecteer het object dat u wilt wijzigen. 2 Klik op de knop 'Info' in de knoppenbalk en klik vervolgens op de knop 'Afbeeldingsinfo'. 3 Kies 'Lijn' uit het venstermenu 'Lijn'. Hoofdstuk 9 Werken met vormen, afbeeldingen en andere objecten 247

248 4 Kies uit het venstermenu een lijnstijl. Om een kleur voor de lijn in te stellen, klikt u op het kleurenvak. Kies een ononderbroken lijn, een stippellijn, een lijn met streepjes of een andere lijnstijl. Hier voert u de lijndikte in. In deze venstermenu's kunt u het type eindpunten voor de lijn kiezen. 5 Wijzig de lijndikte door een waarde op te geven in het veld voor de dikte (of klik op de pijlknoppen). 6 Klik op het kleurenvak en selecteer vervolgens een kleur om de lijnkleur te wijzigen. 7 Om eindpunten, zoals een pijlkop of cirkel, voor de lijn in te stellen, kiest u het gewenste linker- en rechtereindpunt uit de venstermenu's. Objecten in een kader plaatsen U kunt uw tekstvakken, afbeeldingen, films, vormen en plaatsaanduidingen voor media in een kader in de vorm van een fotolijst plaatsen. Een fotolijst toevoegen 1 Selecteer het mediabestand of de plaatsaanduiding voor media, klik op de knop 'Info' in de knoppenbalk en klik vervolgens op de knop 'Afbeeldingsinfo'. 2 Kies 'Fotolijst' uit het venstermenu 'Lijn' en klik vervolgens op de miniatuur om een randstijl te kiezen. Om een kaderstijl te kiezen, klikt u op deze pijl en op de miniatuur. 248 Hoofdstuk 9 Werken met vormen, afbeeldingen en andere objecten

249 Om de dikte van de lijst aan te passen, sleept u de schuifknop 'Vergroten/verkleinen' of geeft u een specifiek percentage op in het veld. (Niet alle fotolijsten kunnen worden aangepast.) Een fotolijst wijzigen 1 Selecteer een object of een plaatsaanduiding voor media met een kader, klik op de knop 'Info' in de knoppenbalk en klik vervolgens op de knop 'Afbeeldingsinfo'. 2 Kies 'Fotolijst' uit het venstermenu 'Lijn' en klik op het pijltje naast de miniatuur om een nieuwe fotolijst te selecteren. mm Een fotolijst verwijderen Selecteer het mediabestand of de plaatsaanduiding voor media en kies een lijnstijl (of kies 'Geen') uit het venstermenu 'Lijn'. Een schaduw aan een object toevoegen U kunt een schaduw toevoegen om het object meer diepte te geven. De schaduw van een object valt op de objecten erachter, als die er zijn. U kunt veel verschillende schaduweffecten creëren, of de schaduw van een object verwijderen. Dit object heeft een andere schaduwkleur. Voor dit object is gebruik gemaakt van de standaardschaduwinstellingen. De schaduw van dit object is ingesteld op een andere hoek. De schaduw van dit object heeft een hoge afstandswaarde. De schaduw van dit object heeft de laagste vervagingsfactor. De schaduw van dit object heeft een hoge vervagingsfactor. Om snel een schaduw toe te voegen of te verwijderen, selecteert u het object en schakelt u vervolgens in de opmaakbalk het aankruisvak 'Schaduw' in of uit. U kunt schaduwen nauwkeurig opmaken in het infovenster 'Afbeelding'. Een schaduw toevoegen via het infovenster 'Afbeelding' 1 Selecteer het object of de tekst. 2 Klik op de knop 'Info' in de knoppenbalk en klik vervolgens op de knop 'Afbeeldingsinfo'. Hoofdstuk 9 Werken met vormen, afbeeldingen en andere objecten 249

250 3 Schakel het aankruisvak 'Schaduw' in om een schaduw aan het object toe te voegen. Schakel het aankruisvak 'Schaduw' uit om de schaduw te verwijderen. Via het kleurenvak kunt u de kleur van de schaduw wijzigen. Als u dit aankruisvak inschakelt, wordt aan het geselecteerde object een schaduw toegevoegd. Met behulp van de rotatieschijf kunt u de hoek van de schaduw wijzigen. Met behulp van de velden 'Afstand', 'Vervaging' en 'Ondoorzichtigheid' kunt u het uiterlijk van de schaduw wijzigen. 4 Stel de hoek van de schaduw in met behulp van de knop 'Hoek'. 5 Met behulp van het veld 'Afstand' kunt u de afstand tussen de schaduw en het object instellen. Als u een hoge waarde instelt voor de afstand, lijkt de schaduw van een object langer en is deze iets gescheiden van het object. 6 Met behulp van het veld 'Vervaging' kunt u de scherpte van de schaduwrand aanpassen. Als u een hoge vervagingswaarde instelt, wordt de schaduw vager. Als u een lage waarde instelt, zijn de randen van de schaduw scherper. 7 Om de mate van ondoorzichtigheid van de schaduw te wijzigen, geeft u een percentage op in het veld 'Ondoorzichtigheid'. U kunt de mate van ondoorzichtigheid van een schaduw niet wijzigen met behulp van de schuifknop 'Ondoorzichtigheid' onder in het infovenster 'Afbeelding'. Deze schuifknop is bestemd voor het wijzigen van de mate van ondoorzichtigheid van het object zelf (niet van de schaduw van het object). 8 Om de kleur van de schaduw te wijzigen, klikt u op het kleurenvak in het gedeelte 'Schaduw' en selecteert u vervolgens een kleur. 250 Hoofdstuk 9 Werken met vormen, afbeeldingen en andere objecten

251 Een weerspiegeling aan een object toevoegen U kunt een verticale weerspiegeling aan een object toevoegen. Om snel een weerspiegeling toe te voegen of te verwijderen, selecteert u het object en schakelt u vervolgens in de opmaakbalk het aankruisvak 'Weerspiegeling' in of uit. U kunt weerspiegelingen nauwkeurig opmaken in het infovenster 'Afbeelding'. Een weerspiegeling toevoegen aan een object via het infovenster 'Afbeelding' 1 Selecteer het object. 2 Klik op de knop 'Info' in de knoppenbalk en klik vervolgens op de knop 'Afbeeldingsinfo'. 3 Schakel het aankruisvak 'Weerspiegeling' in en sleep de schuifknop naar links of naar rechts om de intensiteit van de weerspiegeling te vergroten of te verkleinen. De mate van ondoorzichtigheid van objecten aanpassen U kunt interessante effecten creëren door de mate van ondoorzichtigheid van objecten aan te passen. Wanneer u bijvoorbeeld een object met een lage ondoorzichtigheidswaarde boven op een ander object plaatst, blijft het object eronder zichtbaar. Afhankelijk van hoe hoog of hoe laag u de mate van ondoorzichtigheid instelt, kan het object eronder volledig zichtbaar, gedeeltelijk bedekt of volledig onzichtbaar zijn (bij 100% ondoorzichtigheid). De mate van ondoorzichtigheid van een object wijzigen 1 Selecteer het object. 2 Ga op een van de volgende manieren te werk: ÂÂ Pas de ondoorzichtigheid aan met de desbetreffende regelaars in de opmaakbalk. Hoofdstuk 9 Werken met vormen, afbeeldingen en andere objecten 251

252 ÂÂ Open het infovenster 'Afbeelding' en sleep de schuifknop 'Ondoorzichtigheid' naar links of naar rechts of geef een percentage op in het veld ernaast. Bij vormen kunt u de mate van ondoorzichtigheid voor vul- en lijnkleuren afzonderlijk instellen. Deze instellingen hebben geen invloed op de mate van ondoorzichtigheid van het object zelf. Wanneer u de schuifknop 'Ondoorzichtigheid' in het venster 'Kleuren' sleept om een vul- of lijnkleur te wijzigen, wordt deze waarde de maximale mate van ondoorzichtigheid van het object. Wanneer u vervolgens de mate van ondoorzichtigheid van het object wijzigt in het infovenster 'Afbeelding', verandert deze alleen ten opzichte van de mate van ondoorzichtigheid die u hebt ingesteld in het venster 'Kleuren'. In het infovenster 'Afbeelding' is deze cirkel is ingesteld op 100% ondoorzichtigheid. In het infovenster 'Afbeelding' is deze cirkel is ingesteld op 100% ondoorzichtigheid. De mate van ondoorzichtigheid van de vulkleur is in het venster 'Kleuren' ingesteld op 50%. De mate van ondoorzichtigheid van de rand van de cirkel is in het venster 'Kleuren' ingesteld op 100%. In het infovenster 'Afbeelding' is deze cirkel is ingesteld op 50% ondoorzichtigheid. Als u de mate van ondoorzichtigheid van een object hebt gewijzigd, kunt u de vulkleur van het object vervolgens mogelijk niet opnieuw instellen op 100%. Dit komt doordat de mate van ondoorzichtigheid in het venster 'Kleuren' is ingesteld op minder dan 100%. U kunt dit herstellen door het object te selecteren, vervolgens 'Weergave' > 'Toon kleuren' te kiezen en de mate van ondoorzichtigheid in het venster 'Kleuren' opnieuw in te stellen op 100%. Een kleur of afbeelding als vulling voor een object gebruiken U kunt vormen, tabellen, tabelcellen en diagramonderdelen vullen met een effen kleur, een verlooptint (kleuren die in elkaar overlopen) of een afbeelding. Voor informatie over Een achtergrond met een effen kleur aan een object toevoegen Een achtergrond met in elkaar overlopende kleuren toevoegen Een object met een afbeelding vullen Zie Een effen kleur als vulling voor een object gebruiken op pagina 253 Een verlooptint als vulling voor een object gebruiken op pagina 253 Een object met een afbeelding vullen op pagina Hoofdstuk 9 Werken met vormen, afbeeldingen en andere objecten

253 Een effen kleur als vulling voor een object gebruiken U kunt vormen, tabellen, tabelcellen en diagramonderdelen vullen met een effen kleur. Met behulp van de opmaakbalk kunt u snel een vulkleur voor een geselecteerd object instellen. Klik op het kleurenvak en kies vervolgens een kleur uit de kleurenmatrix of klik op 'Toon kleuren' om het venster 'Kleuren' te openen, waarin u over meer opties beschikt. Met behulp van de schuifknop 'Ondoorzichtigheid' kunt u de mate van transparantie instellen. U kunt ook het infovenster 'Afbeelding' gebruiken om een object te vullen met een effen kleur. De vulkleur van een object wijzigen via het infovenster 'Afbeelding' 1 Selecteer het object. 2 Klik op de knop 'Info' in de knoppenbalk en klik vervolgens op de knop 'Afbeeldingsinfo'. 3 Kies 'Vulkleur' uit het venstermenu 'Vulling'. 4 Klik op het kleurenvak onder het venstermenu 'Vulling' om het venster 'Kleuren' te openen en selecteer vervolgens een kleur. Zie Het venster 'Kleuren' op pagina 25 voor meer informatie over het venster 'Kleuren'. Een verlooptint als vulling voor een object gebruiken U kunt vormen, tabellen, tabelcellen en diagramonderdelen vullen met een verlooptint (kleuren die in elkaar overlopen). U gebruikt de opties in het infovenster 'Afbeelding' voor het instellen van de verlooptint waarmee u het object vult. Met de basisopties voor verlooptinten kunt u op eenvoudige wijze een lineaire verlooptint met twee kleuren instellen. Met de geavanceerde opties voor verlooptinten kunt u meerdere kleuren in elkaar laten overlopen en een cirkelvormige (radiale) verlooptint creëren. Een object vullen met een lineaire verlooptint met twee kleuren 1 Kies 'Verlooptint' uit het venstermenu 'Vulling' in het infovenster 'Afbeelding'. Klik in elk kleurenvak om een kleur te selecteren. Hiermee kunt u de verlooptint omdraaien. Met behulp van de pijlknoppen of de rotatieschijf stelt u de stand van de verlooptint of de richting van de verlooptint in. U kunt ook een waarde in het veld opgeven. 2 Klik in de kleurenvakken en selecteer in het venster 'Kleuren' de kleuren die u in elkaar wilt laten overlopen. Hoofdstuk 9 Werken met vormen, afbeeldingen en andere objecten 253

254 Zie Het venster 'Kleuren' op pagina 25 voor meer informatie over het venster 'Kleuren'. 3 Om een richting voor de verlooptint in te stellen, gebruikt u de rotatieschijf of voert u een waarde in het veld in. 4 Om het object horizontaal of verticaal te spiegelen, klikt u op de pijlknoppen voor de hoek. 5 Om de verlooptint om te draaien, klikt u op de dubbele pijl naast de kleurenvakken. Een object vullen met een verlooptint met meerdere kleuren 1 Kies 'Geavanceerde verlooptint' uit het venstermenu 'Vulling' in het infovenster 'Afbeelding'. 2 Om een kleur aan de verlooptint toe te voegen, plaatst u de aanwijzer direct onder de balk met de verlooptint in het infovenster, op het punt waar de nieuwe kleur moet beginnen. Wanneer er een plusteken (+) verschijnt, klikt u om een nieuwe kleurregelaar toe te voegen. Voeg een nieuwe kleurregelaar toe voor elke kleur die u in de verlooptint wilt opnemen. 3 Om een kleur in de verlooptint te wijzigen, klikt u op een kleurregelaar (direct onder de balk met de verlooptint) en selecteert u een kleur in het venster 'Kleuren'. Herhaal deze handeling voor elke kleur die u in de verlooptint wilt opnemen. 4 Als u een kleurregelaar wilt verwijderen, sleept u de regelaar omlaag en uit het infovenster. Vervolgens verdwijnt de kleurregelaar. Er moeten minimaal twee kleurregelaars onder de balk met de verlooptint aanwezig zijn. 5 Om de kleuren vloeiender of minder vloeiend in elkaar te laten overlopen, sleept u de verlooppuntregelaars (boven aan de balk met de verlooptint in het infovenster). 6 Om de richting van een lineaire verlooptint te wijzigen, gebruikt u de rotatieschijf of voert u een waarde in het veld in. 7 Om een radiale verlooptint in te stellen, klikt u op de desbetreffende knop. Vervolgens kunt u de radiale verlooptint op een van de volgende manieren aanpassen: 254 Hoofdstuk 9 Werken met vormen, afbeeldingen en andere objecten

255 ÂÂ Om het centrum van de verlooptint in het object te wijzigen, sleept u de kleine, blauwe, ronde verlooppuntregelaar (in het midden van de verlooptint in uw object) naar het punt dat u als het nieuwe centrum van de verlooptint wilt instellen. ÂÂ Om de kleuren vloeiender of minder vloeiend in elkaar te laten overlopen, sleept u de ronde verlooppuntregelaar (buiten uw object) verder weg van of dichter naar het centrum van de verlooptint. Experimenteer met de ronde verlooppuntregelaars op uw object en de verlooppuntregelaars boven aan de balk met de verlooptint in het infovenster 'Afbeelding'. Sleep de regelaars totdat de verlooptint naar wens is. 8 Om de verlooptint om te draaien, klikt u op de dubbele pijl naast de kleurenvakken. Een object met een afbeelding vullen U kunt een vorm, tekstvak, tabel, tabelcel, diagramachtergrond of diagramreeks met een afbeelding vullen. Een object met een afbeelding vullen 1 Selecteer het object dat u met een afbeelding wilt vullen. 2 Als het infovenster 'Afbeelding' niet geopend is, klikt u op de knop 'Info' in de knoppenbalk en vervolgens op de knop 'Afbeeldingsinfo'. 3 Kies in het infovenster 'Afbeelding' de optie 'Afbeeldingsvulling' of 'Afbeelding met kleurtint' en kies een afbeelding. U kunt ook een afbeeldingsbestand vanuit de Finder of de mediakiezer naar het afbeeldingenvak in het infovenster 'Afbeelding' of naar een tabelcel of diagramreeks slepen. Om de afbeelding te wijzigen, sleept u een afbeelding naar het afbeeldingenvak. Hiermee stelt u het formaat van de afbeelding in het object in. 4 Kies een schaaloptie voor de afbeelding uit het venstermenu. Passend: De grootte van de afbeelding wordt zo goed mogelijk aangepast aan de grootte van het object. Als het object een andere vorm heeft dan de originele afbeelding, wordt slechts een gedeelte van de afbeelding weergegeven. Het is ook mogelijk dat er een lege ruimte om de afbeelding wordt weergegeven. Vullend: De afbeelding wordt groter of kleiner, waarbij minimale ruimte rondom de afbeelding wordt gehandhaafd, zelfs als het object en de afbeelding een verschillende vorm hebben. Hoofdstuk 9 Werken met vormen, afbeeldingen en andere objecten 255

256 Uitgerekt: Het formaat van de afbeelding wordt aangepast aan het formaat van het object. De afbeelding wordt echter vervormd als het object een andere vorm heeft dan de originele afbeelding. Originele grootte: De afbeelding wordt in het object geplaatst zonder dat de originele afmetingen worden gewijzigd. Als de afbeelding groter is dan het object, wordt slechts een gedeelte van de afbeelding in het object weergegeven. Als de afbeelding kleiner is dan het object, wordt er een lege ruimte om de afbeelding weergegeven. Tegelpatroon: Als de afbeelding kleiner is dan het object, wordt de afbeelding in het object herhaald. Als de afbeelding groter is dan het object, wordt slechts een gedeelte van de afbeelding in het object weergegeven. Tegelpatroon (kleine afbeelding) Tegelpatroon (grote afbeelding) Vullend Originele grootte Tegelpatroon (grote afbeelding) Passend Uitgerekt 5 Als u 'Afbeelding met kleurtint' kiest, klikt u op het kleurenvak (rechts naast de knop 'Kies') om een kleurtint te kiezen. Sleep de schuifknop 'Ondoorzichtigheid' om de tint lichter of donkerder te maken. (Hiermee wordt de mate van ondoorzichtigheid voor zowel de tint als de afbeelding gewijzigd.) Hiermee selecteert u een kleurtint voor de afbeelding. 256 Hoofdstuk 9 Werken met vormen, afbeeldingen en andere objecten

257 Werken met MathType Als MathType 6 is geïnstalleerd, kunt u dit programma binnen Numbers openen om wiskundige uitdrukkingen en vergelijkingen te typen. Nadat u een vergelijking hebt aangemaakt in MathType 6, kunt u de vergelijking als afbeelding bewerken in Numbers. Een vergelijking typen met MathType 6 binnen Numbers 1 Klik op de positie waar u de vergelijking wilt invoegen. 2 Kies 'Voeg in' > 'MathType-vergelijking'. MathType 6 wordt geopend en de vergelijking E=mc 2 wordt weergegeven. 3 Klik dubbel op de vergelijking en typ de gewenste vergelijking met behulp van de MathType 6-functies in het programmavenster van MathType 6. Zie MathType 6 Help voor specifieke instructies voor het gebruik van dit product. 4 Nadat u de vergelijking hebt getypt, kiest u 'File' > 'Close and Return to Numbers' en klikt u op 'Yes' in het venster dat verschijnt om de vergelijking te bewaren. 5 Sleep de vergelijking naar de gewenste positie in het werkblad. Nadat u MathType 6 hebt gesloten, wordt de vergelijking in Numbers als een object behandeld. U kunt de vergelijking vervolgens verplaatsen, vergroten, verkleinen, een andere richting geven, groeperen en nesten. U kunt de vergelijking zelfs bijsnijden, net als een afbeelding. Als u de vergelijking bijsnijdt, moet u het bijsnijden echter ongedaan maken voordat u de vergelijking kunt bewerken. 6 Om de vergelijking te bewerken, klikt u dubbel op de vergelijking om MathType 6 opnieuw te openen. Hoofdstuk 9 Werken met vormen, afbeeldingen en andere objecten 257

258 Adresboek-gegevens aan tabellen toevoegen 10 Dit hoofdstuk bevat informatie over de manier waarop u in Numbers gegevens over contactpersonen uit Adresboek en vcards aan een tabel toevoegt. Adresboek-velden bevatten namen, telefoonnummers, adressen en andere gegevens over personen. Met behulp van Adresboek-gegevens kunt u in een handomdraai een tabel aanmaken met alle gegevens over zakenrelaties, persoonlijke contacten, vakantievrienden, enzovoort. Werken met Adresboek-velden U kunt gegevens uit Adresboek-velden in een Numbers-tabel opnemen. U kunt ook gegevens invoegen uit een virtuele adreskaart (vcard) die iemand naar u heeft verzonden. Als een tabel een rij met koptekst bevat waarin namen staan die overeenkomen met veldnamen in Adresboek of vcards, kunt u contactgegevens toevoegen door kaarten naar de tabel te slepen. U kunt ook een nieuwe tabel aanmaken door kaarten naar het werkgebied te slepen. Informatie over De Adresboek-velden die in Numbers worden ondersteund Gegevens vanuit Adresboek of een vcard aan een bestaande tabel toevoegen Gegevens vanuit Adresboek of een vcard toevoegen en tegelijkertijd een tabel aanmaken Contactgegevens en andere gegevens vanuit een Numbers-tabel invoegen in een Pages-document Zie Kolomnamen toewijzen aan veldnamen in Adresboek op pagina 259 Adresboek-gegevens aan een bestaande tabel toevoegen op pagina 261 Adresboek-gegevens aan een nieuwe tabel toevoegen op pagina 262 Pages Help of de Pages '09-gebruikershandleiding 258

259 Kolomnamen toewijzen aan veldnamen in Adresboek De onderstaande tabel bevat een overzicht van alle Adresboek-velden die in Numbers worden ondersteund. De synoniemen zijn alternatieve namen die u kunt gebruiken om een bepaalde veldwaarde uit Adresboek toe te voegen. Veldnamen in Adresboek Voorvoegsel Achternaam Voornaam Achtervoegsel Synoniemen voor veldnaam Titel Naam Voorletters Achtervoegsel naam, professioneel achtervoegsel, academisch achtervoegsel Bijnaam Meisjesnaam Functie Afdeling Bedrijfsafdeling Bedrijf Telefoon (hoofdnummer) Telefoon Telefoon werk Telefoon privé Mobiel Mobiele telefoon, mobiel, gsm Fax privé Fax werk Pieper Pieper Telefoon anders (hoofdadres) adres werk privé anders URL (hoofd-url) URL werk URL privé Hoofdstuk 10 Adresboek-gegevens aan tabellen toevoegen 259

260 Veldnamen in Adresboek URL anders Synoniemen voor veldnaam Verjaardag AIM (hoofdadres) AIM werk AIM privé AIM anders IM, IM-handle, IM-naam, IM-adres, chat, chathandle, chatnaam, chatadres IM werk, IM-handle werk, IM-naam werk, IM-adres werk, chathandle werk, chatnaam werk, chatadres werk IM privé, IM-handle privé, IM-naam privé, IM-adres privé, chat privé, chathandle privé, chatnaam privé, chatadres privé IM anders, IM-handle anders, IM-naam anders, IM-adres anders, chat anders, chathandle anders, chatnaam anders, chatadres anders Yahoo Yahoo werk Yahoo privé Yahoo anders Adres Adres (hoofdadres) Woonplaats (hoofdwoonplaats) Straat Plaats Plaats (hoofdplaats) Postcode Postcode Land (hoofd) Adres werk Adres werk Plaats werk Adres zakelijk, straat werk Stad werk Provincie werk Postcode werk Postcode zakelijk, postcode bedrijf Land werk Adres privé Privéadres Plaats Privé-adres, adres privé Plaats Provincie Postcode privé Postcode privé, postcode thuis 260 Hoofdstuk 10 Adresboek-gegevens aan tabellen toevoegen

261 Veldnamen in Adresboek Land Synoniemen voor veldnaam Adres anders Adres anders Plaats anders Ander adres, straat anders Plaats anders Provincie anders Postcode anders Postcode anders Land anders Opmerking Opmerkingen Adresboek-gegevens aan een bestaande tabel toevoegen U kunt gegevens uit Adresboek of een vcard aan een bestaande tabel toevoegen als de koptekstrij van de tabel namen bevat die overeenkomen met veldnamen die genoemd worden in Kolomnamen toewijzen aan veldnamen in Adresboek op pagina 259. Contactgegevens aan een bestaande tabel toevoegen 1 Bepaal van welke Adresboek- of vcard-velden u de waarden naar de tabel wilt kopiëren. 2 Controleer of de tabel een rij met koptekst bevat waarin cellen staan met ondersteunde Adresboek- of vcard-veldnamen. Gegevens uit velden die niet kunnen worden toegewezen aan cellen in een koptekstrij, worden niet aan de tabel toegevoegd. 3 Selecteer in Adresboek een of meer contactpersonen of groepen en sleep deze naar de tabel. U kunt ook een of meer vcards naar de tabel slepen. Er worden eventueel rijen aan de tabel toegevoegd om alle gegevens te kunnen plaatsen. Ook als de gegevens van een bepaalde contactpersoon al in de tabel voorkomen, wordt er een rij voor deze persoon toegevoegd. Door te sorteren kunt u dubbele rijen opsporen. Zie Rijen in een tabel sorteren op pagina 74 voor meer informatie. Hoofdstuk 10 Adresboek-gegevens aan tabellen toevoegen 261

262 Adresboek-gegevens aan een nieuwe tabel toevoegen U kunt met Adresboek- of vcard-gegevens een nieuwe tabel aanmaken die voor iedere contactpersoon een afzonderlijke rij bevat. mm mm Manieren om een nieuwe tabel met contactgegevens aan te maken: Selecteer in Adresboek een of meer kaarten of een groep en sleep deze naar het werkgebied. Sleep een of meer vcards naar het werkgebied. De tabel bevat een kolom voor elk Adresboek- of vcard-veld dat wordt genoemd, zoals beschreven in het gedeelte Kolomnamen toewijzen aan veldnamen in Adresboek op pagina 259. Alleen de velden 'Achternaam', 'Voornaam', 'Telefoon' en ' ' zijn echter zichtbaar; de overige kolommen zijn verborgen. Om de verborgen kolommen weer te geven, kiest u 'Tabel' > 'Maak alle kolommen zichtbaar'. U kunt kolommen eventueel verwijderen of een andere naam geven. 262 Hoofdstuk 10 Adresboek-gegevens aan tabellen toevoegen

263 Numbers-spreadsheets delen 11 In dit hoofdstuk wordt beschreven hoe u uw Numbersspreadsheet kunt uitwisselen, zodat anderen deze ook kunnen gebruiken U kunt spreadsheets niet alleen afdrukken of faxen, maar ook in elektronische vorm uitwisselen. Door documenten te exporteren naar andere documentstructuren, kunt u samenwerken met andere gebruikers die bijvoorbeeld werken met Excel. U kunt spreadsheets ook uitwisselen via Mail of het web. Een spreadsheet afdrukken In de afdrukweergave kunt u de objecten op de werkbladen over de pagina's verdelen voordat u de spreadsheet afdrukt. Zie Een werkblad in pagina's verdelen op pagina 46 voor instructies. Gebruik het infovenster 'Werkblad' om paginakenmerken in te stellen, zoals de paginarichting en marges. Afdrukken 1 Kies 'Archief' > 'Druk af'. 2 Kies de gewenste printer uit het venstermenu 'Printer'. 3 Typ in het veld 'Aantal' het aantal exemplaren dat u wilt afdrukken en schakel het aankruisvak 'Gesorteerd' in als u elke groep pagina's op volgorde wilt laten afdrukken voordat de volgende groep wordt afgedrukt. Schakel 'Gesorteerd' uit als u een aantal exemplaren van elke afzonderlijke pagina achter elkaar wilt afdrukken. 4 Geef op welke werkbladen u wilt afdrukken: Alle werkbladen: Hiermee drukt u alle werkbladen in de spreadsheet af. Huidige werkblad: Hiermee drukt u alleen het werkblad af dat was geselecteerd toen u het afdrukvenster opende. 5 Om een lijst met alle formules uit de spreadsheet af te drukken, selecteert u 'Voeg lijst met alle formules in het document toe'. 6 Klik op de knop 'Druk af'. 263

264 Als u meer wilt weten over de overige afdrukinstellingen, klikt u op de helpknop in het afdrukvenster. Spreadsheets naar andere documentstructuren exporteren U kunt uw Numbers-spreadsheets uitwisselen tussen verschillende platforms door deze te exporteren naar een bestand met de pdf-, Excel- of CSV-structuur (door komma's gescheiden). Voor informatie over Een pdf-bestand van uw spreadsheet maken en het desgewenst met een wachtwoord beveiligen Een bestand van uw spreadsheet maken dat kan worden geopend en bewerkt in Microsoft Excel op een Mac OS X- of Windows-computer Een bestand van uw spreadsheet maken dat geschikt is voor programma's waarmee CSVbestanden kunnen worden geopend Zie Spreadsheets naar een pdf-structuur exporteren op pagina 264 Spreadsheets naar een Excel-structuur exporteren op pagina 265 Spreadsheets naar een CSV-structuur exporteren op pagina 265 Spreadsheets naar een pdf-structuur exporteren Pdf-bestanden kunnen worden bekeken of afgedrukt in Voorvertoning of Safari en kunnen worden bewerkt in een programma voor pdf-bestanden. Een pdf-bestand van uw spreadsheet maken 1 Kies 'Deel' > 'Exporteer'. 2 Klik op 'PDF'. 3 Kies een beeldresolutie uit het venstermenu 'Beeldkwaliteit'. Goed: De resolutie van afbeeldingen wordt verlaagd tot 72 dpi. Beter: De resolutie van afbeeldingen wordt verlaagd tot 150 dpi. Best: De resolutie wordt niet verlaagd. 4 Kies uit het venstermenu 'Lay-out' de werkbladen die u wilt exporteren. Werkbladweergave: Hiermee exporteert u elk werkblad naar één pagina in het pdfbestand. Paginaweergave: Hiermee exporteert u het geselecteerde werkblad met de paginering die is ingesteld in de afdrukweergave. Zie Een werkblad in pagina's verdelen op pagina 46 voor meer informatie over de afdrukweergave. 5 Klik op het driehoekje voor de beveiligingsopties om de pdf met een wachtwoord te beveiligen. Wachtwoorden mogen uit maximaal 32 ASCII-tekens bestaan. Selecteer een of meer van de volgende opties. 264 Hoofdstuk 11 Numbers-spreadsheets delen

265 Open document: Hiermee geeft u een wachtwoord op dat vereist is om de pdf te kunnen openen. Druk document af: Hiermee geeft u een wachtwoord op dat vereist is om de pdf te kunnen afdrukken. Als u deze optie selecteert, moet u ook 'Open document' selecteren en daar een wachtwoord opgeven. Kopieer materiaal uit het document: Hiermee geeft u een wachtwoord op dat vereist is om materiaal uit de pdf te kunnen kopiëren. 6 Klik op 'Volgende' om een naam en locatie voor de pdf op te geven. 7 Klik op 'Exporteer' om de pdf aan te maken. Spreadsheets naar een Excel-structuur exporteren Bestanden met een Excel-structuur kunnen worden geopend en bewerkt in Microsoft Excel op een Mac OS X- of Windows-computer. Elke tabel wordt omgezet in een Excel-werkblad en alle andere objecten worden in afzonderlijke werkbladen geplaatst als er meer dan één tabel is. Manieren om een Excel-versie van uw spreadsheet te maken: mm Kies 'Deel' > 'Exporteer' en klik vervolgens op 'Excel'. Selecteer 'Overzicht' als u geen overzichtswerkblad wilt toevoegen bij het exporteren van spreadsheets met meerdere werkbladen. Klik op 'Volgende' om een naam en locatie voor het bestand op te geven. Klik vervolgens op 'Exporteer' om het bestand aan te maken. mm Kies 'Archief' > 'Bewaar als', selecteer 'Bewaar kopie als' en kies 'Excel-document' uit het venstermenu. Zie Een spreadsheet bewaren op pagina 35 voor meer informatie over de overige opties die beschikbaar zijn bij deze werkwijze. Bepaalde berekeningen met formules leveren in Excel mogelijk andere uitkomsten op. Spreadsheets naar een CSV-structuur exporteren CSV-bestanden zijn geschikt voor meerdere spreadsheetprogramma's. In CSVbestanden worden de celwaarden in elke rij van elkaar gescheiden door komma's. Rijen worden van elkaar gescheiden door regeleindetekens. Elke tabel wordt in een eigen CSV-bestand geplaatst en alle bestanden worden in een map geplaatst. Er worden geen afbeeldingen geëxporteerd. De laatste berekende waarden worden geëxporteerd. Een CSV-versie van uw spreadsheet maken 1 Kies 'Deel' > 'Exporteer'. 2 Klik op 'CSV'. 3 Kies een optie uit het venstermenu 'Tekstcodering': Hoofdstuk 11 Numbers-spreadsheets delen 265

266 Unicode (UTF-8): Deze optie wordt door bijna alle programma's ondersteund. Westers (Mac OS Roman) of Westers (Windows Latin 1): Deze opties zijn vereist voor sommige programma's. 4 Klik op 'Volgende' om een bestandsnaam en -locatie op te geven. 5 Klik op 'Exporteer' om het bestand aan te maken. Uw Numbers-spreadsheet naar iwork.com Public Beta versturen U kunt uw spreadsheet naar iwork.com versturen en vervolgens op elke willekeurige computer openen met een ondersteunde webbrowser, een account en uw Apple ID. Uw Apple ID is gelijk aan uw MobileMe-accountnaam of uw account-id voor de itunes Store. Als u nog geen Apple ID hebt, gaat u naar https://appleid.apple.com/ nl en volgt u de instructies op het scherm om een ID aan te maken. Wanneer u een spreadsheet naar iwork.com verstuurt, kunt u een van de volgende opties kiezen: ÂÂ ÂÂ ÂÂ Deel met kijkers: U kunt bepaalde kijkers toestemming geven om opmerkingen en notities toe te voegen en uw spreadsheet te downloaden. Publiceer op het web: U kunt een openbaar webadres (een URL) aanmaken dat u op een website of ergens anders op het web plaatst, zodat iedereen uw spreadsheet kan bekijken. Kijkers kunnen dan geen opmerkingen en notities bij uw spreadsheet toevoegen of bekijken. Laad voor eigen gebruik: U kunt uw spreadsheet naar iwork.com versturen waarbij alleen u er toegang toe hebt. U kunt later eventueel kijkers uitnodigen. 266 Hoofdstuk 11 Numbers-spreadsheets delen

267 Belangrijk: Als u uw spreadsheet hebt beveiligd met een wachtwoord, is de spreadsheet niet beveiligd als deze op iwork.com wordt bekeken. Het wachtwoord werkt alleen wanneer kijkers de beveiligde spreadsheet downloaden en vervolgens op hun computer bekijken. Om een onlinespreadsheet te beveiligen met een wachtwoord, moet u tijdens het publiceren een onlinewachtwoord instellen. Een spreadsheet met bepaalde kijkers delen 1 Open de spreadsheet die u wilt delen en klik op de knop 'Deel' in de knoppenbalk of kies 'Deel' > 'Deel via iwork.com'. 2 Geef uw Apple ID en wachtwoord op en klik vervolgens op 'Log in'. Wanneer u uw Apple ID of wachtwoord bent vergeten, klikt u op 'Wachtwoord vergeten?' en volgt u de instructies op het scherm. Als dit de eerste keer is dat u een document op iwork.com publiceert, wordt ter controle een naar uw adres gestuurd. Klik op de koppeling in de en ga vervolgens door met het delen van uw document. 3 Schakel 'Deel met kijkers' in. 4 Typ in het veld 'Aan' de adressen van de personen die u toegang wilt geven tot de spreadsheet en in het veld 'Bericht' een bericht voor deze personen. 5 Typ een onderwerp als u het automatisch aangemaakte onderwerp niet wilt gebruiken. 6 Stel de gewenste opties voor kijkers in voor uw gedeelde spreadsheet. Klik op 'Toon geavanceerde instellingen' om alle opties weer te geven: Opmerkingen plaatsen: Schakel dit aankruisvak in om in te stellen dat kijkers opmerkingen aan de spreadsheet mogen toevoegen. Hoofdstuk 11 Numbers-spreadsheets delen 267

Keynote '09 Gebruikershandleiding

Keynote '09 Gebruikershandleiding Keynote '09 Gebruikershandleiding KKApple Inc. Copyright 2011 Apple Inc. Alle rechten voorbehouden. Het Apple logo is een handelsmerk van Apple Inc., dat is gedeponeerd in de Verenigde Staten en andere

Nadere informatie

Numbers '08 Gebruikershandleiding

Numbers '08 Gebruikershandleiding Numbers '08 Gebruikershandleiding K Apple Inc. 2008 Apple Inc. Alle rechten voorbehouden. Volgens de auteursrechtelijke bepalingen mag deze handleiding niet zonder schriftelijke toestemming van Apple geheel

Nadere informatie

Pages '09 Gebruikershandleiding

Pages '09 Gebruikershandleiding Pages '09 Gebruikershandleiding KKApple Inc. Copyright 2011 Apple Inc. Alle rechten voorbehouden. Volgens de auteursrechtelijke bepalingen mag deze handleiding niet zonder schriftelijke toestemming van

Nadere informatie

Keynote '08 Gebruikershandleiding

Keynote '08 Gebruikershandleiding Keynote '08 Gebruikershandleiding K Apple Inc. 2008 Apple Inc. Alle rechten voorbehouden. Volgens de auteursrechtelijke bepalingen mag deze handleiding niet zonder schriftelijke toestemming van Apple geheel

Nadere informatie

INHOUDSTABEL PRESENTATIES OP MAC. geen specifieke voorkennis

INHOUDSTABEL PRESENTATIES OP MAC. geen specifieke voorkennis INHOUDSTABEL PRESENTATIES OP MAC TOELATINGSVOORWAARDEN Vereist: Aanbevolen: geen specifieke voorkennis kunnen werken met Mac OS Een presentatie beginnen Thema kiezen Formaat kiezen Het keynote-venster

Nadere informatie

INHOUD. Ten geleide 13. 1 Inleiding 15

INHOUD. Ten geleide 13. 1 Inleiding 15 INHOUD Ten geleide 13 1 Inleiding 15 1.1 Inleiding 15 1.2 Webbased 15 1.3 Alle voordelen op een rij 15 1.4 En nu? 16 1.5 Een Google Apps-account aanmaken 16 1.6 Inloggen 19 1.7 Test jezelf 21 2 Chrome-browser

Nadere informatie

ibooks Author Aan de slag

ibooks Author Aan de slag ibooks Author Aan de slag Welkom bij ibooks Author, een geweldige manier om prachtige, interactieve Multi-Touch-boeken voor ipad en Mac te maken. Begin met prachtige, door Apple ontworpen sjablonen met

Nadere informatie

Vragen opmaken in de editor

Vragen opmaken in de editor Vragen opmaken in de editor De tekstvakken van WTMaak zijn in versie 5.0 opgebouwd volgens de HTML5-methode. Hiermee kunt u direct zien wat u invoegt of opmaakt, de zogenaamde WYSIWYG methode (What You

Nadere informatie

bla bla Documenten Gebruikershandleiding

bla bla Documenten Gebruikershandleiding bla bla Documenten Gebruikershandleiding Documenten Documenten: Gebruikershandleiding publicatie datum vrijdag, 06. februari 2015 Version 7.6.2 Copyright 2006-2013 OPEN-XCHANGE Inc., Dit document is intellectueel

Nadere informatie

Met de intuïtieve interface van InDesign CC kunt u op eenvoudige wijze uitdagende lay-outs maken zoals u hier ziet. Het is belangrijk dat u het

Met de intuïtieve interface van InDesign CC kunt u op eenvoudige wijze uitdagende lay-outs maken zoals u hier ziet. Het is belangrijk dat u het Met de intuïtieve interface van InDesign CC kunt u op eenvoudige wijze uitdagende lay-outs maken zoals u hier ziet. Het is belangrijk dat u het werkgebied van InDesign kent zodat u de krachtige mogelijkheden

Nadere informatie

Portfolio s in Google Sites

Portfolio s in Google Sites Portfolio s in Google Sites Vanaf het schooljaar 2012-2013 biedt de NHL de optie om portfolio s aan te maken met Google Sites. De NHL-accounts bij Google zijn afgeschermd voor mensen die niet bij de NHL

Nadere informatie

Algemene basis instructies

Algemene basis instructies Inhoud: Algemene basis instructies... 2 Pictogrammen en knoppen... 2 Overzicht... 3 Navigeren (bladeren)... 3 Gegevens filteren... 4 Getoonde gegevens... 5 Archief... 5 Album... 5 Tabbladen en velden...

Nadere informatie

Inhoudsopgave. Deel 1 - Word 15

Inhoudsopgave. Deel 1 - Word 15 Inhoudsopgave Voorwoord... 9 Nieuwsbrief... 9 Introductie Visual Steps... 10 Wat heeft u nodig?... 10 Uw voorkennis... 11 De volgorde van lezen... 11 Hoe werkt u met dit boek?... 12 Website... 13 Toets

Nadere informatie

Gebruik van itunes met de ipod

Gebruik van itunes met de ipod Gebruik van itunes met de ipod Toevoegen van muziek Muziek toevoegen van je itunes-bibliotheek naar je ipod 1. Sluit de ipod aan op je computer 2. itunes opent van zelf. Indien dit toch niet gebeurt, open

Nadere informatie

Inhoudsopgave. Deel 1 Word 2010

Inhoudsopgave. Deel 1 Word 2010 Inhoudsopgave Voorwoord... 9 Nieuwsbrief... 9 Introductie Visual Steps... 10 Wat heeft u nodig?... 10 Verschillende versies... 11 Uw voorkennis... 11 Hoe werkt u met dit boek?... 12 De volgorde van lezen...

Nadere informatie

Inhoudsopgave Voorwoord 7 Nieuwsbrief 8 Introductie Visual Steps 8 Wat heeft u nodig? 9 Hoe werkt u met dit boek? 10 De website bij het boek

Inhoudsopgave Voorwoord 7 Nieuwsbrief 8 Introductie Visual Steps 8 Wat heeft u nodig? 9 Hoe werkt u met dit boek? 10 De website bij het boek Inhoudsopgave Voorwoord... 7 Nieuwsbrief... 8 Introductie Visual Steps... 8 Wat heeft u nodig?... 9 Hoe werkt u met dit boek?... 10 De website bij het boek... 11 Toets uw kennis... 11 Voor docenten...

Nadere informatie

Een korte handleiding door Frederic Rayen

Een korte handleiding door Frederic Rayen Een korte handleiding door Frederic Rayen Van installeren tot het gebruik P a g i n a 2 Inhoudsopgave Inleiding... 3 Hoe AbiWord version 2.8.6 installeren?... 4 Schermonderdelen... 5 Uitleg bij elke werkbalk...

Nadere informatie

Deel 1 Werken in Office 2007 15. Deel 2 Aan de slag met Word 2007 45. Deel 3 Aan de slag met Excel 2007 131

Deel 1 Werken in Office 2007 15. Deel 2 Aan de slag met Word 2007 45. Deel 3 Aan de slag met Excel 2007 131 Computer Basis boek Office 2007 Word, Excel & PowerPoint Korte inhoud Inhoudsopgave 5 Voorwoord 13 Deel 1 Werken in Office 2007 15 Deel 2 Aan de slag met Word 2007 45 Deel 3 Aan de slag met Excel 2007

Nadere informatie

INHOUDSTABEL FOTO S, TEKST EN MUZIEK OP MAC. geen specifieke voorkennis. kunnen werken met Mac OSXHOUD!

INHOUDSTABEL FOTO S, TEKST EN MUZIEK OP MAC. geen specifieke voorkennis. kunnen werken met Mac OSXHOUD! INHOUDSTABEL FOTO S, TEKST EN MUZIEK OP MAC TOELATINGSVOORWAARDEN Vereist: Aanbevolen: geen specifieke voorkennis kunnen werken met Mac OSXHOUD! IPHOTO Foto s importeren in de iphoto-bibliotheek Vanaf

Nadere informatie

1. Controleren of er nieuwe berichten zijn en uw berichten lezen

1. Controleren of er nieuwe berichten zijn en uw berichten lezen MAIL 1. Controleren of er nieuwe berichten zijn en uw berichten lezen Via het scherm 'Postbussen' in Mail hebt u snel toegang tot al uw postbussen 'Inkomend' en andere postbussen. Wanneer u een postbus

Nadere informatie

Uw gebruiksaanwijzing. APPLE IPHOTO http://nl.yourpdfguides.com/dref/3673599

Uw gebruiksaanwijzing. APPLE IPHOTO http://nl.yourpdfguides.com/dref/3673599 U kunt de aanbevelingen in de handleiding, de technische gids of de installatie gids voor. U vindt de antwoorden op al uw vragen over de in de gebruikershandleiding (informatie, specificaties, veiligheidsaanbevelingen,

Nadere informatie

Excel 2010 in 17 stappen

Excel 2010 in 17 stappen Omschrijving Volledige progressieve training Excel 2010 in 17 stappen (17 modules, 153 rubrieken) Duur 12:45 Inhoud 1. Ontdek Excel, vul een tabel in De basisfuncties van Excel: voer uw eerste handelingen

Nadere informatie

Microsoft Publisher 2013 ziet er anders uit dan eerdere versies, dus hebben we deze handleiding gemaakt, zodat u zo snel mogelijk aan de slag kunt.

Microsoft Publisher 2013 ziet er anders uit dan eerdere versies, dus hebben we deze handleiding gemaakt, zodat u zo snel mogelijk aan de slag kunt. Aan de slag Microsoft Publisher 2013 ziet er anders uit dan eerdere versies, dus hebben we deze handleiding gemaakt, zodat u zo snel mogelijk aan de slag kunt. Werkbalk Snelle toegang Voeg uw favoriete

Nadere informatie

iphoto Aan de slag Kennismaking met iphoto en instructies voor het importeren en ordenen van foto's en het aanmaken van diavoorstellingen en

iphoto Aan de slag Kennismaking met iphoto en instructies voor het importeren en ordenen van foto's en het aanmaken van diavoorstellingen en iphoto Aan de slag Kennismaking met iphoto en instructies voor het importeren en ordenen van foto's en het aanmaken van diavoorstellingen en fotoboeken 1 Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 3 Welkom bij iphoto 3

Nadere informatie

Migreren naar Access 2010

Migreren naar Access 2010 In deze handleiding Het uiterlijk van Microsoft Access 2010 verschilt aanzienlijk van Access 2003. Daarom hebben we deze handleiding gemaakt, zodat u niet te veel tijd hoeft te besteden aan het leren werken

Nadere informatie

iweb Aan de slag Kennismaking met iweb en instructies voor het maken van websites

iweb Aan de slag Kennismaking met iweb en instructies voor het maken van websites iweb Aan de slag Kennismaking met iweb en instructies voor het maken van websites 1 Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 3 Welkom bij iweb 3 Informatie over iweb 3 Het doel van de oefening 4 Voordat u begint 4 De

Nadere informatie

Uitgeverij cd/id multimedia

Uitgeverij cd/id multimedia Computer Basis boek Office 2010 Word, Excel & PowerPoint Korte inhoud Inhoudsopgave 5 Voorwoord 13 Deel 1 Werken in Office 2010 15 Deel 2 Aan de slag met Word 2010 47 Deel 3 Aan de slag met Excel 2010

Nadere informatie

Een tabel is samengesteld uit rijen (horizontaal) en kolommen (verticaal). Elk vakje uit een tabel is een cel.

Een tabel is samengesteld uit rijen (horizontaal) en kolommen (verticaal). Elk vakje uit een tabel is een cel. Module 14 Tabellen Een tabel invoegen Een tabel tekenen Verplaatsen en selecteren in een tabel Een tabel opmaken Veldnamenrij herhalen Rijen en kolommen toevoegen en verwijderen Tekst converteren naar

Nadere informatie

Microsoft Office 2003

Microsoft Office 2003 Computer Basis boek Microsoft Office 2003 Word, Excel en PowerPoint Korte inhoud Inhoudsopgave 7 Voorwoord 15 Deel 1 Werken in Office 2003 17 Deel 2 Word 2003 43 Deel 3 Excel 2003 117 Deel 4 PowerPoint

Nadere informatie

1. OpenOffice.org downloaden en installeren 13 1.1 Downloaden en installeren... 14 1.2 Achtergrondinformatie... 20 1.3 Tips... 21

1. OpenOffice.org downloaden en installeren 13 1.1 Downloaden en installeren... 14 1.2 Achtergrondinformatie... 20 1.3 Tips... 21 Inhoudsopgave Voorwoord... 7 Nieuwsbrief... 7 Introductie Visual Steps... 8 Wat heeft u nodig?... 8 Uw voorkennis... 9 Hoe werkt u met dit boek?... 10 De volgorde van lezen... 11 Website... 11 Toets uw

Nadere informatie

Het Wepsysteem. Het Wepsysteem wordt op maat gebouwd, gekoppeld aan de gewenste functionaliteiten en lay-out van de site. Versie september 2010

Het Wepsysteem. Het Wepsysteem wordt op maat gebouwd, gekoppeld aan de gewenste functionaliteiten en lay-out van de site. Versie september 2010 Het Wepsysteem Het Wepsysteem is een content management systeem, een systeem om zonder veel kennis van html of andere internettalen een website te onderhouden en uit te breiden. Met het Content Management

Nadere informatie

bla bla Documents Gebruikershandleiding

bla bla Documents Gebruikershandleiding bla bla Documents Gebruikershandleiding Documents Documents: Gebruikershandleiding publicatie datum maandag, 14. september 2015 Version 7.8.0 Copyright 2006-2013 OPEN-XCHANGE Inc., Dit document is intellectueel

Nadere informatie

Inhoudsopgave. Deel 1 Word 13

Inhoudsopgave. Deel 1 Word 13 Inhoudsopgave Voorwoord... 7 Nieuwsbrief... 7 Introductie Visual Steps... 8 Wat heeft u nodig?... 8 Uw voorkennis... 9 De volgorde van lezen... 9 Hoe werkt u met dit boek?... 10 Website... 11 Toets uw

Nadere informatie

De tekstverwerker. Afb. 1 de tekstverwerker

De tekstverwerker. Afb. 1 de tekstverwerker De tekstverwerker De tekstverwerker is een module die u bij het vullen van uw website veel zult gebruiken. Naast de module tekst maken onder andere de modules Aankondigingen en Events ook gebruik van de

Nadere informatie

Via het tabblad Pagina-indeling, groep Pagina-instelling kun je de afdrukstand en het papierformaat instellen.

Via het tabblad Pagina-indeling, groep Pagina-instelling kun je de afdrukstand en het papierformaat instellen. SAMENVATTING HOOFDSTUK 9 Pagina-indeling, de Pagina-instelling Via het tabblad Pagina-indeling, groep Pagina-instelling kun je de afdrukstand en het papierformaat instellen. Klik op de knop Afdrukstand

Nadere informatie

2.14 Achtergrondinformatie... 51 2.15 Tips... 54

2.14 Achtergrondinformatie... 51 2.15 Tips... 54 Inhoudsopgave Voorwoord... 9 Nieuwsbrief... 9 Introductie Visual Steps... 10 Wat heeft u nodig?... 10 De website bij het boek... 11 Uw voorkennis... 11 Bonushoofdstukken... 12 Hoe werkt u met dit boek?...

Nadere informatie

Grafieken in Word. Soort 1 2 5 10 12 15 20 30 Leven 4,8 4,9 5,1 5,5 5,6 5,8 6,0 6,2 Annuïteiten 4,9 5,1 5,3 5,7 5,8 6,0 6,2 6,5

Grafieken in Word. Soort 1 2 5 10 12 15 20 30 Leven 4,8 4,9 5,1 5,5 5,6 5,8 6,0 6,2 Annuïteiten 4,9 5,1 5,3 5,7 5,8 6,0 6,2 6,5 Les 16 Grafieken in Word In deze les leert u hoe u gegevens weergeeft in de vorm van een grafiek. Ook past u het uiterlijk, de schaal en het type grafiek aan. Een grafiek maken Eén plaatje zegt meer dan

Nadere informatie

Hoofdstuk 2 Basiskennis... 1-23 Muistechnieken... 1-23 Windows Verkenner... 1-24

Hoofdstuk 2 Basiskennis... 1-23 Muistechnieken... 1-23 Windows Verkenner... 1-24 Module 1 Basisvaardigheden Hoofdstuk 1 De Fluent Interface... 1-9 Lint... 1-9 Backstage... 1-12 Knopafbeeldingen in het lint... 1-15 Werkbalk Snelle toegang... 1-15 Scherminfo... 1-15 Miniwerkbalk... 1-16

Nadere informatie

Afdrukken in Calc Module 7

Afdrukken in Calc Module 7 7. Afdrukken in Calc In deze module leert u een aantal opties die u kunt toepassen bij het afdrukken van Calc-bestanden. Achtereenvolgens worden behandeld: Afdrukken van werkbladen Marges Gedeeltelijk

Nadere informatie

7 stramienen. maken en gebruiken. Stramienen maken. Wat ken je na dit hoofdstuk? Tips en richtlijnen voor werken met stramienen

7 stramienen. maken en gebruiken. Stramienen maken. Wat ken je na dit hoofdstuk? Tips en richtlijnen voor werken met stramienen 7 stramienen maken en gebruiken Een stramien is te vergelijken met een achtergrond die je snel op een reeks pagina s kunt toepassen. Objecten in een stramien staan op alle pagina s Wat ken je na dit hoofdstuk?

Nadere informatie

PowerPoint Basis. PowerPoint openen. 1. Klik op Starten 2. Klik op Alle programma s 3. Klik op de map Microsoft Office

PowerPoint Basis. PowerPoint openen. 1. Klik op Starten 2. Klik op Alle programma s 3. Klik op de map Microsoft Office PowerPoint Basis PowerPoint openen 1. Klik op Starten 2. Klik op Alle programma s 3. Klik op de map Microsoft Office Klik op Microsoft PowerPoint 2010 Wacht nu tot het programma volledig is opgestart.

Nadere informatie

Sneltoetsen bij Microsoft

Sneltoetsen bij Microsoft Sneltoetsen bij Microsoft Inhoud: 1. Sneltoets-combinaties bij MS Windows... 1 2. Sneltoets-combinaties bij MS Word... 1 3. Sneltoets-combinaties bij MS Excel... 3 4. Sneltoets-combinaties bij MS Outlook...

Nadere informatie

PowerPoint 2010: rondleiding (deel 1)

PowerPoint 2010: rondleiding (deel 1) PowerPoint 2010: rondleiding (deel 1) Met PowerPoint kan men voorstellingen maken door middel van dia's die zijn gevuld met teksten, afbeeldingen, films, grafieken en geluiden. PowerPoint is een uitstekend

Nadere informatie

De knoppen op het lint verkennen Elk tabblad op het lint bevat groepen en elke groep bevat een reeks gerelateerde opdrachten.

De knoppen op het lint verkennen Elk tabblad op het lint bevat groepen en elke groep bevat een reeks gerelateerde opdrachten. Beknopte handleiding Microsoft Excel 2013 ziet er anders uit dan de vorige versies. Daarom hebben we deze handleiding gemaakt, zodat u sneller vertrouwd raakt met het programma. Opdrachten toevoegen aan

Nadere informatie

Formulieren maken. U kent ze waarschijnlijk wel, die notitieblokjes voor het noteren van een telefoongesprek.

Formulieren maken. U kent ze waarschijnlijk wel, die notitieblokjes voor het noteren van een telefoongesprek. Les 14 Formulieren maken In deze les leert u een hoe u met velden een invulformulier voor een telefoonnotitie maakt. Hierbij wordt gebruikgemaakt van velden, secties en beveiliging. Daarvoor moet wel een

Nadere informatie

Beknopte handleiding. Uw bestanden beheren Klik op Bestand om uw Word-bestanden te openen, op te slaan, af te drukken en te beheren.

Beknopte handleiding. Uw bestanden beheren Klik op Bestand om uw Word-bestanden te openen, op te slaan, af te drukken en te beheren. Beknopte handleiding Microsoft Word 2013 ziet er anders uit dan de vorige versies. Daarom hebben we deze handleiding gemaakt, zodat u sneller vertrouwd raakt met het programma. Werkbalk Snelle toegang

Nadere informatie

Onze Microsoft gecertificeerde unieke Excel e-learning cursussen zijn incl.:

Onze Microsoft gecertificeerde unieke Excel e-learning cursussen zijn incl.: Cursus Inhoud 15 Modules - 15 Vragen Onze Microsoft gecertificeerde unieke Excel e-learning cursussen zijn incl.: * Praktijkopdrachten met real-time feedback bij gemaakte fouten * Rijke interactieve multimedia

Nadere informatie

Inhoudsopgave Voorwoord 11 Nieuwsbrief 11 Introductie Visual Steps 12 Wat heeft u nodig? 12 Uw voorkennis 13 Hoe werkt u met dit boek?

Inhoudsopgave Voorwoord 11 Nieuwsbrief 11 Introductie Visual Steps 12 Wat heeft u nodig? 12 Uw voorkennis 13 Hoe werkt u met dit boek? Inhoudsopgave Voorwoord... 11 Nieuwsbrief... 11 Introductie Visual Steps... 12 Wat heeft u nodig?... 12 Uw voorkennis... 13 Hoe werkt u met dit boek?... 14 De website bij het boek... 15 Aanvullende begeleidende

Nadere informatie

Deel 1: PowerPoint Basis

Deel 1: PowerPoint Basis Deel 1: PowerPoint Basis De mogelijkheden van PowerPoint als ondersteunend middel voor een gedifferentieerde begeleiding van leerlingen met beperkingen. CNO Universiteit Antwerpen 1 Deel 1 PowerPoint Basis

Nadere informatie

Inhoudsopgave. Inleiding 11

Inhoudsopgave. Inleiding 11 Inhoudsopgave Inleiding 11 1. Starten met Word 13 1.1 Word starten 14 1.2 Het lint 15 1.3 Het lint aanpassen 16 1.4 Werkbalk Snelle toegang aanpassen 18 1.5 De liniaal 20 1.6 Miniwerkbalk 20 1.7 Livevoorbeeld

Nadere informatie

De knoppen op het lint verkennen Elk tabblad op het lint bevat groepen en elke groep bevat een reeks gerelateerde opdrachten.

De knoppen op het lint verkennen Elk tabblad op het lint bevat groepen en elke groep bevat een reeks gerelateerde opdrachten. Beknopte handleiding Microsoft Excel 2013 ziet er anders uit dan de vorige versis. Daarom hebben we deze handleiding gemaakt, zodat u sneller vertrouwd raakt met het programma. Opdrachten toevoegen aan

Nadere informatie

Mac OS X 10.6 Snow Leopard Installatie- en configuratiehandleiding

Mac OS X 10.6 Snow Leopard Installatie- en configuratiehandleiding Mac OS X 10.6 Snow Leopard Installatie- en configuratiehandleiding Lees dit document voordat u Mac OS X installeert. Dit document bevat belangrijke informatie over de installatie van Mac OS X. Systeemvereisten

Nadere informatie

Sneltoetsen te gebruiken bij Microsoft

Sneltoetsen te gebruiken bij Microsoft Sneltoetsen te gebruiken bij Microsoft Inhoud: 1. Sneltoets-combinaties bij MS Windows...1 2. Sneltoets-combinaties bij MS Word...2 3. Sneltoets-combinaties bij MS Excel...4 4. Sneltoets-combinaties bij

Nadere informatie

Het is af en toe niet om aan te zien hoe sommige

Het is af en toe niet om aan te zien hoe sommige Tabellen in Word 2010 Otto Slijkhuis Het is af en toe niet om aan te zien hoe sommige Word-gebruikers met teksten omgaan. In plaats van het invoegen van een tabel om gegevens keurig in een overzicht te

Nadere informatie

Uw gebruiksaanwijzing. APPLE IWEB http://nl.yourpdfguides.com/dref/3673671

Uw gebruiksaanwijzing. APPLE IWEB http://nl.yourpdfguides.com/dref/3673671 U kunt de aanbevelingen in de handleiding, de technische gids of de installatie gids voor. U vindt de antwoorden op al uw vragen over de in de gebruikershandleiding (informatie, specificaties, veiligheidsaanbevelingen,

Nadere informatie

Toelichting op enkele knoppen: (als u de muis bij een knop houdt, verschijnt een tekst met een korte aanwijzing (tooltip) bij deze knop).

Toelichting op enkele knoppen: (als u de muis bij een knop houdt, verschijnt een tekst met een korte aanwijzing (tooltip) bij deze knop). FAQ Leerlingdossier & handelingsplannen Welke mogelijkheden biedt de online tekstverwerker in ESIS? De online tekstverwerker beschikt over veel mogelijkheden voor het bewerken van tekst. U vindt de online

Nadere informatie

INHOUD. Ten geleide 13. 1 Excel 2007-2010 Basis 15

INHOUD. Ten geleide 13. 1 Excel 2007-2010 Basis 15 INHOUD Ten geleide 13 1 Excel 2007-2010 Basis 15 1.1 Inleiding 15 1.2 Excel 2007-2010 samengevat 15 1.2.1 Configuratie instellen en de werkomgeving aanpassen 15 1.2.1.1 Een knop toevoegen aan de werkbalk

Nadere informatie

2.12 Een document opslaan als... 48 2.13 Oefeningen... 50 2.14 Achtergrondinformatie... 51 2.15 Tips... 54

2.12 Een document opslaan als... 48 2.13 Oefeningen... 50 2.14 Achtergrondinformatie... 51 2.15 Tips... 54 Inhoudsopgave Voorwoord... 9 Nieuwsbrief... 9 Introductie Visual Steps... 10 Wat heeft u nodig?... 10 De website bij het boek... 11 Uw voorkennis... 11 Bonushoofdstukken... 12 Hoe werkt u met dit boek?...

Nadere informatie

opent het venster van Launchpad. Om Dashboard te openen: Pagina 33 De laatste handeling is gewijzigd. De handeling gaat nu als volgt:

opent het venster van Launchpad. Om Dashboard te openen: Pagina 33 De laatste handeling is gewijzigd. De handeling gaat nu als volgt: 1 Enige tijd geleden is het nieuwe besturingssysteem Mac OS X Mavericks uitgebracht door Apple. In dit aanvullende PDF-bestand ziet u een overzicht van de wijzigingen tussen Mac OS X Mavericks en het boek.

Nadere informatie

1. Installeren van de app ibooks

1. Installeren van de app ibooks Omschrijving ibooks is een ideaal programma voor het downloaden en lezen van boeken. ibooks bevat de ibookstore, waar u dag en nacht de nieuwste bestsellers en oude favorieten kunt downloaden. Uw boeken

Nadere informatie

www.digitalecomputercursus.nl 6. Reeksen

www.digitalecomputercursus.nl 6. Reeksen 6. Reeksen Excel kan datums automatisch uitbreiden tot een reeks. Dit betekent dat u na het typen van een maand Excel de opdracht kan geven om de volgende maanden aan te vullen. Deze voorziening bespaart

Nadere informatie

!!!!!!!!!!!! Handleiding website! VV Den Ham

!!!!!!!!!!!! Handleiding website! VV Den Ham Handleiding website VV Den Ham versie 1.1 1 van 26 " Stand Template Team foto s Template Team Template " Spelers Template Topscorers Template 9 van 26 6.5 Download template De download pagina bestaat uit

Nadere informatie

Excel 2013 (N/N) : Texte en néerlandais sur la version néerlandaise du logiciel

Excel 2013 (N/N) : Texte en néerlandais sur la version néerlandaise du logiciel Omgeving Excel 2013 opstarten 11 Excel 2013 afsluiten 14 Het lint gebruiken/beheren 14 Werken met het tabblad BESTAND 15 De laatste handelingen ongedaan maken 16 Opnieuw uitvoeren van eerder ongedaan gemaakte

Nadere informatie

Mail. 1. Informatie over Mail. 2. E-mailaccounts instellen. Google-, Yahoo!- en AOL-accounts instellen

Mail. 1. Informatie over Mail. 2. E-mailaccounts instellen. Google-, Yahoo!- en AOL-accounts instellen Mail 1. Informatie over Mail U kunt de berichten van al uw e-mailaccounts in één venster weergeven. Mail geeft berichtenreeksen weer, zodat u eenvoudig ziet welke berichten bij elkaar horen. Met Mail kunt

Nadere informatie

Inhoudsopgave Voorwoord 7 Nieuwsbrief 7 De website bij het boek 8 Introductie Visual Steps 8 Meer over andere Office 2010 -programma s

Inhoudsopgave Voorwoord 7 Nieuwsbrief 7 De website bij het boek 8 Introductie Visual Steps 8 Meer over andere Office 2010 -programma s Inhoudsopgave Voorwoord... 7 Nieuwsbrief... 7 De website bij het boek... 8 Introductie Visual Steps... 8 Meer over andere Office 2010-programma s... 8 Wat heeft u nodig?... 9 Bonushoofdstuk... 9 Toets

Nadere informatie

Hoofdstuk 1: Het Excel Dashboard* 2010

Hoofdstuk 1: Het Excel Dashboard* 2010 Hoofdstuk 1: Het Excel Dashboard* 2010 1.0 Introductie Excel helpt om data beter te begrijpen door het in cellen (die rijen en kolommen vormen) in te delen en formules te gebruiken om relevante berekeningen

Nadere informatie

Veelgestelde vragen over AdminView

Veelgestelde vragen over AdminView Veelgestelde vragen over AdminView S for Software B.V. Gildeweg 6 3771 NB Barneveld tel 0342 820 996 fax 0342 820 997 e-mail info@sforsoftware.nl web www.sforsoftware.nl Inhoudsopgave 1. Algemeen... 2

Nadere informatie

Powerpoint 2013 Snelstartgids

Powerpoint 2013 Snelstartgids Aan de slag Microsoft Powerpoint 2013 ziet er anders uit dan eerdere versies. Daarom hebben we deze handleiding samengesteld om de leercurve zo kort mogelijk te maken. Pagina 1 van 9 Aan de slag Wanneer

Nadere informatie

www.seniorencomputerlessen.nl 199 Kruidvat

www.seniorencomputerlessen.nl 199 Kruidvat www.seniorencomputerlessen.nl 199 Kruidvat laatst gewijzigd 27 oktober 2012 Uw keuze voor het maken van een fotoboek met software van Kruidvat. Deze cursus bestaat uit 5 delen. Deel 1 Foto's voor uw fotoboek

Nadere informatie

Inhoudsopgave Voorwoord 13 Nieuwsbrief 13 Introductie Visual Steps 14 Wat heeft u nodig? 15 De website bij het boek 15 Hoe werkt u met dit boek?

Inhoudsopgave Voorwoord 13 Nieuwsbrief 13 Introductie Visual Steps 14 Wat heeft u nodig? 15 De website bij het boek 15 Hoe werkt u met dit boek? Inhoudsopgave Voorwoord... 13 Nieuwsbrief... 13 Introductie Visual Steps... 14 Wat heeft u nodig?... 15 De website bij het boek... 15 Hoe werkt u met dit boek?... 16 Uw voorkennis... 17 Toets uw kennis...

Nadere informatie

Safira CMS Handleiding

Safira CMS Handleiding Safira CMS Handleiding Inhoudsopgave 1Mappen en artikelen... 2 1.11.1 Naam wijzigen map/ pagina... 3 1.21.2 Website structuur: nieuwe pagina aanmaken, pagina verwijderen, pagina blokkeren, structuur wijzigen...

Nadere informatie

Inhoud. 1 Starten 1. 2a Maken van een nieuw document 2. 2b Verder gaan met een opgeslagen document 3. 3 Mogelijkheden 4

Inhoud. 1 Starten 1. 2a Maken van een nieuw document 2. 2b Verder gaan met een opgeslagen document 3. 3 Mogelijkheden 4 Inhoud 1 Starten 1 2a Maken van een nieuw document 2 2b Verder gaan met een opgeslagen document 3 3 Mogelijkheden 4 3a Autoflow of handmatig inslepen 6 Handleiding Wanneer je deze handige tips doorneemt

Nadere informatie

1. Kennismaken met Calc

1. Kennismaken met Calc 1. Kennismaken met Calc In deze module leert u: - het programma Calc starten. - de onderdelen van het programmavenster van Calc herkennen. - over het werkblad verplaatsen. - gegevens invoeren. - het programma

Nadere informatie

INHOUDSOPGAVE: EXCEL 2010 / 2013 ADVANCED

INHOUDSOPGAVE: EXCEL 2010 / 2013 ADVANCED INHOUDSOPGAVE: EXCEL 2010 / 2013 ADVANCED 1 Sjablonen 11 1.1 Een sjabloon maken 11 1.2 Een sjabloon gebruiken om een nieuwe werkmap te maken 12 1.3 Een geïnstalleerde sjabloon gebruiken 12 1.4 Een sjabloon

Nadere informatie

I Het maken van een nieuwsbrief

I Het maken van een nieuwsbrief I Het maken van een nieuwsbrief Wat leer je? Veel bedrijven publiceren een korte nieuwsbrief waar zij hun personeel op de hoogte houden van belangrijke ontwikkelingen binnen het bedrijf. Hier meldt men

Nadere informatie

handleiding v3.1 Overzicht toont u alle bladzijden van uw album Bladzijde toont een specifieke pagina van uw album

handleiding v3.1 Overzicht toont u alle bladzijden van uw album Bladzijde toont een specifieke pagina van uw album 3 Foto s en tekst invoegen en schikken Bovenaan het programmavenster ziet u twee tabs: handleiding v3.1 Overzicht toont u alle bladzijden van uw album Bladzijde toont een specifieke pagina van uw album

Nadere informatie

MS Publisher. Module 0. tccbk00228. MS Publisher, versie 2000 (NL) Nummer: 228 (11062002) The Courseware Company

MS Publisher. Module 0. tccbk00228. MS Publisher, versie 2000 (NL) Nummer: 228 (11062002) The Courseware Company MS Publisher Module 0 tccbk00228 MS Publisher, versie 2000 (NL) Nummer: 228 (11062002) The Courseware Company Niets van deze uitgave mag verveelvoudigd worden en/of openbaar worden gemaakt door middel

Nadere informatie

Basiskennis van PowerPoint

Basiskennis van PowerPoint Basiskennis van PowerPoint Pow erpoint is een krachtige toepassing voor presentaties. Om Pow erpoint echter zo doeltreffend mogelijk te kunnen gebruiken, hebt u eerst enige basiskennis nodig. In deze zelfstudie

Nadere informatie

Excel 2010, H1 HOOFDSTUK 1

Excel 2010, H1 HOOFDSTUK 1 HOOFDSTUK 1 Excel opstarten en afsluiten EXCEL kan worden opgestart via. Als EXCEL al vaker is gestart kun je direct op Microsoft Office EXCEL 2010 klikken. Typ anders in het zoekvak de eerste letters

Nadere informatie

6. Absolute en relatieve celadressering

6. Absolute en relatieve celadressering 6. Absolute en relatieve celadressering In deze module leert u: - Wat absolute en relatieve celadressering is; - De relatieve celadressering toepassen; - De absolute celadressering toepassen; - De absolute

Nadere informatie

Handleiding teksteditor

Handleiding teksteditor In deze handleiding leggen we de werking van de teksteditor uit. De teksteditor wordt gebruikt voor het bewerken van tekst. Uw tekstpagina s bewerkt u met deze editor, maar u vindt m op vele plekken terug.

Nadere informatie

Inhoud Basiscursus. Excel 2010

Inhoud Basiscursus. Excel 2010 Inhoud Basiscursus Excel 2010 Basis vaardigheden Hoofdstuk 1 De Fluent Interface... 1-2 Ribbon... 1-2 Backstage... 1-5 Knopafbeeldingen in het Ribbon... 1-8 Quick Access Toolbar... 1-9 Scherminfo... 1-9

Nadere informatie

Word 2010: rondleiding

Word 2010: rondleiding Word 2010: rondleiding Microsoft Word is in de eerste plaats een tekstverwerkingsprogramma, maar er is meer. Men kan standaardbrieven, memoranda, fax, enveloppen, etiketten, en andere types van documenten

Nadere informatie

INSTRUCT Samenvatting Basis PowerPoint, H6 SAMENVATTING HOOFDSTUK 6. Galerie voor diagrammen:

INSTRUCT Samenvatting Basis PowerPoint, H6 SAMENVATTING HOOFDSTUK 6. Galerie voor diagrammen: SAMENVATTING HOOFDSTUK 6 Diagram invoegen Via de menukeuzen Invoegen, Diagram of met Galerie voor diagrammen: open je het venster Er zijn 6 verschillende diagrammen: 1. Organigram 2. Cyclusdiagram 3. Radiaaldiagram

Nadere informatie

DOCUMENT SAMENSTELLEN

DOCUMENT SAMENSTELLEN Pagina 168 7 In dit hoofdstuk gaat u een nieuwsbrief maken met behulp van een sjabloon. De artikelen die in de nieuwsbrief worden opgenomen zijn al geschreven. U hoeft de tekst alleen nog naar de juiste

Nadere informatie

Inhoudsopgave Voorwoord 5 Nieuwsbrief 5 Introductie Visual Steps 6 Wat heeft u nodig? 6 De volgorde van lezen 7 Uw voorkennis

Inhoudsopgave Voorwoord 5 Nieuwsbrief 5 Introductie Visual Steps 6 Wat heeft u nodig? 6 De volgorde van lezen 7 Uw voorkennis Inhoudsopgave Voorwoord... 5 Nieuwsbrief... 5 Introductie Visual Steps... 6 Wat heeft u nodig?... 6 De volgorde van lezen... 7 Uw voorkennis... 8 Hoe werkt u met dit boek?... 8 Website... 9 Toets uw kennis...

Nadere informatie

Europees Computer Rijbewijs. Module 3. Word 2010. 2010 Instruct, Postbus 38, 2410 AA Bodegraven - 1 e druk: november 2010 ISBN: 978 90 460 0609 2

Europees Computer Rijbewijs. Module 3. Word 2010. 2010 Instruct, Postbus 38, 2410 AA Bodegraven - 1 e druk: november 2010 ISBN: 978 90 460 0609 2 Europees Computer Rijbewijs Module 3 Word 2010 2010 Instruct, Postbus 38, 2410 AA Bodegraven - 1 e druk: november 2010 ISBN: 978 90 460 0609 2 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden

Nadere informatie

2.4.4 LibreOffice Werkblad Mac

2.4.4 LibreOffice Werkblad Mac 2.4.4 LibreOffice Werkblad Mac Deze cursus bestaat uit 4 delen. 1. Werkblad gebruiken voor berekeningen 2. Werkblad gebruiken voor het maken van lijsten 3. Werkblad gebruiken voor een (eenvoudige) boekhouding

Nadere informatie

Sneltoetsen. 1. Sneltoets-combinaties bij MS Windows. www.gezonduitgeven.nl

Sneltoetsen. 1. Sneltoets-combinaties bij MS Windows. www.gezonduitgeven.nl Inhoud: 1. Sneltoets-combinaties bij MS Windows... 1 2. Sneltoets-combinaties bij MS Word...2 3. Sneltoets-combinaties bij MS Excel... 4 4. Sneltoets-combinaties bij MS Outlook... 5 5. Sneltoets-combinaties

Nadere informatie

Microsoft Offi ce OneNote 2003: een korte zelfstudie

Microsoft Offi ce OneNote 2003: een korte zelfstudie Microsoft Offi ce OneNote 2003: een korte zelfstudie Werken met OneNote: zelfstudie 1 MICROSOFT OFFICE ONENOTE 2003 ZORGT VOOR OPTIMALE PRODUCTIVITEIT DOOR EENVOUDIGE VASTLEGGING, EFFICIËNTE ORGANISATIE

Nadere informatie

Een toekomst voor ieder kind. www.altra.nl

Een toekomst voor ieder kind. www.altra.nl Een toekomst voor ieder kind www.altra.nl Excel Tips en trucs Knippen/kopiëren Kolommen verplaatsen Het is handig om de kolommen met de module en locatie als eerste twee in het overzicht te hebben. Selecteer

Nadere informatie

iwork Gebruikershandleiding voor formules en functies

iwork Gebruikershandleiding voor formules en functies iwork Gebruikershandleiding voor formules en functies KKApple Inc. 2009 Apple Inc. Alle rechten voorbehouden. Volgens de auteursrechtelijke bepalingen mag deze handleiding niet zonder schriftelijke toestemming

Nadere informatie

Basiskennis van Word

Basiskennis van Word Basiskennis van Word Word is een krachtige toepassing voor tekstverwerking en opmaak. Om deze toepassing zo doeltreffend mogelijk te kunnen gebruiken, hebt u eerst enige basiskennis nodig. In deze zelfstudie

Nadere informatie

Afspraken vet voorbeeldenmap oefe- ningenmap

Afspraken vet voorbeeldenmap oefe- ningenmap Inleiding Excel 2013 2/3 is het tweede deel van een reeks van drie over Microsoft Excel. We veronderstellen in dit deel dat je de basistechnieken, die aan bod zijn gekomen in het eerste deel, onder de

Nadere informatie

Inleiding. - Teksten aanpassen - Afbeeldingen toevoegen en verwijderen - Pagina s toevoegen en verwijderen - Pagina s publiceren

Inleiding. - Teksten aanpassen - Afbeeldingen toevoegen en verwijderen - Pagina s toevoegen en verwijderen - Pagina s publiceren Inleiding Voor u ziet u de handleiding van TYPO3 van Wijngaarden AutomatiseringsGroep. De handleiding geeft u antwoord geeft op de meest voorkomende vragen. U krijgt inzicht in het toevoegen van pagina

Nadere informatie

EBUILDER HANDLEIDING. De Ebuilder is een product van EXED internet www.exed.nl. info@exed.nl EXED CMS UITLEG

EBUILDER HANDLEIDING. De Ebuilder is een product van EXED internet www.exed.nl. info@exed.nl EXED CMS UITLEG EBUILDER HANDLEIDING De Ebuilder is een product van EXED internet www.exed.nl info@exed.nl 1 INHOUDSOPGAVE Inleiding Een korte introductie over het Ebuilder» Navigatie» Snelnavigatie Pagina s Hier vind

Nadere informatie

Taken automatiseren met Visual Basicmacro's

Taken automatiseren met Visual Basicmacro's Taken automatiseren met Visual Basicmacro's Als u niet bekend bent met macro's, moet u zich niet hierdoor laten afschrikken. Een macro is een opgenomen set toetsaanslagen en instructies waarmee u een taak

Nadere informatie

Aan de slag. Meer opties Klik op deze pijl om meer opties in een dialoogvenster te zien.

Aan de slag. Meer opties Klik op deze pijl om meer opties in een dialoogvenster te zien. Aan de slag Microsoft PowerPoint 2013 ziet er anders uit dan eerdere versies. Daarom hebben we deze handleiding samengesteld om de leercurve zo kort mogelijk te maken. Vinden wat u zoekt Klik op een linttabblad

Nadere informatie