Samenvatting (Summary in Dutch) Introductie In dit proefschrift evalueer ik de effectiviteit van de academische discussie over de ethiek van documentaire maken. In hoeverre stellen wetenschappers de juiste vragen over de juiste praktijk? In het academisch discours veronderstellen wetenschappers een praktijk van documentaire maken en deze praktijk wordt ethisch geëvalueerd. Mijn doel was een specifieke hedendaagse praktijk te onderzoeken: het maken van auteursdocumentaires, een praktijk waarin ruimte is voor documentaire als persoonlijke artistieke uiting. Reflecteert de praktijk zoals verondersteld in het discours ook een dergelijke praktijk als het gaat om kwesties die een ethische afweging vragen? Hoe ziet zo n hedendaagse auteurspraktijk eruit en welke vragen roept zij op in relatie tot de ethische evaluatie van documentaire maken? Wetenschappelijk discours Ethiek betreft de vraag wat het goede is om te doen, specifiek in relatie tot andere mensen. Mijn onderzoek richtte zich op de relatie tussen documentaire filmmaker en participant. De onderzoeksvraag was welke morele kwesties filmmakers en participanten tegenkomen in de dagelijkse praktijk van het maken van documentaires en hoe ze met dergelijke kwesties omgaan. Het wetenschappelijk documentaire discours bevat een discussie van morele kwesties die relevant worden geacht voor het maken van documentaires, evenals een aantal strategieën dat gepast wordt geacht om met dergelijke kwesties om te gaan, of om ze te voorkomen. Daarnaast bespreken wetenschappers een aantal contextuele aspecten die van invloed zijn op de ervaring van en het omgaan met dergelijke kwesties, zoals cultuurverschillen, beschikbare tijd, en of de participant een bekend of hoog opgeleid persoon is. Hoe verhoudt deze theoretische discussie zich tot de praktijk, tot de ervaringen van filmmakers en van participanten? Ook karakteriseren wetenschappers de documentaire participant als iemand zonder kennis over documentaire maken, kwetsbaar voor de gevolgen van documentaire representatie, en als iemand die 471
Participatory spaces niets te winnen heeft bij deelname aan een documentaire. In hoeverre klopt dit beeld? Na het destilleren van de morele kwesties, strategieën en contexten uit het discours, heb ik deze lijst aangevuld door Nederlandse documentairemakers te interviewen en hen voorbeelden te vragen uit hun eigen ervaring. Zij noemden vooral aanvullende strategieën, en schetsten daarmee een dynamischer beeld van de documentaire praktijk wat dit betreft dan het wetenschappelijk discours deed. Vervolgens heb ik de praktijk onderzocht middels twee deelonderzoeken. Het perspectief van filmmakers heb ik onderzocht met behulp van een vragenlijst en het perspectief van participanten heb ik onderzocht door middel van interviews. Het perspectief van filmmakers Om te meten in welke mate filmmakers de morele kwesties en strategieën uit de literatuur en de interviews met Nederlandse filmmakers hebben ervaren en in welke context dat gebeurde, heb ik een vragenlijst ontwikkeld. Mijn steekproef bestond uit filmmakers waarvan in 2006 een film werd vertoond op tenminste één van twaalf internationale documentaire film festivals wereldwijd. Na een voorstudie nodigde ik 659 filmmakers uit de vragenlijst in te vullen; uiteindelijk zijn de gegevens van 158 respondenten in de analyse gebruikt. Voor de analyse heb ik een zogenaamde exploratieve factoranalyse gebruikt; hiermee kunnen patronen in een dataset gevonden worden. De resultaten van de survey lieten een verdeling zien tussen communicatieve samenwerking aan de ene kant en niet opgelost conflict aan de andere, met een oncoöperatieve participant daar tussenin. Rekening houdend met de mate waarin filmmakers aangaven patronen van samenwerking en conflict te hebben ervaren, domineerden hun pogingen om samen te werken met de participant met de belangen van de film in gedachten, ondertussen vertrouwend op hun professionele positie en vaardigheden om te krijgen wat ze nodig hadden voor de film. Conflict kwam in diverse vormen naar voren en kan worden gezien als een relevant deel van de ervaring, daar een meerderheid van de filmmakers aangaf dergelijk conflict ervaren te hebben, zij het in beperkte mate. Met variabelen over de participant, de filmmaker, en het project (zoals 472
Samenvatting de mate van culturele gelijkenis tussen maker en participant, budget voor het project en ervaring van de maker) heb ik vervolgens onderzocht in hoeverre dergelijke contextuele variabelen de ervaring van samenwerking en conflict kunnen voorspellen. Voor de patronen betreffende communicatie en samenwerking waren de positie van de participant in het project (als een enkele of een van een aantal centrale participanten), het budget van het project, and de plicht om de best mogelijke film te maken, de belangrijkste voorspellende variabelen; voor de patronen betreffende conflict waren dat culturele gelijkenis, film- en montagetijd, de mate van controverse van de inhoud van de film, de bereidheid aan wensen van de financiers van het project tegemoet te komen, de bereidheid compromissen te sluiten afhankelijk van diverse belangen, en of de filmmaker enige opleiding in filosofie en/of ethiek had genoten. Echter, dergelijke variabelen bleken slechts kleine verschillen tussen de filmmakers te kunnen verklaren en bleken daarmee maar zeer beperkt relevant. Het perspectief van participanten Om het perspectief op de praktijk van documentaire maken van de participant te onderzoeken heb ik vier Nederlandse documentaire participanten geïnterviewd: Alex, Ben, Chris, en Debby. Deze vier heb ik gevonden na overleg met een aantal Nederlandse documentaire producenten over geschikte projecten and participanten. Het relaas van elk van hen was het resultaat van interviews met veel ruimte om te vertellen wat zij wilden op een manier die zij prettig vonden. Ik heb ze geanalyseerd door te bekijken wat het meest opvallend was in wat deze participanten vertelden over hun ervaringen (in plaats van wat ze precies antwoordden op mijn vragen). Daarnaast heb ik gekeken naar wat de participanten zeiden over zaken die relateerden aan de resultaten van de survey. Daarbij heb ik ook bekeken hoe deze vier spraken over hun ervaringen. De analyse biedt een beeld van de verschillende ervaringen die gekenmerkt worden door plezier, leren en de mogelijkheid tot zelfrepresentatie. Daarnaast wordt duidelijk hoe de participanten zich verhouden tot het project en tot het interview. Met betrekking tot documentaire maken en ethiek geven deze case studies eenzelfde resultaat als de survey: samenwerking, communicatie en vertrouwen zijn dominant en 473
Participatory spaces conflict (inclusief onenigheid, verschillende denkbeelden, en echt conflict in de vorm van onderbreking van de samenwerking tussen filmmaker en participant) speelt een belangrijke bijrol. Alle vier respondenten waren het op enig moment oneens met de filmmaker en probeerden het project te beïnvloeden en hun eigen belangen te verdedigen. Daarnaast wijzen de verhalen van de participanten op diverse, positieve zowel als negatieve, gevolgen van het deelnemen aan een documentaire project. Een alternatieve praktijk De resultaten van het empirisch onderzoek geven een inzicht in de documentaire praktijk die de praktijk zoals die wordt verondersteld in het wetenschappelijk documentaire discours op meerdere punten betwist. Ze nodigen uit tot een alternatief begrip van de documentaire praktijk en de rol van de participant daarin. Gebaseerd op de bevindingen komt een praktijk naar voren waarin de participant een actief betrokken participant is, die toegewijd is aan het project; waarin conflict in brede zin een terugkerend maar niet beslissend element is in de relatie tussen filmmaker en participant; waarin conflict niet allesoverheersend maar verspreid en lokaal is, net zoals de uitwisseling van informatie en het geven van toestemming voor het filmen en voor het gebruik van gefilmd materiaal; en waarin communicatie, vertrouwen en toewijding als een vangnet voor conflict functioneren. Deze alternatieve praktijk kan als volgt worden omschreven. Filmmaker en participant werken samen in een project waarin beiden erop gericht zijn een goede film te maken; beiden wegen eveneens hun belangen tegen de belangen van de ander en van de film. Hoewel de filmmaker de leiding heeft over het creatieve proces, houdt de participant controle over haar bijdrage door te bepalen wat ze wel en niet vertelt en heroverweegt ze haar toestemming om te filmen in situaties van conflict. Wederzijdse en continue uitwisseling van informatie, vragen en zorgen, waardoor conflict expliciet wordt benoemd, helpt een omgeving van vertrouwen te creëren waarin met dergelijk conflict veilig kan worden omgegaan, zonder nadelige gevolgen voor het project. Gegeven het beperkte aantal cases in dit onderzoek, kan deze alternatieve praktijk begrepen worden als een specifieke manifestatie van de praktijk van het maken van auteursdocumentaires, waar daarnaast nog 474
Samenvatting anderen kunnen bestaan. Conclusie De resultaten van deze studie nodigen uit tot een herziening van de academische discussie over documentaire maken en ethiek. Specifieker nodigen ze uit tot een paradigmawijziging. In de discussie over een ethiek van documentaire maken zou allereerst de participant moeten worden gezien als een gedeeltelijke mede-maker, betrokken in en toegewijd aan het project; communicatie functioneert als een vehikel voor het gedeeltelijk gezamenlijk makerschap van filmmaker en participant, inclusief het faciliteren van de uitwisseling van informatie, vragen en zorgen en het ontwikkelen en koesteren van vertrouwen; en conflict is een manier om met hun respectievelijke belangen om te gaan en deze te verdedigen. In het documentaireproject is samenwerking het uitgangspunt, maar conflict manifesteert zich op momenten waarop de participant de autoriteit van de maker betwist en invloed uitoefent op de inhoud van de film door specifieke opnamen te weigeren of het gebruik ervan te vragen. Bij deze praktijk rijzen andere ethische vragen. Deze vragen betreffen niet zozeer de noodzaak tot bescherming van de participant tegen schade als gevolg van haar verschijnen in een documentaire film, maar ze betreffen het omgaan met het gedeeltelijke mede-makerschap van de participant en met de respectievelijke belangen van de maker en de participant in het proces van het maken van een door beide gewenste goede documentaire film. 475