Platwormen. Bloedzuiger

Vergelijkbare documenten
zoekkaart & determinatietabel waterdieren

Bepaling van de biotische index van zoetwater

Ecologie voedselweb van zoetwater

Deel 3 Materiële vereisten

Werkblad slootdiertjes

Bepaling van de biotische index van zoetwater

WATER LEEFT Biologisch wateronderzoek

Waterkwaliteit bepalen. steunend. op de macro-invertebraten

klimaatstad water leeft 1 Bio

Informatie: zoetwaterdiertjes

INVENTARISATIE DOOR DE WERKGROEP ZOETWATERBIOLOGIE VAN 3 LOCATIES IN EN BIJ DE HEEMTUIN IN DE GOUDSE HOUT IN 2016

INVENTARISATIE VAN DE REEUWIJKSE HOUT DOOR DE WERKGROEP ZOETWATERBIOLOGIE

Praktijkopdrachten groep 7/8.

Hoofdtabel voor de voornaamste groepen van de macrofauna in het zoete water

INVENTARISATIE VAN 3 LOCATIES IN T WEEGJE IN 2017 DOOR DE WERKGROEP ZOETWATERBIOLOGIE VAN DE KNNV AFDELING GOUDA E.O.

INVENTARISATIE VAN DE HEEMTUIN IN DE GOUDSE HOUT DOOR DE WERKGROEP ZOETWATERBIOLOGIE

ONDERZOEKSBLAD WATER LEEFT GROEP 7-8

in de s sloten & plassen

HET ZOETWATER ONDERZOEK 2

In de troebele sloot kunnen daarentegen geen boten varen en deze zal dus, volgens ons, veel minder vervuild zijn.

Voorbereiding post 3. Allemaal beestjes Groep 1-2-3

ANTWOORDBLADEN WATEREXCURSIE. 1 Tekenblad bij Opdracht 1. Naam van de school: Naam van de sloot of de straat langs de sloot: Jullie namen:

Een opzoekboekje voor insecten en ander klein grut!

Uitleenkoffer Ontdek de onderwaterwereld. Wat

Geelgerande waterkevers in Vlaanderen

Opmerking voor de docent. Dieren determineren. Werkwijze

Levend water: jaar (handleiding)

Libellen herkennen. Weidebeekjuffer Vrouwtjes zijn metaalglanzend groen, de mannetjes zijn blauw. Ze leven langs beken en rivieren (stromend water).

Excursie water. docentenhandleiding

Wateronderzoek. 1 ste en 2 de graad secundair onderwijs Handleiding begeleider

Veldwerkkist Water. docentenhandleiding

Spreekbeurten.info Spreekbeurten en Werkstukken

Uitgave: PIME Lier, november 2003 Samenstelling tekst: Keustermans Karin, Quanten Elly Lay out: Dillen Nathalie

handleiding en werkbladen voor een excursie en onderzoek naar het leven in sloot en plas in de woon- en schoolomgeving

De Wiershoeck-Kinderwerktuin, dinsdag 23 mei Beste natuurliefhebber/-ster,

Een project van het IVN Veldhoven / Vessem voorjaar 2009

inh oud 1. Leven onder water 3 2. Dieren en planten 3. Vissen 4. Kwallen 5. Zoogdieren 6. Schaaldieren 7. Stekelhuidigen 8. Zeewier 9.

Overzicht aquatische prooidieren waterspitsmuis

NR.3 EEN VIJVER, MEER DAN WATER ALLEEN. 3 vijverbiotoopstudie-a5.indd 1

INVENTARISATIE VAN 3 LOCATIES IN HET POLDERPARK OOSTPOLDER IN 2018 DOOR DE WERKGROEP ZOETWATERBIOLOGIE VAN DE KNNV-AFDELING GOUDA E.O.

Biotoopstudie water. 1ste en 2 de graad secundair onderwijs Veldwerkboekje

Ordening. Bacteriën Schimmels Planten Dieren

Ordening. Planten Dieren Bacteriën Schimmels

Kaartenset ongewervelde dieren

NR.3 EEN VIJVER, MEER DAN WATER ALLEEN BIOTOOPSTUDIE EEN VIJVER, MEER DAN WATER ALLEEN

De Wiershoeck-Kinderwerktuin, dinsdag 16 mei Beste natuurliefhebber/-ster,

JUFFERS klein, smal, ogen ver uiteen, zittend liggen vleugels meestal op achterlijf. Gekleurde vleugels Vrij groot Blauw glanzend Langs stromend water

Vissoorten Aal Herkenning: Verspreiding: Voedsel: Lengte afgebeelde vis: Lengte tot circa: Snoek Herkenning: Verspreiding: Voedsel:

De Wiershoeck-Kinderwerktuin, dinsdag 4 juli Beste natuurliefhebber/-ster,

Opdrachten Oevergroep

Naam:_ KIKKERS. pagina 1 van 6

Vergelijkende studie en besluitvorming

BIOLOGIE Bovenbouw P.O. Fris viswater

De kleine beestjesclub

Een kreeft in de klas

Spreekbeurten.info Spreekbeurten en Werkstukken

Waterbeestjes schoolkrant

LIBELLEN - ODONATA LIBELLEN HOUDEN VAN MENSEN

Leskist THEMA-handleiding Aquarium zoekt Boots en Co. Groep 5 en 6

Langpootmuggen en aanverwante families van Nederland, België en Luxemburg

Voorbereiding post 4. Van ven en veen Groep 3-4

Afdrukken pagina 2-19 dubbelzijdig formaat A4 naar behoefte kunnen lege A4-pagina s worden tussengevoegd

Auditieve oefeningen bij het thema: Kriebelbeestjes

owen davey Knettergek van kevers

Evaluatie van de verontreiniging van de waterlopen dankzij de «beestjes» Principe van de biotische index

inhoud blz. 1. Soorten 3 2. Zo herken je een insect 4 3. Insecten en hun jong 6 4. Vijanden Meer insecten Filmpjes 15 Pluskaarten 16

De Wiershoeck- Kinderwerktuin, dinsdag 18 februari Beste natuurliefhebber/- ster,

SPREEKBEURT Chinese vuurbuiksalamander

inhoud 1. Kom jij uit een ei? 2. Dieren uit een ei. 3. Vogels 4. Vissen 5. Insecten 6. Spinnen 7. Reptielen 8. Kikkers en padden 9.

ken Waterdiertjes ontdek Groep 3/4

7.3. Sleutel tot de families

Welke vakjes kan jij aankruisen op onze beekbingo? Laat het ons weten!

DE BLAUWE AARDE. College 3 Leven in sloot en plas

De Wiershoeck-Kinderwerktuin, dinsdag 2 mei Beste natuurliefhebber/-ster,

Langpootmuggen en aanverwante families van Nederland, België en Luxemburg

Wandelroute langs insecten en andere kleine beestjes

Watervogels het ganse jaar waar te nemen.

Hoofdstuk 1: Veldkenmerken en voorkomen 3. Hoofdstuk 2: Voedsel en vijanden 4. Hoofdstuk 3: Voortplanting en verwanten 6

Waterleven. Doel: Aan de hand van het determineren van de beestjes die in de sloot voorkomen conclusies trekken over de waterkwaliteit.

Limburgs Landschap. natuurboekje van

De Wiershoeck- Kinderwerktuin, dinsdag 28 juli Beste natuurliefhebber/- ster,

Water leeft! Waterdieren onder de microscoop. Groep 7/8

SPREEKBEURT Vissengroep Harnasmeervallen

De Wiershoeck-Kinderwerktuin, dinsdag 18 juli Beste natuurliefhebber/-ster,

Langpootmuggen en aanverwante families van Nederland, België en Luxemburg. Tabel E. Soorten met lichtere (geel tot grijze) middenstreep op achterlijf

Lopen er beesten op het water? De sloot in al haar lagen

De Wiershoeck- Kinderwerktuin, dinsdag 6 mei Beste natuurliefhebber/- ster,

flamingo Klasse vogels

De indeling van het dierenrijk zie je hieronder in de mindmaps van Brent, Guus en Febe!

Dinsdag 26 november 2013

Transcriptie:

Platwormen Bloedzuiger Bloedzuiger > 1 cm Platworm > 3 mm Platwormen zijn, zoals hun naam zegt, platte wormachtige dieren. Hun kleur is meestal donker (grijs, bruin, zwart) of vuilwit. De buikzijde ligt volledig tegen de ondergrond. Aan het vooreinde is min of meer een kopgedeelte te herkennen, waarin ogen te zien zijn. Platwormen glijden gelijkmatig en traag over de ondergrond, in tegenstelling tot bloedzuigers die zwemmen of zich lusvormig voortbewegen d.m.v. zuignappen. Ze komen in veel verschillende wateren voor. 1a Twee duidelijke oogjes - 2 1b Veel oogjes langs de rand van de kop - 6 2a Een paar tentakels aan de kopzijde - Crenobia alpina 2b Geen tentakels aan de kopzijde - 3 3a Vuilwit, darminhoud zichtbaar - Melkwitte platworm 3b Bruin/zwart - 4 4a Kop smaller dan de rest van het lichaam - B. dellocephala punctata 4b Kop breder of even breed als de rest van het lichaam - 5 5a Afstand tussen de ogen groter dan de afstand tussen de ogen en de zijkant van de driehoekige of afgeronde kop - Twee-ogige bruin/zwarte platworm 5b Afstand tussen de ogen kleiner dan de afstand tussen de ogen en de zijkant van de niet driehoekige of afgeronde kop - Bruine platworm 6a Tentakels aan de kopzijde - Veelogige bronnenplatworm 6b Geen tentakels aan de kopzijde - Gewone veelogige platworm Bloedzuigers zijn langwerpige dieren; in doorsnede zijn ze rond of plat. Het lichaam bestaat uit een aantal ringen of segmenten. Deze zijn korter dan breed. De dieren hebben zuignappen aan de voor- en achterkant van het lichaam. Bloedzuigers bewegen zich lusvormig door afwisselend de voorste en de achterste zuignap te verplaatsen (spanrupstechniek). Bloedzuigers leven in stilstaand en langzaam stromend, verontreinigd water. Opmerking: De ogen van bloedzuigers zijn dikwijls moeilijk te zien. Plaats het dier in een omgekeerd deksel van een petrischaal; zet hierop de bodem van de petrischaal, zodat het dier belemmerd wordt in zijn bewegingen. Onderzoek het aantal ogen met een goede loep. 1a Opvallende zuignappen, lichaam lang en dun, dunner dan de nappenschijf; ; vier ogen op voorzuignap - Visbloedzuiger 1b Minder opvallende zuignappen en een breder lichaam - 2 2a Twee ogen - 3 2b Meer dan twee ogen - 4 3a Donkerbruin plaatje op de rug; licht gekleurd tot doorschijnend - Tweeogige bloedzuiger 3b Geen donkerbruin plaatje op de rug; bontgekleurd - Bonte tweeogige bloedzuiger 4a Vier ogen, smalle hals en bontgekleurd - Gezoomde bloedzuiger 4b Zes tot tien ogen - 5 5a Zes ogen; rolt op bij aanraking - 6 5b Meer dan zes ogen -7 6a Bontgekleurde rug, met lengtestrepen en gelige wratjes; < 3.5 cm - Brede bloedzuiger 6b Licht gekleurd tot doorschijnend; < 1 cm 7a Acht ogen; < 6 cm - 8 7b Tien ogen; > 6 cm - Onechte paardenbloedzuiger 8a Twee rijen met vier ogen aan zijdelingse randen; erg zacht en meestal groen - Eendenbloedzuiger 8b Vier ogen, ogen in twee rijen, twee paar ogen zijdelings gelegen; roodbruin - Gewone achtogige bloedzuiger

Borstelarme ringwormen Weekdieren Zoetwatermossel > 1cm Blaashorenslak > 1cm Tubifex > 1 cm Wormen zijn lange en dunne dieren, die verdeeld zijn in een aantal `ringen` of segmenten. Ze zijn meestal rond in doorsnede, hebben geen zuignappen en geen duidelijke kop. Aan elk segment zit een aantal langere of kortere haren of borstels (loep). Wormen leven vooral in traag stromend water, vaak in slib op de bodem. 1a Dikte minder dan 3mm - 2 1b Dikte meer dan 3mm - Waterregenworm Poelslak > 1cm 2a Witrose met een `slurfje` aan de kop en/of oogjes zichtbaar - Waterslangetje 2b Oranje tot rode worm zonder `slurfje` - 3 3a Meestal kleiner dan 3 cm; meer dan twee borstels per segment - Tubifex (Rode slingerworm) 3b Meestal groter dan 3 cm; een of twee borstels per segment - Broze slibworm Schijfhoornslak > 1cm Tweekleppigen of mossels zijn dieren die tussen twee schelpen leven. Ze leven in allerlei soorten traag stromend water, ook veel in brede, rechtgetrokken beken, enz. Zoetwaterslakken bezitten een schelp. Sommige slakken hebben een soort long (Longslakken), andere soorten hebben kieuwen (Kieuwslakken). Kieuwslakken hebben een sluitplaatje (operculum) dat de mondopening kan afsluiten. De dieren zitten vaak op waterplanten, soms op stenen, of ze kruipen over de bodem. Slakken vinden we vooral in traag stromend, voedselrijk water met veel planten. 1a Schelp uit twee gelijke helften - 2 1b Schelp niet uit twee gelijke helften - 3 2a Schelp driehoekig van vorm meestal gestreept - Driehoeksmossel 2b Schelp niet driehoekig - Erwtenmossel 3a Windingen van de schelp in een plat vlak - 4 3b Windingen van de schelp niet in een plat vlak - 5 4a Schelp nooit groter dan 15mm en nooit hoger dan breed - Schijfhoornslak 4b Schelp eventueel groter dan 15mm eventueel hoger dan breed - Posthorenslak 5a Schelp linkswindend - Blaashorenslak 5b Schelp rechtswindend - Ovale poelslak

kleine Schaaldieren grotere Schaaldieren Eenoogkreeftje < 4mm Vlokreeft 1cm Watervlo < 4mm Mosselkreeftje < 4mm Schaaldieren hebben meer dan acht poten. Deze zijn regelmatig over het lichaam verdeeld, nl. 1 paar poten per segment. Het lichaam is bedekt met harde (chitine-)platen. 1a Niervormige schaal; bodem - Mosselkreeftje 1b Geen niervormige; open water; zwemt schokgewijs > 2 2a Vertakte gelijkvormige antennes; lengte minder dan twee maal de breedte - Watervlo 2b Twee lange en twee korte antennes, lengte meer dan twee maal de breedte - Eenoogkreeftje Zoetwaterpissebed 1cm Schaaldieren hebben meer dan acht poten. Deze zijn regelmatig over het lichaam verdeeld, nl. 1 paar poten per segment. Het lichaam is bedekt met harde (chitine-)platen. 1a Borststuk deels of volledig bedekt met een rugschild of pantser - 2 1b Geen rugschild aanwezig - 3 2a Zijdelings afgeplat met meestal geknikt achterlijf - Zoetwatergarnaal 2b Niet zijdelings afgeplat, achterlijf niet geknikt - Zoetwaterkreeft 3a Zijdelings afgeplat - Vlokreeft 3b Van rug tot buik afgeplat - Zoetwaterpissebed

Tweevleugelige insectenlarven 1a Achterlijf gezwollen, lusvormig voortbewegend en vastgehecht met een zuignapje- Kriebelmuglarve 1b Geen gezwollen achterlijf, niet lusvormig voortbewegend en niet vastgehecht - 2 2a Kop verhard en goed zichtbaar - 3 2b Niet verharde kop vrijwel onzichtbaar en zeer klein of intrekbaar - 5 3a Bewegend in achtvormen, eerste en laatste segment met ongelede `voetjes`- Vedermuglarve 3b Niet bewegend in achtvormen, geen ongelede `voetjes`- 4 4a Doorschijnend op twee paar opvallende luchtbellen na - Pluimmuglarve 4b Larven niet doorschijnend nooit met luchtbellen `hangt` in rust aan het wateroppervlak - Steekmuglarve Dansmuglarve > 5 mm Langpootmuglarve > 15 mm 5a Telescopisch uitschulpbare `staart` tot vier keer de lichaamslengte - Moddervlieglarve (Rattenstaartlarve) 5b Zonder telescopisch uitstulpbare `staart` - 6 6a Zeshoekige plaat aan het achtereinde met twee ademholten - Langpootmuglarve 6b Zonder zeshoekige plaat aan het achtereinde - 7 7a Segmenten van het achterlijf met verdikkingen of doornachtige aanwassen - Steekvliegen, Paardenvliegen en Dazen 7b Geen verdikkingen of doornachtige aanwassen - 8 8a Bosje haar aan de achterzijde - Wapenvlieglarve 8b Twee tot zes haren aan het achtereinde - Langpootmuglarve Steenvlieglarven Steenvlieglarven < 1.5 cm Moddervlieglarve > 1 cm Steenvlieglarven hebben zes poten. Het dier bestaat uit drie delen: kop, borststuk en achterlijf. De aanleg van de vleugels is bij de larve al zichtbaar. Aan het eind van het achterlijf zitten twee staartdraden. Steenvliegen hebben geen kieuwen aan het achterlijf. Ze kruipen op (en onder) takken en stenen. Steenvliegen hebben geen pop. Het volwassen insect kruipt direct uit de larvenhuid. Ze leven in schoon, stromend water, in bovenlopen van snelstromende beken of bronnen, op plaatsen waar het water niet warm wordt. Soms komen ze ook in kleine aantallen voor in iets verontreinigd, minder snel stromend water. 1a Met kieuwen - 2 1b Zonder kieuwen - 3 2a Kieuwen aan de basis van de pootparen - Perlidae 2b Kieuwen onder de `nek` - Nemouridae Steekmuglarven > 7 mm 3a Vleugelscheden parallel met het lichaam - Leuctridae of Chloroperlidae 3b Vleugelscheden steken uit - Taeniopterygidae, emouridae of Perlodidae De larven van vliegen en muggen hebben over het algemeen een langwerpig, wormvormig lichaam. Dit is uit ringen of segmenten opgebouwd. Er zijn geen echte poten, maar soms wel schijnpootjes. Deze bestaan maar uit één stuk en zijn niet verhard. Larven van vliegen en muggen kunnen er heel verschillend uitzien: kaal of met haren, rolrond of plat, met of zonder adembuizen of andere uitsteeksels.

Slijkvlieglarven Kevers Watergaasvlieglarve < 1.5 cm Gewone geelgerande waterkever > 2.5 cm Watergaasvlieglarven leven in de modder en zijn langgerekt met een forse kop en kaken. Watergaasvlieglarven eindigen in een lange `behaarde staart` en hebben zeven paar lang behaarde en gelede tracheekieuwen. Haftenlarven Gegroefde watertor > 1.5 cm Waterkevers hebben een duidelijke kop, halsschild en achterlijf. Over het achterlijf liggen twee harde dekschilden. De dekschilden overlappen elkaar niet, waardoor over het achterlijf een lijn loopt. Zoals alle insecten hebben ze zes poten. Ze hebben vaak duidelijke sprieten (antennes) aan de kop en soms stevige kaken. Ze hebben geen steeksnuit, in tegenstelling tot de wantsen. Haftenlarven > 7mm Larven (nimf) met zes poten, een kop, een borststuk en een achterlijf. Aan het achterlijf zitten kieuwen en aan het eind drie staartdraden. De aanleg van de vleugels van het volwassen dier is bij de larven al zichtbaar. Een popstadium is afwezig. Uit de volgroeide larve kruipt direct het volwassen insect: de haft of eendagsvlieg. Haftenlarven zijn 5-30 mm lang. Sommige larven zwemmen vrij in het water en kruipen over de planten. Andere kruipen over de bodem of leven ingegraven in de bodem. 1a Kieuwen over het achterlijf gebogen; niet zijdeling uitstekend - 2 1b Kieuwen zijdelings aan het achterlijf vastgehecht of uitstekend - 4 2a Slank en geelachtig; < 3cm; grote geveerde, plat over het achterlijf liggende kieuwen - Gravende haftenlarven 2b 3a Kieuwen verborgen onder `schilden`; in of op de bodem kruipend - Caenis 3b Donker gekleurd; kieuwen bladachtig; poten en `staarten` zwartgeel gestreept - Ephemerella 4a Afgeplat; kop halvemaanvormig - Platte haftenlarven 4b Nooit afgeplat - 5 5a Drie even lange `staarten` - Cloeon 5b Middelste van de drie `staarten` korter - Baetis 1a Zwart glanzend, in kringetjes zwemmend op het wateroppervlak - Draaikever of Schrijvertje 1b Niet op het wateroppervlak levend - 2 2a Zeer klein kruipend, niet zwemmend - Elmis aunea 2b Goede zwemmer - 3 3a Kop niet aansluitend op het dekschild; uitpuilende ogen; maakt geluid bij beetpakken - Kleine zwemkever 3b Kop en ogen niet uitpuilend; maakt geen geluid - 4 4a Groot 2.5 tot 4 cm - 5 4b Klein < 1cm - 6 5a Halsschild en dekschild met gele randen - Geelgerande waterkever (Waterroofkever) 5b Zwarte kever - Grote spinnende watertor 6a < 5mm - 7 6b 5mm tot 10mm - 8 7a Eivormig, oranjegeel tot roodbruin - Watertreder 7b Kogelrond, roestrood - Roestrood waterroofkevertje 8a Gevlekte dekvleugels - Beekzwemmer 8b Dekvleugels glanzend zwart - Snelzwemmers en Bodemzwemmers

Keverlarven Wantsen Bootsmannetje (of ruggenzwemmer) < 1.5 cm Keverlarven < 5 cm 1a Smalle kop; lichaam bedekt met kieuwdraden - Schrijvertjeslarve 1b Afgeplatte brede kop - 2 2a Slanke `hals`; < 3 cm - Gegroefde waterkeverlarve 2b Geen slanke `hals`; forse kaken; > 3 cm - Geelgerande waterkeverlarve Duikerwants < 1 cm Schaatsenrijder < 1.5 cm Staafwants > 4 cm

Kokerjufferlarven Waterschorpioen > 2.5 cm Volwassen wantsen hebben een duidelijke kop, halsschild en achterlijf. Over het achterlijf liggen twee dekschilden. Deze dekschilden overlappen elkaar aan het eind, waardoor een X-vormige figuur te herkennen is. Zoals alle insecten hebben ze zes poten. Onder de kop hebben ze een steeksnuit, die kort of lang kan zijn. Wantsen bewegen hun achterpoten tegelijk, als roeispanen. Ze zwemmen vaak met schokken. Sommige soorten lopen over het wateroppervlak. Kokerjufferlarve (met koker) > 2 cm 1a Leeft aan het wateroppervlak; antennes langer dan de kop - 2 1b Leeft in het water; antennes korter dan de kop of onzichtbaar - 4 2a Naaldvormig met zeer lange kop - Vijverloper 2b Niet naaldvormig - 3 3a Middelste en achterste poten dun en langer dan het lijf - Schaatsenrijder 3b Korte poten; achterlijf aan weerszijden oranje strepen - Beekloper 4a > 15mm met ademhalingsbuis `staart` - 5 4b < 15mm zonder staart - 6 5a Lichaam sterk afgeplat - Waterschorpioen 5b Staafvormig; lichaam niet afgeplat - Staafwants 6a Zwemt op de rug, rust met poten omhoog tegen het wateroppervlak - 7 6b Zwemt op de buik - 8 7a Achterste poten twee maal zo lang als de andere poten - Bootsmannetje of Ruggenzwemmer 7b Achterste poten niet twee maal zo lang als de andere poten - Dwergruggenzwemmer 8a `Roeit` met zijn achterpoten, rust met gespreide poten - Duikerwantsen 8b Achterste potenpaar niet verlengd; dier bijna even lang als breed - Zwemwants Kokerjufferlarve (zonder koker) > 2 cm Kokerjuffers zijn larven van schietmotten. De meeste kokerjuffersoorten bouwen zelf een kokertje van steentjes, bladstukjes, takjes, etc. waar ze in leven. Er zijn kokerjuffersoorten die pas een kokertje maken als ze gaan verpoppen. Ook kan een kokerjuffer tijdens het vangen uit de koker geraakt zijn. Als er geen koker is, zijn kokerjuffers te herkennen aan de twee klauwtjes aan het eind van het achterlijf. Het achterlijf is week, er zitten vaak kieuwen aan. Alleen de eerste segmenten achter de kop (borst) hebben meestal harde schildjes. De meeste kokerjuffers leven in schoon, stromend water. 1a Een verplaatsbaar kokertje - 2 1b Geen kokertje maar zijdeachtig buisje of netje - 12 2a Kokertje onregelmatig gevormd - Limnephillidae 2b Kokertje regelmatig gevormd - 3 3a Kokertje van spiraalvormig gerangschikte plantenresten - 4 3b Kokertje niet van spiraalvormig gerangschikte plantenresten - 5 4a Zwemmend; Kokertje < 2cm - Leptoceridae 4b Niet zwemmend; kokertje < 6cm - Phryganeidae 5a Kokertje van zandkorrels met zijdelingse uitsteeksels - Molannidae 5b Kokertje zonder zijdelingse uitsteeksels - 6 6a Druppelvormig kokertje - Hydroptilidae 6b Kokertje anders - 7 7a Kokertje gebogen cilinder - 8 7b Kokertje niet gebogen - 9 8a Derde waaiervormige potenpaar drie maal zolang als het eerste paar - Beraeidae of Leptoceridae 8b Derde potenpaar korter - Odontocerum of Limnephilidae 9a Kokertje vierkant of rechthoekig - Sericostomatidae 9b Kokertje rond of halfrond - 10 10a Kokertje platbodemig; half cirkelvormig in zijaanzicht - Glossosomatidae 10b Kokertje niet platbodemig; nooit half circelvormig in zijaanzicht - 11

11a Kokertje altijd vastgehecht - Brachycentrus subnubilus 11b Kokertje altijd vastgehecht - Limnephilidae of Sericostomatidae Glazenmakerlarven 12a Larve bedekt met lange haren - Hydroptilidae 12b Larve zonder lange haren - 13 13a Vastgehecht buisje - Psychomyicae 13b Geen kokertje of een netje - vrij levende Kokerjuffer (Polycentropidae, Philopotamidae of Rhyacophilidae) Libellenlarven (zie Waterjufferlarve en Glazenmakers) Waterjufferlarven Glazenmakerlarve < 3.5 cm Larven van libellen zijn te herkennen aan het driehoekige vangmasker dat onder aan de kop zit. Hiermee vangen ze diverse kleine waterdiertjes, zoals watervlooien. De aanleg van de vleugels van de volwassen libel is bij de larven al te zien. Libellen hebben geen pop, de volwassen libel kruipt direct uit de huid van de larve. De larven van glazenmakers zijn plomp en dik. De meeste soorten kunnen slechts in redelijk schoon water leven. Waterjufferlarve < 2.5 cm Larven van libellen zijn te herkennen aan het driehoekige vangmasker dat onder aan de kop zit. Hiermee vangen ze diverse kleine waterdiertjes, zoals watervlooien. De aanleg van de vleugels van de volwassen libel is bij de larven al te zien. Libellen hebben geen pop, de volwassen libel kruipt direct uit de larvehuid. De larven van waterjuffers zijn lang en slank. De meeste soorten kunnen slechts in redelijk schoon water leven. 1a Antennes lang en robuust; eerste antennelid zeer lang - Beekjuffers 1b Antennes niet robuust; eerste antennelid veel korter dan overige antenneleden samen - 2 2a Kop vaak tweemaal zo breed als borststuk - Lestidae 2b Kop minder dan anderhalf maal zo breed als borststuk - 3 3a `Staartpunt` lang en draadvormig - Platicnemidae 3b `Staartpunt` kort - Coenagrionidae 1a Achterlijf gelijk aan of meer dan driemaal zo lang als breed - 2 1b Achterlijf gelijk aan of minder dan tweemaal zo lang als breed - 3 2a Opvallend `harig` - Cordulegaster boltonii 2b Niet `harig` - Eshnidae 3a Kop afgerond; achterlijf breed en sterk afgeplat en geleidelijk versmallend naar de punten toe - Gomphidae 3b Kop min of meer vijfhoekig; achterlijf weinig afgeplat en geleidelijk versmallend naar een breed plat stuk aan het einde - 4 4a Vierde en vijfde `staartpunt` meer dan de halve lengte van de eerste drie punten - Corduliidae 4b Vierde en vijfde punt kleiner dan of gelijk aan de halve lengte van de eerste drie punten - Libellulidae

Spinnen en Watermijt Waterspin > 15 mm Watermijt < 4 mm Watermijten vinden we vooral in modderig water met veel planten. Ze leven van kleine, zachte insectenlarven, visjes en kikkervisjes, waarvan ze het bloed opzuigen. Ze zijn de prooi van vissen en amfibieën. Zuurstof wordt opgenomen door mondopeningen in de huid. Waterspinnen leven tussen planten onder water. In webdraden onder water vangen ze larven, amfibieën en vissen. Ze nemen lucht vanaf de oppervlakte mee tussen de haren van het achterlijf. 1a Vier paar duidelijke poten - Waterspin 1b Rond bolletje - Waterrmijt