6 Participatie in arbeid Goede werkgelegenheid voor iedereen houdt een stad gezond, aldus het Amsterdamse Programakkoord 2006-2010. Het hebben van een baan bevordert immers de deelname aan andere maatschappelijke activiteiten en bepaalt in sterke mate iemands welzijnsniveau. Niet iedereen heeft echter een even sterke positie op de arbeidsmarkt. Met name voor laaggeschoolden is het moeilijk om werk te vinden. In dit hoofdstuk wordt gekeken welke groepen Amsterdammers meer of minder profiteren van de huidige ontwikkelingen in de economie.
92 De Staat van de Stad Amsterdam IV Kernpunten De Amsterdamse beroepsbevolking zal de komende jaren niet door vergrijzing in omvang afnemen. Wel zal het aandeel 55-plussers toenemen. Het aandeel 55-plussers en jongeren tot 24 jaar dat minimaal 12 uur per week werkt of wil werken is de afgelopen twee jaar licht gestegen. De werkloosheid daalt. Begin 2007 gaat het om 8% van de beroepsbevolking (2005: 10%) en heeft 7,4% van de 15 tot 65-jarige Amsterdammers zich als niet-werkende werkzoekende ingeschreven bij het CWI (2005: 9,6%). Mannen, 25 tot 35-jarigen, Marokkanen, Surinamers en VMBO ers profiteren het meest van de aantrekkende arbeidsmarkt. De werkloosheid onder hoogopgeleiden was al zo laag (4%) dat deze niet verder is afgenomen. Onder ongeschoolden, 45-plussers, Turken en de groep overig nietwesterse allochtonen en westerse allochtonen is de werkloosheid niet gedaald. Het aantal niet-werkende werkzoekenden dat staat ingeschreven bij het CWI is bij alle herkomstgroepen gedaald. De daling van het aantal niet-werkende werkzoekenden heeft alleen plaatsgevonden onder personen die korter dan twee jaar werkloos zijn. De langdurige werkloosheid (langer dan 2 jaar) is licht toegenomen. De jeugdwerkloosheid daalt in Amsterdam. In 2007 heeft 18% van de jongeren die 12 uur of meer per week willen werken geen baan (2005: 23%). Van alle 15 tot en met 24-jarigen staat 2,9% ingeschreven bij het CWI (2005: 4,7%). In Zuidoost en Amsterdam-Noord is het aandeel niet-werkende werkzoekenden minder sterk afgenomen dan in de overige stadsdelen. In Geuzenveld-Slotermeer en Bos en Lommer was de daling van de werkloosheid het sterkst. Ruim de helft van de Amsterdamse werklozen heeft maximaal een VMBO-diploma. Hun opleidingsniveau sluit in veel gevallen niet aan bij de vraag van de arbeidsmarkt. Tweederde van de ontstane vacatures in het eerste kwartaal van 2006 is op HBO/VWO-niveau. Dit hoofdstuk gaat in op de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt. De belangrijkste thema s die daarbij aan de orde komen zijn: de samenstelling van de Amsterdamse beroepsbevolking, de ontwikkeling van de werkloosheid voor verschillende groepen Amsterdammers op basis van verschillende bronnen, de aansluiting tussen het onderwijs en de arbeidsmarkt en de relatie tussen arbeid en de leefsituatieindex. In hoofdstuk vijf wordt de economische ontwikkeling van de stad besproken. Meer Amsterdammers actief op de arbeidsmarkt In Amsterdam wonen 541.700 personen met een leeftijd tussen de 15 en 65 jaar. Zij vormen samen de potentiële beroepsbevolking van de stad. Volgens de prognoses van O+S zal de potentiële beroepsbevolking van Amsterdam de komende jaren langzaam in omvang blijven toenemen tot circa 558.000 personen in 2012 en 564.000 personen in 2017. 1 Hiermee wijkt de ontwikkeling in Amsterdam af van de rest van het land, waarvoor op korte termijn door vergrijzing een structurele krimp van de potentiële beroepsbevolking wordt voorspeld. 2 Wel zal in Amsterdam het aandeel 55-plussers in de potentiële beroepsbevolking gaan toenemen (van 14% in 2007 naar 15,5% in 2017). De lichte groei van de potentiële beroepsbevolking in Amsterdam is echter niet voldoende om in 2020 te voldoen aan de vraag naar personeel. Volgens de dienst Economische Zaken van de gemeente Amsterdam zal er, afhankelijk van het te volgen ontwikkelingsscenario, in 2020 een tekort zijn van 4.300 tot 70.900 arbeidskrachten (zie ook afb. 6.18). 3 Afb. 6.1 Beroepsbevolking Amsterdam, 2001, 2003, 2005 en 2007 2001 2003 2005 2007* potentiële beroepsbevolking (bevolking 15-64 jaar) 529.000 531.100 539.200 541.700 niet-beroepsbevolking (gepensioneerden, studenten etc.) 142.500 142.400 152.600 148.753 beroepsbevolking 386.500 388.700 386.700 392.900 bruto arbeidsparticipatie (% beroepsbevolking in potentiële beroepsbevolking) 73 73 72 73 werkzaam 368.400 357.600 346.500 361.000 netto participatiegraad (% werkzamen in potentiële beroepsbevolking) 70 67 64 67 werkloos 18.100 31.300 40.200 31.900 werkloosheidspercentage (% werklozen in beroepsbevolking) 5 8 10 8 * 2007: voorlopige cijfers. bron: O+S, Regionale Enquête Beroepsbevolking (REB)
6 Participatie in arbeid 93 Niet iedereen tussen 15 en 65 jaar is actief op de arbeidsmarkt (zie afb. 6.1). Groepen als studenten, huisvrouwen, arbeidsongeschikten en gepensioneerden worden niet tot de beroepsbevolking gerekend. In totaal is 73% van de Amsterdammers tussen de 15 en 65 jaar werkzaam of beschikbaar om te werken. Dit percentage, dat de bruto arbeidsparticipatie wordt genoemd, is de afgelopen zes jaar ongeveer hetzelfde gebleven. Er zijn echter wel verschillen te zien tussen groepen Amsterdammers. Terwijl 45-plussers, met name 55-plussers, steeds vaker bij de beroepsbevolking zijn gaan horen, geldt dit voor jongeren onder de 24 jaar juist minder vaak (zie afb. 6.2). Verder blijkt dat de bruto arbeidsparticipatie onder mannen de afgelopen zes jaar fors is gestegen (van 72% naar 78%, zie afbeelding 6.3). Met name westerse allochtone mannen zijn vaker toegetreden tot de arbeidsmarkt. Het aandeel vrouwen dat werkt of wil werken schommelt in Amsterdam de laatste jaren rond de tweederde. De lichte stijging in 2007 naar 67% is veroorzaakt door een toename van het aandeel autochtone en westerse allochtone vrouwen die tot de beroepsbevolking worden gerekend (respectievelijk 74% en 75%). De bruto arbeidsparticipatie van niet-westerse vrouwen ging van 53% naar 52%. In Amsterdam zijn vrouwen vaker actief op de arbeidsmarkt dan in de rest van het land (2005: 66% tegenover 59%). Voor de meeste herkomstgroepen geldt dat de bruto arbeidsparticipatie in 2007 iets hoger is dan in 2005 (zie afb. 6.4). Alleen onder de groep overig niet-westerse allochtonen en de Turkse Amsterdammers is het aandeel werkenden en werkwillenden gedaald. De bruto arbeidsparticipatie is het hoogst onder westerse allochtonen (80%) en het laagst onder Marokkaanse en Turkse Amsterdammers (52% en 51%). De bruto arbeidsparticipatie in Amsterdam behoort tot de hoogste van het land (zie afb. 6.5). Volgens de berekeningen van het CBS gaat het in de periode 2003/2005 om 70%, terwijl het landelijke gemiddelde 68% is. Aan de groei van de arbeidsparticipatie in Nederland begint een einde te komen. Zowel landelijk als in Amsterdam is de bruto arbeidsparticipatie sinds 2001 redelijk stabiel. De stijging in de jaren daarvoor is vooral toe te schrijven aan de gestegen participatie van vrouwen en ouderen. Verdergaande groei zal vooral moeten komen uit het verlengen van de werkweek en het stimuleren van het op latere leeftijd doorwerken. Bij vrouwen is er meer ruimte om de werkweek te verlengen dan bij mannen. In 2005 hebben acht van de tien werkende mannen in Amsterdam een baan van minimaal 33 uur per week (79%). Bij vrouwen gaat het om iets minder dan de helft (46%). Van de werkende vrouwen in Amsterdam werkt 29% 25 tot 32 uur per week en 25% 12 tot 24 uur. Afb. 6.2 Bruto arbeidsparticipatie in Amsterdam naar leeftijdsgroepen, 2001, 2003, 2005 en 2007* (procenten) * 2007: voorlopige cijfers. bron: O+S, Regionale Enquête Beroepsbevolking (REB) Afb. 6.3 Bruto arbeidsparticipatie in Amsterdam en Nederland naar geslacht, 2001, 2003, 2005 en 2007* (procenten) * 2007: voorlopige cijfers. bron: O+S, Regionale Enquête Beroepsbevolking (REB)/CBS Nu de arbeidsmarkt weer aantrekt stellen ook meer mensen zich beschikbaar om te werken. Dit komt onder andere doordat men de kans om te worden aangenomen hoger inschat. In tijden dat het economisch slecht gaat stellen jongeren bijvoorbeeld hun gang naar de arbeidsmarkt uit door langer te blijven studeren. In 2005 werden bijna 153.000 Amsterdammers tussen 15 en 65 jaar niet tot de beroepsbevolking gerekend. In 2007 ligt dit aantal Afb. 6.4 Bruto arbeidsparticipatie naar herkomstgroep, 2005 en 2007* (procenten) * 2007: voorlopige cijfers. bron: O+S, Regionale Enquête Beroepsbevolking (REB)
94 De Staat van de Stad Amsterdam IV 2,5% lager op 149.000. Ruim tweederde (67%) van de Amsterdammers die beschikbaar zijn voor de arbeidsmarkt hebben een baan van minimaal 12 uur per week. De netto participatiegraad ligt hiermee 3% hoger dan in 2005. Werkloosheid daalt De samenstelling van de Amsterdamse beroepsbevolking wordt iedere twee jaar door O+S bepaald Afb. 6.5 Bruto arbeidsparticipatie in de G4 (voortschrijdend driejaars gemiddelde) en Nederland (percentage laatstgenoemde jaar), 1996-2005 (procenten) Afb. 6.6 Werkloosheidspercentage in de G4 en Nederland, 2000-2006 bron: CBS bron: CBS via de Regionale Enquête Beroepsbevolking (REB). Het werkloosheidspercentage dat op basis van deze enquête wordt berekend, is het aandeel personen dat niet werkt, maar wel per direct beschikbaar zegt te zijn voor een baan van minimaal 12 uur per week. In 2007 gaat het om 8% van de beroepsbevolking. In 2005 was dat nog 10%. Groepen waaronder de werkloosheid de afgelopen twee jaar het sterkst gedaald is zijn mannen (van 10% naar 7%), Amsterdammers tussen de 25 en 34 jaar (van 11% naar 4%), VMBO ers (van 17% naar 11%), Marokkanen (van 28% naar 20%) en Surinamers (van 20% naar 12%). Onder Turken (15%), overig niet-westerse allochtonen (20%), westerse allochtonen (9%), 45-plussers (9%), ongeschoolden (21%) en hoogopgeleiden (4%) is de werkloosheid de laatste twee jaar gelijk gebleven of zelfs licht toegenomen. In afbeelding 6.6 staat de ontwikkeling van de werkloosheid in de vier grote steden weergegeven op basis van de Enquête Beroepsbevolking van het CBS. In Amsterdam ligt de werkloosheid, net als in Rotterdam, over het algemeen boven het landelijke gemiddelde. Tussen 2001 en 2005 stijgt de werkloosheid in Nederland. Bij aanvang van deze periode ligt in de vier grote steden alleen in Rotterdam de werkloosheid ver boven het gemiddelde. In de jaren daarna kennen alle steden periodes van sterk stijgende werkloosheid. In Amsterdam is dit het geval in 2003 en ook in 2005, wanneer landelijk de werkloosheid al stabiliseert. Voor alle vier de steden geldt dat de werkloosheid in de periode 2001-2005 meer is toegenomen dan de landelijke toename van 3,5 procentpunt. In Amsterdam is de toename in deze periode het grootst (5,9 procentpunt) en in Utrecht het kleinst (4,4 procentpunt). In 2006 is landelijk de periode van stijgende werkloosheid voorbij en daalt deze met 1% tot 5,5%. In Amsterdam en Utrecht daalt de werkloosheid volgens het CBS drie keer sterker dan in de rest van het land tot respectievelijk 6,8% en 4,4%, terwijl in Rotterdam de werkloosheid met 11% onverminderd hoog blijft. Wanneer gekeken wordt naar de 50 grootste gemeenten in Nederland staat Amsterdam op de 8 e plaats op de lijst van steden met een hoge werkloosheid. 4 Voor 2007 wordt voor Nederland een verdere daling van de werkloosheid voorspeld naar 4,5%. 5 Hiermee wordt het structurele of evenwichtige niveau van werkloosheid benaderd. Een veel verdere daling op lange termijn is niet mogelijk. Er zal namelijk altijd een zekere mate van werkloosheid blijven bestaan, Afb. 6.7 Niet-werkende werkzoekenden (abs.) en als aandeel van de bevolking van 15-64 jaar, 1 januari 2005-2007 2005 2006 2007 Amsterdam absoluut 51.500 46.832 39.923 percentage 15-64 jarigen 9,6 8,7 7,4 Nederland absoluut 692.210 671.476 554.000 percentage 15-64 jarigen 6,3 6,1 5* * Op basis van de potentiële beroepsbevolking van 2006. bron: O+S/CWI/CBS
6 Participatie in arbeid 95 omdat werkzoekenden enige tijd nodig hebben voor het vinden van een (nieuwe) baan. Aantal niet-werkende werkzoekenden met ruim een vijfde gedaald Een veelgebruikte manier om de hoogte van de werkloosheid weer te geven is het aantal niet-werkende werkzoekenden (NWW ers) dat staat ingeschreven bij het Centrum voor Werk en Inkomen (CWI). Het voordeel van deze methode is dat de cijfers actueel zijn, maar in tegenstelling tot bij de Regionale Enquête Beroepsbevolking (zie afb. 6.1) is niet bekend hoeveel van de gevonden werklozen actief op zoek zijn naar werk. 6 Het aantal Amsterdammers dat als niet-werkende werkzoekende staat ingeschreven bij het CWI is de laatste twee jaar met ruim een vijfde (22%) afgenomen tot ongeveer 40.000. Het aandeel NWW ers daalde hiermee van 9,6% naar 7,4% van alle Amsterdammers tussen 15 en 65 jaar (zie afb. 6.7). De werkloosheid daalt in Amsterdam net iets sterker dan in de rest van het land, maar ligt nog ruim boven het landelijke gemiddelde van 5%. Het CWI verwacht dat de daling van het aantal werkzoekenden gedurende 2007 doorzet. Sinds 2006 is het mogelijk de gegegevens van het CWI te koppelen aan die van het bevolkingsregister. Hierdoor is met name de betrouwbaarheid van de data over de herkomst van de NWW ers vergroot. De nieuwe gegevens maken duidelijk dat de ontwikkeling van een dalende werkloosheid onder allochtonen en een stijgende werkloosheid onder autochtonen, zoals in de vorige Staat van de Stad nog werd gesignaleerd, niet heeft plaatsgevonden. 7 Begin 2007 is de werkloosheid het hoogst onder de groep overig niet-westerse allochtonen (13,1%), gevolgd door de Turkse (12,6%) en Marokkaanse Amsterdammers (12,1%). In 2006 daalde het aantal NWW ers het sterkst onder deze twee laatste groepen. Desondanks is de werkloosheid onder Turken en Marokkanen nog steeds ruim 2,5 keer hoger dan onder autochtone Amsterdammers (zie afb. 6.8). Aantal langdurige werklozen gestegen De daling van de werkloosheid heeft de laatste twee jaar alleen plaatsgevonden onder personen die korter dan twee jaar werkloos zijn (zie afb. 6.9). Het aantal NWW ers dat minder dan drie maanden staat ingeschreven bij het CWI is tussen 2005 en 2007 zelfs meer dan gehalveerd (-53%). Ook het aantal werklozen dat 4 maanden tot 2 jaar geen baan heeft, is in deze periode sterk gedaald (34% tot 39%). De langdurig werklozen hebben echter niet weten te profiteren van het aantrekken van de arbeidsmarkt. Het aantal personen dat 2 tot 3 jaar werkloos is steeg met 5%, en de groep die 3 jaar of langer werkloos is groeide de afgelopen twee jaar met 13%. Hiermee is, ondanks de aantrekkende arbeidsmarkt, de groep Afb. 6.8 Niet-werkende werkzoekenden als percentage van het aantal 15-64 jarigen per herkomstgroep, 1 januari 2006-2007 die langer dan drie jaar werkloos is voor het eerst in tien jaar niet in omvang afgenomen. Ten opzichte van 1997 is hun aantal gehalveerd tot ongeveer 15.000 personen. Amsterdam kent relatief veel inwoners die langere tijd werkloos zijn. Oktober 2006 is landelijk 47% van de NWW ers langer dan 1 jaar werkloos, in Zuidelijk Noord-Holland gaat het om 39% en in Amsterdam ligt dit percentage op 67%. Jeugdwerkloosheid neemt af Begin 2007 wonen in Amsterdam 92.300 jongeren tussen 15 en 25 jaar. Uit de Regionale Enquête Beroepsbevolking blijkt dat de helft van hen (50%) tot de beroepsbevolking hoort en een baan heeft of zou willen van minimaal 12 uur per week (2005: 47%). Bijna 38.000 jongeren (41%) hebben een baan van 12 uur of meer. Dit betekent dat 18% van de beroepsbevolking tot en met 24 jaar werkloos is (2005: 23%). De jeugdwerkloosheid is met 23% fors hoger onder nietwesterse allochtonen dan onder autochtonen (6%). Het verschil is in 2007 wel minder groot dan in 2005 toen het nog om respectievelijk 37% en 7% ging. Ruim 18.000 jongeren (20%) hebben een baantje van Afb. 6.9 Niet-werkende werkzoekenden naar werkloosheidsduur, 1995-2007 bron: CWI/O+S bron: CWI/O+S
96 De Staat van de Stad Amsterdam IV Afb. 6.10 Positie op de arbeidsmarkt van Amsterdamse jongeren van 15-24 jaar, 2005 en 2007 2005 2007 abs. % abs. % werkt < 12 uur per week 1.000 1,1 1.900 2,1 werkt >_ 12 uur per week 18.500 20,9 24.800 26,9 werkt < 12 uur per week en volgt opleiding 16.500 18,6 16.500 17,8 werkt >_ 12 uur per week en volgt opleiding 14.000 15,8 13.000 14,1 volgt opleiding en werkt niet 29.500 33,3 29.000 31,4 overig 9.000 10,2 7.100 7,7 totaal 15-24 jaar 88.500 100 92.300 100 bron: O+S, REB Afb. 6.11 Werkenden en studerenden onder Amsterdamse jongeren, 1999, 2001, 2003, 2005 en 2007 (procenten) minder dan 12 uur per week, maar dit is niet voldoende om in de statistieken tot de werkenden gerekend te worden (zie afb. 6.10). Een derde van de jongeren combineert hun opleiding met een baan(tje). Hun aantal is de afgelopen twee jaar licht gedaald (3%) tot bijna 30.000. Het aantal jongeren dat niet studeert en meer dan 12 uur per week werkt is in deze periode met ruim een derde toegenomen tot 24.800. Ook in afb. 6.11 is goed te zien dat bij een slechte arbeidsmarkt meer jongeren ervoor kiezen om te gaan / blijven studeren en dat onder invloed van de aantrekkende economie dit percentage weer afneemt in 2007. Volgens de cijfers van het CWI is de werkloosheid onder jongeren tot en met 24 jaar lager dan onder de andere leeftijdscategorieën (zie afb. 6.12). Van alle 15 tot en met 24-jarigen staat in 2007 2,9% ingeschreven bij het CWI (2005: 4,7%). Het aandeel NWW ers onder 15 tot en met 19-jarigen daalde van 2,7% in 2005 naar 2% in 2007 en onder 20 tot en met 24-jarigen gaat het om respectievelijk 6,1% en 3,6%. Deze percentages zijn laag doordat de meeste jongeren nog een opleiding volgen. Bovendien schrijven jonge werklozen die niet in aanmerking komen voor een uitkering zich vaak niet in bij het CWI. Afb. 6.12 Niet-werkende werkzoekenden per leeftijdscategorie, 1 januari 2001, 2003, 2005 en 2007 (procenten) bron: O+S, REB bron: CWI/O+S Werkloosheid daalt minder snel in Zuidoost en Amsterdam-Noord Begin 2007 ligt in vier stadsdelen het aandeel nietwerkende werkzoekenden ruim boven het stedelijk gemiddelde van 7,4% (zie afb. 6.13). Het gaat om Zuidoost (10%), Geuzenveld-Slotermeer (9,7%), Bos en Lommer (9,4%) en Amsterdam-Noord (8,7%). In Zuidoost is de werkloosheid de laatste twee jaar het minst gedaald (0,4 procentpunt), waardoor het stadsdeel nu te maken heeft met de hoogste werkloosheid in de stad. In 2005 hadden Geuzenveld-Slotermeer en Bos en Lommer nog de hoogste werkloosheid in Amsterdam. Beide stadsdelen hebben echter het sterkst geprofiteerd van de aantrekkende arbeidsmarkt en zagen de werkloosheid met meer dan 4 procentpunt dalen. In Amsterdam-Noord is de werkloosheid iets minder sterk teruggelopen dan gemiddeld in de stad (1,7 tegenover 2,2 procentpunt). In afbeelding 6.14 is te zien dat de vier stadsdelen met de hoogste werkloosheid in 2006 ook het hoogste aantal gebieden kennen waar de werkloosheid hoger is dan 19%. In 2006 zijn er in Amsterdam meer concentratiegebieden van werkloosheid dan in 2004. De nieuwe concentraties zijn vooral te vinden in Amsterdam-Noord (Volewijck, IJplein/Vogelbuurt, en Nieuwendam-Noord), Zuidoost (Bijlmer Centrum en Oost) en West (Geuzenveld-Slotermeer, Landlust in Bos en Lommer en de omgeving van de Hoofdweg in De Baarsjes). In de Indische Buurt in Zeeburg en De Kolenkit in Bos en Lommer wordt het concentratiegebied van werkloosheid kleiner. Het concentratiegebied in de Oosterparkbuurt in Oost-Watergraafsmeer is in 2006 verdwenen.
6 Participatie in arbeid 97 Afb. 6.13 Niet-werkende werkzoekenden per stadsdeel, 1 januari 2005 en 2007 (procenten) bron: CWI/O+S Aansluiting onderwijs en arbeidsmarkt In Amsterdam is de werkloosheid over het algemeen hoog door een mismatch op de arbeidsmarkt. Van een mismatch is sprake wanneer het opleidingsniveau van werknemers niet aansluit bij de behoefte van werkgevers. De vraag naar hooggeschoolde medewerkers is in Amsterdam fors hoger dan die naar laagopgeleid personeel. Van de 21.300 ontstane vacatures in het eerste kwartaal van 2006 is tweederde op HBO/WO-niveau, een kwart vraagt een middelbare opleiding en slechts 9% van de vacatures is op VMBO-niveau of lager. 8 Tegelijkertijd heeft ruim de helft van de Amsterdamse werklozen (2007: 53%) niet meer dan een VMBO-diploma. Hieronder bevinden zich relatief veel moeilijk bemiddelbare groepen als langdurig werklozen en ouderen. Dit zorgt ervoor dat ondanks de vele laaggeschoolde banen in Amsterdam, bijvoorbeeld in de havens of in het toerisme, de werkloosheid zich hoofdzakelijk openbaart onder laaggeschoolden. De werkloosheidsproblematiek van laaggeschoolden is het grootst in de G4-steden. Hier neemt de vraag naar laaggeschoolden sterker af dan landelijk, terwijl het aanbod van ongeschoolden juist veel minder sterk afneemt. 9 In Amsterdam is de werkloosheid onder Afb. 6.14 Concentratiegebieden van werkloosheid in 2004 (minimaal 21%) en 2006 (minimaal 19%) van minimaal 75 personen 2004 2006 bron: Stadsmonitor Amsterdam, O+S en UVA afdeling Geografie en Planologiie
98 De Staat van de Stad Amsterdam IV Afb. 6.15 Werkloosheid naar opleidingsniveau, 2005 en 2007* (procenten) * 2007: voorlopige cijfers. bron: O+S, REB Afb. 6.16 Opleidingsniveau van de Amsterdamse potentiële beroepsbevolking, 2004-2010 bron: ramingen SEO op basis van CBS Afb. 6.17 Werklozen per 100 ontstane vacatures naar opleidingsniveau, eerste kwartaal 2006 laag middelbaar hoog totaal Amsterdam 714 122 40 121 Zuidelijk Noord-Holland 417 102 36 104 Nederland... 132 bron: EZ/Research Afb. 6.18 Overschot (+) of tekort ( ) aan arbeidskrachten naar opleidingsniveau in 2020 regional transatlantic strong global 2005 communities market Europe economy lager opgeleid 109.300 7.800 19.000 15.700 27.200 middelbaar opgeleid 128.300 3.700 15.600 13.200 25.800 hoger opgeleid 172.600 +7.200 4.200 5.600 17.900 totaal 410.200 4.300 38.800 34.500 70.900 bron: EZ/Research personen met alleen basisonderwijs in 2007 21%. In 2005 was dit nog 20%. De afgelopen twee jaar zijn personen met een VMBO-diploma makkelijker aan het werk gekomen. De werkloosheid onder deze groep daalde sterk van 17% naar 11%, maar is nog steeds bovengemiddeld. Ook in de rest van het land is deze ontwikkeling waar te nemen en nam het aantal NWW ers met een beroep op lager en middelbaar niveau af. Het gaat bijvoorbeeld om productie- en onderhoudsmedewerkers en beroepsgroepen zoals verkoop-, bedienend en administratief personeel. In april 2006 hebben de meeste vacatures in Amsterdam betrekking op de zakelijke dienstverlening (37%), zorg en welzijn (11%) en financiële diensten (13%). 10 Onder hoogopgeleiden is er geen ruimte om de werkloosheid te verlagen. Zowel in 2005 als 2007 lag deze op 4% (zie afb. 6.15). Dit is onder het structurele werkloosheidsniveau. In 2005 is ongeveer 40% van de 15 tot en met 64-jarige Amsterdammers hoger geschoold (zie afb. 6.16). Dit percentage is 8% hoger dan in de regio. De verwachting is dat het aantal hoog geschoolden de komende jaren verder zal stijgen. In Amsterdam gaat het in 2010 dan om 43% van de potentiële beroepsbevolking tegenover 35% in de regio Amsterdam. In afbeelding 6.17 is het aantal werklozen afgezet tegen iedere 100 vacatures voor het bijbehorende opleidingsniveau. Met name in de regio Zuidelijk Noord- Holland, maar ook in Amsterdam, is het moeilijker om een arbeidsplaats te vervullen dan gemiddeld in Nederland. De cijfers laten zien dat dit wordt veroorzaakt door een tekort aan hoogopgeleid personeel, terwijl er juist een overschot is aan laaggeschoolden. Het CPB heeft in de nota Vier vergezichten op Nederland vier scenario s voor de mogelijke ontwikkeling van de Nederlandse economie beschreven. Voor alle scenario s tot 2020 geldt dat er een sterkere toename wordt verwacht voor de vraag naar hoogopgeleid personeel dan naar middelbaar personeel en dat de vraag naar middelbaar personeel weer hoger uitvalt dan de vraag naar laagopgeleid personeel. Wanneer voor Amsterdam de vraag naar arbeid wordt vergeleken met het arbeidsaanbod (inclusief het inkomende pendelsaldo) blijkt dat in 2020 er niet alleen een tekort aan hoger- en middelbaar opgeleid personeel dreigt, maar ook aan lager geschoold personeel (diploma tot en met MAVO, zie afb. 6.18). Dit wordt veroorzaakt door het stijgen van het opleidingsniveau van de beroepsbevolking. Wanneer de Nederlandse economie de weg volgt van het minder gunstige scenario dan zal de Amsterdamse arbeidsmarkt weinig knelpunten ondervinden. Voltrekt de Nederlandse economie zich echter volgens de meer gunstige scenario s dan bestaat het gevaar van een aanzienlijk tekortschietend arbeidsaanbod, waardoor de economische groei wellicht niet ten volle kan worden gerealiseerd.
6 Participatie in arbeid 99 Re-integratietrajecten verhogen kans op baan licht In het Programakkoord 2006-2010 van Amsterdam is opgenomen dat het College iedereen wil activeren. Op het gebied van werk is de doelstelling een duurzame uitstroom naar werk vanuit een uitkeringssituatie. Bij aanvang van het akkoord heeft de Dienst Werk en Inkomen een klantenbestand van 41.774 personen met een re-integratiedoelstelling. Volgens het SEO heeft in de periode 2001-2004 ruim 70% van de nieuwe bijstandscliënten binnen vier jaar de bijstand weer verlaten. Deze groep bestaat uit 26% die een baan heeft gevonden en 44% die om een andere reden de bijstand heeft verlaten. 11 In het laatste geval is men bijvoorbeeld gaan samenwonen, waardoor het recht op de uitkering vervalt, of is men verhuisd naar een andere stad. De uitstroomkans is het laagst voor 45-plussers. Ook alleenstaande ouders en personen met een niet-nederlandse nationaliteit hebben relatief slechte kansen. De inzet van re-integratietrajecten is in Amsterdam in de periode 2001-2004 fors toegenomen. In de meeste gevallen gaat het om trajecten op het gebeid van sociale activering, begeleiding, bemiddeling, doelgroeptrajecten en voortrajecten. Uit het onderzoek van het SEO blijkt dat het starten van een traject na een half jaar bijstand de kans om na twee jaar werk te hebben (exclusief gesubsidieerd werk) verhoogt van 23% naar 28%. Arbeidsmarktpositie en leefsituatie-index In hoofdstuk 1 van deze rapportage kwam al naar voren dat het wel of niet hebben van betaald werk van grote invloed is op iemand welzijnsniveau, gemeten in de leefsituatie-index (zie voor een uitleg hoofdstuk 1). In deze paragraaf wordt gekeken naar verschillen in de leefsituatie tussen Amsterdammers Afb. 6.19 Stroomschema: uitstroom uit de bijstand na vier jaar, 2001-2004 met verschillende bezigheden en naar de ontwikkelingen daarin. Mensen met betaald werk hebben een beduidend hogere score dan mensen zonder betaald werk (106 tegenover 94). Amsterdammers in loondienst zijn er van 2004 op 2006 op vooruit gegaan, waardoor het verschil tussen mensen in loondienst en zelfstandig ondernemers vrijwel is verdwenen (zie afb. 6.20). In 2004 hadden zelfstandig ondernemers gemiddeld nog een beduidend betere leefsituatie dan Amsterdammers in loondienst. bron: SEO Afb. 6.20 Gemiddelde leefsituatiescore naar voornaamste bezigheid, 2004 en 2006 gemiddelde score op gemiddelde score op leefsituatie-index 2006 leefsituatie-index 2004 (uitgedrukt in 2004, voornaamste bezigheid (totaal gemiddelde = 100) totaal gemiddelde = 100) betaalde arbeid 105 106 waaronder: loondienst 104 106 zelfstandig ondernemer 108 107 geen betaalde arbeid 94 94 waaronder: werkloos 93 92 studeren 110 108 huisvrouw/-man 91 91 arbeidsongeschikt 87 83 gepensioneerd 89 92
100 De Staat van de Stad Amsterdam IV Onder de Amsterdammers met een betaalde baan hebben forensen (31% van de werkenden in de Staat van de Stad enquête) een hoge score op de leefsituatie-index dan zij die binnen de stad werken: een gemiddelde score van 108 (2004: 107) tegenover 105 (2004: 104) voor de mensen met alleen een baan in Amsterdam. Bij forensen gaat het vaker om mensen met een hoge opleiding, mensen die doorgaans een hogere score op de leefsituatie hebben. Studenten hebben de meest gunstige leefsituatiescore, maar hun gemiddelde score is wel achteruitgegaan waardoor het verschil met Amsterdammers met betaald werk kleiner is geworden. Arbeidsongeschikten bevinden zich in een heel ongunstige leefsituatie en hun positie is van 2004 op 2006 nog verder verslechterd. De gepensioneerden zijn er echter op vooruitgegaan. Noten 1 Volgens het CBS zal het aantal 20 tot 65-jarige Amsterdammers de komende jaren licht afnemen tot ruim 492.000 in 2010 ( 1%) om vervolgens weer toe te nemen tot bijna 498.000 in 2020. 2 Bron: Derks, W., P. Hovens en L.E.M. Klinkers. Structurele bevolkingsdaling. Een urgente nieuwe invalshoek voor beleidsmakers. Den Haag, 2006. 3 Bron: Economische Zaken Amsterdam. Knellende krapte op de arbeidsmarkt: nu straks en in 2020. Amsterdam, 2007. 4 Bron: Atlas voor Gemeenten, 2007. 5 Bron: Centaal Plan Bureau. Macro Economische Verkenning 2007. Den Haag, 2006. 6 Tot de niet-werkende werkzoekenden worden alle bij het CWI ingeschreven werkzoekenden van 15 t/m 64 jaar gerekend die geen werk hebben. De werkloze beroepsbevolking, zoals vastgesteld via de Regionale Enquête Beroepsbevolking, zijn alle personen die niet of minder dan 12 uur per week werken, binnen twee weken beschikbaar zijn voor een baan en daar actief naar op zoek zijn. 7 Sinds de opheffing van de Wet Samen in 2004 zijn de CWI s niet meer verplicht te vragen naar de herkomst van de ouders van de persoon die zich inschrijft. Veel allochtonen hebben zich sindsdien ingeschreven als Nederlander, terwijl ze volgens de definitie van de herkomstgroepen bij de allochtonen ingedeeld zouden moeten worden. Dit heeft ertoe geleid dat het leek alsof de werkloosheid onder allochtonen afnam en die onder Nederlanders toenam. Sinds 2006 is het mogelijk de bestanden van het CWI te koppelen aan die van het bevolkingsregister, waardoor dit probleem omzeild kan worden. 8 Bron: Arbeidsmarktmonitor ZNH/PAO, bewerking SEO, 2006. 9 Bron: Ministerie BZK. Trendnota Arbeidszaken Overheid 2007. 10 Bron: Centrum Werk en Inkomen. Arbeidsmarktprognose 2006. 11 Bron: SEO. Van bijstand naar werk in Amsterdam. 2006