Methodisch handelen bij injecteren Bij de verschillende toedieningswijzen van medicijnen werkje altijd methodisch en doelgericht. Gebruik de protocollen van de instelling. Soms veranderen technieken door nieuwe inzichten; zorg datje daarvan op de hoogte bent. Beroepshouding Je beroepshouding stem je af op de zorgvrager, zijn levensfase en zijn aandoening of stoornis. Houd rekening met de verschillende emoties die een rol kunnen spelen bij het injecteren. Angst Veel zorgvragers zijn bang voor injecties en kunnen in paniek raken of zelfs flauwvallen. Ze kunnen bang zijn voor de pijn, voor het bloed of voor het onbekende. Sommige zorgvragers, zoals kinderen, kunnen hard gaan huilen en boos worden. Ze willen geen injectie en werken tegen, waardoor het moeilijk is om een injectie te geven. Blijf rustig en geduldig en geef goede en eerlijke voorlichting. Schaamte Zorgvragers die zichzelf regelmatig moeten injecteren, bijvoorbeeld diabetespatiënten, schamen zich soms voor hun omgeving. Bied de zorgvrager ruimte om zich terug te trekken, zodat hij de injectie kan toedienen. Verdriet en boosheid Als zorgvragers horen dat ze voor langere tijd injecties nodig hebben, kunnen ze boos reageren. Ze reageren zich vaak als eerste af op de verzorgende die de injectie geeft of die de zorgvrager begeleidt. Bedenk dat het een verwerkingsreactie is en niet op jou persoonlijk gericht is. Geef de zorgvrager ruimte om zijn gevoelens te uiten. Onzekerheid Zorgvragers kunnen zich onzeker voelen als ze de injectietechniek zelf gaan leren. Doen ze het wel goed? Zal deze manier van medicatietoediening wel helpen? Kan ik dat volhouden? Wat moet ik doen als ik ziek wordt? Goede voorlichting over alle aspecten van het injecteren kan de onzekerheid verminderen.
92 5 Injectie en inhalatie.levensfase en zorgcategorieën Stem je begeleiding af op de levensfase van de zorgvrager. Aandachtspunten bij de levensfase Levensfase Aandachtspunten Baby's Bij het injecteren kan de baby even gaan huilen. Troost de baby dan. Eventueel geef je de ouders instructies om de medicatie toe te dienen. Peuters en kleuters Peuters en kleuters weten vaak niet wat er gaat gebeuren bij een injectie en kunnen angstig reageren, erg hard gaan huilen, maar soms ook juist gelaten reageren. Geef eerlijk aan wat pijn doet en wat niet. Om onverwachte bewegingen te voorkomen, is het belangrijk om tijdens het toedienen van injecties het kindje vast te houden zodat er geen verwonding ontstaat. Troost en beloon het kindje na afloop. Schoolgaande kinderen Grotere kinderen vinden injecteren vaak interessant maar zijn er toch nog bang voor. Het is belangrijk datje goede uitleg en instructies geeft. Kinderen zijn vaak erg nieuwsgierig en leergierig en willen van alles weten. Geef duidelijke en overzichtelijke informatie. Pubers Bij pubers is er een grotere kans op therapieontrouw. Dit kan komen omdat ze willen uitzoeken hoe hun lichaam reageert of omdat ze de medicatie voor hun omgeving willen verbergen. Soms moetje dit even laten gaan, zodat ze hun eigen grenzen leren kennen. Uiteindelijk vallen ze vaak terug op zorgverleners en dan is een goede en uitgebreide voorlichting noodzakelijk. Benader de puber altijd serieus. Soms wordt dan pas duidelijk wat het emotioneel voor hem betekent om 'zijn leven lang' te moeten injecteren. Ga respectvol om met zijn gevoelens. Jonge volwassenen Jonge volwassenen kunnen de technieken erg goed zelf leren en hun therapie in de hand houden. Bij deze groep is de voorlichting vaak gericht op de betekenis die het injecteren heeft op hun dagelijks leven. Voorlichting en het aanleren van een juiste techniek en hygiëne staan vaak voorop. Ouderen Ouderen zien er soms tegenop zelf injecties toe te dienen, omdat dat 'vroeger' altijd door de wijkverpleegkundige werd gedaan. Andere ouderen vinden het juist fijn om het zelf te kunnen, omdat ze dan onafhankelijker zijn. Stem je voorlichting en handelen af op de afzonderlijke zorgvrager. Als een oudere zorgvrager niet zelf wil leren injecteren, bespreek dan of er naasten zijn die deze taak kunnen overnemen. Als dat niet het geval is, kan de verzorgende of verpleegkundige in de instelling of de thuiszorgmedewerker het injecteren overnemen. Ouderen weten vaak minder over gezondheidsinformatie dan jongere zorgvragers. Zij kunnen ook minder makkelijk zelf informatie opzoeken.
5 Injectie en inhalatie,3 Aandachtspunten bij de zorgcategorieën Doelgroep Maatregel Reden Verstandelijk gehandicapte Houd de zorgvrager goed vast. Bespreek regelmatig met de zorgvrager hoe het aanleren van de technieken verloopt. Inzicht houden in problemen zodat de zorg kan worden afgestemd. Plotselinge boosheid of agressie, kans op verwondingen. Revaliderenden Lichamelijk gehandicapten en chronisch zieken Neem de zorgvrager serieus en zie hem als ervaringsdeskundige. De zorgvrager is vaak al langdurig bekend met de technieken en medicatie. Geef alleen voorlichting als het niet lukt, bij problemen of als de techniek of het medicijn niet juist wordt toegepast. Motiveren en stimuleren. Herwinnen van de lichamelijke mogelijkheden staat voorop. Dat is vaak een langdurig proces en vormt een grote psychische belasting voor de zorgvrager en zijn naasten. Soms blijkt dat de revalidatiemogelijkheden beperkt zijn. Dat kan erg pijnlijk zijn en soms tot somberheid of depressie leiden. Door deze gevoelens is de zorgvrager niet altijd even gemotiveerd de verpleegtechnische handelingen uit te voeren. Als verzorgende moetje alert zijn op dit soort gevoelens en proberen in te schatten hoe je de zorgvrager het best kunt begeleiden, om hem weer zo zelfstandig mogelijk te maken. Psychiatrische zorgvragers Beoordeel of de zorgvrager de technieken zelf kan toepassen, neem anders de zorg voor medicatie (tijdelijk) over. De zorgvrager kan of wil de handeling niet uitvoeren, of te weinig of juist te veel toedienen. Kraamvrouwen en Ga in op vragen van de zorgvrager over de invloed van de medicijnen gynaecologi- op borstvoeding, sche zorgvragers Medicijnen kunnen invloed hebben op borstvoeding. ï '5 o -C "O O O
94 5 Injectie en inhalatie 5.2.3 Controle en observatie Je kunt de kans op nadelige gevolgen verkleinen door de zorgvrager goed te controleren en te observeren. Gebruik de regel van vijf om de toediening van medicijnen te controleren. De regel van vijf 1 Op de juiste tijd. 2 Aan de juiste persoon. 3 Het juiste medicament. 4 De juiste dosis. 5 De juiste toedieningswijze. 5.2 Neem bij twijfel contact op met de apotheek. Observaties vóór de handeling Neem contact op met de apotheker als een medicament er anders uitziet dan verwacht. Laatje niet afleiden als je de injectie klaarmaakt. Kijk altijd of de houdbaarheidsdatum niet verlopen is. Stel altijd vragen als je een ongewone dosis moet geven. Zorg ervoor dat de medicijnen dubbel gecontroleerd zijn (dubbelcheck). Is de opdracht duidelijk beschreven? Begrijpt de zorgvrager informatie? Is de zorgvrager voldoende op de hoogte van de handeling? Liggen alle en de juiste materialen klaar? Is de opgeloste vloeistof gecontroleerd door een collega? Moeten er maatregelen genomen worden om besmetting te voorkomen? Observaties tijdens de handeling Luister naar de zorgvrager als hij zijn twijfels over de injectie uit. Is de privacy gewaarborgd? Bepaal ik de juiste plaats? Pas ik de juiste techniek toe? Ga ik zorgvuldig om met de naald? Observeer de reacties van de zorgvrager. Observaties na de handeling Observeer verschijnselen die wijzen op eventuele bijwerkingen. Hoe heeft de zorgvrager het ervaren? Zijn de materialen op de juiste manier weggegooid? Is de handeling geregistreerd? Zijn er bijzonderheden te rapporteren? Observeer de zorgvrager op eventuele klachten van complicaties. 5.2.4 Voorlichting en instructie Bij het geven van voorlichting en het instrueren van de zorgvrager houd je rekening met een aantal aandachtspunten.
Je geeft voorlichting over: de reden van de toedieningsvorm van de medicatie; de wijze waarop de handeling wordt uitgevoerd; de manier waarop de zorgvrager de handeling kan ervaren; wanneer de zorgvrager moet waarschuwen; wat er moet gebeuren bij verkeerd injecteren of bij een verkeerde medicatie; mogelijke bijverschijnselen, problemen of complicaties. Instructies bij het zelf leren injecteren: Laat alle materialen zien en bespreek welke nodig zijn om te injecteren; Laat aan de hand van plaatjes zien welke technieken er zijn en op welke plaatsen van het lichaam geïnjecteerd kan worden; Bespreek ook de schematische wisseling van injectieplaats om weefselbeschadiging te voorkomen; Leer eerst zelf injecteren, dan samen, dan op afstand; Geef goede voorlichting over hygiëne, voorkomen van complicaties en hoe te handelen bij problemen. Regels en voorschriften Bij het injecteren pasje de voorschriften toe van de instelling of organisatie. Je houdt je aan de regels en wetten die van toepassing zijn. Hygiëne Voor en na de handeling wasje altijd je handen om kruisinfectie te voorkomen. Je gebruikt bij het injecteren altijd verpakte materialen en controleert de steriliteitdatum. Dit geldt ook voor de houdbaarheidsdatum van de medicijnen die je gebruikt. Vóór het injecteren desinfecteer je de huid. Veiligheid Pas bij het uitzetten en toedienen van medicijnen altijd de regel van vijf toe om fouten te voorkomen. Probeer prikincidenten te voorkomen door de naald voorzichtig in het hoesje terug te schuiven en na gebruik in de naaldencontainer te werpen. Ergonomisch werken Pasje houding aan aan de lichaamshouding van de zorgvrager. Als de zorgvrager op een stoel zit bij het injecteren, kun je zelf op een stoel naast de zorgvrager gaan zitten. Kostenbewust werken Verspil geen materialen, maar ga er zuinig mee om. Milieubewust werken Zorg dat de naalden in de naaldcontainer terechtkomen en de andere materialen in de juiste container of afvalbak.
96 5 Injectie en inhalatie voorbehouden handeling Rechten en plichten van de zorgvrager Het toedienen van medicatie per injectie is een risicovolle handeling. Dat wil zeggen dat de gevolgen van een slecht uitgevoerde injectie nadelig kunnen zijn voor de zorgvrager. De Wet BIG geeft aan dat het toedienen van een injectie een voorbehouden handeling is. In hoofdstuk 1 is de betekenis van de voorbehouden handelingen voor verzorgenden beschreven. Voor elke voorbehouden handeling geldt datje goed moet weten welke risico's de zorgvrager loopt. Geef de zorgvrager goede voorlichting over hygiëne en veiligheid bij het gebruik van medicijnen. 5.2.6 Coördinatie van de zorg Bij de zorg zijn vaak verschillende hulpverleners betrokken, namelijk: naasten; huisarts of afdelingsarts; specialist; diabetesverpleegkundige, die gespecialiseerd is in het aanleren van injecteren door diabeteszorgvragers; wijkverpleegkundige in de thuiszorg. Eventuele observaties die wijzen op complicaties geef je direct door aan de arts of leidinggevende. 5.2.7 Evaluatie en rapportage van de zorg Voor een goede continuïteit is het belangrijk de zorg te evalueren en rapportage zorgdossier te rapporteren. Onderdelen van de rapportage De rapportage bestaat in ieder geval uit de volgende onderdelen: de wijze waarop de zorgvrager de situatie heeft ervaren; de datum, het tijdstip en de wijze van toediening; de naam van de collega die de dubbelcheck heeft uitgevoerd; de toegediende en hoeveelheid medicatie; eventuele klachten van de zorgvrager die kunnen wijzen op bijwerkingen. aandachtspunten rapportage Behalve een zorgvuldige rapportage is ook een goede evaluatie van de zorg van belang. De twee belangrijkste aandachtspunten daarbij zijn: Is door toediening van het medicament het gewenste effect bereikt (bijvoorbeeld minder pijn, ontspanning, verlaagd bloedsuikergehalte, dalen van koorts)? Zijn er klachten die wijzen op bijwerkingen?
98 5 Injectie en inhalatie ^ 3 - patiëntgericht werken.werken volgens protocol Zorgvragers vinden het niet prettig als een handeling op veel verschillende manieren wordt uitgevoerd. De ene verzorgende desinfecteert de huid altijd voordat ze de naald inbrengt, de andere verzorgende beweert dat desinfecteren alleen nodig is bij een zorgvrager met een verminderde weerstand. Het is handig om op de afdeling een protocol te gebruiken. Dit betekent natuurlijk niet datje niet patiëntgericht zou kunnen werken. Als een zorgvrager bijvoorbeeld vanwege een allergie geen pleister wil na een injectie, terwijl het handelingsschema dit voorschrijft, kun je een uitzondering maken. Ga naar een collega of leidinggevende en vraag of de andere werkwijze is toegestaan. Overleg wat het beste is. Vergeet niet de verleende zorg te beschrijven in de rapportage. Iedere collega kan dan lezen waarom je een uitzondering hebt gemaakt. Het toedienen van injecties: materialen, techniek en complicaties Voordatje een injectie klaarmaakt, moetje nagaan welk materiaal je nodig hebt. Er zijn spuiten en naalden in verschillende maten. zorgvragers met een verminderde weerstand.injectiematerialen Bij zorgvragers met een normale weerstand is het niet nodig vóór het toedienen van de injectie de huid te desinfecteren. Bij zorgvragers met een verminderde weerstand, bijvoorbeeld bij ernstig zieke of ondervoede zorgvragers, is het raadzaam dat wel te doen om infecties rond de insteekopening te voorkomen. Soorten naalden Voor het optrekken van het medicijn uit de ampul of flacon gebruik je een aparte opzuignaald. Dit is een korte, dikke (meestal intramusculaire) naald waarmee je makkelijk vloeistof kunt optrekken. Voor subcutane injecties (onder de huid) gebruik je korte naalden, vanaf 25 mm, met een langgeslepen punt. De exacte lengte van de naald is afhankelijk van de dikte van de huidplooi. Bij een dikke huidplooi kies je een langere naald. Bij kinderen gebruik je juist een kortere naald. Je kunt de lengte van de naald bepalen door een huidplooi op te pakken op de plaats waar je wilt injecteren. De juiste naald is net zo lang als de helft van de breedte van de huidplooi. Voor subcutaan rechtstandig injecteren gebruik je naalden met een lengte vanaf 16 mm, met een kortgeslepen punt. Bij insulinepennen wordt gebruik gemaakt van naaldjes met een lengte vanaf 5 mm. Voor intramusculaire injecties (in een spier) gebruik je langere naalden, namelijk vanaf 40 mm, met een langgeslepen punt.
Injectie en inhalatie ^3- Begeleiding van de zorgvrager Bij het injecteren is het belangrijk datje de zorgvrager goed informeert. Ga na wat hij al weet en sluit daarop aan. Ga na of de zorgvrager de informatie heeft begrepen. Informeer de zorgvrager over: de reden van de injectie; de plaats waar geïnjecteerd wordt; eventuele pijn; de manier waarop hij zich kan ontspannen; mogelijke bijwerkingen; wanneer hij moet waarschuwen bij klachten. 5.3.1 Pijn Tref maatregelen om de pijn bij een injectie te beperken. Het spreekt vanzelf dat je de handeling zo goed mogelijk moet uitvoeren om de kans op complicaties te verkleinen. Injectienaalden zijn zeer scherp en vaak voelt de zorgvrager nauwelijks iets van het moment waarop je door de huid prikt. Het inspuiten van de injectievloeistof kan meer pijn veroorzaken, vooral als het om een grote hoeveelheid of om dikke vloeistof gaat. Van sommige vloeistoffen is bekend dat het injecteren ervan extra pijnlijk is. Informeer de zorgvrager daarover. 5.3.2 Prikangst Voorbeeld Mevrouw Van Dam vindt injecties vreselijk vervelend. Ze heeft in het verleden erg nare ervaringen gehad met het prikken van bloed. Vaak had ze twee armen vol met blauwe plekken voordat er voldoende bloed bij haar was afgenomen. In verband met een bedrustkuur heeft de arts haar een antistollingsmiddel voorgeschreven. Het idee dat ze de komende dagen tweemaal per dag een injectie toegediend zal krijgen, is voor mevrouw Van Dam een regelrechte ramp. Als een zorgvrager erg gespannen is, merk je dat je meer kracht moet zetten om de vloeistof in te spuiten. Dat is vaak extra pijn- % ontspannen van de zorgvrager lijk. Probeer de spanning te doorbreken. Probeer een geruststel- lend praatje te maken. Ga even naast de zorgvrager zitten en vertel ^ uitgebreid watje gaat doen en wat hij kan verwachten. Als je in een = been moet spuiten, is het belangrijk het been te ontspannen. Dat kan g bijvoorbeeld door beide benen languit op bed te leggen en wat oefe- @ ningen te doen met de voeten. Zorg ervoor dat je handen warm zijn als je de huid van de zorgvrager glad trekt en vraag de zorgvrager rustig door te ademen tijdens het injecteren.
5 Injectie en inhalatie 99 aanzetstuk voor de naald 3 cilinder zuiger Q ^ T i r 1111111111111111111111111111111 5.3 Een brede en een dunne spuit. 5.4 Een injectienaald. maat van de naald (dikte) schacht conus lumen punt 25 ontluchten Jnjectietechnieken (bron protocol Vilans) Er zijn verschillende injectietechnieken. Voordatje een injectie kunt toedienen moetje in sommige gevallen de injectiespuit ontluchten. Dit doe je op de volgende manier; - De conus van de naald wordt tussen wijsvinger en middelvinger van de linkerhand geklemd - Tegelijkertijd wordt de spuit daaronder vastgehouden tussen duim en pink of ringvinger - De naald en spuit worden nu zo klemvast gehouden dat met de rechterhand (voorzichtig) tegen de spuit kan worden getikt, zodat eventuele luchtbelletjes naar boven drijven. - Door de stamper voorzichtig omhoog te duwen, duw je de lucht omhoog de spuit uit. Let op; - Dat je geen vloeistof wegspuit. - Indien er teveel vloeistof weggespoten is zul je een nieuwe spuit moeten klaar maken - Door ontluchten kan de vloeistof ook aan de buitenkant van de naald komen, dit moet je zien te voorkomen door te zorgen dat de vloeistof niet uit de naald spuit. Doordat de vloeistof aan de buitenkant van de naald is gekomen, kan deze in contact komen met - de huid van de cliënt. Sommige vloeistoffen hebben een etsende ü werking of blijven plakken aan de buitenkant van de naald zodat 2 1 de injectie moeilijker verloopt, dit is erg pijnlijk voor de cliënt. ^ - Als gebruik gemaakt wordt van een opzuignaald, wordt de injec- tienaald die gebruikt wordt voor het injecteren niet ontlucht. De g hoeveelheid lucht die ingespoten wordt (= inhoud van de injectie- @ naald) kan worden verwaarloosd. Insulinepennen Het is raadzaam om vóór elke injectie de insulinepen te ontluchten door 2 IE weg te spuiten met de pennaald naar boven gericht
100 5 Injectie en inhalatie en dit zo nodig te herhalen totdat insuline uit de pennaald komt. De belangrijkste reden hiervoor is om te controleren dat er daadwerkelijk insuline uit de pennaald komt. Kant en klare wegwerpspuiten. Deze mag je niet ontluchten! De luchtbel dient zich aan de kant van de zuiger te bevinden als het medicijn wordt ingespoten. De luchtbel vult na het toedienen de overgebleven dode ruimte van de injectiespuit. Er blijft dus geen medicijn achter in de spuit. toedieningsplaatsen voor subcutane injecties Subcutane injectie Bij een subcutane injectie wordt het geneesmiddel in het onderhuidse vetweefsel gespoten, waar het door de haarvaten in het bloed wordt opgenomen. Dit kan alleen als de circulatie op de injectieplaats in orde is. Het risico dat er bij een subcutane injectie grote bloedvaten en zenuwen worden geraakt is klein. Voor subcutane injecties gebruikt men niet-irriterende oplossingen van medicijnen in water of suspensies (poeder dat in een vloeistof blijft zweven) in kleine hoeveelheden (0,5 tot 1,5 ml). Voorbeelden hiervan zijn insuline en antistollingsmiddelen zoals heparine en clexane. Een subcutane injectie mag alleen worden toegediend op plaatsen waar de bloedvoorziening voldoende is en de huid en het onderhuidse vetweefsel schoon en heel zijn. Dat is bijvoorbeeld het geval bij de buitenkant van de bovenarm, het losse weefsel van de buikwand en de buitenkant (voor) van het dijbeen, zoals aangegeven in figuur 5.6. injectie- schema Bij een zorgvrager die regelmatig een subcutane injectie nodig heeft, zoals een zorgvrager met diabetes, zul je steeds van injectieplaats moeten veranderen. Je kunt dan een injectieschema opstellen waarin alle toedieningsplaatsen voor subcutane injecties een plaats krijgen. Technieken voor subcutaan injecteren zijn: huidplooitechniek; loodrechttechniek; injecteren met insulinepen; injecteren van heparine en insuline. 5.5 Toedieningsplaatsen voor subcutane injecties, a buitenkant van de bovenarm b los weefsel van de buikwand dikke huidplooi c buitenkant (voor) van het dijbeen Huidplooitechniek Bij de huidplooitechniek injecteer je in een huidplooi. Een huidplooi is een laag huid met vet, zonder spierweefsel. Een huidplooi moet los zijn van de onderliggende spierlagen. Je kunt controleren of je een huidplooi 'te pakken' hebt door deze tussen je duim en je wijsvinger een beetje heen en weer te bewegen. Je kunt dan meteen zien hoe dik de huidplooi is. Voor dikke huidplooien gebruik je een langere naald dan voor een dunne huidplooi. Zorg datje al voordat je gaat spuiten weet welke naaldje nodig hebt. Breng de injectienaald met een snelle beweging in de huidplooi, onder een hoek van
45 a 60 graden (zie figuur 5.7). Vervolgens spuitje de injectievloeistof in het onderhuidse vetweefsel van de huidplooi..6 De huidplooitechniek. Loodrechttechniek Bij de loodrechttechniek maak je gebruik van korte naalden (vanaf 16 mm). Bij deze techniek is het belangrijk datje het spierweefsel niet raakt. Plaats de naald met een snelle beweging loodrecht in de huid. Deze techniek wordt vaak gebruikt bij het toedienen van heparine en wanneer de zorgvrager zelf insuline toedient met een insulinepen. Als je de medicatie hebt geïnjecteerd, trekje de naald snel terug, terwijl je met je andere hand de huid tegenhoudt. Trek de naald terug in dezelfde richting als waarin je hem hebt ingebracht..7 De loodrechttechniek.
102 5 Injectie en inhalatie zorgvragers met diabetes Injecteren met insulinepen Mensen met type 1-diabetes gebruiken altijd insuline. Insuline kan niet als pil of tablet worden toegediend, maar alleen met in de vorm van een injectie. Zorgvragers die diabeet zijn, maken vaak gebruik van een insulinepen. Deze injectienaald lijkt op een vulpen, maar het inktpatroon is vervangen door een insulinepatroon. Door aan de gegroefde huls te draaien, kan de zorgvrager het gewenste aantal eenheden insuline instellen. De zorgvrager brengt de naald met behulp van de loodrechttechniek onderhuids in. Daarna draait hij de huls in de O-stand, zodat de insuline naar binnen wordt gespoten. Er bestaan verschillende soorten insulinepennen, maar het principe blijft hetzelfde. Meestal horen bepaalde insulinepennen bij een bepaald merk insuline. Een zorgvrager kan dus niet zomaar van insulinepen wisselen. 5.8 Een insulinepen. Bij de meeste pennen kan de ampul met insuline worden verwisseld. Er zijn echter ook pennen die weggegooid worden als de ampul leeg is. Het instellen van de hoeveelheid insuline verschilt per pen. Bij sommige pennen hoor je bij het instellen bij elke eenheid een klikje. Deze pennen zijn handig voor zorgvragers die niet goed kunnen zien. Bij sommige pennen kan een zorgvrager nagaan wanneer een bepaalde dosis is gespoten. Dat kan handig zijn voor een zorgvrager die vergeetachtig of onzeker is. Zorgvragers die bang zijn voor naalden kunnen kiezen voor een naaldloos injectiesysteem. De insuline wordt dan door middel van gasdruk via de huidporiën in het onderliggende weefsel geperst. 5.9 Laat de luchtbel in de spuit zitten. Subcutaan injecteren van heparine In de beroepspraktijk zul je regelmatig heparine of enoxaparine (Clexane ) per injectie toedienen. Omdat dit antistollingsmiddelen zijn, gelden er speciale regels voor de toediening. Meestal maak je gebruik van kant-en-klare wegwerpspuitjes. Je laat de luchtbel in de spuit zitten omdat die ervoor zorgt datje alle heparine uit de naald en in het lichaam spuit. Een subcutane injectie met heparine kun je het best in de buik toedienen met behulp van de loodrechttechniek. 5.10 Het injecteren van heparine met de loodrechttechniek.
5 Injectie en inhalatie 103 Je pakt geen huidplooi op, maar je plaatst de naald in een hoek van 90 graden in de huid. 5.11 Je pakt dus geen huidplooi op. 5.12 Steek de injectienaald niet schuin in de huid. controle van de injectieplaats Om verbindweefseling van de huid te voorkomen, wissel je steeds van injectieplaats rondom de navel en in het bovenbeen. Nadat je de naald in de huid hebt geplaatst, trek je even aan de zuiger om te controleren of de naald in het subcutane weefsel zit. Als je bloed opzuigt, zit de naald in een bloedvat. Je loopt dan de kans datje de heparine rechtstreeks in het bloedvat (intraveneus) spuit, wat zeker niet de bedoeling is. Als je bloed opzuigt, moetje de procedure dan ook opnieuw starten. injectieplaatsen Subcutaan injecteren van insuline Om schommelingen in de bloedspiegel te voorkomen, moetje de injectieplaatsen binnen het voorgeschreven gebied afwisselen. De resorptiesnelheid (de snelheid waarmee de stof door het lichaamsvocht wordt opgenomen) verschilt namelijk sterk per lichaamsdeel, Insuline wordt bij voorkeur in armen, buik, dijen of billen geïnjecteerd. Controleer of je de juiste hoeveelheid insuline, de juiste dosering en de juiste spuit hebt. Soms moetje verschillende soorten insuline naast elkaar geven. Er bestaan kortwerkende en langwerkende soorten insulinen. Ga in dat geval na of de insulinesoorten samen gegeven mogen worden (verenigbaar) en kijk in de ziekenhuisvoorschriften welke insulinesoort het eerst opgezogen moet worden. Vóór het opzuigen van insuline moetje de flacon tussen je vlakke handen rollen en keren. Op deze manier meng je de suspensie op de juiste manier, zonder dat er luchtbelletjes of schuim ontstaan. Wat doe je als je twijfelt of twee insulinen verenigbaar zijn? Bel de apotheek van de instelling of van de zorgvrager en vraag of de insulinesoorten verenigbaar zijn. De apotheker heeft een gestandaardiseerd controle- en waarschuwingssysteem waarop hijkan zien hoe medicamenten op elkaar inwerken. Hij kan je de juiste informatie geven. Intramusculaire injectie Intramusculaire injecties worden toegepast wanneer een medicijn snel moet worden opgenomen. De bloedcirculatie in spieren is
104 5 Injectie en inhalatie rangeertechniek groter dan in het onderhuidse vetweefsel. In een spier kun je ook grotere hoeveelheden vloeistof spuiten (tot 5 ml) dan in het onderhuidse weefsel. Bovendien kunnen medicijnen die het onderhuidse vetweefsel irriteren, zoals olieachtige vloeistoffen, wel veilig intramusculair worden geïnjecteerd. Bij intramusculaire injecties ga je altijd te werk met de rangeertechniek. Bij deze techniek trekje de huid strak naar achteren en steekje de injectienaald loodrecht in de huid. Daarna laatje de huid los. Als je de huid met de vingers naar achteren trekt voordatje de naald in de huid steekt en de huid na het prikken loslaat, schuift de huid weer op zijn plaats. Daardoor wordt het gaatje in de spier afgesloten en kan er geen vloeistof teruglopen. huid & -^-x onderhuids cj> weefsel spier 5.13 De rangeertechniek. medicijn b medicijn BBB-plaatsen Bij een intramusculaire injectie is het risico groter datje een bloedvat of een zenuw raakt omdat je dieper in de huid prikt. Wanneer je een bloedvat raakt, zou de injectievloeistof te snel worden opgenomen. Als je een zenuw raakt, kan er een verlamming ontstaan. Spuit daarom bij voorkeur intramusculair op plaatsen waar zich dikke spierbundels bevinden, zodat je met zekerheid in de spier spuit. Dit zijn de twee zogeheten BBB-plaatsen (Bovenste Buitenste middenstuk van het Bovenbeen en Bovenste Buitenste Bilkwadrant) en de deltaspier van de bovenarm. 5.14 Brede zijspier van het bovenbeen. 5.15 Verdeel de bil denkbeeldig in vieren. Toedieningsplaatsen voor intramusculaire injecties Het bovenbeen Over het bovenbeen loopt een grote spier. Deze spier kun je goed bereiken met een injectienaald vanaf ongeveer een handbreedte boven de knie tot een handbreedte onder de heup. Soms is het nodig de spier met je andere hand vast te houden als je de naald inbrengt. Je kunt 1 tot 4 ml vloeistof in de spier van het bovenbeen spuiten. Bij kinderen nooit meer dan 3 ml. De bilspier Voor het vinden van de juiste injectieplaats in de bilspier verdeel je de bil in vieren. Het bovenste buitenste kwadrant is geschikt voor het toedienen van een injectie. Deze methode kun je beter niet gebruiken bij jonge kinderen die nog niet kunnen lopen. De bilspier ontwikkelt zich namelijk pas goed wanneer een kind gaat lopen. Breng de naald in onder een hoek van
90 graden. Je kunt in de bilspier 2 tot 4 ml vloeistof spuiten. Prik nooit in een ander deel van de bilspier. Je loopt het risico datje de nervus ischiadicus raakt. De bovenarm In de bovenarm gebruik je de deltaspier voor een intramusculaire injectie. Deze spier bevindt zich twee tot drie vingerbreedten onder de schoudertop. Breng de naald onder een hoek van 90 graden in en spuit 0,5 tot 2 ml vloeistof per injectie. Complicaties Bij het toedienen van medicijnen per injectie kunnen er verschillende problemen en complicaties ontstaan. Meestal is de zorgvrager hiervan het slachtoffer. Maar als je jezelf prikt, kun je zelf het slachtoffer worden en besmet raken met een ernstige ziekte. Let daarom altijd goed op en werk geconcentreerd. Voorbeelden van problemen en complicaties zijn: slechte resorptie van het geneesmiddel; beschadiging van het weefsel; overgevoeligheid voor het geneesmiddel; overdosering van het geneesmiddel; toediening van het verkeerde geneesmiddel. Slechte resorptie Een slechte resorptie kan het gevolg zijn van kou. Door kou trekken de bloedvaten samen en verslechtert de doorbloeding. Zorg ervoor dat het lichaamsdeel waarin je de injectie toedient warm genoeg is. Je kunt bijvoorbeeld warmtekompressen geven die de doorbloeding en daardoor de resorptie bevorderen. Weefselbeschadiging Beschadiging van het weefsel komt voor bij zorgvragers die regelmatig geïnjecteerd worden. Door volgens schema te wisselen van injectieplaats kun je beschadigingen voorkomen. Je injectietechniek kan hierbij natuurlijk ook van groot belang zijn. Gebruik niet te lange naalden bij zorgvragers met weinig onderhuids vet en kies voor injectieplaatsen waar weinig bloedvaten en zenuwen liggen. Als je ondanks deze voorzorgsmaatregelen toch merkt dat er een weefselbeschadiging is ontstaan, kun je in overleg met collega's de arts raadplegen. Met de arts kun je een plan maken om de weefselbeschadiging te behandelen en verdere beschadiging te voorkomen. Overgevoeligheid voor een geneesmiddel Na een injectie werkt het toegediende medicijn snel. Dat betekent dat een eventuele overgevoeligheidsreactie van de zorgvrager ook binnen korte tijd kan optreden. Informeer de zorgvrager vooraf over mogelijke bijwerkingen en vraag hem te waarschuwen bij eventuele klachten. Waarschuw bij
io6 5 Injectie en inhalatie klachten altijd een arts en vertel welk medicijn deze reactie heeft veroorzaakt. Algemene overgevoeligheidsre- acties Roodheid van de huid Jeuk Acute/ernstige overgevoeligheidsreacties Anafylactische shock: ademhalingsproblemen bleekheid transpireren duizeligheid angst voor het geven van injecties Bij een overgevoeligheidsreactie kan gezocht worden naar een medicijn dat de verschijnselen tegengaat. Zo'n middel noemt men ook wel een antagonist. Als de zorgvrager een overgevoeligheidsreactie heeft gehad, probeer je hem zo goed mogelijk te begeleiden en vertel je hem wat er gebeurd is. Laat de zorgvrager vertellen hoe hij zich voelt en bespreek hoe je de reactie in de toekomst kunt voorkomen. Rapporteer het voorval in het zorgdossier. Het is een angstig moment als blijkt dat een zorgvrager overgevoelig is voor een medicijn. Je kunt er zelf ook van schrikken en daar hoef je je niet voor te schamen. Praat er over met collega's en je zult merken dat veel collega's soortgelijke ervaringen hebben. Het zou kunnen datje een tijdje liever geen injecties geeft. Als je na verloop van tijd nog steeds moeite hebt met het geven van een injectie is het raadzaam een gesprek aan te vragen met de bedrijfsarts. Fouten en prikaccidenten Hieronder bespreken we de fouten en ongelukken die verzorgenden kunnen maken bij het geven van injecties. Meldingen Incidenten Patiëntenzorg oorzaken Fouten Als je een fout hebt gemaakt, waarschuw dan direct een arts. Vergeet niet de fout achteraf te melden bij de FOBO of MIP De FOBO is een commissie die Fouten Ongevallen en Bijna-Ongevallen behandelt. Sinds 1997 wordt deze commissie de MIP genoemd: Meldingen Incidenten Patiëntenzorg. Door het registreren van ongelukken en bijna-ongelukken probeert deze commissie te beoordelen of bepaalde ongelukken voorkomen hadden kunnen worden. Zo kunnen er bijvoorbeeld in een bepaalde periode veel fouten zijn gemaakt met het oplossen van medicatie. De oorzaak kan dan gezocht worden in een onduidelijke beschrijving van de medicijnenfabrikant, te weinig rekenkundige kennis bij de zorgverleners of een onduidelijk voorschrift van de arts. Het is natuurlijk al vervelend genoeg datje een (bijna-)fout hebt gemaakt, maar een melding aan de FOBO-of MIPcommissie kan ervoor zorgen dat jij en je collega's in de toekomst minder fouten maken. De commissie is dus zeker niet ingesteld om verplegenden en verzorgenden op fouten te pakken.
5 Injectie en inhalatie 107 ernstige ziekten Prikaccidenten Een ongeluk zit in een klein hoekje. Je kijkt even niet uit en je prikt je aan een gebruikte naald. De gevolgen hiervan kunnen echter zo ernstig zijn, datje prikaccidenten altijd moet melden. Ernstige ziekten als aids, hepatitis B en tuberculose kunnen worden overgebracht via gebruikte naalden. Het risico op besmetting is in de meeste gevallen niet groot, maar als besmetting plaatsvindt, zijn de gevolgen wel ernstig. Wat te doen na een prikaccident? Laat het wondje flink doorbloeden. Spoel met water of fysiologisch zout. Meld het ongeval aan de leidinggevende en de geneeskundige dienst van de instelling waar je werkt. Wat geef je door na een prikaccident? Persoonlijke gegevens. Functie en afdeling. Datum en tijdstip van het ongeval. Ontstaan van het accident en gegevens van de zorgvrager/bron. Omstandigheden en wel/geen gebruik van beschermingsmiddelen. Wat je gedaan hebt na het prikaccident. meldingsplicht Als de bron bekend is, kan men nagaan of er een mogelijke besmetting heeft plaatsgevonden met een ziektekiem. Je immuniteit voor hepatitis B wordt nagegaan en je krijgt zo nodig een aanvullende vaccinatie. Als de kans bestaat datje besmet bent geraakt met het hiv, dan kun je hierop getest worden. Na vier weken wordt er bloed bij je afgenomen, en na vijf maanden wordt dat herhaald. Het kan namelijk een tijd duren voor het virus aantoonbaar is in je bloed. Het is ook mogelijk dat je na het ongeval experimenteel wordt behandeld met antivirale middelen om de eventuele besmetting te bestrijden. Meld het ongeval altijd bij de FOBO- of MlP-commissie om herhaling te voorkomen. 5.17 Het gebruik van een naaldenbeker helpt prikaccidenten voorkomen. Preventie van prikaccidenten Je kunt een prikaccident voorkomen als je strikt gebruikmaakt van zogeheten naaldenbekers. Deze bekers zijn van hard plastic gemaakt en hebben een speciale dop. Als je een injectiespuit door de dop steekt en terugtrekt, blijft de gebruikte naald in de beker achter. Er bestaan naaldenbekers in allerlei formaten. Het is makkelijk om een klein formaat te gebruiken als je een zorgvrager een injectie gaat toedienen. Op de plaats waar je medicijnen klaarmaakt kun je een grotere beker plaatsen. Je kunt de bekers het beste vervangen als ze voor driekwart vol zijn. Daarmee voorkom je dat je naalden in een volle beker moet stoppen.
Als je in je dagelijkse werk het risico loopt in contact te komen met bloed, kun je je laten inenten of vaccineren tegen hepatitis B. Je werkgever moet deze vaccinatie vergoeden. Na de vaccinatie kun je regelmatig laten controleren of je nog voldoende beschermd bent tegen een eventuele besmetting met hepatitis B. Wat doe je als een zorgvrager thuis gebruikte naalden niet op de juiste wijze weggooit? Leg in een gesprek uit wat het gevaar is. Benadruk dat het op de juiste manier weggooien van injectienaalden belangrijk is voor de omgeving, bijvoorbeeld voor kinderen die in vuilnis graaien, en voor vuilnismannen die geprikt kunnen worden. Informeer de zorgvrager waar hij naaldenbekers kan aanschaffen en hoe ze worden gebruikt. Toedienen van pijnmedicatie via subcutane infusie Subcutane infusie wordt toegepast bij terminale zorgvragers, of bij ernstig zieke zorgvragers in de thuissituatie of in een verzorgingshuis. Eenmaal per week moet de naald worden vervangen. De zorgvrager mag eventueel douchen; de naald en punctieplaats kunnen dan afgedekt worden met transparante folie. Als na het douchen vocht onder de folie blijft, moet de folie verwisseld worden. Baden of zwemmen wordt nadrukkelijk afgeraden. Voordelen van subcutane infusie Er is geen organisatie met veel middelen voor nodig. De vaardigheid mag door een verzorgende worden uitgevoerd. Het is voor de zorgvrager een gemakkelijke methode, hij kan zijn beide armen gebruiken. De gebruikelijke punctieplaatsen bij subcutane infusie zijn: links of rechts van het sternum (borstbeen); links of rechts in het bovenbeen; links of rechts in de bovenbuik, een handbreedte van de navel. Irrigeren van de vagina Irrigeren van de vagina lijkt misschien een vreemd onderwerp in een hoofdstuk dat voornamelijk over injecteren gaat, maar het irrigeren van de vagina is ook een manier om medicijnen toe te dienen. Vandaar dat we het op deze plaats bespreken. Het irrigeren van de vagina houdt in dat er een spoelvloeistof in de vagina wordt gebracht.