Instelling Hof van Cassatie Onderwerp Misbruik van vennootschapsgoederen. Begrip. Gebruik door de bestuurder van vennootschapsgoederen in zijn eigen belang Datum 6 februari 2013 Copyright and disclaimer De inhoud van dit document kan onderworpen zijn aan rechten van intellectuele eigendom van bepaalde betrokkenen, Er wordt u geen recht verleend op deze rechten. M&D Seminars geeft u via dit document informatie, maar verstrekt geen advies. M&D Seminars garandeert niet dat de informatie in dit document foutloos is. U gebruikt de inhoud van dit document op eigen risico. M&D Seminars, noch een van haar directieleden, aandeelhouders of bedienden zijn aansprakelijk voor bijzondere, indirecte, bijkomstige, afgeleide of bestraffende schade, noch voor enig ander nadeel van welke aard ook bij het gebruik van dit document en van de inhoud van dit document. M&D Seminars 2013 M&D SEMINARS Eikelstraat 38 9840 De Pinte T 09 224 31 46 F 09 225 32 17 info@mdseminars.be www.mdseminars.be
6 FEBRUARI 2013 P.12.1129.F/1 Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.12.1129.F C. L., Mr. Laurent Kennes, advocaat bij de balie te Brussel, tegen André MAGOTTEAUX, advocaat, curator van het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Maillard Colin. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik, correctionele kamer, van 31 mei 2012. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, zes middelen aan. Advocaat-generaal Damien Vandermeersch heeft op 30 januari 2013 een conclusie neergelegd ter griffie. Op de rechtszitting van 6 februari 2013 heeft raadsheer Benoît Dejemeppe verslag uitgebracht en heeft de voornoemde advocaat-generaal geconcludeerd.
6 FEBRUARI 2013 P.12.1129.F/2 II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling A. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissing op de tegen de eiser ingestelde strafvordering Eerste middel Het middel, dat schending aanvoert van artikel 489ter, 1, Strafwetboek, voert aan dat de appelrechters het materiële bestanddeel van de aan de eiser ten laste gelegde verduistering van activa niet hebben vastgesteld, aangezien de handeling bestond in de betaling van een bedrag dat hem door de failliete vennootschap was verschuldigd. De bestuurder van een zich in staat van faillissement bevindende vennootschap die, onder het mom van een verrichting waartoe hij niet gerechtigd was, zich een zaak toe-eigent die hem niet toebehoort en die de schuldeisers aldus hun waarborg ontneemt, pleegt de bij de voormelde bepaling verboden verduistering. Het arrest vermeldt dat de eiser zich het geld van de overdracht van de door de vennootschap geëxploiteerde handelszaak heeft toegeëigend en dat de eiser, zelfs in de veronderstelling dat hij een schuldvordering op die vennootschap had, haar wegens de aanzienlijke schuldenlast geen geld mocht onttrekken. Die overwegingen verantwoorden de beslissing van de appelrechters naar recht. Het middel kan niet worden aangenomen. Tweede en derde middel samen De middelen verwijten het arrest dat het artikel 489bis, 1 en 4, Strafwetboek schendt door de eiser schuldig te verklaren aan het feit dat hij, met het oogmerk om het faillissement uit te stellen, al te kostelijke middelen heeft aangewend om zich geld te verschaffen en verzuimd heeft aangifte te doen van het faillissement, hoewel de appelrechters het morele bestanddeel niet hebben vastgesteld en evenmin op de conclusie dienaangaande hebben geantwoord.
6 FEBRUARI 2013 P.12.1129.F/3 Het arrest oordeelt eerst dat de door de eiser nagelaten belasting- en vennootschapsschulden zo aanzienlijk zijn dat zij ontegenzeglijk neerkwamen op een staking van betaling en een geschokte kredietwaardigheid. Het verduidelijkt vervolgens dat de eiser de rampzalige financiële toestand van de vennootschap kende, vermits hijzelf aan de basis daarvan lag. De appelrechters vermelden voorts dat de eiser ondanks de aanzienlijke schuld van de vennootschap bij de institutionele schuldeisers, haar activiteit heeft in stand gehouden, hoewel de voorwaarden voor de faillietverklaring verenigd waren vanaf het eerste, op verzoek van de belastingadministratie opgestelde proces-verbaal van onvermogen. Met die overwegingen die, met betrekking tot het morele bestanddeel van de misdrijven, antwoorden op het verweermiddel van de eiser, verantwoordt het arrest zijn beslissing naar recht. De middelen kunnen niet worden aangenomen. Vierde middel Artikel 492bis Strafwetboek, dat volgens de eiser zou zijn geschonden, straft met name de bestuurders, in feite of in rechte, van een handelsvennootschap, die met bedrieglijk opzet en voor persoonlijke rechtstreekse of indirecte doeleinden gebruik hebben gemaakt van de goederen of van het krediet van de rechtspersoon, hoewel zij wisten dat zulks op betekenisvolle wijze in het nadeel was van de vermogensbelangen van de rechtspersoon en van die van zijn schuldeisers of vennoten. Die bepaling straft met name de bestuurder van een rechtspersoon die op bedrieglijke wijze de vennootschapsgoederen gebruikt, niet in het belang van die rechtspersoon maar in zijn eigen belang. De appelrechters schenden het voormelde artikel 492bis niet, door te oordelen dat de overdracht van de handelszaak van de vennootschap en het feit dat de eiser zich het bedrag daarvan heeft toegeëigend ondanks de aanzienlijke schulden van de vennootschap, worden beschouwd als een gebruik dat op betekenisvolle wijze in het nadeel was van de vennootschapsgoederen van de rechtspersoon en die van zijn schuldeisers.
6 FEBRUARI 2013 P.12.1129.F/4 Het middel kan niet worden aangenomen. ( ) Zesde middel Artikel 42, 3, Strafwetboek bepaalt dat bijzondere verbeurdverklaring wordt toegepast op de vermogensvoordelen die rechtstreeks uit het misdrijf zijn verkregen, op de goederen en waarden die in de plaats ervan zijn gesteld en op de inkomsten uit de belegde voordelen. Met toepassing van artikel 489bis, 1, van hetzelfde wetboek, werd de eiser schuldig verklaard aan het feit dat hij met het oogmerk om het faillissement uit te stellen, al te kostelijke middelen heeft aangewend om zich geld te verschaffen, met name dat hij de schulden van de in staat van faillissement verkerende vennootschap bij de administratie van de directe belastingen, de administratie van de belasting op de toegevoegde waarde en de Rijksdienst voor sociale zekerheid niet heeft betaald, voor een totaalbedrag van 375.161,61 euro (telastleggingen D.14, D.15 en D.16). Op grond van het voormelde artikel 42, 3, werd die som als vermogensvoordeel verbeurdverklaard. Een schuld die onbetaald is gebleven met het oogmerk om het faillissement van een vennootschap uit te stellen, bezorgt op zich geen vermogensvoordeel dat krachtens die bepaling kan worden verbeurdverklaard. Door de onbetaalde schulden van de eiser gelijk te stellen met de vermogensvoordelen die uit de voormelde telastleggingen zijn verkregen, schendt het arrest het begrip vermogensvoordeel. Het middel is gegrond. Aangezien de schuldigverklaring niet zelf nietig wordt verklaard en de verbeurdverklaring geen bestanddeel is van de hoofdstraf, is alleen de verbeurdverklaring nietig.
6 FEBRUARI 2013 P.12.1129.F/5 Ambtshalve onderzoek van de beslissing over de strafvordering Voor het overige zijn de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht genomen en is de beslissing overeenkomstig de wet gewezen. B. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissing op de burgerlijke rechtsvordering van de verweerder tegen de eiser De eiser voert geen bijzonder middel aan. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het ten laste van de eiser het bedrag van 375.161,61 euro verbeurdverklaart. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Veroordeelt de eiser tot drie vierde van de kosten van zijn cassatieberoep en laat het overige vierde ten laste van de Staat. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis en Françoise Roggen, en in openbare terechtzitting van 6 februari 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Damien Vandermeersch, met bijstand van griffier Tatiana Fenaux. Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Filip Van Volsem en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky. De afgevaardigd griffier, De raadsheer,