1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
8 Tot slot vraag ik u: Wees allen eensgezind, leef met elkaar mee, heb elkaar lief als broeders en zusters wees barmhartig en bereid de minste te zijn. 9 Vergeld geen kwaad met kwaad, en als u wordt uitgescholden, scheld dan niet terug; zegen juist, opdat u ook zelf zegen ontvangt, want daartoe bent u geroepen. 10 Immers: Wie het leven liefheeft en gelukkig wil zijn, moet geen laster of leugens over zijn lippen laten komen, 11 hij moet het kwaad uit de weg gaan en het goede doen, en voortdurend vrede nastreven. 12 Want de Heer verliest de rechtvaardigen niet uit het oog en luistert naar hun gebeden, maar hij keert zich tegen wie kwaad doen. 13
Het lijden in de eindtijd 13 Overigens, wie zou u kwaad doen als u zich volledig inzet voor het goede? 14 Maar zelfs als u zou lijden omwille van de gerechtigheid, dan bent u toch gelukkig te prijzen. Wees daarom niet bang voor de mensen en laat u door niets in verwarring brengen; 15 erken Christus als Heer en eer hem met heel uw hart. Vraagt iemand u waarop de hoop die in u leeft gebaseerd is, wees dan steeds bereid om u te verantwoorden. 16 Doe dat dan vooral zachtmoedig en met respect, houd uw geweten zuiver; dan zullen de mensen die zich honend over uw goede, christelijke levenswandel uitlaten, zich schamen over hun laster 14
17 Het is beter te lijden, indien God dat wil, omdat men goeddoet dan omdat men kwaad doet. 18 Ook Christus immers heeft, terwijl hij zelf rechtvaardig was, geleden voor de zonden van onrechtvaardigen, voor eens en altijd, om u zo bij God te brengen. Naar het lichaam werd hij gedood maar naar de geest tot leven gewekt. 15
16
17
18
19
20
Wij gaan voor even uit elkaar 1. Wij gaan voor e-ven uit el-kaar en de-len nu het licht. Dat.. Licht ver telt ons iets van God op hem zijn wij ge - richt. Straks zoeken wij el-kaar weer op en elk heeft zijn ver-haal. Het. Licht verb-indt ons met el - kaar: het is voor al le - maal
22
Psalm 110 1 Van David, een psalm. De HEER spreekt tot mijn heer: Neem plaats aan mijn rechterhand, ik maak van je vijanden een bank voor je voeten. 2 Uit Sion reikt de HEER u de scepter van de macht, u zult heersen over uw vijanden. 23
3 Uw volk staat klaar op de dag dat u ten strijde trekt. Op de heilige bergen, uit de schoot van de dageraad, komt tot u de dauw van uw jeugd. 4 De HEER heeft gezworen, en komt op zijn eed niet terug: Je bent priester voor eeuwig, zoals ook Melchisedek was. 5 De Heer aan uw rechterhand verplettert koningen op de dag van zijn toorn. 24
6 Hij berecht de volken, verplettert hoofden, overal op aarde, lijken stapelen zich op. 7 Hij drinkt onderweg uit de beek en dan heft hij zijn hoofd. 25
26
27
28
Na de opstanding 9 Toen hij vroeg op de eerste dag van de week uit de dood was opgestaan, verscheen hij eerst aan Maria uit Magdala, bij wie hij zeven demonen had uitgedreven. 10 Ze ging het nieuws vertellen aan de mensen die hem hadden vergezeld en die nu om hem treurden en rouwden. 11 Toen ze hoorden dat hij leefde en dat zij hem had gezien, geloofden ze het niet. 12 Daarna verscheen hij in een andere gedaante aan twee van hen toen ze buiten de stad aan het wandelen waren. 13 Ze gingen terug en vertelden 29
13 Ze gingen terug en vertelden het aan de anderen; maar ook zij werden niet geloofd. 14 Ten slotte verscheen hij aan de elf terwijl ze aan het eten waren, en hij verweet hun hun ongeloof en halsstarrigheid, omdat ze geen geloof hadden geschonken aan degenen die hem hadden gezien nadat hij uit de dood was opgewekt. 15 En hij zei tegen hen: Trek heel de wereld rond en maak aan ieder schepsel het goede nieuws bekend. 16 Wie gelooft en gedoopt is zal worden gered, maar wie niet gelooft zal worden veroordeeld. 30
17 Degenen die tot geloof zijn gekomen, zullen herkenbaar zijn aan de volgende tekenen: in mijn naam zullen ze demonen uitdrijven, ze zullen spreken in onbekende talen, 18 met hun handen zullen ze slangen oppakken en als ze een dodelijk gif drinken zal dat hun niet deren, en ze zullen zieken weer gezond maken door hun de handen op te leggen. 19 Nadat hij dit tegen hen had gezegd, werd de Heer Jezus in de hemel opgenomen en nam hij plaats aan de rechterhand van God. 31
20 En zij gingen op weg om overal het nieuws bekend te maken. De Heer hielp hen daarbij en zette hun verkondiging kracht bij met de tekenen die ermee gepaard gingen. 32
33
34
35
36
37
38
39
40
41
42
43
44
45
46
47
48
49
50