Wiebe Braam De geneeskracht van propolis

Vergelijkbare documenten
Uitgebreide medische informatie Propolis

Bij het uitscheiden helpen de nieren om de samenstelling van je bloed constant te houden. Uitscheiding is het

Bee Products. Forever I Bee Products

Wat is een allergie? Afweersysteem

Hoe lang en hoe vaak op een dag krijgt u de antibiotica?

Antibiotica VRAAG OVER UW MEDICIJNEN?

Medicinale dranken - Chlorophyl

Opdrachtkaart Zwart: Hoe ziet de bij eruit?

Allergie (allergische rhinitis)

Wat is allergie? Wat is hooikoorts?

Colloïdaal zilver Een natuurlijk antibioticum

Controle op Bijzonder Resistente Micro- Organismen

Nieuws van TerraLife. TerraLife nieuwsbrief. Geachte klant,

Zeezout verkregen uit de Dode Zee bevat een veel hoger percentage mineralen en sporenelementen dan zeezout verkregen uit andere zeeën en oceanen

Informatiefolder BRMO voor patiënt en familie

BRMO/MRSA BESMETTING informatie voor cliënten en familie

BRMO/MRSA BESMETTING informatie voor cliënten en familie

Binnen de kast heeft elke bij haar eigen taken en verantwoordelijkheden: de koningin legt de eitjes, de darren vrijen met de koningin en de werksters

Nieuwsbrief van juli 2008 Stuifmeel en honingbijen. Sjef van der Steen,

Voedselprovocatie. Havenziekenhuis. april 2012

Bijzonder Resistent Micro-Organisme

Gezondheid & Voeding

Gezondheid & Voeding

Toolbox-meeting Het gevaar van naalden (van junks) in de liftput

1. Lesbegin: video: diabetes

Informatie over. Hooikoorts. en andere allergische reacties

GEZONDHEIDSKUNDE-AFP LES 4. Gezonde voeding

Hooikoorts en andere allergische reacties. Vraag je Alphega apotheek om meer informatie en advies. Jouw gezondheid is onze zorg

Inhoud Wat is een bloedtransfusie

Allergie. Wat is luchtwegallergie? Wat is hooikoorts? Wat zijn de belangrijkste allergenen? Figuur 1. De huisstofmijt

INFECTIERISICO VERMINDEREN

Bijzonder Resistent Micro-Organisme

ONDERZOEK NAAR BRMO EN MRSA INFORMATIE VOOR PATIËNTEN

De meest voorkomende bijverschijnselen zijn: Bijverschijnselen die weinig voorkomen: Bijverschijnselen die zelden voorkomen:

Allergie voor Perubalsem. Polikliniek Huidziekten IJsselland Ziekenhuis

MELATONINE. Het natuurlijke slaapmiddel

de bij en de imker De relatie tussen de mens en de bij is heel oud.

Allergie. Allergische rhinitis: een loopneus of verstopte neus

Kruizemunt/ Spearmint

Allergieën ontstaan meestal op kinderleeftijd en in de puberteit. Na het 45 ste levensjaar nemen de klachten door allergie geleidelijk af.

Je gezondheid, zó werk je eraan! Correct antibioticagebruik.

Behandeling met certolizumab pegol (Cimzia ) bij reumatoïde artritis

H Bloedvergiftiging (Sepsis)

Ontdek het geheim achter de nieuwe, unieke en revolutionaire technologie van FGXpress Powerstrips : 100% natuurlijk (kruiden)hulpmiddel voor een

12. Welke medicijnen schrijft uw arts voor? Tot Slot... 13

Immunotherapie bij hooikoorts en allergie voor huisstofmijt

Voordelen van de honing

Honing wordt al honderden jaren gebruikt tegen allerlei kwaaltjes

Werkstuk door een scholier 1620 woorden 6 maart keer beoordeeld. Wat is CPLD?

Waarom gonzen er minder bijen? Het is tijd om meer te leren over de wereld van de bijen, tijd voor bij-les

Contactonderzoek BRMO

Bloedvergiftiging (sepsis)

Samenvatting. Nederlandse samenvatting

H18 Opdracht 5: Voedingsstoffen in blanke vla

6. Contacteczeem. Dermatologie. Neem altijd uw verzekeringsgegevens en identiteitsbewijs mee!

Infliximab (Remicade ) Medicatie bij de ziekte van Crohn of colitis ulcerosa

U bent allergisch voor Perubalsem, wat nu?

Small Hive Beetle (Aethina tumida) Kleine bijenkastkever. Jeroen Donders

Rituximab. Neem altijd uw verzekeringsgegevens en identiteitsbewijs mee!

7,4. Keuzeopdracht door een scholier 1316 woorden 25 maart keer beoordeeld. - Wat zijn proefdieren eigenlijk?

PATIËNTEN INFORMATIE. Huisdierallergie

Ziekteverwekkende micro-organismen dringen via lichaamsopeningen het lichaam binnen:

Rituximab (Mab Thera ) bij reumatische aandoeningen

Allergie. Afdeling KNO

Reumatologie. Patiënteninformatie. Biologicals. Bij reumatische aandoeningen. Slingeland Ziekenhuis

Allergisch voor Perubalsum

Allergie voor Huisstofmijt

KiBO-ongedierte Kennisinstituut voor de bestrijding van ongedierte

Micro-organismen. organismen

Methotrexaat bij reuma Ledertrexate, Emthexate, Metoject

Ustekinumab. (Stelara) Dermatologie

Patiëntenvoorlichting Huisdierallergie

GRIEPVACCINATIE Waardoor komt het? Wat zijn de verschijnselen? Adviezen

Allergie. A27/ Allergie bij kinderen

U bent bij de KNO-arts geweest met allergieklachten. Deze folder heeft tot doel u informatie te geven over allergie en daarbij behorende klachten.

Bijen project boekje. Groep 4 - juni 2006

Uitscheiding en afweer

Hygiëne/infectiepreventie

Infobrochure. Bloedtransfusie

Anthozym Petrasch. aansterken na ziekte. bij verlies aan vitaliteit. ter bescherming van gezonde cellen en weefsels. stimuleert het immuunsysteem

Inleiding. Wat is infliximab

Methotrexaat bij de Ziekte van Crohn

Centrumlocatie. Voedselprovocatie. Afdeling Allergologie

Rituximab (Mabthera )

TDA. Behandel uw huid als een VIP

Kinderdagverblijf. Duckie. Ziektebeleid

6,9. Praktische-opdracht door een scholier 1495 woorden 3 april keer beoordeeld

Immunotherapie bij hooikoorts en allergie voor huisstofmijt

Weerstandswaaier. zink. ijzer. seleen koper B12 B11. vitamines & mineralen. vitamine. vitamine. vitamine. vitamine. vitamine.

Spreekbeurten.info Spreekbeurten en Werkstukken

thalasso EXTENSO NATURAL SEA SALTS

Zorgeenheid Reumatologie en Klinische Immunologie, locatie AZU. Langwerkende antireumatische middelen: TNF-blokkers: etanercept (Enbrel )

Dierenallergie. Sophia Kinderziekenhuis

Reumatologie. Patiënteninformatie. Biologicals. Bij reumatische aandoeningen. Slingeland Ziekenhuis

Bijenhoudersvereniging St Ambrosius Boxtel

INFORMATIE OVER METHOTREXAAT (LEDERTREXATE EMTHEXATE ) FRANCISCUS VLIETLAND

Eczeem, allergie, allergisch contacteczeem, irritatief contacteczeem

Dauwworm Wat is het? Hoe ontstaat het? Prikkels uit de omgeving

Transcriptie:

Wiebe Braam De geneeskracht van propolis bij o.a. acne, eczeem, hooikoorts, darm- en reumatische ziekten met medewerking van Piet van der Harst, imker La Rivière & Voorhoeve, Kampen CIP-GEGEVENS KONINKLIJKE BIBLIOTHEEK, DEN HAAG Braam, Wiebe De geneeskracht van propolis: bij o.a. acné, eczeem, hooikoorts, darm- en reumatische ziekten. ISBN 90-6084-751-2

Inhoud Voorwoord...3 1. Inleiding...4 2. Waarom hebben bijen propolis nodig?...4 3. Hoe maken bijen propolis?...6 4. De samenstelling van propolis...7 5. De eigenschappen van propolis...11 6. Mond en keel...16 7. Eczeem...19 8. Acne...21 9. Wonden...21 10. Huidziekten...24 11. Neus...26 12. Longen...29 13. Oren...30 14 Spijsverteringsorganen...31 15. Spieren en gewrichten...33 16. Propolis tegen kanker en AIDS?...34 17. En dan verder nog......35 18. Propolis en huisdieren...36 19. Algemene gebruiksadviezen...36 Geraadpleegde literatuur...39 2

Voorwoord Het is voor 'gewone' artsen moeilijk te aanvaarden, dat er naast de medicijnen van de farmaceutische industrie nog andere middelen bestaan met een geneeskrachtige werking. Met grote zelfverzekerdheid wordt alles wat niet in de op de universiteit aangeleerde denkwereld past, al bij voorbaat afgewezen. Ook ik ben in dit nest opgegroeid en heb de argwaan tegen alles wat niet-universitair is met de paplepel ingegoten gekregen. Dat ik propolis als een serieus alternatief geneesmiddel ben gaan zien, is dan ook vooral te danken aan het doorzettingsvermogen van mijn schoonvader Piet van der Harst. Hij had zich in het kader van zijn naderende pensionering een bijenvolk aangeschaft en las in zijn bijenkrantje een artikel over het gebruik van propolis bij hooikoorts. Mijn schoonmoeder, die toevallig hooikoorts had, werd zijn eerste 'patiënt'. En na haar volgden er nog vele kennissen met diverse andere kwalen. Op elke familiebijeenkomst moest ik de enthousiaste verhalen over zijn propolis aanhoren. Het heeft hem ongeveer een jaar gekost om mijn nieuwsgierigheid zodanig te prikkelen, dat ik zijn propolis eens wilde proberen bij mijn patiënten. Mijn eerste ervaring met propolis deed ik op bij een vijfjarig jongetje dat astma had. Hij bleek allergisch te zijn voor onder meer huisstof en huidschilfers van verschillende dieren. Een bezoek aan zijn oma die op een boerderij woonde, leverde steevast benauwdheidsaanvallen op, zodat hij daar eigenlijk niet meer heen kon. Hij kreeg propolis en binnen twee weken was zijn astma al een stuk opgeknapt. Nog eens twee weken later kon hij voor het eerst sinds jaren weer zonder problemen bij zijn oma op bezoek gaan. Mijn tweede propolis-patiënt was een driejarig meisje, dat al vanaf haar geboorte onder het eczeem zat. Allerlei zalven waren er al geprobeerd, maar niets had tot dan toe echt geholpen. Ondanks mijn verwachting dat het nu ook weer zo zou gaan, heb ik propolis meegegeven. Tot mijn grote verbazing bleek ze na twee weken al voor een groot deel van haar eczeem verlost te zijn. En in de weken daarna werd haar huid zelfs helemaal gaaf. Toen wilde ik natuurlijk alles over propolis weten. Maar zoals eigenlijk wel te verwachten was, kon ik in mijn medische boeken en tijdschriften thuis niets over propolis vinden. Een drietal populaire boekjes, die ik van mijn schoonvader kreeg, brachten mij evenmin veel verder. Ze stonden wel bol van de lovende verhalen over allerlei successen en pseudo-medische wetenswaardigheden. Maar praktische informatie over het gebruik ontbrak geheel. Ik kreeg dan ook sterk de indruk dat de schrijvers ervan slechts overgeschreven hadden wat anderen er al over hadden geschreven, zonder dat ze zelf enige persoonlijke ervaring hadden met het gebruik van propolis. Mijn argwaan ten aanzien van propolis werd hierdoor eerder nog versterkt dan weggenomen. Om nu toch enig 'objectief bewijs' van de werkzaamheid van propolis te vinden en met eigen ogen te aanschouwen, koos ik voor het onderzoeken van de veelgeprezen bacteriedodende werking. In het ziekenhuis kreeg ik van de bacterioloog een aantal bacteriekolonies ter beschikking om proeven mee te doen. Tot mijn verbazing wilden die bacteriën inderdaad niet meer groeien toen ik daar propolis aan toevoegde. Vanaf dat moment was ik ervan overtuigd dat propolis echt iets doet, al begreep ik nog niet precies hoe en wat. Bij het zoeken naar informatie hierover heeft de bibliotheek van de Proefbijenstand Ambrosiushoeve te Hilvarenbeek van het Ministerie van Landbouw mij op het juiste spoor gezet. Uit de vele publicaties die er over propolis zijn verschenen, blijkt dat er in de laatste jaren, vooral in de Oosteuropese landen, veel wetenschappelijk onderzoek naar propolis is gedaan. De belangrijkste resultaten hiervan heb ik in dit boek vermeld. Daarmee biedt dit boek niet alleen aan gebruikers, maar ook aan collega-artsen en therapeuten de nodige achtergrondinformatie over de werking van propolis. Daarnaast staan er de nodige praktische gebruiksadviezen in vermeld bij de diverse aandoeningen waarbij je propolis zou kunnen toepassen. Ik hoop. dat zowel gebruikers als voorschrijvers er hun voordeel mee zullen doen. Wiebe Braam, huisarts Beverwijkerstraatweg 140 1901 NL Castricum 3

1. Inleiding Propolis is het grote geheim van de bijen. Dank zij dit mysterieuze, kleverige spul hebben bijenvolken zich miljoenen jaren weten te beschermen tegen allerlei ziekten. Bijen leven immers in volken van 30 à 50.000 bijen. Ze zitten in een kleine ruimte opeengepakt. Zonder een behoorlijke bescherming tegen binnendringende ziektekiemen zou een volk snel ten dode zijn opgeschreven. Een paar zieke bijen kunnen in korte tijd een epidemie veroorzaken. Het woord 'propolis' stamt uit het Grieks. Het is een samenvoeging van de woorden 'pro' en 'polis'. Pro betekent 'ten behoeve van' of 'ter bescherming van'. Polis betekent 'burcht' of 'vesting'. Wat propolis dus voor het bijenvolk betekent, wist men rond het begin van onze jaartelling al goed in te schatten: een stof die diende ter bescherming van de woning en zijn bewoners. Het is merkwaardig dat deze eigenschap van de bijen de mens zo weinig is opgevallen. Propolis werd (en wordt nog steeds) door de meeste imkers alleen maar beschouwd als een lastig en kleverig goedje waarmee bijen alles wat los en vast zit vastplakken. Dat propolis een geneeskrachtige werking bezit, werd tot voor kort niet onderkend. De heilzame werking van honing daarentegen is in de volksgeneeskunde wel erkend. Het is een welhaast oeroude remedie tegen allerlei kwalen als verkoudheid, hoesten, keelpijn, slapeloosheid, maagpijn, reuma, slecht genezende wonden of wintervoeten. Die heilzame werking is niet zozeer te danken aan de suikers die zich in de honing bevinden, maar meer (of vooral) aan de kleine hoeveelheid propolis (1%) die zich in honing bevindt. Propolis is niet de naam voor één bepaalde chemische verbinding, maar een mengsel van een kleine 100 verschillende stoffen. Propolis wordt door bijen gemaakt uit harsen en sappen van vooral de knoppen van bepaalde bomen. Op ingenieuze wijze maken bijen zo gebruik van de natuurlijke stoffen die bomen beschermen tegen diverse ziekten. Waarom zouden wij mensen daar niet ons voordeel mee doen? Door zijn veelheid aan verschillende bestanddelen heeft propolis een uitgebreid scala van eigenschappen. Een groot aantal uiteenlopende werkingen bij de mens is inmiddels bekend geworden en ook wetenschappelijk aangetoond. Naast een goede werking tegen bacteriën, virussen en schimmels, stimuleert propolis het afweersysteem van het lichaam, remt de ontstekingsreacties en bevordert de wondgenezing. Ook heeft propolis een pijnstillende en krampstillende werking, en een gunstige invloed op bloedvaatwanden. Voorts is propolis onder meer anti-allergisch, galafvloed bevorderend en bloeddruk verlagend. Door de veelheid van aandoeningen waarbij propolis gebruikt kan worden, wordt misschien de indruk gewekt, dat het een soort van 'Haarlemmerolie' is voor alle kwalen. Dit is beslist niet het geval, al wordt dit soms wel door anderen gesuggereerd. 2. Waarom hebben bijen propolis nodig? Propolis is voor een bijenvolk van vitaal belang om te overleven. Het beschermt hen niet alleen tegen allerlei ziekten, maar ook tegen ongunstige klimatologische omstandigheden als wind en kou. Laten we, om dit duidelijk te maken, eerst eens kijken naar de manier waarop bijen leven en wonen. Bijen behoren, evenals hommels en wespen, tot de vliesvleugelige insekten. Er zijn wel 20.000 soorten bijen bekend. De soort die wij als honingbij kennen, draagt de naam Apis Mellifica. Honingbijen zijn sociaal levende dieren. In de zomer wonen er zo'n 30 tot 50.000 van in een ruimte ter grootte van niet meer dan een of twee standaard (groene) brievenbussen. In de winter is een bijenvolk veel kleiner. Zo'n 10.000 werkbijen en één koningin zijn er na afloop van de winter nog over. Vroeg in het voorjaar begint de koningin eitjes te leggen. De werkbijen vliegen uit om voedsel (stuifmeel en nectar) te halen. Stuifmeel (bevat veel eiwit, vet en vitamines) dient voor de groei van de bijen. De nectar (bevat vooral suikers) is de brandstof die dient voor de opwekking van energie. Naarmate het voorjaar vordert en er meer bloemen bloeien, komt er meer voedsel binnen en kan de koningin meer eitjes leggen. Op topdagen kunnen dat er wel 1500 per dag zijn. Eind mei kan het volk zo wel tot 50.000 bijen zijn uitgegroeid. 4

Inmiddels hebben de werkbijen ervoor gezorgd dat een honderdtal eitjes kan uitgroeien tot mannetjesbijen (darren). Zodra de eerste darren zijn uitgekomen, gaan de werkbijen ongeveer tien zogenaamde koninginnecellen bouwen. Deze zijn ongeveer drie maal zo groot als de gewone raten waarin eitjes uitgroeien tot gewone werkbijen. De eitjes die de koningin in een koninginnecel legt, worden een week lang gevoed met koninginnegelei, waardoor een 'gewoon' eitje tot een koningin uitgroeit. Tegen de tijd dat een nieuwe koningin uit de koninginnecel zal kruipen, verlaat de oude koningin met de helft van de bijen uit het volk de kast om te gaan zwermen, op zoek naar een nieuwe plek om zich te vestigen. Meestal gaat de zwerm ergens in de buurt aan een boom hangen. In ons klimaat zijn de kansen om in zo'n situatie te overleven erg slecht. De imker zal dan ook proberen het gezwermde volk uit de boom te 'scheppen' en een passende bewoning te geven. In de oorspronkelijke kast kruipt nu een nieuwe koningin uit de koninginnecel. Wanneer er nog veel bijen in de kast over zijn, wil het nog weieens gebeuren dat ook de nieuwe koningin met de helft van de overgebleven bijen gaat zwermen. Het overblijvende deel van het volk is dan in aantal wel erg verzwakt en nauwelijks in staat om nog voldoende honing te verzamelen voor de winter. Imkers hebben daarom een aantal methoden tot hun beschikking om de zwermneiging van hun bijenvolken te onderdrukken of hierbij regelend op te treden. De jonge koningin, inmiddels op haar 'bruidsvlucht' door enkele darren bevrucht, moet er nu voor zorgen dat er voldoende jonge bijen bijkomen om het volk weer op sterkte te brengen. Alleen dan kan er voldoende honing en stuifmeel verzameld worden voor de wintervoorraad. Taakverdeling onder de bijen Er is een groot aantal taken in en buiten de bijenkast te vervullen. Die taken zijn onder de verschillende bijen nauwkeurig verdeeld. Naarmate een bij ouder wordt, krijgt ze steeds weer een nieuwe taak opgedragen. Dat gebeurt heel instinctief. De eerste taak, het schoon-poetsen van de cellen (raten) met propolis voordat de koningin er een eitje in legt, is toebedeeld aan de jongste werkbijen. Zodra de werkbijen en paar dagen oud zijn, moeten ze de zich ontwikkelende larven van voedsel voorzien. Als een werkbij twaalf dagen oud is en haar wasklieren tot ontwikkeling zijn gekomen, gaat ze met bijenwas nieuwe raten produceren of beschadigde raten repareren. Ter versteviging van de raten wordt daar 5% propolis aan toegevoegd. Is een werkbij achttien dagen oud, dan komt ze voor het eerst buiten de kast om de door vliegbijen aangevoerde nectar naar binnen te brengen en tot honing te verwerken. Ook moet ze af en toe wacht lopen bij de ingang van de kast. Op een leeftijd van drie weken promoveert de werkbij tot vliegbij. Ze verzamelt stuifmeel, nectar en propolis. Een vliegbij houdt dit in het hoogseizoen meestal maar drie werken vol en sterft dan ergens buiten de kast. Werkbijen leven dus maar een week of zes! Dat ligt anders voor werkbijen die pas aan het eind van het legseizoen (september) geboren worden: die leven tot en met het volgend voorjaar, dus ongeveer 6 maanden. Voorbereiding op de winter Bijen houden geen winterslaap, want dan zouden ze bevriezen. Door zich regelmatig te bewegen houden ze zichzelf en het volk warm. Dat bewegen kost energie en dus voedsel: honing. Bijen moeten daarom een grote wintervoorraad aanleggen om de winter door te komen. Ook als het buiten flink vriest, moeten bijen de temperatuur binnen in de kast op ongeveer 13 C houden om te kunnen overleven. Daarvoor is een goede isolatie van de kast nodig. De bijen zorgen hier zelf voor door elke kier waardoorheen warmte verloren kan gaan, dicht te plakken met propolis. Ook de vliegopening wordt 's winters praktisch geheel dichtgemaakt met propolis. In het wild levende bijenvolken hebben hiervoor veel meer propolis nodig dan de bijen die we een mooie kast als woning geven. Voordat de mens bijen ging houden in korven en kasten, woonden ze in holten in bomen en rotsen. Die boden op zich nog nauwelijks bescherming tegen koude en wind door de in het algemeen veel te grote opening. De moderne bijenkasten hebben nauwelijks kieren en de vliegopening is betrekkelijk klein. De propolisoogst van ongeveer 100 gram per bijenkast is dan ook niet groot te noemen. 5

Het dichtkitten van alle kieren en het verkleinen van de ingang heeft overigens nog een ander doel dan het buitensluiten van kou en tocht. Op die manier wordt het volk ook beschermd tegen binnendringende vijanden, zoals ziektekiemen en insekten die het op de wintervoorraad hebben voorzien. Zelfs muizen willen 's winters nog weieens de bijenkast binnendringen op zoek naar voedsel. De bijen kunnen de muis wel doodsteken, maar een gedode muis natuurlijk niet uit het hok slepen. Ook in zo'n geval biedt propolis uitkomst. Door de muis geheel met een laagje propolis te bedekken wordt deze als het ware gemummificeerd. 3. Hoe maken bijen propolis? Propolis wordt door bijen gemaakt uit de harsachtige substantie die zich op de knoppen, bladeren of de schors van verschillende boomsoorten bevindt. Het verzamelen van deze plantaardige hars is voor de bijen een tijdrovende zaak. Hars is taai materiaal, zeker als het nog niet zo warm is. Met hun kaken en voorpoten werken de bijen telkens een klein stukje hars los om dit tussen de voorpoten te kneden tot een klein balletje. Vervolgens pakt de middenpoot het harsballetje over en stopt het in het zogeheten 'pollenkorfje' van de achterpoot. Als op deze wijze een paar balletjes hars zijn verzameld, vliegt ze terug naar de kast, waar andere bijen de harsoogst overnemen om het in de kast verder te bewerken. De eigenlijke verwerking van de propolis, het dichtkitten van spleten en oneffenheden in de kast, gebeurt pas in de namiddag. Hierbij ondergaat de propolis nog een verandering waardoor het hard wordt. Het verzamelen van hars kan praktisch alleen gebeuren als het warm is. Want anders is de hars voor een bij te taai om van de boom af te knagen. En dan nog is ze er lang mee bezig. In diezelfde tijd kan een bij wel drie keer op en neer vliegen met een lading nectar. Er zijn dan ook imkers die de binnenkant van de kast zelf maar glad en kiervrij maken, zodat er voor de bijen meer tijd is om nectar en pollen te verzamelen. Bijen verzamelen het gehele vliegseizoen hars om propolis van te maken. In het voorjaar is nog maar weinig propolis nodig. De nadruk ligt in die maanden op het verzamelen van nectar en pollen voor de groei van het volk. De meeste hars wordt verzameld in de maanden juli, augustus en september, wanneer het volk zich gaat voorbereiden op de komende winter. Harsbronnen De belangrijkste bron voor het maken van propolis is de harsachtige afscheiding van knoppen en schors van bomen en heesters. In West-Europa wordt de meeste hars door de bijen van de knoppen van populieren gehaald. Ook berken leveren geschikte harsen. Van de tientallen soorten bomen heeft de hars van de populier en de berk blijkbaar de voor bijen meest geschikte samenstelling. Wanneer er binnen een straal van ongeveer vier kilometer rondom de bij enkast (het vliegbereik van bijen) geen populier of berk is te vinden, moeten ze hun toevlucht nemen tot andere bomen, zoals wilg, eik, els, kastanje of hazelaar. Maar ook van sparren (vooral de balsemspar) en coniferen (met name de jeneverbes) kunnen ze hars halen. Samenstelling propolis Propolis is voornamelijk samengesteld uit stoffen die van plantaardige oorsprong zijn. Voor een deel is de samenstelling direkt te vergelijken met die van de stof uit de belangrijkste bron: de harsachtige afscheiding van de knoppen van populieren en berken. Maar in tegenstelling tot wat men vroeger dacht, is propolis niet helemaal hetzelfde als de verzamelde harsen. Door de bewerking die de hars onder invloed van het kauwen en het toevoegen van speeksel van de bij ondergaat, ontstaan er ook nog andere stoffen. Daarom is het in feite niet juist om te stellen dat bijen simpelweg propo-lis verzamelen. Bijen verzamelen het basismateriaal (hars) om daar vervolgens zelf propolis van te maken. De moderne, chemische analysemethoden hebben het mogelijk gemaakt de boomsappen (harsen) te analyseren. Hierin zijn veel stoffen ontdekt die een natuurlijke werking tegen ziektekiemen blijken te 6

bezitten. Dit zijn vooral de zogeheten flavonoïden. Ze beschermen de boom tegen het binnendringen van verschillende ziekten. Bijen maken dankbaar gebruik van die stoffen. Ze weten instinctief die bomen te vinden waarvan de hars voor hen het meest geschikt is. Zo blijken er in de harsen op de knoppen van de populier en van de berk praktisch dezelfde flavonoïden te zitten als in propolis. Met extracten van populierknoppen heeft men in het laboratorium grotendeels dezelfde bacteriesoorten kunnen doden als met propolis! Ook de hars van de knoppen van de paardekastanje blijkt sterke, bacteriedodende eigenschappen te bezitten. Maar omdat deze hars in vergelijking met populierehars erg kleverig is, blijken bijen weinig interesse voor de hars van de paardekastanje te hebben. Omdat de samenstelling van de harsen van boomsoort tot boomsoort kan verschillen, verschilt ook de samenstelling van de propolis van land tot land en zelfs van streek tot streek. Propolis uit streken waar populieren of berken groeien, blijkt het meest van constante samenstelling te zijn en voldoende effectief te werken tegen ziektekiemen. Uit diverse proeven in het laboratorium is gebleken dat propolis van een andere oorsprong veel minder goed in staat is bacteriën en schimmels te doden. 4. De samenstelling van propolis Verse propolis is een kleverige, geelbruine of roodbruine, harsachtige stof. Wat oudere propolis is vrij hard en heeft een donkerder bruine tot soms zwarte kleur. Propolis heeft de aangename, karakteristieke geur van populieren of berken, honing en was, waaraan deze zonder meer is te herkennen. Wanneer je die geur eenmaal kent, kun je deze in april, als de knoppen van de bomen op springen staan, in het bos ruiken. Propolis is een ingewikkeld mengsel van diverse natuurlijke stoffen. Met behulp van de moderne, chemische analysemethoden (dunnelaag-chromatografie, kolom-chromatografie en gaschromatografie) is, vooral in de afgelopen 15 jaren aangetoond dat propolis een kleine honderd verschillende, chemische stoffen bevat. Meestal gaat het om chemische stoffen die vanuit het onderzoek bij planten en bomen al langer of korter bekend waren. Ook de functie van die stoffen is goeddeels bekend. Tot 1970 was er over de samenstelling van propolis weinig bekend. Men hield het op een mengsel van harsen en was, met daarin etherische (= vluchtige) oliën en flavonoïden (plantaardige kleurstoffen), vitaminen en mineralen. Die samenstelling was al in 1908 door Bohrisch in een Duits medisch tijdschrift gepubliceerd. In de jaren hierna is er aan die lijst kennelijk weinig toegevoegd. Dat is niet zo verwonderlijk, want men was in die jaren nog niet in staat om de verschillende bestanddelen van propolis aan de harsachtige substantie te onttrekken. Inmiddels zijn er betere manieren gevonden om propolis op te lossen, waardoor het met behulp van de moderne, chromatografische methoden mogelijk is geworden meer stoffen in propolis te ontdekken. In 1969 werden al de eerste 6 flavonoïden ontdekt. Toch werd op het wereldcongres van bijenhouders (Apimondia) in 1975 door Nikolaev nog steeds dit eenvoudige rijtje genoemd, dat. heden ten dage nog steeds in populaire boekjes en reclamefolders over propolis te vinden is. Samenstelling van propolis naar Nikolaev (1975): 55% harsen 30% was 10% etherische oliën 5% pollen sporen vitaminen en mineralen. Propolis bestaat voor het grootste deel uit harsen. Wanneer propolis in een sterk geconcentreerde, alcoholische oplossing wordt gedaan, lost een groot deel ervan op (= balsem). De onoplosbare was zakt naar de bodem. 7

In propolis-balsem (ook wel propolis-extract of propolis-tinctuur genoemd) bevinden zich de volgende bestanddelen: - etherische oliën - flavonoïden - lipoïden - eiwitten - suikers - vitaminen - mineralen. Etherische oliën In planten komen diverse stoffen voor die een kenmerkende geur bezitten, en daarom ook wel aromatische stoffen worden genoemd. Uit bepaalde plantedelen kan men een geurende olie winnen. De vluchtige olie waarin zich geurstoffen bevinden, wordt etherische olie genoemd. Deze oliën worden onder meer gebruikt als geur- en smaakstoffen in de voedingsmiddelenindustrie, maar ook voor het maken van cosmetica en geneesmiddelen. Van de door bijen uit bomen en planten gehaalde aromatische verbindingen zijn er inmiddels 31 in propolis aangetoond. Vaak is precies bekend uit welke boom de bijen dit halen. Een aantal van de propolis gevonden aromatische stoffen werd al lang gebruikt als geurstof, bij voorbeeld kaneelzuur en vanilline. Van de aromatische verbindingen in propolis heeft een achttal een goede werking tegen bacteriën en schimmels. Dit zijn onder meer benzoëzuur, caffeïnezuur, eugenol, ferulazuur, pterostilbeen en sorbinezuur. Benzoëzuur wordt gebruikt als conserveringsmiddel, bij voorbeeld in margarine tegen het ranzig worden door boterzuurbacteriën en in vruchtendrank tegen schimmelvorming. Ook sorbinezuur wordt in de voedingsmiddelenindustrie als conserveringsmiddel gebruikt. Andere bestanddelen van de etherische oliën zijn anethol, bisalodeen (bestanddeel van bergamotolie), borneol (wordt wel gebruikt bij de bestrijding van motten), cumarinezure benzyl ester (heeft waarschijnlijk een licht bloedverdunnend effect), farneol (de geurstof uit lelietjes van dalen), nerolidol en pineen. Flavonoïden De flavonoïden vormen een grote groep van gele pigmenten (kleurstoffen) die voorkomen in de bladeren van bomen en planten en in de harsen op de knoppen van bomen. De samenstelling van de flavonoïden verschilt per boomsoort. Het lijkt wel alsof de bijen precies die bomen weten te herkennen waarvan de samenstelling van de flavonoïden het best past bij hun behoefte. Uit onderzoek is gebleken dat de flavonoïden-samenstelling van propolis het meest overeenkomt met die van de knoppen van de populier en de berk. Merkwaardig is wel dat in de knoppen van deze twee boomsoorten enkele flavonoïden aanwezig zijn, die niet in propolis zijn teruggevonden. Er wordt daarom wel gedacht, dat deze door de enzymen van de bijen worden omgezet in andere, voor de bij nuttiger flavonoïden. Propavko (1978) is de belangrijkste onderzoeker van flavonoïden in propolis. In 1969 ontdekte hij acacetine, kaempferide, pinostrobine en rhamnocitrine. In de jaren daarna werden door hem in het Instituut voor de chemie van de natuurlijke stoffen in de Sovjet Unie nog 9 andere flavonoïden ontdekt. Ook Schneideweind (1975), verbonden aan de Lutheruniversiteit in Halle aan de Saale (Oost- Duitsland), heeft belangrijk onderzoek naar de flavonoïden in propolis verricht. Hij ontdekte 7 flavonoïden, waaronder pectolinarigenine, pinobanksine, 3 acetyl pinobanksine en sakurantine. Inmiddels zijn er 26 verschillende flavonoïden in propolis ontdekt. De belangrijkste hiervan zijn, naast de hierboven genoemde, apigenine, chrysine, galangine, luteoline, pinocembrine, pinostrobine, quercetine en tectochrysine. De meeste hiervan zijn natuurlijk werkzame antibiotica tegen bacteriën, 8

virussen en/of schimmels. Sommige hebben een krampstillende werking, bevorderen de galafvloed of zijn pijnstillend. Ook andere effecten van flavonoïden zijn beschreven, zoals het remmen van ontstekingsreacties, het stimuleren van de vorming van antistoffen en het bevorderen van de groei. Door een gunstige invloed op de bloedvaten en de rode bloedcellen gaan ze het ontstaan van slagaderverkalking en trombose tegen. Onlangs is door König (1985) een nieuwe groep flavonoïden ontdekt; de caffeoylics. Deze zouden een goede werking tegen virussen bezitten. Meer informatie hierover ontbreekt echter nog. De geneeskrachtige werking van propolis is zonder twijfel voor het belangrijkste deel te danken aan de flavonoïden. De eigenschappen van de verschillende flavonoïden zijn in het laboratorium door diverse wetenschappers onderzocht en aangetoond. Daarbij is ook duidelijk geworden dat de verschillende bestanddelen van propolis niet slechts afzonderlijk werkzaam zijn, maar vaak elkaars werking versterken. Lipoïden Lipoïden is de verzamelnaam voor een zeer heterogene groep van in de natuur voorkomende, vetachtige verbindingen. De in propolis aanwezige bijenwas is een natuurlijke, vetachtige verbinding. Slechts een klein deel ervan is in alcohol oplosbaar. Het meeste blijft bij het maken van propolistinctuur op de bodem achter en wordt verwijderd. Na verloop van tijd kunnen zich alsnog kleine wasdeeltjes vormen, die zich dan in het flesje als bruine volkjes op de wand afzetten. Alleen de vetachtige stof myristinezuur blijft in oplossing. Door Maciejewicz is aangetoond (1984) dat er zich in propolis nog andere lipoïden bevinden, namelijk de steroïden chalinasterol, fuctosterol, en stigmasterol. Steroïden zijn een grote groep van vetachtige stoffen, waartoe onder meer cholesterol, vitamine D en diverse hormonen behoren. Het is vooralsnog onduidelijk wat de kleine hoeveelheden steroïden in propolis voor betekenis hebben. Waarschijnlijk hebben ze bij de mens geen effect. Eiwitten In propolis bevindt zich een geringe hoeveelheid eiwitten die zijn opgebouwd uit een aantal aminozuren. Uit een analyse van Derevici (1978) blijkt dat het om 8 verschillende aminozuren gaat: fenylalanine, leucine, tryptofaan, alanine, asparaginezuur, glutaminezuur, glycine en serine. De eerste 3 hiervan zijn essentiële aminozuren. Dat betekent dat het om eiwitstoffen gaat die de mens niet zelf kan maken, maar via de voeding moet binnenkrijgen. De hoeveelheid aminozuren in propolis is te gering om een werkelijke bijdrage aan onze eiwitbehoefte te leveren. Maar dat wil niet zeggen dat de in propolis aanwezige aminozuren geen bijdrage aan de werking van propolis bij sommige ziekten kunnen leveren. Suikers Dat er in propolis ook een beetje suiker zit, zal niemand verbazen. Propolis is immers een bijenprodukt. Toch is dit nog niet zo erg lang geleden pas door Maciejewicz (1984) ontdekt. Hij kon 7 verschillende suikers aantonen, te weten fructose (vruchtesuiker), glucose (druivesuiker), gulose, ramnose, sacharose (rietsuiker), sorbitol en talose. Veel waarde hoeft men waarschijnlijk niet aan deze suikers toe te schrijven. De hoeveelheden zijn daarvoor te gering. Vitamines In de diverse juichende reclamefolders over propolis is te lezen dat propolis rijk is aan natuurlijke, actieve vitamines'. Dit is zwaar overdreven reclamepraat, maar er zitten inderdaad wel wat vitamines in propolis. Haydak (1942) heeft daar uitgebreid onderzoek naar gedaan. Hij vond in propolis sporen van de vitamines A, B1, B2, B5, B6, C, E en van nicotinezuur (vitamine PP). De hoeveelheden waren 9

dermate klein, dat je een ons tot een kilo propolis zou moeten innemen om aan de dagelijkse behoefte aan die vitamines te kunnen voldoen. In wetenschappelijke literatuur over propolis wordt dan ook verder niet meer over vitamines in propolis gerept. Spoorelementen Minerale voedingsstoffen, waarvan we maar erg weinig nodig hebben (enkele milligrammen of minder per dag), worden spoorelementen genoemd. Ze zijn onder meer nodig voor de opbouw van vele enzymen en van de weefselcellen. De spoorelementen in propolis zijn dus niet slechts ballaststoffen, maar bezitten een biologische activiteit. Door Marinescu (1980) zijn door middel van spectraalanalyse in propolis 19 mineralen aangetoond. Bijna alle voor de mens belangrijke spoorelementen blijken in propolis aanwezig te zijn. Alleen fluor en jodium ontbreken. De hoeveelheid van de verschillende spoorelementen in propolis is wel betrekkelijk gering. Bij normaal gebruik levert propolis er niet genoeg van op om in de dagelijkse behoefte te voorzien. Maar bij sommige ziekten kan er aan bepaalde spoorelementen een verhoogde behoefte bestaan. De extra hoeveelheid spoorelementen in propolis kan dan een welkome aanvulling zijn. Marinescu deed door middel van spectraalanalyse ook een onderzoek naar mineralen in de hars van de knoppen van de populier. Hierin kon hij 17 van de 19 mineralen aantonen die zich in propolis bevinden. De concentratie van de meeste van deze 17 mineralen was zelfs min of meer gelijk aan die in propolis. Dit wijst er, evenals andere onderzoekingen, op dat in streken waar populieren groeien, deze boom de belangrijkste bron is voor bijen. Spoorelementen in propolis (Marinescu, 1980): VOOR DE MENS BELANGRIJK: Chroom mangaan selenium vanadium Kobalt molybdeen silicium ijzer Koper nikkel tin zink voor de mens (waarschijnlijk) onbelangrijk: aluminium borium titaan barium strontium zilver Regionale verschillen Niet alle propolis is hetzelfde. Door diverse onderzoekers is aangetoond, dat de samenstelling van propolis per streek kan verschillen. Dat is ook niet zo verwonderlijk. Afhankelijk van bodemgesteldheid, klimaat en hoogte (laagland of bergen) variëren de boomsoorten. Dit leidt vooral tot verschillen in de samenstelling van met name de etherische oliën. Elk boomtype kent zijn eigen typische geurstoffen. Propolis uit Zuid-Italië bevat bij voorbeeld etherische oliën uit cypressen. In Nederlandse propolis bevinden zich daarentegen etherische oliën uit populieren en berken en uit eiken, hazelaars en wilgen. De geneeskrachtige werking van propolis kan, zoals gezegd, voornamelijk worden toegeschreven aan de verschillende flavonoïden die zich daarin bevinden. De knoppen van populieren en berken leveren beide verschillende flavonoïden die zich daarin bevinden. De knoppen van populieren en berken leveren beide voldoende van deze essentiële flavonoïden. In de landen waar het belangrijkste onderzoek naar de werking van propolis wordt gedaan (West- en Oost-Europa), zijn beide boomsoorten wijd verspreid aanwezig. De aangetoonde geneeskrachtige werking van propolis, geldt dan ook voor de propolis van het zogeheten 'populier-type' het 'berk-type' en het 'gemengd populierberk-type'. Ongeveer 95% van de Europese propolis behoort tot een van deze drie typen. Hoewel er in de verschillende Europese landen verschillen kunnen bestaan in de samenstelling van de etherische oliën, is de samenstelling in de belangrijkste flavonoïden vrij constant. Van propolis uit de landen buiten Europa is veel minder bekend. Deze propolisty-pen zijn in elk geval onvoldoende 10

wetenschappelijk onderzocht om hierover iets met zekerheid te kunnen zeggen. Men kan zich dus het beste beperken tot het gebruik van Europese propolis. Voor de behandeling van allergische aandoeningen is ook de samenstelling van de etherische oliën van belang. Deze dienen een afspiegeling te zijn van die in de ons omringende natuur. In dit geval is dan Nederlandse propolis te verkiezen. Helaas staat dit niet altijd op de verpakking vermeld. 5. De eigenschappen van propolis Door zijn gevarieerdheid wat de aktieve stoffen betreft, bezit propolis een breed spectrum van eigenschappen. Propolis werkt daardoor bij ziekten die ogenschijnlijk niets met elkaar te maken hebben. Dit kan vooral bij artsen een groot wantrouwen wekken. Want in de medische wereld is geen enkel ander gangbaar middel bekend, dat bij zo'n veelheid van aandoeningen kan worden toegepast. De volgende werkingen kunnen aan propolis worden toegeschreven: - anti-bacteriële werking, doordat het bacteriën doodt dan wel in hun groei afremt. - anti-virale werking door groeiremming virussen - remt groei van schimmels - versterkt de werking van antibiotica - remt ontstekingsreacties - werkt anti-reumatisch - remt slagaderverkalking en trombose - stimuleert bloeddoorstroming - werkt tegen pijn en jeuk - is anti-allergisch - stimuleert de afweer van het lichaam tegen infecties - heeft mogelijk een gunstig effect tegen kanker - herstelt vitaliteit bij algehele malaise - krampstillende werking op de darmspieren - stimuleert de galafvloed - versterkt de werking van vitamine C - gaat bederf van voedingsmiddelen tegen Naar bijna alle hierboven genoemde werkingen van propolis is inmiddels onderzoek verricht. De resultaten hiervan zijn in diverse medische bladen gepubliceerd. De belangrijkste daarvan komen hierna aan bod. Bacteriën De antibacteriële werking van propolis is in tientallen wetenschappelijke onderzoekingen en publikaties overtuigend aangetoond. Een groot aantal bacterie-soorten blijkt gevoelig tot zeer gevoelig te zijn voor propolis. Het eerste systematische onderzoek hiernaar is verricht door Kivalkina (1948). Hij ontdekte de werking van propolis tegen de stafylococcus aureus. Dit is de belangrijkste veroorzaker van wondinfecties. Ook steenpuisten, borstontsteking, nagelriemontsteking, botontsteking en lymfvatontsteking kunnen door deze bacterie worden veroorzaakt. Veel onderzoek naar de bacteriedodende werking van propolis is gedaan door Derevici (1978). Zij ontdekte in 1964 de goede werking van propolis op onder meer streptococcen (veroorzaken keelamandelontsteking, roodvonk, wondinfecties, belroos), escherichia coli (blaasontsteking), salmonella (darminfecties als paratyfus) en shigella (darminfecties als dysenterie). Een derde auroriteit op het gebied van propolis is Lavie (1980). Van zijn hand verschenen de laatste jaren 17 publikaties over de werking van propolis. Hij ontdekte de gunstige werking van propolis op onder meer proteus vulgaris (blaasontsteking). Weer andere onderzoekers stelden vast dat propolis een positief effect heeft op clostridium difteriae en mycobacterium tuberculosis. 11

Lavie vergeleek ook de werking van propolis op diverse bacteriesoorten met het effect dat extracten van de knoppen van populieren op die bacteriën hebben. Er bleken zeer veel overeenkomsten in werking te bestaan. Uit zijn analyses bleek dat het antibacteriële effect van propolis voornamelijk wordt veroorzaakt door de flavonoïden die zich daarin bevinden. De 4 belangrijkste flavonoïden die een antibacteriële werking hebben, zijn volgens de analyses van Lavie (1980), Ciz-marik (1978) en Metzner (1978): galangine, pinocembrine, pinobanksine en 3-acetyl-pinobanksine. Maar ook andere flavonoïden en caffeïnezuur, ferulazuur en benzoëzuur werken tegen bacteriën. Toch zijn niet alle onderzoekingen met propolis waardevol. Greceanu (1978) deed op het wereldcongres van bijenhouders Apimondia in Boekarest verslag van zijn vergelijkend onderzoek naar de werking van penicilline en die van propolis bij een 7-tal bacteriesoorten. Hij vertelde daar dat propolis alle bacteriesoorten doodde, terwijl penicilline dat maar bij twee soorten deed. De vijf soorten die ondanks de penicilline toch bleven groeien, staan er in de medische wereld echter om bekend dat ze altijd ongevoelig zijn voor penicilline. Zo'n vergelijkend onderzoek met betrekking tot propolis en penicilline heeft dan ook absoluut geen zin en is een wel erg goedkope manier om de werking van propolis te 'bewijzen'. Resistentie tegen propolis is niet bekend Een van de grote problemen bij het gebruik van antibiotica is het gemak waarmee sommige soorten bacteriën er resistent tegen worden. Tijdens de behandeling met een antibioticum blijkt dan dat de patiënt niet opknapt of steeds zieker wordt. De dokter kan dan natuurlijk gewoon een ander soort antibioticum voorschrijven. Maar dat helpt ook niet altijd. Door het op grote schaal gebruiken van antibiotica komt het namelijk regelmatig voor dat bacteriën zelfs resistent zijn geworden tegen twee of nog meer verschillende antibiotica. Er is dan een laboratoriumonderzoek nodig om te bepalen voor welk antibioticum de desbetreffende bacterie nog wel gevoelig is. Met zo'n onderzoek kan echter kostbare tijd verloren gaan. Resistentievorming van bacteriën tegen propolis is tot op heden niet beschreven. Kivalkina (1978) heeft in haar laboratorium bewust geprobeerd bacteriën resistent te maken tegen propolis. Zij deed dit met de staphylococcus aureus-bacterie. Van deze bacteriesoort is bekend dat resistentievorming tegen antibiotica gemakkelijk op kan treden. Maar ook na het vele malen overenten van staphylococcus aureus op voedingsbodems met propolis, trad geen resistentievorming op. De gevoeligheid voor propolis bleef gelijk. Een vergelijkbare test met penicilline zou al heel snel voor penicilline resistente stafylococcen hebben opgeleverd. Bacteriën die resistent zijn geworden voor bepaalde antibiotica, blijven gevoelig voor een behandeling met propolis. Shub (1981) testte dit uit op pus(etter) van 106 patiënten die waren behandeld met de antibiotica penicilline, erytromycine en/of tetracycline. De in de pus aanwezige stafylococcus aureusbacterie bleek in alle gevallen resistent te zijn tegen een of meer van die drie antibiotica. De 106 bacteriestammen bleken daarentegen alle gevoelig voor propolis! Propolis blijkt dus niet alleen een goed, antibiotisch werkend middel te zijn, maar ook goed te werken waar een 'gewoon' antibioticum faalt. Propolis kan echter ook tegelijk met een antibioticum worden gebruikt. Beide blijken elkaar namelijk te versterken. Dit zogeheten 'potentiërende' effect van propolis op antibiotica is door diverse onderzoekers beschreven, onder meer door Kivalkina (1978). Zij constateerde dat propolis de werking versterkte van onder meer penicilline, tetracycline, neomycine en streptomycine. In sommige onderzoeken werd een versterking van 10 keer tot soms het honderdvoudige gemeld. Schimmels Schimmels veroorzaken bij de mens in de regel alleen infecties van de huid, de haren en de nagels. Zwemmerseczeem tussen de tenen, smetplekken in huidplooien (bij voorbeeld in de liezen of onder de borsten) en luieruitslag bij baby's zijn de bekendste voorbeelden. Maar ook in lichaamsopeningen als de mond (bij voorbeeld spruw) of de vagina (witte vloed) kunnen schimmelinfecties voorkomen. 12

Schimmels komen overal in de natuur voor en veroorzaken gemakkelijk houtrot. Het is daarom niet verwonderlijk dat propolis een anti-schimmelwerking heeft. Holle bomen hebben immers door de eeuwen heen als onderkomen voor de bijen gefungeerd. Vooral uit de onderzoeken van Metzner (1977) en Cismarik (1976) is gebleken dat propolis werkzaam is tegen diverse, bij de mens voorkomende schimmels. Een aantal flavonoïden (met name pinobanksine en pinocembrine) en caffeïnezuur zijn hiervoor verantwoordelijk. Schimmels die gevoelig zijn voor een behandeling met propolis, zijn onder meer candida albicans en dermatofyten (trychofyten en epidermofyten). Dit betekent dat de meest gangbare schimmelinfecties met propolis behandeld kunnen worden. Virussen Propolis heeft een goede werking tegen diverse virussoorten. Dit is bij de behandeling van diverse virusziekten als verkoudheid, griep en koortsblaar wel gebleken. Toch is het erg moeilijk de antivirale werking in het laboratorium aan te tonen. Bacteriën en schimmels groeien gemakkelijk op speciale voedingsbodems in een glazen schaaltje. Wanneer men daarop een druppel propolis laat vallen, ontstaat rondom die druppel een ring waarin de bacterie of de schimmel niet meer wil groeien, als 'bewijs' van de werking van propolis. Met een virus lukt dit niet, want virussen groeien alleen maar op levend weefsel. Het technisch bewijs van de werking van propolis op virussen is dus veel moeilijker te leveren. In eerste instantie heeft men propolis uitgetest op plantaardige virusziekten, zoals het tabaksmozaïekvirus. Dit virus veroorzaakt gekleurde vlekken op de bladeren van tabaksplanten. Wanneer men een tabaksplant met het tabaksmozaïekvirus besmet en de bladeren vervolgens met propolis behandelt, kan aan het aantal later optredende vlekken beoordeeld worden hoe effectief propolis tegen het virus werkt. Dergelijke proeven zijn ondermeer door Bojnansky (1978) verricht. Afhankelijk van de manier waarop propolis op de bladeren werd aangebracht, nam het aantal vlekken af met 62-85%. Er is ook onderzoek gedaan met voor de mens schadelijke virussoorten. Crisan (1978) toonde met diverse proeven in weefselkweken aan dat propolis de groei blokkeert van het herpes virus (onder meer de veroorzaker van de koortsblaar). Derevici (1978) deed proeven met het influenzavirus (veroorzaakt griep) op bevruchte kippeëieren. Ook in dit geval bleek propolis de groei van het virus af te remmen. Proeven met virussen zijn technisch ingewikkelder dan die met bacteriën. Vandaar dat nog onvoldoende bekend is aan welke bestanddelen van propolis de anti-virale werking moet worden toegeschreven. Waarschijnlijk hebben, naast quercetine, apigenine en acacetine, ook nog andere flavonoïden een antiviraal effect. Nog niet zo heel lang geleden heeft König (1985) een geheel nieuwe groep van propolisbestanddelen (de caf-feoylics) ontdekt met een antivirale werking. Hierover is op dit moment echter nog onvoldoende bekend. Propolis remt ontstekingsreacties af Een ontsteking is een plaatselijke reactie van het lichaam op een schadelijke prikkel. Dat kan een bacterie zijn, maar ook bij voorbeeld een insektebeet of een verbranding. Op die plaats ontstaat de karakteristieke ontstekingsreactie: verwijding.van de kleine bloedvaten, het buiten de bloedvaten treden van witte bloedcellen en vocht, het opzwellen van het weefsel en het ontstaan van roodheid, warmte en pijn of jeuk. Propolis remt deze ontstekingsreactie af. Dit is aangetoond door middel van een aantal dierproeven, die in de medische wetenschap ook worden gebruikt om de ontstekingsremmende eigenschappen van medicijnen uit te testen (Derevici, 1978 en Niebes, 1971). Na inspuiting van formaldehyde of dextran in de huid ontstaat een ontstekingsreactie. Behandeling met propolis leidt tot een kleinere 13

ontstekingsreactie en een snellere genezing dan bij de niet met propolis behandelde 'controle' ratten. De werking van propolis blijkt in dit geval onder meer te berusten op een stabiliserende werking op bindweefsel en bloedvatwanden, op het remmen van de werking van weefselafbrekende enzymen (hyaluronidase) en op het beschermen van vitamine C tegen versnelde afbraak. De ontstekingsremmende werking van propolis kan worden vergeleken met die van aspirine en van bij voorbeeld anti-reumatische middelen, zonder overigens de bijwerkingen van die stoffen te bezitten. Bloedvaten De flavonoïden in propolis blijken een gunstig effect op de bloedvaten te hebben (Ghisalberti, 1979) aangezien ze het ontstaan van slagaderverkalking tegengaan. Sommige flavonoïden remmen in belangrijke mate de samenklontering van rode bloedcellen af (Robbins, 1973), werken begunstigend bij abnormale doorlaatbaarheid van bloedvaten en bevorderen de doorstroming van het weefsel (Robbins, 1975). Door hun anti-trombose effect kunnen flavonoïden gunstig werken bij aandoeningen als kransslagadervernauwing van het hart (Robbins, 1976) en bij voorbeeld bij vernauwing van de beenslagaders. In de eigen praktijk is gebleken, dat bij mensen die bloedverdunnende middelen gebruiken (sintrom, sintrommitis en marcoumar), de werking van die middelen door propolis wordt versterkt. Bij de controles van de trombosedienst bleek dat het percentage van de trombotest lager werd, waardoor ze minder pillen hoefden in te nemen. Mensen die bloedverdunnende middelen gebruiken, moeten daarom, als ze daarnaast propolis gebruiken, vaker door de trombosedienst worden gecontroleerd. Propolis helpt bij pijn en jeuk Propolis blijkt een goede pijnstillende werking te bezitten, vooral bij plaatselijk gebruik. Dit is al eeuwenlang bekend bij imkers, die keelpijn bestreden door op een brokje ruwe propolis te kauwen. Dat propolis bij keelpijn helpt is niet alleen te danken aan de pijnstillende werking. Tegelijkertijd wordt door de antiseptische werking ook de infectie bestreden. De pijnstillende werking van propolis is onder meer door Prokopovich (1957) aangetoond. Door een sterk verdunde propolisoplossing (0,25%) als oogdruppels te gebruiken, kon hij bij konijnen een volledige gevoelloosheid van het bindvlies van het oog bereiken. Die gevoelloosheid blijkt dan uit het niet meer knipperen van de oogleden bij aanraking van het oog. De verdoving bleef een uur lang werken, wat 4 maal zolang is als bij een verdoving met cocaïne en 52 maal zolang als bij die met procaïne. Als plaatselijke verdoving van de huid bleek een injectie met 1% propolis sterker te werken dan het destijds gebruikelijke plaatselijke verdovingsmiddel procaïne. Propolis kan ook gebruikt worden voor plaatselijke verdoving bij tandheelkundige ingrepen. Muchnik (1964) ontdekte dat een injectie met een geconcentreerde propolisoplossing 3,5 keer zo sterk werkte als cocaïne. In Rusland werd propolis dan ook in tandartsenpraktijken geïntroduceerd. De pijnstillende werking van propolis kan worden toegeschreven aan ten minste 2 flavonoïden (pinostrobine en pinocembrine) en aan esters van caffeïnezuur. Volgens Paintz (1979) is de pijnstillende werking van de laatste twee gelijkwaardig aan die van lidocaïne, een tegenwoordig veel gebruikt middel voor plaatselijke verdoving. Ook het eugenol in propolis werkt enigszins tegen pijn. Van eugenol, dat in veel planten zit, maar vooral in kruidnagelen voorkomt, is de pijnstillende werking al erg lang bekend. Voorheen gebruikte men kruidnagelen dan ook wel als middel tegen kiespijn. Dat propolis ook goed helpt tegen jeuk is zeker voor een deel te danken aan de plaatselijke, pijnstillende werking en aan het verzachtende effect van de zalf. Maar propolis heeft ook een antiallergische werking, waardoor het bij diverse jeukende aandoeningen directer op de oorzaak inwerkt. Dat is bij voorbeeld goed te merken wanneer propolis als 'eerste hulp' wordt gebruikt bij contact met brandnetels, muggen, wespen of bijen. Ook bij de behandeling van eczeem komt de jeukstillende werking van propolis goed van pas. 14

Propolis stimuleert het afweersysteem van het lichaam tegen infecties De normale afweer van het lichaam tegen binnendringende ziektekiemen geschiedt door middel van onder meer de witte bloedcellen (leucocyten), gemaakt in het beenmerg en de lymfklieren, en de antistoffen (ook wel immuunglobulinen genoemd), gemaakt in lymfklieren, milt en speciale, witte bloedcellen. Bij infecties nemen het aantal witte bloedcellen en de antistoffen in het bloed toe, evenals het aantal speciale witte bloedcellen (de zogeheten plasmacellen) in de lymfklieren. Deze reacties van het lichaam op binnendringende ziektekiemen zijn op een betrekkelijk eenvoudige wijze te meten. Dit soort onderzoek wordt gewoonlijk door middel van dierproeven gedaan. Spuit men bij voorbeeld een konijn in met een bepaalde bacteriesoort, dan kan men na verloop van enige tijd meten hoeveel antistoffen zich in het bloed van dat konijn bevinden Kivalkina (1969) toonde aan dat de hoeveelheid antistoffen bij konijnen die met propolis werden behandeld, groter was dan die bij konijnen die géén propolis kregen. De afweer tegen de ingespoten bacteriën werd dus door propolis vergroot. Teterev (1972) deed een vergelijkbaar onderzoek bij kalveren, die werden ingespoten met paratyfusbacteriën. De kalveren die tevens propolis kregen, vormden méér antistoffen tegen de paratyfusbacterie dan de controlegroep. Ook door het tellen van het aantal plasmacellen in een lymfklier kan men beoordelen hoe sterk de reactie van het lichaam op de bacteriën is. Budarkova (1976) deed dat onderzoek bij konijnen die werden ingeënt met een tetanusvaccin. In de lymfklieren van de met propolis behandelde konijnen was de toename van het aantal plasmacellen duidelijk groter dan bij de konijnen die geen propolis kregen toegediend. Kivalkina (1978) constateerde zelfs een zes-maal zo grote toename van plasmacellen in de lymfklieren van muizen die met paratyfusbacteriën ingespoten en vervolgens met propolis behandeld waren. Ook de hoeveelheid antistoffen in het bloed nam duidelijk méér toe. Muizen die tegelijk propolis kregen, maakten viermaal zoveel nieuwe antistoffen als muizen die geen propolis kregen. Onderzoek dat zij later deed bij andere dieren (rat, cavia, konijn, kalf), leidde steeds weer tot dezelfde resultaten. Dieren die propolis kregen toegediend, maakten bij een infectie méér antistoffen en méér witte bloedcellen. Uit dit onderzoek blijkt dus duidelijk, dat propolis het afweersysteem van het lichaam tegen ziektekiemen stimuleert. Omdat propolis tegelijkertijd een directe werking heeft tegen diverse bacteriën en virussen, bezit deze stof dus bij infecties een dubbele werking! Propolis werkt anti-allergisch In de praktijk blijkt propolis op diverse allergische ziekten een goede uitwerking te hebben. Voorbeelden hiervan zijn hooikoorts en bepaalde vormen van bij-holteontsteking en eczeem (zoals dauwworm - eczeem bij baby's - en chronisch eczeem). Toch is in de literatuur over propolis maar weinig over de behandeling van allergische ziekten te vinden. Aan de resultaten van de behandeling ligt het niet, want die zijn vaak erg goed te noemen. Het ontbreken van voldoende onderzoek is er de oorzaak van dat (nog) niet bekend is, hoe propolis bij allergische aandoeningen precies helpt. Een mogelijkheid is dat propolis de allergische reactie in het lichaam onderdrukt. Veel medicijnen tegen allergie (de zogeheten antihistaminica) werken op deze manier. Een andere mogelijkheid is dat propolis het lichaam ongevoelig maakt voor de allergieopwekkende stof. Bij allergieën gaat het om een overgevoeligheid voor in de lucht zwevende, natuurlijke (meestal plantaardige) stoffen, zoals stuifmeel. Door de dagelijkse inname van propolis zou men langzaam ongevoelig kunnen worden voor diverse stoffen. Medicijnkuren om een allergie te genezen (de zogeheten desensibilisatiekuur) zijn ook gebaseerd op dit principe: het regelmatig toedienen van een geringe hoeveelheid van de stof waarvoor men allergisch is. 15