Blad : 1 van 11 TOEPASSINGSGEBIED: Brabant Drenthe Flevoland Friesland Groningen Limburg Overijssel 1 DOELSTELLING In deze richtlijn zijn bouwkundige en daaraan gerelateerde gastechnische voorschriften opgenomen teneinde een veilige en doelmatige gasaansluiting te kunnen maken voor woningen. 2 TECHNISCHE AFBAKENING Deze richtlijn is bestemd voor de bouwwereld, zoals architecten, projectontwikkelaars, bouwaannemers, etc. alsmede voor medewerkers van. De richtlijn is van toepassing op woningen tot maximaal 70 meter hoogte waarop door of in opdracht van een aansluiting op het gasdistributienet dient te worden gerealiseerd. 3 TERMEN EN DEFINITIES Voor termen en definities wordt verwezen naar de in deze richtlijn vermelde normen en regelgeving en de () werkinstructie Gzz-0001.R Definities en begrippen Gas. 4 BEPALINGEN 4.1 Inleiding heeft een standaard vastgesteld voor aansluiting van woningen op het gasdistributienet. Het standaard materiaal voor de stijgleidingen is koper t/m 54 mm (daarboven staal). De verbindingen in deze leiding worden met behulp van koperen hulpstukken met drukpassing eind, zogenaamde persfittingen, tot stand gebracht. De invoerleiding kan bestaan uit PE of staal, afhankelijk van de bouwkundige constructie, zoals ondergrondse of inpandige invoer en de mantelbuisconstructie die wordt toegepast. Om deze aansluitleidingen op een juiste, veilige en doelmatige wijze te kunnen aanleggen vindt het noodzakelijk dat de algemeen in Nederland geaccepteerde bouwkundige en gastechnische voorschriften worden nageleefd. In deze richtlijn zijn de belangrijkste bouwkundige en gastechnische voorschriften uit normen, richtlijnen en regelgeving vermeld,
Blad : 2 van 11 betrekking hebbende op aansluitingen gas met een maximale hoogte van 70 meter. Indien er voor bepaalde situaties geen voorschriften bestaan, zijn in deze richtlijn de door gestelde eisen aan de bouwkundige en gastechnische maatregelen en voorzieningen opgenomen, waardoor een veilige en doelmatige gasaansluiting kan worden gerealiseerd. 4.2 Voorschriften Voor functionele eisen, materialen, verbindingen en kwaliteitsborging is de norm NEN 7244-6 1 van toepassing. Deze norm, alsmede het Bouwbesluit meldt dat voor het doorvoeren van aansluitleidingen vanaf de uitwendige scheidingsconstructie tot de gasmeteropstelling een voorziening aanwezig moet zijn conform NEN 2768: Meterruimten en bijbehorende voorzieningen in een woonfunctie. Deze norm geeft eisen voor de binnenafmetingen, de indeling en het materiaalgebruik voor de meterruimte bestemt voor een woonfunctie, niet zijnde de woonfunctie van een woonwagen, in laagbouw en. Tevens legt deze norm de afmetingen en de wijze van aanleg vast van leidingkokers en -schachten, en de inrichting van de leidingdoorvoeren voor de leidingen die deel uitmaken van de betreffende distributienetten. In de actuele meterkastvouwbladen (), uitgave van de gezamenlijke nuts-, signaal en telecommunicatiebedrijven in Nederland, staan toelichtingen op de norm NEN 2768 en het bouwbesluit voor zover betrekking hebbende op nutsvoorzieningen in woningen. Voor de plaatsing van meterruimten in gelden specifieke eisen. Afhankelijk van de bereikbaarheid, de beschikbare ruimte en de ter plaatse aanwezige nutsvoorzieningen, kan uit één van onderstaande opstellingen worden gekozen. a. Meterruimten in lijn boven elkaar, zonder schacht De verticale aansluitleidingen (stijgleidingen) worden door de boven elkaar gelegen meterruimten gevoerd. De meterruimten moeten loodrecht boven elkaar gelegen zijn en mogen niet ten opzichte van elkaar zijn gedraaid. b. Meterruimten niet in lijn boven elkaar De verticale aansluitleidingen (stijgleidingen) worden door een apart gelegen schacht gevoerd die door horizontale kokers met de meterruimte(n) is verbonden. De aansluitleidingen moeten vanuit de schacht horizontaal via de kokers in de meterruimten worden gevoerd. 1 Gasvoorzieningsystemen Leidingen voor maximale druk tot en met 16 bar Deel 6: Specifieke functionele eisen voor aansluitleidingen.
Blad : 3 van 11 4.3 Voorschriften bouwkundige en gastechnische voorzieningen en maatregelen In deze paragraaf staan voornamelijk de meest relevante voorschriften uit NEN 2768 ten aanzien van de bouwkundige voorzieningen en maatregelen betrekking hebbende op het aansluiten van woningen op het gasdistributienet. Uiteraard zijn de niet vermelde onderwerpen uit deze norm en andere voorschriften onverminderd van kracht. 4.3.1 Leidingdoorvoeren door niet-toegankelijke ruimten In het algemeen geldt dat voor het doorvoeren van aansluitleidingen door uitwendige scheidingsconstructies en door niet-toegankelijke ruimten mantelbuizen moeten worden toegepast. Het doorvoeren moet volgens één van de volgende systemen zijn ingericht. a. Systeem met uitsluitend mantelbuizen Hierbij worden de aansluitleidingen vanaf de uitwendige scheidingsconstructie tot boven de vloer op de begane grond doorgevoerd. Deze constructie mag met een maximum van vier meterruimten boven elkaar worden toegepast. Bij meer dan vier meterruimten boven elkaar kunnen aanvullende eisen worden gesteld door de netbeheerder(s). De mantelbuis moet een zodanige lengte hebben dat deze zich uitstrekt van ten minste 20 mm buiten de uitwendige scheidingsconstructie tot ten minste 20 mm boven de afgewerkte vloer van de meterruimte. Toepassing van dit systeem geniet de voorkeur, maar is niet te allen tijde mogelijk. In dat geval dient met een invoerput te worden gewerkt (zie b). b. Systeem met mantelbuizen en invoerput In geval de constructie met uitsluitend mantelbuizen niet kan worden toegepast dan kan een invoerput worden toegepast. Hierbij wordt de aansluitleiding via de mantelbuis vanaf de uitwendige scheidingsconstructie tot in de invoerput doorgevoerd. Bij meterruimten in lijn boven elkaar dient de invoerput (bij voorkeur) links onder de meterruimte van de woning op de begane grond te zijn gesitueerd. Indien de meterruimten niet in lijn boven elkaar zijn geplaatst, dan behoort de invoerput onder de schacht te worden aangebracht. De mantelbuis moet een zodanige lengte hebben dat deze zich uitstrekt van ten minste 20 mm buiten de uitwendige scheidingsconstructie tot ten minste 20 mm binnen de invoerput.
Blad : 4 van 11 4.3.2 Leidingdoorvoeren door toegankelijke ruimten Aansluitleidingen die door een voor mensen toegankelijke ruimte worden gevoerd, moeten ter plaatse van de doorvoering zijn voorzien van een mantelbuis met een zodanige lengte dat deze aan beide zijden van de scheidingsconstructie ten minste 20 mm uitsteekt. 4.3.3 Mantelbuizen Voor mantelbuizen gelden de volgende voorschriften: De doorvoer van de gasaansluitleiding via de in 4.3.1 genoemde constructies evenals de doorvoeren van mantelbuizen door de uitwendige scheidingsconstructie moeten gasbelemmerend en waterdicht zijn uitgevoerd. Mantelbuizen voor gasleidingen moeten geel van kleur zijn en gasdicht zijn uitgevoerd. Mantelbuizen moeten zonder verbindingen, uit één stuk zijn uitgevoerd. Indien de mantelbuis van PVC of een andere kunststof is vervaardigd, moet de wanddikte ten minste 3 mm bedragen 2. Bij zakkende grond dient de mantelbuis i.o.m. de Netbeheerder te worden bepaald. De nominale middellijn van de mantelbuis moet zo zijn gekozen dat de binnenmiddellijn van de mantelbuis ten minste 10 mm groter is dan de buitenmiddellijn van de gasvoerende leiding. Bij het aanbrengen van een bocht in het traject van de mantelbuis moet de benodigde buigstraal van de mantelbuis voor gasleidingen minimaal 8x de nominale buitenmiddellijn van de mantelbuis bedragen. 4.3.4 Meterruimten De inwendige afmetingen van een meterruimte moeten op de omvang van de te plaatsen nutsvoorzieningen (en installaties) zijn afgestemd en mogen niet kleiner zijn dan: hoogte 2400 mm; breedte 750 mm; diepte 310 mm. Langs beide zijwanden moet over de volledige hoogte en diepte van de meterruimte een ruimte voor leidingen aanwezig zijn. De indeling van deze ruimte moet op verdiepingsvloeren worden uitgevoerd volgens figuur 1 3. 2 Op basis van gestelde eisen zijn, voor zover bekend, fabrieksmatige gebogen gele PVC mantelbuizen verkrijgbaar met een diameter van maximaal 75 mm (standaard 63 mm). 3 Figuur 1 behelst de doorvoer voor leidingen voor een vloer op verdieping. In de norm wordt voor de vloer op de begane grond een andere indeling van een meterkast gehanteerd (volgens laagbouw).
Blad : 5 van 11 Voor gasleidingen (zone G) bedragen de afmetingen 130 x 100 mm. Voor de gasmeter moet een ruimte (zone Gm) beschikbaar zijn met een hoogte van 570 mm beginnend op 330 mm vanaf de vloer, een breedte van 550 mm en een diepte van 260 mm beginnend op 50 mm vanaf de achterwand. Figuur 1: Indeling meterruimte op verdiepingsvloer De inwendige afmetingen van de invoerput onder de meterruimte bedragen ten minste: hoogte 650 mm; breedte 500 mm (bij voorkeur gelijk aan de inwendige breedte van de meterruimte); diepte 310 mm. 4.3.5 Schachten Een schacht maakt geen deel uit van de woonfunctie en moet rechtstreeks toegankelijk zijn vanuit een openbare ruimte 4. De schacht moet op elke verdieping bereikbaar zijn via een toegangsdeur, die met een slot afsluitbaar moet zijn. De schacht moet zodanig geventileerd worden dat de ventilatiecapaciteit ten minste overeenkomt met de ventilatiecapaciteit van de meterruimte. De inwendige afmetingen van een schacht moeten op de omvang van de te plaatsen nutsvoorzieningen zijn afgestemd en mogen niet kleiner zijn dan: hoogte 2400 mm (bovenkant vloer tot onderkant plafond of bovengelegen vloer); breedte 600 mm; diepte 500 mm. 4 Commerciële ruimten, zoals een winkel of kantoor, zijn geen openbare ruimte. Dit betekent dat in dit soort ruimten geen sprake kan zijn van een schacht. Hier dient echter wel gebruik gemaakt te worden van een 'omkasting' (zie par. 4.3.7).
Blad : 6 van 11 De inwendige afmetingen van de invoerput onder de schacht bedragen ten minste: hoogte 650 mm; breedte die tenminste gelijk is aan de inwendige breedte van de bovengelegen schacht; diepte die gelijk is aan de inwendige diepte van de bovengelegen schacht. In de vloer en in het plafond van de schacht moeten sparingen voor de doorvoer van de centrale aansluitleidingen zijn aangebracht. Deze sparingen moeten zich loodrecht boven elkaar bevinden. De bodem van de schacht, waaronder een invoerput is gelegen, moet voorzien zijn van een wegneembare vloer of luik. Op een hoger gelegen verdieping of in situaties waarbij de leidingdoorvoer uitsluitend met mantelbuizen is uitgevoerd, moet een vaste vloer met sparingen voor de aansluitingen aanwezig zijn. Na het aanbrengen van de leidingen moeten aanwezige sparingen en/of ruimte rondom de mantelbuizen in de vloer en in het plafond worden dichtgezet en glad worden afgewerkt. 4.3.6 Kokers Een koker moet langs een wand of langs een plafond zijn aangebracht, en mag niet door een andere woning zijn gevoerd dan waarvoor de koker bestemd is 5. Een koker mag in een wand of plafond worden weggewerkt, maar moet te allen tijde over de gehele lengte op eenvoudige wijze bereikbaar zijn. De voorwand moet bestaan uit een wegneembaar en te herplaatsen front. De koker moet zo nodig in brandcompartimenten zijn verdeeld. De inwendige afmetingen van een koker (zie ook figuur 2) moeten op de omvang van de te plaatsen aansluitleidingen zijn afgestemd en mogen niet kleiner zijn dan: breedte 170 mm; diepte 80 mm. Figuur 2; koker Elk kokercompartiment moet op de schacht en/of op de meterruimte en/of op niet-verblijfsruimten worden geventileerd. Ventilatieopeningen van een koker mogen niet uitkomen in een verblijfsruimte bestemd voor het verblijven van mensen, een toiletruimte of een badruimte. De koker mag aansluiten op de achter- of zijwand of op het front van de meterruimte en uitkomen in de zone G en S (zie figuur 1) en moet bij schachten aansluiten op het vrije deel van de schachtwanden dat niet voor bevestiging van de nutsvoorzieningen wordt benut. 5 Bij horizontaal versleepte leidingen door een commerciële ruimte kan dus geen sprake zijn van een koker. Eventueel kan gebruik gemaakt worden van een 'omkasting' (zie par. 4.3.7).
Blad : 7 van 11 4.3.7 Passage commerciële ruimten en bergingen/parkeergarage s De normen NEN 2768 en NEN 7244-6 zijn duidelijk voor waarvan de onderste woningen zich op de begane grondvloer (maaiveldhoogte) bevinden en waaronder geen betreedbare ruimte is aangebracht. Daarentegen zijn deze normen niet geheel helder over het tracé van de aansluitleiding vanaf de buitengevel (plaats van binnenkomst gebouw) tot aan de eerste aansluiting indien: de eerste meterruimte niet op de begane grond is gelegen en zich op de begane grond, en soms daarboven liggende etages, commerciële ruimten (winkels, kantoren e.d.) bevinden; onder de eerste aansluiting openbaar toegankelijk ruimten, zoals parkeergarage of bergingen, zijn gesitueerd. In NEN 7244-6 staat vermeldt dat een aansluitleiding binnen de gevel onder de beganegrondvloer in een kruipruimte of een ontoegankelijke ruimten moet zijn aangebracht in een mantelbuis of mantelbuis/invoerput overeenkomstig NEN 2768. Een aansluitleiding gelegen in leidinginvoerputten en kelders/garages of aangebracht boven de begane grondvloer behoeft niet te zijn voorzien van een mantelbuis. De aansluitleiding dient dan wel van metaal en permanent bereikbaar te zijn voor inspectie en onderhoud. Het doorvoeren van metalen aansluitleidingen door commerciële ruimten is dus toegestaan zonder mantelbuis of andere voorzieningen. In NEN 2768 staat vermeld dat aansluitleidingen die door een voor mensen toegankelijke ruimte worden gevoerd ter plaatse van de muurdoorvoering moeten zijn voorzien van een mantelbuis die aan beide zijde van de scheidingsconstructie ten minste 20 mm uitsteekt. Dit betekent dat in de voor mensen toegankelijke ruimte dus geen mantelbuis behoeft te worden toegepast. NEN 2768 vermeldt eveneens dat voor aansluitleidingen die moeten worden geleid door ondergelegen niet-openbare, voor mensen toegankelijke ruimten (b.v. commerciële ruimten), dat deze ruimten worden voorzien van een doorvoerschacht die in verticale lijn ligt met de bovenliggende meterruimte of schacht. De huidige normen en regelgeving leggen tegenstrijdige specifieke eisen op ten aanzien van passages door bergingen of parkeergarage's als ook door commerciële ruimten. Vandaar dat in afwachting van eenduidigheid in normen, in het kader van standaardisatie en een veilige en doelmatige gasvoorziening de volgende eisen stelt aan de (ligging van) gasaansluitleidingen in deze specifieke situaties (a t/m c).
Blad : 8 van 11 a. Verticale doorvoering stijgleiding door commerciële ruimte Bij doorvoering van de stijgleiding in verticale zin door commerciële ruimten stelt dat deze niet zonder 'omkasting' mogen worden gerealiseerd. In deze situatie kan niet worden gesproken van een schacht (zie ook par. 4.3.5). Vandaar dat hier de term 'doorvoerschacht' wordt gehanteerd. stelt eisen aan een doorvoerschacht die identiek zijn aan de eisen die in NEN 2768 aan een schacht worden gesteld, met uitzondering van de eis dat deze vanuit een openbare ruimte toegankelijk moet zijn en dat deze juist wel moet ventileren op de te passeren ruimte. De schacht moet zodanig geventileerd worden dat de ventilatiecapaciteit ten minste overeenkomt met de ventilatiecapaciteit van de meterruimte. b. Horizontale doorvoering stijgleiding door commerciële ruimte Doorvoeren van de stijgleiding in horizontale zin door commerciële ruimten mogen zonder 'omkasting' worden gerealiseerd. Bij voorkeur dient gebruik te worden gemaakt van een 'omkasting'. Er kan niet worden gesproken van een koker (zie ook par. 4.3.6). Vandaar dat hier de term 'doorvoerkoker' wordt gehanteerd. stelt eisen aan een doorvoerkoker die identiek zijn aan de eisen die in NEN 2768 aan een koker worden gesteld, met uitzondering van de eis dat deze bedoeld is voor de woning waarvoor de koker bestemd is en dat deze doorvoerkoker moet aansluiten op een meterruimte. Indien niet van een doorvoerkoker gebruik wordt gemaakt, dient de leiding aan het plafond of in een wegneembaar plafond te worden aangebracht met behulp van deugdelijke beugels. Evenals bij een doorvoerkoker is dan de eis dat de leiding permanent bereikbaar dient te zijn voor inspectie en/of onderhoud. leidingen mogen alleen dan door verlaagde plafonds en achter betimmeringen zijn gelegd indien deze ruimte geventileerd wordt met een drievoudige ventilatie/uur. Zolang normen geen eenduidigheid geven en de norm NEN 7244-6 dit mogelijk laat, mag de horizontale doorvoering van de aansluitleiding door een commerciële ruimte bestemd zijn voor meerdere stijgleidingen. Met andere woorden mag deze leiding worden gezien als verdeelleiding. c. Doorvoering door bergingen/parkeergarage's De leidingen worden in PE bekleed staal uitgevoerd. Alle verbindingen worden gelast. Ook de aftakking op deze invoerleiding evenals het deel van de stijgleiding dat vanaf de horizontale leiding door het dek tot in de bovenliggende meterruimte dan wel schacht of doorvoerschacht wordt aangelegd, wordt geheel in staal met lasverbindingen uitgevoerd. De leidingen moeten langs het plafond worden gelegd, op een minimale afstand van 150 mm in verband met de mogelijkheid tot uitvoering van laswerkzaamheden. De situering van het leidingtracé moet zodanig gekozen zijn dat aanleg boven en/of in parkeervakken vermeden wordt. Dit in verband met de mogelijkheid om het leidingtracé
Blad : 9 van 11 permanent te kunnen inspecteren en mechanische beschadiging te voorkomen. Indien dit niet geheel kan worden voorkomen, dan dienen beschermende maatregelen te worden getroffen. Indien door derden een "omkasting" wordt geëist, bijvoorbeeld uit esthetisch oogpunt, dient deze zodanig te zijn uitgevoerd dat het inwendige ervan in open verbinding staat met de ruimte eromheen. De onderzijde van de leiding respectievelijk de omkasting dient boven de doorrijhoogte te liggen. De doorvoeringen in de gevels, wanden en vloeren moeten met behulp van mantelbuizen en gasbelemmerend zijn uitgevoerd. De lengte van de aansluitleiding dient zo kort mogelijk te zijn. Het verdient de voorkeur de aansluitleiding nabij de ingang van de parkeergarage/berging in te voeren. Uit veiligheidsoogpunt verdient het de voorkeur het pand te voorzien van één aansluitleiding. 4.3.8 Aarding In NEN 7244-6 alsmede NEN 1010 zijn over metallisch contact en aarding (vereffening 6 ) voorschriften opgenomen. Het komt er op neer dat: in elk gebouw de elektrisch geleidende hoofdleidingen voor de gasvoorziening, hieronder worden verstaan de binnenkomende leidingen voor de gasvoorziening 7, door basisvereffeningsleidingen moeten zijn verbonden met de hoofdaardrail of klem; potentiaalvereffening dient plaats te vinden zo dicht mogelijk bij de plaats waar de leidingstelsels het gebouw binnenkomen; metalen aansluitleidingen binnen de woning of het gebouw dienen te worden voorzien van een isolatie-element volgens NEN 7205, en wel tussen de geveldoorvoering en de plaats waar de vereffeningsleiding met de aansluitleiding wordt verbonden, tenzij geen elektrolytische corrosie is te verwachten. eist dat de aarding (vereffening) van de metalen gasaansluitleiding wordt aangebracht op de plaats waar deze leiding het gebouw binnenkomt. Hiertoe zal door (of in opdracht van) een aansluitpunt worden aangebracht op de aansluitleiding ten behoeve van aarding (vereffening). De redenen hiervoor luiden als volgt. Het risico bestaat dat de verbinding tussen de vereffeningsleiding en gasaansluitleiding niet aan de juiste kant van het isolatie-element wordt gemaakt. Het isolatie-element heeft dan geen effect meer. 6 Volgens NEN 1010 dient te worden gesproken over vereffenen. Door het apart aarden van de verschillende geleidende delen ontstaan potentiaalverschillen. Dit wordt voorkomen door het koppelen van alle geleidende delen aan één aarding. In deze richtlijn wordt waar sprake is van 'aarden' dan ook steeds de term 'vereffenen' toegevoegd. 7 Dit is dus de aansluitleiding.
Blad : 10 van 11 Voor een goede (elektrische geleidende) verbinding tussen de vereffeningsleiding en de gasaansluitleiding moet bij stalen aansluitleidingen de coating (PE-bekleding) worden beschadigd. Het risico bestaat dat het herstellen van de coating niet (juist) wordt uitgevoerd en dat het betreffende deel van de aansluitleiding, veelal in onverwarmde ruimtes gelegen waar sprake is van condensvorming, aan een verhoogde mate van corrosie wordt blootgesteld. Het aarden (vereffenen) op zich, dat wil zeggen het verbinden van de aansluitleiding met de hoofdaardrail of klem met behulp van een basisvereffeningsleiding, blijft een verantwoordelijkheid van de aanvrager/eigenaar. 4.3.9 Algemene opmerkingen Bij het ontwerp en de aanleg dient rekening te worden gehouden met de volgende aspecten. Doorverbinden van meerdere aansluitleidingen (invoerleidingen, verdeelleidingen, stijgleidingen) is niet toegestaan, ook niet met toepassing van afsluiters. Mede bepalend voor het tracé van de aansluitleiding gas is de afstemming met elektriciteit, water, telefoon en CAI. Woningen respectievelijk commerciële ruimten (winkels/kantoren) worden zo mogelijk met aparte aansluitleidingen op de hoofdleiding aangesloten, dan wel apart afgetakt van de invoerleiding door een parkeergarage of berging. 5 OPMERKINGEN stelt hoge eisen ten aanzien van de aansluiting van woningen op het gasdistributienet. Om dit te kunnen bewerkstelligen, dienen de bouwkundige voorzieningen en maatregelen minimaal op een niveau te liggen van de afspraken zoals deze landelijk zijn gemaakt in de vorm van regelgeving, normen etc. Voor de goede orde, wellicht ten overvloede, de volgende punten: Vroegtijdig overleg met, over vermelde voorschriften met betrekking tot ontwerp en uitvoering van bouwkundige voorzieningen/maatregelen voor de gasvoorziening, kan problemen in de uitvoering voorkomen. Indien afwijkingen ten opzichte van deze richtlijn in onderling overleg worden vastgesteld, dienen deze schriftelijk te worden vastgelegd en door betrokken partijen te worden ondertekend. Indien de bouwkundige voorzieningen en maatregelen niet conform de in deze richtlijn vermelde voorschriften of schriftelijk vastgelegde afwijkingen zijn gerealiseerd, kan besluiten de gasaansluiting niet te realiseren. De kosten voor aanpassing van de bouwkundige voorzieningen en maatregelen zijn dan niet voor.
Blad : 11 van 11 6 VERVALLEN DOCUMENTEN Niet van toepassing. 7 BIJLAGEN/REFERENTIES Termen en definities: zie hiervoor de werkinstructie Gzz-0001.R Definities en begrippen Gas.