Structuurschema Vaarwegen Partiële herziening inhoudende toevoeging hoofdvaarwegen i.v.m. recreatievaart Ministerie van Verkeer en Waterstaat Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening ABOO8 beleidsvoornemen
Tweede Kamer der Staten-Generaal Zitting 1980-1981 16701 Structuurschema Vaarwegen Nr. 1 BRIEF VAN DE MINISTERS VAN VERKEER EN WATERSTAAT EN VAN VOLKSHUISVESTING EN RUIMTELIJKE ORDENING Aan de heer Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal s-gravenhage, 2 april 1981 Hierbij doen wij u toekomen deel a (het Beleidsvoornemen) van de partiële herziening van het Structuurschema Vaarwegen, inhoudende toevoeging hoofdvaarwegen in verband met recreatievaart. Ter toelichting moge het volgende dienen. In deel a (het Beleidsvoornemen) van het Structuurschema Vaarwegen (zitting 1976-1 977, 14391 nrs. 1 en 2) is opgemerkt (zie blz. 42) dat het ten tijde van de voorbereiding van het Beleidsvoornemen nog niet mogelijk was om de vaarverbindingen aan te geven welke voor de recreatievaart van nationaal belang worden geacht. Aangekondigd werd dat in het Structuurschema Openluchtrecreatie aandacht zou worden besteed aan deze vaarwegen en dat bij de eerste periodieke herziening van het Structuurschema Vaarwegen zou worden nagegaan of als gevolg hiervan het hoofdvaarwegennet zou moeten worden uitgebreid. Tijdens de inspraak- en adviesprocedure van het Structuurschema Vaarwegen is er van verschillende kanten aangedrongen op een snellere beslissing over het eventueel uitbreiden van het hoofdvaarwegennet. Dit heeft ertoe geleid dat in deel d (de Regeringsbeslissing) van het Structuurschema Vaarwegen (zitting 1980-1981, 14391, nr. 7 en 8, blz. 50) hierover het volgende is vermeld: «In het Structuurschema Openluchtrecreatie zal worden nagegaan in hoeverre het hoofdvaarwegennet uit hoofde van de belangen van de recreatievaart moet worden uitgebreid. Deze eventuele uitbreiding zal als een partiële herziening van het Structuurschema Vaarwegen tegelijk en gecombineerd met het Structuurschema Openluchtrecreatie de pkb-procedure doorlopen. Deze partiële herziening kent dezelfde ondertekenaars als het Structuurschema Vaarwegen.» Onderzoek naar de eventuele uitbreiding van het hoofdvaarwegennet uit hoofde van de belangen van de recreatievaart heeft ertoe geleid dat een beperkte uitbreiding van het hoofdvaarwegennet wordt voorgesteld. De daartoe opgestelde partiële herziening van het Structuurschema Vaarwegen zal op de gebruikelijke wijze, evenwel tegelijk en gekoppeld met het Structuurschema Openluchtrecreatie, de procedure van de planologische kernbeslissing doorlopen. De Raad van Advies voor de Ruimtelijke Ordening zal de in- Tweede Kamer, zitting 1980-1981, 16701, nrs. 1-2
spraak organiseren en de resultaten hiervan verwerken. De gelegenheid tot inspreken zal openstaan tot eind 1981. De Raad van de Waterstaat en de Raad van Advies voor de Ruimtelijke Ordening zullen worden gevraagd in het voorjaar van 1982 hun advies uitte brengen over de partiële herziening. Het is de bedoeling dat in deze periode ook het bestuurlijk overleg zal plaatsvinden met de daarvoor in aanmerking komende instanties. De Regering zal, nadat de resultaten van inspraak, adviezen en bestuurlijk overleg beschikbaar zijn gekomen, zich nader over deze partiële herziening van het Structuurschema Vaarwegen beraden. Zo nodig aangepast aan genoemde resultaten zal de Regering de partiële herziening (deel d, Regeringsbeslissing) dan aan de Kamer aanbieden. Met de parlementaire behandeling kan de procedure dan worden afgesloten. De Minister van Verkeer en Waterstaat, D. S. Tuijnman De Minister van Volksgezondheid en Ruimtelijke Ordening, P. A. C. Beelaerts van Blokland Tweede Kamer,zitting 1980-1981, 16701, nrs. 1-2
Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Zitting 1980-1 981 16701 Structuurschema Vaarwegen Nr. 2 STRUCTUURSCHEMA INHOUDSOPGAVE blz. Deel 1. Samenvatting; planologische kernbeslissing 5 Deel 2. Toelichting 8 Tweede Kamer, zitting 1980-1981, 16701, nrs. 1-2
Deel 1. Samenvatting: Planologische kernbeslissing UITBREIDING HOOFDVAARWEGENNET Er zijn twee motieven voor het uitbreiden van het hoofdvaarwegennet: - vaargebieden met het accent op het gebruik voor de watersport dienen min of meer direct via het hoofdvaarwegennet ontsloten te worden; - uit veiligheidsoverwegingen is de aanwezigheid van veel recreatievaart op hoofdvaarwegen met een zeer drukke beroepsvaart minder wenselijk. In die gevallen is het gewenst over parallelroutes met relatief weinig beroepsvaart te beschikken. In verband met het gestelde in punt 1 behoeft het hoofdvaarwegennet, zoals vermeld in het Structuurschema Vaarwegen deel d, enige uitbreiding. In punt 3 wordt een beschrijving gegeven van de toe te voegen routes. Aangegeven is welke wateren er deel van uitmaken, wat de klasse ervan is en hoe de huidige beheerssituatie is. De toe te voegen hoofdvaarwegen zijn afgebeeld op kaartbijlage A. De Regering acht de beslissingen, geformuleerd onder de punten 3 en 4 essentieel. Deze zijn zo bepalend voor de inhoud van het, met deze partiële herziening aangevulde, Structuurschema Vaarwegen dat een wijziging ervan in principe de procedure van de planologische kernbeslissing moet doorlopen. De volgende routes worden aan het hoofdvaarwegen net toegevoegd: De route Alpen a/d Rijn Amsterdam Tot deze route behoren de Oude Rijn (vanaf de Gouwe tot aan de Heimanswetering), de Heimanswetering, de vaargeul door het Breassemermeer, de Oude Wetering, de Oostelijke Ringvaart van de Haarlemmermeerpolder, de vaargeul door het Nieuwe Meer, de Schinkel, de Kostverlorenvaart, de Kattensloot, de Singelgracht, het Westerkanaal en de vaargeul door de Oude Houthaven tot aan het IJ. Deze route behoort tot de klasse IV, afgezien van de Oostelijke Ringvaart van de Haarlemmermeerpolder. Deze laatste vaarweg is klasse II. Het gedeelte van de route Alphen a/d Rijn Amsterdam gelegen in de pro vincie Zuid-Holland (tot en met de Oude Wetering) is in beheer bij deze provincie. De Oostelijke Ringvaart van de Haarlemmermeerpolder is in beheer bij het waterschap de Haarlemmermeerpolder. Vanaf het Nieuwe Meer tot aan het lj wordt de route beheerd door de gemeente Amsterdam. De route Amsterdam via de randmeren van Flevoland en de Noordoostpolder naar Lemmer Tot deze route behoren de vaargeul vanaf het ljmeer door de randmeren van Zuidelijk- en Oostelijk Flevoland (Gooimeer, Eemmeer, Nijkerkernauw, Nuldernauw, Wolderwijd, Veluwemeer, Droritermeer, Vossemeer en Ketelmeer (oversteek naar Schokkerhaven), het Ramsdiep en het Zwanendiep (vaargeul door het Zwarte Meer), de vaargeul door het Kadoelermeer, de Zwolsevaart, de Lemstervaart en de Lemstergeul (op het IJsselmeer). Tweede Kamer, zitting 1980-1 981, 16701, nrs. 1-2
Deze route sluit met de Lemstergeul aan op de hoofdvaarweg Amsterdam Lelystad Lemmer. Het gedeelte van de route vanaf het ljmeer tot aan de Noordoostpolder is klasse IV, afgezien van de sluis te Harderwijk (klasse II) en het Ramsdiep (klasse V). Het gedeelte door de Noordoostpolder is klasse 1. De gehele route is in beheer bij het Rijk. c. De route Gorinchem Utrecht Muiden Tot deze route behoren het Merwedekanaal, de Vaartsche Rijn, de Oude Gracht en de Vecht. Het Merwedekanaal is klasse V, de Vaartsche Rijn en de Vecht behoren tot klasse II. De Oude Gracht behoort tot klasse 0. Deze vaarwegen zijn in beheer bij het Rijk, afgezien van de Oude Gracht. Deze laatste vaarweg is in beheer bij de gemeente Utrecht. Momenteel berust de zorg voor de in deze route liggende sluis te Muiden tijdelijk bij het Rijk. 4. De lijst van toe te voegen routes genoemd onder punt 3 is limitatief van aard. De Minister van Verkeer en Waterstaat, D. S. Tuijnman De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, P. A. C. Beelaerts van Blokland Tweede Kamer, zitting 1980-1981,16701, nrs. 1-2
Kaartbijlage 4 - hoofdvaarwegen uitbreiding hoofdvoarwegennet uit hoofde van de belangen van de recreatievaart vaarwegen van lagere orde Tweede Kamer, zitting 1980-1981, 16701, nrs. 1-2
Deel 2. Toelichting IN LEIDING Voor de doorgaande recreatievaart is in West- en Noord-Nederland een dicht netwerk van vaarwegen (rivieren, kanalen, grachten en stromen) aanwezig. Hoewel verbeteringen mogelijk zijn, kan over het geheel genomen worden gesproken van een goed bruikbaar netwerk. In het navolgende wordt speciaal ingegaan op de rijksverantwoordelijkheden voor vaarwegen voor de doorgaande recreatievaart. Het zal echter duidelijk zijn dat daarnaast met name de provinciale vaarwegen van belang zijn voor de doorgaande recreatievaart. WENSELIJKHEID UITBREIDING HOOFDVAARWEGENNET Structuurschema vaarwegen deel d Regeringsbeslissing (Tweede Kamer 1980-1981, 14391,nr.7en8). Het is mogelijk dat, in verband met de behan: deling van het Structuurschema Vaarwegen in de Tweede Kamer nog wijzigingen worden aangebracht. Het Structuurschema Vaarwegen' geeft de hoofddoelstelling aan van het vaarwegenbeleid,: «de zorg voor een hoofdvaarwegennet dat is afgestemd op de behoefte aan vervoerte water en de bevordering van de veilige en vlotte afwikkeling van het scheepvaartverkeer zodanig dat - binnen het kader van het totale overheidsbeleid - een zo groot mogelijke bijdrage wordt geleverd aan het algemeen welzijn». Onder scheepvaart wordt verstaan beroeps- en recreatievaart, zodat het vaarwegenbeleid (binnen de aangegeven beperkingen) mede afgestemd moet worden op het bevorderen van een veilige en vlotte afwikkeling van de recreatievaart. Het Structuurschema Vaar- wegen geeft een hoofdvaarwegennet, dat wil zeggen een net van vaarwegen van nationaal belang waarvoor het Rijk zich verantwoordelijk acht. In dat structuurschema is uiteengezet (zie par. 3.1.) dat er twee motieven zijn voor het vaststellen van een hoofdvaarwegennet: het bevordert een doelmatige taakverdeling tussen het Rijk en de lagere overheden ten aanzien van het beheer van vaarwegen en het draagt, zij het in beperkte mate, bij aan het verwezenlijken van doelstellingen van het ruimtelijk beleid. In het Structuurschema Vaarwegen is vooral aandacht besteed aan het belang van het goederenverkeer. Aangekondigd wordt dat in het kader van het Structuurschema Openluchtrecreatie zal worden nagegaan in hoeverre uitbreiding van het hoofdvaarwegennet moet plaatsvinden in verband met de belangen van de recreatievaart. De doorgaande recreatievaart levert een belangrijke verkeersstroom op. Er is bij voorbeeld recreatievaart vanuit het Deltagebied naar het Midden- Hollandse plassengebied en naar het ljsselmeergebied, evenals bij voorbeeld van Friesland naar het Utrechtse plassengebied. De Regering is van mening dat vaargebieden met het accent op het gebruik voor de watersport min of meer direct via het hoofdvaarwegennet ontsloten moeten worden. Dit is enigszins vergelijkbaar met de aansluiting die in het Structuurschema Vaarwegen is gezocht bij de in de Verstedelijkingsnsota aangewezen stadsgewesten. De stadsgewesten zijn, in verband met het belang van een verbinding voor goederenvervoer per schip, alle min of meer direct via het hoofdvaarwegennet ontsloten. Ook is uit veiligheidsoverwegingen de aanwezigheid van veel recreatievaart op vaarwegen met een zeer drukke beroepsvaart minder wenselijk. Derhalve is het in die gevallen gewenst dat de recreatievaart gebruik kan maken van parallelroutes met relatief weinig beroepsvaart. Voor de beroepsvaart doen zich ook economische belangen gelden: de aanwezigheid van veel recreatievaart heeft soms tot gevolg dat de beroepsvaart langzamer moet varen. Tweede Kamer, zitting 1980-1981, 16701, nrs. 1-2 11
Na toetsing van het hoofdvaarwegennet, zoals dat in het Structuurschema Vaarwegen is aangegeven, aan het voorgaande is de Regering van mening - dat het in het Structuurschema Vaarwegen aangegeven hoofdvaarwegennet op enkele punten tekort schiet. Het Midden-Hollandse plassengebied is onvoldoende ontsloten via het voornoemde hoofdvaarwegennet, evenals de Randmeren. Tevens is het gewenst in de verbinding Deltagebied - Utrechtse plassen - Randmeren het drukke vaarwegenknooppunt bij Dordrecht en het Amsterdam-Rijnkanaal tussen Utrecht en Amsterdam te kunnen mijden. In de volgende paragraaf zal nader op de toe te voegen hoofdvaarwegen worden ingegaan. Per vaarweg zal worden aangegeven waarom deze wordt toegevoegd. Bij de keuze tussen in aanmerking komende vaarwegen is rekening gehouden met het grote belang van z.g. open vaarwegen (dat wil zeggen vaarwegen met een doorvaarthoogte van minimum 24 m, dus zonder bruggen of met lagere beweegbare bruggen) voor de recreatievaart. Voor zover de toe te voegen hoofdvaarwegen (mede) een parallelfunctie hebben worden hiermee tevens de belangen van de beroepsvaart gediend. DE TOE TE VOEGEN HOOFDVAARWEGEN De Regering is van mening dat aan het huidige hoofdvaarwegennet voor de scheepvaart, uit hoofde van de belangen van de doorgaande recreatievaart en mede uit hoofde van de belangen van de beroepsvaart, de volgende vaarwegen moeten worden toegevoegd (zie kaart 1). Oude Rijn (gedeelte tussen Gouwe en Heimanswetering), Heimanswetering, de vaargeul door het Braassemermeer, Oude Wetering, Oostelijke Ringvaart van de Haarlemmermeerpolder, de vaargeul door het Nieuwe Meer, Schinkel, Kostverlorenvaart, Kattensloot, Singelgracht, Westerkanaal, de vaargeul door de Oude Houthaven tot aan het IJ. Door het opnemen van deze vaarwegen wordt het Midden-Hollandse plassengebied via het hoofdvaarwegennet ontsloten. Bij de keuze van deze vaarwegen tot hoofdvaarweg is tevens rekening gehouden met het feit dat deze vaarwegen een belangrijke functie vervullen voor de beroepsvaart. Tijdens de inspraak en adviesprocedure inzake het Structuurschema Vaarwegen is er op aangedrongen deze vaarwegen in het hoofdvaarwegennet op te nemen. Op grond van uitsluitend de belangen van de beroepsvaart is dit niet gerechtvaardigd2. Rekening houdend met de belangen van beroepsvaart en recreatievaart is de Regering van mening dat dit wel het geval is. Daarnaast heeft bij de keuze van deze vaarwegen tot hoofdvaarweg een belangrijke rol gespeeld dat het hier een open vaarweg betreft. Onderkend wordt dat aan de bovengenoemde route.door Amsterdam het bezwaar kleeft van de beperkte bedieningstijden van de beweegbare bruggen. De vaargeul vanaf het ljmeer, door het Gooimeer, Eemmeer, Nijkerkernauw, Nuldernauw, Wolderwijd, Veluwemeer, Drontermeer, Vossemeer, Ketelmeer (oversteek naar Schokkerhaven), Ramsdiep en Zwanendiep (vaargeul door het Zwarte Meer), vaargeul door het Kadoelermeer, Zwolsevaart, Lemstervaart en Lemstergeul (op het IJsselmeer) aansluitend op de hoofdvaarweg Amsterdam Lelystad Lemmer. Deze vaarwegen vormen een belangrijke verbindingsroute tussen het Hollands-Utrechtse plassengebied en de Friese meren. Tevens worden de randmeren van Flevoland hiermee direct via het hoofdvaarwegennet ontsloten. Bovendien doet deze route dienst als alternatief voor de verbinding tussen het Hollands-Utrechtse plassengebied en de Friese Meren via de Houtribsluizen en het IJsselmeer ingeval van ongunstige weersomstandigheden op het IJsselmeer. Dit geldt zowel voor de kleine be- 2 Zie Structuurschema Vaarwegen deel d. roepsvaart als voor de recreatievaart. Tweede Kamer, zitting 1980-1981, 16701, nrs. 1-2 12
C. Merwedekanaal tussen de Boven Merwede en de Lek, Merwedekanaal benoorden de Lek, Vaartsche Rijn, Oude Gracht en Vecht aansluitend op de hoofdvaarweg via de Randmeren. Deze vaarwegen vormen tezamen een parallelroute in de verbinding Deltagebied ljsselmeergebied ten opzichte van de door de beroepsvaart zeer druk bevaren vaarwegen nabij Dordrecht en het Amsterdam Rijnkanaal. De Loosdrechtse Plassen worden hierdoor min of meer direct ontsloten via het hoofdvaarwegennet. Het Merwedekanaal tussen de Boven-Merwede en de Lek vormt, samen met de reeds als hoofdvaarwegen aangewezen Lekten oosten van Vianen en de Neder-Rijn een parallelroute voor de door de beroepsvaart zeer druk bevaren Waal in de verbinding tussen West- en Oost-Nederland. Onderkend wordt dat aan de route door de stad Utrecht het bezwaar kleeft van de beperkte afmetingen en de vaste bruggen. De doorvaarthoogte is zodanig dat hier toch ca. 95% van de motorboten kan passeren. Het hoofdvaarwegennet omvat door het toevoegen van de onder A genoemde vaarwegen een z.g. open vaarweg (geen of beweegbare bruggen, ook wel genoemd staande mastroute) door het zuid-westen en westen van ons land tot in Friesland. Dit betekent dat met staande mast c.q. hoge transporten (tot 24 m) via hoofdvaarwegen van Vlissingen via Dordrecht, Gouda, Amsterdam, Lemmer en Leeuwarden naar Harlingen gevaren kan worden. CONSEQUENTIES UITBREIDING HOOFDVAARWEGENNET In het Structuurschema Vaarwegen is gesteld dat het Rijk bij voorkeur de directe verantwoordelijkheid moet dragen voor het in dat structuurschema gepresenteerde hoofdvaarwegennet. Ook de ten behoeve van de recreatievaart toegevoegde hoofdvaarwegen dienen, althans voor wat betreft de scheepvaartfunctie, derhalve bij voorkeur in beheerte zijn bij het Rijk. Omdat vele waterwegen naast een functie voor de scheepvaart ook een belangrijke functie voor de waterhuishouding hebben zal ook voor de toe te voegen hoofdvaarwegen per geval nagegaan moeten worden welke de meest doelmatige beheerssituatie is. Een kanttekening wordt gemaakt voor de steden Amsterdam en Utrecht. Gelet op de zeer nauwe verwevenheid tussen vaarweg en overige stedelijke infrastructuur in deze grote steden wordt het juister geacht dat de aanwijzing tot hoofdvaarweg van vaarweggedeelten binnen deze steden de huidige beheerssituatie onverlet laat. De rijksverantwoordelijkheid kan in deze gevallen geëffectueerd worden door middel van overeenkomsten tussen het Rijk (Rijkswaterstaat) en de betreffende beheerders. Op de hoofdvaarwegen zal uiteraard alle scheepvaartverkeer, zowel beroepsvaart als recreatievaart, zijn toegestaan. Wel kan het voorkomen dat op een aantal hoofdvaarwegen, met name op die met een zeer drukke beroepsvaart, om redenen van een veilige en vlotte vaart regels worden opgelegd aan de recreatievaart, bij voorbeeld een laveerverbod, een zeilverbod en een verplichting op de motor te varen. Dergelijke regels worden niet gesteld dan nadat het nodige overleg en een belangenafweging hebben plaatsgevonden. De kosten van het scheepvaartbeheer van alle hoofdvaarwegen, voorzover deze in beheer zijn bij het Rijk komen ten laste van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat. Dit geldt ook voor de eventuele kosten die verbonden zijn aan de met de gemeenten Amsterdam en Utrecht te sluiten overeenkomsten. Hierbij wordt gedoeld op de kosten voor het aanbrengen van verbeteringen voor de scheepvaart en voor het beheer en onderhoud van de voor die verbeteringen benodigde werken. Scheepvaartbeheerskosten van hoofdvaarwegen die nog niet bij het Rijk in beheer zijn, worden pas dan door het Rijk gedragen als de overdracht, na betaling van de gebruikelijke afkoopsom, een feit is geworden. Zoals in het Structuurschema Vaarwegen is beschreven, worden slechts verbeteringen aangebracht als na de benodigde procedures en afweging van alle voor-en nadelen is aangetoond dat deze nodig zijn en indien de financiële middelen daarvoor beschikbaar zijn. Tweede Kamer, zitting 1980-1981, 16701, nrs. 1-2 13
Kaart 1 hoofdvaarwegen ustbreiding hoofdvaarwegennet uit hoofde van de belangen van de recreatievaart vaarwegen van lagere orde TweedeKamer,zittingl98ü-1981,16701,nrs.1-2 14
Er worden momenteel geen verbeteringswerken van enige omvang voorzien voor de toe te voegen hoofdvaarwegen. Hierop zijn twee uitzonderingen. Ten eerste het aanpassen of verwijderen van de Hardersluis, zoals dat ook is vermeld in het Structuurschema Vaarwegen deel d (zie schema 7.2). Daarin is aangegeven dat de uitvoering van dit werk is voorzien in de periode 1986 t/m 1990. De tweede uitzondering is het omleggen van een gedeelte van de Oude Rijn in Alphen aan de Rijn. Dit betreft een gezamenlijk project van de provincie Zuid-Holland en de gemeente Alphen aan de Rijn. PROCEDURELE ASPECTEN VAN DE UITBREIDING VAN HET HOOFD- VAAR WEG EN NET Zoals ook eerder is vermeld werd in het Structuurschema Vaarwegen aangekondigd dat in het kader van het Structuurschema Openluchtrecreatie zal worden nagegaan in hoeverre uitbreiding van het hoofdvaarwegennet moet plaatsvinden in verband met de belangen van de recreatievaart. De in het voorgaande vermelde uitbreiding wordt beschouwd als een partiële herziening van het Structuurschema Vaarwegen. Deze partiële herziening doorloopt tegelijkertijd en gekoppeld met het Structuurschema Openluchtrecreatie de pkb-procedure en kent dezelfde ondertekenaars als het Structuurschema Vaarwegen (de Ministers van Verkeer en Waterstaat en Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening). Eventuele naderhand gewenste aanpassingen van het hoofdvaarwegennet in verband met de belangen van de recreatievaart zullen niet in het kader van het Structuurschema Openluchtrecreatie in beschouwing worden genomen, maar in het kader van een herziening van het Structuurschema Vaarwegen. CLASSIFICATIE VAN DE HOOGTE VAN RECREATIEVAARTUIGEN C.Q. VAARWEGEN NAAR DOORVAARTHOOGTEN De doorvaarthoogte van de meeste bruggen over de Nederlandse vaarwegen is bepaald in een periode gedurende welke er nog nauwelijks recreatievaart was. Toch doet zich momenteel de situatie voor dat veel vaarwegen hoofdzakelijk en soms zelfs uitsluitend door de recreatievaart worden gebruikt. Anderzijds bestaat de indruk dat bij de bouw van recreatievaartuigen steeds minder rekening wordt gehouden met de doorvaarthoogte van de over het vaarwegenriet aanwezige bruggen. De gemiddelde opbouwhoogte van motorboten bij voorbeeld neemt gestaag toe. In verband hiermee is aan de Commissie Vaarwegbeheerders3 verzocht een advies te geven over een doorvaarthoogte-classificatie uit het oogpunt van recreatievaart, voor het gehele Nederlandse vaarwegennet. Deze classificatie is bedoeld als richtsnoer voor de bouw en het gebruik van recreatievaartuigen en ook als richtsnoer bij het bepalen van de doorvaarthoogte van nieuwe of aan te passen bruggen over de voor de recreatievaart van belang zijnde vaarwegen. De Regering zal, nadat deze classificatie na overleg met belanghebbenden is opgesteld, het initiatief nemen tot een voorlichtingscampagne over de na te streven doorvaarthoogten. Op deze wijze zal naar verwachting een beter begrip ontstaan voor de doorvaarthoogtemogelijkheden bij watersporters en jachtenbouwers, zal een betere afstemming kunnen worden verkregen van de masthoogte c.q. strijkhoogte van recreatievaartuigen op de doorvaarthoogte van bruggen en zullen de vaarwegbeheerders bij het bepalen van de doorvaarthoogte van nieuwe of aan te passen bruggen deze beter af kunnen stemmen op de belangen van de recreatievaart. 3 De Commissie Vaarwegbeheerders adviseert de directeur-generaal van de Rijkswaterstaat over de afmetingen van vaarwegen kleiner dan klasse IV 1350 ton). In deze commissie hebben, naast de Rijkswaterstaat, ook vertegenwoordigers van de Provinciale Waterstaatsdiensten zitting. De Minister van Verkeer en Waterstaat, D. S. Tuijnman De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, P. A. C. Beelaerts van Blokland Tweede Kamer, zitting 1980-1981,16701, nrs. 1-2 15
ISBN 90 12 03455 8 100660F