RAAP-RAPPORT 706 Nieuwbouwlocaties, bedrijventerrein en rotonde in de polder Breeveld Gemeente Woerden Een Aanvullende Archeologische Inventarisatie

Vergelijkbare documenten
RAAP. Plangebied Zuiderzijderpolder. RAAP-NOnnE 375. Gemeente Bodegraven Een inventariserend archeologisch onderzoek

Plangebied Visvijvers te Gendt

Plangebied Dorpeldijk/Heldamweg

RAAP-NOTITIE Plangebied Weideveld. Gemeente Bodegraven Een archeologische begeleiding

MEMO. Alphen aan den Rijn. Stevinstraat CR ALPHEN AAN DEN RIJN. Contactpersoon opdrachtgever Dhr. R. Teunisse; (0172) / (06)

Heemsteedsekanaaldijk/Overeindse weg

Adviesdocument 768. Oranjerie landgoed Mattemburgh, gemeente Woensdrecht. Project: Projectcode: HOOM2. Opdrachtgever: Brabants Landschap

Plangebied Amanietlaan-Varenlaan- Drieerweg Gemeente Ermelo Archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek

4 Archeologisch onderzoek

RAAP-NOTITIE Plangebied Houtbeekweg te Stroe Gemeente Barneveld Archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek

ArcheoPro Archeologische rapporten nr Archeologische bouwbegeleiding Klimmen gemeente Voerendaal. Souterrains Partner of ArcheoPro

4 Conclusies en aanbevelingen

Archeologisch onderzoek te Macharen Kerkstraat

RAAP. Plangebied Eist-Centraal. Gemeente Overbetuwe Een inventariserend archeologisch onderzoek RAAP-RAPPORT 891. RMPRAPPORT 0891 pdf

memo Locatiegegevens: Inleiding

RAAP-NOTITIE Plangebied Burloseweg Gemeente Winterswijk Archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek

Heesch - Beellandstraat

RAAP-RAPPORT Plangebied Hoog Dalem Gemeente Gorinchem Archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek

ADC Rapport 33 - Polder Breeveld. Archeologisch onderzoek in de polder Breeveld langs de spoorlijn Woerden-Harmelen. W.K.Vos

RAAP-NOTITIE Plangebied De Botter te Hallum Gemeente Ferwerderadiel Archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek

Archeologische Quickscan

Een Archeologisch Bureauonderzoek voor het bestemmingsplan De Grift 3 in Nieuwleusen (gemeente Dalfsen, Overijssel). Figuur 1.

RAAP-NOTITIE Plangebied De Brink te Zuidlaren Gemeente Tynaarlo Archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek

Archeologisch onderzoek locaties Oranjehof en Appelgaard

6500 voor Chr. RAAP-NOTITIE 4478 Plangebied Noorderweg 27 te Noordwijk 3750 voor Chr. Gemeente Marum Archeologisch vooronderzoek: een verkennend veldo

Ede, Roekelse Bos (gem. Ede)

Verslag bureauonderzoek Geldermalsen, Prinses Marijkeweg

Zuidnederlandse Archeologische Notities

Bijlage 4 Archeologisch onderzoek

Plan van Aanpak. PvA A I / Johan de Wittlaan 13 te Woerden (gemeente Woerden) 1

MEMO. Projectgegevens

Beulakerweg 127 te Giethoorn, gem. Steenwijkerland (Ov.)

Archeologisch Onderzoek Uitbreiding Bestemmingsplan De Poel II, Goes, Vindplaats 10: een geactualiseerd overzicht. J. Ras

Extern Advies. Gemeentelijke archeologische kaart

RAAP-rapport Resultaten geofysisch onderzoek

Plangebied Koekendaal te Doetinchem

ADVIES ARCHEOLOGIE 16 dec 2013

Een oppervlaktekartering in plangebied Barneveld-Noord. Archol. S. Baas

Archeologie Deventer Briefrapport 27. November Controleboringen Cellarius - De Hullu (project 494)

8 QUICKSCAN 2017 ARCHEOLOGIE KLAVER Gemeente Horst aan de Maas

Bureau voor Archeologie. Plan van Aanpak booronderzoek Achterdijk 2-1, Arkel, gemeente Giessenlanden

Papendrecht, Westeind 25, gemeente Papendrecht (ZH). Archeologisch en cultuurhistorisch bureauonderzoek. Transect-rapport 528 (concept 1.

Archeologie en cultuurhistorie Strijpsche Kampen

Archeologisch bureauonderzoek & inventariserend veldonderzoek, verkennende fase. Sportlaan, Heerjansdam, Gemeente Zwijndrecht, B&G rapport 899

Plangebied De Hullen 4 te Drijber

Herstructurerings- en ontwikkelingsplan Burdaard Gemeente Ferwerderadiel Archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek

Moordrecht, Stevensstraat (gemeente Moordrecht, ZH) Een Inventariserend Archeologisch Veldonderzoek Steekproefrapport /01

Hoofdweg 39 te Slochteren (gemeente Slochteren) Een Archeologisch Bureauonderzoek

Selectiebesluit archeologie Breda, Molengracht JEKA

Archeologische MonumentenZorg

Libau, 10 augustus Tracé Aduard - Dorkwerd Een Archeologisch Bureauonderzoek

SAMENVATTING GEOLOGIE / BODEM - BODEMKWALITEIT

Archeologische Begeleiding Plangebied Plofsluis Gemeente Nieuwegein

RAAP België - Rapport 027 Rupelmonde Kleine Gaanweg, aanleg visvijver (gemeente Kruibeke)

GEMEENTE WIERDEN ARCHEOLOGISCHE INVENTARISATIE EN VERWACHTINGSKAART

PLAN VAN AANPAK Waarderend booronderzoek

Plangebied Wytsmastraat te Burdaard Gemeente Ferwerderadiel Archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek

Cultuurhistorische inventarisatiescan nieuwe scoutingterrein Broekpolder

Plangebied Koningstraat 10

Onderzoeksgebied Klaver 5 in Sevenum

Delftse Archeologische Notitie 129. Markt 85, Delft. Een archeologische begeleiding. Jorrit van Horssen

Plangebied Ljouwerterdyk 7 te Hallum

Heenvliet, Steenhoeck-Welleweg Gem. Bernisse (ZH.) Een Inventariserend Archeologisch Veldonderzoek. Steekproefrapport /11Z

Buro de Brug Rapporten Quickscan Archeologie Kabeltracé Waarderpolder - Vijfhuizen B09-38

Archeologische Quickscan

Quick scan archeologie, gemeente Loon op Zand, Kaatsheuvel Van Heeswijkstraat / Horst

Plangebied Heemsteedsekanaaldijk/Overeindseweg

Plan van Aanpak. Archeologisch vooronderzoek, bureau- en inventariserend veldonderzoek. gemeente Nieuwkoop

Quick scan archeologie Vaartstraat Loonsevaert (perceel 2954), Kaatsheuvel gemeente Loon op Zand

Archeologietoets. locatie kerkstraat 57 Riel gemeente Goirle

Archeologisch veldonderzoek Hoogheemraadschap van Delfland

PlangebiedLingewijk-Noord (GemeenteGorinchem)

Averboodse Baan (N165), Laakdal

Plangebied kapschuur aan de Holte 17 te Onstwedde

De Kamp, Cothen. rapport 2089

Appeltern, Dijkgraaf de Leeuwweg Gem. West Maas en Waal (Gld.) Een Inventariserend Archeologisch Veldonderzoek. Steekproef-rapport /07

.txl. Archeologie Texel. Archeologische Quickscan

Dordrecht Ondergronds / Briefrapport 1. Dordrecht - Meidoornlaan

Quick-scan archeologie;, Zandvoort 31 (sectie 765) te Gendt, gemeente Gendt

Nieuw Delft veld 3 en 8 (westelijk deel)

INFORMATIERAPPORT EN SELECTIEADVIES

Bijlage 3. Vrijstellingen

Pagina 1 van 7. Archeologie West-Friesland Nieuwe Steen 1, 1625 HV Hoorn Postbus 603, 1620 AR Hoorn

Quickscan Inleiding Resultaten quickscan

Bijlage 4 Bepaling archeologische verwachtingswaarden

BUREAUONDERZOEK NAAR DE ARCHEOLOGISCHE WAARDE VAN HET PLANGEBIED ELSHOF TE KLEINE SLUIS GEMEENTE ANNA PAULOWNA

Plangebied Zijtak OZ 104 te Nieuw Amsterdam Gemeente Emmen Archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek

Burgwerd, De Hemert 13 Gem. Wûnseradiel (Frl.) Een Inventariserend Archeologisch Veldonderzoek. Steekproefrapport /02

Bestemmingsplan Lith-oost

Inspectie van de bodem middels een vooronderzoek ter plaatse van de percelen C 2552 en C 2553 in Breda

Quick scan archeologie De Horst Kaatsheuvel, gemeente Loon op Zand

Adviesnotitie (Quickscan) Middenweg te Horssen

ArGeoBoor Archeologisch vooronderzoek & advies

Archeologisch onderzoek begeleiding Kevelderstraat Groenlo GRONTMIJ ARCHEOLOGISCHE RAPPORTEN 68

Een leidingsleuf in Katwijk Klei-Oost Zuid. Een archeologische begeleiding aan de Trappenberglaan te Rijnsburg. A. Porreij-Lyklema. Archol.

Quickscan Archeologie Bedrijventerrein Zwanegat te Zevenbergen

Hoorn. 1 h APR. Gemeente Opmeer t.a.v. dhr. M. Goverde Postbus ZK Spanbroek. Hoorn, Geachte heer Goverde,

Ruimtelijke onderbouwing archeologie Vijf Akkers-Noord, Moordrecht (gemeente Zuidplas). Notitie TML554

Quickscan Archeologie. Forellenvisvijvers De Huif Aan de Uilenweg 2 Lelystad, gemeente Lelystad

RAAP. Bedrijventerrein Vorst. Gemeente Boxtel Een Aanvullende Archeologische Inventarisatie RAAP-RAPPORT 697. RAAPRAPPORT 0697.pdf

Transcriptie:

-RAPPORT 706 Nieuwbouwlocaties, bedrijventerrein en rotonde in de polder Breeveld Gemeente Woerden Een Aanvullende Archeologisch Adviesbureau R A A P

Colofon Opdrachtgever: gemeente Woerden Project: AAI nieuwbouwlocaties, bedrijventerrein en rotonde in de polder Breeveld en kartering Romeinse weg (gemeente Woerden) Titel: Nieuwbouwlocaties, bedrijventerrein en rotonde in de polder Breeveld, gemeente Woerden; een Aanvullende Status: eindversie Datum: juli 2001 Auteur: drs. B. Jansen Bestandsnaam: L:\QXPress\2001\WOEB\RA706-WOEB.qxd Projectcode: WOEB Projectleider: drs. B. Jansen Projectmedewerkers: drs. A.E. Kattenberg MSc, drs. J.W. de Kort & J.A.M. Roymans Autorisatie: drs. I.A. Schute ISSN: 0925-6229 Archeologisch Adviesbureau B.V. telefoon: 020-463 4848 Zeeburgerdijk 54 telefax: 020-463 4949 1094 AE Amsterdam E-mail: raap@raap.nl Postbus 1347 1000 BH Amsterdam Archeologisch Adviesbureau B.V., 2001 Archeologisch Adviesbureau B.V. aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit het gebruik van de resultaten van dit onderzoek of de toepassing van de adviezen.

Inhoud 4 6 1 Inleiding 2 Methoden 2.1 Bureauonderzoek 2.2 Veldkartering 2.3 Booronderzoek gericht op de Romeinse weg 9 3 Resultaten 3.1 Bureauonderzoek 3.2 Veldkartering 15 4 Conclusies en aanbevelingen 4.1 Conclusies 4.2 Aanbevelingen 16 17 17 18 Literatuur Gebruikte afkortingen Overzicht van figuren, tabellen en losse kaartbijlagen Verklarende woordenlijst -rapport 706 / eindversie 19-07-2001 [3 ]

1 Inleiding De gemeente Woerden heeft op advies van de provinciaal archeoloog van de provincie Utrecht (drs. K. van der Graaf) Archeologisch Adviesbureau opdracht gegeven een Aanvullende (AAI) uit te voeren in het kader van de aanleg van een bedrijventerrein, een rotonde en enkele nieuwbouwwoningen. Het te onderzoeken gebied (ca. 6.4 ha) ligt ingesloten tussen de Steinhagenseweg in het oosten, de Oude Rijn in het noorden en bedrijventerreinen in het zuiden en westen (figuur 1). Circa 4,0 ha zal gebruikt worden voor het aan te leggen bedrijventerrein, circa 1,1 ha voor de geplande rotonde en circa 1,3 ha voor nieuwbouwwoningen. Het onderzoeksgebied bevindt zich ten zuiden van de restgeul van de Oude Rijn. De bodem bestaat uit bedding- en oeverafzettingen van de stroomgordel van de Oude Rijn. Op de stroomgordel kunnen archeologische resten vanaf ca. 4500 voor Chr. aanwezig zijn (Berendsen, 1982). Uit eerder onderzoek op de stroomgordel van de Oude Rijn zijn veel vondsten bekend, vooral daterend uit de IJzertijd, Romeinse tijd en Middeleeuwen (o.a. Haarhuis & Graafstal, 1993; Jansen, 2001). Zo vormde de Rijn in de Romeinse tijd de noordgrens van het Romeinse rijk, de zogenaamde limes. Ter verdediging van deze grens werden op regelmatige afstand forten (castella) aangelegd (o.a. in Utrecht, De Meern en Woerden). De castella waren met elkaar verbonden door een weg. Deze weg is aangelegd op de beddingen oeverafzettingen ten zuiden van de Oude Rijn. Mogelijk bevinden resten van de Romeinse weg zich ook in het onderzoeksgebied. Doel van een Aanvullende (AAI) is het opsporen van eventueel aanwezige archeologische resten en het bepalen van de kwaliteit (gaafheid en conservering), omvang, aard, datering en diepteligging van deze resten. Een AAI kan derhalve gesplitst worden in twee fasen: - AAI-1 (kartering): het opsporen van eventueel aanwezige archeologische resten; - AAI-2 (waardering): het bepalen van de kwaliteit (gaafheid en conservering), omvang, aard, datering en diepteligging van de aangetroffen resten. Onderhavig onderzoek omvatte de eerste fase van de AAI. Het onderzoek is uitgevoerd in mei 2001 en omvatte, conform het onderzoeksvoorstel, de volgende stappen: - een bureauonderzoek, waarbij voorafgaand aan het veldonderzoek zoveel mogelijk archeologische, geo(morfo)logische en historisch-geografische gegevens met betrekking tot het onderzoeksgebied zijn verzameld en verwerkt; -rapport 706 / eindversie 19-07-2001 [4 ]

Nieuwbouwlocaties, bedrijventerrein en rotonde in de polder Breeveld, gemeente Woerden; een Aanvullende - een veldkartering, bestaand uit een oppervlaktekartering en een karterend booronderzoek met het doel eventueel aanwezige archeologische waarden te lokaliseren; - een booronderzoek gericht op de eventuele aanwezigheid van (de resten van) de Romeinse weg. De AAI-1 is uitgevoerd conform de normen en richtlijnen van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB) te Amersfoort zoals vastgelegd in het Handboek ROB-specificaties (Brinkkemper e.a., 1998). Zie tabel 1 voor de dateringen van de in dit rapport genoemde archeologische perioden. 121 122 Figuur 1: De ligging 123 van het onderzoeksgebied (gearceerd); inzet: ligging in Nederland (ster). 457 457 456 456 8 8 455 455 121 -rapport 706 / eindversie 19-07-2001 122 123 [5 ]

2 Methoden 2.1 Bureauonderzoek Teneinde het onderzoeksgebied zo doelgericht mogelijk te kunnen onderzoeken, is voorafgaand aan het veldwerk een bureauonderzoek uitgevoerd. Hierbij is aandacht besteed aan de geologische/geomorfologische en bodemkundige aspecten van het gebied en zijn de beschikbare archeologische gegevens geïnventariseerd. Een belangrijk deel van de gewenste informatie werd verkregen door bestudering van de volgende kaarten: - Topografische kaart van Nederland, schaal 1:25.000, Blad 31G (Topografische Dienst, 1995); - Geologische kaart van Nederland, schaal 1:50.000, Blad 31O, Utrecht Oost (Rijks Geologische Dienst, 1988); - Geomorfologische kaart van Nederland, schaal 1:50.000, Blad 31 Utrecht (Stichting voor Bodemkartering/Rijks Geologische Dienst, 1975); - Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000, kaartblad 31 Oost Utrecht (Stichting voor Bodemkartering, 1970); - Geomorfogenetische kaart van Zuid Utrecht, schaal 1:50.000, Blad 1 Harmelen (Berendsen, 1982); - Fotoatlas Utrecht, schaal 1:14.000, fotoblad 92 Polanen (ROBAS Producties/ Topografische Dienst, 1989); - Historische Atlas Utrecht, Chromotopografische Kaart des Rijks, schaal 1:25.000, Blad 444 Harmelen (ROBAS Producties, 1989); - Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW), 2e generatie (ROB, 2000). Voor de inventarisatie van archeologische gegevens zijn digitaal beschikbare gegevens uit het ARCHeologisch Informatie Systeem (ARCHIS) opgevraagd. Een overzicht van de geraadpleegde literatuur is achterin dit rapport opgenomen. 2.2 Veldkartering Oppervlaktekartering Een oppervlaktekartering is zinvol in gebieden waar archeologisch interessante lagen zich dicht onder of aan de oppervlakte bevinden. Voorwaarde is dat de vondstzichtbaarheid goed is; plaatsen waar zich begroeiing bevindt, komen derhalve niet voor een oppervlaktekartering in aanmerking. In de praktijk gaat het meestal om braakliggende akkers, kanten van geschoonde sloten in bijvoorbeeld grasland, molshopen en andere bodemontsluitingen, etc. -rapport 706 / eindversie 19-07-2001 [6 ]

Het doel van een oppervlaktekartering is archeologische oppervlaktevondsten op te sporen en te registreren. Aan de hand hiervan kunnen archeologische vindplaatsen in kaart worden gebracht. Het onderzoeksgebied was tijdens het veldonderzoek voornamelijk in gebruik als grasland. Het zuidelijke deel van het toekomstige bedrijventerrein lag braak. Voor zover mogelijk zijn aanwezige ontsluitingen, zoals geschoonde slootkanten en molshopen, geïnspecteerd op het voorkomen van archeologisch materiaal. Karterend booronderzoek Karterend booronderzoek is geschikt voor gebieden waar eventueel aanwezige archeologische vindplaatsen door sedimenten of begroeiing (bijvoorbeeld gras) zijn afgedekt. Het is in deze situaties vaak de enige methode om archeologische vindplaatsen op te sporen. Bij een karterend booronderzoek in een rivierengebied (waarvan het onderzoeksgebied deel uitmaakt) wordt door middel van boringen het bodemprofiel bestudeerd, waarbij vooral gelet wordt op de aard, dikte en uitgestrektheid van archeologisch (mogelijk) interessante lagen. De vindplaatsen zijn in de boringen vaak herkenbaar aan een verontreinigde laag. Deze laag kan onder andere houtskool, aardewerk, verbrande leem en/of fosfaatvlekken (zgn. archeologische indicatoren) bevatten. Het aantreffen van een dergelijke archeologisch interessante laag is een aanwijzing voor de aanwezigheid van archeologische resten ter plaatse. Wel moet er rekening mee worden gehouden dat niet alle materialen van archeologische betekenis hoeven te zijn. Dit geldt vooral voor houtskool, dat tevens een natuurlijke oorsprong kan hebben. Het karterend booronderzoek is uitgevoerd met behulp van een zogenaamde Edelmanboor met een diameter van zeven cm en een gutsboor met een diameter van drie cm. De boringen zijn geplaatst in raaien met een onderlinge afstand van 40 m. De boringen binnen iedere raai zijn gezet op een onderlinge afstand van 50 m. De boringen binnen een raai verspringen ten opzichte van die in de aangrenzende raaien, waardoor een systeem bestaand uit gelijkbenige driehoeken ontstaat. Op deze wijze is een grid verkregen waarbij met het geplande aantal boringen de grootste trefkans wordt bereikt. De afstand tussen opeenvolgende boringen was in principe standaard, maar varieerde op plaatsen waar een hogere of lagere dichtheid aan waarnemingen gewenst was. De boringen zijn gezet tot maximaal 5,0 m -Mv. De boringen zijn in het veld op een veldkaart ingetekend en de profielen aan de hand van een standaardformulier beschreven. Genoteerd zijn onder meer de diepte, textuur, kleur, samenstelling van bodemverschijnselen en archeologische indicatoren (zoals aardewerk, al dan niet verbrand bot, natuursteen, houtskool, verbrande leem, baksteen en fosfaatvlekken). Er zijn tijdens het karterend booronderzoek 36 boringen gezet. -rapport 706 / eindversie 19-07-2001 [7 ]

2.3 Booronderzoek gericht op de Romeinse weg Door de geringe breedte van de Romeinse weg is deze met de tijdens de kartering toegepaste boordichtheid slechts bij toeval te traceren. Door gericht te boren in raaien haaks op de verwachte oriëntatie van de weg is gebleken dat het mogelijk is om de ligging van de weg tot op enkele meters nauwkeurig te bepalen (Haarhuis, 1997 & 1999). Teneinde de ligging van de Romeinse weg vast te kunnen stellen, is geboord op locaties die medebepaald zijn aan de hand van de resultaten van het karterend booronderzoek. Ook de geomorfologie was een belangrijke factor bij het kiezen van de locaties van de boorraaien. De raaien zijn zo geplaatst dat het verwachte snijpunt met het wegtracé telkens in het midden van de raai ligt. De boringen in deze raaien zijn in eerste instantie om de tien meter gezet. Vervolgens heeft verdichting plaatsgevonden op de (mogelijke) locatie(s) van de weg door de afstand tussen de boringen te halveren tot 5,0 m en vervolgens tot 2,5 m (of eventueel tot 1,25 m). De boringen zijn gezet tot maximaal 1,20 m -Mv met een Edelmanboor (diameter zeven cm). Er is in elk geval dieper geboord dan de basis van het weglichaam teneinde de aard van de ondergrond en daarmee de fysisch-geografische ligging te kunnen bepalen. Bij diepere boringen is een gutsboor (diameter drie cm) gebruikt. In de boringen is de Romeinse weg aan de hand van de volgende weg-indicatoren onderscheiden: - grind; - fragmenten puin; - hout (zowel massief in de vorm van palen/ balken als in de vorm van houtschilfers); - biezen(mat)/riet(en mat); - rijshout. In totaal zijn voor de kartering van de Romeinse weg 44 boringen gezet (tot maximaal 5,0 m -Mv) verdeeld over drie boorraaien. Boorraai A-A is naar het zuiden verlengd om beter inzicht te krijgen in de geologie van het onderzoeksgebied. Periode Datering Nieuwe tijd 1500 - heden Late Middeleeuwen 1050-1500 na Chr. Vroege Middeleeuwen 450-1050 na Chr. Romeinse tijd 12 voor - 450 na Chr. IJzertijd 800-12 voor Chr. Bronstijd 2000-800 voor Chr. Neolithicum (nieuwe steentijd) 5300-2000 voor Chr. Mesolithicum (midden steentijd) 8800-4900 voor Chr. Paleolithicum (oude steentijd) 300.000-8800 voor Chr. Tabel 1: Archeologische tijdschaal. -rapport 706 / eindversie 19-07-2001 [8 ]

3 Resultaten 3.1 Bureauonderzoek 3.1.1 Geologie Het onderzoeksgebied ligt geologisch gezien op de stroomgordel van de Oude Rijn. Deze stroomgordel maakt deel uit van het Utrechtse stroomstelsel (Berendsen, 1982). Vanaf circa 4.300 voor Chr. vond de Rijn zijn weg door het onderzoeksgebied en begint de vorming van de Oude Rijn stroomgordel. Op de geologische kaart (RGD, 1988) is sprake van een gebied met geulafzettingen, eventueel oeverafzettingen op geulafzettingen (RGD, 1988: code D0g; Afzettingen van Tiel). Berendsen (1982) kenmerkt de afzettingen als oever- en kronkelwaardafzettingen. In het onderzoeksgebied of net ten zuiden ervan komen een kreek vanuit het veengebied en de stroomgordel van de Oude Rijn samen. Het is niet bekend in welke periode(n) deze kreek watervoerend is geweest. De Oude Rijn was een zogenaamde meanderende rivier. Meanderende rivieren kenmerken zich door het langzaam stroomafwaarts verplaatsen van de bochten. Hierbij vindt sedimentatie in de binnenbocht plaats, terwijl in de buitenbocht erosie plaatsvindt. Als gevolg van het meanderen van een rivier ontstaat een brede zone met beddingafzettingen die voornamelijk uit zand bestaat. Aan weerszijden van de bedding wordt tijdens overstromingen sediment afgezet. Hierbij komt het zandige materiaal dicht bij de geul terecht (oeverafzettingen), terwijl het fijnere, kleiige materiaal verder van de geul vandaan in de kom tot bezinking komt (komafzettingen). De zandige oeverafzettingen zijn minder aan klink onderhevig dan de omringende komafzettingen en worden daardoor binnen korte tijd als ruggen in het landschap zichtbaar (differentiële klink). Oeverwallen kunnen in de Rijn-Maas delta tot circa 1,5 m hoog zijn (Berendsen, 1996). Na de verlanding van de geul blijven de oeverwallen en de bedding, mede door het proces van differentiële klink, als ruggen in het landschap achter. In vergelijking met andere stroomgordels in de Rijn-Maas delta is de Oude Rijn een veel langere periode actief geweest (Stouthamer, 2001). Gedurende de actieve periode van de Oude Rijn heeft de watervoerende geul zich verschillende malen binnen de zone met beddingafzettingen verlegd. Dit verklaart de verschillende restgeulen die tijdens eerder onderzoek zijn aangetroffen (o.a. De Jager & Jansen, 2001) en de omvang van de stroomgordel van de Oude Rijn. Deze is gemiddeld 1,5 à 2,0 km breed, maar versmalt bij Woerden tot circa 1,0 km. Tussen Woerden en Harmelen bevat de stroomgordel nog een watervoerende restgeul (de Oude Rijn). Waarschijnlijk was de Oude Rijn tussen Utrecht en Harmelen rond 780 na Chr. nog over de volle lengte bevaarbaar. In 1122 na Chr. werd de Oude Rijn bij Wijk -rapport 706 / eindversie 19-07-2001 [9 ]

bij Duurstede afgedamd; dit betekende automatisch dat er een einde kwam aan de afzetting van sediment langs de bedding van de Oude Rijn (Berendsen, 1982). 3.1.2 Archeologie Verlande rivierbeddingen (stroomgordels) vormden vóór de bedijking in de Late Middeleeuwen, in tegenstelling tot de doorgaans natte komgebieden, gunstige woonlocaties. Door de hogere ligging ten opzichte van de omliggende komgebieden was de kans op overstromingen gering. Bovendien waren de zandige oeverafzettingen zeer geschikt voor agrarisch gebruik. Voor stroomgordels geldt derhalve een hoge archeologische verwachting. In het onderzoeksgebied waren nog geen archeologische vindplaatsen bekend. In de directe omgeving, langs de Oude Rijn, zijn echter op verschillende locaties bewoningssporen uit de Romeinse tijd en de Middeleeuwen aangetroffen (Provincie Utrecht, 2000; De Jager & Jansen, 2001). Een belangrijk voorbeeld van Romeinse bewoning in de omgeving van het onderzoeksgebied zijn de restanten van het castellum in het centrum van Woerden. 3.1.3 De Romeinse weg In de regeringsperiode van keizer Claudius (omstreeks 47 na Chr.) werd bepaald dat de loop van de (Oude) Rijn de noordelijke grens (limes) van het Romeinse Rijk zou bepalen. Ter verdediging werden langs deze limes forten (castella) gebouwd. In de provincie Utrecht bevonden zich castella bij Woerden (Laur[i]um), De Meern, Utrecht (Traiectum), Bunnik-Vechten (Fectio) en Wijk bij Duurstede-Rijswijk (Levefanum). De forten werden met elkaar verbonden door een weg (de limes-weg) die ongeveer de loop van de Rijn volgde. De systematische aanleg van wegen was iets nieuws. Ze werden in de eerste plaats aangelegd met het militaire belang voor ogen: betere transportmogelijkheden voor troepen en materieel. Het leger was zelf daadwerkelijk bij de aanleg betrokken. Waarschijnlijk bevonden zich naast de castella ook nog op regelmatige tussenafstanden kleinere militaire wachtposten langs de limes-weg of via militaria, zoals dit type wegen ook wel werd genoemd. In het kader van de archeologische monumentenzorg en het speerpuntbeleid van de ROB is er de laatste jaren veel onderzoek naar de Romeinse weg gedaan (Blom & Graafstal, 2000; Graafstal, 1998 & 2000; Haarhuis, 1999; Haalebos, 2000; Hessing, 1999; De Jager, 2000; De Jager & Jansen, 2001; Jansen, 2001; Raemaekers, 1999 & 2000; Schute, 1999a & 1999b). De bodemgesteldheid is één van de bepalende factoren geweest bij de aanleg van de weg. De weg is over het algemeen aangelegd op de hogere delen van het landschap, waar de kans op overstromingen gering was. Uit eerder onderzoek blijkt dat de Romeinse weg met name is aangelegd op de overgang van de zone met beddingafzettingen naar de zone met oeverafzettingen. Op enkele locaties ligt de weg echter dicht tegen de geul van de Oude Rijn, waar de kans op overstromingen veel groter was. Dit betreft mogelijk locaties waar laad- en loskades hebben gelegen. Zoals is aangetoond kan het tracé van de Romeinse weg op de randen -rapport 706 / eindversie 19-07-2001 [10]

van de oeverwallen van de rivier liggen, maar ook grotere bochten van de rivier door het lagere gebied hebben afgesneden (Haarhuis, 1999; Hessing, 1999). De weg was circa zes meter breed en bestond aanvankelijk (waarschijnlijk) uit een eenvoudige grindbaan. In een later stadium is de weg aangelegd op een dijkje, dit om de weg bij overstromingen van de geulen te beschermen. Afhankelijk van de geologische ondergrond zijn hierbij verschillende funderingstypen gebruikt. Op locaties waar de ondergrond drassig was, is de weg gefundeerd met een constructie van houten palen en biezenmatten; in andere delen bestaat het weglichaam uit een met klei opgeworpen dijkje met daarop een laag grond. Soms werden er bekistingen voor het dijklichaam gemaakt en plaatselijk zorgden waterdoorlatend of lage bruggen ervoor dat de weg tijdens bijzonder hoge waterstanden niet zou overspoelen. In het bestemmingsplangebied Vleuterweide zijn naast grindjes ook met grote regelmaat puindeeltjes (baksteen) op het niveau van het weglichaam aangetroffen. Een enkele uitzondering daargelaten zijn die deeltjes te klein om ze met zekerheid te kunnen dateren, maar het lijkt hoofdzakelijk om Romeins materiaal te gaan (Haarhuis, 1999). In de directe omgeving van het onderzoeksgebied zijn ook resten van de Romeinse limes-weg aangetroffen. In Woerden zijn, ten zuidoosten van de resten van het castellum, sporen van de Romeinse weg aangetroffen (Haalebos, 2000). Tijdens archeologisch onderzoek ten behoeve van de spoorverbreding tussen Woerden en Harmelen zijn in de polder Breeveld mogelijk de bermsloten van de Romeinse weg aangetroffen (Vos, 2000). Gezien de geologische ligging (op de overgang van de oeverafzettingen naar de kom) en het feit dat in de richting van de restgeul (in het oosten) bij het graven van een bermsloot geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van de resten van de Romeinse weg werden aangetroffen, is het niet waarschijnlijk dat deze sporen resten van de Romeinse weg betreffen. Opgemerkt dient te worden dat door Vos (2000) geen Romeins aardewerk en puin werd aangetroffen; er werd eveneens nauwelijks grind aangetroffen. Het ontbreken van deze weg-indicatoren geeft aan dat het onzeker is of de aangetroffen sporen de Romeinse weg betreffen. Direct ten oosten van het onderzoeksgebied is bij de aanleg van de Steinhagenseweg een grindbaan aangetroffen (kaartbijlage 1). Hierbij werd een Romeinse munt aangetroffen (mondelinge mededeling dhr. Vogel, amateur-archeoloog uit Woerden). De grindbaan werd aangetroffen ter hoogte van de boerderij aan de Utrechtsestraatweg 118. Uit deze twee aanwijzingen voor de ligging van de Romeinse weg blijkt dat het goed mogelijk is dat zich resten van de Romeinse weg in het onderzoeksgebied bevinden. 3.2 Veldkartering 3.2.1 Geologie Met de resultaten van het booronderzoek is een gedetailleerd beeld verkregen van de geologische opbouw van de bodem in het onderzoeksgebied. Het gehele onderzoeksgebied bevindt zich in de zone met beddingafzettingen van de Oude Rijn stroomgordel. Deze beddingafzettingen, bestaand uit (kleiarm) zand, zijn -rapport 706 / eindversie 19-07-2001 [11]

afgedekt met een in dikte variërend pakket oeverafzettingen of oever- op restgeulafzettingen. Ten zuiden van de boringen 1, 32 en 37 (kaartbijlage 1) zijn deze afzettingen afgedekt met een dun pakket komklei, waarin zich een zogenaamde laklaag ontwikkeld heeft. In deze zone bevinden de beddingafzettingen zich gemiddeld op grotere diepte (kaartbijlage 2). Hieruit blijkt dat de Oude Rijn zich gedurende haar actieve periode (in het onderzoeksgebied) in noordelijke richting verplaatst heeft. Ten zuiden van het onderzoeksgebied bevindt zich de grens van de stroomgordel van de Oude Rijn (tussen de boringen 10 en 43). In de boringen 43 en 44 is de kreek die zich vanuit het zuidelijke veengebied bij de Oude Rijn voegt aangetroffen. De kreek heeft zich tot 2,6 m -Mv ingesneden in de onderliggende komafzettingen. In het onderzoeksgebied zijn verschillende restgeulen aangetroffen. Voorafgaand aan onderhavig onderzoek was slechts de restgeul ten noorden van de Utrechtsestraatweg bekend. De restgeulen variëren in breedte en diepte en zijn binnen het onderzoeksgebied niet te vervolgen. De oudste restgeulen bevinden zich echter in het zuiden. Dit blijkt uit de aanwezigheid van een afdekkend pakket komafzettingen, dat vanuit de Oude Rijn geul is afgezet. In de stroomgordel van de Oude Rijn bevinden zich meer restgeulen dan gebruikelijk in de Rijn-Maas delta. Een verklaring hiervoor is de langere periode van activiteit. De stroomgordel van de Oude Rijn is circa 4500 jaar actief geweest. Gemiddeld is de periode van activiteit van een stroomgordel in de Rijn-Maas delta circa 1300 jaar (Stouthamer, 2001). Tijdens onderhavig onderzoek kon niet worden vastgesteld wat de datering van de verschillende restgeulen is. Het is ook niet duidelijk welke restgeul(en) in de Romeinse tijd bevaarbaar is (zijn) geweest. 3.2.2 Archeologie Tijdens het veldonderzoek is één vindplaats ontdekt, vermoedelijk daterend uit de Late Middeleeuwen en de Nieuwe tijd (kaartbijlage 1). In verschillende boringen is in en onder de bouwvoor houtskool, bot en puin aangetroffen. Op kaartbijlage 1 is puin alleen als archeologische indicator aangegeven wanneer het samen met andere archeologische indicatoren voorkomt of wanneer het onder de bouwvoor (nog) aanwezig is. Grind en hout zijn in kaartbijlage 1 niet als archeologische indicatoren opgenomen (zie figuur 2 voor het voorkomen van deze weg-indicatoren ). Daarnaast zijn in de boringen 20, 29, 60 en 63 fragmenten aardewerk aangetroffen: één scherf daterend uit de Middeleeuwen (paffrath) en vier scherven rood geglazuurd aardewerk, daterend uit de Late Middeleeuwen en/of de Nieuwe tijd. Aan het oppervlak is naast veel rood geglazuurd aardewerk één fragment kogelpot aardewerk aangetroffen (kaartbijlage 1: -objectnummer 1). Het betreft vermoedelijk een nederzettingsterrein uit de (Late) Middeleeuwen tot de Nieuwe tijd. In boring 53 is een vuile bewoningslaag aangetroffen. De aanwezigheid van een dergelijke laag wijst op een hoge gaafheid van de archeologische sporen in de bodem. De vindplaats bevindt zich in een zone waar het beddingzand zich relatief dicht onder het oppervlak bevindt. Hierdoor is het waarschijnlijk een droge en daarmee gunstige woonlocatie geweest. -rapport 706 / eindversie 19-07-2001 [12]

122150 122200 122250 122300 456600 50 51 456600 B 52 54 23 53 1 55 56 57 60 58 61 59 456550 C' 65 62 64 B' 63 456550 24 66 67 68 69 70 456500 71 72 73 456500 22 74 75 76 77 80 78 79 35 37 Steinhagensew 456450 C 456450 31 0 25 50 29 33 m 1:1.250 122150 122200 122250 122300 JAS2/woeb_bp_rw Nieuwbouwlocaties, bedrijventerrein en rotonde in de polder Breeveld Gemeente Woerden Resultaten kartering Romeinse weg legenda boringen overig zonder grind -object met weinig grind met grind met veel grind 1 B B' -objectnummer globale begrenzing vindplaats boorraai met raailetters met hout grens onderzoeksgebied met veel hout 102 boornummer 2001 Figuur 2: Resultaten kartering Romeinse weg. -rapport 706 / eindversie 19-07-2001 [13]

De vindplaats bevindt zich slechts gedeeltelijk in het onderzoeksgebied. Vermoedelijk strekt de vindplaats zich uit tot onder de huidige bebouwing. 3.2.3 Romeinse weg Op grond van de geologische opbouw van de bodem in het onderzoeksgebied zijn twee zones geselecteerd waar tijdens het karterend booronderzoek enige aanwijzingen zijn aangetroffen voor de eventuele aanwezigheid van de Romeinse weg. Het betreft de zone tussen de boringen 1 en 29 en de zone ten zuiden van boring 52. De belangrijkste criteria waren de ligging ten opzichte van de restgeulen, de aanwezigheid van grind in de boringen en de vermoedelijke ligging van de grindbaan die bij de aanleg van de Steinhagenseweg is aangetroffen. In boorraai A-A (kaartbijlage 2) zijn naast enkele grindjes in de bouwvoor geen aanwijzingen voor de aanwezigheid voor de Romeinse weg gevonden. Opgemerkt dient te worden dat ten oosten van deze raai (in de boringen 30, 33, 34 en 35) eveneens enkele grindjes zijn aangetroffen. Rond boring 27 is een restgeul van circa 25 m breed aangetroffen. Deze geul is meer dan 5,0 m diep (kaartbijlage 2). Boorraai B-B (niet apart afgebeeld; zie figuur 2 en kaartbijlage 1) is uitgezet op de locatie waar een grindbaan is aangetroffen. In de raai bevindt zich de overgang van een ondiepe restgeul (figuur 2: tussen de boringen 54 en 57) naar een zone met beddingzand direct onder de bouwvoor. Op deze overgang is in boring 58 onder de bouwvoor een enigszins verrommeld pakket aangetroffen. Mogelijk betreft het (een restant van) een opgeworpen dijkje. Dit pakket is in de omringende boringen niet aangetroffen. In boring 56 is een greppel aangetroffen. De Romeinse weg bestaat vaak uit een laag dijkje met een oppervlakteverharding van grind en aan weerszijden bermsloten. De greppel, het mogelijke ophogingspakket en de aanwezigheid van grind in de boringen 55, 56, 58, 60, 62, 63 en 64 (figuur 2) zijn goede aanwijzingen voor de aanwezigheid van (resten van) de Romeinse weg. Boorraai C-C (niet apart afgebeeld; zie figuur 2 en kaartbijlage 1) is uitgezet om de mogelijke aanwezigheid van de Romeinse weg in boorraai B-B te toetsen. De overgang van de restgeul naar de bedding bevindt zich tussen de boringen 66 en 67 (figuur 2). Ten zuiden van deze overgang zijn in boringen 73 en 77 nog twee maximaal tien meter brede restgeulen aangetroffen. In de boringen 71, 72, 73, 74 en 75 is (veel) liggend hout aangetroffen. In sommige gevallen is de Romeinse weg versterkt met palen en planken. In de boringen 75, 76, 77 en 78 is (veel) grind aangetroffen (figuur 2). Het grind bevindt zich voornamelijk in en direct onder de bouwvoor. De zone waarin het hout en grind is aangetroffen (circa 45 m), is echter breder dan uit eerder onderzoek naar de Romeinse weg bekend is. Gezien de ligging ten opzichte van de restgeul, de aanwijzingen in boorraai B-B en de grindbaan die is aangetroffen ten oosten van het onderzoeksgebied lijkt het mogelijk dat in boorraai C-C de Romeinse weg is aantroffen. -rapport 706 / eindversie 19-07-2001 [14]

4 Conclusies en aanbevelingen 4.1 Conclusies Tijdens de AAI in het onderzoeksgebied in de polder Breeveld (gemeente Woerden) is één archeologische vindplaats aangetroffen op de beddingafzettingen van de Oude Rijn. Daarnaast zijn op twee locaties mogelijk resten van de Romeinse weg aangetroffen. Het onderzoeksgebied bevindt zich geologisch gezien op de beddingafzettingen van de Oude Rijn stroomgordel. Binnen het onderzoeksgebied zijn verschillende (smalle) restgeulen aangetroffen. Door de geringe omvang van de geulen bleek het niet mogelijk deze binnen het onderzoeksgebied te vervolgen. Ten zuiden van het onderzoeksgebied voegt een kreek zich bij de Oude Rijn stroomgordel vanuit het veengebied. De vindplaats betreft vermoedelijk een nederzettingsterrein. Uit de aanwezigheid van een vuile laag in boring 53 blijkt dat zich in de bodem goed bewaarde bewoningssporen kunnen bevinden. Op grond van het aardewerk wordt de vindplaats gedateerd in de Late Middeleeuwen en/of de Nieuwe tijd. Op twee locaties zijn mogelijk resten van de Romeinse weg aangetroffen. In de boorraaien B-B en C-C (figuur 2) zijn mogelijk ophogingspakketten met daarin grind en hout aangetroffen. Dit kan wijzen op een opgeworpen dijk. De breedte van het ophogingspakket wijkt echter af van hetgeen uit eerder onderzoek bekend is van de Romeinse weg. De aangetroffen weg-indicatoren, de grindbaan en de vondst van een Romeinse munt bij de aanleg van de Steinhagenseweg zijn sterke aanwijzingen voor de aanwezigheid van (restanten van) de Romeinse weg in de ondergrond van het onderzoeksgebied. 4.2 Aanbevelingen Om de mogelijke resten van de Romeinse weg nader te onderzoeken, wordt aanbevolen om een Aanvullend Archeologisch Onderzoek (AAO) in de vorm van proefsleuven uit te laten voeren. Aangezien de archeologische vindplaats en de mogelijke locatie van de Romeinse weg samenvallen, kan tijdens het AAO tevens de kwaliteit (gaafheid en conservering), omvang, aard, datering en diepteligging en daarmee de behoudenswaardigheid van de archeologische vindplaats vastgesteld worden. Voor de planning en uitvoering van het AAO dient contact opgenomen te worden met de provinciaal archeoloog van Utrecht (drs. K. van der Graaf). -rapport 706 / eindversie 19-07-2001 [15]

Literatuur Berendsen, H.J.A., 1982. Het landschap in het zuiden van de provincie Utrecht. Utrechtse geografische studies 25. Geografisch Instituut Rijksuniversiteit Utrecht, Utrecht. Berendsen, H.J.A., 1996. De vorming van het land. Inleiding in de geologie en geomorfologie. Van Gorkum, Assen. Blom, E., & E.P. Graafstal, 2000. Aanvullend Archeologisch Onderzoek Vleuterweide, beleidsgericht advies op basis van de veldwerkresultaten. ADC-rapport 54. ADC, Bunschoten. Brinkkemper, O., e.a. (red.), 1998. Handboek ROB-specificaties. Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek, Amersfoort. Graafstal, E.P., 1998. Vleuten-De Meern; Veldhuizen. In: D.H. Kok, J.P. ter Brugge, S.G. van Dockum & F. Vogelzang (red.); Archeologische Kroniek Provincie Utrecht 1996-1997. Graafstal, E.P., 2000. Vleuten-De Meern; Waterland. In: D.H. Kok, K. van der Graaf & F. Vogelzang (red.); Archeologische Kroniek Provincie Utrecht 1998-1999. Haarhuis, H.F.A., 1997. Gemeente Vleuten-De Meern; bestemmingsplan Veldhuizen; kartering Romeinse weg: haalbaarheidsonderzoek. -rapport 319. Stichting, Amsterdam. Haarhuis, H.F.A. 1999. Gemeente Vleuten-De Meern; bestemmingsplan Veldhuizen; kartering Romeinse weg, fase 3. -rapport 372. Stichting, Amsterdam. Haarhuis, H.F.A., & E.P. Graafstal, 1993. Vleuten-Harmelen; een archeologische kartering, inventarisatie en waardering. -rapport 80. Stichting, Amsterdam. Haalebos, J.K., 2000. Woerden. Oranjestraat. In: D.H. Kok, K. van der Graaf & F. Vogelzang (red.); Archeologische Kroniek Provincie Utrecht 1998-1999. Hessing, W.A.M., 1999. Building Programmes for the Lower Rhine Limes. In: H. Sarfatij, W.J.H. Verwers & P.J. Woltering (eds.); In Discussion with the Past, Archaeological studies presented to W.A. van Es. Jager, D.H. de, 2000. Vleuten-De Meern; Vleuterweide/Veldhuizen. In: D.H. Kok, K. van der Graaf & F. Vogelzang (red.); Archeologische Kroniek Provincie Utrecht 1998-1999. Jager, D.H. de, & B. Jansen, 2001. Herinrichtingsgebied Harmelerwaard, gemeente Woerden; een Aanvullende en kartering Romeinse weg. -rapport 676. Archeologisch Adviesbureau, Amsterdam. -rapport 706 / eindversie 19-07-2001 [16]

Jansen, B., 2001. Rijksweg A2 Leidsche Rijn (km 59.7 tot 62.5). -rapport 668. Archeologisch Adviesbureau, Amsterdam. Provincie Utrecht, 2000. Cultuurhistorische elementen in de provincie Utrecht, 2e versie (CD-ROM). Provincie Utrecht, Utrecht. Raemaekers, D.C.M., 1999. Brug Haanwijk, gemeente Harmelen; een Aanvullende (AAI). -briefverslag 1999-1774/MW. Stichting, Amsterdam. Raemaekers, D.C.M., 2000. Haanwijk. In: D.H. Kok, K. van der Graaf & F. Vogelzang (red.); Archeologische Kroniek Provincie Utrecht 1998-1999. Schute, I.A., 1999a. Woningbouwlocaties Spruit en Bosch, De Tuinderij, De Gemeentetuin en Hofwijk-West, gemeente Harmelen; een Aanvullende (AAI-1). -rapport 436. Stichting, Amsterdam. Schute, I.A., 1999b. Spoorverdubbeling Woerden-Harmelen, 2e fase; een Aanvullende (AAI): kartering en waardering. -rapport 448. Stichting, Amsterdam. Stouthamer, E., 2001. Holocene avulsions in the Rhine-Meuse delta, The Netherlands. KNAG/Faculteit Ruimtelijke Wetenschappen Universiteit Utrecht, Utrecht. Vos, W.K., 2000. Archeologisch onderzoek in de polder Breeveld langs de spoorlijn Woerden-Harmelen. ADC, Bunschoten. Gebruikte afkortingen AAI AAO ARCHIS Mv ROB Aanvullende Aanvullend Archeologisch Onderzoek ARCHeologisch Informatie Systeem maaiveld Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek Overzicht van figuren, tabellen en losse kaartbijlagen Figuur 1. De ligging van het onderzoeksgebied (gearceerd); inzet: ligging in Nederland (ster). Figuur 2. Resultaten kartering Romeinse weg. Tabel 1. Archeologische tijdschaal Kaartbijlage 1. Resultaten archeologisch onderzoek. Kaartbijlage 2. Profiel boorraai A-A. -rapport 706 / eindversie 19-07-2001 [17]

Verklarende woordenlijst differentiële klink het in ongelijke mate inklinken van zand, klei en veen kronkelwaard deel van een stroomgebied omgeven en grotendeels opgebouwd door een meander klink maaivelddaling van veen- en kleigronden als gevolg van ontwatering, oxidatie van organisch materiaal en krimp kreek sterk meanderende uitloper van een geul of priel in de kwelder laklaag geprononceerd vegetatieniveau met zwarte kleur en schelpachtige, glanzende breukvlakjes; vaak wordt de term ook gebruikt voor een vegetatieniveau i.h.a. limes grens (meer in het bijzonder de noordgrens van het Romeinse rijk) meander min of meer regelmatige lusvormige rivierbocht (meanderen = zich bochtig door het landschap slingeren) stroomgordel het geheel van rivieroeverwal-, rivierbedding- en kronkelwaardafzettingen, al dan niet met restgeul(en) -rapport 706 / eindversie 19-07-2001 [18]